Chapter 4

XII.

Meneer Vitàls leven werd wild, onstuimig, ongebonden. Rust kende hij niet meer. Zoodra hij niet meer in een roes van beweging was, kwam hem weer de onverduwbare prikkel der geleden vernedering kwellen. Dat was iets onverjaagbaars, dat bleef als een karbonkel in hem branden, altijd wakend, altijd knagend, altijd klaar om plotseling in woeste vlammen op te laaien. 't Was als een nachtmerrie die op hem drukte; het deed hem, telkens als hij er aan dacht, het rood der schaamte op de wangen komen; het deed hem knarsetanden van verbittering en spijt; het deed hem vluchten, om 't even waar, in toorn en wanhoop, als werd hij door een vijand, die hem nooit meer los zou laten, achterna gezeten.

En boven alles deed het hem de eenzaamheid verafschuwen. 't Was hem nu eender wie, als hij maar iemand op zijn doellooze, gejaagde tochten mee kon krijgen. Nu eens De Reu, een ander maal Taghon, dan weer dokter Van der Muijt of een van die andere heeren; en als hij niemand vond ging hij maar naar de herbergen en wachtte tot er iemand kwam.--Zij reden uit en hij trakteerde. Met alles, zoolang en zoo veel als de anderen er maar lust in hadden, trakteerde hij; en zelf dronk hij nu ook stevig mee, eerst om zich te verdooven, weldra uit smaak en uit gewoonte.

Het duurde niet lang of zij hadden, met hun drieën of vieren, hun vaste, dagelijksche uitgangen, telkens weer naar andere dorpen en gehuchten in 't omliggende. Doch waar meneer Vitàl nu elken dag bijna geregeld kwam, en al zijn tochten, hoe ver en wijd ook uit elkaar gelegen, hetzij alleen of in gezelschap van de anderen, regelmatig eindigde, dat was bij 't schoone meiske in deGroene Linde.

Die kus, die eerste frisch-gezonde kus van het natuurkind, zooals hij haar nu noemde, had hij in al zijn smart toch niet kunnen vergeten. Het was geen liefde, alleen maar welbehagen in haar bekoorlijke verschijning, in haar bloeiende gezondheid, in haar onopgesmukte bevalligheid, in 't echt-natuurlijke van heel haar wezen. Er ging voor hem als een troostende poëzie van haar uit, het was een balsem op zijn wonde en een toevlucht in zijn opgejaagde leven. Haar te zien met de frissche kleur van haar blozende wangen, met den stralen-glimlach van haar lichte oogen en de schittering van haar witte tanden was hem al voldoende. 't Was als een lafenis, hij vroeg niets meer, hij voelde zelfs, instinctmatig, dat het zou minder worden indien hij meer verlangde. Want wat hem 't meest bekoorde was haar vol vertrouwen, een vertrouwen waarin zich bij haar van lieverlede eenige verwondering en wellicht ook teleurstelling mengde, juist omdat hij met zoo weinig zich tevreden hield, omdat hij nooit iets anders scheen te verlangen dan haar louter tegenwoordigheid, zonder meer. Het was en bleef een idylle, een lavende, reinende frischheid, een bijna romantisch minnarijtje, waar hij meer en meer aan hechtte naarmate hij zag en voelde dat het bij haar langzaam aan ernst werd. Voor het eerst in zijn leven voelde hij een jonge mooie vrouw werkelijk op hem verliefd worden; en dat gansch nieuw en onbekend bewustzijn was voor hem iets zoo teers en zoo bekoorlijks; het gaf hem, voor de eerste maal sinds hij met vrouwen omging, zulk een sereen genot van momentane rust en vrede, dat hij alles vreesde en vermeed wat het had kunnen schenden en de uiting van zijn eigen hartstocht steeds bedwong om niet nog eens weer de mindere te worden.

Daarom nam hij telkens ook zoo graag een van die heeren mede. Hun hinderende tegenwoordigheid was als de wakende waarborg van zijn ongeschonden, frisch genot. Maar niet steeds gelukte 't hem een van hen mee te krijgen; en, daar hij haar tòch wilde zien, daar het langzamerhand een behoefte van zijn leven was geworden haar nu dagelijks te zien, werd zijn sterk voornemen om, door geen toegeven aan zijn hartstocht, steeds haar meerdere te blijven, wel eens op een zware proef gesteld. Dan vond hij haar soms alleen in het herbergje; alleen of met haar ouders, wat bijna 't zelfde was; want niet zoo gauw had hij, volgens eenmaal aangenomen gewoonte, vader Peutrus en moeder Lie getrakteerd, of zij lieten hem met Eleken alleen, als in geheime medeplichtigheid met zijn en haar verondersteld verlangen. Toen brandde de herinnering aan haar eersten, frisschen kus weer op zijn lippen en sterker was 't dan alle vrees en redeneering: hij trok haar op zijn bevende knieën, omprangde haar in zijn beide strengelende armen en zoende weer zijn heerlijk en gezond natuurkind, met onstuimigen, ontembaren hartstocht. Zij sloot haar oogen, legde teederlijk haar mollige armen om zijn hals en liet hem in stille verrukking begaan. Zij zuchtte van geluk. Alleen toen hij, zichzelf niet meer bezittend, nog méér wilde, werd zij eensklaps tegenstribbelig en angstig, weerde hem af en wilde weg, fluisterend dat 't niet mocht en dat vader of moeder elk oogenblik konden terugkomen.

Daar had hij al de lang gevreesde en vermeden nederlaag! De rollen waren plotseling omgekeerd; hij, nu, was de zwakste en zij de sterkere. Tot zooverre mocht het; verder niet. Zij zegevierde; en al zijn sterke voornemens van weken en maanden lagen als een broos en zwak, met zooveel moeite opgewerkt gebouwtje, tot een puinhoop in elkaar gestort. Hij verbeet zijn ergernis en zijn spijt, verwenschte zijn onverbeterlijke zwakheid en onhandigheid, beraamde andere middelen, stugge plannen, om te herwinnen wat hij door zijn eigen schuld verloren had. Het duurde trouwens niet lang meer of hij moest zichzelf wel bekennen, dat hij beslist de mindere werd in dien uitputtenden strijd. Zijn idyllische berusting had niet langer vat op haar; zij wist nu al te goed wat hij begeerde en hoe het overige niets dan schijn en leugen was; en telkens nu, wanneer hij zich weer aan romantische stemmingen waagde, onthaalde zij hem op koele, spottende, verwijderende onverschilligheid. Hij kon weldra niet langer twijfelen: alweer was de kans definitief voor hem verkeken, alweer was hij het slachtoffer; zelfs de reine bloem der schuldelooze, idyllische liefde was onherstelbaar in zijn droeve, ongelukkige hand geknakt en verwelkt.

Hij nam een kras besluit. Hij zou haar verlaten, haar nooit meer zien, weer zijn wild en ongebonden leven botvieren! Het kon hem niet meer schelen; hij voelde zich geheel verloren; niets en niemand wilde van hem weten; en aangezien zelfs het mooiste en het reinste laag en leelijk werd zoodra hij het aanraakte, zou hij maar blindelings, hals over kop, in het lage neerdompelen, slampampen, drinken, zwieren; en als hij vrouwen noodig had zou hij voor geld er koopen, de laagste en de gemeenste, daar waar ze te vinden waren.

Acht dagen hield hij 't vol; acht dagen van onuitstaanbare leegheid, kwelling en verveling, waarin al zijn vroeger vrouwenleed: Irma, mademoiselle de Saint-Valéry--vooral mademoiselle de Saint-Valéry--met een gevoel van vlijmende vernedering hem folteren kwam. Toen kon hij 't niet langer meer uithouden en op een middag ging hij terug naar deGroene Linde.

Twee veekoopers met lange, blauwe kielen en bruine, knobbelige stokken zaten in het landelijk herbergje. Zij waren half dronken en maakten er schel lawaai. Eleken stond achter de schenktafel bezig met glazen spoelen en vader Peutrus hield de kerels aan de praat.

Meneer Vitàl groette, gewoon, alsof er niets gebeurd was, keek even met gefronste wenkbrauwen naar de lawaaiende veekerels en bestelde een borrel.

Eleken kwam het hem op een presenteerblad brengen. Hij nam het glaasje met bevende vingers en keek haar strak aan.

De uitdrukking van haar gelaat was koel en ondoordringbaar. Geen schijnbare spijt over zijn lange afwezigheid, geen klacht noch verwijt, geen emotie van vreugd hem terug te zien. Hij kon die stugge koelheid, zoo verschillend van hun vroegere ontmoetingen en zoo gewild-onnatuurlijk, niet verkroppen en schimplachte bitter, halfluid, in 't schreeuwen van de veekoopers:

"'T 'n kan ou nie schelen, geleuf ik, da ge mij weere ziet?"

"'K 'n hè ou nie gevroagd om wig te blijven," antwoordde zij eenvoudig, met matte stem, het afsijpelend presenteerblad naar omlaag gekeerd, den blik ten gronde, de linkerhand even op het tafeltje, waaraan hij zat, geleund.

Plotseling greep hij die hand, en drukte ze vurig, met tranen in zijn oogen.

"Eleken, azeu 'n kan ik niet blijve leven," zuchtte hij. "Iest zagt-e mij zeu geiren; en nou.... nou...."

Zij zei geen woord, bleef stug en onbewegelijk, als wachtend, met een soort wantrouwen, op wat verder komen zou. Maar hijzelf wachtte op háár antwoord; en eindelijk zei ze, kort, stroef, schouderophalend:

"Woarom wilt g' euk altijd dijngen die nie meugelijk 'n zijn?"

Hij bleef het antwoord even schuldig. 't Wàs zoo, zij had gelijk; hij had dingen gewild, of liever, getracht.... en toch, 't was als vanzelf gekomen,.... alsof 't zoo moest,.... alsof 't niet anders kon,.... en opeens was ze daarom stroef en onhandelbaar geworden, en niet alleen had ze geweigerd wat hij in zijn misschien tè omstuimigen hartstocht verlangde, maar nooit meer was ze daarna geweest als vroeger en dàt was nu juist wat hij niet begreep en haar zoo kwalijk nam.

"Woarom 'n zij-je dan nie mier lijk in 't begin?" klaagde hij met gepijnigd gezicht in 't schriller opgalmend lawaai der halfdronken beestenkoopers.

"'t Es te gevoarlijk geworden," meesmuilde zij.

"'k Ben schouw*da ge mij zoedt ongelukkig moaken en mij dan loate leupen. En euk," voegde zij er weer schokschouderend bij, "'t en gijnk nie mier lijk vroeger, 't was veranderd."

Ja, dat was het, hij voelde 't ook wel. 't Was of er nu een afgrond tusschen hen lag. Hij begreep dat zij in een kringetje ronddraaiden zonder uitkomst en het geschreeuw van die twee dronken kerels stoorde zoo. Wat trof het ook ongelukkig dat ze juist nu daar waren en niet weggingen! Hij kon er zijn gedachten niet meer bijhouden; het gonsde en ruischte alles door elkaar in zijn hoofd en weer voelde hij met krenkende spijt dat zij hem volkomen de baas was. De verhoudingen waren totaal omgekeerd, nu was hij de meest verliefde en zij de koelst en kloekst beredeneerde en dat was háár kracht en zijn zwakheid. Zijn acht dagen lang van haar wegblijven had niets geholpen; wel integendeel: want hij was toch tot haar teruggekomen en nu begreep zij ook heel goed dat hij niet langer buiten haar kon. Eindelijk antwoordde hij, flauw-stamelend, zonder overtuiging:

"Doar 'n es gien kwestie van, van ou ongelukkig te moaken! Woarom zoe 'k ou ongelukkig moaken? 'k Zie ou doarveuren veel te geirne."

Misnoegd trok zij haar hand terug.

"Da ge mij oprecht geirne zag ge zoudt mee mij treiwen," zei ze plotseling, kortaf. En meteen was ze weg, naar het tafeltje der drinkebroers, waar heftig om drank werd gevraagd.

Meneer Vitàl zat eensklaps stil, heel stil. 't Was een gevoel of er koud water over hem was heengevloeid. Nu was 't gezegd en nu begreep hij, nu was het hem ineens héél duidelijk hoe alles in elkaar zat. En meteen begreep hij dat het dàt was, of uit.

Hij dronk zijn borrel leeg en keek werktuigelijk op zijn horloge. Eleken, achter haar schenktafel, gluurde hem tersluiks, met stuursche oogen, aan. Zijn wenkbrauwen trokken zich samen, hij zat daar even in diepzinnig peinzen. Toen stak hij een sigaar op en bestelde een verschen borrel. Sprakeloos kwam ze hem dien brengen, als aan een onbekende; sprakeloos, met een vluggen, kouden blik op hem, ging ze weer heen. --'t Was dàt, of vijandschap, hij voelde 't wel. Maar dàt beviel hem geenszins, daar had hij heelemaal niet aan gedacht. En plotseling kreeg hij den indruk dat hij zich nu, omgekeerd, nagenoeg in 't zelfde geval bevond tegenover Eleken, als mademoiselle de Saint-Valéry ten opzichte van hem. 't Herdenken aan dien naam deed hem weer scherp zijn leed en zijn vernedering voelen. Het verkoelde nog zijn idyllische liefde voor 't natuurkind en hij zag zijn vergissing even helder in.--Neen, neen, dàt niet. Zóó diep was hij nog niet gedaald. Er zou nog heel wat moeten gebeuren vóór hij daartoe overging. Maar uit was het intusschen ook alweer met déze illuzie en gansch ontmoedigd stond hij op.

Ziende dat hij weg wou, kwam zij dadelijk naar hem toe.

"Goa-je nòù al wig?" vroeg ze teleurgesteld.

"Joa ik," antwoordde hij dof, neerslachtig.

"En wannier zie 'k ou weere? Goat 't nog ne kier acht doagen moeten duren?"

Eensklaps voelde hij dat hij weer veld aan 't winnen was en dat het haar berouwde zoo hard voor hem te zijn geweest.

"'t Hangt er van af," zei hij koel. "As ik nie vriendelijker ontvangen 'n worde 'n es 't de moeite nie weird om nog weere te komen."

Haar oogen werden zacht en 't kwam hem plotseling voor of er tranen in glommen. Iets roerde even diep in hem, van medelijden. Zij was toch eigenlijk maar een arm en zwak en ook eerlijk mooi meisje, die al haar hoop gevestigd had op een geluk dat hij haar door zijn hofmakerij had voorgetooverd; en nu stond hij daar opeens tegenover haar als de machtige, onrechtvaardige, slechte rijkaard, die terugneemt wat hij bijna plechtig reeds beloofd heeft. Hij voelde wroeging, doch bleef stug en hard, liet zich door zijn meelijdende emotie niet vermurwen.

"Tot ziens," zei hij kortaf, en keerde zich om.

"Gee mij te minsten 'n hand?" vroeg ze bijna klagend.

Hij gaf haar de hand, en drukte die meteen, eensklaps vurig, onweerstaanbaar, terwijl hij haar verteederd aankeek.

Met een lief-streelende beweging neeg haar frisch gezichtje schuins naar hem toe. Het schokte en bonsde in zijn hart, hij voelde al zijn krachten weifelen, het werd hem weer te sterk en een zware zucht, als een gekreun van smart, steeg uit zijn binnenste.

Zij stonden half buiten in 't portaal en de brullende veekerels zouden wel niets merken. Hij trok haar, plots zenuwachtig-bevend, naar zich toe, en drukte een zoen, een wild-hartstochtelijken brandzoen op haar frissche lippen. Beider oogen sloten zich, terwijl de liefde door hun lichaam stroomde...

"Tot morgen?" vroeg ze, zachtfluisterend, hem weer loslatend.

"Tot morgen."

Hij was bedwelmd, hij zag noch hoorde meer, hij deed zijn motor snorren, wipte in den wagen en reed weg.

XIII.

Die heeren wisten 't nu. Al lang hadden ze 't zien aankomen, doch nu leed het geen twijfel meer: meneer Vitàl was doodelijk verliefd op het schoon Eleken uit deGroene Linde.

Zij zaten ind'Ope van Vredeen spraken er over, zonder eind.

"Hoe es 't toch meugelijk, veur azeu ne rijke jongen en mee zuk 'n educoassie!" zei de oude heer Taghon.

Dokter Van der Muijt schudde bedenkelijk het hoofd.

"'t Es spijtig, 't es spijtig," jammerde hij. "Il aurait du épouser mademoiselle de Saint-Valéry."

"Bah, bah, goesting es keup*en geld en goed 'n moet toch nie gewegen worden!" meende de jonge Taghon, die in den grond heel trotsch was omdat meneer Vital door zijn toedoen met Eleken in kennis was gekomen.

"As er hij maar nie mee 'n treiwt!" vreesde meneer De Reu.

Doch daar waren die heeren minder bang voor.

't Was enkel tijd-passeering, hij deed eenvoudig zooals Nonkelken zijn leven lang gedaan had: de knappe herbergmeisjes naloopen. Van Eleken zou hij wel naar een ander gaan, en dan weer naar een ander, en dan nog en zoo voort, precies gelijk Nonkelken enfin. Maar hij begon wel wat veel te drinken, meende dokter Van der Muijt, en altijd, áltijd dien jenever! In zooverre mocht hij wel oppassen dat hij Nonkelken niet ál te trouw navolgde.

De jonge Taghon deed een verhaal. Een dag of wat geleden was hij inDe Groene Lindegeweest en had er natuurlijk, zooals altijd nu, meneer Vitàl gevonden. En voor het eerst sinds al den tijd dat hij meneer Vitàl kende, had hij hem dronken gezien, dronken, stomdronken! Er was zeker ruzie geweest, want Eleken stond met tranen in haar oogen achter de schenktafel en meneer Vital was zóó kwaad, dat hij geen enkel woord met haar wilde spreken. Hij zat maar onophoudelijk borrels op borrels te drinken en toen Eleken hem eindelijk smeekte nu liever een glas bier te nemen, was hij woedend opgesprongen en had vader Peutrus laten roepen, op bitsigen toon aan den ouden man vragend of die het goedkeurde, dat zijn dochter hem drank in hun herberg weigerde. Natuurlijk had vader Peutrus zijn dochter geducht ongelijk gegeven en daarop was meneer Vitàl zóó aan 't drinken gegaan, dat hij weldra van zijn stoel niet meer op kon. Onmogelijk kon hij in dien toestand zelf met zijn automobiel naar huis rijden en moeder Lie was op 't kasteelken het chauffeurtje ter hulp komen halen.

"L'alcóóól et Flavie!" orakelde spotlachend dokter Van der Muijt.

De ontvanger De Reu zat met flikkerende oogen rusteloos op zijn stoel te draaien. Totnogtoe had hij bij die heeren geen woord over meneer Vitàls vroegere connectie en het geweldig spektakel met Irma in het hotel durven reppen; maar nu de jonge Taghon zich zoo weinig geneerde, werd de verzoeking hem eensklaps te machtig en in één adem vertelde hij van 't begin tot het einde de heele historie.

"Allons donc!" riepen dokter Van der Muijt en die andere heeren, haast ongeloovig van verbazing.

't Es*bijkans nog irger dan Nonkelken!" zei de oude Taghon.

"Et une femme, mon cher! un chic! une toilette! 't Was wat anders dan Eleken, zille!" juichte De Reu, door de herinnering nog verlekkerd.

"Ha, dien deugniet! Wie zoedt er hem da toegeven, hè? Hij kon doar almets*zitten of hij gien drei 'n kon tellen," glimlachte dokter Van der Muijt.

En zij gingen daarop door, ondervroegen De Reu tot in de kleinste détails, telkens proestlachend en genietend, zich nauwelijks inhoudend voor Sietje, die, schijnbaar druk bezig aan haar naaimachine, zonder twijfel ieder mogelijk woord zat op te vangen.

Eenige dagen verliepen. Die heeren hadden het onder elkaar hoe langer hoe drukker over de vrijage van meneer Vitàl met Eleken, maar zoodra hij in hun midden kwam spraken zij natuurlijk over heel andere dingen en hielden zich of zij er niets van afwisten. Zij zaten als gewoonlijk naast hem aan het tafeltje, babbelden, dronken, rookten, speelden kaart; maar eensklaps, op een avond, kwam de jonge Taghon als een rukwind ind'Ope van Vredegevlogen, keek even, als wantrouwig, vlug in 't ronde en gilde 't dan opgewonden uit, waar al die heeren het hoorden:

"Wilt-e nou ne kier wa weten! Iets da ge nie 'n zilt geleuven!.... Menier Vitàl goa mee Eleken treiwen!"

"Hè? Watte?" riep dokter Van der Muijt half van zijn stoel opspringend, terwijl al de anderen doodstil en als verstomd bleven zitten.

"Dat hij mee Eleken gaat treiwen!" herhaalde Taghon met nadruk, de oogen rond en strak van overtuiging.

"O gie farceur!" lachte Van der Muijt.

Maar de jonge Taghon werd onmiddellijk nog driftiger opgewonden en haast boos.

"Maar 't es zèker, zeg ik ulder; 'k weet van voader Peutrus zelve!" gilde hij.

Die heeren, die aan 't spelen waren, legden hun kaarten neer en Sietje, 't herbergmeisje, hield bij haar naaimachine op de handen en de voeten te bewegen.

"Ach tuttuttut! Ge zij bezig mee ons veur de zot t' houên!" riep dokter Van der Muijt eensklaps, als verontwaardigd, zijn kaarten weer opnemend.

De jonge Taghon keerde zich met een bruusken ruk naar de deur, als om ineens weer weg te gaan. Maar plotseling bedacht hij zich, kwam naar den dokter toe, strekte de hand uit en schreeuwde:

"Gewed? Veur al da ge wilt? Twintig tegen ien?"

Een schielijke stilte, als van gewichtigen, haast benauwden ernst, viel even weer in de stom-roerlooze gelagkamer; en in die stilte ging de portaaldeur langzaam open en meneer Vitàl trad binnen.

De jonge Taghon aarzelde geen oogenblik. Hij stapte recht op hem af, stak de hand naar hem uit en zei:

"Proficiat, mesieu Vitàl."

Zouden ze 't nù gelooven?

Ze geloofden het, al kònden ze 't haast niet gelooven! Ze zagen, als in gebaren van onwezenlijkheid, als in een droom, meneer Vitàl Taghons hand drukken en hoorden hem "merci" antwoorden; en toen stonden zij ook allen op en drukten hem gewichtig om de beurt de hand en wenschten hem proficiat. Zelfs Sietje stond van haar naaitafel op en kwam hem feliciteeren. 't Was als een plechtigheid. Geen oogenblik werd er geschertst, gelachen. Zij deden het allen in volkomen, bijna overdreven ernst; en ook meneer Vitàl bleef absoluut kalm, ernstig, deftig, waardig zooals het hoorde bij het vast genomen besluit eener zòò gewichtige gebeurtenis. En niemand ging er ook verder op in; dat was een afgedane zaak, waar niemand verder mee te maken had: hij ging gewoon aan hun tafeltje zitten, bestelde een borrel, stak zijn lange herbergpijp op en keek gewichtig naar het spel dat zij weer opgenomen hadden; en toen ook zijn beurt kwam om mee te spelen schoof hij gewoon bij, kalm en deftig gehuld in een rookwolk, de oogen ernstig op zijn kaarten, net als iederen avond....

XIV.

Hij ging met zijn natuurkind trouwen....!

Er was niets meer aan te doen; hij wilde haar, hij moest en zou haar hebben; en toen ze zich beslist niet anders dan in 't huwelijk geven wou, vond hij daar eensklaps iets reins in, iets eerlijks en verhevens, dat het fond van zijn eenigszins romantisch aangelegde natuur ontroerde en boeide.

Opeens was zijn besluit genomen. Zij hadden weer gekibbeld, altijd over dezelfde kwestie; voor de zooveelste maal had ze 't hem herhaald: "als ge mij hebben wilt trouwt dan met mij," en plotseling, vòòr hij zich als 't ware rekenschap kon geven van de portée*zijner woorden, uitdagend, geprikkeld en gesard, had hij 't in een instinctieve opwelling, met starre oogen van onwrikbare vastberadenheid, uitgeroepen:

"Hawèl, 'k zâl mee ou treiwen?"

Daarop was een groote, haast bang-benauwde stilte gevolgd. Stom van verbaasd-ongeloof staarde Eleken hem aan.

"Geleuft-e mij niet?" vroeg hij met schitterenden blik. Hij was doodsbleek en zijn lippen beefden. Zij werd bijna bang voor hem.

"As ge 't woarlijk mient," aarzelde zij.

Vader Peutrus kwam binnen. Hij merkte hun benauwde ontroering en keek verlegen op.

"Mag.... mag ik het hem zeggen?" stamelde Eleken.

"Natuurlijk, ge moet wel," antwoordde meneer Vitàl kort, beslist, vastberaden.

"Voader," zei Eleken met inspanning, zich tot den ouden man wendend, "menier Vitàl klapt van mee mij te treiwen."

Wijd gingen de bolle blauwe oogen van vader Peutrus open.

"Wa.... wa zegt-e doàr?" stotterde hij.

Starend keek meneer Vitàl hem aan en in de wilde verbauwereerdheid van den lummel las hij als 't ware de bevestiging van zijn vrijwillige maatschappelijke vernedering. Het was even iets onuitstaanbaar scherps en vlijmends, dat ook plotseling weer de smart, hem door de weigering van mademoiselle de Saint-Valéry veroorzaakt, vinnig deed herleven; maar hij keek naar het nu zoo diepzalig ontroerde, mooie, blozende Eleken en voelde onstuimig in zich trillen het groot, vurig verlangen van al zijn steeds gedwarsboomde hartstochten. Het nevelde en gloeide rood vóór zijn oogen, net als op dien schrikkelijken middag, toen hij Irma in 't hotel op heeterdaad betrapt had; 't was of nu ook een vijand háár van hem zou kunnen wegvoeren; maar dàt zou nooit gebeuren; hij nu, hij alleen was ditmaal heer en meester over haar jeugd en haar schoonheid; en hij bekrachtigde haar mededeeling met een forschen nadruk, de wenkbrauwen gefronst en de woorden beslist:

"'t Es lijk of ze zegt, boas Peutrus: 'k wil en 'k zal mee heur treiwen!"

Baas Peutrus kon dat zoo maar niet opeens in zich verwerken. 't Was hem te kras, te overweldigend machtig. Bevend liep hij naar buiten om moeder Lie te roepen, terwijl Eleken, door haar emotie gebroken, in onstelpbare tranen van geluk uitbarstte.

In 't dorp was 't een weergalooze opschudding. De menschen liepen er als 't ware dol van. Het nieuws breidde zich met ongeloofelijke snelheid uit, het vloog door de straten, het galmde in de huizen, het drong onmiddellijk tot in 't kasteelken, waar Mietje en Netje het door het chauffeurtje vernamen.

Zij wisten allen sinds lang dat meneer Vitàl heel veel,--veel te veel, helaas! zei 't oude Mietje,--in deGroene Lindezat; maar Mietje had in den tijd van Nonkelken nog heel wat krassere toeren bijgewoond en zij haalde er maar zuchtend de schouders bij op, klagend dat al het mansvolk precies gelijk was en denkend dat het wel, gelijk destijds met Nonkelken, bij meneer Vitàl van zelf zou luwen, als het eens ten hoogste was gekomen. Ook trilde zij van verontwaardiging toen het chauffeurtje met zijn ongeloofelijk nieuws kwam aanzetten. Dat was niet waar, dat waren leugens, dat was onmogelijk, beweerde zij nijdig; en zij dreigde het chauffeurtje met het ergste indien hij zoo iets durfde voort vertellen. Maar zij ging even in een winkeltje en hoorde daar ook dadelijk die schandalige geruchten over een familie die zij sinds zóólang diende, dat zij er solidair en als 't ware eigen mee geworden was; en haar ontzetting was zóó hevig, dat zij onmiddellijk besloot haar meester er over te spreken, zoodra als hij terug zou komen.

Zij hoefde 't niet eens te vragen. Hij zelf kwam dadelijk naar haar toe en zei, met ernstig gezicht:

"Mietje, 'k moe ou wa zeggen. 'k Ben van zin om te treiwen en 'k hope...."

Zij liet hem den tijd niet uit te spreken. Zonder er meer van te hooren viel zij hem met ontsteld gezicht en opgeslagen armen in de rede:

"Ha moar menier Vitàl toch! Ha moar ge 'n zilt dà toch niet doen! Ha moar Hiere Godheid menier Vitàl!" Zij kòn niet verder, zij barstte plotseling in snikken uit en sloeg met beide handen haar schort voor 't gezicht.

"Wa es dà nou, Mietje?" zei hij streng.

"Ha moar menier Vitàl toch! Ha moar menier Vitàl toch! Mee azeu iene! Mee azeu iene!" snikte zij onbedaarlijk.

Verbaasd keek hij haar aan. Zij wist dus reeds! Maar zijn wenkbrauwen trokken zich boos samen en zonder verdere uitleggingen:

"Mietje," zei hij, zoo kalm mogelijk, "dat 'n es gien reden om doarveuren te schriemen en 'k hope wel da ge bij mij zil willen blijven...."

Wanhopig en hartstochtelijk schudde zij het hoofd:

"O nie, menier, o, nie nie, bij azeu iene! Veur gien geld van de weireld!"

"Mietje, ge 'n kent ze niet!" riep hij bits; "en 'k verzoek ou in alle geval van d'r noch goed noch kwoad van te zeggen!"

Nog wanhopiger viel Mietje aan 't schreien. En voor het eerst in haar leven was ze tegenover haar meester ongehoorzaam. 't Was haar te machtig, zij kòn niet zwijgen.

"Doe lijk Nonkelken!" snikte zij; "stel ze kontent mee geld as er ne kleinen moe komen! Moar 'n treiwt er toch nie mee, 'n doet de noame van ou scheune famielde toch die oniere nie aan!"

"Zwijg, Mietje!" gebood hij ruw, boos. En hij keerde zich om, terwijl de oude meid, steeds snikkend, met het hoofd in haar schort naar de keuken terugstrompelde.

Eenige dagen verliepen. Een zware droefheid drukte op 't kasteelken. Ook Netje had stil haar dienst opgezeid; en zwijgend, met rood-geweende oogen en neerslachtige gezichten, bedienden beiden nu haar meester.

Meneer Vitàl was zenuwachtig opgewonden en gejaagd. Hij ging niet meer uit, behalve naar deGroene Linde, waar hij met koortsachtige haast de laatste toebereidselen bespoedigde. Zoo gauw als het kon moest het nu maar gebeuren; de geboden in de kerk en de huwelijksbelofte op 't gemeentehuis waren reeds afgekondigd; en Eleken werd haast geen tijd gegund om voor een behoorlijk uitzet te zorgen. Dat alles zou later wel komen: hoofdzaak was nu dat ze getrouwd waren, om uit den strijd en den twijfel te zijn, om voor 't onoverkomelijke van 't volbrachte feit te staan. Hij wilde niet langer folterend tobben en denken, niet langer aarzelen noch talmen. Hij sloot zijn oogen voor de werkelijkheid en schudde de kwellende gedachten uit zijn hoofd. Het moest er nu door, zoo spoedig mogelijk, om eindelijk rust en vrede te hebben.

De menschen in het dorp twijfelden nog tot het laatst, konden, wilden er niet aan gelooven. Allen dachten, evenals Mietje, dat meneer Vitàl zich te ver gewaagd had met Eleken en dat hij toch ten slotte, zooals Nonkelken herhaaldelijk gedaan had, met geld weer alles goed zou maken. Maar de tijd verliep, 't gezegeld papiertje der huwelijksaankondiging blééf hangen in 't gerasterd kastje. buiten aan 't gemeentehuis en de groote dag brak eindelijk aan.

Van in den vroegen, stillen, glanzenden September-ochtend bulderden al in de verte de kanonnen, Meneer Vitàl had alles zoo kalm mogelijk gewenscht en daarom zou de huwelijks-plechtigheid ook zoo vroeg mogelijk geschieden; maar hij kon toch niet beletten dat de buurt, ginds aan deGroene Linde, luidruchtig feestvierde. Vader Peutrus, althans, zou geducht moeten trakteeren.

Even vóór acht uur kwam vlug, een dicht rijtuig het erf van 't kasteelken opgereden. Daarin zaten vader Peutrus, moeder Lie en Eleken. 't Chauffeurtje liet hen binnen. Den vorigen avond waren Mietje en Netje schreiend met pak en zak vertrokken en een noodhulp was in huis. Stralend zag Eleken er uit, geheel in zwarte zij gekleed, met wit-en-zwarten hoed en witte leeren handschoenen. Het stond haar niet en zij hield zich te stijf. Zij zag er veel aardiger uit in haar dagelijksch japonnetje; maar mooi was ze ondanks de hinderende, stijve kleeren, stralend-mooi van blozende gezondheid, en meneer Vitàl zoende hartstochtelijk haar frisschen, rooden mond. Ook vader Peutrus en moeder Lie waren heel in 't zwart gekleed: vader Peutrus met dikronden rug in zijn spannende jas en met hangende armen; moeder Lie strak van verbauwereerdheid, met gapenden mond en donkere, bijna angstig om zich heen loerende oogen, als een beest dat in een vreemde kooi zit. Zij gebruikten een haastig ontbijt en stegen met meneer Vitàl in den landauwer, die hen tusschen een dubbele rij van gapende nieuwsgierigen naar het gemeentehuis bracht.

Meneer Vitàl was hoogst zenuwachtig en had maar één groote, obsedeerende vrees: dat het barontje, als burgemeester, de huwelijksplechtigheid zou voltrekken. Dat zou voor hem de ergste vernedering wezen. Hij zag al in verbeelding de fijn-sarkastische silhouet van 't oud nobiljontje*en hoorde hem minachtend, met bedekte spotternij, in zijn gebrekkig Vlaamsch de sacramenteele vraag stellen:

Meneer*Vitàl Dubois, verklaart kij voor wettig huisvrouw te neem, mademoiselle Elodie Peeters?" Doch neen; gelukkig was hij er niet. Toen meneer Vita] met Eleken en haar ouders in de secretarie, waar het huwelijk zou voltrokken worden, binnentrad, zag hij terstond, achter den grooten, zwarten lessenaar, meneer Waelckens, den eersten schepen, die als burgemeester zou fungeeren. Hij verademde. Zijn twee getuigen: de ontvanger De Reu en de jonge Taghon, stonden daar al te wachten; en uit de herbergkamer tegenover de deur der secretarie kwamen ook Elekens getuigen: twee aanzienlijke boeren uit haar gehucht, te voorschijn.

De secretaris begon de voorlezing der acte. Alles ging hoogst deftig en ernstig. Niemand glimlachte, niemand verroerde zich. Meneer Vitàl, zeer bleek, hield strak zijn wenkbrauwen gefronst, starend naar den grond kijkend, terwijl Eleken, naast hem, als een bloem zat te blozen. Buiten in de straat gonsde dof rumoer, met af en toe gestamp van paardenhoeven op de straatkeien. Twee jongenskoppen verschenen plotseling achter de vensterramen, waar zij tegen opgeklauterd waren, maar een dreigend gebaar van den veldwachter, die naast den secretaris stond, deed ze spoedig weer verdwijnen.

De secretaris onderbrak even zijn eentonige voorlezing, meneer Waelckens stelde de geijkte vragen, ouders en trouwers zeiden het verwachte "ja" en heel gewoon, als een alledaagsch gezegde, klonken de woorden die hen voor altijd aan elkaar verbonden:

"In name der Wet verklaar ik u door 't huwelijk vereenigd."

Ernstig, gewichtig, werden met stille, matte stemmen, bescheiden gelukwenschen geuit. Moeder Lie pinkte eventjes een traan weg; meneer Waelckens keek aarzelend naar meneer Vitàl en daar deze een beweging maakte stak hij hem feliciteerend de hand toe en drukte daarna ook de hand van Eleken en van haar ouders. Daarop kwamen ook de vier getuigen, de secretaris en de veldwachter, handendrukken. De secretaris las het einde van de acte voor en toen kwam uit de herbergkamer een dienstmeisje in een witte schort, met een presenteerblad waarop een ontkurkte portflesch stond, omringd van een aantal volgeschonken glazen. Allen bedienden zich, klonken in stilte aan, en dronken. Meneer Vitàl, Eleken, haar ouders en de getuigen namen om de beurt de pen en teekenden de acte, moeder Lie en vader Peutrus langzaam en met groote inspanning. Alles bleef hoogst ernstig en deftig. Geen lachje, geen enkel der gewone, schouwe grapjes werd gewaagd.

Toen zei meneer Vitàl eenige woorden van dank en met Eleken aan den arm verliet hij statig de secretarie en daalde de treden van de stoep af naar het rijtuig. Als in een bont-verwarde wemeling zag hij de ontelbare, nieuwsgierige gezichten van de op elkaar gedrongen menigte. De oogen glommen van onverholen verbazing en graagte, de monden hingen gapend open en de gestalten stonden roerloos-stijf gespannen, als versteend.

Haastig stapte hij met Eleken binnen, gevolgd door vader Peutrus en door moeder Lie. De koetsier zweepte zijn paarden, en door de volle straat, waar voor ieder deurgat weer diezelfde, als versteend gapende en starende nieuwsgierigen stonden, reden zij naar de kerk. Wild-gillend holde plotseling een heele bende jongens naast de wielen mee. Heel in de verte, op het gehucht derGroene Linde, bomden dof de feestkanonnen.

XV.

Zij maakten slechts een korte huwelijksreis. Eleken had het verlangen te kennen gegeven Brussel en Parijs (P'rijs, zooals ze 't noemde) te zien; en zij gingen eerst naar Brussel en van daar naar P'rijs.

Te Brussel voelde Eleken zich nog eenigszins thuis, maar te P'rijs was ze volkomen van streek.

"Ziet da ge mij hier nie allien 'n loat stoan! 'k En zoe noei mijne wig nie mier vinden!" riep ze telkens, in voortdurenden angst, op de hoeken der straten, als een klit aan zijn arm hangend. Al dat lawaai en gewoel overweldigde haar en gaf haar hoofdpijn. Het vermoeide haar buitenmate en zij klaagde ook over pijn aan haar voeten, die zwollen van steeds in die spannende schoenen over de harde steenen te loopen.

Hij trachtte haar een beetje op te voeden, haar eenig gemak van beweging en manieren te leeren.

"Houdt ou rechte!" zei hij elk oogenblik. "Ge leup weeromme gebogen. Woarom doe-je datte! Thuis hield g' ou altijd zeu goed."

"'t Es die corsé," klaagde zij; "'k en ben doar nie aan geweune."

"Kijk rond ou," zei hij. "Al die damen droagen toch corsets; en zie ne kier hoe rechte da z' ulder houên."

En zij keek om zich heen, maar met oogen van bijna angstige verbauwereerdheid. Zij zag die dames loopen, kaarsrecht, ruischend van zijde, met vlugge, flinke, klinkende passen over het effen asfalt. De oogen keken brutaal, de gezichten en de haren waren gepoeierd en geverfd; en enorme hoeden, met wapperende voiletten van de schelste kleuren, stonden als gek-overdreven tooisels op haar hoofd.

"Ge 'n zoedt toch zeker nie willen da 'k er azèù uitzie!" riep ze, verontwaardigd.

Neen; dat wou hij zeker niet. Maar toch: 't gemak van bewegen, dàt wou hij wèl. "Recht-houden, korte, vluggere passen, armen niet slap langs het lijf laten hangen," herhaalde hij telkens. En hij bracht haar in groote magazijnen, waar hij haar nieuwe kleeren, mantels, hoeden, handschoenen, laarzen liet koopen. Ook het ondergoed moest heelemaal vernieuwd. "Alles veel lichter, dunner, fijner," zei hij.

Aan table d'hôte durfde hij met haar nog niet komen. Zij gebruikten hun maaltijden aan aparte tafeltjes in restaurants of, half uitgekleed, in sensueel-verliefde intimiteit op hun kamer, waar hij haar léérde eten.

"Niet slurpen!" zei hij bij de soep. Bij 't vleesch moest ze mes en vork juist anders houden dan ze deed; en "nie smekken! en ou recht houên! ou recht houên!" herhaalde hij voortdurend weer.

Toch was hij niet ontevreden over haar vorderingen en ook zij voelde zich weldra, na de eerste, vervelende lessen, prettiger gestemd en gansch bereid haar verfijnings-opvoeding te voltooien. Zij kreeg, vooral toen zij haar nieuwe japon--een heel aardig en sober, donkergroenen-blauw geruit écossais van goed snit--en haar nieuwen hoed had, een zekere, oppervlakkige élégance, waarbij haar frisch-gezonde kleur en haar mooie oogen zeer voordeelig uitkwamen. Een paar keer werd zij, niet zonder eenige bewondering, door vreemden opgemerkt en daarbij voelde zich meneer Vitàl heel trotsch. Nog wat geduld maar. Met zulk een frisch-bekoorlijke schoonheid als de hare kon ze, door beschaving en verfijning, verre de meeste overtreffen. Een zoete wraak zou 't voor hem zijn, indien hij daarin slagen kon. Zij begon het verblijf in Parijs heerlijk te vinden en sprak niet meer, als in de eerste dagen, van maar zoo gauw mogelijk naar het dorp terug te keeren: wel integendeel.

"Zoe-je geleuven da 'k het al firm geweune ben in P'rijs!" zei ze hem eens.

"Párijs," verbeterde hij kalm.

"Párijs," herhaalde ze gedwee. Maar eensklaps ondeugend-glimlachend:

"Parìjs!" verbeterde zij hem op haar beurt en zei het ook in 't Fransch:

"Paris."

"A la bonne heure!" juichte hij.

"Wie wie, ze veu aussi de nouveau apprendre le francé!" lachte zij overmoedig.

Maar dàt hield hij vooreerst nog tegen. Later, eenmaal thuis, zou hij zich wel met haar bemoeien, haar fransche les geven. Nu was 't maar beter dat ze nog hun vlaamsch spraken. Een vreemde taal, dat stond ook wel goed in Parijs.

Om haar verder te ontwikkelen bracht hij haar in de musea. Zij bewonderde zeer de militaire portretten en tafereelen, maar voor de naakte beelden en vooral de naakte schilderijen ergerde zij zich schromelijk, werd boos bijna.

"'k En weet toch nie hoe da ze nie beschoamd 'n zijn!" wendde zij zich verontwaardigd, met hoog-kleurende wangen af.

Hij drong niet aan.--Later, later, dacht hij; en nam haar mede naar de schouwburgen.

De comedies verveelden haar. Zij begreep er ook haast niets van en zat star en stijf, terwijl de anderen lachten of schreiden. Maar in de opera, bij de indrukwekkende muziek en de prachtige décors was ze ontroerd, overweldigd. Doch dan schaamde zij zich ook weer voor de veel te kort gerokte danseuses met haar vleesch-kleurige tricots; en eens, in een café-concert, werd ze werkelijk boos voor het te laag decolleté van een paar zangeressen en wilde absoluut vóór 't einde weg.

"Later, later, glimlachte hij in zichzelf. En hartstochtelijker verliefd dan ooit keerde hij met haar terug naar het hôtel, waar hij wel wist dat alles goed en heerlijk wezen zou.

XVI.

Nu waren zij op het "Kasteelken" geïnstalleerd...

In alle stilte, zonder iemand anders dan Elekens ouders en hun bediening te waarschuwen, kwamen zij er op een avond laat aan.

Hij bracht haar in dat huis, waar zij nog maar eenmaal, 's ochtends van hun huwelijk, was geweest; hij wees haar aan 't souper de plaats die zij voortaan elken dag zou innemen, vlak tegenover hem, onder 't portret van Nonkelken; en voor 't naar bed gaan leidde hij haar even rond, in al de kamers.

"O, da es hier amoal greut en scheune!" riep ze verrukt. Maar haar grootste bewondering was voor de keuken, de prachtige, ruime keuken van het lekkerbekkerig Nolkelken, met al de glimmende tinnen en koperen vaten, waarin gedurende zoo menigvuldige jaren, door het bekwame Mietje, zooveel heerlijke schotels waren klaar-gemaakt. Nu waren daar nog alleen de noodhulp en 't chauffeurtje; maar de noodhulp moest nu ook weldra vertrekken en in haar plaats zou Eleken al spoedig een andere, vaste meid nemen--zij had er al een in 't zicht die zij sinds jaren kende met wie zij alles naar haar eigen zin zou schikken en beredderen.

Ook boven bleef zij in langdurige verrukking voor de mooie oude kasten, vol met het fijnste linnen- en tafelgoed. Wat zou ze dat alles ook keurig onderhouden en in orde brengen! Dagen, weken van gezellige, huishoudelijke bezigheid zag ze reeds in het verschiet; maar voor een klein vertrekje tusschen hun slaapkamer en een andere logeerkamer stond zij even in onthutste aarzeling, niet begrijpend:

"Wa es dàtte?" keek zij hem verwonderd aan.

"De badkoamer en 't vertrek, heul geriefelijk, vlak noast ònze koamer," glimlachte hij.--Hij trok een gordijn weg en liet haar het bad, en, in een hoekje, de verdere gelegenheid zien.

"Ha moar Hiere toch!" riep ze verbaasd. "En moe ne meinsch doarin?"

"Natuurlijk; ge wilt toch nou en dan 'n bad nemen."

"Noakt? Heul-de-gansch noakt?"

"Hoe anders? Toch niet mee ouën hoed en ou lizzen*aan!"

Om het idee van dien hoed en die laarzen moest ze wel lachen; moar ze vond de heele gelegenheid toch griezelig en dacht niet dat zij er ooit gebruik van zou maken.

Hij drong niet aan. "Later, later," glimlachte hij in zichzelf.

Vroeg in den volgenden ochtend ging hij met haar rond den tuin. De door den herfst reeds uitgedunde loovers waren geel en rood en bruin geworden gedurende zijn afwezigheid, het beekje stroomde snel en bruisend, de bloemperken waren aan 't sterven en de grasvelden lagen dicht bezaaid met dorre bladeren.

"Ne scheune, greuten hof," zei ze. "Moar woar es de groenselhof?"

Hij duwde een hekje open in een heg en zij traden in den moestuin.

"O!" riep ze verrukt. "Al da scheun groensel! Wat doe-je gij mee al da groensel?"

"Opeten," lachte hij. "Opeten! Ge 'n keun gij da nie amoal opeten! Nog 't tienste poart zelfs niet. Wat doe-je mee den overschot?"

"'K 'n weet ik niet; 'k 'n ken ik da niet. Isedoor, den hovenier, neemt da zeker mee noar huis, veur zijn giet en zijn konijnen," veronderstelde hij.

"Woarom 'n houdt-e zelf gien giet en gien k'nijnen?" zei ze, haast verwijtend.

"Kónijnen," verbeterde hij haar; want ze kreeg alweer neiging om plat-boersch te spreken.

"Konìjnen," verbeterde zij hem op haar beurt, lachend, zooals ze met "Parìjs" gedaan had.

Hij lachte ook, trok haar tegen zich aan, gaf haar een zoen.

"Hawèl, woarom 'n hóúdt-e gien giet en gien konijnen?" drong zij aan.

Dat wist hij waarachtig niet, hij haalde zijn schouders op.

"Wacht moar; 'k zal ik hier wel biesten houen," voorspelde zij. "Loat mij ne kier ou kotterijen zien."

Hij leidde haar, achter het huis om, naar de bijgebouwen: de remise, de stal, het waschhuis.

"O!" riep ze, "g'hèt ploatse genoeg om virkens en koeien t' houen!"

"Zij-je meschien van plan om hier te beginnen boeren?" schertste hij.

"Nien ik, moar 'k zoe toch gieren ienige biesten houen. Kijk ne kier, al die scheune plaats en niets doarin, zelfs geen kiekens. Mag ik aan voader vroagen dat hij mij wa kiekens en k'nij.... en konijnen keupt?" glimlachte ze, zoet fleemend.

"Joa g'," beloofde hij, ,joa g', joa g'." En in 't halfduister der remise nam hij haar weer in zijn armen en drukte haar, hartstochtelijk-zoenend, tegen zich aan.

"En morgen," zei hij, "morgen, of te langsten overmorgen, beginnen we Fransch te leeren...."


Back to IndexNext