Ze schudde pruilend haren kop en pinkte een twijndraadje weg, dat over hare mouw hing. Hij kittelde haar in haar nekke en lispelde zonder genade:
—Hee?... mag ik? Zal ik 't maar uitbellen?... Hij blikte schalks op naar Goedele en pinkoogde snel. Dan rechtte hij zich en leunde gemakkelijk met zijne ellebogen op de tafel. Hij likte lui zijne lippen af, om Madeleen's lastigheid uit te lengen, en smakte trage.
—Luister, Goedele....
Hij sprak dan lage, alsof 't een groot geheim gold, en een stralend geluk verlichtte zijn gansch gelaat:
—Madeleen zal.... weer moeder worden....
Hij schaterde 't seffens daarop uit, 't kamerken vervullend met vroolijk rumoer.
—Zoo word ik vader meteenent! Wat bloost ge, vrouwken? We hermaken ons geluk, en daar we volgens alle regels getrouwd zijn, zal ons geen kwade hand overvallen. Vraag 't maar aan tante Olympe!
Tante Olympe kwam juist binnen en stond in 't deurgat te knikken. De lange oorbellen bijsden tegen haar krage en de tjopkens van haar kaken droegen den sterken blos van vroeger.
Ze zette zich in de ronde neer en 't werd nu een gezellig samenzijn. Madeleen schonk de koffie en spreidde 't hagelwitte ammelaken. De kommekens rinkelden en dampten geurig, en elkendeen wist met leutig gekout de gaande uren genoeglijk te sieren. Hoe ras vloog omme de blijde tijd! Niemand zag de ruiten verbleeken en noescher zich uitrekken de schaduw tallenkant! Tante Olympe vooral had danig werk met vertellen, en ze gooide zoo aardig alle voorvallen harrewarrig dooreen, nievers een leemte latend, waar de stilte kon binnenkruipen en rusten.
—En mijnheer Johannes, waar zou die nu zitten?
Goedele beet gauw op hare lippen om hare ongedurigheid te bemeesteren, en ze liet zwijgend Romaan uitleggen hoe Ameye sinds de mededeeling van zijn huwelijk met Madeleen het huis verlaten had, en hoe hij kort daarop vertrokken was naar Duitschland. Goedele viel hem gejaagd in de rede:
—Voor ... hoelang?
—Hij is weg. Hij heeft mij geschreven dat het kunstenaarsleven in België onmogelijk was en dat hij zijn vaderland verliet om meer dankbaarheid in den vreemde te vinden. Hij doet wel. Ons landje is in waarheid voor artisten een streke zonder uitkomste. We zijn te arm of we zijn te dom. In Duitschland zal Ameye zijn weg banen, en dan hooren wij nog wel spreken van hem. Hij was goed voor ons. Hij was een warme vriend.
—Hij blijft ... ginder?
—Ja.
Madeleen bracht een schotel met snuisteringen op tafel, en Goedele herinnerde zich meteen dat ze wat suikergoed voor tante Olympe in haar taschje gestoken had. Hare handen beefden rijzekens, binstdat ze het blauw-gestrikt pak overreikte en ze lachte zonder de heete natheid weg te krijgen uit hare oogen. Wat scheelde haar Ameye's heengaan? 't Was zoo best. Ze overtuigde haarzelve en dwong haar eigen 't geluid van onverschillige woorden op. Ze dacht:
—Het is zóo best.
Maar, al had ze Johannes sinds lange vaarwel toegezegd in alle haar gepeinzen en al was ze hem niet dankbaar, hem, die haar gegeven had wat ze niet kon behouden, toch was haar zijn verre aftocht een onverweerbare emotie. Het was haar als de plechtige onherroepelijke staving van haar gebroken liefde. Ze had wel geen liefde meer, en het kon haar dan ook niet deren dat hij, de liefde en de schuld, zich voor altijd verwijderd had.... Spijts alles, deed haar deze verwijdering zeer. Het was lijk een graf, dat men ommedelft en vernielt.
Romaan wist nog meer. Hij was vertrokken heel alleene, en zijne vrouw was bij hare ouders in Engeland, met haar zoontje teruggekeerd. Goedele had een droeven uitroep:
—Ha! het was een zoontje....
En Romaan keek subiet verwonderd op, plots zwijgend en nadien gretig zijn koffie opslurpend.
—Weet ge wanneer hij vertrokken is? vroeg Goedele.
Hij zette onvoorzichtig zijn kommeken neer en zei kort, in schijn geen acht gevend op zijn woorden:
—Daags na Paschen.
—Daags na Paschen?
Zij schrok en zag in haar geest het zotte gezicht van Mariëtte. Waar was Mariëtte naar toe?
Romaan merkte dat ze schrok en dat hare vingeren over het tafeldoek koortsig aan 't peuteren gingen. Hij keek dan strak en hard in hare oogen, speurde er de vergeefs bedwongen aandoening, en zijne hand grabbelde met een reik naar heure hand.
—Goedele!
Ze blikten altegelijk op naar hem. Zijne wenkbrauwen schoven angstig omhooge, alsof hem iets heel wreeds trof, iets dat niet te gelooven was en zich zonder waarschuwing had vastgeankerd in zijne hersenen. Maar Goedele stond rechte meteen en schokte weg in een luidelijk geschater. Ze ging leunen tegen 't raam om beter haar koortsigen lach te verdragen en ze bukte zich bijwijlen, neergeduwd door onverklaard pleizier. Ze giechelde:
—Neen! dat is een lol, broer!—Nu wordt ge—grappig! Zeg eens—zeg eens wat ge denkt.... Nu zult ge leute hebben, menschen.... Ferm!
Tante Olympe had reeds pleizier op voorhand en lachte mee. Romaan zat beteuterd rond te zien en Madeleen krulde, halvelings glimmend, haar lippen omme. Goedele merkte dat ieder begrepen had, en grijnsde:
—Gek, hee! Maar hoe komt hij eraan!...
—Ja, hoe komt hij daaraan!
En niemand zei in woorden wat hij dacht, omdat de zake zoo gevoelig zich voordeed, en ... ja, omdat 't allemaal toch zottigheid was. 't Geval hing echter tegenwoordig in 't geluchte aan het groeien en, al sprak men verder over kleine dingetjes, 't bleef daar hangen en alle gepeinzen kwamen 't gedurig taken binst zijn groei.
Als later Goedele veerdig stond om huiswaarts te keeren, klonken de groeten hard en menig, zonder de lieve innigheid, waarmee ze bij haar komste omwonden waren. Ze ging de trap af en zag de drij gezichten in de donkerte van 't deurgat knikken op haar. Ze bepeinsde zich een wijlken, wenkte dat tante Olympe meegaan zou naar beneden en stopte haar moeders geldbeurze in de hand, fluisterend:
—Dat is voor de verlakte stove!
Ze liep de strate langs, die in den voor-avond heel rustig en geluidloos was, en ze geraakte gauw binnen de ruchtige stad. Ze zou zich haasten om nog den vroegsten trein te treffen en dan vóor Sebastiaan thuis te zijn.
In haar hoofd kruisten, ondereen in woelige wanorde, hare nieuwe gedachten. Ze beredeneerde haar minste gewaarwording en wist endelijk, buiten alle angstigheid of driften, een uitlegging te vinden voor elk gevoel. Johannes was vertrokken, en zijn vrouw, zijn kind waren vertrokken. Ze zou ze nievers onverwachts ontmoeten en ze kon nu stille, zonder stoornisse, de zoete vergetelheid laten zinken over alles. Wat baatte het verder te treuren? Alles was goed. Kwam niet, na zooveel ongeluk, de heilzame vrede in Romaan's huisgezin weer? Wiezeken was dood. Wat baatte het verder te treuren? Daar zou een nieuw kind komen. Johannes was weg. Daar zou een versche genegenheid haar herte van alle wanhoop verwijderd houden. Zij moest meehelpen, meebouwen hare toekomst en niet machteloos wegzakken in 't onveranderlijk verleden. Sebastiaan was braaf en edelmoedig. Hij zou haar omringen met zijne gewillige dienstveerdigheid. En de heerd zou warm worden. Ze glimlachte en peinsde:
—Wat ben ik dwaas!
Ze besloot hare zwakheid te overwinnen en hare oogen voorgoed van hare herinneringen af te wenden. Ze zou zich met koppigheid losrukken en niets meer betreuren, wat toch niet te verbeteren viel.
—'t Wordt eene onuitstaanbare dwingelandij! Ja, zekerlijk. Ze zou dien last afwerpen van hare schouders en aandachtig alles schikken voor 't nieuwe leven, dat aanving. Ze moest alle dingen bekijken langs den voordeeligen kant en niet gedurig de afwezigheid beweenen van wat ze eens, toevallig en buiten recht, bezeten had. Ze moest Sebastiaan leeren kennen. Ze kende hem niet: hij was haar onverdraagbaar geweest, omdat hij Johannes niet was. Nu echter zou ze hem van dichtebij beschouwen en zijne schoone deugden bewonderen. En hij had haar lief. Hij zou haar vele doen vergeven, dat hij niet laten kon. Te gare zouden ze endelijk brave geneuchten beleven en hun huizeken voelen teenemaal lauw worden van eender geluk. Saam zouden ze Romaan bezoeken, en Romaan zou met Madeleen ook bezoek brengen. En later zou ze aan haar broer teruggeven, wat moeder hem ontnomen had....
—Moeder geeft 't hem misschien vanzelf.... Ja, zekerlijk. En vader zou insgelijks inniger een figuur worden in haar leven. Ze beloofde, met een zacht medelijden, dat ze hem het wonder elektrisch tuig zou aankoopen, waar hij met zoo sterk een begeerte van gesproken had. Den ouden Rik moest ze tevens genegen zijn. Ze zou hem zijn zotte grillen laten bewaren en al eens heimelijk een blinkenden knop in zijn bereik gooien. Ze zou hem niet naloeren, als hij 's nachts zijn povere rijkdommen ging bewonderen en bepootelen. Hij zou gerust sterven, zonder gestoord te worden.
—We doen wij allemaal dwaas, en we moeten genadig zijn....
Ja, zekerlijk. En ze zou ook moeder onvoorwaardelijk involgen.
Ze voelde dat tegenover moeder haar grootste ongelijk was. Ze had moeder verraden en ze moest in de toekomst alles boetveerdig weer goed maken. Ze zou moeder gehoorzaam zijn en maar doen wat ze soms zoo wild verlangde. 't Zou altemets lastig zijn, dat stekelig cijferen en hoekig handelen met geld. Maar moeder zou 't op een ende zelf opgeven. 't En was niet meer dan een tijdelijke grilligheid, en later zou ze ook de vlakke vrede benaderen, met Sebastiaan en Romaan, altegare onder de zoetige lampe.
Goedele liep even nog een pasteibakkerij binnen en bestelde met de gauwte een potje chocolade en een rhumkoekje. Het was in leutige opgeruimdheid dat ze hier was ingedreveld, en ze zette zich neer, met kinderlijke gretigheid wachtend. Ze at gulzig en de reuk van den drank speelde aangenaam in haren kop. Ze had zich, peinsde ze, zonder weerkomste uit het leelijk verleden geworsteld. Ze jubelde binnenzijds.
—Wat ben ik blij!
Al kriebelde nog ievers een bijzondere angstigheid ... Want een gevaar kon opdoemen binst de dagen, die over haar versche leven varen moesten. Ze had een vagen schrik, zonder dees onzeker gevoel te kunnen uitleggen. En toch, algelijk, ze had vertrouwen en ze slurpte met plezierige slokjes de welriekende chocolade op. De oude dame, die ze op den trein gezien had, tort den winkel binnen. Goedele had een dwazen afkeer en werd onpasselijk precies. De rhum wipte opwaarts in haren neus, en het docht haar dat hier subiet 't geluchte bevangen werd.
Ze stond recht en wilde heengaan. Maar eene loome zwakte verlamde hare beenen en ze wankte, tewege voorover neer te storten. Ze geraakte buiten en de volle lucht verkwikte haar niet. 't Was alsof de lauwe geur der pasteien standvastig ommewolkte en misselijke walmen opjoeg uit hare maag. De menschen, die voorbijgingen, grauwden te saam weg tot schuivende nevelen en bijwijlen flitste, daar te midden door, de groene verven van een tramwagen. De lanteerens werden aangestoken en ook uit de ruiten der winkels viel een geel-rood licht, dat met de blauwe klaarte der hemelen te strijden begon. Alles klaterde ineen en streepte te lore met den gang van het woelende volk. Ze wist niet wat haar overviel. Ze was lijk verslagen en een onzeglijke foltering snoerde haar kele vaste. Ze stamelde:
—O God! Hó-ó-ó!...
Ze kwam onder de boomen van een square en moest zich haasten om een bank te bereiken. Ze zakte thoope en hare knieën bibberden, rijzekens kluppelend tegen mekaar. Ze voelde dat ze uitermatig bleek was: haar gezichte was hevig gespannen en iets smertelijks duwde de hoeken van haren mond neerwaarts. Hare gedachten strengelden dooreen en haar hoofd ronkte lijk een leege kasse....
Nu voelde ze meteen de bepaalde pijn.... Ze bukte zich om haar leed weg te wringen en joepte dan gejaagd op. Hare oogen blikten verwilderd rond en hinkend drilde ze vooruit, dronken van overgroot verdriet. Ze beukte tegen de menschen en, zonder ommezien, zwengelde verder door. Op de brugge, vóor 't zacht-klotsende water, bleef ze staan. Ze lei hare handen nevenseen op de ijzeren leuning en tuurde zinneloos naar den glinster-grauwen vloed. Wat was dat daar diepe en zoete! Ze voelde zich meegetrokken, gelokt door de streelende vrede, die hier beneden lag. Ze krampte zich aan de leuning vaste. Ze knikte, alsof ze den roep van verre wenken beantwoordde, en ze hoorde boven 't rumoer van de stad, de aaiing van een liefelijk geluid:
—Voort!... voort!... voort!...
En ze knikte. Wat was dat daar diepe! En boven, langs de straten, wat een ongeduur en wat een martelie! Haar asem hikte in haar boezem en hare vingeren begonnen te voelen 't geweld, dat haar lijf boven de balie zou heffen. Ze prevelde onduidelijke woorden, nadien drijmaal ja zeggend, mee met het besluit, dat hare hersens bemeesterde.... En voller klonk al ginds, en dichte, en allentwege, het liefelijk geluid:
—Voort! voort!
Maar ze liet plots de leuning los en vluchtte tusschen de veilige muren der huizen, nu snikkend en stotterend:
—'k En mag niet! 'k En mag niet!
Hare tranen rolden onophoudend over haar gelaat, en haar borste schokte zeerdoende omhooge. Ze zag niets meer. Ze hoorde niets meer. Ze wilde zich alle oogenblikken laten neervallen. 't Kwam haar dan voor dat de menschen haar mochten taken, en ze was beschaamd dat men haar taken zou.
Ze stond meteen vóor 't station.
Een tijdeken bleef ze nog aarzelen en ze wist geen wil om haar doening te leiden. Endelijk stapte ze binnen, terwijl ze hare oogen met haar zakdoek droog wreef. Ze zou niet laf zijn. Ze zou heel simpel lijk zeggen:
—Bastiaan, ga weg. Ik ben verdomd.... Ik heb een kind.
En ze meende daarbij:
—Hij zal me vermoorden....
Die gedachte deed haar deugd.
XVI.
Als ze thuis kwam, vertelde haar Justa dat Ursule in den valavond zieker was geworden en aldoor maar vroeg waar hare dochter was. Goedele herkende 't huis niet meer; al de kleuren hier waren haar vreemd en 't was alsof ze voor 't eerst deze zaal zag, en deze stoelen, en deze tafel. Gedreven door 't geweld van haar eenzijdig besluit, wilde ze seffens Sebastiaan zien.
—Waar is Sebastiaan?
—Hij komt pas na den eten, juffrouw.
—Ha, zoo ... na den eten....
Ze wist niet of ze straks nog moed zou hebben. Ze wilde aan Sebastiaan alleen bekentenisse doen, en 't was nu spijtig dat ze voor hem aangekomen was. Sebastiaan moest de eerste het ongeluk vernemen.
Trage tort ze de trap op en duwde de deur open van moeders slaapkamer. Ze keek niet zijwaarts. Ze merkte niet hoe plotseling Ursule zich overend oprechte uit de bleeke sargiën. Ze stapte naar den hoogen spiegel, en deed haar hoed af, en schikte peuterig, zonder aandacht, heur haar. Ursule stamelde:
—Maar wat zijt ge van zin?
Ze keerde zich omme en knikte, naderhand zich bekommerend:
—Hebt ge meer zeer, moeder?
—Ja wel, in mijn beenen.... Kom hier!
—Ik kom.
Ze naderde. Ze lei hare hand op het kussen en Ursule vatte die subiet, koortsig vragend wat er met de beurze gebeurd was.
—Met de beurze?
—Ja.... Ik hadde u niets moeten meegeven—of een kleinigheid. Heb ik u waarachtig al dat schoone geld meegegeven?... Och Heere! ik weet niet goed meer. Wat gaf ik u mee?
Goedele herinnerde zich maar halvelings en ze fronste hare wenkbrauwen, zoekend in haren geest. Op een ende viel ze uit:
—Ha! de verlakte stove!
—Watte? Ik gaf u twalefhonderd....
—Zekerlijk. 'k Herinner me nu. Ze waren in een fluweelen beurzeken. Weet ge niet of Sebastiaan nog lange zal wegblijven?
—Twalef honderd.... Wat brengt ge terug?
—Maar, moeder....
—Wat hebt ge gekocht?
—Wacht even.... Ik heb gezeid: Dàt is voor de verlakte stove.
—Ge wordt krankzinnig! Wat bleef er over?
—Niets.
Ursule viel in de witte lakens weg en sloot hare oogen. Ze hief hare handen op en deed, heel droeve, teeken dat niemand meer naderen zou. Terzelfdertijd roerde een snik in hare keel en voor de eerste maal zag Goedele een traan van innig lijden tusschen hare beloken wimpers te voorschijn dringen, stralend opzwellen en wegrollen over hare slapen. Moeder weende. Goedele fluisterde:
—Moeder weent....
Het maakte een zonderlingen indruk op haar en ze verwijlde met vage gepeinzen om het zeldzaam geval, terwijl ze heenging en in de eetplaats stapte. Ze zei 't aan vader, die reeds bij de tafel heel rustig zat, blij omdat Ursule hem niet beloeren zou onder 't eten. Ze klopte op zijnen schouder en fluisterde:
—Moeder weent....
Ze wees met haren vinger naar de zoldering. Hij keek verwonderd op en merkte de matte bleekte van haar gezicht, de blauwe holten onder hare oogen. Hij wist niet wat te zeggen, en hij voelde nu heel sterkelijk dat zijne dochter leed. Hij stond rechte en vatte hare armen, en over zijn bolle gelaat grijnsde een bange onrust. Hij blikte strak en benauwd in haar wezen en vroeg:
—Wat is er, mijn kind?... Wat gebeurt er, mijn kind?... mijn kind?
Hij werd zoo innig gewaar dat het zijn kind was, en bibberde van binnen, aldoor zeggend het woord, dat zoo helder opklaarde in gansch zijn vleesch.
—Mijn zoete kind....
Hij streelde haar en dwong haar neer te zitten, nevens hem, en gedurig vroeg hij wat er scheelde. Goedele liet hem gewillig begaan en geleidelijk kwam een zware melancholie over haar. Ze meende, al omdoende haren vader met een liefderijken blik:
—Ik heb u miskend!
Dàt was de waarheid, 't werd haar nu duidelijk. Het docht haar dat ze hem te lieven begon op dees oogenblik—en dat op dees oogenblik ze hem verlaten moest. Ze staarde naderhand een pooze naar de vlamme van de lampe, waarlangs een lichtgierig pepelken rond en omme vleugelde. En ze sprak droomend, langzaam haar zinnen drijvend op gelijke tonen:
—Het ware zoo zoete geweest—een huis met een spelend vuur, àl muren en àl kamerkens, en daarover een veilig groot dak! Ik zou er allentwege gemakkelijke stoelen geplaatst hebben, kussekens en donzige leuningen, opdat niemand zich bezeeren mocht. Het zou een woonste zijn van eerbied en genegenheid. Niets zou er storen de goesting van Sebastiaan, noch de goesting van vader en moeder....
Albien beluisterde haar en seffens was hij weer vol begeesterend geneuchte. En hij liet zijne oogen opflikkeren van leute en knikte:
—Dát zal een geluk zijn!
Goedele lachte treurig:
—Ja, een geluk en een vrede. Ik had het zóo gepeinsd en zóo was nog mijn eenig verlangen. Ik deed het niet voor mij, maar het zou mijn wroeging stillen. Zie! Samen zouden we spelen, en dat elektrisch ding ... al wat u begeerlijk is, 't zou 't onze zijn. Daar zijn zoo schoone dingen in de wereld, vader!
—Zekerlijk, zekerlijk.
—Onze tuin is zoo schoon ... en al wat er te bloeien staat en te fleuren ... en dat pepelken daar, pover dierken zoo wonderlijk ... 't bijst om ons klaarte....
Albien stak ook zijn hoofd ernaar en hij vond 't ook heerlijk, en zijne kinderlijke rustigheid herkwam. Goedele sprak stiller:
—Zóo zou ons leven geweest zijn, allemaal in minzame eendracht vereend, al onze handen te gare, en we zouden alles mooi vinden rond ons.... Ik had het zoo gedroomd, na de ervaring, die 'k beleden had.
—We zullen 't zóo doen....
—Doen! Doen! Ik heb gerekend zonder het noodlot. Ik heb gedacht dat alles ophield—als ik ophield. Maar 't Kwade Bedrijf loopt door, loopt verder. Ik kan 't niet meer tegenhouden, ikke, die de oorzake ben. Ik val nu ook, getaakt door 't gevoelloos geweld, sterker dan ik, waaruit het geboren werd.... Wat kijkt ge me zonderling aan, vader?
—Ik weet niet.... ik weet niet goed....
—Geef me een zoen.
Hij naderde haar en nam haar hoofd in alle bei zijne armen en kuste haar op hare wangen. Hij begreep niet wat gebeurende was, hij werd alleen gewaar de voorbereiding van een ongewone daad, en het deed hem deugd dat hij zijne verlegenheid wegduiken kon in eene warme omhelzing. Goedele's haar kriebelde om zijnen neuze en zijne wimpers werden nat. Hij zei terwijl hij weer neerzat onder 't lampelicht en zijn traan wegpinkte, lachend, verlegen:
—'t Is van de jeukte....
Ze lachte mee en ze vroeg nadien, of hij zijn schoon huisje nog eens wilde uithalen en de popjes doen dansen. Hare stemme beefde:
—Om mij plezier te doen.
Hij liep seffens in de voorkamer en kwam met de dooze terug. Hij scharrelde de tellooren aan kant, spreidde het ammelaken profijtelijk open, en bracht zijn wonder speelgoed te voorschijn. Zijne oogen fonkelden van vreugde en fierheid. Zijne vingeren waren koortsig te werke, ijverig in overgedienstigheid, en zijn tonge puntelde eventjes in 't hoekje van zijn mond.
Het Zwitsersch huizeken stond daar met zijn blauwe dak en zijn groene luiken, zijn sierlijk portaal en de popjes. Hij stak den sleutel in de mekaniek en draaide het ratelend tuig op tot de kleine klokke binnenzijds klonk.
—Ha! zei hij.
Hij leunde achterover om goed 't effekt van het schouwspel op te nemen in zijn aandachtigen kop, en het spektakel ving aan. Het wijveken schokte eerst omhooge en seffens daarna joepte ook het manneken los. De beiaard tikkelde met zijn luttel gespeel van bellen, en de stijve dans begon.
—Hoe schoone!
—Hoe ... schoone!... zuchtte Goedele.
Ze zat in de halve donkerte, achter Albien, en ze beloerde hem. Haar gemoed kwam vol en ze zou weer stille aan het weenen vallen, aldoor kijkend naar haar vader. Hij jubelde van blijdschap.
—Dat zijn dingen! Dat zijn dingen! Hoe maken ze 't? Hoe komen ze aan 't idee?
En de beiaard rinkelde zoo aangenaam, lijk dropkens in een welluidend water—en de popjes huppelden snokkig en op mate—en heel die doening was zoo djentelijk....
—Hoe brengen ze 't aan mekaar?
Goedele voelde gestadig de heete groevekens van hare tranen en staarde met wijd-open oogen naar hem, die daar te leuteren zat, zonder kommernisse, zonder zicht op 't huiselijk ongeluk. Een hopelooze smert wrong haar herte thoope, en ze deed haar eigen zeer om stille te blijven, stille bij vaders jubelend plezier.
Zoo stille bleef ze. Als de pijn haar asem forsig wegstiet door haar kele, versmachtte ze het eendelijk geluid onder de helle klatering van een hikkend lachen. Dan was vader uitermatelijk voldaan. Hij wipte op zijn stoel, een prettig gezichte zettend:
—Ai! 't valt dood!
De klokskens klepten tegare uit op een grondelijk akkoord en dan was er een groote stilte. Rijzekens flodderde hoorbaar in 't geluchte het werkzaam gedoe van het zotte pepelken.
Sebastiaan stond wachtend in het deurgat en vroeg oolijk, een ongewonen klank leggend hier, waar 't zoo innig trilde van gezelligheid:
—Mag ik nu binnen?
Goedele schrok en rechtte zich. 't Kwam her klaar en sterk in hare hersens dat ze tegenwoordig handelen moest. Ze ging op hem af, en hij reikte zijne hand naar heur. Ze schudde haar hoofd en deed teeken dat hij haar volgen zou. Ze stapte stokkestijf. Hare knieën plooiden haast niet en hard klopten hare hielen tegen den vloer. Ze sprak niet. Haar hals lengde zich paalrechte boven hare schouders. Hare armen hingen roerloos langs haar lijf, dat matelijk voorwaarts schoof.
Sebastiaan zag haar zwijgend over den drempel terten, bijkans zijn veste raken en voorbijgaan, zonder een blik. Hij volgde haar. Hij begreep dat ze hem over ernstige zaken te spreken had. Hij gooide zijn hoed op een stoel en volgde haar. Hij had een wrevelig gevoel. Goedele's breede rugge, zonder een buiging voortschokkend, werd hem lijk de ondoordringbare effenheid van een gevaarlijk geheim.
Ze stegen langs de trap en, moeders kamer voorbijgaande, fluisterde Goedele:
—Zoetekens....
Ze bereikte hare eigen kamer, stak algauw 't licht aan, bad met een korten wenk dat hij zou binnen komen en wees hem een stoel. De klaarte pletste tallenkante rond en, langs de spleet van de deure, viel in een lange strepe over den drempel op den donkeren vloer van den gang.
Ze zetten zich neer. Ze waren precies verlegen en 't was alsof ze meteen wijd verwijderd waren van malkander, beschaamd voor hun samenzijn. Sebastiaan ried dat geen luttele woorden in deze schrikkelijke stilte zouden vallen, en hij dierf niet zeggen:
—Wat is er? Wat maakt u zoo bleek en lijdelijk?
Hij merkte dat ze bleek en lijdelijk was, maar hij was halvelings bang voor de reden. Hij wilde de nadering van die reden niet verhaasten, omdat zijn benauwd gemoed er al de pijnlijke gevolgen van vreesde. Heel vaag zag hij entwaar de schaduw van een ongeluk. Hij zweeg. Zijn magere handen lei hij op het tafelberd en hij wachtte zoo.
—Bastiaan, zei Goedele, Bastiaan, ik had u al lange moeten bekennen ... al lange, daar niets te bergen is en alle kwaad in voortdurige werking doorwoelt ... al lange, ja, bekennen, bekennen....
Ze had besloten heel simpellijk bekentenisse doen; ze kon echter niet. Ze had den moed niet daartoe: zoo onwetend en buiten alle leelijke verdenkingen zat daar Sebastiaan, en zijn gelaat had seffens zoo angstig een uitdrukking, dat ze een brutale uitlegging niet te boven kon. Ze wilde schipperen en toch tot een eigen direkte beschuldiging en geraakte ze niet. Ze zweeg een oogenblik. De woorden wisten niet tot eene oprechte verklaring saam te smelten. Ze werd dan heel klein en laf. Het speet haar dat ze nog hier levend was, dat ze niet de aanlokking van het glinsterende water beantwoord had, ginder, ginder.... Alles ware nu volbracht: men hadde 't een ongeval genoemd. Ze stamelde, week wordend:
—Och Heere! hoe moet ik dat uitbrengen!...
Ze wilde wegloopen, de velden over, tot ze neerstorten zou, in doodelijke alleenigheid, den veiligen dood nabij. Ze hervatte zich met groote moeite en bedwong hare zwakheid. Ze smeet hare zoekende gezegden ondereen, soms gebroken door ongelijk gehijg:
—Laat me zeggen.... Ik heb u hier ontvangen, ik heb al gedaan wat in mijn machte was om u toe te lachen, om u genegen te zijn en uwe liefde niet van mij af te wijzen.... Helaas! ik was uwe liefde niet weerdig. Ik had een verdorven ziel en mijne zinnen verlangden de woeste streeling van zondigen minnehandel.... Schrik niet! Maak me niet benauwd. Ik ben schuldig, maar medelijden heb ik noodig.... Ik heb u ontvangen, en bedrogen heb ik u naderhand!
Hij stond recht, heel bleek, en vroeg:
—Wilt ge openhertig spreken?
Maar ze zocht uitvluchtsels om hem de waarheid minder hard te maken:
—Ge moogt me niet stooten en bezeeren. Ik wil tot het ende alles zeggen. Ik wil dat ge van zelf, doch zonder haat, weggaat van hier.
—Ik begrijp u niet.
—Peins dan niet meer op mij. Ik heb u nooit geerne gezien, en Bella alleen ziet u geerne ... ja, Bella, het arme kind.... Waarom moest ik u mij onttrekken en u verwijderen van haar? Ik was laf. Bekijk me zoo droef niet. Zeg niets. Laat mij doorzeggen. Zeg niets, Sebastiaan....
Ze deed een trage gebaar met hare hand, precies om hem zachte af te weren, en sloot hare oogen. Nu was 't haar meer duidelijk geworden en ze kon in de donkerte beter hare gedachten nagaan. Haar stemme daalde:
—Ik heb gedurende weken en weken durven spreken met u, durven antwoord geven op uwe woorden van liefde. Ik heb zwijgend en misdadig uwe genegenheid gevoed. Ik heb zwijgend uwe droomen spijze gegeven. Dat heb ik zwijgend gedaan. De blik, dien ik u toewierp, was schijnbaar rein.... Rein! Rein! O kon ik nu verzinken!
Ze opende fluks hare oogen, boog zich en joeg seffens gichtig hare woorden achter mekaar:
—Luister. Ik heb Sebastiaan beleedigd. Ik heb gespot met Sebastiaan. 's Avonds zat ik schuchter nevens u, en over dag lag ik in andermans armen!
—Goedele!
Ze viel neer op haren stoel en bracht hare handen over haar wezen. Een zware stilte hing in de kamer en de vlamme kraakte daarin heel gewichtig op, boven de lampe.
—Goedele!
Hij kon de zwijgende stonde met zijn heeschen kreet niet overwinnen. Een ongenadige zwaarte woog op zijne borst en hij voelde zijn longen eronder vernauwen. Hij snakte naar zijn asem. Toorn en smert scheurden zijne hersens vaneen en hij wist geen daad aan te vangen: een straffe of een afkeer.... Hij wilde dan verder weten.
't Schorde in zijn keel:
—Met wien?... Zeg me met wien?...
Ze antwoordde niet. Het licht begon te schemeren vóor zijne oogen, te waggelen ommentweer en donkere wolken rolden opwaarts uit purperen kuilen. Hij deed een stap, en vatte woest haren arm, en smeet haar geweldig tegen het tafel berd. Zijn mond viel in een grijns open om 't leelijke woord neer te spuwen, dat brandde op zijn tonge.
Ze keek heel zoet op naar hem. Ze had een blik vol dankbaarheid. Ze wachtte gedwee de slagen van zijne gramschap. Dan week hij tot tegen den muur, rukte zijn halsboordje los en hijgde vrijer. Hij stond moedeloos, verplet, verloren. Hij vroeg:
—Is 't waar?
Ze knikte en hij liet zijn kinne neerstooten op zijn borst. Hij draaide zich kantewaarts naar de deur en tort trage erheen. Hij zei en de klank van zijn woord was onherkennelijk geworden:
—Vaar-wel....
Ze vermocht uit haar gansche macht niet hem antwoord te geven. Hare lippen werden wit en mat. Ze lispelde onhoorbaar:
—Vaar-wel....
Hij hoorde 't algelijk, en zijn bloed deed een schrikkelijken ommezwaai door zijne leden. Hij reikte zijne hand naar de koperen klinke en grabbelde ernaar. Eene koude rilling kroop over zijn rugge en zijne beenen zakten tegeneen. Hij kon niet weg. Hij kwam terug en viel snikkend aan hare voeten. Hij prangde haar vast en bad:
—Jaag me niet hieruit, jaag me niet buiten u!... Niet waar? Het zijn kwalijke verzinsels.... Ge overdrijft immers! Ge zijt niet slecht! Ge zijt schoon, ge zijt schoon!
Ze weerde zich zachte los en had een hopeloos gebaar. Zou ze alles móeten zeggen en haar ten geheele bloot werpen aan zijnen afkeer? Hij smeekte:
—Ik geloof u niet! Maak me niet zinneloos, Goedele! Zeg me dat ge weer braaf zijt. Hebt ge geleden? Alles zal ik u doen vergeten. Daar is tegen ons geen weerstand, die we niet breken zullen. Ik zie u geerne. Ik zal u altijd geerne, geerne zien....
Ze hief zich uit gansch hare lengte op en fronste hare wenkbrauwen. Ze zou spreken. Ze zou den laatsten slag hem toebrengen en zonder deernisse slaan. Ze voelde dat ze 't alaam geworden was van het noodlot. Ze zei:
—Ik mag niet.... Ge moet weg, weg ... weg.... Ik ben bezoedeld.... Ik,—ikke.—
Hare oogen bleven plots wijdopen en verwilderd staren naar de deur, en haar kinne begon subiet te beven, zodat hare tanden klopten over mekaar: op den drempel stond Ursule. Ursule, als eene doode zoo bleek, stak hare armen vooruit. Haar witte nachtrok plooide in rechte vouwen omlage en ze was aldus grooter, vreeslijker dan ooit. Vierkantig spookte boven hare breede schouders haar schrikkelijk aangezicht. Ze riep:
—Hee-la!
Ze naderde, en dof dreunde elke stap op het vloertapijt. Ze leunde tegen den muur, vatte overhand de stoelen en geraakte tot aan de tafel. Ze rok haren groven hals uit naar heur kind, en een bovenmatelijke haat omdeed haar ganschelijk. Ze reikte stuipachtig hare handen en vingerde koortsig in de leegte, reutelend:
—Hier! Hier, prije—en zwijgen!
Ze bekeek vluggelings Sebastiaan en riep hem:
—Ze liegt!
En weer scharrelde ze voorwaarts, grijpend naar Goedele, te wege neer te stuiken over haar. Ze kreet:
—Zwijg!... Há-á-á! ik zal u leeren, ik zal u beteren, ik zal uw tonge wegduwen in uw rompe....
Ze zag dat Goedele week en geweld deed om te spreken; gedurig tastte ze gretig ernaar om haar vaste te pakken en te temmen. Ze was buiten zinnen en sleurde haar lamme beenen of stekte ze stokkestijf naar voren. En niets zou haar tegenhouden: ze wilde haar dochter de kele toenijpen om haar het spreken te beletten, en driftig, kwaad om hare eigen traagzaamheid, volgde ze dien wil.
Als Goedele tegen de kasse aanstiet en niet verder meer wijken kon, brak meteen haar benauwde angst. Tegenover moeder en tegenover Sebastiaan, ze móest spreken en ze zou. Ze hakkelde:
—Laat me....
Ze drong thoope, veerdig voor alle straf, stiet haar hoofd achterover en zei:
—Ik ben zwanger.
Ze zag het lijf van Sebastiaan pijnlijk opschokken en het witte kleed van moeder een grooten armzwaai uitbreiden in 't geluchte. Zonder een woord, met een luidelijken slag, stortte Ursule neer op den vloer.
Albien stiet de deur open, kwam binnen gelopen en begon seffens te huilen. Goedele dacht niets, voelde niet en stond halstarrig te bibberen. De lampe had een eendelijk licht, het licht dat bijwijlen 's winters uit de mane zijgt. Tenden den donkeren gang beloerde Rik de booze gebeurtenis en vulde, oolijk glimlachend, zijn pijpe.
Ursule was dood.
'T ENDE