IV.

Sur la rive solitaire,Loin de toi je désespère....

Sur la rive solitaire,Loin de toi je désespère....

Het is fijne muziek, Bella.

Mijnheer Devleeschhouwer vond ook dat het fijne muziek was, en dat zij best dees lied zou kiezen. Juffrouw Bella verkoos echter "Les petits pavés". Dat was aandoenlijke zang, en Alfred kon ook geen ander fatsoenlijk begeleiden.

Ze zong met een aangename stem, niet zonder eene gevoelerige gemanierdheid nochtans. Ze bleef altemets aandringen op een toon en maakte dramatische effecten daarmee, den klank warm en vol afrondend in den beginne om hem naderhand te doen uitsterven in smachtende halve-tinten. Als ze, bedrogen door heur eigen spel, hare oogen voelde nat worden, neep ze die halvelings toe, zoodat het licht op hare wimpers in de tranen fonkelde. Erdoor waterden hare bezweken blikken zijwaarts toe naar Sebastiaan, en hare woorden trilden in deze stonde waarachtig van hopelooze droefenis. Bij de laatste strofe zonken hare armen neere, en binst de endakkoorden van 't klavier bleef ze nog staan, en haar gezichte bewaarde swijlens zijne smartelijke uitdrukking.

—Bravo! bravo! riep mijnheer Wilder.

Elkendeen juichte haar toe.

—Wat een allerliefste stem! zei Ursule.

—En hoe zij die te leiden weet! zei mijnheer Vrebos.

Mijnheer Devleeschhouwer peuterde aan zijn baardje en knikte goedkeurend en luisterde met welbehagen naar mevrouw Wilder, die de kwaliteiten van dezen zang overschatte. In den grond hield zij er niet van: het lied was lamlendig en éentonig, en het docht haar dat Bella lijk een ziekelijke katte daar te miauwen stond.

—Het is heerlijk! zei ze en, met een veelbeteekenend stootje van hare onderlip, lachte ze Bella toe.

Alfred droop naar zijne plaats terug en zat er, lijk te voren, met roerlooze oogen te turen naar Goedele. Maar mijnheer Wilder gaf hem nu duwkens in zijn zijde en fluisterde hem een breede uitlegging toe omtrent allerlei mekanische tuigen. Mijnheer Wilder was eenigermate onder den invloed van den wijn geraakt; zijn aangezicht vuurde lijk laaie karbonkelgloed, en roode vlekken beglansden zijn bolle voorhoofd. Het zwitsersch huizeken, dat Sebastiaan hem had meegebracht, kwam gestadig vóor zijn geest, en hij hoopte dat hij het straks aan Alfred zou kunnen toonen. Hij wilde bij Alfred belang verwekken voor het huizeken, omdat hij zelf 't zou te zien vragen. Hij wist dat Ursule hem niet toelaten zou het uit te pakken, als hij er uit eigen beweging van spreken zou.

—Alfred zal 't verkrijgen, peinsde hij.

Hij probeerde Alfred te bewegen. Hij wilde 't voorzichtig doen, vertelde eerst van automobielen, van elektrische trams. 't Begon Alfred alseffens schrikkelijk te vervelen.

—Te Straasburg is er een wonderlijk horloge, zei Albien.

Hij lei uit hoe daar eenthoeveel apostels en groote personagen bij 't slaan der klokken te werke gingen en draaiden en keerden en zwaaiden met hunne bronzen armen.

—Maar een huizeken in hout, een beiaard daar in, en een vrouwken en een manneken, alles schoone ingewikkeld, jongen—hebt ge dat al ievers gezien?

—Neen ik, zei Alfred.

—He wel! ik hebbe er zoo een!

Alfred staarde naar Goedele's vingeren, die om een zilveren lepelken verduldig werkzaam waren.

—Ik hebbe er zoo een, herhaalde Albien, al duwend in Alfred's leên.

Maar een luidelijk gedruisch kwam in de straat, onder de vensters, en alle woorden vielen meteen. 't Was een stijgende zang uit honderden kelen, een rommelend rumoer onderbroken door dreunend trompetgeschetter. Als de ruchtige stoet voorbij was en in een nevensteeg ging wegdoezelen, lijk somtemets de winden doen alover verre daken, was in de eetkamer een ongemakkelijke stilte meesteresse.

—Werkvolk, zei Rik na een stonde.

Mijnheer Devleeschhouwer deed onachtzaam al spelend zijn leeg tasje op tafel ommentweer rollen. Ze begonnen allemaal seffens dooreen te spreken. Ze wierpen een woord alhier en aldaar en ze waren koortsig.

—Weer een meeting....

—Weer een vechting....

—Weer 't bedrijf van Zondag—een ophitsen, een losloopen van gewelddoeners.

—Wat een tijd, wat een tijd!

Mevrouw Devleeschhouwer herhaalde:

—Wat een tijd! Wat een tijd!

't Was verkiezingsweke. Onlangs was er geweld gebeurd, een muiterij in 't lage der stad, een omnibus omverre geworpen en steenen uit de kasseide gehaald. Drij dooden.

Rik mummelde dat het een hoop met beesten was.

—Ze willen muren inbreken met hun voorhoofd.

Mijnheer Wilder meende dat die menschen veeleer ongelukkig dan slecht waren. Hij zei 't ronduit. De regeering was onrechtveerdig, of zij wilde niet rechtveerdig genoeg zijn.

—Elkendeen moet te eten krijgen.

—Maar elkendeen moet werken, ronkte Rik, en dees zijn opgestookte leeggangers.

—Ja, sprak Ursule, kort en hard.

Sebastiaan peinsde ook dat de volksbeweging de maatschappij tot het uiterste kwaad leiden zou.

—Wij zullen nooit en nievers allen tegelijk gelukkig zijn. Er zijn uitverkoren en verworpen wezens. Er moeten meesters zijn en slaven. De huidige democratie is de ondergang der kunsten, en maakt 't luilekkerland der middelmatigen. 't Getal domme menschen zal altijd grooter blijven dan 't getal verstandige—zij zouden dus 't hoofdzakelijke bestuur kiezen? Wij gaan geleidelijk naar 't verderf, omdat wij, uit leelijke deernisse, de onderste menschenlade niet opofferen durven.

Goedele meende dat die deernisse niet zoo leelijk was en dat het volk, tot hooger besef zijner plichten komend, stilaan zich verstandelijk ontwikkelen zou.... Er geraakte in huis een ongemoedelijk geluchte. Men voelde allentwege een wrevelige kilte, en men loerde naar de plate van 't horloge. Mijnheer Devleeschouwer moest nog zijne denkwijze kenbaar maken.

—Kwart over tien, lispelde zijn wijf met geveinsde onverschilligheid. Maar mijnheer Devleeschhouwer hield er bepaald aan ook zijn woord te plaatsen en hij deed het met de noodige deftigheid. 't En was, volgens hem, niet kwaad dat er af en toe een onlustje onder dat sociaal-minnend boeltje ontstond. Dat was eene gelegenheid om de sterkte der politie te staven. Hij hief zijne armen omhoog en werd praatziek:

—Hoe loopt zoo'n opstand gemeenlijk uit? De politie neemt stevige maatregelen, de stoeten worden ontbonden, de burgerwacht, steunpilaar onzer huiselijke rechten, wordt bijeengeroepen en bezet alle straten. Als ik zeg alle straten, zal mij niemand tegenspreken. Wat hebben wij verleden Zondag gezien? Wat hebben wij in de dagbladen gelezen? Ik ontmoette majoor Cnaps. Hij zei: "De wet zal geëerbiedigd worden." Ja dat heeft hij gezegd.... Ik vind niets ter wereld schooner en statiger dan een officier der burgerwacht. Majoor Cnaps is ook een fier en heerlijk man, niet waar mevrouw Devleeschhouwer? Dat is nu wel de zaak niet, maar 't is eender. Een oproer blijft voor mij een deugdelijk verschijnsel.

Elkendeen was allang te wege op te staan. Bella sprong endelijk rechte, met een lach verwittigend dat het laat werd. Ursule bracht hier tegen in dat het morgen rustdag zou zijn en er dan geen bezwaar was om nog een uurken te blijven; ze deed het echter heel lauw en meest bij wijze van beleefdheid. De stoelen werden alhier en alginds verschoven, en Goedele ging in de voorzaal 't gaslicht aansteken. Ze hielp mevrouw Devleeschhouwer en Bella zich aankleeden en schikte hunnen hoed en speldde hun vool vaste.

Ze hoorde ze op den hof vóor 't hekken nog groeten en naderhand hun gemompel over de straat stille weghorzelen. Ursule was algauw in de keuken om inspectie te doen, en Albien scherrelde met zijn Zwitsersche dooze naar zijne kamer. Rik bleef zitten voor de leege glazen. Goedele zuchtte diepe. Ze tort naar het terras en bleef er een oogenblik staren door de donkerte naar de boomen, die in eentonigen avondzang te ruischen stonden, op de mate van den gelijken wind. Ze werd naderhand Sebastiaan gewaar achter heur, en draaide zich omme.

—Gij?

—Ja....

Hij nam hare hand en drukte die en omving hare schouders, trage haar hoofd neerleggend op zijne borst. En in heur haar fluisterde hij zachte woorden. Ze was gestreeld erdoor en liet zich streelen, en zijn warme asem was een aangename jeukte over haar hoofd.

—Wat hebbe 'k gedacht aan u, mijn Goedele!

Hij zocht naar lijze zinnen en wrocht ze zorgvuldig zaam in zijn geest tot een lange lispeling, een lispelende zoetigheid. Hij peuterde aan zijn gevoelens tot het ruchtlooze vlindervlerken werden of een geest zonder gedaante. Hij en liet geen vezelken zijner ziele onaangeroerd, hij zei alles wat in zijn liefde tot een woord kon vervormd worden.

—Ik keek naar een sterre, en voelde precies dat haar stralen u taakten.

En Goedele liet overhaar neerkomen die stroom, die warmte, die vrede—tot zijne lippen meteen haar voorhoofd toetsen kwamen. Ze boog zich en sleerde uit zijne armen en stond dadelijk in 't volle licht der eetzaal. Hij sprak niet meer. Hij nam zijn overjas, en stak een sigaar aan. Hij drukte even hare hand en kustte die vluggelings, en vertrok.

Moeder kwam aangeloopen en moest nog alles nazien op de tafel, de lepels tellen, de vorken, de suikertichelkens.

—Waarom ontvangen wij dat volk? mummelde ze.

Ze troostte zich met het idee, dat het nu hare beurt was en dat ze ongenadig zou zijn bij Devleeschhouwers en maar doorvreten zou. Het was sinds jaren zoo.

Goedele ging slapen. Ze tort hare killige kamer binnen en miek licht. Haar venster stond nog open en 't vrije geluchte joeg in breede vlagen ommentweer. Ze belook de ramen en huiverde een endeken. De keerse stak weldra een rustig vlammeken omhooge en wierp schier roerlooze schaduwen tegen de muren. Het bedde stond hagelblank en vouwrijke gordijnen vielen erlangs, doorzichtig in 't gele uitspattende licht. Vóor een vierkant tafelken, ook met een witten geborduurden doek bedekt, zette Goedele zich neere en bleef er den avond herdenken in hare luie gepeinzen.

Ze was moe. Ze haperde aan wrevelige herinneringen, al kleinigheidjes die groot werden in haren geest en waarmee ze dan een gedwongen hopeloosheid wilde bewijzen. Ze redeneerde tegen haar eigen zelve en gebruikte daartoe de minste gebeurtenis. Nimmer had ze met meer zekerheid de ijdelheid gevoeld van dees huis, de ijdelheid van dees leven. Het soepee walgde haar. 't Kwam in groote geuten naar haar hoofd, en al die menschen, elk met zijn particuliere dwaasheid, waren leelijk en terugstootend. Het beeld van mijnheer Devleeschhouwer krenkte haar, en zijne nietige vrouw, waanzinnig in kleine eerzuchtjes, kon ze niet verdragen. Bella ook werd haar een folterend hysterisch popje, aldoor smachtend en aroetekoeënd en potsierlijk. Hare ouders zelve bezeerden hare gedachten—moeder was valsch en vader was klein en grootvader was vrekkig. Ze zag nog den zwaren nekke van Alfred, binstdat hij op 't klavier spelend was, en zijn droog haar saamloopend, tenden zijn bolle hoofd, tot een stekelig sterreken....

Ze achtte zich, met een haastigen schok, verveeld en vernederd door eigen verbeelding. Ze kleedde zich uit en vlocht heur haar bij dichte stringen en wond die in een kanten kapje saam. Ze stond nadien vóor den spiegel, bloothemds, en bekeek de schoonvervige naaktheid van haren hals, hare opwellende borsten, hare armen. Ze was groot en geweldig en majestatisch. Ze kwam haar eigen meteen voor als een aanbod, als een koopveerdige voorstelling, als een die zich niet bezittend was en eigendom zou worden. Een stijgende fierheid sloeg, met den stevigen klop van haar bloed, tegen hare slapen en ze voelde zich machtig, boven 't gepeuter en de ellende van dees huisgezin, boven al de luttele woorden, die flauwasemend neerzegen, menig en vederlichte. Ze wilde een forsig gezegde beluisteren, den vurigen toets van mannelijke armen belijden, ze wilde zich verdedigen met hare tastende handen en toch overwonnen worden....

Ze viel neer op haren stoel, sidderend en hijgend. Ze dacht aan Sebastiaan, hoorde nog het zoeterig gefluister zijner liefde, zag nog het vroom gebaar zijner kunstige lippen, en zijne oogen, diepe en stille, zijne blauwe oogen. Ze werd, in éen scherp zicht, gewaar dat hij over haar niet heerschen zou, dat zij hem gewillig verdragen zou, en hem in dankbaarheid voor vredige uren liefhebben. Zij en bereikte, met een verste gepeins, geen wijde hoop in de toekomst, en haar hoofd zonk op hare borst, verduldig, begrijpend dat het niet denken mocht. Ze vatte langs alle kanten van haren geest, dat haar lot verveling was en dat geen schoon geweld haar driftverlangen zou bedaren.

Ze weende nu en had deugd daaraan, en haar lijf snokte opwaarts, met haar hortend snikken mee....

Het was 's anderen daags frisch en leutig weer. De zonne had in den morgen een lagen mist verscheurd en wapperde tegenwoordig in een blauwen hemel, lijk bij uitkomend lentegetij. Goedele zou naar Romaan gaan. Het hekken viel luidelijk dichte achter haar, en nu tort ze over de straat en hare hielen klonken pleizierig op de koude steenen. Ze voelde zich vrij en keek alles genegen toe, alles liefelijk ontvangend wat zich voordeed. Ze bleef altemets de uitstalling der groote magazijnen bekijken, en 't was een waarachtig geneuchte voor haar. Ze stelde er algauw een groot belang in en bleef hier en daar haperen en lanterfanten, kiezend en afkeurend en aannemend met een knikje. Ze bewonderde in een engelsch confectiehuis een prachtig kareelbruin kleed uit zwaar laken, ruime pagodemouwen met oranje zijde gevoerd en bezet met zachten marterpels, een kraag met gulden franjen en zoo nauwkeurig met blinkende knopjes bezoomd, regelmatig te reke.... Ze had goesting naar zoo'n dracht, die haar rijkelijk maken zou en begeerig. Ze zou dien breeden rok voelen kloppen, gewichtig en wijdplooiend, om hare voeten.

Op een hoek der groote middenlaan, stapte een sierlijke dame uit haar coupé. Even werd haar kleine leest in een ruischend gefrutsel van kant en satijn zichtbaar, en ze liep, al wippelend, een pasteiwinkel binnen. Goedele loerde ze nog na, benieuwd voor wat ze koopen zou, en ze merkte, achter de laden taartjes en suikergoed, hoe zij te kiezen begon en naderhand zich aan een luttel mokkakoekje te snuisteren zette. En ze beneed bijna deze vrouw, die schoon en wispelturig en vrij was in hare doening. Zóo, lijk deze, wilde ze worden—zoo, handelend naar beliefte, en geliefd naar haren zin. Ze zou ook genieten van den vroegen morgen en uitrijden in de uchtendkilte. Ze zou ook links en rechts binnen gaan, toevallig. Ze zou ook bijten in zoo'n taartje, met volle tanden, en ze zou trek hebben ernaar.

Nu had zij geen trek. Ze had ook geen geld te vele. Ze had, buiten enkel klein zilver, het bankbriefje dat voor Romaan en zijn kindeken bestemd was. Geld van moeder. En ze dacht: we maken thuis ons eigen ongeluk....

Binstdat ze vóor een modemagazijn stond en veel lust had in 't zicht van hoeden en linten, werd ze een jongen man gewaar, die haar sinds durenden tijd achtervolgde en maar overal stil bleef, waar zij iets te bekijken had. Ze vond hem onbeleefd en zou hem straks eens duchtig in de oogen staren, als dat loopje standvastig zijn mocht. In de spiegelvlakte der ruiten kon zij hem zien—een sterken vent, hoog en goedgeschouderd, fatsoenlijk aangekleed. Ze vond hem deftig en struisch, bijaldien hij haar dan toch danig krenkend en ongemanierd scheen. Hij wilde niet in haar aangezicht blikken, hij deed alsof hij haar niet merkte, voortdurig echter achterblijvend, gedwee en koppig tevens.

—Hij heeft tijd te vele, meende Goedele.

Ze tort dan haastig door, kronkelend door 't volk, straat in straat uit, zonder ommezien. Ze spoedde zich tot zij er moede van werd, en bleef rusten bij een tramhuisje. Tien stappen achterwaarts stond hij. Verontweerdigd stapte ze naar hem toe, hem bijna takend in 't voorbijloopen, en hij kon ditmaal haar toornige oogen niet ontvluchten. Hij bloosde rijzekens en sprong verlegen op een aankomende tram.

Ze had er nu medelijden mee, met dien grooten lummel en lachte met zijne plotselinge benauwdheid. 't Was haar een onnoozel vermaakje geweest; ze dacht er aan, lijk aan een piepken-duik-spel van kleine kinderen. Ze herinnerde zich flauw zijn scherp gelaat, omschaduwd met donkere knevels en een vierkanten baard. Ze drilde voort, probeerde onderwege zijn beeltenisse precies af te teekenen en peinsde er later niet meer op. 't Was een dwaze leutigheid.

In de lage stad ontmoette ze, langs de nauwe stegen, meer volk en was er meer verschillend lawaai. Winkeliers prezen hun waar op hunnen dorpel. Wijven stonden in donkere poorten te kakelen en te kijven. Allerlei menschen kwamen saam, bij dichte troppels, hun neuze opheffend, en turend naar blinde muren, met electorale plakkaten bontgevlekt. Kinderen draafden gichelend en schreeuwend rond en stormden tegelijk een ruchtigen brouwerswagen achterna. Uit open kroegen steeg 't rumoer van hevige redeneeringen. De toekomstige verkiezingen hadden alreeds deze wijk in rep en roere gesteld.

Goedele kocht in een poppenkraam een poesjenel voor Wiezeken, geheel en al in een rood en groen pak, met gulden draad geborduurd. Ze dacht:

—Ons pover Wiezeken!...

Ze tort de vaartbrug over en geraakte, zijwaarts ommedraaiend, in een stille straat, die verder uitliep op de graanmarkt. Arets den hoek voorbij, was een ellegoedwinkel met hoogen gevel. Hier, op het eerste verdiep, woonde Romaan. Ze ging seffens den somberen gang door en steeg de smalle trap op. Er heerschte tallenkant een scherpe geur van lijnwaad en geverfd katoen. Ze klopte boven stille tegen de deur, hoorde binnenwaarts tante Olympe antwoorden, en draaide de klinke open.

—Wel! wel! juffrouw Goedele! riep tante Olympe.

Tante Olympe zat alleene aan 't patodders schillen. Ze kwam haastig aantrippelen, binstdien vluggelings hare handen schoonvegend met haar blauwe schort, en hielp Goedele zich ontdoen van haren mantel. 't Was een stokoud wijveken, mager en omlage gekromd. Haar luttel gezicht lag plat tusschen twee pronte vlechten zilverwit haar, en haar kinneken stak vooruit en ging huppelend mee met hare minste woorden. Ze droeg een zwarte kanten kap en getafelde halfmouwen. Twee lange oorbellen rinkelden van weerskanten tot in haren hals.

—Ho! dat zal Romaan en Madeleen deugd doen, die brave komste van juffrouw Goedele.... Ik zei 't nog gisteravond bij mezelve: zou ze nu niet weten dat Wiezeken ziek is, en zou ze nu niet komen?... Maar ze komt. Dat is goed. Dat is goed.

Ze roefelde met een handdoek over een stoel en schoof hem naar Goedele toe.

—Och! en Wiezeken is zoo ziek, juffrouw!

—Zoo erg?

—Och ja! Och ja!

Ze zuchtte en zette zich neer en staarde een wijlken naar een varende wolk, langs het venster.

—Ik hebbe 't gepeinsd en ik hebbe 't gevreesd, juffrouw Goedele. Dat en kan toch niet deugen, zoo'n valsch huwelijk, niet waar? Ze zijn allebei braaf en ze hebben een schoon herte. Ze zien mij ook geerne. Romaan is braaf. En Madeleen is braaf. Maar wat willen ze nu koppig zijn, tegen den wil van Ons-lieven-heerken? Wat willen ze nu zondig zijn? En ze verdienen geen straffe. Wat willen ze de straffe met geweld zich aantrekken? Ik weet niet ... waarachtig.... Ons-Heere is zoo goed! Heeft hij ooit iemands ongeluk gemaakt? Hij heeft dikwijls iemands ongeluk vermeden....

Hare oogen kwamen vol tranen en die rolden nadien, dikke en langzaam, langs hare kaken, in de diepe groeve van hare rimpels. En ze zei:

—Zijn wil is deugdelijk. Ze moesten trouwen en neerknielen in de kerke. Dan zou alles effen komen.... Ziet-de 't? Ik word ziek daarvan.

Ze blikte weer opwaarts, naar die wolke. Ze slikte een krop weg, die zeer deed in hare keel.

—Maar nu is ook Wiezeken ziek geworden....

—Is Wiezeken gevaarlijk ziek?

—Ziek. 't En wil eten noch drinken. Keelpijne. 'k Hebbe al gesproken van lijzemeelpap met regenwater. 't Kindeken hoest, dat het mij pijn doet, 's nachts. 'k Hoore 't 's nachts hoesten. 't Is een holle hoest, die dan te huilen begint. 't Ligt in de voorkamer. 't Is bleek en mager geworden. G'en zult het niet meer herkennen, juffrouw Goedele. 't Zal wel zijne handjes uitsteken naar u, maar zulke tengere handjes, met vingerkens van teer hout precies. Madeleen en Romaan en mijnheer Johannes zijn er nu bij. Mijnheer Johannes komt schier alle dagen kijken, en Wiezeken ziet hem geerne.

—En komt de dokter er ook bij?

—Dagelijks. Hij wringt beulenijzers in Wiezeken's kele. Ik en kan 't niet zien, waarachtig. En dan moet ze citroen nemen tot heur tanden rabauwen. De dokter zegt dat het zal overgaan. Ze zeggen dat allemaal. Maar ik weet wel dat het ongeluk hier is binnen gekomen, en dat het niet wijken zal, als Romaan niet tot inkeer geraakt.

Goedele stond recht.

—'t Kindeken ligt in de voorkamer, zei tante Olympe.

Ze was te wege Goedele vóor, om haar de deuren te openen. Ze mummelde gestadig en schudde haren witten kop, tenden raad. Ze keerde zich dan haastig omme en blikte zonder overgang vlak in Goedele's oogen, en ze vroeg:

—Wilt gij Romaan overhalen?

Ze beweerde dat Goedele het zonder moeite bekomen zou. Romaan sprak alle avonden van haar. Zij zou hem dadelijk tot zijn schoon verstand brengen.

—Hij is nu buiten zijn gedachten versmeten.

Goedele weerde zich zachtjes af.

—Wilt ge niet? bad tante Olympe en hare lippen vielen in diepe droefenis neerwaarts, zoodat naar dezen nieuwen rimpel al de andere te gelijk negen, een beeld stichtend van onzeglijke smert. Goedele troostte haar—dat was niet zoo erg, en God hield zich niet zoo bepaald bezig met schadelijke uiterlijkheden.

—Schadelijk?

—Want als Romaan trouwt, dan sterft zijne moeder. Romaan doet het wellicht uit menschlievendheid, en doet hij niet best zoo? Moeder was niet edel jegens Madeleen, tante Olympe, maar ze blijft, spijts al haar ongelijk, zijne moeder, Madeleen weet toch dat Romaan haar niet verlaten zal. Zij mag niet willen dat Romaan's moeder sterft.

Tante Olympe week achterwaarts tot tegen de dresse en ze hief permintelijk haren kromme rugge rechte. Haar aangezicht verloor meteen zijn lijdende uitdrukking en werd hard, puntig, stekelig.

—Ja?... Ja?... Ja, juffrouw Goedele?

Hare kin begon te trillen en ook hare beide handen beefden, en haar hals rok ze uit, de bruine pezen toonend boven hare witte krage, tusschen de blinkende oorbellen schijnbaar bruiner nog. Hare stemme steeg uit lage diepten, werd koortsig en sidderde, schoot weg in klaterende klanken en schorrelde thoope, lijk een pak blekken schervels, droge en ruig.

—Maar nu sterft Wiezeken? Maar nu sterft het arme dutseken door den wil van God, door ulder koppigheid, ulder te gare. En als Romaan en Madeleen buiten geworpen werden, uit het andere huis, omdat ze niet wettig getrouwd waren, en als we samen het moeielijk hadden en aleens honger kregen—is dan mevrouw Wilder dankbaar geweest, dankbaar omdat Madeleen zich, naar hare goesting alzoo, lijk een slonse gedroeg?... Ik hebbe gewerkt met mijne oude vingeren, en met mijne oude oogen hebbe 'k gewerkt, en nu wonen we in een leelijk huis, waar Madeleen zich voort lijk een slonse mag gedragen. En nu sterft mevrouw Wilder niet. Ze zal wel gezond zijn, als Wiezeken sterft. Dan is Wiezeken uit de voeten....

—Ho! Ho!... tante Olympe....

Goedele was niet toornig—ze berispte stille, omdat tante Olympe bedaren zou. Maar tante Olympe moest uitspreken en naarmate hare stemme gebroken en afgemat, luttel werd, liepen sneller en zwaarder hare tranen over haar roerend aangezicht.

—Ik mag het u zeggen, juffrouw Goedele. Ge zijt ons allen lief en genegen....

Ze begon meteen te snikken. Het groote geweld was over, en ze kloeg nu, al hakkelend en schokkend. Haar lijf zakte ineen en ze was moe, kromme en scheef lijk te voren.

—Och! kind, we doen zoo moedig ons devooren, gedrijen. Romaan is nog altijd op de fabriek; hij wint daar niet veel en we moeten hem helpen met borduurwerk. We doen het geerne, we doen het geerne.... Maar laat ze trouwen, als 't u belieft. Ik heb al zooveel geleden voor Madeleen, van toen ze klein was en hare ouders had verloren. Ik heb ze opgebracht en ze leeft in mijn herte. Laat ze nu trouwen, laat ze haar eer hebben, die 'k zoo jaloersch hebbe bewaard. Laat ons hier weggaan, uit dees open huis, en laat Wiezeken later een naam dragen ... niet waar? Ben ik nu redeloos? Mag mevrouw Wilder redeloos zijn? En zou ze sterven, omdat een meisje eerlijk blijven wil? Zou ze? Maar ik, ikke, juffrouw, ik ga nu ook weg, door hare schuld dat voele 'k—en ik zie Romaan en Madeleen allebei zoo geerne....

Ze moest gaan neerzitten op een stoel, en Goedele klopte zoetekens op hare schouders, een braaf woord zeggend, dat haar opbeuren zou. Ze werd kalm naderhand en snoot zich in haren grooten rooden neusdoek, en veegde trage hare oogen droge. Ze fluisterde, met een droef lachje, Goedele toe dat ze niets hiervan bij Romaan mocht laten gebaren. En vriendelijk, nog even na 't eerste woord een snik meeduwend, vroeg ze:

—Wilt ge nu Wiezeken zien?

Goedele nam de bonte pop, die zij medegebracht had, en ging vóor. Maar, bij de deure, bedacht zij zich en tort niet verder.

—Wie is die mijnheer Johannes?

Tante Olympe werd seffens praterig en lei uit hoe deze vriend van Romaan, een rijke kunstschilder, op een avond in huis gekomen was en hoe hij sindsdien wekelijks kwam en hen allen zeer genegen was.

—Een brave ziele, juffrouw Goedele. Hij heeft de beeltenisse van 't kindeken gemaakt, op min dan drij dagen. Wel! dat is een stuk, schaap. Ge zult het zien. Ge zult peinzen dat Wiezeken in waarheid u komt toegeloopen....

—Hoe is zijn name?

—Ameye, Johannes Ameye—wij zeggen gemeenlijk hier mijnheer Johannes. 't Is een gouden hert.

De deur werd precies opengestooten, en daar stond Madeleen. Ze viel dadelijk in Goedele's armen, haar kussend en groetend met dankbare woorden, en ze bezagen malkander naderhand met vochtige oogen. En Madeleen lispelde gestadig dat het braaf was, dat het goed was.

—Och ja! ik ben tevreden.

Romaan liep ook fluks bij en drukte zijne zuster op zijne borst, en dan stonden ze gedrijen een wijle sprakeloos ondereen, te kijken naar een gedacht van deugddoende liefde. De stilte is altemets een licht gewaad met gulden twijn geweven, waar de ziele te rusten blijft, te rusten en te luisteren naar schoone aandoeningen.

Romaan nam nadien Goedele bij de hand en stelde haar vóor aan zijnen vriend. Ze dierf in den beginne niet opzien. Ze voelde iets ongemeens in 't geluchte, alsof deze man geen vreemde zijn zou en haar met een bevrienden lach bejegende.

—Dees is haast mijn broeder, zei Romaan, zijn plaats in mijne liefde is nevens u.

Ze keek er naar en herkende hem, zooals zij hem bij 't venster van den modewinkel voor 't eerst ontmoet had, en zooals zij er, bij het tramhuisje, toornig was op afgegaan. Hij bloosde en boog.

—Hebbe 'k mejuffer niet elders gezien? Ik vrees dat ik een leelijk hoekje krijg in haar geheugen....

Zijne stem was vol en zwaar, en sloeg in sierlijke golving om.

—'k En hebbe u nooit ontmoet, zei Goedele.

Tante Olympe had seffens de voorkamerdeur geopend en was aan 't babbelen met Wiezeken van een popje met djentige dracht en met twee drollige bulten. Madeleen begon over 't arme dutseken te klagen en vertelde hoe het toch zoo geleden had, den vorigen nacht, hoe 't hoestte en kuchte en pijnelijk zich wrong, hoe 't dan neerlag zonder couragie, bleek en afgemat, hoe 't zin had in niets, in niets van al wat het vroeger begeerde,—en hoe dat alles danig smertelijk was om zien.

Ze gingen allemaal nog eens kijken. 't Beddeken stond in een luchtige kamer, naast de breede koetse van Romaan en Madeleen. Drij vensters wierpen licht op den blooten vloer en, bij kletsende geuten, tegen 't vermoeide muurpapier, vaag-bebloemd met bruinroode tulpen. En 't beddeken was sneeuwwit en zuiver en prontelijk, gewend aan de zorg van aandachtige moederhanden. Goedele bukte zich langzaam erover.

—Dag, Wiezeken, mijn zoete boeleken....

Wiezeken lag in 't blanke kussen, zoo luttel, zoo klein.... Haar hoofdje dook schier weg onder de sargie, een hoofdje bleek en vaal, met loodvervige schaduwen, oogjes diepe en wijd-denkend, en een mondje teenemaal verslenst. Ze lachte stille als ze Goedele herkende, en hare handjes gingen op naar heur, nadien weer neervallend, lui, onbeweeglijk, broos. Hare lippen ontsloot ze swijlens en ze wou zeggen: daáag!... en ze haperde in een zuchtje en zweeg. De pop werd nevens haar geleid, en ze was daarmee bovenmatelijk gelukkig. Ze bekeek haar met welbehagen en had plezier met de schitterende kleuren en die koperen knoppen en die domme bulten van weerskanten.

—'t Is een poesjenel voor de brave kinderen.

De poesjenel kon zijne armen toeklappen, als men op zijn buik neep, en dan rinkelden de twee bellekens, die aan zijne mouwen hingen. Tante Olympe neep maar gedurig op den houten buik en de poesjenel smeet zijne klinkende armen gedurig saam, en Wiezeken was bovenmatelijk gelukkig. Maar ze werd algauw weer slaperig en wendde haar hoofd omme, en dan moest Tante Olympe aan 't voetende het lieve lam pakken, dat mijnheer Johannes had meegebracht. En tante Olympe moest op het onderst plankje duwen tot het lam te bleeten begon. En 't lam zei:

—Bêe-êe-êe-êe....

Wiezeken lachte flauw en streek met hare vingerkens in de witte wolle en bleef er peuteren tot meteen hare oogen opnieuw heel verre staarden en ernstig werden. Het was alsof dees kind zijn moeielijke gepeinzen volgde en in diepe beschouwingen verzonk, aldoor mijmerend langs bovennatuurlijke zaken. Langzaam vielen zijne wimpers dicht en zijne handjes bleven stille.

—'t Slaapt.

Het sliep. Zijne wangen en zijn voorhoofd en zijne lippen—'t werd alles effen wit.

Ze tuurden allemaal zwijgend ernaar. Romaan boog zijn hoofd en zijn kin rustte op zijne borste, en van onder zijne neergeduwde wenkbrauwen loerden droomend zijne rechte blikken. Hij hield zijn kind, dat beeldeken van smerte, in zijne hersens vaste en zijn hopeloos gedacht en wilde zich niet losrukken daarvan, hoe 't hem folterde en martelingen aandeed. Dat witte gelaat, in nauwmerkzame tinten opschaduwend uit al het blanke bedlinnen, dat heele broze koppeken, rijzekens een diepte wegend in 't donzig kussen, en dan de teekening daarin van beloken oogen, neerplooiende lippen, een luttel neusje, met kantewaarts een zoetvervig blauw—al wat nu Wiezeken was, 't hiew met pijnlijke slagen, een steenen herinnering in zijn geest. Madeleen keek schuw op naar hem, en ze toetste met haar hert zijn droevig gepeins, en een groot verdriet zeeg over haar.

—'t Is een deugdelijke slaap, fluisterde tante Olympe.

Ze kromde haren ronden rugge over 't bedde en lei den poesjenel aan 't voetende, nevens 't schaapje, en dook voorzichtig de lichte handjes van Wiezeken onder het deken. En ze prevelde nog:

—Morgen zal 't ten halve genezen zijn.

Ze rechtte zich en zag omme binstdien, en Romaan stond daar, vóor haar, te staren, heinde weg, roerloos en zonder uitkomste. En ze merkte, zóo blootliggend op zijn aangezicht, zijn endelooze leed. En ze herhaalde met onzekere stem, om toch wat leven in dees bange geluchte te krijgen:

—Morgen zal 't ten halve genezen zijn.

Maar de stilte en wilde niet breken, en hare woorden stierven seffens uit, zonder naklank, zonder een bijblijvend gedacht, dat mocht de angstige leegte vullen. En dan zweeg ze ook, met de anderen mee, en dan hoorde ze somtemets het snorkend asemken van 't zieke kind.

Tot, op een ende, allengs 't rumoer van voorbijrijdende karren en een standvastig gebas van honden hier binnen drong en hoofdzakelijk werd, ten teeken dat stilaan elkendeen zich van Wiezekens' beeld lostrekken wou. Daar was buiten een man die riep:

—Scherre-scherre-scherresliep!

En hij deed een krissend wiel draaien, dat lijk een scheur door de ruimte kreesch. Naderhand klonk boven, op het tweede verdiep, 't geronk van een naaimachine, en bij poozen, een blijde meisjesstem vrij trillend in een leutig lied. Goedele lei haren arm op Romaan zijnen schouder, en Madeleen wendde met een diepen zucht haar aangezicht van hem af. En mijnheer Ameye zei:

—We mogen hier alzoo niet blijven, en de kamer vullen....

En terwijl allemaal stille wegdrumden, vroeg hij wat een lieve gebuurvrouw daar zong, ginder hooge. Tante Olympe trok voorzichtig de deure dicht, en begon seffens te vertellen van het zonderlinge huishouden.

—Een blinde met zijn dochter.

Ze noemde de dochter "een verloren maarte". De oude vader knorde en ronkte en keef den heelen godschen dag door, en 't meissen zong swijlens. Men hoorde ze van den morgen tot den avond. 't Waren goede herten.

—En hoe geraken ze aan hun brood?

—Ja, hoe geraken ze aan hun brood!...

Tante Olympe zette zich bedenkelijk neer, en lonkte naar Madeleen, en vouwde hare handen over haren schoot, daarna eens smakkend, alsof ze iets zeggen zou van gewichte. Ze deed hare duimen overeen draaien.

—Ja, mijnheer Johannes ... ze naait.

Ze zei 't zoo beteuterd dat Ameye lachen moest, en elkendeen, met gemaakt geweld, meelachte. Ze werd dan een beetje rood, vlak naast de gouden oorbellen, en ze begon alzeere en vluggelings te babbelen om hare verlegen manieren te verbergen.

—Ze staat laat op in den morgen. De oude is altijd eerst te been, en ik hoore zijne voeten scherrelen over 't plankier en zijn stok matelijk kloppen. Hij maakt zijn eigen fluks kwaad en dan staat hij te grollen of loopt mompelend rond. De man moet veel geleden hebben. 'k Zie 't op zijn gelaat. Hij heeft een moeden mond en zijn doode oogen liggen in een rimpelkrioelinge bijkans te lore. Zijn lippen hergaan bij stonden, alsof hij een antwoord gaf op een invallende gedachte. "Ja!" zegt hij, kort, droog, met tot ruk van zijn kinnebakkes, en niemand weet tot wien hij 't zegt. 'k Zeg hem al eens tegen, al lachend: "Neen!" als om te strijden met hem. Hij blijft dan staan op de trap en heft zijnen stok op, en 't getril van zijn neuze is een teeken van komende gramschap. Maar zijn arm valt omlage en zijn gezicht druipt neerwaarts in een verdraagzame droefenis, en hij zegt schuddebollend: "Och! Och! Och!" ... en zijn doening is dan van een, die mij gelijk geeft. 't Is een aardige vent, mijnheer Johannes.

—En de dochter?

Goedele vroeg hoe haar naam was.

—Mariëtte, zei tante Olympe.

Ze bleef, saamvouwend opnieuw hare handen, zitten, en riep nadien, met geveinsde belangstelling, de katte, die even van onder de dresse te voorschijn kwam en voorzichtig ruiken ging aan het tjopken van haren wenkenden vinger. Madeleen vertelde hoe Mariëtte gestadig leutig was en aldoor zong. De naaimachine geraakte wel eens in druk bedrijf, maar dat en gebeurde niet dikwijls. Mariëtte hield zich meer met hare twee kanarievogels en met hare begonia's bezig. In den uitkomende was 't een plezier hare werkzaamheid te zien, hoe ze aan 't sproeien was, en heel 't venster vol hing met kapucijnebloemen, schoone opgeleid langs een kunstmatige webbe van draden en touwtjes. En de vogels werden in dat getij buiten gehangen, boven 't raam, in de gouden zonne. Gestadig schikte ze de muitjes en spreidde er voolkens over om den wille van muggen en ander stekend ongedierte. En als ze niets te verrichten had, boog ze zich over de bloempotten heen en bracht hare lippen bijeen tot een toeterken en floot hare lievelingen voor. En lachen deed ze, zoo geheel alleene.

—Maar....

—Een herte zonder lusten dan? vroeg Ameye.

—Ja, maar ... daar hapert iets....

—Wat kan er haperen, dat niet in zooveel leutigheid weer loskomt? lachte Goedele.

Madeleen knikte en lachte mee. Ze probeerde in een uitbundig gepraat Romaan's voorhoofd effen te krijgen, en sprak luidruchtig met overdreven golvingen van haar stemme en met wijde gebaren, zich buigend, en wijkend en zijlings wiegend, tot ze warm werd en te blozen begon. Romaan stond vóor 't venster en tuurde naar de wolken. Madeleen zei:

—In den avond, als we al zinnens zijn naar bed te gaan, hooren we de trap onder voorzichtige terten kraken. Naderhand zijn er geen zangers meer boven, geen minste rumoer, geen getrippel van Mariëtte hare zotte voetjes. Alleen nog, somtemets, een kort gegrommel van den oude, die aleens poogt de deur open te doen. De deur is vaste....

—De deur is vaste, ja, prevelde tante Olympe.

—Omtrent twee uren in den morgen, kraakt opnieuw de trap en rotelt de sleutel in de klinke.

—En Mariëtte...? vroeg Goedele.

—Ja, Mariëtte zelve. 't Zijn hare eenige wandelingen. Ze gaat anders nooit uit.

Romaan wendde zich omme.

—Ssjt!... Hoore 'k Wiezeken niet?

Elkendeen luisterde en de ongemakkelijke stilte heerschte lijk te voren, alle geluiden der strate groot makend. Tante Olympe ging kijken of Wiezeken sliep. Ze kwam weer op hare teenen, elkendeen geruststellend.

—'t Slaapt lijk een engelken. Overmorgen is het te been.

Ameye boog zich naar Goedele en vroeg, oolijk lachend, wat hare meening was omtrent Mariëtte. Madeleen trachtte de vraag af te weren, omdat die, volgens haar, zoo direkt in 't intiem denken dringen wilde. Men mocht niet oordeelen. 't Gold hier eene zeer delikate gevoelstoestand.

Maar Goedele vond hier zoo diep een ernst niet in, en ze lei uit wat, haar inziens, een rechtveerdige uitspraak zijn zou.

—Ik neem aan dat Mariëtte gelukkig is. Zij heeft heur eigen niets te verwijten.

—Djeezes-Maria! kreet tante Olympe.

—Zij mint het Lenteweer, de bloemen, de vogels, 't vrije geluchte, dat neervalt uit de blauwe hemelen. Ze voelt haar vleesch, haar heele lijf opengaan in schoonheid, in nature. Hare doening 's nachts en zal niet tegen nature zijn. Dat ware onmogelijk. En, overigens, wat doet ze dan? Ze gehoorzaamt misschien aan 't geheime bevel van haar wezen. Ik meen niet dat ze misdadig is. 't Ware in elk geval onwaarschijnlijk.

—Ja, zei Romaan.

—'t Is een slette, zei tante Olympe.

Ameye lachte luid en stond recht. Hij trok zijn overjas aan en moest nu gaan—nog een paar zaakjes afhandelen vóor den noene—en morgen zou hij eens binnenloopen nog, rond den elven. Hij drukte forsig de hand van Romaan en groette tante Olympe minzaam, haar met een dwaas woord tot bedaring brengend, en lachte nog als hij Madeleen goeiendag wenschte.

—'k Zal eens 't portret maken van Mariëtte....

Hij boog vóor Goedele en drong nadien met zijne klare blikken heel diepe in hare oogen.

—Voor u, juffrouw.

—Ja, doe dat, sprak Goedele.

Ze wist niet goed wat hare eigen bedoeling was met deze woorden. Ze had zoo werktuigelijk geantwoord, meerendeels om hare lippen te roeren en aldus eene wrevelige verlegenheid te duiken, die over heur aangezicht kwam. Ze hoorde naderhand alleen in ver lawaai al wat nog gezeid werd, en Ameye was lang verdwenen, als zij nog zijne blikken voelde, heel zonderling daar blijvend, vóor haar, met een bovennatuurlijken wil....

Wanneer ze ook dees huis verlaten had, en de straten doorliep, werd ze droevig en was te wege weer te keeren. Ze asemde daar zoo vrij, en nu zou opnieuw moeder nevens haar komen, en grootvader en van avond Sebastiaan—heel die koude wereld, die gemanierde wereld; tusschen al die naakte muren haar nijpend en knellend en zeer doende. En 't povere kamerken, waar Wiezeken te lijden lag en was zoo eendelijk niet als gindsch vierkante steenmassa.

Ze bleef droomend lanterfanten langs de uitstalling van den modewinkel en peinsde:

—Die mijnheer Ameye is een leege man.

Ze joeg hem seffens uit hare gedachten en verzinde 't beeld van Mariëtte. Ze vond daar behagen in—een kap met blonde lokken, een gezichteken als van een zoete deugniet, rond en rood en donzig, en een natte mond en gloeiende oogen en lieve vingeren, gewend aan 't bedrijf van kanten geluksweefsels. Ze liep bijna een kindje omverre. Ze werd beschaamd en stamelde en drilde voort, haastig. Ze zag een tram meteen stilstaan vlak vóor haar. Ze peinsde:

—Die mijnheer Ameye is ongemanierd—en niet vriendelijk ... en niet schoon....

En vlugger spoedde ze zich, zonder reden af en toe stil blijvend bij een schitterende kleur ievers aan een venster, of bij een hoog geluid, dat voorbij gilde. Ze hield van niets een vast gedacht. 't Sleerde allemaal over hare hersens. Ze wilde bij stonden tante Olympe oproepen in haar hoofd, haar zien trippelen en snokken met haar kinne en wuiven met haar armen. Ze wilde Wiezeken herdichten, het bleeke wicht. Ze zag den poesjenel. Ze zag het witwollig lam. Ze peinsde:

—Waarom vroeg hij, wat ik over Mariëtte denk?

En verder drevelde ze, koortsiger wordend naarmate hare gevoelens meer verward dooreen stringelden. Als ze in de stille wijk van blinde rijkemanshuizen geraakte, hijgde ze en was danig opgehitst. 't Docht haar dat de toekomst luchtig werd en dat er klaarten kwamen en een breed zicht. Ze voelde heel vaag eene grondige verandering in haar lijf, een ongewoon trillen, een ziedende leven. Ze hijgde, en zij en was niet moe. Ze was zeker dat iets heel schoons zich had veropenbaard in hare ziel. Ze vroeg niet naar een oorzake. Niets was bepaald. Ze baadde zoo in een streelende warmte, daaraan deugd hebbende en zonder verlangen voortgenietend. Haar bloed sloeg forsig omme en, in haren hals, tegen hare hooge krage, werd zij den sterken klop ervan gewaar.

Ze stond meteen vóor 't donkere hekken. Ze hoorde de wind zoeven in de boomen van den hof. Alles brak, viel in haar. Ze moest zich vóor den drempel ontdoen van alle geestdrift, alle gejubel. Ze keek naar de koude muren en naar al die beloken vensters en onderaan naar de vier ontsloten—gladde ruiten, met de franjen van donker roode gordijnen en de witte beelden van twee steenen poedelhondjes. Ze boog haar hoofd en zuchtte. Het zware geluchte van daarbinnen sloeg haar tegen het aangezicht....

Ursule vroeg haar of zij 't geld gebruikt had. Goedele had het bankbriefken bij 't uitgaan in tante Olympe's hand gestopt. Ze sprak nu heel onverschillig, terwijl ze haren hoed afnam en vóor den spiegel heur haar een beetje schikte:

—Och! ja, moeder....

Ursule antwoordde niet en ging een krulleken witte wolle wegknipperen, van Goedele's kleed.

—Ge hebt wolle op uw kleed.

Ze zette zich neer vóor 't venster en kruiste hare beenen en deed haar pantoffel bijzen op 't ende van haren opgeheven voet. Ze lei hare armen op de leuning van twee naaststaande stoelen en vroeg hoe 't met Wiezeken was. Goedele zei dat het haar niet goed voorkwam, dat het kind daar wel deerlijk lag, zoo wit over zijne kaken, zoo wassig, en zoo teerblauw op de randen van zijne lippen.

—'t Zou moeten de buitenlucht hebben. 't Zou moeten kunnen breed asemen. Zijne longetjes zijn geheel vernepen, geheel klein en nutteloos....

—En hijgt zijn borste?

—Bij stonden.

—En ... zou 't eraan kunnen ... weggaan...?

—Watte?

Ze keerde zich fluks omme en staarde in Ursule's oogen, zich buigend om indruk te maken. Maar moeder bleef roerloos en liet hare blikken geleidelijk meewiegen, met de bijzing van haren voet, kalm verklarend onderwijl dat ze dat zoo maar vroeg....

—Uit belang ... zekerlijk.

Met een ruk, alsof ze peinsde een wrokkig woord neer te gooien, zei Goedele dat Wiezeken den dood nabij was. Ze werd rood en voelde eene dwaze verontweerdiging haar hoofd dol maken. Ze joeg bijtende zinnen achter malkaar:

—Ge moet het wel weten hoe Romaan nu lijdende is, gij die zoo geleden hebt om ons, indertijd, als we zieke wichten waren. Hij beseft nog niet hoe verre Wiezeken alreeds van hem verwijderd is. Hij ziet wel overal donkerten ommendom, maar hij hoopt. Gij weet het wel, niet waar? hoe die toestand is.... Gij zijt zijne moeder. Ik heb uw bankbriefken afgegeven.

Ze ontzenuwde alzoo haar eigen zelve, en moest, na een stonde, wegloopen om niet haar drift uit te storten in geweldige gezegden.

Mevrouw Wilder bleef nog beweegloos zitten, liet zich wegvaren in verre gepeinzen, streelde in haar brein 't vooruitzicht van een toekomst die wellicht weer goed worden zou. Ze voorspelde in hare hoopvolle mijmeringen nieuwe dagen van ijverig werk: Romaan en Goedele saam gespannen aan een reuzentaak, en, in een harrewatrije van voordeelige zaken, een versche geldstroom.... een weelde van rinkelend goud.... Dàn wilde ze sterven, alleen dàn.

Ze sprong rechte en duwde hare vuisten op de tafel. Ze siste tusschen hare tanden:

—De prije zal ik wegkrijgen.

Ze had het al lange gecombineerd, hoe ze Madeleen zou weggekregen hebben. Als Wiezeken dood was, zou alles wel braaf van stapel loopen.

—Dat arme Wiezeken....

Ze prevelde drij keeren:

—Dat arme, arme Wiezeken....

Ze beluisterde geerne hare stemme, wanneer ze 't onnoozel kindeken bekloeg. Ze had somtewijlen groote angsten. Ze dorst het aan haar zelve niet bekennen, dat ze Wiezeken's dood verzocht. Ze wilde dat verlangen wegjagen met een deerlijk woord, en verlangde maar gedurig naar dat ende.

—'t Zou 't ende zijn.

Ze redeneerde dan. 's Nachts werd ze altemets wakker en voelde hare vreezen naderen, een zonderling, verwijt, dat altijd opkwam bij bange uren en haar folterde. Ze redeneerde seffens—Wiezeken was zoo'n luttel ding, zoo ziekelijk van nature ... en wat zou er van geworden als het in leven bleef?... 't zou toch allengerhand wegtsieperen, stillekens.... 't was beter dat men 't maar dadelijk verloste uit zijn pijnen ... het dutseken ... in den hemel zou 't gelukkig zijn....

Tegenover Goedele dorst ze daarvan niet spreken.

Na 't diner—ze hadden gevieren sprakeloos hun soep en hun vleesch met groenten gegeten—sloot Ursule zich in hare kamer op en Goedele lanterfantte bij 't klavier, behagen vindend in eene fantastische reeks van Grieg. Albien bleef zitten bij haar en, als de oude Rik ook langs de trap weggeraakte, schoof hij een stoel dichte bij de groote tafel en nam, bezij den schoorsteen, de dooze, die Sebastiaan hem had meegebracht. Hij zei:

—Dat is een nar ding, wat ge daar speelt, mijn kind!...

Hij zette zich goed op zijn gemak en bracht het Zwitsersch huizeken te voorschijn. Hij bekeek het al glimlachend, in kinderlijke bewondering, en leunde achterover om beter te genieten, een oogenbliksken, van het heerlijke zicht. 't Was een huizeken witgeverfd, met een hoog schalieblauw dak en groene luiken langs de gevels. Vooraan was precies een terras van bruine steenen met versiersels in eikenhout. Boven het dak steeg een vierkante toren. Daar hingen de klokken in. Men kon ze echter niet zien. Hij had zich dikwijls afgevraagd of 't in waarheid wel klokken waren en of dat beiaardspel niet feitelijk een snarenspel zou zijn.

—Een bedriegsel, een bedriegsel, menschen....

Maar schoone was 't gansche gedoe. Kantewaarts, onder de euzie, was een slot. Hij moest daar nu een sleutel insteken en draaien tot de binnenzijdsche mekaniek opgewonden was en een kort getjok er klopte, ten teeken dat de veêren gespannen waren. De sleutel hing aan zijn horlogieketen, naast een paar Hollandsche dubbeltjes, waar hij zelf een gat in geboord had, en een bronzen medalje van de onlangs gesloten nijverheidstentoonstelling—een geschenk van mijnheer Devleeschhouwer —een klein zonnewijzerken en een sigarenknipper, waar 't koper van ouderdom zich doorsmeet. Hij moest rechtstaan en zijn buik opsteken om den sleutel te bezigen. Hij zette zich nadien met een vroolijken zucht neder, en wachtte, en lei zijn rugge deugdelijk tegen de stoelleuning. Het binnenwerk begon te ratelen en seffens schoof een dubbele deure open op het terras. Twee poppen schoven, met een krijschend geruchte, naar buiten, en 't beiaardspel ving aan. 't Was nu een matelijk dansen. 't waren snokkende sprongskens begeleid door een roteleere van krakende wieltanden, naar 't oordeel van Albien allemaal wonderschoon. En de beiaard speelde een oud veuzeken, liefelijk en huppel-licht, en 't was hem een diep geneuchte ernaar te luisteren, elk toontje op te nemen, achtereen, en te troetelen in zijn hoofd, dat zat werd van de zoete harmonije. Hij mummelde, blozend van geluk:

—Dat is nu mijn eigendom.

Goedele keerde zich omme en keek hem na, hoe hij schuddebolde en meeging met den kleinen zang, hoe zijne handen ommentweere bijsden, rythmisch en half-beloken, en hoe zijn voorhoofd blonk en zijpelde van overvloedige wellust. Als de mekaniek stilaan verslapte en, met nog een laatste rukje, stillebleef, herwond hij ze op, en weer vergenoegde hij zich in 't zelfde deuntje en in 't eentonig gebaar der poppen. Hij verdeelde nu zijne aandacht en loerde meer bepaald naar den gang der blikken armen, nadien naar 't nijgen der steenroode koppekens, dan naar een haperinge, die, op gelijke afstanden, gebeurde en zich hernieuwde gedurig. 't Was 't wijveken, dat meteen roerloos viel, en, na een stonde, terug opsprong. Hij zocht beteuterd naar de oorzake van die onregelmatigheid. Goedele zag hem triestig worden en zijne lippen herdoen en schrik krijgen middelerwijl.

—Mishandt er iets? vroeg ze.

—Wel neen, wel neen, zoo precies....

Hij sprak dan verlegen en verwonderde zich:

—Ge kijkt ook hiernaar?... Hoe mirakelachtig dat is!

Hij mooschte en prutste en draaide nog eens het spel in gang. Goedele keek naar hem en voelde groote deernisse. 't Klonk, in deze hooge kamer, zoo deerlijk, dat onnoozel muziekhuizeken. Op strate was er weinig rumoer—af en toe het tijdelijk gerij van een sjeeze. In den hof ruischte het zoevend geboomte. Hier, alleene en gelukkig, maakte Vader een zottig lawaai, gedurig bezig met zijn nutteloos bedrijf, alsof zóo eeniglijk zijn leven was en niets hem aanging daarbuiten. Ze vroeg:

—Hebt ge daar wel zin in, vader, dat ik met Sebastiaan trouw?

—Ba ja....

—Wenscht ge dat uit ganscher herte, vader?

Hij hief zijn ronden kop omhooge en zijne oogen zeiden genoegzaam dat hij nooit daarover nagedacht had. Het was besloten: ze zou trouwen met Sebastiaan. Ursule had het zoo besloten. En Sebastiaan was geen kwaad aanbod ook.

—'t Is een brave jongen....

—Dat is de zaak niet.

Ze wilde hem doen aarzelen, eene onzekerheid brengen in dezen hinderlijken geest. Maar Albien kende slechts éene waarheid, en die lag besloten in de wet van Ursule. Even ontwaarde hij in de woorden van Goedele een opstand tegen die wet.... Hij bleef verbijsterd zitten, niet goed begrijpende zoo'n daad, die, naar zijne meening, de menschelijkheid te boven ging. Hij struikelde in een hakkelend gezegde:

—Moeder heeft toch ... gesproken ... niet waar ... toch kenbaar gemaakt haren wil?... 't is haar wil toch?... van moeder?...

Het rammelend huizeken viel stil en het deurken flapte toe. Goedele begon meteen luidruchtig te lachen van koortse. Dan keek ze Albien met natte oogen aan en boog zich over de tafel, zoekende met hare handen naar zijne luie vingeren.

—Och, mijn goede vader, die nooit verdriet en hebt....

Hij lachte mee en verjoeg alzoo het angstig oogenblik, dat over zijne slapen gekomen was.

—Ha! Ha!... dat is een aardige perte ... 'n fameuze!...

Hij vond het allerbest dat het zoo op een ende afliep. Hij was nu overgelukkig. Hij nam een kaartspel en begon voor zijn eigen kunsten te probeeren, die hij in Snoeck's boekjes aangeleerd had. Hij wond eerst nog eens het Zwitsersch huizeken op, en, binst dat de poppen op mate van het beiaardspel hunnen snokkigen dans deden, lei hij de kaarten nevenseen en deed toeren. Zoo was 't geluchte vol om hem. Zoo was overal de tastbare aanwezigheid van zijn eigendom en al wat leeg was in deze kamer, werd weelde, zijne weelde.

—Denk ereis 'n kaartje uit, Goedele, van de éen en twintig die 'k hier openlegge ... toe ...

Hare genegenheid deed hem deugd, omdat hij die gebruiken kon als een ernstige belangstelling in zijn doening. Hij vroeg:

—Hebt-ge ze alreeds?

—Ja ik, zei Goedele met een zucht, al leunend op hare ellebogen.

—Nu moet-ge toogen in welk van deze drij pakjes uw kaarte ligt, de kaarte van uw keuze, zegt het boekje.

—In 't deze, rechts....

Hij mengelde 't spel, opgehitst, aangeprikkeld door Goedele's schijnbare aandacht. Hij sloeg de kaarten dooreen met een gedwongen sierlijkheid en trachtte zwierig te blijven in zijn minste gebaren. Hij hoopte de kaarten nadien weer in drij pakjes.

—En nu?

—In 't deze opnieuw, rechts....

Hij herbegon, en een oolijk glimlachje straalde open over zijn gansche aangezicht. Hij verdeelde de kaarten.

—En nu?

—In 't pakje te midden....

—In 't pakje te midden.

Hij maakte zich een wellustige dobbelkinne. Met een haastige stemme verwittigde hij Goedele, dat ze nu goed opletten moest, en haar kaarte niet vergeten.

—Hebt-ge ze nog vast in uw hoofd?

—Ja....

—Ik zal ze er seffens uithalen ... attentie, als 't u belieft ... een beetje attentie....

Het huizeken was stil gevallen. Hij draaide vluggelings den sleutel erin en deed de wielkens werken lijk te voren, zoodat de beiaard zijn veuzeken hernam. Hij was goddelijk in zijn schik, en dees stonde was hem een onzeglijke verrukking. De wereld was vol van hem. Hij deed de kaarten overeen schuiven, telde en gebaarde, met geveinsde aandacht, de hulp van bovennatuurlijke geesten in te roepen. Hij bleef een wijlken dubben, zette zijn hoofd scheef en tuurde bedenkelijk naar de zoldering, in de afwachting der wonderbare machten.

—Kijk nu!

Hij smeet de kaarten overhand verre weg van hem en keerde fluks de elfde omme.

—Koekelaas!

Hij riep ze triomfantelijk uit, zonder aarzeling, en steeg van zijn stoel op, in glanzende glorie. Hij herhaalde:

—Koekenaas.... Hee!

—'t Was koekenaas.

—Ik wist het, ge hoeft het mij niet te zeggen. Dees is tooveren ... eigenlijk....

Goedele keek hem aan met zachte oogen. Ze was tevreden dat hij zoo gelukkig scheen, en prees zijn kunste. Hij viel haar in de rede, verklarende dat niets boven het dominospel en het kaarten reiken kon, en dat hij 't al zoo dikwijls gezegd had aan Alfred ... maar Alfred was niet vlug, moest hij bekennen, en had lompe gepeinzen, aldoor meenende dat hij 't beter wist dan de boekjes zelve. Alfred kon ook niet lang een zake bezien.

—'t Is een kind nog.

Hij lachte daarmee, alsof hij wel medelijden ten slotte gevoelde voor den jongen, die nog zoo kleinzielerig was ... omdat 't verstand voor de jaren niet en komt. Hij was te wege het huizeken nog eens op te winden, en verwonderde zich als Goedele bad dat hij 't maar niet doen zou. Hij vroeg, bedrukt:

—Houdt ge niet hiervan?

Ze stond recht. Ze stilde hem. Ze hield veel van dat wonder dingen, beweerde ze. 't Zou echter kapot geraken, als hij 't zoo dikwijls bezigde, en zag hij bovendien nog 't manneken en 't wijveken?

—'t Wordt avond....

Zij en merkte geen verven meer. Van uit de hooge vensters, langs de franjen der gordijnen, zijpelde het vage licht, in de kamer te lore zich verdeelend tot het wegdeemsterde in de hoeken. Zonderlinge klaarten blikkerden van tijd ievers op, als 't noesche verspergestraal tegen een koperen ornement botste of tegen een glazen pot, een porseleinen beeldeken, een witgeschuurde tinnen teele. Drij laatste krysanthemen vlekten de naderende donkerte met hun blanke trossen. Van tallenkant rees de plechtigheid der schemering, alles omvattend in zoetig gewaad, voordeelig voor de droomende stilten....

Er werd gescheld aan 't voorhekken, en binst dat Albien zijn speelgoed wegdook in de dooze, tort Sebastiaan de kamer binnen. Het was zijn ure. Hij was altijd heel stipt. Goedele ontving hem met koortsachtige opgewondenheid, sprak luttele woordekens en was danig vriendelijk. Ze ontdeed hem van zijn overjas, omringde hem met hare dienstveerdige handen, bekommerde zich om zijne bleekte.

—Zijt-ge vermoeid?

—Een beetje.

Hij voelde geerne hare hulpzame genegenheid en glimlachte geaffecteerd, zich neervleiende in zijn eigen weerde, herkend door haar, die hij liefhad. Hij vroeg aan mijnheer Wilder of hij 't huizeken schoon vond, en Albien vertelde hem hoe 't ineenstak, hoeveel tijd het in gang bleef en hoe schoon veuzekens de beiaard speelde. Terwijl Goedele een kopje koffie gereed maakte boven 't alkoollampje, en 't gaslicht aanstak, bood hij mijnheer Wilder een sigaar aan.

—Dat zijn weer van die fijne sigaren, zei Albien.

Ze smoorden en praatten ondereen. Goedele was uiterst gezellig en aangenaam. Ze schonk de koffie, wierp de klontjes suiker erin, roerde en wilde alles zelf doen.

—Gebruikt ge melk van avond?

—Als 't u belieft, een geutje....

Ze beloerde op Sebastiaan's aangezicht hoe gelukkig hij was, hoe gevoelig voor hare dienstwillige gebaren, en hoe hij daar nu wegzonk in zijne onnoozele verwaandheid, tevreden en zat. En Vader nevens hem was ook een beeld van gezapig geneuchte. 't Was een gulden avond. Sebastiaan zei 't:

—'t Is een gulden avond.

Daar kropte dan iets in hare keel en ze zwolg geweldig om 't weg te krijgen, en glimlachte rijzekens ... maar heure oogen werden schaduwen. En ze overdreef daniger nog hare vriendelijkheid. Ze sprak zonder diepten, aldoor hare stem buigend in streelingen van korte, oppervlakkige gezegden. Ze schertste met Devleeschhouwer, maakte kleine portretjes, draaide hare meeningen tot lollige zetten en schaterde vroolijk daarbij.

—Hebt-ge gemerkt de dwaze manieren van Bella?... Wel Jeezes!

Door den rook der sigaren en 't geronksel van die vlugge babbelingen was Albien thoopegezakt en in slaap geraakt. Hij schoot altemets wakker, sluimerde seffens weer weg, en zijn hoofd bijsde ommentweere, zijn bolle glanzende hoofd.

—Bella? vroeg Sebastiaan.

—Wel ja, herinner u ... ze zat lijk een katte te lonken....

—Ik weet niet....

Ze ging voort. Ze spotte en peuterde aan diverse gezichtjes en had leute met die potsierlijke menschen. Sebastiaan duwde den damp zijner sigaar in ringen en krullekens omhoog, en liet zich dat grillig gepraat welgevallen. Het kwam alles zoo in zijn schik. Hij hield zich als een, die boven deze meisjesdoening staat, maar in waarheid had hij er deugd aan. Te dezer stonde was hij werkelijk de man, die thuis keert van zijn moeielijk en bovenzinnelijk werk, en zich nu vergenoegt in 't naïeve gesnater van zijne vrouw, die lieve, de mindere.... Hij luisterde en 't maakte hem dronken. Hij zei stille:

—Later zullen wij interessante vrienden op diner ontvangen.

—Wij?

Goedele keek hem diep in de oogen, en ze voelde dat hare ziel zich op een ende losrukken zou. 't Zicht der toekomst, dat hij opriep, walgde, folterde haar. Ze wilde niet dat hij de toekomst aanroeren zou. De huidige uren wilde zij gelukkig maken, en ze zou meegaan, dag-in, dag-uit ... en wat er gebeuren moest, zou gebeuren. Ze was gedwee.... Maar den sluier wilde zij ongeraakt zien hangen. Wat er achter was, bezeerde haar.

Ze werd somber. Ze kon niet het onmogelijke doen en voortlachen. Ze staarde mijmerend in hare gepeinzen, wachtend tot de schoone eenzaamheid komen zou. Sebastiaan, verloren in zijn standvastig geneuchte, merkte niet hoe plotseling zij zich van hem verwijderd had. Onbewust vulde hij de stilte, die nu heerschend was; hij sprak van zijn zoeken, van zijn studie. Hij was bovenmatelijk gelukkig als hij daaromtrent verhalen mocht.

—Dat doet u dan ook plezier, niet waar?

Ze tuurde naar 't licht en zag de verte, die onzeker was.... Ze zei, niet wetende:

—Ja....

Hij deed seffens Hieronymus Bos herleven, en zijne handen begonnen te wuiven, te keeren in 't geluchte, sierlijk en vroom. Hij teekende die uitermatige figure, dien ziender van monsters en wangedrochten.

Hij had ontdekt hoe een ellendig mensch Bos geweest was, hoe hij geleden had tot zijn doodsure alle weeën, die een ziele dragen kan, en hoe hij toch ten langeleste eronder was bezweken. Hij vertelde hoe de kunstenaar dan gewerkt had, hoe zijn koortsige geest al die akeligheden geschapen had en gebeeld in kleuren, en hoe in dat schijnbaar-drollige werk van Bos een verwijt lag voor de menschen. Nadien had hij zijne eigenlijke studie kunnen aangevangen: de invloed van Bos op Filips II van Spanje. Hij schilderde Filips als een ziekelijke mystieker, die behagen vond in de nare tafereelen van Bos. Hij zag den koning, met koortsige nieuwsgierigheid, die tafereelen ontleden en beweegbaar maken. Hij zag hem wreed worden in de nabijheid der hellegeesten van Bos, omdat hij niet vreezen wilde.

—En hij vreesde!...

Allangerhand joeg Sebastiaan, in 't spreken, zijn bloed op, en zijne gebaren schokten aleens zenuwachtig uiteen bij een woord, dat hoofdzakelijk moest zijn. Hij meende Goedele's gedacht te boeien. Hij merkte hoe zij hem nu nakeek, hoe hare oogen roerloos op zijn gelaat zich vestigden. Hij wendde zijne blikken af en staarde gedwongen naar de poedelhondjes, die op 't vensterblad pronkten, maar innerlijk was hij tevreden dat zij hem in zijn rede zoo nauwkeurig volgen wou....

Tot ze hem meteen het woord afnam:

—Is dàt uw werk?

Ze hoorde zelf, hoe koud haar gezegde klonk. Hij zweeg een oogenblik: 't was of met een ruk de poedelhondjes waren opgesprongen. Hij bleef beteuterd, vernederd zitten. Goedele, eerst verwonderd dat haar uitval zoo pijnlijk was geworden, wilde niet meer wijken, en koppig dreef ze door, slaande op elken zin, om zich op te hitsen.

—Is dàt uw doode werk?... En zal ik leven in 't bijzijn van al die schimmen? Zult genievers een woord vinden, dan om die oude namen tot levende gepeinzen herop te wekken?... Maar voelt ge niet dat ik uitkwijnen moet in dien fantastischen rommel, in die beschimmelingen zonder kleur noch gedaante?... Ik weet niet, wat ik noodig hebbe. 't Is mij te onduidelijk, omdat ik ziek wordt stilaan. Maar mijne armen, mijne handen, mijn nekke dien'k plooien moet, mijn gansche lijf wil lucht en beweging. Van wat is en voelbaar is, wil ik genieten.... Ik vraag het mij dagelijks af: 'k betaste mij en 'k vrage ... waar 'k zeer heb, waar ge mij zeer doet, gij allen, die niet leven wilt!...

Ze stond rechte, lengde zich uit, groot wordend en hare sterkte uitspreidend om haar.

—Mijn vleesch is struisch—maar binnenwaarts zegeviert de pijne. Ge martelt mij aldus, ge nijpt mijn herte thoope in enge banden van koud metaal. Waarom is alles dood wat ge mij te geven hebt? Waarom en toets ik niets dan doode dingen, allentwege doode dingen? Hebt gijlie geen polslag? hebt gijlie geen warme handen? hebt gijlie geen voelenden geest?

—Goedele!

Hij vatte haar bij den arm. Hij was gekrenkt. Hij zei kort, met bevende lippen:

—Dat is slecht, wat ge doet.

—Slecht?... Maar mijn hoofd berst en breekt. Wat hebbe'k miszeid? Mijn hoofd is een zware kasse, en 't weegt me, 't weegt me zoo pijnlijk. Wat draag ik daar al niet in, sinds jaren opgeraapt tallenkant! Die muren hier folteren mij. Ge zult mijn man worden. Mag ik me niet ontlasten bij u? Moet ik de sterkste zijn, en ben ik slecht, omdat ik u een part geef van 't schrikkelijk gewichte? Ik wil niet meer leven alzoo. In dees huis ben ik onvolledig en voel ik nood. Gij zijt gekomen. Gij zegt dat gij me lief hebt....

Ze werd gewaar dat hare stem zeeg en te trillen begon; ze hief hare kin omhoog en rok haren hals uit. Ze wilde hare woorden niet belijden, ze zoo maar uitspreken, zonder dat ze een smertelijke herinnering opwekken mochten.

—Dat ge ... mij lief hebt ... ja. Leef nu! Doe niet mee met de doening van heel dees huisgezin. Kijk rond u.... Vader speelt met popjes. Grootvader is een roerende schaduw. Moeder ... och, moeder ... Sebastiaan ... is me vaak lijk een noodlottige figure, gaande in steenen stilzwijgendheid.... En gij nu nog vingert in een vunzig verleden.... Is zóo de wereld, zóo de menschelijkheid?... Ik weet niet meer, ik twijfel en ik lijd: ben ik abnormaal?

Ze dwong stille haren arm los.

—Ben ik buiten nature, en gijlie te zaam, leeft gij waarachtig naar 't gebod van uw wezen? Ik word onzeker. Ik haper in mijn gepeinzen. Ik bekijk alles te vergeeft ... te vergeeft, want uw aller zicht drijft me slechts tot opstand.... En dulden wil ik, verdraagzaam, gedwee ... en ik ween als ik eenzaam zit—Mocht ik dat alles ú niet zeggen?

Hij lei zijn magere handen, in blank gebaar, over zijn aangezicht en liet ze erover trage neerwaarts zijgen. Hij sloot zijn oogen en verdroeg een oogenblik de stilte. Dan sprak hij met veel droefenis en zijne woorden, onderbroken bij poozen door onregelmatige zuchten, kregen in 't luisterend geluchte, na 't verwilderd krijten van Goedele, een ongemeen belang. Hij zei dat ze hem diepe pijn veroorzaakte, dat hij haar liefhad boven al wat hem anderszins lief was, en dat hij zou ommekeeren in zijne levensbaan, als het haar zoet mocht zijn. Hij kon niet nalaten, ook op dezen stond van waarlijke smert, zijn gezegden te meten en schoon te sieren in passende golvingen. Hij beluisterde zijn eigen. Hij vroeg:

—Wat moet ik doen? Ge hebt mij zeer gedaan....

Ze viel terug neer op haren stoel, afgemat, en haar gemoed kwam vol. Ze stortte dan voorwaarts op de tafel en begon te snikken. Ze voelde Sebastiaan's vingeren streelend over hare schouders gaan en hoorde hoe hij daarbinst haar troostte met schoone uitdrukkingen. Ze jammerde dat hij haar vergeven moest, dat ze koortsig was en hem wel geerne bij haar had, dat hij goed was voor haar en niet hoefde te veranderen ... dat zij de schuld was van haar gemaakte wee, door haar wrevelige zenuwen, door hare lichtzinnigheid, door hare vreesachtige zwakte.

—Ge moogt niets zeggen hiervan aan moeder.... 'k ben ziek, ik verzeker u. Ik ben onrustig en hebbe sinds gisteren hoofdpijn—slagen in de hersens.

Ze huilde en haar gansche lijf schokte op. Ze wilde niet kijken naar Sebastiaan. Ze bleef liggen; haar gelaat dook weg in hare saamgebrachte armen.

—'t Is best ... dat moeder niets weet ... getweeën zullen we 't gemakkelijker ... vergeten....

Maar moeder stond al in 't deurgat. Haar stevig aangezicht rees bleek op uit de gapende donkerte, en 't licht kletste open op haar voorhoofd. Ze tort naar voren. Hoe dof ook hare stappen smoorden over het dichte tapijtsel, toch voelde meteen Goedele hare aanwezigheid. Ze sidderde en haar asem bleef hangen in hare keel. Hare vroegere vreezen bevingen haar op een nieuw en verlamden hare spieren. Ze dierf moeder's blikken niet taken met haren blik. Ze wachtte.

—Ik mag u ook wel troosten, mijn kind, zei Ursule met effen bedaardheid.—Ze kwam naderbij, ging de tafel rond en schudde onderwege Albien, die seffens rechtsprong en kinderlijk-benauwd daar te gapen bleef. Ze stond nu in de volle klaarte. Ze was uitermatelijk groot en meesteresse. Ze wenkte met hare hand ten teeken dat mijnheer Wilder zich verwijderen mocht, onverwijld, en, als hij sprakeloos wegdrummelde, keek ze rustig naar haar zakuurwerk. Men hoorde rijzekens het horloge tikken. Ze sprak:

—Het alkoollampje brandt nutteloos.

Ze ging het uitdooven. Ze nam de sigaar op, die uit Albien's vingeren geglibberd was, en blies de assche uiteen langs het tafellaken. Met streelende zachtheid boog ze zich over Goedele en vroeg wat er deerde.

—Ge moogt u niet ophitsen en schadelijke gepeinzen voeden. Wilt ge een druppelken munte?

—Danke, moeder ... ik ben ongemakkelijk, ik lust niets ... 't zal geleidelijk overgaan.

—Dat meen ik ook ... Mogen wij u morgen verwachten, Sebastiaan?

Hij stond seffens recht en beloofde dat hij stellig komen zou.

—'t Wordt nu late, voegde hij erbij, wel een endeken vernederd, omdat zij hem zoo dadelijk wegzond. Hij was echter min in zijn schik nu en vond het om dieswille niet onpasselijk, dat hij vertrekken mocht. Hij wist niet wat zijne houding zijn moest. Hij zou morgen meer weten.

Goedele droogde hare oogen en bracht hem zijn overjas en zijn hoed. Niemand sprak daarbinst. Gedurig heerschte de wegende stilte. Op elkendeen's lippen lag een onbeduidend gezegde, dat iets verroeren zou in 't geluchte en een beetje rustigheid stichten, een beetje verstrooidheid te gelijk.... Naar niemand en dierf noch en sprak. Men haastte zich, in schijn onachtzaam en lui zich toonend, en de leegte die overal was, werd onverdraaglijk....


Back to IndexNext