„Zeg den Vorst dat maarschalkNeynog nooit de wapens heeft nedergelegd.”Rasinski had ettelijke honderden schreden links van den weg post gevat, waar hij door een besneeuwden heuvel tegen het vijandelijke kanonvuur, althans gedeeltelijk, beschut was en toch het gansche slagveld overzien kon. Zijn voorkomen was ernstig, gelijk altijd in het gevecht, maar overigens even bedaard, even moedig, welberaden en vrij, als drie maanden vroeger, toen hij bijMosaiskaan de spits van zijn regiment met leeuwenmoed tot in 's vijands gelederen doordrong. Terwijl hij zijne vlammendeblikken over het slagveld liet gaan, reed Jaromir op hem toe en fluisterde: „Wij zullen eervol vallen, Rasinski; mocht gij in het leven blijven en haar wederzien,”—Lodoiska'snaam uit te spreken waagde hij niet—„zeg haar dan, hoe innig mijn berouw was. De vergeving, welke de levende onwaardig was, zal den doode aan gene zijde de rust schenken.”„Wat spreekt gij, Jaromir!” hernam Rasinski met merkbare ontroering; „denk aan het leven. Hier zijn nog vele uitwegen.”„O, ik vrees den dood niet,” sprak Jaromir met drift, en een edele blos kleurde zijn bleeke wangen bij het denkbeeld, dat Rasinski hem van versaagdheid verdacht hield; „doch gij zelf ziet, dat slechts zeer weinigen zich hier leven en redding mogen voorspellen. Het is anders eene gruwzame scherts van de geluksgodin, dat zij den dapperste nu zoo schandelijk verraadt. Evenwel, zij is toch altijd eene Delila, die haar Simson gebonden overlevert.”„Laat ons afwachten,” hernam Rasinski met waardigheid, „of hij zijne banden nog misschien niet verbreken zal.”Gedurende dit gesprek hadRicardmet zijne manschappen den weg door de diepte afgelegd en rukte aan gene zijde in stormmarsch tegen de russische batterijen op de hoogte van Katowa op. Thans bliksemde het, als bij het opkomen van een onweder, langs den geheelen horizon, en zoover het oog reikte, werden de heuveltoppen in zwarte rookwolken gehuld. Een oogenblik later scheurde eene donderende ontploffing den dampkring vaneen, en met suisend huilen en sissen gierde een kogel- en kartetsenzwerm, als een heir onzichtbare, vliegende draken, door de lucht. Van rondom kletterden zij op de harde sneeuw- en ijskorst, waarmede het veld overdekt was, neder, zoodat deze tot stof vergruisd werd en in duizend glanzige wolken opstoof. Een blik opRicards dapperen moest het hart verscheuren, want deze ééne seconde had de helft van hen op de koude, wintersche doodbaar ter neder gestrekt. De zooeven nog dicht gesloten gelederen waren dermate gedund, dat zich de levenden als verspreide boomstammen van een neergehouwen woud aan het oog voordeden. Doch de aanvoerder is niet gevallen; zijne stem herzamelt de onverzeerden, hij rukt opnieuw tegen de den dood brakende hoogten op. Daar maait een tweede ontzettende laag der batterijen vóór hem zijne gelederen andermaal weg. Slechts weinigen worden door den vernielenden sikkel des doods gespaard; daar de overwinning onmogelijk wordt, doen schrik en ontzetting hun allen moed ontzinken en in ademlooze vlucht stormen zij terug, om in de rijen hunner wapenbroeders redding te zoeken.De maarschalkNeyrukt echter zelf reeds aan de spits zijner beste soldaten tegen den vijand op. Dicht opeengepakt, een ijzeren hart in den boezem, door den dood hunner makkers in grimmige woede ontbrand, vast besloten den laatsten bloeddroppel aan eer en wraak ten offer te brengen, stormt deze onweerswolk van helden, de koensten aan het hoofd, op den dood en verderf neerslingerende vulkanen der russische batterijen aan. Thans voelt ook de vijand, die tot hiertoe op zijne heuvels onbewegelijk had stand gehouden en slechts uit de verte den dood op zijne tegenpartij had uitgebraakt, zijne eergierigheid opgewekt. De eerste russische linie, driemaal sterker dan de gansche legermacht der Franschen, voortreffelijk gewapend, uit krachtvolle, nog geheel versche troepen samengesteld, trekt de koene aanvallers te gemoet en meent hen te omvleugelen, te verstikken, te vermorzelen.Nu is het oogenblik daar, dat Rasinski handelen moet. Hij zet zich met zijne kleineschaar in beweging, daalt neder in de diepte, rent links de hoogte op en werpt zich op de rechterflank van den vijand. Tegelijk brengen ettelijke honderden mannen lichte troepen, het waren Illyriërs, dezelfde beweging op de linkerflank ten uitvoer. Eene stomme verbazing maakt zich, bij dit gezicht, van den vijand meester. Daar hij ziet, dat de Franschen de overwinning zeker achten, begint hij aan de mogelijkheid daarvan geloof te hechten. De koene onverschrokkenheid der aanvallers beneemt hem het zelfvertrouwen. Hij wankelt, deinst terug. Nu breektNeymet zijne grimmige schaar in de waggelende linie door, werpt haar neder en jaagt ze voor zich uit, gelijk een bergstroom, die, boven den oever opbruisende, zijne machtige golven op eene vluchtende kudde nederstort. Jubelend dringt hij op de zoo vaak betreden baan der overwinning voorwaarts. Doch ach, thans verlaat hem de trouwelooze godes! Een tweede leger, als het vernieuwde hoofd der Hydra uit den grond opgerezen, rekt uit duizend ijzeren monden de roode, bliksemende tongen naar hem uit. De grond schijnt te bersten, het firmament te scheuren bij het dreunen der mortieren, die in dit oogenblik een stroom van lood en ijzer tegen hem uitspuwen. Alles wankelt; slechtsNeystaat vast in dezen orkaan. Doch welk een schouwspel ontwaart hij om zich heen! Al zijne generaals zijn gesneuveld of gekwetst en verven de sneeuw met hun bloed; zijne scharen zijn vreeselijk geteisterd, de grond is met dooden zwart bedekt! Nog eens roept hij: „Voorwaarts!” en tracht de overblijfsels van zijn leger te verzamelen, maar daar ontlaadt de vreeselijke donderwolk zich ten tweede male en slingert den duizendvoudigen dood in de verstrooide rijen. Thans dringt de onzichtbare godin der verwarring tot de scharen door en de zwerm stuift angstig naar alle zijden uiteen. Rasinski's dapperen zijn de laatsten die wijken; hij zelf beveelt de vlucht, daar deze alleen nog de mogelijkheid van redding aanbiedt. De veldheer erkent den wil van het noodlot, waartegen de sterveling zich te vergeefs tracht aan te kanten; met smartelijke verontwaardiging in de borst onderwerpt ook hij zich aan de harde noodzakelijkheid, die hem thans, daar geen andere uitweg meer open staat, de smadelijke vlucht tot eene verplichting maakt. Tot de zijnen teruggekeerd, houdt hij te midden van den grootsten hoop zijn paard staande.Kutusow, zich op zijne heuvels veilig achtende, schijnt intusschen weinig genegen, om zich meer van nabij met krijgslieden in te laten, van welke de geringste een onverzettelijken heldenmoed ten toon spreidt; uit de verte echter zendt hij onafgebroken den dood in hunne rijen. Terwijl de manschappen zich weder ordenen en verzamelen, overziet de maarschalk het slagveld met een vorschenden blik des veldheers. Zijn gelaat is ernstig, zijn voorhoofd gefronst, doch fier en trotsch. Elk soldaat heeft het oog op hem gevestigd, want slechts van hem neemt men de verzekering aan, dat alle hoop op redding vervlogen is; zoolang hij ze niet heeft uitgesproken, blijft men nog aan een minder rampspoedigen uitslag geloof hechten. Uit zijn ernstig peinzen kan men genoegzaam opmaken, dat hij over een anderen uitweg nadenkt. Geen oogenblik verliest hij den vijand en zijne bewegingen uit het oog; slechts nu en dan werpt hij een smartelijken blik op de plaats, waar hij de vluchtigste zege, maar tevens ook den onvergankelijksten roem binnen weinige minuten met het leven van zoovele dierbare kameraden betaald heeft. Intusschen duurt het moorddadige vuur onafgebroken voort, en de ruimte, die het kleine leger beslaat, is zóó gering, dat de kogels door zijn gansche diepte en breedte heendringen. Hetzelfde schot dat in de voorste gelederen eenige manschappen heeft weggeraapt, brengt nieuwe verwoestingen teweeg onder de wapens inde achterhoede, waar de gekwetsten, de zieken, de vrouwen en kinderen in hulpelooze onmacht aan het verderf zijn prijsgegeven. Welke hand zal thans redden?—Daar laat de heilige duisternis haar schemerenden sluier allengs dieper op de aarde neerzinken en omhult de verlorenen met haar beschaduwend weefsel. Thans schijnt de maarschalk den uitweg uit den doolhof des doods te hebben gevonden. Hij meet met de oogen den afstand en de stelling van den vijand, zijne blikken vliegen naar alle zijden in het rond, men ziet, dat hij den grond, waarop men zich bevindt, met nieuwe inzichten gadeslaat en dat hij nieuwe voordeelen daaraan denkt te ontwringen. Nu is de gedachte rijp geworden; hij heeft geen krijgsraad belegd, slechts zijn eigen moed, zijn eigen doorzicht heeft hij geraadpleegd. Hij wenktRegnard, Rasinski, benevens eenige andere hoofdofficieren, en deelt aan elk hunner de noodige bevelen uit. Deze ijlen naar hunne korpsen terug. Het bevel tot den afmarsch weergalmt door het geheele leger en van alle zijden breken de colonnes op. Maar waarheen? Tegen den vijand? Neen. En toch het vreeselijkste verderf te gemoet, want men keert terug, om de onmetelijke wildernissen van Rusland weder dieper in te dringen. De vijand staart van zijne hoogten deze beweging met verbazing aan; hij schijnt een soortgelijk ontwerp te vermoeden, als twee dagen vroeger door den onderkoning van Italië is ten uitvoer gebracht. Derhalve breidt Kutusow de flanken van zijn leger naar beide zijden nog verder uit en vergroot zoo het net, waarin hij den leeuw hoopt te verstrikken. Hij had hem kunnen vernietigen, één aanval ware voldoende geweest, om de weinige dapperen onder de overstelpende menigte hunner bestrijders te verpletteren, maar den koelbloedigen grijsaard scheen er meer aan gelegen te zijn, hen als gevangenen in zijne legerplaats te zien, nadat honger, koude en uitputting hen tot het nederleggen der wapenen zouden genoodzaakt hebben. Dat er andermaal eene mogelijkheid bestaan zou, om dezen tiendubbelen ringmuur van gevaren te boven te komen, dit scheen den ouden Rus geheel ondenkbaar. Het stond dus thans in zijne macht, den beroemdsten veldheer van het Fransche leger te vernietigen; doch dat was voor zijne wraak en trotschheid niet genoeg. Hij wilde hem vernederen en niet zijn hoofd, maar zijn degen aan keizer Alexander overleveren.De bevelen des maarschalks werden door de fransche soldaten met verbazing ontvangen. Hoe, sprak elk bij zich zelf, op nieuw zullen wij omdolen in die koude, akelige wildernissen, waaraan wij nog zoo onlangs niet dan met doodsgevaar ontworsteld zijn? Opnieuw keeren wij het vaderland den rug toe en wagen ons in dat vreeselijke land, waar de mensch nog ruwer en barbaarscher is dan de natuur zelve?—Met heimelijken afkeer deden zij elke schrede achterwaarts; intusschen, zij gehoorzaamden, want hun veldheer had het bevolen, en het vertrouwen op hem was het eenige steunsel van hun kracht.De duisternis scheen de vale vlucht heurer wieken te bespoedigen en daalde lager en lager naar het koude sneeuwleger af. Reeds waren de door den vijand bezette hoogten in eene twijfelachtige schemering weggezonken en nog slechts nu en dan sloeg een zware kogel in de gelederen der aftrekkenden neder, als tot een teeken, dat de opmerkzame vijand zijn buit niet uit het oog verloor.Zwijgend, met slependen tred en de borst met bange zorgen vervuld, waadden de krijgers langs ongebaande wegen door de diepe sneeuw voort. De maat van hun lijden was echter nog niet gevuld. Van lieverlede, aanvankelijk met een hol gesuis, vervolgens met gestadig heviger rukken verhief zich de orkaan; ditmaal niet de gewone, ijzigeadem van het noorden, maar een vochtige stormwind uit het zuidwesten, die de zwangere wolken aan het gewelf des hemels opeenpakte en tegelijk dwarrelende sneeuwzuilen van de aarde opjoeg. Alsof een vijandelijke demon dezen draaistroom van storm en sneeuw in beweging bracht, om de ongelukkigen daarin, als in de golvende kolken eener Charybdis, te versmoren, wervelden de gierende luchthoozen in het rond en maakten het ademhalen onmogelijk. Paarden en menschen hijgden naar lucht, de laatste kracht dreigde te bezwijken. De wind streek met dof gebulder over de vlakte; nu eens sloeg hij om in kloven en krochten, dan brak hij op den zoom der wouden en keerde afstuitend, zich zelf kruisend terug, zoodat hij, de vermoeiden mochten hunne schreden wenden, waar zij wilden, hun steeds het aangezicht rauw zweepte. De marsch werd onzeker, week links, week rechtsaf. Hier versperden diepe sneeuwkuilen den weg en men moest op zijne schreden terugkeeren, onzeker, of men den vijand naderde, dan zich van hem verwijderde; daar dwongen steile, met ijzel bedekte heuvelhellingen tot eene veranderde richting. De nacht werd duister als het graf; zwarte, dichte wolken, uit wier schoot de sneeuwvloeden dwarrelend nederstortten, bedekten den hemel. Niets bleef voor het oog zichtbaar, dan het spookachtig schemerende, witte lijkkleed, dat over de onmetelijke doodbaar der aarde lag uitgespreid. Eindelijk waren de uitgeputte krachten bezweken; de verstijfde voet vermocht geen stap meer te doen; aan de verkleumde hand ontzonk het wapen. Zelfs de veldheer scheen alle hoop op te geven en het edele hoofd onder den verpletterenden slag der vernietiging te willen buigen. Er moest ten laatste midden op de sneeuw en het ijs gerust worden, opdat de ongelukkigen althans adem tot nieuwe inspanningen scheppen mochten. De maarschalk bevond zich, te midden van Rasinski's ruiterbende, aan de spits van het korps.Regnardwas bij hem.„Weet gij nog, Rasinski,” fluisterde hij dezen in het oor, „waar zuid of noord is, of de vijand voor of achter ons staat, of wij ons rechts, dan links van den grooten weg bevinden?—Een kompas ware hier eene provincie waard!”„Als het sneeuwgestuif ophoudt, laten zich wellicht eenige sterren zien,” antwoordde Rasinski; „het duurt zoo reeds drie uren, het moet toch eens minder worden.”„Ik geloof niet, dat er voor ons nog starren blinken,” sprakRegnarden schudde mismoedig het hoofd.Rasinski pijnigde zich af, om een middel te verzinnen, geschikt, om den marsch met eenige zekerheid voort te zetten. Juist was hem een gelukkig denkbeeld ingevallen, toen de maarschalk hem driftig toevoegde: „Hebben uwe manschappen en paarden nog eenige krachten behouden, volg mij dan terstond; ik hoop een middel te hebben uitgedacht, om de richting naar den Dnieper zelfs door deze sneeuwwoestijn te ontdekken.”„Ook mij is iets ingevallen,” riep Rasinski; „kon men slechts den loop van de beek ontdekken, die door de bedding heenstroomt, aan welke wij voor een half uur genoodzaakt waren, om te keeren.”„Wij verstaan elkander,” hervatte de maarschalk met merkbare vreugde; „juist dat is ook mijne gedachte. Wij zullen zien, of wij de plaats kunnen wedervinden; gij met uwe ruiters en eenige sappeurs zult mij vergezellen.”Men begaf zich terstond op weg. De nog niet geheel verwaaide en onder nieuwe sneeuw bedolven sporen der kanonnen wezen den weg aan, dien het leger genomen had, en binnen een half uur had men de bedding bereikt. De sneeuw was door denstorm tot meer dan manshoogte daarin opgehoopt; echter raapten de sappeurs hunne laatste krachten bijeen, om ze weg te ruimen, en stuitten werkelijk op een vasten ijsspiegel.„Zoo de vorst bij dit ondiepe water maar niet tot den bodem is doorgedrongen,” sprak de maarschalk, terwijl de sappeurs reeds bezig waren het ijs door te hakken.„Dat vrees ik niet,” antwoordde Rasinski; „al deze beken hebben een warmen, drassigen grond en vriezen alleen bij de strengste koude geheel toe. Wij vinden buiten allen twijfel nog water, te meer, daar het sinds gisteren reeds gedooid heeft.”Hij had zich niet bedrogen, want juist drong de bijl door de ijskorst en er trad water in de opening. Met eenige slagen was de bijt verbreed, en men kon den loop van het water duidelijk onderkennen.„Nu zijn wij gered,” riep de maarschalk. „Deze beek moet ons naar den Dnieper geleiden, die niet ver meer zijn kan. Hebben wij dien achter den rug, dan, denk ik, zijn wij het zwaarste te boven en zullen wij onze kameraden voor ons uit spoedig inhalen.”Zonder verwijl zond hij thans de marschbevelen aan het korps af, dat zich inmiddels eenigermate van de doorgestane vermoeienis hersteld had. Gestadig den loop der beek volgende, bereikte men nog binnen het uur een dicht woud en was nu meer tegen den storm beschut, terwijl ook het stuiven der sneeuwvlokken allengs minder werd. De geringste gunstige wending der omstandigheden doet in dergelijke gevallen den verloren moed ongelooflijk spoedig terugkeeren. Vandaar ging de marsch schielijk voorwaarts. Het vertrouwen der soldaten wies nog door het gelukkige toeval, dat Rasinski in de half ingestorte hutten van een verwoest dorp een oude, kreupele boer opspoorde, die met de landstreek nauwkeurig bekend was. Deze berichtte, dat de rivier in de nabijheid was, doch dat men ze bezwaarlijk zou kunnen overtrekken, daar het ijs nog niet sterk genoeg geweest was, om tegen het dooiweder bestand te zijn. Was de overgang nog mogelijk, dan zou ze slechts op eene enkele plaats kunnen geschieden, waar de sterke kromming van den stroom de ijsschollen gewoonlijk deed opeenkruinen en dus nog eene tamelijk vaste oppervlakte aanbood, wanneer andere gedeelten reeds geheel van ijs bevrijd waren.Rasinski beloofde den grijsaard eene rijke belooning, wanneer hij hem die plaats wilde aanwijzen; terwijl hij hem tevens met den vreeselijksten dood bedreigde, zoo hij verraad pleegde.„Wees onbezorgd,” was het antwoord; „ik ben niet uit oud-Rusland, maar van den anderen oever, waar men niet zoo erg op u verbitterd is als hier. Volgt mij slechts; gij zult spoedig zien, dat ik u niet bedrieg.” Hij werd dus de gids van het leger en bracht het gelukkig aan den oever van den stroom, die de redder of de verderver van deze dappere schaar zoude worden.HOOFDSTUK V.De maan trad juist van achter dichte wolken te voorschijn en goot haar bleek licht over het landschap uit, toen Rasinski, die naast den gids voortreed, den zoom van het woud bereikte en voor het eerst de doodsche landstreek overzien kon. Slechts detusschen lage, maar steile oevers ingesloten Dnieper was zichtbaar en scheen eene zwarte reuzenslang, die kronkelend over de witte sneeuw voortkroop; want helaas, geen ijsdek was meer op den breeden stroom te bespeuren en slechts enkele schollen en schotsen werden door zijne bruisende golven voortgekruid. Rasinski, die, om zich te verzekeren dat men geen verraad had te duchten, de colonne ettelijke honderden schreden was vooruit gereden, bevond zich hier met zijn zwijgenden geleider geheel alleen en liet zijn vorschend oog over de akelige wildernis ronddwalen, in welke zich slechts het doffe gekraak en geknars der op elkander hortende ijsklompen liet vernemen.„Daar,” sprak de Rus en wees met den vinger naar eene plaats, waar de loop van den stroom zich achter steile zandheuvels scheen te verliezen, „daar staat het ijs, want in de enge kromming stapelen zich de ijsschollen opeen en, zoo zij sedert gisteren niet is weggedooid, heeft er zich ook eene baan vastgezet.”Rasinski wendde zijn paard naar de aangewezen plaats. Terwijl hij langs den zoom van het bosch voortreed, hoorde hij plotseling een gerucht in de struiken en spoedig daarop het knallen eener zweep en het snuiven van heftig aangezette paarden. Verwonderd luistert hij toe, want de wagens van de achterhoede konden onmogelijk reeds zoo nabij zijn, en bovendien geen enkel span der uitgeputte trekdieren waren thans tot zulk eene rassche beweging in staat geweest. „Loopt hier een weg door het woud?” vroeg hij den Rus. „Ja, heer,” gaf deze ten antwoord, „de weg van Syrokorenje naar Gosinoe komt hier uit. Het zijn wellicht boeren uit den omtrek. Gevaar heeft het zeker niet, want het schijnt immers eene slede te zijn.” Intusschen oordeelde Rasinski het toch raadzaam, den komenden met behoedzaamheid gade te slaan en hen, zoo noodig, aan te houden. Zoodra hij dus de slede ontdekte, trok hij een pistool uit den gordel, wierp zich midden op het wagenspoor en riep in het russisch: „Halt, of ik vuur!”De in een dichten pels gewikkelde voerman der slede deed zijne paarden stilhouden en antwoordde in dezelfde taal: „Wat wilt gij? Wij zijn eerlijke Russen, waarom ons aan te houden?” Rasinski reed nader op het voertuig toe, doch hield het pistool met overgetrokken haan in de hand. „Van waar komt gij, wie zijt gij en waarheen is de reis? Op deze vragen eisch ik voldoend antwoord,” sprak hij op een bedaarden, maar mannelijk vasten toon. De menner der slede wendde zich, in stede van te antwoorden, naar zijne reisgenooten om en fluisterde in het duitsch: „Zij zijn met hun tweeën, zal ik met het pistool antwoorden en doorrijden?”Rasinski had thans de onbekenden nader in oogenschouw genomen; naar hunne kleeding te oordeelen, waren het twee mannen en twee vrouwen. Daar hij uit de ten deele opgevangen woorden des geleiders opmaakte, dat het geen Russen waren, kwam hij op het denkbeeld, dat het wellicht voortvluchtige officieren van de armee zijn konden. Ten einde zich zekerheid te verschaffen, bracht hij zijn paard dicht aan de slede, hield een der mannen het pistool op de borst en sprak in het duitsch: „Wij beiden zijn niet, wat wij willen schijnen; het moet blijken, of wij vrienden of vijanden zijn. Nogmaals vraag ik....”Doch een juichende uitroep belette hem uit te spreken. „Rasinski, Rasinski!” klonk het van de lippen der gedreigden en Lodewijk wierp zich buiten zich zelf van vreugde aan zijne borst. Tegelijk herkende hij ook de stem van Bernard, die met woeste drift uit de slede sprong, om van de andere zijde op hem toe te snellen. Rasinski sprong van het paard en klemde de vrienden aan het kloppende hart. „O God, welk een dankben ik U voor deze genade schuldig!” snikte hij, hevig ontroerd, en warme vreugdetranen rolden van zijne mannelijke wangen.Hoe wisselden thans vragen en antwoorden elkander met eene verbazende snelheid af! Het hart was niet in staat te bevatten, wat de bevleugelde woorden ontdekten. Het dreigende doodsgevaar, ongeloofelijkste redding, het vinden der meest geliefde wezens, nieuwe gevaren en uitreddingen aan de eene zijde; aan de andere daarentegen onuitsprekelijke zorgen, vreeselijke angst, gestadig nieuwe tegenspoeden en worstelingen en thans dit wedervinden der vrienden aan den dorpel der redding.„Leeft Jaromir?” „Waar is Boleslaw?” vroegen Bernard en Lodewijk uit een mond. Thans eerst herinnerde Rasinski zich, dat een leger hem op den voet volgde; hij keerde zich om, wees op het bosch en antwoordde: „Daar komen zij met de onzen.”Juist zag men de eerste ruiters te voorschijn komen. Rasinski wierp zich weder in den zadel en haastte zich, den maarschalk van de aanwijzingen van den gids bericht te geven. Hierop zocht hij Jaromir op, dien hij bij den wagen van Boleslaw aantrof, zoodat hij aan beiden tegelijk de blijde tijding kon overbrengen. De jongelingen, Rasinski op den voet volgende, ijlden met onstuimig ongeduld naar de wedergevondenen toe en begroetten hen met al het vuur der jeugdige vriendschap. Het was sinds langen tijd de eerste lichtstraal in beider neergedrukte ziel. Rasinski liet hun den tijd, hun geluk ten volle te beseffen, daar hij zelf zich met de zorg voor de troepen belastte.Zoo vernamen nu ook de jongelingen de aan het wonderbare grenzende ontmoetingen hunner beide innigste vrienden en zij mochten de bruid en de zuster met warme hartelijkheid begroeten. Ook Bianca gevoelde zich gelukkig door het geluk van hen, die haar het dierbaarst op aarde waren, en haalde vrijer adem, daar zij zich nu eerst van hare redding verzekerd achtte. Met nog menigerlei gevaren toch hadden de vluchtenden, sedert zij het jachtslot verlieten, te worstelen gehad. Bernard was door zijne wonde zoodanig verzwakt geworden, dat het hem onmogelijk werd de reize dadelijk voort te zetten. Onder het gastvrije dak van vader Gregorius vonden zij wel is waar eene schuilplaats, maar toch slechts eene zeer onzekere, daar zij den volgenden dag reeds vernamen, dat Dolgorow zijne vrijheid had terug bekomen. Elk oogenblik hadden zij nu des graven wraak te vreezen en moesten zich derhalve des daags in een grafgewelf der kerk schuil houden, tot zij onder de bescherming der duisternis door Gregoor naar een van zijne ambtsbroeders konden worden overgebracht, die hen vijf dagen lang in zijn huis verborgen hield. Van daar zetten zij, daar Bernard weldra genoegzaam hersteld was en de russische legers van alle zijden naderden, wederom in het geheim en bij nacht hunne vlucht voort. Den vorigen dag hadden zij in het dichtste van het woud doorgebracht, in dezen nacht hoopten zij het werk der redding te voleindigen en het fransche leger te bereiken.Willhofen, die het best met de landstreek bekend was, bestuurde de slede;Jeannettewas Bianca's getrouwe gezellin gebleven. Aller lot scheen nu, zoodra zij den anderen oever der rivier zouden bereikt hebben, beslist te zullen worden.Maar hoeveel onheil, jammer en namelooze ellende stapelde zich nog op den smallen weg opeen, die tusschen hen en de gehoopte redding gelegen was! Het gansche leger had zich reeds in zwart gewemel over de naar den stroom afdalende sneeuwvlakten verspreid; maar met verbazing zag men, dat het zich steeds dichter en dichter aan den oever opeendrong, zonder dat aan de overzijde iemand zichtbaar werd.Willhofenwilde thans ook met zijne slede naar de rivier afdalen; doch het gedrang was reedszoo groot geworden, dat hij den oever onmogelijk bereiken kon. Rasinski wist zijne vrienden in de steeds toenemende verwarring te vinden en berichtte met niet weinig bezorgdheid, dat geen wagen en misschien zelfs geen paard de rivier konovertrekken, daar het ijsdek voor zulk een last te zwak was en nog slechts uit eenige opeengeschovene schollen bestond, die òf reeds onder water stonden, òf niet dan door eene zeer dunne ijskorst werden saamgehouden. Slechts enkele manschappen hadden het derhalve gewaagd, naar den anderen oever over te trekken, en van hen waren nog verscheidenen verongelukt, die in de diepe spleten en kloven tusschen de schotsen wegzonken. De maarschalk had dus voor het oogenblik elke verdere poging verboden, vooral daar zijne menschelijkheid niet kon toelaten, dat men den overgang bewerkstelligde, zonder die duizenden gewonden, vrouwen en kinderen af te wachten, die met hunne uitgeputte krachten niet in staat geweest waren, den vreeselijken marsch door storm en sneeuwvlagen vol te houden. Er waren dus drie uren tot uitrusten en ter herzameling der krachten toegestaan, gedurende welk tijdsverloop men nog het mogelijke beproeven wilde, om, door de niet te breede gaten met stroo en takken aan te vullen en de overige althans voor het oog kenbaar aan te duiden, den overgang minder gevaarlijk te maken.Bianca zag zich dus thans door de zonderlinge aaneenschakeling harer lotgevallen op eenmaal midden in het krijgsgewoel verplaatst. Ofschoon hare maagdelijke schuwheid haar dit woeste bedrijf der mannen met huivering en schrik deed gadeslaan, gevoelde zij zich toch door Lodewijks en Bernards nabijheid gesterkt en opgebeurd. Tegen uitwendige gevaren was zij met den moed van edele zielen gewapend, die zich staande houden door het bewustzijn, dat er buiten dit leven nog iets beters en eeuwigs bestaat, hetwelk geen vreemd geweld, maar slechts onze eigene afval van de waarheid ons kan ontrukken. Echter moest zij zich nog met andere krachten toerusten, dan met die, waardoor men tegen zijn eigen lot bestand is; zij was bestemd, getuige te zijn van den onbeschrijfelijken jammer der vele duizenden rampzaligen, die hier den dood zouden vinden.Tegen middernacht gaf de maarschalk, die zich dit korte uitstel met onverzettelijke koelbloedigheid had ten nutte gemaakt, om zich door een verkwikkenden slaap tot nieuwe vermoeienissen te sterken, bevel, den overgang in geregelde orde te beproeven. Stil, ernstig, in gesloten gelederen rukte een regiment lichte infanterie op de rivier aan, doch nauwelijks hadden de eerste rotten eenige schreden voorwaarts gedaan, of plotseling deed zich een dof gekraak onder hunne voeten hooren en de bodem begon te waggelen. Door driftig voortdringen hoopten zij zich nog te zullen redden en verdubbelden derhalve hunne schreden; doch daar andere massa's volgden, werd de drukking op de ijsvlakte gestadig sterker. Zij zonken met de schollen tot aan de knieën in het water; de voet kantelde, gleed uit, zij stortten neder. Daar scheurde het ijs met luid gekraak vaneen, een diepe, zwarte afgrond opende zich en verzwolgen waren de ongelukkigen, die zich aan de verraderlijke schots hadden toevertrouwd! Een luid angstgeschreeuw verhief zich; ontzet en verbijsterd keerden de naastvolgenden om en wierpen zich, met geweld terugdringende, in de gelederen hunner kameraden, die reeds op den stroom aanrukten.De maarschalk was overal zelf tegenwoordig. Geheel verpletterd zag hij zijne dapperen in den gapenden afgrond wegzinken. Nog verhief zich hier en daar een hoofd, een arm, en een jammerende angstkreet verscheurde het hart; doch na eenige secondenwas alles verdwenen en eene huiveringwekkende stilte legerde zich op de golven.„Zóó is het onmogelijk,” sprak de maarschalk, zich met geweld vermannende. „Een voor een moeten wij het beproeven.”Thans werd een rot van twintig man afgezonden, die elk afzonderlijk van schots op schots klimmende, den anderen oever trachtten te bereiken. Dit gelukte. Eene nieuwe hoop doorgloeide de borst der soldaten. Daar hoorde men op een niet verren afstand het donderen van het geschut! Dit geluid herinnerde weder aan de overmacht van den vijand, die elk oogenblik de sporen van het leger ontdekken en ze volgen kon; de zucht tot redding kreeg daardoor in elke borst te zeer de overhand. Kwam de vijand opdagen, zoo waren zij gered, die de overzijde bereikt hadden, terwijl integendeel zij, die nog op den oever verwijlden, zich reddeloos verloren moesten achten. Met woeste onstuimigheid drongen de massa's derhalve op den oever aan en verhaastten hun eigen verderf, door te wedijveren wie de gevaarlijke reddingsbaan het eerst betreden zoude. Bevelen, voorstellen, gebeden zijn vruchteloos, zelfs de maarschalk tracht te vergeefs zijn gezag te doen gelden. Zijne nabijheid vreezende, begeven de ongelukkigen zich naar andere punten, waar de duisternis hen aan zijn oog onttrekt. Zoo wordt, wat hunne redding had kunnen worden, hun ondergang; de haast, de blinde begeerte, de onvoorzichtigheid dooden hen. Het ijs wordt te zwaar belast, het vermag de massa's niet te dragen, het buigt, kraakt, stort in. Het gedrang beneemt aan ieder het gebruik van zijne kracht en behendigheid. De kameraad stoot den kameraad, de vriend den vriend, de soldaat het heilig geachte hoofd des aanvoerders in den poel des verderfs neder. De gansche oppervlakte van het ijs weergalmt van krakend vaneensplijtende schollen, van gierende angstkreten, van razende vloeken en verwenschingen. De oever aan de overzijde strekt hun, die hem bereiken, eene steile met ijs ompantserde borst te gemoet. De door schrik en inspanning uitgeputten vermogen dien niet meer te beklimmen; zij tuimelen van de hoogte naar beneden, rollen naar den stroom af en breken het ijsdek of hunne eigene, half verstijfde leden. Bloedend wentelen zij zich op de harde schollen rond en kermen te vergeefs om hulp. Het medelijden is doof geworden, de menschelijkheid uit elke borst verbannen. Over de stuiptrekkende lichamen hunner broeders dringen de nakomenden gevoelloos voort en de ruwe voetstap van den onverzeerden kneust en misvormt de borst en het gelaat van den bezwijkenden makker. Maar in het volgend oogenblik reeds achterhaalt hem de Nemesis; ook zijn voet glijdt uit, ook zijne hand weigert hem den reddenden dienst, ook hij rolt op het ijs terug en kermt hulpeloos aan de zijde van hem, dien hij nog zoo even meêdoogenloos met voeten vertrapte.De gewonden, de vrouwen en kinderen aan den oever hooren het jammergeschrei der ongelukkigen door den nacht weergalmen; de donkere sluier welken deze over het tafereel heenspreidt, vermeerdert nog de ontzetting, want de scheppende verbeelding maalt de verschrikkingen van het verderf met reusachtige trekken af. Eene razende vertwijfeling grijpt de versagenden aan; kermend en de handen wringend dwalen zij langs den oever rond. Eenigen, aan wie dit lijden vreeselijker toeschijnt dan de dood zelf, storten zich in blinde razernij in de gapende wakken van den stroom neder; anderen, aan alles en vooral aan hunne eigene kracht wanhopende, werpen zich jammerend op den ijskouden grond en verwenschen hun daarzijn en den dag hunner geboorte!Dit was het tafereel, dat zich aan Bianca's blikken voordeed. Een tijdlang had zijmet stomme gelatenheid hare smart gedragen; thans werd zij daardoor overweldigd, barstte in tranen uit en zeeg aan de borst des broeders neder, die te vergeefs al zijne mannenkracht inspande, om bedaard te schijnen. Gaarne had hij zich op zijne gewone ruwe wijze lucht gegeven, maar om zijne zuster, die hem thans immers het liefste was, wat hij op het wijde wereldrond bezat, bedwong hij zich en sprak haar geruststellend toe: „Troost u, lieve zuster; de Algoede heeft ons voorzeker niet vereenigd, om de eerste bloesems van ons geluk hier onder de ijsschollen van den stroom te vernielen. Zijn oog waakt over ons!”„O mijn broeder,” hernam zij, „zie op de ellende om ons heen; zij verscheurt mij de ziel! Ach, ik ben immers niet zóó ondankbaar, om over mij zelve te klagen!”Lodewijk trad nader en sprak met zachten ernst: „De Almachtige heerscht ook te midden dezer verschrikkingen, lieve Bianca. Die de stroom in zijne diepte begraven heeft, zijn zij niet bevrijd van een eindeloos lijden? Ach hunne borst is immers reeds rustig en misschien zien zij nu reeds met een verhelderd oog op de donkere aarde neder! Laat u door het akelig gezicht van de korte worsteling niet verschrikken.”Rasinski, die nog altijd te paard zat en ordende en regelde, waar zulks slechts geschieden kon, kwam op dat oogenblik nader en sprak de vrienden aan:„Houdt u slechts rustig, mijne besten, doe niets met overhaasting, want hier vrees ik geen gevaar. Slechts de schrik, die de soldaten heeft aangegrepen, is hun ondergang.—Ook ik blijf met mijne ruiters tot het laatste toe; doet dus geene poging, eer ik u kom waarschuwen. Wellicht is er nog mogelijkheid, om ook de wagens en sleden over te brengen.”De kalme bedaardheid, welke Rasinski te midden der bedenkelijkste ontmoetingen wist te bewaren werd een vast steunsel voor allen, die hem omgaven. Wel is waar was hij op hetzelfde oogenblik weder verdwenen, om eenige grenadiers, die niet ver van den oever door het ijs waren gezakt, te hulp te snellen, doch de weinige seconden zijner tegenwoordigheid waren voldoende geweest, om aan allen nieuwen moed en nieuwe verwachtingen in te boezemen.Allengs begon het tooneel zich te ontwarren; de troepen waren meerendeels over, slechts tot het overbrengen van voertuigen en kanonnen had men nog geene pogingen in het werk gesteld. Rasinski's ruiters waren ter dekking van een wagentrein met zwaar gekwetsten achter gebleven. De maarschalk ging te voet aan den oever rond en gaf nog gestadig bevelen; hij wilde, als de kapitein van een strandend schip, het wrak van zijn korps niet verlaten, eer hij het reddeloos verloren zag.Eindelijk was de overgang volbracht en de scharen begonnen zich aan gene zijde reeds weder te ordenen. Thans zou men beproeven, of het mogelijk was, eenige wagens over te brengen, waarop zich zoodanige gekwetsten bevonden, die geheel buiten staat waren, te voet te gaan. Door den gestadig nieuw aanbrengenden stroom werden de schotsen bij elke opening dadelijk weder dicht op elkander geschoven; ook had men van lieverlede de plaatsen leeren kennen, die de veiligste baan aanboden. Op deze zou thans de proef gewaagd worden. Voorzichtig worden de wagens van den oeverkant nedergelaten; ongeveer dertig schreden houdt het ijs. Daar stort het plotseling in. Luid angstgeschreeuw verheft zich, de ongelukkigen verzinken, zij kampen met den vloed, zij worstelen onderling om de laatste, reeds half uitgebluschte vonk van hun jammervol leven. God en menschen roepen zij smeekend om redding aan. Vruchteloos! Weinige oogenblikken zijn genoeg, om hen allen in de diepte te doenwegzinken, en op de door de ziel snijdende angst- en jammerkreten volgt eensklaps weder de huiveringwekkende stilte, die slechts door het doffe ruischen en kabbelen van den stroom en door het holle dreunen en horten der ijsmassa's wordt afgebroken.Met hevig, maar gewelddadig beteugeld smartgevoel staart de veldheer de plaats aan, waar de edelste, de dapperste, de aan de diepste wonden bloedende martelaars door den zwarten afgrond zijn verslonden geworden. Daar beweegt zich nog iets boven de oppervlakte van het water! Een klagelijk geluid laat zich hooren; men ziet eene gestalte op eene schots, nu dalend, dan rijzend ronddrijven.„Daar is nog iemand te redden,” roept de menschelijke veldheer en waagt zich zelf op de gevaarvolle baan, waar elke mistred naar het graf voert. Rasinski, die in de nabijheid is, springt pijlsnel van het paard en vliegt den maarschalk te hulp.Werkelijk is het een der zoo even verongelukten, die als door een wonder uit de diepte van den afgrond opduikt, doch, zwaar gekwetst en krachteloos, niet in staat is de vaste schol te beklimmen. Daar strekken zich de bevriende armen naar hem uit; zijn veldheer en Rasinski zijn het, die hem de reddende hand toereiken. Zij trekken hem op den vasten grond, geleiden hem naar den oever—hij is den dood ontrukt. Doch nu begeven hem de krachten; het verstijfde, uitgeputte, verbrijzelde lichaam houdt de ziel niet meer in vaste banden—zij ontvliedt! Zijn dwalend oog valt op zijne redders, zoekt vervolgens zijn vaderland, breekt, en sluit zich voor eeuwig.Eene minuut wandelt de maarschalk in sombere mijmering op en neder; eene minuut is hij mensch en vriend, in de volgende weder geheel veldheer.„Wagens kunnen niet worden overgebracht,” spreekt hij op een beslissenden toon; „vernagelt de kanonnen! Pakgoederen en levensmiddelen, die niet vervoerbaar zijn blijven voor diegenen achter, die ons niet kunnen volgen.”Met dit bevel is het doodvonnis over de ongelukkigen uitgesproken, die op hunne eigene kracht niet meer kunnen vertrouwen. Een luid weeklagen verheft zich; wie nog een voet, nog eene hand verroeren kan, klimt met moeite van de voertuigen, om zich naar den anderen oever voort te sleepen. De anderen plunderen in vliegende haast de bagage, want deze bevat, wat alleen redden kan, den geringen spijsvoorraad, de beschermmiddelen tegen de nijpende koude, de noodzakelijkste behoeften! Bijna niets is te vervoeren en toch kan men niets ontberen! Zij grijpen, werpen weg, grijpen nog eens aan, slingeren opnieuw van zich.Als razenden, wier have in vlammen staat, redden zij in hunne verbijstering het minst bruikbare. Velen konden niet tot een besluit komen. Daar hooren zij het geroffel der trommen, die aan de overzijde den afmarsch aankondigen, de angst van terug te blijven grijpt hen aan, en in wilde vertwijfeling snellen zij op de rivier toe en wagen de poging tot redding.Thans eerst denkt Rasinski aan zich zelf, aan zijne vrienden. Met de uitdrukking van diepen weemoed in stem en gelaatstrekken nadert hij de slede, waarop Bianca metJeannettegezeten is. „Vorstin,” spreekt hij haar aan, „de nood wil, dat gij u aan eene harde beproeving zult onderwerpen. Wagens en sleden zijn niet over de rivier te brengen; met de paarden zal ons dit, hoop ik, gelukken. Voorzie u dus van het onontbeerlijkste. Zonder twijfel bereiken wij spoedig eene bewoonde plaats, waar wij voor vrouwen ten minste hulp zullen weten te vinden!”Bianca sloeg den sluier terug, stond op en antwoordde met aandoening: „Gij zijt zoo goed—maar ik vrees deze beproeving van het lot niet,” ging zij met meer kalmtevoort; „ik voel moed, deze bezwaren te verduren. Slechts het lijden van al deze hulpeloozen heeft mij zoo hevig ontroerd en verlamde mijne eigene kracht. Thans zal een strengen dwang mij heilzaam zijn.”De paarden werden afgespannen en met eenige bagage, doch niet te zwaar, beladen.Willhofengeleidt het eene, een van Rasinski's ruiters, van welke reeds eenigen te voet gingen, het andere. Rasinski zelf gaat vooruit, wijl hij de baan, welke men volgen moet, het best kent. Bianca wordt door Lodewijk en Bernard,Jeannettedoor Jaromir en Boleslaw ondersteund.Daar de weg naar den oever door wagens, pakgoederen en honderden ongelukkigen, welker angstgeschreeuw de lucht vervult, versperd is, laat Rasinski de zijnen een omweg maken. Plotseling verneemt Bianca's angstig luisterend oor het kermen van een kind.„Mijn hemel,” roept zij, „zou hier ergens een kind hulpeloos zijn achtergelaten? Wanneer wij al de anderen niet kunnen redden, dit onschuldige leven mogen wij toch niet prijsgeven.” Haar blik volgt het oor, zij luistert, heeft de richting gelukkig gevonden. Het arme schepsel moet zich tusschen de wagens bevinden. Zij snelt er heen en vindt werkelijk een in stroo en dekens gewikkeld, verlaten, op een wagen liggend kind, dat zij met teederheid opheft. „Arme kleine,” spreekt zij op zachten toon, „kon uwe moeder u zoo vergeten? Ik wil uwe moeder zijn, tot zij terugkeert.” Zij neemt het in haren arm en duldt niet dat Lodewijk of Bernard haar van den zoeten last ontheffen. Vriendelijk stelt zij de angstig weenende kleine gerust, die zich spoedig vol vertrouwen aan haar vastklemt. Eene zalige vreugde doorgloeit hare borst bij de gedachte, dat zij ten minste één wezen uit dezen afgrond des verderfs gered heeft. Zoo keert zij terug en toont aanJeannetteen de overigen den kostelijken schat, dien zij gevonden heeft. Boleslaw herkent het kind; het isAlisette'sdochter. In de hevige ontroering ontvalt dit woord dochter aan zijne lippen. Jaromir hoort het, vraagt, vorscht en blijft, daar zijn vriend een bepaald antwoord tracht te ontwijken, met verdubbelde hevigheid op eene verklaring aanhouden.„Zeg mij de waarheid,” roept hij uit, „de volle, zuivere waarheid. Boleslaw, zoo gij u mijn vriend noemt—bij deze gevaren, die wij deelen, bij de trouw, die wij elkander altijd bewezen—zeg mij de waarheid!”Zoo vernam JaromirAlisette'sondergang en doorzag tevens het gansche weefsel van huichelarij en bedrog, waarmede zij hem omsponnen had.—Hij was hevig geschokt, doch geen traan welde in zijn oog op, geen woord vloeide van zijne lippen. Hij smoorde de stomme smart, dit bittere mengsel uit bedrogen liefde, bedriegelijke begoocheling der zinnen, verachting, medelijden en diep berouw, in de binnenste schuilhoeken zijner hijgende borst, en leed zwijgend, zag bleek als een marmerbeeld.Thans had men den stroom bereikt; de gevaarlijke overtocht begon en de beschermende hand des hemels leidde de schreden der beangsten gelukkig tot het doel. Van hoe nabij het gevaar hen ook aangrensde, hoe dikwijls de grond ook onder hen kraakte en de voet bij zwarte afgronden uitgleed—de waakzame redding was gestadig nader dan het loerende verderf. Zij betraden den anderen oever en haalden weder vrij adem.Diep ontroerd drukten de vrienden elkander aan het hart, keerden zich tot Rasinski, die zij gevoelden dat hun redder geweest was en overstelpten hem met bewijzen van dankbaarheid en liefde.„Zoek daar boven den Helper,” sprak deze en hief de hand ten hemel. „Hem, dieboven de sterren woont, wiens oog door nacht en nevel blinkt, Hem komt de eer toe en niet mij!”Plotseling drong een man met woeste onstuimigheid door het dichtste gewoel en wilde Rasinski voorbijsnellen; deze herkendeRegnard. „Waarheen?” riep hij hem toe en hield hem staande.„Laat mij!” gaf deze driftig ten antwoord en wilde zich losrukken; „ik moet naar den anderen oever terug. De ongelukkige, die mijn kind bewaken zou, heeft het achtergelaten. Ik moet het redden.”„Het is gered!” riep Rasinski.„Hoe? Waar?” stameldeRegnarden blikte angstig in het rond.Rasinski wees den van vreugde bevende naar Bianca. Deze had het gesprek aangehoord en trad hem te gemoet.„Gij arme kleine!” riep de vader met roerende teederheid en nam het kind op zijne armen; „zijt gij dan waarlijk ten tweeden male gered?”Zijne vreugde was zoo groot, dat hij bijna aan geen dankbetuigingen denken kon; half beschaamd wendde hij zich echter tot Bianca, en zeide: „Gij waart de beschermengel van dit hulpelooze wezen! Eisch mijn leven, zoo gij wilt; als man van eer geef ik u mijn woord, dat ik het gaarne voor u wil opofferen. Maar blijft gij dan ook de moeder van deze verlatene wees?”„Vertrouw thans het kind aan mij toe,” sprak Bianca vriendelijk; „het zal zijne moeder niet missen!”„Ja, dat wil ik,” hervatteRegnard; „zoo de Almachtige u spaart, is ook dat jonge wezen behouden. Gij zult het niet vergeten in het uur des gevaars!”„Voorzeker niet,” sprak Bianca; „en zij zal eer mij beschermen, dan ik haar, want Gods engelen waken over dit schuldelooze hoofd.—Ook heeft zij mij reeds hartelijk lief, niet waar, kleine?”De koudeRegnard, wiens ijzeren voorhoofd bijna nimmer door een vriendelijk lachje ontrimpeld werd, vertoonde thans in al zijn gelaatstrekken de hevigste ontroering en heldere tranen rolden langs zijne wangen. Hij kon niet spreken, of wilde niet, daar hij zijne aandoening zocht te verbergen.Bernard beschouwde hem met innige deelneming en fluisterde zijnen vriend in het oor: „Aan hem ziet men, dat het noodlot ijzer tot was kneedt. Het moet hem dan ook met reuzenvuisten hebben aangegrepen, dat het tranen uit zijn stalen hart perst en warme vonken uit zijn koude marmerborst slaat.”„Gij bedriegt u, mijn vriend,” antwoordde Lodewijk; „niet de slagen van het lot hebben hem verpletterd, die blijft hij als altijd het hoofd bieden, maar de warme zon der liefde doet door hare stralen het ijs van zijne borst versmelten en ontlokt geurige bloemen aan den grond van graniet. O, geloof mij,in de diepte van elke borst ligt de gouden zaadkorrel der liefde verholen en ontkiemt ook, zoodra een zonnestraal tot haar doordringt.”„Toch wel niet, voor en aleer het scherpe ploegijzer van het ongeluk den harden grond van alle zijden heeft losgewoeld.”„Is dat zoo, dan willen wij den hemel dankbaarder zijn voor de smart dan voor de vreugde, die hij ons verleent,” sprak Lodewijk met aandoening.„Daartoe heeft men ook dikwijls reden,” vervolgde Bernard; „en zijn ook wij niet in die school geweest? Hoe diep en dikwijls moest de pijn der smart, het vuur destoorns, het ijs der versmading, ja zelfs het gif der zonde mij door het hart dringen en daarin branden en invreten, eer het week en vruchtbaar werd voor de heilige zaden van vriendschap en liefde!”„En lagen deze dan niet altijd in u?” antwoordde Lodewijk. „Gij miskent en misvormt u zelf, mijn vriend!”„Zoo iets droeg ik er zeker van bij mij,” sprak Bernard, „maar geen echt, gelouterd metaal; en nog is het niet van alle slakken gezuiverd. Wellicht duurt het nog lang, eer het zulk een helderen, gouden klank geeft als bij haar!” Hij wees op Bianca, die nog metRegnardsprak.„Zij, ja,” hernam Lodewijk, „is als eene vaas van het zuiverste kristal, die, wanneer men haar aanroert, de welluidendste toonen doet hooren!”Gedurende dit gesprek hadden de troepen zich verzameld en weder in beweging gezet.Willhofenbracht de beide paarden, die hij voor Bianca enJeannettemet dekens gezadeld had, de vrouwen werden opgetild, Bianca nam het kind vóór zich en de oude bediende sloeg de teugels om den arm, ten einde de paarden te geleiden. Spoedig nam een dicht woud de vluchtenden op, en onder de bescherming der duisternis schenen de dreigendste gevaren gelukkig afgewend.HOOFDSTUK VI.Bij het groote leger hadden de diepste droefheid en bekommernis geheerscht, wijl men niet meer hopen durfde, dat de prijs gegeven heldNeyuit de sneeuwvelden van oud-Rusland, welks grenzen door tallooze vijanden bewaakt werden, een uitweg vinden zou. Wanneer de garde des keizers, toen zij, om Eugenius enDavoustte redden, onder diens eigen aanvoering terugkeerden, reeds zulk een vreeselijken kamp moest doorstaan, wanneer de armee van Italië slechts door een wonder had kunnen gered worden—wat kon men dan nog van hen verwachten, die, meer dan twee dagmarschen achter, van alle zijden door den vijand waren ingesloten? Eene sombere mistroostigheid had zich van allen meester gemaakt; zelfs in zijne eigene redding mocht niemand zich verheugen, zoolang de koene, edele leeuw in den kerker des vijands versmachtte of wellicht onder de knodslagen der overmacht verpletterd werd. De keizer zelf, schoon hij uiterlijk en waar hij zich voor het oog der soldaten als mensch of veldheer moest vertoonen, zijne onverzettelijke kalmte en bedaardheid bleef behouden, kon zijne bezorgdheid en zijn kommer voor zijn nadere vertrouwden niet langer verbergen. Men zag hem somber, met gefronst voorhoofd, de handen op den rug gekruist, in de armoedige, half ingestorte hutten van Krasnoe, Lyadi, Rasasna en Orsza, waar de beheerscher van Europa thans zijn nachtverblijf moest nemen, op en neder wandelen. Zijne vertrouwden zaten of stonden zwijgend om hem heen en hadden den moed niet de diepe stilte af te breken. De smart over het verlies van zoovele duizenden zijner getrouwen, den smaad zijner nederlagen, de vernietiging van alle zijne verwachtingen had hij met onbezweken standvastigheid gedragen; het verlies van zijn koensten veldheer, van zijn warmsten vriend bedwong zelfs dezen kolos, die gewoon was, te midden der stormen en vlagen van het noodlot als eene rots vast te staan en de onweders op zijne kruin te doen afstuiten.Door gevechten en inspanningen vermoeid, had het leger met een tragen tred, want de keizer wilde de geopende baan der redding niet betreden, zoolang hij zijn kostelijkst edelgesteente aan den vijand verpand had, tegen den laten avond Orsza bereikt. Eugenius,Davousten Mortier legerden zich met hunne troepen in de stad en vonden hier, na eene maand van lijden en ontbering, voor de eerste maal eene veilige schuilplaats, een dak tegen de snijdende winterkoude en eene legerstede, waarop zij de vermoeide leden konden uitstrekken. Men scheen de pijnlijke vermoeienissen te boven te zijn en met den ijzeren dwang der gebiedende noodzakelijkheid weken ook de krachten, die de wil alleen niet tot zulk eene vreeselijke gehoorzaamheid vermocht te dwingen. Uitgeput waren de krijgslieden op hunne legersteden nedergezonken en vergaten in de armen van den slaap het doorgestane lijden.Het was nacht.Daar hoort de nog in het late uur voor de zijnen wakende Eugenius de stille straten van het stadje van luiden hoefslag weergalmen. Luisterend buigt hij zich uit het venster, ziet ruiters naderen en roept hen aan.„Werda?”„Poolsche cavalerie!”„Van waar?”„Van het korps van maarschalkNey!”Dit antwoord dringt den koning als een gloeiende vuurstraal door het hart. „Leeft hij? Is hij gered?” vraagt hij driftig.„Hij komt op den rechteroever des Dniepers aanrukken,” hervatRasinski, die door den maarschalk was uitgezonden; „doch de Russen vervolgden hem en ik kom hulp vorderen.”„Gij zult ze hebben,” juicht de veldheer en verschijnt na weinige oogenblikken met zijne officieren op de straat. De tamboers slaan den generalen marsch, men ijlt van huis tot huis, om de soldaten op te roepen. Doch welk een eisch! Nauwelijks hebben ze eindelijk de eerste plaats van rust en zekerheid bereikt, nauw heeft de slaap de uitgeputte soldaten in zijne zachte armen gesloten en reeds wederom zouden zij naar buiten in den onmetelijken oceaan van ijs en sneeuw, zouden zij terugkeeren in de wildernis, aan welke zij zoo even eerst met doodsgevaar ontworsteld zijn! Wie kan hen daartoe noodzaken! Liever kiezen zij den dood, dan de vernieuwing van dat lijden. De roffelende trommen hooren zij niet, met zoo vaste banden houdt de slaap hen omstrikt; met moeite opgeroepen en opgericht tuimelen zij half bewusteloos weder op de warme legerstede terug. Laat de vijand, dien zij wanen, dat de stad overvallen heeft, hen vermoorden; elke tegenstand is toch vruchteloos; waarom zouden zij de verlamde spieren nog eens op de pijnlijke folterbank spannen, waarom de martelingen vernieuwen en verlengen?Nog één middel is onbeproefd gebleven. „Gij moet den maarschalkNeyredden,” schreeuwt men den bedwelmden in het oor. „Hij is in de nabijheid! Op, om hem te redden, hem te beschermen!”De naam van den vereerden, betreurden, verloren geachtenNeydoet het eergevoel der dapperen ontwaken; zulk een veldheer te verlaten, is smadelijker dan verraad en vlucht. De oproeping dringt met wegslepend vermogen in de ziel der krijgslieden door;Neyis de held, die alles waagt, hij is de redder, waar niemand anders meer redden kan. En hij keert van de poorten des doods terug! Niets is meer te vreezen, wanneer hij weder in ons midden verwijlt!De heugelijke tijding vliegt van mond tot mond, van huis tot huis; bij gansche scharen stroomen de soldaten toe; elk wil de eerste zijn, die den vergoden held te hulp snelt. Zelfs de bevelhebbers betwisten elkander dezen roem; slechts door zijn hoogeren rang vermag de onderkoning zijn recht daarop te doen gelden.Door de dichte duisternis, langs ongebaande wegen breekt men op, Rasinski en zijne ruiters rijden als wegwijzers aan de spits. Doch de vijandige natuur rust ook nog thans niet; de sneeuw stuift dwarrelend op; elk spoor wordt onkenbaar. Hoe zal men thans de juiste richting houden? Hoe in deze onafzienbare wildernissen de verlorenen opsporen?—Twee uren is men, op het goed geluk vertrouwende, onophoudelijk verder voortgedrongen; thans echter schijnt elke baan en daarmede elke hoop verloren; verder gaande moet men vreezen in de netten des vijands te verwarren en op zijne legers, niet op die der vrienden, te stooten.„Wij zijn hier op zee, ofschoon de golven ook al bevroren zijn,” roept de koning. „Wij moeten de middelen van benarde zeelieden te baat nemen en seinschoten doen.”Hij gebiedt halt. Twee stukken worden blind geladen. Met behoorlijke tusschenpoozen worden drie schoten gelost, welker dof gedonder tot in de verte voortrolt. In angstige verwachting luistert men, of het signaal beantwoord wordt. Lang blijft alles stil; reeds begint men te wanhopen, of het teeken wel verstaan is. Daar doet zich eindelijk een verwijderd geweervuur hooren.„Hoe? Wat moet dat beteekenen?” vraagt de onderkoning.„O, dit teeken is ons gunstig,” valt Rasinski hem haastig in de rede, „het derde armeekorps heeft geen kanonnen meer en kan slechts op deze wijze antwoorden.”„Dan heeft hij ons toch verstaan,” roept Eugenius. „Hoe voorzichtigheid en koenheid altijd bij hem gepaard gaan! Hij wachtte af, of de drie schoten niet door andere zouden gevolgd worden, en zoo ried hij de eenige beteekenis, die zij hebben konden.”„Het was in des maarschalks toestand buiten twijfel gevaarlijk, op het sein te antwoorden,” hernam Rasinski; „hij kon zich daardoor even goed aan den vijand verraden. Doch zijn veldheersblik doorziet alle omstandigheden met ongeloofelijke snelheid, en waar verderf en redding nauwelijks te onderscheiden zijn, weet hij toch met vaste hand aan te grijpen, wat hem heil aanbrengt.”„En ditmaal zal hij zich niet bedrogen vinden,” sprak de onderkoning, terwijl hij zijne afdeeling de richting liet aannemen, in welke de schoten gevallen waren.Met vernieuwden moed en frissche kracht trekken de getrouwe kameraden voorwaarts. Eensklaps scheurt het wolkenfloers vanéén en de maan, na zoo dikwerf hunne gevaarlijke vijandin geweest te zijn, wordt eindelijk eene vriendin der bekommerden. Zij werpt haar zacht schijnsel over de sneeuwheuvels, en thans ziet men een zwarten legertroep langs den zoom van het woud afdalen.„Dat zijn zij!” roept Rasinski, en de manschappen verdubbelen hunne schreden. Weldra heeft men elkander wederkeerig herkend; de vreugde drijft tot spoed aan; de edele aanvoerders kunnen het oogenblik der ontmoeting niet afwachten, zij snellen hunne benden vooruit, springen uit den zadel en houden elkander innig omarmd.Het gansche leger volgt dit roerend voorbeeld na. Als had elk een broeder, een zoon, een vader gered, ijlen officieren en soldaten met open armen op elkander toe. Alle gevaren, ontberingen en opofferingen zijn vergeten. Op de zwarte zee des onheils blinkt eindelijk eene flonkerende ster des geluks, en Ruslands koude ijsvlakte, tothiertoe slechts het akelige tooneel der verschrikking, ziet een treffend schouwspel van liefde en trouw, waarbij slechts vreugdetranen vlieten.Met eerbiedige bewondering wordt de held, die zich met leeuwenkoenheid door alle vijanden en gevaren den weg baande, door de krijgslieden omringd. Zelfs niet de nijd van hen, die met hem gelijk staan, bezoedelt zijne lauweren; elk legt gewillig den prijs aan zijne voeten, doch hij, zóó hebben plicht, eer en roem zijne natuur veredeld, weet nauwelijks, dat hij dien verdiend heeft.In zegepraal wordt hij naar Orsza gevoerd; op den weg derwaarts deelen de soldaten des konings met die van den geredden maarschalk de levensmiddelen en verkwikkingen, welke zij zoolang ontberen moesten. Zij verhalen elkander van hun lijden, van hunne gevaren en van hunne daden; doch zijn lijden vergeet de soldaat, zijne daden blijven vast in zijn geheugen ingeprent, op deze beroemt hij zich met trotschheid, uit deze put hij kracht tot nieuwe waagstukken.—Zoo betrekken de dapperen de legerplaatsen voor dezen nacht. Zij gevoelen zich weder de soldaten van de groote, onoverwinnelijke armee, nu zij het kostelijkste goed, den roem, uit de vreeselijke schipbreuk van hun geluk gered hebben. De vijand toch kan van geen leger spreken, dat voor hem de wapens heeft nedergelegd; allen zijn zij door de russische legermassa's en de verschrikkingen eener vijandige natuur stoutmoedig heengeworsteld. Deze trotsche gedachte doet een edel vuur in de borsten der krijgers ontvlammen, en in den gloed daarvan wordt het stalen harnas eener onverzettelijke standvastigheid om de heldenborst nog hechter vastgesmeed.
„Zeg den Vorst dat maarschalkNeynog nooit de wapens heeft nedergelegd.”
„Zeg den Vorst dat maarschalkNeynog nooit de wapens heeft nedergelegd.”
„Zeg den Vorst dat maarschalkNeynog nooit de wapens heeft nedergelegd.”
Rasinski had ettelijke honderden schreden links van den weg post gevat, waar hij door een besneeuwden heuvel tegen het vijandelijke kanonvuur, althans gedeeltelijk, beschut was en toch het gansche slagveld overzien kon. Zijn voorkomen was ernstig, gelijk altijd in het gevecht, maar overigens even bedaard, even moedig, welberaden en vrij, als drie maanden vroeger, toen hij bijMosaiskaan de spits van zijn regiment met leeuwenmoed tot in 's vijands gelederen doordrong. Terwijl hij zijne vlammendeblikken over het slagveld liet gaan, reed Jaromir op hem toe en fluisterde: „Wij zullen eervol vallen, Rasinski; mocht gij in het leven blijven en haar wederzien,”—Lodoiska'snaam uit te spreken waagde hij niet—„zeg haar dan, hoe innig mijn berouw was. De vergeving, welke de levende onwaardig was, zal den doode aan gene zijde de rust schenken.”
„Wat spreekt gij, Jaromir!” hernam Rasinski met merkbare ontroering; „denk aan het leven. Hier zijn nog vele uitwegen.”
„O, ik vrees den dood niet,” sprak Jaromir met drift, en een edele blos kleurde zijn bleeke wangen bij het denkbeeld, dat Rasinski hem van versaagdheid verdacht hield; „doch gij zelf ziet, dat slechts zeer weinigen zich hier leven en redding mogen voorspellen. Het is anders eene gruwzame scherts van de geluksgodin, dat zij den dapperste nu zoo schandelijk verraadt. Evenwel, zij is toch altijd eene Delila, die haar Simson gebonden overlevert.”
„Laat ons afwachten,” hernam Rasinski met waardigheid, „of hij zijne banden nog misschien niet verbreken zal.”
Gedurende dit gesprek hadRicardmet zijne manschappen den weg door de diepte afgelegd en rukte aan gene zijde in stormmarsch tegen de russische batterijen op de hoogte van Katowa op. Thans bliksemde het, als bij het opkomen van een onweder, langs den geheelen horizon, en zoover het oog reikte, werden de heuveltoppen in zwarte rookwolken gehuld. Een oogenblik later scheurde eene donderende ontploffing den dampkring vaneen, en met suisend huilen en sissen gierde een kogel- en kartetsenzwerm, als een heir onzichtbare, vliegende draken, door de lucht. Van rondom kletterden zij op de harde sneeuw- en ijskorst, waarmede het veld overdekt was, neder, zoodat deze tot stof vergruisd werd en in duizend glanzige wolken opstoof. Een blik opRicards dapperen moest het hart verscheuren, want deze ééne seconde had de helft van hen op de koude, wintersche doodbaar ter neder gestrekt. De zooeven nog dicht gesloten gelederen waren dermate gedund, dat zich de levenden als verspreide boomstammen van een neergehouwen woud aan het oog voordeden. Doch de aanvoerder is niet gevallen; zijne stem herzamelt de onverzeerden, hij rukt opnieuw tegen de den dood brakende hoogten op. Daar maait een tweede ontzettende laag der batterijen vóór hem zijne gelederen andermaal weg. Slechts weinigen worden door den vernielenden sikkel des doods gespaard; daar de overwinning onmogelijk wordt, doen schrik en ontzetting hun allen moed ontzinken en in ademlooze vlucht stormen zij terug, om in de rijen hunner wapenbroeders redding te zoeken.
De maarschalkNeyrukt echter zelf reeds aan de spits zijner beste soldaten tegen den vijand op. Dicht opeengepakt, een ijzeren hart in den boezem, door den dood hunner makkers in grimmige woede ontbrand, vast besloten den laatsten bloeddroppel aan eer en wraak ten offer te brengen, stormt deze onweerswolk van helden, de koensten aan het hoofd, op den dood en verderf neerslingerende vulkanen der russische batterijen aan. Thans voelt ook de vijand, die tot hiertoe op zijne heuvels onbewegelijk had stand gehouden en slechts uit de verte den dood op zijne tegenpartij had uitgebraakt, zijne eergierigheid opgewekt. De eerste russische linie, driemaal sterker dan de gansche legermacht der Franschen, voortreffelijk gewapend, uit krachtvolle, nog geheel versche troepen samengesteld, trekt de koene aanvallers te gemoet en meent hen te omvleugelen, te verstikken, te vermorzelen.
Nu is het oogenblik daar, dat Rasinski handelen moet. Hij zet zich met zijne kleineschaar in beweging, daalt neder in de diepte, rent links de hoogte op en werpt zich op de rechterflank van den vijand. Tegelijk brengen ettelijke honderden mannen lichte troepen, het waren Illyriërs, dezelfde beweging op de linkerflank ten uitvoer. Eene stomme verbazing maakt zich, bij dit gezicht, van den vijand meester. Daar hij ziet, dat de Franschen de overwinning zeker achten, begint hij aan de mogelijkheid daarvan geloof te hechten. De koene onverschrokkenheid der aanvallers beneemt hem het zelfvertrouwen. Hij wankelt, deinst terug. Nu breektNeymet zijne grimmige schaar in de waggelende linie door, werpt haar neder en jaagt ze voor zich uit, gelijk een bergstroom, die, boven den oever opbruisende, zijne machtige golven op eene vluchtende kudde nederstort. Jubelend dringt hij op de zoo vaak betreden baan der overwinning voorwaarts. Doch ach, thans verlaat hem de trouwelooze godes! Een tweede leger, als het vernieuwde hoofd der Hydra uit den grond opgerezen, rekt uit duizend ijzeren monden de roode, bliksemende tongen naar hem uit. De grond schijnt te bersten, het firmament te scheuren bij het dreunen der mortieren, die in dit oogenblik een stroom van lood en ijzer tegen hem uitspuwen. Alles wankelt; slechtsNeystaat vast in dezen orkaan. Doch welk een schouwspel ontwaart hij om zich heen! Al zijne generaals zijn gesneuveld of gekwetst en verven de sneeuw met hun bloed; zijne scharen zijn vreeselijk geteisterd, de grond is met dooden zwart bedekt! Nog eens roept hij: „Voorwaarts!” en tracht de overblijfsels van zijn leger te verzamelen, maar daar ontlaadt de vreeselijke donderwolk zich ten tweede male en slingert den duizendvoudigen dood in de verstrooide rijen. Thans dringt de onzichtbare godin der verwarring tot de scharen door en de zwerm stuift angstig naar alle zijden uiteen. Rasinski's dapperen zijn de laatsten die wijken; hij zelf beveelt de vlucht, daar deze alleen nog de mogelijkheid van redding aanbiedt. De veldheer erkent den wil van het noodlot, waartegen de sterveling zich te vergeefs tracht aan te kanten; met smartelijke verontwaardiging in de borst onderwerpt ook hij zich aan de harde noodzakelijkheid, die hem thans, daar geen andere uitweg meer open staat, de smadelijke vlucht tot eene verplichting maakt. Tot de zijnen teruggekeerd, houdt hij te midden van den grootsten hoop zijn paard staande.
Kutusow, zich op zijne heuvels veilig achtende, schijnt intusschen weinig genegen, om zich meer van nabij met krijgslieden in te laten, van welke de geringste een onverzettelijken heldenmoed ten toon spreidt; uit de verte echter zendt hij onafgebroken den dood in hunne rijen. Terwijl de manschappen zich weder ordenen en verzamelen, overziet de maarschalk het slagveld met een vorschenden blik des veldheers. Zijn gelaat is ernstig, zijn voorhoofd gefronst, doch fier en trotsch. Elk soldaat heeft het oog op hem gevestigd, want slechts van hem neemt men de verzekering aan, dat alle hoop op redding vervlogen is; zoolang hij ze niet heeft uitgesproken, blijft men nog aan een minder rampspoedigen uitslag geloof hechten. Uit zijn ernstig peinzen kan men genoegzaam opmaken, dat hij over een anderen uitweg nadenkt. Geen oogenblik verliest hij den vijand en zijne bewegingen uit het oog; slechts nu en dan werpt hij een smartelijken blik op de plaats, waar hij de vluchtigste zege, maar tevens ook den onvergankelijksten roem binnen weinige minuten met het leven van zoovele dierbare kameraden betaald heeft. Intusschen duurt het moorddadige vuur onafgebroken voort, en de ruimte, die het kleine leger beslaat, is zóó gering, dat de kogels door zijn gansche diepte en breedte heendringen. Hetzelfde schot dat in de voorste gelederen eenige manschappen heeft weggeraapt, brengt nieuwe verwoestingen teweeg onder de wapens inde achterhoede, waar de gekwetsten, de zieken, de vrouwen en kinderen in hulpelooze onmacht aan het verderf zijn prijsgegeven. Welke hand zal thans redden?—Daar laat de heilige duisternis haar schemerenden sluier allengs dieper op de aarde neerzinken en omhult de verlorenen met haar beschaduwend weefsel. Thans schijnt de maarschalk den uitweg uit den doolhof des doods te hebben gevonden. Hij meet met de oogen den afstand en de stelling van den vijand, zijne blikken vliegen naar alle zijden in het rond, men ziet, dat hij den grond, waarop men zich bevindt, met nieuwe inzichten gadeslaat en dat hij nieuwe voordeelen daaraan denkt te ontwringen. Nu is de gedachte rijp geworden; hij heeft geen krijgsraad belegd, slechts zijn eigen moed, zijn eigen doorzicht heeft hij geraadpleegd. Hij wenktRegnard, Rasinski, benevens eenige andere hoofdofficieren, en deelt aan elk hunner de noodige bevelen uit. Deze ijlen naar hunne korpsen terug. Het bevel tot den afmarsch weergalmt door het geheele leger en van alle zijden breken de colonnes op. Maar waarheen? Tegen den vijand? Neen. En toch het vreeselijkste verderf te gemoet, want men keert terug, om de onmetelijke wildernissen van Rusland weder dieper in te dringen. De vijand staart van zijne hoogten deze beweging met verbazing aan; hij schijnt een soortgelijk ontwerp te vermoeden, als twee dagen vroeger door den onderkoning van Italië is ten uitvoer gebracht. Derhalve breidt Kutusow de flanken van zijn leger naar beide zijden nog verder uit en vergroot zoo het net, waarin hij den leeuw hoopt te verstrikken. Hij had hem kunnen vernietigen, één aanval ware voldoende geweest, om de weinige dapperen onder de overstelpende menigte hunner bestrijders te verpletteren, maar den koelbloedigen grijsaard scheen er meer aan gelegen te zijn, hen als gevangenen in zijne legerplaats te zien, nadat honger, koude en uitputting hen tot het nederleggen der wapenen zouden genoodzaakt hebben. Dat er andermaal eene mogelijkheid bestaan zou, om dezen tiendubbelen ringmuur van gevaren te boven te komen, dit scheen den ouden Rus geheel ondenkbaar. Het stond dus thans in zijne macht, den beroemdsten veldheer van het Fransche leger te vernietigen; doch dat was voor zijne wraak en trotschheid niet genoeg. Hij wilde hem vernederen en niet zijn hoofd, maar zijn degen aan keizer Alexander overleveren.
De bevelen des maarschalks werden door de fransche soldaten met verbazing ontvangen. Hoe, sprak elk bij zich zelf, op nieuw zullen wij omdolen in die koude, akelige wildernissen, waaraan wij nog zoo onlangs niet dan met doodsgevaar ontworsteld zijn? Opnieuw keeren wij het vaderland den rug toe en wagen ons in dat vreeselijke land, waar de mensch nog ruwer en barbaarscher is dan de natuur zelve?—Met heimelijken afkeer deden zij elke schrede achterwaarts; intusschen, zij gehoorzaamden, want hun veldheer had het bevolen, en het vertrouwen op hem was het eenige steunsel van hun kracht.
De duisternis scheen de vale vlucht heurer wieken te bespoedigen en daalde lager en lager naar het koude sneeuwleger af. Reeds waren de door den vijand bezette hoogten in eene twijfelachtige schemering weggezonken en nog slechts nu en dan sloeg een zware kogel in de gelederen der aftrekkenden neder, als tot een teeken, dat de opmerkzame vijand zijn buit niet uit het oog verloor.
Zwijgend, met slependen tred en de borst met bange zorgen vervuld, waadden de krijgers langs ongebaande wegen door de diepe sneeuw voort. De maat van hun lijden was echter nog niet gevuld. Van lieverlede, aanvankelijk met een hol gesuis, vervolgens met gestadig heviger rukken verhief zich de orkaan; ditmaal niet de gewone, ijzigeadem van het noorden, maar een vochtige stormwind uit het zuidwesten, die de zwangere wolken aan het gewelf des hemels opeenpakte en tegelijk dwarrelende sneeuwzuilen van de aarde opjoeg. Alsof een vijandelijke demon dezen draaistroom van storm en sneeuw in beweging bracht, om de ongelukkigen daarin, als in de golvende kolken eener Charybdis, te versmoren, wervelden de gierende luchthoozen in het rond en maakten het ademhalen onmogelijk. Paarden en menschen hijgden naar lucht, de laatste kracht dreigde te bezwijken. De wind streek met dof gebulder over de vlakte; nu eens sloeg hij om in kloven en krochten, dan brak hij op den zoom der wouden en keerde afstuitend, zich zelf kruisend terug, zoodat hij, de vermoeiden mochten hunne schreden wenden, waar zij wilden, hun steeds het aangezicht rauw zweepte. De marsch werd onzeker, week links, week rechtsaf. Hier versperden diepe sneeuwkuilen den weg en men moest op zijne schreden terugkeeren, onzeker, of men den vijand naderde, dan zich van hem verwijderde; daar dwongen steile, met ijzel bedekte heuvelhellingen tot eene veranderde richting. De nacht werd duister als het graf; zwarte, dichte wolken, uit wier schoot de sneeuwvloeden dwarrelend nederstortten, bedekten den hemel. Niets bleef voor het oog zichtbaar, dan het spookachtig schemerende, witte lijkkleed, dat over de onmetelijke doodbaar der aarde lag uitgespreid. Eindelijk waren de uitgeputte krachten bezweken; de verstijfde voet vermocht geen stap meer te doen; aan de verkleumde hand ontzonk het wapen. Zelfs de veldheer scheen alle hoop op te geven en het edele hoofd onder den verpletterenden slag der vernietiging te willen buigen. Er moest ten laatste midden op de sneeuw en het ijs gerust worden, opdat de ongelukkigen althans adem tot nieuwe inspanningen scheppen mochten. De maarschalk bevond zich, te midden van Rasinski's ruiterbende, aan de spits van het korps.Regnardwas bij hem.
„Weet gij nog, Rasinski,” fluisterde hij dezen in het oor, „waar zuid of noord is, of de vijand voor of achter ons staat, of wij ons rechts, dan links van den grooten weg bevinden?—Een kompas ware hier eene provincie waard!”
„Als het sneeuwgestuif ophoudt, laten zich wellicht eenige sterren zien,” antwoordde Rasinski; „het duurt zoo reeds drie uren, het moet toch eens minder worden.”
„Ik geloof niet, dat er voor ons nog starren blinken,” sprakRegnarden schudde mismoedig het hoofd.
Rasinski pijnigde zich af, om een middel te verzinnen, geschikt, om den marsch met eenige zekerheid voort te zetten. Juist was hem een gelukkig denkbeeld ingevallen, toen de maarschalk hem driftig toevoegde: „Hebben uwe manschappen en paarden nog eenige krachten behouden, volg mij dan terstond; ik hoop een middel te hebben uitgedacht, om de richting naar den Dnieper zelfs door deze sneeuwwoestijn te ontdekken.”
„Ook mij is iets ingevallen,” riep Rasinski; „kon men slechts den loop van de beek ontdekken, die door de bedding heenstroomt, aan welke wij voor een half uur genoodzaakt waren, om te keeren.”
„Wij verstaan elkander,” hervatte de maarschalk met merkbare vreugde; „juist dat is ook mijne gedachte. Wij zullen zien, of wij de plaats kunnen wedervinden; gij met uwe ruiters en eenige sappeurs zult mij vergezellen.”
Men begaf zich terstond op weg. De nog niet geheel verwaaide en onder nieuwe sneeuw bedolven sporen der kanonnen wezen den weg aan, dien het leger genomen had, en binnen een half uur had men de bedding bereikt. De sneeuw was door denstorm tot meer dan manshoogte daarin opgehoopt; echter raapten de sappeurs hunne laatste krachten bijeen, om ze weg te ruimen, en stuitten werkelijk op een vasten ijsspiegel.
„Zoo de vorst bij dit ondiepe water maar niet tot den bodem is doorgedrongen,” sprak de maarschalk, terwijl de sappeurs reeds bezig waren het ijs door te hakken.
„Dat vrees ik niet,” antwoordde Rasinski; „al deze beken hebben een warmen, drassigen grond en vriezen alleen bij de strengste koude geheel toe. Wij vinden buiten allen twijfel nog water, te meer, daar het sinds gisteren reeds gedooid heeft.”
Hij had zich niet bedrogen, want juist drong de bijl door de ijskorst en er trad water in de opening. Met eenige slagen was de bijt verbreed, en men kon den loop van het water duidelijk onderkennen.
„Nu zijn wij gered,” riep de maarschalk. „Deze beek moet ons naar den Dnieper geleiden, die niet ver meer zijn kan. Hebben wij dien achter den rug, dan, denk ik, zijn wij het zwaarste te boven en zullen wij onze kameraden voor ons uit spoedig inhalen.”
Zonder verwijl zond hij thans de marschbevelen aan het korps af, dat zich inmiddels eenigermate van de doorgestane vermoeienis hersteld had. Gestadig den loop der beek volgende, bereikte men nog binnen het uur een dicht woud en was nu meer tegen den storm beschut, terwijl ook het stuiven der sneeuwvlokken allengs minder werd. De geringste gunstige wending der omstandigheden doet in dergelijke gevallen den verloren moed ongelooflijk spoedig terugkeeren. Vandaar ging de marsch schielijk voorwaarts. Het vertrouwen der soldaten wies nog door het gelukkige toeval, dat Rasinski in de half ingestorte hutten van een verwoest dorp een oude, kreupele boer opspoorde, die met de landstreek nauwkeurig bekend was. Deze berichtte, dat de rivier in de nabijheid was, doch dat men ze bezwaarlijk zou kunnen overtrekken, daar het ijs nog niet sterk genoeg geweest was, om tegen het dooiweder bestand te zijn. Was de overgang nog mogelijk, dan zou ze slechts op eene enkele plaats kunnen geschieden, waar de sterke kromming van den stroom de ijsschollen gewoonlijk deed opeenkruinen en dus nog eene tamelijk vaste oppervlakte aanbood, wanneer andere gedeelten reeds geheel van ijs bevrijd waren.
Rasinski beloofde den grijsaard eene rijke belooning, wanneer hij hem die plaats wilde aanwijzen; terwijl hij hem tevens met den vreeselijksten dood bedreigde, zoo hij verraad pleegde.
„Wees onbezorgd,” was het antwoord; „ik ben niet uit oud-Rusland, maar van den anderen oever, waar men niet zoo erg op u verbitterd is als hier. Volgt mij slechts; gij zult spoedig zien, dat ik u niet bedrieg.” Hij werd dus de gids van het leger en bracht het gelukkig aan den oever van den stroom, die de redder of de verderver van deze dappere schaar zoude worden.
De maan trad juist van achter dichte wolken te voorschijn en goot haar bleek licht over het landschap uit, toen Rasinski, die naast den gids voortreed, den zoom van het woud bereikte en voor het eerst de doodsche landstreek overzien kon. Slechts detusschen lage, maar steile oevers ingesloten Dnieper was zichtbaar en scheen eene zwarte reuzenslang, die kronkelend over de witte sneeuw voortkroop; want helaas, geen ijsdek was meer op den breeden stroom te bespeuren en slechts enkele schollen en schotsen werden door zijne bruisende golven voortgekruid. Rasinski, die, om zich te verzekeren dat men geen verraad had te duchten, de colonne ettelijke honderden schreden was vooruit gereden, bevond zich hier met zijn zwijgenden geleider geheel alleen en liet zijn vorschend oog over de akelige wildernis ronddwalen, in welke zich slechts het doffe gekraak en geknars der op elkander hortende ijsklompen liet vernemen.
„Daar,” sprak de Rus en wees met den vinger naar eene plaats, waar de loop van den stroom zich achter steile zandheuvels scheen te verliezen, „daar staat het ijs, want in de enge kromming stapelen zich de ijsschollen opeen en, zoo zij sedert gisteren niet is weggedooid, heeft er zich ook eene baan vastgezet.”
Rasinski wendde zijn paard naar de aangewezen plaats. Terwijl hij langs den zoom van het bosch voortreed, hoorde hij plotseling een gerucht in de struiken en spoedig daarop het knallen eener zweep en het snuiven van heftig aangezette paarden. Verwonderd luistert hij toe, want de wagens van de achterhoede konden onmogelijk reeds zoo nabij zijn, en bovendien geen enkel span der uitgeputte trekdieren waren thans tot zulk eene rassche beweging in staat geweest. „Loopt hier een weg door het woud?” vroeg hij den Rus. „Ja, heer,” gaf deze ten antwoord, „de weg van Syrokorenje naar Gosinoe komt hier uit. Het zijn wellicht boeren uit den omtrek. Gevaar heeft het zeker niet, want het schijnt immers eene slede te zijn.” Intusschen oordeelde Rasinski het toch raadzaam, den komenden met behoedzaamheid gade te slaan en hen, zoo noodig, aan te houden. Zoodra hij dus de slede ontdekte, trok hij een pistool uit den gordel, wierp zich midden op het wagenspoor en riep in het russisch: „Halt, of ik vuur!”
De in een dichten pels gewikkelde voerman der slede deed zijne paarden stilhouden en antwoordde in dezelfde taal: „Wat wilt gij? Wij zijn eerlijke Russen, waarom ons aan te houden?” Rasinski reed nader op het voertuig toe, doch hield het pistool met overgetrokken haan in de hand. „Van waar komt gij, wie zijt gij en waarheen is de reis? Op deze vragen eisch ik voldoend antwoord,” sprak hij op een bedaarden, maar mannelijk vasten toon. De menner der slede wendde zich, in stede van te antwoorden, naar zijne reisgenooten om en fluisterde in het duitsch: „Zij zijn met hun tweeën, zal ik met het pistool antwoorden en doorrijden?”
Rasinski had thans de onbekenden nader in oogenschouw genomen; naar hunne kleeding te oordeelen, waren het twee mannen en twee vrouwen. Daar hij uit de ten deele opgevangen woorden des geleiders opmaakte, dat het geen Russen waren, kwam hij op het denkbeeld, dat het wellicht voortvluchtige officieren van de armee zijn konden. Ten einde zich zekerheid te verschaffen, bracht hij zijn paard dicht aan de slede, hield een der mannen het pistool op de borst en sprak in het duitsch: „Wij beiden zijn niet, wat wij willen schijnen; het moet blijken, of wij vrienden of vijanden zijn. Nogmaals vraag ik....”
Doch een juichende uitroep belette hem uit te spreken. „Rasinski, Rasinski!” klonk het van de lippen der gedreigden en Lodewijk wierp zich buiten zich zelf van vreugde aan zijne borst. Tegelijk herkende hij ook de stem van Bernard, die met woeste drift uit de slede sprong, om van de andere zijde op hem toe te snellen. Rasinski sprong van het paard en klemde de vrienden aan het kloppende hart. „O God, welk een dankben ik U voor deze genade schuldig!” snikte hij, hevig ontroerd, en warme vreugdetranen rolden van zijne mannelijke wangen.
Hoe wisselden thans vragen en antwoorden elkander met eene verbazende snelheid af! Het hart was niet in staat te bevatten, wat de bevleugelde woorden ontdekten. Het dreigende doodsgevaar, ongeloofelijkste redding, het vinden der meest geliefde wezens, nieuwe gevaren en uitreddingen aan de eene zijde; aan de andere daarentegen onuitsprekelijke zorgen, vreeselijke angst, gestadig nieuwe tegenspoeden en worstelingen en thans dit wedervinden der vrienden aan den dorpel der redding.
„Leeft Jaromir?” „Waar is Boleslaw?” vroegen Bernard en Lodewijk uit een mond. Thans eerst herinnerde Rasinski zich, dat een leger hem op den voet volgde; hij keerde zich om, wees op het bosch en antwoordde: „Daar komen zij met de onzen.”
Juist zag men de eerste ruiters te voorschijn komen. Rasinski wierp zich weder in den zadel en haastte zich, den maarschalk van de aanwijzingen van den gids bericht te geven. Hierop zocht hij Jaromir op, dien hij bij den wagen van Boleslaw aantrof, zoodat hij aan beiden tegelijk de blijde tijding kon overbrengen. De jongelingen, Rasinski op den voet volgende, ijlden met onstuimig ongeduld naar de wedergevondenen toe en begroetten hen met al het vuur der jeugdige vriendschap. Het was sinds langen tijd de eerste lichtstraal in beider neergedrukte ziel. Rasinski liet hun den tijd, hun geluk ten volle te beseffen, daar hij zelf zich met de zorg voor de troepen belastte.
Zoo vernamen nu ook de jongelingen de aan het wonderbare grenzende ontmoetingen hunner beide innigste vrienden en zij mochten de bruid en de zuster met warme hartelijkheid begroeten. Ook Bianca gevoelde zich gelukkig door het geluk van hen, die haar het dierbaarst op aarde waren, en haalde vrijer adem, daar zij zich nu eerst van hare redding verzekerd achtte. Met nog menigerlei gevaren toch hadden de vluchtenden, sedert zij het jachtslot verlieten, te worstelen gehad. Bernard was door zijne wonde zoodanig verzwakt geworden, dat het hem onmogelijk werd de reize dadelijk voort te zetten. Onder het gastvrije dak van vader Gregorius vonden zij wel is waar eene schuilplaats, maar toch slechts eene zeer onzekere, daar zij den volgenden dag reeds vernamen, dat Dolgorow zijne vrijheid had terug bekomen. Elk oogenblik hadden zij nu des graven wraak te vreezen en moesten zich derhalve des daags in een grafgewelf der kerk schuil houden, tot zij onder de bescherming der duisternis door Gregoor naar een van zijne ambtsbroeders konden worden overgebracht, die hen vijf dagen lang in zijn huis verborgen hield. Van daar zetten zij, daar Bernard weldra genoegzaam hersteld was en de russische legers van alle zijden naderden, wederom in het geheim en bij nacht hunne vlucht voort. Den vorigen dag hadden zij in het dichtste van het woud doorgebracht, in dezen nacht hoopten zij het werk der redding te voleindigen en het fransche leger te bereiken.Willhofen, die het best met de landstreek bekend was, bestuurde de slede;Jeannettewas Bianca's getrouwe gezellin gebleven. Aller lot scheen nu, zoodra zij den anderen oever der rivier zouden bereikt hebben, beslist te zullen worden.
Maar hoeveel onheil, jammer en namelooze ellende stapelde zich nog op den smallen weg opeen, die tusschen hen en de gehoopte redding gelegen was! Het gansche leger had zich reeds in zwart gewemel over de naar den stroom afdalende sneeuwvlakten verspreid; maar met verbazing zag men, dat het zich steeds dichter en dichter aan den oever opeendrong, zonder dat aan de overzijde iemand zichtbaar werd.Willhofenwilde thans ook met zijne slede naar de rivier afdalen; doch het gedrang was reedszoo groot geworden, dat hij den oever onmogelijk bereiken kon. Rasinski wist zijne vrienden in de steeds toenemende verwarring te vinden en berichtte met niet weinig bezorgdheid, dat geen wagen en misschien zelfs geen paard de rivier konovertrekken, daar het ijsdek voor zulk een last te zwak was en nog slechts uit eenige opeengeschovene schollen bestond, die òf reeds onder water stonden, òf niet dan door eene zeer dunne ijskorst werden saamgehouden. Slechts enkele manschappen hadden het derhalve gewaagd, naar den anderen oever over te trekken, en van hen waren nog verscheidenen verongelukt, die in de diepe spleten en kloven tusschen de schotsen wegzonken. De maarschalk had dus voor het oogenblik elke verdere poging verboden, vooral daar zijne menschelijkheid niet kon toelaten, dat men den overgang bewerkstelligde, zonder die duizenden gewonden, vrouwen en kinderen af te wachten, die met hunne uitgeputte krachten niet in staat geweest waren, den vreeselijken marsch door storm en sneeuwvlagen vol te houden. Er waren dus drie uren tot uitrusten en ter herzameling der krachten toegestaan, gedurende welk tijdsverloop men nog het mogelijke beproeven wilde, om, door de niet te breede gaten met stroo en takken aan te vullen en de overige althans voor het oog kenbaar aan te duiden, den overgang minder gevaarlijk te maken.
Bianca zag zich dus thans door de zonderlinge aaneenschakeling harer lotgevallen op eenmaal midden in het krijgsgewoel verplaatst. Ofschoon hare maagdelijke schuwheid haar dit woeste bedrijf der mannen met huivering en schrik deed gadeslaan, gevoelde zij zich toch door Lodewijks en Bernards nabijheid gesterkt en opgebeurd. Tegen uitwendige gevaren was zij met den moed van edele zielen gewapend, die zich staande houden door het bewustzijn, dat er buiten dit leven nog iets beters en eeuwigs bestaat, hetwelk geen vreemd geweld, maar slechts onze eigene afval van de waarheid ons kan ontrukken. Echter moest zij zich nog met andere krachten toerusten, dan met die, waardoor men tegen zijn eigen lot bestand is; zij was bestemd, getuige te zijn van den onbeschrijfelijken jammer der vele duizenden rampzaligen, die hier den dood zouden vinden.
Tegen middernacht gaf de maarschalk, die zich dit korte uitstel met onverzettelijke koelbloedigheid had ten nutte gemaakt, om zich door een verkwikkenden slaap tot nieuwe vermoeienissen te sterken, bevel, den overgang in geregelde orde te beproeven. Stil, ernstig, in gesloten gelederen rukte een regiment lichte infanterie op de rivier aan, doch nauwelijks hadden de eerste rotten eenige schreden voorwaarts gedaan, of plotseling deed zich een dof gekraak onder hunne voeten hooren en de bodem begon te waggelen. Door driftig voortdringen hoopten zij zich nog te zullen redden en verdubbelden derhalve hunne schreden; doch daar andere massa's volgden, werd de drukking op de ijsvlakte gestadig sterker. Zij zonken met de schollen tot aan de knieën in het water; de voet kantelde, gleed uit, zij stortten neder. Daar scheurde het ijs met luid gekraak vaneen, een diepe, zwarte afgrond opende zich en verzwolgen waren de ongelukkigen, die zich aan de verraderlijke schots hadden toevertrouwd! Een luid angstgeschreeuw verhief zich; ontzet en verbijsterd keerden de naastvolgenden om en wierpen zich, met geweld terugdringende, in de gelederen hunner kameraden, die reeds op den stroom aanrukten.
De maarschalk was overal zelf tegenwoordig. Geheel verpletterd zag hij zijne dapperen in den gapenden afgrond wegzinken. Nog verhief zich hier en daar een hoofd, een arm, en een jammerende angstkreet verscheurde het hart; doch na eenige secondenwas alles verdwenen en eene huiveringwekkende stilte legerde zich op de golven.
„Zóó is het onmogelijk,” sprak de maarschalk, zich met geweld vermannende. „Een voor een moeten wij het beproeven.”
Thans werd een rot van twintig man afgezonden, die elk afzonderlijk van schots op schots klimmende, den anderen oever trachtten te bereiken. Dit gelukte. Eene nieuwe hoop doorgloeide de borst der soldaten. Daar hoorde men op een niet verren afstand het donderen van het geschut! Dit geluid herinnerde weder aan de overmacht van den vijand, die elk oogenblik de sporen van het leger ontdekken en ze volgen kon; de zucht tot redding kreeg daardoor in elke borst te zeer de overhand. Kwam de vijand opdagen, zoo waren zij gered, die de overzijde bereikt hadden, terwijl integendeel zij, die nog op den oever verwijlden, zich reddeloos verloren moesten achten. Met woeste onstuimigheid drongen de massa's derhalve op den oever aan en verhaastten hun eigen verderf, door te wedijveren wie de gevaarlijke reddingsbaan het eerst betreden zoude. Bevelen, voorstellen, gebeden zijn vruchteloos, zelfs de maarschalk tracht te vergeefs zijn gezag te doen gelden. Zijne nabijheid vreezende, begeven de ongelukkigen zich naar andere punten, waar de duisternis hen aan zijn oog onttrekt. Zoo wordt, wat hunne redding had kunnen worden, hun ondergang; de haast, de blinde begeerte, de onvoorzichtigheid dooden hen. Het ijs wordt te zwaar belast, het vermag de massa's niet te dragen, het buigt, kraakt, stort in. Het gedrang beneemt aan ieder het gebruik van zijne kracht en behendigheid. De kameraad stoot den kameraad, de vriend den vriend, de soldaat het heilig geachte hoofd des aanvoerders in den poel des verderfs neder. De gansche oppervlakte van het ijs weergalmt van krakend vaneensplijtende schollen, van gierende angstkreten, van razende vloeken en verwenschingen. De oever aan de overzijde strekt hun, die hem bereiken, eene steile met ijs ompantserde borst te gemoet. De door schrik en inspanning uitgeputten vermogen dien niet meer te beklimmen; zij tuimelen van de hoogte naar beneden, rollen naar den stroom af en breken het ijsdek of hunne eigene, half verstijfde leden. Bloedend wentelen zij zich op de harde schollen rond en kermen te vergeefs om hulp. Het medelijden is doof geworden, de menschelijkheid uit elke borst verbannen. Over de stuiptrekkende lichamen hunner broeders dringen de nakomenden gevoelloos voort en de ruwe voetstap van den onverzeerden kneust en misvormt de borst en het gelaat van den bezwijkenden makker. Maar in het volgend oogenblik reeds achterhaalt hem de Nemesis; ook zijn voet glijdt uit, ook zijne hand weigert hem den reddenden dienst, ook hij rolt op het ijs terug en kermt hulpeloos aan de zijde van hem, dien hij nog zoo even meêdoogenloos met voeten vertrapte.
De gewonden, de vrouwen en kinderen aan den oever hooren het jammergeschrei der ongelukkigen door den nacht weergalmen; de donkere sluier welken deze over het tafereel heenspreidt, vermeerdert nog de ontzetting, want de scheppende verbeelding maalt de verschrikkingen van het verderf met reusachtige trekken af. Eene razende vertwijfeling grijpt de versagenden aan; kermend en de handen wringend dwalen zij langs den oever rond. Eenigen, aan wie dit lijden vreeselijker toeschijnt dan de dood zelf, storten zich in blinde razernij in de gapende wakken van den stroom neder; anderen, aan alles en vooral aan hunne eigene kracht wanhopende, werpen zich jammerend op den ijskouden grond en verwenschen hun daarzijn en den dag hunner geboorte!
Dit was het tafereel, dat zich aan Bianca's blikken voordeed. Een tijdlang had zijmet stomme gelatenheid hare smart gedragen; thans werd zij daardoor overweldigd, barstte in tranen uit en zeeg aan de borst des broeders neder, die te vergeefs al zijne mannenkracht inspande, om bedaard te schijnen. Gaarne had hij zich op zijne gewone ruwe wijze lucht gegeven, maar om zijne zuster, die hem thans immers het liefste was, wat hij op het wijde wereldrond bezat, bedwong hij zich en sprak haar geruststellend toe: „Troost u, lieve zuster; de Algoede heeft ons voorzeker niet vereenigd, om de eerste bloesems van ons geluk hier onder de ijsschollen van den stroom te vernielen. Zijn oog waakt over ons!”
„O mijn broeder,” hernam zij, „zie op de ellende om ons heen; zij verscheurt mij de ziel! Ach, ik ben immers niet zóó ondankbaar, om over mij zelve te klagen!”
Lodewijk trad nader en sprak met zachten ernst: „De Almachtige heerscht ook te midden dezer verschrikkingen, lieve Bianca. Die de stroom in zijne diepte begraven heeft, zijn zij niet bevrijd van een eindeloos lijden? Ach hunne borst is immers reeds rustig en misschien zien zij nu reeds met een verhelderd oog op de donkere aarde neder! Laat u door het akelig gezicht van de korte worsteling niet verschrikken.”
Rasinski, die nog altijd te paard zat en ordende en regelde, waar zulks slechts geschieden kon, kwam op dat oogenblik nader en sprak de vrienden aan:„Houdt u slechts rustig, mijne besten, doe niets met overhaasting, want hier vrees ik geen gevaar. Slechts de schrik, die de soldaten heeft aangegrepen, is hun ondergang.—Ook ik blijf met mijne ruiters tot het laatste toe; doet dus geene poging, eer ik u kom waarschuwen. Wellicht is er nog mogelijkheid, om ook de wagens en sleden over te brengen.”
De kalme bedaardheid, welke Rasinski te midden der bedenkelijkste ontmoetingen wist te bewaren werd een vast steunsel voor allen, die hem omgaven. Wel is waar was hij op hetzelfde oogenblik weder verdwenen, om eenige grenadiers, die niet ver van den oever door het ijs waren gezakt, te hulp te snellen, doch de weinige seconden zijner tegenwoordigheid waren voldoende geweest, om aan allen nieuwen moed en nieuwe verwachtingen in te boezemen.
Allengs begon het tooneel zich te ontwarren; de troepen waren meerendeels over, slechts tot het overbrengen van voertuigen en kanonnen had men nog geene pogingen in het werk gesteld. Rasinski's ruiters waren ter dekking van een wagentrein met zwaar gekwetsten achter gebleven. De maarschalk ging te voet aan den oever rond en gaf nog gestadig bevelen; hij wilde, als de kapitein van een strandend schip, het wrak van zijn korps niet verlaten, eer hij het reddeloos verloren zag.
Eindelijk was de overgang volbracht en de scharen begonnen zich aan gene zijde reeds weder te ordenen. Thans zou men beproeven, of het mogelijk was, eenige wagens over te brengen, waarop zich zoodanige gekwetsten bevonden, die geheel buiten staat waren, te voet te gaan. Door den gestadig nieuw aanbrengenden stroom werden de schotsen bij elke opening dadelijk weder dicht op elkander geschoven; ook had men van lieverlede de plaatsen leeren kennen, die de veiligste baan aanboden. Op deze zou thans de proef gewaagd worden. Voorzichtig worden de wagens van den oeverkant nedergelaten; ongeveer dertig schreden houdt het ijs. Daar stort het plotseling in. Luid angstgeschreeuw verheft zich, de ongelukkigen verzinken, zij kampen met den vloed, zij worstelen onderling om de laatste, reeds half uitgebluschte vonk van hun jammervol leven. God en menschen roepen zij smeekend om redding aan. Vruchteloos! Weinige oogenblikken zijn genoeg, om hen allen in de diepte te doenwegzinken, en op de door de ziel snijdende angst- en jammerkreten volgt eensklaps weder de huiveringwekkende stilte, die slechts door het doffe ruischen en kabbelen van den stroom en door het holle dreunen en horten der ijsmassa's wordt afgebroken.
Met hevig, maar gewelddadig beteugeld smartgevoel staart de veldheer de plaats aan, waar de edelste, de dapperste, de aan de diepste wonden bloedende martelaars door den zwarten afgrond zijn verslonden geworden. Daar beweegt zich nog iets boven de oppervlakte van het water! Een klagelijk geluid laat zich hooren; men ziet eene gestalte op eene schots, nu dalend, dan rijzend ronddrijven.
„Daar is nog iemand te redden,” roept de menschelijke veldheer en waagt zich zelf op de gevaarvolle baan, waar elke mistred naar het graf voert. Rasinski, die in de nabijheid is, springt pijlsnel van het paard en vliegt den maarschalk te hulp.
Werkelijk is het een der zoo even verongelukten, die als door een wonder uit de diepte van den afgrond opduikt, doch, zwaar gekwetst en krachteloos, niet in staat is de vaste schol te beklimmen. Daar strekken zich de bevriende armen naar hem uit; zijn veldheer en Rasinski zijn het, die hem de reddende hand toereiken. Zij trekken hem op den vasten grond, geleiden hem naar den oever—hij is den dood ontrukt. Doch nu begeven hem de krachten; het verstijfde, uitgeputte, verbrijzelde lichaam houdt de ziel niet meer in vaste banden—zij ontvliedt! Zijn dwalend oog valt op zijne redders, zoekt vervolgens zijn vaderland, breekt, en sluit zich voor eeuwig.
Eene minuut wandelt de maarschalk in sombere mijmering op en neder; eene minuut is hij mensch en vriend, in de volgende weder geheel veldheer.
„Wagens kunnen niet worden overgebracht,” spreekt hij op een beslissenden toon; „vernagelt de kanonnen! Pakgoederen en levensmiddelen, die niet vervoerbaar zijn blijven voor diegenen achter, die ons niet kunnen volgen.”
Met dit bevel is het doodvonnis over de ongelukkigen uitgesproken, die op hunne eigene kracht niet meer kunnen vertrouwen. Een luid weeklagen verheft zich; wie nog een voet, nog eene hand verroeren kan, klimt met moeite van de voertuigen, om zich naar den anderen oever voort te sleepen. De anderen plunderen in vliegende haast de bagage, want deze bevat, wat alleen redden kan, den geringen spijsvoorraad, de beschermmiddelen tegen de nijpende koude, de noodzakelijkste behoeften! Bijna niets is te vervoeren en toch kan men niets ontberen! Zij grijpen, werpen weg, grijpen nog eens aan, slingeren opnieuw van zich.
Als razenden, wier have in vlammen staat, redden zij in hunne verbijstering het minst bruikbare. Velen konden niet tot een besluit komen. Daar hooren zij het geroffel der trommen, die aan de overzijde den afmarsch aankondigen, de angst van terug te blijven grijpt hen aan, en in wilde vertwijfeling snellen zij op de rivier toe en wagen de poging tot redding.
Thans eerst denkt Rasinski aan zich zelf, aan zijne vrienden. Met de uitdrukking van diepen weemoed in stem en gelaatstrekken nadert hij de slede, waarop Bianca metJeannettegezeten is. „Vorstin,” spreekt hij haar aan, „de nood wil, dat gij u aan eene harde beproeving zult onderwerpen. Wagens en sleden zijn niet over de rivier te brengen; met de paarden zal ons dit, hoop ik, gelukken. Voorzie u dus van het onontbeerlijkste. Zonder twijfel bereiken wij spoedig eene bewoonde plaats, waar wij voor vrouwen ten minste hulp zullen weten te vinden!”
Bianca sloeg den sluier terug, stond op en antwoordde met aandoening: „Gij zijt zoo goed—maar ik vrees deze beproeving van het lot niet,” ging zij met meer kalmtevoort; „ik voel moed, deze bezwaren te verduren. Slechts het lijden van al deze hulpeloozen heeft mij zoo hevig ontroerd en verlamde mijne eigene kracht. Thans zal een strengen dwang mij heilzaam zijn.”
De paarden werden afgespannen en met eenige bagage, doch niet te zwaar, beladen.Willhofengeleidt het eene, een van Rasinski's ruiters, van welke reeds eenigen te voet gingen, het andere. Rasinski zelf gaat vooruit, wijl hij de baan, welke men volgen moet, het best kent. Bianca wordt door Lodewijk en Bernard,Jeannettedoor Jaromir en Boleslaw ondersteund.
Daar de weg naar den oever door wagens, pakgoederen en honderden ongelukkigen, welker angstgeschreeuw de lucht vervult, versperd is, laat Rasinski de zijnen een omweg maken. Plotseling verneemt Bianca's angstig luisterend oor het kermen van een kind.
„Mijn hemel,” roept zij, „zou hier ergens een kind hulpeloos zijn achtergelaten? Wanneer wij al de anderen niet kunnen redden, dit onschuldige leven mogen wij toch niet prijsgeven.” Haar blik volgt het oor, zij luistert, heeft de richting gelukkig gevonden. Het arme schepsel moet zich tusschen de wagens bevinden. Zij snelt er heen en vindt werkelijk een in stroo en dekens gewikkeld, verlaten, op een wagen liggend kind, dat zij met teederheid opheft. „Arme kleine,” spreekt zij op zachten toon, „kon uwe moeder u zoo vergeten? Ik wil uwe moeder zijn, tot zij terugkeert.” Zij neemt het in haren arm en duldt niet dat Lodewijk of Bernard haar van den zoeten last ontheffen. Vriendelijk stelt zij de angstig weenende kleine gerust, die zich spoedig vol vertrouwen aan haar vastklemt. Eene zalige vreugde doorgloeit hare borst bij de gedachte, dat zij ten minste één wezen uit dezen afgrond des verderfs gered heeft. Zoo keert zij terug en toont aanJeannetteen de overigen den kostelijken schat, dien zij gevonden heeft. Boleslaw herkent het kind; het isAlisette'sdochter. In de hevige ontroering ontvalt dit woord dochter aan zijne lippen. Jaromir hoort het, vraagt, vorscht en blijft, daar zijn vriend een bepaald antwoord tracht te ontwijken, met verdubbelde hevigheid op eene verklaring aanhouden.
„Zeg mij de waarheid,” roept hij uit, „de volle, zuivere waarheid. Boleslaw, zoo gij u mijn vriend noemt—bij deze gevaren, die wij deelen, bij de trouw, die wij elkander altijd bewezen—zeg mij de waarheid!”
Zoo vernam JaromirAlisette'sondergang en doorzag tevens het gansche weefsel van huichelarij en bedrog, waarmede zij hem omsponnen had.—Hij was hevig geschokt, doch geen traan welde in zijn oog op, geen woord vloeide van zijne lippen. Hij smoorde de stomme smart, dit bittere mengsel uit bedrogen liefde, bedriegelijke begoocheling der zinnen, verachting, medelijden en diep berouw, in de binnenste schuilhoeken zijner hijgende borst, en leed zwijgend, zag bleek als een marmerbeeld.
Thans had men den stroom bereikt; de gevaarlijke overtocht begon en de beschermende hand des hemels leidde de schreden der beangsten gelukkig tot het doel. Van hoe nabij het gevaar hen ook aangrensde, hoe dikwijls de grond ook onder hen kraakte en de voet bij zwarte afgronden uitgleed—de waakzame redding was gestadig nader dan het loerende verderf. Zij betraden den anderen oever en haalden weder vrij adem.
Diep ontroerd drukten de vrienden elkander aan het hart, keerden zich tot Rasinski, die zij gevoelden dat hun redder geweest was en overstelpten hem met bewijzen van dankbaarheid en liefde.
„Zoek daar boven den Helper,” sprak deze en hief de hand ten hemel. „Hem, dieboven de sterren woont, wiens oog door nacht en nevel blinkt, Hem komt de eer toe en niet mij!”
Plotseling drong een man met woeste onstuimigheid door het dichtste gewoel en wilde Rasinski voorbijsnellen; deze herkendeRegnard. „Waarheen?” riep hij hem toe en hield hem staande.
„Laat mij!” gaf deze driftig ten antwoord en wilde zich losrukken; „ik moet naar den anderen oever terug. De ongelukkige, die mijn kind bewaken zou, heeft het achtergelaten. Ik moet het redden.”
„Het is gered!” riep Rasinski.
„Hoe? Waar?” stameldeRegnarden blikte angstig in het rond.
Rasinski wees den van vreugde bevende naar Bianca. Deze had het gesprek aangehoord en trad hem te gemoet.
„Gij arme kleine!” riep de vader met roerende teederheid en nam het kind op zijne armen; „zijt gij dan waarlijk ten tweeden male gered?”
Zijne vreugde was zoo groot, dat hij bijna aan geen dankbetuigingen denken kon; half beschaamd wendde hij zich echter tot Bianca, en zeide: „Gij waart de beschermengel van dit hulpelooze wezen! Eisch mijn leven, zoo gij wilt; als man van eer geef ik u mijn woord, dat ik het gaarne voor u wil opofferen. Maar blijft gij dan ook de moeder van deze verlatene wees?”
„Vertrouw thans het kind aan mij toe,” sprak Bianca vriendelijk; „het zal zijne moeder niet missen!”
„Ja, dat wil ik,” hervatteRegnard; „zoo de Almachtige u spaart, is ook dat jonge wezen behouden. Gij zult het niet vergeten in het uur des gevaars!”
„Voorzeker niet,” sprak Bianca; „en zij zal eer mij beschermen, dan ik haar, want Gods engelen waken over dit schuldelooze hoofd.—Ook heeft zij mij reeds hartelijk lief, niet waar, kleine?”
De koudeRegnard, wiens ijzeren voorhoofd bijna nimmer door een vriendelijk lachje ontrimpeld werd, vertoonde thans in al zijn gelaatstrekken de hevigste ontroering en heldere tranen rolden langs zijne wangen. Hij kon niet spreken, of wilde niet, daar hij zijne aandoening zocht te verbergen.
Bernard beschouwde hem met innige deelneming en fluisterde zijnen vriend in het oor: „Aan hem ziet men, dat het noodlot ijzer tot was kneedt. Het moet hem dan ook met reuzenvuisten hebben aangegrepen, dat het tranen uit zijn stalen hart perst en warme vonken uit zijn koude marmerborst slaat.”
„Gij bedriegt u, mijn vriend,” antwoordde Lodewijk; „niet de slagen van het lot hebben hem verpletterd, die blijft hij als altijd het hoofd bieden, maar de warme zon der liefde doet door hare stralen het ijs van zijne borst versmelten en ontlokt geurige bloemen aan den grond van graniet. O, geloof mij,in de diepte van elke borst ligt de gouden zaadkorrel der liefde verholen en ontkiemt ook, zoodra een zonnestraal tot haar doordringt.”
„Toch wel niet, voor en aleer het scherpe ploegijzer van het ongeluk den harden grond van alle zijden heeft losgewoeld.”
„Is dat zoo, dan willen wij den hemel dankbaarder zijn voor de smart dan voor de vreugde, die hij ons verleent,” sprak Lodewijk met aandoening.
„Daartoe heeft men ook dikwijls reden,” vervolgde Bernard; „en zijn ook wij niet in die school geweest? Hoe diep en dikwijls moest de pijn der smart, het vuur destoorns, het ijs der versmading, ja zelfs het gif der zonde mij door het hart dringen en daarin branden en invreten, eer het week en vruchtbaar werd voor de heilige zaden van vriendschap en liefde!”
„En lagen deze dan niet altijd in u?” antwoordde Lodewijk. „Gij miskent en misvormt u zelf, mijn vriend!”
„Zoo iets droeg ik er zeker van bij mij,” sprak Bernard, „maar geen echt, gelouterd metaal; en nog is het niet van alle slakken gezuiverd. Wellicht duurt het nog lang, eer het zulk een helderen, gouden klank geeft als bij haar!” Hij wees op Bianca, die nog metRegnardsprak.
„Zij, ja,” hernam Lodewijk, „is als eene vaas van het zuiverste kristal, die, wanneer men haar aanroert, de welluidendste toonen doet hooren!”
Gedurende dit gesprek hadden de troepen zich verzameld en weder in beweging gezet.Willhofenbracht de beide paarden, die hij voor Bianca enJeannettemet dekens gezadeld had, de vrouwen werden opgetild, Bianca nam het kind vóór zich en de oude bediende sloeg de teugels om den arm, ten einde de paarden te geleiden. Spoedig nam een dicht woud de vluchtenden op, en onder de bescherming der duisternis schenen de dreigendste gevaren gelukkig afgewend.
Bij het groote leger hadden de diepste droefheid en bekommernis geheerscht, wijl men niet meer hopen durfde, dat de prijs gegeven heldNeyuit de sneeuwvelden van oud-Rusland, welks grenzen door tallooze vijanden bewaakt werden, een uitweg vinden zou. Wanneer de garde des keizers, toen zij, om Eugenius enDavoustte redden, onder diens eigen aanvoering terugkeerden, reeds zulk een vreeselijken kamp moest doorstaan, wanneer de armee van Italië slechts door een wonder had kunnen gered worden—wat kon men dan nog van hen verwachten, die, meer dan twee dagmarschen achter, van alle zijden door den vijand waren ingesloten? Eene sombere mistroostigheid had zich van allen meester gemaakt; zelfs in zijne eigene redding mocht niemand zich verheugen, zoolang de koene, edele leeuw in den kerker des vijands versmachtte of wellicht onder de knodslagen der overmacht verpletterd werd. De keizer zelf, schoon hij uiterlijk en waar hij zich voor het oog der soldaten als mensch of veldheer moest vertoonen, zijne onverzettelijke kalmte en bedaardheid bleef behouden, kon zijne bezorgdheid en zijn kommer voor zijn nadere vertrouwden niet langer verbergen. Men zag hem somber, met gefronst voorhoofd, de handen op den rug gekruist, in de armoedige, half ingestorte hutten van Krasnoe, Lyadi, Rasasna en Orsza, waar de beheerscher van Europa thans zijn nachtverblijf moest nemen, op en neder wandelen. Zijne vertrouwden zaten of stonden zwijgend om hem heen en hadden den moed niet de diepe stilte af te breken. De smart over het verlies van zoovele duizenden zijner getrouwen, den smaad zijner nederlagen, de vernietiging van alle zijne verwachtingen had hij met onbezweken standvastigheid gedragen; het verlies van zijn koensten veldheer, van zijn warmsten vriend bedwong zelfs dezen kolos, die gewoon was, te midden der stormen en vlagen van het noodlot als eene rots vast te staan en de onweders op zijne kruin te doen afstuiten.
Door gevechten en inspanningen vermoeid, had het leger met een tragen tred, want de keizer wilde de geopende baan der redding niet betreden, zoolang hij zijn kostelijkst edelgesteente aan den vijand verpand had, tegen den laten avond Orsza bereikt. Eugenius,Davousten Mortier legerden zich met hunne troepen in de stad en vonden hier, na eene maand van lijden en ontbering, voor de eerste maal eene veilige schuilplaats, een dak tegen de snijdende winterkoude en eene legerstede, waarop zij de vermoeide leden konden uitstrekken. Men scheen de pijnlijke vermoeienissen te boven te zijn en met den ijzeren dwang der gebiedende noodzakelijkheid weken ook de krachten, die de wil alleen niet tot zulk eene vreeselijke gehoorzaamheid vermocht te dwingen. Uitgeput waren de krijgslieden op hunne legersteden nedergezonken en vergaten in de armen van den slaap het doorgestane lijden.
Het was nacht.
Daar hoort de nog in het late uur voor de zijnen wakende Eugenius de stille straten van het stadje van luiden hoefslag weergalmen. Luisterend buigt hij zich uit het venster, ziet ruiters naderen en roept hen aan.
„Werda?”
„Poolsche cavalerie!”
„Van waar?”
„Van het korps van maarschalkNey!”
Dit antwoord dringt den koning als een gloeiende vuurstraal door het hart. „Leeft hij? Is hij gered?” vraagt hij driftig.
„Hij komt op den rechteroever des Dniepers aanrukken,” hervatRasinski, die door den maarschalk was uitgezonden; „doch de Russen vervolgden hem en ik kom hulp vorderen.”
„Gij zult ze hebben,” juicht de veldheer en verschijnt na weinige oogenblikken met zijne officieren op de straat. De tamboers slaan den generalen marsch, men ijlt van huis tot huis, om de soldaten op te roepen. Doch welk een eisch! Nauwelijks hebben ze eindelijk de eerste plaats van rust en zekerheid bereikt, nauw heeft de slaap de uitgeputte soldaten in zijne zachte armen gesloten en reeds wederom zouden zij naar buiten in den onmetelijken oceaan van ijs en sneeuw, zouden zij terugkeeren in de wildernis, aan welke zij zoo even eerst met doodsgevaar ontworsteld zijn! Wie kan hen daartoe noodzaken! Liever kiezen zij den dood, dan de vernieuwing van dat lijden. De roffelende trommen hooren zij niet, met zoo vaste banden houdt de slaap hen omstrikt; met moeite opgeroepen en opgericht tuimelen zij half bewusteloos weder op de warme legerstede terug. Laat de vijand, dien zij wanen, dat de stad overvallen heeft, hen vermoorden; elke tegenstand is toch vruchteloos; waarom zouden zij de verlamde spieren nog eens op de pijnlijke folterbank spannen, waarom de martelingen vernieuwen en verlengen?
Nog één middel is onbeproefd gebleven. „Gij moet den maarschalkNeyredden,” schreeuwt men den bedwelmden in het oor. „Hij is in de nabijheid! Op, om hem te redden, hem te beschermen!”
De naam van den vereerden, betreurden, verloren geachtenNeydoet het eergevoel der dapperen ontwaken; zulk een veldheer te verlaten, is smadelijker dan verraad en vlucht. De oproeping dringt met wegslepend vermogen in de ziel der krijgslieden door;Neyis de held, die alles waagt, hij is de redder, waar niemand anders meer redden kan. En hij keert van de poorten des doods terug! Niets is meer te vreezen, wanneer hij weder in ons midden verwijlt!
De heugelijke tijding vliegt van mond tot mond, van huis tot huis; bij gansche scharen stroomen de soldaten toe; elk wil de eerste zijn, die den vergoden held te hulp snelt. Zelfs de bevelhebbers betwisten elkander dezen roem; slechts door zijn hoogeren rang vermag de onderkoning zijn recht daarop te doen gelden.
Door de dichte duisternis, langs ongebaande wegen breekt men op, Rasinski en zijne ruiters rijden als wegwijzers aan de spits. Doch de vijandige natuur rust ook nog thans niet; de sneeuw stuift dwarrelend op; elk spoor wordt onkenbaar. Hoe zal men thans de juiste richting houden? Hoe in deze onafzienbare wildernissen de verlorenen opsporen?—Twee uren is men, op het goed geluk vertrouwende, onophoudelijk verder voortgedrongen; thans echter schijnt elke baan en daarmede elke hoop verloren; verder gaande moet men vreezen in de netten des vijands te verwarren en op zijne legers, niet op die der vrienden, te stooten.
„Wij zijn hier op zee, ofschoon de golven ook al bevroren zijn,” roept de koning. „Wij moeten de middelen van benarde zeelieden te baat nemen en seinschoten doen.”
Hij gebiedt halt. Twee stukken worden blind geladen. Met behoorlijke tusschenpoozen worden drie schoten gelost, welker dof gedonder tot in de verte voortrolt. In angstige verwachting luistert men, of het signaal beantwoord wordt. Lang blijft alles stil; reeds begint men te wanhopen, of het teeken wel verstaan is. Daar doet zich eindelijk een verwijderd geweervuur hooren.
„Hoe? Wat moet dat beteekenen?” vraagt de onderkoning.
„O, dit teeken is ons gunstig,” valt Rasinski hem haastig in de rede, „het derde armeekorps heeft geen kanonnen meer en kan slechts op deze wijze antwoorden.”
„Dan heeft hij ons toch verstaan,” roept Eugenius. „Hoe voorzichtigheid en koenheid altijd bij hem gepaard gaan! Hij wachtte af, of de drie schoten niet door andere zouden gevolgd worden, en zoo ried hij de eenige beteekenis, die zij hebben konden.”
„Het was in des maarschalks toestand buiten twijfel gevaarlijk, op het sein te antwoorden,” hernam Rasinski; „hij kon zich daardoor even goed aan den vijand verraden. Doch zijn veldheersblik doorziet alle omstandigheden met ongeloofelijke snelheid, en waar verderf en redding nauwelijks te onderscheiden zijn, weet hij toch met vaste hand aan te grijpen, wat hem heil aanbrengt.”
„En ditmaal zal hij zich niet bedrogen vinden,” sprak de onderkoning, terwijl hij zijne afdeeling de richting liet aannemen, in welke de schoten gevallen waren.
Met vernieuwden moed en frissche kracht trekken de getrouwe kameraden voorwaarts. Eensklaps scheurt het wolkenfloers vanéén en de maan, na zoo dikwerf hunne gevaarlijke vijandin geweest te zijn, wordt eindelijk eene vriendin der bekommerden. Zij werpt haar zacht schijnsel over de sneeuwheuvels, en thans ziet men een zwarten legertroep langs den zoom van het woud afdalen.
„Dat zijn zij!” roept Rasinski, en de manschappen verdubbelen hunne schreden. Weldra heeft men elkander wederkeerig herkend; de vreugde drijft tot spoed aan; de edele aanvoerders kunnen het oogenblik der ontmoeting niet afwachten, zij snellen hunne benden vooruit, springen uit den zadel en houden elkander innig omarmd.
Het gansche leger volgt dit roerend voorbeeld na. Als had elk een broeder, een zoon, een vader gered, ijlen officieren en soldaten met open armen op elkander toe. Alle gevaren, ontberingen en opofferingen zijn vergeten. Op de zwarte zee des onheils blinkt eindelijk eene flonkerende ster des geluks, en Ruslands koude ijsvlakte, tothiertoe slechts het akelige tooneel der verschrikking, ziet een treffend schouwspel van liefde en trouw, waarbij slechts vreugdetranen vlieten.
Met eerbiedige bewondering wordt de held, die zich met leeuwenkoenheid door alle vijanden en gevaren den weg baande, door de krijgslieden omringd. Zelfs niet de nijd van hen, die met hem gelijk staan, bezoedelt zijne lauweren; elk legt gewillig den prijs aan zijne voeten, doch hij, zóó hebben plicht, eer en roem zijne natuur veredeld, weet nauwelijks, dat hij dien verdiend heeft.
In zegepraal wordt hij naar Orsza gevoerd; op den weg derwaarts deelen de soldaten des konings met die van den geredden maarschalk de levensmiddelen en verkwikkingen, welke zij zoolang ontberen moesten. Zij verhalen elkander van hun lijden, van hunne gevaren en van hunne daden; doch zijn lijden vergeet de soldaat, zijne daden blijven vast in zijn geheugen ingeprent, op deze beroemt hij zich met trotschheid, uit deze put hij kracht tot nieuwe waagstukken.—Zoo betrekken de dapperen de legerplaatsen voor dezen nacht. Zij gevoelen zich weder de soldaten van de groote, onoverwinnelijke armee, nu zij het kostelijkste goed, den roem, uit de vreeselijke schipbreuk van hun geluk gered hebben. De vijand toch kan van geen leger spreken, dat voor hem de wapens heeft nedergelegd; allen zijn zij door de russische legermassa's en de verschrikkingen eener vijandige natuur stoutmoedig heengeworsteld. Deze trotsche gedachte doet een edel vuur in de borsten der krijgers ontvlammen, en in den gloed daarvan wordt het stalen harnas eener onverzettelijke standvastigheid om de heldenborst nog hechter vastgesmeed.