In de voorzaal wachtteWillhofen, die hun bijzonder als bediende was toegevoegd, en lichtte hen door de gang naar hun vertrek.Toen zij binnengetreden waren, sprak Lodewijk hem aan: „Vriend, trouwe, eerlijke knecht mijns vaders, zult gij zijn zoon evenzoo aanhangen als hem?”„Ach, mijnheer,” riepWillhofenvroolijk, „reeds omdat gij een Duitscher zijt en mijne taal spreekt, zoude ik alles voor u doen. Maar mag ik een openhartig woord spreken?—Lieve heeren, uwe zaken staan hier gevaarlijk—de graaf en de gravin denken anders dan de prinses; zij is eene engelachtige vrouw.”„Willhofen,” zeide Lodewijk, „wij zijn niet blind voor ons gevaar, maar juist gij moet ons raad geven, hoe wij het ontkomen. Gij weet te veel om niet alles te weten; de prinses is de zuster mijns vriends en mijne verloofde. Zij is bereid, ons naar Duitschland te volgen. Is dat nu of spoedig uit te voeren?”„Mogelijk is het zeker, doch zeer moeielijk,” hernamWillhofen. „Meent gij dan, dat, wanneer het zoo gemakkelijk was, ik niet reeds voor lang zou gevlucht zijn? Slechts daarom heb ik in mijne oude dagen de wapenen weder opgenomen, om den duitschen grond nader bij te zijn; want ik hoopte gelegenheid te vinden om te vluchten. Tot nu toe is het echter onmogelijk geweest, vooral nu, daar de landstorm, de boeren, de kozakken en de fransche legers rondom alles bedekken. Wien wij ook in handen vallen, wij zijn altijd verloren! Ik zegwij, lieve heeren; want gij zult mij toch toestaan, met u te vluchten?”„Wij hopen dit, mijn vriend,” hernam Lodewijk.„Maakt gij onze vlucht mogelijk, oude,” zeide Bernard, „dan zult gij in Duitschland een zorgeloozen ouderdom hebben.”„O God,” riep de oude man, „wanneer de zon mijns levens toch nog vroolijk onderging! Ik zal beproeven, wat mogelijk is. Ik sta nog al goed bij de gravin, ik wil zien, of zij mij haar vertrouwen schenkt; want vooral moeten wij te weten komen, of zij kwaad vermoedt. Is haar argwaan reeds opgewekt, dan hebben wij geen tijd te verliezen; anders kunnen wij met iederen dag uitstel slechts winnen.”„Doe wat gij kunt, beste vriend,” zeide Lodewijk, „en breng ons zoo spoedig mogelijk bericht.”Willhofenvertrok.„Zal onze nacht zoet of onrustig bewogen zijn?” vroeg Lodewijk, toen hij zich met Bernard alleen zag. „Vriend, welk een dag was dit!”„Op aarde ben ik niet veel geweest,” hernam Bernard, „maar eene reis of twee,drie in den hemel en in de hel. Thans echter moet ik bekennen, dat al de zenuwen mijner ziel zoo afgemat en moe zijn, als mijn lichaam, waarin ik langzamerhand de vermoeidheid des doods voel binnensluipen. Het noodlot met zijn donder en bliksem heeft mij elk kwartier uit den slaap opgejaagd. Maar gij weet, er komt een tijd, wanneer de afgematte zelfs door het verdoovende kraken van een nevens hem neerstortenden sneeuwval noch verschrikt, noch gewekt wordt. Thans ben ik zoo ver; ik kon, zooals eenige manschappen, die in doodsvermoeidheid op marsch nedergestort waren, een twaalfponder tegen mijne voeten zien rijden en het der moeite niet waard rekenen, ze op zij te trekken.”Lodewijk, die slechts door geweldige gemoedsaandoeningen geslingerd was geworden, maar bijna geen lichamelijke vermoeienissen had ondervonden, voelde zich minder uitgeput. Met schrik zag hij derhalve Bernard onder het spreken al bleeker en bleeker worden, en bemerkte aan zijne dof slepende stem, dat het bewustzijn hem begaf. Snel sprong hij op hem toe, greep hem bij den arm en riep: „Bernard, wat scheelt u? Zijt gij ziek?”„Neen, beste—maar—geheel—dood af—,” antwoordde hij in afgebroken woorden en zonk in de armen zijns vriends ineen.—Zoo was dan ook eindelijk de uitgeputte kracht van dezen sterke, die tot nu toe door de uiterste inspanning van zijn geest de natuur getrotseerd had, gebroken. Lodewijk droeg hem zacht op een rustbed en liet aan den slaap over, hem met zijne versterkende kracht opnieuw te doen opleven.—Spoedig verzonk hij ook zelf in zoete verdooving, welke nauwelijks door zwakke droombeelden werd afgebroken.Toen hij ontwaakte, was het klaar dag en een schitterende lichtstroom drong hem in de oogen.Willhofenstond voor hem en zeide glimlachend: „Gij hebt een gezonden slaap, mijnheer, dat moet ik zeggen. Ik heb reeds driemaal te vergeefs aan de deur geklopt en moest eindelijk binnentreden.—Maar de heer dáár slaapt nog vaster.”Lodewijk had eenige oogenblikken noodig, om de hem omringende voorwerpen in samenhang te brengen met zijne morgendroomen, die hem, gelijk zoo dikwijls in zijn vaderland hadden overgebracht. Hij richtte zich op. Als een wonder kwam hem de frissche kracht zijner leden voor; hij voelde den vollen levenslust, den jeugdigen levensmoed zoo goed als ooit te voren in zijne beste dagen. „Ja, alles is wezenlijk,” zeide hij en zag den oude vroolijk in het brave gelaat.„O, welk een geluk is zulk ontwaken!”Hij sprong op en beschouwde Bernard; ook in hem was de levenskracht teruggekeerd; hij ademde vol, maar licht: een toonbeeld van mannelijke gezondheid.„Bernard!” zeide hij en nam zijne hand. „Bernard!” Hij ontwaakte niet, voordat zijn vriend hem de hand op het voorhoofd legde. Toen sloeg hij zijne oogen op en zeide: „Lodewijk, zijt gij het, die mij zoo vriendelijk wekt? Gij hebt een schoonen droom verjaagd; doch hij ontvliedt voor eene nog schoonere waarheid.”„De prinses is reeds voor lang opgestaan,” zeideWillhofen; „doch zij heeft uitdrukkelijk bevolen, dat ik u niet zoude wekken. Eindelijk scheen het mij echter toch tijd toe daar het bijna middag is.”„Middag?” vroeg Bernard en een soort van schaamte kleurde zijne wangen. „Foei, dat wij ons hier dadelijk als een paar slaapkoppen moesten tentoonstellen!”„O, de gravin ligt ook nog te bed,” antwoorddeWillhofen, „en zelfs de gevangenen zijn nog niet afgemarcheerd; de dag van gisteren was voor ons allen hard.”„Welke gevangenen?” vroeg Bernard.„De Franschen, die wij gisteren in onze macht kregen,” hernam de oude man. „Zie daar, juist worden zij gemonsterd, om verder in het binnenland gevoerd te worden.”Bernard trad aan het venster. Het gezicht der twintig ongelukkigen, die met bleeke gezichten, slecht gekleed, half verhongerd voor hem stonden en van koude of vrees voor hun lot beefden, sneed hem door het hart. „Waar brengt men hen heen?” vroeg hij.„Denkelijk daarheen,” antwoorddeWillhofen, „waar ik zoovele jaren versmacht heb, naar Siberië; de weg daarheen is gemakkelijk gevonden, maar terug is hij moeielijk.”„En waarom kwaamt gij daar?” zeide Lodewijk. „Wie had het recht, een ongelukkigen schipbreukeling in balling te zenden?”„Het geschiedde volkomen naar de wet,” zeideWillhofenmet bitterheid; „ik was naakt en bloot aan de kust geworpen. Een russisch herbergier borgde mij vijf roebels, weergeven kon ik ze niet. Toen werd ik met het gebruik van mijn dienst zijn eigendom en hij verkocht mij aan prins Ochalskoi, die juist eene fabriek op zijne goederen bij Bern oprichtte.”„Dus voor vijf roebels!”„Zuchtte ik achttien jaren lang naar mijn vaderland en al de mijnen.”„Wees getroost, oude,” klopte Bernard hem op de schouders, „van nu af zal het beter gaan. Het is altijd een mooie dag geweest, wanneer de avond helder is.—Doch wat beteekent dat? De gevangenen schijnen immers weer uiteen te gaan?”Willhofenzag uit. Een kozak was het plein opgereden en sprak met de boeren, die het transport begeleidden. „Ik wil dadelijk zien, wat er gaande is,” zeide hij en ijlde naar buiten.Na eenige minuten keerde hij met de tijding terug, dat Dolgorow bevolen had, de lieden hier nog op te houden, daar hij morgen en overmorgen door gelukkige aanvallen op de fransche achterhoede het getal der gevangenen hoopte te vermeerderen. Dan konden zij allen tegelijk worden vervoerd.„Zoo doe mij den dienst, vriend,” zeide Bernard, „en zorg, dat die ongelukkigen, die reeds half dood zijn, zoo goed mogelijk verzorgd worden.”Willhofenbeloofde het en vertrok.Beide vrienden hadden zich intusschen aangekleed en begaven zich naar de zaal, waar, zooals hun bericht was, Bianca met het ontbijt op hen wachtte. Doch toen zij binnen kwamen, vonden zij het vertrek ledig, ofschoon de tafel voor het ontbijt was gedekt. Een bediende, die spoedig daarna binnentrad, meldde hun vanwege de gravin Dolgorow, dat de prinses niet zou verschijnen.Lodewijk was ontsteld, doch Bernard scheen er niet bijzonder op te letten en zette zich aan tafel. Toen de knecht zich verwijderd had, vroeg Lodewijk: „Wat mag er gebeurd zijn? Zou de ziekte der gravin eene gevaarlijke wending hebben genomen?—Ik had mij zeer op dezen vriendelijken morgengroet verheugd; want de heldere, klare dag kan ons, dunkt mij, eerst de volle zekerheid van ons geluk geven. En nu....”„Als hier maar niets ergers achter verborgen ligt,” bromde Bernard en stond op. „Ik vermoed niets goeds. Mijne zuster zou het zonder dringende reden niet van zich hebben kunnen verkrijgen, haren broeder, eerst gisteren gevonden, heden niet opnieuw te begroeten. Laat ons daarom voorzichtig zijn en toch niet door te veel vragen ons zelven verraden.”„Gelooft gij dan, dat er zich iets gevaarlijks voor ons heeft opgedaan?” vroeg Lodewijk verwonderd.„Ik geloof evengoed niets als alles; want beide is even mogelijk,” antwoordde Bernard ras.—„Hm! misschien is het ook maar voorzichtigheid van mijne zuster; zij houdt zich met voordacht van ons verwijderd, om zich niet te verraden.—Ik ken de gewoonten van Rusland niet genoeg, om te weten, wat voor eene gastvrouw vreemd zoude staan of niet. Men moet haar vertrouwen, want zij heeft evenveel verstand als liefde getoond.—Geduld slechts, en alles zal zich ophelderen.”Lodewijk, ongerust geworden, ging zonder spreken op en neder.Spoedig daarop kwamWillhofenterug en verhaalde, dat de gevangenen op bevel der prinses goed verzorgd werden, zoodat het meer bezorgdheid voor hun toekomstig lot was, dat hen kwelde, dan wel de tegenwoordige ongemakken.Intusschen verliepen er een, twee, drie uren en Bianca liet zich niet zien.HOOFDSTUK IX.Bernard sloeg aan Lodewijk eene wandeling in de open lucht voor; hij nam dit aan. Zij gingen het slotplein over en namen de ligging van het gebouw nader op.Het was rondom door dichte, hooge dennenbosschen omgeven, door welke evenwel vier breede wegen waren uitgehouwen, die elkander rechthoekig sneden. Deze waren vrijwel gebaand, doch in het overige lag de sneeuw los en hoog, zoodat het zoowel te voet als met een slede even moeilijk scheen, wanneer men den grooten weg verliet door het woud te dringen.„Het gebouw schijnt oud,” zeide Bernard; „Gothische, nieuw-grieksche, barbaarsche stijl, alles door elkander. Deze beide ronde hoektorens met hunne lange, dunne spitsen moeten van oude dagteekening zijn.—Hoever wij hier wel van den grooten weg af zijn?”„Ik hoordeWillhofenzeggen, omtrent vier of vijf uren,” antwoordde Lodewijk, „en Smolensko ligt zeven uren van hier.”„Zoo rekende ik ook,” stemde Bernard hem toe; „in die richting moet het liggen. Wij zouden den weg door die breede laan moeten nemen.”„Het is dezelfde, waardoor wij gisteren hierheen gekomen zijn,” meende Lodewijk.„Hoort gij niets?” vroeg Bernard opeens en luisterde, terwijl hij zijn hoofd op zijde boog en de hand, om het geluid op te vangen, aan zijn oor hield.—„Dat is eene kanonnade, in de richting van den grooten weg, doch zeer ver.”„De bosschen houden den klank tegen,” zeide Lodewijk en luisterde ook naar de enkele doffe schoten, welke men hoorde.„Het kon het leger vanNeywel zijn, dat daar aan den dans is, en misschien is Rasinski bij het gevecht,” zeide Bernard.„Rasinski!” riep Lodewijk; „hoe zal die brave vriend misschien over ons bezorgd zijn! O, wanneer wij hem eenig bericht konden doen geworden.”„Zekerlijk zou dat goed zijn,” zeide Bernard en bewoog nadenkend, doch toestemmend zijn hoofd. „Over het geheel moet ik u zeggen, dat ik mij, hoe gemakkelijk het hier in het slot voor ons zij, toch liever met mijne zuster onder zijne bescherming zou bevinden dan hier. Eens moeten toch die vreeselijke vermoeienissen een einde nemen. Met iederen dag komen wij het vaderland en de verzorgingstoestellen voor het leger nader. De weg werd vast, effen—ik geloof dat wij het ergste geleden hadden.”„Ach,” zuchtte Lodewijk, „wanneer wij maar eerst den voet weder op vaderlandschen bodem konden zetten!”Naar het verwijderde gevecht luisterende, gingen de vrienden nog eenigen tijd op en neder. Ondertusschen was het reeds laat geworden en begon het te schemeren. Zij keerden naar huis terug, daar hun dit uur als dat des middagmaals was aangewezen. De tafel was reeds gedekt, doch slechts voor hen beiden alleen; zelfsWillhofenwist niets naders te berichten over het uitblijven der prinses, dan dat zij waarschijnlijk de zieke gravin gezelschap moest houden.„Houd u slechts goed voor de bedienden,” fluisterde Bernard Lodewijk toe; „geen schepsel hier mag gissen, dat wij ongerust zijn.”Bij deze woorden schonk hij een glas wijn in en klonk met Lodewijk op de bewoneressen van het huis. Gedurende het eten was hij voortdurend opgeruimd en schertste veel, zelfs met de bedienden, wie hij eenige russische woorden afleerde, om zich dan, hoe gebrekkig ook, met hen in hunne moedertaal te onderhouden.Het was donker geworden en men bracht licht. Bernard begon, om het gesprek gaande te houden, van Schotland te vertellen. Lodewijk hoorde hem verstrooid aan; zijne bezorgdheid wies met iedere minuut.—Het was thans zeven uur, de burgerlijke beleefdheid jegens gasten zoude reeds lang gevorderd hebben, dat de vrouw des huizes hen begroet had. Er moest eene dringende reden zijn, die Bianca weerhouden had.Gedeeltelijk om zich te verstrooien, gedeeltelijk om hunne onrust te verbergen, hadden zij ieder uit eene kast een deel vanVoltairegenomen; zij zetten zich aan eene andere tafel en lazen. De bedienden namen inmiddels de tafel af en verwijderden zich.Doch nauwelijks waren zij eenige oogenblikken alleen geweest, toenWillhofenbinnentrad, voorzichtig omzag, of er ook iemand in den omtrek was, en toen Bernard een stukje papier toereikte.Daarop zag hij met potlood in het engelsch geschreven: „Mijn broeder, wanneer alles slaapt, kom dan onder het venster van mijne slaapkamer.”„Weet gij, wat dit papier behelst?” vroeg hijWillhofen, nadat hij het gelezen had.„Ik geloof bijna; de kamenier der prinses,Jeannette, heeft het mij gegeven.”Bernard ging onrustig op en neder. „Kent gij de ligging van het slaapvertrek der prinses,Willhofen?” vroeg hij dezen.Deze knikte.„Wanneer alles in huis slaapt, moet ik mij onder haar venster vervoegen; kunt gij mij zonder gevaar daar brengen?”„Eene kleinigheid! Ik zal wel zorgen, dat het den portier zwaarder zal vallen, zijne oogen, dan ons de oude, verroeste poort te openen.”„Wanneer gaat men hier slapen?”„Vóór middernacht; tegen twaalf uur zijn we zeker, buiten de muizen op den korenzolder, geen schepsel meer wakker te zullen vinden.”„Kom dan op dat uur bij ons op onze slaapkamer, vriend; gij kunt ons daardoor een gewichtigen dienst doen.”Willhofenging heen.Bernard en Lodewijk gingen naar hunne kamer en wachtten in ongeduldige spanning op het uur van middernacht. Langzaam kroop de tijd voorbij. Angstig luisterden zij naar ieder geluid in het slot, naar het geraas van open- en toegaande deuren, het loopen der knechts door de gangen, en of het roepen en antwoorden niet eindelijk eens eeneinde zoude nemen.—Dikwijls was het minuten aaneen doodstil; dan brak het geluid van een openspringend slot of de lompe, zware, door de lange gangen dreunende tred van een knecht de diepe stilte opeens weder af. Eindelijk, na elf uur, scheen alles in slaap gedompeld te zijn.„Het slot is stil als het graf,” zeide Bernard, terwijl hij zachtjes de deur opende en naar buiten zag. „Het is nabij middernacht. Ik wenschte, datWillhofenkwam, opdat de onzekerheid een einde had.”Lodewijk was door sombere voorgevoelens en bekommernissen gekweld; doch hij uitte geen woord, omBernardszichtbare onrust niet nog te vermeerderen.„Wat blaast de wind door het slot!—Het zal weer een heerlijke nacht buiten zijn!—Mij dunkt ook, dat het weer kouder geworden is. Onze vensters bevriezen, niettegenstaande de gloeiende kachel.—Maar hoor, ruischt daar niet iets op de gang? Waarachtig, het komt langzaam nader. Denkelijk zal hetWillhofenzijn; de oude is een vos, hij komt langzaam op zijne teenen, en is, denk ik, zonder schoenen.”Hij luisterde; het kwam allengs nader en nader. Bernard opende eventjes de deur en vroeg door de reet: „Zijt gij het, vriend?”—„Ik ben het,” antwoordde fluisterend eene vrouwelijke stem; tegelijk opende de aankomende de deur, en de kamenier der prinses trad in eene bevallige dracht, een klein mutsje op, doch met een doek om het gelaat, binnen.Beide vrienden schrikten. Bernard vermoedde een verliefd avontuur en zeide vrij norsch: „Gij zijt verdwaald, mijn kind.” „Neen, ik heb de rechte deur niet gemist,” hernam het meisje met eene bekende stem, terwijl zij tevens den doek afnam, die haar gelaat half bedekte.—Het was Bianca.„Gij zelve, lieve zuster! in deze kleeding?” riep Bernard zachtjes, terwijl hij een schrede terugtrad;„om 's hemels wil, wat beteekent dit?”„De nood dwong mij tot deze vermomming,” hernam Bianca, „ik ben eene gevangene en kon slechts in dit kleed naar u toesluipen.”„Gij eene gevangene?” riep Bernard verwonderd; Lodewijk trad eene schrede nader.„Laat ons kort zijn, mijne lieven,” antwoordde Bianca, „want de oogenblikken zijn kostbaar. Ik vrees, dat ons geheim half en half verraden is. Wij moeten gisteren beluisterd zijn. Toen ik u verliet en naar de gravin ging, vond ik haar in groote spanning; zij zat bijna geheel gekleed op de sofa en schreef. Bij mijn binnenkomen raapte zij haastig hare papieren bijeen en sprak over onverschillige dingen; doch de hevigste onrust was op haar gelaat niet te miskennen. Ik vermoedde wel, wat er kon geschied zijn, doch om hare achterdocht niet nog meer gaande te maken, vroeg ik niets, doch begaf mij dadelijk door mijne werkkamer, die aan het woonvertrek der gravin paalt, naar mijne slaapkamer, waarJeannette, mijne kamenier op mij wachtte. Ik liet mij spoedig ontkleeden en zond haar weg; vol ongerustheid bleef ik op. Ik opende de deur mijner slaapkamer een weinig en hoorde, dat de gravin nog op was, ja zelfs met iemand sprak. Ik kon niet onderscheiden wat, doch meende aan de stem een kamerdienaar van den graaf te herkennen. Eindelijk werd het stil; ik begaf mij te bed. In den nacht echter hoorde ik duidelijk de poort openen en eene slede wegrijden. Dezen morgen begaf ik mij al vroeg naar mijne pleegmoeder. Zij had iets achterdochtigs in hare blikken, zoodat ik niet kon twijfelen, of zij had ons geheim gedeeltelijk ontdekt; doch zij liet niet het minste bemerken. Zelf reeds had ik mij voorgenomen, het ontbijt op mijn kamer te nemen, om geen argwaan te wekken; ik zou evenwel des middags aan tafel zijn gekomen. Doch de gravin liet zich ontvallen, dat zij hoopte,dat ik den dag bij haar zou doorbrengen, daar het niet paste, dat ik, terwijl zij zelve ziek was, met de beide vreemden alleen at, zij voegde er bij, dat zij het onbehoorlijk zou vinden, wanneer ik u weder sprak, voor dat de graaf terug was gekomen. Ik voegde mij naar haren wil, doch het werd mij hoe langer hoe duidelijker, dat er iets moest zijn voorgevallen. Gedurende den voormiddag ging ik in mijne kamer en zag bij toeval, dat de deur naar de gang gesloten en de sleutel er uitgetrokken was. Nu doorzag ik alles; ik was eene gevangene der gravin; zij moet ons geheim kennen. De kamerdienaar heeft zich den ganschen dag niet vertoond; ik gis dat hij naar den graaf gezonden is.—Daarom besloot ik u, mijn broeder, van alles te onderrichten, en zondJeannettemet het briefje. Het gesprek met u door het venster kon echter gevaarlijk worden; ik liet dusJeannettelaat op mijne kamer komen, onder voorwendsel, dat ik verlangde, dat zij bij mij zoude slapen, daar ik niet recht wel was. Zoodra zij vast sliep, deed ik stil hare kleeding aan en ging zoo onbemerkt door de kamer der gravin. Thans echter vraag ik u, mijn broeder, wat zullen wij doen?”„Snelle vlucht schijnt mij het eenige redmiddel,” hernam hij eindelijk. „Zou het mogelijk zijn, Smolensko dezen nacht te bereiken?”„Mogelijk is het. Maar zullen wij het uiterste wagen, vóór het uiterste ons dringt? O mijn broeder, schoon ook de heiligste band van vrome kinderlijke liefde en van vertrouwen op hen, welke ik als mijne ouders eerde, smartelijk vaneengescheurd is, voel ik mij toch nog door duizend draden van gewoonte en dankbaarheid aan hen gebonden. Als ik mij, heimelijk vluchtend, in den nacht van hen moest losrukken, zou toch eene diepe smart mijne ziel doorgrieven en mijne borst zich door de beschuldiging van ondankbaarheid gekweld voelen.”„Maar wat wilt gij doen, mijne lieve,” hernam Bernard, „wanneer gij zelve verklaart, dat gij uw broeder voor uwe ouders niet durft erkennen? Heeft dan liefde hunne daden jegens u bestuurd? Of hebben zij u opgevoed, alleen om u op te offeren, om met uwe schoonheid onwaardig voordeel te zoeken?”„Gij spreekt de waarheid—doch de liefde en de eerbied, die achttien jaren in mijn hart gebloeid hebben, zijn daarin vastgeworteld. Eenmaal beminde ik mijne ouders onuitsprekelijk; want ik had slechts weldaden, ofschoon ik thans gevoel, koud en streng toegemeten, van hen ontvangen. Maar heeft mijn hart ook de vrije, schoone, heilige liefde verloren, het kan zich toch niet vrijspreken van de plichten der dankbaarheid. Het goede, dat ons gedaan is, boeit ons, ook al is het niet uit de zuivere bron der liefde gevloten. Broeder, raad mijn twijfelend hart, leen mij uw vasten mannelijken arm in dezen storm van tegenstrijdige gevoelens, die mij geheel dreigt te overstelpen.”Bij deze woorden nam zij zijne hand, als wilde zij hem smeeken, en richtte haar vochtig oog naar het zijne, dat donker vlamde, omhoog.„Gij hebt recht, lieve zuster,” hernam hij. „Recht, met uw vrouwelijk, duldend, alles vergevend hart; ik, met mijn trotsch mannenhart, denk anders en heb ook gelijk.”—„Wij moeten weg,” sprak hij met hevigheid, „ik dwing er u toe en neem de zedelijke schuld geheel op mij. Gijmoetmij volgen, mijne zuster, en wel dadelijk; bij God, gij moet!”„Ja, ik geloof, dat hij gelijk heeft,” zeide Lodewijk bescheiden doch vast en trad nader bij zijn geliefde. „De rechten des broeders zijn heiliger.”„En de uwe sinds gisteren de heiligste!” riep Bernard, hem in de rede vallende. „Bloos niet, lieve zuster, en mistrouw de waarheid niet daarom, wijl zij tevens hethoogste geluk uws harten uitmaakt. Ik weet het wel, edele zielen aarzelen zelfs het goede te doen, wanneer het één is met hunne wenschen, maar niet altijd is slechts het zich opofferende hart het meest deugdzame. Vertrouw op mij; ik beslis, doch zonder hartstocht. Verbreek de boeien, die, half door liefde en half door dwang gesmeed, de vrije bepaling van uw wil verhinderen.”„Welnu, het zij dan zoo,” sprak zij na eenige oogenblikken van stillen, inwendigen strijd; „ik gehoorzaam u, mijn broeder.”„En dadelijk,” viel Bernard in; „want iedere minuut toevens brengt gevaar aan.”„En waarheen wilt gij vluchten?” vroeg Bianca.„Naar Smolensko.”„Hoe!” riep zij verschrikt, „en zweeft daar het zwaard des doods niet boven uwe hoofden?”„Sinds onze verbitterde aanklagers door hun vreeselijk noodlot achterhaald zijn,” hernam Lodewijk,„vrees ik van die zijde niets meer voor ons. Niet onze schuld, maar de wil om ons schuldig te vinden, bracht ons gevaar aan.”„Dan volg ik ook u daarheen.—Willhofenzal ons paarden en eene slede bezorgen.”„Wij wachten hem ieder oogenblik hier, daar hij mij te middernacht naar u zoude voeren,” antwoordde Bernard.—„Maar hoort gij niets?—Dat zijn zweepslagen en bellengerinkel! Zeer duidelijk!”Bianca verbleekte. „Eene slede, die de slotpoort nadert! Dat is mijn vader!”„Hij of een ander,” riep Bernard; „thans is het geen tijd tot vluchten. IJl naar uwe kamer terug, zuster, eer de aankomst der slede de lieden in huis wekt. Zoodra het rustig is, ben ik onder uw venster.”Hij dreef haar voort; zij zweefde met vlugge schreden de lange gang door. Nauwelijks was zij in de binnenvertrekken verdwenen, of de naderende slede hield voor de poort van het slot stil en er werd zoo hevig en luid aangeklopt, dat men niet behoefde te twijfelen, of het was de eigenaar zelf, die begeerde binnengelaten te worden.De poort werd geopend; Bernard loerde door de reet der halfgeopende deur. Twee mannen kwamen de trappen op, doch een verward gedruisch van stemmen liet gissen dat er nog andere nieuw aangekomenen beneden waren gebleven. Thans herkende Bernard den kamerdienaar, die, met een armblaker in de hand, een dicht in een pels gewikkelden heer voorlichtte. Lodewijk verzekerde, dat het de graaf was; ook richtte hij zijne schreden terstond naar de vertrekken der gravin. Daarop werd het stil; men hoorde niets meer. Een kwartier brachten Bernard en Lodewijk in gespannen verwachting door. Toen werd er zacht aan hunne deur getikt; het wasWillhofen. De goedwillige, slimme oude had bijna den ganschen samenhang der dingen geraden. Hij was van meening, dat er voor dezen nacht niets meer te wagen was, zonder den stand der zaken gevaarlijker te maken. Daarom nam hij op zich, der prinses een briefje van Bernard in het venster te werpen, dat haar van het genomen besluit onderrichtte.—Hij voerde dit gelukkig uit, bracht daar bericht van en beloofde waakzaam te zijn, om, zoodra het minste gebeurde, hun een wenk te geven.De nacht verliep voor hen allen in eene onrustige spanning, die nauwelijks eene meermalen afgebroken sluimering toeliet.HOOFDSTUK X.De gravin Dolgorow had de betrekking van Bianca tot de gasten meer vermoed, dan geweten. Door een toeval wasJeannettede verraderes geweest; want deze was het, die dadelijk na het oogenblik, dat Bianca haar braven broeder het eerst herkend had, de gezelschapskamer naderde. Zij hoorde luid en heftig spreken en vernam de woorden: Broeder, Zuster! Verwonderd stond zij stil en luisterde onwillekeurig, ten minste zonder erg. Toen naderdenWillhofenen eenige bedienden, en de klank hunner voetstappen werd door Lodewijk vernomen, die de zachtere schreden van het meisje niet had bemerkt. Hunne nadering brak de eerste zoete vertrouwelijkheid van broeder en zuster af; dochJeannettebemerkte dadelijk bij het binnenkomen, dat er iets ongewoons was voorgevallen. De kamerdienaar van den graaf,Jacques, was haar minnaar; haar eerste werk was dus, dezen geslepen mensch haar vermoeden mede te deelen, waarbij zij zekerlijk niet begreep, hoezeer zij het geluk harer beminde meesteres in de waagschaal stelde. DochJacqueshad een scherpen blik voor zulke intrigues. „Hoor,Jeannette,” zeide hij, „wanneer de prinses zich over niets uitlaat, doe dan ook, als vermoeddet of wist gij niets. Voor bedienden is niets gevaarlijker, dan de geheimen hunner meesters tegen den wil van deze te weten. Wanneer het ook in het begin voordeel schijnt, bekomt het ons later nog altijd slecht. Somtijds wordt men op geheel vreemde wijze tot zwijgen gebracht.” Het meisje was door deze waarschuwing zoo bevreesd gemaakt, dat zij zich inderdaad niet het geringste tegen hare meesteres liet ontvallen, maar, zoo eerlijk was zij, ook niet tegen iemand anders.Jacquesdaarentegen legde zich op den loer en wist dit zoo behendig te doen, dat hij, eer het een uur verder was, ten minste met zekerheid wist, dat Bianca haar geheim voor de gravin verborg. Thans achtte hij de omstandigheden geschikt, om ze tot zijn eigen voordeel aan te wenden. Hij ging naar de gravin en ontdekte aan deze, eerst slechts uit de verte, doch, daar de uitgestrooide vonk met een onverwachten spoed tot eene heldere vlam opsloeg, toen in zijn geheelen omvang alles wat hij wist. Zij beloofde hem eene rijke belooning, wanneer hij tegen iedereen zweeg en slechts hare bevelen in deze zaak geheel wilde opvolgen.Jacques, hebzuchtig, loos, ondernemend, beloofde alles, zonder evenwel aanJeannette, wier trouw aan hare meesteres hij kende, een woord te zeggen.Zoo reisde hij dan nog in dienzelfden nacht met brieven van de gravin aan haren gemaal af, en was ook thans met hem teruggekeerd. Het ontvangen bericht moest voor den graaf van een allerverontrustend gewicht zijn; hij had zelfs zijn ijver tegen de vijanden zijns vaderlands voor een oogenblik ter zijde gesteld, om zijne eigene aangelegenheden te behartigen.Hij vond de gravin, wier ongesteldheid hoofdzakelijk in te groote lichamelijke vermoeienis bestaan had, nog gekleed; de beweging, in welke haar geest zich sinds gisteren bevond, had haar hare volle krachten teruggegeven.„Welnu, wat zegt gij van mijne ontdekking?” vroeg zij hem, zoodra zij zich met hem alleen bevond; „wat zijt gij voornemens te doen?”„Vóór alle dingen,” hernam Dolgorow, „moet ik weten, in hoeverre gij zeker van uwe zaak zijt, en in hoeverre Feodorowna van uw weten bewust is?”De gravin verhaalde, en vergat ook de maatregelen van voorzichtigheid niet, die zij genomen had, om eene samenkomst tusschen broeder en zuster te verhinderen.Dolgorow ging gedurende het geheele verhaal met over elkander geslagen armen op en neder en schudde menigwerf zijn hoofd, ten teeken van afkeuring.„En wie van de beide vreemdelingen moet dan nu de broeder zijn?” vroeg hij, toen de gravin ophield.Met eene soort van schaamte bekende de gravin, dat zij dit niet wist. Zij had onvoorwaardelijk aangenomen, dat het Lodewijk was, waartoe de door haar met zooveel ergernis opgemerkte neiging van Bianca tot dezen haar vrij natuurlijk verleid had. Thans eerst, nu de graaf haar de vraag ook met betrekking tot Bernard voorlegde, zag zij in, dat zij volstrekt geen bepaalden grond voor haar vermoeden bezat.„Hadt gij slechts dien ongelukkigen maatregel met dat halve gevangen houden niet genomen!” zeide Dolgorow met nauw onderdrukten toorn. „Ik begrijp niet, wat u dit helpen kan. Het was niets, dan een overblijfsel der gewoonten uwer moederlijke gestrengheid en willekeur, die evenwel na Feodorowna's huwelijk in geen geval meer te pas komen. Hoe nam zij het op?”„Zij heeft er zich volstrekt niet over uitgelaten,” hernam de gravin bedeesd.„Dan hebben wij misschien nog hoop, dat zij het niet bemerkt heeft?” viel de graaf haar haastig in de reden.De gravin wist het tegendeel zeer goed, daar zij het daaruit kon opmaken, dat hare kamer de doorgang voorJeannettewas geworden, doch zij bevestigde Dolgorows vermoeden om zijne verdere, juist niet zeer beleefde verwijtingen te ontgaan.„Dat redt ons,” zeide hij geruster; „en heeft de prinses ook al iets bemerkt, dan moet het geheel als eene vergissing worden voorgesteld, welke men aan den kamerdienaar kan wijten.—Voorloopig willen wij dus niets meer beginnen; morgen zal ik zelf zien en opmerken. Om 's hemels wil geene gewelddadige maatregelen in deze zaak, tot wij ze geheel niet meer kunnen vermijden of ten minste juist weten, in hoever ons geheim verraden is. Ook dat dieJacqueser iets van vernomen heeft, is hoogst onaangenaam. Wel is hem de waarheid geheel en al onbekend en, zooverre ik bemerken kan, twijfelt hij er niet aan, dat Feodorowna onze dochter is; doch hij houdt den onverwacht teruggekeerden broeder voor een zoon, welken wij, wie weet waarom, verwijderd moeten hebben. Ja, ik geloof, dat hij eigenlijk van meening was, uwe jaloezie door deze ontdekking op te wekken. Ondertusschen, dat is hetzelfde; zeer onaangenaam blijft het voor ons, dat een zoo vreemd niet te vertrouwen mensch ook maar eenig vermoeden van zoodanige betrekkingen heeft.—Misschien,” vervolgde Dolgorow na eenige oogenblikken, gedurende welke hij zwijgend en nadenkend op en neder was gegaan, „misschien is het geheel een loos alarm. Wie zegt ons, datJacquesgoed gehoord heeft? Evenwel, des te voorzichtiger moeten wij te werk gaan, want men kan niet weten, of Feodorowna en haar vermoedelijke broeder elkaar niet reeds sinds langen tijd kennen en zorg gedragen hebben, hunne bewijzen op plaatsen neder te leggen, die voor ons ontoegankelijk zijn. In dit geval kunnen wij in den moeilijksten toestand geraken.—Ja, ik ben besloten! Morgen zal ik het geheele geval kennen. Wel kwam ik hier met het besluit, om dadelijk de meest beslissende stappen te doen, en ik meen, gravin, dat gij mij genoeg kent, om te weten, dat ik voor de noodzakelijkheid niet als een kind terugbeef,—wij zijn in Rusland nog zoo angstig of weekhartig niet; ik weet zoo goed als anderen in dit rijk, dat men een rotsblok, dat ons in den weg ligt, moet doen springen;—doch zonder overijling! Misschien gelukt het mij, een betere en zekerder weg te vinden, die er omheen leidt.—Goeden nacht! Ik zal geruster slapen,dan ik geloofde. Nog iets, opdat wij ons zelve niet tegenspreken. Mijne aankomst hier was geheel toevallig, hoort gij, gravin, toevallig! Voor het overige zal ik morgen de eerste zijn, die Feodorowna goeden dag zegt en zich over de geslotene deur verwondert.”Met deze woorden nam hij afscheid en ging metJacques, die hem in de voorzaal wachtte, naar zijne kamer.Doch de onrust van zijn gemoed liet hem niet toe te slapen; het lang sluimerende geweten was machtig ontwaakt. Er mocht thans bedrog of waarheid in het spel zijn, hij leerde, dat het zaad der schuld, mocht het nog zoo diep begraven, nog zoover door den storm des tijds verwaaid zijn, voortkiemt, tot zijne bittere vruchten rijp zijn.„Dwaas,” sprak hij tot zich zelf, „wat maakt gij u voor zorgen? Uw doel is bereikt, gij zijt in het bezit, wie wil u verjagen?—Hm! wanneer echter de Ochalskoi's vernamen, dat er een bedrog had plaats gehad? Slechts als vader van Feodorowna zijn uwe rechten geldig!—Doch wie zal ze u betwisten? Den eenigen, die spreken kon, zijn de lippen verzegeld. Ruschka slaapt. Schrikgestalten van een dwazen waan! Herschenschimmen!”Zijne plannen waren echter nu rijp geworden, en hij bezat behendigheid en kracht, om ze uit te voeren. Zijn eerste gang was naar Bernard en Lodewijk, die hij als gasten des huizes welkom heette. Met de geslepenheid eens hovelings speelde hij den voorkomenden gastheer, vroeg naar hun welstand, naar den aard hunner ontvangst, zonder ook slechts met een woord iets kwaads te laten blijken. Lodewijk, die de wereld minder kende en wiens rechtschapen hart ook den argwaan niet zoo licht toeliet of, wanneer hij zich vertoonde, met gemoedelijken weerzin verwierp, had zich door dit gedrag laten bedriegen. Bernard daarentegen werd te bezorgder, naarmate de graaf zich minder achterhoudend aanstelde; hij vermomde zich dus met hetzelfde masker tegen hem en nam den schijn aan van een zorgeloos, lichtzinnig vertrouwen, terwijl hij zijne geheime gedachte zorgvuldig verborg. Het gelukte hem volkomen, den geruste te spelen; hij ging hierin zoover, dat hij den graaf zijn Londensch avontuur met Bianca openhartig bekende. „Ik ben schilder,” zeide hij met de losheid van een luchthartigen kunstenaar, „en wij beschouwen een schoon gelaat in zeker opzicht als een eigendom, dat ons niemand mag betwisten. Daarmede, heer graaf, moet gij die daad, die zekerlijk de gewone regels der welvoegelijkheid niet tot rechter mag hebben, verontschuldigen.”„Wij zijn zulke barbaren hier in Rusland niet,” hernam Dolgorow glimlachend, „om den kunstenaar niet zoodanige vrijheid willig toe te staan. Maar bezit gij het portret?”„Ik heb het gehad tot voor twee dagen, of veeleer mijn vriend, dien ik het, daar het bij hem zulke aangename en tegelijk raadselachtige herinneringen opwekte, geschonken had. Zijne portefeuille, waarin het lag, werd hem door den ellendeling afgenomen, dien, zoo ik hoor, eene vreeselijke vergelding heeft getroffen; in wiens handen het gekomen is, weet ik niet.”„Gisteren,” zeide Dolgorow,„zijn mij twee portefeuilles, die men bij de gevangenen had gevonden, ter hand gesteld, doch ik beken, dat ik nog geen tijd gehad heb om ze te openen. Ik ben toch inderdaad nieuwsgierig om te zien, of de uwe daarbij is.”Met deze woorden snelde hij naar zijne kamer en keerde spoedig daarop met twee brieventasschen terug, waarvan hij er eene open in de hand hield. Het was die van Lodewijk. De graaf hield Bernard het portret voor en zeide: „Herkent gij dit voor uw werk?”„Hoe zoude ik niet?”„Dan is het billijk, dat gij uw eigendom terugneemt.”„Het is, zooals ik zeide, niet meer het mijne, maar dat van mijn vriend.”De graaf overhandigde Lodewijk de portefeuille, waaruit echter alle papieren verdwenen waren. Dolgorow had ze er eerst uitgenomen, wijl hij er naricht in hoopte te vinden; hij verontschuldigde zich daarmede, dat hem de portefeuille ledig ter hand was gesteld enBeaucairehaar dus waarschijnlijk reeds geledigd zou hebben. De tweede was noch Bernards noch Lodewijks eigendom; de graaf behield haar alzoo en verwijderde zich daarmede, om Feodorowna zijn morgenbezoek te brengen.„Het is mij oneindig veel waard, dat dit portret weder in mijn bezit is gekomen,” zeide Lodewijk. „Ik ben nu veel geruster; alle gevaar schijnt voorbij en de graaf is een man, die toch wel vertrouwen verdient.”„Waarlijk, men zou er om lachen,” zeide Bernard, „dat een zoo verstandig mensch als gij, zoo blind en dwaas kan zijn. O, Lodewijk! gij zijt te goed voor deze wereld—en ik vrees, dat mijne zuster het ook is en zich laat bedriegen. Zult gij dan eeuwig zulke kinderen in het leven blijven, dat gij u eene slang aan den boezem laat leggen, omdat zij eene glinsterende huid heeft? Wilt gij dan nooit leeren, dat de bontgevlekte tijger zich slapend houdt, wanneer hij het scherpst loert? Wie overdekt dan een wolvenkuil met adders? Rozen strooit men er over! Rattenkruid moet er als suiker uitzien, anders vreten de ratten het niet.—Lodewijk, Lodewijk! Deze lachende vriendelijkheid is mij bedenkelijker, dan wanneer hij met getrokken zwaard voor mij stond!”„Gij ziet alles te donker in, mijn waardste,” hernam Lodewijk.„Meent gij?” vroeg Bernard spottend. „Het beteekent wel niets, dat Bianca eene gevangene is?—En dezeonverwachteaankomst, midden in den nacht? Lodewijk, zoo de deur openstond, ik ging er liever uit, zooals ik hier voor u sta, dan nog een uur hier te blijven. Ja, was het niet om mijne zuster, gij moest op stel en sprong mede.”Willhofentrad binnen en brak hun gesprek af met de vraag, of zij wilden komen ontbijten.—Zij gingen.Eenige minuten bleven zij alleen in de zaal. Hierop trad Dolgorow binnen. Hij was zoo beleefd als te voren, verzocht hun plaats te nemen, en schonk zelf de chocolade.„Onze dames,” zeide hij,„staan wat laat op. Wij zullen haar wel voor het eten niet te zien krijgen. De gravin was gisteren ongesteld, dat heeft ook de vorstin van het genoegen beroofd, de plichten van gastvrouw jegens u te vervullen. Ik denk, dat de dames het verzuimde heden zullen inhalen.”Bernard vroeg naar den staat der politieke omstandigheden.„Daarover doen wij het best liever niet te spreken,” hernam Dolgorow beleefd; „ik als Rus zou misschien geheel anders moeten denken, dan gijlieden, die ten minste uwe oude kameraden bij het leger hebt.—Het heeft voor mij een bijzonder belang, dat ik u reeds te voren ontmoet heb,” voer hij na eenige oogenblikken voort, zich tot Lodewijk wendende. „Toen wij aan den voet van denSimplon, dien wij door uwe hulp zoo gelukkig overgekomen zijn, door toeval gescheiden werden, wendde ik mij door het gebergte naar Bern, ging van daar naarTyrolen kwam op den grooten weg naar Munchen. In Duitschland hadden wij verder geen avontuur, doch wel in Warschau, waar wij bijna verraden waren geworden en het ons eerst, na ons verscheiden dagen bij goede vrienden verborgen te hebben, in den nacht gelukte te ontvluchten.”„Wij zijn ook in Warschau geweest,” zeide Lodewijk.Bernard gaf hem een verholen wenk, om voorzichtig te zijn, en nam snel zelf het woord op, om geheel onbepaald en algemeen van hun verblijf aldaar te spreken. De graaf vroeg naar het een en ander; hij sprak van Engeland, vernam naar Bernards reizen, naar zijne vroegere woonplaats; kortom, hij zocht op eene geschikte wijze den levensloop en de betrekkingen van beiden zoo nauwkeurig mogelijk uit te vorschen. Bernard antwoordde met groote omzichtigheid; doch alles liet zich niet verzwijgen, en voornamelijk waren Lodewijks betrekkingen spoedig voor Dolgorow in zoover duidelijk, dat hij niet meer twijfelen kon, of Bernard moest Feodorowna's broeder zijn, indien het een van deze twee was. Met opmerkzaamheid beschouwde hij zijne gelaatstrekken, om uit de gelijkenis zijne vermoedens te bevestigen; doch hier was het toeval hem niet gunstig, daar Bernard sprekend op zijn vader, Bianca op hare moeder geleek, en tusschen hen veeleer een merkwaardig verschil in gelaatstrekken dan eene overeenkomst bestond, ofschoon zich al eenige gelijkende trekken lieten vinden. Doch wanneer men ze zoeken wilde, dan bood het gelaat van Lodewijk oneindig meer waarschijnlijkheid voor de bloedverwantschap aan. Bernard had daarenboven met behendigheid in zijn gesprek weten in te vlechten, dat hij uit Dresden geboortig en de zoon van een armen voorzanger aan de kruiskerk was, die hem, gelijk hij er lachend bijvoegde, toen hij voor drie jaren stierf, bij zijnlaatstenwil niets had nagelaten, dan denvrijenwil, om te gaan waar hij wilde.Zoo bleef Dolgorow natuurlijk in de kwellende onzekerheid, of zijn geheim inderdaad ontdekt was, dan of slechts toevallige omstandigheden of half begrepen woorden of uitdrukkingen den schijn eener ontdekking hadden voortgebracht.Om niet door al te veelvuldig, angstig vragen verdenking te wekken, sloeg hij zijnen gasten eene partij op het schaakbord voor. Lodewijk, die van het spel maar zeer weinig verstond, verontschuldigde zich, Bernard nam den voorslag schijnbaar zeer gaarne aan. De kamerdienaar bracht een schaakbord; zij zetten zich tot spelen; Lodewijk bleef in het vertrek en zag toe.„Ik heb een gevaarlijke partij,” merkte de graaf na de eerste zetten aan; „ik zal moeite hebben, mij te verdedigen.”„Uw oordeel na zoo weinige zetten, heer graaf, bewijst uwe meerdere sterkte,” antwoordde Bernard.Zij speelden ondertusschen voort, en schenen, ofschoon beiden hunne gedachten inwendig op geheel iets anders gevestigd hadden, toch met de grootste aandacht op hun spel te letten. Bernard bezat geestkracht genoeg, om zich tot opmerkzaamheid te dwingen en niet door verstrooidheid te verraden, dat de overwinning in het spel hem op dit oogenblik de onverschilligste zaak ter wereld was.Zoo verliep de voormiddag; het etensuur naderde. De gravin zoowel als Bianca zouden aan tafel verschijnen. Toen de graaf des morgens bij zijne dochter was geweest, had hij daarvan als van een onvermijdelijken huiselijken plicht gesproken, die gisteren alleen om de gezondheidstoestand der gravin had mogen verzuimd worden. Bianca echter die de geslepenheid van Dolgorow, om zich te beheerschen en zijn wezen in allerlei gedaanten te plooien, reeds uit zijn vroeger diplomatisch leven kende, liet zich door zijn gedrag niet misleiden. Toen hij echter door de deur, die de bijzondere uitgang van hare kamer was, trachtte te gaan en zich verwonderd hield dat deze gesloten was, bekwam zij de volkomen zekerheid, dat hij veinsde, te meer daar hij dadelijk en met zekeren ijver, dien eene onverschillige zaak niet had kunnen teweegbrengen,aanJeannettebevolen had, den kamerdienaar te vragen, of hij den sleutel had, en hem te gelasten, zorg te dragen, dat de deur geopend werd. Ondertusschen ging hij, en spoedig daarop werd de deur inderdaad geopend. Bianca wist echter te goed, dat zij daardoor niet hare wezenlijke vrijheid, maar slechts den schijn daarvan had teruggekregen, en dat men nu hare schreden des te zorgvuldiger zoude bewaken. Evenwel scheen de vlucht haar niet onmogelijk, en daarenboven was deze het eenige middel, dat haar overbleef. Haar hart zocht derhalve meer naar raad dan naar verstand. Zij moest oude, heilige verplichtingen verbreken—nieuwe,oneindigdierbaarder, op zich nemen; van hare ouders, haar vaderland, zelfs van haar naam plotseling afstand doen en in eene gansch andere wereld treden. Hoezeer haar hart haar ook daarheen trok, ondervond hare edele ziel echter nu eerst, in het oogenblik der beslissing, met hoeveel onzichtbare draden het leven ons omzweeft, welke dan eerst houden en binden, wanneer wij ze voor altijd willen losscheuren. In deze spanning schreef zij aan Gregorius, haren vaderlijken vriend en raadgever, die met haar geheim bekend was en bad hem dringend, zoo spoedig het hem eenigszins mogelijk was, naar het jachtslot te komen. Doch zij was voorzichtig genoeg, hem den grond voor hare bede niet te melden. Zij wist, dat hij eene zoo dringende uitnoodiging toch zoude volgen.Willhofenbeloofde den brief door een vertrouwden bode te zullen doen bezorgen, en meldde een uur daarna, dat het hem gelukt was.Thans voelde haar hart zich wonderbaar verlicht; haar vertrouwen op den dierbaren leeraar was onbegrensd; zij hield zich verzekerd, dat zijne tegenwoordigheid haar bescherming en redding zoude aanbrengen, want het was zijn plicht, haar beide aan te bieden, en zij wist, dat, waar deze hem riep, zijn moed onverzettelijk was.Zij ging met hare moeder naar de eetzaal. Hier zag zij Lodewijk en Bernard na de haar zoo lang en smartelijk gevallen scheiding weder. Haar hart klopte, doch zij beheerschte hare gewaarwordingen met geweld, om zich niet te verraden. Vriendelijk, welwillend kon zij immers zijn, want zij was dit steeds, en thans konden dankbare gevoelens haar bovendien het gunstige voorwendsel daartoe zijn. De oefening der groote wereld hielp daar de uren aan tafel te boven komen, zonder door iets hare stemming te verraden. De bedrevenheid haars broeders, die zich van het gesprek meester maakte, het op Schotland en Engeland, op zijne reizen aldaar en op de kunst in het algemeen leidde en alzoo ook Lodewijk, die over ernstige en belangrijke zaken altijd met verstand wist te spreken, in het gesprek trok, kwam haar heerlijk te stade. Dolgorow zelf liet zijne achterdocht reeds half en half varen en gaf zich aan de hoop over, dat alle bekommeringen slechts op toevallige omstandigheden berustten. Eindelijk stond men van tafel op, en de vrouwen wilden zich verwijderen. Daar vond Bianca een, naar zij geloofde, onbewaakt oogenblik en fluisterde Bernard de woorden toe: „Houd goeden moed, ik heb hoop, op eene gelukkige wending van ons lot.”Doch Dolgorow, die juist eenige doorJacquesgebrachte brieven geopend had en las, wierp toevallig een blik over het papier op een spiegel, waarin hij Bernard en Bianca's gestalten geheel en al zag. Hij zag hunne vertrouwelijkheid, bemerkte hun fluisteren en den indruk, welke de woorden op Bernards gelaat teweeg brachten. Wel is waar had hij geen woord verstaan, doch in beider trekken lag eene uitdrukking van vertrouwelijkheid, die slechts door eene zeer nauwe betrekking kon ontstaan zijn en te meer verwondering baarde, daar beiden, toen de deur onverwachts openging, opeens de uitdrukking hunner trekken veranderden en de stijve houding der beleefdheid wederaannamen. Wat hier gebeurd was, kon geen plaats vinden tusschen de prinses Ochalskoi en een vreemdeling zonder rang of naam. Derhalve had Dolgorow opeens deontegensprekelijkstebewijzen voor de gegrondheid van zijne achterdocht. Het verraste hem nu hij er bijna van terug gekomen was, zóó sterk, dat hij, die onder de moeielijkste omstandigheden bezonnen en koel bleef, voor een oogenblik zijne bedaardheid verloor en zich een half onderdrukten uitroep van verbazing liet ontvallen. Doch even spoedig als hij zijne bedaardheid verloren had, had hij die teruggekregen, terwijl hij voorbedachtelijk dien uitroep herhaalde en hevig op den grond stampte, doch den schijn aannam, alsof het de berichten, die hij in zijne brieven vond, waren, welke hem zoozeer aandeden. „Het is ongehoord! onvergeeflijk!” riep hij uit en kneep den brief hevig in elkander; „men zou dol worden over zulk eene handelwijs!”Zelfs Bernard liet zich door dit mom bedriegen en vermoedde niet, dat zijn geheim in dit oogenblik ontdekt en verraden was. Behendig met den graaf instemmend, zeide hij half vragend, half deelnemend: „Gij ontvangt zulke onaangename tijdingen heer graaf?”De Gravin deed dezelfde vraag, doch meer bepaald.„Wat zou het zijn,” antwoordde Dolgorow, „dan nieuwe redenen tot oude klachten. Geheel verkeerd handelen, onzinnig veranderen, tegenstrijdige bevelen, welke alles in de war brengen, wat men met eigen krachten der liefde van het vaderland onderneemt!—Vergeef mij, maar ik moet eenige oogenblikken alleen zijn, om mijne drift te doen uitwoeden.”Met deze woorden boog hij zich en ging naar zijne kamer, terwijl de vrouwen tegelijk de haren opzochten. Bianca nam ondertusschen afscheid met de vriendelijke vertroostende woorden: „Ik hoop, dat wij elkander bij de thee wederzien.”Zoodra Dolgorow op zijne kamer was gekomen, schelde hij den kamerdienaar, om hem nogmaals nauwkeurig omtrent alles te ondervragen, waarop hij zijn vermoeden gegrond had.Jacquesdie lang gemerkt had, hoe gewichtig deze zaak voor den graaf was, verzweeg, gedeeltelijk omdat hij niet gaarne de verdienste der ontdekking met iemand wenschte te deelen, gedeeltelijk om in de gunst vanJeannettete blijven, niet alleen wat deze hem gezegd had, maar zelfs, dat zij hem inderdaad het gewichtigste ontdekt had. Daarom waren zijne verklaringen voor den graaf geheel onvoldoende. Hij gebood hem te vertrekken en bleef peinzend in zijne kamer, terwijl hij zich kwelde, een middel te vinden, om de waarheid te ontdekken. Opeens werd het hem helder. „Dwaas!” riep hij, „hoe kunt gij zoo dom zijn en niet dadelijk daarop komen? Hij of zij moeten hier een of andere brieven, documenten, of andere herkenningsteekenen hebben; het was anders onmogelijk, dat zij elkander gevonden hadden!—Dat moet mij licht geven. Vooreerst willen wij het gemakkelijkste beproeven en Feodorowna's kamer in stilte doorzoeken.”Hij schelde.Jacquestrad binnen.„Is de prinses op hare kamer?”„Neen: hare hoogheid werkt bij de genadige gravin.”„Het is goed!—Gij kunt vertrekken.”Zoodra de kamerdienaar vertrokken was, stak Dolgorow eene kleine dievenlantaarn aan, nam die onder zijn mantel en ging naar Bianca's kamer. Het gelukte hem, er onbemerkt binnen te sluipen.—Dadelijk sloot hij de deuren naar beide kanten dicht en begon zijn onderzoek. Hij had eenige loopers bij zich gestoken, waaraan geen slotgemakkelijk weerstand bood en die hij nog uit den tijd van zijne gevaarvolle diplomatieke betrekkingen bezat, toen hij de papieren zijner ondergeschikten steeds in het geheim zorgvuldig nazag, om zich van hunne trouw te overtuigen. Met behulp dezer werktuigen gelukte het hem spoedig, Bianca's gesloten secretaire te openen. Na eene poos gezocht te hebben, vond hij onder hare brieven dien van Ruschka boven op liggen, daar zij hem eergisteren eerst weder geborgen had. Deze nam allen twijfel weg; en toen hij nu de portefeuille ontdekte en opende, waarin de portretten der beide ouders zich bevonden, wier gelijkenis met de kinderen niet te miskennen was, had hij verder geene de minste verklaring of navorsching noodig, om te weten dat Bernard de teruggevonden broeder was. Zorgvuldig legde hij alles weder op zijne plaats, ontsloot de deur en snelde naar zijne kamer terug.Thans hielden hem de plannen, hoe hij het naderend onheil het best zoude afweren, bezig. Spoedig was hij besloten. Hij moest Feodorowna's lippen evenzoo verzegelen, als die van Ruschka, door bedreigingen tegen wat haar het dierbaarst op aarde was. Die taak viel den gewetenlooze licht, doch hij had de middelen niet dadelijk bij de hand. Bernard en Lodewijk moesten het lot der gevangen Franschen deelen. Dan zoude hun lot daarvan afhankelijk gemaakt worden, of Feodorowna op de hostie wilde zweren, nimmer het geheim harer geboorte te verraden. Doch daartoe had men meer manschappen noodig, dan men in het slot had. Buiten de bedienden, van welke de meesten lijfeigenen van Feodorowna waren, op wie Dolgorow zich in een beslissend oogenblik niet durfde verlaten, was er niemand op het slot. Bernard en Lodewijk alleen konden een zoo dapperen tegenweer bieden, dat men ten minste genoodzaakt zoude zijn hen te dooden, en dan was de borgtocht voor het geheim verloren. Feodorowna's leven echter zelf durfde Dolgorow niet aantasten; gedeeltelijk wijl hare lijfeigenen in zulk eene daad eene vreeselijke, onverzoenlijke misdaad zouden gezien hebben, gedeeltelijk omdat hij vooruit zag, dat de gravin hare toestemming zoude weigeren, eindelijk ook wel, omdat hij hier de inwendige maat van zijn misdadig pogen gevuld gevoelde. Want ieder, zelfs de slechtste, heeft eene grens van zijn misdadig willen in zich, welke hij niet kan overschrijden. Zelfs de diepste afgrond der misdaden wordt eenmaal gevuld, en er is een punt, waar het heilige gebod der zedelijkheid zich zoo onverwinnelijk doet gelden, dat de meest ontaarde, al moest hij daardoor de vrucht van al zijne vorige misdaden verliezen, al moest hij zelf der aardsche vergelding ten buit worden, evenwel zijne wilskracht tot het booze verlamd gevoelt en den laatsten slag, welke hem aan het doel zoude voeren, niet waagt toe te brengen. Zoo grijpt de onzichtbare arm des Almachtigen zelfs in het raderwerk der boosheid en beveelt een onherroepelijken stilstand.Dolgorows besluit stond vast. Hij wilde genoegzame manschap in de nabijheid van het slot doen komen, om iederen wederstand onmogelijk te maken. Dan zouden Lodewijk en Bernard naar buiten gelokt, onverwachts overvallen, gegrepen, gekneveld en zoo stil mogelijk weggevoerd worden, zoodat niemand in het slot het gewaar werd. Wanneer men aldus het binnenste van het bosch bereikt had, wilde Dolgorow hun verklaren, dat hun lot en dat van Feodorowna van de bewaring van hun geheim afhing, en hen dan met de overige gevangenen binnenslands wegvoeren. Eerst nadat alles volbracht was, zou Feodorowna den afloop der zaak vernemen, en dan zou het zeker gemakkelijk zijn, haar de belofte eener eeuwige geheimhouding door bedreiging tegen de gevangenen af te persen.Willhofenwas een verdacht getuige voor Dolgorow. Hij besloot derhalve, zich van hem te ontdoen en tevens door hem zijn doel te bereiken, daar hij hem als bode uitkoos, om het bevel over te brengen, dat de manschap op het slot zoude komen, maar tevens den houtvester, die het bevel over dit gedeelte der als landstorm verzamelde boeren had, verzochtWillhofenniet mede terug te zenden, maar hem tot nader order met iets anders bezig te houden.De snelle daad volgde op het weldoordachte besluit. Hij schreef het bevel, verzegelde het, schelde en liet, toenJacquesbinnen kwam,Willhofenroepen.„Hier is een brief van gewicht te bestellen, Solanow,” dus sprak hij hem toe; „gij moet dadelijk zadelen en rijden. Ik stel er u verantwoordelijk voor, dat het bevel uiterlijk binnen drie uren overhandigd is.”De oude boog zich zwijgend, nam den brief en vertrok.Thans schepte Dolgorow lucht. Het gevaar scheen afgewend, de dreigende wolk verdeeld. Hij vermoedde niet, dat zijn plan verongelukt was, nog eer het tot de uitvoering kwam.HOOFDSTUK XI.Bianca immers wist reeds, dat en hoe zij verraden was.Jeannettehad namelijk in de kamer der prinses gezeten en gewerkt. Toen het licht haar begon te begeven, zette zij zich op een leuningstoel in de, door de dikke muren van het slot ruime vensterholte en werkte, zoolang zij zien kon. In de schemering hield zij op en zonk, daar zij eenigen tijd ledig bleef zitten, in slaap. Opeens wordt zij door een geruisch gewekt, richt zich op en ziet met verbazing den graaf voor de geopende secretaire der prinses staan. Onwillekeurig getuige dezer handeling zijnde, vreest zij, zich te verraden; de groote zijden gordijnen bedekken de vensters zoo, dat zij niet kan bemerkt worden. Zij besluit daarom zich niet te verroeren en zich slapende te houden. Doch zij slaat acht op alles, wat Dolgorow doet. Eindelijk gaat hij, nadat hij eerst de beide vroeger in het slot gedraaide deuren zachtjes ontsloten heeft. Deze omstandigheid overtuigt het meisje, dat hier iets geheimzinnigs tegen de prinses ondernomen wordt, daar zij de treurige verwijdering tusschen deze en hare ouders reeds lang kent. Zij brengt dit in verband met hetgeen zij gehoord en aanJacquestoevertrouwd heeft; zij wordt bevreesd, door hare onvoorzichtigheid hare zoo oprecht beminde meesteres in gevaar gebracht te hebben, haar geweten laat haar geen rust, zij moet derhalve bekennen, wat zij meent te weten, wat zij gezien heeft. Met dit voornemen, om door de eerlijkste oprechtheid zoo mogelijk haar misgreep goed te maken, wil zij naar de prinses snellen, toen deze zelve onverwacht binnentreedt.Jeannetteverhaalt, wat er gebeurd is. Bianca vermoedt den samenhang; zij doorziet, dat zij geheel verraden is, dat zij geen tijd te verliezen heeft. Dadelijk besluit zij, met haren broeder te spreken.Jeannettemoet de kamer sluiten en krijgt bevel, zoodra zich iemand aan de deur laat hooren, te antwoorden, dat de prinses bezig is zich te verkleeden en voor het oogenblik niemand kan binnenlaten. Intusschen ijlt Bianca, door dezelfde muts vanJeannette, welke zij haar gisteren gedurende hare sluimering heimelijk ontvreemd heeft, voor herkenning bewaard, naar de kamer van Lodewijk en Bernard en verhaalt hun, watgeschied is. Er wordt besloten nog dezen nacht te vluchten. Gregorius zal de hulpeloozen opnemen, wanneer men zijne woning kan bereiken voordat hij op weg naar het slot is, of wanneer het toeval het zoo gelukkig doet uitkomen, dat men hem ontmoet. Wordt deze hoop niet vervuld, dan blijft Smolensko, nog door de Franschen bezet, hun als toevluchtsoord overig.Willhofenzal hen op de vlucht vergezellen. Hij wordt van alles onderricht en belooft paarden en een slede gereed te houden. Om de noodige voorbereidselen daartoe te maken, heeft hij juist de kamer verlaten, toenJacqueshem ontmoet en bij den graaf ontbiedt. Met een voorgevoel van hetgeen er geschieden zal, treedt hij bij dezen binnen, doch bewaart volkomen zijne geruste en gewone houding. Zonder argwaan geeft Dolgorow hem den brief, dienWillhofendadelijk naar Bernards kamer brengt, waar Bianca zich nog bevindt. Men opent hem; Bianca leest het in 't russisch geschreven bevel; de meening van Dolgorow is duidelijk. Bernard vermoedt zijn plan, ofschoon niet in de volle afschuwelijkheid, daar de brave nooit zoo diep in de ziel van de boosdoeners indringt, dat hij hunne ontwerpen in den geheelen omvang overziet. Thans is ieder oogenblik kostbaar en er is geen tijd te verliezen; de vlucht moet nog in dit uur geschieden. TerwijlWillhofennaar beneden snelt, om, onder voorwendsel van zijn paard te zadelen, de paarden voor de slede te spannen, voorziet Bianca zich op hare kamer van de noodwendigste zaken. Zij kan er thans niet buiten,Jeannettedeelgenoote van haar geheim te maken; deze wil van hare gebiedster niet wijken, maar bidt met tranen, in haar lot te mogen deelen. Bianca moet inwilligen, haar mede te nemen, te meer daar het meisje van Dolgorows toorn alles te vreezen heeft, wanneer hij slechts vermoeden kan, dat zijn geheim door haar kon verraden zijn. Deze pakt derhalve in alle haast kleedingstukken en wat haar verder onmisbaar schijnt in, terwijl hare meesteres zich van geld voorziet en hare juweelen, papieren, brieven en kleinigheden in een kistje bijeen legt. Bernard en Lodewijk hebben zich inmiddels, op raad vanWillhofen, met pistolen, die den bedienden toebehooren, gewapend. Lodewijk gaat naar beneden naar het plein, om, zoodraWillhofente paard stijgt, met de slede te volgen. Bernard ijlt naar zijne zuster, om haar te geleiden. Een teeken, dat hij uit het venster aan de benedenstaanden geeft, geeft blijk, dat de vrouwen gereed zijn.In angstvolle spanning stond Lodewijk op het plein en hield de oogen onafgewend op Bianca's venster gericht. Het dringende gevaar, de mogelijkheid om verraden te worden, de val in de diepste ellende, welke alsdan op de schoone droomen eener namelooze zaligheid moest volgen, dit alles veranderde voor de op de pijnbank gespannen verwachting de seconden in eene eeuwigheid.Eindelijk trad Bernard met een licht aan het venster en blies het uit. Dit was het afgesproken teeken.Willhofensprong te paard en reed naar de poort toe, welke hij beval te openen. Lodewijk volgde hem met de slede: onder de poort aan de trap, zoo luidde de afspraak, zou hij stilhouden, Bernard en Bianca opnemen en dan, zoo snel de paarden vermochten, den vooruitgaandenWillhofenvolgen. Dat zij niet dadelijk vervolgd konden worden, daarvoor had de voorzichtigeWillhofengezorgd, doordien hij de tuigen van alle overige paarden, die in het slot waren, bijeengenomen en over een ingevallen vak van den muur in de slotgracht geworpen had, die wel toegevroren was, doch waar niemand deze dingen zoude zoeken. Het was derhalve te verwachten, dat zij vóór het aanbreken van den dag niet zouden gevonden worden. De duisternis begunstigde hunne onderneming; zacht, zoodat men de voetstappen der paarden overde sneeuw nauwelijks hoorde, kwam Lodewijk tot onder de poort.Willhofenwas er reeds buiten en hield aan de brug stil. Bij den matten schijn der lamp, die het verwulf verlichtte, zag Lodewijk met een kloppend hart de drie gedaanten op de trappen staan. Hij hield stil. „Zijt gij het, Bernard?” fluisterde hij. „Wij zijn het,” was het antwoord en metéén naderde Bianca, om in te stijgen.Daar klonk op eenmaal Dolgorows vreeselijke stem: „Verraad! Holla! Sluit de poort,grijptde verraders!” In hetzelfde oogenblik flikkerde eene getrokken sabel over Bernards hoofd en, door den houw getroffen, stortte deze ter aarde.Bianca gaf een luiden gil, wierp zich over dengevalleneheen en Dolgorow in den weg, die den arm reeds tot een tweeden slag ophief.„Om Gods wil erbarming, houd op—het is mijn broeder!” riep zij op een toon, die door de ziel sneed.Lodewijk stond onbewegelijk. Doch snel bezon hij zich, hij sprong van de slede, greep een pistool en schoot op Dolgorow. Hij trof hem licht aan den schouder, zoodat de gewonde een oogenblik wankelde en terugtrad. „Vlucht, ongelukkige,” riep Lodewijk nu en wilde Bianca omvatten, doch reeds waren drie bedienden, die in de wachtkamer naast de poort gezeten hadden, toegesneld en rukten hem achterover op den grond. „Pakt de schelmen! Bindt hen!” riep Dolgorow woedend, en de knechts, welker getal spoedig door eenige van het plein komenden vermeerderde, wierpen zich op de ongelukkigen. Hij zelf greep Bianca aan, rukte haar omhoog en droeg haar, daar zij zich wilde verzetten, met geweld de trappen op. Hare kracht ging in hare smart te gronde; zij kon geen weerstand bieden.Jeannettevolgde hare gebiedster. De knechts rukten, zonder verdere bevelen af te wachten, den bewusteloozen Bernard en den verstommenden Lodewijk met zich voort en sleepten hen den graaf na.Boven op den gang ontmoette hem de gravin, die het geraas en het schot gehoord had, zonder de reden te weten, en thans uit hare kamer kwam, om naar deze te vernemen.„Neem uwe dochter tot u, gravin,” riep Dolgorow, „de eer van ons huis staat op een gevaarlijk spel.”„Niet uwe dochter!” riep Feodorowna, die tot haar bewustzijn terugkeerde, van smart buiten zich zelve: „ik erken uwe rechten niet meer! Gij hebt mijn broeder vermoord!” Met geweld rukte zij zich thans uit de armen van den graaf los en snelde de bedienden te gemoet, welke Bernard en Lodewijk medesleepten. „Gij zijt mijne lijfeigenen!” riep zij dezen te gemoet met eene kracht, die de vertwijfeling haar verleende; „ik beveel u, dezen ongelukkige los te laten en den bloedende ter hulp te komen.”Dolgorow was haar nagevlogen. „Wie mijne bevelen niet gehoorzaamt,” dreigde hij met hoog opgeheven sabel, terwijl hij zijne stem vreeselijk verhief, „dien kloof ik den kop! Wie waagt het, mij te trotseeren?”De lijfeigenen der vorstin stonden besluiteloos, daar zij tusschen vrees en plichtgevoel wankelden. Twee van Dolgorows eigen lieden echter bogen zich slaafs deemoedig en zeiden: „Alleen onze gebieder zal ons bevelen geven, wat wij te doen hebben.”„Ik deed dit reeds,” snauwde Dolgorow hun toornig toe; „bindt deze honden en werpt hen in het diepste gewelf van het kasteel.”„Neen, het is onmogelijk,” riep Bianca uit en sloeg hare beide armen om haar broeder en drukte zijn bloedend hoofd aan hare borst: „ik verlaat u niet mijn broeder, in mijne armen zult gij sterven.”Door een schuwen eerbied aangegrepen, weken thans de ruwe slaven terug en schenen een anderen plicht, dan dien der deemoedige gehoorzaamheid gehoor te geven.Dolgorow stampte kwaadaardig op den grond. „Werpt haar mede in het hok, wanneer zij hem niet verlaten wil!” riep hij woedend uit en trad zelf naar de ongelukkige toe, om haar van het hart haars broeders af te rukken.Lodewijks boezem werd op dit oogenblik van namelooze smart doorgriefd. Daar doordrong hem op eenmaal het gevoel van de alomtegenwoordigheid van den hoogsten Rechter, en in de zedelijke kracht zijner overtuiging richtte hij zich trotsch tusschen de slaven, die hem de armen gebonden hielden, op en riep den graaf met al de meerderheid der deugd toe: „Houd op! Vrees voor eene vergelding! de Almachtige is getuige van iedere daad, Zijne gerechtigheid ontkomt geen mensch!”Dolgorow keerde zich trotsch om. Hij voelde zich inwendig getroffen, ja, hij ondervond voor de eerste maal in zijn leven de stille, geheime onrust van het kwaad geweten. Doch juist daarom kantte zich zijn verhard gemoed daartegen aan, als tegen een schandelijke vlucht, en zocht hij zijne ontroering achter verdubbelden trots te verbergen. Met een spottenden lach hernam hij derhalve: „Meent gij? Ik denk u evenwel te toonen, dat menmijntoorn enmijnegerechtigheid nog minder ontkomt.”In dit oogenblik liet zich opeens van beneden een dof geraas en luid geschreeuw van verwarde stemmen hooren.Allen stonden verrast en luisterden; het gedruisch kwam nader.„Wat is daar te doen!” riep Dolgorow. „Gaat een van allen naar beneden en ziet, wat dit misbaar beteekent.”Doch toen een der bedienden dit bevel wilde gehoorzamen, hoorde men de menigte reeds met geschreeuw de trappen opstormen. Een vlammende gloed toonde aan, dat zij met lantaarnen of fakkels kwamen.Dolgorow snelde thans, ongerust geworden, zelf naar de trap. Het geschreeuw der aanstormenden wies met ieder oogenblik. „Hierheen, hier!” riep eene stem; „volgt mij.”Lodewijk herkende de stem vanWillhofen. Een voorgevoel, dat hij redding aanbracht, doordrong zijn borst. Doch nauwelijks was deze gedachte bij hem opgekomen, toen een schot en dadelijk daarop een tweede, gevolgd van een vreeselijk woedend geschreeuw, zich liet hooren.Dolgorow, op wien de schoten gemunt waren geweest, keerde haastig terug; hij hield de hand aan zijne gekwetste zijde, doch moedig zwaaide hij nog zijne sabel en riep de bedienden te hulp. Deze waren ongewapend en aarzelden.„Vecht of ik stoot u neder,” brulde Dolgorow en stampte met den voet, dat de bodem dreunde. De verschrikte slaven lieten Lodewijk en Bernard los en snelden naar hun meester. Daar vervulde opeens een helder rood fakkellicht het geheele gewelf, en Lodewijk zag den trouwenWillhofen, die, in zijne rechterhand eene sabel, in de linker eene helder lichtende fakkel zwaaiend, op de bovenste trede van den trap verscheen. Snel drong hij voorwaarts, eene menigte menschen met knuppels en stokken achter hem. Woedend stormden zij op Dolgorow en de zijnen aan; dezen gingen op de vlucht en vloden langs den gang. Dolgorow wilde standhouden, doch hij werd overweldigd en ter aarde geworpen; de schaar drong voort en voordat Lodewijk zich bezinnen kon, drukteWillhofenhem de hand, en schudde haar en riep juichend uit: „Wij zijn gered, mijnheer!”
In de voorzaal wachtteWillhofen, die hun bijzonder als bediende was toegevoegd, en lichtte hen door de gang naar hun vertrek.
Toen zij binnengetreden waren, sprak Lodewijk hem aan: „Vriend, trouwe, eerlijke knecht mijns vaders, zult gij zijn zoon evenzoo aanhangen als hem?”
„Ach, mijnheer,” riepWillhofenvroolijk, „reeds omdat gij een Duitscher zijt en mijne taal spreekt, zoude ik alles voor u doen. Maar mag ik een openhartig woord spreken?—Lieve heeren, uwe zaken staan hier gevaarlijk—de graaf en de gravin denken anders dan de prinses; zij is eene engelachtige vrouw.”
„Willhofen,” zeide Lodewijk, „wij zijn niet blind voor ons gevaar, maar juist gij moet ons raad geven, hoe wij het ontkomen. Gij weet te veel om niet alles te weten; de prinses is de zuster mijns vriends en mijne verloofde. Zij is bereid, ons naar Duitschland te volgen. Is dat nu of spoedig uit te voeren?”
„Mogelijk is het zeker, doch zeer moeielijk,” hernamWillhofen. „Meent gij dan, dat, wanneer het zoo gemakkelijk was, ik niet reeds voor lang zou gevlucht zijn? Slechts daarom heb ik in mijne oude dagen de wapenen weder opgenomen, om den duitschen grond nader bij te zijn; want ik hoopte gelegenheid te vinden om te vluchten. Tot nu toe is het echter onmogelijk geweest, vooral nu, daar de landstorm, de boeren, de kozakken en de fransche legers rondom alles bedekken. Wien wij ook in handen vallen, wij zijn altijd verloren! Ik zegwij, lieve heeren; want gij zult mij toch toestaan, met u te vluchten?”
„Wij hopen dit, mijn vriend,” hernam Lodewijk.
„Maakt gij onze vlucht mogelijk, oude,” zeide Bernard, „dan zult gij in Duitschland een zorgeloozen ouderdom hebben.”
„O God,” riep de oude man, „wanneer de zon mijns levens toch nog vroolijk onderging! Ik zal beproeven, wat mogelijk is. Ik sta nog al goed bij de gravin, ik wil zien, of zij mij haar vertrouwen schenkt; want vooral moeten wij te weten komen, of zij kwaad vermoedt. Is haar argwaan reeds opgewekt, dan hebben wij geen tijd te verliezen; anders kunnen wij met iederen dag uitstel slechts winnen.”
„Doe wat gij kunt, beste vriend,” zeide Lodewijk, „en breng ons zoo spoedig mogelijk bericht.”
Willhofenvertrok.
„Zal onze nacht zoet of onrustig bewogen zijn?” vroeg Lodewijk, toen hij zich met Bernard alleen zag. „Vriend, welk een dag was dit!”
„Op aarde ben ik niet veel geweest,” hernam Bernard, „maar eene reis of twee,drie in den hemel en in de hel. Thans echter moet ik bekennen, dat al de zenuwen mijner ziel zoo afgemat en moe zijn, als mijn lichaam, waarin ik langzamerhand de vermoeidheid des doods voel binnensluipen. Het noodlot met zijn donder en bliksem heeft mij elk kwartier uit den slaap opgejaagd. Maar gij weet, er komt een tijd, wanneer de afgematte zelfs door het verdoovende kraken van een nevens hem neerstortenden sneeuwval noch verschrikt, noch gewekt wordt. Thans ben ik zoo ver; ik kon, zooals eenige manschappen, die in doodsvermoeidheid op marsch nedergestort waren, een twaalfponder tegen mijne voeten zien rijden en het der moeite niet waard rekenen, ze op zij te trekken.”
Lodewijk, die slechts door geweldige gemoedsaandoeningen geslingerd was geworden, maar bijna geen lichamelijke vermoeienissen had ondervonden, voelde zich minder uitgeput. Met schrik zag hij derhalve Bernard onder het spreken al bleeker en bleeker worden, en bemerkte aan zijne dof slepende stem, dat het bewustzijn hem begaf. Snel sprong hij op hem toe, greep hem bij den arm en riep: „Bernard, wat scheelt u? Zijt gij ziek?”
„Neen, beste—maar—geheel—dood af—,” antwoordde hij in afgebroken woorden en zonk in de armen zijns vriends ineen.—Zoo was dan ook eindelijk de uitgeputte kracht van dezen sterke, die tot nu toe door de uiterste inspanning van zijn geest de natuur getrotseerd had, gebroken. Lodewijk droeg hem zacht op een rustbed en liet aan den slaap over, hem met zijne versterkende kracht opnieuw te doen opleven.—Spoedig verzonk hij ook zelf in zoete verdooving, welke nauwelijks door zwakke droombeelden werd afgebroken.
Toen hij ontwaakte, was het klaar dag en een schitterende lichtstroom drong hem in de oogen.Willhofenstond voor hem en zeide glimlachend: „Gij hebt een gezonden slaap, mijnheer, dat moet ik zeggen. Ik heb reeds driemaal te vergeefs aan de deur geklopt en moest eindelijk binnentreden.—Maar de heer dáár slaapt nog vaster.”
Lodewijk had eenige oogenblikken noodig, om de hem omringende voorwerpen in samenhang te brengen met zijne morgendroomen, die hem, gelijk zoo dikwijls in zijn vaderland hadden overgebracht. Hij richtte zich op. Als een wonder kwam hem de frissche kracht zijner leden voor; hij voelde den vollen levenslust, den jeugdigen levensmoed zoo goed als ooit te voren in zijne beste dagen. „Ja, alles is wezenlijk,” zeide hij en zag den oude vroolijk in het brave gelaat.
„O, welk een geluk is zulk ontwaken!”
Hij sprong op en beschouwde Bernard; ook in hem was de levenskracht teruggekeerd; hij ademde vol, maar licht: een toonbeeld van mannelijke gezondheid.
„Bernard!” zeide hij en nam zijne hand. „Bernard!” Hij ontwaakte niet, voordat zijn vriend hem de hand op het voorhoofd legde. Toen sloeg hij zijne oogen op en zeide: „Lodewijk, zijt gij het, die mij zoo vriendelijk wekt? Gij hebt een schoonen droom verjaagd; doch hij ontvliedt voor eene nog schoonere waarheid.”
„De prinses is reeds voor lang opgestaan,” zeideWillhofen; „doch zij heeft uitdrukkelijk bevolen, dat ik u niet zoude wekken. Eindelijk scheen het mij echter toch tijd toe daar het bijna middag is.”
„Middag?” vroeg Bernard en een soort van schaamte kleurde zijne wangen. „Foei, dat wij ons hier dadelijk als een paar slaapkoppen moesten tentoonstellen!”
„O, de gravin ligt ook nog te bed,” antwoorddeWillhofen, „en zelfs de gevangenen zijn nog niet afgemarcheerd; de dag van gisteren was voor ons allen hard.”
„Welke gevangenen?” vroeg Bernard.
„De Franschen, die wij gisteren in onze macht kregen,” hernam de oude man. „Zie daar, juist worden zij gemonsterd, om verder in het binnenland gevoerd te worden.”
Bernard trad aan het venster. Het gezicht der twintig ongelukkigen, die met bleeke gezichten, slecht gekleed, half verhongerd voor hem stonden en van koude of vrees voor hun lot beefden, sneed hem door het hart. „Waar brengt men hen heen?” vroeg hij.
„Denkelijk daarheen,” antwoorddeWillhofen, „waar ik zoovele jaren versmacht heb, naar Siberië; de weg daarheen is gemakkelijk gevonden, maar terug is hij moeielijk.”
„En waarom kwaamt gij daar?” zeide Lodewijk. „Wie had het recht, een ongelukkigen schipbreukeling in balling te zenden?”
„Het geschiedde volkomen naar de wet,” zeideWillhofenmet bitterheid; „ik was naakt en bloot aan de kust geworpen. Een russisch herbergier borgde mij vijf roebels, weergeven kon ik ze niet. Toen werd ik met het gebruik van mijn dienst zijn eigendom en hij verkocht mij aan prins Ochalskoi, die juist eene fabriek op zijne goederen bij Bern oprichtte.”
„Dus voor vijf roebels!”
„Zuchtte ik achttien jaren lang naar mijn vaderland en al de mijnen.”
„Wees getroost, oude,” klopte Bernard hem op de schouders, „van nu af zal het beter gaan. Het is altijd een mooie dag geweest, wanneer de avond helder is.—Doch wat beteekent dat? De gevangenen schijnen immers weer uiteen te gaan?”
Willhofenzag uit. Een kozak was het plein opgereden en sprak met de boeren, die het transport begeleidden. „Ik wil dadelijk zien, wat er gaande is,” zeide hij en ijlde naar buiten.
Na eenige minuten keerde hij met de tijding terug, dat Dolgorow bevolen had, de lieden hier nog op te houden, daar hij morgen en overmorgen door gelukkige aanvallen op de fransche achterhoede het getal der gevangenen hoopte te vermeerderen. Dan konden zij allen tegelijk worden vervoerd.
„Zoo doe mij den dienst, vriend,” zeide Bernard, „en zorg, dat die ongelukkigen, die reeds half dood zijn, zoo goed mogelijk verzorgd worden.”
Willhofenbeloofde het en vertrok.
Beide vrienden hadden zich intusschen aangekleed en begaven zich naar de zaal, waar, zooals hun bericht was, Bianca met het ontbijt op hen wachtte. Doch toen zij binnen kwamen, vonden zij het vertrek ledig, ofschoon de tafel voor het ontbijt was gedekt. Een bediende, die spoedig daarna binnentrad, meldde hun vanwege de gravin Dolgorow, dat de prinses niet zou verschijnen.
Lodewijk was ontsteld, doch Bernard scheen er niet bijzonder op te letten en zette zich aan tafel. Toen de knecht zich verwijderd had, vroeg Lodewijk: „Wat mag er gebeurd zijn? Zou de ziekte der gravin eene gevaarlijke wending hebben genomen?—Ik had mij zeer op dezen vriendelijken morgengroet verheugd; want de heldere, klare dag kan ons, dunkt mij, eerst de volle zekerheid van ons geluk geven. En nu....”
„Als hier maar niets ergers achter verborgen ligt,” bromde Bernard en stond op. „Ik vermoed niets goeds. Mijne zuster zou het zonder dringende reden niet van zich hebben kunnen verkrijgen, haren broeder, eerst gisteren gevonden, heden niet opnieuw te begroeten. Laat ons daarom voorzichtig zijn en toch niet door te veel vragen ons zelven verraden.”
„Gelooft gij dan, dat er zich iets gevaarlijks voor ons heeft opgedaan?” vroeg Lodewijk verwonderd.
„Ik geloof evengoed niets als alles; want beide is even mogelijk,” antwoordde Bernard ras.—„Hm! misschien is het ook maar voorzichtigheid van mijne zuster; zij houdt zich met voordacht van ons verwijderd, om zich niet te verraden.—Ik ken de gewoonten van Rusland niet genoeg, om te weten, wat voor eene gastvrouw vreemd zoude staan of niet. Men moet haar vertrouwen, want zij heeft evenveel verstand als liefde getoond.—Geduld slechts, en alles zal zich ophelderen.”
Lodewijk, ongerust geworden, ging zonder spreken op en neder.
Spoedig daarop kwamWillhofenterug en verhaalde, dat de gevangenen op bevel der prinses goed verzorgd werden, zoodat het meer bezorgdheid voor hun toekomstig lot was, dat hen kwelde, dan wel de tegenwoordige ongemakken.
Intusschen verliepen er een, twee, drie uren en Bianca liet zich niet zien.
Bernard sloeg aan Lodewijk eene wandeling in de open lucht voor; hij nam dit aan. Zij gingen het slotplein over en namen de ligging van het gebouw nader op.
Het was rondom door dichte, hooge dennenbosschen omgeven, door welke evenwel vier breede wegen waren uitgehouwen, die elkander rechthoekig sneden. Deze waren vrijwel gebaand, doch in het overige lag de sneeuw los en hoog, zoodat het zoowel te voet als met een slede even moeilijk scheen, wanneer men den grooten weg verliet door het woud te dringen.
„Het gebouw schijnt oud,” zeide Bernard; „Gothische, nieuw-grieksche, barbaarsche stijl, alles door elkander. Deze beide ronde hoektorens met hunne lange, dunne spitsen moeten van oude dagteekening zijn.—Hoever wij hier wel van den grooten weg af zijn?”
„Ik hoordeWillhofenzeggen, omtrent vier of vijf uren,” antwoordde Lodewijk, „en Smolensko ligt zeven uren van hier.”
„Zoo rekende ik ook,” stemde Bernard hem toe; „in die richting moet het liggen. Wij zouden den weg door die breede laan moeten nemen.”
„Het is dezelfde, waardoor wij gisteren hierheen gekomen zijn,” meende Lodewijk.
„Hoort gij niets?” vroeg Bernard opeens en luisterde, terwijl hij zijn hoofd op zijde boog en de hand, om het geluid op te vangen, aan zijn oor hield.—„Dat is eene kanonnade, in de richting van den grooten weg, doch zeer ver.”
„De bosschen houden den klank tegen,” zeide Lodewijk en luisterde ook naar de enkele doffe schoten, welke men hoorde.
„Het kon het leger vanNeywel zijn, dat daar aan den dans is, en misschien is Rasinski bij het gevecht,” zeide Bernard.
„Rasinski!” riep Lodewijk; „hoe zal die brave vriend misschien over ons bezorgd zijn! O, wanneer wij hem eenig bericht konden doen geworden.”
„Zekerlijk zou dat goed zijn,” zeide Bernard en bewoog nadenkend, doch toestemmend zijn hoofd. „Over het geheel moet ik u zeggen, dat ik mij, hoe gemakkelijk het hier in het slot voor ons zij, toch liever met mijne zuster onder zijne bescherming zou bevinden dan hier. Eens moeten toch die vreeselijke vermoeienissen een einde nemen. Met iederen dag komen wij het vaderland en de verzorgingstoestellen voor het leger nader. De weg werd vast, effen—ik geloof dat wij het ergste geleden hadden.”
„Ach,” zuchtte Lodewijk, „wanneer wij maar eerst den voet weder op vaderlandschen bodem konden zetten!”
Naar het verwijderde gevecht luisterende, gingen de vrienden nog eenigen tijd op en neder. Ondertusschen was het reeds laat geworden en begon het te schemeren. Zij keerden naar huis terug, daar hun dit uur als dat des middagmaals was aangewezen. De tafel was reeds gedekt, doch slechts voor hen beiden alleen; zelfsWillhofenwist niets naders te berichten over het uitblijven der prinses, dan dat zij waarschijnlijk de zieke gravin gezelschap moest houden.
„Houd u slechts goed voor de bedienden,” fluisterde Bernard Lodewijk toe; „geen schepsel hier mag gissen, dat wij ongerust zijn.”
Bij deze woorden schonk hij een glas wijn in en klonk met Lodewijk op de bewoneressen van het huis. Gedurende het eten was hij voortdurend opgeruimd en schertste veel, zelfs met de bedienden, wie hij eenige russische woorden afleerde, om zich dan, hoe gebrekkig ook, met hen in hunne moedertaal te onderhouden.
Het was donker geworden en men bracht licht. Bernard begon, om het gesprek gaande te houden, van Schotland te vertellen. Lodewijk hoorde hem verstrooid aan; zijne bezorgdheid wies met iedere minuut.—Het was thans zeven uur, de burgerlijke beleefdheid jegens gasten zoude reeds lang gevorderd hebben, dat de vrouw des huizes hen begroet had. Er moest eene dringende reden zijn, die Bianca weerhouden had.
Gedeeltelijk om zich te verstrooien, gedeeltelijk om hunne onrust te verbergen, hadden zij ieder uit eene kast een deel vanVoltairegenomen; zij zetten zich aan eene andere tafel en lazen. De bedienden namen inmiddels de tafel af en verwijderden zich.
Doch nauwelijks waren zij eenige oogenblikken alleen geweest, toenWillhofenbinnentrad, voorzichtig omzag, of er ook iemand in den omtrek was, en toen Bernard een stukje papier toereikte.
Daarop zag hij met potlood in het engelsch geschreven: „Mijn broeder, wanneer alles slaapt, kom dan onder het venster van mijne slaapkamer.”
„Weet gij, wat dit papier behelst?” vroeg hijWillhofen, nadat hij het gelezen had.
„Ik geloof bijna; de kamenier der prinses,Jeannette, heeft het mij gegeven.”
Bernard ging onrustig op en neder. „Kent gij de ligging van het slaapvertrek der prinses,Willhofen?” vroeg hij dezen.
Deze knikte.
„Wanneer alles in huis slaapt, moet ik mij onder haar venster vervoegen; kunt gij mij zonder gevaar daar brengen?”
„Eene kleinigheid! Ik zal wel zorgen, dat het den portier zwaarder zal vallen, zijne oogen, dan ons de oude, verroeste poort te openen.”
„Wanneer gaat men hier slapen?”
„Vóór middernacht; tegen twaalf uur zijn we zeker, buiten de muizen op den korenzolder, geen schepsel meer wakker te zullen vinden.”
„Kom dan op dat uur bij ons op onze slaapkamer, vriend; gij kunt ons daardoor een gewichtigen dienst doen.”
Willhofenging heen.
Bernard en Lodewijk gingen naar hunne kamer en wachtten in ongeduldige spanning op het uur van middernacht. Langzaam kroop de tijd voorbij. Angstig luisterden zij naar ieder geluid in het slot, naar het geraas van open- en toegaande deuren, het loopen der knechts door de gangen, en of het roepen en antwoorden niet eindelijk eens eeneinde zoude nemen.—Dikwijls was het minuten aaneen doodstil; dan brak het geluid van een openspringend slot of de lompe, zware, door de lange gangen dreunende tred van een knecht de diepe stilte opeens weder af. Eindelijk, na elf uur, scheen alles in slaap gedompeld te zijn.
„Het slot is stil als het graf,” zeide Bernard, terwijl hij zachtjes de deur opende en naar buiten zag. „Het is nabij middernacht. Ik wenschte, datWillhofenkwam, opdat de onzekerheid een einde had.”
Lodewijk was door sombere voorgevoelens en bekommernissen gekweld; doch hij uitte geen woord, omBernardszichtbare onrust niet nog te vermeerderen.
„Wat blaast de wind door het slot!—Het zal weer een heerlijke nacht buiten zijn!—Mij dunkt ook, dat het weer kouder geworden is. Onze vensters bevriezen, niettegenstaande de gloeiende kachel.—Maar hoor, ruischt daar niet iets op de gang? Waarachtig, het komt langzaam nader. Denkelijk zal hetWillhofenzijn; de oude is een vos, hij komt langzaam op zijne teenen, en is, denk ik, zonder schoenen.”Hij luisterde; het kwam allengs nader en nader. Bernard opende eventjes de deur en vroeg door de reet: „Zijt gij het, vriend?”—„Ik ben het,” antwoordde fluisterend eene vrouwelijke stem; tegelijk opende de aankomende de deur, en de kamenier der prinses trad in eene bevallige dracht, een klein mutsje op, doch met een doek om het gelaat, binnen.
Beide vrienden schrikten. Bernard vermoedde een verliefd avontuur en zeide vrij norsch: „Gij zijt verdwaald, mijn kind.” „Neen, ik heb de rechte deur niet gemist,” hernam het meisje met eene bekende stem, terwijl zij tevens den doek afnam, die haar gelaat half bedekte.—Het was Bianca.
„Gij zelve, lieve zuster! in deze kleeding?” riep Bernard zachtjes, terwijl hij een schrede terugtrad;„om 's hemels wil, wat beteekent dit?”
„De nood dwong mij tot deze vermomming,” hernam Bianca, „ik ben eene gevangene en kon slechts in dit kleed naar u toesluipen.”
„Gij eene gevangene?” riep Bernard verwonderd; Lodewijk trad eene schrede nader.
„Laat ons kort zijn, mijne lieven,” antwoordde Bianca, „want de oogenblikken zijn kostbaar. Ik vrees, dat ons geheim half en half verraden is. Wij moeten gisteren beluisterd zijn. Toen ik u verliet en naar de gravin ging, vond ik haar in groote spanning; zij zat bijna geheel gekleed op de sofa en schreef. Bij mijn binnenkomen raapte zij haastig hare papieren bijeen en sprak over onverschillige dingen; doch de hevigste onrust was op haar gelaat niet te miskennen. Ik vermoedde wel, wat er kon geschied zijn, doch om hare achterdocht niet nog meer gaande te maken, vroeg ik niets, doch begaf mij dadelijk door mijne werkkamer, die aan het woonvertrek der gravin paalt, naar mijne slaapkamer, waarJeannette, mijne kamenier op mij wachtte. Ik liet mij spoedig ontkleeden en zond haar weg; vol ongerustheid bleef ik op. Ik opende de deur mijner slaapkamer een weinig en hoorde, dat de gravin nog op was, ja zelfs met iemand sprak. Ik kon niet onderscheiden wat, doch meende aan de stem een kamerdienaar van den graaf te herkennen. Eindelijk werd het stil; ik begaf mij te bed. In den nacht echter hoorde ik duidelijk de poort openen en eene slede wegrijden. Dezen morgen begaf ik mij al vroeg naar mijne pleegmoeder. Zij had iets achterdochtigs in hare blikken, zoodat ik niet kon twijfelen, of zij had ons geheim gedeeltelijk ontdekt; doch zij liet niet het minste bemerken. Zelf reeds had ik mij voorgenomen, het ontbijt op mijn kamer te nemen, om geen argwaan te wekken; ik zou evenwel des middags aan tafel zijn gekomen. Doch de gravin liet zich ontvallen, dat zij hoopte,dat ik den dag bij haar zou doorbrengen, daar het niet paste, dat ik, terwijl zij zelve ziek was, met de beide vreemden alleen at, zij voegde er bij, dat zij het onbehoorlijk zou vinden, wanneer ik u weder sprak, voor dat de graaf terug was gekomen. Ik voegde mij naar haren wil, doch het werd mij hoe langer hoe duidelijker, dat er iets moest zijn voorgevallen. Gedurende den voormiddag ging ik in mijne kamer en zag bij toeval, dat de deur naar de gang gesloten en de sleutel er uitgetrokken was. Nu doorzag ik alles; ik was eene gevangene der gravin; zij moet ons geheim kennen. De kamerdienaar heeft zich den ganschen dag niet vertoond; ik gis dat hij naar den graaf gezonden is.—Daarom besloot ik u, mijn broeder, van alles te onderrichten, en zondJeannettemet het briefje. Het gesprek met u door het venster kon echter gevaarlijk worden; ik liet dusJeannettelaat op mijne kamer komen, onder voorwendsel, dat ik verlangde, dat zij bij mij zoude slapen, daar ik niet recht wel was. Zoodra zij vast sliep, deed ik stil hare kleeding aan en ging zoo onbemerkt door de kamer der gravin. Thans echter vraag ik u, mijn broeder, wat zullen wij doen?”
„Snelle vlucht schijnt mij het eenige redmiddel,” hernam hij eindelijk. „Zou het mogelijk zijn, Smolensko dezen nacht te bereiken?”
„Mogelijk is het. Maar zullen wij het uiterste wagen, vóór het uiterste ons dringt? O mijn broeder, schoon ook de heiligste band van vrome kinderlijke liefde en van vertrouwen op hen, welke ik als mijne ouders eerde, smartelijk vaneengescheurd is, voel ik mij toch nog door duizend draden van gewoonte en dankbaarheid aan hen gebonden. Als ik mij, heimelijk vluchtend, in den nacht van hen moest losrukken, zou toch eene diepe smart mijne ziel doorgrieven en mijne borst zich door de beschuldiging van ondankbaarheid gekweld voelen.”
„Maar wat wilt gij doen, mijne lieve,” hernam Bernard, „wanneer gij zelve verklaart, dat gij uw broeder voor uwe ouders niet durft erkennen? Heeft dan liefde hunne daden jegens u bestuurd? Of hebben zij u opgevoed, alleen om u op te offeren, om met uwe schoonheid onwaardig voordeel te zoeken?”
„Gij spreekt de waarheid—doch de liefde en de eerbied, die achttien jaren in mijn hart gebloeid hebben, zijn daarin vastgeworteld. Eenmaal beminde ik mijne ouders onuitsprekelijk; want ik had slechts weldaden, ofschoon ik thans gevoel, koud en streng toegemeten, van hen ontvangen. Maar heeft mijn hart ook de vrije, schoone, heilige liefde verloren, het kan zich toch niet vrijspreken van de plichten der dankbaarheid. Het goede, dat ons gedaan is, boeit ons, ook al is het niet uit de zuivere bron der liefde gevloten. Broeder, raad mijn twijfelend hart, leen mij uw vasten mannelijken arm in dezen storm van tegenstrijdige gevoelens, die mij geheel dreigt te overstelpen.”
Bij deze woorden nam zij zijne hand, als wilde zij hem smeeken, en richtte haar vochtig oog naar het zijne, dat donker vlamde, omhoog.
„Gij hebt recht, lieve zuster,” hernam hij. „Recht, met uw vrouwelijk, duldend, alles vergevend hart; ik, met mijn trotsch mannenhart, denk anders en heb ook gelijk.”—„Wij moeten weg,” sprak hij met hevigheid, „ik dwing er u toe en neem de zedelijke schuld geheel op mij. Gijmoetmij volgen, mijne zuster, en wel dadelijk; bij God, gij moet!”
„Ja, ik geloof, dat hij gelijk heeft,” zeide Lodewijk bescheiden doch vast en trad nader bij zijn geliefde. „De rechten des broeders zijn heiliger.”
„En de uwe sinds gisteren de heiligste!” riep Bernard, hem in de rede vallende. „Bloos niet, lieve zuster, en mistrouw de waarheid niet daarom, wijl zij tevens hethoogste geluk uws harten uitmaakt. Ik weet het wel, edele zielen aarzelen zelfs het goede te doen, wanneer het één is met hunne wenschen, maar niet altijd is slechts het zich opofferende hart het meest deugdzame. Vertrouw op mij; ik beslis, doch zonder hartstocht. Verbreek de boeien, die, half door liefde en half door dwang gesmeed, de vrije bepaling van uw wil verhinderen.”
„Welnu, het zij dan zoo,” sprak zij na eenige oogenblikken van stillen, inwendigen strijd; „ik gehoorzaam u, mijn broeder.”
„En dadelijk,” viel Bernard in; „want iedere minuut toevens brengt gevaar aan.”
„En waarheen wilt gij vluchten?” vroeg Bianca.
„Naar Smolensko.”
„Hoe!” riep zij verschrikt, „en zweeft daar het zwaard des doods niet boven uwe hoofden?”
„Sinds onze verbitterde aanklagers door hun vreeselijk noodlot achterhaald zijn,” hernam Lodewijk,„vrees ik van die zijde niets meer voor ons. Niet onze schuld, maar de wil om ons schuldig te vinden, bracht ons gevaar aan.”
„Dan volg ik ook u daarheen.—Willhofenzal ons paarden en eene slede bezorgen.”
„Wij wachten hem ieder oogenblik hier, daar hij mij te middernacht naar u zoude voeren,” antwoordde Bernard.—„Maar hoort gij niets?—Dat zijn zweepslagen en bellengerinkel! Zeer duidelijk!”
Bianca verbleekte. „Eene slede, die de slotpoort nadert! Dat is mijn vader!”
„Hij of een ander,” riep Bernard; „thans is het geen tijd tot vluchten. IJl naar uwe kamer terug, zuster, eer de aankomst der slede de lieden in huis wekt. Zoodra het rustig is, ben ik onder uw venster.”
Hij dreef haar voort; zij zweefde met vlugge schreden de lange gang door. Nauwelijks was zij in de binnenvertrekken verdwenen, of de naderende slede hield voor de poort van het slot stil en er werd zoo hevig en luid aangeklopt, dat men niet behoefde te twijfelen, of het was de eigenaar zelf, die begeerde binnengelaten te worden.
De poort werd geopend; Bernard loerde door de reet der halfgeopende deur. Twee mannen kwamen de trappen op, doch een verward gedruisch van stemmen liet gissen dat er nog andere nieuw aangekomenen beneden waren gebleven. Thans herkende Bernard den kamerdienaar, die, met een armblaker in de hand, een dicht in een pels gewikkelden heer voorlichtte. Lodewijk verzekerde, dat het de graaf was; ook richtte hij zijne schreden terstond naar de vertrekken der gravin. Daarop werd het stil; men hoorde niets meer. Een kwartier brachten Bernard en Lodewijk in gespannen verwachting door. Toen werd er zacht aan hunne deur getikt; het wasWillhofen. De goedwillige, slimme oude had bijna den ganschen samenhang der dingen geraden. Hij was van meening, dat er voor dezen nacht niets meer te wagen was, zonder den stand der zaken gevaarlijker te maken. Daarom nam hij op zich, der prinses een briefje van Bernard in het venster te werpen, dat haar van het genomen besluit onderrichtte.—Hij voerde dit gelukkig uit, bracht daar bericht van en beloofde waakzaam te zijn, om, zoodra het minste gebeurde, hun een wenk te geven.
De nacht verliep voor hen allen in eene onrustige spanning, die nauwelijks eene meermalen afgebroken sluimering toeliet.
De gravin Dolgorow had de betrekking van Bianca tot de gasten meer vermoed, dan geweten. Door een toeval wasJeannettede verraderes geweest; want deze was het, die dadelijk na het oogenblik, dat Bianca haar braven broeder het eerst herkend had, de gezelschapskamer naderde. Zij hoorde luid en heftig spreken en vernam de woorden: Broeder, Zuster! Verwonderd stond zij stil en luisterde onwillekeurig, ten minste zonder erg. Toen naderdenWillhofenen eenige bedienden, en de klank hunner voetstappen werd door Lodewijk vernomen, die de zachtere schreden van het meisje niet had bemerkt. Hunne nadering brak de eerste zoete vertrouwelijkheid van broeder en zuster af; dochJeannettebemerkte dadelijk bij het binnenkomen, dat er iets ongewoons was voorgevallen. De kamerdienaar van den graaf,Jacques, was haar minnaar; haar eerste werk was dus, dezen geslepen mensch haar vermoeden mede te deelen, waarbij zij zekerlijk niet begreep, hoezeer zij het geluk harer beminde meesteres in de waagschaal stelde. DochJacqueshad een scherpen blik voor zulke intrigues. „Hoor,Jeannette,” zeide hij, „wanneer de prinses zich over niets uitlaat, doe dan ook, als vermoeddet of wist gij niets. Voor bedienden is niets gevaarlijker, dan de geheimen hunner meesters tegen den wil van deze te weten. Wanneer het ook in het begin voordeel schijnt, bekomt het ons later nog altijd slecht. Somtijds wordt men op geheel vreemde wijze tot zwijgen gebracht.” Het meisje was door deze waarschuwing zoo bevreesd gemaakt, dat zij zich inderdaad niet het geringste tegen hare meesteres liet ontvallen, maar, zoo eerlijk was zij, ook niet tegen iemand anders.Jacquesdaarentegen legde zich op den loer en wist dit zoo behendig te doen, dat hij, eer het een uur verder was, ten minste met zekerheid wist, dat Bianca haar geheim voor de gravin verborg. Thans achtte hij de omstandigheden geschikt, om ze tot zijn eigen voordeel aan te wenden. Hij ging naar de gravin en ontdekte aan deze, eerst slechts uit de verte, doch, daar de uitgestrooide vonk met een onverwachten spoed tot eene heldere vlam opsloeg, toen in zijn geheelen omvang alles wat hij wist. Zij beloofde hem eene rijke belooning, wanneer hij tegen iedereen zweeg en slechts hare bevelen in deze zaak geheel wilde opvolgen.Jacques, hebzuchtig, loos, ondernemend, beloofde alles, zonder evenwel aanJeannette, wier trouw aan hare meesteres hij kende, een woord te zeggen.
Zoo reisde hij dan nog in dienzelfden nacht met brieven van de gravin aan haren gemaal af, en was ook thans met hem teruggekeerd. Het ontvangen bericht moest voor den graaf van een allerverontrustend gewicht zijn; hij had zelfs zijn ijver tegen de vijanden zijns vaderlands voor een oogenblik ter zijde gesteld, om zijne eigene aangelegenheden te behartigen.
Hij vond de gravin, wier ongesteldheid hoofdzakelijk in te groote lichamelijke vermoeienis bestaan had, nog gekleed; de beweging, in welke haar geest zich sinds gisteren bevond, had haar hare volle krachten teruggegeven.
„Welnu, wat zegt gij van mijne ontdekking?” vroeg zij hem, zoodra zij zich met hem alleen bevond; „wat zijt gij voornemens te doen?”
„Vóór alle dingen,” hernam Dolgorow, „moet ik weten, in hoeverre gij zeker van uwe zaak zijt, en in hoeverre Feodorowna van uw weten bewust is?”
De gravin verhaalde, en vergat ook de maatregelen van voorzichtigheid niet, die zij genomen had, om eene samenkomst tusschen broeder en zuster te verhinderen.Dolgorow ging gedurende het geheele verhaal met over elkander geslagen armen op en neder en schudde menigwerf zijn hoofd, ten teeken van afkeuring.
„En wie van de beide vreemdelingen moet dan nu de broeder zijn?” vroeg hij, toen de gravin ophield.
Met eene soort van schaamte bekende de gravin, dat zij dit niet wist. Zij had onvoorwaardelijk aangenomen, dat het Lodewijk was, waartoe de door haar met zooveel ergernis opgemerkte neiging van Bianca tot dezen haar vrij natuurlijk verleid had. Thans eerst, nu de graaf haar de vraag ook met betrekking tot Bernard voorlegde, zag zij in, dat zij volstrekt geen bepaalden grond voor haar vermoeden bezat.
„Hadt gij slechts dien ongelukkigen maatregel met dat halve gevangen houden niet genomen!” zeide Dolgorow met nauw onderdrukten toorn. „Ik begrijp niet, wat u dit helpen kan. Het was niets, dan een overblijfsel der gewoonten uwer moederlijke gestrengheid en willekeur, die evenwel na Feodorowna's huwelijk in geen geval meer te pas komen. Hoe nam zij het op?”
„Zij heeft er zich volstrekt niet over uitgelaten,” hernam de gravin bedeesd.
„Dan hebben wij misschien nog hoop, dat zij het niet bemerkt heeft?” viel de graaf haar haastig in de reden.
De gravin wist het tegendeel zeer goed, daar zij het daaruit kon opmaken, dat hare kamer de doorgang voorJeannettewas geworden, doch zij bevestigde Dolgorows vermoeden om zijne verdere, juist niet zeer beleefde verwijtingen te ontgaan.
„Dat redt ons,” zeide hij geruster; „en heeft de prinses ook al iets bemerkt, dan moet het geheel als eene vergissing worden voorgesteld, welke men aan den kamerdienaar kan wijten.—Voorloopig willen wij dus niets meer beginnen; morgen zal ik zelf zien en opmerken. Om 's hemels wil geene gewelddadige maatregelen in deze zaak, tot wij ze geheel niet meer kunnen vermijden of ten minste juist weten, in hoever ons geheim verraden is. Ook dat dieJacqueser iets van vernomen heeft, is hoogst onaangenaam. Wel is hem de waarheid geheel en al onbekend en, zooverre ik bemerken kan, twijfelt hij er niet aan, dat Feodorowna onze dochter is; doch hij houdt den onverwacht teruggekeerden broeder voor een zoon, welken wij, wie weet waarom, verwijderd moeten hebben. Ja, ik geloof, dat hij eigenlijk van meening was, uwe jaloezie door deze ontdekking op te wekken. Ondertusschen, dat is hetzelfde; zeer onaangenaam blijft het voor ons, dat een zoo vreemd niet te vertrouwen mensch ook maar eenig vermoeden van zoodanige betrekkingen heeft.—Misschien,” vervolgde Dolgorow na eenige oogenblikken, gedurende welke hij zwijgend en nadenkend op en neder was gegaan, „misschien is het geheel een loos alarm. Wie zegt ons, datJacquesgoed gehoord heeft? Evenwel, des te voorzichtiger moeten wij te werk gaan, want men kan niet weten, of Feodorowna en haar vermoedelijke broeder elkaar niet reeds sinds langen tijd kennen en zorg gedragen hebben, hunne bewijzen op plaatsen neder te leggen, die voor ons ontoegankelijk zijn. In dit geval kunnen wij in den moeilijksten toestand geraken.—Ja, ik ben besloten! Morgen zal ik het geheele geval kennen. Wel kwam ik hier met het besluit, om dadelijk de meest beslissende stappen te doen, en ik meen, gravin, dat gij mij genoeg kent, om te weten, dat ik voor de noodzakelijkheid niet als een kind terugbeef,—wij zijn in Rusland nog zoo angstig of weekhartig niet; ik weet zoo goed als anderen in dit rijk, dat men een rotsblok, dat ons in den weg ligt, moet doen springen;—doch zonder overijling! Misschien gelukt het mij, een betere en zekerder weg te vinden, die er omheen leidt.—Goeden nacht! Ik zal geruster slapen,dan ik geloofde. Nog iets, opdat wij ons zelve niet tegenspreken. Mijne aankomst hier was geheel toevallig, hoort gij, gravin, toevallig! Voor het overige zal ik morgen de eerste zijn, die Feodorowna goeden dag zegt en zich over de geslotene deur verwondert.”
Met deze woorden nam hij afscheid en ging metJacques, die hem in de voorzaal wachtte, naar zijne kamer.
Doch de onrust van zijn gemoed liet hem niet toe te slapen; het lang sluimerende geweten was machtig ontwaakt. Er mocht thans bedrog of waarheid in het spel zijn, hij leerde, dat het zaad der schuld, mocht het nog zoo diep begraven, nog zoover door den storm des tijds verwaaid zijn, voortkiemt, tot zijne bittere vruchten rijp zijn.
„Dwaas,” sprak hij tot zich zelf, „wat maakt gij u voor zorgen? Uw doel is bereikt, gij zijt in het bezit, wie wil u verjagen?—Hm! wanneer echter de Ochalskoi's vernamen, dat er een bedrog had plaats gehad? Slechts als vader van Feodorowna zijn uwe rechten geldig!—Doch wie zal ze u betwisten? Den eenigen, die spreken kon, zijn de lippen verzegeld. Ruschka slaapt. Schrikgestalten van een dwazen waan! Herschenschimmen!”
Zijne plannen waren echter nu rijp geworden, en hij bezat behendigheid en kracht, om ze uit te voeren. Zijn eerste gang was naar Bernard en Lodewijk, die hij als gasten des huizes welkom heette. Met de geslepenheid eens hovelings speelde hij den voorkomenden gastheer, vroeg naar hun welstand, naar den aard hunner ontvangst, zonder ook slechts met een woord iets kwaads te laten blijken. Lodewijk, die de wereld minder kende en wiens rechtschapen hart ook den argwaan niet zoo licht toeliet of, wanneer hij zich vertoonde, met gemoedelijken weerzin verwierp, had zich door dit gedrag laten bedriegen. Bernard daarentegen werd te bezorgder, naarmate de graaf zich minder achterhoudend aanstelde; hij vermomde zich dus met hetzelfde masker tegen hem en nam den schijn aan van een zorgeloos, lichtzinnig vertrouwen, terwijl hij zijne geheime gedachte zorgvuldig verborg. Het gelukte hem volkomen, den geruste te spelen; hij ging hierin zoover, dat hij den graaf zijn Londensch avontuur met Bianca openhartig bekende. „Ik ben schilder,” zeide hij met de losheid van een luchthartigen kunstenaar, „en wij beschouwen een schoon gelaat in zeker opzicht als een eigendom, dat ons niemand mag betwisten. Daarmede, heer graaf, moet gij die daad, die zekerlijk de gewone regels der welvoegelijkheid niet tot rechter mag hebben, verontschuldigen.”
„Wij zijn zulke barbaren hier in Rusland niet,” hernam Dolgorow glimlachend, „om den kunstenaar niet zoodanige vrijheid willig toe te staan. Maar bezit gij het portret?”
„Ik heb het gehad tot voor twee dagen, of veeleer mijn vriend, dien ik het, daar het bij hem zulke aangename en tegelijk raadselachtige herinneringen opwekte, geschonken had. Zijne portefeuille, waarin het lag, werd hem door den ellendeling afgenomen, dien, zoo ik hoor, eene vreeselijke vergelding heeft getroffen; in wiens handen het gekomen is, weet ik niet.”
„Gisteren,” zeide Dolgorow,„zijn mij twee portefeuilles, die men bij de gevangenen had gevonden, ter hand gesteld, doch ik beken, dat ik nog geen tijd gehad heb om ze te openen. Ik ben toch inderdaad nieuwsgierig om te zien, of de uwe daarbij is.”
Met deze woorden snelde hij naar zijne kamer en keerde spoedig daarop met twee brieventasschen terug, waarvan hij er eene open in de hand hield. Het was die van Lodewijk. De graaf hield Bernard het portret voor en zeide: „Herkent gij dit voor uw werk?”
„Hoe zoude ik niet?”
„Dan is het billijk, dat gij uw eigendom terugneemt.”
„Het is, zooals ik zeide, niet meer het mijne, maar dat van mijn vriend.”
De graaf overhandigde Lodewijk de portefeuille, waaruit echter alle papieren verdwenen waren. Dolgorow had ze er eerst uitgenomen, wijl hij er naricht in hoopte te vinden; hij verontschuldigde zich daarmede, dat hem de portefeuille ledig ter hand was gesteld enBeaucairehaar dus waarschijnlijk reeds geledigd zou hebben. De tweede was noch Bernards noch Lodewijks eigendom; de graaf behield haar alzoo en verwijderde zich daarmede, om Feodorowna zijn morgenbezoek te brengen.
„Het is mij oneindig veel waard, dat dit portret weder in mijn bezit is gekomen,” zeide Lodewijk. „Ik ben nu veel geruster; alle gevaar schijnt voorbij en de graaf is een man, die toch wel vertrouwen verdient.”
„Waarlijk, men zou er om lachen,” zeide Bernard, „dat een zoo verstandig mensch als gij, zoo blind en dwaas kan zijn. O, Lodewijk! gij zijt te goed voor deze wereld—en ik vrees, dat mijne zuster het ook is en zich laat bedriegen. Zult gij dan eeuwig zulke kinderen in het leven blijven, dat gij u eene slang aan den boezem laat leggen, omdat zij eene glinsterende huid heeft? Wilt gij dan nooit leeren, dat de bontgevlekte tijger zich slapend houdt, wanneer hij het scherpst loert? Wie overdekt dan een wolvenkuil met adders? Rozen strooit men er over! Rattenkruid moet er als suiker uitzien, anders vreten de ratten het niet.—Lodewijk, Lodewijk! Deze lachende vriendelijkheid is mij bedenkelijker, dan wanneer hij met getrokken zwaard voor mij stond!”
„Gij ziet alles te donker in, mijn waardste,” hernam Lodewijk.
„Meent gij?” vroeg Bernard spottend. „Het beteekent wel niets, dat Bianca eene gevangene is?—En dezeonverwachteaankomst, midden in den nacht? Lodewijk, zoo de deur openstond, ik ging er liever uit, zooals ik hier voor u sta, dan nog een uur hier te blijven. Ja, was het niet om mijne zuster, gij moest op stel en sprong mede.”
Willhofentrad binnen en brak hun gesprek af met de vraag, of zij wilden komen ontbijten.—Zij gingen.
Eenige minuten bleven zij alleen in de zaal. Hierop trad Dolgorow binnen. Hij was zoo beleefd als te voren, verzocht hun plaats te nemen, en schonk zelf de chocolade.
„Onze dames,” zeide hij,„staan wat laat op. Wij zullen haar wel voor het eten niet te zien krijgen. De gravin was gisteren ongesteld, dat heeft ook de vorstin van het genoegen beroofd, de plichten van gastvrouw jegens u te vervullen. Ik denk, dat de dames het verzuimde heden zullen inhalen.”
Bernard vroeg naar den staat der politieke omstandigheden.
„Daarover doen wij het best liever niet te spreken,” hernam Dolgorow beleefd; „ik als Rus zou misschien geheel anders moeten denken, dan gijlieden, die ten minste uwe oude kameraden bij het leger hebt.—Het heeft voor mij een bijzonder belang, dat ik u reeds te voren ontmoet heb,” voer hij na eenige oogenblikken voort, zich tot Lodewijk wendende. „Toen wij aan den voet van denSimplon, dien wij door uwe hulp zoo gelukkig overgekomen zijn, door toeval gescheiden werden, wendde ik mij door het gebergte naar Bern, ging van daar naarTyrolen kwam op den grooten weg naar Munchen. In Duitschland hadden wij verder geen avontuur, doch wel in Warschau, waar wij bijna verraden waren geworden en het ons eerst, na ons verscheiden dagen bij goede vrienden verborgen te hebben, in den nacht gelukte te ontvluchten.”
„Wij zijn ook in Warschau geweest,” zeide Lodewijk.
Bernard gaf hem een verholen wenk, om voorzichtig te zijn, en nam snel zelf het woord op, om geheel onbepaald en algemeen van hun verblijf aldaar te spreken. De graaf vroeg naar het een en ander; hij sprak van Engeland, vernam naar Bernards reizen, naar zijne vroegere woonplaats; kortom, hij zocht op eene geschikte wijze den levensloop en de betrekkingen van beiden zoo nauwkeurig mogelijk uit te vorschen. Bernard antwoordde met groote omzichtigheid; doch alles liet zich niet verzwijgen, en voornamelijk waren Lodewijks betrekkingen spoedig voor Dolgorow in zoover duidelijk, dat hij niet meer twijfelen kon, of Bernard moest Feodorowna's broeder zijn, indien het een van deze twee was. Met opmerkzaamheid beschouwde hij zijne gelaatstrekken, om uit de gelijkenis zijne vermoedens te bevestigen; doch hier was het toeval hem niet gunstig, daar Bernard sprekend op zijn vader, Bianca op hare moeder geleek, en tusschen hen veeleer een merkwaardig verschil in gelaatstrekken dan eene overeenkomst bestond, ofschoon zich al eenige gelijkende trekken lieten vinden. Doch wanneer men ze zoeken wilde, dan bood het gelaat van Lodewijk oneindig meer waarschijnlijkheid voor de bloedverwantschap aan. Bernard had daarenboven met behendigheid in zijn gesprek weten in te vlechten, dat hij uit Dresden geboortig en de zoon van een armen voorzanger aan de kruiskerk was, die hem, gelijk hij er lachend bijvoegde, toen hij voor drie jaren stierf, bij zijnlaatstenwil niets had nagelaten, dan denvrijenwil, om te gaan waar hij wilde.
Zoo bleef Dolgorow natuurlijk in de kwellende onzekerheid, of zijn geheim inderdaad ontdekt was, dan of slechts toevallige omstandigheden of half begrepen woorden of uitdrukkingen den schijn eener ontdekking hadden voortgebracht.
Om niet door al te veelvuldig, angstig vragen verdenking te wekken, sloeg hij zijnen gasten eene partij op het schaakbord voor. Lodewijk, die van het spel maar zeer weinig verstond, verontschuldigde zich, Bernard nam den voorslag schijnbaar zeer gaarne aan. De kamerdienaar bracht een schaakbord; zij zetten zich tot spelen; Lodewijk bleef in het vertrek en zag toe.
„Ik heb een gevaarlijke partij,” merkte de graaf na de eerste zetten aan; „ik zal moeite hebben, mij te verdedigen.”
„Uw oordeel na zoo weinige zetten, heer graaf, bewijst uwe meerdere sterkte,” antwoordde Bernard.
Zij speelden ondertusschen voort, en schenen, ofschoon beiden hunne gedachten inwendig op geheel iets anders gevestigd hadden, toch met de grootste aandacht op hun spel te letten. Bernard bezat geestkracht genoeg, om zich tot opmerkzaamheid te dwingen en niet door verstrooidheid te verraden, dat de overwinning in het spel hem op dit oogenblik de onverschilligste zaak ter wereld was.
Zoo verliep de voormiddag; het etensuur naderde. De gravin zoowel als Bianca zouden aan tafel verschijnen. Toen de graaf des morgens bij zijne dochter was geweest, had hij daarvan als van een onvermijdelijken huiselijken plicht gesproken, die gisteren alleen om de gezondheidstoestand der gravin had mogen verzuimd worden. Bianca echter die de geslepenheid van Dolgorow, om zich te beheerschen en zijn wezen in allerlei gedaanten te plooien, reeds uit zijn vroeger diplomatisch leven kende, liet zich door zijn gedrag niet misleiden. Toen hij echter door de deur, die de bijzondere uitgang van hare kamer was, trachtte te gaan en zich verwonderd hield dat deze gesloten was, bekwam zij de volkomen zekerheid, dat hij veinsde, te meer daar hij dadelijk en met zekeren ijver, dien eene onverschillige zaak niet had kunnen teweegbrengen,aanJeannettebevolen had, den kamerdienaar te vragen, of hij den sleutel had, en hem te gelasten, zorg te dragen, dat de deur geopend werd. Ondertusschen ging hij, en spoedig daarop werd de deur inderdaad geopend. Bianca wist echter te goed, dat zij daardoor niet hare wezenlijke vrijheid, maar slechts den schijn daarvan had teruggekregen, en dat men nu hare schreden des te zorgvuldiger zoude bewaken. Evenwel scheen de vlucht haar niet onmogelijk, en daarenboven was deze het eenige middel, dat haar overbleef. Haar hart zocht derhalve meer naar raad dan naar verstand. Zij moest oude, heilige verplichtingen verbreken—nieuwe,oneindigdierbaarder, op zich nemen; van hare ouders, haar vaderland, zelfs van haar naam plotseling afstand doen en in eene gansch andere wereld treden. Hoezeer haar hart haar ook daarheen trok, ondervond hare edele ziel echter nu eerst, in het oogenblik der beslissing, met hoeveel onzichtbare draden het leven ons omzweeft, welke dan eerst houden en binden, wanneer wij ze voor altijd willen losscheuren. In deze spanning schreef zij aan Gregorius, haren vaderlijken vriend en raadgever, die met haar geheim bekend was en bad hem dringend, zoo spoedig het hem eenigszins mogelijk was, naar het jachtslot te komen. Doch zij was voorzichtig genoeg, hem den grond voor hare bede niet te melden. Zij wist, dat hij eene zoo dringende uitnoodiging toch zoude volgen.Willhofenbeloofde den brief door een vertrouwden bode te zullen doen bezorgen, en meldde een uur daarna, dat het hem gelukt was.
Thans voelde haar hart zich wonderbaar verlicht; haar vertrouwen op den dierbaren leeraar was onbegrensd; zij hield zich verzekerd, dat zijne tegenwoordigheid haar bescherming en redding zoude aanbrengen, want het was zijn plicht, haar beide aan te bieden, en zij wist, dat, waar deze hem riep, zijn moed onverzettelijk was.
Zij ging met hare moeder naar de eetzaal. Hier zag zij Lodewijk en Bernard na de haar zoo lang en smartelijk gevallen scheiding weder. Haar hart klopte, doch zij beheerschte hare gewaarwordingen met geweld, om zich niet te verraden. Vriendelijk, welwillend kon zij immers zijn, want zij was dit steeds, en thans konden dankbare gevoelens haar bovendien het gunstige voorwendsel daartoe zijn. De oefening der groote wereld hielp daar de uren aan tafel te boven komen, zonder door iets hare stemming te verraden. De bedrevenheid haars broeders, die zich van het gesprek meester maakte, het op Schotland en Engeland, op zijne reizen aldaar en op de kunst in het algemeen leidde en alzoo ook Lodewijk, die over ernstige en belangrijke zaken altijd met verstand wist te spreken, in het gesprek trok, kwam haar heerlijk te stade. Dolgorow zelf liet zijne achterdocht reeds half en half varen en gaf zich aan de hoop over, dat alle bekommeringen slechts op toevallige omstandigheden berustten. Eindelijk stond men van tafel op, en de vrouwen wilden zich verwijderen. Daar vond Bianca een, naar zij geloofde, onbewaakt oogenblik en fluisterde Bernard de woorden toe: „Houd goeden moed, ik heb hoop, op eene gelukkige wending van ons lot.”
Doch Dolgorow, die juist eenige doorJacquesgebrachte brieven geopend had en las, wierp toevallig een blik over het papier op een spiegel, waarin hij Bernard en Bianca's gestalten geheel en al zag. Hij zag hunne vertrouwelijkheid, bemerkte hun fluisteren en den indruk, welke de woorden op Bernards gelaat teweeg brachten. Wel is waar had hij geen woord verstaan, doch in beider trekken lag eene uitdrukking van vertrouwelijkheid, die slechts door eene zeer nauwe betrekking kon ontstaan zijn en te meer verwondering baarde, daar beiden, toen de deur onverwachts openging, opeens de uitdrukking hunner trekken veranderden en de stijve houding der beleefdheid wederaannamen. Wat hier gebeurd was, kon geen plaats vinden tusschen de prinses Ochalskoi en een vreemdeling zonder rang of naam. Derhalve had Dolgorow opeens deontegensprekelijkstebewijzen voor de gegrondheid van zijne achterdocht. Het verraste hem nu hij er bijna van terug gekomen was, zóó sterk, dat hij, die onder de moeielijkste omstandigheden bezonnen en koel bleef, voor een oogenblik zijne bedaardheid verloor en zich een half onderdrukten uitroep van verbazing liet ontvallen. Doch even spoedig als hij zijne bedaardheid verloren had, had hij die teruggekregen, terwijl hij voorbedachtelijk dien uitroep herhaalde en hevig op den grond stampte, doch den schijn aannam, alsof het de berichten, die hij in zijne brieven vond, waren, welke hem zoozeer aandeden. „Het is ongehoord! onvergeeflijk!” riep hij uit en kneep den brief hevig in elkander; „men zou dol worden over zulk eene handelwijs!”
Zelfs Bernard liet zich door dit mom bedriegen en vermoedde niet, dat zijn geheim in dit oogenblik ontdekt en verraden was. Behendig met den graaf instemmend, zeide hij half vragend, half deelnemend: „Gij ontvangt zulke onaangename tijdingen heer graaf?”
De Gravin deed dezelfde vraag, doch meer bepaald.
„Wat zou het zijn,” antwoordde Dolgorow, „dan nieuwe redenen tot oude klachten. Geheel verkeerd handelen, onzinnig veranderen, tegenstrijdige bevelen, welke alles in de war brengen, wat men met eigen krachten der liefde van het vaderland onderneemt!—Vergeef mij, maar ik moet eenige oogenblikken alleen zijn, om mijne drift te doen uitwoeden.”
Met deze woorden boog hij zich en ging naar zijne kamer, terwijl de vrouwen tegelijk de haren opzochten. Bianca nam ondertusschen afscheid met de vriendelijke vertroostende woorden: „Ik hoop, dat wij elkander bij de thee wederzien.”
Zoodra Dolgorow op zijne kamer was gekomen, schelde hij den kamerdienaar, om hem nogmaals nauwkeurig omtrent alles te ondervragen, waarop hij zijn vermoeden gegrond had.Jacquesdie lang gemerkt had, hoe gewichtig deze zaak voor den graaf was, verzweeg, gedeeltelijk omdat hij niet gaarne de verdienste der ontdekking met iemand wenschte te deelen, gedeeltelijk om in de gunst vanJeannettete blijven, niet alleen wat deze hem gezegd had, maar zelfs, dat zij hem inderdaad het gewichtigste ontdekt had. Daarom waren zijne verklaringen voor den graaf geheel onvoldoende. Hij gebood hem te vertrekken en bleef peinzend in zijne kamer, terwijl hij zich kwelde, een middel te vinden, om de waarheid te ontdekken. Opeens werd het hem helder. „Dwaas!” riep hij, „hoe kunt gij zoo dom zijn en niet dadelijk daarop komen? Hij of zij moeten hier een of andere brieven, documenten, of andere herkenningsteekenen hebben; het was anders onmogelijk, dat zij elkander gevonden hadden!—Dat moet mij licht geven. Vooreerst willen wij het gemakkelijkste beproeven en Feodorowna's kamer in stilte doorzoeken.”
Hij schelde.Jacquestrad binnen.
„Is de prinses op hare kamer?”
„Neen: hare hoogheid werkt bij de genadige gravin.”
„Het is goed!—Gij kunt vertrekken.”
Zoodra de kamerdienaar vertrokken was, stak Dolgorow eene kleine dievenlantaarn aan, nam die onder zijn mantel en ging naar Bianca's kamer. Het gelukte hem, er onbemerkt binnen te sluipen.—Dadelijk sloot hij de deuren naar beide kanten dicht en begon zijn onderzoek. Hij had eenige loopers bij zich gestoken, waaraan geen slotgemakkelijk weerstand bood en die hij nog uit den tijd van zijne gevaarvolle diplomatieke betrekkingen bezat, toen hij de papieren zijner ondergeschikten steeds in het geheim zorgvuldig nazag, om zich van hunne trouw te overtuigen. Met behulp dezer werktuigen gelukte het hem spoedig, Bianca's gesloten secretaire te openen. Na eene poos gezocht te hebben, vond hij onder hare brieven dien van Ruschka boven op liggen, daar zij hem eergisteren eerst weder geborgen had. Deze nam allen twijfel weg; en toen hij nu de portefeuille ontdekte en opende, waarin de portretten der beide ouders zich bevonden, wier gelijkenis met de kinderen niet te miskennen was, had hij verder geene de minste verklaring of navorsching noodig, om te weten dat Bernard de teruggevonden broeder was. Zorgvuldig legde hij alles weder op zijne plaats, ontsloot de deur en snelde naar zijne kamer terug.
Thans hielden hem de plannen, hoe hij het naderend onheil het best zoude afweren, bezig. Spoedig was hij besloten. Hij moest Feodorowna's lippen evenzoo verzegelen, als die van Ruschka, door bedreigingen tegen wat haar het dierbaarst op aarde was. Die taak viel den gewetenlooze licht, doch hij had de middelen niet dadelijk bij de hand. Bernard en Lodewijk moesten het lot der gevangen Franschen deelen. Dan zoude hun lot daarvan afhankelijk gemaakt worden, of Feodorowna op de hostie wilde zweren, nimmer het geheim harer geboorte te verraden. Doch daartoe had men meer manschappen noodig, dan men in het slot had. Buiten de bedienden, van welke de meesten lijfeigenen van Feodorowna waren, op wie Dolgorow zich in een beslissend oogenblik niet durfde verlaten, was er niemand op het slot. Bernard en Lodewijk alleen konden een zoo dapperen tegenweer bieden, dat men ten minste genoodzaakt zoude zijn hen te dooden, en dan was de borgtocht voor het geheim verloren. Feodorowna's leven echter zelf durfde Dolgorow niet aantasten; gedeeltelijk wijl hare lijfeigenen in zulk eene daad eene vreeselijke, onverzoenlijke misdaad zouden gezien hebben, gedeeltelijk omdat hij vooruit zag, dat de gravin hare toestemming zoude weigeren, eindelijk ook wel, omdat hij hier de inwendige maat van zijn misdadig pogen gevuld gevoelde. Want ieder, zelfs de slechtste, heeft eene grens van zijn misdadig willen in zich, welke hij niet kan overschrijden. Zelfs de diepste afgrond der misdaden wordt eenmaal gevuld, en er is een punt, waar het heilige gebod der zedelijkheid zich zoo onverwinnelijk doet gelden, dat de meest ontaarde, al moest hij daardoor de vrucht van al zijne vorige misdaden verliezen, al moest hij zelf der aardsche vergelding ten buit worden, evenwel zijne wilskracht tot het booze verlamd gevoelt en den laatsten slag, welke hem aan het doel zoude voeren, niet waagt toe te brengen. Zoo grijpt de onzichtbare arm des Almachtigen zelfs in het raderwerk der boosheid en beveelt een onherroepelijken stilstand.
Dolgorows besluit stond vast. Hij wilde genoegzame manschap in de nabijheid van het slot doen komen, om iederen wederstand onmogelijk te maken. Dan zouden Lodewijk en Bernard naar buiten gelokt, onverwachts overvallen, gegrepen, gekneveld en zoo stil mogelijk weggevoerd worden, zoodat niemand in het slot het gewaar werd. Wanneer men aldus het binnenste van het bosch bereikt had, wilde Dolgorow hun verklaren, dat hun lot en dat van Feodorowna van de bewaring van hun geheim afhing, en hen dan met de overige gevangenen binnenslands wegvoeren. Eerst nadat alles volbracht was, zou Feodorowna den afloop der zaak vernemen, en dan zou het zeker gemakkelijk zijn, haar de belofte eener eeuwige geheimhouding door bedreiging tegen de gevangenen af te persen.
Willhofenwas een verdacht getuige voor Dolgorow. Hij besloot derhalve, zich van hem te ontdoen en tevens door hem zijn doel te bereiken, daar hij hem als bode uitkoos, om het bevel over te brengen, dat de manschap op het slot zoude komen, maar tevens den houtvester, die het bevel over dit gedeelte der als landstorm verzamelde boeren had, verzochtWillhofenniet mede terug te zenden, maar hem tot nader order met iets anders bezig te houden.
De snelle daad volgde op het weldoordachte besluit. Hij schreef het bevel, verzegelde het, schelde en liet, toenJacquesbinnen kwam,Willhofenroepen.
„Hier is een brief van gewicht te bestellen, Solanow,” dus sprak hij hem toe; „gij moet dadelijk zadelen en rijden. Ik stel er u verantwoordelijk voor, dat het bevel uiterlijk binnen drie uren overhandigd is.”
De oude boog zich zwijgend, nam den brief en vertrok.
Thans schepte Dolgorow lucht. Het gevaar scheen afgewend, de dreigende wolk verdeeld. Hij vermoedde niet, dat zijn plan verongelukt was, nog eer het tot de uitvoering kwam.
Bianca immers wist reeds, dat en hoe zij verraden was.Jeannettehad namelijk in de kamer der prinses gezeten en gewerkt. Toen het licht haar begon te begeven, zette zij zich op een leuningstoel in de, door de dikke muren van het slot ruime vensterholte en werkte, zoolang zij zien kon. In de schemering hield zij op en zonk, daar zij eenigen tijd ledig bleef zitten, in slaap. Opeens wordt zij door een geruisch gewekt, richt zich op en ziet met verbazing den graaf voor de geopende secretaire der prinses staan. Onwillekeurig getuige dezer handeling zijnde, vreest zij, zich te verraden; de groote zijden gordijnen bedekken de vensters zoo, dat zij niet kan bemerkt worden. Zij besluit daarom zich niet te verroeren en zich slapende te houden. Doch zij slaat acht op alles, wat Dolgorow doet. Eindelijk gaat hij, nadat hij eerst de beide vroeger in het slot gedraaide deuren zachtjes ontsloten heeft. Deze omstandigheid overtuigt het meisje, dat hier iets geheimzinnigs tegen de prinses ondernomen wordt, daar zij de treurige verwijdering tusschen deze en hare ouders reeds lang kent. Zij brengt dit in verband met hetgeen zij gehoord en aanJacquestoevertrouwd heeft; zij wordt bevreesd, door hare onvoorzichtigheid hare zoo oprecht beminde meesteres in gevaar gebracht te hebben, haar geweten laat haar geen rust, zij moet derhalve bekennen, wat zij meent te weten, wat zij gezien heeft. Met dit voornemen, om door de eerlijkste oprechtheid zoo mogelijk haar misgreep goed te maken, wil zij naar de prinses snellen, toen deze zelve onverwacht binnentreedt.Jeannetteverhaalt, wat er gebeurd is. Bianca vermoedt den samenhang; zij doorziet, dat zij geheel verraden is, dat zij geen tijd te verliezen heeft. Dadelijk besluit zij, met haren broeder te spreken.Jeannettemoet de kamer sluiten en krijgt bevel, zoodra zich iemand aan de deur laat hooren, te antwoorden, dat de prinses bezig is zich te verkleeden en voor het oogenblik niemand kan binnenlaten. Intusschen ijlt Bianca, door dezelfde muts vanJeannette, welke zij haar gisteren gedurende hare sluimering heimelijk ontvreemd heeft, voor herkenning bewaard, naar de kamer van Lodewijk en Bernard en verhaalt hun, watgeschied is. Er wordt besloten nog dezen nacht te vluchten. Gregorius zal de hulpeloozen opnemen, wanneer men zijne woning kan bereiken voordat hij op weg naar het slot is, of wanneer het toeval het zoo gelukkig doet uitkomen, dat men hem ontmoet. Wordt deze hoop niet vervuld, dan blijft Smolensko, nog door de Franschen bezet, hun als toevluchtsoord overig.
Willhofenzal hen op de vlucht vergezellen. Hij wordt van alles onderricht en belooft paarden en een slede gereed te houden. Om de noodige voorbereidselen daartoe te maken, heeft hij juist de kamer verlaten, toenJacqueshem ontmoet en bij den graaf ontbiedt. Met een voorgevoel van hetgeen er geschieden zal, treedt hij bij dezen binnen, doch bewaart volkomen zijne geruste en gewone houding. Zonder argwaan geeft Dolgorow hem den brief, dienWillhofendadelijk naar Bernards kamer brengt, waar Bianca zich nog bevindt. Men opent hem; Bianca leest het in 't russisch geschreven bevel; de meening van Dolgorow is duidelijk. Bernard vermoedt zijn plan, ofschoon niet in de volle afschuwelijkheid, daar de brave nooit zoo diep in de ziel van de boosdoeners indringt, dat hij hunne ontwerpen in den geheelen omvang overziet. Thans is ieder oogenblik kostbaar en er is geen tijd te verliezen; de vlucht moet nog in dit uur geschieden. TerwijlWillhofennaar beneden snelt, om, onder voorwendsel van zijn paard te zadelen, de paarden voor de slede te spannen, voorziet Bianca zich op hare kamer van de noodwendigste zaken. Zij kan er thans niet buiten,Jeannettedeelgenoote van haar geheim te maken; deze wil van hare gebiedster niet wijken, maar bidt met tranen, in haar lot te mogen deelen. Bianca moet inwilligen, haar mede te nemen, te meer daar het meisje van Dolgorows toorn alles te vreezen heeft, wanneer hij slechts vermoeden kan, dat zijn geheim door haar kon verraden zijn. Deze pakt derhalve in alle haast kleedingstukken en wat haar verder onmisbaar schijnt in, terwijl hare meesteres zich van geld voorziet en hare juweelen, papieren, brieven en kleinigheden in een kistje bijeen legt. Bernard en Lodewijk hebben zich inmiddels, op raad vanWillhofen, met pistolen, die den bedienden toebehooren, gewapend. Lodewijk gaat naar beneden naar het plein, om, zoodraWillhofente paard stijgt, met de slede te volgen. Bernard ijlt naar zijne zuster, om haar te geleiden. Een teeken, dat hij uit het venster aan de benedenstaanden geeft, geeft blijk, dat de vrouwen gereed zijn.
In angstvolle spanning stond Lodewijk op het plein en hield de oogen onafgewend op Bianca's venster gericht. Het dringende gevaar, de mogelijkheid om verraden te worden, de val in de diepste ellende, welke alsdan op de schoone droomen eener namelooze zaligheid moest volgen, dit alles veranderde voor de op de pijnbank gespannen verwachting de seconden in eene eeuwigheid.
Eindelijk trad Bernard met een licht aan het venster en blies het uit. Dit was het afgesproken teeken.Willhofensprong te paard en reed naar de poort toe, welke hij beval te openen. Lodewijk volgde hem met de slede: onder de poort aan de trap, zoo luidde de afspraak, zou hij stilhouden, Bernard en Bianca opnemen en dan, zoo snel de paarden vermochten, den vooruitgaandenWillhofenvolgen. Dat zij niet dadelijk vervolgd konden worden, daarvoor had de voorzichtigeWillhofengezorgd, doordien hij de tuigen van alle overige paarden, die in het slot waren, bijeengenomen en over een ingevallen vak van den muur in de slotgracht geworpen had, die wel toegevroren was, doch waar niemand deze dingen zoude zoeken. Het was derhalve te verwachten, dat zij vóór het aanbreken van den dag niet zouden gevonden worden. De duisternis begunstigde hunne onderneming; zacht, zoodat men de voetstappen der paarden overde sneeuw nauwelijks hoorde, kwam Lodewijk tot onder de poort.Willhofenwas er reeds buiten en hield aan de brug stil. Bij den matten schijn der lamp, die het verwulf verlichtte, zag Lodewijk met een kloppend hart de drie gedaanten op de trappen staan. Hij hield stil. „Zijt gij het, Bernard?” fluisterde hij. „Wij zijn het,” was het antwoord en metéén naderde Bianca, om in te stijgen.
Daar klonk op eenmaal Dolgorows vreeselijke stem: „Verraad! Holla! Sluit de poort,grijptde verraders!” In hetzelfde oogenblik flikkerde eene getrokken sabel over Bernards hoofd en, door den houw getroffen, stortte deze ter aarde.
Bianca gaf een luiden gil, wierp zich over dengevalleneheen en Dolgorow in den weg, die den arm reeds tot een tweeden slag ophief.
„Om Gods wil erbarming, houd op—het is mijn broeder!” riep zij op een toon, die door de ziel sneed.
Lodewijk stond onbewegelijk. Doch snel bezon hij zich, hij sprong van de slede, greep een pistool en schoot op Dolgorow. Hij trof hem licht aan den schouder, zoodat de gewonde een oogenblik wankelde en terugtrad. „Vlucht, ongelukkige,” riep Lodewijk nu en wilde Bianca omvatten, doch reeds waren drie bedienden, die in de wachtkamer naast de poort gezeten hadden, toegesneld en rukten hem achterover op den grond. „Pakt de schelmen! Bindt hen!” riep Dolgorow woedend, en de knechts, welker getal spoedig door eenige van het plein komenden vermeerderde, wierpen zich op de ongelukkigen. Hij zelf greep Bianca aan, rukte haar omhoog en droeg haar, daar zij zich wilde verzetten, met geweld de trappen op. Hare kracht ging in hare smart te gronde; zij kon geen weerstand bieden.Jeannettevolgde hare gebiedster. De knechts rukten, zonder verdere bevelen af te wachten, den bewusteloozen Bernard en den verstommenden Lodewijk met zich voort en sleepten hen den graaf na.
Boven op den gang ontmoette hem de gravin, die het geraas en het schot gehoord had, zonder de reden te weten, en thans uit hare kamer kwam, om naar deze te vernemen.
„Neem uwe dochter tot u, gravin,” riep Dolgorow, „de eer van ons huis staat op een gevaarlijk spel.”
„Niet uwe dochter!” riep Feodorowna, die tot haar bewustzijn terugkeerde, van smart buiten zich zelve: „ik erken uwe rechten niet meer! Gij hebt mijn broeder vermoord!” Met geweld rukte zij zich thans uit de armen van den graaf los en snelde de bedienden te gemoet, welke Bernard en Lodewijk medesleepten. „Gij zijt mijne lijfeigenen!” riep zij dezen te gemoet met eene kracht, die de vertwijfeling haar verleende; „ik beveel u, dezen ongelukkige los te laten en den bloedende ter hulp te komen.”
Dolgorow was haar nagevlogen. „Wie mijne bevelen niet gehoorzaamt,” dreigde hij met hoog opgeheven sabel, terwijl hij zijne stem vreeselijk verhief, „dien kloof ik den kop! Wie waagt het, mij te trotseeren?”
De lijfeigenen der vorstin stonden besluiteloos, daar zij tusschen vrees en plichtgevoel wankelden. Twee van Dolgorows eigen lieden echter bogen zich slaafs deemoedig en zeiden: „Alleen onze gebieder zal ons bevelen geven, wat wij te doen hebben.”
„Ik deed dit reeds,” snauwde Dolgorow hun toornig toe; „bindt deze honden en werpt hen in het diepste gewelf van het kasteel.”
„Neen, het is onmogelijk,” riep Bianca uit en sloeg hare beide armen om haar broeder en drukte zijn bloedend hoofd aan hare borst: „ik verlaat u niet mijn broeder, in mijne armen zult gij sterven.”
Door een schuwen eerbied aangegrepen, weken thans de ruwe slaven terug en schenen een anderen plicht, dan dien der deemoedige gehoorzaamheid gehoor te geven.
Dolgorow stampte kwaadaardig op den grond. „Werpt haar mede in het hok, wanneer zij hem niet verlaten wil!” riep hij woedend uit en trad zelf naar de ongelukkige toe, om haar van het hart haars broeders af te rukken.
Lodewijks boezem werd op dit oogenblik van namelooze smart doorgriefd. Daar doordrong hem op eenmaal het gevoel van de alomtegenwoordigheid van den hoogsten Rechter, en in de zedelijke kracht zijner overtuiging richtte hij zich trotsch tusschen de slaven, die hem de armen gebonden hielden, op en riep den graaf met al de meerderheid der deugd toe: „Houd op! Vrees voor eene vergelding! de Almachtige is getuige van iedere daad, Zijne gerechtigheid ontkomt geen mensch!”
Dolgorow keerde zich trotsch om. Hij voelde zich inwendig getroffen, ja, hij ondervond voor de eerste maal in zijn leven de stille, geheime onrust van het kwaad geweten. Doch juist daarom kantte zich zijn verhard gemoed daartegen aan, als tegen een schandelijke vlucht, en zocht hij zijne ontroering achter verdubbelden trots te verbergen. Met een spottenden lach hernam hij derhalve: „Meent gij? Ik denk u evenwel te toonen, dat menmijntoorn enmijnegerechtigheid nog minder ontkomt.”
In dit oogenblik liet zich opeens van beneden een dof geraas en luid geschreeuw van verwarde stemmen hooren.
Allen stonden verrast en luisterden; het gedruisch kwam nader.
„Wat is daar te doen!” riep Dolgorow. „Gaat een van allen naar beneden en ziet, wat dit misbaar beteekent.”
Doch toen een der bedienden dit bevel wilde gehoorzamen, hoorde men de menigte reeds met geschreeuw de trappen opstormen. Een vlammende gloed toonde aan, dat zij met lantaarnen of fakkels kwamen.
Dolgorow snelde thans, ongerust geworden, zelf naar de trap. Het geschreeuw der aanstormenden wies met ieder oogenblik. „Hierheen, hier!” riep eene stem; „volgt mij.”
Lodewijk herkende de stem vanWillhofen. Een voorgevoel, dat hij redding aanbracht, doordrong zijn borst. Doch nauwelijks was deze gedachte bij hem opgekomen, toen een schot en dadelijk daarop een tweede, gevolgd van een vreeselijk woedend geschreeuw, zich liet hooren.
Dolgorow, op wien de schoten gemunt waren geweest, keerde haastig terug; hij hield de hand aan zijne gekwetste zijde, doch moedig zwaaide hij nog zijne sabel en riep de bedienden te hulp. Deze waren ongewapend en aarzelden.
„Vecht of ik stoot u neder,” brulde Dolgorow en stampte met den voet, dat de bodem dreunde. De verschrikte slaven lieten Lodewijk en Bernard los en snelden naar hun meester. Daar vervulde opeens een helder rood fakkellicht het geheele gewelf, en Lodewijk zag den trouwenWillhofen, die, in zijne rechterhand eene sabel, in de linker eene helder lichtende fakkel zwaaiend, op de bovenste trede van den trap verscheen. Snel drong hij voorwaarts, eene menigte menschen met knuppels en stokken achter hem. Woedend stormden zij op Dolgorow en de zijnen aan; dezen gingen op de vlucht en vloden langs den gang. Dolgorow wilde standhouden, doch hij werd overweldigd en ter aarde geworpen; de schaar drong voort en voordat Lodewijk zich bezinnen kon, drukteWillhofenhem de hand, en schudde haar en riep juichend uit: „Wij zijn gered, mijnheer!”