DE BEELDENSTORM.DE BEELDENSTORM.
Luther ging nu niet meer naar zijn schuilplaats terug. Hij bleef in Wittenberg, trots pauselijken en keizerlijken ban, en vatte er vol moed al zijn werkzaamheden weer op; zijn onderwijs aan de hoogeschool, zijn prediking 's Zondags en in de week, het schrijven van boeken; en bij dit alles werkte hij, geholpen door Melanchton, met onvermoeiden ijver aan zijn Bijbelvertaling voort.
Nog in September verscheen het Nieuwe Testament in druk. Voor één en een halven gulden was het te koop; en de menschen waren er zóó begeerig naar, dat reeds in December van datzelfde jaar een tweede druk noodig was. Want alle vrienden van het Evangelie, rijke en arme, in de stad en op het land, wilden een N. Testament hebben. „Gij hebt ons Christus gepredikt” zeiden ze tot den hervormer, „nu willen wij Hemzelf hooren spreken.” En begeerig grepen ze naar het Boek, dat hun door Rome zoolang onthouden was, en gingen ze zich in het lezen oefenen; want die kunst verstonden nog maar betrekkelijk weinigen.
Terwijl het Nieuwe Testament nog gedrukt werd,begon Luther al met de vertaling van het Oude; en hoewel hij er onafgebroken aan voortwerkte, was eerst na twaalf jaren, in 1534 dus, het geheele werk voltooid. Maar de menschen behoefden gelukkig met het lezen er van zoolang niet te wachten; want het verscheen bij gedeelten, naarmate het werk vorderde. Was een deel vertaald, dan werd het dadelijk gedrukt en uitgegeven, om maar zoo spoedig mogelijk het verlangen er naar te bevredigen en het voor de armen gemakkelijker verkrijgbaar te maken.
Zoo werd Luthers Bijbel al spoedig het meest gelezen volksboek. De menschen droegen het bij zich en bestudeerden het zóó, dat ze er in korten tijd geheel in thuis waren, het om zoo te zeggen van buiten kenden. Ze konden nu ook zelf zien, waarin de leer des Bijbels verschilde van die der priesters, en dat Luthers hervorming geheel in overeenstemming was met Gods Woord. Eenvoudige mannen en vrouwen, kinderen en soldaten, wisten meer van den Bijbel dan priesters en geleerden.
„'t Wordt toch àl te erg,” klaagde een vijandig geestelijke. „Schoenlappers en werkvrouwen, ja zelfs leerjongens, durven met onze priesters over het geloof en het Evangelie te redetwisten. En daar ze alles alleen uit de Schrift bewezen willen hebben, zooals die Luther hun dat geleerd heeft, doen ze onze geleerdste mannen met beschaamde kaken staan.”
Hetzelfde dachten al de tegenstanders, met groote vrees en ergernis. Ze blaakten van woede over dit nieuwe werk van Luther; want in dien volksbijbelzag Rome zijn meest geduchten vijand. Hertog George van Saksen verbood in zijn land het lezen en verkoopen er van en gaf bevel, dat elk exemplaar bij de Overheid gebracht moest worden. In andere Roomschgezinde staten werd hetzelfde geboden. Hier en daar werden er al brandstapels van gemaakt. Maar het hielp niet. „Zelfs na mijn verbod zijn er in mijn staten al duizenden exemplaren verkocht en gelezen,” moest hertog George getuigen. Het Woord kòn niet gebonden worden. Als God werkt, wie zal het dan keeren?
En zooals het in Duitschland ging, ging het ook in de andere landen van Europa. In àl meer talen werd het Boek der boeken overgezet en verspreid. In de Nederlanden, in Zweden, Spanje, Italië, enz. En waar de Bijbel kwam, kwam de Hervorming; niet alleen in de Kerk, maar ook in de huizen en harten van de menschen. Het overbrengen van den Bijbel in de volkstaal is wel het gewichtigste werk van Luther voor de Hervorming geweest, en tot een onberekenbaren zegen geworden voor heel de wereld.
Evenals in den tijd van de eerste Christenen werd ook nu met den dag het aantal grooter van hen, die in den Heere Jezus geloofden als hun eenigen Zaligmaker; en die nieuwe belijders hielpen dan in hun omgeving weer mee de „nieuwe leer” of beter gezegd de „oude leer”, de leer der apostelen, verbreiden.Evangelischenwerden ze genoemd, omdat ze zich altijd op het Evangelie beriepen; en dien naam droegen ze 't liefst.
Dit waren in de eerste plaats priesters èn monniken. Want ook in de kloostercellen was het licht van het Evangelie doorgedrongen, en de meeste monniken waren overtuigd geworden, dat het kloosterleven in strijd was met Gods wil en het Christelijk leven. Dikwijls waren het de priors zelf, die hun monniken het voorbeeld gaven, de kloostergelofte te breken; en zoo liepen de meeste kloosters leeg; want nieuwe broeders mochten niet meer aangenomen worden. Alleen die er waren en blijven wilden, mochten dit doen; maar de verstandigsten en beschaafdsten onder de monniken ontdeden zich van pij en kap en gingen een nuttiger leven leiden. Zooals b.v. die Franciskaner, die met zijn bedelbus in de hand in een smederij om een aalmoes kwam.
„Waarom werk je niet liever voor je brood?” vroeg de smid, den stevigen monnik eens flink in de oogen ziende.
„Je hebt gelijk,” zei de monnik. En zijn kleed met de lange mouwen afwerpend, vatte hij een hamer in zijn sterke vuist, en liet dien met kracht op het aambeeld neerkomen.
Zoo'n knecht kon de smid juist gebruiken. En de onnutte bedelaar was een eerlijk handwerksman geworden. Zijn bus en monnikskap werden naar het klooster teruggebracht.
Anderen gingen het Evangelie verkondigen. En wie daarvoor te dom waren, maar zich toch ook nuttig wilden maken voor de goede zaak, na een leven van luiheid, gingen boeken over de Hervorming venten. Heele landstreken liepen ze af; tot in de kleinstedorpen en hutjes brachten ze de geschriften van Luther en zijn vrienden. Want dezen gingen maar voort met schrijven, en de persen—gelukkig dat de boekdrukkunst een eeuw vroeger uitgevonden was—de persen drukten maar. Terwijl er in 1513 en 1517 slechts vijf en dertig en zeven en dertig boeken uitgegeven waren, nam hun aantal al dadelijk na Luthers stellingen verbazend toe. In 1518, dus één jaar later, verschenen er reeds een en zeventig; en in 1523 niet minder dan vierhonderd acht en negentig,—waarvan honderd drie en tachtig door Luther geschreven—tegenover twintig in datzelfde jaar van Roomschen kant.
En overal werden die geschriften met gretigheid gelezen. Dit gebeurde meestal 's avonds, na gedaan dagwerk, bij den haard, dikwijls bij den schoolmeester. Was men soms in twijfel over het gelezene, dan werd de Bijbel geraadpleegd. En daaruit zag men dan, dat die boeken de waarheid zeiden, en dat men zelf altijd verkeerd onderwezen was. En wie tot hiertoe nog geweifeld had tusschen Rome en de Hervorming, liet de oude leer varen en schaarde zich van heeler hart aan de zijde van de nieuwe.
't Gaf niets of de keizer en de vorsten al strenge edicten tegen de boeken der hervormers uitvaardigden. Als er door de Inquisitie huiszoeking gedaan zou worden, stopten de kooplieden, in 't geheim onderricht, ze zorgvuldig weg. En daar een mensen gewoonlijk 't meest verlangt naar wat hij niet hebben mag, werden die veroordeelde boeken daarna nòg gretiger gekocht en gelezen.
Maar niet enkel op de boeken, ook op de verspreiders en de lezers er van had Rome het gemunt, inzonderheid op de predikers. Soms moesten ze om de vervolging hun woonplaats verlaten. Kwamen ze dan ergens, waar men nog weinig van de Hervorming wist, dan spraken ze in de woning, die hen herbergde, over het Evangelie; lazen er den bijeengeroepen buren en bekenden iets uit voor; preekten in de kerk, als het hun vergund werd; en als ze de kerk niet hebben mochten, op een andere plaats. Alle plaatsen werden nu kerken. Een markt, een kerkhof, een heuvel, een weiland dicht bij de stad—overal kon men de blijde boodschap hooren van Gods vergevende zondaarsliefde voor allen, die met oprecht berouw hun heil in Christus zochten. De menschen behoefden nú niet met hun geld in de hand te staan om van hun zonden verlost te worden. „We hebben het om niet ontvangen we geven het om niet,” was de leus van de predikers. En zoo bracht dan de vervolging aan de zaak der Hervorming juist vóór- inplaats van nadeel toe.
En zoo ging het weer niet alleen in Duitschland, maar ook in Frankrijk, Engeland, ja overal waar de Bijbel onder het volk kwam.
Na zijn terugkomst in Wittenberg verkeerde Luther voortdurend in levensgevaar; want door dat keizerlijk edict van Worms mocht iedereen hem vangen en dooden. Hij leefde trouwens dagelijks zelf in afwachting van gevangenis en brandstapel. Maar zijn God waakte over hem en liet zijn vijanden niet toe hem eenig kwaad te doen.
In 1525 stierf Luthers beschermheer, de oude, vrome keurvorst van Saksen. Zijn trouwe kapelaan Spalatin en zijn dienaren stonden weenend om zijn bed. Vriendelijk vroeg de goede vorst zijn „kindertjes” vergeving, zoo hij mogelijk iemand van hen verdriet gedaan had. „Wij, vorsten, kunnen het den menschen dikwijls lastig maken, en dat is niet goed,” zei hij.—Even voor zijn dood liet hij het vóór vele jaren geschreven testament verscheuren, waarin hij zijn ziel aan de „Moeder Gods” aanbeval, en een ander schrijven, waarin hij beleed, vast te gelooven, dat hij „alleen verlost was door het dierbaar bloed van zijn lieven Heiland.”
Frederiks broeder Johann, bijgenaamd de Standvastige, volgde hem op. Ook deze was een warmvriend, en daarbij een openlijk enheldhaftigverdediger van de Hervorming. „Ik wil dat gij voortaan het zuivere Woord van God, zonder eenig menschelijk bijvoegsel, prediken zult,” was zijn bevel aan de geestelijken, toen hij het bewind aanvaardde.
Dus ook bij zijn nieuwen vorst vond Luther bescherming; en zoo kon hij ongehinderd voortgaan, met Melanchton en anderen, Saksen te doorreizen om er overal de kerken en kloosters te bezoeken. Dit was dringend noodig; want er werden zulke erbarmelijke verkeerdheden aangetroffen en de onkunde onder de geestelijken was zóó groot, dat Luther en Melanchton zich er over bedroefden. Hoe konden toch de menschen in den weg der zaligheid onderwezen worden, als hun onderwijzers zelf er zoo onwetend in waren!
Om dien treurigen toestand verbeterd te krijgen, moesten natuurlijk allerlei verkeerde instellingen zooveel mogelijk verdwijnen. In de eerste plaats schafte Luther de mis af en de heiligendagen. Hij verlangde, dat in alle samenkomsten Gods Woord zou gepredikt worden. De ongeschikte geestelijken werden verwijderd en door bekwame, vrome predikers vervangen. Zelf stelde hij een paar vragenboeken op tot gebruik bij het godsdienstonderwijs, n.l. deGrooteen deKleine Catechismus. DeGrootewas voor de leeraarsbestemd, deKleinevoor de leerlingen. Vooral het laatste maakte grooten opgang. Weinig boeken zijn zóó dikwijls en in zóóveel talen gedrukt. De catechisatiën zijn ook een instelling van den hervormer.
Ook voor een Duitsch Gezangboek zorgde Luther,opdat de menschen zelf ook mee zouden kunnen zingen in de kerk, inplaats van altijd maar stil te moeten luisteren naar het Latijnsche koorgezang, waar ze toch niets van verstonden. Hij had zelf de liederen gedicht en bij vele ook de muziek gemaakt; en ze gingen er bij het volk zóó in, dat ze spoedig allerwegen gezongen werden, en soms nog meer bijdroegen tot verbreiding van het Evangelie dan de prediking.
Luther hield wonder véél van muziek en zang. „Naast de godgeleerdheid,” zei hij, „geef ik aan de muziek de eerste plaats en de hoogste eer, omdat ze haar oorsprong heeft in den Hemel, waar de lieve Engelen zelf muzikanten zijn.”—„Een schoolmeester moet kunnen zingen,” zei hij op een anderen keer, „anders is hij mij het aankijken niet waard.” Eens, toen men eenige schoone stukken voor hem zong, riep hij verrukt: „Indien onze Heere God reeds zulke bewonderenswaardige gaven geschonken heeft op deze aarde, die toch niet is dan een donkere hoek, wat zal het dan niet zijn in den Hemel, waar alles volmaakt is!”
Door Luther kreeg ook het volk smaak voor muziek. En de Bijbel gaf het woorden in voor de liederen. Er kwamen dichters en componisten, van wier werken ook wij nog genieten.
Ook zorgde Luther dat er goede scholen kwamen, waar ook Hebreeuwsch en Grieksch geleerd werd, noodig voor een grondig onderzoek van den Bijbel.Daartoe richtte hij een geschrift „Aan de Raadsheeren van alle steden van Duitschland, dat zij Christelijke scholen moeten oprichten en onderhouden.”
„Waarde Heeren,” zegt hij daarin onder meer, „men geeft jaarlijks zooveel geld uit voor wegen, dijken en geweren; waarom zou men er niet een weinig van besparen om aan de arme jeugd een paar schoolmeesters te geven? Het wezenlijk welzijn van een stad bestaat niet in groote schatten, sterke muren, schoone huizen, blinkende wapenen; maar in het bezit van veel knappe, eerzame en beschaafde burgers. Houdt u dan met de kinderen bezig.... Helpe toch, wie helpen kan.”
Had Luther denoproepgedaan, het was Melanchton, „de leeraar van geheel Duitschland,” die meer bepaald dezorgvoor de scholen op zich nam; er boeken over en voor schreef, voor betere leesboeken zorgde en zooal meer, en die daarom „de stichter van het nieuwe schoolwezen” genoemd wordt.
Luther deed intusschen zijn best om bij de scholen boekerijen aangelegd te krijgen van allerlei nuttige werken van schrijvers en dichters uit alle tijden, den Bijbel natuurlijk in de eerste plaats; om het volk, dat tot dusver maar dom was gehouden, tot meerdere ontwikkeling te brengen en hun zin te wekken voor het goede en schoone. „Want,” zei hij, „zulke schriften dienen om de werken en wonderen Gods te doen kennen.”
Dit werk van Luther behoort almede tot de gewichtigste, die de Hervorming voortgebracht heeft.
LUTHER EN ZIJN VROUW.LUTHER EN ZIJN VROUW.
Dat Luther van kinderen hield, bleek wel uit zijn brief aan de Raadsheeren, en meer nog uit den omgang met zijn eigen troepje, in den huiselijken kring; als hij met hen speelde en zong, hun vertelde en leerde; en uit de aardige brieven, die hij hun schreef als hij van huis was.
Want Luther was geen eenzame monnik meer. In October 1524 legde hij voorgoed zijn monniksgewaad af. En in Juli van het volgende jaar trouwde hij met Catharina von Bora, een gewezen non, van adellijke geboorte, die haar klooster ontvlucht was, toen ze met de leer van het Evangelie bekend was geworden.
De tegenstanders spraken schande van Luthers daad; zelfs enkele vrienden deden bedenkelijk; want geestelijken mòchten niet trouwen, leerde de Roomsche Kerk. Maar ook hierin wilde Luther „hervormer” zijn. „Ik wil niet alleen van Gods Woord getuigen door mijn woorden,” zei hij, „maar ook door mijn daden. Het huwelijk is een instelling van God; maar het verbod er van is een instelling van Rome. En van Rome wil ik in mijn leven niets overhouden.”
Luthers vriend Bugenhagen zegende zijn huwelijk in; en zijn ouders kwamen mee bruiloft vieren. Hetgezicht van vader Luther stond nu heel wat vroolijker dan toen hij, achttien jaar geleden, in het klooster te Erfurt, bij de priesterwijding van zijn Maarten, aan den feestmaaltijd zat.
Nu eerst kreeg Luther een gezellig tehuis; want hij had een lieve, vrome, zorgzame vrouw in zijn Käthe, zooals hijzelf zeide. „De morgenster van Wittenberg” noemde hij haar grappend, omdat ze 's morgens voor dag en dauw opstond. Reeds een jaar tevoren had de keurvorst hem het klooster, dat door al de monniken verlaten was, en waarin Luther op 't laatst nog maar alleen was overgebleven, ter bewoning gegeven. En zoo werd thans het somber verblijf van een hoop luierende, babbelende, ook wel eens krakeelende monniken herschapen in de woning van een gelukkig, bedrijvig, christelijk huisgezin.
Inplaats van langzame, zware monnikenstappen deden zich nu in die oude kloostergangen allerlei prettige geluidjes hooren van trippelende kindervoetjes en heldere kinderstemmen. Want drie jongens en drie meisjes schonk de Heer hun. „Wat ben ik toch een rijk man! Wat een grooten schat heeft God mij toch gegeven!” juichte de gelukkige vader.
Hun eersteling was een Hans; de anderen heetten Paul en Maarten; en de meisjes Magdalena, Elisabeth en Margaretha. Elisabeth is heel jong gestorven, nog vóór het jaar. En „Leneke”, vaders oogappeltje, een bijzonder lief, vroom kind, ging op haar dertiende jaar van hen heen.
O, wat waren de arme ouders toen bedroefd. „Lieve God,” klaagde Luther, toen hij zag dat het stervenwerd, „ik heb haar zeer lief; maar als het Uw wil is, haar van ons te nemen, dan verheugt het mij te weten dat ze bij U zal zijn.”—Tot de zieke zelf zei hij: „Magdaleentje, mijn dochtertje, je blijft graag bij je vader; maar je wilt toch ook wel graag naar je Vader in den Hemel gaan?”
LUTHER BIJ HET LIJK VAN ZIJN DOCHTERTJE.LUTHER BIJ HET LIJK VAN ZIJN DOCHTERTJE.
„Ja, lieve Vader; zooals God het wil,” kwam zacht het antwoord.
Toen ze gestorven was, zei Luther: „'t Is wonderlijk, te weten dat ze in vrede en tot haar bestwil heengegaan is, en toch zoo bedroefd te zijn.”—„Lieve Käthe, laat ons toch bedenken wáár ze is en hoe goed ze 't nu heeft,” troostte hij zichzelf en de schreiende moeder. Tot zijn vrienden zei hij: „Ik heb een heilige naar den Hemel gezonden.”—Het lieve kind had haar ouders nooit het minste verdriet gedaan.
Behalve zijn eigen kinderen had Luther gewoonlijk nog meer jong volkje in huis, kostjongens, die te Wittenberg studeerden;waaronder ook een zoon van zijn vroegere weldoenster, mevrouw Cotta, uit Eisenach. 't Was er maar zelden zonder bezoekers; want geen gastvrijer huis in heel Wittenberg dan Luthers gezellige pastorie. Wie kwam was welkom. De vrienden hadden te allen tijd vrijen toegang. En bezoekers van buitenaf—en er kwamen niet weinigen om den grooten man te zien—werden, 't zij rijk of arm, bijna altijd aan zijn tafel genoodigd; wat de huismoeder wel eens in het nauw bracht, als ze op geen onverwachte gasten gerekend had. En wat de gastheer dan zooal sprak, was het luisteren en onthouden óverwaard. Een paar huisvriendenvonden het dan ook jammer, dat zooveel leerzame, geestige, pittige gezegden, uitingen van zijn vroom, opgeruimd, liefhebbend gemoed, niet door nòg meerderen gehoord konden worden, en hebben ze daarom zooveel mogelijk opgeteekend en na zijn dood uitgegeven. Dit was wel een goede gedachte. Zoo zijn „Luthers Tafelgesprekken” ook voor het nageslacht bewaard gebleven, en kunnen ook wij, na vierhonderd jaren, er nog van meegenieten.
„Frau Käthe” had den naam van nogal zuinig te zijn; maar dat moest ze wel. De vrienden noemden het al lachend een geluk voor het gezin, dat zij het roer in handen had; want haar man zou alles maar weggegeven hebben aan wie in den nood tot hem kwamen, tot zijn kleeren en meubelen toe. 't Gelukte haar echter niet altijd om daar een stokje voor te steken. Ondanks haar vermanenden blik gaf hij eens aan een student, die naar huis moest en geen reisgeld had, zoo maar zijn zilveren beker weg, dien hij eens van een vorst had gekregen. „Ik hoef niet uit zilver te drinken,” verontschuldigde hij zich.
Aan muziek ontbrak het ook niet in de gezellige woonkamer met het groote raam, dat op den kloostertuin uitzag. Als we er bij waren geweest, wanneer Vader zijn luit nam en met zijn mooie barytonstem een van zijn liederen inzette, en ouden en jongen zoo van harte meezongen, zouden we er zelf ook niet lang stil bij gebleven zijn. Geen wonder dat men zich gaarne vinden liet bij de vriendelijke, blijmoedige bewoners van het oude klooster, dat geen klooster meer was.
LUTHER IN DEN HUISELIJKEN KRING.LUTHER IN DEN HUISELIJKEN KRING.
Ook buiten de muren van Luthers vreedzame pastorie was het een tijdlang rustig geweest. Eigenbelang had Karel V zoowel als de paus, die met elkander in oorlog waren, genoodzaakt, aangaande de Hervorming maar wat door de vingers te zien; en daarom was in 1526 door den Rijksdag te Spiers besloten, dat de vorsten met de uitvoering van het edict van Worms—de vogelvrijverklaring van Luther en zijn aanhangers—naar goeddunken mochten handelen.
Maar nauwelijks was tusschen keizer en paus de vrede hersteld, of het was voor de Hervorming met de rust weer gedaan. In 1529 werd te Spiers een nieuwe Rijksdag belegd, die de verleende vrijheid weer introk. In de Roomschgezinde staten zou alle ketterij weer ten strengste worden gestraft, en in de Hervormingsgezinde, waar de nieuwe leer reeds te veel voortgang had gemaakt om haar te kunnen uitroeien, mochten geen verdere nieuwigheden ingevoerd en geen oude gebruiken meer afgeschaft worden. Zoodoende zou de Hervorming dus tot staan wordengebracht, en daar konden de Evangelische vorsten natuurlijk geen genoegen mee nemen. Ze teekenden verzet aan tegen dit besluit; en dit verzet ofprotestboden ze den Rijksdag aan.
Door ditprotestkregen ze, vooral van hun tegenstanders, den naam vanProtestanten; een naam, die toen op alle Hervormden is overgegaan, en dien wij nu ook nog dragen.
Zoo hadden zich twee partijen gevormd, die vijandig tegenover elkander stonden. Om aan de verdeeldheid een einde te maken, schreef de keizer in 1530 weer een Rijksdag uit, die te Augsburg zou gehouden worden. Daar, zoo maakte hij in een vriendelijken brief aan de vorsten bekend, konden beide partijen in liefde en vrede zich dan doen hooren en met elkander spreken, ten einde tot eenheid te komen in de leer. Maar zijn eigenlijk doel was, gelijk al spoedig bleek, om de Hervorming er onder te krijgen, zoo niet goedschiks, dan kwaadschiks.
Keurvorst Johann van Saksen ging er met Melanchton en nog eenigen van zijn godgeleerden heen. Luther, die nog onder den rijksban lag, kon hij natuurlijk niet onder de oogen van den keizer brengen; maar hij wilde hem toch, als zijn besten raadsman, zoo dicht mogelijk bij zich hebben. Daarom had hij hem op zijn doorreis in Coburg achtergelaten, een stad, 't dichtst bij de Saksische grens, waar hij hem het kasteel Ehrenburg tot verblijf had gegeven. Luther heeft daar een half jaar gewoond, zoolang de Rijksdag geduurd heeft. En al dien tijd is hij daar zijn vrienden teAugsburg tot steun geweest, met zijn raadgevingen, zijn bemoedigende brieven, en vooral met zijn gebed.
Hier heeft hij ook zijn wereldberoemd geloofslied gedicht, Gezang 264, waarvan wij het eerste vers al zoo dikwijls gezongen hebben:
Een vaste burg is onze God!Een toevlucht voor de Zijnen!Al drukt het leed, al dreigt het lot,Hij doet Zijn hulp verschijnen!De vijand rukt vast aanMet opgestoken vaan;Hij draagt zijn rusting nogVan gruwel en bedrog,Maar zal als kaf verdwijnen!Geen aardsche macht begeeren wij;Die gaat alras verloren!Ons staat de sterke Held terzij,Dien God ons heeft verkoren!Vraagt gij Zijn naam? Zoo weetDat Hij de Christus heet,Gods Eengeboren Zoon,Verwinnaar op den troon!De zege is ons beschoren!En grimde ook de open hel ons aan,Met al haar duizendtallen,Toch zal geen vrees ons nederslaan,Toch doen wij 't krijgslied schallen!Hoe ook de satan woedt,Wij staan hem, voet voor voet!Wij tarten zijn geweld!Zijn vonnis is geveld!Één woord reeds doet hem vallen!Gods Woord houdt stand in eeuwigheidEn zal geen duimbreed wijken!Beef, satan! Hij, die ons geleidt,Zal u de vlag doen strijken!Delf vrouw en kind'ren 't graf,Neem goed en bloed ons af,Het brengt u geen gewin;Wij gaan ten Hemel inEn erven Koninkrijken!
Een vaste burg is onze God!Een toevlucht voor de Zijnen!Al drukt het leed, al dreigt het lot,Hij doet Zijn hulp verschijnen!De vijand rukt vast aanMet opgestoken vaan;Hij draagt zijn rusting nogVan gruwel en bedrog,Maar zal als kaf verdwijnen!
Geen aardsche macht begeeren wij;Die gaat alras verloren!Ons staat de sterke Held terzij,Dien God ons heeft verkoren!Vraagt gij Zijn naam? Zoo weetDat Hij de Christus heet,Gods Eengeboren Zoon,Verwinnaar op den troon!De zege is ons beschoren!
En grimde ook de open hel ons aan,Met al haar duizendtallen,Toch zal geen vrees ons nederslaan,Toch doen wij 't krijgslied schallen!Hoe ook de satan woedt,Wij staan hem, voet voor voet!Wij tarten zijn geweld!Zijn vonnis is geveld!Één woord reeds doet hem vallen!
Gods Woord houdt stand in eeuwigheidEn zal geen duimbreed wijken!Beef, satan! Hij, die ons geleidt,Zal u de vlag doen strijken!Delf vrouw en kind'ren 't graf,Neem goed en bloed ons af,Het brengt u geen gewin;Wij gaan ten Hemel inEn erven Koninkrijken!
Dit lied, waar Luther zelf de wijs bij maakte, werd gedurende den Rijksdag in Augsburg en in heel Saksen gezongen.
Aan Melanchton had de keurvorst opgedragen een geloofsbelijdenis,confessie, op te stellen, dit is een verklaring van wat de Evangelischen geloofden; en toen dit stuk door allen goedgekeurd was, werd het door de vorsten en predikers onderteekend. Ook de jonge vorst van Anhalt, dezelfde die als twaalfjarige knaap het Leipziger twistgesprek met zooveel belangstelling had bijgewoond, greep vol geestdrift de pen. „Ik heb in mijn leven reeds menige lans gebroken, maar nu sta ik gereed om voor de edelste zaak, voor de eer van mijn Zaligmaker Jezus Christus den kamp te wagen,” sprak hij met vuur. „Als ik er op het oogenblik mijn leven voor moest geven, zou ik het gaarne doen.” Toen zijn naam er stond en hij de pen neerlegde, zei hij, zich stralend naar de leeraars keerend: „Ik zou liever mijn vaderlijk erfgoed als balling verlaten en met het nederigste werk mijn brood verdienen, dan een leer aannemen, die niet overeenkomt met deze geloofsbelijdenis.”
Den 25stenJuni werd de confessie met veel plechtigheid aan den keizer en heel den Rijksdag in de Duitsche taal voorgelezen en een Latijnsch afschrift er van aan den keizer overhandigd met de woorden: „Allergenadigste Keizer! ziedaar een geloofsbelijdenis, die met Gods hulp tegen de poorten der hel bestand is.”
De voorlezing had diepen indruk gemaakt. Velen moesten bekennen dat deze belijdenis heel anders klonk, dan wat men van de ketters vertelde. „'t Is volkomen waar, wat daar voorgelezen is; we kunnen het niet loochenen,” verklaarde de bisschop van Augsburg. De hertog van Beieren vroeg aan Eck, den man van het Leipziger twistgesprek: „Wel, doctor, kunt ge de confessie op goede gronden weerleggen?”
„Niet als ik het alleen uit den Bijbel moet doen, maar wel uit de kerkvaders,” was het antwoord.
„Dat beteekent dus,” zei de hertog niet heel vriendelijk, „dat de Protestanteninde Schrift staan en wij ernaast.”
Velen van de nog Roomschgezinde vorsten werden dan ook door debelijdenisvoor het Evangelie gewonnen. Luther had wel goed gezien, toen hij zeide: „De confessie zal tot alle volken doordringen haar stem in alle landen vernomen worden;” want zij werd in alle Europeesche talen overgezet, en door haar kreeg de Hervorming, ook buiten Duitschland, tal van nieuwe vrienden.
't Gelukte den keizer niet, hoe lang en veel er werd gepraat, om de afvalligen in der minne, zooals hij gehoopt had, met de Roomsche kerkleer te verzoenenen beide partijen weer tot één te brengen. 't Hielp niet, dat hij, naar den wensch van zijn raadgevers, door Eck en eenige anderen een weerlegging van hun belijdenis liet opstellen en hen dwong zich daaraan te houden. De Protestanten bleven standvastig weigeren iets aan te nemen, wat niet overeenkwam met den Bijbel en hun geweten. Daarom was Karels laatste besluit: dan de ketterij maar uitroeien met geweld. „Wij zullen elkander met het zwaard in de vuist onder de oogen zien; en dan zal het blijken, wie de sterkste is!” riep hij in een vlaag van woede. Men had den keizer nog zelden zóó boos gezien.
Zoo ging de Rijksdag uiteen. De vijanden verlieten Augsburg in het onbehaaglijk gevoel, een zware nederlaag te hebben geleden. Maar de vrienden juichten over de hulp, door God hun verleend. 't Was zooals Luther het in zijn eenzaamheid had uitgezongen, hun stonddesterke Held ter zij; daarom was hùn de zege beschoren.
De Rijksdag van Augsburg, die ten doel had, de Hervorming uit te roeien, was juist het middel geweest om haar voorgoed te vestigen. 't Was nu voor allen duidelijk geworden: dit werk kòn niet verbroken worden.
Toch wilde Karel V het beproeven. „Ik ben besloten met alle macht tegen de Lutheranen te handelen en deze zaak geheel naar uw wensch ten einde te brengen,” schreef hij aan paus Clemens. In al zijn staten werden reeds de legers er voor bijeengebracht.
DE ANDREASKERK TE EISLEBEN.DE ANDREASKERK TE EISLEBEN.
Nu begon het er echt dreigend uit te zien voor deHervorming. Maar—„al drukt het leed, al dreigt het lot, God doet Zijn hulp verschijnen!” zong Luther. En thans verscheen die hulp in den Turkschen sultan Soliman, die met een groote krijgsmacht Hongarije kwam binnenvallen. Inplaats van met de Duitsche vorsten te gaan vèchten, moest Karel nu juist hun hulp inroepen tegen zijn Turkschen vijand. En die hulp wilden ze hem alleen verleenen, als hij eerst de edicten van Worms en Augsburg introk. Er schoot Karel dus niets anders over dan het te doen. En zoo werd in 1532 te Neurenberg een voorloopige godsdienstvrede gesloten, waarbij aan de Protestanten vrijheid van godsdienst en geweten werd toegestaan.
Het waren rustige jaren, die nu voor de Hervorming volgden. Keizer Karel had het vooreerst te druk met zijn vele oorlogen om zich met de „ketterij” bezig te houden; en dus konden de hervormers ongehinderd voortgaan met hun heerlijk werk.
't Was altijd Luthers innige wensch en bede geweest, dat er gedurende zijn leven om het Evangelie geen oorlog mocht komen; en zijn gebed is verhoord. Toen zijn groote taak op aarde was afgedaan, nam de Heer hem in vrede tot zich, in zijn drie en zestigste jaar.
Den 28stenJanuari was Luther op verzoek van de graven van Mansfeld te Eisleben gekomen om er een familietwist over hun erfgoederen bij te leggen. Toen hij met zijn zonen bij ruw weer op reis ging, was hij al lijdend en zwak, en door een onderweg gevatte koude werd het er in Eisleben niet beter op. Toch preekte hij er nog viermaal in de Andreaskerk. Zijnlaatste preek, vier dagen vóór zijn dood, was over Matth. 11: 25–30 en eindigde met de woorden: „Er zou nog veel meer van te zeggen zijn. Maar ik ben te zwak. We zullen het dus hierbij laten. Onze lieve God schenke ons de genade, dat wij Zijn dierbaar Woord met dankbaarheid aannemen, en in het geloof in Zijn lieven Zoon, onzen Heere Jezus Christus, wassen en toenemen en ten einde toe volharden. Amen.”
Toen hij er na drie weken de zaken in orde gebracht had, wilde hij zonder uitstel naar Wittenberg terug, want hij gevoelde, dat hij wel spoedig zou sterven. Dienzelfden dag sprak hij aan tafel met groote opgewektheid over het heerlijke van een eeuwig weerzien van vader, moeder en zoovele vrienden na den dood.
Na den avondmaaltijd ging hij weer naar boven, naar zijn kamers. Daar kreeg hij hevige benauwdheden. „Ach,” zei hij, toen hij zich te bed had gelegd, „ik denk dat ik hier in Eisleben, waar ik geboren en gedoopt ben, wel blijven zal.” Hij sliep een paar uren, maar stond toen weer op en was erg onrustig. Dit bleef zoo het verdere van den avond. Telkens hoorde men hem bidden. Eindelijk legde hij zich weer neer. 't Was intusschen al nacht geworden.
Zwijgend stonden de saamgeroepenen met den dokter en zijn drie zonen om zijn rustbed. Af en toe hoorde men hem spreken, woorden van geloof en hoop. Ook zijn lievelingstekst, Joh. 3: 16; „Alzoo lief heeft God de wereld gehad”. Toen het einde naderde, vouwde hij nog eenmaal de handen enhoorde men: „Aan U, o Heere Jezus Christus beveel ik mijn ziel! Ik verlaat deze wereld, maar ik weet, dat ik eeuwig bij U zal leven. O Heere! waarachtige God! in Uw handen beveel ik mijn geest; want Gij hebt mij verlost.”
Even daarna vroeg zijn vriend Justus Jonas hem: „Eerwaarde Vader, zult ge op Christus en de leer, die gij gepredikt hebt, nu ook standvastig sterven?”
„Ja!” klonk het met een blijde, heldere stem door de kamer.
Dit was Luthers laatste woord. Kort daarop ging de ziel van den grooten hervormer naar het Vaderhuis, 18 Februari 1546, 's morgens te 4 uur.
Luther had een vorstelijke uitvaart. 19 Febr., te 3 uur werd zijn stoffelijk overschot, onder klokgelui en gezang, naar de Andreaskerk gedragen, gevolgd door vorsten, graven en gravinnen, en een ontzaglijke menigte volks. Daar, vóór het altaar, werd het neergezet en door Justus Jonas een gedachtenisrede gehouden. Den volgenden middag stond er opnieuw een onafzienbare menigte op de straat saamgepakt of zag aan ramen en van daken toe, terwijl de stoet gevormd werd, die den doode, op verlangen van den keurvorst, naar Wittenberg zou overbrengen. Tusschen twaalf en één uur zette de lijkstoet, door twee jonge graven van Mansfeld en meer dan vijftig ruiters begeleid, onder het luiden van al de klokken zich in beweging.
Het geheele land was met rouw vervuld en beweende den geliefden doode als een vader. Door heel Saksenwerden in alle steden en dorpen, waar de stoet doortrok, de klokken geluid. Te Wittenberg werd hij bij de Elsterpoort door de geheele bevolking opgewacht. Vóór de pastorie sloot zijn bedroefde vrouw met haar elfjarig dochtertje en eenige vriendinnen in een kleinen wagen zich er bij aan. En zoo ging het, langs de universiteit, de Slotkerk binnen, door dezelfde deur, waar hij acht en twintig jaren geleden, toen onbewust nog, het groote hervormingswerk begonnen was. Daar rust Maarten Luther naast zijn keurvorst, dicht bij den preekstoel, waar hij zoo menigmaal de Blijde Boodschap heeft doen hooren.
Zelfs de haat moest hem laten rusten. Toen er namelijk in het volgende jaar werkelijk een godsdienstoorlog uitbrak en keizer Karel als overwinnaar in Wittenberg kwam, zag hij daar in de Slotkerk het graf van Luther. De wreede hertog van Alva stond bij hem en gaf hem den raad, het gebeente van dien ketter te laten opgraven en verbranden. Maar de keizer antwoordde: „Laat hem rusten. Hij heeft zijn rechter reeds gevonden. Ik strijd tegen levenden, niet tegen dooden.”
Zoo sprak de zegevierende keizer. Maar de oorlogskans keerde. Na enkele jaren werd de overwinnaar door keurvorst Maurits van Saksen zelf overwonnen en op de vlucht gejaagd, en moest hij alles teruggeven, wat hij in 1547 gewonnen had. Niet lang daarna, in 1555, kwam er een vrede tot stand, deAugsburgsche Godsdienstvredegenaamd, waarbij de Hervorming als wettig werd erkend en den Evangelischenvolle vrijheid in de uitoefening van hun godsdienst werd gewaarborgd.
KEIZER KAREL V OP ZIJN VLUCHT.KEIZER KAREL V OP ZIJN VLUCHT.
Met dank- en vreugdefeesten werd deze vrede door hen gevierd; en als een overwinningslied klonk door de Duitsche landen de dankbare jubeltoon: De rechterhand des Heeren is verhoogd! De rechterhand des Heeren doet krachtige daden!
Te Worms is bij gelegenheid van het drie en een halve Eeuwfeest der Hervorming een prachtig gedenkteeken opgericht. De middengroep ervan zien we op het omslag van dit boekje afgebeeld.
In het midden, als hoofdpersoon, rijst boven alle uit de kloeke figuur van Maarten Luther, den blik naar boven gericht en de rechterhand op den Bijbel, dien hij met de linker omvat houdt, als wilde hij het der wereld nòg toeroepen: „Dat Woord wil en kan ik niet laten varen!”
Aan zijn voeten zitten de voorloopers der Hervorming: Petrus Waldus en John Wicklef, die we er niet, Johannes Hus en Savonarola, een Italiaansche monnik, die we er wèl op kunnen zien.
Op het voetstuk leest men op den voorkant Luthers heldenwoord op den Rijksdag te Worms: „Hier sta ik. Ik kan niet anders. God helpe mij. Amen!”
Om die hoofdgroep heen staan op de vier hoeken keurvorst Frederik de Wijze, landgraaf Philips van Hessen, en de beide geleerden Johann Reuchlin en Philippus Melanchton, die door hun groote taalkennis,de eerste van het Hebreeuwsch, de laatste van het Grieksch, Luther van zooveel nut zijn geweest bij het vertalen van den Bijbel.
Daartusschen zitten drie stedemaagden, beelden van Spiers, de stad van hetProtest, waarnaar wij nog Protestanten heeten; Augsburg, de stad van deGeloofsbelijdenisen van denGodsdienstvrede, en het arme Maagdenburg, dat veel geleden heeft om het geloof en in den dertigjarigen oorlog geplunderd, verbrand en gruwelijk uitgemoord is.
Dat gedenkteeken van Worms is het grootste Hervormingsmonument van de wereld.
Is Duitschland de plek, waar het gezegend werk der Kerkhervorming tot stand is gebracht, aan de Nederlanden was de eer beschoren, de eerste martelaren daarvoor te geven. We mogen ons boekje niet eindigen zonder ook van deze dappere geloofsgetuigen eenigen te hebben herdacht.
Hendrik Voes en Johannes van Essen heetten ze, twee Augustijner monniken uit Antwerpen, van dezelfde orde dus als Luther. 1 Juli 1523 werden ze op de markt te Brussel levend verbrand.
Ze waren vol moed. „We sterven als Christenen!” riepen ze het volk toe op weg naar den brandstapel. En terwijl de vlammen om hen heensloegen zongen zij hetTe Deum laudamus!(Wij loven U, o God!) ons Gezang 2.
Toen een van hen bemerkte dat het touw, waarmee hij aan den paal was gebonden, losgebrand was, knielde hij neder in de vlammen en bad: „Heere Jezus, Zone Davids, ontferm U onzer!” Zoo zingend en biddend gingen ze de eeuwigheid in.
Deze twee mannen waren de eersten in heel Europa, die hun geloof met hun dood bezegelden; en ze werden door duizenden gevolgd. Ons vaderland heeft heel wat van zulke martelaars zien vallen; vijftigduizend alleen onder de regeering van Karel V en nog wel twintigduizend in latere jaren. Men kan wel zeggen, dat de grond hier doorweekt is van hun bloed. Dat is nu aan den eenen kant wel een treurige gedachte, maar aan den anderen kant geeft het weer stof tot blijde dankbaarheid. Want het is een teeken, dat men ook bij ons tot de kennis van de zuivere leer was gekomen, en dat het geloof der belijders niet slechts bestond in woorden, maar in kracht.
Luther dacht er ook zoo over. Toen hij hoorde wat er in Brussel gebeurd was, schreef hij een troostbrief „Aan de Christenen in Holland, Brabant en Vlaanderen”, waarin hij onder meer zeide: „U is boven de geheele wereld het voorrecht gegeven, niet alleen om het Evangelie te hooren en Christus te leeren kennen, maar de eersten te zijn die voor Christus lijden en sterven mogen.... O, hoe verachtelijk zijn die twee ter dood gebracht; maar hoe heerlijk zullen zij met Christus in eeuwige vreugde wederkomen!.... Bij ons te lande zijn we nog niet waardig geweest, zulk een dierbaar en kostelijk offer voor Christus te worden, ofschoon velen van ons niet zonder vervolging geweest zijn en nog zijn. Daarom, mijn beminden, weest getroost en blijmoedig in den Heer, en laat ons danken voor de groote teekenen en wonderen, die Hij begonnen is onder ons te doen.... Uw banden zijn mijn banden;uw blijdschap is mijn blijdschap; zoodat ik tegelijk met u lijd en met u blijde ben.”
Ziehier hoe Luther met zijn Nederlandsche vrienden meevoelde. Hij heeft ook een mooi lied gedicht „Op de twee martelaren.”
„Een nieuw gezang, wij heffen 't aan,Het klimt tot God, den Heere!”....
„Een nieuw gezang, wij heffen 't aan,Het klimt tot God, den Heere!”....
luiden de eerste regels.
Afschrikken deden die brandstapels de ware belijders dan ook niet. Erasmus zeide: „Waar Rome zijn brandstapels opricht, is het of het ketters zaait.”
En zoo was het ook. De geschriften van Luther en de andere hervormers werden hier te lande steeds meer gelezen. De Bijbel werd in het Hollandsch vertaald en àl meer onder het volk bekend en naarstig onderzocht. Sommige Nederlanders gingen naar Wittenberg om Luther persoonlijk te leeren kennen. En als ze dan door den omgang met dien held Gods in hun geloof versterkt waren, kwamen ze terug om, met gevaar en dikwijls ten koste van hun leven, ook predikers te worden van het Evangelie naar de H. Schrift.
Zoo ging het ook met Hendrik van Zutphen, en met een jong priester, Johannes Pistorius, van Woerden, ook Jan de Bakker genoemd, omdat hij later bakker was geworden.
Deze jonge man, hij was pas zes en twintig jaar, was ook eenige maanden in Wittenberg bij Luther geweest. In Woerden teruggekeerd predikte hij er in de huizen. Maar door den priester daar van „Lutheranije” beschuldigd, werd hij heimelijk opgelicht, naar 's Gravenhage gebracht en daar op de Gevangenpoort, zwaar geboeid, in een donker hol opgesloten. Eerst werd hij daar eenige dagen geheel alleen gelaten, en toen kreeg hij allerlei bezoekers, die hun best moesten doen om hem van zijn geloof af te brengen. Maar alle pogingen waren vergeefsch. Zelfs zijn vader moest hem er toe zien te bewegen. Maar het geloof en den moed van zijn zoon ziende, kreeg de vader zelf ook moed om voor zijn geloof uit te komen.
„Ik ben bereid, naar het voorbeeld van Abraham, mijn lieven zoon, die nooit iets tegen mij misdaan heeft, aan God te offeren,” betuigde hij; wat den zoon natuurlijk nog meer versterkte in zijn geloof.
Vier maanden lang heeft Jan de Bakker in zijn kerkerhol doorgebracht. Toen, 15 September 1525, werd de brandstapel voor hem gereed gemaakt, in het gezicht van de andere gevangenen, om hen, zoo hoopten de rechters, daardoor af te schrikken. Met mannenmoed stapte hij er heen. „Houdt goeden moed,” riep hij zijn medegevangenen toe, „als dappere krijgsknechten van Jezus Christus! Laat mijn voorbeeld u opwekken en verdedigt de waarheid van het Evangelie tegen allen die haar miskennen!”
De gevangenen hoorden het, en opgewekt door de geloofstaal van hun moedigen medestrijder, klapten ze in de handen en zongen ze hem door de tralies hun eenparig antwoord toe in het oude Kerklied: „O, zalig feest der martelaren!”
Toen hij op de houtmijt stond en aan den paalwerd vastgemaakt, riep hij: „Dood, waar is uw prikkel? Graf, waar is uw overwinning? De dood is verslonden door de overwinning van Christus!” Daarop hoorden de toeschouwers hem bidden: „Heere Jezus, vergeef het hun, want ze weten niet, wat ze doen!—Jezus Christus, Zoon van God, gedenk mijner! Ontferm U mijner!” Toen de vlammen zijn lichaam verteerden, was zijn ziel al in den Hemel.
Maar het waren niet alleen mannen, die voor hun geloof durfden sterven, ook vrouwen beklommen onverschrokken het moordschavot.
Een van deze was Wendelmoet Klaesdochter, een weduwe uit Monnikendam. Toen een van haar familieleden haar in de gevangenis kwam bezoeken, en al zijn geredeneer om haar tot andere gedachten te brengen niet hielp, riep hij uit: „Ge schijnt niet bang te zijn voor den dood; maar dat komt omdat ge hem nog niet geproefd hebt.” Als het er op aan komt, zult ge er wel anders over denken, wilde hij zeggen.
Maar het antwoord was: „Ik zal den dood in ééuwigheid niet proeven, want Christus heeft hem voor mij geproefd. Hij heeft het zelf gezegd: Zoo iemand Mijn woord zal bewaard hebben, die zal den dood niet zien in eeuwigheid.”
„Mijn lieve Wendelmoet,” raadde een andermaal fluisterend een aanzienlijke dame, „waarom zwijgt ge maar niet liever, als ge er langer door leven kunt? Ge kunt immers voor uzelve denken en gelooven wat ge wilt, al spreekt ge het niet uit.”
„Zuster,” was het antwoord, „ge weet niet wat gezegt. Met het hart gelooft men ter rechtvaardigheid, en met den mond belijdt men ter zaligheid.”
Toen de rechters haar met den vuurdood dreigden om haar tot afval te bewegen, zei ze: „Is u die macht van boven gegeven, ik ben bereid om te lijden.”
En dit heeft de moedige vrouw kort daarop, toen de vlammen rond haar opstegen, standvastig getoond.
Tot besluit nog iets over Guido de Brès, geboren te Bergen in Henegouwen, een volbloed ketterhater, tot hij ongezocht een Bijbel in handen kreeg, dien las en—zelf een „ketter” werd. Eerst glasschilder werd hij toen Evangelieprediker. Maar ook te Bergen brak de vervolging uit en De Brès moest vluchten. Dan was hij hier, dan daar; en overal maakte hij de menschen bekend met den schat, dien hijzelf in den Bijbel had gevonden.
Zoo kwam hij ook in de landen van die beide andere groote hervormers, Ulrich Zwingli in Zwitserland en Johannes Calvijn in Frankrijk, tijdgenooten van Luther, wier geschriften ook in ons land met graagte gelezen werden. De Brès leerde daar die mannen en hun werken kennen, en met nieuwe wetenschap toegerust kwam hij zich te Valenciennes vestigen, waar hij met grooten zegen werkzaam was. Maar 31 Mei 1567 viel hij in handen van zijn vervolgers en werd hij veroordeeld tot den strop. Zoo werd ook hij een martelaar voor het Evangelie.
Doch ook na zijn dood bleef Guido de Brès tot zegen voor onze vaderlandsche Kerk. Hij had namelijkeen geschrift opgesteld, waarin hij aantoonde, dat het geloof der Hervormden in de Nederlanden op den Bijbel gegrond was en overeenkwam met de leer der hervormers. In 1562 werd het gedrukt. Ook den koning van Spanje, Philips II, die zijn vader Karel V in 1555 als Heer der Nederlanden opgevolgd was, werd een exemplaar ervan toegezonden, met een mooien brief er bij, opdat de koning weten mocht, welke de leer was, die hij zoo doodelijk haatte. Maar te oordeelen naar de voortgezette vervolgingen van haar belijders, heeft het weinig invloed op den koning gehad.
DeNederlandsche Geloofsbelijdeniswerd dit geschrift genoemd. En als zoodanig is het door onze Ned. Herv. Kerk aangenomen.
In ditkleineboekje is ons iets te zien gegeven van een ontzaglijkgrooten veelbeteekenend werk. Want dat is de Kerkhervorming. En hoe meer we dit beseffen, hoe heerlijker wij het zullen vinden, dat we haarVierde Eeuwfeestmogen meevieren en hoe dankbaarder wij het ook zullen doen.
Vier eeuwen! Een lange tijd! Maar de Hervorming was ook een werk voorallevolgende eeuwen; want het was een werk van God. En al zijn de mannen, door wie de Heer het tot stand wilde brengen, reeds lang heengegaan, deHemelscheWerkmeester blééf en zal blijven tot in eeuwigheid.Hijblijft Zijn Kerk in stand houden en Zijn hervormingswerk voortzetten; niet alleen in de groote wereld daarbuiten, maar ook in het kleine wereldje daarbinnen, dat menschenhart heet; en dàt is toch ten slotte voor ieder in het bijzonder het gewichtigste. Want wat zou het ons baten of er al een hervorming van deKerkwas en een gezuiverdeleer, als onshartniet hervormd en gereinigd was?
De hervorming van het hart, ook van hetjongehart, is geen minder groot werk dan de hervorming van de Kerk. Alleen de Heer kan het doen, door Zijn Woord en Zijn Geest. Zijn Woord gaf Hij ons reeds. Laten wij het ons leven lang in hooge eere houden en dankbaar en trouw gebruiken. En Zijn Geest wil Hij ons schenken op ons gebed.