HOOFDSTUK IV.

„O, waarom zocht gij mij, waarom den graaf Rasinski niet op! Wij stonden immers dicht bij de stad en ik zelf kwam er dagelijks.”„Ach, had ik u gezien, ik zou misschien den moed gehad hebben, tot u zulk eene bede te richten; maar tegenover anderen hield eene onoverwinnelijke schaamte mij borst en lippen toegeklemd. Ook zag ik den graaf slechts eens op zijn prachtigen schimmel voorbijrijden; ik stond aan het venster, doch hij bemerkte mij niet.”„De onmogelijkheid van het terugkeeren,” vervolgde het schoone meisje na eenig stilzwijgen, „dreef mij verder en verder in de akelige wildernis voort. Slechts voor de dagelijksche, dringende behoeften zorgde de ondernemer; voor het overige beloofde hij ons gouden bergen van Moskou, wellicht alleen, om elken anderen uitweg voor ons af te sluiten. De nabijheid der armee, de vaak voor mijn gevoel stuitende nachtverblijven, het gestadige, niet te vermijden verkeer met mannen deden mij besluiten, de mannelijke kleeding aan te nemen. Voor een groot voorrecht mag ik het houden, dat het mij gelukte, eene plaats op den bagagewagen van een generaal te krijgen, want ik ging nu voor een zijner bedienden door en de reis werd mij oneindig minder bezwaarlijk. Wij kwamen eenige dagen na den slag door het nog smeulende Smolensko. Hier wierp ik voor het eerst een blik op de gruwelen van den oorlog. Door afgrijzen versteend, bevend en half bewusteloos reed ik over den bloedigen weg voort, dien men door puin en lijken had gebaand, en zag aan beide zijden half verbrande lijken en zwarte menschenbeenderen opeengestapeld. Ik moest eindelijk het oog sluiten voor deze hartverscheurende beelden. Maar zij vernieuwden zich dagelijks. Misschien zag ik afgrijselijker tooneelen dan gij zelf; want gij snelt op de baan des roems rusteloos voort en werpt geen blik terug op de vreeselijke sporen van dood en verwoesting, die het langzaam wijkende monster des krijgs achterlaat. Maar ik heb ze gezien, die jammergestalten, aan den weg, die holoogige bleeke spooksels, die ons hunne doffe klachten tegenkreunden. Ik heb hen gezien en moest, schoon mij het hart brak, voorbijgaan, zonder hen te kunnen helpen. En in deze woestenijen van gruwel en ellende dreef mijne bestemming mij voort! Met elken tred onzer vermoeide paarden werd de terugkeer onherroepelijker gesloten. De stroom drong langzaam voorwaarts; ik zag, dat hij op mijn reddeloos verderf uitliep. Maar was ik in staat, alleen om te keeren en langs den weg terug te dwalen, waar ik bij elken voetstap op een lijk, op een stervende stooten moest? Hoe had daar, waar duizenden in den krijg geharde mannen versmachtten, wijl hunne krachten bezweken, een zwak, hulpeloos meisje den terugweg gevonden! Bijna waanzinnig door de onophoudelijke verschrikking, die mijne ziel verscheurde, liet ik mij door mijn lot meedrijven en dacht in doffe bedwelming aan geen tegenstand meer. Zoo hoorde ik het gedonder van den vreeselijken slag, zoo reed ik met gesloten oogen over het lijkenveld, waaruit reeds vergiftige pestdampen opstegen, en zoo eindelijk, dierbare vriend, bereikte ik deze stad. Daar elk hier met de in overvloed opengelaten ruimte naar willekeur handelt, geraakte ook ik in dit paleis, welks voorste vleugels eenige vrouwen bewonen, die hetzelfde lot met mij deelen, maar zich met lichtvaardigen moed, ik zou kunnen zeggen met schandelijke zorgeloosheid, daarin weten tevoegen. Zij hebben bovendien zoo spoedig innige betrekkingen aangeknoopt, dat de mijne met haar zoo goed als verbroken is. Zoo was ik dan al dadelijk in de eerste minuten het verlatendste wezen in deze reusachtige stad, in dit onmetelijk rijk. Vóór ongeveer een uur waagde ik, mijn stillen schuilhoek te verlaten; de angst dreef mij aan een anker in dezen nood op te zoeken. Eensklaps deed een gunstig gesternte mij u ontdekken en.... het overige behoef ik u immers niet meer te verhalen,” voegde zij er fluisterend bij en sloeg het schoone oog verlegen ter aarde.Het wonderbare en verrassende der ontmoeting, de eenzame, vertrouwelijke plaats, de bevalligheid, welkeFrançoise Alisettezelfs aan de geringste bewegingen en uitdrukkingen wist te verleenen, het roerende en treffende van haar verhaal en hare levendige schildering, de gedachte aan hare vrouwelijke hulpeloosheid in het onstuimig woelen en stormen van den oorlog, bovenal echter de onweerstaanbare tooverkracht der tranen van haar schoon, blauw oog—dit alles oefende op het jeugdig hart des jongelings zulk een onuitsprekelijk vermogen uit, dat hij, eer hij het vermoedde, in het purperen net gevangen was, waarmede het bekoorlijke meisje hem omstrikte. Uit het vertrouwen, dat zij hem schonk, putte hij eene hem zelf anders onverklaarbare koenheid; het was hem, alsof zij nu haar gansche lot in zijne hand gelegd, alsof zij hem tot heer en meester van haar doen en willen gemaakt had. Met ras ontvlammenden gloed klemde hij zijne lippen op hare hand en trok de schuw weerstrevende nader tot zich. Zijne gloeiende wang raakte de hare; hij sidderde in zoete bedwelming; ook zij beefde in de armen, die hij koen om haar slanke gestalte sloeg.„Zoet, engelachtig wezen,” sprak hij teeder vleiende, „wees mijne zuster, ik wil uw broeder zijn. Droog uwe tranen, wees niet meer angstig bekommerd over uw lot, nu zal alles, alles geleden zijn.”„O hemel, hoe overstelpt gij mij met ongehoopt geluk,” riepAlisetteen neigde zich, als overweldigd door haar gevoel, tegen den vriend en verborg haar schoon gelaat aan zijne borst.„Gij hebt mijne bruid later gezien dan ik,” sprak hij na eenige minuten. „O, vertel mij van haar! Was zij zoo treurig, zoo bedrukt, als hare brieven?”Bij het woord bruid scheenAlisettekrampachtig te rillen; een gebroken, beklemd „ach!” rees uit hare borst op. „De schoone gravin Lodoiska heb ik weinig meer gezien,” sprak zij met moeielijk herwonnen kalmte; „den dag na den afmarsch was zij op het bal in het Saksische Paleis, waar ik verschijnen moest, om op het concert te zingen.”„Op het bal?” vroeg Jaromir op een toon, die duidelijk te kennen gaf, dat dit bericht hem even onverwacht als onaangenaam voorkwam.„De vorst Lichnowski geleidde haar.”„Danste zij met hem?”„Met hem alleen, ook slechts een paar maal. Den meesten tijd zaten zij samen in de vensternis en spraken. Zij reden ook vroeg naar huis, want de vorst bleef dien avond nog bij de gravin eten.”Jaromir zweeg; een donkere gloed van toorn vloog over zijne wangen; echter onderdrukte hij de jaloersche neiging, die in hem opwelde. Neen, dacht hij eenige minuten later, zij bemint u teeder en hare droefheid was zoo oprecht en ongehuicheld, als hare brieven die afschilderden. Zou zij echter daarom het geleide van een vertrouwden vriend des huizes niet meer aannemen? Zou zij zich aan een openlijk feest, dat nog wel eene vaderlandsche strekking had, onttrekken? Gij doet haar onrecht!In zijne open trekken hadFrançoisegelezen, wat in zijne ziel omging. „Gij zijt eensklaps zoo verstrooid, lieve vriend,” sprak zij met bezorgde deelneming, „de herinnering aan eene zoo schoone bruid moet inderdaad zeer roerend zijn. Schrijft zij u dikwijls?”„Ik heb sinds den dag voor den slag geen bericht gehad. De laatste brief was uitTeplitz.—Maar zij schrijft dikwijls en met de aandoenlijkste liefde.” De laatste woorden sprak hij met eene ontroering, die scheen aan te duiden, dat hij over zijn argwaan berouw had. Doch opeens schoot hem te binnen: Waarom heeft zij u niet geschreven, dat zij op het bal geweest is? Zij heeft anders alles, wat haar wedervaren is, nauwkeurig bericht, dag voor dag hare levenswijze opgegeven—waarom....?Alisettestoorde hem in deze gedachten. „Hoe gaarne had ik van de gravin en uwe bruid afscheid genomen! Maar het was mij onmogelijk. Driemalen liet ik mij aanmelden en vond telkens niemand te huis. De portier zeide mij, dat zij naar buiten gereden waren. Zij kwamen eerst laat weder in de stad en den morgen daarop wekte mij de wegrollende wagen.”„Naar buiten?” vroeg Jaromir vol verbazing, want ook daarvan had men hem geheel onkundig gelaten. „Waarheen? Kent gij de plaats?”„Neen,” antwoordde het meisje kennelijk verlegen,„die poolsche namen kan ik zoo moeielijk onthouden.”„Misschien Wikzolky; het goed van haar oom? Of Pulawy, waar vorstin Czartoryski woont?”Alisetteontkende zulks door eene lichte beweging met het hoofd.„Maar naar wien dan? De naam des bezitters zult gij toch kennen?”„De portier wist het niet,” hernamAlisetteaarzelend.„Dat is onmogelijk, lieve! Als hij de plaats kent, weet hij ook wie er woont.—Ik bezweer u, meisje, spreek de waarheid!” riep hij eensklaps met opbruisende heftigheid.Alisettebeefde verschrikt terug.„Mijn God!”„De waarheid! Was het Czarnowicki?”„Ik geloof ja!”„Daar woont Lichnowski!” riep Jaromir en sprong woedend op. „Zij is trouweloos, is zoo valsch als eene vrouw! Zij verzweeg mij dat bezoek; dat had zij nooit gedaan, was zij onschuldig geweest! Een dagboek zond zij mij; van elk uur, elke minuut gaf zij rekenschap. Eene heilige kon niet stiller, ingetogener leven. O de huichelaarster!” Tranen welden in de oogen des jongelings op; hij wischte ze verdrietig af en stampte met den voet op den grond. „Het is waarachtig ook nog de moeite waard, dat een man als een kind om haar schreien zou!” Doch zijne tranen vloten slechts des te sterker.Alisettewas sidderend, zonder een woord te durven spreken, blijven zitten; zij geleek een kind, dat onverhoeds een groot ongeluk heeft aangericht en, van schrik verbleekt, zonder eene poging tot afwending te wagen, het wassende verderf bevend aanziet. „O, wees toch bedaard,” bad zij eindelijk vleiend: „zet u weder naast mij. Zeker, gij doet der arme schreeuwend onrecht.”„Neen!” riep hij heftig, „ik doe haar geen onrecht! Onwillens hebt gij, lieve, meer verraden, dan gij vermoeden kunt! Zeg mij thans de volle waarheid. Wat weet gij verder?”„Werkelijk niets,” hervatte zij, door den smeekenden toon de vraag ontwijkende.„Alisette?” bad Jaromir onstuimig en zette zich weer. „Alisette! Gij hebt hulp en bescherming van mij afgesmeekt! Thans heb ik u meer noodig, dan gij mij, best meisje! O gij zijt goed, zeg mij alles, ik bid u, alles wat gij weet en denkt.”„Waarlijk, ik weet niets, en wat ik denk—dat mag ik niet denken. O, dat ik mij een zoo ongelukkig woord moest laten ontvallen!”„Slechts één ding zeg mij,” sprak hij met verkropte woede en smart,—„is vorst Lichnowski de gravin naarTeplitzgevolgd?”„Hij reisde denzelfden dag af,” antwoorddeAlisettenauw hoorbaar.„O,gijzijt goed—gijhadt mij niet zoo verraden,” riep hij met diepe ontroering, trok de zacht weerstrevende aan zijn hart en neigde het zware voorhoofd tot haar neder. „Maar ik wil haar vergeten! Zij zal de voldoening niet hebben, dat een man om haar weent. Ik dacht slechts aanhaarin den slag. Slechtshaarbeeld stond voor mijne ziel; ik zag geen dood, geen gevaar. Het scheen mij zoet te sterven, wanneer men zoo betreurd werd—nog zoeter scheen het mij te leven! O, hoe waanzinnig was die wensch! Waarom lig ik niet liever bij de vrienden op de vlakte; daar zou ik rust vinden!”„En ons brak het hart!” riepAlisettesmartelijk uit en scheen van schrik en schaamte te rillen, toen het woord aan hare lippen ontvloden was. De uitroep, dien de macht van het te vergeefs bestreden gevoel haar ontwrongen had, wierp een helderen lichtstraal in de verborgenste diepte harer ziel.Zij bemint u, dacht Jaromir en dat denkbeeld begon hem met gloeiend leven te doordringen; zij bemint u waarachtig en heeft dat gevoel bestreden en bedwongen in hare maagdelijk schuwe borst. Hoe kon uw oog dat bekoorlijk wezen onachtzaam en miskennend voorbijzien! O, het is eene wonderbare beschikking des hemels, die u in dit oogenblik der diepste smart dezen engel van troost toezendt.Na de onwillekeurige bekentenis hadAlisettete vergeefs getracht, zich uit Jaromirs driftige omarming los te winden, om hem te ontvlieden; hij hield haar met klimmende liefde omstrikt; doch zij verborg hare van schaamte gloeiende wangen schuw aan zijne borst.„Neen, richt u op, zie mij aan, aanminnig wezen. Gij bemint mij? Mag ik het hopen, het uitspreken? O thans eerst, in dit oogenblik eerst weet ik, wat liefde is. Hoe koud wasLodoiska'somarming!”Hij drukte zijne heete kussen op de lippen der hem flauw afwerende; haar tegenstand was krachteloos tegen zijne onstuimigheid.De donkere gestalte van zijn boozen demon trad ongezien achter hem, hief de dreigende hand op en hield ze boven zijn hoofd uitgestrekt.—„Nog ééne schrede en de koude, vreeselijke aanraking treft uwen schedel en de vergiftigde adem dringt doodelijk in uwe borst. Is geen goede genius u nabij? Treedt de reine gestalte der geliefde niet tusschen u en het drogbeeld, dat u omstrengelt? Geen beschermengel waakt over u—gij zinkt in het net der verdervende machten!”„Wilt gij de mijne zijn? Eeuwig de mijne?” smeekte Jaromir met teederen aandrang.„Kunt gij hem vergeven, die u miskende, die den zuiveren diamant van uw hart blind voorbijging?Alisette, ik heb zwaar onrecht jegens u goed te maken! Maar vergeef mij—vergeef den onzinnige!”„O onuitsprekelijk geluk!” stameldeAlisetteuit en omstrikte hem met hare blanke armen. Haar boezem vloog, hare lippen gloeiden aan de zijne, haar adem stierf wegin zijne kussen. Jaromir sidderde in huiverende verrukking. De bruisende kracht der jeugd stormde door al zijne zinnen. Tot hiertoe had hij slechts de reine offervlam der liefde gekend, van verre staande hare bezielende warmte ondervonden, haar heiligen glans vereerd. Roekeloos trad hij het heiligdom te na. Als gloeiend metaal rolde thans het vuur door zijne aderen, de vlam greep den zoom van zijn kleed aan, sloeg in verterende woede over zijn hoofd te zamen en—het heldere maanlicht der gelouterde liefde verbleekte voor den onstuimig losbrekenden vulkaan zijner hartstochtelijke driften.Met angstige gejaagdheid ontwaakteAlisetteuit hare bedwelming en wilde zich uit de omhelzing des geliefden losrukken; doch hij liet haar niet los.„De mijne zijt gij voor altijd,” riep hij, „die gelofte zal ik houden. Gij, de trouwe, de minnende, neem dezen ring. Dit gouden teeken zij de getuige van ons verbond. Het is heilig gesloten, het is onverbrekelijk.” Hij trok Lodoiska's ring van zijn vinger en stak hem aan dien vanAlisette. Zij hing sprakeloos aan zijne borst. „O, ik ben eene misdadige,” riep zij eindelijk uit, „eene zwaar misdadige! Maar gij, gij zijt er de oorzaak van, voor u heb ik die zonde op mijne ziel geladen. Gij moogt mij niet verstooten.” En met nieuwe kussen en tranen hing zij aan zijne lippen. „Laat mij het u slechts bekennen! Schoon uiterlijke omstandigheden mij ook met harden nooddwang herwaarts dreven, een machtiger aandrang des harten had mij toch het eerst op deze gevaarlijke baan gevoerd. Een geheime stem in mijn binnenste voorspelde mij, dat ik door de ster van mijn geluk geleid werd. Mijn oog hing met tranen aan haar vertroostend schijnsel, maar mijn zwak gelooven en hopen waande haar ongenaakbaar hoog. En nu, daar de vervulling mij met geluk overstelpt..... nu.....”Weenend verborg zij het gelaat in haar kleed, maar hield met den arm den geliefden jongeling teeder omvat.„Gij eenig geliefde! Is het dan waar, dat gij mij bemint?” sprak zij vleiende en liefkoozende, daar hij stom en sprakeloos voor haar stond.De blakende gloed was uitgedoofd; Jaromir zag thans, welke verwoestingen de verterende vlam om hem had aangericht. Eene koude, akelige rilling van berouw drong hem door de borst. „Of ik u bemin?” vroeg hij met somberen weemoed. „Buiten u heeft thans de aarde niets meer voor mij! Gij zijt het eenige gesternte, dat voor mij flonkert—mochtgij!—neen, neen!—gij zult voor mij eeuwig glanzen. Gij zoete geliefde! Uwe zachte hand heelde immers de gloeiende wonde, door welke eene giftige verraderes mijn boezem zoo gruwzaam verscheurde! O, gij waart mijn goede engel in een vreeselijk uur!”Hij leunde zijn voorhoofd tegen het hare; zijne tranen vloeiden onophoudelijk. Hoe hij het zich ook trachtte op te dringen, thans eerst gevoelde hij het,—hij was toch niet gelukkig! Een wervelwind had hem hoog op het toppunt des levens gedragen, maar onder zijne voeten voelde hij geen grond; de storm trok de vleugels in en met dezen zonk hij dieper en dieper neder. Slechts naar de lichtende starren boven hem hief hij de oogen angstig op.De doffe slag eener torenklok, die negen malen door den stillen nacht drong, deed beide minnenden uit hunne verdooving ontwaken.„Gij moet weg,” riepAlisette,—verschrikt opspringende; „als men u hier vond, was ik verloren!”„Verloren? Wie kan na den band, dien wij gesloten.....”„Om aller heiligen wil, ik hoor gerucht,” viel zij hem haastig in de rede; „de deur wordt geopend, de klank dringt door de holle gangen tot hier door. Wij hier in het donker—wanneer men ons vond!—Geliefde, als u mijn leven, mijne eer dierbaar is, dan verlaat mij nu! Gij weet niet, wat een vrouwenhart gevoelt! Mij zou de schaamte vernietigen, wanneer de vrouwen—o, ik bid u, ik smeek u, ontvlucht! Nog is het tijd! Hier door deze deur naar den tuin!”Zelve gaf zij hem de sabel, die hij afgelegd had, in de hand en drong hem met angstvallige liefkoozingen te gaan.„Gij schuwe ree!” sprak hij weemoedig glimlachend. „Hoe bekoorlijk is deze schaamte! Wees gerust, gij moogt het oog opslaan tegen velen, die zich vlekkeloos achten, want zuiver is uwe ziel; uw hart blijft een ongeschonden heiligdom!”„O, pijnig dat hart dan niet langer!” smeekte zij. „Wanneer gij mij lief hebt, ga dan! Het zij het eerste bewijs, dat gij mij van uwe teederheid geeft.”Hij omarmde haar nog eenmaal, kuste met vuur hare bevende lippen en verliet hierop stil en haastig het vertrek.„Leef wel! Morgen! Morgen!” fluisterdeAlisettehem teeder na en verdween. Ongemerkt bereikte Jaromir den tuin. Hij wilde thans onderzoeken, of deze werkelijk aan de straat grensde, waar zijn bivak lag, en doorsneed derhalve in die richting de duistere heesterperken. Na eenige minuten stiet hij op een muur en vond na kort zoeken eene deur, die slechts van binnen gegrendeld was. Met forsche kracht schoof hij de ingeroeste grendels af en stond inderdaad, gelijk hij vermoed had, nauwelijks honderd schreden van de wachtvuren zijner manschappen. Deze heimelijke weg, die hem der geliefde als in de armen voerde, was hem een nieuw onderpand van zijn geluk, een nieuwe wenk van het lot. En schoon zijn hart nu nog bloedde aan de plaats, waar hij de zachte banden, die hem tot hiertoe ketenden, gewelddadig had losgescheurd, zoo voelde hij toch ook den verzachtenden balsem, dien de hand van het noodlot hem reikte.HOOFDSTUK IV.Toen Bernards kalmte langzamerhand was teruggekeerd, en Rasinski en Lodewijk met warmte daarop aandrongen, verhaalde hij hun eindelijk, bijna met de oude, ruwe luim, zijn avontuur te Warschau met de zonderlinge schijnverwisseling der ringen. „Zoo ben ik dan met een nieuwen titel uitgedoscht,” besloot hij, gedwongen schertsend; „en kan mij den broeder eener onbekende noemen; want zij was jong en schoon, dat bezweer ik, trots den sluier, die haar omhulde. Zij kon wel is waar ook mijne moeder zijn, maar dan ware de ontmoeting niet half zoo romantisch.”Nog nooit had Lodewijk een zoo diepen blik in het hart des vriends geworpen, als op dit oogenblik. Bernard, die zich met zelfstandige kracht van alle ketens des levens en der betrekkingen wist los te rukken, wiens stout, koen hart de vrijheid hooger scheen te schatten, dan zelfs de zoetste banden der liefde; hij, die vaak zoo ruw tegen de zachtere verbindingen des levens optrad en haar met eene vastheid, die Lodewijk verbaasde, trotseerend toeriep: Gaat, gij hebt mij niet opgezocht, gaat dan,ik heb u ook niet noodig; de gewoonte, om alleen te staan, heeft mij de kracht daartoe gegeven; ik ben mijzelf genoeg!—deze ruwe, geharde borst van rots en steen brak en smolt week, ja vernietigd te zamen alleen bij de voorstelling, dat een liefelijk wezen, door de teedere banden des bloeds aan hem verwant, hem was voorbijgezweefd, zonder dat hij het herkend en aan de onder het koude omkleedsel zoo vurig gloeiende borst geklemd had. Met welk eene ontroering beschouwde Lodewijk in dit oogenblik den vriend, die het weekste, het meest liefdevolle hart met een ijzeren harnas van zelfverloochening en wilskracht hield ompantserd. Voorzeker wist hij sinds lang, dat onder het harde marmer zijner borst geen hol graf, geen koude aschkruik rustte; doch deze macht van den innerlijken, diep verholen gloed der liefde had hij tot hiertoe bij hem noch gekend, noch vermoed.„Ziet gij! Zulk een dwaas, zulk een droomer ben ik,” sprak Bernard na een ernstig stilzwijgen, „op zulke sporen in het stuifzand bouw ik den babylonischen toren mijner luchtkasteelen! Lacht mij maar duchtig uit, dat long en lever schudden; waarachtig, gij hebt er recht toe, want als men de trouwringen van onzen aardbol of slechts die van eene enkele stad als Moskou of Dresden op een hoop schudde, zouden er tweelingbroertjes bij dozijnen onder zijn, en ik kon ten minste op zooveel vaders, moeders of zusters aanspraak maken, als de boheemsche graaf, die men teDuxziet afgebeeld, zoons had,—vier en twintig namelijk. Wanneer ik thans alles bedaarder naga, moet ik betuigen, dat ik, ware er niet de nacht en een romantisch avontuur bijgekomen, aan het gansche geval niet langer zou gedacht hebben, dan ik tijd noodig heb, om dien nietigen ring van den vinger te schuiven. Wij kunstenaars, want daar reken ik mij nu eens onder en houd palet en penseel voor mijn rechtmatig diploma, zijn echter vaak dweepende, maanzieke narren en, geloof mij, ik ben in dat opzicht niet de minste onder de broeders. Dus, lacht mij uit, en daarmede basta!”Maar niemand lachte en Bernard zelf vermocht het slechts gedwongen met de lippen.„Ik heb besloten te handelen, gelijk ik tot hiertoe gedaan heb,” ging hij voort, daar niemand antwoordde. „Wil het noodlot mij iets van mijne geheime betrekking bekend maken, goed dan, ik heb er niets tegen, ik zelf echter raak de gordijn met geen hand of vinger aan. De gesluierde gestalten kan ik mij zoo lief en bekoorlijk droomen als ik wil, de ontsluierde, de hemel weet, met wat leelijke tronies die mij misschien konden aangrijnzen! Jong en schoon was het wezen, dat ik ontmoette, dat weet ik zeker; daarom wil ik het als eene zuster of halfzuster beschouwen. Onze gansche ontmoeting was die van broeder en zuster; zijn wij het niet, zoo wil ik toch ten minste den droom vasthouden en geen platte werkelijkheid zal mij daaruit onaangenaam wekken. Ik heb altijd een hekel gehad aan het hanengekraai; vooral wanneer het gillend tusschen de muziek van een droom inkakelt en ons uit de hemelsche gewesten, waardoor wij meenden rond te zweven, op eene harde stroomatras neerbonst, waarop wij lui en liederlijk de matte leden uitrekken. Maar waarlijk, vrienden, het is tijd daartoe; ik heb slaap en ga naar bed. Goeden nacht!”Hij stond op en ging heen. Lodewijk volgde en wilde hem in de eenzaamheid warm aan het hart drukken. Nu voelde hij, dat Bernards wang vochtig was; doch geen woord, geen klaagtoon kwam over zijne lippen, hij rukte zich met fierheid los en sprak slechts: „Goeden nacht, broeder.”Lodewijk keerde naar Rasinski terug. Thans eerst trad hem de verrassende wending zijner eigene levensbetrekkingen weder levendig voor den geest. „Het is zonderling,”sprak hij tot den ouden vriend, „ik win niets, ik verlies niets bij de verwisseling van naam en het naricht van mijn vader, dien ik reeds sedert twintig jaren gewoon ben onder de dooden te tellen, en toch is het mij, alsof ik onberekenbaar veel gewonnen en tegelijk verloren had.”„De mogelijkheid van beiden moet in den beginne natuurlijk levendig bij ons opkomen,” antwoordde Rasinski; „echter geloof ik, dat Bernard gelijk heeft, als hij beweert, dat die indrukken van lieverlede bijna geheel verdwijnen. Wij hebben immers zoo even gezien, hoe de plotselinge verrassing hem onweerstaanbaar met zich voortsleepte; de golven zijner ziel stortten bruisend over elkander als een woeste waterval; thans zien wij dien stroom hoogstens nog met driftige vaart tusschen de oevers voortrollen.”„Het is mogelijk des te dieper!”„Mogelijk!—doch ten laatste verloopt ook de Rijn in het zand. Wonden, smart, hoop, verwachting, niet telkenreize uit nieuwe bronnen gevoed, geloof mij, als uw ouderen vriend, zij drogen eindelijk uit, al dreigden zij in den beginne ook alle dijken en oeverdammen te vernielen.”Lodewijk las Maria's brief nog eenmaal door en verdiepte zich in stille mijmeringen over deze nieuwe, onvermoeide wendingen, waarmeê de stroom zijns levens voortwentelde. Rasinski, niet minder in sombere gedachten verloren, wandelde het vertrek op en neder. Thans sloeg het negen uur.„Bernard heeft gelijk,” dus brak de laatste het stilzwijgen af; „de vermoeide natuur laat zich niet afwijzen. Wij moeten ons ter rust leggen. Wie weet, welke stoornis de nachtelijke uren medebrengen; want, onder ons, ik ben nog altijd ver van gerust in deze verlatene, doodsche stad. Telkenreize komt de gedachte aan de vloot der Grieken bij mij op, die van Troje onder zeil ging, om 's nachts terug te keeren.”Deze woorden herinnerden Lodewijk eerst weder aan de ontdekkingsreis, welke zijn vriend gedaan, maar door de aankomst der brieven uit Duitschland vergeten had, aan Rasinski mede te deelen. Hij verhaalde nu alles, wat Bernard wilde gezien hebben.„Hm! Is dat zoo, dan behoeven wij niet dadelijk voor vijandelijkheden bevreesd te zijn!” antwoordde de overste. „Waarschijnlijk zijn het schuwe bedienden of oude zieke lieden, die niet meer ontvluchten konden en zich hier verborgen hebben, daar zij bevreesd voor ons waren. Rostoptschin doodverft ons in al zijn berichten als moordenaars en tempelschenders, men kan het dus het arme volk niet ten kwade duiden, dat het zich voor zulke monsters tracht schuil te houden. Laat ons de lieden ten minste nog dezen nacht rust gunnen. Morgen wil ik het gansche slot laten doorzoeken. De wacht aan de poort, mijne bedienden, die in de voorzaal slapen, en vooral wij zelven verschaffen ons genoegzame zekerheid. Ook kunnen wij ons immers slagvaardig houden en ons gekleed en met onze wapens neerleggen. Dit verontruste u dus niet; verbeeld u slechts nog dezen nacht op het bivakteliggen.—Goeden nacht, lieve vriend! Ik denk, de dag van morgen zal voor ons gewichtig zijn.”Lodewijk ging. Toen hij door de lange zaal trad, welke zijn slaapvertrek van dat van Rasinski scheidde, werd het hem bijna angstig om het hart in de wijde, eenzame ruimte, waar elke schrede, elk geritsel langs de holle wanden fluisterend voortkroop. Hij kwam in zijne kamer; die van Bernard stond open; hij zag naar binnen; de vriend was er niet.„Ik dacht dadelijk wel, dat hij niet slapen ging,” mompelde Lodewijk. „Voorzekergaat hij voor zijn geschokt hart in nacht en eenzaamheid rust zoeken. Als hij zich maar niet te onvoorzichtig midden in de vreemde stad waagt!”Onrustig trad hij aan het venster en zag zijne kameraden aan de vuren in diepen slaap liggen. Een officier waakte nog en ging met rassche, ongelijke schreden de straat op en neder; bij het vuurschijnsel herkende hij Jaromir. Om te vernemen, of deze ook iets van Bernard wist, begaf hij zich naar beneden.„Goeden avond, vriend; hebt gij Bernard zien uitgaan?” vroeg hij den jongeling, die, zonder hem te herkennen, met driftige schreden wilde voorbijsnellen.„Wat wilt gij? Wie zijt gij?” met deze woorden richtte hij bevreemd en blijkbaar verdrietig het hoofd op.—„Ach Lodewijk! zijt gij het,” vervolgde hij langzaam en op een somberen toon, toen hij den vriend herkende. „Gij komt juist als geroepen. Hebt gij lust, een brief van Lodoiska te lezen? Eerst voor een half uur, toen ik van eene wandeling door de stad terugkwam, heeft Boleslaw mij dien overhandigd.—Hebt gij ook brieven gehad?”„Jawel! en van een zonderlingen aard!”„Van een zonderlingen aard is deze ook!—Daar, lees!”„Gij vergeet, vriend, dat ik nog te weinig met het poolsch gevorderd ben; maar lees gij hem mij voor.”„Voorlezen! Ach!” Hij zuchtte, bedekte zijne oogen en voorhoofd met de hand en streek er meermalen over heen, alsof hij eene drukkende hoofdpijn tot bedaren zocht te brengen.„Zijt gij ongesteld, vriend?”„Hoofdpijn!—Het woeste soldatenleven bedwelmt mij somwijlen.—Voorlezen kan ik den brief waarachtig niet! Het vuur verblindt mij te zeer, mijne oogen gloeien. Morgen misschien.”„Gij schijnt in eene treurige stemming, goede Jaromir. Hebt gij bedroevende tijding ontvangen? Rasinski heeft ons nog geen woord gezegd, schoon hij brieven van zijne zuster heeft.”„Van zijne zuster!—Wat zal die hem ook schrijven! Ach Lodewijk! Ik wenschte dat ik bij mijne kameraden aan de redoute lag!”„Mijn God!” riep Lodewijk verschrikt, „wat deert u dan? Wat schrijft u Lodoiska? Zeg het mij ten minste, wanneer gij niet lezen kunt.”„Neen, ik wil lezen, al zouden mij de oogen uit het hoofd springen!” riep hij hevig, nam den brief opnieuw uit zijn boezem en trok Lodewijk met zich naar het groote wachtvuur, waar beiden zich op het stroo nederwierpen. Jaromir las:„Teeder geliefde Vriend!„Eindelijk keeren wij naar de vaderstad terug. Nog eenige minuten en wij zijn op weg naar Warschau, waar ik weder ettelijke uren nader bij u ben, die onophoudelijk verder en verder voorttrekt. O mijn geliefde, wanneer zal die verschrikkelijke oorlog toch een einde nemen? Wanneer keert gij uit die ruwe wildernissen tot mij terug? Hoe liefderijk zullen deze armen u omvangen! Ach Jaromir, ik heb vaak droeve, akelige uren en verbeeld mij dan, dat eene zwarte gestalte ons geluk dreigt te vernietigen. Een warm, innig gebed tot de heilige Moedermaagd is dan mijn eenige troost. Alles wat de vrienden, die mij omgeven, beproeven, om mij op te beuren, stuit op mijneborst af, maar het gebed dringt tot diep in het hart. Bidt ook gij, mijn dierbare; laat door het wilde gewoel en de gestadige verstrooiing van den krijg de heilige stem niet tot zwijgen brengen, die ons deemoedig en vertrouwend voor den Almachtige doet nederzinken. Wie zal u in den slag beschermen, als Hij het oog van u afwendt? Maar Hij verlaat niemand, die zich met een kinderlijk hart tot Hem om bijstand wendt. Lieve Jaromir! Uwe reine, schoone ziel vol jeugd en hoop, leg haar dagelijks zoo vertrouwelijk en oprecht voor den Hemelschen Vader open, als gij ze voor mij ontsloten hebt. Spot niet met de zwakheid van het meisje, dat u tot gebed en godsvrucht aanmaant, daar zij zelve daarin haar eenigen troost vindt. Ik weet wel, de man verbeeldt zich sterk te zijn, ook zonder goddelijken bijstand. Maar het is eene dwaling, geliefde. Voor Hem zijn de zwakken sterk; want zij staan onder Zijne bescherming, en de sterken zinken neer, als Zijn adem over hen heenblaast. Sterk, onoverwinnelijk voel ik mij, wanneer ik mij in een vurig gebed tot den troon des Allerhoogsten gewend heb; dan zie ik den engel des Heeren u geleiden en beschermen met zijn machtig schild; dan lacht mij de zon eener gelukkige toekomst vertroostend toe. Wel keeren de sombere uren van angst en beklemdheid somwijlen terug, gelijk de nacht na elken dag wederkeert, maar ik zie toch altijd lichtende starren door het duister blinken en de uiterste rand des hemels blijft met gouden ochtendglans omzoomd. Spoedig, geliefde, ben ik nader bij u, in de vaderstad, waar alles, tot zelfs de taal der menschen, mij u voor den geest roept. Ik zal mij daar veel gelukkiger gevoelen dan hier!—Juist komt de wagen aanrollen. Vaarwel! Vaarwel! Duizend engelen mogen u beschermen en gelukkig tot mij terugbrengen. Ach, wanneer zal die dag eens komen, dat gij weder in de armen rust vanUweLodoiska.”„Dat edele, goede meisje! Enkel liefde, vertrouwen, onschuld en waarheid!” riep Lodewijk, toen Jaromir geëindigd had. Deze wierp zich met onstuimigheid aan zijn hart en drukte zijn gloeiend gelaat tegen de borst van den vriend. Lodewijk kon niet vermoeden, wat den jongeling zoo hevig ontroerde, en waande, dat het de overmaat van verlangen naar de verwijderde geliefde was.—„Wees een man, Jaromir,” sprak hij bemoedigend, „de dag des wederziens zal aanbreken; hij is misschien niet verre meer.”Jaromir bleef in die houding, zonder een woord te antwoorden. Vreeselijke gedachten pijnigden zijne ziel. Ongelukkig zijt gij, riep de stem in zijn binnenste, wanneer dit niet de taal der waarheid is, dubbel ellendig, wanneer zij het is!Daar hij bij voortduring zweeg en den vriend steeds vaster omklemde, vroeg Lodewijk eindelijk, om aan zijne gedachten een andere wending te geven, naar Bernard.„Ik heb hem niet gezien,” antwoordde Jaromir zich oprichtende en het hoofd schuddende; „ik heb niemand, niets gezien!—Lodewijk! ik moet u verlaten, ik moet alleen zijn! Ik bid u, laat mij alleen!”Lodewijk zag hem ontroerd na, toen hij opsprong en, met overhaaste schreden de straat opgaande, in het duister verdween.Zouden dan al mijne vrienden heden in zulk eene spanning verkeeren, dacht hij, zoodat ik vreezen moet, dat zij door den drang hunner innerlijke gewaarwordingen en aandoeningen de uiterlijke wereld en hare gevaren vergeten? En heb ik zelf niet wellicht de sterkste oorzaken tot eene gelijke stemming? Van waar dan, dat mijn hart zooveel rustiger slaat? Ach—wijl ik mij reeds onder het ijzeren juk van het lot gebogenheb, wijl mijne hoop niet meer zoo frisch bloeit en de warme, bruisende ader der vreugde lang heeft uitgebloed?—Op denGotthardwas ook ik niet zoo kalm en rustig. En ben ik het dan thans werkelijk? Of ben ik slechts vermoeid?Langzaam keerde hij naar zijne kamer terug. Hij trad aan het venster, om te zien, of geen der beide vrienden zou terugkeeren. Een vol uur verliep, alles bleef stil. De vuren waren bijna verteerd; slechts een doffe, smeulende gloed glom nog te midden der zwarte, op den grond gelegerde gestalten. Men hoorde de diepe, zware ademhaling door het zwijgen van den nacht; zelfs de vuurwachten werden door den slaap overweldigd en sluimerden in. Eene doodsche stilte lag over de gansche, onmetelijke stad uitgebreid.HOOFDSTUK V.Eindelijk werd ook Lodewijk door zijne vermoeidheid overmand; hij sloot het venster, hulde zich in zijn mantel en wierp zich op het in den hoek staande rustbed neder. De bezorgdheid over Bernard en Jaromir hield hem nog eene poos wakker, doch zij verloor zich meer en meer in de nevel der sluimering, die hem langzaam bekroop; spoedig klonken de verontrustende gedachten hem nog slechts als een verwijderd bruisen der zee, als een doffe, in de verte wegstervende donder door de ziel; zij werden gestadig dichter omsluierd, weken gedurig verder in het ledig der wijde, donkere ruimte terug. Eindelijk zonken hem de matte oogleden toe en hij lag in diepen slaap. Doch de ziel werkte onrustig voort in het vermoeide lichaam, en deed bonte, begoochelende droombeelden op den zwarten achtergrond van den nacht voorbijzweven.Nu zag hij zich in de hitte van het gevecht en stortte, rondom door vijanden omsingeld van zijn paard ter aarde. Dan zweefde hem eene vriendelijke gedaante uit het vaderland te gemoet; zijne moeder stond voor hem en wenkte hem haar te volgen. Zij voerde hem in de vertrouwelijke woonkamer, kuste hem en vroeg: Waar zijt gij dan zoo lang geweest, mijn zoon?—Eene zachte aandoening verteederde zijn hart; hij smaakte in den droom de vreugde des wederziens, der hereeniging, van welke de werkelijkheid hem zoo gruwzaam verstoken hield.—Hij was op de wandelplaats tePillnitz; de lieve gezellinnen zijner jeugd verzelden hem. Eensklaps ontglipte hem een kreet van blijde verrassing, want Maria kwam uit de donkere lindenlaan te voorschijn en ging arm in arm met Bianca, die zich zoo vertrouwelijk aan haar aansloot, alsof beiden zusters waren. „Zoo, hebt elkander lief, gij dierbaarsten, die ik op aarde bezit,” sprak hij in zijn droom, en een zalig lachje speelde om zijne lippen. Hij wilde nader treden, haar de hand reiken, de armen ter omhelzing uitstrekken, maar een vreemde hield hem terug. Het was Rasinski, die hem gelastte, dadelijk te paard te stijgen. De schoone gestalten verdwenen, hij zag zich weder te midden van het onrustige woelen en warren van den veldtocht; lange, onafzienbare rijen soldaten trokken hem voorbij; hij sloot zich bij den trein aan, en toch rezen onophoudelijk nieuwe gestalten vóór, achter en nevens hem op en zweefden strijkelings langs hem heen. Verwijlen en voorwaarts dringen geschiedde in hetzelfde oogenblik,gelijk zoo dikwijls het dubbele en tegenstrijdige in den droom. Thans verbeeldde hij zich, Moskou binnen te trekken; hij reed met Bernard en Rasinski door de straten, die zich in onafzienbare verte voor hem uitstrekten. De huizen en paleizen van den omtrek mengden zich voor zijne blikken tot een verwarden chaos dooréén: hij zag steeds het huis voor zich, dat hij bewoonde, maar gestadig drongen nieuwe straten daartusschen in, eer hij het bereiken kon. Met elke schrede scheen zich de weg te verlengen. Eindelijk stond hij met beide vrienden voor de breede poort; Petrowski hield den teugel, zij stegen af en beklommen de trappen. Uitgeput van vermoeidheid legde hij zich in den droom in hetzelfde vertrek, op hetzelfde bed neder, waar hij werkelijk sliep. Droom en werkelijkheid begonnen zich thans zonderling dooreen te mengen. Hij hoorde het aanroepen van den schildwacht, die beneden zijne vensters werd afgelost, en ontwaakte. Daar echter zijn geopend oog dezelfde beelden zag, als het sluimerende, namelijk het door den matten glans der wachtvuren flauw beschenen vertrek, daar zijn wakend oor dezelfde tonen hoorde, die hij in den slaap vernomen had, zoo deed de bedwelming, die nog op zijne zinnen rustte, schijn en waarheid onafscheidelijk dooréénsmelten. Zoo zag hij, half droomend, half wakend, de deur zijner kamer langzaam openen en eene in het zwart gekleede, gesluierde gestalte, die eene flauw schemerende lamp in de hand droeg, binnentreden. Als eene geestverschijning zweefde zij op hem toe; thans stond zij dicht voor zijn leger stil en sloeg het floers terug dat haar gelaat bedekte. Het was Bianca; maar bleek, doodsbleek, met ingevallen, smartelijke trekken. „Waar is Maria?” vroeg Lodewijk het droombeeld;„en waarom komt gij in een rouwkleed, geliefde? Ach, is uwe moeder óók gestorven?” Met weemoedig verlangen strekte hij de hand naar de dierbare uit; stom, bevende stond zij voor hem. Het was, alsof zij zich over hem wilde nederbuigen; doch eensklaps wankelde zij een schrede terug, hief de hand op, als een teeken, dat hij haar niet mocht aanraken, en schudde langzaam en droevig het edele hoofd.„Ontvliedt gij reeds weder?—Waarom hoont gij mij zoo, gij liefelijke droombeelden?” sprak Lodewijk in halve bewusteloosheid. „Ach, vertoont u niet, als gij steeds weder van mij vlieden wilt.” Hij rilde, als door nachtvorst verkleumd en hulde zich dichter in den mantel.Het gezicht was verdwenen; maar uit het duister van den nacht drongen den sluimerende de woorden in het oor: „Vlucht, vlucht! Uw leven is niet veilig onder dit dak!—Neem dit ten aandenken!”Eene zachte aanraking gleed thans over zijne wangen. Hij ontwaakte en sloeg met moeite de loodzware oogleden op.—Alle beelden van zijn droom lagen in dagend schemerlicht om hem heen verspreid. Bianca's gestalte verdween als eene schaduw; de vuurglans aan de zoldering was duister omneveld; zelfs de verlichte vensters schenen hem met een zwart weefsel bespannen. Met moeite zocht hij zijne nog geheel verstrooide zinnen bijeen te rapen,—daar klaterde een schot uit het nevenvertrek hem in het oor. Dit geluid rukte hem gewelddadig uit de banden des slaaps los; hij was wakker, sprong op. Echter bleven de voorwerpen ook nu nog als door rook omneveld; thans was het niet meer eene begoocheling van den droom, maar zijn oog moest op eene onbegrijpelijke wijze verblind zijn. Opeens voelde hij weder, gelijk vroeger in den halven sluimer, een zachte, trillende aanraking over wang en voorhoofd glijden, even alsof eene donsachtige pluim daarover heenstreek. Als door tooverkracht was het verduisterend hulsel plotseling van zijn oog afgelicht en zag hij alle voorwerpen om zichheen weder in de volle scherpte hunner omtrekken. Nog was hij van zijne verbazing niet tot zich zelf gekomen, toen Rasinski's donderende stem, die hem en Bernard opriep, zich uit het aangrenzende vertrek hooren liet; hij vloog dus de zaal binnen, die door eene nachtlamp beschenen werd. Rasinski trad reeds met driftige schreden op hem toe, en bijna op hetzelfde oogenblik kwamen de door het schot gewekte manschappen uit de voorzaal aanstormen. „Licht! meer licht!” beval de overste. Zij spoedden heen, om het te zoeken.„Wat is er toch? Wat zaagt gij?” vroeg Lodewijk.„Wij zijn in een wonderbaar spookhol. Hebt gij niets gezien?”„Niet het minste; maar toch....”„Door mijn vertrek sloop zoo even eene zwarte gestalte, naar alle waarschijnlijkheid eene vrouw.”„Hoe?” riep Lodewijk, als door den bliksem getroffen uit; „eene zwarte, gesluierde gestalte....”„Juist! Maar hoe weet gij......”„En gij zaagt het werkelijk? Het was geen droombeeld?” riep Lodewijk en stond als versteend voor den vriend.„Neen, bij den hemel, want ik was wakker als in dit oogenblik,” hernam Rasinski, die zich nog te zeer met zijne eigene ontmoeting bezig hield, om den indruk, die ze op Lodewijk maakte, waar te nemen. „Voor vijf minuten wist ik werkelijk zelf niet, of ik gedroomd had, of wezenlijke dingen aanschouwde. Ik meende iets voorbij mijn bed te hooren ruischen en ontwaakte, want gij weet, hoe licht mijn slaap is. Nu zag ik eene donkere schaduw langs den wand glijden en een mat lichtschijnsel scheen mij uit de geopende zaaldeur in mijn vertrek te vallen. Echter drong ik mij op, dat het de flikkering der vuren op de straat was, die mij bedroog. Intusschen was ik volkomen wakker geworden en lag, nog over de verschijning nadenkende, op mijn leger. Juist had ik mij weder in de lakens gewikkeld en de oogen gesloten, toen ik hetzelfde geritsel als vroeger hoorde. Ik sprong op en zie eene zwarte, gesluierde gestalte dicht voorbij mijn bed sluipen. „Werda!” riep ik; zij verschrikt kennelijk, maar geeft geen antwoord en snelt met rassche schreden door de kamer. „Antwoord, of ik geef vuur,” riep ik en greep naar mijne pistolen....”„Almachtige hemel!” riep Lodewijk en greep onwillekeurig, alsof hij het schot verhinderen wilde, den arm, dien Rasinski in het vuur van zijn verhaal hield uitgestrekt. „Gij hebt dus op haar geschoten?”„Zekerlijk heb ik; en terstond daarop hoorde ik den kreet eener vrouwelijke stem.”„Zij is getroffen? Waar?”Met deze woorden wilde Lodewijk Rasinski ter zijde dringen en in zijn vertrek vliegen; doch deze, die thans eerst de hevige ontroering van den vriend gewaar werd, hield hem terug en vervolgde haastig: „Het was slechts een kreet van schrik. Dadelijk daarop, juist toen ik driftig was opgesprongen en op de geheimzinnige verschijning toesnelde, hoorde ik eene deur ras ontsluiten en weder in het slot werpen. Of nu het vuur en de rook van het schot mij verblindden, of het schemerdonker van het vertrek de vlucht der onbekende begunstigde, dat weet ik niet, althans zij was spoorloos verdwenen en scheen in den grond weggezonken. Oogenblikkelijk liep ik nu naar de zaal en riep u en de manschappen op. Langs dezen weg kan zij niet ontkomen zijn, want ik was bij de deur, eer zij die met mogelijkheid kon bereikt hebben.”Inmiddels hadden eenige bedienden licht gebracht en Rasinski snelde naar zijn slaapvertrek, om het ten nauwkeurigste te doorzoeken. Lodewijk volgde hem met een onbeschrijfelijk zonderling gevoel. Doch de kamer was ledig; zij had slechts twee deuren; de eene kwam op de zaal uit, de andere bracht in de verder voortloopende reeks van vertrekken. Deze laatste was echter door twee stoelen, die nog evenzoo stonden als den vorigen avond, gesloten; onmogelijk kon iemand ze geopend hebben, zonder de stoelen omver te werpen of ter zijde te schuiven. De bedienden daarentegen verzekerden eenstemmig, dat niemand door de zaaldeur kon ontkomen zijn, daar zij schuins voor deze hunne legers hadden opgeslagen, zoodat men niet dan over hun lijf heen kon uit- en ingaan. Op de plaats, waar Rasinski op de verschijning gevuurd had, was geen deur te vinden; het was die hoek der rug- en zijwanden van het kabinet, welke niet aan de zijde der zaal, maar aan de overige vertrekken grensde. Opmerkzaam onderzocht Rasinski het tapijtbehangsel. „Daar zit mijn schot!” riep hij en wees op eene beschadigde plek, waar de kogel was ingedrongen en nog in den muur zat. „Dus heb ik mij niet bedrogen! Hier moet eene geheime deur zijn.” Nieuwsgierig drongen de lieden om hem heen; Lodewijks hart klopte met angstig zoete verwachting. Daar schoot hem plotseling door de ziel, dat nu alles, wat hij gemeend had te droomen, wel waarheid zijn konde. „Neem dit tot een aandenken!” had de verschijning hem toegefluisterd. Driftig greep hij een handblaker en ijlde naar zijne kamer terug. Zijn eerste blik viel op het rustbed; hij ontdekte niets, maar toen hij nu ook de overige gedeelten van zijn vertrek zorgvuldig opnam, zag hij op den grond, in de nabijheid van het venster, iets wits blinken. Hij hief het op, het was een sluier. Toen het weefsel licht over zijne hand gleed, bespeurde hij eensklaps weder hetzelfde gevoel, dat hij vroeger niet geweten had, waaraan het te moeten toeschrijven; de sluier moest zijn gelaat bedekt hebben. Hij ontvouwde dien; de hoeken waren door eene striklis vastgeknoopt; haastig maakte hij ze los, glanzend goud werd zichtbaar; een groene steen blonk hem in de oogen. „Genadige hemel, is het mogelijk!” stamelde hij, en heete tranen stroomden over zijne wangen. Hij hield denzelfden armband in de handen, dien de geliefde aan den voet van den St. Bernard verloren had; hetzelfde dierbare kleinood, waaraan hij het eerst het geluk van haar schoon gelaat te mogen aanschouwen verschuldigd was. Buiten zichzelf wilde hij naar Rasinski toeijlen, toen hij tusschen de vouwen van den sluier een blad papier ontdekte. Met bevende hand trok hij de gouden naald, die het vasthield, terug en las met in tranen zwemmende oogen:

„O, waarom zocht gij mij, waarom den graaf Rasinski niet op! Wij stonden immers dicht bij de stad en ik zelf kwam er dagelijks.”

„Ach, had ik u gezien, ik zou misschien den moed gehad hebben, tot u zulk eene bede te richten; maar tegenover anderen hield eene onoverwinnelijke schaamte mij borst en lippen toegeklemd. Ook zag ik den graaf slechts eens op zijn prachtigen schimmel voorbijrijden; ik stond aan het venster, doch hij bemerkte mij niet.”

„De onmogelijkheid van het terugkeeren,” vervolgde het schoone meisje na eenig stilzwijgen, „dreef mij verder en verder in de akelige wildernis voort. Slechts voor de dagelijksche, dringende behoeften zorgde de ondernemer; voor het overige beloofde hij ons gouden bergen van Moskou, wellicht alleen, om elken anderen uitweg voor ons af te sluiten. De nabijheid der armee, de vaak voor mijn gevoel stuitende nachtverblijven, het gestadige, niet te vermijden verkeer met mannen deden mij besluiten, de mannelijke kleeding aan te nemen. Voor een groot voorrecht mag ik het houden, dat het mij gelukte, eene plaats op den bagagewagen van een generaal te krijgen, want ik ging nu voor een zijner bedienden door en de reis werd mij oneindig minder bezwaarlijk. Wij kwamen eenige dagen na den slag door het nog smeulende Smolensko. Hier wierp ik voor het eerst een blik op de gruwelen van den oorlog. Door afgrijzen versteend, bevend en half bewusteloos reed ik over den bloedigen weg voort, dien men door puin en lijken had gebaand, en zag aan beide zijden half verbrande lijken en zwarte menschenbeenderen opeengestapeld. Ik moest eindelijk het oog sluiten voor deze hartverscheurende beelden. Maar zij vernieuwden zich dagelijks. Misschien zag ik afgrijselijker tooneelen dan gij zelf; want gij snelt op de baan des roems rusteloos voort en werpt geen blik terug op de vreeselijke sporen van dood en verwoesting, die het langzaam wijkende monster des krijgs achterlaat. Maar ik heb ze gezien, die jammergestalten, aan den weg, die holoogige bleeke spooksels, die ons hunne doffe klachten tegenkreunden. Ik heb hen gezien en moest, schoon mij het hart brak, voorbijgaan, zonder hen te kunnen helpen. En in deze woestenijen van gruwel en ellende dreef mijne bestemming mij voort! Met elken tred onzer vermoeide paarden werd de terugkeer onherroepelijker gesloten. De stroom drong langzaam voorwaarts; ik zag, dat hij op mijn reddeloos verderf uitliep. Maar was ik in staat, alleen om te keeren en langs den weg terug te dwalen, waar ik bij elken voetstap op een lijk, op een stervende stooten moest? Hoe had daar, waar duizenden in den krijg geharde mannen versmachtten, wijl hunne krachten bezweken, een zwak, hulpeloos meisje den terugweg gevonden! Bijna waanzinnig door de onophoudelijke verschrikking, die mijne ziel verscheurde, liet ik mij door mijn lot meedrijven en dacht in doffe bedwelming aan geen tegenstand meer. Zoo hoorde ik het gedonder van den vreeselijken slag, zoo reed ik met gesloten oogen over het lijkenveld, waaruit reeds vergiftige pestdampen opstegen, en zoo eindelijk, dierbare vriend, bereikte ik deze stad. Daar elk hier met de in overvloed opengelaten ruimte naar willekeur handelt, geraakte ook ik in dit paleis, welks voorste vleugels eenige vrouwen bewonen, die hetzelfde lot met mij deelen, maar zich met lichtvaardigen moed, ik zou kunnen zeggen met schandelijke zorgeloosheid, daarin weten tevoegen. Zij hebben bovendien zoo spoedig innige betrekkingen aangeknoopt, dat de mijne met haar zoo goed als verbroken is. Zoo was ik dan al dadelijk in de eerste minuten het verlatendste wezen in deze reusachtige stad, in dit onmetelijk rijk. Vóór ongeveer een uur waagde ik, mijn stillen schuilhoek te verlaten; de angst dreef mij aan een anker in dezen nood op te zoeken. Eensklaps deed een gunstig gesternte mij u ontdekken en.... het overige behoef ik u immers niet meer te verhalen,” voegde zij er fluisterend bij en sloeg het schoone oog verlegen ter aarde.

Het wonderbare en verrassende der ontmoeting, de eenzame, vertrouwelijke plaats, de bevalligheid, welkeFrançoise Alisettezelfs aan de geringste bewegingen en uitdrukkingen wist te verleenen, het roerende en treffende van haar verhaal en hare levendige schildering, de gedachte aan hare vrouwelijke hulpeloosheid in het onstuimig woelen en stormen van den oorlog, bovenal echter de onweerstaanbare tooverkracht der tranen van haar schoon, blauw oog—dit alles oefende op het jeugdig hart des jongelings zulk een onuitsprekelijk vermogen uit, dat hij, eer hij het vermoedde, in het purperen net gevangen was, waarmede het bekoorlijke meisje hem omstrikte. Uit het vertrouwen, dat zij hem schonk, putte hij eene hem zelf anders onverklaarbare koenheid; het was hem, alsof zij nu haar gansche lot in zijne hand gelegd, alsof zij hem tot heer en meester van haar doen en willen gemaakt had. Met ras ontvlammenden gloed klemde hij zijne lippen op hare hand en trok de schuw weerstrevende nader tot zich. Zijne gloeiende wang raakte de hare; hij sidderde in zoete bedwelming; ook zij beefde in de armen, die hij koen om haar slanke gestalte sloeg.

„Zoet, engelachtig wezen,” sprak hij teeder vleiende, „wees mijne zuster, ik wil uw broeder zijn. Droog uwe tranen, wees niet meer angstig bekommerd over uw lot, nu zal alles, alles geleden zijn.”

„O hemel, hoe overstelpt gij mij met ongehoopt geluk,” riepAlisetteen neigde zich, als overweldigd door haar gevoel, tegen den vriend en verborg haar schoon gelaat aan zijne borst.

„Gij hebt mijne bruid later gezien dan ik,” sprak hij na eenige minuten. „O, vertel mij van haar! Was zij zoo treurig, zoo bedrukt, als hare brieven?”

Bij het woord bruid scheenAlisettekrampachtig te rillen; een gebroken, beklemd „ach!” rees uit hare borst op. „De schoone gravin Lodoiska heb ik weinig meer gezien,” sprak zij met moeielijk herwonnen kalmte; „den dag na den afmarsch was zij op het bal in het Saksische Paleis, waar ik verschijnen moest, om op het concert te zingen.”

„Op het bal?” vroeg Jaromir op een toon, die duidelijk te kennen gaf, dat dit bericht hem even onverwacht als onaangenaam voorkwam.

„De vorst Lichnowski geleidde haar.”

„Danste zij met hem?”

„Met hem alleen, ook slechts een paar maal. Den meesten tijd zaten zij samen in de vensternis en spraken. Zij reden ook vroeg naar huis, want de vorst bleef dien avond nog bij de gravin eten.”

Jaromir zweeg; een donkere gloed van toorn vloog over zijne wangen; echter onderdrukte hij de jaloersche neiging, die in hem opwelde. Neen, dacht hij eenige minuten later, zij bemint u teeder en hare droefheid was zoo oprecht en ongehuicheld, als hare brieven die afschilderden. Zou zij echter daarom het geleide van een vertrouwden vriend des huizes niet meer aannemen? Zou zij zich aan een openlijk feest, dat nog wel eene vaderlandsche strekking had, onttrekken? Gij doet haar onrecht!

In zijne open trekken hadFrançoisegelezen, wat in zijne ziel omging. „Gij zijt eensklaps zoo verstrooid, lieve vriend,” sprak zij met bezorgde deelneming, „de herinnering aan eene zoo schoone bruid moet inderdaad zeer roerend zijn. Schrijft zij u dikwijls?”

„Ik heb sinds den dag voor den slag geen bericht gehad. De laatste brief was uitTeplitz.—Maar zij schrijft dikwijls en met de aandoenlijkste liefde.” De laatste woorden sprak hij met eene ontroering, die scheen aan te duiden, dat hij over zijn argwaan berouw had. Doch opeens schoot hem te binnen: Waarom heeft zij u niet geschreven, dat zij op het bal geweest is? Zij heeft anders alles, wat haar wedervaren is, nauwkeurig bericht, dag voor dag hare levenswijze opgegeven—waarom....?

Alisettestoorde hem in deze gedachten. „Hoe gaarne had ik van de gravin en uwe bruid afscheid genomen! Maar het was mij onmogelijk. Driemalen liet ik mij aanmelden en vond telkens niemand te huis. De portier zeide mij, dat zij naar buiten gereden waren. Zij kwamen eerst laat weder in de stad en den morgen daarop wekte mij de wegrollende wagen.”

„Naar buiten?” vroeg Jaromir vol verbazing, want ook daarvan had men hem geheel onkundig gelaten. „Waarheen? Kent gij de plaats?”

„Neen,” antwoordde het meisje kennelijk verlegen,„die poolsche namen kan ik zoo moeielijk onthouden.”

„Misschien Wikzolky; het goed van haar oom? Of Pulawy, waar vorstin Czartoryski woont?”

Alisetteontkende zulks door eene lichte beweging met het hoofd.

„Maar naar wien dan? De naam des bezitters zult gij toch kennen?”

„De portier wist het niet,” hernamAlisetteaarzelend.

„Dat is onmogelijk, lieve! Als hij de plaats kent, weet hij ook wie er woont.—Ik bezweer u, meisje, spreek de waarheid!” riep hij eensklaps met opbruisende heftigheid.Alisettebeefde verschrikt terug.

„Mijn God!”

„De waarheid! Was het Czarnowicki?”

„Ik geloof ja!”

„Daar woont Lichnowski!” riep Jaromir en sprong woedend op. „Zij is trouweloos, is zoo valsch als eene vrouw! Zij verzweeg mij dat bezoek; dat had zij nooit gedaan, was zij onschuldig geweest! Een dagboek zond zij mij; van elk uur, elke minuut gaf zij rekenschap. Eene heilige kon niet stiller, ingetogener leven. O de huichelaarster!” Tranen welden in de oogen des jongelings op; hij wischte ze verdrietig af en stampte met den voet op den grond. „Het is waarachtig ook nog de moeite waard, dat een man als een kind om haar schreien zou!” Doch zijne tranen vloten slechts des te sterker.

Alisettewas sidderend, zonder een woord te durven spreken, blijven zitten; zij geleek een kind, dat onverhoeds een groot ongeluk heeft aangericht en, van schrik verbleekt, zonder eene poging tot afwending te wagen, het wassende verderf bevend aanziet. „O, wees toch bedaard,” bad zij eindelijk vleiend: „zet u weder naast mij. Zeker, gij doet der arme schreeuwend onrecht.”

„Neen!” riep hij heftig, „ik doe haar geen onrecht! Onwillens hebt gij, lieve, meer verraden, dan gij vermoeden kunt! Zeg mij thans de volle waarheid. Wat weet gij verder?”

„Werkelijk niets,” hervatte zij, door den smeekenden toon de vraag ontwijkende.

„Alisette?” bad Jaromir onstuimig en zette zich weer. „Alisette! Gij hebt hulp en bescherming van mij afgesmeekt! Thans heb ik u meer noodig, dan gij mij, best meisje! O gij zijt goed, zeg mij alles, ik bid u, alles wat gij weet en denkt.”

„Waarlijk, ik weet niets, en wat ik denk—dat mag ik niet denken. O, dat ik mij een zoo ongelukkig woord moest laten ontvallen!”

„Slechts één ding zeg mij,” sprak hij met verkropte woede en smart,—„is vorst Lichnowski de gravin naarTeplitzgevolgd?”

„Hij reisde denzelfden dag af,” antwoorddeAlisettenauw hoorbaar.

„O,gijzijt goed—gijhadt mij niet zoo verraden,” riep hij met diepe ontroering, trok de zacht weerstrevende aan zijn hart en neigde het zware voorhoofd tot haar neder. „Maar ik wil haar vergeten! Zij zal de voldoening niet hebben, dat een man om haar weent. Ik dacht slechts aanhaarin den slag. Slechtshaarbeeld stond voor mijne ziel; ik zag geen dood, geen gevaar. Het scheen mij zoet te sterven, wanneer men zoo betreurd werd—nog zoeter scheen het mij te leven! O, hoe waanzinnig was die wensch! Waarom lig ik niet liever bij de vrienden op de vlakte; daar zou ik rust vinden!”

„En ons brak het hart!” riepAlisettesmartelijk uit en scheen van schrik en schaamte te rillen, toen het woord aan hare lippen ontvloden was. De uitroep, dien de macht van het te vergeefs bestreden gevoel haar ontwrongen had, wierp een helderen lichtstraal in de verborgenste diepte harer ziel.

Zij bemint u, dacht Jaromir en dat denkbeeld begon hem met gloeiend leven te doordringen; zij bemint u waarachtig en heeft dat gevoel bestreden en bedwongen in hare maagdelijk schuwe borst. Hoe kon uw oog dat bekoorlijk wezen onachtzaam en miskennend voorbijzien! O, het is eene wonderbare beschikking des hemels, die u in dit oogenblik der diepste smart dezen engel van troost toezendt.

Na de onwillekeurige bekentenis hadAlisettete vergeefs getracht, zich uit Jaromirs driftige omarming los te winden, om hem te ontvlieden; hij hield haar met klimmende liefde omstrikt; doch zij verborg hare van schaamte gloeiende wangen schuw aan zijne borst.

„Neen, richt u op, zie mij aan, aanminnig wezen. Gij bemint mij? Mag ik het hopen, het uitspreken? O thans eerst, in dit oogenblik eerst weet ik, wat liefde is. Hoe koud wasLodoiska'somarming!”

Hij drukte zijne heete kussen op de lippen der hem flauw afwerende; haar tegenstand was krachteloos tegen zijne onstuimigheid.

De donkere gestalte van zijn boozen demon trad ongezien achter hem, hief de dreigende hand op en hield ze boven zijn hoofd uitgestrekt.—„Nog ééne schrede en de koude, vreeselijke aanraking treft uwen schedel en de vergiftigde adem dringt doodelijk in uwe borst. Is geen goede genius u nabij? Treedt de reine gestalte der geliefde niet tusschen u en het drogbeeld, dat u omstrengelt? Geen beschermengel waakt over u—gij zinkt in het net der verdervende machten!”

„Wilt gij de mijne zijn? Eeuwig de mijne?” smeekte Jaromir met teederen aandrang.„Kunt gij hem vergeven, die u miskende, die den zuiveren diamant van uw hart blind voorbijging?Alisette, ik heb zwaar onrecht jegens u goed te maken! Maar vergeef mij—vergeef den onzinnige!”

„O onuitsprekelijk geluk!” stameldeAlisetteuit en omstrikte hem met hare blanke armen. Haar boezem vloog, hare lippen gloeiden aan de zijne, haar adem stierf wegin zijne kussen. Jaromir sidderde in huiverende verrukking. De bruisende kracht der jeugd stormde door al zijne zinnen. Tot hiertoe had hij slechts de reine offervlam der liefde gekend, van verre staande hare bezielende warmte ondervonden, haar heiligen glans vereerd. Roekeloos trad hij het heiligdom te na. Als gloeiend metaal rolde thans het vuur door zijne aderen, de vlam greep den zoom van zijn kleed aan, sloeg in verterende woede over zijn hoofd te zamen en—het heldere maanlicht der gelouterde liefde verbleekte voor den onstuimig losbrekenden vulkaan zijner hartstochtelijke driften.

Met angstige gejaagdheid ontwaakteAlisetteuit hare bedwelming en wilde zich uit de omhelzing des geliefden losrukken; doch hij liet haar niet los.„De mijne zijt gij voor altijd,” riep hij, „die gelofte zal ik houden. Gij, de trouwe, de minnende, neem dezen ring. Dit gouden teeken zij de getuige van ons verbond. Het is heilig gesloten, het is onverbrekelijk.” Hij trok Lodoiska's ring van zijn vinger en stak hem aan dien vanAlisette. Zij hing sprakeloos aan zijne borst. „O, ik ben eene misdadige,” riep zij eindelijk uit, „eene zwaar misdadige! Maar gij, gij zijt er de oorzaak van, voor u heb ik die zonde op mijne ziel geladen. Gij moogt mij niet verstooten.” En met nieuwe kussen en tranen hing zij aan zijne lippen. „Laat mij het u slechts bekennen! Schoon uiterlijke omstandigheden mij ook met harden nooddwang herwaarts dreven, een machtiger aandrang des harten had mij toch het eerst op deze gevaarlijke baan gevoerd. Een geheime stem in mijn binnenste voorspelde mij, dat ik door de ster van mijn geluk geleid werd. Mijn oog hing met tranen aan haar vertroostend schijnsel, maar mijn zwak gelooven en hopen waande haar ongenaakbaar hoog. En nu, daar de vervulling mij met geluk overstelpt..... nu.....”

Weenend verborg zij het gelaat in haar kleed, maar hield met den arm den geliefden jongeling teeder omvat.

„Gij eenig geliefde! Is het dan waar, dat gij mij bemint?” sprak zij vleiende en liefkoozende, daar hij stom en sprakeloos voor haar stond.

De blakende gloed was uitgedoofd; Jaromir zag thans, welke verwoestingen de verterende vlam om hem had aangericht. Eene koude, akelige rilling van berouw drong hem door de borst. „Of ik u bemin?” vroeg hij met somberen weemoed. „Buiten u heeft thans de aarde niets meer voor mij! Gij zijt het eenige gesternte, dat voor mij flonkert—mochtgij!—neen, neen!—gij zult voor mij eeuwig glanzen. Gij zoete geliefde! Uwe zachte hand heelde immers de gloeiende wonde, door welke eene giftige verraderes mijn boezem zoo gruwzaam verscheurde! O, gij waart mijn goede engel in een vreeselijk uur!”

Hij leunde zijn voorhoofd tegen het hare; zijne tranen vloeiden onophoudelijk. Hoe hij het zich ook trachtte op te dringen, thans eerst gevoelde hij het,—hij was toch niet gelukkig! Een wervelwind had hem hoog op het toppunt des levens gedragen, maar onder zijne voeten voelde hij geen grond; de storm trok de vleugels in en met dezen zonk hij dieper en dieper neder. Slechts naar de lichtende starren boven hem hief hij de oogen angstig op.

De doffe slag eener torenklok, die negen malen door den stillen nacht drong, deed beide minnenden uit hunne verdooving ontwaken.

„Gij moet weg,” riepAlisette,—verschrikt opspringende; „als men u hier vond, was ik verloren!”

„Verloren? Wie kan na den band, dien wij gesloten.....”

„Om aller heiligen wil, ik hoor gerucht,” viel zij hem haastig in de rede; „de deur wordt geopend, de klank dringt door de holle gangen tot hier door. Wij hier in het donker—wanneer men ons vond!—Geliefde, als u mijn leven, mijne eer dierbaar is, dan verlaat mij nu! Gij weet niet, wat een vrouwenhart gevoelt! Mij zou de schaamte vernietigen, wanneer de vrouwen—o, ik bid u, ik smeek u, ontvlucht! Nog is het tijd! Hier door deze deur naar den tuin!”

Zelve gaf zij hem de sabel, die hij afgelegd had, in de hand en drong hem met angstvallige liefkoozingen te gaan.

„Gij schuwe ree!” sprak hij weemoedig glimlachend. „Hoe bekoorlijk is deze schaamte! Wees gerust, gij moogt het oog opslaan tegen velen, die zich vlekkeloos achten, want zuiver is uwe ziel; uw hart blijft een ongeschonden heiligdom!”

„O, pijnig dat hart dan niet langer!” smeekte zij. „Wanneer gij mij lief hebt, ga dan! Het zij het eerste bewijs, dat gij mij van uwe teederheid geeft.”

Hij omarmde haar nog eenmaal, kuste met vuur hare bevende lippen en verliet hierop stil en haastig het vertrek.

„Leef wel! Morgen! Morgen!” fluisterdeAlisettehem teeder na en verdween. Ongemerkt bereikte Jaromir den tuin. Hij wilde thans onderzoeken, of deze werkelijk aan de straat grensde, waar zijn bivak lag, en doorsneed derhalve in die richting de duistere heesterperken. Na eenige minuten stiet hij op een muur en vond na kort zoeken eene deur, die slechts van binnen gegrendeld was. Met forsche kracht schoof hij de ingeroeste grendels af en stond inderdaad, gelijk hij vermoed had, nauwelijks honderd schreden van de wachtvuren zijner manschappen. Deze heimelijke weg, die hem der geliefde als in de armen voerde, was hem een nieuw onderpand van zijn geluk, een nieuwe wenk van het lot. En schoon zijn hart nu nog bloedde aan de plaats, waar hij de zachte banden, die hem tot hiertoe ketenden, gewelddadig had losgescheurd, zoo voelde hij toch ook den verzachtenden balsem, dien de hand van het noodlot hem reikte.

Toen Bernards kalmte langzamerhand was teruggekeerd, en Rasinski en Lodewijk met warmte daarop aandrongen, verhaalde hij hun eindelijk, bijna met de oude, ruwe luim, zijn avontuur te Warschau met de zonderlinge schijnverwisseling der ringen. „Zoo ben ik dan met een nieuwen titel uitgedoscht,” besloot hij, gedwongen schertsend; „en kan mij den broeder eener onbekende noemen; want zij was jong en schoon, dat bezweer ik, trots den sluier, die haar omhulde. Zij kon wel is waar ook mijne moeder zijn, maar dan ware de ontmoeting niet half zoo romantisch.”

Nog nooit had Lodewijk een zoo diepen blik in het hart des vriends geworpen, als op dit oogenblik. Bernard, die zich met zelfstandige kracht van alle ketens des levens en der betrekkingen wist los te rukken, wiens stout, koen hart de vrijheid hooger scheen te schatten, dan zelfs de zoetste banden der liefde; hij, die vaak zoo ruw tegen de zachtere verbindingen des levens optrad en haar met eene vastheid, die Lodewijk verbaasde, trotseerend toeriep: Gaat, gij hebt mij niet opgezocht, gaat dan,ik heb u ook niet noodig; de gewoonte, om alleen te staan, heeft mij de kracht daartoe gegeven; ik ben mijzelf genoeg!—deze ruwe, geharde borst van rots en steen brak en smolt week, ja vernietigd te zamen alleen bij de voorstelling, dat een liefelijk wezen, door de teedere banden des bloeds aan hem verwant, hem was voorbijgezweefd, zonder dat hij het herkend en aan de onder het koude omkleedsel zoo vurig gloeiende borst geklemd had. Met welk eene ontroering beschouwde Lodewijk in dit oogenblik den vriend, die het weekste, het meest liefdevolle hart met een ijzeren harnas van zelfverloochening en wilskracht hield ompantserd. Voorzeker wist hij sinds lang, dat onder het harde marmer zijner borst geen hol graf, geen koude aschkruik rustte; doch deze macht van den innerlijken, diep verholen gloed der liefde had hij tot hiertoe bij hem noch gekend, noch vermoed.

„Ziet gij! Zulk een dwaas, zulk een droomer ben ik,” sprak Bernard na een ernstig stilzwijgen, „op zulke sporen in het stuifzand bouw ik den babylonischen toren mijner luchtkasteelen! Lacht mij maar duchtig uit, dat long en lever schudden; waarachtig, gij hebt er recht toe, want als men de trouwringen van onzen aardbol of slechts die van eene enkele stad als Moskou of Dresden op een hoop schudde, zouden er tweelingbroertjes bij dozijnen onder zijn, en ik kon ten minste op zooveel vaders, moeders of zusters aanspraak maken, als de boheemsche graaf, die men teDuxziet afgebeeld, zoons had,—vier en twintig namelijk. Wanneer ik thans alles bedaarder naga, moet ik betuigen, dat ik, ware er niet de nacht en een romantisch avontuur bijgekomen, aan het gansche geval niet langer zou gedacht hebben, dan ik tijd noodig heb, om dien nietigen ring van den vinger te schuiven. Wij kunstenaars, want daar reken ik mij nu eens onder en houd palet en penseel voor mijn rechtmatig diploma, zijn echter vaak dweepende, maanzieke narren en, geloof mij, ik ben in dat opzicht niet de minste onder de broeders. Dus, lacht mij uit, en daarmede basta!”

Maar niemand lachte en Bernard zelf vermocht het slechts gedwongen met de lippen.

„Ik heb besloten te handelen, gelijk ik tot hiertoe gedaan heb,” ging hij voort, daar niemand antwoordde. „Wil het noodlot mij iets van mijne geheime betrekking bekend maken, goed dan, ik heb er niets tegen, ik zelf echter raak de gordijn met geen hand of vinger aan. De gesluierde gestalten kan ik mij zoo lief en bekoorlijk droomen als ik wil, de ontsluierde, de hemel weet, met wat leelijke tronies die mij misschien konden aangrijnzen! Jong en schoon was het wezen, dat ik ontmoette, dat weet ik zeker; daarom wil ik het als eene zuster of halfzuster beschouwen. Onze gansche ontmoeting was die van broeder en zuster; zijn wij het niet, zoo wil ik toch ten minste den droom vasthouden en geen platte werkelijkheid zal mij daaruit onaangenaam wekken. Ik heb altijd een hekel gehad aan het hanengekraai; vooral wanneer het gillend tusschen de muziek van een droom inkakelt en ons uit de hemelsche gewesten, waardoor wij meenden rond te zweven, op eene harde stroomatras neerbonst, waarop wij lui en liederlijk de matte leden uitrekken. Maar waarlijk, vrienden, het is tijd daartoe; ik heb slaap en ga naar bed. Goeden nacht!”

Hij stond op en ging heen. Lodewijk volgde en wilde hem in de eenzaamheid warm aan het hart drukken. Nu voelde hij, dat Bernards wang vochtig was; doch geen woord, geen klaagtoon kwam over zijne lippen, hij rukte zich met fierheid los en sprak slechts: „Goeden nacht, broeder.”

Lodewijk keerde naar Rasinski terug. Thans eerst trad hem de verrassende wending zijner eigene levensbetrekkingen weder levendig voor den geest. „Het is zonderling,”sprak hij tot den ouden vriend, „ik win niets, ik verlies niets bij de verwisseling van naam en het naricht van mijn vader, dien ik reeds sedert twintig jaren gewoon ben onder de dooden te tellen, en toch is het mij, alsof ik onberekenbaar veel gewonnen en tegelijk verloren had.”

„De mogelijkheid van beiden moet in den beginne natuurlijk levendig bij ons opkomen,” antwoordde Rasinski; „echter geloof ik, dat Bernard gelijk heeft, als hij beweert, dat die indrukken van lieverlede bijna geheel verdwijnen. Wij hebben immers zoo even gezien, hoe de plotselinge verrassing hem onweerstaanbaar met zich voortsleepte; de golven zijner ziel stortten bruisend over elkander als een woeste waterval; thans zien wij dien stroom hoogstens nog met driftige vaart tusschen de oevers voortrollen.”

„Het is mogelijk des te dieper!”

„Mogelijk!—doch ten laatste verloopt ook de Rijn in het zand. Wonden, smart, hoop, verwachting, niet telkenreize uit nieuwe bronnen gevoed, geloof mij, als uw ouderen vriend, zij drogen eindelijk uit, al dreigden zij in den beginne ook alle dijken en oeverdammen te vernielen.”

Lodewijk las Maria's brief nog eenmaal door en verdiepte zich in stille mijmeringen over deze nieuwe, onvermoeide wendingen, waarmeê de stroom zijns levens voortwentelde. Rasinski, niet minder in sombere gedachten verloren, wandelde het vertrek op en neder. Thans sloeg het negen uur.

„Bernard heeft gelijk,” dus brak de laatste het stilzwijgen af; „de vermoeide natuur laat zich niet afwijzen. Wij moeten ons ter rust leggen. Wie weet, welke stoornis de nachtelijke uren medebrengen; want, onder ons, ik ben nog altijd ver van gerust in deze verlatene, doodsche stad. Telkenreize komt de gedachte aan de vloot der Grieken bij mij op, die van Troje onder zeil ging, om 's nachts terug te keeren.”

Deze woorden herinnerden Lodewijk eerst weder aan de ontdekkingsreis, welke zijn vriend gedaan, maar door de aankomst der brieven uit Duitschland vergeten had, aan Rasinski mede te deelen. Hij verhaalde nu alles, wat Bernard wilde gezien hebben.

„Hm! Is dat zoo, dan behoeven wij niet dadelijk voor vijandelijkheden bevreesd te zijn!” antwoordde de overste. „Waarschijnlijk zijn het schuwe bedienden of oude zieke lieden, die niet meer ontvluchten konden en zich hier verborgen hebben, daar zij bevreesd voor ons waren. Rostoptschin doodverft ons in al zijn berichten als moordenaars en tempelschenders, men kan het dus het arme volk niet ten kwade duiden, dat het zich voor zulke monsters tracht schuil te houden. Laat ons de lieden ten minste nog dezen nacht rust gunnen. Morgen wil ik het gansche slot laten doorzoeken. De wacht aan de poort, mijne bedienden, die in de voorzaal slapen, en vooral wij zelven verschaffen ons genoegzame zekerheid. Ook kunnen wij ons immers slagvaardig houden en ons gekleed en met onze wapens neerleggen. Dit verontruste u dus niet; verbeeld u slechts nog dezen nacht op het bivakteliggen.—Goeden nacht, lieve vriend! Ik denk, de dag van morgen zal voor ons gewichtig zijn.”

Lodewijk ging. Toen hij door de lange zaal trad, welke zijn slaapvertrek van dat van Rasinski scheidde, werd het hem bijna angstig om het hart in de wijde, eenzame ruimte, waar elke schrede, elk geritsel langs de holle wanden fluisterend voortkroop. Hij kwam in zijne kamer; die van Bernard stond open; hij zag naar binnen; de vriend was er niet.

„Ik dacht dadelijk wel, dat hij niet slapen ging,” mompelde Lodewijk. „Voorzekergaat hij voor zijn geschokt hart in nacht en eenzaamheid rust zoeken. Als hij zich maar niet te onvoorzichtig midden in de vreemde stad waagt!”

Onrustig trad hij aan het venster en zag zijne kameraden aan de vuren in diepen slaap liggen. Een officier waakte nog en ging met rassche, ongelijke schreden de straat op en neder; bij het vuurschijnsel herkende hij Jaromir. Om te vernemen, of deze ook iets van Bernard wist, begaf hij zich naar beneden.

„Goeden avond, vriend; hebt gij Bernard zien uitgaan?” vroeg hij den jongeling, die, zonder hem te herkennen, met driftige schreden wilde voorbijsnellen.

„Wat wilt gij? Wie zijt gij?” met deze woorden richtte hij bevreemd en blijkbaar verdrietig het hoofd op.—„Ach Lodewijk! zijt gij het,” vervolgde hij langzaam en op een somberen toon, toen hij den vriend herkende. „Gij komt juist als geroepen. Hebt gij lust, een brief van Lodoiska te lezen? Eerst voor een half uur, toen ik van eene wandeling door de stad terugkwam, heeft Boleslaw mij dien overhandigd.—Hebt gij ook brieven gehad?”

„Jawel! en van een zonderlingen aard!”

„Van een zonderlingen aard is deze ook!—Daar, lees!”

„Gij vergeet, vriend, dat ik nog te weinig met het poolsch gevorderd ben; maar lees gij hem mij voor.”

„Voorlezen! Ach!” Hij zuchtte, bedekte zijne oogen en voorhoofd met de hand en streek er meermalen over heen, alsof hij eene drukkende hoofdpijn tot bedaren zocht te brengen.

„Zijt gij ongesteld, vriend?”

„Hoofdpijn!—Het woeste soldatenleven bedwelmt mij somwijlen.—Voorlezen kan ik den brief waarachtig niet! Het vuur verblindt mij te zeer, mijne oogen gloeien. Morgen misschien.”

„Gij schijnt in eene treurige stemming, goede Jaromir. Hebt gij bedroevende tijding ontvangen? Rasinski heeft ons nog geen woord gezegd, schoon hij brieven van zijne zuster heeft.”

„Van zijne zuster!—Wat zal die hem ook schrijven! Ach Lodewijk! Ik wenschte dat ik bij mijne kameraden aan de redoute lag!”

„Mijn God!” riep Lodewijk verschrikt, „wat deert u dan? Wat schrijft u Lodoiska? Zeg het mij ten minste, wanneer gij niet lezen kunt.”

„Neen, ik wil lezen, al zouden mij de oogen uit het hoofd springen!” riep hij hevig, nam den brief opnieuw uit zijn boezem en trok Lodewijk met zich naar het groote wachtvuur, waar beiden zich op het stroo nederwierpen. Jaromir las:

„Teeder geliefde Vriend!„Eindelijk keeren wij naar de vaderstad terug. Nog eenige minuten en wij zijn op weg naar Warschau, waar ik weder ettelijke uren nader bij u ben, die onophoudelijk verder en verder voorttrekt. O mijn geliefde, wanneer zal die verschrikkelijke oorlog toch een einde nemen? Wanneer keert gij uit die ruwe wildernissen tot mij terug? Hoe liefderijk zullen deze armen u omvangen! Ach Jaromir, ik heb vaak droeve, akelige uren en verbeeld mij dan, dat eene zwarte gestalte ons geluk dreigt te vernietigen. Een warm, innig gebed tot de heilige Moedermaagd is dan mijn eenige troost. Alles wat de vrienden, die mij omgeven, beproeven, om mij op te beuren, stuit op mijneborst af, maar het gebed dringt tot diep in het hart. Bidt ook gij, mijn dierbare; laat door het wilde gewoel en de gestadige verstrooiing van den krijg de heilige stem niet tot zwijgen brengen, die ons deemoedig en vertrouwend voor den Almachtige doet nederzinken. Wie zal u in den slag beschermen, als Hij het oog van u afwendt? Maar Hij verlaat niemand, die zich met een kinderlijk hart tot Hem om bijstand wendt. Lieve Jaromir! Uwe reine, schoone ziel vol jeugd en hoop, leg haar dagelijks zoo vertrouwelijk en oprecht voor den Hemelschen Vader open, als gij ze voor mij ontsloten hebt. Spot niet met de zwakheid van het meisje, dat u tot gebed en godsvrucht aanmaant, daar zij zelve daarin haar eenigen troost vindt. Ik weet wel, de man verbeeldt zich sterk te zijn, ook zonder goddelijken bijstand. Maar het is eene dwaling, geliefde. Voor Hem zijn de zwakken sterk; want zij staan onder Zijne bescherming, en de sterken zinken neer, als Zijn adem over hen heenblaast. Sterk, onoverwinnelijk voel ik mij, wanneer ik mij in een vurig gebed tot den troon des Allerhoogsten gewend heb; dan zie ik den engel des Heeren u geleiden en beschermen met zijn machtig schild; dan lacht mij de zon eener gelukkige toekomst vertroostend toe. Wel keeren de sombere uren van angst en beklemdheid somwijlen terug, gelijk de nacht na elken dag wederkeert, maar ik zie toch altijd lichtende starren door het duister blinken en de uiterste rand des hemels blijft met gouden ochtendglans omzoomd. Spoedig, geliefde, ben ik nader bij u, in de vaderstad, waar alles, tot zelfs de taal der menschen, mij u voor den geest roept. Ik zal mij daar veel gelukkiger gevoelen dan hier!—Juist komt de wagen aanrollen. Vaarwel! Vaarwel! Duizend engelen mogen u beschermen en gelukkig tot mij terugbrengen. Ach, wanneer zal die dag eens komen, dat gij weder in de armen rust vanUweLodoiska.”

„Teeder geliefde Vriend!

„Eindelijk keeren wij naar de vaderstad terug. Nog eenige minuten en wij zijn op weg naar Warschau, waar ik weder ettelijke uren nader bij u ben, die onophoudelijk verder en verder voorttrekt. O mijn geliefde, wanneer zal die verschrikkelijke oorlog toch een einde nemen? Wanneer keert gij uit die ruwe wildernissen tot mij terug? Hoe liefderijk zullen deze armen u omvangen! Ach Jaromir, ik heb vaak droeve, akelige uren en verbeeld mij dan, dat eene zwarte gestalte ons geluk dreigt te vernietigen. Een warm, innig gebed tot de heilige Moedermaagd is dan mijn eenige troost. Alles wat de vrienden, die mij omgeven, beproeven, om mij op te beuren, stuit op mijneborst af, maar het gebed dringt tot diep in het hart. Bidt ook gij, mijn dierbare; laat door het wilde gewoel en de gestadige verstrooiing van den krijg de heilige stem niet tot zwijgen brengen, die ons deemoedig en vertrouwend voor den Almachtige doet nederzinken. Wie zal u in den slag beschermen, als Hij het oog van u afwendt? Maar Hij verlaat niemand, die zich met een kinderlijk hart tot Hem om bijstand wendt. Lieve Jaromir! Uwe reine, schoone ziel vol jeugd en hoop, leg haar dagelijks zoo vertrouwelijk en oprecht voor den Hemelschen Vader open, als gij ze voor mij ontsloten hebt. Spot niet met de zwakheid van het meisje, dat u tot gebed en godsvrucht aanmaant, daar zij zelve daarin haar eenigen troost vindt. Ik weet wel, de man verbeeldt zich sterk te zijn, ook zonder goddelijken bijstand. Maar het is eene dwaling, geliefde. Voor Hem zijn de zwakken sterk; want zij staan onder Zijne bescherming, en de sterken zinken neer, als Zijn adem over hen heenblaast. Sterk, onoverwinnelijk voel ik mij, wanneer ik mij in een vurig gebed tot den troon des Allerhoogsten gewend heb; dan zie ik den engel des Heeren u geleiden en beschermen met zijn machtig schild; dan lacht mij de zon eener gelukkige toekomst vertroostend toe. Wel keeren de sombere uren van angst en beklemdheid somwijlen terug, gelijk de nacht na elken dag wederkeert, maar ik zie toch altijd lichtende starren door het duister blinken en de uiterste rand des hemels blijft met gouden ochtendglans omzoomd. Spoedig, geliefde, ben ik nader bij u, in de vaderstad, waar alles, tot zelfs de taal der menschen, mij u voor den geest roept. Ik zal mij daar veel gelukkiger gevoelen dan hier!—Juist komt de wagen aanrollen. Vaarwel! Vaarwel! Duizend engelen mogen u beschermen en gelukkig tot mij terugbrengen. Ach, wanneer zal die dag eens komen, dat gij weder in de armen rust van

UweLodoiska.”

„Dat edele, goede meisje! Enkel liefde, vertrouwen, onschuld en waarheid!” riep Lodewijk, toen Jaromir geëindigd had. Deze wierp zich met onstuimigheid aan zijn hart en drukte zijn gloeiend gelaat tegen de borst van den vriend. Lodewijk kon niet vermoeden, wat den jongeling zoo hevig ontroerde, en waande, dat het de overmaat van verlangen naar de verwijderde geliefde was.—„Wees een man, Jaromir,” sprak hij bemoedigend, „de dag des wederziens zal aanbreken; hij is misschien niet verre meer.”

Jaromir bleef in die houding, zonder een woord te antwoorden. Vreeselijke gedachten pijnigden zijne ziel. Ongelukkig zijt gij, riep de stem in zijn binnenste, wanneer dit niet de taal der waarheid is, dubbel ellendig, wanneer zij het is!

Daar hij bij voortduring zweeg en den vriend steeds vaster omklemde, vroeg Lodewijk eindelijk, om aan zijne gedachten een andere wending te geven, naar Bernard.

„Ik heb hem niet gezien,” antwoordde Jaromir zich oprichtende en het hoofd schuddende; „ik heb niemand, niets gezien!—Lodewijk! ik moet u verlaten, ik moet alleen zijn! Ik bid u, laat mij alleen!”

Lodewijk zag hem ontroerd na, toen hij opsprong en, met overhaaste schreden de straat opgaande, in het duister verdween.

Zouden dan al mijne vrienden heden in zulk eene spanning verkeeren, dacht hij, zoodat ik vreezen moet, dat zij door den drang hunner innerlijke gewaarwordingen en aandoeningen de uiterlijke wereld en hare gevaren vergeten? En heb ik zelf niet wellicht de sterkste oorzaken tot eene gelijke stemming? Van waar dan, dat mijn hart zooveel rustiger slaat? Ach—wijl ik mij reeds onder het ijzeren juk van het lot gebogenheb, wijl mijne hoop niet meer zoo frisch bloeit en de warme, bruisende ader der vreugde lang heeft uitgebloed?—Op denGotthardwas ook ik niet zoo kalm en rustig. En ben ik het dan thans werkelijk? Of ben ik slechts vermoeid?

Langzaam keerde hij naar zijne kamer terug. Hij trad aan het venster, om te zien, of geen der beide vrienden zou terugkeeren. Een vol uur verliep, alles bleef stil. De vuren waren bijna verteerd; slechts een doffe, smeulende gloed glom nog te midden der zwarte, op den grond gelegerde gestalten. Men hoorde de diepe, zware ademhaling door het zwijgen van den nacht; zelfs de vuurwachten werden door den slaap overweldigd en sluimerden in. Eene doodsche stilte lag over de gansche, onmetelijke stad uitgebreid.

Eindelijk werd ook Lodewijk door zijne vermoeidheid overmand; hij sloot het venster, hulde zich in zijn mantel en wierp zich op het in den hoek staande rustbed neder. De bezorgdheid over Bernard en Jaromir hield hem nog eene poos wakker, doch zij verloor zich meer en meer in de nevel der sluimering, die hem langzaam bekroop; spoedig klonken de verontrustende gedachten hem nog slechts als een verwijderd bruisen der zee, als een doffe, in de verte wegstervende donder door de ziel; zij werden gestadig dichter omsluierd, weken gedurig verder in het ledig der wijde, donkere ruimte terug. Eindelijk zonken hem de matte oogleden toe en hij lag in diepen slaap. Doch de ziel werkte onrustig voort in het vermoeide lichaam, en deed bonte, begoochelende droombeelden op den zwarten achtergrond van den nacht voorbijzweven.

Nu zag hij zich in de hitte van het gevecht en stortte, rondom door vijanden omsingeld van zijn paard ter aarde. Dan zweefde hem eene vriendelijke gedaante uit het vaderland te gemoet; zijne moeder stond voor hem en wenkte hem haar te volgen. Zij voerde hem in de vertrouwelijke woonkamer, kuste hem en vroeg: Waar zijt gij dan zoo lang geweest, mijn zoon?—Eene zachte aandoening verteederde zijn hart; hij smaakte in den droom de vreugde des wederziens, der hereeniging, van welke de werkelijkheid hem zoo gruwzaam verstoken hield.—Hij was op de wandelplaats tePillnitz; de lieve gezellinnen zijner jeugd verzelden hem. Eensklaps ontglipte hem een kreet van blijde verrassing, want Maria kwam uit de donkere lindenlaan te voorschijn en ging arm in arm met Bianca, die zich zoo vertrouwelijk aan haar aansloot, alsof beiden zusters waren. „Zoo, hebt elkander lief, gij dierbaarsten, die ik op aarde bezit,” sprak hij in zijn droom, en een zalig lachje speelde om zijne lippen. Hij wilde nader treden, haar de hand reiken, de armen ter omhelzing uitstrekken, maar een vreemde hield hem terug. Het was Rasinski, die hem gelastte, dadelijk te paard te stijgen. De schoone gestalten verdwenen, hij zag zich weder te midden van het onrustige woelen en warren van den veldtocht; lange, onafzienbare rijen soldaten trokken hem voorbij; hij sloot zich bij den trein aan, en toch rezen onophoudelijk nieuwe gestalten vóór, achter en nevens hem op en zweefden strijkelings langs hem heen. Verwijlen en voorwaarts dringen geschiedde in hetzelfde oogenblik,gelijk zoo dikwijls het dubbele en tegenstrijdige in den droom. Thans verbeeldde hij zich, Moskou binnen te trekken; hij reed met Bernard en Rasinski door de straten, die zich in onafzienbare verte voor hem uitstrekten. De huizen en paleizen van den omtrek mengden zich voor zijne blikken tot een verwarden chaos dooréén: hij zag steeds het huis voor zich, dat hij bewoonde, maar gestadig drongen nieuwe straten daartusschen in, eer hij het bereiken kon. Met elke schrede scheen zich de weg te verlengen. Eindelijk stond hij met beide vrienden voor de breede poort; Petrowski hield den teugel, zij stegen af en beklommen de trappen. Uitgeput van vermoeidheid legde hij zich in den droom in hetzelfde vertrek, op hetzelfde bed neder, waar hij werkelijk sliep. Droom en werkelijkheid begonnen zich thans zonderling dooreen te mengen. Hij hoorde het aanroepen van den schildwacht, die beneden zijne vensters werd afgelost, en ontwaakte. Daar echter zijn geopend oog dezelfde beelden zag, als het sluimerende, namelijk het door den matten glans der wachtvuren flauw beschenen vertrek, daar zijn wakend oor dezelfde tonen hoorde, die hij in den slaap vernomen had, zoo deed de bedwelming, die nog op zijne zinnen rustte, schijn en waarheid onafscheidelijk dooréénsmelten. Zoo zag hij, half droomend, half wakend, de deur zijner kamer langzaam openen en eene in het zwart gekleede, gesluierde gestalte, die eene flauw schemerende lamp in de hand droeg, binnentreden. Als eene geestverschijning zweefde zij op hem toe; thans stond zij dicht voor zijn leger stil en sloeg het floers terug dat haar gelaat bedekte. Het was Bianca; maar bleek, doodsbleek, met ingevallen, smartelijke trekken. „Waar is Maria?” vroeg Lodewijk het droombeeld;„en waarom komt gij in een rouwkleed, geliefde? Ach, is uwe moeder óók gestorven?” Met weemoedig verlangen strekte hij de hand naar de dierbare uit; stom, bevende stond zij voor hem. Het was, alsof zij zich over hem wilde nederbuigen; doch eensklaps wankelde zij een schrede terug, hief de hand op, als een teeken, dat hij haar niet mocht aanraken, en schudde langzaam en droevig het edele hoofd.

„Ontvliedt gij reeds weder?—Waarom hoont gij mij zoo, gij liefelijke droombeelden?” sprak Lodewijk in halve bewusteloosheid. „Ach, vertoont u niet, als gij steeds weder van mij vlieden wilt.” Hij rilde, als door nachtvorst verkleumd en hulde zich dichter in den mantel.

Het gezicht was verdwenen; maar uit het duister van den nacht drongen den sluimerende de woorden in het oor: „Vlucht, vlucht! Uw leven is niet veilig onder dit dak!—Neem dit ten aandenken!”

Eene zachte aanraking gleed thans over zijne wangen. Hij ontwaakte en sloeg met moeite de loodzware oogleden op.—Alle beelden van zijn droom lagen in dagend schemerlicht om hem heen verspreid. Bianca's gestalte verdween als eene schaduw; de vuurglans aan de zoldering was duister omneveld; zelfs de verlichte vensters schenen hem met een zwart weefsel bespannen. Met moeite zocht hij zijne nog geheel verstrooide zinnen bijeen te rapen,—daar klaterde een schot uit het nevenvertrek hem in het oor. Dit geluid rukte hem gewelddadig uit de banden des slaaps los; hij was wakker, sprong op. Echter bleven de voorwerpen ook nu nog als door rook omneveld; thans was het niet meer eene begoocheling van den droom, maar zijn oog moest op eene onbegrijpelijke wijze verblind zijn. Opeens voelde hij weder, gelijk vroeger in den halven sluimer, een zachte, trillende aanraking over wang en voorhoofd glijden, even alsof eene donsachtige pluim daarover heenstreek. Als door tooverkracht was het verduisterend hulsel plotseling van zijn oog afgelicht en zag hij alle voorwerpen om zichheen weder in de volle scherpte hunner omtrekken. Nog was hij van zijne verbazing niet tot zich zelf gekomen, toen Rasinski's donderende stem, die hem en Bernard opriep, zich uit het aangrenzende vertrek hooren liet; hij vloog dus de zaal binnen, die door eene nachtlamp beschenen werd. Rasinski trad reeds met driftige schreden op hem toe, en bijna op hetzelfde oogenblik kwamen de door het schot gewekte manschappen uit de voorzaal aanstormen. „Licht! meer licht!” beval de overste. Zij spoedden heen, om het te zoeken.

„Wat is er toch? Wat zaagt gij?” vroeg Lodewijk.

„Wij zijn in een wonderbaar spookhol. Hebt gij niets gezien?”

„Niet het minste; maar toch....”

„Door mijn vertrek sloop zoo even eene zwarte gestalte, naar alle waarschijnlijkheid eene vrouw.”

„Hoe?” riep Lodewijk, als door den bliksem getroffen uit; „eene zwarte, gesluierde gestalte....”

„Juist! Maar hoe weet gij......”

„En gij zaagt het werkelijk? Het was geen droombeeld?” riep Lodewijk en stond als versteend voor den vriend.

„Neen, bij den hemel, want ik was wakker als in dit oogenblik,” hernam Rasinski, die zich nog te zeer met zijne eigene ontmoeting bezig hield, om den indruk, die ze op Lodewijk maakte, waar te nemen. „Voor vijf minuten wist ik werkelijk zelf niet, of ik gedroomd had, of wezenlijke dingen aanschouwde. Ik meende iets voorbij mijn bed te hooren ruischen en ontwaakte, want gij weet, hoe licht mijn slaap is. Nu zag ik eene donkere schaduw langs den wand glijden en een mat lichtschijnsel scheen mij uit de geopende zaaldeur in mijn vertrek te vallen. Echter drong ik mij op, dat het de flikkering der vuren op de straat was, die mij bedroog. Intusschen was ik volkomen wakker geworden en lag, nog over de verschijning nadenkende, op mijn leger. Juist had ik mij weder in de lakens gewikkeld en de oogen gesloten, toen ik hetzelfde geritsel als vroeger hoorde. Ik sprong op en zie eene zwarte, gesluierde gestalte dicht voorbij mijn bed sluipen. „Werda!” riep ik; zij verschrikt kennelijk, maar geeft geen antwoord en snelt met rassche schreden door de kamer. „Antwoord, of ik geef vuur,” riep ik en greep naar mijne pistolen....”

„Almachtige hemel!” riep Lodewijk en greep onwillekeurig, alsof hij het schot verhinderen wilde, den arm, dien Rasinski in het vuur van zijn verhaal hield uitgestrekt. „Gij hebt dus op haar geschoten?”

„Zekerlijk heb ik; en terstond daarop hoorde ik den kreet eener vrouwelijke stem.”

„Zij is getroffen? Waar?”

Met deze woorden wilde Lodewijk Rasinski ter zijde dringen en in zijn vertrek vliegen; doch deze, die thans eerst de hevige ontroering van den vriend gewaar werd, hield hem terug en vervolgde haastig: „Het was slechts een kreet van schrik. Dadelijk daarop, juist toen ik driftig was opgesprongen en op de geheimzinnige verschijning toesnelde, hoorde ik eene deur ras ontsluiten en weder in het slot werpen. Of nu het vuur en de rook van het schot mij verblindden, of het schemerdonker van het vertrek de vlucht der onbekende begunstigde, dat weet ik niet, althans zij was spoorloos verdwenen en scheen in den grond weggezonken. Oogenblikkelijk liep ik nu naar de zaal en riep u en de manschappen op. Langs dezen weg kan zij niet ontkomen zijn, want ik was bij de deur, eer zij die met mogelijkheid kon bereikt hebben.”

Inmiddels hadden eenige bedienden licht gebracht en Rasinski snelde naar zijn slaapvertrek, om het ten nauwkeurigste te doorzoeken. Lodewijk volgde hem met een onbeschrijfelijk zonderling gevoel. Doch de kamer was ledig; zij had slechts twee deuren; de eene kwam op de zaal uit, de andere bracht in de verder voortloopende reeks van vertrekken. Deze laatste was echter door twee stoelen, die nog evenzoo stonden als den vorigen avond, gesloten; onmogelijk kon iemand ze geopend hebben, zonder de stoelen omver te werpen of ter zijde te schuiven. De bedienden daarentegen verzekerden eenstemmig, dat niemand door de zaaldeur kon ontkomen zijn, daar zij schuins voor deze hunne legers hadden opgeslagen, zoodat men niet dan over hun lijf heen kon uit- en ingaan. Op de plaats, waar Rasinski op de verschijning gevuurd had, was geen deur te vinden; het was die hoek der rug- en zijwanden van het kabinet, welke niet aan de zijde der zaal, maar aan de overige vertrekken grensde. Opmerkzaam onderzocht Rasinski het tapijtbehangsel. „Daar zit mijn schot!” riep hij en wees op eene beschadigde plek, waar de kogel was ingedrongen en nog in den muur zat. „Dus heb ik mij niet bedrogen! Hier moet eene geheime deur zijn.” Nieuwsgierig drongen de lieden om hem heen; Lodewijks hart klopte met angstig zoete verwachting. Daar schoot hem plotseling door de ziel, dat nu alles, wat hij gemeend had te droomen, wel waarheid zijn konde. „Neem dit tot een aandenken!” had de verschijning hem toegefluisterd. Driftig greep hij een handblaker en ijlde naar zijne kamer terug. Zijn eerste blik viel op het rustbed; hij ontdekte niets, maar toen hij nu ook de overige gedeelten van zijn vertrek zorgvuldig opnam, zag hij op den grond, in de nabijheid van het venster, iets wits blinken. Hij hief het op, het was een sluier. Toen het weefsel licht over zijne hand gleed, bespeurde hij eensklaps weder hetzelfde gevoel, dat hij vroeger niet geweten had, waaraan het te moeten toeschrijven; de sluier moest zijn gelaat bedekt hebben. Hij ontvouwde dien; de hoeken waren door eene striklis vastgeknoopt; haastig maakte hij ze los, glanzend goud werd zichtbaar; een groene steen blonk hem in de oogen. „Genadige hemel, is het mogelijk!” stamelde hij, en heete tranen stroomden over zijne wangen. Hij hield denzelfden armband in de handen, dien de geliefde aan den voet van den St. Bernard verloren had; hetzelfde dierbare kleinood, waaraan hij het eerst het geluk van haar schoon gelaat te mogen aanschouwen verschuldigd was. Buiten zichzelf wilde hij naar Rasinski toeijlen, toen hij tusschen de vouwen van den sluier een blad papier ontdekte. Met bevende hand trok hij de gouden naald, die het vasthield, terug en las met in tranen zwemmende oogen:


Back to IndexNext