HOOFDSTUK VII.Voor en in Dogorobuye betrok het leger na dezen vreeselijken dag het bivak. Met verlamde en verkleumde ledematen bereikten de krijgslieden de rustplaats; hunne kleederen waren doornat geweest en toen door de strenger geworden nachtvorst op het lichaam bevroren. Open geschuurd aan armen en beenen, werd hun iedere voetstap tot pijniging. En thans moesten zij eerst de moeielijke voorbereidingen tot het bivak maken, hout, stroo en voeder voor hunne paarden, levensmiddelen voor zich zelven bijeenbrengen. Door zijn aanzien en zijne onvermoeide werkzaamheid was het Rasinski wederom gelukt, een ellendig huis te bezetten, dat ten minste de helft zijner manschappen onder dak bracht. Hij zelf bleef in de open lucht. Door woorden en voorbeeld moedigde hij de vermoeiden aan, nog spoedig het geringere dagwerk te doen, hout te kappen, te koken, eene plek van de sneeuw te zuiveren tot eene legerstede. Doch met diepe smart zag hij, dat hem vijftien zijner manschappen ontbraken, die eerst, toen het volkomen duister was geworden, verloren waren geraakt. Nauwelijks mocht hij hopen, dat zij nog terecht zouden komen. Bovendien waren er op dien eenen dag drie en twintig paarden nedergevallen! Hoe moest dit eindigen! Doch hoe donker de toekomst voor Rasinski's blikken lag, des te machtiger ondervond hij de noodzakelijkheid, om het tegenwoordige een helder gelaat te vertoonen en het moedig tegen te treden, opdat zij, die bestemd waren, om hun moed uit den zijnen te putten, niet te vergeefs het oog op hem zouden richten. Hij sprak hun vriendelijk toe, troostte, vermaande tot orde en onversaagde werkzaamheid.De vaste, geruststellende toon zijner woorden, hunne onloochenbare waarheid, het heldere voorhoofd, dat hij bewaarde, gaven de hoop zelfs aan den moedelooste weder.Hij liet het echter niet bij woorden blijven, maar paarde daarmede daden en gaf zijne korte, bestemde bevelen. „Zuivert deze plaats hier van de sneeuw. Die aarden wal zal ons tegen den wind dekken. Daar ginder aan den hoek van dat bosch moet hout gekapt en bezems gebonden worden, om de sneeuw weg te vegen. Jaromir, neem twintig man en ontvang hooi en haver; bij het hoofdkwartier der cavalerie zal eene uitdeeling worden gedaan.—Gij, die te voet geloopen hebt, rust in dit huis uit, het zal u bergen, wel wat nauw, maar daarvoor zult gij elkander verwarmen.”Deze bevelen werden stipt uitgevoerd. Slechts Lodewijk en Bernard snelden niet met de overigen naar de hut.„Waarom legt gij u niet neer, mijne vrienden?” vroeg Rasinski dringend.„Wij blijven bij u,” antwoorden beiden.„Ontzeg ons deze aangename gewoonte niet,” voer Lodewijk voort; „uwe nabijheid,het vertrouwen op u geeft ons meer kracht dan dit dak. En wat gij dezen nacht kunt verduren, dat zal ons ook niet wegmaaien.”Zoo wies de liefde, de trouw in den tijd van den nood. „Welaan dan, zooals gij wilt,” zeide Rasinski met aandoening; „doch gij zult dan altijd het hardste lot deelen, want gij weet, dat ik niets boven mijne manschappen vooruit wil of mag hebben.”Reeds kwamen eenige manschappen met versch gekapt hout aan. Er werd een plek van sneeuw gezuiverd en een vuur aangestoken. Lang duurde het eer de vlam opsloeg, want het hout was jong en vochtig; doch na een uur was ook dit overwonnen, en daar door Rasinski's zorg nog eenige levensmiddelen voorhanden waren, welke hij zuinig, maar eerlijk liet verdeelen, zoo vond het vermoeide lichaam ook spoedig eenige verkwikking. Officieren en manschappen legerden zich in dicht gesloten rijen om het vuur, elkander met broederarmen omvattende en verwarmende. Zoo rustte Lodewijk aan Bernards borst en Rasinski lag met het hoofd op zijn schouder; aan de andere zijde lagen Jaromir en Boleslaw in elkanders armen. De vriendschap trotseerde den ruwen storm en de sneeuw van den winternacht en bracht haar heilig leven in de omringende verstijving over.Lodewijk was ten uiterste afgemat; slechts de gedachte aan zijne verlatene zuster, aan hare ontroostbaarheid, wanneer hij mocht vallen, had zijn zwakker gevormd lichaam den moed ingestort, de ongehoorde inspanning te verdragen, waaronder hij dikwijls meende te bezwijken, en misschien ook bezweken was, zoo niet Bernard hem met zijn sterker gestel en veerkrachtiger ziel getrouw was op zijde gebleven. Doch, wanneer deze rampen zich herhaalden, wat dan? Met eene inwendige rilling wendde Lodewijk zich van deze voorstelling af. Zijn leven scheen hem in de akeligheden van een duisteren nacht ingeweven; doch daar zweefde uit den zwarten, donkeren achtergrond, waarin zijn oog zich verloor, hem het heilige beeld zijner liefde te gemoet.—Ja, zij zal uw beschermgeest zijn, dacht hij met verlevendigde kracht, zij, eene heilige, zal u troostend, reddend omzweven. Keerde zij niet reeds eenmaal het verderf van uw hoofd? O gewis, gewis is zij mij nabij!—Hij gaf zich met een zoet verlangen aan deze bedriegelijke verwachtingen over.—Zouden onze lotgevallen slechts daarom zoo raadselachtig ineengeweven zijn geworden, om eeuwig onopgelost te blijven? Neen, dat kan de Almachtige niet willen. Hij voert ons niet langs zijne donkere kronkelpaden, om ons midden in den doolhof te verlaten, maar om ons tot het wonderbare doel Zijner genade en wijsheid te leiden. De koude wet der natuur is niet zoo hardvochtig, dat het hare duizende kiemen en zaden slechts daarom zoude ontwikkelen, om ze in het opgroeien te verstikken; hoe zoude de eeuwige, heilige wet der Voorzienigheid dan zich zelve zoo gruwzaam honen! Neen, de dag zal aanbreken, die alles oplost; het uur moet slaan, in hetwelk de liefelijke gestalte u te gemoet treedt, u de hand reikt en met zoetklinkende stem zegt: De beproevingen zijn overwonnen; thans wenkt u het loon.Maar hoe, wanneer het eerst aan gene zijde ware?—En waarom dan niet? Wanneer achter den onafzienbaren nacht, die ons omgeeft, de eeuwig heldere dag schittert, wanneer over het ondoordringbaar gewelf des hemels dat boven ons staat, reine, heldere sterren schijnen, duizenden van zonnen zwieren—hoe zou dan slechts de nacht onzer ziel onverlicht blijven? Moed, vertrouwen, vast geloof! En evenwel, hoe machtig bindt mij dit heilige leven hier op aarde, dat ik warm, lichamelijk, met zelfbewustzijn gevoel! Algoede Vader! O, zend Uwen zegen reeds in de aardsche borstneder, los de raadsels, in welke Gij ons hier laat wandelen, ook hier weder op! Laat dit hart niet breken in ongestild verlangen! Waarom moeten wij het met namelooze smart koopen? Ik lijd als een pelgrim dezer aarde, laat mij ook hier rust en lafenis vinden! Voor de wonderen der eeuwigheid is mijn boezem te eng. Geef mij, wat ik vermag te vatten. O, Gij zijt immers zoo rijk in zaligheid, dat Gij ons hier eene opgevulde maat kunt reiken en daar evenwel nog eene grenzelooze zee van verheerlijking voor ons uitbreidt! Gij geeft mij aan dit leven, en dit leven aan mij. Vader, is het dan een schuld mijns harten, wanneer ik met innige liefde aan zijne reinste genoegens hang?Onder deze gedachten bekroop hem de meer verdoovende dan verkwikkende slaap. Doch de vermoeide natuur haakte gierig naar die karig verleende verkwikking.Spoedig omving hem de droomgod en spon de bedriegelijkste droombeelden om zijne ziel. De woeste tooneelen van dezen dag schemerden hem nog voor de gesloten oogen. Zijn in halve bewusteloosheid wegzinkende geest vernam nog de naklanken van zijn waken. De wezenlijkheid versterkte ze. Zoo doolde Lodewijk ademloos, uitgeput, met geboeide voeten, welker looden zwaarte hij niet kon overwinnen, want de banden des slaaps en zijn liggen stremden de beweging der spieren, door diepe sneeuwvelden rond. De storm huilde om hem heen, want zijn oor vernam dien in den slaap, hoe hij over de toppen der boomen gierde, en scheurde wijdgapende kloven in den dwarrelenden oceaan van grauwe wolken, die hem omgaf. Wanneer de nevels zich verdeelden, meende hij van verre eene zonnige landstreek te zien schemeren, naar welke hij vol verlangen zijne armen uitstrekte.—Waar ben ik? Alleen in deze woestijn! Ach, thans zie ik het; het is immers de St. Bernard met zijne sneeuwvelden, waarop ik verdoold ben. Dezen helderen schijn moet ik volgen, dan bereik ik het schoone land aan mijne voeten.Zoo fluisterde hem de stem in den droom toe, en de goedertieren God leende hem zijne vleugelen, om hem zacht naar die schoone beemden omlaag te voeren.Thans wordt het mij licht om het hart; met deze wolk zweef ik naar beneden.—Gelijk zoo menigmaal in den droom, had hij natuurlijk, daar hij lag, het gevoel, alsof hij zachtjes van eene hoogte afzweefde. De nevel en wolkengedaanten verdeelden zich, de sneeuw verdween; Lodewijk meende op eene zachte, groene bergweide, langs een rotsachtig dal, te wandelen.—O, Goddank, dat ik mij uit deze wildernis weder op het goede pad bevind! Daar achter mij ligt immers het hospitum op de besneeuwde hoogte; hier daal ik naarAostaaf. O gij lieve, aanminnige, waarom vliedt gij voor mij? Ik zie immers uw groenen sluier fladderen; ik heb u immers reeds lang herkend! Bianca! Bianca! Waarom wacht gij mij niet? Waarom wilt gij, gelijk toen, immer verder en verder heentrekken!—Daar wendde zich de edele gestalte der geliefde om en zij sloeg den sluier op en zag hem liefelijk glimlachende aan. Ik ben u immers zoo nabij! Een droom kwelt u, dat gij mij zoo roept. Ziet gij het bekoorlijk landschap niet om ons heen? Vat moed, zet u bij mij op deze bank bij de hut. Ja, mijn geliefde, hier willen wij wonen, hier is het huiselijk en stil. Zie slechts hoe de wijngaard zich om het venster slingert en de breede kastanjeboom, die zijne takken wijd over het dak uitspreidt!Als een lentekoeltje troffen hem deze woorden, en een zoete, zalige weemoed drong in zijn hart. Bianca! Is het dan geen droom? Ben ik eindelijk met u vereenigd? riep hij beangst en strekte zijne armen der geliefde te gemoet. Zij neigde zich naar hemtoe, hij trok haar tot zich en drukte haar bevend aan zijn kloppend hart. Zij zaten nevens elkander op het gras, tegen den stam van den ouden kastanjeboom geleund. Lodewijk had zijn arm zacht om den hals der aanminnige geslagen, en zij liet haar hoofd op zijne schouders rusten; hunne handen hielden ze in elkaar geklemd.De droom sleurde den sluimerende in nieuwe verwarde voorstellingen mede. Door den storm en de warrelende sneeuw, die zijn aangezichtwerkelijktrof, werd hij uit de aangename beelden, welke zijn verlangen hem voorspiegelde, onmeedoogend uitgedreven. Hij geloofde met Bianca te vluchten. Waarheen zij zich wendden ploften sneeuwvallen. De herinneringen aan dien eersten nacht op denSimplonstegen in wonderlijk samenvloeiende beelden in zijne ziel op. Hij geloofde diep begraven te zijn, maar des te inniger en angstvoller drukte hij de bevende geliefde aan zijn hart. Hij troostte haar. Wees niet bang, mijn lieve. Weet gij nog, toen wij in dien eersten nacht naar redding wachtten? Ach, hoe haakte toen mijn hart naar uwe omarming. Bemindet gij mij dan toen reeds?—Sinds het oogenblik, dat ik u voor het eerst zag, antwoordde zij met eene onuitsprekelijke zoete stem, toen gij mij den gouden armband bracht, weet gij nog? Het was immers bij de hut in het dal, waar wij zoo even vertoefden.O, toen! Hoe schoon was het toen, daar ik uw gelaat voor het eerst aanschouwde; gij lachtet mij tegen als de lente van Italië, naar welke wij afstegen. Ziet gij, daar opent zich de zwarte poort; zie slechts, hoe de heldere stralen der zon er binnendringen.Hij ging arm in arm met de geliefde naar de opening van het rotshol. Het dal lag voor hem uitgebreid, de lente opende de eerste knoppen en lachte van den blauwen hemel over de bergen.—Zie slechts, hoe de kleine ons te gemoet huppelt. Zij herkent de schoonesignoraweder, die zoo vriendelijk tegen haar was. Maar laat ons verder gaan naar de blauwe meren, de wijnbergen en de bloeiende tuinen. Thans wandelen wij tusschen de rotsen voort; de zon zal ondergaan, wanneer wij aan den rand staan en in het zalige land nederblikken. Ziet gij? Ziet gij—thans dringt haar roode gloed ons in de oogen. Daar achter die Alp gaat zij onder. Hoe schoon trekt de gouden rook over het geheele dal en hoe smelten ginds de velden door het avondrood verguld met den hemel ineen. O, hoe schoon is het hier!Steeds bekoorlijker beelden tooverde hem de droom voor. Arm in arm wandelde Lodewijk met zijne geliefde in zalige eenzaamheid door de lachende beemden. Een schaduwrijk priëel bood hem eene rustplaats. Onder de lichte kromming der takken door zweefde het oog over dalen en heuvels, die in het avondpurper gloeiden.Daar rolde in de verte een doffe donder, aan sneeuwvallen gelijk, die in den afgrond storten. Hij vliegt op uit de omarming zijner geliefde; bevend en bleek staat zij voor hem. Ziet gij, roept zij uit, de zon ontsteekt de aarde en alles vlamt op in laaien gloed. Lodewijk staart voor zich. Eene woeste zee golft rondom hem henen. Vol ontzetting wil hij vlieden. Zijn voet is aan den grond gekluisterd. De geliefde vliegt door den nacht; slechts haar wit gewaad ziet hij schemeren. Hij strekt de armen naar haar uit, hij wil haar roepen, de stem begeeft hem; de vlammen branden hem met stekende pijn in de oogen. Daar treft plotseling een donderend geraas zijn oor en verbreekt met geweld de boeien des slaaps, die hem nog in hunne verdoovende kluisters hielden. Hij springt op en ziet verwilderd om zich heen.Zelfs wakend staat hij nog onthutst en kan het onmetelijk verschil tusschen droom en werkelijkheid niet begrijpen. Eindelijk verneemt hij de roffelende trommels entrompetten, het sein om op te breken. De wind drijft hem de hoog opflikkerende vlam van het wachtvuur in het gelaat, die zich reeds zoo verschrikkelijk in zijne droomen gemengd had, totdat het krijgsrumoer den voorhang, die zijn bewustzijn omhulde, plotseling verscheurde. Thans eerst gevoelt hij, hoe de ruwe hand der werkelijkheid hem onverbiddelijk aantast en hem uit den liefelijken waan opschudt. Verdwenen is het beeld der geliefde, verzonken de toovertuinen zijner droomen, verduisterd het hem omringende Eden. Alleen het onbegrensde der ijskoude woestenij en der duisternis is overig. Uit de gewesten der zaligen is hij in de plaats der verdoemden nedergestort. Welk een gruwelijke spot. Dat is te veel! Verpletterend daalt de smart in zijne borst. Zij moet breken onder dezen last.Daar vatte Bernard zijne hand en ziet hem verwonderd in de oogen. „Wat deert u, Lodewijk?” vroeg hij met eene zachte stem.Hij omarmde hem vurig; aan het hart zijns vriends loste zich de akelige verstijving zijner borst op, en in zachte golven vloot nu de diepe, onuitputtelijke stroom zijner kwellingen voort.HOOFDSTUK VIII.Eindelijk lag Smolensko, het lang beloofde en gewenschte einde hunner rampen, voor de blikken der krijgslieden en steeg met zijne zwarte tinnen en muren duister uit het sneeuwveld op. Daar zult gij eene toevlucht vindentegende winterstormen; daar zal de razende honger, die in uwe ingewanden woedt, gestild worden; daar zullen de verkleumde leden warmte, de overspannen gepijnigde spieren rust, de afgematte, uitgeputte geestkracht versterking vinden.Niet zoo vroolijk zagen de tien duizend Grieken den spiegel van hunne vaderlandsche zee van het gebergte af hun tegenschitteren, niet met zulk eene vreugde en dankbaarheid begroette Columbus' vertwijfelende manschap de kusten van een nieuw werelddeel, als de door de woede des winters, des hongers en der doodelijke afmatting vervolgde krijgslieden de muren der stad aanschouwden, waar hun het einde hunner rampen beloofd was. Een zweem van vreugde vloog over de bleeke, vermagerde gezichten, een laatste bewijs van moed en kracht keerde in de vermoeide lichamen terug.Reeds was men tot op een uur afstands de muren dezer vesting genaderd, toen men aan beide zijden van den weg, eerst een voor een, vervolgens in groote troepen, de uitgehongerde spookachtige gestalten dergenen ontwaarde, die hunne wapenen verloren of weggeworpen en, daar de banden der orde en der gehoorzaamheid overal verbroken waren, gehoopt hadden, dat zij, alleen en hun eigen weg kiezende, met minder gevaar door de woestijnen der sneeuw en der wouden zouden dringen, dan wanneer zij bij het gros des legers bleven, voor welk laatste het weinige, dat men op eene plaats konde bijeenbrengen, nooit genoegzaam was. Zoo waren zij dan nu eens vooruit, dan achterna getogen of hadden het leger van ter zijde omzwermd. De razernij van den honger in hunne gierige, van ontsteking gloeiende oogen, zwart van rook en zand, in lompen gekleed, wierpen deze scharen zich als harpijen over alles heen, wat zij vonden. Geen stem des verstands breidelde hunne tot waanzin geklommen begeerte. Vonden zij ergens eenige spijs, zoo vielen zij met de woede eens roofdiers er op aanen verslonden ze met eene zoo razende drift, dat de meesten, alsof zij vergif gegeten hadden, dadelijk daarop onder de onlijdelijkste pijnen ter aarde stortten en den geest gaven. Doch geen voorbeeld schrikte de later aankomenden af; als door blinden waanzin gedreven, stortten zij zich in hetzelfde verderf, dat hunne kameraden voor hunne oogen gedood had. Ja, het gehuil en het gekerm zelfs der nog lillende stervenden schrikte hen zoomin af, als het hun ook slechts een blik van medelijden kon afpersen. De ellende had de menschelijke natuur in deze rampzaligen op het schrikkelijkst doen ontaarden; ieder kende slechts zich zelf en het tegenwoordige oogenblik. Want de folteringen van het oogenblik waren te schrikkelijk en alles, wat deze stilde, scheen een onbegrijpelijk geluk, al kwam ook in de volgende minuut deze ellende dubbel daarvoor terug. Deze afschrikwekkende gedaanten verschenen eensklaps, in donkere drommen opeengedrongen, naarmate zij uit de naastbijzijnde bosschen, waardoor zij hun weg genomen hadden, toevallig vroeger of later op den grooten weg geraakten. Een kwartier uurs voor de stad hoopten zij zich dermate opeen, dat de nog geordende korpsen der oude en jonge garden zich slechts met moeite den weg tot hun marsch vrijhielden.Thans naderden de hoogten langs de oevers van den Dnieper meer tot elkander en vernauwden den weg. Aan beide zijden vertoonden zich deze ontzettende horden. Zij trachtten langs de besneeuwde, gladde afhellingen af te dalen, om den weg te bereiken; doch de zwakke kracht hunner voeten bewees hun den dienst, waartoe behendigheid en sterkte vereischt werden, niet meer. Zij tuimelden over elkander heen, de helling af, en kleurden de sneeuw met het bloed hunner van ijssplinters gewonde handen en wangen.Onder weeklagend gekerm stortten zij naar beneden, doch vermochten zich niet meer van hun val op te richten, maar bleven bedwelmd aan den weg liggen.Thans zag men de poorten der stad. Zelfs onder de aan de stalen wet der gehoorzaamheid sinds lang gewone korpsen der oude garde liet zich thans geen tucht meer houden, maar gelijk hongerige tijgers op hun buit, wilden zij zich afzonderlijk uit de gelederen werpen, om het eerst het toevluchtsoord te bereiken, want reeds had een gedeelte der uitgehongerde horden, die zonder aanvoerder of orde door de wouden gedrongen waren, de muren der stad bereikt en drong in zwart gewemel om haar heen. Doch bij het zien der holoogige gedaanten, in de wonderlijkste kleederen, zoo als nood en toeval ze verschaft hadden, bij hun gierig toedringen, had men in de stad, en met recht, gevreesd, dat zij als een troep hongerige wolven op de magazijnen aanvallen en overal plunderend en verwoestend inbreken zouden. Daarom werden hun de poorten van de verlangde vrijplaats gesloten, en te vergeefs vloekten en baden zij, om de onverbiddelijke muren binnen te gaan. Reeds verscheidene uren hadden velen dezer ongelukkigen, van koude verstijfd, door honger gemarteld, in het gezicht der redding te vergeefs om hulp en medelijden gesmeekt. De meesten waren in vertwijfeling en afgematheid neergezonken en door de steeds grimmiger wordende koude gedood.De aanrukkende geregelde troepen hoorden het verschrikkelijk wilde gehuil om voedsel, dat zich met de grievendste jammerkreten vermengde. Thans beving ook hen de vrees, dat het hun evenzoo mocht gaan, dat men hier geweld zou moeten aanwenden, en diegenen alleen lafenis zouden vinden, die het eerst met geweld inbraken. Daarom verlieten zij hunne gelederen en zochten, zooveel hunne uitgeputte krachten dit vergunden, elkander vooruit te komen, om de plaats der redding te bestormen en wat zij konde opleveren met gewelddadige hand te rooven. Te vergeefs wierp de maarschalkBessièreszich hun, die gehoorzaamheid weigerden, in den weg, te vergeefstrachtten de officieren hen met geweld terug te houden. Reeds dreigde de wanorde zich over de gansche lange colonne te verbreiden, toen op eens de keizer in de voorste rijen zich vertoonde en met een wenk halt gebood. De eerbied voor den geheiligden persoon des aanvoerders, op wien zich in dezen tijd van tegenspoed het laatst vertrouwen vestigde, boeide zelfs de vermetelsten.„Soldaten, keert in uwe gelederen terug!” zeide hij streng, doch bedaard, en vond oogenblikkelijk gehoorzaamheid.Hij zelf reed thans aan de spits der troepen, en onder dof zwijgen, doch in streng geordende gelederen rukten de krijgslieden de vesting binnen.Rasinski volgde met de zijnen onmiddellijk op de oude garde. Slechts de helft was te paard, de overigen gingen te voet, daar hunne paarden voor het geschut gespannen waren. Bernard en Lodewijk waren te paard. Toen zij op de hoogte van den dalrand kwamen, wees Lodewijk aan Bernard ter linkerhand naar de besneeuwde vlakte en zeide: „Herkent gij daar dat slot wel?”„Hm!” antwoordde Bernard; „ik had gedacht, dat het geheel afgebrand zou zijn, doch het staat nog tamelijk vast op zijne beenen.”„Ik weet niet, waarom ik ook nog heden dit statig gebouw met zijnevreemdetorens en tinnen met een geheel eigenaardig gevoel aanschouw,” hernam Lodewijk.„Ik thans meer dan toen; doch dat doet de herinnering.—Ik geloof, dat wij meer onkenbaar geworden zijn dan het slot, ofschoon toch de vlam er al het ingewand wel zal uitgebrand hebben. Want als ik u zoo zie, met uw langen baard en die zware strepen van rook en stof in het gezicht, dan kan ik mij zoo omtrent verbeelden, hoe ik er zelf moet uitzien. Het was wel de moeite waard, ons portret te schilderen, opdat wij toch eens aan de goede lieden in Duitschland of Frankrijk konden toonen welke gezichten het overwinnend leger gezet heeft, toen het voor de tweede maal te Smolensko kwam.”„Zijt getroost, vrienden,” zeide Rasinski, zich omkeerende, „een tijd van rust ligt voor ons. Die zal ons ook gelegenheid geven, om ons weder een menschelijk aanschijn te verschaffen.”Zij reden thans door de poort der bovenstad binnen, want de oostelijke helft der stad ligt op de hoogte, de westelijke aan de overzijde des Dniepers in de laagte. Toen zij de eerste straat doorkwamen, zagen zij elkander met bezorgdheid aan.„Nu,” zeide Bernard zacht tot Lodewijk,„Smolensko ziet er voorwaar niet naar uit, alsof hetCapuazou worden.”„Wanneer de gansche stad zoo verwoest is,” antwoordde Lodewijk even zacht, „zal zij ons niet meer levensmiddelen opleveren, dan de groote weg, dien wij gekomen zijn.”„Ik zie nog niet in, hoe wij hier een lood rijst zouden koken,” fluisterde Bernard; „merkt gij wel, dat alle vensterkozijnen uitgebroken zijn? Waar hier nog hout in de muren zat, schijnt men reeds oogst gehouden te hebben.”„En toch,” hernam Lodewijk, „geloof ik, dat wij wel zouden doen, met een dezer op het invallen staande huizen bijtijds te bezetten; want als eerst die massa van ongelukkigen van buiten indringt, blijft er geen steen op den ander.”„Dat denk ik ook,” hernam Rasinski, die met zijn steeds opmerkzaam oor alles vernomen had, „en ik denk er reeds over, om gezwind het recht van eerste bezitneming te doen gelden. Ik hoop slechts, dat de benedenstad er beter uit zal zien; want hier stort ons misschien des nachts het kwartier boven ons hoofd in.”Hij zelf reed thans aan de spits der troepen.„Die versche paardengeraamten daar ter zijde,” zeide Bernard, terwijl hij met zijnvinger in een nauw zijstraatje wees,„beloven ook niet veel goeds; zij zien er mij uit, alsof het vleesch eerst sedert een half uur van de botten gekloven was. Ik wilde mijn arm paard, hoe mager ook, hier niet gaarne een kwartier vastbinden, want ik zou moeielijk iets anders dan het geraamte wedervinden. Op een bijzonder ruim onthaal mogen wij dus ook niet rekenen.”„Nu, levensmiddelen zijn hier,” hernam Rasinski, „of des keizers bevelen zouden op het onverantwoordelijkst veronachtzaamd moeten zijn. Eergisteren hebt gij nog gezien, hoe van hier een transport kwam, dat de keizer billijkerwijze hun toezond, die voor ons vechten en, buiten de moeilijkheden van den marsch, nog het gevaar van den strijd moeten verduren.”Een adjudant brak het gesprek af met het bevel om rechts af te rijden, waar de kwartieren voor de cavalerie waren aangewezen. Rasinski nam derhalve met de kleine schaar, welke hij nog om zich heen had, zijn weg door een kromme, half ingestorte straat en bereikte zoo een ruim plein, waar eenige groote steenen gebouwen, die vermoedelijk voor magazijnen gediend hadden, in de onderste verdieping stallen voor de paarden, in de bovenste kwartieren voor de manschappen aanboden. Doch ook deze huizen waren geheel verwoest. Slechts op de bovenste verdiepingen zag men hier en daar nog een kozijn; de deuren waren uitgehaakt, ja, op eenige plaatsen was de planken vloer opgenomen. Ondertusschen verschaften de half vernielde gebouwen toch een droog verblijf, en zoo men slechts hout, levensmiddelen, stroo en voeder voor de paarden kon verkrijgen, scheen het verblijf daarin, met de uitgestane ongemakken vergeleken, een tijd van heerlijkheid te beloven. Want in de meeste kamers waren gemetselde kachels, door welke men zelfs, schoon er geen venster te sluiten was, toch nog warmte genoeg in de vertrekken kon brengen, om het daarin uit te houden.In weinige minuten waren de kwartieren betrokken en de paarden in de stallen gebracht. Rasinski's voortdurend onvermoeide zorg had uitgewerkt, dat hij op weinigen na, die de vermoeienis niet hadden kunnen uithouden sinds den dag van Dogorobuye, de zijnen bijeen had gehouden. Daar hij niet duldde, dat iemand, en hij zelf het minst, eenig voorrecht genoot, zoo waren ook de schraalste levensmiddelen zoo verdeeld geworden, dat niemand ledig heenging.Thans was zijn eerste werk, Boleslaw tot het ontvangen van levensmiddelen voor de manschappen en Jaromir tot die voor de paarden ieder met het vereischte geleide af te zenden. Boleslaw nam twaalf man en ging naar het hem aangewezen magazijn. Hier heerschte een onbeschrijfelijk gewoel. Zoodra was het niet bekend geworden, dat in het gebouw levensmiddelen voorhanden waren, of de hongerige soldaten en achterblijvers legerden zich, als een zwerm raven op een lijk, voor de deuren en vervulden de lucht met hun gehuil en gekerm. Eenigen gelukte het, in spijt der uitgestelde posten, eene deur open te breken, en nu met blinde woede op de levensmiddelen aan te vallen, om die rauw te verslinden. Men zag, dat zij slechts hun dood vonden, en wat honderden van het verderf had kunnen redden, werd schandelijk verkwist, om de wilde begeerte van eenige weinigen te stillen. Daarom was het noodzakelijk, hoe gruwelijk de maatregel ook mocht schijnen, het wettige geweld tegenover het onwettige te stellen. De opzieners der magazijnen moesten geregelde troepen doen aanrukken, die met bajonet en sabel op hun eigene kameraden aanvielen en hen terugdreven. Daar dit echter niet dadelijk gelukte en ieder den hongerdood vreeselijker vond dan die door de wapenen, zoo werd er vuur onder den dichtsten hoopgegeven. Thans stoof hij uiteen, doch liet den grond met bloedende lijken bezaaid.Door zulk een ijzingwekkendgewoelmoest Boleslaw zich baan maken; hij deed het met kracht, doch tegelijk met een diep smartelijk gevoel. Er waren er echter zoovelen, die recht op de levensmiddelen hadden, dat er verscheiden uren in strijd en gedrang verstreken, eer hij de zijne kon ontvangen. Zijne manschappen gehoorzaamden hem nog en droegen het ontvangene, zonder het aan te raken, naar hunne kameraden, om het met hen te deelen. Doch dit was niet gemakkelijk.Man aan man gesloten, met de overgehaalde pistool in de hand, moest Boleslaw hen door de joelende, vloekende, huilende en kermende menigte geleiden en zich tegen deze, als tegen eene rooverbende, verdedigen. Slechts met moeite gelukte het hem eindelijk tot in het kwartier van Rasinski te komen.Jaromir was gelukkiger geweest dan hij, want bij het ontvangen der fourage had zulk een gedrang niet plaats gehad.Toen Boleslaw aan Rasinski rapport deed, schudde deze het hoofd en zeide: „Dat zijn bedenkelijke teekenen! Wij zullen hier niet lang kunnen blijven, want wij moeten zoo spoedig mogelijk de grenzen van Rusland trachten te bereiken. Bij een zoo volslagen gebrek aan tucht en orde zoude een ernstige aanval ons verderf zijn. Ik heb Bernard en Lodewijk tot het ontvangen van ammunitie uitgezonden; daar waren slechts van weinige regimenten manschappen geweest. Wanneer de soldaat reeds niet meer aan zijne verdediging denkt, wat zal daaruit voortkomen? Ja, zelfs tot het ontvangen der soldij is geen derde gedeelte opgekomen, ofschoon alle regimenten gewaarschuwd waren.”„Laat deze ééne dag van volkomen afmatting en verslagenheid maar voorbij zijn,” antwoordde Boleslaw, „dan zullen de orde en de gehoorzaamheid wel terugkeeren. De ijselijkheden van den marsch, de honger en de koude hebben de manschappen nog geheel en al bedwelmd. Hebben wij zelfs niet alle krachten moeten inspannen, om den moed niet geheel te verliezen; en hoeveel beter is het ons niet gegaan dan de overigen! Door uwe voorzorg zijn onze manschappen goed gekleed; zij hebben ten minste goede laarzen en mantels. Ook is er altijd nog iets voor hen te eten geweest. Maar zie eens naar de anderen! Met lompen bedekt, met gescheurde schoenen, moesten zij de schrikkelijke nachten onder den blooten hemel doorbrengen, zich den ganschen dag door de sneeuw heenwerken. Wanneer de rampen zoo hoog stijgen, dat in de straf der ongehoorzaamheid geen schrik meer ligt, dan laat zich de tucht niet meer bewaren.”„Maar hetverderfligt er in,” sprak Rasinski met nadruk, „het verderf van het geheel en van een ieder in het bijzonder. Dat zien de razenden niet in. Gevaar en nood zouden voor allen de helft minder zijn, wanneer niemand uit eigenbelang er zich aan zocht te onttrekken. Van twintig of honderd gelukt het aan één, de overigen gaan des te spoediger verloren.”„Laat hun slechts twee dagen tijd, om te bekomen, dan zullen zij weder vatbaar zijn voor verstandigen raad en tot gehoorzaamheid terugkeeren!”„Maar is het dan nog tijd? Hebben zij niet reeds hunne wapenen weggeworpen? Zijn zij voor de overigen niet reeds een ballast geworden, zonder zelven iets ter hulpe bij te dragen?—De keizer moet buiten zich zelf raken op dat gezicht.”Jaromir, Bernard en Lodewijk traden binnen. Zij kwamen uit de stallen, waar alle paarden goed verzorgd waren.„Het is het eerste behoorlijke voeder, dat onze beesten krijgen, sinds wij Moskou verlaten hebben,” zeide Jaromir. „Dat wil zeggen, onder behoorlijk voeder versta ikhalf stroo, half haver en nauwelijks het derde part van een gewoon rantsoen. Doch men ziet, hoe de dieren er zich aan te goed doen!”„Geeft hun om 's hemels wil geen volle maat! Nauwelijks morgen of overmorgen zullen zij het kunnen verdragen,” merkte Rasinski aan.„Wees onbezorgd,” hernam Jaromir,„ik heb zelf overal mijn oog laten gaan.”„Goed,” antwoordde Rasinski; „doch laat ons nu aan ons zelven denken. Het is de eerste maaltijd, dien wij sinds langen tijd onder dak zittende en in vertrouwelijk gesprek zullen nuttigen.”Rasinski had alle nog overige officieren bij zich in de tamelijk bewoonbare kamer genoodigd. Het was de eerste maal, dat hij een klein voorrecht boven zijne makkers genoot 't welk zij hem nog met geweld hadden opgedrongen. Hij meende het ditmaal te mogen aannemen, wijl het zijn manschappen naar tijdsomstandigheden goed ging. Daarom veroorloofde hij zich ook met zijne vrienden het genot van ééne flesch wijn; de keizer had uit zijn eigen kelder ieder regiments-kommandant twee flesschen laten uitreiken.—„Laat ons,” zeide Rasinski, „de andere bewaren, tot wij die dringender noodig hebben.”Na den maaltijd sloot de vermoeienis allen de oogen, en zij genoten de kostelijke verkwikking van den slaap zonder ieder oogenblik door de pijn hunner leden, die van koude verstijfden, of door de vlam van het wachtvuur verschroeiden, uit de dommelige verdooving opgewekt te worden, die hen op het bivak in plaats van eene lichte sluimering beving.HOOFDSTUK IX.Het was klaar dag, toen zij ontwaakten, en misschien hadden zij nog langer geslapen, zoo de honger hen niet gewekt had. Gelukkig konden zij dien ditmaal bevredigen.Rasinski ging uit, ten einde te beproeven, of het mogelijk was, zijn ruiters eenigen voorraad van levensmiddelen te verschaffen, opdat zij voor de naaste marschen gedekt mochten zijn.Terwijl hij afwezig was, kwamRegnarden verhaalde, dat een te Parijs in hechtenis genomen generaalMalletbeproefd had oproer te stichten en de afzetting des keizers te bewerken. De nieuwe regeering had zekerlijk maar eenige uren bestaan, maar de tijding had evenwel een diepen indruk op den keizer gemaakt, die tegen graafDarugezegd zou hebben: „Hoe nu, wanneer wij eens in Moskou gebleven waren?”„Zijn die tijdingen nu gekomen?” vroeg Bernard.„Reeds bijDogorobuyeontving de keizer dedepêches,” vervolgdeRegnard; „hij rekende het evenwel noodig ze geheim te houden. Ook van de achterhoede moeten slechte berichten gekomen zijn. Bij Wiasma heeft een hevig gevecht plaats gehad, waarbij wij veel volk verloren hebben. PrinsBeauharnaisheeft aan de rivier Wop, die buitengewoon hoog was, waardoor hij haar niet spoedig genoeg kon overkomen, zijne halve artillerie en alle bagage moeten achterlaten. Bij geluk is zij echter den kozakken niet in handen gevallen, want zij is tegelijk met de kruitwagens in de lucht gevlogen. Intusschen moet de achterhoede schrikkelijk geteisterd zijn, als wij bedenken, hoeveel menschen wij alleen door honger en koude verloren hebben! Diena ons komen, vinden nog minder dan wij en hebben daarenboven met den vijand te doen.”Jaromir had zich stil verwijderd, terwijlRegnardvertelde; bij de groote ellende, welke thans heerschte, was hem het lot vanAlisetteniet onverschillig. Hij gevoelde medelijden met de ongelukkige, wier lichtzinnigheid zoo streng kon gestraft worden. Gaarne had hij naar haar gevraagd, doch hij kon de woorden niet over zijne lippen krijgen. Daarom verliet hij het vertrek liever en ging de straat op.In de laatste dagen had de bovenmatige inspanning hem met geweld weerhouden, zich met zijne droefheid bezig te houden. Nauwelijks echter was er nu een oogenblik rust, of ook deze inwendige vijand vertoonde zich weder. Briefwisseling met Warschau was thans onmogelijk geworden; hij wist dus niet zeker, of de brief, dien Rasinski op zich genomen had te bezorgen, was overgekomen, dan of de onteerende beschuldiging nog op Lodoiska rustte, zonder door zijne zelfveroordeeling ingetrokken en vernietigd te zijn. Dit laatste denkbeeld kwelde hem met onverbiddelijke hardheid. Schuldig te zijn in de oogen zijner geliefde, dat had hij leeren verdragen; maar bij haar voor een onwaardige, een verachtelijk wezen te moeten doorgaan, wiens ruw gevoel het heiligdom van haar hart moedwillig schond en die na het eerste oogenblik van woeste hartstochtelijkheid niet tot zijne bezinning terugkeerde—dat boog hem zoo diep neder, dat hij den moed niet in zich vond, om deze smart te dragen. En wanneer nu—wat thans, door den schrikkelijken rampspoed, die het leger trof, mogelijk werd—wanneer nu de dood hem en Rasinski wegnam, en ook de overigen, die zijne schuld en zijn besluit, om haar te verzoenen, kenden, omkwamen en geen van hen den sluier van de rampzalige waarheid konden wegnemen! Wanneer hij den smaak en de verguizing, welke zijne verdenking meedoogenloos op zijne geliefde had geworpen, niet meer kon terugnemen! Wanneer deze verpletterende last des bewustzijns hem tot in de eeuwigheid vervolgde!Als hij aan de mogelijkheid hiervan dacht, werd hij duizelig, en was het hem of hij aan den steilen rand eens afgronds stond; zijne gedachten verwarden zich en hij had al zijne mannelijke kracht noodig, om zich niet aan dien afgrond over te geven. Maar eene tooverkracht dwong hem voortdurend zijn oog weder in deze gruwelijke diepte der toekomst te slaan. Hij gevoelde, dat men de macht over zijne gedachten kon verliezen; de mogelijkheid van waanzinnig te worden vervulde hem met huivering. Hij zagRegnardweder gaan; zijne lange, schrale, beenige gedaante, zijne scherpe, zelfs door de vermoeienissen dezes tijds bijna niet veranderde trekken, boezemden hem thans een afkeer in, die naar vrees geleek. Hij geloofde in hem zijn boozen geest te zien, en wendde dus spoedig zijne schreden naar een anderen kant, teneinde hem niet tegen te komen.Spoedig naRegnardkwamen Bernard en Lodewijk op de straat. Zij waren thans weder kenbaar geworden, daar zij sinds den terugtocht van Malo Jaroslawez voor het eerst in de mogelijkheid geweest waren, zich te verkleeden en behoorlijk te reinigen.„Waarachtig,” zeide Bernard in het naar buiten treden, „thans zien wij er als heeren uit. Nu u de baard niet meer als een stoppelveld van een duim lang om de kin zit, lijkt gij weer een Adonis. Maar er is hier helaas niemand, waarop men verlieven kan.”„Al weder lichtzinnige gedachten!” zeide Lodewijk glimlachend. „Maar het is inderdaad zelfs in den grootsten nood iets waard, zich zelf niet tot ergernis te zijn. Thans eerst gevoel ik mij recht wel.”„Over het geheel ziet men,” antwoordde Bernard, „dat slagen aan menschen zoowel als aan honden goed bekomen; want de omstandigheden, waarin wij ons heden bevinden, zijn toch eigenlijk lang zoo slecht niet. Als men onder de zweep niet dood bloedt, is hij een gezonde aderlating.”„Hoe gelukkig, dat gij in zoo weinig uren toch alles vergeten kunt!” zuchtte Lodewijk. „Ik zie het verledene te donker en de toekomst te dreigend bewolkt, om mij over het tegenwoordige te kunnen verheugen.”„De toekomst, mijn waarde, zal zoo erg niet zijn, want wij zijn thans op het ergste gevat. Wanneer men de dingen weet, die daar komen zullen, beschouwt men het onheil geheel anders, dan wanneer men er uit den hemel zijner droomen zoo midden invalt. Een onverwachte duw werpt mij neder; maar heb ik tijd, om recht op mijne beenen te gaan staan, dan kan ik driemaal meer tegenstand bieden. Doch laat ons nu zien, of wij schoenen kunnen oploopen. Wij moeten de hospitalen doorzoeken en beproeven, of hier en daar wat te erven valt. Ik zoude Rasinski dien dienst gaarne doen.”Deze had hun namelijk opgedragen om te beproeven, of zich voor de manschappen, wier schoenen door de marschen geheel versleten waren, ook nieuwe lieten opsporen. Zij gingen; meer het toeval dan een vast plan volgende, namen zij hun weg naar de benedenstad, waar zich de hospitalen der reserve-armee bevonden. Voor een groot, half vervallen, maar toch tot bewoning ingericht gebouw zagen zij twee mannen staan in dikke pelzen gewikkeld en met bonte mutsen op het hoofd. Zij deelden bevelen aan verscheidene anderen uit, wier uniform aanduidde, dat zij tot het personeel der administratie behoorden.„Zeker een paar van de schoften, die ons laten verhongeren en bevriezen,” riep Bernard met afkeer uit, „en in hunne pelzen spotachtig toezien, wanneer de soldaat, door de koude gepijnigd, tranen vergiet. Een moeders kindje, denken zij dan. Maar ik wilde hun slechts eenmaal laten bivakeeren, als daar bij Dogorobuye.”„Misschien was er echter juist bij deze lieden wel iets uit te richten,” hernam Lodewijk. „Laten wij hen naderen en zien, of wij iets bekomen kunnen.”„Voor mijn part ook goed! maar ik beken u gulweg, dat ik liever met een kozak te doen heb, die toch ronduit zegt, dat hij mij plunderen en als het noodig is doodslaan wil, dan met die vergiftige kruisspinnen, die zich vet mesten met het merg der hongerende soldaten.—Maar wat helpt het? Welaan dan, vooruit!”Zij traden op de beide mannen, die met den rug naar hen toegekeerd stonden toe; toen deze de voetstappen en den groet der aankomenden hoorden, keerden zij zich om. Eene wederkeerige verbazing was zoowel in de trekken van Lodewijk en Bernard, als op die der beide vreemden te lezen.„Zien wij elkander hier weder?” begon na eenige oogenblikken de jongste der beide vreemdelingen, terwijl hij den mond tot een hatelijken lach vertrok. Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, toen Lodewijk met een gevoel, als ware hij in de spleet eens gletschers gestort,Beaucaireen in diens ouderen metgezelSt. Lucesherkende.„Gendarmes!” riepBeaucaire, eer Lodewijk een woord spreken, veelmin een besluit nemen kon, „neemt dadelijk deze beiden in arrest en werpt hen in de gevangenis; het zijn verraders, die zich aan Rusland verkocht hebben!”Eerst door deze woorden bemerkte Bernard, wie hij voor zich had, want hij hadBeaucairein Dresden slechts eenige oogenblikken op straat gesproken en, hoe vast de wezenstrekken hem ook uit vroegere herinneringen ingeprent waren, toch had het vreemdsoortigeder kleeding zijn anders zoo getrouw geheugen een oogenblik in twijfel gelaten. Thans maakte eene onberaden, maar onbetoombare woede zich van hem meester.„Dat liegt gij, ellendige schurk!” riep hij met vreeselijke stem, sprong eene schrede achteruit en trok zijne sabel. „Wie mij te na komt, dien kloof ik den kop!”Lodewijk, die even spoedig bemerkte, dat hier eene moedige handelwijze alleen kon redden, stiet met alle krachten den gendarme, die hem bij den arm wilde grijpen, terug, zoodat deze in de sneeuw viel, en in hetzelfde oogenblik flikkerde ook in zijne hand de sabel.In de buurt waren soldaten. „Kameraden, helpt, helpt!” riep Bernard luid. „Deze schurken, die ons laten verhongeren, willen ons nu nog mishandelen en vermoorden. Hier heen, helpt!”Doch, zooals het immer in het vuur van den hartstocht gebeurt, riep hij deze woorden niet in het fransch, maar in zijne moedertaal. Deels werden zij dus niet verstaan, deels gaven zij dadelijk te kennen, dat hij een vreemdeling was, op welke, sinds zoovele schrikkelijke ongelukken het leger getroffen hadden, de haat der Franschen zich reeds lang gericht had. Zij geloofden, en niet geheel en al ten onrechte, dat alle, maar vooral de duitsche bondgenooten zich in stilte over het ongeluk des keizers en de armee verheugden.St. Luces, afgericht om van elkegelegenheidpartij te trekken, riep daarom insgelijks: „Ce sont des traites Allemands, des espions soldés par la Russie!”Deze woorden moesten beter werken. De Franschen, die in hunne tegenwoordige stemming licht te verbitteren waren, drongen op de hun zoo aangeduide offers aan, om hen neer te sabelen. Bernard wilde zich niet overgeven, doch Lodewijk hield zijn arm vast en riep: „Verdedig u niet! Wij konden hier een ongeluk begaan. Men moet ons vonnis en recht verschaffen; Rasinski zal ons niet verlaten; wij beroepen ons op hem.”—Bernard stampte ongeduldig met den voet en knarste op zijne tanden.„Wij zijn uwe gevangenen, mijnheer,” keerde Lodewijk zich totSt. Luces; „wij zullen om verhoor en vonnis vragen, opdat deze ongegronde aanklacht eindelijk een einde hebbe. Wij zijn soldaten van het poolsche leger, overste Rasinski is onze kommandant. Hij zal ons weten te verdedigen; ik eisch, dat gij hem onze gevangenneming dadelijk meldt.”De gendarmes namen hun de sabels af, en op bevel vanSt. Luceswerden zij beiden dadelijk in het huis binnengeleid. De onderofficier wilde hen in de wachtkamer nevens de poort brengen, waar de magazijnwacht zich bevond, dochBeaucaireriep: „Neen! deze misdadigers hebben het leven verbeurd. Zij moeten in eene zekere gevangenis gebracht worden. Sluit hen in een der kelders op, die aan de gracht uitkomen.”„Lodewijk, Lodewijk,” zeide Bernard onder het gaan, „ik vrees, gij hebt niet goed gedaan met niet op onze wapens en op de vlucht te vertrouwen. Wie weet, of deze schurken Rasinski niet onderrichten als het te laat is.”Lodewijk scheen getroffen door de waarheid dezer woorden. In den eersten ijver kon zijn edelmoedig hart zelfs van een vijand alsBeaucaireniet zulk een graad van boosheid verwachten; hij had daarom tegen hem gehandeld, zooals hij tegen een man van eer moest handelen. Thans viel hem in, dat misschien niemand meer dan dezeBeaucairevoor het daglicht bij deze geschiedenis moest vreezen; hij dacht aan wat deze zijne zuster had durven voorslaan, en het werd hem duidelijk, dat deze graad van slechtheid alleen in de gemeenste wraak genoegdoening kon vinden. Daar wierp hij een blik op den sergeant der gendarmerie, die met drie man hem wegleidde. Deze droeg het legioen van eer, had twee litteekens op het gelaat en een oog, waaruit een edel hart sprak.„Gij zijt soldaat,” aldus sprak hij hem aan; „gij zult een kameraad geen verzoek afslaan.”„Behalve een, dat mijn plicht mij verbiedt,” hernam de sergeant ernstig.„Wij zijn onschuldig. Wij vallen als offers eener helsche wraak. Wanneer graaf Rasinski, onze chef, geen bericht van onze gevangenneming krijgt, zijn wij onvermijdelijk verloren. Beloof mij op uw woord, hem die te melden.”„Wanneer mijne orders er niet mede strijden, zeer gaarne.”„Hij zal het u rijkelijk vergelden! Neem mijn dank vooruit,” riep Lodewijk vroolijk en wilde den sergeant zijne gansche beurs in de hand drukken.Doch deze trad terug en antwoordde: „Geen omkooping; ik zal mijn plicht als soldaat en kameraad doen. Doch weg met uw geld! Wat zou dat ons hier helpen? Van dat tuig hebben wij genoeg.”„Gij zijt een brave kerel; zoo neem ten minste een handdruk voor uw goeden wil.”De sergeant reikte hem zwijgend de hand, met een welwillenden blik vergezeld. „Hier zijn wij aan ons doel,” zeide hij en opende eene met ijzer beslagen deur, van welke omtrent twintig trappen naar beneden voerden. Dan wendde men zich in een gang rechts, eene tweede deur ging open en Lodewijk en Bernard betraden met eene inwendige rilling de gevangenis, die zich dadelijk achter hen sloot.Het was een vochtig, koud gewelf, waarin slechts eene, door een ijzeren kruis gesloten, ronde opening, nauwelijks van de grootte van een menschenhoofd, een spaarzaam licht wierp.„Een vervloekt gat,” bromde Bernard binnensmonds; „en koud als een ijskelder, en nog vochtig daarenboven! Zie maar, hoe op alle muren de salpeter vingerdik is uitgeslagen!—Welk een hatelijke muffe reuk!” Tastend ging hij rond.„Zou men ons hier inderdaad op de koude steenen laten liggen? Er is geen spoor van een leger te vinden.—Een geluk, dat wij onze mantels om hebben, anders konden wij, eer de zon ondergaat, hier dood vriezen.”„Ik hoop, wij zullen onze vrijheid nog vroeger erlangen,” zeide Lodewijk op een toon, waarin hij de uitdrukking van troostend vertrouwen zocht te leggen. „O Bernard! deze gevangenis schijnt mij niet zoo vreeselijk! Maar de gedachte, dat ik u, den onschuldige, in dezen geheelen maalstroom van mijn ongelukkig noodlot heb medegesleept, alleen omdat gij mij liefderijk uwe hand reikt, om mij te helpen....”„Om u met lompe, ezelachtige domheid geheel en al er in te stooten, terwijl gij zonder mijne ongeroepen dwaasheid waarschijnlijk nu aan wal waart,” viel Bernard hem bijna wild in de rede. „Wees geen kind, Lodewijk,” voer hij bedaarder voort. „Wilt gij u eindelijk daarover nog beschuldigen, dat gij de sterren van ons noodlot niet aan een draad kunt regeeren? Wilt gij van nu tot in alle eeuwigheid verantwoordelijk zijn voor al, wat mij overkomt? En toch knoopt zich slechts de eene oorzaak aan de andere, en wanneer ik over vijftig jaren aan een stikhoest sterf, zoo kunt gij mij bewijzen, dat dit daarvan komt, dat gij in 1812 op denSimplonuw plicht hebt gedaan jegens eene schoone smeekende ongelukkige.”Lodewijk zag somber voor zich en zweeg.„Sluit die vervloekte rekening toch eenmaal af,” voer Bernard voort.„Eindelijk kon het geluk mij nog meêloopen, en ik moest dan eeuwig dankbaar jegens u zijn en zou geen glas wijn meer durven drinken, zonder mij tegen u te buigen en te zeggen: Ziet gij, was ik toen niet met u naar Rusland gegaan, dan had ik niet met u terug kunnen keeren, en was ik niet teruggekeerd, dan had ik het hoogste lot niet getrokken, enhad ik dat niet getrokken, dan had ik de prinses niet kunnen trouwen, en had ik die niet getrouwd, dan zat ik hier nu niet in mijne prachtzaal en—kortom, ik zal u eene keten van oorzaken en uitwerkingen maken, die van den eersten dag der schepping tot aan het jongste gericht zal reiken.”„Uwe vriendschappelijke omkleedsels zullen mij de waarheid niet doen miskennen,” hernam Lodewijk bewogen. „Ik zie de muren van dezen kerker en meet den afstand van hier naar het vaderland—en ikweetniet, maar ikgevoel, wat en wie u hier heeft gebracht.”„Ikgevoelhet niet, maar ikweet, datikuhier heen gesleept heb met mijne domheden in Dresden! Maar gij verlangt misschien, dat ik u stilletjes in den wolfskuil had laten liggen en mij weg gepakt had, nadat ik er u eerst had ingesmeten? Duivels! nu merk ik het! Zoo ik geen lam was, kon ik woedend daarover worden. Zie ik de zaak wel in, dan wilt gij mij op eene fijne, maar des te kwaadaardiger wijze slechts verwijten doen. Doch vergeefs, mijn goede man! Mijn geweten is een krokodilsvel, eene rhinoceroshuid; ik zeg u, het is met eiken planken beslagen en schot- en vuurvrij daarenboven. Gelooft gij, dat ik voor alle zondaars verantwoord wil zijn, die onverwachts en zonder biecht naar de hel gaan, wijl zij door de steenen, waarop mijn voet onvoorzichtig of ongelukkig struikelde, verpletterd werden. Evenmin als ik 't, eene domme streek begaande, onzen aartsvader Adam wijt, dat zijn appelbeet mij de gewetensknaging heeft berokkend, welke ik namelijk gevoelen moest!—Maar ik wou wel, dat wij een goed vuur en eene kanapé met paardenhaar gevuld hadden; want het staan valt mij zoo zwaar, ofschoon ik van nacht goed geslapen heb.—Ziet gij, dat is toch een waar geluk, dat wij uitgerust en half verzadigd in deze russische spekkamer gekomen zijn. Had de schelm ons gisteren opgepakt, zoo ware dit van daag ons deftig grafgewelf, zoo snel zouden honger en koude ons stil gemaakt hebben.”„Gij zijt zoo goed! Van alles ziet gij de heldere zijde!” antwoordde Lodewijk bewogen. „Hebt gij dan niet bedacht, dat wij juist heden slechts kenbaar konden zijn? Wie had ons gisteren met die lange stoppelbaarden, dat ongekamde haar en dat zwarte, vuile vel herkend?—Zoo wordt, wat voor een uur ons een geluk toescheen, thans een middel tot ons verderf.”„En wie zegt u dat?—Kan het in dit eene uur zoo verkeeren, waarom dan in het volgende niet nogmaals? Moed, moed, Lodewijk! De muil des doods staat lang open, eer hij ons opsnapt; hij heeft ons in dit laatste vierendeel jaars dikwijls genoeg de tanden laten zien; hij zal ons heden niet bang maken.”„Ik sidder niet,” zeide Lodewijk met waardigheid, „want ik durf mijne rechters, zooals ik ze niet gaarne noem, met een gerust geweten onder de oogen treden. Maar eene diepe droefheid moet mij vervullen, wanneer ik zie, hoe een rampzalige vloek op mij rust en ook hen mee ter nederdrukt, die het innigst aan mij verbonden zijn. U en Maria, en wie weet....”„Orestes,” viel hem Bernard in de rede. „Dan laat mij uw Pylades zijn.” Hij trok hem tot zich en omarmde hem hartelijk.HOOFDSTUK X.Een uur, nog een tweede uur verliep; zij wachtten te vergeefs, dat men hen tot het verhoor zoude afhalen. De koude in het dompige gewelf scheen ieder uur toe te nemen. De muren waren rondom met fijne ijskristallen bezet en de grond lag zelfs hier en daar vol sneeuw, zooals de wind ze door het venster had ingewaaid. Juist verhief hij zich weder en huilde vreeselijk door het gewelf. De vermoeidheid dwong de gevangenen, zich op den ijskouden, steenen vloer neer te leggen, doch de koude joeg hen spoedig weder op. Slechts in de afwisseling tusschen gaan en liggen vonden zij de mogelijkheid, zich tegen verstijven te behoeden. Handen en voeten waren hun reeds verkleumd. Het begon donker te worden; de zon moest ondergaan. Lodewijk werd van oogenblik tot oogenblik ongeruster; Bernard floot zich de ergernis en den kommer weg.„Ik vrees,” begon eindelijk Lodewijk, „Rasinski weet niet, wat van ons geworden is. Anders moesten wij reeds tijding van hem hebben.”„De tijd valt iemand lang in zulk eene kooi.—Wij zijn eerst een paar uren hier. Wie weet, welke langwijlige procedures noodig zijn, eer hij tot ons komen kan.—Ach, zoo 'k een vogel waar!”Lodewijk zweeg.„Daar valt mij iets in”, riep Bernard op eens. „Toen de door hetDirectoiretot deportatie veroordeelde Terroristen naar Amerika gebracht werden—ik geloofCollet d'Herboisook, die slechte acteur, die echter de rol van tyran dragelijk gespeeld heeft—gaf men hun, om hen aan de magere keuken der verpeste woestijnen vanGuyanate wennen, slechts magere scheepskost. Daar begonnen de kerels te brullen, en zij schreeuwden, tot hunne kelen droog werden: „Honger, honger!” Eindelijk begon dat den kapitein te vervelen en hij beval: „Geeft den honden te vreten, opdat zij met huilen uitscheiden.”—Zoo kunnen wij hier ook doen en op de deur donderen, tot zich iemand om ons bekommert.”Daarbij deed hij een woesten trap tegen de gesloten deur, zoodat de klank in het geheele gewelf dof naklonk. Doch hij viel tuimelend achteruit, zoodat Lodewijk moest toespringen, om te maken, dat hij niet nederstortte.„Vervloekt!” riep hij, terwijl hij zijne tanden samenkneep, „ik dacht niet aan die duivelsche pijn in de verkleumde voeten. Dat was een gevoel, alsof ik tusschen den hamer en het aanbeeld was geraakt.—Doch het gaat mij naar verdienste.—Geduld, geduld! beveelt de leer der liefde, en ik wilde kwaadaardig op mijn lot razen. Gij moet mij een beetje ondersteunen, want de pijn is mij tot in den rug doorgetrokken!” Hij steunde op Lodewijks schouder en trok den pijnlijken voet krampachtig naar zich toe.Daar rammelden de grendels der buitenpoort en men kwam de trappen af.„Nu, het heeft tenminste geholpen!” zeide Bernard. „Nu doet het mij geen pijn meer.”Vol verwachting hielden beiden de blikken op de deur gericht, welke, zoo zij hoopten, zich tot hunne bevrijding zou openen. De sergeant trad met zijne manschappen binnen.„Ik heb bevel u in het verhoor te brengen,” zeide hij ernstig; „volgt mij.”Door de soldaten vergezeld verlieten zij de gevangenis. Zij werden over het plein gevoerd. „Hebt gij aan mijn verzoek voldaan?” vroeg Lodewijk densergeanthalf overluid.Doch deze wees hem met één stom gebaar, dat hij zwijgen moest.Thans begon Lodewijk te vreezen, dat zijne rechtvaardige zaak toch wel een slecht einde kon nemen. Rasinski kon niet onderricht zijn, anders zou hij pogingen gedaan hebben, om hem te bevrijden. De keizer was in de stad; zonder twijfel zoude hij zich tot dezen zelf gewend hebben. Met deze gedachte vervuld, volgde Lodewijk werktuigelijk zijn vooruitgaanden leidsman de trap in het voorhuis op, waar men hem en Bernard in een groot verwulfd vertrek bracht. Op eene tafel aan het eind brandde licht. In het eerste oogenblik verloren de binnentredenden bijna hun bewustzijn, want de kamer was heet gestookt, en daar zij bijna bevroren waren, werkte de plotselinge warmte zoo hevig op hen. De sergeant merkte het; hij beval hun zich op eene bank neder te zetten, die in den muur was aangebracht, en daar te blijven tot hij terugkeerde. Hij liet de drie man bij hen tot wacht en ging in eene andere kamer.„Hebt gij niet een stuk brood, kameraden?” vroeg Bernard; „wij vallen bijna flauw van den honger.Ik wil het u goed betalen!”Na eenig dralen kreeg een der manschappen een stuk zwart brood uit zijn zak, brak het door en reikte Bernard de helft toe.„Neem! Maar meer kan ik u niet geven. Dat is al wat ik bezit, en wie weet, of wij morgen weer iets krijgen.”Bernard wilde hem een goudstuk geven.„Ik ben onder de wapens,” hernam de soldaat, „ik mag geen geld aannemen. Behoud het.”In dit oogenblik trad de sergeant weder binnen. Hij zag Bernard, die juist het brood met Lodewijk deelde, aan en vroeg: „Van wien hebt gij dat brood?”„Van mij,” zeide de soldaat bedaard, en trad met geschouderd geweer vooruit.„Gij zijt braaf,Cottin! maar gij hebt niet goed gedaan. Ik wil het maar niet gezien hebben.—Gij blijft als schildwacht buiten voor de deur staan; gij overigen treedt af en gaat beneden in de wachtkamer.”De soldaten verlieten het vertrek.„Ik heb aan uw verzoek niet kunnen voldoen,” sprak de sergeant thans Lodewijk aan; „want de graaf Rasinski had order bekomen, met zijn poolsche lanciers dadelijk naar het corps van den maarschalkNeyop te rukken. Hij was reeds twee uur weg, toen ik hem opzocht.”Deze tijding trof beiden als een verpletterende slag. Lodewijk verbleekte en zag Bernard aan; zelfs deze had zijn bedaardheid verloren. Intusschen werd er in de andere kamer gescheld.„Ik moet u binnen brengen,” zeide de sergeant tot Lodewijk; „gij zult het eerst verhoord worden.”„Bernard!” zoo richtte deze zich tot zijn vriend; „gij kunt u zelf redden; beloof mij, dat gij het doen zult. Word ik hier het offer van de wraak eens ellendelings, zoo bedenk, dat gij de broeder mijner Maria moet zijn. Ik sterf gerust, wanneer ik weet dat gij gered zijt.”„Het hoofd niet laten hangen, mijn vriend!” hernam Bernard, zonder Lodewijks rechterhand, welke deze toereikte, aan te nemen. „Wie wil u veroordeelen? Geef hun geen enkel woord toe.”„Ik zal de waarheid, de volle waarheid spreken,” riep Lodewijk met vastheid, „tegen deze ellendigen, ben ik te trotsch, om ook maar de kleinste leugen te gebruiken. Maar beloof mij.....”„Antwoord dan in het geheel niet; vorder het bewijs hunner rechterlijke macht.”„Beloof mij....” viel Lodewijk hem dringend in de rede.„Voort, voort,” riep de sergeant, „wij mogen niet toeven.”„O Bernard!” riep Lodewijk smartelijk uit, want hij verstond hem maar al te wel. „O, Bernard!—Nu, welaan dan! Mijn lijden heeft het hoogste toppunt bereikt; ik kan niets meer verliezen, dan eer en moed, en die zal geen noodlot mij ontrooven.”Met deze woorden trad hij, zich ras en moedig losrukkende, met herstelde mannenkracht door de zaal.Bernard bleef alleen. Hij hield het nog ongenoten brood in de hand.—„Kwaadheid bederft den honger,” bromde hij voor zich heen. „Men kan echter door nog erger zuren gebeten worden; er zijn dingen, welke den geeuwhonger verjagen; maar die moeten bitterder zijn dan gal! Thans heb ik geen honger meer, maar ik wil u toch opeten, gij hard brood des medelijdens! De maag mocht bij slot van rekening baas over ons worden, en nu moeten hoofd en hart het zijn. Ik ben niet slaperig; maar ik wil ook slapen op deze bank, opdat doodelijke vermoeidheid mij mijne leden niet verlamme, waar zij vast moeten zijn als staal.”Hij legde zich rechtuit op de bank om te slapen; doch had te veel op zijn vasten wil vertrouwd. Zwaarder toch dan de last der vermoeidheid lagen de zorgen op zijne ziel. Tot zijn geluk duurde de beproeving niet lang, want na nauwelijks een kwartier verscheen de sergeant om ook hem af te halen.„Wat is met mijn vriend gebeurd?” vroeg hij haastig.„Ik weet het niet,” was het antwoord; en in de blikken van den strengen soldaat was het te lezen, dat hij niets zou geantwoord hebben, al had hij het ook geweten.Met een trotschen blik trad Bernard binnen. Aan eene lange tafel zatenSt. LucesenBeaucaire; twee jongere lieden waren tegenover hen druk bezig met schrijven.„Wij kennen elkander, geloof ik?” vroegSt. Luces, terwijl hij Bernard scherp aanzag.„Mogelijk,” hernam deze; „ik weet echter niet, hoe ik aan die eer zoude komen.” De minachtende toon, waarop hij dit zeide, gaf het eene juist omgekeerde beteekenis.„Ben ik misschien zoo gelukkig?” vroegBeaucairemet een honenden glimlach.„Ja, mijnheer! Ik heb u inPillnitzen in Dresden gezien; misschien ook reeds vroeger ergens, want gij hebt zekere physionomische kenteekenen, die iemand lang in het geheugen blijven.”„Zoo? Zeer vleiend! Misschien is u ook dit gelaat niet geheel onbekend?” hernamBeaucaireen keerde een papier om, dat voor hem lag. Het was Bianca's portret dat in Lodewijks brieventasch, die men hem ontnomen had, gevonden was.„Ik heb dit geteekend!” zeide Bernard droog.„Ik geloof mij dit ook te herinneren,” hernamBeaucaire; „het zal te Londen in den schouwburg geweest zijn.”Deze woorden vielen als een lichtende bliksemstraal in Bernards boezem; hij zagBeaucairescherp aan, en op eens klaarde al het duister in zijne herinneringen op. Hij had dezen hatelijken mensch in dezelfde loge met Bianca zien zitten. Alle gewaarwordingen en donkere voorgevoelens zijner borst werden in beweging gebracht door de nabijzijnde mogelijkheid van iets naders over dat wezen te vernemen, dat eene zoo raadselachtige macht op het lot van Lodewijk en hemzelven uitoefende. Hij vergat de betrekking, waarin hij thans totBeaucairestond, en riep driftig: „Wie is deze dame? Gij moet haar kennen, want gij waart bij haar!—Ik kan nog andere vragen omtrentdien avond doen, maar niet aan u,” voer hij trotscher voort, terwijl hij zich het verzuimde duel herinnerde.Beaucairewendde zich met een duivelschen lach totSt. Luces; „ik moet bekennen, mijnheer, dat wij met knappe menschen te doen hebben. Deze heer speelt de rol van een onwetende met groote waarheid.”„Mijnheer!” stoof Bernard op.„Zwijg!” hernamBeaucaire, terwijl hij opeens een bevelenden toon aannam. „Meent gij, dat wij, als het ons niet tot andere oogmerken dienstig was, zulk een misdadiger als u ook slechts een oogenblik zulk een trotschen toon zouden vergund hebben?”Bernards oogen rolden hem woest in het hoofd; niet het honende bevel vanBeaucaire, maar zijn overkokende toorn beroofde hem voor een oogenblik van de spraak. Hij sloeg zijne oogen in het rond, of hij nergens een wapen kon ontdekken; gelukkig voor hem, dat zijn oog op geen voorwerp van dien aard viel, want hij zou dadelijk den spottenden schurkBeaucairedaarmede overhoop gestoken en zijn eigen leven daardoor opgeofferd hebben. Deze zag zijn verstommen voor vrees aan en voer voort:„Geef thans antwoord op de vragen, welke ik u zal voorleggen.—Hoe zijt gij bij de armee in dienst gekomen?”Bernards eerste woede was bekoeld; hij gevoelde, dat hij zich met verachting boven den nietswaardige moest verheffen. Dit kon hij niet beter doen, dan door het halsstarrig zwijgen in acht te nemen, dat hem even te voren was opgelegd.„Hoort gij mijne vraag niet? Hoe zijt gij bij de armee gekomen?”Bernard tastte naar een bij hem staanden stoel, rukte dien nader bij, zette zich zonder plichtplegingen daarop neder en begon, als ware hij alleen in de kamer, eencontre-danste fluiten.Beaucaireverbleekte van woede. „Sergeant”, riep hij naeenigeoogenblikken, „breng den arrestant naar zijne gevangenis terug.”Stiptelijk gehoorzamende, trad deze op Bernard toe en zeide hem, niet zonder eene zekere uitdrukking van eerbied, die zijn stoutmoedig gedrag hem afdwong: „Ik verzoek u, mij te volgen.”„Zeer gaarne, mijn brave kameraad,” antwoordde Bernard en ging methemnaar buiten, zonder door een groet of eenig ander teeken te verraden, dat hij hoegenaamd acht sloeg op de aanwezigheid der overigen.Beaucairebeval den beiden secretarissen af te treden; zij gingen; hij bleef metSt. Lucesalleen.„Een verwenscht geval!” zeide deze, terwijl hij opstond; „ik zie niet in, hoe wij bij die koppige Duitschers ook maar den schijn van een procesverbaal zullen bijeenbrengen, waarop zij veroordeeld kunnen worden. Uw hartstocht,Beaucaire, heeft ons in een doolhof van de onaangenaamste omstandigheden gebracht.”„Ik vertrouw, dat ik wel den uitgang zal vinden,” hernam deze koel en niet zonder een zekeren trots op de meerderheid van zijn eigen doorzicht.—„Wij hebben getuigen, dat de gevangene dit portret heeft erkend als door zijne hand geteekend. Deze omstandigheid, die mij zelf de zekerste overtuiging geeft, dat de beide aangeklaagden in eene nauwe betrekking tot Dolgorow hebben gestaan, zal voldoende zijn tot een rapport, dat ook den intendant-generaalovertuigt. Hoe? Wij zullen den een gelooven, wanneer hij ons eene avontuurlijke geschiedenis opdischt omtrent de wijze, waarop hij den graaf over de grenzen heeft geholpen? Men zou op zijne verzekering vertrouwen, dat hij hem te voren heel niet gekend en later nimmer meer gezien heeft, als hij hetportret van de dochter bij zich draagt? En de ander die mij te Dresden om den tuin wilde leiden, bekent het portret geteekend te hebben. En toch zouden beiden in geen de minste betrekking tot die russische familie staan? Als de brutale snaak zich niet schuldig gevoelde, waarom vluchtte hij dan tegelijk met den ander uit Dresden? Waarom vinden wij hen hier te zamen?—Wanneer ik daaruit geen verbaal opmaak, dat ten duidelijkste aantoont, hoe eene zeer vertrouwelijke, voortgezette, misschien nog in dit oogenblik bestaande verbintenis tusschen hen beiden en Dolgorow plaats moet hebben, dan wil ik mij te dom voor boerenpastoor laten verklaren. Gij en ik, die voor ons zelven de meest gegronde redenen moeten hebben, om aan beider mogelijke onschuld te gelooven, moeten thans onze meening opgeven, welke derde zou, ook maar met eenigen schijn, een tegenovergesteld gevoelen kunnen verdedigen? Laat mij twee uren tijd, ik sta u borg voor de toestemming van den intendant-generaal.”„Ga maar niet al te ver,” antwoorddeSt. Luceseen weinig bitter; „van eene nog voortdurende verbintenis willen wij althans niet reppen. Wie te veel bewijzen wil, bewijst bij slot van rekening niets.”„Mijnheer deSt. Luces,” hernamBeaucairegevoelig, „laat dat aan mij over. De omstandigheid, dat wij de beide lieden juist hier in Smolensko aantreffen, in welks nabijheid een gedeelte van Dolgorows goederen ligt, mag wel niet onvermeld blijven.”„Gij hebt mij zelf gezegd,” antwoorddeSt. Luces, „dat gij nooit op die goederen geweest zijt, ja de namen niet eens juist kent?”„Dat is waar,”viel hemBeaucairekoel in de reden; „maar mijne onkunde in dit opzicht laat zich genoegzaam daardoor rechtvaardigen, dat ik eerst in Londen in Dolgorows dienst trad en, daar ik hem alleen buitenslands vergezelde, zijne binnenlandsche betrekkingen het minst kon leeren kennen. Ook ben ik nooit zijn secretaris in zijne familie- en geldzaken geweest. Hoe onbepaalder mijne wetenschap in dit opzicht is, des te grooter wordt het veld der gissingen. Wist ik juist, waar en hoever Dolgorows slot van hier ligt dan durfde ik er niet op doelen, dat het dichtbij gelegen kan zijn, zoodat ons van daar verraad en overrompeling door verbintenis met de Russen in de stad kunnen bedreigen.”St. Lucesging verdrietig en onrustig heen en weder. „Ik weet niet,” hernam hij na eenige oogenblikken, „wat mij in deze zaak zoo tegen de borst stuit. Is het de fatale gelijkenis van dezen heer vanRosenop iemand, dien ik gekend heb en aan wien ik mij ongaarne herinnerd zie, of houdt mij iets anders terug. Ik vrees echter voor slechte gevolgen.”Beaucaireglimlachte. „Ik sta borg voor de beste. Graaf Rasinski kan ons geen kwaad meer doen; hij is weg—en ik geloof, dat wij niet veel van hem of zijn regiment zullen terugzien.”„De keizer acht hem zeer! Indien hij klaagde....”„Dan zou hij de gunst des keizers daardoor verbeuren. Of houdt gij het voor eene aanbeveling, dat de verdachten beiden in zijn regiment dienen? En bedenk hoe vertoornd de keizer op ons en onze confraters is, daar hij de magazijnen niet zoo vindt, als hij ze verwachtte. Ik hoor, hij heeft gisteren in de bovenstad een opziener van een magazijn willen doen doodschieten. Vindt hij tijd, om onze rekeningen en staten behoorlijk te onderzoeken, dan weet gij....”
Voor en in Dogorobuye betrok het leger na dezen vreeselijken dag het bivak. Met verlamde en verkleumde ledematen bereikten de krijgslieden de rustplaats; hunne kleederen waren doornat geweest en toen door de strenger geworden nachtvorst op het lichaam bevroren. Open geschuurd aan armen en beenen, werd hun iedere voetstap tot pijniging. En thans moesten zij eerst de moeielijke voorbereidingen tot het bivak maken, hout, stroo en voeder voor hunne paarden, levensmiddelen voor zich zelven bijeenbrengen. Door zijn aanzien en zijne onvermoeide werkzaamheid was het Rasinski wederom gelukt, een ellendig huis te bezetten, dat ten minste de helft zijner manschappen onder dak bracht. Hij zelf bleef in de open lucht. Door woorden en voorbeeld moedigde hij de vermoeiden aan, nog spoedig het geringere dagwerk te doen, hout te kappen, te koken, eene plek van de sneeuw te zuiveren tot eene legerstede. Doch met diepe smart zag hij, dat hem vijftien zijner manschappen ontbraken, die eerst, toen het volkomen duister was geworden, verloren waren geraakt. Nauwelijks mocht hij hopen, dat zij nog terecht zouden komen. Bovendien waren er op dien eenen dag drie en twintig paarden nedergevallen! Hoe moest dit eindigen! Doch hoe donker de toekomst voor Rasinski's blikken lag, des te machtiger ondervond hij de noodzakelijkheid, om het tegenwoordige een helder gelaat te vertoonen en het moedig tegen te treden, opdat zij, die bestemd waren, om hun moed uit den zijnen te putten, niet te vergeefs het oog op hem zouden richten. Hij sprak hun vriendelijk toe, troostte, vermaande tot orde en onversaagde werkzaamheid.
De vaste, geruststellende toon zijner woorden, hunne onloochenbare waarheid, het heldere voorhoofd, dat hij bewaarde, gaven de hoop zelfs aan den moedelooste weder.
Hij liet het echter niet bij woorden blijven, maar paarde daarmede daden en gaf zijne korte, bestemde bevelen. „Zuivert deze plaats hier van de sneeuw. Die aarden wal zal ons tegen den wind dekken. Daar ginder aan den hoek van dat bosch moet hout gekapt en bezems gebonden worden, om de sneeuw weg te vegen. Jaromir, neem twintig man en ontvang hooi en haver; bij het hoofdkwartier der cavalerie zal eene uitdeeling worden gedaan.—Gij, die te voet geloopen hebt, rust in dit huis uit, het zal u bergen, wel wat nauw, maar daarvoor zult gij elkander verwarmen.”
Deze bevelen werden stipt uitgevoerd. Slechts Lodewijk en Bernard snelden niet met de overigen naar de hut.
„Waarom legt gij u niet neer, mijne vrienden?” vroeg Rasinski dringend.
„Wij blijven bij u,” antwoorden beiden.
„Ontzeg ons deze aangename gewoonte niet,” voer Lodewijk voort; „uwe nabijheid,het vertrouwen op u geeft ons meer kracht dan dit dak. En wat gij dezen nacht kunt verduren, dat zal ons ook niet wegmaaien.”
Zoo wies de liefde, de trouw in den tijd van den nood. „Welaan dan, zooals gij wilt,” zeide Rasinski met aandoening; „doch gij zult dan altijd het hardste lot deelen, want gij weet, dat ik niets boven mijne manschappen vooruit wil of mag hebben.”
Reeds kwamen eenige manschappen met versch gekapt hout aan. Er werd een plek van sneeuw gezuiverd en een vuur aangestoken. Lang duurde het eer de vlam opsloeg, want het hout was jong en vochtig; doch na een uur was ook dit overwonnen, en daar door Rasinski's zorg nog eenige levensmiddelen voorhanden waren, welke hij zuinig, maar eerlijk liet verdeelen, zoo vond het vermoeide lichaam ook spoedig eenige verkwikking. Officieren en manschappen legerden zich in dicht gesloten rijen om het vuur, elkander met broederarmen omvattende en verwarmende. Zoo rustte Lodewijk aan Bernards borst en Rasinski lag met het hoofd op zijn schouder; aan de andere zijde lagen Jaromir en Boleslaw in elkanders armen. De vriendschap trotseerde den ruwen storm en de sneeuw van den winternacht en bracht haar heilig leven in de omringende verstijving over.
Lodewijk was ten uiterste afgemat; slechts de gedachte aan zijne verlatene zuster, aan hare ontroostbaarheid, wanneer hij mocht vallen, had zijn zwakker gevormd lichaam den moed ingestort, de ongehoorde inspanning te verdragen, waaronder hij dikwijls meende te bezwijken, en misschien ook bezweken was, zoo niet Bernard hem met zijn sterker gestel en veerkrachtiger ziel getrouw was op zijde gebleven. Doch, wanneer deze rampen zich herhaalden, wat dan? Met eene inwendige rilling wendde Lodewijk zich van deze voorstelling af. Zijn leven scheen hem in de akeligheden van een duisteren nacht ingeweven; doch daar zweefde uit den zwarten, donkeren achtergrond, waarin zijn oog zich verloor, hem het heilige beeld zijner liefde te gemoet.—Ja, zij zal uw beschermgeest zijn, dacht hij met verlevendigde kracht, zij, eene heilige, zal u troostend, reddend omzweven. Keerde zij niet reeds eenmaal het verderf van uw hoofd? O gewis, gewis is zij mij nabij!—Hij gaf zich met een zoet verlangen aan deze bedriegelijke verwachtingen over.—Zouden onze lotgevallen slechts daarom zoo raadselachtig ineengeweven zijn geworden, om eeuwig onopgelost te blijven? Neen, dat kan de Almachtige niet willen. Hij voert ons niet langs zijne donkere kronkelpaden, om ons midden in den doolhof te verlaten, maar om ons tot het wonderbare doel Zijner genade en wijsheid te leiden. De koude wet der natuur is niet zoo hardvochtig, dat het hare duizende kiemen en zaden slechts daarom zoude ontwikkelen, om ze in het opgroeien te verstikken; hoe zoude de eeuwige, heilige wet der Voorzienigheid dan zich zelve zoo gruwzaam honen! Neen, de dag zal aanbreken, die alles oplost; het uur moet slaan, in hetwelk de liefelijke gestalte u te gemoet treedt, u de hand reikt en met zoetklinkende stem zegt: De beproevingen zijn overwonnen; thans wenkt u het loon.
Maar hoe, wanneer het eerst aan gene zijde ware?—En waarom dan niet? Wanneer achter den onafzienbaren nacht, die ons omgeeft, de eeuwig heldere dag schittert, wanneer over het ondoordringbaar gewelf des hemels dat boven ons staat, reine, heldere sterren schijnen, duizenden van zonnen zwieren—hoe zou dan slechts de nacht onzer ziel onverlicht blijven? Moed, vertrouwen, vast geloof! En evenwel, hoe machtig bindt mij dit heilige leven hier op aarde, dat ik warm, lichamelijk, met zelfbewustzijn gevoel! Algoede Vader! O, zend Uwen zegen reeds in de aardsche borstneder, los de raadsels, in welke Gij ons hier laat wandelen, ook hier weder op! Laat dit hart niet breken in ongestild verlangen! Waarom moeten wij het met namelooze smart koopen? Ik lijd als een pelgrim dezer aarde, laat mij ook hier rust en lafenis vinden! Voor de wonderen der eeuwigheid is mijn boezem te eng. Geef mij, wat ik vermag te vatten. O, Gij zijt immers zoo rijk in zaligheid, dat Gij ons hier eene opgevulde maat kunt reiken en daar evenwel nog eene grenzelooze zee van verheerlijking voor ons uitbreidt! Gij geeft mij aan dit leven, en dit leven aan mij. Vader, is het dan een schuld mijns harten, wanneer ik met innige liefde aan zijne reinste genoegens hang?
Onder deze gedachten bekroop hem de meer verdoovende dan verkwikkende slaap. Doch de vermoeide natuur haakte gierig naar die karig verleende verkwikking.
Spoedig omving hem de droomgod en spon de bedriegelijkste droombeelden om zijne ziel. De woeste tooneelen van dezen dag schemerden hem nog voor de gesloten oogen. Zijn in halve bewusteloosheid wegzinkende geest vernam nog de naklanken van zijn waken. De wezenlijkheid versterkte ze. Zoo doolde Lodewijk ademloos, uitgeput, met geboeide voeten, welker looden zwaarte hij niet kon overwinnen, want de banden des slaaps en zijn liggen stremden de beweging der spieren, door diepe sneeuwvelden rond. De storm huilde om hem heen, want zijn oor vernam dien in den slaap, hoe hij over de toppen der boomen gierde, en scheurde wijdgapende kloven in den dwarrelenden oceaan van grauwe wolken, die hem omgaf. Wanneer de nevels zich verdeelden, meende hij van verre eene zonnige landstreek te zien schemeren, naar welke hij vol verlangen zijne armen uitstrekte.—Waar ben ik? Alleen in deze woestijn! Ach, thans zie ik het; het is immers de St. Bernard met zijne sneeuwvelden, waarop ik verdoold ben. Dezen helderen schijn moet ik volgen, dan bereik ik het schoone land aan mijne voeten.
Zoo fluisterde hem de stem in den droom toe, en de goedertieren God leende hem zijne vleugelen, om hem zacht naar die schoone beemden omlaag te voeren.
Thans wordt het mij licht om het hart; met deze wolk zweef ik naar beneden.—Gelijk zoo menigmaal in den droom, had hij natuurlijk, daar hij lag, het gevoel, alsof hij zachtjes van eene hoogte afzweefde. De nevel en wolkengedaanten verdeelden zich, de sneeuw verdween; Lodewijk meende op eene zachte, groene bergweide, langs een rotsachtig dal, te wandelen.—O, Goddank, dat ik mij uit deze wildernis weder op het goede pad bevind! Daar achter mij ligt immers het hospitum op de besneeuwde hoogte; hier daal ik naarAostaaf. O gij lieve, aanminnige, waarom vliedt gij voor mij? Ik zie immers uw groenen sluier fladderen; ik heb u immers reeds lang herkend! Bianca! Bianca! Waarom wacht gij mij niet? Waarom wilt gij, gelijk toen, immer verder en verder heentrekken!—Daar wendde zich de edele gestalte der geliefde om en zij sloeg den sluier op en zag hem liefelijk glimlachende aan. Ik ben u immers zoo nabij! Een droom kwelt u, dat gij mij zoo roept. Ziet gij het bekoorlijk landschap niet om ons heen? Vat moed, zet u bij mij op deze bank bij de hut. Ja, mijn geliefde, hier willen wij wonen, hier is het huiselijk en stil. Zie slechts hoe de wijngaard zich om het venster slingert en de breede kastanjeboom, die zijne takken wijd over het dak uitspreidt!
Als een lentekoeltje troffen hem deze woorden, en een zoete, zalige weemoed drong in zijn hart. Bianca! Is het dan geen droom? Ben ik eindelijk met u vereenigd? riep hij beangst en strekte zijne armen der geliefde te gemoet. Zij neigde zich naar hemtoe, hij trok haar tot zich en drukte haar bevend aan zijn kloppend hart. Zij zaten nevens elkander op het gras, tegen den stam van den ouden kastanjeboom geleund. Lodewijk had zijn arm zacht om den hals der aanminnige geslagen, en zij liet haar hoofd op zijne schouders rusten; hunne handen hielden ze in elkaar geklemd.
De droom sleurde den sluimerende in nieuwe verwarde voorstellingen mede. Door den storm en de warrelende sneeuw, die zijn aangezichtwerkelijktrof, werd hij uit de aangename beelden, welke zijn verlangen hem voorspiegelde, onmeedoogend uitgedreven. Hij geloofde met Bianca te vluchten. Waarheen zij zich wendden ploften sneeuwvallen. De herinneringen aan dien eersten nacht op denSimplonstegen in wonderlijk samenvloeiende beelden in zijne ziel op. Hij geloofde diep begraven te zijn, maar des te inniger en angstvoller drukte hij de bevende geliefde aan zijn hart. Hij troostte haar. Wees niet bang, mijn lieve. Weet gij nog, toen wij in dien eersten nacht naar redding wachtten? Ach, hoe haakte toen mijn hart naar uwe omarming. Bemindet gij mij dan toen reeds?—Sinds het oogenblik, dat ik u voor het eerst zag, antwoordde zij met eene onuitsprekelijke zoete stem, toen gij mij den gouden armband bracht, weet gij nog? Het was immers bij de hut in het dal, waar wij zoo even vertoefden.
O, toen! Hoe schoon was het toen, daar ik uw gelaat voor het eerst aanschouwde; gij lachtet mij tegen als de lente van Italië, naar welke wij afstegen. Ziet gij, daar opent zich de zwarte poort; zie slechts, hoe de heldere stralen der zon er binnendringen.
Hij ging arm in arm met de geliefde naar de opening van het rotshol. Het dal lag voor hem uitgebreid, de lente opende de eerste knoppen en lachte van den blauwen hemel over de bergen.—Zie slechts, hoe de kleine ons te gemoet huppelt. Zij herkent de schoonesignoraweder, die zoo vriendelijk tegen haar was. Maar laat ons verder gaan naar de blauwe meren, de wijnbergen en de bloeiende tuinen. Thans wandelen wij tusschen de rotsen voort; de zon zal ondergaan, wanneer wij aan den rand staan en in het zalige land nederblikken. Ziet gij? Ziet gij—thans dringt haar roode gloed ons in de oogen. Daar achter die Alp gaat zij onder. Hoe schoon trekt de gouden rook over het geheele dal en hoe smelten ginds de velden door het avondrood verguld met den hemel ineen. O, hoe schoon is het hier!
Steeds bekoorlijker beelden tooverde hem de droom voor. Arm in arm wandelde Lodewijk met zijne geliefde in zalige eenzaamheid door de lachende beemden. Een schaduwrijk priëel bood hem eene rustplaats. Onder de lichte kromming der takken door zweefde het oog over dalen en heuvels, die in het avondpurper gloeiden.
Daar rolde in de verte een doffe donder, aan sneeuwvallen gelijk, die in den afgrond storten. Hij vliegt op uit de omarming zijner geliefde; bevend en bleek staat zij voor hem. Ziet gij, roept zij uit, de zon ontsteekt de aarde en alles vlamt op in laaien gloed. Lodewijk staart voor zich. Eene woeste zee golft rondom hem henen. Vol ontzetting wil hij vlieden. Zijn voet is aan den grond gekluisterd. De geliefde vliegt door den nacht; slechts haar wit gewaad ziet hij schemeren. Hij strekt de armen naar haar uit, hij wil haar roepen, de stem begeeft hem; de vlammen branden hem met stekende pijn in de oogen. Daar treft plotseling een donderend geraas zijn oor en verbreekt met geweld de boeien des slaaps, die hem nog in hunne verdoovende kluisters hielden. Hij springt op en ziet verwilderd om zich heen.
Zelfs wakend staat hij nog onthutst en kan het onmetelijk verschil tusschen droom en werkelijkheid niet begrijpen. Eindelijk verneemt hij de roffelende trommels entrompetten, het sein om op te breken. De wind drijft hem de hoog opflikkerende vlam van het wachtvuur in het gelaat, die zich reeds zoo verschrikkelijk in zijne droomen gemengd had, totdat het krijgsrumoer den voorhang, die zijn bewustzijn omhulde, plotseling verscheurde. Thans eerst gevoelt hij, hoe de ruwe hand der werkelijkheid hem onverbiddelijk aantast en hem uit den liefelijken waan opschudt. Verdwenen is het beeld der geliefde, verzonken de toovertuinen zijner droomen, verduisterd het hem omringende Eden. Alleen het onbegrensde der ijskoude woestenij en der duisternis is overig. Uit de gewesten der zaligen is hij in de plaats der verdoemden nedergestort. Welk een gruwelijke spot. Dat is te veel! Verpletterend daalt de smart in zijne borst. Zij moet breken onder dezen last.
Daar vatte Bernard zijne hand en ziet hem verwonderd in de oogen. „Wat deert u, Lodewijk?” vroeg hij met eene zachte stem.
Hij omarmde hem vurig; aan het hart zijns vriends loste zich de akelige verstijving zijner borst op, en in zachte golven vloot nu de diepe, onuitputtelijke stroom zijner kwellingen voort.
Eindelijk lag Smolensko, het lang beloofde en gewenschte einde hunner rampen, voor de blikken der krijgslieden en steeg met zijne zwarte tinnen en muren duister uit het sneeuwveld op. Daar zult gij eene toevlucht vindentegende winterstormen; daar zal de razende honger, die in uwe ingewanden woedt, gestild worden; daar zullen de verkleumde leden warmte, de overspannen gepijnigde spieren rust, de afgematte, uitgeputte geestkracht versterking vinden.
Niet zoo vroolijk zagen de tien duizend Grieken den spiegel van hunne vaderlandsche zee van het gebergte af hun tegenschitteren, niet met zulk eene vreugde en dankbaarheid begroette Columbus' vertwijfelende manschap de kusten van een nieuw werelddeel, als de door de woede des winters, des hongers en der doodelijke afmatting vervolgde krijgslieden de muren der stad aanschouwden, waar hun het einde hunner rampen beloofd was. Een zweem van vreugde vloog over de bleeke, vermagerde gezichten, een laatste bewijs van moed en kracht keerde in de vermoeide lichamen terug.
Reeds was men tot op een uur afstands de muren dezer vesting genaderd, toen men aan beide zijden van den weg, eerst een voor een, vervolgens in groote troepen, de uitgehongerde spookachtige gestalten dergenen ontwaarde, die hunne wapenen verloren of weggeworpen en, daar de banden der orde en der gehoorzaamheid overal verbroken waren, gehoopt hadden, dat zij, alleen en hun eigen weg kiezende, met minder gevaar door de woestijnen der sneeuw en der wouden zouden dringen, dan wanneer zij bij het gros des legers bleven, voor welk laatste het weinige, dat men op eene plaats konde bijeenbrengen, nooit genoegzaam was. Zoo waren zij dan nu eens vooruit, dan achterna getogen of hadden het leger van ter zijde omzwermd. De razernij van den honger in hunne gierige, van ontsteking gloeiende oogen, zwart van rook en zand, in lompen gekleed, wierpen deze scharen zich als harpijen over alles heen, wat zij vonden. Geen stem des verstands breidelde hunne tot waanzin geklommen begeerte. Vonden zij ergens eenige spijs, zoo vielen zij met de woede eens roofdiers er op aanen verslonden ze met eene zoo razende drift, dat de meesten, alsof zij vergif gegeten hadden, dadelijk daarop onder de onlijdelijkste pijnen ter aarde stortten en den geest gaven. Doch geen voorbeeld schrikte de later aankomenden af; als door blinden waanzin gedreven, stortten zij zich in hetzelfde verderf, dat hunne kameraden voor hunne oogen gedood had. Ja, het gehuil en het gekerm zelfs der nog lillende stervenden schrikte hen zoomin af, als het hun ook slechts een blik van medelijden kon afpersen. De ellende had de menschelijke natuur in deze rampzaligen op het schrikkelijkst doen ontaarden; ieder kende slechts zich zelf en het tegenwoordige oogenblik. Want de folteringen van het oogenblik waren te schrikkelijk en alles, wat deze stilde, scheen een onbegrijpelijk geluk, al kwam ook in de volgende minuut deze ellende dubbel daarvoor terug. Deze afschrikwekkende gedaanten verschenen eensklaps, in donkere drommen opeengedrongen, naarmate zij uit de naastbijzijnde bosschen, waardoor zij hun weg genomen hadden, toevallig vroeger of later op den grooten weg geraakten. Een kwartier uurs voor de stad hoopten zij zich dermate opeen, dat de nog geordende korpsen der oude en jonge garden zich slechts met moeite den weg tot hun marsch vrijhielden.
Thans naderden de hoogten langs de oevers van den Dnieper meer tot elkander en vernauwden den weg. Aan beide zijden vertoonden zich deze ontzettende horden. Zij trachtten langs de besneeuwde, gladde afhellingen af te dalen, om den weg te bereiken; doch de zwakke kracht hunner voeten bewees hun den dienst, waartoe behendigheid en sterkte vereischt werden, niet meer. Zij tuimelden over elkander heen, de helling af, en kleurden de sneeuw met het bloed hunner van ijssplinters gewonde handen en wangen.Onder weeklagend gekerm stortten zij naar beneden, doch vermochten zich niet meer van hun val op te richten, maar bleven bedwelmd aan den weg liggen.
Thans zag men de poorten der stad. Zelfs onder de aan de stalen wet der gehoorzaamheid sinds lang gewone korpsen der oude garde liet zich thans geen tucht meer houden, maar gelijk hongerige tijgers op hun buit, wilden zij zich afzonderlijk uit de gelederen werpen, om het eerst het toevluchtsoord te bereiken, want reeds had een gedeelte der uitgehongerde horden, die zonder aanvoerder of orde door de wouden gedrongen waren, de muren der stad bereikt en drong in zwart gewemel om haar heen. Doch bij het zien der holoogige gedaanten, in de wonderlijkste kleederen, zoo als nood en toeval ze verschaft hadden, bij hun gierig toedringen, had men in de stad, en met recht, gevreesd, dat zij als een troep hongerige wolven op de magazijnen aanvallen en overal plunderend en verwoestend inbreken zouden. Daarom werden hun de poorten van de verlangde vrijplaats gesloten, en te vergeefs vloekten en baden zij, om de onverbiddelijke muren binnen te gaan. Reeds verscheidene uren hadden velen dezer ongelukkigen, van koude verstijfd, door honger gemarteld, in het gezicht der redding te vergeefs om hulp en medelijden gesmeekt. De meesten waren in vertwijfeling en afgematheid neergezonken en door de steeds grimmiger wordende koude gedood.
De aanrukkende geregelde troepen hoorden het verschrikkelijk wilde gehuil om voedsel, dat zich met de grievendste jammerkreten vermengde. Thans beving ook hen de vrees, dat het hun evenzoo mocht gaan, dat men hier geweld zou moeten aanwenden, en diegenen alleen lafenis zouden vinden, die het eerst met geweld inbraken. Daarom verlieten zij hunne gelederen en zochten, zooveel hunne uitgeputte krachten dit vergunden, elkander vooruit te komen, om de plaats der redding te bestormen en wat zij konde opleveren met gewelddadige hand te rooven. Te vergeefs wierp de maarschalkBessièreszich hun, die gehoorzaamheid weigerden, in den weg, te vergeefstrachtten de officieren hen met geweld terug te houden. Reeds dreigde de wanorde zich over de gansche lange colonne te verbreiden, toen op eens de keizer in de voorste rijen zich vertoonde en met een wenk halt gebood. De eerbied voor den geheiligden persoon des aanvoerders, op wien zich in dezen tijd van tegenspoed het laatst vertrouwen vestigde, boeide zelfs de vermetelsten.
„Soldaten, keert in uwe gelederen terug!” zeide hij streng, doch bedaard, en vond oogenblikkelijk gehoorzaamheid.
Hij zelf reed thans aan de spits der troepen, en onder dof zwijgen, doch in streng geordende gelederen rukten de krijgslieden de vesting binnen.
Rasinski volgde met de zijnen onmiddellijk op de oude garde. Slechts de helft was te paard, de overigen gingen te voet, daar hunne paarden voor het geschut gespannen waren. Bernard en Lodewijk waren te paard. Toen zij op de hoogte van den dalrand kwamen, wees Lodewijk aan Bernard ter linkerhand naar de besneeuwde vlakte en zeide: „Herkent gij daar dat slot wel?”
„Hm!” antwoordde Bernard; „ik had gedacht, dat het geheel afgebrand zou zijn, doch het staat nog tamelijk vast op zijne beenen.”
„Ik weet niet, waarom ik ook nog heden dit statig gebouw met zijnevreemdetorens en tinnen met een geheel eigenaardig gevoel aanschouw,” hernam Lodewijk.
„Ik thans meer dan toen; doch dat doet de herinnering.—Ik geloof, dat wij meer onkenbaar geworden zijn dan het slot, ofschoon toch de vlam er al het ingewand wel zal uitgebrand hebben. Want als ik u zoo zie, met uw langen baard en die zware strepen van rook en stof in het gezicht, dan kan ik mij zoo omtrent verbeelden, hoe ik er zelf moet uitzien. Het was wel de moeite waard, ons portret te schilderen, opdat wij toch eens aan de goede lieden in Duitschland of Frankrijk konden toonen welke gezichten het overwinnend leger gezet heeft, toen het voor de tweede maal te Smolensko kwam.”
„Zijt getroost, vrienden,” zeide Rasinski, zich omkeerende, „een tijd van rust ligt voor ons. Die zal ons ook gelegenheid geven, om ons weder een menschelijk aanschijn te verschaffen.”
Zij reden thans door de poort der bovenstad binnen, want de oostelijke helft der stad ligt op de hoogte, de westelijke aan de overzijde des Dniepers in de laagte. Toen zij de eerste straat doorkwamen, zagen zij elkander met bezorgdheid aan.
„Nu,” zeide Bernard zacht tot Lodewijk,„Smolensko ziet er voorwaar niet naar uit, alsof hetCapuazou worden.”
„Wanneer de gansche stad zoo verwoest is,” antwoordde Lodewijk even zacht, „zal zij ons niet meer levensmiddelen opleveren, dan de groote weg, dien wij gekomen zijn.”
„Ik zie nog niet in, hoe wij hier een lood rijst zouden koken,” fluisterde Bernard; „merkt gij wel, dat alle vensterkozijnen uitgebroken zijn? Waar hier nog hout in de muren zat, schijnt men reeds oogst gehouden te hebben.”
„En toch,” hernam Lodewijk, „geloof ik, dat wij wel zouden doen, met een dezer op het invallen staande huizen bijtijds te bezetten; want als eerst die massa van ongelukkigen van buiten indringt, blijft er geen steen op den ander.”
„Dat denk ik ook,” hernam Rasinski, die met zijn steeds opmerkzaam oor alles vernomen had, „en ik denk er reeds over, om gezwind het recht van eerste bezitneming te doen gelden. Ik hoop slechts, dat de benedenstad er beter uit zal zien; want hier stort ons misschien des nachts het kwartier boven ons hoofd in.”
Hij zelf reed thans aan de spits der troepen.
Hij zelf reed thans aan de spits der troepen.
Hij zelf reed thans aan de spits der troepen.
„Die versche paardengeraamten daar ter zijde,” zeide Bernard, terwijl hij met zijnvinger in een nauw zijstraatje wees,„beloven ook niet veel goeds; zij zien er mij uit, alsof het vleesch eerst sedert een half uur van de botten gekloven was. Ik wilde mijn arm paard, hoe mager ook, hier niet gaarne een kwartier vastbinden, want ik zou moeielijk iets anders dan het geraamte wedervinden. Op een bijzonder ruim onthaal mogen wij dus ook niet rekenen.”
„Nu, levensmiddelen zijn hier,” hernam Rasinski, „of des keizers bevelen zouden op het onverantwoordelijkst veronachtzaamd moeten zijn. Eergisteren hebt gij nog gezien, hoe van hier een transport kwam, dat de keizer billijkerwijze hun toezond, die voor ons vechten en, buiten de moeilijkheden van den marsch, nog het gevaar van den strijd moeten verduren.”
Een adjudant brak het gesprek af met het bevel om rechts af te rijden, waar de kwartieren voor de cavalerie waren aangewezen. Rasinski nam derhalve met de kleine schaar, welke hij nog om zich heen had, zijn weg door een kromme, half ingestorte straat en bereikte zoo een ruim plein, waar eenige groote steenen gebouwen, die vermoedelijk voor magazijnen gediend hadden, in de onderste verdieping stallen voor de paarden, in de bovenste kwartieren voor de manschappen aanboden. Doch ook deze huizen waren geheel verwoest. Slechts op de bovenste verdiepingen zag men hier en daar nog een kozijn; de deuren waren uitgehaakt, ja, op eenige plaatsen was de planken vloer opgenomen. Ondertusschen verschaften de half vernielde gebouwen toch een droog verblijf, en zoo men slechts hout, levensmiddelen, stroo en voeder voor de paarden kon verkrijgen, scheen het verblijf daarin, met de uitgestane ongemakken vergeleken, een tijd van heerlijkheid te beloven. Want in de meeste kamers waren gemetselde kachels, door welke men zelfs, schoon er geen venster te sluiten was, toch nog warmte genoeg in de vertrekken kon brengen, om het daarin uit te houden.
In weinige minuten waren de kwartieren betrokken en de paarden in de stallen gebracht. Rasinski's voortdurend onvermoeide zorg had uitgewerkt, dat hij op weinigen na, die de vermoeienis niet hadden kunnen uithouden sinds den dag van Dogorobuye, de zijnen bijeen had gehouden. Daar hij niet duldde, dat iemand, en hij zelf het minst, eenig voorrecht genoot, zoo waren ook de schraalste levensmiddelen zoo verdeeld geworden, dat niemand ledig heenging.
Thans was zijn eerste werk, Boleslaw tot het ontvangen van levensmiddelen voor de manschappen en Jaromir tot die voor de paarden ieder met het vereischte geleide af te zenden. Boleslaw nam twaalf man en ging naar het hem aangewezen magazijn. Hier heerschte een onbeschrijfelijk gewoel. Zoodra was het niet bekend geworden, dat in het gebouw levensmiddelen voorhanden waren, of de hongerige soldaten en achterblijvers legerden zich, als een zwerm raven op een lijk, voor de deuren en vervulden de lucht met hun gehuil en gekerm. Eenigen gelukte het, in spijt der uitgestelde posten, eene deur open te breken, en nu met blinde woede op de levensmiddelen aan te vallen, om die rauw te verslinden. Men zag, dat zij slechts hun dood vonden, en wat honderden van het verderf had kunnen redden, werd schandelijk verkwist, om de wilde begeerte van eenige weinigen te stillen. Daarom was het noodzakelijk, hoe gruwelijk de maatregel ook mocht schijnen, het wettige geweld tegenover het onwettige te stellen. De opzieners der magazijnen moesten geregelde troepen doen aanrukken, die met bajonet en sabel op hun eigene kameraden aanvielen en hen terugdreven. Daar dit echter niet dadelijk gelukte en ieder den hongerdood vreeselijker vond dan die door de wapenen, zoo werd er vuur onder den dichtsten hoopgegeven. Thans stoof hij uiteen, doch liet den grond met bloedende lijken bezaaid.
Door zulk een ijzingwekkendgewoelmoest Boleslaw zich baan maken; hij deed het met kracht, doch tegelijk met een diep smartelijk gevoel. Er waren er echter zoovelen, die recht op de levensmiddelen hadden, dat er verscheiden uren in strijd en gedrang verstreken, eer hij de zijne kon ontvangen. Zijne manschappen gehoorzaamden hem nog en droegen het ontvangene, zonder het aan te raken, naar hunne kameraden, om het met hen te deelen. Doch dit was niet gemakkelijk.
Man aan man gesloten, met de overgehaalde pistool in de hand, moest Boleslaw hen door de joelende, vloekende, huilende en kermende menigte geleiden en zich tegen deze, als tegen eene rooverbende, verdedigen. Slechts met moeite gelukte het hem eindelijk tot in het kwartier van Rasinski te komen.
Jaromir was gelukkiger geweest dan hij, want bij het ontvangen der fourage had zulk een gedrang niet plaats gehad.
Toen Boleslaw aan Rasinski rapport deed, schudde deze het hoofd en zeide: „Dat zijn bedenkelijke teekenen! Wij zullen hier niet lang kunnen blijven, want wij moeten zoo spoedig mogelijk de grenzen van Rusland trachten te bereiken. Bij een zoo volslagen gebrek aan tucht en orde zoude een ernstige aanval ons verderf zijn. Ik heb Bernard en Lodewijk tot het ontvangen van ammunitie uitgezonden; daar waren slechts van weinige regimenten manschappen geweest. Wanneer de soldaat reeds niet meer aan zijne verdediging denkt, wat zal daaruit voortkomen? Ja, zelfs tot het ontvangen der soldij is geen derde gedeelte opgekomen, ofschoon alle regimenten gewaarschuwd waren.”
„Laat deze ééne dag van volkomen afmatting en verslagenheid maar voorbij zijn,” antwoordde Boleslaw, „dan zullen de orde en de gehoorzaamheid wel terugkeeren. De ijselijkheden van den marsch, de honger en de koude hebben de manschappen nog geheel en al bedwelmd. Hebben wij zelfs niet alle krachten moeten inspannen, om den moed niet geheel te verliezen; en hoeveel beter is het ons niet gegaan dan de overigen! Door uwe voorzorg zijn onze manschappen goed gekleed; zij hebben ten minste goede laarzen en mantels. Ook is er altijd nog iets voor hen te eten geweest. Maar zie eens naar de anderen! Met lompen bedekt, met gescheurde schoenen, moesten zij de schrikkelijke nachten onder den blooten hemel doorbrengen, zich den ganschen dag door de sneeuw heenwerken. Wanneer de rampen zoo hoog stijgen, dat in de straf der ongehoorzaamheid geen schrik meer ligt, dan laat zich de tucht niet meer bewaren.”
„Maar hetverderfligt er in,” sprak Rasinski met nadruk, „het verderf van het geheel en van een ieder in het bijzonder. Dat zien de razenden niet in. Gevaar en nood zouden voor allen de helft minder zijn, wanneer niemand uit eigenbelang er zich aan zocht te onttrekken. Van twintig of honderd gelukt het aan één, de overigen gaan des te spoediger verloren.”
„Laat hun slechts twee dagen tijd, om te bekomen, dan zullen zij weder vatbaar zijn voor verstandigen raad en tot gehoorzaamheid terugkeeren!”
„Maar is het dan nog tijd? Hebben zij niet reeds hunne wapenen weggeworpen? Zijn zij voor de overigen niet reeds een ballast geworden, zonder zelven iets ter hulpe bij te dragen?—De keizer moet buiten zich zelf raken op dat gezicht.”
Jaromir, Bernard en Lodewijk traden binnen. Zij kwamen uit de stallen, waar alle paarden goed verzorgd waren.
„Het is het eerste behoorlijke voeder, dat onze beesten krijgen, sinds wij Moskou verlaten hebben,” zeide Jaromir. „Dat wil zeggen, onder behoorlijk voeder versta ikhalf stroo, half haver en nauwelijks het derde part van een gewoon rantsoen. Doch men ziet, hoe de dieren er zich aan te goed doen!”
„Geeft hun om 's hemels wil geen volle maat! Nauwelijks morgen of overmorgen zullen zij het kunnen verdragen,” merkte Rasinski aan.
„Wees onbezorgd,” hernam Jaromir,„ik heb zelf overal mijn oog laten gaan.”
„Goed,” antwoordde Rasinski; „doch laat ons nu aan ons zelven denken. Het is de eerste maaltijd, dien wij sinds langen tijd onder dak zittende en in vertrouwelijk gesprek zullen nuttigen.”
Rasinski had alle nog overige officieren bij zich in de tamelijk bewoonbare kamer genoodigd. Het was de eerste maal, dat hij een klein voorrecht boven zijne makkers genoot 't welk zij hem nog met geweld hadden opgedrongen. Hij meende het ditmaal te mogen aannemen, wijl het zijn manschappen naar tijdsomstandigheden goed ging. Daarom veroorloofde hij zich ook met zijne vrienden het genot van ééne flesch wijn; de keizer had uit zijn eigen kelder ieder regiments-kommandant twee flesschen laten uitreiken.—„Laat ons,” zeide Rasinski, „de andere bewaren, tot wij die dringender noodig hebben.”
Na den maaltijd sloot de vermoeienis allen de oogen, en zij genoten de kostelijke verkwikking van den slaap zonder ieder oogenblik door de pijn hunner leden, die van koude verstijfden, of door de vlam van het wachtvuur verschroeiden, uit de dommelige verdooving opgewekt te worden, die hen op het bivak in plaats van eene lichte sluimering beving.
Het was klaar dag, toen zij ontwaakten, en misschien hadden zij nog langer geslapen, zoo de honger hen niet gewekt had. Gelukkig konden zij dien ditmaal bevredigen.
Rasinski ging uit, ten einde te beproeven, of het mogelijk was, zijn ruiters eenigen voorraad van levensmiddelen te verschaffen, opdat zij voor de naaste marschen gedekt mochten zijn.
Terwijl hij afwezig was, kwamRegnarden verhaalde, dat een te Parijs in hechtenis genomen generaalMalletbeproefd had oproer te stichten en de afzetting des keizers te bewerken. De nieuwe regeering had zekerlijk maar eenige uren bestaan, maar de tijding had evenwel een diepen indruk op den keizer gemaakt, die tegen graafDarugezegd zou hebben: „Hoe nu, wanneer wij eens in Moskou gebleven waren?”
„Zijn die tijdingen nu gekomen?” vroeg Bernard.
„Reeds bijDogorobuyeontving de keizer dedepêches,” vervolgdeRegnard; „hij rekende het evenwel noodig ze geheim te houden. Ook van de achterhoede moeten slechte berichten gekomen zijn. Bij Wiasma heeft een hevig gevecht plaats gehad, waarbij wij veel volk verloren hebben. PrinsBeauharnaisheeft aan de rivier Wop, die buitengewoon hoog was, waardoor hij haar niet spoedig genoeg kon overkomen, zijne halve artillerie en alle bagage moeten achterlaten. Bij geluk is zij echter den kozakken niet in handen gevallen, want zij is tegelijk met de kruitwagens in de lucht gevlogen. Intusschen moet de achterhoede schrikkelijk geteisterd zijn, als wij bedenken, hoeveel menschen wij alleen door honger en koude verloren hebben! Diena ons komen, vinden nog minder dan wij en hebben daarenboven met den vijand te doen.”
Jaromir had zich stil verwijderd, terwijlRegnardvertelde; bij de groote ellende, welke thans heerschte, was hem het lot vanAlisetteniet onverschillig. Hij gevoelde medelijden met de ongelukkige, wier lichtzinnigheid zoo streng kon gestraft worden. Gaarne had hij naar haar gevraagd, doch hij kon de woorden niet over zijne lippen krijgen. Daarom verliet hij het vertrek liever en ging de straat op.
In de laatste dagen had de bovenmatige inspanning hem met geweld weerhouden, zich met zijne droefheid bezig te houden. Nauwelijks echter was er nu een oogenblik rust, of ook deze inwendige vijand vertoonde zich weder. Briefwisseling met Warschau was thans onmogelijk geworden; hij wist dus niet zeker, of de brief, dien Rasinski op zich genomen had te bezorgen, was overgekomen, dan of de onteerende beschuldiging nog op Lodoiska rustte, zonder door zijne zelfveroordeeling ingetrokken en vernietigd te zijn. Dit laatste denkbeeld kwelde hem met onverbiddelijke hardheid. Schuldig te zijn in de oogen zijner geliefde, dat had hij leeren verdragen; maar bij haar voor een onwaardige, een verachtelijk wezen te moeten doorgaan, wiens ruw gevoel het heiligdom van haar hart moedwillig schond en die na het eerste oogenblik van woeste hartstochtelijkheid niet tot zijne bezinning terugkeerde—dat boog hem zoo diep neder, dat hij den moed niet in zich vond, om deze smart te dragen. En wanneer nu—wat thans, door den schrikkelijken rampspoed, die het leger trof, mogelijk werd—wanneer nu de dood hem en Rasinski wegnam, en ook de overigen, die zijne schuld en zijn besluit, om haar te verzoenen, kenden, omkwamen en geen van hen den sluier van de rampzalige waarheid konden wegnemen! Wanneer hij den smaak en de verguizing, welke zijne verdenking meedoogenloos op zijne geliefde had geworpen, niet meer kon terugnemen! Wanneer deze verpletterende last des bewustzijns hem tot in de eeuwigheid vervolgde!
Als hij aan de mogelijkheid hiervan dacht, werd hij duizelig, en was het hem of hij aan den steilen rand eens afgronds stond; zijne gedachten verwarden zich en hij had al zijne mannelijke kracht noodig, om zich niet aan dien afgrond over te geven. Maar eene tooverkracht dwong hem voortdurend zijn oog weder in deze gruwelijke diepte der toekomst te slaan. Hij gevoelde, dat men de macht over zijne gedachten kon verliezen; de mogelijkheid van waanzinnig te worden vervulde hem met huivering. Hij zagRegnardweder gaan; zijne lange, schrale, beenige gedaante, zijne scherpe, zelfs door de vermoeienissen dezes tijds bijna niet veranderde trekken, boezemden hem thans een afkeer in, die naar vrees geleek. Hij geloofde in hem zijn boozen geest te zien, en wendde dus spoedig zijne schreden naar een anderen kant, teneinde hem niet tegen te komen.
Spoedig naRegnardkwamen Bernard en Lodewijk op de straat. Zij waren thans weder kenbaar geworden, daar zij sinds den terugtocht van Malo Jaroslawez voor het eerst in de mogelijkheid geweest waren, zich te verkleeden en behoorlijk te reinigen.
„Waarachtig,” zeide Bernard in het naar buiten treden, „thans zien wij er als heeren uit. Nu u de baard niet meer als een stoppelveld van een duim lang om de kin zit, lijkt gij weer een Adonis. Maar er is hier helaas niemand, waarop men verlieven kan.”
„Al weder lichtzinnige gedachten!” zeide Lodewijk glimlachend. „Maar het is inderdaad zelfs in den grootsten nood iets waard, zich zelf niet tot ergernis te zijn. Thans eerst gevoel ik mij recht wel.”
„Over het geheel ziet men,” antwoordde Bernard, „dat slagen aan menschen zoowel als aan honden goed bekomen; want de omstandigheden, waarin wij ons heden bevinden, zijn toch eigenlijk lang zoo slecht niet. Als men onder de zweep niet dood bloedt, is hij een gezonde aderlating.”
„Hoe gelukkig, dat gij in zoo weinig uren toch alles vergeten kunt!” zuchtte Lodewijk. „Ik zie het verledene te donker en de toekomst te dreigend bewolkt, om mij over het tegenwoordige te kunnen verheugen.”
„De toekomst, mijn waarde, zal zoo erg niet zijn, want wij zijn thans op het ergste gevat. Wanneer men de dingen weet, die daar komen zullen, beschouwt men het onheil geheel anders, dan wanneer men er uit den hemel zijner droomen zoo midden invalt. Een onverwachte duw werpt mij neder; maar heb ik tijd, om recht op mijne beenen te gaan staan, dan kan ik driemaal meer tegenstand bieden. Doch laat ons nu zien, of wij schoenen kunnen oploopen. Wij moeten de hospitalen doorzoeken en beproeven, of hier en daar wat te erven valt. Ik zoude Rasinski dien dienst gaarne doen.”
Deze had hun namelijk opgedragen om te beproeven, of zich voor de manschappen, wier schoenen door de marschen geheel versleten waren, ook nieuwe lieten opsporen. Zij gingen; meer het toeval dan een vast plan volgende, namen zij hun weg naar de benedenstad, waar zich de hospitalen der reserve-armee bevonden. Voor een groot, half vervallen, maar toch tot bewoning ingericht gebouw zagen zij twee mannen staan in dikke pelzen gewikkeld en met bonte mutsen op het hoofd. Zij deelden bevelen aan verscheidene anderen uit, wier uniform aanduidde, dat zij tot het personeel der administratie behoorden.
„Zeker een paar van de schoften, die ons laten verhongeren en bevriezen,” riep Bernard met afkeer uit, „en in hunne pelzen spotachtig toezien, wanneer de soldaat, door de koude gepijnigd, tranen vergiet. Een moeders kindje, denken zij dan. Maar ik wilde hun slechts eenmaal laten bivakeeren, als daar bij Dogorobuye.”
„Misschien was er echter juist bij deze lieden wel iets uit te richten,” hernam Lodewijk. „Laten wij hen naderen en zien, of wij iets bekomen kunnen.”
„Voor mijn part ook goed! maar ik beken u gulweg, dat ik liever met een kozak te doen heb, die toch ronduit zegt, dat hij mij plunderen en als het noodig is doodslaan wil, dan met die vergiftige kruisspinnen, die zich vet mesten met het merg der hongerende soldaten.—Maar wat helpt het? Welaan dan, vooruit!”
Zij traden op de beide mannen, die met den rug naar hen toegekeerd stonden toe; toen deze de voetstappen en den groet der aankomenden hoorden, keerden zij zich om. Eene wederkeerige verbazing was zoowel in de trekken van Lodewijk en Bernard, als op die der beide vreemden te lezen.
„Zien wij elkander hier weder?” begon na eenige oogenblikken de jongste der beide vreemdelingen, terwijl hij den mond tot een hatelijken lach vertrok. Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, toen Lodewijk met een gevoel, als ware hij in de spleet eens gletschers gestort,Beaucaireen in diens ouderen metgezelSt. Lucesherkende.
„Gendarmes!” riepBeaucaire, eer Lodewijk een woord spreken, veelmin een besluit nemen kon, „neemt dadelijk deze beiden in arrest en werpt hen in de gevangenis; het zijn verraders, die zich aan Rusland verkocht hebben!”
Eerst door deze woorden bemerkte Bernard, wie hij voor zich had, want hij hadBeaucairein Dresden slechts eenige oogenblikken op straat gesproken en, hoe vast de wezenstrekken hem ook uit vroegere herinneringen ingeprent waren, toch had het vreemdsoortigeder kleeding zijn anders zoo getrouw geheugen een oogenblik in twijfel gelaten. Thans maakte eene onberaden, maar onbetoombare woede zich van hem meester.
„Dat liegt gij, ellendige schurk!” riep hij met vreeselijke stem, sprong eene schrede achteruit en trok zijne sabel. „Wie mij te na komt, dien kloof ik den kop!”
Lodewijk, die even spoedig bemerkte, dat hier eene moedige handelwijze alleen kon redden, stiet met alle krachten den gendarme, die hem bij den arm wilde grijpen, terug, zoodat deze in de sneeuw viel, en in hetzelfde oogenblik flikkerde ook in zijne hand de sabel.
In de buurt waren soldaten. „Kameraden, helpt, helpt!” riep Bernard luid. „Deze schurken, die ons laten verhongeren, willen ons nu nog mishandelen en vermoorden. Hier heen, helpt!”
Doch, zooals het immer in het vuur van den hartstocht gebeurt, riep hij deze woorden niet in het fransch, maar in zijne moedertaal. Deels werden zij dus niet verstaan, deels gaven zij dadelijk te kennen, dat hij een vreemdeling was, op welke, sinds zoovele schrikkelijke ongelukken het leger getroffen hadden, de haat der Franschen zich reeds lang gericht had. Zij geloofden, en niet geheel en al ten onrechte, dat alle, maar vooral de duitsche bondgenooten zich in stilte over het ongeluk des keizers en de armee verheugden.St. Luces, afgericht om van elkegelegenheidpartij te trekken, riep daarom insgelijks: „Ce sont des traites Allemands, des espions soldés par la Russie!”
Deze woorden moesten beter werken. De Franschen, die in hunne tegenwoordige stemming licht te verbitteren waren, drongen op de hun zoo aangeduide offers aan, om hen neer te sabelen. Bernard wilde zich niet overgeven, doch Lodewijk hield zijn arm vast en riep: „Verdedig u niet! Wij konden hier een ongeluk begaan. Men moet ons vonnis en recht verschaffen; Rasinski zal ons niet verlaten; wij beroepen ons op hem.”—Bernard stampte ongeduldig met den voet en knarste op zijne tanden.
„Wij zijn uwe gevangenen, mijnheer,” keerde Lodewijk zich totSt. Luces; „wij zullen om verhoor en vonnis vragen, opdat deze ongegronde aanklacht eindelijk een einde hebbe. Wij zijn soldaten van het poolsche leger, overste Rasinski is onze kommandant. Hij zal ons weten te verdedigen; ik eisch, dat gij hem onze gevangenneming dadelijk meldt.”
De gendarmes namen hun de sabels af, en op bevel vanSt. Luceswerden zij beiden dadelijk in het huis binnengeleid. De onderofficier wilde hen in de wachtkamer nevens de poort brengen, waar de magazijnwacht zich bevond, dochBeaucaireriep: „Neen! deze misdadigers hebben het leven verbeurd. Zij moeten in eene zekere gevangenis gebracht worden. Sluit hen in een der kelders op, die aan de gracht uitkomen.”
„Lodewijk, Lodewijk,” zeide Bernard onder het gaan, „ik vrees, gij hebt niet goed gedaan met niet op onze wapens en op de vlucht te vertrouwen. Wie weet, of deze schurken Rasinski niet onderrichten als het te laat is.”
Lodewijk scheen getroffen door de waarheid dezer woorden. In den eersten ijver kon zijn edelmoedig hart zelfs van een vijand alsBeaucaireniet zulk een graad van boosheid verwachten; hij had daarom tegen hem gehandeld, zooals hij tegen een man van eer moest handelen. Thans viel hem in, dat misschien niemand meer dan dezeBeaucairevoor het daglicht bij deze geschiedenis moest vreezen; hij dacht aan wat deze zijne zuster had durven voorslaan, en het werd hem duidelijk, dat deze graad van slechtheid alleen in de gemeenste wraak genoegdoening kon vinden. Daar wierp hij een blik op den sergeant der gendarmerie, die met drie man hem wegleidde. Deze droeg het legioen van eer, had twee litteekens op het gelaat en een oog, waaruit een edel hart sprak.
„Gij zijt soldaat,” aldus sprak hij hem aan; „gij zult een kameraad geen verzoek afslaan.”
„Behalve een, dat mijn plicht mij verbiedt,” hernam de sergeant ernstig.
„Wij zijn onschuldig. Wij vallen als offers eener helsche wraak. Wanneer graaf Rasinski, onze chef, geen bericht van onze gevangenneming krijgt, zijn wij onvermijdelijk verloren. Beloof mij op uw woord, hem die te melden.”
„Wanneer mijne orders er niet mede strijden, zeer gaarne.”
„Hij zal het u rijkelijk vergelden! Neem mijn dank vooruit,” riep Lodewijk vroolijk en wilde den sergeant zijne gansche beurs in de hand drukken.
Doch deze trad terug en antwoordde: „Geen omkooping; ik zal mijn plicht als soldaat en kameraad doen. Doch weg met uw geld! Wat zou dat ons hier helpen? Van dat tuig hebben wij genoeg.”
„Gij zijt een brave kerel; zoo neem ten minste een handdruk voor uw goeden wil.”
De sergeant reikte hem zwijgend de hand, met een welwillenden blik vergezeld. „Hier zijn wij aan ons doel,” zeide hij en opende eene met ijzer beslagen deur, van welke omtrent twintig trappen naar beneden voerden. Dan wendde men zich in een gang rechts, eene tweede deur ging open en Lodewijk en Bernard betraden met eene inwendige rilling de gevangenis, die zich dadelijk achter hen sloot.
Het was een vochtig, koud gewelf, waarin slechts eene, door een ijzeren kruis gesloten, ronde opening, nauwelijks van de grootte van een menschenhoofd, een spaarzaam licht wierp.
„Een vervloekt gat,” bromde Bernard binnensmonds; „en koud als een ijskelder, en nog vochtig daarenboven! Zie maar, hoe op alle muren de salpeter vingerdik is uitgeslagen!—Welk een hatelijke muffe reuk!” Tastend ging hij rond.„Zou men ons hier inderdaad op de koude steenen laten liggen? Er is geen spoor van een leger te vinden.—Een geluk, dat wij onze mantels om hebben, anders konden wij, eer de zon ondergaat, hier dood vriezen.”
„Ik hoop, wij zullen onze vrijheid nog vroeger erlangen,” zeide Lodewijk op een toon, waarin hij de uitdrukking van troostend vertrouwen zocht te leggen. „O Bernard! deze gevangenis schijnt mij niet zoo vreeselijk! Maar de gedachte, dat ik u, den onschuldige, in dezen geheelen maalstroom van mijn ongelukkig noodlot heb medegesleept, alleen omdat gij mij liefderijk uwe hand reikt, om mij te helpen....”
„Om u met lompe, ezelachtige domheid geheel en al er in te stooten, terwijl gij zonder mijne ongeroepen dwaasheid waarschijnlijk nu aan wal waart,” viel Bernard hem bijna wild in de rede. „Wees geen kind, Lodewijk,” voer hij bedaarder voort. „Wilt gij u eindelijk daarover nog beschuldigen, dat gij de sterren van ons noodlot niet aan een draad kunt regeeren? Wilt gij van nu tot in alle eeuwigheid verantwoordelijk zijn voor al, wat mij overkomt? En toch knoopt zich slechts de eene oorzaak aan de andere, en wanneer ik over vijftig jaren aan een stikhoest sterf, zoo kunt gij mij bewijzen, dat dit daarvan komt, dat gij in 1812 op denSimplonuw plicht hebt gedaan jegens eene schoone smeekende ongelukkige.”
Lodewijk zag somber voor zich en zweeg.
„Sluit die vervloekte rekening toch eenmaal af,” voer Bernard voort.„Eindelijk kon het geluk mij nog meêloopen, en ik moest dan eeuwig dankbaar jegens u zijn en zou geen glas wijn meer durven drinken, zonder mij tegen u te buigen en te zeggen: Ziet gij, was ik toen niet met u naar Rusland gegaan, dan had ik niet met u terug kunnen keeren, en was ik niet teruggekeerd, dan had ik het hoogste lot niet getrokken, enhad ik dat niet getrokken, dan had ik de prinses niet kunnen trouwen, en had ik die niet getrouwd, dan zat ik hier nu niet in mijne prachtzaal en—kortom, ik zal u eene keten van oorzaken en uitwerkingen maken, die van den eersten dag der schepping tot aan het jongste gericht zal reiken.”
„Uwe vriendschappelijke omkleedsels zullen mij de waarheid niet doen miskennen,” hernam Lodewijk bewogen. „Ik zie de muren van dezen kerker en meet den afstand van hier naar het vaderland—en ikweetniet, maar ikgevoel, wat en wie u hier heeft gebracht.”
„Ikgevoelhet niet, maar ikweet, datikuhier heen gesleept heb met mijne domheden in Dresden! Maar gij verlangt misschien, dat ik u stilletjes in den wolfskuil had laten liggen en mij weg gepakt had, nadat ik er u eerst had ingesmeten? Duivels! nu merk ik het! Zoo ik geen lam was, kon ik woedend daarover worden. Zie ik de zaak wel in, dan wilt gij mij op eene fijne, maar des te kwaadaardiger wijze slechts verwijten doen. Doch vergeefs, mijn goede man! Mijn geweten is een krokodilsvel, eene rhinoceroshuid; ik zeg u, het is met eiken planken beslagen en schot- en vuurvrij daarenboven. Gelooft gij, dat ik voor alle zondaars verantwoord wil zijn, die onverwachts en zonder biecht naar de hel gaan, wijl zij door de steenen, waarop mijn voet onvoorzichtig of ongelukkig struikelde, verpletterd werden. Evenmin als ik 't, eene domme streek begaande, onzen aartsvader Adam wijt, dat zijn appelbeet mij de gewetensknaging heeft berokkend, welke ik namelijk gevoelen moest!—Maar ik wou wel, dat wij een goed vuur en eene kanapé met paardenhaar gevuld hadden; want het staan valt mij zoo zwaar, ofschoon ik van nacht goed geslapen heb.—Ziet gij, dat is toch een waar geluk, dat wij uitgerust en half verzadigd in deze russische spekkamer gekomen zijn. Had de schelm ons gisteren opgepakt, zoo ware dit van daag ons deftig grafgewelf, zoo snel zouden honger en koude ons stil gemaakt hebben.”
„Gij zijt zoo goed! Van alles ziet gij de heldere zijde!” antwoordde Lodewijk bewogen. „Hebt gij dan niet bedacht, dat wij juist heden slechts kenbaar konden zijn? Wie had ons gisteren met die lange stoppelbaarden, dat ongekamde haar en dat zwarte, vuile vel herkend?—Zoo wordt, wat voor een uur ons een geluk toescheen, thans een middel tot ons verderf.”
„En wie zegt u dat?—Kan het in dit eene uur zoo verkeeren, waarom dan in het volgende niet nogmaals? Moed, moed, Lodewijk! De muil des doods staat lang open, eer hij ons opsnapt; hij heeft ons in dit laatste vierendeel jaars dikwijls genoeg de tanden laten zien; hij zal ons heden niet bang maken.”
„Ik sidder niet,” zeide Lodewijk met waardigheid, „want ik durf mijne rechters, zooals ik ze niet gaarne noem, met een gerust geweten onder de oogen treden. Maar eene diepe droefheid moet mij vervullen, wanneer ik zie, hoe een rampzalige vloek op mij rust en ook hen mee ter nederdrukt, die het innigst aan mij verbonden zijn. U en Maria, en wie weet....”
„Orestes,” viel hem Bernard in de rede. „Dan laat mij uw Pylades zijn.” Hij trok hem tot zich en omarmde hem hartelijk.
Een uur, nog een tweede uur verliep; zij wachtten te vergeefs, dat men hen tot het verhoor zoude afhalen. De koude in het dompige gewelf scheen ieder uur toe te nemen. De muren waren rondom met fijne ijskristallen bezet en de grond lag zelfs hier en daar vol sneeuw, zooals de wind ze door het venster had ingewaaid. Juist verhief hij zich weder en huilde vreeselijk door het gewelf. De vermoeidheid dwong de gevangenen, zich op den ijskouden, steenen vloer neer te leggen, doch de koude joeg hen spoedig weder op. Slechts in de afwisseling tusschen gaan en liggen vonden zij de mogelijkheid, zich tegen verstijven te behoeden. Handen en voeten waren hun reeds verkleumd. Het begon donker te worden; de zon moest ondergaan. Lodewijk werd van oogenblik tot oogenblik ongeruster; Bernard floot zich de ergernis en den kommer weg.
„Ik vrees,” begon eindelijk Lodewijk, „Rasinski weet niet, wat van ons geworden is. Anders moesten wij reeds tijding van hem hebben.”
„De tijd valt iemand lang in zulk eene kooi.—Wij zijn eerst een paar uren hier. Wie weet, welke langwijlige procedures noodig zijn, eer hij tot ons komen kan.—Ach, zoo 'k een vogel waar!”
Lodewijk zweeg.
„Daar valt mij iets in”, riep Bernard op eens. „Toen de door hetDirectoiretot deportatie veroordeelde Terroristen naar Amerika gebracht werden—ik geloofCollet d'Herboisook, die slechte acteur, die echter de rol van tyran dragelijk gespeeld heeft—gaf men hun, om hen aan de magere keuken der verpeste woestijnen vanGuyanate wennen, slechts magere scheepskost. Daar begonnen de kerels te brullen, en zij schreeuwden, tot hunne kelen droog werden: „Honger, honger!” Eindelijk begon dat den kapitein te vervelen en hij beval: „Geeft den honden te vreten, opdat zij met huilen uitscheiden.”—Zoo kunnen wij hier ook doen en op de deur donderen, tot zich iemand om ons bekommert.”
Daarbij deed hij een woesten trap tegen de gesloten deur, zoodat de klank in het geheele gewelf dof naklonk. Doch hij viel tuimelend achteruit, zoodat Lodewijk moest toespringen, om te maken, dat hij niet nederstortte.
„Vervloekt!” riep hij, terwijl hij zijne tanden samenkneep, „ik dacht niet aan die duivelsche pijn in de verkleumde voeten. Dat was een gevoel, alsof ik tusschen den hamer en het aanbeeld was geraakt.—Doch het gaat mij naar verdienste.—Geduld, geduld! beveelt de leer der liefde, en ik wilde kwaadaardig op mijn lot razen. Gij moet mij een beetje ondersteunen, want de pijn is mij tot in den rug doorgetrokken!” Hij steunde op Lodewijks schouder en trok den pijnlijken voet krampachtig naar zich toe.
Daar rammelden de grendels der buitenpoort en men kwam de trappen af.
„Nu, het heeft tenminste geholpen!” zeide Bernard. „Nu doet het mij geen pijn meer.”
Vol verwachting hielden beiden de blikken op de deur gericht, welke, zoo zij hoopten, zich tot hunne bevrijding zou openen. De sergeant trad met zijne manschappen binnen.
„Ik heb bevel u in het verhoor te brengen,” zeide hij ernstig; „volgt mij.”
Door de soldaten vergezeld verlieten zij de gevangenis. Zij werden over het plein gevoerd. „Hebt gij aan mijn verzoek voldaan?” vroeg Lodewijk densergeanthalf overluid.
Doch deze wees hem met één stom gebaar, dat hij zwijgen moest.
Thans begon Lodewijk te vreezen, dat zijne rechtvaardige zaak toch wel een slecht einde kon nemen. Rasinski kon niet onderricht zijn, anders zou hij pogingen gedaan hebben, om hem te bevrijden. De keizer was in de stad; zonder twijfel zoude hij zich tot dezen zelf gewend hebben. Met deze gedachte vervuld, volgde Lodewijk werktuigelijk zijn vooruitgaanden leidsman de trap in het voorhuis op, waar men hem en Bernard in een groot verwulfd vertrek bracht. Op eene tafel aan het eind brandde licht. In het eerste oogenblik verloren de binnentredenden bijna hun bewustzijn, want de kamer was heet gestookt, en daar zij bijna bevroren waren, werkte de plotselinge warmte zoo hevig op hen. De sergeant merkte het; hij beval hun zich op eene bank neder te zetten, die in den muur was aangebracht, en daar te blijven tot hij terugkeerde. Hij liet de drie man bij hen tot wacht en ging in eene andere kamer.
„Hebt gij niet een stuk brood, kameraden?” vroeg Bernard; „wij vallen bijna flauw van den honger.Ik wil het u goed betalen!”
Na eenig dralen kreeg een der manschappen een stuk zwart brood uit zijn zak, brak het door en reikte Bernard de helft toe.
„Neem! Maar meer kan ik u niet geven. Dat is al wat ik bezit, en wie weet, of wij morgen weer iets krijgen.”
Bernard wilde hem een goudstuk geven.
„Ik ben onder de wapens,” hernam de soldaat, „ik mag geen geld aannemen. Behoud het.”
In dit oogenblik trad de sergeant weder binnen. Hij zag Bernard, die juist het brood met Lodewijk deelde, aan en vroeg: „Van wien hebt gij dat brood?”
„Van mij,” zeide de soldaat bedaard, en trad met geschouderd geweer vooruit.
„Gij zijt braaf,Cottin! maar gij hebt niet goed gedaan. Ik wil het maar niet gezien hebben.—Gij blijft als schildwacht buiten voor de deur staan; gij overigen treedt af en gaat beneden in de wachtkamer.”
De soldaten verlieten het vertrek.
„Ik heb aan uw verzoek niet kunnen voldoen,” sprak de sergeant thans Lodewijk aan; „want de graaf Rasinski had order bekomen, met zijn poolsche lanciers dadelijk naar het corps van den maarschalkNeyop te rukken. Hij was reeds twee uur weg, toen ik hem opzocht.”
Deze tijding trof beiden als een verpletterende slag. Lodewijk verbleekte en zag Bernard aan; zelfs deze had zijn bedaardheid verloren. Intusschen werd er in de andere kamer gescheld.
„Ik moet u binnen brengen,” zeide de sergeant tot Lodewijk; „gij zult het eerst verhoord worden.”
„Bernard!” zoo richtte deze zich tot zijn vriend; „gij kunt u zelf redden; beloof mij, dat gij het doen zult. Word ik hier het offer van de wraak eens ellendelings, zoo bedenk, dat gij de broeder mijner Maria moet zijn. Ik sterf gerust, wanneer ik weet dat gij gered zijt.”
„Het hoofd niet laten hangen, mijn vriend!” hernam Bernard, zonder Lodewijks rechterhand, welke deze toereikte, aan te nemen. „Wie wil u veroordeelen? Geef hun geen enkel woord toe.”
„Ik zal de waarheid, de volle waarheid spreken,” riep Lodewijk met vastheid, „tegen deze ellendigen, ben ik te trotsch, om ook maar de kleinste leugen te gebruiken. Maar beloof mij.....”
„Antwoord dan in het geheel niet; vorder het bewijs hunner rechterlijke macht.”
„Beloof mij....” viel Lodewijk hem dringend in de rede.
„Voort, voort,” riep de sergeant, „wij mogen niet toeven.”
„O Bernard!” riep Lodewijk smartelijk uit, want hij verstond hem maar al te wel. „O, Bernard!—Nu, welaan dan! Mijn lijden heeft het hoogste toppunt bereikt; ik kan niets meer verliezen, dan eer en moed, en die zal geen noodlot mij ontrooven.”
Met deze woorden trad hij, zich ras en moedig losrukkende, met herstelde mannenkracht door de zaal.
Bernard bleef alleen. Hij hield het nog ongenoten brood in de hand.—„Kwaadheid bederft den honger,” bromde hij voor zich heen. „Men kan echter door nog erger zuren gebeten worden; er zijn dingen, welke den geeuwhonger verjagen; maar die moeten bitterder zijn dan gal! Thans heb ik geen honger meer, maar ik wil u toch opeten, gij hard brood des medelijdens! De maag mocht bij slot van rekening baas over ons worden, en nu moeten hoofd en hart het zijn. Ik ben niet slaperig; maar ik wil ook slapen op deze bank, opdat doodelijke vermoeidheid mij mijne leden niet verlamme, waar zij vast moeten zijn als staal.”
Hij legde zich rechtuit op de bank om te slapen; doch had te veel op zijn vasten wil vertrouwd. Zwaarder toch dan de last der vermoeidheid lagen de zorgen op zijne ziel. Tot zijn geluk duurde de beproeving niet lang, want na nauwelijks een kwartier verscheen de sergeant om ook hem af te halen.
„Wat is met mijn vriend gebeurd?” vroeg hij haastig.
„Ik weet het niet,” was het antwoord; en in de blikken van den strengen soldaat was het te lezen, dat hij niets zou geantwoord hebben, al had hij het ook geweten.
Met een trotschen blik trad Bernard binnen. Aan eene lange tafel zatenSt. LucesenBeaucaire; twee jongere lieden waren tegenover hen druk bezig met schrijven.
„Wij kennen elkander, geloof ik?” vroegSt. Luces, terwijl hij Bernard scherp aanzag.
„Mogelijk,” hernam deze; „ik weet echter niet, hoe ik aan die eer zoude komen.” De minachtende toon, waarop hij dit zeide, gaf het eene juist omgekeerde beteekenis.
„Ben ik misschien zoo gelukkig?” vroegBeaucairemet een honenden glimlach.
„Ja, mijnheer! Ik heb u inPillnitzen in Dresden gezien; misschien ook reeds vroeger ergens, want gij hebt zekere physionomische kenteekenen, die iemand lang in het geheugen blijven.”
„Zoo? Zeer vleiend! Misschien is u ook dit gelaat niet geheel onbekend?” hernamBeaucaireen keerde een papier om, dat voor hem lag. Het was Bianca's portret dat in Lodewijks brieventasch, die men hem ontnomen had, gevonden was.
„Ik heb dit geteekend!” zeide Bernard droog.
„Ik geloof mij dit ook te herinneren,” hernamBeaucaire; „het zal te Londen in den schouwburg geweest zijn.”
Deze woorden vielen als een lichtende bliksemstraal in Bernards boezem; hij zagBeaucairescherp aan, en op eens klaarde al het duister in zijne herinneringen op. Hij had dezen hatelijken mensch in dezelfde loge met Bianca zien zitten. Alle gewaarwordingen en donkere voorgevoelens zijner borst werden in beweging gebracht door de nabijzijnde mogelijkheid van iets naders over dat wezen te vernemen, dat eene zoo raadselachtige macht op het lot van Lodewijk en hemzelven uitoefende. Hij vergat de betrekking, waarin hij thans totBeaucairestond, en riep driftig: „Wie is deze dame? Gij moet haar kennen, want gij waart bij haar!—Ik kan nog andere vragen omtrentdien avond doen, maar niet aan u,” voer hij trotscher voort, terwijl hij zich het verzuimde duel herinnerde.
Beaucairewendde zich met een duivelschen lach totSt. Luces; „ik moet bekennen, mijnheer, dat wij met knappe menschen te doen hebben. Deze heer speelt de rol van een onwetende met groote waarheid.”
„Mijnheer!” stoof Bernard op.
„Zwijg!” hernamBeaucaire, terwijl hij opeens een bevelenden toon aannam. „Meent gij, dat wij, als het ons niet tot andere oogmerken dienstig was, zulk een misdadiger als u ook slechts een oogenblik zulk een trotschen toon zouden vergund hebben?”
Bernards oogen rolden hem woest in het hoofd; niet het honende bevel vanBeaucaire, maar zijn overkokende toorn beroofde hem voor een oogenblik van de spraak. Hij sloeg zijne oogen in het rond, of hij nergens een wapen kon ontdekken; gelukkig voor hem, dat zijn oog op geen voorwerp van dien aard viel, want hij zou dadelijk den spottenden schurkBeaucairedaarmede overhoop gestoken en zijn eigen leven daardoor opgeofferd hebben. Deze zag zijn verstommen voor vrees aan en voer voort:
„Geef thans antwoord op de vragen, welke ik u zal voorleggen.—Hoe zijt gij bij de armee in dienst gekomen?”
Bernards eerste woede was bekoeld; hij gevoelde, dat hij zich met verachting boven den nietswaardige moest verheffen. Dit kon hij niet beter doen, dan door het halsstarrig zwijgen in acht te nemen, dat hem even te voren was opgelegd.
„Hoort gij mijne vraag niet? Hoe zijt gij bij de armee gekomen?”
Bernard tastte naar een bij hem staanden stoel, rukte dien nader bij, zette zich zonder plichtplegingen daarop neder en begon, als ware hij alleen in de kamer, eencontre-danste fluiten.
Beaucaireverbleekte van woede. „Sergeant”, riep hij naeenigeoogenblikken, „breng den arrestant naar zijne gevangenis terug.”
Stiptelijk gehoorzamende, trad deze op Bernard toe en zeide hem, niet zonder eene zekere uitdrukking van eerbied, die zijn stoutmoedig gedrag hem afdwong: „Ik verzoek u, mij te volgen.”
„Zeer gaarne, mijn brave kameraad,” antwoordde Bernard en ging methemnaar buiten, zonder door een groet of eenig ander teeken te verraden, dat hij hoegenaamd acht sloeg op de aanwezigheid der overigen.Beaucairebeval den beiden secretarissen af te treden; zij gingen; hij bleef metSt. Lucesalleen.
„Een verwenscht geval!” zeide deze, terwijl hij opstond; „ik zie niet in, hoe wij bij die koppige Duitschers ook maar den schijn van een procesverbaal zullen bijeenbrengen, waarop zij veroordeeld kunnen worden. Uw hartstocht,Beaucaire, heeft ons in een doolhof van de onaangenaamste omstandigheden gebracht.”
„Ik vertrouw, dat ik wel den uitgang zal vinden,” hernam deze koel en niet zonder een zekeren trots op de meerderheid van zijn eigen doorzicht.—„Wij hebben getuigen, dat de gevangene dit portret heeft erkend als door zijne hand geteekend. Deze omstandigheid, die mij zelf de zekerste overtuiging geeft, dat de beide aangeklaagden in eene nauwe betrekking tot Dolgorow hebben gestaan, zal voldoende zijn tot een rapport, dat ook den intendant-generaalovertuigt. Hoe? Wij zullen den een gelooven, wanneer hij ons eene avontuurlijke geschiedenis opdischt omtrent de wijze, waarop hij den graaf over de grenzen heeft geholpen? Men zou op zijne verzekering vertrouwen, dat hij hem te voren heel niet gekend en later nimmer meer gezien heeft, als hij hetportret van de dochter bij zich draagt? En de ander die mij te Dresden om den tuin wilde leiden, bekent het portret geteekend te hebben. En toch zouden beiden in geen de minste betrekking tot die russische familie staan? Als de brutale snaak zich niet schuldig gevoelde, waarom vluchtte hij dan tegelijk met den ander uit Dresden? Waarom vinden wij hen hier te zamen?—Wanneer ik daaruit geen verbaal opmaak, dat ten duidelijkste aantoont, hoe eene zeer vertrouwelijke, voortgezette, misschien nog in dit oogenblik bestaande verbintenis tusschen hen beiden en Dolgorow plaats moet hebben, dan wil ik mij te dom voor boerenpastoor laten verklaren. Gij en ik, die voor ons zelven de meest gegronde redenen moeten hebben, om aan beider mogelijke onschuld te gelooven, moeten thans onze meening opgeven, welke derde zou, ook maar met eenigen schijn, een tegenovergesteld gevoelen kunnen verdedigen? Laat mij twee uren tijd, ik sta u borg voor de toestemming van den intendant-generaal.”
„Ga maar niet al te ver,” antwoorddeSt. Luceseen weinig bitter; „van eene nog voortdurende verbintenis willen wij althans niet reppen. Wie te veel bewijzen wil, bewijst bij slot van rekening niets.”
„Mijnheer deSt. Luces,” hernamBeaucairegevoelig, „laat dat aan mij over. De omstandigheid, dat wij de beide lieden juist hier in Smolensko aantreffen, in welks nabijheid een gedeelte van Dolgorows goederen ligt, mag wel niet onvermeld blijven.”
„Gij hebt mij zelf gezegd,” antwoorddeSt. Luces, „dat gij nooit op die goederen geweest zijt, ja de namen niet eens juist kent?”
„Dat is waar,”viel hemBeaucairekoel in de reden; „maar mijne onkunde in dit opzicht laat zich genoegzaam daardoor rechtvaardigen, dat ik eerst in Londen in Dolgorows dienst trad en, daar ik hem alleen buitenslands vergezelde, zijne binnenlandsche betrekkingen het minst kon leeren kennen. Ook ben ik nooit zijn secretaris in zijne familie- en geldzaken geweest. Hoe onbepaalder mijne wetenschap in dit opzicht is, des te grooter wordt het veld der gissingen. Wist ik juist, waar en hoever Dolgorows slot van hier ligt dan durfde ik er niet op doelen, dat het dichtbij gelegen kan zijn, zoodat ons van daar verraad en overrompeling door verbintenis met de Russen in de stad kunnen bedreigen.”
St. Lucesging verdrietig en onrustig heen en weder. „Ik weet niet,” hernam hij na eenige oogenblikken, „wat mij in deze zaak zoo tegen de borst stuit. Is het de fatale gelijkenis van dezen heer vanRosenop iemand, dien ik gekend heb en aan wien ik mij ongaarne herinnerd zie, of houdt mij iets anders terug. Ik vrees echter voor slechte gevolgen.”
Beaucaireglimlachte. „Ik sta borg voor de beste. Graaf Rasinski kan ons geen kwaad meer doen; hij is weg—en ik geloof, dat wij niet veel van hem of zijn regiment zullen terugzien.”
„De keizer acht hem zeer! Indien hij klaagde....”
„Dan zou hij de gunst des keizers daardoor verbeuren. Of houdt gij het voor eene aanbeveling, dat de verdachten beiden in zijn regiment dienen? En bedenk hoe vertoornd de keizer op ons en onze confraters is, daar hij de magazijnen niet zoo vindt, als hij ze verwachtte. Ik hoor, hij heeft gisteren in de bovenstad een opziener van een magazijn willen doen doodschieten. Vindt hij tijd, om onze rekeningen en staten behoorlijk te onderzoeken, dan weet gij....”