Chapter 4

Die brug is het werk niet der menschelijke hand,Wie toch zou zich zoo iets vermeten.Toen de reizigers zich op het midden dier brug bevonden, bogen zich de dunne boomstammen onder den tred hunner lastdieren. Graaf Rasinski hield een oogenblik stil, mat met het oog het rotsgewelf boven zich en wierp toen een blik in den schuimenden afgrond. Hij wilde iets zeggen, maar in het gedonder der vallende watermassa's verliest zich elke menschelijke stem. En toch heerscht hier voor het gevoel eene huiveringwekkende, eeuwige stilte en ledigheid. Geen vogel verroert zich, geen mugje gonst, geen halm, geene mosplant groeit hier; slechts de versteende, onbewegelijke granietklompen stijgen loodrecht op en verliezen zich in den blauwen hemel. Te midden van dit rusteloos woelen en klateren en donderen der wentelende golven gevoelt men, dat, wanneer deReussplotselijk verstomde, ook elk ander geluid ophouden en men zich als in een steenen grafkuil der natuur bevinden zoude.Eene poos lang vertoefden de reizigers en staarden het schrikwekkend verheveneschouwspel met stomme verbazing aan. Lodewijk had het oog gevestigd op eenige witte, lichte wolkjes, die in de enge, blauwe ruimte des hemels, die tusschen de steile rotsmuren zichtbaar was, over het dal heentogen. Als zalige geesten schenen zij in die heldere kringen des lichts over de vreeselijke kolk des duisteren afgronds heen te zweven. Rasinski wekte hem eindelijk uit deze mijmering, door onder het voorbijrijden zijne hand te grijpen en haar te drukken met een blik, die scheen te kennen te geven: Niet waar? een prachtvol schouwspel! Die het gemeenschappelijk genoten, verbindt die herinnering voor langen tijd!Rasinski was door zijne jaren en zijne bedaardheid, door zijn dieper inzicht en rijker ervaring de stilzwijgend erkende Mentor zijner metgezellen, zoodat men ook de verdere inrichting der reis geheel aan hem overliet, daar hij overal de juiste maat en wat voor het oogenblik het best voegde, gelukkig wist te treffen. Hij was het, die den tocht bestuurde; de anderen volgden zonder dwang en als onwillekeurig.Langer dan een uur reed men over scherpe ijsschollen en breede, naakte granietvloeren voort; aan beide zijden stegen vlakke rotswanden omhoog, doch rechts baande zich deReuss, in eene onafgebroken keten van watervallen in het dal neerbruisend, tusschen het smalle pad en den rotsigen muur van den tegenovergestelden oever een kronkelend spoor. Boven de naaste steenglooiingen hieven de steile, met sneeuw beladen toppen der Alpen zich trotsch in de hoogte en hulden nu eens het glansrijke hoofd in grauwe wolkensluiers, terwijl zij zich dan weder, in zonnegloed fonkelende, met koene omtrekken op den donkerblauwen grond des hemels afteekenden.Ware het verder in het jaargetijde geweest, dan zoude het dal spoedig bloeiender en vriendelijker zijn geworden. Nu echter heerschte de winter hier nog in volle kracht en dikke sneeuw bedekte nog de meeste rotsklompen, ja zelfs de toppen der dennen, die zich gedurig talrijker begonnen te vertoonen. Langzamerhand werden de hoogten toch meer begroeid en boschachtig, en zag men van tijd tot tijd eene heldere, groene grasstrook door het dunne sneeuwdek heenschemeren.In weerwil van het vroege seizoen, was de reis nog rijk aan indrukwekkende schoonheden geweest en zou bij Lodewijk, vooral door de belangstelling, welke hem zijne geleiders inboezemden, gewisselijk de aangenaamste herinneringen hebben nagelaten, wanneer niet de smart zich met toenemende hevigheid van zijn boezem had meester gemaakt. Een tijdlang mochten de nieuwe, afwisselende voorwerpen, het aanlokkelijke van zijn gezelschap, de wonderbare natuur, het zonnelicht en de heldere hemel met hunne vereende krachten tegen de diepe droefheid zijner ziel eenigermate het evenwicht hebben gehouden, thans, daar deze nieuwe prikkels verstompt waren, daar de hoop van toch eindelijk zijn doel nog te bereiken meer en meer verdween, en de angst daarentegen van het voor altijd te verliezen, in dezelfde mate sterker werd, thans was zijne gansche ziel weder aan dat onstuimig verlangen ten prooi gegeven, dat ons hart dikwijls nog grievender en heviger pijnigt, dan een zeker onherroepelijk verlies. Bij het laatste brengt elke voorbijsnellende minuut kalmte en heeling aan; bij het eerste geven de sleepend voorbij kruipende uren het hart aan eene gestadig toenemende foltering over, tot eindelijk algeheele verdooving en afmatting de verstompte smart opvolgen en in de ziel eene doffe rust doen terugkeeren, die een halven dood gelijkt.Reeds vroegtijdig bereikte men het dorpAm Steg, waar hetSchaechendal zich met kronkelende bochten van deReussafscheidt. Hier ontbeten de reizigers en zij sloegen vervolgens den weg naarAltorfin, die in het breede, groene dal tusschen frisschegrasvelden heenvoert en waarop men niet meer door het donderen en klateren derReussverdoofd, maar slechts door het verre ruischen en suizen verzeld wordt.De reisgenooten van Lodewijk wilden hetVierwaldstättermeer bezichtigen en haastten zichFlüelente bereiken, om zoo mogelijk nog tegen den avond te Lucern te zijn. Hij zelf echter kon nog slechts hopen, het voorwerp zijner nasporingen op den naasten, grooten weg naar Duitschland aan te treffen, en had dus besloten, temeerdaar hij het meer en zijne merkwaardigheden reeds kende, zijne reis zonder verwijl over Zurich opSchaffhausenvoort te zetten. Hij moest dus van zijne geleiders afscheid nemen. Rasinski, wiens opmerkzamen blik zelden iets ontging, vroeg hem naar zijne koffers. Lodewijk was op die vraag bedacht geweest en had eene uitvlucht gereed. Hij zeide, zijne groote koffers, en zulks was inderdaad zoo, naar Heidelberg te hebben vooruitgezonden, terwijl achteloosheid of ontrouw van eenvetturino, en hierin veroorloofde hij zich eene kleine onwaarheid, zijn valies op den weg van Milaan naarDuomo d'Ossolahad doen zoek raken.Met gulle bereidwilligheid boden zijne reisgenooten, nog uit het veld gewoon den laatsten voorraad broederlijk met een makker te deelen, hem eenige noodwendigheden aan. Dit was hem inderdaad welkom; want anders ware hij genoodzaakt geweest, te Zurich onderscheidene aankoopen te doen, die hij zooveel mogelijk vermijden moest, daar zijne reiskas reeds veel geleden en hij al zijne middelen dringend noodig had om zijne navorschingen met kracht te kunnen voortzetten.Men nam dus een hartelijk afscheid en troostte zich met eene vroolijk hereeniging in Dresden, wanneer het geluk al niet willen mocht, dat men elkander reeds vroeger op de landstraat weder ontmoette. Niet zonder weemoed zag Lodewijk zijne vrienden zich verwijderen; want of hij hen wel ooit zoude wederzien was onzeker, daar hun verblijf te Dresden wellicht zeer kort zijn kon en hij zelf den juisten tijd van zijne aankomst aldaar met geene zekerheid vooraf durfde bepalen.In de herberg teAltorfbevond zich toevallig een voerman, die met een ledigen wagen naar Zurich wilde. Lodewijk nam daarop eene plaats en zette, na zijn vriendelijken leidsman Jozef en den muildierdrijver uitUlrichenontslagen te hebben, onverwijld de reis voort. Zonder verdere ontmoetingen kwam hij in den laten avond teZugaan, en den volgenden middag bereikte hij over denAlbiss, welks hoogte hem een laatst uitzicht op de Alpenketen en Zwitserlands blauwe bergen en meren vergunde, het oude Zurich. Dit was een punt, dat Bianca, wanneer zij haren weg door eene der bergpassen van het kantonWallisgenomen had, noodzakelijk moest aandoen. Met groote zorgvuldigheid onderzocht hij derhalve in alle herbergen, of men ook reizigers, met zijne beschrijving overeenkomende, had opgemerkt. Hij had zijn weg zoo snel en gelukkig afgelegd, dat hij er bijna niet aan twijfelen kon, of hij was de eerste in Zurich aangekomene, en dit deed hem besluiten, dezen en den volgenden dag te vertoeven, om verdere berichten in te winnen. Hij deed zulks, maar zonder gevolg. Ook den derden gaf hij nog toe, schoon hij in doodelijken angst verkeerde juist daardoor de mogelijkheid te zullen verbeuren, van de geliefde nog op een der hoofdwegen van Duitschland te achterhalen. Toen ook deze laatste poging hem geen spoor deed ontdekken, moest hij eindelijk met een bloedend hart besluiten, van verdere navorschingen af te zien en de reis naar zijne woonplaats aan te nemen. OverSchaffhausenenFreiburgkwam hij binnen weinige dagen te Heidelberg aan.Het was in de eerste schoone dagen van Mei, dat hij deze bevallige plaats, waar hijzoo menig vroolijk uur zijns levens had doorgebracht, binnenreed. Hij betrad haar met weemoed. Zijne akademievrienden hadden gelijktijdig met hem de stad verlaten. Slechts één jaar was verloopen, en reeds zoude hij, eenige verre bekenden uitgezonderd, zich geheel vreemd onder de jongelingen, die thans studeerden, bevonden hebben.Alles, waarvan hij zich in het vooruitzicht zooveel genoegen voorspeld had, het wederzien van zijn ouden, eerlijken huisbaas, het ontmoeten van eenige huisgezinnen, waarmede hij weleer bevriend was geweest, het bezoeken van zijne geliefde wandelplaatsen, die, thans met het frissche groen der lente getooid, den ouden vriend schenen welkom te heeten, dit alles wekte slechts eene sombere, zwarte zwaarmoedigheid in hem op. Geheel moedeloos besloot hij eindelijk zijne reis naar huis te bespoedigen, om in de armen der geliefde moeder en zuster troost en opbeuring voor zijn smartelijk gewond hart te zoeken en tegen den volgenden morgen nam hij eene plaats op den postwagen.Toen hij des avonds zijne zaken gepakt en alles geordend had, trad hij, om aan het avondeten deel te nemen, de spijszaal binnen. De gasten, eenige vreemdelingen en enkele ongehuwde professoren uit de stad zelve, zaten reeds aan tafel. Een der laatsten hield een dagblad in de hand, waaruit hij het gezelschap de belangrijkste narichten betrekkelijk den naderenden oorlog scheen medegedeeld te hebben.„Wat nieuws is er?” vroeg Lodewijk, zonder eenig gewicht aan die vraag te hebben.„Wat den krijg betreft nog niets beslissends,” antwoordde een der aanzittenden, „oprukken van troepen, berichten van het aankomen en afreizen van generaals, lange opsommingen der vreeselijke krijgstoerustingen des Franschen keizers; kortom alles wat wij reeds sinds weken dagelijks herhaald zien. Maar nu en dan worden de bladen ook in andere opzichten belangrijk. Zij leenen zich in onzen romantischen tijd zelfs tot kleine romans en behelzen brieven, die allen schijn van minnebrieven hebben. Lees hier deze regels eens, waarover wij juist in gesprek waren.” Lodewijk wierp een onverschilligen blik op het papier; doch nauwelijks had hij de eerste regels gelezen, of hij was bijna niet in staat zich zelven meester te blijven. De woorden, die de nieuwsgierige verwondering van het gezelschap hadden gaande gemaakt en zijn hart aan eene hevige slingering van afwisselende gewaarwordingen prijsgaven, luidden in dezer voege:„Aan den onbekenden Vriend!Den redder in den hoogsten nood, die de vreemde alszusterbegroette, haar trouw als een broeder geleidde en beschermde, zij vurige, onvergetelijke dank. Reet hij zelf ook die banden even snel weder vanéén, als een hoogere hand ze had vastgeknoopt, hij verneme toch, dat zijn wil geëerbiedigd wordt, dat innige dankbaarheid de scheidende bezielt. Maar rukte een onbegrijpelijk toeval de zuster van de zijde des broeders weg, o zoo geloove hij, dat diepe weemoed en droefheid haar overal zullen vergezellen. Mochten de verwarde paden der menschelijke lotwisselingen hem nog eenmaal de thans ver van hem verwijderde doen ontmoeten, hij zal eene getrouwe zuster in haar wedervinden, die hem gaarne alles wil ten offer brengen, daar zij hem alles, alles verschuldigd is.De geredde B.....”„Nu, wat zegt gij daarvan?” keerde zich de professor tot Lodewijk, die het door tranen verdonkerde oog van de dierbare regels bijna niet kon afwenden.„Zonderling, inderdaad zonderling!” antwoordde hij haastig en zocht zijne ontroering zoo goed mogelijk te verbergen. „Ik vind den brief zoo roerend,” voegde hij er met een gedwongen lachje bij, „hij wekt zoo duizend verschillende vermoedens en gissingen in de ziel op, dat het lezen mij sterker getroffen heeft dan het moest. Maar ik ben nu eenmaal zulk een romaneske droomer!”„Het had bij ons allen dezelfde uitwerking,” hernam de ander; „want juist het geheimvolle van deze woorden verwekt zulke zonderlinge gewaarwordingen, dat men nooit jong, nooit met eenig dichterlijk gevoel bezield moet geweest zijn, zoo men in zijne verbeelding niet het bekoorlijkste vrouwelijke wezen voor zich staan en de zoetste tranen vloeien ziet, welke ooit een helder oog verdonkerd hebben. Ja, ik zou bijna durven beweren, dat elk mensch in zijn leven de een of andere ontmoeting gehad heeft, waaraan hij hier op eene zonderlinge wijze herinnerd werd.”Het gesprek over dit onderwerp werd opnieuw zeer levendig en gaf Lodewijk tijd om tot bedaren te komen. Het uur van den maaltijd scheen hem eindeloos lang te duren, en niet zoodra was deze afgeloopen, of hij stond op, maakte zich heimelijk van het kostelijke blad meester en snelde naar zijne kamer. Hier gaf hij in een stroom van lang weerhouden, heete tranen den beklemden boezem lucht. Door grievende smart overweldigd, boog hij zich neder en smeekte uit het diepste zijner ziel: „Algoede Vader! houd mij niet voor eeuwig van haar gescheiden, laat het schoone gesternte nog eenmaal op mijn donker levenspad lichten! Neen, niet daarom hebt gij mij de zaligheid des levens getoond, om mij voor altijd weder in den duisteren afgrond der vertwijfeling terug te stooten.”

Die brug is het werk niet der menschelijke hand,Wie toch zou zich zoo iets vermeten.

Die brug is het werk niet der menschelijke hand,Wie toch zou zich zoo iets vermeten.

Die brug is het werk niet der menschelijke hand,

Wie toch zou zich zoo iets vermeten.

Toen de reizigers zich op het midden dier brug bevonden, bogen zich de dunne boomstammen onder den tred hunner lastdieren. Graaf Rasinski hield een oogenblik stil, mat met het oog het rotsgewelf boven zich en wierp toen een blik in den schuimenden afgrond. Hij wilde iets zeggen, maar in het gedonder der vallende watermassa's verliest zich elke menschelijke stem. En toch heerscht hier voor het gevoel eene huiveringwekkende, eeuwige stilte en ledigheid. Geen vogel verroert zich, geen mugje gonst, geen halm, geene mosplant groeit hier; slechts de versteende, onbewegelijke granietklompen stijgen loodrecht op en verliezen zich in den blauwen hemel. Te midden van dit rusteloos woelen en klateren en donderen der wentelende golven gevoelt men, dat, wanneer deReussplotselijk verstomde, ook elk ander geluid ophouden en men zich als in een steenen grafkuil der natuur bevinden zoude.

Eene poos lang vertoefden de reizigers en staarden het schrikwekkend verheveneschouwspel met stomme verbazing aan. Lodewijk had het oog gevestigd op eenige witte, lichte wolkjes, die in de enge, blauwe ruimte des hemels, die tusschen de steile rotsmuren zichtbaar was, over het dal heentogen. Als zalige geesten schenen zij in die heldere kringen des lichts over de vreeselijke kolk des duisteren afgronds heen te zweven. Rasinski wekte hem eindelijk uit deze mijmering, door onder het voorbijrijden zijne hand te grijpen en haar te drukken met een blik, die scheen te kennen te geven: Niet waar? een prachtvol schouwspel! Die het gemeenschappelijk genoten, verbindt die herinnering voor langen tijd!

Rasinski was door zijne jaren en zijne bedaardheid, door zijn dieper inzicht en rijker ervaring de stilzwijgend erkende Mentor zijner metgezellen, zoodat men ook de verdere inrichting der reis geheel aan hem overliet, daar hij overal de juiste maat en wat voor het oogenblik het best voegde, gelukkig wist te treffen. Hij was het, die den tocht bestuurde; de anderen volgden zonder dwang en als onwillekeurig.

Langer dan een uur reed men over scherpe ijsschollen en breede, naakte granietvloeren voort; aan beide zijden stegen vlakke rotswanden omhoog, doch rechts baande zich deReuss, in eene onafgebroken keten van watervallen in het dal neerbruisend, tusschen het smalle pad en den rotsigen muur van den tegenovergestelden oever een kronkelend spoor. Boven de naaste steenglooiingen hieven de steile, met sneeuw beladen toppen der Alpen zich trotsch in de hoogte en hulden nu eens het glansrijke hoofd in grauwe wolkensluiers, terwijl zij zich dan weder, in zonnegloed fonkelende, met koene omtrekken op den donkerblauwen grond des hemels afteekenden.

Ware het verder in het jaargetijde geweest, dan zoude het dal spoedig bloeiender en vriendelijker zijn geworden. Nu echter heerschte de winter hier nog in volle kracht en dikke sneeuw bedekte nog de meeste rotsklompen, ja zelfs de toppen der dennen, die zich gedurig talrijker begonnen te vertoonen. Langzamerhand werden de hoogten toch meer begroeid en boschachtig, en zag men van tijd tot tijd eene heldere, groene grasstrook door het dunne sneeuwdek heenschemeren.

In weerwil van het vroege seizoen, was de reis nog rijk aan indrukwekkende schoonheden geweest en zou bij Lodewijk, vooral door de belangstelling, welke hem zijne geleiders inboezemden, gewisselijk de aangenaamste herinneringen hebben nagelaten, wanneer niet de smart zich met toenemende hevigheid van zijn boezem had meester gemaakt. Een tijdlang mochten de nieuwe, afwisselende voorwerpen, het aanlokkelijke van zijn gezelschap, de wonderbare natuur, het zonnelicht en de heldere hemel met hunne vereende krachten tegen de diepe droefheid zijner ziel eenigermate het evenwicht hebben gehouden, thans, daar deze nieuwe prikkels verstompt waren, daar de hoop van toch eindelijk zijn doel nog te bereiken meer en meer verdween, en de angst daarentegen van het voor altijd te verliezen, in dezelfde mate sterker werd, thans was zijne gansche ziel weder aan dat onstuimig verlangen ten prooi gegeven, dat ons hart dikwijls nog grievender en heviger pijnigt, dan een zeker onherroepelijk verlies. Bij het laatste brengt elke voorbijsnellende minuut kalmte en heeling aan; bij het eerste geven de sleepend voorbij kruipende uren het hart aan eene gestadig toenemende foltering over, tot eindelijk algeheele verdooving en afmatting de verstompte smart opvolgen en in de ziel eene doffe rust doen terugkeeren, die een halven dood gelijkt.

Reeds vroegtijdig bereikte men het dorpAm Steg, waar hetSchaechendal zich met kronkelende bochten van deReussafscheidt. Hier ontbeten de reizigers en zij sloegen vervolgens den weg naarAltorfin, die in het breede, groene dal tusschen frisschegrasvelden heenvoert en waarop men niet meer door het donderen en klateren derReussverdoofd, maar slechts door het verre ruischen en suizen verzeld wordt.

De reisgenooten van Lodewijk wilden hetVierwaldstättermeer bezichtigen en haastten zichFlüelente bereiken, om zoo mogelijk nog tegen den avond te Lucern te zijn. Hij zelf echter kon nog slechts hopen, het voorwerp zijner nasporingen op den naasten, grooten weg naar Duitschland aan te treffen, en had dus besloten, temeerdaar hij het meer en zijne merkwaardigheden reeds kende, zijne reis zonder verwijl over Zurich opSchaffhausenvoort te zetten. Hij moest dus van zijne geleiders afscheid nemen. Rasinski, wiens opmerkzamen blik zelden iets ontging, vroeg hem naar zijne koffers. Lodewijk was op die vraag bedacht geweest en had eene uitvlucht gereed. Hij zeide, zijne groote koffers, en zulks was inderdaad zoo, naar Heidelberg te hebben vooruitgezonden, terwijl achteloosheid of ontrouw van eenvetturino, en hierin veroorloofde hij zich eene kleine onwaarheid, zijn valies op den weg van Milaan naarDuomo d'Ossolahad doen zoek raken.

Met gulle bereidwilligheid boden zijne reisgenooten, nog uit het veld gewoon den laatsten voorraad broederlijk met een makker te deelen, hem eenige noodwendigheden aan. Dit was hem inderdaad welkom; want anders ware hij genoodzaakt geweest, te Zurich onderscheidene aankoopen te doen, die hij zooveel mogelijk vermijden moest, daar zijne reiskas reeds veel geleden en hij al zijne middelen dringend noodig had om zijne navorschingen met kracht te kunnen voortzetten.

Men nam dus een hartelijk afscheid en troostte zich met eene vroolijk hereeniging in Dresden, wanneer het geluk al niet willen mocht, dat men elkander reeds vroeger op de landstraat weder ontmoette. Niet zonder weemoed zag Lodewijk zijne vrienden zich verwijderen; want of hij hen wel ooit zoude wederzien was onzeker, daar hun verblijf te Dresden wellicht zeer kort zijn kon en hij zelf den juisten tijd van zijne aankomst aldaar met geene zekerheid vooraf durfde bepalen.

In de herberg teAltorfbevond zich toevallig een voerman, die met een ledigen wagen naar Zurich wilde. Lodewijk nam daarop eene plaats en zette, na zijn vriendelijken leidsman Jozef en den muildierdrijver uitUlrichenontslagen te hebben, onverwijld de reis voort. Zonder verdere ontmoetingen kwam hij in den laten avond teZugaan, en den volgenden middag bereikte hij over denAlbiss, welks hoogte hem een laatst uitzicht op de Alpenketen en Zwitserlands blauwe bergen en meren vergunde, het oude Zurich. Dit was een punt, dat Bianca, wanneer zij haren weg door eene der bergpassen van het kantonWallisgenomen had, noodzakelijk moest aandoen. Met groote zorgvuldigheid onderzocht hij derhalve in alle herbergen, of men ook reizigers, met zijne beschrijving overeenkomende, had opgemerkt. Hij had zijn weg zoo snel en gelukkig afgelegd, dat hij er bijna niet aan twijfelen kon, of hij was de eerste in Zurich aangekomene, en dit deed hem besluiten, dezen en den volgenden dag te vertoeven, om verdere berichten in te winnen. Hij deed zulks, maar zonder gevolg. Ook den derden gaf hij nog toe, schoon hij in doodelijken angst verkeerde juist daardoor de mogelijkheid te zullen verbeuren, van de geliefde nog op een der hoofdwegen van Duitschland te achterhalen. Toen ook deze laatste poging hem geen spoor deed ontdekken, moest hij eindelijk met een bloedend hart besluiten, van verdere navorschingen af te zien en de reis naar zijne woonplaats aan te nemen. OverSchaffhausenenFreiburgkwam hij binnen weinige dagen te Heidelberg aan.

Het was in de eerste schoone dagen van Mei, dat hij deze bevallige plaats, waar hijzoo menig vroolijk uur zijns levens had doorgebracht, binnenreed. Hij betrad haar met weemoed. Zijne akademievrienden hadden gelijktijdig met hem de stad verlaten. Slechts één jaar was verloopen, en reeds zoude hij, eenige verre bekenden uitgezonderd, zich geheel vreemd onder de jongelingen, die thans studeerden, bevonden hebben.

Alles, waarvan hij zich in het vooruitzicht zooveel genoegen voorspeld had, het wederzien van zijn ouden, eerlijken huisbaas, het ontmoeten van eenige huisgezinnen, waarmede hij weleer bevriend was geweest, het bezoeken van zijne geliefde wandelplaatsen, die, thans met het frissche groen der lente getooid, den ouden vriend schenen welkom te heeten, dit alles wekte slechts eene sombere, zwarte zwaarmoedigheid in hem op. Geheel moedeloos besloot hij eindelijk zijne reis naar huis te bespoedigen, om in de armen der geliefde moeder en zuster troost en opbeuring voor zijn smartelijk gewond hart te zoeken en tegen den volgenden morgen nam hij eene plaats op den postwagen.

Toen hij des avonds zijne zaken gepakt en alles geordend had, trad hij, om aan het avondeten deel te nemen, de spijszaal binnen. De gasten, eenige vreemdelingen en enkele ongehuwde professoren uit de stad zelve, zaten reeds aan tafel. Een der laatsten hield een dagblad in de hand, waaruit hij het gezelschap de belangrijkste narichten betrekkelijk den naderenden oorlog scheen medegedeeld te hebben.

„Wat nieuws is er?” vroeg Lodewijk, zonder eenig gewicht aan die vraag te hebben.

„Wat den krijg betreft nog niets beslissends,” antwoordde een der aanzittenden, „oprukken van troepen, berichten van het aankomen en afreizen van generaals, lange opsommingen der vreeselijke krijgstoerustingen des Franschen keizers; kortom alles wat wij reeds sinds weken dagelijks herhaald zien. Maar nu en dan worden de bladen ook in andere opzichten belangrijk. Zij leenen zich in onzen romantischen tijd zelfs tot kleine romans en behelzen brieven, die allen schijn van minnebrieven hebben. Lees hier deze regels eens, waarover wij juist in gesprek waren.” Lodewijk wierp een onverschilligen blik op het papier; doch nauwelijks had hij de eerste regels gelezen, of hij was bijna niet in staat zich zelven meester te blijven. De woorden, die de nieuwsgierige verwondering van het gezelschap hadden gaande gemaakt en zijn hart aan eene hevige slingering van afwisselende gewaarwordingen prijsgaven, luidden in dezer voege:

„Aan den onbekenden Vriend!Den redder in den hoogsten nood, die de vreemde alszusterbegroette, haar trouw als een broeder geleidde en beschermde, zij vurige, onvergetelijke dank. Reet hij zelf ook die banden even snel weder vanéén, als een hoogere hand ze had vastgeknoopt, hij verneme toch, dat zijn wil geëerbiedigd wordt, dat innige dankbaarheid de scheidende bezielt. Maar rukte een onbegrijpelijk toeval de zuster van de zijde des broeders weg, o zoo geloove hij, dat diepe weemoed en droefheid haar overal zullen vergezellen. Mochten de verwarde paden der menschelijke lotwisselingen hem nog eenmaal de thans ver van hem verwijderde doen ontmoeten, hij zal eene getrouwe zuster in haar wedervinden, die hem gaarne alles wil ten offer brengen, daar zij hem alles, alles verschuldigd is.De geredde B.....”

„Aan den onbekenden Vriend!

Den redder in den hoogsten nood, die de vreemde alszusterbegroette, haar trouw als een broeder geleidde en beschermde, zij vurige, onvergetelijke dank. Reet hij zelf ook die banden even snel weder vanéén, als een hoogere hand ze had vastgeknoopt, hij verneme toch, dat zijn wil geëerbiedigd wordt, dat innige dankbaarheid de scheidende bezielt. Maar rukte een onbegrijpelijk toeval de zuster van de zijde des broeders weg, o zoo geloove hij, dat diepe weemoed en droefheid haar overal zullen vergezellen. Mochten de verwarde paden der menschelijke lotwisselingen hem nog eenmaal de thans ver van hem verwijderde doen ontmoeten, hij zal eene getrouwe zuster in haar wedervinden, die hem gaarne alles wil ten offer brengen, daar zij hem alles, alles verschuldigd is.

De geredde B.....”

„Nu, wat zegt gij daarvan?” keerde zich de professor tot Lodewijk, die het door tranen verdonkerde oog van de dierbare regels bijna niet kon afwenden.

„Zonderling, inderdaad zonderling!” antwoordde hij haastig en zocht zijne ontroering zoo goed mogelijk te verbergen. „Ik vind den brief zoo roerend,” voegde hij er met een gedwongen lachje bij, „hij wekt zoo duizend verschillende vermoedens en gissingen in de ziel op, dat het lezen mij sterker getroffen heeft dan het moest. Maar ik ben nu eenmaal zulk een romaneske droomer!”

„Het had bij ons allen dezelfde uitwerking,” hernam de ander; „want juist het geheimvolle van deze woorden verwekt zulke zonderlinge gewaarwordingen, dat men nooit jong, nooit met eenig dichterlijk gevoel bezield moet geweest zijn, zoo men in zijne verbeelding niet het bekoorlijkste vrouwelijke wezen voor zich staan en de zoetste tranen vloeien ziet, welke ooit een helder oog verdonkerd hebben. Ja, ik zou bijna durven beweren, dat elk mensch in zijn leven de een of andere ontmoeting gehad heeft, waaraan hij hier op eene zonderlinge wijze herinnerd werd.”

Het gesprek over dit onderwerp werd opnieuw zeer levendig en gaf Lodewijk tijd om tot bedaren te komen. Het uur van den maaltijd scheen hem eindeloos lang te duren, en niet zoodra was deze afgeloopen, of hij stond op, maakte zich heimelijk van het kostelijke blad meester en snelde naar zijne kamer. Hier gaf hij in een stroom van lang weerhouden, heete tranen den beklemden boezem lucht. Door grievende smart overweldigd, boog hij zich neder en smeekte uit het diepste zijner ziel: „Algoede Vader! houd mij niet voor eeuwig van haar gescheiden, laat het schoone gesternte nog eenmaal op mijn donker levenspad lichten! Neen, niet daarom hebt gij mij de zaligheid des levens getoond, om mij voor altijd weder in den duisteren afgrond der vertwijfeling terug te stooten.”


Back to IndexNext