VIJFTIENDE BOEK.

VIJFTIENDE BOEK.HOOFDSTUK I.Toen Rasinski na een onrustigen slaap van den harden grond opsprong, zag hij zich door een dichten nevel omgeven, die het woud in grijze sluiers hulde en zelfsde naastbijzijnde voorwerpen aan het oog onttrok. Het waren echter ditmaal geene vochtige mist- en morgendampen, die tusschen de struiken heentrokken, maar ontelbare, zwevende ijsstofjes, welke de lucht bezwangerden en bij elken ademtocht als bijtend gif op de longen vielen.„Op, op, gij slapers!” riep hij; „voorwaarts, heden kunt gij den eindpaal van uw lijden bereiken!”Doch slechts een gering aantal zijner lotgenooten hoorde zijn geroep. Eenigen bewogen zich nog, kreunden uit holle borst, trachtten zich op te richten, maar tuimelden even spoedig weer achterover, om den laatsten zwakken adem des levens uit te blazen. De meesten lagen reeds in de koude armen des doods en vormden een breeden kring van lijken om het smeulend vuur. Jaromir richtte zich op. Hij had het voorkomen van eene bleeke spookgestalte, die uit het graf oprijst; echter leefde hij nog. Lodewijk en Bernard gevoelden, dat zij heden hunne laatste krachten inspanden. Zonderling was het, dat Bianca het minst had geleden en door haar voorbeeld ten bewijze kon strekken, dat het vrouwelijke lichaam der vrouwelijke ziel gelijkt en, als deze, tegen het lijden beter bestand is, dan dat der mannen.Met een gevoel van huivering en afgrijzen baande zij zich over den kring van versteenden den weg; tot op een aanmerkelijken afstand was de grond daarmede overdekt, zoodat zij meermalen genoodzaakt werd, den voet op menschelijke lichamen te zetten.Jaromir scheen alle besef te hebben verloren; hij wandelde naast Rasinski voort en volgde zwijgend elken wenk op, welken deze hem gaf.Een akelige, doodsche stilte heerschte nog in de schemering van het woud, want zij, die om de uitgaande vuren den nacht hadden doorgebracht, lagen òf nog in vasten slaap òf waren reeds in de versteenende omarming van den dood gezonken. Men ging hooge beuken voorbij, welker zware takken tot dicht op den grond neerhingen en lijken bedekten, die in verschillende houdingen door den dood verrast en in steenen beelden herschapen waren. Eenigen hielden in de krampachtig toegeknelde vuist nog de bijl geklemd, waarmede zij te vergeefs beproefd hadden deze reusachtige boomen te vellen. Anderen hadden, met even weinig gevolg, vuur om de stammen gelegd en ze op die wijze pogen in brand te steken; men zag hen, het hoofd op de knoestige wortels neergebukt, de tot asch verteerde lont nog in de hand houden.Rasinski verhaastte zijne schreden, om dit schrikwekkend oord zoo ras mogelijk te ontvlieden; doch de gansche weg leverde een tooneel van ontzetting op en bij elken tred stiet de voet op nieuwe, vreeselijke hinderpalen. Eindelijk, na verloop van een uur, bereikte men eene opening van het woud en, daar de nevel verdunde, ontwaarde men in de verte een huis, dat wellicht eene verkwikkende rustplaats kon aanbieden. Met verdubbelden spoed ijlden de wandelaars daarop toe; maar toen zij nader kwamen en de vensters verbrijzeld en van ruiten en roeden beroofd zagen, bespeurden zij wel dat ook deze hoop hen bedrogen, dat men hier geen verblijf voor levenden te wachten had. Rasinski verlangde echter zekerheid en opende de slagdeur van het hoofdgebouw, dat eene schuur of stalling scheen te zijn; doch huiverend sprong hij terug, want hij ontdekte slechts lijken, die in dicht gedrang, ja zelfs op elkander gehoopt, den grond bedekten en hem met verglaasde oogen aanstaarden. „Is hier nog een levende?” vroeg hij, zich vermannende, met luider stemme. Alles bleef doodstil in het wijde graf en de stem stierf met doffen nagalm in de holle ruimte weg.—„Leeft hier nog iemand?” riep hij nog eens, want zijn hart verzette zich tegen de vreeselijke gedachte, dat indezen warklomp van menschelijke lichamen ook niet ééne vonk van leven meer glimmen zou. Maar het was zoo; want, toen hij zijn pistool nam en het boven de hoofden der liggenden losbrandde, verroerde zich nog niemand, maar alles bleef stil als in de diepste eenzaamheid eener woestenij. Onder andere omstandigheden zou hij het bij deze poging niethebbenlaten rusten, doch thans, nu zijne dierbaarste betrekkingen, en hij zelf met hen, in onmiddellijk doodsgevaar verkeerden, thans was zijn edel hart ongevoeliger geworden en hij wendde zich af met de woorden: „Alles te vergeefs! Verder, verder!” Zoo vervolgden zij hun weg met den hoogst mogelijken spoed, want het verderf zat hun op de hielen als een roofdier, dat naar buit jaagt en zijn offer aangrijpt, zoodra het, door uitputting overmand, een oogenblik poogt adem te scheppen.De weg werd thans meer en meer met vluchtelingen bevolkt, die uit de omliggende bosschen of naburige verlaten dorpen te hoop stroomden. Weldra bevond men zich weder in het dicht gewemel van die spookachtige, grijnzende, holoogige schrikgestalten, die de winter met gruwzamen hoon in de avontuurlijkste kleederdrachten had uitgedost, zoodat het lachwekkende zich in de vreeselijke nabijheid van den hartverscheurendsten jammer scheen gewaagd te hebben. De adem bevroor oogenblikkelijk, zoodra zij de lippen ontvlood. Vandaar waren de lange, verwilderde baarden, ja zelfs het hoofdhaar en de wenkbrauwen der ongelukkigen met spitse ijsnaalden bedekt, die hun het voorkomen van stokoude, zilverharige grijsaards gaven.—Doch te midden van al deze schriktooneelen werden de innig verknochte vriendenharten het gevoeligst getroffen door den rampzaligen toestand van Jaromir, die, in steeds toenemende zinsverbijstering, wel uiterlijk gevoelloos bleef voor het lijden, waaronder anderen gebukt gingen, en bijwijlen zelfs in krankzinnig schertsen en lachen uitbarstte, maar inwendig toch door gestadig vernieuwde aanvallen, nu van diepe droefheid, waarbij hij een luid gejammer hooren liet, dan van teugellooze razernij en vertwijfeling werd aangetast. In deze vlagen van woede, die de laatste levensbanden plotseling dreigden los te rukken, kende hij niemand en stiet zelfs Rasinski met dolle drift van zich, zoodat de vrienden hem vasthouden en beletten moesten, dat hij de handen aan zich zelf sloeg. Zij deden het, doch hunne vereende krachten waren nauwelijks toereikend en zij zagen het vreeselijk oogenblik naderen, dat zij den ijlhoofdige als een reddeloos verloren offer aan de furiën zouden moeten ten prooi geven. Tweemaal was de vlaag gebroken; toen de aanval zich ten derdemale verhief, tastte deze den lijder heviger en langduriger aan dan te voren. Eindelijk riep Rasinski: „Het is onmogelijk, wij moeten hem opgeven; bidden wij slechts, dat de hevigheid zijner folteringen zijn einde bespoedige!”En reeds wilden zij hem aan zijn lot overlaten en in bandelooze drift laten voorthollen, toen de hemel hem in Bianca een reddenden engel toezond. Haar hart kon niet dulden, dat men zulk een vriend aan het verderf prijsgaf, zoolang de heilige vonk des levens nog in zijne borst gloorde. Weenend en smeekend wierp zij zich tusschen de mannen in en riep: „O neen, geeft hem niet op, redt hem of laat ons met hem omkomen!” Hierop wendde zij zich tot Jaromir zelven, aarzelde niet de hand des waanzinnigen zachtkens in de hare te nemen, en smeekte op een toon, die zelfs tot in den diepen nacht der zinneloosheid doordrong: „O, wees bedaard! Kom tot u zelf, herken uwe vrienden en ga met ons!”Als uit een beangstigenden droom ontwakend, staarde Jaromir haar strak en verwonderd aan en vergat plotseling het worstelen tegen de hem omringende vrienden. De woeste golven zijner krankzinnigheid werden eensklaps effen, toen de vriendelijkegestalte met zachten blik door de donkere sluiers, die zijne ziel omhulden, heendrong. Stil en gehoorzaam als een kind vouwde hij de handen en sprak met bevende stem: „Ik wil u immers gaarne volgen; laat mij slechts aan uwe zijde gaan en verstoot mij niet weder!” Zij reikte hem vriendelijk den arm en zeide: „Kom, ik wil u geleiden.” En gewillig liet hij zich leiden en brak niet weder in gejammer, niet weder in vlagen van woede uit, maar glimlachte stil voor zich heen, als in zalige droomen. Met ontroering bemerkten de mannen dit vermogen der reine vrouwelijke ziel en hunne borst werd met deemoed en vereering vervuld.Het was de laatste beproeving. Eindelijk sloeg het uur der verlossing. Eensklaps verhief zich onder de voorste troepen een kreet van vreugde en verbazing, die met elken voetstap luider en luider werd en, daar elk naar de reden vorschte, weldra in een luid geroep en geschreeuw overging. Ten laatste bereikte ook Rasinski met de zijnen de kromming van den weg, waar het gejoel zich het eerst had doen hooren, en de lang gewenschte haven der redding, de eerste bevolkte, bewoonbare stad, WILNA, lag voor hunne oogen uitgestrekt. Bij dezen aanblik kende de verrukking geen palen; snikkend vielen de vrienden in elkanders armen en onder het storten van heete vreugdetranen zocht hun overstelpt hart lucht in een vurig dankgebed tot den almachtigen Helper.Zelfs de bitterste herinneringen aan het verleden versmolten in dit oogenblik voor de vriendelijke stralen van den gelukszon; slechts de pijl van het heden, die nog in de versche wonde van het hart brandde, smartte onbeschrijfelijk.Met innigen weemoed vestigde men het oog op den ongelukkigen jongeling, voor wien dit uur der verlossing geene waarde meer bezat. Slechts één dag vroeger en ook hem zoude de zon der vreugde vriendelijk hebben toegelachen!—Doch met doffen slag wierp het lot de poorten toe, juist toen hij op den dorpel trad, en belette hem voor eeuwig den toegang tot de vroolijke velden des levens!Koel en onverschillig zag Jaromir de ontroering der vrienden aan. Een oogenblik scheen het, dat hij een straal der waarheid zag doorschemeren: hij ademde sneller, beklemder; het was, alsof de stroom der vreugde zich met geweld uit de borst een weg banen en de klemmende boeien der krankzinnigheid verbreken wilde. Doch deze bleven machtiger; zuchtend liet de ongelukkige het hoofd weder zinken en zijn ontvlammend oog verloor dien kortstondigen gloed. „Leid mij verder, Lodoiska,” richtte hij zich smeekend tot Bianca, die, door de hevigheid harer aandoeningen overweldigd, in Lodewijks armen hing en zich nauwelijks kon staande houden. De gedachte echter, dat een grenzeloos ongelukkige haren bijstand behoefde, gaf haar de noodige bedaardheid terug; zij bood hem opnieuw den arm en, door de hoop met frissche krachten toegerust, zette men met verhaaste schreden den weg voort.Het nabijgelegen doel was echter moeielijk te bereiken; want reeds zag men de wegen in hunne gansche breedte met ongelukkigen bezaaid, die de aanblik van den gewenschten eindpaal van hun lijden aan de doffe bedwelming had ontrukt, waarin de overmaat der geledene rampen hen gedurende de laatste dagen had doen wegzinken. In blinde haast—gelijk het over het geheel de vloek was, die op dezen ganschen noodlottigen terugtocht rustte, dat men redding en verderf met dezelfde verblinding miskende—stormden zij op de stad aan. Hoewel het ruime veld nog eene vrije uiteenspreiding der massa's veroorloofde, bespeurde men nu reeds een golvend samenpakken en opeendringen; wat moest het gevolg zijn, wanneer engere toegangen het afstroomen van dezen vloed belemmerden? Rasinski zag het met bezorgdheid. Hijvreesde eene tweede, meer vreeselijke Beresina, wijl niet eenmaal de vijand, maar slechts de razende verblinding der bevriende lotgenooten het onheil dreigde te bespoedigen. Als dáár nam de gansche stroom ééne enkele richting; aan eene dierlijke aandrift gehoor gevende, volgde elk zonder oordeel of overleg den makker na, die voor hem ging. De zucht om het doel te genaken, deed slechts daarop achtgeven, en langs den naasten weg wilden allen het bereiken. Rasinski zag rond, of zich nergens een zijweg bespeuren liet, dien men ongemerkt zou kunnen inslaan; want door zulks plotseling te doen, vreesde hij een al te sterken stroom na zich te zullen sleepen. Thans naderde men reeds enkele verstrooide huizen van de voorstad en deze zelve was nabij. Zoo ergens liet het opzet zich hier ten uitvoer brengen.„Houd u dicht achter mij,” fluisterde hij Bernard toe, „en volg mij onmiddellijk, wanneer ik zijlings afsla. Langs gindsche heg moet men eene andere poort der stad bereiken, die wellicht minder door het gedrang belegerd is.”Daar Jaromir thans volkomen bedaard was geworden, nam hij dezen weder in den arm en liet Bianca tusschen Lodewijk en Bernard ingaan. Reeds begon men eene stremming in den toevloed te bespeuren, reeds werd men meer voorwaarts gedrongen, dan men vrijwillig ging. Het was derhalve hoog tijd, het plan te volvoeren.„Nu,” riep Rasinski en sloeg zijwaarts af. De drie anderen volgden hem. Door een donker voorgevoel gedreven, drongen gansche scharen hen na, zoodat zij een tak van het stroomende gedrang op deze wijze afleidden. De weg daalde met eene steile, gladde helling naar het veld af. Rasinski kwam dezen hinderpaal gelukkig te boven, doch Bianca gleed uit en viel. Schoon broeder en vriend haar dadelijk ondersteunden, waren ook dezen te zwak, om zich op het gladde ijs staande te houden, te meer, daar Bernard het kind droeg. Ook zij vielen dus. De stroom der menigte drong hen aan weerszijden voorbij; hij wentelde niet over hen heen, doch sneed hen dadelijk met dichte golven van den geleidenden vriend af. Met moeite richtten zij zich op; Bianca had den voet verwrikt, zoodat zij te nauwernood kon staan. Bernard zag naar Rasinski om; deze was verdwenen en eene zwarte menigte had zich reeds over het veld verspreid.„Voorwaarts, voorwaarts, in 's hemels naam voorwaarts!” riep hij,„anders worden wij voor altijd van hem gescheiden.”Doch het was te laat. Te velen hadden zich tusschen hen en den vriend ingedrongen, en dit getal werd nog gestadig van buiten af vermeerderd, daar zij, die op den grooten weg nakwamen, dezen vroeger verlieten en het veld in eene schuine richting overstaken, ten einde zich zoo spoedig mogelijk bij de voorste troepen aan te sluiten. Tegen dezen stroom op te worstelen was ondoenlijk; door voort te dringen hem sneller te deelen, ook hieraan was niet te denken. Er bleef hun dus geene andere keuze over, dan zich door den stroom lijdelijk te laten voortstuwen. De weg kromde om de hoekige heggen en heiningen der verspreid liggende buitentuinen; eensklaps verdeelde hij zich in verschillende zijpaden, die alle reeds met vluchtelingen bezaaid waren. Welke richtingen had Rasinski hier genomen? Dit was met geenerlei zekerheid te bepalen en, al ware het ook mogelijk geweest, zoude het toch niet gebaat hebben, want ook hier was men niet meer aan zijne vrije verkiezing overgelaten; elk moest volgen, werwaarts de toevallige richting der gestadig talrijker aandringende scharen hem voortdreef. Naar denzelfden stelregel, die hem aan den oever der Beresina het leven had gered, was Bernard er ook hier op bedacht, zich aan den stroom der menigte te ontworstelen, om eindelijkde keus van den weg weer vrij te hebben. Dit gelukte hem niet ver van de eerste huizen der voorstad, in welker enge straten de verblinde scharen als eene door een wolf vervolgde kudde binnendrongen. Ademloos en uitgeput kwamen zij ten laatste in de ruimte; de winter, die hen zoo lang vervolgd had, werd nu hun redder, want slooten en plassen, die hun anderszoudenbelet hebben, de stad langs dezen weg te naderen, waren thans vast toegevroren.Hun weg verlengde zich tot over het half uur, doch eindelijk bereikten zij een andere, tegenover de eerste gelegen voorstad en zagen zich hier geheel alleen, alsof zich geen leger in de nabijheid bevond. De weinige armoedige huizen, welke zij hier aantroffen, konden hun geene schuilplaats aanbieden, daar zij door de bewoners verlaten waren; maar de geopende stadspoort lag op geringen afstand voor hen, en met onuitsprekelijke blijdschap ontdekten zij op de breede straat reeds verschillende goed gekleede menschen, welker geheele voorkomen verried, dat de ellende des oorlogs hier een einde nam. Sidderend van vreugde traden zij de poort binnen en gevoelden thans ook over het lot van Rasinski minder ongerustheid, daar zij, bij het zien der bewoonde huizen en der alom heerschende rust en kalmte, vooronderstellen moesten, dat ook hij reeds eene veilige schuilplaats gevonden had. Slechts eenige uren verademing, rust en warmte, dan zou, hoopte men, de geliefde vriend wel op te sporen en het wederzien dubbel verblijdend zijn.Het naaste dak was ook het meest gewenschte; de nood verhief elke hut tot een paleis; derhalvesneldenzij met haastige, wankelende schreden op een klein, vriendelijk huis toe, aan welks deur zij eene jonge vrouw ontdekten, die evenals eenige voorbijgangers, de aankomenden met groote oogen aanstaarde.Bianca, het russisch machtig, riep haar reeds op eenigen afstand toe: „Hebt gij plaats voor ons goede vrouw? Wij willen u rijkelijk beloonen.”Daar vloog deze eensklaps met den uitroep: „Om aller heiligen wil, gravin Feodorowna, zijt gij het?” de naderende te gemoet, greep hare handen en bedekte ze met kussen. „Wat voert u herwaarts? En in dien toestand! Barmhartige God! Herkent gij mij dan niet?”„Axinia! Gij zijt het?” riep Feodorowna met bevende stem. „Axinia! Gij onze redster?”Hier begaven haar kracht en zinnen; zij wankelde, Bernard en Lodewijk vingen haar in hunne armen op, Axinia greep het kind, snelde vooruit en riep: „Volgt mij, hier woon ik!”Na een duldeloos lijden hadden de ongelukkigen dan eindelijk redding, hulp en liefde gevonden. Uit de barre wildernis waren zij tot de gastvrije woningen der menschen teruggekeerd. Hun leven zou geen foltering meer zijn; vriendelijk bood de werkelijkheid hun de hand—de wisseling echter was te onmetelijk groot, te onverwacht; nu zij daar was, vermochten zij haar niet te bevatten.HOOFDSTUK II.Axinia bracht de geliefde gebiedster, aan welke zij eens hare redding was verschuldigden wie zij het nu kon vergelden, terstond te bed en zocht alles, wat het kleine huis opleverde, ter harer verzorging bijeen. Reeds na eenige minuten richtte Bianca het hoofd weder op en zag, tot haar volle bewustzijn teruggekeerd, met zalige blikken in het rond. „O mijn broeder, o mijn geliefde!” sprak zij en drukte Bernard en Lodewijk, die aan haar leger zaten, de handen. „Is het dan toch waar, zijn wij gered? Heeft deze onuitsprekelijke ellende werkelijk een einde genomen?”„Ja, het is zoo! Wij behooren tot de weinigen, die den dood ontkwamen!”„En welke hand biedt mij het eerst hulp en bijstand aan!—Ach, Lodewijk, ik offerde eenmaal veel voor dat goede kind op! Om haar te redden verzaakte ik de liefde, die ik u toedroeg. Wel was deze toen nog als een diep geheim in mijn hart verborgen en scheen zij slechts als een schoon, ongenaakbaar gesternte in den nacht van mijn ongeluk; maar toch was zij de eenige straal van hoop, die mij toelachte, het eenige geluk mijner eenzame droomen. Doch hoe onuitsprekelijk rijk beloont de goedertierende hand der Voorzienigheid, en hoe ondoorgrondelijk zijn Hare wegen en bestieringen! Nu is het Axinia, die ons aan het verderf ontrukt.”Deze was intusschen binnengetreden en naderde met een van vreugde en geluk stralend gelaat. Bianca vroeg haar thans naar haar wedervaren, naar de oorzaak, die haar in Rusland had teruggehouden, daar zij dit rijk voor altijd had willen ontvlieden. Van schaamte blozend antwoordde de jonge vrouw, dat een te vroege bevalling haar verrast en in eene langdurige ziekte gestort had. Deze ziekte deed hare kleine bezitting spoedig inkrimpen, en daar zich inmiddels voor Paul eene gelegenheid opdeed, om als opziener in het lazaret geplaatst te worden, eene betrekking, waarvoor zijne kennis van de fransche, duitsche en russische talen hem boven anderen geschikt maakte, had hij haar te gretiger aangegrepen, wijl zijne uitzichten op eene betrekking in Duitschland in dezen woeligen tijd toch niet dan zeer onzeker waren en Axinia zich middelerwijl van hare ziekte volkomen herstellen kon.Terwijl de jonge vrouw een kort verslag van hare ontmoetingen gaf, ontstond er op de straat een toenemend gedruisch en gewemel. De buren verzamelden zich in verschillende groepen, of snelden de straat op naar het midden der stad; in alle huizen opende men de vensters en zag nieuwsgierig naar buiten. Axinia deed hetzelfde. „Heilige moeder Maria, wat is er te doen?” riep zij verschrikt uit. „Ach, daar komt Paul, hij zal ons bericht brengen.”Zij ijlde haren man te gemoet, die, toen zij hem de aankomst der onverwachte gasten bericht had, vol vreugde binnentrad.„Genadige gravin!” riep hij, „dus zijt gij het waarlijk? En gij waart gekomen met dien hoop ongelukkigen, die huilend door de poort indringt?”„Wij komen met het leger,” hernam Bianca.„Met het leger?” vroeg Paul verwonderd. „Dus zou dat het leger zijn? Onmogelijk!”Thans eerst ontdekte men, dat de keizer zijn ongeluk zóó diep verborgen had weten te houden, dat de ingezetenen van Wilna van de vreeselijke rampen, die de macht van den wereldbedwinger verpletterd hadden, nog niet het geringste vermoedden. Met schrik en verbazing hoorden Axinia en haar echtgenoot dit bericht en tevens de schildering der vreeselijkste ellende aan, waartoe ooit eenig leger was of kon vervallen.Axinia verbleekte en beefde, toen zij hoorde, dat hare gebiedster in al deze gevaren en rampen had gedeeld. Sidderend wierp zij zich voor een klein Mariabeeld op de knieën en bracht onder het storten van tranen deze heilige haar dank voor de reddingvan Feodorowna toe. Nu verdubbelde zij hare bezorgdheid en liefde ook jegens de haar nog vreemde geleiders der gebiedster. O, het was voor haar dankbaar hart zulk eene weldaad, dat zij nu toch toonen konde, hoe gaarne zij aan de heilige verplichting voldeed, welke Bianca's grootmoedigheid op haar had gelegd.Het gewoel op de straat vermeerderde; men ontdekte enkele dier ongelukkigen, die, huisvesting en lafenis zoekende, tot in deze afgelegene wijk waren doorgedrongen. De eerstkomenden werden opgenomen, maar toen zich nog anderen en eindelijk gansche benden vertoonden, sloten de verschrikte bewoners hunne huizen.De afgewezenen, die in het gezicht der redding zouden omkomen, daar hunne uitgehongerde, vermoeide lichamen tegen de vreeselijke koude niet langer bestand waren, hieven een afgrijselijk gebrul aan. Zij beukten op de huisdeuren en dreigden alles in brand te steken.Paul was besluiteloos, wat hij doen zou; zijn menschelijk gevoel dreef hem aan, de ongelukkigen op te nemen; de voorzichtigheid gebood, hen terug te wijzen. Bianca riep hem toe: „Neem op, zooveel uw huis kan bevatten! Wij hebben de ellende met hen gedragen, wij weten dat medelijden plicht is.”De jonge man wilde wegsnellen, om aan het bevel der gravin te voldoen; doch het was niet meer noodig. Slechts een kleine troep was tot hier verdwaald geweest en had reeds huisvesting gevonden; de overigen waren naar de stad teruggekeerd om daar hun geluk te beproeven.„Maar hoe is het mogelijk,” zeide Bernard, „dat deze lieden thans eerst in de stad dringen, dat niemand voor hen zorgt, niemand hun schuilplaats verleent. Wij zouden reeds een half uur vroeger hier zijn geweest, zoo wij ons niet, om het gedrang te ontwijken, den omweg naar deze poort getroost hadden.”„Dat is het juist, waaraan het gansche onheil is toe te schrijven,” hernam Paul. „De menigte heeft zich in de enge voorstad zoo opgedrongen, dat niemand voor- of achterwaarts kan. De poort is door wagens, paarden en menschen verstopt; niet dan een voor een dringen zij binnen. Maar wie zou ook gedacht hebben, dat dit het leger was! Wij hielden hen voor een troepmarodeurs, die, zooals gewoonlijk bij een terugtocht, voor het leger uit zwerven en door dit worden voortgedrongen. Daarom is ook dadelijk aan de magazijnen last gegeven, hun niets uit te leveren, in geen hospitaal mogen wij hen opnemen.”„Heilige God!” riep Lodewijk; „dus moeten deze rampzaligen omkomen door de onzinnige, zelfzuchtige voorzorg der hunnen. Haast u, haast u, beste vriend; maak bekend, dat dit het gansche leger is 't welk binnenrukt, dat één uur uitstel aan duizenden het leven moet kosten, en gij zult tallooze ongelukkigen redden!”Paul snelde weg.Thans begonnen de geredden ernstige bezorgdheid over het lot van Rasinski en Jaromir tevoelen. Tot hiertoe hadden zij gemeend, dat zij onder de laatsten behoorden, die eene schuilplaats gevonden hadden, nu echter bleek het, dat zij zich inderdaad onder de gelukkigsten moesten rangschikken. Bianca ontveinsde hare vrees niet geheel, doch trachtte die te verkleinen, daar zij duchtte, dat Lodewijk en Bernard aan de inspraak van hun edelmoedig hart gehoorzamen en dit veilige dak verlaten zouden, om zich, door hunne pogingen om Rasinski op te sporen, aan nieuwe gevaren bloot te geven. Zij had zich niet bedrogen, want als uit één mond riepen vriend en broeder: „Wij moeten hen opzoeken!”Bianca zag hen angstig aan. „Is het echter noodzakelijk, kunt gij hun hulp of redding brengen?” vroeg zij. „Dikwijls houden wij voor plicht, wat ons het moeilijkst te volbrengen schijnt. Waar zult gij hen zoeken in de onbekende stad, in het gedrang en gewoel der naar huisvesting zoekende soldaten? Weet gij meer van hen, dan zij van u? Geeft gij u niet opnieuw bloot? Zoo gij in het gedrang geraakt, zoo——ach, gij laat mij aan den vreeselijksten angst over!”—„Ik heb al die tegenwerpingen zelf gemaakt, geliefde,” antwoordde Lodewijk met zachten ernst; „doch mijn hart wederlegt ze alle. Voor eenige minuten nog achtte ik het verstandiger, dat wij eerst uitrustten en dan onderzoek naar hem deden, want ik waande deze stad voor allen eene reddende haven. Nu echter ook zij, gelijk alles in dezen verderfelijken oorlog, eene gevaarlijke klip wordt, is van zelve de noodzakelijkheid daar, om onverwijld te handelen. Ook voel ik mij door de warmte en verkwikking reeds weder sterker. Hoe, zoo Rasinski nu eens, gelijk vele anderen, hulpeloos door de straten dwaalde en slechts onze traagheid zijn ondergang berokkende?—Neen, mijn lieve, wij mogen het niet uitstellen, wij moeten hem zoeken.”Bernard had inmiddels zijne muts reeds weder opgezet; Axinia voorzag beiden van pelslaarzen en andere verwarmende kleedingstukken en gaf hun rum en brood mede, ten einde zich zelven of anderen, die het noodig hadden, te laven. Zij gingen en beloofden na verloop van een uur terug te keeren.De stad leverde een akelig schouwspel op: voor de magazijnen en hospitalen waren de beklagenswaardige vluchtelingen verzameld en belegerden de deuren, die het strenge verbod voor hen gesloten hield. Gehuil, verwenschingen en gebeden mengden zich dooreen; de burgers verscholen zich in hunne veilige huizen en grendelden de deuren en vensters. En inderdaad, de wezens, die men zag naderen, zwart van rook en aarde, met de uitdrukking van angst en honger in het holle oog, schenen eene schaar afzichtelijke harpijen, die roofgierig op spijs, drank en alles, wat een behagelijk leven verried, dreigde aan te vallen. Waar men hun uit mededoogen eene deur had geopend, moest men zich dit spoedig beklagen, want er kwam geen einde aan den aandrang; met onstuimige woede baanden zij zich een weg en, door den scherpen prikkel des lijdens onweerstaanbaar gedreven, hadden zij elk gevoel van dankbaarheid en matiging verloren. Gelijk overal, werwaarts deze scharen hunne schreden richtten, scheen zich ook hier de vloek, die op haar rustte, te openbaren; de redding was daar, de eindpaal des jammers bereikt, maar ook nu juist lag het gruwzame lot het grimmigst op de loer en spande het zijne verderfelijke strikken. Het rukte den ongelukkigen den beker der verkwikking van voor de lippen weg, juist nu zij hem aanroerden, en liet hen in duldelooze ellende versmachten.Te vergeefs dwaalden de beide vrienden door dit akelig gewemel, waar de een zich niet meer om den ander bekreunde, maar elk met blinde woede om zelfbehoud en redding kampen wilde, heen en weder; te vergeefs riepen zij Rasinski en Jaromir luid bij den naam—geen bekende stem, geen antwoord liet zich vernemen.Zoo zouden zij dan den edelsten vriend, die hun redder en beschermer in tallooze gevaren geweest was, verliezen, nu zij gehoopt hadden hem vroolijk en dankbaar in de armen te vallen. Treurig en moedeloos namen zij ten laatste den terugweg naar hunne woning aan, want ook hun zelven begonnen de krachten te ontzinken. Door lange straten vol versteende lijken, die voor de huizen lagen, aan welker gesloten deuren zij te vergeefs geklopt hadden, snelden zij voort. De felle koude nam gestadigtoe; wie zich eenige seconden ter ruste nederzette, zonk verstijfd ter aarde, om zich niet weder op te richten.Zoo waren de straten, die nog kort te voren van gejammer en gekerm weergalmden, weldra in stille kerkhoven veranderd, waar geen schijn van leven zich vertoonde en elke voetstap hol dreunend werd teruggekaatst. Met onuitsprekelijke droefheid in de borst naderden de vrienden het kleine huis. Geen van beiden sprak, men bekende elkander niet wat men vreesde, niemand waagde het, eene vraag te doen.—Reeds zetten zij den voet op den drempel, toen zij eene met postpaarden bespannen slede de poort zagen binnenrijden. Vol verbazing over deze verschijning, die hun sinds maanden vreemd was geworden en die vooral in deze stad der ellende hunne aandacht tot zich trok, richtten zij de blikken derwaarts.Plotseling riep Bernard: „Almachtige hemel! Ik word krankzinnig of ik zie geesten! Het is Maria!” Met krampachtige onstuimigheid greep hij Lodewijk bij den armen,wees, hevig sidderend, op eene vrouwelijke gestalte, die juist met opgeslagen sluier uit het geopende sledevenster rondzag. Nauw kreeg Lodewijk haar in het oog, of ook hij herkende de geliefde wezentrekken en wilde met den kreet: „Zuster, zuster!” op haar toesnellen. Doch zijne knieën knikten, de krachten begaven hem; ook Bernard stond als aan den grond geketend en sloeg de armen om den vriend, nauw bewust of hij zich zelf, dan dezen ondersteunen wilde. „Zuster!—Maria!” riepen zij nog eenmaal en thans eerst hoorde deze hun geroep. Zij gaf een luiden gil van ontsteltenis en vreugde, het portier der slede vloog open, en nog eer de schuimende paarden stilhielden sprong zij er uit, zonk op de knieën, richtte zich weder op en zeeg bedwelmd en ademloos in de geopende armen des broeders.Sprakeloos hingen broeder en zuster aan elkanders hart en misten woorden, om hun geluk, hun liefde uit te drukken. Voor Bernards oog werd het duister en smartelijke tranen welden daarin op; door diepen weemoed overmeesterd, wendde hij zich af en weende. Doch dra vermande hij zich en mompelde: „Ik heb immers ook eene zuster en kan in hare armen gelukkig zijn.”Driftigwildehij zich omwenden en naar binnen snellen, toen Maria als een vriendelijke engel voor hem trad en zijn naam noemde. Hij zag op; tranen glinsterden in haar oog,eene zachte smart veredelde haar gelaat, de lippen fluisterden nauwelijks hoorbaar, daar het jagen harer borst haar de stem roofde: „Bernard, lieve vriend!” Hij greep de hand, die zij hem aanbood;—als door onzichtbaren aandrang voelde hij zich gedreven, het liefelijke wezen in zijne armen te trekken, het te omvatten en aan zijn gloeiend hart te drukken. Doch een blik op haar maagdelijk gelaat, waarop tegelijk heilig vertrouwen en zachte schaamte troonden, deed hem voor zijne onstuimigheid terugbeven en hij bedwong zich met mannelijke kracht. Zachtkens drukte hij zijne lippen op hare hand en zeide: „Maria! ook ik heb eene zuster gevonden. O, ik ben thans geheel veranderd!”Zij wilde antwoorden, toen hij met den verbaasden uitroep: „Hoe? de gravin!” het gesprek afbrak en alle droefheid en smart tevens gevoelde, welke deze verschijning op dit oogenblik teweeg moest brengen.De gravin had op Maria's roepen en voortsnellen dadelijk laten stilhouden en volgde haar met Lodoiska, welke laatste door schrik en verrassing zoozeer was overweldigd, dat zij niet dan sidderende en door den arm van haar moederlijke vriendin ondersteund, kon naderen.„O vriend! Hoe zien wij elkander weder!” sprak de gravin met diepe ontroering. „Zeg mij spoedig, wat weet gij van mijn broeder, van Jaromir....”„Zij kwamen met ons hier,” viel Bernard haar driftig in de rede, daar hij vreesde, dat zij ook Boleslaws naam noemen zou, „doch in het gedrang verloren wij elkander uit het oog. Maar volg ons; wij hebben hier dak en huisvesting voor u. De stad is opgepropt met soldaten; gij zoudt bezwaarlijk een schuilplaats vinden.”De gravin nam Bernards aanbieding terstond aan, doch wierp tevens een onrustigen blik op hem en Lodewijk, wijl beider gelaatstrekken geene vreugde te kennen gaven. Lodoiska's oog hing angstvol aan Bernards lippen; een voorgevoel der waarheid scheen haar te doen huiveren, want zij werd bleek als de sneeuw, waarop zij stond, toen zij den naam des geliefden hoorde.Bernard geleidde de gravin in het huis, welks deur door Axinia, die de komenden uit het venster bemerkt had, reeds geopend werd. Lodewijk volgde, terwijl hij zijne zuster aan den arm had, die Lodoiska ondersteunde. Vol verbazing staarde Axinia de vreemde dames aan en wierp een vragenden, verlegen blik op Bernard.„Slaapt de vorstin?” vroeg deze.„Zij is zoo uitgeput, dat ze in eene diepe bedwelming ligt,” was het antwoord; „evenwel durf ik het geen slaap noemen, want zij rijst dikwijls verschrikt op en roept de namen: Jaromir, Rasinski.”Bernard ontstelde, want dit antwoord verried bijna alles.„Wat beteekent dat?” riep de gravin. „Ik bezweer u, verheel mij de waarheid niet. Waar is mijn broeder, waar Jaromir? Op hun dood zijn wij lang voorbereid en wij gevoelen ons sterk genoeg om met onderwerping te dragen, wat over ons beschikt is. Deze angstige spanning breekt mij het hart; hoe zal Lodoiska ze verdragen?”Gelukkigerwijs was deze nog zoo ver achtergebleven, dat zij van dit gesprek niets vernam. Bernard antwoordde fluisterend: „Ik kan u den angst niet besparen; echter is mijne hoop grooter dan mijne vrees.”Axinia bracht de nieuwe gasten in een ander vertrek, ten einde Bianca in hare sluimering niet te verontrusten. Met een zonderling gemengd gevoel van vreugde, geluk, angst en verbazing hoorden de vrouwen hier een vluchtig verhaal aan van de rampen en gevaren, waarmede de mannen in dezen verderfelijksten aller oorlogen hadden te worstelen gehad. Men was huiverig, van Boleslaws dood te spreken, doch eindelijk nam Lodewijk het woord: „Een onzer liefste vrienden heeft het lot uit onze armen weggerukt. Boleslaw viel; hij stierf een heldendood,—hij stierf schoon!”Maria weende zacht in de armen des broeders en verborg haar gelaat aan zijne borst. Bernard zat somber, het hoofd op zijne hand gesteund, en staarde op den grond. Lodoiska hoorde het naricht met kloppend hart en bleeke lippen; slechts koude tranen rolden over hare wangen. Was het een bang voorgevoel, dat haar beklemde, of wel medelijden met den edelen jongeling, die haar stom en trouw bemind had en voor wien zij althans eene oprechte genegenheid gevoelde,—wie kan het beslissen? De gravin was opgestaan en wandelde, gelijk zij bij heftige gemoedsaandoeningen gewoon was, diep ontroerd door het vertrek. „Gij zijt gelukkig,” sprak zij ontroerd, „wie de last der smarten nog in verlichtende tranen van de borst wegsmelt. Ik kan niet weenen: mijn hart is versteend onder het gewicht der ellende. Ik ween niet, en ik wil niet weenen. Waarheid, zekerheid is de eenige gunst, die ik nog van den hemel weet af te bidden. Hebt gij mij aangaande Rasinski en Jaromir alles gezegd?”Lodewijk schroomde te antwoorden, want van Jaromirs krankzinnigheid hadden zij gezwegen; Bernard echter had zich van de verlegenheid, welke deze rechtstreeksche vraag hem veroorzaakte, spoediger hersteld. „Alles,” sprak hij haastig, „wat zich in de weinige trekken liet te zamen dringen, waarmede wij het tafereel der ongehoorde wereldgebeurtenissen en zonderlinge eigen ontmoetingen trachtten af te schetsen.”De gravin stond als het marmerbeeld eener Minerva, onbewegelijk, trotsch overeind. Haar donker oog blikte in de troostelooze toekomst, stille weemoed zweefde om hare lippen, verheven ernst zetelde op haar hoog voorhoofd; lang stond zij zwijgend en als versteend. Eindelijk vloog een zacht lachje over het edele gelaat, als een zonnestraal, die over het nevelachtige herfstlandschap heenzweeft.„Ik heb immers nog eene dochter!” riep zij en breidde de armen naar de bleeke, sidderende Lodoiska uit, die zich snikkend aan hare borst wierp. Zij hielden elkander teeder omarmd en slechts het beklemde ademhalen van haren door angst geprangden boezem was hoorbaar in deze minuten van heilige, doodsche stilte.HOOFDSTUK III.Paul was inmiddels naar huis teruggekeerd, zijn verslag aangaande den toestand der stad, dat Bernard hem heimelijk afvroeg, was ver van geruststellend. Bovendien begon de duisternis te vallen; met de zon van den volgenden dag moest men de terugkomst der hoop verwachten.De vrouwen hadden zich naar het vertrek van Bianca begeven, die Lodewijk haar thans had voorgesteld. Welke zalige uren van liefde, vriendschap en heilig dankgevoel hadden zij thans te zamen kunnen doorbrengen, zoo angst en ongerustheid over de vermisten aller harten niet zoo drukkend hadden beklemd!Ten einde der vrouwen althans eenigen troost te verschaffen, en opdat zij den nacht niet in te angstige spanning doorwaken mochten, sprak Bernard met den welwillenden Paul af, dat deze den toestand der stad gunstiger zou afschilderen, dan die inderdaad was, en bracht hem daarop naar Bianca's kamer. Hier verhaalde Paul, dat alleen de eerste verwarring zoo verderfelijk geweest was, dat alles zich thans begon te schikken, dat de soldaten, in de huizen der burgers gastvrij opgenomen, meerendeels in diepe rust lagen, om morgen met frissche krachten te ontwaken, en dat voorts het wedervinden van een verlorene heden reeds deswege onmogelijk was, wijl ieder, die een dak gevonden had, zich daar aan den slaap, die van alle behoeften de dringendste was, ongestoord overgaf. De gravin hoorde deze mededeelingen zwijgend aan; zij gaf zich aan haar lot over, ofschoon geen bemoedigende straal van hoop tot hare ziel doordrong.De onweerstaanbare rechten der stoffelijke natuur hadden zich bij de uitgeputten krachtig doen gelden. Bernard, Lodewijk en Bianca lagen in vasten slaap. De gravin echter en Lodoiska waakten in bange bekommering en met haar Maria, niet alleen uit de innigste deelneming der vriendschap, maar ook wijl haar hart, hoe moedig zij het ook bekampt had, nog altijd met warm gevoel voor Rasinski klopte.Ook Paul en Axinia wilden zich niet ter rust begeven, hoewel zij zich bescheiden van hunne gasten hadden afgezonderd. In de straten der stad was het geheel stil geworden; geen enkel geluid liet zich in den omtrek vernemen.—„Luister!” sprakPaul en sprong eensklaps verschrikt op; „luister, Axinia, was het niet alsof daar iemand kermde en kreunde? Hoor, al weder.” Hij opende een venster en bleef eenige oogenblikken luisteren. „Het komt van de overzij uit de smalle steeg, waar de Joden wonen!—Mij dunkt ook, dat ik stemmen hoor mompelen.”—Beiden waren geheel oor. Na eenig tijdsverloop hoorde men een dof geluid, als van een vallend lichaam en tevens een gillenden angstkreet, die hun door merg en been drong. „Wat is dat?” riep Paul. „Hoort gij het jammeren en steunen? Zouden de vervloekte honden....”Een mannelijke stem riep luid kermend om hulp; Axinia wrong doodelijk ontsteld de handen. Plotseling werd de deur geopend en de gravin trad met een licht in de hand binnen.„Hebt gij het ook gehoord, dat akelig gejammer?” vroeg zij merkbaar ontroerd; „het schijnt het gekerm van een stervende. O ga, vriend, en ziet wat er gebeurt!”Paul wierp zijn pels om en greep naar een lantaarn; doch Axinia hield hem angstig tegen en smeekte: „Ach, ga niet alleen! Wie weet, wat gruwel daar voorvalt en of de wreedaards niet weer iemand om het leven brengen. Ga niet alleen!”„Ik moet!” riep Paul;„misschien kan ik een mensch redden.”„Wek dan tenminste de heeren; zij zullen met u gaan.”„O, laat hen toch slapen; en wellicht kwamen wij dan nog te laat!”„Neen, neen, zij zijn immers niet ontkleed, maar slapen in hunne pelzen,” antwoordde Axinia driftig en snelde naar het nevenvertrek, waar Bernard en Lodewijk, daar het in huis aan genoegzame bedden ontbrak, geheel gekleed op stroo sliepen. De waakzaamheid was hun nog zoo eigen, dat zij bij het eerste geroep uit hun vasten slaap opsprongen en dadelijk volkomen wakker waren.„Wij verzellen u,” riep Bernard, ter loops door Paul van het gebeurde onderricht, en reeds had ook Lodewijk de pistolen gegrepen en zijn sabel omgegespt.Paul ging met de lantaarn vooruit, in de richting, van waar het gekerm zich hooren liet. Het was een enge dwarssteeg, die zich langs den stadsmuur uitstrekte, en slechts door Joden bewoond werd. Juist wilden zij ze inslaan, toen een forsche mannenstem hun van achteren aanriep: „Wie daar, wie zijt gij, wat gebeurt hier?”„Rasinski!” riep Lodewijk bij het eerste geluid dier stem, en toen het lantaarnschijnsel op het gelaat van den naderende viel, herkende hij ook de trekken van den geliefden vriend.„Rasinski!Gij hier, en levend!” riep hij en lag juichend in zijne armen.„Ik heb u weder! u, dien ik verloren achtte! En gij leeft! Bianca leeft?”„Wij allen, allen,”riep Bernard. „Wij zochten naar u, doch te vergeefs!”„En ik u!” hernam Rasinski.Zij zouden alles om zich heen vergeten en elkander hunne wederzijdsche ontmoetingen verhaald hebben, had het gekerm zich niet weder opnieuw uit de straat doen hooren. Rasinski wond zich nu dadelijk uit Bernards armen los. „Die tonen,” riep hij, „hebben mij uit den slaap opgejaagd. Laat ons thans eerst aan de hulpbehoevenden denken.”Paul lichtte met de lantaarn voor, de overigen volgden. De steeg was eng en vol krommingen, zoodat men niet ver voor zich uit zien en dus ook niet gezien worden kon. Toen men de eerste bocht bereikte en de lichtschemering in de voorliggende ruimte viel, zag men duidelijk eenige gestalten opspringen en ijlings langs de huizen voortsluipen.„Wie daar?” riep Rasinski in het Russisch. „Staat, of ik vuur.”Maar de schaduwen vloden langs den muur voort en slopen over de sneeuw weg. Rasinski wilde ze nazetten, doch struikelde over een voorwerp, viel, en onder het vallen ging zijne pistool los. Lodewijk en Bernard waren hem op den voet gevolgd en wilden hem oprichten, doch hij riep hun toe:„Voorwaarts, voorwaarts, de vluchtenden na.”Zij spanden al hunne krachten in, doch zagen nog slechts eene enkele gedaante, die haastig voor hen uitvlood; zij riepen haar toe te staan, doch vruchteloos. Een schot, door Bernard onder het loopen gelost, miste; maar daar de vluchteling zich, onwillekeurig of wijl hij den kogel hoorde fluiten, bukte, gleed hij uit en tuimelde ter aarde. Lodewijk was de eerste, die hem met forsche vuist in den nek greep.„Ha! Wie zijt gij?” beet hij den verdachte, die een soort van langen, zwarten tabberd droeg, in het oor; „waarom vlucht gij?”„God mijner vaderen!” smeekte de vreemde op klagenden toon. „Hebt erbarmen, genadige heer! Wat misdoet u de arme Jood, daar hij vliedt voor den gruwel!”„Licht hier, Paul,” beval Bernard, die hijgend toesprong; „wij moeten eerst zien, wat slag van een mensch het is, die zoo klagend om erbarmen jankt. Het beste geweten heeft hij zeker niet.”Paul hief de lantaarn op, zoodat het volle lichtschijnsel op het gelaat van den Jood viel.„Duivel! Die galgentronie ken ik!” riep Bernard verwonderd. „Waar heb ik dat vermaledijd Judasgezicht meer gezien? 't Is waar, de litthauwsche roodbaarden gelijken elkaar op een haar; maar mij dunkt toch.... Jood, gij zijt de spion, met wien wij sinds vijf maanden eene rekening te vereffenen hebben.”Rasinski's geroep deed hem afbreken. „Komt hier, vrienden, het is nog iemand, die hulp noodig heeft.”Zij keerden om en sleepten den Jood, niettegenstaande zijn kermen en jammeren, met zich voort.„Zie hier de vervloekste gruweldaad, die ik immer beleefde,” riep Rasinski, rillend van woede en afgrijzen, hun te gemoet; „licht hier!—Onze kameraden naakt uitgeschud in deze koude, uitgeplunderd, geworgd en uit de vensters op de harde sneeuw gesmeten! Monster,” riep hij den sidderenden Jood met donderende stem toe, „draagt gij schuld daaraan, levend laat ik u door de honden vanéénscheuren! Ziet hier—hier liggen zij. Het schreit ten hemel!”In een hoek, waar een huis een weinig binnen de rij der overige insprong, zag men acht lijken, slechts met ettelijke lompen bedekt, op een hoop liggen. Op een dezer ongelukkigen, die nog eenige teekenen van leven vertoonde, had Rasinski zijn pels geworpen, ten einde hem tegen de snijdende koude te beschutten.Allen huiverden bij den aanblik van dezen gruwel, die hun zoo even in de haast van het vervolgen ontgaan was.„God Abrahams, hef ik niet mijne rechterhand tot u omhoog, dat ik ben onschuldig aan dat bloed, als een onnoozel kind!” riep de Jood. „Vervloekt wil ik zijn, ik met mijne kinderen en kindskinderen, zoo ik heb aandeel in die daad! Laat de raven mij levend uitscheuren de oogen, laat verdorren het vleesch aan mijne hand, zoo mijn eed toch valsch is!”„Hij was onder de moordenaars,” steende de stervende, met moeite het hoofd oprichtende;„hij wou mij de keel afsnijden, toen de val uit het venster mij niet gedood had en ik om hulp riep. Uwe aankomst alleen heeft mij gered.”„Satan, gij vervloekte, helsche satan! De gruwelijkste ellende, die een kanibaal de tranen uit de oogen zou persen, kon u niet roeren?” knarsetandde Rasinski, terwijl hij de sabel over het hoofd van den Jood zwaaide, om hem den schedel te kloven. Doch deze wierp zich stuiptrekkend van angst op de knieën en kermde, de handen wringend: „God Jehovah, erbarmen, heer graaf, erbarmen!”Lodewijk had Rasinski in den arm gegrepen en hield hem terug. „Bezoedel u niet met het bloed van dezen ellendeling,” smeekte hij dringend, „geef hem aan de wraak des hemels over!”„Gij hebt gelijk, ik moet mij bedwingen,” hernam de graaf.—„Waant gij, dat ik u niet herken?” sprak hij met de uitdrukking van den diepsten afschuw tot den Jood, die als een worm aan zijne voeten kroop. „Ik herken u, evenals gij mij herkent, lage, bedriegelijke hond, die reeds eenmaal de verdiende straf ontkwaamt! Niets zou u redden, zoo niet zelfs een monster als gij een werktuig in de hand des hemels kon worden. Ik weet, het gansche ras der uwen broedt hier gruwelen der hel uit, waartoe uw duivelsche hebzucht u opstookt. Ga heen en verkondig uwen moordgezellen, dat, zoo ik morgen hier in deze huizen ook slechtséénlijk oféénspoor van gewelddadigheid ontdek, ik ze dan alle in asch zal leggen en u zelven met vrouw en kinderen in den gloed zal verbranden! Weg, monster! Doch teekenen wil ik u, opdat gij althans niet ontkomt.”Bij deze woorden trapte hij hem driemaal met de hak der laars in het gezicht, zoodat de Jood het als een wild dier uitbrulde en het bloed op de sneeuw gudste. Desniettemin beurde deze zich op en waggelde onder luid gejammer naar de naaste huisdeur, waar hij heftig aanklopte en de hulp en het mededoogen zijner geloofsgenooten inriep.„Helpt mij nu dit slachtoffer wegdragen,” sprak Rasinski, terwijl hij zich tot den ongelukkige voorover boog, die, schoon met verkleumde leden en door de mishandelingen en het bloedverlies uitgeput, nog levend op de sneeuw lag.In den warmen pels hieven zij hem op. Zijn gejammer weergalmde door de lucht, doch nog eer zij de groote straat bereikt hadden, verstomde het, want de levenskracht ontzonk hem. „Ik dank u, kameraden; het was te laat!” dit waren de laatste woorden, die van zijne lippen vloeiden.„Een graf kan ik u niet geven,” sprak Rasinski, terwijl zij het lijk op den grond nederlegden; „rust hier uit bij de duizenden, aan wie dit gruwzame land alles, tot zelfs eene grafstede weigert. Is het niet genoeg, dat de natuur ons met hare verschrikkingen onmeêdoogend vervolgt? Moet ook de mensch nog in een hyena veranderen en tot het heiligdom van den weerloozen slaap doorbreken?”Deelnemend trad Lodewijk op hem toe. „Een zoete balsem zal deze uwe wonden verzachten,” sprak hij: „wij hebben u eene blijde tijding te brengen.”„Gij? Eeneblijde tijding?” vroeg Rasinski bijna met bitteren nadruk.„Uwe zuster en Lodoiska zijn in de nabijheid—zijnhier; binnen weinige minuten kunt gij haar omarmen.”„Mijne zuster hier!” riep hij, eer verschrikt dan vroolijk.—„O Johanna, dat gij ook in deze oogenblikken moest komen! Dus kende men in Warschau ons lot! Vriend, vriend, uwe tijding is zoo bitter als zoet. Ik was er niet op voorbereid, haar thans te zien. En toch,” voegde hij er weemoedig bij, „dat ik haar nog zie, welk een onuitsprekelijk geluk is dat voor mij!”De vrienden geleidden hem naar Pauls woning. Eer zij binnentraden, stond Rasinski stil. „En Lodoiska verzelt haar? Wat moeten wij het arme kind zeggen! Jaromir ligt in wilde vlagen van krankzinnigheid, buiten kennis, razend—wellicht is hij reeds verlost!”„En al ware zij slechts gekomen, om zijn laatsten adem op te vangen,” sprak Lodewijk uit innerlijke overtuiging, „zelfs dan nog zouden alle schatten der aarde tegen dit geluk in de diepste smart niet kunnen opwegen.—En kunt gij weten, of niet misschien hare verschijning eene reddende, genezende wonderkracht op hem uitoefent?”„Het zij, zoo het wil! Het moet gedragen worden; laat ons een mannelijk gelaat toonen.” Met deze woorden trad hij moedig op den dorpel en kalmte en moed troonden weder op het ontrimpelde voorhoofd. Terwijl hij de deur opende, wendde hij zich nog eens naar Lodewijk om en vroeg met gesmoorde stem: „Is uwe zuster ook hier?”„Ook zij.”Het duister verborg de wolk van smart, die over zijn gelaat trok, en niemand bespeurde het vluchtig rood, dat de nabijheid van dit bekoorlijke wezen over zijne bleeke wangen uitgoot. Daar hij voor geen der vrienden het diepe geheim van zijn hart onthuld had, vermoedde ook niemand zijne innerlijke ontroering.„Laat mij vooruitgaan,” verzocht Bernard;„uwe verschijning kon de vrouwen te zeer ontstellen.”„Mijne zuster niet, doch de jongere meisjes wellicht. Ga dan en zeg, dat gij mij gevonden hebt.”Bernard snelde naar de gravin; eenige oogenblikken na hem opende Rasinski de deur. Lodoiska vloog met een luiden gil op hem toe en zonk, het gelaat verbergende, aan zijne borst; hij hield haar met den rechterarm omvat. De zuster trad bevende nader, leunde, door zijn linkerarm teeder omvat, op zijn schouder en drukte stom en zwijgend hare bevende lippen op de zijne. Maria bleef schroomvallig, heimelijk weenende, van verre staan.„Zuster!” sprak Rasinski na een lang, diep stilzwijgen en wond zich los uit hare armen.„Zoo moeten wij elkander weerzien,” riep zij op een toon, die tot diep in de ziel doordrong. „Zoo!” En alsof zij den last van bezwaren door dezen uitroep van de beklemde borst had gewenteld, haalde zij thans ruimer adem en barstte in tranen los.„Troost u, Johanna; over het graf reikt geene smart,” sprak Rasinski met die sterkte, die zelfs de hoop verloochenen kan. „Tot zóólang zullen wij het weten te dragen. Maar gij, arm kind,” wendde hij zich thans tot de bleeke, sidderende Lodoiska, die in zijne armen hing en zonder Bernards zachte ondersteuning lang zou zijn neergezonken, „welke troost moet ik u brengen? Gij zijt nog zoo jong, gij hebt nog zulk eene lange baan voor u!”Met angstvolle blikken hing zij aan zijne lippen, doch naar Jaromir vragen, dit kon zij niet.„Ik versta u, lief kind,” vervolgde hij diep ontroerd; „gij vraagt naar Jaromir! Lodoiska, gij zijt eene dochter van Polen. Vastheid in 't lijden moet uw erfdeel zijn, want wij worden gezoogd met kommer en gevoed met droefheid. Uw vriend leeft, maar hij is ziek, zeer ziek, donkere koortsvlagen verduisteren zijne ziel. Stel u voor, hem te verliezen.”Haar boezem hijgde onstuimig; eindelijk stamelde zij met moeite de woorden: „Waar is hij?—Laat mij hem zien!”„Morgen, lieve engel,” trachtte Rasinski haar gerust te stellen; „thans, midden in den nacht, is het onmogelijk.”Maar alsof eene hoogere geest haar plotseling met vernieuwde kracht bezielde, riep zij uit: „Morgen? Morgen? En zijn leven is geen minuut zeker! Wellicht blaast hij in het volgend uur den laatsten adem uit en ik zou wachten, dezen ganschen, eeuwigen nacht?—O moeder, moeder, gij kent mijn hart, gij weet of dat mogelijk is, of ik niet bezwijken moet door angst en onuitsprekelijk lijden.—Moeder, moeder, help mij hem verbidden!”Smeekend strekte zij de armen naar de gravin uit, wankelde op haar toe en zonk voor haar neder, met het hoofd in haar schoot.Thans trad ook Maria schuw en blozend nader en sprak Rasinski aan. „Wij hebben elkander nog niet begroet. Mijn eerste woord zij de ondersteuningharerbede. Zij bemint, en een minnend hart moet onder zulk eene foltering bezwijken.” De laatste woorden waren nauwelijks hoorbaar.„Maria!” hernam Rasinski op een onbeschrijfelijken toon, waarin zijne mannelijke kracht scheen weg te sterven. „Maria!—Bij al wat heilig is,” riep hij eindelijk met die hevige inspanning, waardoor hij met geweld weder meester van zich zelven trachtte te worden, wanneer zijn gevoel op de vastberadenheid van zijn doen en handelen de overhand dreigde te bekomen, „bij al wat heilig is, ik vermag het niet. Jaromir ligt in het lazaret. Bij nacht wordt de poort voor niemand geopend; anders zou ik het arme kind immers dadelijk bij hem brengen. Nu zou ik den maarschalk uit den slaap moeten wekken, zou...”„In welk lazaret ligt de zieke, van wien gij spreekt, heer graaf?” viel Paul hem in de rede.„Hier onmiddellijk aan de poort, linksaf, dat groote gebouw.”„Daarvan heb ik de sleutels,” riep Paul vroolijk uit; „ik zelf breng de jonge gravin derwaarts.”„Dank, heilige Moeder Maria!” riep Lodoiska opspringende; „dank, innig dank—dan zal ik hem nog eenmaal zien!”„Ik verzel u,” sprak Rasinski.„En ik,” riep de gravin.—„Wij allen,” sprak Maria vol zusterlijke deelneming.„Neen, Maria,” hernam Rasinski; „die gang is noch licht, noch opbeurend. Wij moeten diealleendoen, ikstadaarop.”Binnen twee minuten hadden de gravin en Lodoiska zich tot het treurige bezoek uitgerust. Rasinski eischte dringend, dat Lodewijk en Bernard te huis zouden blijven; dezen daarentegen vorderden, dat hij zelf zich de hem zoo noodzakelijke rust gunnen zou.„Handelt voor de laatste maal naar mijn bevel,” sprak hij eindelijk zacht, maar gebiedend. „Gij blijft ter bewaking van het huis achter; ik moet de geleider der ongelukkige zijn, want niemand dan ik kan zijne legerstede in het duister vinden.”Door den guren winternacht begaven zij zich op weg.HOOFDSTUK IV.Het oude, kolossale gebouw, waarin de zieken en gekwetsten lagen, was eertijds eenklooster geweest. Met zijne schemerachtige omtrekken op den donkeren hemel afgeteekend stond het somber dreigend voor de naderenden.„Ongaarne open ik dit huis,” sprak Paul; „want jammer en ellende is het eenige dat men er aantreft. Aan alles is hier gebrek, dikwijls zelfs aan het noodzakelijkste voedsel, aan stroo tot ligging. Elken dag worden de dokters verwisseld, en de weinige jongelieden, die men ons overlaat, vertoonen zich nauwelijks, daar zij weten, dat alles toch vruchteloos is en hunne kunst het lijden der slachtoffers verlengt. De oude gewelven kunnen niet eenmaal behoorlijk verwarmd worden, zoodat bij eene vorst als deze het koudvuur in de wonden komt en de ongelukkigen bezwijken doet. Het is een groot kerkhof, waar levenden begraven worden.”Gedurende deze woorden had hij met zijne zware sleutels de poort geopend en de oude vleugeldeuren knarsten op de verroeste hengsels.„Is hier dan 's nachts geen enkele waker?” vroeg de gravin huiverend.„Niemand,” antwoordde Paul; „het ontbreekt daartoe aan ruimte. Hier moeten de dooden altijd voor de levenden plaatsmaken, en eer de krib van een overledene nog koud is, neemt zij dikwijls reeds een nieuwen lijder op.”Lodoiska zweeg; ook weende zij niet, maar sidderde slechts als in de hevigste koortsrilling.Men beklom de hier en daar ingestorte steenen trappen en bevond zich in een langen, donkeren kruisgang.„Hier, aan het eind van den gang, in het laatste gewelf aan de rechterhand vond ik een leger voor hem”, sprak Rasinski; „breng ons daarheen, mijn vriend!”„Ligt hijdáár?” vroeg Paul met angstige verbazing.„Waarom vraagt gij dat zoo?”„Hm! Dat gewelf is koud en tochtig; het ligt juist op het noorden.”„Er was geen andere plaats meer te vinden en de geneesheer, dien ik daar aantrof, beloofde mij de beste zorg voor den zieke te dragen.”„Ik wil het wel gelooven!” hernam Paul, maar op een toon, die het tegendeel verried.De voetstappen der haastig voortsnellenden werden door de holle wanden dreunend teruggekaatst; overigens hoorde men geen geluid, dan bijwijlen aan weerszijden een dof kreunen en snikken, dat dubbel akelig was, daar het uit de muren zelve scheen voort te komen.„Hier,” sprak Paul terwijl hij eene deur openstiet.Zelfs Rasinski huiverde, toen hij nu het akelige verblijf binnentrad, dat hij voor eenige uren genoodzaakt was geweest te kiezen, ten einde Jaromir, die, na van Bianca gescheiden te zijn, eerst in vlagen van woede en vervolgens in wezenlooze, doodelijke afmatting was vervallen, althans eene legerstede te verschaffen.—Thans, in het uur van middernacht, was dit afgrijselijk hol, ook zelfs voor een bewustelooze, eene helsche strafplaats. Een enkele, flauw opflikkerende lamp verspreidde een mat licht door de kelderachtige ruimte. In een breeden kring lagen de arme, met bloedige lompen bedekte lijders op het spaarzame stroo uitgestrekt; eenigen met gapende wonden en afzichtelijk verminkt, anderen door de diepste ellende onkenbaar en misvormd. Diep, zwaar ademhalen, dof reutelen en rochelen waren de eenige geluiden, die zich hooren lieten. Een ijzige wind blies door het gewelf; want de vensters waren ten deele van glasruiten beroofd, zoodat de sneeuw van buiten insloeg en zich tot nabij de ligplaatsen der rampzaligen ophoopte.„Dus hier!” sprak Lodoiska met bevende stem en een kil afgrijzen versteende hare borst.Paul lichtte eenige lijders met de lantaarn in het gezicht. Zij staarden hem met wijd opengespalkte oogen aan, zonder een ooglid te verroeren.„Dat zijn dooden, vriend,” sprak Rasinski; „de koude heeft hen versteend. Verder!” Lodoiska klemde zich aan de gravin vast.Men moest zich door eene akelige opeenhooping van dooden en stervenden een weg banen, zoodat de voet, hoe behoedzaam ook neergezet, telkenreize tegen roerlooze ledematen stiet. Aan Rasinski's arm hangend, zweefde de schoone gestalte van Lodoiska als die van een engel des lichts door deze donkere grafgewelven.„Het was toch goed, dat wij u geleiden, mijn kind,” sprak de gravin, die zelve alle kracht moest bijeenrapen, om zich staande te houden.„Onder de bescherming der heiligen zou ik het ook alleen gewaagd hebben,” hernam het meisje en sloeg geloovig het oog ten hemel.Paul hief de lantaarn omhoog en lichtte naar een donkeren hoek, waar nog geen lichtstraal was doorgedrongen, daar het schijnsel der aan het gewelf brandende lamp door een breede pilaar werd onderschept.„Daar ligt nog iemand,” sprak hij en wees met den vinger.„Barmhartige moeder Gods, dat is hij!” riep Lodoiska met zulk eene hevigheid, dat de hartverscheurende kreet door het gewelf weergalmde, terwijl zij geheel verpletterd aan Rasinski's borst zeeg. „Ja, hij is het,” herhaalde deze op somberen toon; „hij lijdt zwaar!”Lodoiska's bedwelming was van korten duur, weldra gaf de liefde haar nieuwe krachten. „O, laat mij aan zijn leger nederknielen,” bad zij met bevende stem; „ach, ik smeek u!”Rasinski ondersteunde hare wankelende schreden; doch Paul moest eerst eenige lijken uit den weg ruimen, eer men Jaromirs strooleger naderen kon.Dicht in zijn mantel gewikkeld lag hij daar en, het licht bemerkende, richtte hij zich op. Met strakke, verglaasde oogen, waaruit stille waanzin sprak, tuurde hij een wijle in de vlam; een vliegende koortsgloed kleurde daarop zijne holle, uitgeteerde wangen en zich woest vooroverbuigend, wilde hij het schijnsel met de hand naar zich toerukken.De onverschrokken gravin deed huiverend eene schrede achterwaarts.Is dat de schoone jongeling, vroeg zij zich zelve, die voor weinige maanden nog een toonbeeld was van bloei en leven? Hij, dit bleeke nachtspooksel uit het graf?„Wat wilt gij?” vroeg Jaromir met holle, slepende stem. „Wat komt gij hier doen in mijn graf? Weg met dien fakkel!”De snijdende smart hield Lodoiska's lippen krampachtig toegeklemd; zelfs de liefde was niet bestand tegen deze vreeselijke beproeving en mocht de boeien van het innerlijk afgrijzen niet verbreken.„Jaromir! Wees een man! Herken ons!” riep Rasinski den ongelukkige toe en legde zijn warme hand op diens ijskouden arm.Men zag dat 's jongelings waanzinnige verbijstering worstelde met het bewustzijn, hetwelk Rasinski's aanblik bij hem wekte; in al zijne blikken kon men lezen, dat zijne ziel zich uit de vreeselijke bedwelming poogde los te rukken.Eindelijk had Lodoiska den kamp volstreden. Zij knielde naast den geliefde neder, nam zijne hand, zag hem aan en vroeg met ontroerende stem: „Jaromir! herkent gij mij niet meer? O, geef mij slechts één teeken van uwe liefde!”Tweemalen streek hij met de hand over het voorhoofd, als om eene hevige pijn of drukking te verdrijven; toen vlamde plotseling een vluchtige glans in zijn brekend oog op. „Lodoiska!” riep hij uit en poogde de armen uit te strekken, doch vruchteloos, nog eenmaal ademde hij diep uit de borst, en het gansche lichaam kromp ineen, het oog sloot zich, en roerloos zeeg hij achterover.„Alle heiligen, beschermt hem, hij sterft!” riep Lodoiska en wrong de handen.„Neen, de vreugde heeft hem overweldigd,” sprak Rasinski vertroostend. „Laat ons van zijne onmacht gebruik maken, om hem uit dit akelig verblijf te verwijderen.”„Mijn vriend, er zal een tijd der vergelding komen,” dus wendde hij zich tot Paul, „leen mij thans nog uw bijstand en help mij den ongelukkige naar uwe woning brengen. Hier moet hij sterven.”„Gaarne, gaarne,” riep de goedhartige man; „en het zal weinig moeite kosten. Op het portaal staan draagbaren en in mijn huis is zeker nog wel een plaatsje open.”Onverwijld hieven zij den onmachtige op en droegen hem naar buiten, waar zij hem voorzichtig op de baar nederlegden. Lodoiska, die hen aan den arm der moeder met wankelende schreden gevolgd was, herkreeg kracht en bezinning, toen de liefde thans hare diensten vorderde. Zorgvuldig dekte zij den jongeling toe, om alle koude van hem af te weren, en geleidde zoo den stervenden vriend naar het gastvrije dak, waar bevriende gestalten in plaats van schrikbeelden diens legerstede omringen zouden.Weldra had men Pauls woning bereikt; met sprakelooze droefheid ontvingen de getrouwe lotgenooten den beklagenswaardigen vriend, en als twee liefderijke beschermengelen zetten Maria en Lodoiska zich naast de baar neder, om gedurende het verdere van den nacht bij hem te waken. Hij lag in onrustige sluimering en sprak dikwijls in zijne koortsverwarring. Meermalen noemde hij Lodoiska's en Bianca's namen, eens riep hij: „Alisette, Alisette—weg, weg, gij schoone slang!”Met welk eene gewaarwording hoorde de minnende Lodoiska dezen naam! Zij had hem zoo geheel, zoo oprecht vergeven—zij vergaf ook de verleidster!—O, ware zij slechts in staat geweest, dezen troost in zijne door folterende wroegingen gemartelde borst uit te storten!Maria was, door vermoeidheid uitgeput, in een armstoel in slaap gezonken.Diepe nacht en eenzaamheid omgaven thans de minnende. Welk een oogenblik van zaligheid, ware zij niet door de vreeselijk gapende kloof van hem gescheiden geweest, die zich onoverkomelijk als het doodenrijk opdoet, zoodra de banden van het heldere bewustzijn verbroken zijn.In het gebed alleen vond de arme hoop en troost. Zij knielde neder en wendde haar hart en gelaat ten hemel. „O Vader daar boven,” dus smeekte zij, „laat het heldere licht van klaar bewustzijn slechts nog eenmaal in zijne borst schijnen! Voer zijne ziel nog eenmaal naar deze aarde terug, zoo schoon en rein, als zij eens in hem woonde! Ach, de dood kan hem immers niet zoo akelig van mij scheiden, als deze zwarte gevangenis, waarin hij gekerkerd ligt; want hebt Gij hem weggenomen, dan woont hij bij U in eeuwig licht en onze gedachten kunnen zich getroost tot hem verheffen. Nu echter doolt hij als een verdoemde in de duisternis om; zijn geest zwerft in een woesten baaierd rond en vindt nergens rust, nergens troost. O, maak hem los uit die akelige kluisters—wees genadig, o Albarmhartige, en ontferm U over hem en mij!”Allengs spoedde de lange nacht ten einde en de grauwe schemering van den morgen drong tot het stille vertrek door. Zij trad aan het venster. De hemel was helder;het licht der verbleekende sterren tintelde nog met laatsten matten glans op het diepe blauw. Aan den zuidoostelijken horizon vertoonde zich een roodachtige gloed en kleurde de lichte wolken. In droef gepeins verzonken, staarde Lodoiska voor zich heen en tranen verduisterden haar oog; doch hetwarenzoete tranen, zij ontsprongen uit een heilig vertrouwen, dat na het langdurig lijden hare borst met zachte, weemoedige hoop vervulde. Zij wendde het hoofd om naar de legerstede van den vriend haars harten. Hij sliep gerust, zijne ademhaling was geregeld, ja, een lachje zweefde om zijne lippen, en de eerste vriendelijke schemering van den morgen speelde op de bleeke wangen. Het was niet meer de macht der krankzinnigheid, die hem boeide, maar een verkwikkende slaap, die op de uitputting volgde.„Heilige moeder Gods, wees gij hem met uwen zegen nabij!” zuchtte het meisje en trad bevend nader. Eene zoete beklemdheid maakte zich van haar meester en de hoop werd in haar levendig, dat het oog des ontwakenden haar nu eindelijk herkennen zou. Met ingehouden adem over hem neergebogen, luisterde zij naar het ademen zijner lippen, naar het slaan van zijn hart. „O, thans geniet hij een kalmen, rustigen slaap,” fluisterde zij, inwendig juichend, en wierp zich voor zijne legerstede op de knieën neder.Het morgenrood schoot vriendelijke stralen door het venster en bescheen het gelaat van den sluimerende. Eensklaps opende hij de oogen en zuchtte: „Nu is het voorbij!” Zijn blik was niet meer woest en verwilderd; eene stille, zachte verrukking stond op al zijne gelaatstrekken te lezen. Onuitsprekelijke zaligheid daalde in Lodoiska's boezem neder, doch met inspanning van al hare krachten bedwong zij zich, daar zij beducht was, dat eene plotselinge uitbarsting van vreugde den nauwelijks aangeknoopten band van het bewustzijn opnieuw verscheuren zou. Sidderend bleef zij op de knieën liggen en fluisterde met bevende lippen: „Zijt gij nu beter, mijn geliefde!”Kruiselings legde hij de handen op de borst, hief het hoofd een weinig op en sprak zacht, op den toon van eerbiedige vereering: „O, ik herken u, gij heilige, in den gulden stralengloed; gij zijt nu eene zalige, en ook voor mij openen zich de poorten des vredes.—O, reik mij nu ook de hand ten teeken van verzoening.”Hij verwijlde nog te midden zijner droomgestalten, onder welke hij vooral Lodoiska gezien had. Thans, nu zij, door het morgenrood omstraald, met golvende lokken voor hem knielde, gingen die verbleekende beelden van den droom, alles verflauwend, in de werkelijkheid over, en waande hij in het verblijf der zaligen ontwaakt te zijn.Zij reikte hem vriendelijk de hand en vroeg op den zachten, smeltenden toon der liefde, die in tranen van verrukking wegstierf: „Eindelijk herkent gij mij weder? O, gij hebt akelig gedroomd! Ik ben het, mijn Jaromir, levend en werkelijk, minnend en gelukkig!”„Heilige God!” stamelde hij, „waar ben ik dan, waar was ik—neen, neen, gij zwarte nachtspooksels, keert niet weder uit het duister terug!”Met de hand maakte hij een afwerende beweging en blikte schuw in het rond. Lodoiska, als wilde zij hem tegen de schrikbeelden beschermen, sloeg hare sidderende armen om zijn hals en drukte zachte kussen op zijne lippen. „Neen, neen geliefde,” fluisterde zij, „vrees niets, gij leeft en rust aan mijn hart; hier zal geen akelige droom u kwellen.”In zalige bedwelming drukte hij zijn gelaat tegen de borst van zijne geliefde; en toen zijne wang aan haar hart rustte, zijn oor het hoorde kloppen en jagen, toen keerde hij in het rijk der werkelijkheid en waarheid terug, en verscheurd was de sluier, die zijne ziel omhuld hield—verscheurd ook de laatste band des levens in het verwoeste lichaam!„Barmhartige moeder Gods, dat is hij!” riep Lodoiska.Afgemat hief hij het hoofd tot den geliefde op, dronk een zoeten kus van hare lippen en lispelde langzaam: „Nu weet ik alles!—En gij vergeeft mij alles, Lodoiska?”„Mijn hart kan slechts beminnen,” riep zij, half verstikt in den opwellenden stroom van tranen.Nog vermoedde zij niet, dat dit oogenblik van overstelpend geluk haar tevens den beker der diepste, grievendste smart zou te drinken geven. Slechts de hoogst mogelijke opgewondenheid van alle krachten zijner ziel hield het leven nog in Jaromirs boezem terug.„O, gij werdt edeler, oprechter, trouwer bemind, dan door mij,” zuchtte hij smartelijk. „Boleslaw was uwer waardig! De mond des stervenden ontdekte mij het heilige geheim!—Nu kan ik hem daarboven vrij te gemoet gaan!”Bleek en roerloos zeeg hij op het kussen terug en zijne armen vermochten de geliefde niet meer te omvatten.„Heilige moeder,” kreet zij, toen zij hem verbleeken zag, „hij sterft, hij sterft!”Bij dezen angstigen uitroep ontwaakte Maria; met één oogopslag begreep zij wat er voorviel en snelde toe, om de ongelukkige vriendin te ondersteunen.„Hij sterft, hij sterft, Maria!” jammerde deze nogmaals en wrong vol vertwijfeling de handen.Maria zag wel, dat menschelijke hulp hier geene redding meer kon aanbrengen. Zij herinnerde zich dus de belofte, welke de gravin gisteren in stilte van haar geëischt had, om haar, zoodra er iets bedenkelijks mocht voorvallen, onverwijld te wekken. „Ik zal zijne moeder roepen,” sprak zij tot de radelooze en ijlde naar het nevenvertrek.Zij vond de gravin reeds aangekleed en Rasinski bij haar, die hevig ontroerd scheen. Haar bleek, ontsteld gelaat voorspelde niets goeds.„Wat gebeurt er?” vroeg de gravin.„Ik vrees, hij sterft,” was haar zacht antwoord, dat zij met een veelbeteekenenden wenk verzelde, uit vrees, dat Lodoiska, wier hoop zij zoolang mogelijk wilde staande houden, iets hooren zoude.—Driftig en ontsteld traden beiden naar binnen. Zij vonden de ongelukkige weenend op den jongeling neergebogen en zijne handen in de hare houdende, die hij, den dood voelende naderen, angstig gegrepen en vastgeklemd had.Nog herkende hij de binnentredenden; want hij lachte hun vriendelijk toe, doch de spraak ontbrak hem.Door Axinia, die in het voorvertrek Lodoiska's angstkreet gehoord had, geroepen, traden thans Lodewijk, Bernard en Bianca binnen en naderden zwijgend het sterfbed.—Bianca had eerst in den vroegen ochtend van haren broeder vernomen, dat Rasinski was wedergevonden. Op dezen trad zij dus het eerst toe, reikte hem de hand ter begroeting en verborg, hevig ontroerd, het schoone hoofd aan zijne mannelijke borst. „U hebben wij terug,” snikte zij, „en toch wordt een nieuw offer gevorderd!—O, vriend....” hare stem verstikte in tranen en zij moest haar gelaat bedekken.Rasinski trad, tot het diepst zijner ziel geschokt en bewogen, maar toch uiterlijk zich zelf meester, aan het leger van zijn jeugdigen vriend. „Mijn zoon, kent gij uw vader niet meer? Mijn Jaromir, kent gij uw wapenbroeder niet?”De stervende sloeg bij het hooren van die stem het oog op, en een vriendelijk lachje vloog over zijne lippen. Hij bewoog de rechterhand, als wilde hij die naar hem, die zijn vader, broeder en vriend tevens geweest was, uitstrekken. Rasinski greep haar, en Lodoiska liet ze hem gewillig over.Een heilig stilzwijgen heerschte in den kring; niets dan de onwillekeurige toon dersmart brak de diepste stilte af. Nog eens verhief zich de borst des stervenden en haalde diep adem. „Vaartwel, vrienden, geliefden!” zuchtte hij; zijne lippen verbleekten, zijn oog brak,—hij had geleden.In sprakelooze droefheid wierp Lodoiska zich op den ontslapene neder en hield hem vast in hare armen geklemd.De broeder- en zusterparen, die het sterfbed omringden, hielden elkander omvat;—het was, als zouden zij borst aan borst hun diepe smart uitweenen!HOOFDSTUK V.Eensklaps dreunde de doffe donderslag van een kanonschot door de diepe stilte, en wel zóó nabij, dat de vensters dreunden.„Wat is dat?” riep Rasinski en richtte zich driftig op. Maar nog eer hij had uitgesproken, kraakte de volle laag eener batterij, zoodat de aardbodem beefde.„Heilige God!” riep de gravin, „is de vijand zoo nabij?”Maria verbleekte; want voor haar was dit geluid nog vreemd.„Ik moet weg,” sprak Rasinski op vasten toon; „wij zijn aangevallen.”„Wij verzellen u,” riep Lodewijk, en Bernard sprong naar de wapens, die op een stoel lagen.„Neen, dat nooit,” beval Rasinski met waardigheid. „Gij hebt in dezen kamp niets meer te bevechten! Blijft hier, en beschermt, wat mij en u het dierbaarst is.”„Wij laten u niet alleen in 't gevecht,” riep Lodewijk heftig en wilde hem tegenhouden.„Gij zult, gij moet! Mij roept de plicht derwaarts, u bindt zij hier,” hernam Rasinski met nadruk en wees Lodewijk terug.„Neen, gij moogt ons het recht, om aan uwe zijde te staan, niet rooven,” sprak Bernard; „want gij kunt het zelfverwijt niet van onze ziel wentelen, wanneer gij valt, waar onze bijstand u had kunnen redden.”Buiten roffelden de trommen met oorverdoovend gedreun door de enge straten. Woest geschreeuw, donderend geschutgekraak, schel trompetgeschetter klonken verward dooreen, volk en soldaten stroomden te hoop.„Zoo gij ooit mijn wil geëerbiedigd hebt,” riep Rasinski en richtte zich met de hem aangeboren waardigheid op, „dan blijft terug. Gehoorzaamt mij in deze minuut voor de laatste maal als uw bevelhebber. Ik gebied u, blijft!”De vrouwen waren door smart enangstte hevig ontroerd, om de nieuwe spanning, welke deze edelmoedige strijd in haar had moeten verwekken, in hare volle kracht te gevoelen. Zonder het zelve te weten, viel haar de met harde bezoekingen gewoonlijk gepaard gaande weldaad ten deel, dat de van vele zijden tegelijk treffende slag elkander onderling krachteloos maakten, wijl de menschelijke borst, gelijk een vaatwerk, slechts voor eene bestemde mate ruimte heeft. Moge de stroom van den rampspoed dan ook met toomeloos geweld daarover heenbruisen, hij vult het niet hooger aan, maar de overmaat der smart vloeit zonder gevoeld of bemerkt te worden voorbij.Alleen Maria, op wie de dood van Jaromir niet dien verpletterenden indruk gemaakt had, zag met bange bezorgdheid den afloop van dezen strijd tegemoet. Nu zij zag, hoe de edele man, die haar eens zijne liefde bood en de hare wegdroeg zich thansin het gevaar van den slag storten en zich moedig aan den dood voor eer en vaderland wijden wilde, vlamde de diep verborgen gloed weder levendig in haar op en sidderde zij voor het dierbare leven.Door dit gevoel gedreven, trad zij tusschen de mannen. „Roept de strijd u dan ook nu nog?” vroeg zij; en hief het oog smeekend tot Rasinski op; „is het nog plicht, zich aan den dood te wijden, wanneer uit de geheele schipbreuk toch niets meer te redden is? O, blijft gij ook, opdat het uur van ons wederzien niet dat der onuitsprekelijke smart tevens worde, zoo....”Hier brak zij af; zij waagde niet uit te spreken, wat zij dacht en vreesde.„Maria!” riep Rasinski met eene stem, die zijn gansche hart openlegde, „Maria!” Hij stond in den hevigsten tweestrijd met zich zelf en staarde haar smartelijk aan. Een oogenblik scheen het hem toe, dat de ijzeren scheidsmuur, die tusschen haar en hem oprees, was omvergerukt door de reuzenkracht der omstandigheden. Met onweerstaanbare banden voelde hij zich aan de schoone gestalte gekluisterd, die de vriendelijke genius van zijn leven zijn kon. Doch de zoete begoocheling duurde slechts eene seconde. De zachte nevelsluiers scheurden, het bedriegelijke wolkenfloers werd weggevaagd en de onverbiddelijke waarheid stond weder, krachtiger dan ooit, in hare barsche majesteit voor hem. Niets was veranderd; de scheidende kloof gaapte slechts nog dieper, dan ooit te voren. Hij bevroedde het en sprak vast, maar zacht: „Neen, ook deze bede mag mij niet terughouden! Vaartwel! Gij blijft!”Onstuimig scheurde hij zich los en snelde naar buiten.Maria waggelde als bedwelmd eenige schreden achteruit en zonk mat en krachteloos in de armen haars broeders. Bernards scherpziend oog drong tot in de binnenste schuilhoeken van haar hart door; Rasinski had het geheim van zijn hart met een enkel woord onthuld.Dus hij—en zij, dacht hij, en de smart klemde hem de borst krampachtig te zamen. „O, hij laat ons den zwaarsten plicht over!” riep hij, zijnen boezem lucht gevende. „Wien de volle maalstroom des levens heeft aangegrepen, die weet, dat een slag slechts een lustig speeltochtje is, waarbij de vloek spelend tegen de boot kabbelt!”Lodewijk verstond den vriend slechts ten halve en voor zoover hij in hetzelfde gevoel deelen kon.„Ongetwijfeld hebben wij een zwaren strijd van zelfverloochening te voeren,” antwoordde hij;„doch op zijn edel hart drukte juist datgene met ondragelijke zwaarte, wat ons ruimte en verademing geeft. Daarom kampt hij zwaarder en mannelijker dan wij.”„O,” riep Maria uit, „o geliefden, vraagt niet, wie hier den bittersten kelk der smarte ledigt!—Het lijden is eene zee geworden; de vloed stijgt boven het peil van elk hart!”„Bergen hoog!” mompelde Bernard barsch en wrevelig; „op ettelijke torenshoogten komt het niet meer aan.”—Hij rilde als in koortskoude.—De ontdekking, dat Maria een ander beminde, was als een rotsklomp op zijne borst gevallen en had ze verpletterd.—Hij is de edelste, de waardigste, dacht hij en ging driftig op en neder; doch dat kan mij niet troosten, het vernietigt mij des te zekerder, want zooveel verder ook verdringt hij mijn beeld uit hare ziel! En deze liefde was de leidstar, die ik volgde door de zwarte wildernis van onzen jammertocht. Haar zacht licht alleen verschafte mij troost en sterkte—ik bereikte het doel, en zij verzinkt, en alles is duisterder dan ooit!In gepeins verdiept, den strakken blik op den grond geslagen, stond hij als bedwelmd en bemerkte niet, wat om hem voorviel. Daar legde zich een zachte arm om zijn hals, en hij voelde eene gloeiende wang aan de zijne—het was Bianca.„Zuster!” riep hij met ontroerde stem, „zuster!—Ja, u heb ik nog behouden!”Maria had misschien een donker vermoeden van hetgeen in zijne ziel omging; wellicht ook deden zich in haar binnenste nieuwe verborgen stemmen van een gevoel hooren, dat zij aan één enkele waande te hebben uitgeput. Zacht, ja bijna deemoedig, als had zij een zwaar onrecht goed te maken, trad zij derhalve op Bernard toe en sprak, ten antwoord op zijne smartelijke ontboezeming:„Ook wij, hoop ik, blijven innig verbonden; de broeder zal niet vergeten, dat hij een vriend en eene vriendin bezit, die hem meer dan haar leven verschuldigd is!”Bernard zag haar verbaasd aan. Zij was de eerste, die de hand naar hem uitstrekte en de zijne aangreep. „O, ik weet, wat Lodewijks zuster den vriend haars broeders te danken heeft,” vervolgde zij. „Mij dunkt, ik heb nu twee broeders, en—wij zijn zusters!”Deze laatste woorden richtte zij tot Bianca, die haar met zusterlijke liefde aan het hart drukte.Bernard wilde antwoorden, doch zijne tong weigerde hem haar dienst, zoozeer was zijn hart gebroken en innerlijk ontroerd. Zou deze trouwhartige, vrijwillig aangeboden vriendschap en vereeniging aan zijne hoop voedsel geven of die geheel vernietigen? Hij wist het niet, ja hij wist nauwelijks, wat hij wenschen moest. Edel toch, gelijk hij was, had hem de gedachte reeds bezwaard, dat zijn geluk niet dan uit het ongeluk eens anderen kon ontkiemen. Rasinski, in zijne mannelijke droefheid, stond voor hem, en zijn grootmoedig hart deelde in het lot van den vriend, alsof het zijn eigen ware.De gravin trad nader uit het andere einde van het vertrek, waar zij zich bij het lijk des jongelings slechts met Lodoiska had beziggehouden. Haar gang was langzaam; men kon zien, dat de hooge gestalte zich met moeite staande hield. „Mijn broeder is weg,” begon zij, minder vragend, dan wel zich die vraag zelve beantwoordende: „hij had zich toch den tijd tot afscheid moeten gunnen. Wie weet, of wij elkander wederzien.—Ik voor mij heb het hopen verleerd!”Zij stond bleek, maar met opgerichten hoofde, als achtte zij het beneden zich, haren nek onder den last der rampspoeden te buigen; echter parelde een traan tusschen hare oogleden en omnevelde het groote, donkere oog met droeven schemer. Maria en Bianca traden deelnemend op haar toe; aan beiden reikte zij de hand en trok haar diep ontroerd nader.„O mijne dochters! Gij zijt jong; het leven greep u reeds vroeg met ruwe hand aan—maar het verpletterde u niet zoo gruwzaam als deze arme.”—Zij wees op Lodoiska, die bleek, stom en koud als eenmarmerbeeld, aanJaromirsrustbed zat en zijne verstijfde hand niet losliet.„Welk een lot! Hier een zielverscheurend lijden, dat geen traan verzacht; daarbuiten verwoesting, dood, gruwelen, ontzetting! Hoort gij, hoe de moordgierige donder rolt? O, hij kan ook het edelste hoofd treffen, dat zoo mannelijk de stormen tartte! Wellicht kunnen we 't uit deze vensters aanzien, hoe het vermorzelend lood hem verplettert.”„O nooit, nooit!” snikte Maria.„Gij weent! Arm kind! Zoo waant gij de grimmigheid van het noodlot te verzoenen? Erts ware gesmolten in mijne gloeiende tranen, doch de machten daarboven blevenkoud en gevoelloos. Neen, neen! Waan niet, dat de hemel het kermen uit verbrijzelde borst aanhoort! Hij is doof, ondoordringbaar zijn ijzeren gewelf, vloeken en gebeden sterven weg in het ijdele luchtruim!—En meent gij, dat wij tot den bodem des afgronds zijn afgedaald? O, wij kunnen nog onmetelijk dieper zinken. Bij de ellende zal zich hoon, schimp en verguizing voegen. Dra zal de vijand triomfeeren! Wellicht zie ik mijn broeder gebonden, bloedend hier voorbijsleepen, wellicht ook deze jongelingen, ons zelve. Want ik ben eene dochter van Polen, en ons is onverzoenbare wraak, onuitwischbare schande gezworen. Doch eer ik deze zachte handen,” zij wees op Lodoiska, „in slaafsche banden gekneld, eer ik hare kuische schoonheid door barbaarsche tijgers bevlekt zie, eer zal mijne eigene hand haar doorboren! Eene poolsche moeder is niet zwakker dan een romeinsch vader—enzijzal voor den dood niet sidderen!”Rillend had zij voleind; hare overbeladen borst moest zich lucht maken. Diep en verruimd haalde zij adem en zonk daarop uitgeput in een armstoel neder.Bianca naderde en omarmde haar met vertroostende liefde. „Neen, edele vrouw,” sprak zij uit vaste overtuiging, „zoo ver zal het niet komen. Thans zal ik mijne rechten, als eene dochter van Rusland, doen gelden. Wie het ook zij, die deze stad vijandelijk binnendringt, ik wend mij tot hem en hij zal ons bescherming verleenen. Zóó ver gaat zelfs de verbittering van den oorlog niet. Er klopt geen hart op aarde, dat onze smart koud zou laten. Ook de ruwe mannen van dit land zullen zich laten verbidden, zoo niet, dan zal ik hen mijn naam doen eerbiedigen. Het recht, om dien te doen gelden, heb ik nog niet verloren!”Inmiddels kwam het gewoel van het gevecht nader en nader, Paul was naar buiten gesneld, ten einde te ontdekken, van welke zijde de aanval geschiedde. Ademloos kwam hij terug en meldde: „Voor de poorten komt het tot een hardnekkig gevecht. Ik zag den graaf en maarschalkNeyaan vluchtende soldaten de geweren uit de hand rukken en zelven naar de wal vliegen, om den vijand het indringen te beletten. Daarop heeft het volk zich weer verzameld en houdt zich nu dapper, terwijl de overigen door alle poorten aftrekken. De weg naar Memel is reeds met troepen bezaaid. Binnen een paar uren moet de Rus meester in de stad zijn.”Hij had nauwelijks geëindigd, toen de deur openvloog en Rasinski zelf binnenstoof. „Almachtige hemel, mijn broeder!” riep de gravin en hing in zijne armen.Hij bloedde aan het voorhoofd; zijn gezicht was zwart van kruitdamp, doch zijn oog vlamde met den ouden vuurgloed.„Het dringendste gevaar is voorbij,” riep hij; „een oogenblik is mij tot afscheidnemen vergund. Binnen weinige minuten wacht de maarschalk mij terug.—Dra zullen de Russen de stad bezetten; tot vluchten is het te laat: houd u dus verborgen, tot de eerste storm voorbij is. Dan gaat gij naar Warschau, Johanna; daar zult gij weer van mij hooren. Vaarwel! U, mijne vrienden, raad ik, naar Pruisen de wijk te nemen; dat is het naast en vervolging hebt gij niet te duchten. Onze wegen loopen nu uiteen. Wij hebben trouw en wel met elkander geleefd.—God zegene u mijne broeders!”Zij lagen in zijne armen; hij schaamde zich de tranen niet, die langs zijne mannelijke wangen rolden, doch bleef standvastig, daar hij zulks wilde blijven.„Het moet zijn,” sprak hij na eene heilige, onvergetelijke minuut; „ik heb geen tijd meer voor al mijne geliefden! Ook gij vaartwel, gij vriendelijke engelen! Bianca—Maria!”Bianca, die hem liefhad als een vader wierp zich snikkend aan zijne hijgende borst; hij kuste haar het voorhoofd en legde de handen zegenend op hare lokken. „Gij waartonze lieve beschermheilige in nood en gevaren; uwe nabijheid was mijn troost. Thans scheuren de ruwe stormen ons vaneen—mocht gij voortaan op zachter paden wandelen!”Maria stond schuw van verre. Rasinski trad een schrede nader. „Maria”, stamelde hij, „wij zien elkander voor de laatste maal!”Toen deden liefde en smart hare heilige rechten gelden. In het zegepralend gevoel van haar onbetwistbaar, onuitsprekelijk duur bestreden recht zonk de schuwe jonkvrouw, door weedom en zaligheid overstelpt, aan het hart des edelen mans, en hare maagdelijke lippen klemden zich vurig op de zijne.„Mijn waart gij in dit schoone oogenblik, Maria!” sprak hij vol weemoed en wond zich zacht uit hare armen los; „thans, wees weder geheel de uwe! Gij hadt gelijk, gij edele, schoone ziel; tusschen ons is een diepe kloof geopend, waarover geen pad leidt, dan dat der schuld. Heil ons, wij zullen het niet bewandelen!”Hij voerde de in tranen wegsmeltende in de armen des broeders.„De minuten zijn verstreken, ik moet weg!” Ras wendde hij zich af en wilde voortijlen.Nu rukte Lodoiska zich met geweld uit hare doffe wezenloosheid los. „Vader, mijn vader, wilt gij mij vergeten!” kreet zij op hartverscheurenden toon en wankelde hem te gemoet.Huiverend ving hij de nederzinkende in zijne armen op. „Neen, neen, gij schoone, bleeke roos! Hoe zou ik u vergeten!” sprak hij weemoedig en drukte haar met vaderlijke teederheid aan zijn hart. „Doch tranen heb ik niet voor uw lijden—tranen zijn te arm!”Sprakeloos hing zij aan zijne borst; het rijke haar golfde in losse vlechten langs hare ranke gestalte; vaster en vaster prangde zij het gelaat tegen zijn vaderhart. Doch de kracht begaf haar, de knieën knikten, het bleeke hoofd zonk achterover, en met gesloten oogen rustte zij als levenloos in Rasinski's armen. Hij liet haar behoedzaam op een stoel nederglijden, drukte nog een kus op het voorhoofd en ijlde hierop met rassche schreden naar de deur. Bernard en Lodewijk wilden hem volgen, doch hij wees hen met de hand terug, riep, geheel overmand, met gesmoorde stem: „Het is genoeg!” en was verdwenen.Maria vloog naar het venster, om hem nog een liefdevollen blik na te zenden. Op de straten woelden burgers en soldaten in bont gewemel dooreen. Rasinski trad onder een dichten hoop en wierp zich, met de zedelijke overmacht van zijn krachtigen heldengeest, dadelijk tot hun aanvoerder op. Met getrokken sabel plaatste hij zich aan de spits en nam zijn weg naar het midden der stad. Te vergeefs wachtte Maria, dat hij het hoofd nog eenmaal zou omwenden.Hij deed het niet; de brug, die hem met de meer vriendelijke oevers des levens verbond, had hij thans achter zich afgebroken en hij wierp nu ook zelfs geen blik meer terug, want zich vruchteloos aan ontzenuwend, smachtend verlangen over te geven lag niet in zijn aard. Van de zusterlijke borst, uit de armen der liefde en vriendschap had de onverbiddelijke plicht hem weggerukt, nu volgde hij ook dezen alleen en toonde den soldaten het ijzeren, fiere heldenvoorhoofd.De bruisende stroom van het gevecht sleurde hem spoedig met zich voort en sloeg met verkoelende golven tegen zijne borst. Reeds drong de vijand voorwaarts en tastte de stad van alle zijden aan. Donderende kanonschoten deden de gebouwen dreunen, doffe trommelslagen weergalmden door alle straten, angst- en jammerkreten van vrouwen en gewonden verdeelden de lucht.De ondragelijke smart, die het hart der vrouwen geheel vervulde, liet de zwakkeregewaarwordingen van angst en bezorgdheid bij haar nauwelijks plaats vinden. Lodoiska hoorde niets van het gewoel daarbuiten, maar lag in aanhoudende bedwelming. De gravin was op het ergste voorbereid en hoopte of vreesde niets meer; Bianca en Maria zochten troost bij hare broeders, de eenigen, die in hun hart nog ruimte voor zorg behielden en den loop van het gevecht met angstvolle verwachting volgden.Plotseling kraakten geweerschoten dicht voor het huis en een woest getier van stemmen verhief zich. Bernard sprong aan het venster.„De stad moet omsingeld zijn,” riep hij; „dat zijn kozakken, die hier door de poort rennen.”Inderdaad bezette eene afdeeling kozakken de poort en greep eene kleine schaar Franschen, die juist door haar de stad verlaten wilde, verwoed aan. Doch deze stelden zich, hoewel uiteengedreven, onverschrokken te weer, en zoo werd de ruimte onmiddellijk voor het huis de schouwplaats van een hardnekkig straatgevecht.„Neemt de wijk naar de achterkamer,” smeekte Lodewijk de vrouwen; „hoe licht kunnen de kogels hier inslaan.”„Dan moogt gij hier ook niet blijven,” hernam Bianca; „waar gij zijt blijven wij ook.”„Groote hemel, ik zie Rasinski,” riep Bernard en bijna gelijktijdig vernam men een sterk gelederenvuur.Allen, zelfs Lodoiska, snelden op dezen uitroep naar het venster. „Waar?” vroeg de gravin, „waar is mijn broeder?”„Daar, waar de gesloten infanterie aanrukt, zag ik hem midden in den kruitdamp te paard zitten,” antwoordde Bernard; „doch thans is hij in de wolk verdwenen.—Goddank, daar is hij, nu komt hij te voorschijn, zie, zijn paard steigert.”„Hoe komt hij aan het paard?” vroeg Lodewijk.„Buit! Buit! Het is een kozakkenrenner!” juichte Bernard en het vuur van den strijdlust gloeide op zijne wangen. „Achter hem volgt maarschalkNey. Ziet gij, dáár?—Hier moeten zij doorslaan!”De vrouwen sidderden.—De kamp woedde hevig; de roofgierige dood zwaaide zijne zeisen boven het hoofd der strijders; de onweerswolk van het verderf zweefde over de kruin des dierbaren. Zij wilden het oog afwenden, doch konden zulks niet; onverwrikt hing aller blik aan den geliefden man, als konden zij daardoor het dreigend gevaar van hem afweren.Als krijgsgod rende Rasinski door den kruitdamp, de met pels omzoomde poolsche muts fier op het voorhoofd, de sabel getrokken.„Voorwaarts, kameraden, wij moeten ons baanbreken,” klonk zijne machtig gebiedende stem en boezemde zelfs den vrouwen moed en vertrouwen in.De scharen rukten gesloten op,Rasinski met zijn steigerend ros aan de spits. De kozakken deinsden terug, geraakten in verwarring en zouden de vlucht hebben genomen, ware de poort niet door de hen nadringende ruiters versperd geweest. De maarschalkNeystond op eenigen afstand en ordende de aanrukkende massa's. Rasinski zag opmerkzaam naar hem om. Thans nam de veldheer den hoed af en zwaaide dien vederbos hoog in de lucht. Dit scheen het afgesproken teeken.Hij reed, door de voorste rijen van het korps omgeven, voorwaarts; de ruiters rukten gesloten op. „Vuur!” klonk thans zijn commando, en het salvo kraakte. De vensters rinkelden, de vrouwen gaven een luiden gil, de straat lag in dichte nevelen van rook en damp gehuld, woeste aanvalskreten der soldaten verhieven zich uit de diepte.Eene windvlaag verstrooide de wolken. Daar rende Rasinski door de heldere, vrije ruimte. Zijn krachtige sabelhouw deed een kozak van het paard tuimelen, een tweeden legde hij met zijn pistool neder. Over hunne lijken heen gaf hij zijn paard de sporen. „Voorwaarts, kameraden,” riep hij, zich ten halve op den zadel omkeerende, „de baan is open, breekt door! Zij vluchten! Voorwaarts!”Eén blik wierp hij nog terug naar de bevende vrouwen aan het venster, en wenkte haar met flonkerende oogen een laatsten groet toe. Daarop stortte hij zich in het gedrang der wijkende vijanden, de zijnen volgden hem met luid gejubel, en binnen weinige oogenblikken was hij in den kruitdamp verdwenen.

Toen Rasinski na een onrustigen slaap van den harden grond opsprong, zag hij zich door een dichten nevel omgeven, die het woud in grijze sluiers hulde en zelfsde naastbijzijnde voorwerpen aan het oog onttrok. Het waren echter ditmaal geene vochtige mist- en morgendampen, die tusschen de struiken heentrokken, maar ontelbare, zwevende ijsstofjes, welke de lucht bezwangerden en bij elken ademtocht als bijtend gif op de longen vielen.

„Op, op, gij slapers!” riep hij; „voorwaarts, heden kunt gij den eindpaal van uw lijden bereiken!”

Doch slechts een gering aantal zijner lotgenooten hoorde zijn geroep. Eenigen bewogen zich nog, kreunden uit holle borst, trachtten zich op te richten, maar tuimelden even spoedig weer achterover, om den laatsten zwakken adem des levens uit te blazen. De meesten lagen reeds in de koude armen des doods en vormden een breeden kring van lijken om het smeulend vuur. Jaromir richtte zich op. Hij had het voorkomen van eene bleeke spookgestalte, die uit het graf oprijst; echter leefde hij nog. Lodewijk en Bernard gevoelden, dat zij heden hunne laatste krachten inspanden. Zonderling was het, dat Bianca het minst had geleden en door haar voorbeeld ten bewijze kon strekken, dat het vrouwelijke lichaam der vrouwelijke ziel gelijkt en, als deze, tegen het lijden beter bestand is, dan dat der mannen.

Met een gevoel van huivering en afgrijzen baande zij zich over den kring van versteenden den weg; tot op een aanmerkelijken afstand was de grond daarmede overdekt, zoodat zij meermalen genoodzaakt werd, den voet op menschelijke lichamen te zetten.

Jaromir scheen alle besef te hebben verloren; hij wandelde naast Rasinski voort en volgde zwijgend elken wenk op, welken deze hem gaf.

Een akelige, doodsche stilte heerschte nog in de schemering van het woud, want zij, die om de uitgaande vuren den nacht hadden doorgebracht, lagen òf nog in vasten slaap òf waren reeds in de versteenende omarming van den dood gezonken. Men ging hooge beuken voorbij, welker zware takken tot dicht op den grond neerhingen en lijken bedekten, die in verschillende houdingen door den dood verrast en in steenen beelden herschapen waren. Eenigen hielden in de krampachtig toegeknelde vuist nog de bijl geklemd, waarmede zij te vergeefs beproefd hadden deze reusachtige boomen te vellen. Anderen hadden, met even weinig gevolg, vuur om de stammen gelegd en ze op die wijze pogen in brand te steken; men zag hen, het hoofd op de knoestige wortels neergebukt, de tot asch verteerde lont nog in de hand houden.

Rasinski verhaastte zijne schreden, om dit schrikwekkend oord zoo ras mogelijk te ontvlieden; doch de gansche weg leverde een tooneel van ontzetting op en bij elken tred stiet de voet op nieuwe, vreeselijke hinderpalen. Eindelijk, na verloop van een uur, bereikte men eene opening van het woud en, daar de nevel verdunde, ontwaarde men in de verte een huis, dat wellicht eene verkwikkende rustplaats kon aanbieden. Met verdubbelden spoed ijlden de wandelaars daarop toe; maar toen zij nader kwamen en de vensters verbrijzeld en van ruiten en roeden beroofd zagen, bespeurden zij wel dat ook deze hoop hen bedrogen, dat men hier geen verblijf voor levenden te wachten had. Rasinski verlangde echter zekerheid en opende de slagdeur van het hoofdgebouw, dat eene schuur of stalling scheen te zijn; doch huiverend sprong hij terug, want hij ontdekte slechts lijken, die in dicht gedrang, ja zelfs op elkander gehoopt, den grond bedekten en hem met verglaasde oogen aanstaarden. „Is hier nog een levende?” vroeg hij, zich vermannende, met luider stemme. Alles bleef doodstil in het wijde graf en de stem stierf met doffen nagalm in de holle ruimte weg.—„Leeft hier nog iemand?” riep hij nog eens, want zijn hart verzette zich tegen de vreeselijke gedachte, dat indezen warklomp van menschelijke lichamen ook niet ééne vonk van leven meer glimmen zou. Maar het was zoo; want, toen hij zijn pistool nam en het boven de hoofden der liggenden losbrandde, verroerde zich nog niemand, maar alles bleef stil als in de diepste eenzaamheid eener woestenij. Onder andere omstandigheden zou hij het bij deze poging niethebbenlaten rusten, doch thans, nu zijne dierbaarste betrekkingen, en hij zelf met hen, in onmiddellijk doodsgevaar verkeerden, thans was zijn edel hart ongevoeliger geworden en hij wendde zich af met de woorden: „Alles te vergeefs! Verder, verder!” Zoo vervolgden zij hun weg met den hoogst mogelijken spoed, want het verderf zat hun op de hielen als een roofdier, dat naar buit jaagt en zijn offer aangrijpt, zoodra het, door uitputting overmand, een oogenblik poogt adem te scheppen.

De weg werd thans meer en meer met vluchtelingen bevolkt, die uit de omliggende bosschen of naburige verlaten dorpen te hoop stroomden. Weldra bevond men zich weder in het dicht gewemel van die spookachtige, grijnzende, holoogige schrikgestalten, die de winter met gruwzamen hoon in de avontuurlijkste kleederdrachten had uitgedost, zoodat het lachwekkende zich in de vreeselijke nabijheid van den hartverscheurendsten jammer scheen gewaagd te hebben. De adem bevroor oogenblikkelijk, zoodra zij de lippen ontvlood. Vandaar waren de lange, verwilderde baarden, ja zelfs het hoofdhaar en de wenkbrauwen der ongelukkigen met spitse ijsnaalden bedekt, die hun het voorkomen van stokoude, zilverharige grijsaards gaven.—Doch te midden van al deze schriktooneelen werden de innig verknochte vriendenharten het gevoeligst getroffen door den rampzaligen toestand van Jaromir, die, in steeds toenemende zinsverbijstering, wel uiterlijk gevoelloos bleef voor het lijden, waaronder anderen gebukt gingen, en bijwijlen zelfs in krankzinnig schertsen en lachen uitbarstte, maar inwendig toch door gestadig vernieuwde aanvallen, nu van diepe droefheid, waarbij hij een luid gejammer hooren liet, dan van teugellooze razernij en vertwijfeling werd aangetast. In deze vlagen van woede, die de laatste levensbanden plotseling dreigden los te rukken, kende hij niemand en stiet zelfs Rasinski met dolle drift van zich, zoodat de vrienden hem vasthouden en beletten moesten, dat hij de handen aan zich zelf sloeg. Zij deden het, doch hunne vereende krachten waren nauwelijks toereikend en zij zagen het vreeselijk oogenblik naderen, dat zij den ijlhoofdige als een reddeloos verloren offer aan de furiën zouden moeten ten prooi geven. Tweemaal was de vlaag gebroken; toen de aanval zich ten derdemale verhief, tastte deze den lijder heviger en langduriger aan dan te voren. Eindelijk riep Rasinski: „Het is onmogelijk, wij moeten hem opgeven; bidden wij slechts, dat de hevigheid zijner folteringen zijn einde bespoedige!”

En reeds wilden zij hem aan zijn lot overlaten en in bandelooze drift laten voorthollen, toen de hemel hem in Bianca een reddenden engel toezond. Haar hart kon niet dulden, dat men zulk een vriend aan het verderf prijsgaf, zoolang de heilige vonk des levens nog in zijne borst gloorde. Weenend en smeekend wierp zij zich tusschen de mannen in en riep: „O neen, geeft hem niet op, redt hem of laat ons met hem omkomen!” Hierop wendde zij zich tot Jaromir zelven, aarzelde niet de hand des waanzinnigen zachtkens in de hare te nemen, en smeekte op een toon, die zelfs tot in den diepen nacht der zinneloosheid doordrong: „O, wees bedaard! Kom tot u zelf, herken uwe vrienden en ga met ons!”

Als uit een beangstigenden droom ontwakend, staarde Jaromir haar strak en verwonderd aan en vergat plotseling het worstelen tegen de hem omringende vrienden. De woeste golven zijner krankzinnigheid werden eensklaps effen, toen de vriendelijkegestalte met zachten blik door de donkere sluiers, die zijne ziel omhulden, heendrong. Stil en gehoorzaam als een kind vouwde hij de handen en sprak met bevende stem: „Ik wil u immers gaarne volgen; laat mij slechts aan uwe zijde gaan en verstoot mij niet weder!” Zij reikte hem vriendelijk den arm en zeide: „Kom, ik wil u geleiden.” En gewillig liet hij zich leiden en brak niet weder in gejammer, niet weder in vlagen van woede uit, maar glimlachte stil voor zich heen, als in zalige droomen. Met ontroering bemerkten de mannen dit vermogen der reine vrouwelijke ziel en hunne borst werd met deemoed en vereering vervuld.

Het was de laatste beproeving. Eindelijk sloeg het uur der verlossing. Eensklaps verhief zich onder de voorste troepen een kreet van vreugde en verbazing, die met elken voetstap luider en luider werd en, daar elk naar de reden vorschte, weldra in een luid geroep en geschreeuw overging. Ten laatste bereikte ook Rasinski met de zijnen de kromming van den weg, waar het gejoel zich het eerst had doen hooren, en de lang gewenschte haven der redding, de eerste bevolkte, bewoonbare stad, WILNA, lag voor hunne oogen uitgestrekt. Bij dezen aanblik kende de verrukking geen palen; snikkend vielen de vrienden in elkanders armen en onder het storten van heete vreugdetranen zocht hun overstelpt hart lucht in een vurig dankgebed tot den almachtigen Helper.

Zelfs de bitterste herinneringen aan het verleden versmolten in dit oogenblik voor de vriendelijke stralen van den gelukszon; slechts de pijl van het heden, die nog in de versche wonde van het hart brandde, smartte onbeschrijfelijk.

Met innigen weemoed vestigde men het oog op den ongelukkigen jongeling, voor wien dit uur der verlossing geene waarde meer bezat. Slechts één dag vroeger en ook hem zoude de zon der vreugde vriendelijk hebben toegelachen!—Doch met doffen slag wierp het lot de poorten toe, juist toen hij op den dorpel trad, en belette hem voor eeuwig den toegang tot de vroolijke velden des levens!

Koel en onverschillig zag Jaromir de ontroering der vrienden aan. Een oogenblik scheen het, dat hij een straal der waarheid zag doorschemeren: hij ademde sneller, beklemder; het was, alsof de stroom der vreugde zich met geweld uit de borst een weg banen en de klemmende boeien der krankzinnigheid verbreken wilde. Doch deze bleven machtiger; zuchtend liet de ongelukkige het hoofd weder zinken en zijn ontvlammend oog verloor dien kortstondigen gloed. „Leid mij verder, Lodoiska,” richtte hij zich smeekend tot Bianca, die, door de hevigheid harer aandoeningen overweldigd, in Lodewijks armen hing en zich nauwelijks kon staande houden. De gedachte echter, dat een grenzeloos ongelukkige haren bijstand behoefde, gaf haar de noodige bedaardheid terug; zij bood hem opnieuw den arm en, door de hoop met frissche krachten toegerust, zette men met verhaaste schreden den weg voort.

Het nabijgelegen doel was echter moeielijk te bereiken; want reeds zag men de wegen in hunne gansche breedte met ongelukkigen bezaaid, die de aanblik van den gewenschten eindpaal van hun lijden aan de doffe bedwelming had ontrukt, waarin de overmaat der geledene rampen hen gedurende de laatste dagen had doen wegzinken. In blinde haast—gelijk het over het geheel de vloek was, die op dezen ganschen noodlottigen terugtocht rustte, dat men redding en verderf met dezelfde verblinding miskende—stormden zij op de stad aan. Hoewel het ruime veld nog eene vrije uiteenspreiding der massa's veroorloofde, bespeurde men nu reeds een golvend samenpakken en opeendringen; wat moest het gevolg zijn, wanneer engere toegangen het afstroomen van dezen vloed belemmerden? Rasinski zag het met bezorgdheid. Hijvreesde eene tweede, meer vreeselijke Beresina, wijl niet eenmaal de vijand, maar slechts de razende verblinding der bevriende lotgenooten het onheil dreigde te bespoedigen. Als dáár nam de gansche stroom ééne enkele richting; aan eene dierlijke aandrift gehoor gevende, volgde elk zonder oordeel of overleg den makker na, die voor hem ging. De zucht om het doel te genaken, deed slechts daarop achtgeven, en langs den naasten weg wilden allen het bereiken. Rasinski zag rond, of zich nergens een zijweg bespeuren liet, dien men ongemerkt zou kunnen inslaan; want door zulks plotseling te doen, vreesde hij een al te sterken stroom na zich te zullen sleepen. Thans naderde men reeds enkele verstrooide huizen van de voorstad en deze zelve was nabij. Zoo ergens liet het opzet zich hier ten uitvoer brengen.

„Houd u dicht achter mij,” fluisterde hij Bernard toe, „en volg mij onmiddellijk, wanneer ik zijlings afsla. Langs gindsche heg moet men eene andere poort der stad bereiken, die wellicht minder door het gedrang belegerd is.”

Daar Jaromir thans volkomen bedaard was geworden, nam hij dezen weder in den arm en liet Bianca tusschen Lodewijk en Bernard ingaan. Reeds begon men eene stremming in den toevloed te bespeuren, reeds werd men meer voorwaarts gedrongen, dan men vrijwillig ging. Het was derhalve hoog tijd, het plan te volvoeren.

„Nu,” riep Rasinski en sloeg zijwaarts af. De drie anderen volgden hem. Door een donker voorgevoel gedreven, drongen gansche scharen hen na, zoodat zij een tak van het stroomende gedrang op deze wijze afleidden. De weg daalde met eene steile, gladde helling naar het veld af. Rasinski kwam dezen hinderpaal gelukkig te boven, doch Bianca gleed uit en viel. Schoon broeder en vriend haar dadelijk ondersteunden, waren ook dezen te zwak, om zich op het gladde ijs staande te houden, te meer, daar Bernard het kind droeg. Ook zij vielen dus. De stroom der menigte drong hen aan weerszijden voorbij; hij wentelde niet over hen heen, doch sneed hen dadelijk met dichte golven van den geleidenden vriend af. Met moeite richtten zij zich op; Bianca had den voet verwrikt, zoodat zij te nauwernood kon staan. Bernard zag naar Rasinski om; deze was verdwenen en eene zwarte menigte had zich reeds over het veld verspreid.

„Voorwaarts, voorwaarts, in 's hemels naam voorwaarts!” riep hij,„anders worden wij voor altijd van hem gescheiden.”

Doch het was te laat. Te velen hadden zich tusschen hen en den vriend ingedrongen, en dit getal werd nog gestadig van buiten af vermeerderd, daar zij, die op den grooten weg nakwamen, dezen vroeger verlieten en het veld in eene schuine richting overstaken, ten einde zich zoo spoedig mogelijk bij de voorste troepen aan te sluiten. Tegen dezen stroom op te worstelen was ondoenlijk; door voort te dringen hem sneller te deelen, ook hieraan was niet te denken. Er bleef hun dus geene andere keuze over, dan zich door den stroom lijdelijk te laten voortstuwen. De weg kromde om de hoekige heggen en heiningen der verspreid liggende buitentuinen; eensklaps verdeelde hij zich in verschillende zijpaden, die alle reeds met vluchtelingen bezaaid waren. Welke richtingen had Rasinski hier genomen? Dit was met geenerlei zekerheid te bepalen en, al ware het ook mogelijk geweest, zoude het toch niet gebaat hebben, want ook hier was men niet meer aan zijne vrije verkiezing overgelaten; elk moest volgen, werwaarts de toevallige richting der gestadig talrijker aandringende scharen hem voortdreef. Naar denzelfden stelregel, die hem aan den oever der Beresina het leven had gered, was Bernard er ook hier op bedacht, zich aan den stroom der menigte te ontworstelen, om eindelijkde keus van den weg weer vrij te hebben. Dit gelukte hem niet ver van de eerste huizen der voorstad, in welker enge straten de verblinde scharen als eene door een wolf vervolgde kudde binnendrongen. Ademloos en uitgeput kwamen zij ten laatste in de ruimte; de winter, die hen zoo lang vervolgd had, werd nu hun redder, want slooten en plassen, die hun anderszoudenbelet hebben, de stad langs dezen weg te naderen, waren thans vast toegevroren.

Hun weg verlengde zich tot over het half uur, doch eindelijk bereikten zij een andere, tegenover de eerste gelegen voorstad en zagen zich hier geheel alleen, alsof zich geen leger in de nabijheid bevond. De weinige armoedige huizen, welke zij hier aantroffen, konden hun geene schuilplaats aanbieden, daar zij door de bewoners verlaten waren; maar de geopende stadspoort lag op geringen afstand voor hen, en met onuitsprekelijke blijdschap ontdekten zij op de breede straat reeds verschillende goed gekleede menschen, welker geheele voorkomen verried, dat de ellende des oorlogs hier een einde nam. Sidderend van vreugde traden zij de poort binnen en gevoelden thans ook over het lot van Rasinski minder ongerustheid, daar zij, bij het zien der bewoonde huizen en der alom heerschende rust en kalmte, vooronderstellen moesten, dat ook hij reeds eene veilige schuilplaats gevonden had. Slechts eenige uren verademing, rust en warmte, dan zou, hoopte men, de geliefde vriend wel op te sporen en het wederzien dubbel verblijdend zijn.

Het naaste dak was ook het meest gewenschte; de nood verhief elke hut tot een paleis; derhalvesneldenzij met haastige, wankelende schreden op een klein, vriendelijk huis toe, aan welks deur zij eene jonge vrouw ontdekten, die evenals eenige voorbijgangers, de aankomenden met groote oogen aanstaarde.

Bianca, het russisch machtig, riep haar reeds op eenigen afstand toe: „Hebt gij plaats voor ons goede vrouw? Wij willen u rijkelijk beloonen.”

Daar vloog deze eensklaps met den uitroep: „Om aller heiligen wil, gravin Feodorowna, zijt gij het?” de naderende te gemoet, greep hare handen en bedekte ze met kussen. „Wat voert u herwaarts? En in dien toestand! Barmhartige God! Herkent gij mij dan niet?”

„Axinia! Gij zijt het?” riep Feodorowna met bevende stem. „Axinia! Gij onze redster?”

Hier begaven haar kracht en zinnen; zij wankelde, Bernard en Lodewijk vingen haar in hunne armen op, Axinia greep het kind, snelde vooruit en riep: „Volgt mij, hier woon ik!”

Na een duldeloos lijden hadden de ongelukkigen dan eindelijk redding, hulp en liefde gevonden. Uit de barre wildernis waren zij tot de gastvrije woningen der menschen teruggekeerd. Hun leven zou geen foltering meer zijn; vriendelijk bood de werkelijkheid hun de hand—de wisseling echter was te onmetelijk groot, te onverwacht; nu zij daar was, vermochten zij haar niet te bevatten.

Axinia bracht de geliefde gebiedster, aan welke zij eens hare redding was verschuldigden wie zij het nu kon vergelden, terstond te bed en zocht alles, wat het kleine huis opleverde, ter harer verzorging bijeen. Reeds na eenige minuten richtte Bianca het hoofd weder op en zag, tot haar volle bewustzijn teruggekeerd, met zalige blikken in het rond. „O mijn broeder, o mijn geliefde!” sprak zij en drukte Bernard en Lodewijk, die aan haar leger zaten, de handen. „Is het dan toch waar, zijn wij gered? Heeft deze onuitsprekelijke ellende werkelijk een einde genomen?”

„Ja, het is zoo! Wij behooren tot de weinigen, die den dood ontkwamen!”

„En welke hand biedt mij het eerst hulp en bijstand aan!—Ach, Lodewijk, ik offerde eenmaal veel voor dat goede kind op! Om haar te redden verzaakte ik de liefde, die ik u toedroeg. Wel was deze toen nog als een diep geheim in mijn hart verborgen en scheen zij slechts als een schoon, ongenaakbaar gesternte in den nacht van mijn ongeluk; maar toch was zij de eenige straal van hoop, die mij toelachte, het eenige geluk mijner eenzame droomen. Doch hoe onuitsprekelijk rijk beloont de goedertierende hand der Voorzienigheid, en hoe ondoorgrondelijk zijn Hare wegen en bestieringen! Nu is het Axinia, die ons aan het verderf ontrukt.”

Deze was intusschen binnengetreden en naderde met een van vreugde en geluk stralend gelaat. Bianca vroeg haar thans naar haar wedervaren, naar de oorzaak, die haar in Rusland had teruggehouden, daar zij dit rijk voor altijd had willen ontvlieden. Van schaamte blozend antwoordde de jonge vrouw, dat een te vroege bevalling haar verrast en in eene langdurige ziekte gestort had. Deze ziekte deed hare kleine bezitting spoedig inkrimpen, en daar zich inmiddels voor Paul eene gelegenheid opdeed, om als opziener in het lazaret geplaatst te worden, eene betrekking, waarvoor zijne kennis van de fransche, duitsche en russische talen hem boven anderen geschikt maakte, had hij haar te gretiger aangegrepen, wijl zijne uitzichten op eene betrekking in Duitschland in dezen woeligen tijd toch niet dan zeer onzeker waren en Axinia zich middelerwijl van hare ziekte volkomen herstellen kon.

Terwijl de jonge vrouw een kort verslag van hare ontmoetingen gaf, ontstond er op de straat een toenemend gedruisch en gewemel. De buren verzamelden zich in verschillende groepen, of snelden de straat op naar het midden der stad; in alle huizen opende men de vensters en zag nieuwsgierig naar buiten. Axinia deed hetzelfde. „Heilige moeder Maria, wat is er te doen?” riep zij verschrikt uit. „Ach, daar komt Paul, hij zal ons bericht brengen.”

Zij ijlde haren man te gemoet, die, toen zij hem de aankomst der onverwachte gasten bericht had, vol vreugde binnentrad.

„Genadige gravin!” riep hij, „dus zijt gij het waarlijk? En gij waart gekomen met dien hoop ongelukkigen, die huilend door de poort indringt?”

„Wij komen met het leger,” hernam Bianca.

„Met het leger?” vroeg Paul verwonderd. „Dus zou dat het leger zijn? Onmogelijk!”

Thans eerst ontdekte men, dat de keizer zijn ongeluk zóó diep verborgen had weten te houden, dat de ingezetenen van Wilna van de vreeselijke rampen, die de macht van den wereldbedwinger verpletterd hadden, nog niet het geringste vermoedden. Met schrik en verbazing hoorden Axinia en haar echtgenoot dit bericht en tevens de schildering der vreeselijkste ellende aan, waartoe ooit eenig leger was of kon vervallen.

Axinia verbleekte en beefde, toen zij hoorde, dat hare gebiedster in al deze gevaren en rampen had gedeeld. Sidderend wierp zij zich voor een klein Mariabeeld op de knieën en bracht onder het storten van tranen deze heilige haar dank voor de reddingvan Feodorowna toe. Nu verdubbelde zij hare bezorgdheid en liefde ook jegens de haar nog vreemde geleiders der gebiedster. O, het was voor haar dankbaar hart zulk eene weldaad, dat zij nu toch toonen konde, hoe gaarne zij aan de heilige verplichting voldeed, welke Bianca's grootmoedigheid op haar had gelegd.

Het gewoel op de straat vermeerderde; men ontdekte enkele dier ongelukkigen, die, huisvesting en lafenis zoekende, tot in deze afgelegene wijk waren doorgedrongen. De eerstkomenden werden opgenomen, maar toen zich nog anderen en eindelijk gansche benden vertoonden, sloten de verschrikte bewoners hunne huizen.

De afgewezenen, die in het gezicht der redding zouden omkomen, daar hunne uitgehongerde, vermoeide lichamen tegen de vreeselijke koude niet langer bestand waren, hieven een afgrijselijk gebrul aan. Zij beukten op de huisdeuren en dreigden alles in brand te steken.

Paul was besluiteloos, wat hij doen zou; zijn menschelijk gevoel dreef hem aan, de ongelukkigen op te nemen; de voorzichtigheid gebood, hen terug te wijzen. Bianca riep hem toe: „Neem op, zooveel uw huis kan bevatten! Wij hebben de ellende met hen gedragen, wij weten dat medelijden plicht is.”

De jonge man wilde wegsnellen, om aan het bevel der gravin te voldoen; doch het was niet meer noodig. Slechts een kleine troep was tot hier verdwaald geweest en had reeds huisvesting gevonden; de overigen waren naar de stad teruggekeerd om daar hun geluk te beproeven.

„Maar hoe is het mogelijk,” zeide Bernard, „dat deze lieden thans eerst in de stad dringen, dat niemand voor hen zorgt, niemand hun schuilplaats verleent. Wij zouden reeds een half uur vroeger hier zijn geweest, zoo wij ons niet, om het gedrang te ontwijken, den omweg naar deze poort getroost hadden.”

„Dat is het juist, waaraan het gansche onheil is toe te schrijven,” hernam Paul. „De menigte heeft zich in de enge voorstad zoo opgedrongen, dat niemand voor- of achterwaarts kan. De poort is door wagens, paarden en menschen verstopt; niet dan een voor een dringen zij binnen. Maar wie zou ook gedacht hebben, dat dit het leger was! Wij hielden hen voor een troepmarodeurs, die, zooals gewoonlijk bij een terugtocht, voor het leger uit zwerven en door dit worden voortgedrongen. Daarom is ook dadelijk aan de magazijnen last gegeven, hun niets uit te leveren, in geen hospitaal mogen wij hen opnemen.”

„Heilige God!” riep Lodewijk; „dus moeten deze rampzaligen omkomen door de onzinnige, zelfzuchtige voorzorg der hunnen. Haast u, haast u, beste vriend; maak bekend, dat dit het gansche leger is 't welk binnenrukt, dat één uur uitstel aan duizenden het leven moet kosten, en gij zult tallooze ongelukkigen redden!”

Paul snelde weg.

Thans begonnen de geredden ernstige bezorgdheid over het lot van Rasinski en Jaromir tevoelen. Tot hiertoe hadden zij gemeend, dat zij onder de laatsten behoorden, die eene schuilplaats gevonden hadden, nu echter bleek het, dat zij zich inderdaad onder de gelukkigsten moesten rangschikken. Bianca ontveinsde hare vrees niet geheel, doch trachtte die te verkleinen, daar zij duchtte, dat Lodewijk en Bernard aan de inspraak van hun edelmoedig hart gehoorzamen en dit veilige dak verlaten zouden, om zich, door hunne pogingen om Rasinski op te sporen, aan nieuwe gevaren bloot te geven. Zij had zich niet bedrogen, want als uit één mond riepen vriend en broeder: „Wij moeten hen opzoeken!”

Bianca zag hen angstig aan. „Is het echter noodzakelijk, kunt gij hun hulp of redding brengen?” vroeg zij. „Dikwijls houden wij voor plicht, wat ons het moeilijkst te volbrengen schijnt. Waar zult gij hen zoeken in de onbekende stad, in het gedrang en gewoel der naar huisvesting zoekende soldaten? Weet gij meer van hen, dan zij van u? Geeft gij u niet opnieuw bloot? Zoo gij in het gedrang geraakt, zoo——ach, gij laat mij aan den vreeselijksten angst over!”—

„Ik heb al die tegenwerpingen zelf gemaakt, geliefde,” antwoordde Lodewijk met zachten ernst; „doch mijn hart wederlegt ze alle. Voor eenige minuten nog achtte ik het verstandiger, dat wij eerst uitrustten en dan onderzoek naar hem deden, want ik waande deze stad voor allen eene reddende haven. Nu echter ook zij, gelijk alles in dezen verderfelijken oorlog, eene gevaarlijke klip wordt, is van zelve de noodzakelijkheid daar, om onverwijld te handelen. Ook voel ik mij door de warmte en verkwikking reeds weder sterker. Hoe, zoo Rasinski nu eens, gelijk vele anderen, hulpeloos door de straten dwaalde en slechts onze traagheid zijn ondergang berokkende?—Neen, mijn lieve, wij mogen het niet uitstellen, wij moeten hem zoeken.”

Bernard had inmiddels zijne muts reeds weder opgezet; Axinia voorzag beiden van pelslaarzen en andere verwarmende kleedingstukken en gaf hun rum en brood mede, ten einde zich zelven of anderen, die het noodig hadden, te laven. Zij gingen en beloofden na verloop van een uur terug te keeren.

De stad leverde een akelig schouwspel op: voor de magazijnen en hospitalen waren de beklagenswaardige vluchtelingen verzameld en belegerden de deuren, die het strenge verbod voor hen gesloten hield. Gehuil, verwenschingen en gebeden mengden zich dooreen; de burgers verscholen zich in hunne veilige huizen en grendelden de deuren en vensters. En inderdaad, de wezens, die men zag naderen, zwart van rook en aarde, met de uitdrukking van angst en honger in het holle oog, schenen eene schaar afzichtelijke harpijen, die roofgierig op spijs, drank en alles, wat een behagelijk leven verried, dreigde aan te vallen. Waar men hun uit mededoogen eene deur had geopend, moest men zich dit spoedig beklagen, want er kwam geen einde aan den aandrang; met onstuimige woede baanden zij zich een weg en, door den scherpen prikkel des lijdens onweerstaanbaar gedreven, hadden zij elk gevoel van dankbaarheid en matiging verloren. Gelijk overal, werwaarts deze scharen hunne schreden richtten, scheen zich ook hier de vloek, die op haar rustte, te openbaren; de redding was daar, de eindpaal des jammers bereikt, maar ook nu juist lag het gruwzame lot het grimmigst op de loer en spande het zijne verderfelijke strikken. Het rukte den ongelukkigen den beker der verkwikking van voor de lippen weg, juist nu zij hem aanroerden, en liet hen in duldelooze ellende versmachten.

Te vergeefs dwaalden de beide vrienden door dit akelig gewemel, waar de een zich niet meer om den ander bekreunde, maar elk met blinde woede om zelfbehoud en redding kampen wilde, heen en weder; te vergeefs riepen zij Rasinski en Jaromir luid bij den naam—geen bekende stem, geen antwoord liet zich vernemen.

Zoo zouden zij dan den edelsten vriend, die hun redder en beschermer in tallooze gevaren geweest was, verliezen, nu zij gehoopt hadden hem vroolijk en dankbaar in de armen te vallen. Treurig en moedeloos namen zij ten laatste den terugweg naar hunne woning aan, want ook hun zelven begonnen de krachten te ontzinken. Door lange straten vol versteende lijken, die voor de huizen lagen, aan welker gesloten deuren zij te vergeefs geklopt hadden, snelden zij voort. De felle koude nam gestadigtoe; wie zich eenige seconden ter ruste nederzette, zonk verstijfd ter aarde, om zich niet weder op te richten.

Zoo waren de straten, die nog kort te voren van gejammer en gekerm weergalmden, weldra in stille kerkhoven veranderd, waar geen schijn van leven zich vertoonde en elke voetstap hol dreunend werd teruggekaatst. Met onuitsprekelijke droefheid in de borst naderden de vrienden het kleine huis. Geen van beiden sprak, men bekende elkander niet wat men vreesde, niemand waagde het, eene vraag te doen.—Reeds zetten zij den voet op den drempel, toen zij eene met postpaarden bespannen slede de poort zagen binnenrijden. Vol verbazing over deze verschijning, die hun sinds maanden vreemd was geworden en die vooral in deze stad der ellende hunne aandacht tot zich trok, richtten zij de blikken derwaarts.

Plotseling riep Bernard: „Almachtige hemel! Ik word krankzinnig of ik zie geesten! Het is Maria!” Met krampachtige onstuimigheid greep hij Lodewijk bij den armen,wees, hevig sidderend, op eene vrouwelijke gestalte, die juist met opgeslagen sluier uit het geopende sledevenster rondzag. Nauw kreeg Lodewijk haar in het oog, of ook hij herkende de geliefde wezentrekken en wilde met den kreet: „Zuster, zuster!” op haar toesnellen. Doch zijne knieën knikten, de krachten begaven hem; ook Bernard stond als aan den grond geketend en sloeg de armen om den vriend, nauw bewust of hij zich zelf, dan dezen ondersteunen wilde. „Zuster!—Maria!” riepen zij nog eenmaal en thans eerst hoorde deze hun geroep. Zij gaf een luiden gil van ontsteltenis en vreugde, het portier der slede vloog open, en nog eer de schuimende paarden stilhielden sprong zij er uit, zonk op de knieën, richtte zich weder op en zeeg bedwelmd en ademloos in de geopende armen des broeders.

Sprakeloos hingen broeder en zuster aan elkanders hart en misten woorden, om hun geluk, hun liefde uit te drukken. Voor Bernards oog werd het duister en smartelijke tranen welden daarin op; door diepen weemoed overmeesterd, wendde hij zich af en weende. Doch dra vermande hij zich en mompelde: „Ik heb immers ook eene zuster en kan in hare armen gelukkig zijn.”

Driftigwildehij zich omwenden en naar binnen snellen, toen Maria als een vriendelijke engel voor hem trad en zijn naam noemde. Hij zag op; tranen glinsterden in haar oog,eene zachte smart veredelde haar gelaat, de lippen fluisterden nauwelijks hoorbaar, daar het jagen harer borst haar de stem roofde: „Bernard, lieve vriend!” Hij greep de hand, die zij hem aanbood;—als door onzichtbaren aandrang voelde hij zich gedreven, het liefelijke wezen in zijne armen te trekken, het te omvatten en aan zijn gloeiend hart te drukken. Doch een blik op haar maagdelijk gelaat, waarop tegelijk heilig vertrouwen en zachte schaamte troonden, deed hem voor zijne onstuimigheid terugbeven en hij bedwong zich met mannelijke kracht. Zachtkens drukte hij zijne lippen op hare hand en zeide: „Maria! ook ik heb eene zuster gevonden. O, ik ben thans geheel veranderd!”

Zij wilde antwoorden, toen hij met den verbaasden uitroep: „Hoe? de gravin!” het gesprek afbrak en alle droefheid en smart tevens gevoelde, welke deze verschijning op dit oogenblik teweeg moest brengen.

De gravin had op Maria's roepen en voortsnellen dadelijk laten stilhouden en volgde haar met Lodoiska, welke laatste door schrik en verrassing zoozeer was overweldigd, dat zij niet dan sidderende en door den arm van haar moederlijke vriendin ondersteund, kon naderen.

„O vriend! Hoe zien wij elkander weder!” sprak de gravin met diepe ontroering. „Zeg mij spoedig, wat weet gij van mijn broeder, van Jaromir....”

„Zij kwamen met ons hier,” viel Bernard haar driftig in de rede, daar hij vreesde, dat zij ook Boleslaws naam noemen zou, „doch in het gedrang verloren wij elkander uit het oog. Maar volg ons; wij hebben hier dak en huisvesting voor u. De stad is opgepropt met soldaten; gij zoudt bezwaarlijk een schuilplaats vinden.”

De gravin nam Bernards aanbieding terstond aan, doch wierp tevens een onrustigen blik op hem en Lodewijk, wijl beider gelaatstrekken geene vreugde te kennen gaven. Lodoiska's oog hing angstvol aan Bernards lippen; een voorgevoel der waarheid scheen haar te doen huiveren, want zij werd bleek als de sneeuw, waarop zij stond, toen zij den naam des geliefden hoorde.

Bernard geleidde de gravin in het huis, welks deur door Axinia, die de komenden uit het venster bemerkt had, reeds geopend werd. Lodewijk volgde, terwijl hij zijne zuster aan den arm had, die Lodoiska ondersteunde. Vol verbazing staarde Axinia de vreemde dames aan en wierp een vragenden, verlegen blik op Bernard.

„Slaapt de vorstin?” vroeg deze.

„Zij is zoo uitgeput, dat ze in eene diepe bedwelming ligt,” was het antwoord; „evenwel durf ik het geen slaap noemen, want zij rijst dikwijls verschrikt op en roept de namen: Jaromir, Rasinski.”

Bernard ontstelde, want dit antwoord verried bijna alles.

„Wat beteekent dat?” riep de gravin. „Ik bezweer u, verheel mij de waarheid niet. Waar is mijn broeder, waar Jaromir? Op hun dood zijn wij lang voorbereid en wij gevoelen ons sterk genoeg om met onderwerping te dragen, wat over ons beschikt is. Deze angstige spanning breekt mij het hart; hoe zal Lodoiska ze verdragen?”

Gelukkigerwijs was deze nog zoo ver achtergebleven, dat zij van dit gesprek niets vernam. Bernard antwoordde fluisterend: „Ik kan u den angst niet besparen; echter is mijne hoop grooter dan mijne vrees.”

Axinia bracht de nieuwe gasten in een ander vertrek, ten einde Bianca in hare sluimering niet te verontrusten. Met een zonderling gemengd gevoel van vreugde, geluk, angst en verbazing hoorden de vrouwen hier een vluchtig verhaal aan van de rampen en gevaren, waarmede de mannen in dezen verderfelijksten aller oorlogen hadden te worstelen gehad. Men was huiverig, van Boleslaws dood te spreken, doch eindelijk nam Lodewijk het woord: „Een onzer liefste vrienden heeft het lot uit onze armen weggerukt. Boleslaw viel; hij stierf een heldendood,—hij stierf schoon!”

Maria weende zacht in de armen des broeders en verborg haar gelaat aan zijne borst. Bernard zat somber, het hoofd op zijne hand gesteund, en staarde op den grond. Lodoiska hoorde het naricht met kloppend hart en bleeke lippen; slechts koude tranen rolden over hare wangen. Was het een bang voorgevoel, dat haar beklemde, of wel medelijden met den edelen jongeling, die haar stom en trouw bemind had en voor wien zij althans eene oprechte genegenheid gevoelde,—wie kan het beslissen? De gravin was opgestaan en wandelde, gelijk zij bij heftige gemoedsaandoeningen gewoon was, diep ontroerd door het vertrek. „Gij zijt gelukkig,” sprak zij ontroerd, „wie de last der smarten nog in verlichtende tranen van de borst wegsmelt. Ik kan niet weenen: mijn hart is versteend onder het gewicht der ellende. Ik ween niet, en ik wil niet weenen. Waarheid, zekerheid is de eenige gunst, die ik nog van den hemel weet af te bidden. Hebt gij mij aangaande Rasinski en Jaromir alles gezegd?”

Lodewijk schroomde te antwoorden, want van Jaromirs krankzinnigheid hadden zij gezwegen; Bernard echter had zich van de verlegenheid, welke deze rechtstreeksche vraag hem veroorzaakte, spoediger hersteld. „Alles,” sprak hij haastig, „wat zich in de weinige trekken liet te zamen dringen, waarmede wij het tafereel der ongehoorde wereldgebeurtenissen en zonderlinge eigen ontmoetingen trachtten af te schetsen.”De gravin stond als het marmerbeeld eener Minerva, onbewegelijk, trotsch overeind. Haar donker oog blikte in de troostelooze toekomst, stille weemoed zweefde om hare lippen, verheven ernst zetelde op haar hoog voorhoofd; lang stond zij zwijgend en als versteend. Eindelijk vloog een zacht lachje over het edele gelaat, als een zonnestraal, die over het nevelachtige herfstlandschap heenzweeft.„Ik heb immers nog eene dochter!” riep zij en breidde de armen naar de bleeke, sidderende Lodoiska uit, die zich snikkend aan hare borst wierp. Zij hielden elkander teeder omarmd en slechts het beklemde ademhalen van haren door angst geprangden boezem was hoorbaar in deze minuten van heilige, doodsche stilte.

Paul was inmiddels naar huis teruggekeerd, zijn verslag aangaande den toestand der stad, dat Bernard hem heimelijk afvroeg, was ver van geruststellend. Bovendien begon de duisternis te vallen; met de zon van den volgenden dag moest men de terugkomst der hoop verwachten.

De vrouwen hadden zich naar het vertrek van Bianca begeven, die Lodewijk haar thans had voorgesteld. Welke zalige uren van liefde, vriendschap en heilig dankgevoel hadden zij thans te zamen kunnen doorbrengen, zoo angst en ongerustheid over de vermisten aller harten niet zoo drukkend hadden beklemd!

Ten einde der vrouwen althans eenigen troost te verschaffen, en opdat zij den nacht niet in te angstige spanning doorwaken mochten, sprak Bernard met den welwillenden Paul af, dat deze den toestand der stad gunstiger zou afschilderen, dan die inderdaad was, en bracht hem daarop naar Bianca's kamer. Hier verhaalde Paul, dat alleen de eerste verwarring zoo verderfelijk geweest was, dat alles zich thans begon te schikken, dat de soldaten, in de huizen der burgers gastvrij opgenomen, meerendeels in diepe rust lagen, om morgen met frissche krachten te ontwaken, en dat voorts het wedervinden van een verlorene heden reeds deswege onmogelijk was, wijl ieder, die een dak gevonden had, zich daar aan den slaap, die van alle behoeften de dringendste was, ongestoord overgaf. De gravin hoorde deze mededeelingen zwijgend aan; zij gaf zich aan haar lot over, ofschoon geen bemoedigende straal van hoop tot hare ziel doordrong.

De onweerstaanbare rechten der stoffelijke natuur hadden zich bij de uitgeputten krachtig doen gelden. Bernard, Lodewijk en Bianca lagen in vasten slaap. De gravin echter en Lodoiska waakten in bange bekommering en met haar Maria, niet alleen uit de innigste deelneming der vriendschap, maar ook wijl haar hart, hoe moedig zij het ook bekampt had, nog altijd met warm gevoel voor Rasinski klopte.

Ook Paul en Axinia wilden zich niet ter rust begeven, hoewel zij zich bescheiden van hunne gasten hadden afgezonderd. In de straten der stad was het geheel stil geworden; geen enkel geluid liet zich in den omtrek vernemen.—„Luister!” sprakPaul en sprong eensklaps verschrikt op; „luister, Axinia, was het niet alsof daar iemand kermde en kreunde? Hoor, al weder.” Hij opende een venster en bleef eenige oogenblikken luisteren. „Het komt van de overzij uit de smalle steeg, waar de Joden wonen!—Mij dunkt ook, dat ik stemmen hoor mompelen.”—Beiden waren geheel oor. Na eenig tijdsverloop hoorde men een dof geluid, als van een vallend lichaam en tevens een gillenden angstkreet, die hun door merg en been drong. „Wat is dat?” riep Paul. „Hoort gij het jammeren en steunen? Zouden de vervloekte honden....”

Een mannelijke stem riep luid kermend om hulp; Axinia wrong doodelijk ontsteld de handen. Plotseling werd de deur geopend en de gravin trad met een licht in de hand binnen.

„Hebt gij het ook gehoord, dat akelig gejammer?” vroeg zij merkbaar ontroerd; „het schijnt het gekerm van een stervende. O ga, vriend, en ziet wat er gebeurt!”

Paul wierp zijn pels om en greep naar een lantaarn; doch Axinia hield hem angstig tegen en smeekte: „Ach, ga niet alleen! Wie weet, wat gruwel daar voorvalt en of de wreedaards niet weer iemand om het leven brengen. Ga niet alleen!”

„Ik moet!” riep Paul;„misschien kan ik een mensch redden.”

„Wek dan tenminste de heeren; zij zullen met u gaan.”

„O, laat hen toch slapen; en wellicht kwamen wij dan nog te laat!”

„Neen, neen, zij zijn immers niet ontkleed, maar slapen in hunne pelzen,” antwoordde Axinia driftig en snelde naar het nevenvertrek, waar Bernard en Lodewijk, daar het in huis aan genoegzame bedden ontbrak, geheel gekleed op stroo sliepen. De waakzaamheid was hun nog zoo eigen, dat zij bij het eerste geroep uit hun vasten slaap opsprongen en dadelijk volkomen wakker waren.

„Wij verzellen u,” riep Bernard, ter loops door Paul van het gebeurde onderricht, en reeds had ook Lodewijk de pistolen gegrepen en zijn sabel omgegespt.

Paul ging met de lantaarn vooruit, in de richting, van waar het gekerm zich hooren liet. Het was een enge dwarssteeg, die zich langs den stadsmuur uitstrekte, en slechts door Joden bewoond werd. Juist wilden zij ze inslaan, toen een forsche mannenstem hun van achteren aanriep: „Wie daar, wie zijt gij, wat gebeurt hier?”

„Rasinski!” riep Lodewijk bij het eerste geluid dier stem, en toen het lantaarnschijnsel op het gelaat van den naderende viel, herkende hij ook de trekken van den geliefden vriend.

„Rasinski!Gij hier, en levend!” riep hij en lag juichend in zijne armen.

„Ik heb u weder! u, dien ik verloren achtte! En gij leeft! Bianca leeft?”

„Wij allen, allen,”riep Bernard. „Wij zochten naar u, doch te vergeefs!”

„En ik u!” hernam Rasinski.

Zij zouden alles om zich heen vergeten en elkander hunne wederzijdsche ontmoetingen verhaald hebben, had het gekerm zich niet weder opnieuw uit de straat doen hooren. Rasinski wond zich nu dadelijk uit Bernards armen los. „Die tonen,” riep hij, „hebben mij uit den slaap opgejaagd. Laat ons thans eerst aan de hulpbehoevenden denken.”

Paul lichtte met de lantaarn voor, de overigen volgden. De steeg was eng en vol krommingen, zoodat men niet ver voor zich uit zien en dus ook niet gezien worden kon. Toen men de eerste bocht bereikte en de lichtschemering in de voorliggende ruimte viel, zag men duidelijk eenige gestalten opspringen en ijlings langs de huizen voortsluipen.

„Wie daar?” riep Rasinski in het Russisch. „Staat, of ik vuur.”

Maar de schaduwen vloden langs den muur voort en slopen over de sneeuw weg. Rasinski wilde ze nazetten, doch struikelde over een voorwerp, viel, en onder het vallen ging zijne pistool los. Lodewijk en Bernard waren hem op den voet gevolgd en wilden hem oprichten, doch hij riep hun toe:„Voorwaarts, voorwaarts, de vluchtenden na.”

Zij spanden al hunne krachten in, doch zagen nog slechts eene enkele gedaante, die haastig voor hen uitvlood; zij riepen haar toe te staan, doch vruchteloos. Een schot, door Bernard onder het loopen gelost, miste; maar daar de vluchteling zich, onwillekeurig of wijl hij den kogel hoorde fluiten, bukte, gleed hij uit en tuimelde ter aarde. Lodewijk was de eerste, die hem met forsche vuist in den nek greep.

„Ha! Wie zijt gij?” beet hij den verdachte, die een soort van langen, zwarten tabberd droeg, in het oor; „waarom vlucht gij?”

„God mijner vaderen!” smeekte de vreemde op klagenden toon. „Hebt erbarmen, genadige heer! Wat misdoet u de arme Jood, daar hij vliedt voor den gruwel!”

„Licht hier, Paul,” beval Bernard, die hijgend toesprong; „wij moeten eerst zien, wat slag van een mensch het is, die zoo klagend om erbarmen jankt. Het beste geweten heeft hij zeker niet.”

Paul hief de lantaarn op, zoodat het volle lichtschijnsel op het gelaat van den Jood viel.

„Duivel! Die galgentronie ken ik!” riep Bernard verwonderd. „Waar heb ik dat vermaledijd Judasgezicht meer gezien? 't Is waar, de litthauwsche roodbaarden gelijken elkaar op een haar; maar mij dunkt toch.... Jood, gij zijt de spion, met wien wij sinds vijf maanden eene rekening te vereffenen hebben.”

Rasinski's geroep deed hem afbreken. „Komt hier, vrienden, het is nog iemand, die hulp noodig heeft.”

Zij keerden om en sleepten den Jood, niettegenstaande zijn kermen en jammeren, met zich voort.

„Zie hier de vervloekste gruweldaad, die ik immer beleefde,” riep Rasinski, rillend van woede en afgrijzen, hun te gemoet; „licht hier!—Onze kameraden naakt uitgeschud in deze koude, uitgeplunderd, geworgd en uit de vensters op de harde sneeuw gesmeten! Monster,” riep hij den sidderenden Jood met donderende stem toe, „draagt gij schuld daaraan, levend laat ik u door de honden vanéénscheuren! Ziet hier—hier liggen zij. Het schreit ten hemel!”

In een hoek, waar een huis een weinig binnen de rij der overige insprong, zag men acht lijken, slechts met ettelijke lompen bedekt, op een hoop liggen. Op een dezer ongelukkigen, die nog eenige teekenen van leven vertoonde, had Rasinski zijn pels geworpen, ten einde hem tegen de snijdende koude te beschutten.

Allen huiverden bij den aanblik van dezen gruwel, die hun zoo even in de haast van het vervolgen ontgaan was.

„God Abrahams, hef ik niet mijne rechterhand tot u omhoog, dat ik ben onschuldig aan dat bloed, als een onnoozel kind!” riep de Jood. „Vervloekt wil ik zijn, ik met mijne kinderen en kindskinderen, zoo ik heb aandeel in die daad! Laat de raven mij levend uitscheuren de oogen, laat verdorren het vleesch aan mijne hand, zoo mijn eed toch valsch is!”

„Hij was onder de moordenaars,” steende de stervende, met moeite het hoofd oprichtende;„hij wou mij de keel afsnijden, toen de val uit het venster mij niet gedood had en ik om hulp riep. Uwe aankomst alleen heeft mij gered.”

„Satan, gij vervloekte, helsche satan! De gruwelijkste ellende, die een kanibaal de tranen uit de oogen zou persen, kon u niet roeren?” knarsetandde Rasinski, terwijl hij de sabel over het hoofd van den Jood zwaaide, om hem den schedel te kloven. Doch deze wierp zich stuiptrekkend van angst op de knieën en kermde, de handen wringend: „God Jehovah, erbarmen, heer graaf, erbarmen!”

Lodewijk had Rasinski in den arm gegrepen en hield hem terug. „Bezoedel u niet met het bloed van dezen ellendeling,” smeekte hij dringend, „geef hem aan de wraak des hemels over!”

„Gij hebt gelijk, ik moet mij bedwingen,” hernam de graaf.—„Waant gij, dat ik u niet herken?” sprak hij met de uitdrukking van den diepsten afschuw tot den Jood, die als een worm aan zijne voeten kroop. „Ik herken u, evenals gij mij herkent, lage, bedriegelijke hond, die reeds eenmaal de verdiende straf ontkwaamt! Niets zou u redden, zoo niet zelfs een monster als gij een werktuig in de hand des hemels kon worden. Ik weet, het gansche ras der uwen broedt hier gruwelen der hel uit, waartoe uw duivelsche hebzucht u opstookt. Ga heen en verkondig uwen moordgezellen, dat, zoo ik morgen hier in deze huizen ook slechtséénlijk oféénspoor van gewelddadigheid ontdek, ik ze dan alle in asch zal leggen en u zelven met vrouw en kinderen in den gloed zal verbranden! Weg, monster! Doch teekenen wil ik u, opdat gij althans niet ontkomt.”

Bij deze woorden trapte hij hem driemaal met de hak der laars in het gezicht, zoodat de Jood het als een wild dier uitbrulde en het bloed op de sneeuw gudste. Desniettemin beurde deze zich op en waggelde onder luid gejammer naar de naaste huisdeur, waar hij heftig aanklopte en de hulp en het mededoogen zijner geloofsgenooten inriep.

„Helpt mij nu dit slachtoffer wegdragen,” sprak Rasinski, terwijl hij zich tot den ongelukkige voorover boog, die, schoon met verkleumde leden en door de mishandelingen en het bloedverlies uitgeput, nog levend op de sneeuw lag.

In den warmen pels hieven zij hem op. Zijn gejammer weergalmde door de lucht, doch nog eer zij de groote straat bereikt hadden, verstomde het, want de levenskracht ontzonk hem. „Ik dank u, kameraden; het was te laat!” dit waren de laatste woorden, die van zijne lippen vloeiden.

„Een graf kan ik u niet geven,” sprak Rasinski, terwijl zij het lijk op den grond nederlegden; „rust hier uit bij de duizenden, aan wie dit gruwzame land alles, tot zelfs eene grafstede weigert. Is het niet genoeg, dat de natuur ons met hare verschrikkingen onmeêdoogend vervolgt? Moet ook de mensch nog in een hyena veranderen en tot het heiligdom van den weerloozen slaap doorbreken?”

Deelnemend trad Lodewijk op hem toe. „Een zoete balsem zal deze uwe wonden verzachten,” sprak hij: „wij hebben u eene blijde tijding te brengen.”

„Gij? Eeneblijde tijding?” vroeg Rasinski bijna met bitteren nadruk.

„Uwe zuster en Lodoiska zijn in de nabijheid—zijnhier; binnen weinige minuten kunt gij haar omarmen.”

„Mijne zuster hier!” riep hij, eer verschrikt dan vroolijk.—„O Johanna, dat gij ook in deze oogenblikken moest komen! Dus kende men in Warschau ons lot! Vriend, vriend, uwe tijding is zoo bitter als zoet. Ik was er niet op voorbereid, haar thans te zien. En toch,” voegde hij er weemoedig bij, „dat ik haar nog zie, welk een onuitsprekelijk geluk is dat voor mij!”

De vrienden geleidden hem naar Pauls woning. Eer zij binnentraden, stond Rasinski stil. „En Lodoiska verzelt haar? Wat moeten wij het arme kind zeggen! Jaromir ligt in wilde vlagen van krankzinnigheid, buiten kennis, razend—wellicht is hij reeds verlost!”

„En al ware zij slechts gekomen, om zijn laatsten adem op te vangen,” sprak Lodewijk uit innerlijke overtuiging, „zelfs dan nog zouden alle schatten der aarde tegen dit geluk in de diepste smart niet kunnen opwegen.—En kunt gij weten, of niet misschien hare verschijning eene reddende, genezende wonderkracht op hem uitoefent?”

„Het zij, zoo het wil! Het moet gedragen worden; laat ons een mannelijk gelaat toonen.” Met deze woorden trad hij moedig op den dorpel en kalmte en moed troonden weder op het ontrimpelde voorhoofd. Terwijl hij de deur opende, wendde hij zich nog eens naar Lodewijk om en vroeg met gesmoorde stem: „Is uwe zuster ook hier?”

„Ook zij.”

Het duister verborg de wolk van smart, die over zijn gelaat trok, en niemand bespeurde het vluchtig rood, dat de nabijheid van dit bekoorlijke wezen over zijne bleeke wangen uitgoot. Daar hij voor geen der vrienden het diepe geheim van zijn hart onthuld had, vermoedde ook niemand zijne innerlijke ontroering.

„Laat mij vooruitgaan,” verzocht Bernard;„uwe verschijning kon de vrouwen te zeer ontstellen.”

„Mijne zuster niet, doch de jongere meisjes wellicht. Ga dan en zeg, dat gij mij gevonden hebt.”

Bernard snelde naar de gravin; eenige oogenblikken na hem opende Rasinski de deur. Lodoiska vloog met een luiden gil op hem toe en zonk, het gelaat verbergende, aan zijne borst; hij hield haar met den rechterarm omvat. De zuster trad bevende nader, leunde, door zijn linkerarm teeder omvat, op zijn schouder en drukte stom en zwijgend hare bevende lippen op de zijne. Maria bleef schroomvallig, heimelijk weenende, van verre staan.

„Zuster!” sprak Rasinski na een lang, diep stilzwijgen en wond zich los uit hare armen.

„Zoo moeten wij elkander weerzien,” riep zij op een toon, die tot diep in de ziel doordrong. „Zoo!” En alsof zij den last van bezwaren door dezen uitroep van de beklemde borst had gewenteld, haalde zij thans ruimer adem en barstte in tranen los.

„Troost u, Johanna; over het graf reikt geene smart,” sprak Rasinski met die sterkte, die zelfs de hoop verloochenen kan. „Tot zóólang zullen wij het weten te dragen. Maar gij, arm kind,” wendde hij zich thans tot de bleeke, sidderende Lodoiska, die in zijne armen hing en zonder Bernards zachte ondersteuning lang zou zijn neergezonken, „welke troost moet ik u brengen? Gij zijt nog zoo jong, gij hebt nog zulk eene lange baan voor u!”

Met angstvolle blikken hing zij aan zijne lippen, doch naar Jaromir vragen, dit kon zij niet.

„Ik versta u, lief kind,” vervolgde hij diep ontroerd; „gij vraagt naar Jaromir! Lodoiska, gij zijt eene dochter van Polen. Vastheid in 't lijden moet uw erfdeel zijn, want wij worden gezoogd met kommer en gevoed met droefheid. Uw vriend leeft, maar hij is ziek, zeer ziek, donkere koortsvlagen verduisteren zijne ziel. Stel u voor, hem te verliezen.”

Haar boezem hijgde onstuimig; eindelijk stamelde zij met moeite de woorden: „Waar is hij?—Laat mij hem zien!”

„Morgen, lieve engel,” trachtte Rasinski haar gerust te stellen; „thans, midden in den nacht, is het onmogelijk.”

Maar alsof eene hoogere geest haar plotseling met vernieuwde kracht bezielde, riep zij uit: „Morgen? Morgen? En zijn leven is geen minuut zeker! Wellicht blaast hij in het volgend uur den laatsten adem uit en ik zou wachten, dezen ganschen, eeuwigen nacht?—O moeder, moeder, gij kent mijn hart, gij weet of dat mogelijk is, of ik niet bezwijken moet door angst en onuitsprekelijk lijden.—Moeder, moeder, help mij hem verbidden!”

Smeekend strekte zij de armen naar de gravin uit, wankelde op haar toe en zonk voor haar neder, met het hoofd in haar schoot.

Thans trad ook Maria schuw en blozend nader en sprak Rasinski aan. „Wij hebben elkander nog niet begroet. Mijn eerste woord zij de ondersteuningharerbede. Zij bemint, en een minnend hart moet onder zulk eene foltering bezwijken.” De laatste woorden waren nauwelijks hoorbaar.

„Maria!” hernam Rasinski op een onbeschrijfelijken toon, waarin zijne mannelijke kracht scheen weg te sterven. „Maria!—Bij al wat heilig is,” riep hij eindelijk met die hevige inspanning, waardoor hij met geweld weder meester van zich zelven trachtte te worden, wanneer zijn gevoel op de vastberadenheid van zijn doen en handelen de overhand dreigde te bekomen, „bij al wat heilig is, ik vermag het niet. Jaromir ligt in het lazaret. Bij nacht wordt de poort voor niemand geopend; anders zou ik het arme kind immers dadelijk bij hem brengen. Nu zou ik den maarschalk uit den slaap moeten wekken, zou...”

„In welk lazaret ligt de zieke, van wien gij spreekt, heer graaf?” viel Paul hem in de rede.

„Hier onmiddellijk aan de poort, linksaf, dat groote gebouw.”

„Daarvan heb ik de sleutels,” riep Paul vroolijk uit; „ik zelf breng de jonge gravin derwaarts.”

„Dank, heilige Moeder Maria!” riep Lodoiska opspringende; „dank, innig dank—dan zal ik hem nog eenmaal zien!”

„Ik verzel u,” sprak Rasinski.

„En ik,” riep de gravin.—„Wij allen,” sprak Maria vol zusterlijke deelneming.

„Neen, Maria,” hernam Rasinski; „die gang is noch licht, noch opbeurend. Wij moeten diealleendoen, ikstadaarop.”

Binnen twee minuten hadden de gravin en Lodoiska zich tot het treurige bezoek uitgerust. Rasinski eischte dringend, dat Lodewijk en Bernard te huis zouden blijven; dezen daarentegen vorderden, dat hij zelf zich de hem zoo noodzakelijke rust gunnen zou.

„Handelt voor de laatste maal naar mijn bevel,” sprak hij eindelijk zacht, maar gebiedend. „Gij blijft ter bewaking van het huis achter; ik moet de geleider der ongelukkige zijn, want niemand dan ik kan zijne legerstede in het duister vinden.”

Door den guren winternacht begaven zij zich op weg.

Het oude, kolossale gebouw, waarin de zieken en gekwetsten lagen, was eertijds eenklooster geweest. Met zijne schemerachtige omtrekken op den donkeren hemel afgeteekend stond het somber dreigend voor de naderenden.

„Ongaarne open ik dit huis,” sprak Paul; „want jammer en ellende is het eenige dat men er aantreft. Aan alles is hier gebrek, dikwijls zelfs aan het noodzakelijkste voedsel, aan stroo tot ligging. Elken dag worden de dokters verwisseld, en de weinige jongelieden, die men ons overlaat, vertoonen zich nauwelijks, daar zij weten, dat alles toch vruchteloos is en hunne kunst het lijden der slachtoffers verlengt. De oude gewelven kunnen niet eenmaal behoorlijk verwarmd worden, zoodat bij eene vorst als deze het koudvuur in de wonden komt en de ongelukkigen bezwijken doet. Het is een groot kerkhof, waar levenden begraven worden.”

Gedurende deze woorden had hij met zijne zware sleutels de poort geopend en de oude vleugeldeuren knarsten op de verroeste hengsels.

„Is hier dan 's nachts geen enkele waker?” vroeg de gravin huiverend.

„Niemand,” antwoordde Paul; „het ontbreekt daartoe aan ruimte. Hier moeten de dooden altijd voor de levenden plaatsmaken, en eer de krib van een overledene nog koud is, neemt zij dikwijls reeds een nieuwen lijder op.”

Lodoiska zweeg; ook weende zij niet, maar sidderde slechts als in de hevigste koortsrilling.

Men beklom de hier en daar ingestorte steenen trappen en bevond zich in een langen, donkeren kruisgang.

„Hier, aan het eind van den gang, in het laatste gewelf aan de rechterhand vond ik een leger voor hem”, sprak Rasinski; „breng ons daarheen, mijn vriend!”

„Ligt hijdáár?” vroeg Paul met angstige verbazing.

„Waarom vraagt gij dat zoo?”

„Hm! Dat gewelf is koud en tochtig; het ligt juist op het noorden.”

„Er was geen andere plaats meer te vinden en de geneesheer, dien ik daar aantrof, beloofde mij de beste zorg voor den zieke te dragen.”

„Ik wil het wel gelooven!” hernam Paul, maar op een toon, die het tegendeel verried.

De voetstappen der haastig voortsnellenden werden door de holle wanden dreunend teruggekaatst; overigens hoorde men geen geluid, dan bijwijlen aan weerszijden een dof kreunen en snikken, dat dubbel akelig was, daar het uit de muren zelve scheen voort te komen.

„Hier,” sprak Paul terwijl hij eene deur openstiet.

Zelfs Rasinski huiverde, toen hij nu het akelige verblijf binnentrad, dat hij voor eenige uren genoodzaakt was geweest te kiezen, ten einde Jaromir, die, na van Bianca gescheiden te zijn, eerst in vlagen van woede en vervolgens in wezenlooze, doodelijke afmatting was vervallen, althans eene legerstede te verschaffen.—Thans, in het uur van middernacht, was dit afgrijselijk hol, ook zelfs voor een bewustelooze, eene helsche strafplaats. Een enkele, flauw opflikkerende lamp verspreidde een mat licht door de kelderachtige ruimte. In een breeden kring lagen de arme, met bloedige lompen bedekte lijders op het spaarzame stroo uitgestrekt; eenigen met gapende wonden en afzichtelijk verminkt, anderen door de diepste ellende onkenbaar en misvormd. Diep, zwaar ademhalen, dof reutelen en rochelen waren de eenige geluiden, die zich hooren lieten. Een ijzige wind blies door het gewelf; want de vensters waren ten deele van glasruiten beroofd, zoodat de sneeuw van buiten insloeg en zich tot nabij de ligplaatsen der rampzaligen ophoopte.

„Dus hier!” sprak Lodoiska met bevende stem en een kil afgrijzen versteende hare borst.

Paul lichtte eenige lijders met de lantaarn in het gezicht. Zij staarden hem met wijd opengespalkte oogen aan, zonder een ooglid te verroeren.

„Dat zijn dooden, vriend,” sprak Rasinski; „de koude heeft hen versteend. Verder!” Lodoiska klemde zich aan de gravin vast.

Men moest zich door eene akelige opeenhooping van dooden en stervenden een weg banen, zoodat de voet, hoe behoedzaam ook neergezet, telkenreize tegen roerlooze ledematen stiet. Aan Rasinski's arm hangend, zweefde de schoone gestalte van Lodoiska als die van een engel des lichts door deze donkere grafgewelven.

„Het was toch goed, dat wij u geleiden, mijn kind,” sprak de gravin, die zelve alle kracht moest bijeenrapen, om zich staande te houden.

„Onder de bescherming der heiligen zou ik het ook alleen gewaagd hebben,” hernam het meisje en sloeg geloovig het oog ten hemel.

Paul hief de lantaarn omhoog en lichtte naar een donkeren hoek, waar nog geen lichtstraal was doorgedrongen, daar het schijnsel der aan het gewelf brandende lamp door een breede pilaar werd onderschept.

„Daar ligt nog iemand,” sprak hij en wees met den vinger.

„Barmhartige moeder Gods, dat is hij!” riep Lodoiska met zulk eene hevigheid, dat de hartverscheurende kreet door het gewelf weergalmde, terwijl zij geheel verpletterd aan Rasinski's borst zeeg. „Ja, hij is het,” herhaalde deze op somberen toon; „hij lijdt zwaar!”

Lodoiska's bedwelming was van korten duur, weldra gaf de liefde haar nieuwe krachten. „O, laat mij aan zijn leger nederknielen,” bad zij met bevende stem; „ach, ik smeek u!”

Rasinski ondersteunde hare wankelende schreden; doch Paul moest eerst eenige lijken uit den weg ruimen, eer men Jaromirs strooleger naderen kon.

Dicht in zijn mantel gewikkeld lag hij daar en, het licht bemerkende, richtte hij zich op. Met strakke, verglaasde oogen, waaruit stille waanzin sprak, tuurde hij een wijle in de vlam; een vliegende koortsgloed kleurde daarop zijne holle, uitgeteerde wangen en zich woest vooroverbuigend, wilde hij het schijnsel met de hand naar zich toerukken.

De onverschrokken gravin deed huiverend eene schrede achterwaarts.Is dat de schoone jongeling, vroeg zij zich zelve, die voor weinige maanden nog een toonbeeld was van bloei en leven? Hij, dit bleeke nachtspooksel uit het graf?

„Wat wilt gij?” vroeg Jaromir met holle, slepende stem. „Wat komt gij hier doen in mijn graf? Weg met dien fakkel!”

De snijdende smart hield Lodoiska's lippen krampachtig toegeklemd; zelfs de liefde was niet bestand tegen deze vreeselijke beproeving en mocht de boeien van het innerlijk afgrijzen niet verbreken.

„Jaromir! Wees een man! Herken ons!” riep Rasinski den ongelukkige toe en legde zijn warme hand op diens ijskouden arm.

Men zag dat 's jongelings waanzinnige verbijstering worstelde met het bewustzijn, hetwelk Rasinski's aanblik bij hem wekte; in al zijne blikken kon men lezen, dat zijne ziel zich uit de vreeselijke bedwelming poogde los te rukken.

Eindelijk had Lodoiska den kamp volstreden. Zij knielde naast den geliefde neder, nam zijne hand, zag hem aan en vroeg met ontroerende stem: „Jaromir! herkent gij mij niet meer? O, geef mij slechts één teeken van uwe liefde!”

Tweemalen streek hij met de hand over het voorhoofd, als om eene hevige pijn of drukking te verdrijven; toen vlamde plotseling een vluchtige glans in zijn brekend oog op. „Lodoiska!” riep hij uit en poogde de armen uit te strekken, doch vruchteloos, nog eenmaal ademde hij diep uit de borst, en het gansche lichaam kromp ineen, het oog sloot zich, en roerloos zeeg hij achterover.

„Alle heiligen, beschermt hem, hij sterft!” riep Lodoiska en wrong de handen.

„Neen, de vreugde heeft hem overweldigd,” sprak Rasinski vertroostend. „Laat ons van zijne onmacht gebruik maken, om hem uit dit akelig verblijf te verwijderen.”

„Mijn vriend, er zal een tijd der vergelding komen,” dus wendde hij zich tot Paul, „leen mij thans nog uw bijstand en help mij den ongelukkige naar uwe woning brengen. Hier moet hij sterven.”

„Gaarne, gaarne,” riep de goedhartige man; „en het zal weinig moeite kosten. Op het portaal staan draagbaren en in mijn huis is zeker nog wel een plaatsje open.”

Onverwijld hieven zij den onmachtige op en droegen hem naar buiten, waar zij hem voorzichtig op de baar nederlegden. Lodoiska, die hen aan den arm der moeder met wankelende schreden gevolgd was, herkreeg kracht en bezinning, toen de liefde thans hare diensten vorderde. Zorgvuldig dekte zij den jongeling toe, om alle koude van hem af te weren, en geleidde zoo den stervenden vriend naar het gastvrije dak, waar bevriende gestalten in plaats van schrikbeelden diens legerstede omringen zouden.

Weldra had men Pauls woning bereikt; met sprakelooze droefheid ontvingen de getrouwe lotgenooten den beklagenswaardigen vriend, en als twee liefderijke beschermengelen zetten Maria en Lodoiska zich naast de baar neder, om gedurende het verdere van den nacht bij hem te waken. Hij lag in onrustige sluimering en sprak dikwijls in zijne koortsverwarring. Meermalen noemde hij Lodoiska's en Bianca's namen, eens riep hij: „Alisette, Alisette—weg, weg, gij schoone slang!”

Met welk eene gewaarwording hoorde de minnende Lodoiska dezen naam! Zij had hem zoo geheel, zoo oprecht vergeven—zij vergaf ook de verleidster!—O, ware zij slechts in staat geweest, dezen troost in zijne door folterende wroegingen gemartelde borst uit te storten!

Maria was, door vermoeidheid uitgeput, in een armstoel in slaap gezonken.

Diepe nacht en eenzaamheid omgaven thans de minnende. Welk een oogenblik van zaligheid, ware zij niet door de vreeselijk gapende kloof van hem gescheiden geweest, die zich onoverkomelijk als het doodenrijk opdoet, zoodra de banden van het heldere bewustzijn verbroken zijn.

In het gebed alleen vond de arme hoop en troost. Zij knielde neder en wendde haar hart en gelaat ten hemel. „O Vader daar boven,” dus smeekte zij, „laat het heldere licht van klaar bewustzijn slechts nog eenmaal in zijne borst schijnen! Voer zijne ziel nog eenmaal naar deze aarde terug, zoo schoon en rein, als zij eens in hem woonde! Ach, de dood kan hem immers niet zoo akelig van mij scheiden, als deze zwarte gevangenis, waarin hij gekerkerd ligt; want hebt Gij hem weggenomen, dan woont hij bij U in eeuwig licht en onze gedachten kunnen zich getroost tot hem verheffen. Nu echter doolt hij als een verdoemde in de duisternis om; zijn geest zwerft in een woesten baaierd rond en vindt nergens rust, nergens troost. O, maak hem los uit die akelige kluisters—wees genadig, o Albarmhartige, en ontferm U over hem en mij!”

Allengs spoedde de lange nacht ten einde en de grauwe schemering van den morgen drong tot het stille vertrek door. Zij trad aan het venster. De hemel was helder;het licht der verbleekende sterren tintelde nog met laatsten matten glans op het diepe blauw. Aan den zuidoostelijken horizon vertoonde zich een roodachtige gloed en kleurde de lichte wolken. In droef gepeins verzonken, staarde Lodoiska voor zich heen en tranen verduisterden haar oog; doch hetwarenzoete tranen, zij ontsprongen uit een heilig vertrouwen, dat na het langdurig lijden hare borst met zachte, weemoedige hoop vervulde. Zij wendde het hoofd om naar de legerstede van den vriend haars harten. Hij sliep gerust, zijne ademhaling was geregeld, ja, een lachje zweefde om zijne lippen, en de eerste vriendelijke schemering van den morgen speelde op de bleeke wangen. Het was niet meer de macht der krankzinnigheid, die hem boeide, maar een verkwikkende slaap, die op de uitputting volgde.

„Heilige moeder Gods, wees gij hem met uwen zegen nabij!” zuchtte het meisje en trad bevend nader. Eene zoete beklemdheid maakte zich van haar meester en de hoop werd in haar levendig, dat het oog des ontwakenden haar nu eindelijk herkennen zou. Met ingehouden adem over hem neergebogen, luisterde zij naar het ademen zijner lippen, naar het slaan van zijn hart. „O, thans geniet hij een kalmen, rustigen slaap,” fluisterde zij, inwendig juichend, en wierp zich voor zijne legerstede op de knieën neder.

Het morgenrood schoot vriendelijke stralen door het venster en bescheen het gelaat van den sluimerende. Eensklaps opende hij de oogen en zuchtte: „Nu is het voorbij!” Zijn blik was niet meer woest en verwilderd; eene stille, zachte verrukking stond op al zijne gelaatstrekken te lezen. Onuitsprekelijke zaligheid daalde in Lodoiska's boezem neder, doch met inspanning van al hare krachten bedwong zij zich, daar zij beducht was, dat eene plotselinge uitbarsting van vreugde den nauwelijks aangeknoopten band van het bewustzijn opnieuw verscheuren zou. Sidderend bleef zij op de knieën liggen en fluisterde met bevende lippen: „Zijt gij nu beter, mijn geliefde!”

Kruiselings legde hij de handen op de borst, hief het hoofd een weinig op en sprak zacht, op den toon van eerbiedige vereering: „O, ik herken u, gij heilige, in den gulden stralengloed; gij zijt nu eene zalige, en ook voor mij openen zich de poorten des vredes.—O, reik mij nu ook de hand ten teeken van verzoening.”

Hij verwijlde nog te midden zijner droomgestalten, onder welke hij vooral Lodoiska gezien had. Thans, nu zij, door het morgenrood omstraald, met golvende lokken voor hem knielde, gingen die verbleekende beelden van den droom, alles verflauwend, in de werkelijkheid over, en waande hij in het verblijf der zaligen ontwaakt te zijn.

Zij reikte hem vriendelijk de hand en vroeg op den zachten, smeltenden toon der liefde, die in tranen van verrukking wegstierf: „Eindelijk herkent gij mij weder? O, gij hebt akelig gedroomd! Ik ben het, mijn Jaromir, levend en werkelijk, minnend en gelukkig!”

„Heilige God!” stamelde hij, „waar ben ik dan, waar was ik—neen, neen, gij zwarte nachtspooksels, keert niet weder uit het duister terug!”

Met de hand maakte hij een afwerende beweging en blikte schuw in het rond. Lodoiska, als wilde zij hem tegen de schrikbeelden beschermen, sloeg hare sidderende armen om zijn hals en drukte zachte kussen op zijne lippen. „Neen, neen geliefde,” fluisterde zij, „vrees niets, gij leeft en rust aan mijn hart; hier zal geen akelige droom u kwellen.”

In zalige bedwelming drukte hij zijn gelaat tegen de borst van zijne geliefde; en toen zijne wang aan haar hart rustte, zijn oor het hoorde kloppen en jagen, toen keerde hij in het rijk der werkelijkheid en waarheid terug, en verscheurd was de sluier, die zijne ziel omhuld hield—verscheurd ook de laatste band des levens in het verwoeste lichaam!

„Barmhartige moeder Gods, dat is hij!” riep Lodoiska.

„Barmhartige moeder Gods, dat is hij!” riep Lodoiska.

„Barmhartige moeder Gods, dat is hij!” riep Lodoiska.

Afgemat hief hij het hoofd tot den geliefde op, dronk een zoeten kus van hare lippen en lispelde langzaam: „Nu weet ik alles!—En gij vergeeft mij alles, Lodoiska?”

„Mijn hart kan slechts beminnen,” riep zij, half verstikt in den opwellenden stroom van tranen.

Nog vermoedde zij niet, dat dit oogenblik van overstelpend geluk haar tevens den beker der diepste, grievendste smart zou te drinken geven. Slechts de hoogst mogelijke opgewondenheid van alle krachten zijner ziel hield het leven nog in Jaromirs boezem terug.

„O, gij werdt edeler, oprechter, trouwer bemind, dan door mij,” zuchtte hij smartelijk. „Boleslaw was uwer waardig! De mond des stervenden ontdekte mij het heilige geheim!—Nu kan ik hem daarboven vrij te gemoet gaan!”

Bleek en roerloos zeeg hij op het kussen terug en zijne armen vermochten de geliefde niet meer te omvatten.

„Heilige moeder,” kreet zij, toen zij hem verbleeken zag, „hij sterft, hij sterft!”

Bij dezen angstigen uitroep ontwaakte Maria; met één oogopslag begreep zij wat er voorviel en snelde toe, om de ongelukkige vriendin te ondersteunen.

„Hij sterft, hij sterft, Maria!” jammerde deze nogmaals en wrong vol vertwijfeling de handen.

Maria zag wel, dat menschelijke hulp hier geene redding meer kon aanbrengen. Zij herinnerde zich dus de belofte, welke de gravin gisteren in stilte van haar geëischt had, om haar, zoodra er iets bedenkelijks mocht voorvallen, onverwijld te wekken. „Ik zal zijne moeder roepen,” sprak zij tot de radelooze en ijlde naar het nevenvertrek.

Zij vond de gravin reeds aangekleed en Rasinski bij haar, die hevig ontroerd scheen. Haar bleek, ontsteld gelaat voorspelde niets goeds.

„Wat gebeurt er?” vroeg de gravin.

„Ik vrees, hij sterft,” was haar zacht antwoord, dat zij met een veelbeteekenenden wenk verzelde, uit vrees, dat Lodoiska, wier hoop zij zoolang mogelijk wilde staande houden, iets hooren zoude.—Driftig en ontsteld traden beiden naar binnen. Zij vonden de ongelukkige weenend op den jongeling neergebogen en zijne handen in de hare houdende, die hij, den dood voelende naderen, angstig gegrepen en vastgeklemd had.

Nog herkende hij de binnentredenden; want hij lachte hun vriendelijk toe, doch de spraak ontbrak hem.

Door Axinia, die in het voorvertrek Lodoiska's angstkreet gehoord had, geroepen, traden thans Lodewijk, Bernard en Bianca binnen en naderden zwijgend het sterfbed.—Bianca had eerst in den vroegen ochtend van haren broeder vernomen, dat Rasinski was wedergevonden. Op dezen trad zij dus het eerst toe, reikte hem de hand ter begroeting en verborg, hevig ontroerd, het schoone hoofd aan zijne mannelijke borst. „U hebben wij terug,” snikte zij, „en toch wordt een nieuw offer gevorderd!—O, vriend....” hare stem verstikte in tranen en zij moest haar gelaat bedekken.

Rasinski trad, tot het diepst zijner ziel geschokt en bewogen, maar toch uiterlijk zich zelf meester, aan het leger van zijn jeugdigen vriend. „Mijn zoon, kent gij uw vader niet meer? Mijn Jaromir, kent gij uw wapenbroeder niet?”

De stervende sloeg bij het hooren van die stem het oog op, en een vriendelijk lachje vloog over zijne lippen. Hij bewoog de rechterhand, als wilde hij die naar hem, die zijn vader, broeder en vriend tevens geweest was, uitstrekken. Rasinski greep haar, en Lodoiska liet ze hem gewillig over.

Een heilig stilzwijgen heerschte in den kring; niets dan de onwillekeurige toon dersmart brak de diepste stilte af. Nog eens verhief zich de borst des stervenden en haalde diep adem. „Vaartwel, vrienden, geliefden!” zuchtte hij; zijne lippen verbleekten, zijn oog brak,—hij had geleden.

In sprakelooze droefheid wierp Lodoiska zich op den ontslapene neder en hield hem vast in hare armen geklemd.

De broeder- en zusterparen, die het sterfbed omringden, hielden elkander omvat;—het was, als zouden zij borst aan borst hun diepe smart uitweenen!

Eensklaps dreunde de doffe donderslag van een kanonschot door de diepe stilte, en wel zóó nabij, dat de vensters dreunden.

„Wat is dat?” riep Rasinski en richtte zich driftig op. Maar nog eer hij had uitgesproken, kraakte de volle laag eener batterij, zoodat de aardbodem beefde.

„Heilige God!” riep de gravin, „is de vijand zoo nabij?”

Maria verbleekte; want voor haar was dit geluid nog vreemd.

„Ik moet weg,” sprak Rasinski op vasten toon; „wij zijn aangevallen.”

„Wij verzellen u,” riep Lodewijk, en Bernard sprong naar de wapens, die op een stoel lagen.

„Neen, dat nooit,” beval Rasinski met waardigheid. „Gij hebt in dezen kamp niets meer te bevechten! Blijft hier, en beschermt, wat mij en u het dierbaarst is.”

„Wij laten u niet alleen in 't gevecht,” riep Lodewijk heftig en wilde hem tegenhouden.

„Gij zult, gij moet! Mij roept de plicht derwaarts, u bindt zij hier,” hernam Rasinski met nadruk en wees Lodewijk terug.

„Neen, gij moogt ons het recht, om aan uwe zijde te staan, niet rooven,” sprak Bernard; „want gij kunt het zelfverwijt niet van onze ziel wentelen, wanneer gij valt, waar onze bijstand u had kunnen redden.”

Buiten roffelden de trommen met oorverdoovend gedreun door de enge straten. Woest geschreeuw, donderend geschutgekraak, schel trompetgeschetter klonken verward dooreen, volk en soldaten stroomden te hoop.

„Zoo gij ooit mijn wil geëerbiedigd hebt,” riep Rasinski en richtte zich met de hem aangeboren waardigheid op, „dan blijft terug. Gehoorzaamt mij in deze minuut voor de laatste maal als uw bevelhebber. Ik gebied u, blijft!”

De vrouwen waren door smart enangstte hevig ontroerd, om de nieuwe spanning, welke deze edelmoedige strijd in haar had moeten verwekken, in hare volle kracht te gevoelen. Zonder het zelve te weten, viel haar de met harde bezoekingen gewoonlijk gepaard gaande weldaad ten deel, dat de van vele zijden tegelijk treffende slag elkander onderling krachteloos maakten, wijl de menschelijke borst, gelijk een vaatwerk, slechts voor eene bestemde mate ruimte heeft. Moge de stroom van den rampspoed dan ook met toomeloos geweld daarover heenbruisen, hij vult het niet hooger aan, maar de overmaat der smart vloeit zonder gevoeld of bemerkt te worden voorbij.

Alleen Maria, op wie de dood van Jaromir niet dien verpletterenden indruk gemaakt had, zag met bange bezorgdheid den afloop van dezen strijd tegemoet. Nu zij zag, hoe de edele man, die haar eens zijne liefde bood en de hare wegdroeg zich thansin het gevaar van den slag storten en zich moedig aan den dood voor eer en vaderland wijden wilde, vlamde de diep verborgen gloed weder levendig in haar op en sidderde zij voor het dierbare leven.

Door dit gevoel gedreven, trad zij tusschen de mannen. „Roept de strijd u dan ook nu nog?” vroeg zij; en hief het oog smeekend tot Rasinski op; „is het nog plicht, zich aan den dood te wijden, wanneer uit de geheele schipbreuk toch niets meer te redden is? O, blijft gij ook, opdat het uur van ons wederzien niet dat der onuitsprekelijke smart tevens worde, zoo....”

Hier brak zij af; zij waagde niet uit te spreken, wat zij dacht en vreesde.

„Maria!” riep Rasinski met eene stem, die zijn gansche hart openlegde, „Maria!” Hij stond in den hevigsten tweestrijd met zich zelf en staarde haar smartelijk aan. Een oogenblik scheen het hem toe, dat de ijzeren scheidsmuur, die tusschen haar en hem oprees, was omvergerukt door de reuzenkracht der omstandigheden. Met onweerstaanbare banden voelde hij zich aan de schoone gestalte gekluisterd, die de vriendelijke genius van zijn leven zijn kon. Doch de zoete begoocheling duurde slechts eene seconde. De zachte nevelsluiers scheurden, het bedriegelijke wolkenfloers werd weggevaagd en de onverbiddelijke waarheid stond weder, krachtiger dan ooit, in hare barsche majesteit voor hem. Niets was veranderd; de scheidende kloof gaapte slechts nog dieper, dan ooit te voren. Hij bevroedde het en sprak vast, maar zacht: „Neen, ook deze bede mag mij niet terughouden! Vaartwel! Gij blijft!”

Onstuimig scheurde hij zich los en snelde naar buiten.

Maria waggelde als bedwelmd eenige schreden achteruit en zonk mat en krachteloos in de armen haars broeders. Bernards scherpziend oog drong tot in de binnenste schuilhoeken van haar hart door; Rasinski had het geheim van zijn hart met een enkel woord onthuld.

Dus hij—en zij, dacht hij, en de smart klemde hem de borst krampachtig te zamen. „O, hij laat ons den zwaarsten plicht over!” riep hij, zijnen boezem lucht gevende. „Wien de volle maalstroom des levens heeft aangegrepen, die weet, dat een slag slechts een lustig speeltochtje is, waarbij de vloek spelend tegen de boot kabbelt!”

Lodewijk verstond den vriend slechts ten halve en voor zoover hij in hetzelfde gevoel deelen kon.

„Ongetwijfeld hebben wij een zwaren strijd van zelfverloochening te voeren,” antwoordde hij;„doch op zijn edel hart drukte juist datgene met ondragelijke zwaarte, wat ons ruimte en verademing geeft. Daarom kampt hij zwaarder en mannelijker dan wij.”

„O,” riep Maria uit, „o geliefden, vraagt niet, wie hier den bittersten kelk der smarte ledigt!—Het lijden is eene zee geworden; de vloed stijgt boven het peil van elk hart!”

„Bergen hoog!” mompelde Bernard barsch en wrevelig; „op ettelijke torenshoogten komt het niet meer aan.”—Hij rilde als in koortskoude.—De ontdekking, dat Maria een ander beminde, was als een rotsklomp op zijne borst gevallen en had ze verpletterd.—Hij is de edelste, de waardigste, dacht hij en ging driftig op en neder; doch dat kan mij niet troosten, het vernietigt mij des te zekerder, want zooveel verder ook verdringt hij mijn beeld uit hare ziel! En deze liefde was de leidstar, die ik volgde door de zwarte wildernis van onzen jammertocht. Haar zacht licht alleen verschafte mij troost en sterkte—ik bereikte het doel, en zij verzinkt, en alles is duisterder dan ooit!

In gepeins verdiept, den strakken blik op den grond geslagen, stond hij als bedwelmd en bemerkte niet, wat om hem voorviel. Daar legde zich een zachte arm om zijn hals, en hij voelde eene gloeiende wang aan de zijne—het was Bianca.

„Zuster!” riep hij met ontroerde stem, „zuster!—Ja, u heb ik nog behouden!”

Maria had misschien een donker vermoeden van hetgeen in zijne ziel omging; wellicht ook deden zich in haar binnenste nieuwe verborgen stemmen van een gevoel hooren, dat zij aan één enkele waande te hebben uitgeput. Zacht, ja bijna deemoedig, als had zij een zwaar onrecht goed te maken, trad zij derhalve op Bernard toe en sprak, ten antwoord op zijne smartelijke ontboezeming:„Ook wij, hoop ik, blijven innig verbonden; de broeder zal niet vergeten, dat hij een vriend en eene vriendin bezit, die hem meer dan haar leven verschuldigd is!”

Bernard zag haar verbaasd aan. Zij was de eerste, die de hand naar hem uitstrekte en de zijne aangreep. „O, ik weet, wat Lodewijks zuster den vriend haars broeders te danken heeft,” vervolgde zij. „Mij dunkt, ik heb nu twee broeders, en—wij zijn zusters!”

Deze laatste woorden richtte zij tot Bianca, die haar met zusterlijke liefde aan het hart drukte.

Bernard wilde antwoorden, doch zijne tong weigerde hem haar dienst, zoozeer was zijn hart gebroken en innerlijk ontroerd. Zou deze trouwhartige, vrijwillig aangeboden vriendschap en vereeniging aan zijne hoop voedsel geven of die geheel vernietigen? Hij wist het niet, ja hij wist nauwelijks, wat hij wenschen moest. Edel toch, gelijk hij was, had hem de gedachte reeds bezwaard, dat zijn geluk niet dan uit het ongeluk eens anderen kon ontkiemen. Rasinski, in zijne mannelijke droefheid, stond voor hem, en zijn grootmoedig hart deelde in het lot van den vriend, alsof het zijn eigen ware.

De gravin trad nader uit het andere einde van het vertrek, waar zij zich bij het lijk des jongelings slechts met Lodoiska had beziggehouden. Haar gang was langzaam; men kon zien, dat de hooge gestalte zich met moeite staande hield. „Mijn broeder is weg,” begon zij, minder vragend, dan wel zich die vraag zelve beantwoordende: „hij had zich toch den tijd tot afscheid moeten gunnen. Wie weet, of wij elkander wederzien.—Ik voor mij heb het hopen verleerd!”

Zij stond bleek, maar met opgerichten hoofde, als achtte zij het beneden zich, haren nek onder den last der rampspoeden te buigen; echter parelde een traan tusschen hare oogleden en omnevelde het groote, donkere oog met droeven schemer. Maria en Bianca traden deelnemend op haar toe; aan beiden reikte zij de hand en trok haar diep ontroerd nader.

„O mijne dochters! Gij zijt jong; het leven greep u reeds vroeg met ruwe hand aan—maar het verpletterde u niet zoo gruwzaam als deze arme.”—Zij wees op Lodoiska, die bleek, stom en koud als eenmarmerbeeld, aanJaromirsrustbed zat en zijne verstijfde hand niet losliet.

„Welk een lot! Hier een zielverscheurend lijden, dat geen traan verzacht; daarbuiten verwoesting, dood, gruwelen, ontzetting! Hoort gij, hoe de moordgierige donder rolt? O, hij kan ook het edelste hoofd treffen, dat zoo mannelijk de stormen tartte! Wellicht kunnen we 't uit deze vensters aanzien, hoe het vermorzelend lood hem verplettert.”

„O nooit, nooit!” snikte Maria.

„Gij weent! Arm kind! Zoo waant gij de grimmigheid van het noodlot te verzoenen? Erts ware gesmolten in mijne gloeiende tranen, doch de machten daarboven blevenkoud en gevoelloos. Neen, neen! Waan niet, dat de hemel het kermen uit verbrijzelde borst aanhoort! Hij is doof, ondoordringbaar zijn ijzeren gewelf, vloeken en gebeden sterven weg in het ijdele luchtruim!—En meent gij, dat wij tot den bodem des afgronds zijn afgedaald? O, wij kunnen nog onmetelijk dieper zinken. Bij de ellende zal zich hoon, schimp en verguizing voegen. Dra zal de vijand triomfeeren! Wellicht zie ik mijn broeder gebonden, bloedend hier voorbijsleepen, wellicht ook deze jongelingen, ons zelve. Want ik ben eene dochter van Polen, en ons is onverzoenbare wraak, onuitwischbare schande gezworen. Doch eer ik deze zachte handen,” zij wees op Lodoiska, „in slaafsche banden gekneld, eer ik hare kuische schoonheid door barbaarsche tijgers bevlekt zie, eer zal mijne eigene hand haar doorboren! Eene poolsche moeder is niet zwakker dan een romeinsch vader—enzijzal voor den dood niet sidderen!”

Rillend had zij voleind; hare overbeladen borst moest zich lucht maken. Diep en verruimd haalde zij adem en zonk daarop uitgeput in een armstoel neder.

Bianca naderde en omarmde haar met vertroostende liefde. „Neen, edele vrouw,” sprak zij uit vaste overtuiging, „zoo ver zal het niet komen. Thans zal ik mijne rechten, als eene dochter van Rusland, doen gelden. Wie het ook zij, die deze stad vijandelijk binnendringt, ik wend mij tot hem en hij zal ons bescherming verleenen. Zóó ver gaat zelfs de verbittering van den oorlog niet. Er klopt geen hart op aarde, dat onze smart koud zou laten. Ook de ruwe mannen van dit land zullen zich laten verbidden, zoo niet, dan zal ik hen mijn naam doen eerbiedigen. Het recht, om dien te doen gelden, heb ik nog niet verloren!”

Inmiddels kwam het gewoel van het gevecht nader en nader, Paul was naar buiten gesneld, ten einde te ontdekken, van welke zijde de aanval geschiedde. Ademloos kwam hij terug en meldde: „Voor de poorten komt het tot een hardnekkig gevecht. Ik zag den graaf en maarschalkNeyaan vluchtende soldaten de geweren uit de hand rukken en zelven naar de wal vliegen, om den vijand het indringen te beletten. Daarop heeft het volk zich weer verzameld en houdt zich nu dapper, terwijl de overigen door alle poorten aftrekken. De weg naar Memel is reeds met troepen bezaaid. Binnen een paar uren moet de Rus meester in de stad zijn.”

Hij had nauwelijks geëindigd, toen de deur openvloog en Rasinski zelf binnenstoof. „Almachtige hemel, mijn broeder!” riep de gravin en hing in zijne armen.

Hij bloedde aan het voorhoofd; zijn gezicht was zwart van kruitdamp, doch zijn oog vlamde met den ouden vuurgloed.

„Het dringendste gevaar is voorbij,” riep hij; „een oogenblik is mij tot afscheidnemen vergund. Binnen weinige minuten wacht de maarschalk mij terug.—Dra zullen de Russen de stad bezetten; tot vluchten is het te laat: houd u dus verborgen, tot de eerste storm voorbij is. Dan gaat gij naar Warschau, Johanna; daar zult gij weer van mij hooren. Vaarwel! U, mijne vrienden, raad ik, naar Pruisen de wijk te nemen; dat is het naast en vervolging hebt gij niet te duchten. Onze wegen loopen nu uiteen. Wij hebben trouw en wel met elkander geleefd.—God zegene u mijne broeders!”

Zij lagen in zijne armen; hij schaamde zich de tranen niet, die langs zijne mannelijke wangen rolden, doch bleef standvastig, daar hij zulks wilde blijven.

„Het moet zijn,” sprak hij na eene heilige, onvergetelijke minuut; „ik heb geen tijd meer voor al mijne geliefden! Ook gij vaartwel, gij vriendelijke engelen! Bianca—Maria!”

Bianca, die hem liefhad als een vader wierp zich snikkend aan zijne hijgende borst; hij kuste haar het voorhoofd en legde de handen zegenend op hare lokken. „Gij waartonze lieve beschermheilige in nood en gevaren; uwe nabijheid was mijn troost. Thans scheuren de ruwe stormen ons vaneen—mocht gij voortaan op zachter paden wandelen!”

Maria stond schuw van verre. Rasinski trad een schrede nader. „Maria”, stamelde hij, „wij zien elkander voor de laatste maal!”

Toen deden liefde en smart hare heilige rechten gelden. In het zegepralend gevoel van haar onbetwistbaar, onuitsprekelijk duur bestreden recht zonk de schuwe jonkvrouw, door weedom en zaligheid overstelpt, aan het hart des edelen mans, en hare maagdelijke lippen klemden zich vurig op de zijne.

„Mijn waart gij in dit schoone oogenblik, Maria!” sprak hij vol weemoed en wond zich zacht uit hare armen los; „thans, wees weder geheel de uwe! Gij hadt gelijk, gij edele, schoone ziel; tusschen ons is een diepe kloof geopend, waarover geen pad leidt, dan dat der schuld. Heil ons, wij zullen het niet bewandelen!”

Hij voerde de in tranen wegsmeltende in de armen des broeders.

„De minuten zijn verstreken, ik moet weg!” Ras wendde hij zich af en wilde voortijlen.

Nu rukte Lodoiska zich met geweld uit hare doffe wezenloosheid los. „Vader, mijn vader, wilt gij mij vergeten!” kreet zij op hartverscheurenden toon en wankelde hem te gemoet.

Huiverend ving hij de nederzinkende in zijne armen op. „Neen, neen, gij schoone, bleeke roos! Hoe zou ik u vergeten!” sprak hij weemoedig en drukte haar met vaderlijke teederheid aan zijn hart. „Doch tranen heb ik niet voor uw lijden—tranen zijn te arm!”

Sprakeloos hing zij aan zijne borst; het rijke haar golfde in losse vlechten langs hare ranke gestalte; vaster en vaster prangde zij het gelaat tegen zijn vaderhart. Doch de kracht begaf haar, de knieën knikten, het bleeke hoofd zonk achterover, en met gesloten oogen rustte zij als levenloos in Rasinski's armen. Hij liet haar behoedzaam op een stoel nederglijden, drukte nog een kus op het voorhoofd en ijlde hierop met rassche schreden naar de deur. Bernard en Lodewijk wilden hem volgen, doch hij wees hen met de hand terug, riep, geheel overmand, met gesmoorde stem: „Het is genoeg!” en was verdwenen.

Maria vloog naar het venster, om hem nog een liefdevollen blik na te zenden. Op de straten woelden burgers en soldaten in bont gewemel dooreen. Rasinski trad onder een dichten hoop en wierp zich, met de zedelijke overmacht van zijn krachtigen heldengeest, dadelijk tot hun aanvoerder op. Met getrokken sabel plaatste hij zich aan de spits en nam zijn weg naar het midden der stad. Te vergeefs wachtte Maria, dat hij het hoofd nog eenmaal zou omwenden.

Hij deed het niet; de brug, die hem met de meer vriendelijke oevers des levens verbond, had hij thans achter zich afgebroken en hij wierp nu ook zelfs geen blik meer terug, want zich vruchteloos aan ontzenuwend, smachtend verlangen over te geven lag niet in zijn aard. Van de zusterlijke borst, uit de armen der liefde en vriendschap had de onverbiddelijke plicht hem weggerukt, nu volgde hij ook dezen alleen en toonde den soldaten het ijzeren, fiere heldenvoorhoofd.

De bruisende stroom van het gevecht sleurde hem spoedig met zich voort en sloeg met verkoelende golven tegen zijne borst. Reeds drong de vijand voorwaarts en tastte de stad van alle zijden aan. Donderende kanonschoten deden de gebouwen dreunen, doffe trommelslagen weergalmden door alle straten, angst- en jammerkreten van vrouwen en gewonden verdeelden de lucht.

De ondragelijke smart, die het hart der vrouwen geheel vervulde, liet de zwakkeregewaarwordingen van angst en bezorgdheid bij haar nauwelijks plaats vinden. Lodoiska hoorde niets van het gewoel daarbuiten, maar lag in aanhoudende bedwelming. De gravin was op het ergste voorbereid en hoopte of vreesde niets meer; Bianca en Maria zochten troost bij hare broeders, de eenigen, die in hun hart nog ruimte voor zorg behielden en den loop van het gevecht met angstvolle verwachting volgden.

Plotseling kraakten geweerschoten dicht voor het huis en een woest getier van stemmen verhief zich. Bernard sprong aan het venster.

„De stad moet omsingeld zijn,” riep hij; „dat zijn kozakken, die hier door de poort rennen.”

Inderdaad bezette eene afdeeling kozakken de poort en greep eene kleine schaar Franschen, die juist door haar de stad verlaten wilde, verwoed aan. Doch deze stelden zich, hoewel uiteengedreven, onverschrokken te weer, en zoo werd de ruimte onmiddellijk voor het huis de schouwplaats van een hardnekkig straatgevecht.

„Neemt de wijk naar de achterkamer,” smeekte Lodewijk de vrouwen; „hoe licht kunnen de kogels hier inslaan.”

„Dan moogt gij hier ook niet blijven,” hernam Bianca; „waar gij zijt blijven wij ook.”

„Groote hemel, ik zie Rasinski,” riep Bernard en bijna gelijktijdig vernam men een sterk gelederenvuur.

Allen, zelfs Lodoiska, snelden op dezen uitroep naar het venster. „Waar?” vroeg de gravin, „waar is mijn broeder?”

„Daar, waar de gesloten infanterie aanrukt, zag ik hem midden in den kruitdamp te paard zitten,” antwoordde Bernard; „doch thans is hij in de wolk verdwenen.—Goddank, daar is hij, nu komt hij te voorschijn, zie, zijn paard steigert.”

„Hoe komt hij aan het paard?” vroeg Lodewijk.

„Buit! Buit! Het is een kozakkenrenner!” juichte Bernard en het vuur van den strijdlust gloeide op zijne wangen. „Achter hem volgt maarschalkNey. Ziet gij, dáár?—Hier moeten zij doorslaan!”

De vrouwen sidderden.—De kamp woedde hevig; de roofgierige dood zwaaide zijne zeisen boven het hoofd der strijders; de onweerswolk van het verderf zweefde over de kruin des dierbaren. Zij wilden het oog afwenden, doch konden zulks niet; onverwrikt hing aller blik aan den geliefden man, als konden zij daardoor het dreigend gevaar van hem afweren.

Als krijgsgod rende Rasinski door den kruitdamp, de met pels omzoomde poolsche muts fier op het voorhoofd, de sabel getrokken.

„Voorwaarts, kameraden, wij moeten ons baanbreken,” klonk zijne machtig gebiedende stem en boezemde zelfs den vrouwen moed en vertrouwen in.

De scharen rukten gesloten op,Rasinski met zijn steigerend ros aan de spits. De kozakken deinsden terug, geraakten in verwarring en zouden de vlucht hebben genomen, ware de poort niet door de hen nadringende ruiters versperd geweest. De maarschalkNeystond op eenigen afstand en ordende de aanrukkende massa's. Rasinski zag opmerkzaam naar hem om. Thans nam de veldheer den hoed af en zwaaide dien vederbos hoog in de lucht. Dit scheen het afgesproken teeken.

Hij reed, door de voorste rijen van het korps omgeven, voorwaarts; de ruiters rukten gesloten op. „Vuur!” klonk thans zijn commando, en het salvo kraakte. De vensters rinkelden, de vrouwen gaven een luiden gil, de straat lag in dichte nevelen van rook en damp gehuld, woeste aanvalskreten der soldaten verhieven zich uit de diepte.

Eene windvlaag verstrooide de wolken. Daar rende Rasinski door de heldere, vrije ruimte. Zijn krachtige sabelhouw deed een kozak van het paard tuimelen, een tweeden legde hij met zijn pistool neder. Over hunne lijken heen gaf hij zijn paard de sporen. „Voorwaarts, kameraden,” riep hij, zich ten halve op den zadel omkeerende, „de baan is open, breekt door! Zij vluchten! Voorwaarts!”

Eén blik wierp hij nog terug naar de bevende vrouwen aan het venster, en wenkte haar met flonkerende oogen een laatsten groet toe. Daarop stortte hij zich in het gedrang der wijkende vijanden, de zijnen volgden hem met luid gejubel, en binnen weinige oogenblikken was hij in den kruitdamp verdwenen.


Back to IndexNext