Chapter 8

„Gij beschouwt dien stap voorzeker van eene te donkere zijde,” vervolgde de graaf. „Ik wil gelooven, dat de Duitscher reden heeft om den Franschman te haten; ik vind natuurlijk, dat hij hem haat. Maar is daarom alles wat Frankrijk doet, tegen Duitschlands welzijn gericht? Deelen niet velen der eerbiedwaardigste mannen in het gevoelen, dat eene vrijwillige, oprechte verbintenis tusschen beide volken beiden tot heil moet verstrekken? En is er op dit oogenblik niet een zoodanig verbond gesloten? Strijden niet de legers van het Rijnverbond, van Oostenrijk, van Pruisen, ja zelfs van Saksen, dat uw eigenlijk vaderland is, voor de zaak des franschen keizers? Kunt gij nu wel met billijkheid beweren, dat de enkele, die den volksstroom van het gansche vaderland volgt, zich verraderlijk daaraan vergrijpt? Gij zult misschien antwoorden, dat de volkeren door eene staat- of geschiedkundige noodzakelijkheid gedreven worden, maar dat de afzonderlijke personen daarentegen meesters van hun lot zijn. Dat is echter niet het geval. Een staat, een volk wil zijn aanzijn redden door onderwerping aan den nooddwang der omstandigheden, en wat wil de enkele burger anders? Waarom zou den eenen tot misdaad worden aangerekend, wat den anderen vergund is. En bestaan Pruisens, bestaan Oostenrijks legers niet uit enkelen? Rustte op deze allen, op ieder voor zich zelf niet de verplichting, zich tegen de algemeene noodzakelijkheid te verzetten? Zoo ja, bestond er dan wel een algemeene noodwendigheid? Neen, mijne vriendinnen, eenongelukhebt gij te beweenen, maar niet eenemisdaadder uwen te betreuren of te vergeven. Ik daag ieder uit, op zijn geweten te verklaren, dat hij, in den toestand dezer beide jongelingen verplaatst, anders zoude gehandeld hebben. Waarom zouden zij als nuttelooze slachtoffers gevallen zijn, daar het in hunne macht stond, levenen krachten voor eene betere toekomst te bewaren? Wanneer eens geheel Duitschland zoo diep van het gevoel der schending zijner heiligste rechten doordrongen is, dat het al zijne krachten bijéénraapt en als een eenig man tegen Frankrijk opstaat, dan mag het ook voor enkelen plicht zijn zich onder de vanen des vaderlands te scharen en elke gemeenschap met den ouden vijand af te breken; dan echter zullen ook onze vrienden niet achterblijven. En waarlijk, niet ik zal de man zijn, die hen veroordeelt, wanneer zij dan eene boei verbreken, die slechts door de ijzeren hand der noodzakelijkheid werd vastgesmeed, evenmin als ik thans kan veroordeelen, dat zij zich onder die zware hand gebogen hebben.”Maria had den graaf sprakeloos aangehoord; schoon zijne woorden tot haar oor doordrongen, op haar hart gleden ze als matte pijlen af. Zij zweeg echter, deels wijl zij niets wist te antwoorden en tegen Rasinski's verstandsgronden slechts door de zwakke stem harer innerlijke overtuiging gewapend was, deels, daar zij vreesde hem te zullen krenken, deels ook uit geheele uitputting. Te duidelijk gevoelde zij toch, dat hier geen tegenstand baten konde, dat haar niets overbleef, dan zich geduldig onder het verpletterend rad des noodlots te krommen. De moeder, minder onstuimig in haar gevoel, minder vast aan hare meeningen gehecht, was voor Rasinski's troost toegankelijker. „Het is liefderijk van u,” sprak zij, „dat gij ons door eene zoete hoop wilt opbeuren, schoon die ook nog slechts in de donkere toekomst schemert. Maar bedenk, hoe moeielijk het is een moederhart gerust te stellen, en vergeef het dus, zoo uwe edelmoedige poging door de gewaarwordingen verijdeld wordt, die mijne borst doorkruisen. Hoevele bange zorgen verontrusten eene moeder reeds, wanneer zij haren zoon voor eene zaak ziet ten strijde strekken, die zij zelve voor heilig houdt en voor welke ieder zoon des vaderlands gewillig bloed en leven moet opofferen! Hoe angstig weegt zij de gevaren die hem dreigen, hoe telt zij de minuten, gedurende welke zij omtrent zijn lot in onzekerheid is! En dan nu, daar zij weet, dat zijn hart niet voor de zaak slaat, welke hij dienen moet, dat hij de wapens torscht als eene keten, dat het leger hem eene gevangenis, de dag des gevechts een dag des bloedgerichts is: hoe kunnen troost en hoop nu in het beangste hart eener moeder ingang vinden?”Na deze woorden, met de grootste inspanning uitgesproken, liet zij het matte hoofd aan de wang der dochter rusten en vergoot bittere tranen. Hoe koelbloedig Rasinski ook aan alle stormen des levens het hoofd wist te bieden, door zulke aanvallen op zijn hart voelde hij zich hevig geschokt. Met teedere deelneming greep hij de hand der lijdende en zeide: „Wie zou willen loochenen, dat gij reden hebt om diep bedroefd te zijn? Geloof mij, ik zelf lijd in dit oogenblik meer dan gij wellicht vermoeden zult.” Dit zeggende wierp hij een zwaarmoedigen blik op Maria, die, als een weenende heilige, bleek en zwijgend tegenover hem over zat. Een stille zucht ontglipte hare borst, toen Rasinski's oog het hare ontmoette; echter wendde zij het niet af, maar zag hem zacht en weemoedig aan. „Intusschen is er iets in de ziel van den man,” ging hij voort, „waardoor hem het lot, dat onze vrienden getroffen heeft, verlicht en dragelijk gemaakt wordt. Ik bedoel het aan alle mannen eigene eergevoel van den moed, dat in het gevaar reeds eene veredeling der daad ziet en voor elke koene onderneming, juist wijl zij koen is, in geestdrift kan ontstoken worden, zonder zich om het doel te bekommeren. Niet alleen bij den soldaat wordt dit gevoel gevonden, het is het eigendom der mannen in het algemeen. En ware dit ook niet het geval, zoo verbindtzich toch zelfs met de gedwongene keus van een stand terstond het plichtbesef, dat die ons inboezemt. De teerling, die over ons lot beslissen moest, is nu eenmaal geworpen, gebeurtenissen weten even weinig van omkeeren op de baan die vóór ons ligt, als de vliegende pijlen van den tijd; en hebben keus, toeval, geluk of noodzakelijkheid ons nu eenmaal op een zeker standpunt geplaatst, wij willen ons ook waardig en door de vrije kracht van onzen wil daarop handhaven. Het verledene is afgesloten, zijne deuren vallen achter ons toe; slechts vóórwaarts staat de baan nog open; hoe wij daarop ook tegen wil en dank zijn voortgeslingerd, thans is het onze taak, staande te blijven. Daarin vinden wij troost, versterking, opbeuring, en nimmer zal ons de kracht ontbreken, om het noodwendige uit vrije wil te vervullen.” Rasinski had, terwijl hij op deze wijze aan zijne denkbeelden een geregelden vorm gaf, zich die ook zelf levendiger voor zijn eigen geest gebracht en zoo in dit oogenblik, waarop hij zelf haar zoozeer behoefde, de kracht gevonden, waarvan hij sprak. Hoe vruchteloos alle schijngronden van vertroosting zijn mogen, de ware troostredenen vinden ook tot het meest benepen hart een gereeden toegang. Zoo ook hier; wat Rasinski uit de volste overtuiging zijner mannelijke ziel gesproken had, was ook tot de vrouwelijke doorgedrongen. Hij had den eenigen vasten grond, waarin troost en hoop met zekerheid het anker konden uitwerpen, aangewezen; de boot werd niet meer zoo doelloos op de onstuimige golven heen en weder geslingerd. Doch een nieuwe, wondende doorn drong Maria in het hart; want hoeveel te zwaarder moest het haar thans vallen, zich van een man los te rukken, bij wien de zachte, teedere bloesem der liefde in de ongeveinsde hoogachting, die hij haar inboezemde, een zoo hechten steun vond.De sombere beklemdheid, die tot hiertoe zoo drukkend op allen gerust had, was verdwenen; de verdooving der smart had opgehouden; kalmte en bedaardheid keerden in de geschokte gemoederen terug.„Gij zijt een trouw, een edel vriend,” sprak de moeder en drukte den graaf de hand; „hoe dankbaar erken ik het als eene onuitsprekelijke weldaad van God, dat juist gij in deze gevaarvolle dagen de geleider en beschermer van mijn zoon worden zult! Ik zie daarin een onderpand zijner ontferming, dat ons eene gelukkige ontknooping voorspelt van alles, wat ons nu nog verward en duister toeschijnt. In dat vertrouwen onderwerp ik mij met gelatenheid aan zijne vaderlijke beschikking.”„Dus zullen wij niet oneenig, maar als vrienden scheiden?” vroeg Rasinski.„En dat kunt gij nog vragen?” riep de moeder met levendigheid uit. „Met welken grond zouden wij misnoegen koesteren tegen hem, die ons het dierbaarste gered heeft en het thans nog onder zijne liefderijke bescherming wil nemen?” Rasinski kuste de moederlijke hand met eerbied en innigheid; hij scheen diep getroffen. Het was hem te moede, alsof de dagen zijner jeugd terugkeerden, uit welke de herinnering hem het beeld zijner eigene, eerwaardige moeder, die reeds zoo lang in den koelen schoot der aarde rustte, trouw en levendig voor den geest deed treden. Het gevoel, zoon te zijn, dat de jaren sinds lang in zijn hart hadden uitgewischt, drong eensklaps met de oude warmte en eerbied door zijne ziel. O, hoe gaarne had hij haar, voor wie zijn hart de gevoelens van een zoon koesterde, ook met den naam moeder begroet!—Een heilige stilte heerschte in het vertrek; de late nachtegaal, wiens tonen men door het opene venster in de luwe Meilucht hoorde wegsmelten, vervulden de harten met eene zoete, weemoedige beklemdheid. Maria rees op, trad aan het venster en verborg het door tranen bevochtigd gelaat in de verkoelende bladen van een loofrijken rozestruik. Hetmaanlicht bescheen haar met zijne zachte stralen; zij hief het schoone hoofd uit het bloemenhulsel omhoog en sloeg een blik vol kinderlijk vertrouwen ten hemel, als wilde zij zeggen: „Aan U, algoede Vader daarboven, vertrouw ik de heeling van dit bloedende hart, waaraan gij in hetzelfde uur den broeder ontrooft en den geliefde.” Rasinski sloeg haar onbemerkt gade; hij gevoelde, dat dit beeld hem voor eeuwig door het leven zou verzellen.Een posthoorn liet zich op straat hooren. Maria wendde zich verschrikt om: „Moet gij vertrekken?” vroeg zij angstig en zacht.„Het geldt niet mij,” antwoordde Rasinski. Dit toeval vormde den overgang tot een nieuw gesprek. Hoeveel toch moest nog besproken worden, hoevele groeten hadden moeder en zuster aan Lodewijk te zenden!—Zoo vervloog een uur; nu was het oogenblik der scheiding gekomen.Maria verdween in een zijvertrek; na eenige minuten keerde zij met een klein zakje in de hand terug. Zij reikte het aan Rasinski over en fluisterde nauwelijks hoorbaar: „Wilt gij de overbrenger van dit aandenken voor mijn broeder zijn?”Hij knikte een zwijgend ja.„Maar moeder moet er nog eerst iets bijvoegen,” vervolgde zij blozend en trad op deze toe. „Eene haarlok!” sprak zij, en maakte zich gereed die af te knippen, wat de moeder gewillig toeliet. Maria bond het haar met een zijden strikje bijeen en legde toen der moeder een blad papier voor: „Een woord, lieve moeder; ik wil de lok daarin wikkelen.”De moeder nam de pen, welke het meisje haar aanbood, en schreef met door tranen verdonkerde oogen: „Gods oog wake over u! Uwe Moeder.”——„Meer vermag ik thans niet,” sprak zij geheel uitgeput.Maria vouwde het moederlijk aandenken zorgvuldig in het kleine blad, nam de brieventasch nog eenmaal uit Rasinski's hand, opende ze en legde er het haar in. Bij het teruggeven, fluisterde zij hem zachtjes toe: „Open haar, als gij alleen zijt.”Men moest scheiden. Rasinski drukte nog een eerbiedigen kus op de hand der moeder, een gloeiende op die, welke Maria hem sidderend aanbood, en snelde toen stom en zwijgend het vertrek uit; want hij gevoelde, dat zijne mannelijke kracht de smart niet langer kon beheerschen.Op zijne kamer wachtte hem zijn rijknecht Andreas; Boleslaw was nog met inpakken bezig.Juist kondigde het blazen van den postiljon de aankomst van den reiswagen aan. Andreas snelde naar beneden. Rasinski maakte van dit oogenblik, dat hij alleen was, haastig gebruik en opende Maria's geschenk. Hij vond een blad met het opschrift: „Aan den vriend!” en daarin een haarlok van het meisje, waarbij de woorden geschreven waren: „Aan den onvergetelijken vriend—de getrouwe, minnende, doch voor eeuwig van hem gescheiden vriendin Maria!”Lang beschouwde Rasinski het geschenk met stomme smart; hij drukte het aan zijne lippen, aan de borst. Andreas trad binnen. „Alles is reisvaardig, heer graaf!”Eene koortsachtige rilling beving hem. „Zoo geef mij den mantel,” riep hij haastig en kortaf, wikkelde zich daarin, drukte de reismuts diep in de oogen, snelde naar beneden, wierp zich met Boleslaw in den wagen en rolde in den nacht voort, die zich, als een beeld zijner toekomst, zwart, duister, door geene vriendelijke star verlicht, over de aarde gelegerd had.

„Gij beschouwt dien stap voorzeker van eene te donkere zijde,” vervolgde de graaf. „Ik wil gelooven, dat de Duitscher reden heeft om den Franschman te haten; ik vind natuurlijk, dat hij hem haat. Maar is daarom alles wat Frankrijk doet, tegen Duitschlands welzijn gericht? Deelen niet velen der eerbiedwaardigste mannen in het gevoelen, dat eene vrijwillige, oprechte verbintenis tusschen beide volken beiden tot heil moet verstrekken? En is er op dit oogenblik niet een zoodanig verbond gesloten? Strijden niet de legers van het Rijnverbond, van Oostenrijk, van Pruisen, ja zelfs van Saksen, dat uw eigenlijk vaderland is, voor de zaak des franschen keizers? Kunt gij nu wel met billijkheid beweren, dat de enkele, die den volksstroom van het gansche vaderland volgt, zich verraderlijk daaraan vergrijpt? Gij zult misschien antwoorden, dat de volkeren door eene staat- of geschiedkundige noodzakelijkheid gedreven worden, maar dat de afzonderlijke personen daarentegen meesters van hun lot zijn. Dat is echter niet het geval. Een staat, een volk wil zijn aanzijn redden door onderwerping aan den nooddwang der omstandigheden, en wat wil de enkele burger anders? Waarom zou den eenen tot misdaad worden aangerekend, wat den anderen vergund is. En bestaan Pruisens, bestaan Oostenrijks legers niet uit enkelen? Rustte op deze allen, op ieder voor zich zelf niet de verplichting, zich tegen de algemeene noodzakelijkheid te verzetten? Zoo ja, bestond er dan wel een algemeene noodwendigheid? Neen, mijne vriendinnen, eenongelukhebt gij te beweenen, maar niet eenemisdaadder uwen te betreuren of te vergeven. Ik daag ieder uit, op zijn geweten te verklaren, dat hij, in den toestand dezer beide jongelingen verplaatst, anders zoude gehandeld hebben. Waarom zouden zij als nuttelooze slachtoffers gevallen zijn, daar het in hunne macht stond, levenen krachten voor eene betere toekomst te bewaren? Wanneer eens geheel Duitschland zoo diep van het gevoel der schending zijner heiligste rechten doordrongen is, dat het al zijne krachten bijéénraapt en als een eenig man tegen Frankrijk opstaat, dan mag het ook voor enkelen plicht zijn zich onder de vanen des vaderlands te scharen en elke gemeenschap met den ouden vijand af te breken; dan echter zullen ook onze vrienden niet achterblijven. En waarlijk, niet ik zal de man zijn, die hen veroordeelt, wanneer zij dan eene boei verbreken, die slechts door de ijzeren hand der noodzakelijkheid werd vastgesmeed, evenmin als ik thans kan veroordeelen, dat zij zich onder die zware hand gebogen hebben.”

Maria had den graaf sprakeloos aangehoord; schoon zijne woorden tot haar oor doordrongen, op haar hart gleden ze als matte pijlen af. Zij zweeg echter, deels wijl zij niets wist te antwoorden en tegen Rasinski's verstandsgronden slechts door de zwakke stem harer innerlijke overtuiging gewapend was, deels, daar zij vreesde hem te zullen krenken, deels ook uit geheele uitputting. Te duidelijk gevoelde zij toch, dat hier geen tegenstand baten konde, dat haar niets overbleef, dan zich geduldig onder het verpletterend rad des noodlots te krommen. De moeder, minder onstuimig in haar gevoel, minder vast aan hare meeningen gehecht, was voor Rasinski's troost toegankelijker. „Het is liefderijk van u,” sprak zij, „dat gij ons door eene zoete hoop wilt opbeuren, schoon die ook nog slechts in de donkere toekomst schemert. Maar bedenk, hoe moeielijk het is een moederhart gerust te stellen, en vergeef het dus, zoo uwe edelmoedige poging door de gewaarwordingen verijdeld wordt, die mijne borst doorkruisen. Hoevele bange zorgen verontrusten eene moeder reeds, wanneer zij haren zoon voor eene zaak ziet ten strijde strekken, die zij zelve voor heilig houdt en voor welke ieder zoon des vaderlands gewillig bloed en leven moet opofferen! Hoe angstig weegt zij de gevaren die hem dreigen, hoe telt zij de minuten, gedurende welke zij omtrent zijn lot in onzekerheid is! En dan nu, daar zij weet, dat zijn hart niet voor de zaak slaat, welke hij dienen moet, dat hij de wapens torscht als eene keten, dat het leger hem eene gevangenis, de dag des gevechts een dag des bloedgerichts is: hoe kunnen troost en hoop nu in het beangste hart eener moeder ingang vinden?”

Na deze woorden, met de grootste inspanning uitgesproken, liet zij het matte hoofd aan de wang der dochter rusten en vergoot bittere tranen. Hoe koelbloedig Rasinski ook aan alle stormen des levens het hoofd wist te bieden, door zulke aanvallen op zijn hart voelde hij zich hevig geschokt. Met teedere deelneming greep hij de hand der lijdende en zeide: „Wie zou willen loochenen, dat gij reden hebt om diep bedroefd te zijn? Geloof mij, ik zelf lijd in dit oogenblik meer dan gij wellicht vermoeden zult.” Dit zeggende wierp hij een zwaarmoedigen blik op Maria, die, als een weenende heilige, bleek en zwijgend tegenover hem over zat. Een stille zucht ontglipte hare borst, toen Rasinski's oog het hare ontmoette; echter wendde zij het niet af, maar zag hem zacht en weemoedig aan. „Intusschen is er iets in de ziel van den man,” ging hij voort, „waardoor hem het lot, dat onze vrienden getroffen heeft, verlicht en dragelijk gemaakt wordt. Ik bedoel het aan alle mannen eigene eergevoel van den moed, dat in het gevaar reeds eene veredeling der daad ziet en voor elke koene onderneming, juist wijl zij koen is, in geestdrift kan ontstoken worden, zonder zich om het doel te bekommeren. Niet alleen bij den soldaat wordt dit gevoel gevonden, het is het eigendom der mannen in het algemeen. En ware dit ook niet het geval, zoo verbindtzich toch zelfs met de gedwongene keus van een stand terstond het plichtbesef, dat die ons inboezemt. De teerling, die over ons lot beslissen moest, is nu eenmaal geworpen, gebeurtenissen weten even weinig van omkeeren op de baan die vóór ons ligt, als de vliegende pijlen van den tijd; en hebben keus, toeval, geluk of noodzakelijkheid ons nu eenmaal op een zeker standpunt geplaatst, wij willen ons ook waardig en door de vrije kracht van onzen wil daarop handhaven. Het verledene is afgesloten, zijne deuren vallen achter ons toe; slechts vóórwaarts staat de baan nog open; hoe wij daarop ook tegen wil en dank zijn voortgeslingerd, thans is het onze taak, staande te blijven. Daarin vinden wij troost, versterking, opbeuring, en nimmer zal ons de kracht ontbreken, om het noodwendige uit vrije wil te vervullen.” Rasinski had, terwijl hij op deze wijze aan zijne denkbeelden een geregelden vorm gaf, zich die ook zelf levendiger voor zijn eigen geest gebracht en zoo in dit oogenblik, waarop hij zelf haar zoozeer behoefde, de kracht gevonden, waarvan hij sprak. Hoe vruchteloos alle schijngronden van vertroosting zijn mogen, de ware troostredenen vinden ook tot het meest benepen hart een gereeden toegang. Zoo ook hier; wat Rasinski uit de volste overtuiging zijner mannelijke ziel gesproken had, was ook tot de vrouwelijke doorgedrongen. Hij had den eenigen vasten grond, waarin troost en hoop met zekerheid het anker konden uitwerpen, aangewezen; de boot werd niet meer zoo doelloos op de onstuimige golven heen en weder geslingerd. Doch een nieuwe, wondende doorn drong Maria in het hart; want hoeveel te zwaarder moest het haar thans vallen, zich van een man los te rukken, bij wien de zachte, teedere bloesem der liefde in de ongeveinsde hoogachting, die hij haar inboezemde, een zoo hechten steun vond.

De sombere beklemdheid, die tot hiertoe zoo drukkend op allen gerust had, was verdwenen; de verdooving der smart had opgehouden; kalmte en bedaardheid keerden in de geschokte gemoederen terug.

„Gij zijt een trouw, een edel vriend,” sprak de moeder en drukte den graaf de hand; „hoe dankbaar erken ik het als eene onuitsprekelijke weldaad van God, dat juist gij in deze gevaarvolle dagen de geleider en beschermer van mijn zoon worden zult! Ik zie daarin een onderpand zijner ontferming, dat ons eene gelukkige ontknooping voorspelt van alles, wat ons nu nog verward en duister toeschijnt. In dat vertrouwen onderwerp ik mij met gelatenheid aan zijne vaderlijke beschikking.”

„Dus zullen wij niet oneenig, maar als vrienden scheiden?” vroeg Rasinski.

„En dat kunt gij nog vragen?” riep de moeder met levendigheid uit. „Met welken grond zouden wij misnoegen koesteren tegen hem, die ons het dierbaarste gered heeft en het thans nog onder zijne liefderijke bescherming wil nemen?” Rasinski kuste de moederlijke hand met eerbied en innigheid; hij scheen diep getroffen. Het was hem te moede, alsof de dagen zijner jeugd terugkeerden, uit welke de herinnering hem het beeld zijner eigene, eerwaardige moeder, die reeds zoo lang in den koelen schoot der aarde rustte, trouw en levendig voor den geest deed treden. Het gevoel, zoon te zijn, dat de jaren sinds lang in zijn hart hadden uitgewischt, drong eensklaps met de oude warmte en eerbied door zijne ziel. O, hoe gaarne had hij haar, voor wie zijn hart de gevoelens van een zoon koesterde, ook met den naam moeder begroet!—Een heilige stilte heerschte in het vertrek; de late nachtegaal, wiens tonen men door het opene venster in de luwe Meilucht hoorde wegsmelten, vervulden de harten met eene zoete, weemoedige beklemdheid. Maria rees op, trad aan het venster en verborg het door tranen bevochtigd gelaat in de verkoelende bladen van een loofrijken rozestruik. Hetmaanlicht bescheen haar met zijne zachte stralen; zij hief het schoone hoofd uit het bloemenhulsel omhoog en sloeg een blik vol kinderlijk vertrouwen ten hemel, als wilde zij zeggen: „Aan U, algoede Vader daarboven, vertrouw ik de heeling van dit bloedende hart, waaraan gij in hetzelfde uur den broeder ontrooft en den geliefde.” Rasinski sloeg haar onbemerkt gade; hij gevoelde, dat dit beeld hem voor eeuwig door het leven zou verzellen.

Een posthoorn liet zich op straat hooren. Maria wendde zich verschrikt om: „Moet gij vertrekken?” vroeg zij angstig en zacht.

„Het geldt niet mij,” antwoordde Rasinski. Dit toeval vormde den overgang tot een nieuw gesprek. Hoeveel toch moest nog besproken worden, hoevele groeten hadden moeder en zuster aan Lodewijk te zenden!—Zoo vervloog een uur; nu was het oogenblik der scheiding gekomen.

Maria verdween in een zijvertrek; na eenige minuten keerde zij met een klein zakje in de hand terug. Zij reikte het aan Rasinski over en fluisterde nauwelijks hoorbaar: „Wilt gij de overbrenger van dit aandenken voor mijn broeder zijn?”

Hij knikte een zwijgend ja.

„Maar moeder moet er nog eerst iets bijvoegen,” vervolgde zij blozend en trad op deze toe. „Eene haarlok!” sprak zij, en maakte zich gereed die af te knippen, wat de moeder gewillig toeliet. Maria bond het haar met een zijden strikje bijeen en legde toen der moeder een blad papier voor: „Een woord, lieve moeder; ik wil de lok daarin wikkelen.”

De moeder nam de pen, welke het meisje haar aanbood, en schreef met door tranen verdonkerde oogen: „Gods oog wake over u! Uwe Moeder.”——„Meer vermag ik thans niet,” sprak zij geheel uitgeput.

Maria vouwde het moederlijk aandenken zorgvuldig in het kleine blad, nam de brieventasch nog eenmaal uit Rasinski's hand, opende ze en legde er het haar in. Bij het teruggeven, fluisterde zij hem zachtjes toe: „Open haar, als gij alleen zijt.”

Men moest scheiden. Rasinski drukte nog een eerbiedigen kus op de hand der moeder, een gloeiende op die, welke Maria hem sidderend aanbood, en snelde toen stom en zwijgend het vertrek uit; want hij gevoelde, dat zijne mannelijke kracht de smart niet langer kon beheerschen.

Op zijne kamer wachtte hem zijn rijknecht Andreas; Boleslaw was nog met inpakken bezig.

Juist kondigde het blazen van den postiljon de aankomst van den reiswagen aan. Andreas snelde naar beneden. Rasinski maakte van dit oogenblik, dat hij alleen was, haastig gebruik en opende Maria's geschenk. Hij vond een blad met het opschrift: „Aan den vriend!” en daarin een haarlok van het meisje, waarbij de woorden geschreven waren: „Aan den onvergetelijken vriend—de getrouwe, minnende, doch voor eeuwig van hem gescheiden vriendin Maria!”

Lang beschouwde Rasinski het geschenk met stomme smart; hij drukte het aan zijne lippen, aan de borst. Andreas trad binnen. „Alles is reisvaardig, heer graaf!”

Eene koortsachtige rilling beving hem. „Zoo geef mij den mantel,” riep hij haastig en kortaf, wikkelde zich daarin, drukte de reismuts diep in de oogen, snelde naar beneden, wierp zich met Boleslaw in den wagen en rolde in den nacht voort, die zich, als een beeld zijner toekomst, zwart, duister, door geene vriendelijke star verlicht, over de aarde gelegerd had.


Back to IndexNext