ZESDE BOEK.

ZESDE BOEK.HOOFDSTUK I.„Bij den satan, wat is 't nu weer?” Met deze woorden stoof Bernard, die in zijn mantel gewikkeld, aan het bivaksvuur lag, verdrietig op, toen eene mannelijke hand hem uit den slaap schudde, waarin hij eerst voor eenige minuten verzonken was. „Ach, zijt gij 't Lodewijk?” voegde hij er dadelijk zachter bij, toen hij den vriend herkende. „Al terug?.... Nu, welke avonturen hebt gij in Witepsk gehad?”„Van verschillenden aard,” antwoordde Lodewijk; „maar gij zijt toch niet boos, dat ik u zoo laat nog stoor?”„Zoo moe ben ik niet, of ik kan nog wel een uurtje met u keuvelen. Vertel op dan.”„Raad eerst wie ik in Witepsk gezien heb.”„Wie, den grooten mogol, of den paus, of den koning van Engeland?”„Neen, in ernst, Bernard!”„Dat zeg ik u; hoe zal ik van de tienduizend mogelijkheden de werkelijkheid treffen, wanneer mijn raden niet eene scherts zal zijn. Dus wien zaagt gij?”„Ik ging een klein huisje in eene dwarsstraat voorbij, toen ik eene vrouwenstem hoorde zingen. Verwonderd keerde ik mij om en zag in een half met bloemen bezet venster de jonge zangeres uit Warschau.”„Françoise Alisette?” riep Bernard, met de uiterste verbazing.„Dezelfde.”„Zijt gij er wel zeker van? Hebt gij haar gesproken?”„Dat niet, want zij sprong verschrikt terug, toen zij mij ontdekte. Echter ben ik zeker van wat ik gezien heb.”„Hm!” mompelde Bernard en beet zich in den knevel, „zou alles zoo naar mijn vermoeden uitkomen? Hoor, Lodewijk, ik zou durven wedden, dat de oversteRegnardook met zijn regiment in de stad ligt.”„Gij vergist u; ik heb hem er wel ontmoet, doch weet, dat zijn regiment in Ostrowno staat.”„Pah!” riep Bernard, „dat zijn vijf kleine uren en dood op zijn gemak rijdt men ze in twee. Maar, weet gij wat het zal best zijn, dat wij er Jaromir niets van zeggen, zoo hij het niet al weet.”„Dat denk ik niet; maar waarom?” vroeg Lodewijk verwonderd.„Uit menigerlei gronden. Vooreerst geloof ik, datRegnardjaloersch op hem is, en dat kon aanleiding tot eene onaangename ontmoeting geven; vervolgens vermoed ik half en half, dat de overste niet zoo geheel en al ongelijk heeft, ten minste voor zoover de schooneAlisettehet verantwoorden moet. Te Warschau reeds keek zij Jaromir met blikken aan, die voor een jong, onervaren mensch als hij, licht gevaarlijk konden worden; dus is zwijgen hier zeker goed.”„Naar gij wilt,” antwoordde Lodewijk.Eensklaps brak een pistoolschot in de nabijheid het gesprek der vrienden af. De in het rond gelegerde lieden sprongen, want men bevond zich op de uiterste voorposten, haastig op en grepen naar de wapens, den wenk verwachtende, om zich tot het gevecht te regelen. Men luisterde of zich een nieuw geraas vernemen liet, doch alles bleef stil; slechts in de verte, aan de zijde der postenketen, hoorde men eenige stemmen driftig spreken. Boleslaw, die de veldwacht had, zond den wachtmeester Petrowski met eene patrouille af, om bericht wegens het voorgevallene in te winnen. Deze keerde na eenige minuten terug en voerde een jongen man en eene jeugdige vrouw, naar hare kleeding eene Russin, als gevangenen mede. Het meisje klemde zich angstig aan haren geleider vast en zocht de blikken der nieuwsgierig toedringende soldaten beschaamd te ontwijken.„Waarachtig, een aardig kind!” riep Bernard zijnen vriend toe, toen zij nader gebracht werden en de weerschijn van het vuur de groep verlichtte; maar nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of de jonge man stond stil en sprak hem aan: „O, mijnheer, gij zijt een Duitscher, help gij een landsman die in groote verlegenheid is, daar hij alleen duitsch en russisch spreekt, dat deze Polen niet verstaan of niet willen verstaan.”„Gaarne,” hernam Bernard, „ik zal u verzellen.”Inmiddels was ook Boleslaw nader getreden en vroeg den wachtmeester, wie die lieden waren en wat zij wilden.„Zij zijn,” sprak Petrowski, „zoo even met eene slede aangehouden. Toen wij hen aanriepen, gaven zij geen antwoord, maar wilden ras omwenden; eerst toen de schildwacht het pistool afschoot, hielden zij stil. Het zijn denkelijk spions.”Bernard mengde zich in het gesprek en vroeg Boleslaw verlof, om de lieden in het Duitsch te ondervragen. „Vanwaar komt gij?” sprak hij hen aan; „hoe is uw naam? wat het doel uwer reis?”„O, mijnheer,” antwoordde de gevangene, „geen ander, dan in vrede naar Duitschland te trekken, vanwaar ik geboortig ben. Ik heet Paul, en dit is mijne jonge vrouw, Axinia, eene Russin. Tot hiertoe was ik als tuinier in dienst van den graaf Dolgorow; daar de oorlog alles in verwarring brengt, heeft hij mij laten gaan, om naar mijn vaderland terug te keeren.”„Hebt gij papieren, goede vriend, die uw voorgeven bevestigen?” vroeg Bernard verder.„O, in de beste orde, mijnheer!” antwoordde Paul en kreeg eene brieventasch, waaruit hij zijn doopcedel, zijne dienstgetuigenis en een in Smolensko uitgereikten pas aan Bernard overgaf.„Wat gebeurt hier?” vroeg eensklaps eene stem.„Deze papieren mogen volkomen in orde zijn, mijn vriend,” hervatte deze; „maar russische passen, begrijpt gij licht, geven u geen toegang in het fransche leger. Schoon het mij van harte leed doet, zal men u toch moeten afwijzen.”„O, mijn hemel, dan ben ik verloren!” riep Paul uit, „want slechts door een wonder is het mij tot hiertoe gelukt, met mijne kleine bezitting aan de zwermen van rondstroopende kozakken te ontsnappen. Ik bid u, beste heer, wanneer gij eenigszins kunt, help ons door, want waarachtig, wij zijn eerlijke lieden en begeeren niets, dan ongestoord verder te kunnen reizen.”„Waarom hebt gij niet de rechte lijn naar Witepsk genomen? En waarom kiest gij den nacht tot de reis? Dat verwekt kwaad vermoeden.”„Enkel om de kozakken te vermijden, en bovendien zeide men ons, dat wij hier den linkervleugel der armee konden voorbijkomen en dan zonder verdere hindernis over Boiszikowo de rechte straat naar Wilna bereiken.”„Ja nu, stroopers zult gij daar ook nog in menigte aantreffen,” merkte Bernard op en dacht na, hoe hij de lieden het best konde voorthelpen. „Zij schijnen mij eerlijk en onverdacht toe,” sprak hij tot Boleslaw;„maar al liet gij hen ook door, zoo zou het hun nog niet veel baten, daar men hen, waar zij komen, opnieuw zal aanhouden. Vooral is deze jonge vrouw eene waar, voor welke ik de verzekering niet gaarne op mij zou nemen op de verwoeste wegen van hier naar Wilna, waar nog altijd naloopers omzwerven en joden en boeren rooven, wat die overlaten.”„Wat gebeurt hier?” vroeg eensklaps eene stem. Het was Rasinski, die met omgeworpen mantel, eene veldmuts diep in de oogen gedrukt, onverhoeds onder de sprekenden trad. Bernard berichtte hem het voorval.„Bij wien stondt gij in dienst?” richtte de overste zijne vraag aan Paul.„Bij graaf Dolgorow,” antwoordde deze.„Uwe papieren?”Paul vertoonde ze.Rasinski doorliep ze met snellen blik. „Zij zijn richtig; dat is de handteekening van den graaf. Ik zal u tot uwe verdere reis behulpzaam zijn. Dezen nacht moet gij in het leger doorbrengen; morgen gaat een transport zieken naar Wilna terug, daar kunt gij u bijvoegen. Ik zal u de gevorderde passen bezorgen.”Paul dankte met blijde woorden en nog vroolijker blikken; op Axinia's bezorgde gelaatstrekken keerde de gerustheid terug. Thans eerst scheen Rasinski haar gewaar te worden. Vriendelijk trad hij op haar toe en vroeg haar in hare moedertaal: „En ook gij wilt naar Duitschland trekken en zijt toch eene dochter uit Ruriks rijk, gelijk ik uit uwe kleeding opmaak?”Axinia bloosde en sloeg de oogen voor zich neder. „Het was de wil der jonge gravin Feodorowna,” stamelde zij.„En waarom zond de jonge gravin u naar Duitschland?” vervolgde hij na eenig nadenken.„Wij zouden, meende zij, daar gelukkiger zijn.”„Thans? Dat is de vraag; dat land is ook niet bovenmate rijk in geluk.—Is de gravin Feodorowna de dochter van graaf Dolgorow?”„Zoo is het, genadige heer!” hervatte Axinia, terwijl zij ter bevestiging en met de uitdrukking van deemoed het hoofd boog. „In mijne kindsheid werd ik als gespele der gravin met haar opgevoed; ik ben haar alles verschuldigd.” Hier scheen zij zoo ontroerd, dat zij niet in staat was verder te spreken.„Wanneer gij zoo aan haar gehecht zijt, waarom verliet gij haar dan of zond zij u weg?”Axinia bloosde en zweeg.„Ik versta u,” vervolgde Rasinski met een weemoedigen glimlach; „wel nu, het is de plicht der vrouw den man te volgen.Gij hebt welgedaan. Wijst dezen lieden eene plaats op zijde van den heuvel aan, waar zij veilig kunnen overnachten,” sprak hij, het gesprek afbrekend, en wenkte met de hand.„Nu vrienden,” begon hij, toen de nieuwe gasten zich verwijderd hadden, „morgen zetten wij onzen marsch voort; dat had ik u nog niet gezegd. Ik verwacht Jaromir elk oogenblik met orders uit Witepsk terug; bij zijne terugkomst zal ik u kunnen zeggen, werwaarts wij onzen weg nemen moeten. Dat wij bij het gros der armee blijven, geloof ik niet. Het wordt eindelijk tijd, dat wij aan het handelen komen.”„Waarlijk,” riep Bernard, „wanneer de Rus slechts stand wil houden. Tot hiertoe hebben wij met een schaduwbeeld gevochten. Wanneer wij den vijand dicht voor oogen hadden en hem eindelijk als Achilles aan Hector, konden toeroepen: Sta en kamp!.... dan verdween de verschijning weder in den donkeren nacht. Ik beken, dat deze wijze van oorlogvoeren mij tusschenbeiden eene bijna angstige huivering verwekt heeft. De grootste veldheer moet toch een tegenstander hebben, om hem te kunnen overwinnen.”„Dit is nu eenmaal de vorm van den verdedigingskrijg, wanneer het terrein den aanvaller door zijne uitgestrektheid ongunstig is; reeds de eerste scythische bewoners dezer gewesten voerden op die wijze den oorlog tegen de perzische koningen,” antwoordde Rasinski. „Ik was van den beginne daarop voorbereid, want ik ken de Russen en hun land. Maar dat juist is mijn troost. Hier is de plaats nog niet, waar dit rijk het hart slaat; half vochten wij nog op eigen grond en bodem, op oud-poolschen; ook Littauwen behoorde eertijds aan den stam van Jagello. Deze bodem is den Rus geen heiligdom. Thans eerst raken wij zijne grenzen: hier begint zijn vaderland, zijne kerk. Geeft acht, hier zullen Ruriks zonen hunne haardsteden en altaren verdedigen; naar mate wij verder op den zetel des heiligen Iwans, de eerwaardige stad Moskou, aanrukken, zal ook het volk zich met meer geestdrift tegen ons wapenen. Niet alle bewoners van het russische gebied hebben één vaderland. De grensprovinciën zijn bij voorhoven en buitenzalen te vergelijken, waar het heir der zonder vaste bezitting omdolende slaven gelegerd is. Deze geeft men licht prijs, doch in het binnenste des huizes wonen de zonen en zij zullen altaren en heiligdommen met bloed en leven verdedigen. Dan zal het aan veldslagen en ik hoop ook aan overwinningen niet ontbreken.”Men hoorde een ruiter in galop naderen. Het was Jaromir. Vlug uit den zadel springend, reikte hij Rasinski zijne orders over, die deze bij den schijn der vlammen doorliep terwijl de jongeling zijne vrienden begroette.„Morgen tegen vier uur breken wij op. Goeden nacht dan; gebruikt den tijd die ons blijft tot rusten, want de dag van morgen vordert wellicht uwe krachten.” Met deze woorden keerde Rasinski naar zijne tent terug, en de overigen legerden zich weder om het wachtvuur, waar zij spoedig in vasten slaap verzonken.Toen de dag aanbrak, bevond Rasinski zich met zijn regiment reeds op marsch. Hij trok op eene uitgestrekte hoogte voort, langs den zoom van een dennenwoud, dat aan zijne rechterzijde tot diep in de landstreek voorttrok, terwijl links eene heuvelachtige, met kreupelhout en laag struikgewas doorsneden wildernis het uitzicht begrensde.Boleslaw, Jaromir, Lodewijk en Bernard reden aan zijne zijde. „De keizer heeft een stout ontwerp beraamd,” dus brak hij het eerst de stilte af; „gelijk gij ziet, nemen wij eene richting, die ons van den vijand, die ver links bij Rudnia en Inkowo zijn hoofdkwartier heeft opgeslagen, verwijdert. Wij zullen over den Dnieper gaan, dan, op de linkerflank door den stroom gedekt, tot Smolensko voortdringen, de russische armee omtrekken, ons midden tusschen haar en Moskou inwerpen. Waarlijk eene kolossale onderneming, die, wanneer zij gelukt, den ganschen veldtocht op eenmaal beslissen moet. Wat de maarschalkDavoustdoor den misslag van den koning van Westfalen tegen Bagration te vergeefs beproefde, zal thans hoop ik, tegen Barclay en Bagration tegelijk gelukken. Onze taak daarbij is, de zwermen lichte cavalerie, die zich nog op onze rechterflank bevinden konden, te verjagen en op zulk een afstand te houden, dat zij de bewegingen onzer hoofdarmee niet te vroeg bespeuren.”De zon was thans opgegaan en wierp hare stralen op het uitgestrekte landschap, dat men van de hoogte kon overzien. „Ziet gij die massa's te voorschijn komen?” sprak Rasinski met den vinger links wijzende. „Hier, aan deze zijde van den zwarten stroom, is alles nabij en duidelijk; maar op gindschen oever ontdekt men enkel aan de stofwolken, dat cavalerie oprukt, en achter genen heuvel, die te ver verwijderd is, om de troepen zelve te onderscheiden, ziet men toch de wapens blinken. Dezer dagen kan veel beslist worden!”Lodewijk overzag de vlakte, waarover de zwarte stroomen der volkeren voortgolfden met een zonderling gevoel.„Wat hier voorbereid en beslist wordt,” vroeg hij zich zelf ernstig af, „zal het der wereld tot heil of ten verderve strekken? Wanneer de geweldige geest, die deze duizendtallen in beweging zet, hier eens, als weleer Alexander in Indië, den eindpaal zijner daden vond? Wanneer de kolossale, ruwe macht van Rusland haar overwicht in Europa geldend maakte?—Of als, omgekeerd, de stroom der overwinning voortbruiste tot in het hart van het oude Rusland en Frankrijks vanen ook op den zetel der czaren neergeplant, van de trotsche tinnen van het Kremlin wapperden?—Ware het dan niet gedaan met Duitschlands zelfstandigheid? Moest dan niet alles voor den franschen overmoed bukken? Zou de naam „vaderland” dan niet een ijdele klank, een ledig niets voor ons worden?”Uit deze mijmeringen deed Bernard hem oprijzen, die, als schilder, alle uitwendige verschijningen uit het oogpunt eener schilderij opvatte. „Wat kunnen toch ook doode landschappen niet eene eigenaardige schoonheid hebben,” sprak hij zijn vriend aan; „zie slechts hoe fijn deze blauwachtig zwarte woudzoom zich met zijne zachte spitsen tegen den hemel afteekent, deze treurige eenvormigheid heeft iets treffends, gelijk ook de woestijn een eigenaardigen indruk maakt. En de breede boschstreken, die daar beneden door het land kruisen, de naakte heuvels daartusschen, waarop het roode heidekruid schemert, de vervelooze hemel, de lange grauwe wolkstrepen,—bij tijd en wijle zou ik iets dergelijks liever schilderen, dan zwitsersche landschappen.—Zoo lag ik ook in Schotland bij stille, heldere herfstdagen gaarne op de barre heiden van het Hoogland en liet de wolken over mij heentrekken.”„Zoo lang de mensch met het huiveringwekkende en sombere vrij speelt en het van zich af kan wijzen, wanneer hij wil,” antwoordde Lodewijk, „zoo lang vindt hij er ook een bijzonder welbehagen in, de meer heldere zijden des levens voorbij te zien; doch wanneer de strenge noodzakelijkheid ons hare ernstige paden doet bewandelen, dan zien wij het duister voorkomen van het lot met geheel andere oogen aan.—Maarwat ik zeggen wilde,” dus brak hij eensklaps af, „ja, wat dunkt u? Boleslaw schijnt zeer droefgeestig; sinds wij Warschau verlaten hebben, wordt hij dagelijks somberder.”„En dagelijks schooner,” hernam Bernard. „Zie eens, hoe edel die bleeke trekken zijn, hoe trotsch dat voorhoofd, waarop de sombere schaduwen der zwaarmoedigheid rondzweven! En het zwarte haar, de donkere gloed van het oog, de fijne mond!—Hij is de Orestes bij den zorgeloozen Pylades Jaromir, het romantische nachtstuk bij een zonsopgang, of immers het herfsttafereel bij diens lentelandschap.”Men was onder deze gesprekken aan een kruisweg gekomen; links daalde de heuvelreeks naar de vlakte van Liozna af, rechts boog zij het woud in, naar Babinowiczi en Orsza. Rasinski sloeg den laatsten weg in en achtte het, daar hij het terrein vóór zich niet meer kon overzien, noodzakelijk, eene voorspits en zijpatrouilles uit te zenden. Jaromir ontving het bevel over de eerste, Boleslaw moest de laatste verdeelen, Lodewijk en Bernard bleven in Rasinski's nabijheid, die zich van hen als adjudanten bediende, om bevelen aan de verspreide troepen over te brengen. Men marcheerde intusschen tot aan den avond, zonder op den vijand te stooten. Des nachts bivouakeerde men deels in, deels buiten een ellendig dorp, dat door de inwoners geheel was verlaten. Met de morgenschemering rukte het regiment weder op en trok op Rasasna aan, waar de armee den overtocht over den Dnieper bewerkstelligen wilde.De keizer was reeds met de afdeeling vanDavoustaangekomen; de bruggen bij Rasasna, die haastig in goeden staat waren gebracht, wemelde bereids van troepen, die in lange zwarte massa's overtrokken. Ook Rasinski sloot zich daar achter aan en betrok zijne legerplaats aan de overzijde van den stroom, boven Rasasna, waar ook de tent van den keizer werd opgeslagen. Een littauwsche Jood, die zich aan Rasinski tot spion had aangeboden, nam tegen eene goede belooning op zich, nog eenige uren verder voorwaarts te gaan, ten einde uit te vorschen, of de vijand van de aannadering der armee onderricht en misschien ook voornemens was, krachtdadig wederstand te bieden.Tegen drie uren in den morgen, toen het nog volkomen duister was, keerde de spion terug. Bernard was juist ontwaakt en had het vuur opgestookt, toen de zonderlinge gedaante van den Israëliet, die, daar schuwe bedachtzaamheid hem reeds tot eene tweede natuur was geworden, zonder het minste geruisch nadersloop, in den weerschijn der vlammen zichtbaar werd. Een boosaardig toovenaar scheen hij den verschrikten Bernard toe, toen hij zoo eensklaps uit den donkeren nacht in den hellen lichtkring van het vuur trad. Een lang, zwart opperkleed, om de middel door een lederen gordel vastgesnoerd, omhulde de gestalte; de spitse, roode baard hing tot op de borst neder, het smalle, bleeke gezicht stak loerend uit de wildernis der verwarde haarlokken te voorschijn, en de scherpe, grijze oogen vlamden listig, maar tegelijk boosaardig, uit hunne diepe holen. Een grijnzend lachje vertrok zijne lippen, toen hij Bernard in zijn joodschen tongval aansprak:„Jongeheer! zeg mij dan gezwind, waar de heer overste slaapt! Ik heb hem toch noodwendig te spreken, hoort gij, jongeheer?”„De vent ziet er uit, als de duivel in een vossenvel gekropen,” mompelde Bernard. „Hebben zij u niet opgeknoopt, Isaäk?” vroeg hij den Jood.„Vader Abraham, wat de jongeheer voor vragen doet! Zou de oude Isaäk zoo lang geleefd hebben, om niet te weten, hoe men ontsnapt aan een hennipstrik? Maar breng mij gezwind bij den heer overste, het heeft haast!”„Kom, zone Abrahams, zet uwe zolen op de sporen mijner voetstappen, zoo zult gij komen, waar gij hem vindt, wiens geld gij zoekt. Voorwaarts!” Met deze spotachtige woorden ging Bernard voor en geleidde den ouden sluwkop door de groepen der rondom de vuren gelegerde ruiters naar de plaats, waar Rasinski, in zijn mantel gehuld, op een bos stroo sliep. Bij de aannadering der schreden richtte deze zich dadelijk op en zag scherp rond. „Zijt gij het, vriend Isaäk?” riep hij, de komenden herkennende. „Nu? Brengt gij nieuws van belang?”De Jood wenkte met geheimzinnige gebaren en trok hem ter zijde. Bernard wilde zich verwijderen, doch Rasinski gebood hem te blijven. Inmiddels sprak deze lang en heimelijk met den Jood en hoorde, naar het scheen, met toenemende belangstelling diens berichten aan. De trekken van den spion werden gestadig levendiger; het grijnzend boosaardige lachje straalde van minuut tot minuut duidelijker door, naarmate Rasinski met de narichten meer en meer tevreden scheen te zijn.„Vervloekte Judas!” mompelde Bernard. „Ik zou die tronie niet vertrouwen, al bezwoer de vent op ziel en zaligheid, mij regelrecht naar het paradijs te brengen. Doch Rasinski kent dat volk!”Isaäks bericht was ten einde; deemoedig stond hij voor den overste en scheen met diepen eerbied diens verdere bevelen te willen afwachten. Rasinski trok zijne beurs; het gelaat van den Jood glansde van vreugde, de begeerte naar het metaal flonkerde in zijne oogen, en toen hij eindelijk in de gierig uitgestrekte hand een aantal goudstukken voelde, barstte hij in de uitbundigste dankbetuigingen los.„God Abrahams!” riep hij, terwijl hij zich beijverde Rasinski's handen te kussen; „bescherm mijn weldoener, die mij niet laat omkomen in den tijd van ellende en gevaar. De honger zou verscheuren mijne ingewanden, dat ik huilde als de wolf in den winter, als gij niet waart mijn grootmoedige redder, edele heer!”Rasinski wenkte met de hand en gebood hem te zwijgen. De Jood wilde zich verwijderen en trok onder het gaan een kleinen lederen buidel te voorschijn, om de goudstukken te bergen. Doch tegelijk trok hij onvoorziens eene tweede, aanmerkelijk zwaardere beurs, waaraan de koord der eerste moest zijn vastgehaakt, uit den gordel op en liet ze voor zijne voeten neervallen. Isaäk schrikte kennelijk en wilde toegrijpen, maar Bernard, die het gezicht van den Jood in den weerschijn der vlammen bespied had, kreeg dadelijk argwaan en sprong eveneens toe, om den buidel meester te worden. Daar het gras hoog en de grond niet door het vuur verlicht was, tastten beiden eene poos tevergeefs in het rond, tot eindelijk Bernard met zijn vond opsprong.„Geef hier, mijn lieve jongeheer,” riep Isaäk haastig, „het is mijn zuur verworven goed. Wat men thans niet bij zich draagt, is niet zeker! Ik bid u, geef.”De angstige toon, waarop hij deze woorden sprak, en zijne driftige gebaren versterkten niet alleen Bernards achterdocht, maar maakten ook Rasinski's opmerkzaamheid gaande.„Hm! zwaar, zeer zwaar,” sprak Bernard opzettelijk overluid; „vermoedelijk enkel goud?”Rasinski trad nader.„Ei, beware!” riep Isaäk, „een weinig zilver en koper, met een paar oude dukaten daarbij.” Tevens strekte hij den arm driftig naar de beurs uit en wilde haar grijpen. Bernard trok echter de hand terug, hield den schat tegen het schijnsel der vlammen, en sprak nog luider: „Zilver? koper? Wat ik bij het licht van 't vuur door de reten glinsteren zie, schijnt mij zuiver goud te zijn.”„Laat eens zien!” sprak thans Rasinski en kwam haastig nader. Lachend gaf Bernard hem de beurs over; de Jood waagde niet iets in te brengen, doch sprak sidderend en op een deemoedig smeekenden toon: „Grootmoedige heer! Het is het weinige, dat ik heb gered uit den nood. Gij zult de bezitting van een ouden hulpeloozen man niet rooven.”„Rooven?” sprak Rasinski verachtelijk. „Ben ik een strooper? Maar,” ging hij op dreigenden toon voort,„gij zult mij niet wijs maken, dat dit geld reeds lang uw eigendom geweest is. Denkt gij, dat ik niet beter weet, wat een Jood van uws gelijken in Littauwen besparen kan? Ik zou gelooven, dat gij met dezen schat bij u van het eene leger in het andere als spion zoudt rondsluipen? Tien voeten onder de aarde, in het dichtste bosch zoudt gij uw geld nog niet veilig achten. En waarom ontkent gij, dat het goud is. Waar is het zilver en koper onder deze nieuwe dukaten? Beken, Jood, van waar hebt gij het goud?”Isaäk rilde over al zijne leden; eindelijk stotterde hij met moeite: „Wat kunt gij denken, genadige heer overste? Hoe zou de oude Isaäk bezitten ander goud, dan wat hij in de zestig jaren van zijn leven bespaard heeft? Waar zou hij het begraven? Welke grond is zijn, dat hij kon weervinden den schat? En daar ik het verbergen wou, dat ik ettelijke dukaten bespaard heb, zoo zeg mij toch, wanneer is het raadzaam met zijn geld openlijk te loopen te pronk?”„Ellendige uitvluchten!” riep Rasinski. „Hier neem uw geld terug, ik verlang het niet. Dit echter zeg ik u, smelten laat ik het en gloeiend zult gij het doorslikken, als uwe tong mij leugenachtig bedrogen heeft! Deze dukaten schijnen mij het Judasloon voor gewichtiger narichten, dan gij mij gebracht hebt. Hebt gij den vijand iets verraden, mislukt het plan dat wij voorhebben, dan sidder, want gij zult weten, met wien gij te doen hebt!”De Jood wierd bleek als de dood; zijne knieën knikten; plotseling wierp hij zich aan Rasinski's voeten neder en kermde op den toon der vertwijfeling: „Genade, barmhartigheid!”„Recht!” donderde Rasinski hem toe. „Onderzoekt hem dadelijk ten strengste, of hij papieren of iets dergelijks bij zich draagt.”Een onderofficier en twee soldaten maakten zich terstond van den jammerende meester, sleepten hem naar het naaste vuur en bevalen hem zich dadelijk tot op het hemd te ontkleeden.Zulks was weldra geschied. Men doorzocht het opperkleed, de broek, den lijfgordel, de kousen en schoenen, zonder iets te vinden; zelfs eene snede door de schoenzolen bracht tot geene ontdekking. Isaäk stond inmiddels in het bloote hemd en volgde met angstige blikken de beweging der soldaten. Zijne trekken helderden nochtans op en werden rustiger, toen het eene stuk zijner kleeding na het andere onverdacht bevonden en ter zijde gelegd was. „Zoo waar God Jehova boven mij leeft,” riep hij uit, „ik ben een onschuldig oud man. Geef mij, ik bid u, het mijne terug, en mijne kleedingstukken, en laat mij in vrede heentrekken naar mijne hut!”„Daar, trek den rommel aan,” riep een onderofficier en wierp hem de broek toe. Isaäk ving haar met beide handen op; maar in hetzelfde oogenblik wierp een soldaat hem ook het opperkleed op dezelfde wijze toe. Daar de Jood juist naar het eerste stuk gegrepen had, kwam het tweede hem, eer hij het afweren konde, op het hoofd te land, zoodat hij zich een oogenblik in de plooien verwarde. Dit gaf den moedwilligen soldatenaanleiding hem te sarren, daar zij hem het wijde kleed al verder over het hoofd neertrokken, tot hij geheel daarin verwikkeld werd en als verbijsterd, maar toch met luid gekerm en driftigen tegenstand heen en weer tuimelde.Juist wilde Rasinski aan dit woeste spel een einde maken, toen de Jood, door een soldaat met kracht voortgesleurd, struikelde en op den grond viel, zoodat het kleed in de handen der krijgers bleef. Doch tegelijk met het gewaad, was den gevallene ook de valsche haarpruik, die tot nog toe door niemand was opgemerkt, ontrukt geworden, en zijn kale schedel werd voor aller oog zichtbaar. Niets kwaads vermoedend, lachten de soldaten over dit nieuwe onheil dat den Jood bejegende, toen Bernards scherpziend oog een strookje papier ontdekte, dat de Jood tusschen schedel en pruik verborgen gehad en zoo even verloren moest hebben. Hij wilde het oprapen, maar Isaäk, zich zelf niets goeds bewust, kwam hem voor, greep het aan en slingerde het, eer Bernard zijn arm kon tegenhouden, in den gloed van het helder vlammend wachtvuur, waar het oogenblikkelijk tot asch verbrandde. Deze omstandigheid gaf aanleiding tot een nieuw onderzoek. De Jood lochende alles; hij zwoer bij den God zijner vaderen, dat hem van een papier niets bewust was, en dat hij niets in het vuur geworpen, maar slechts zijn witten doek van den grond opgeraapt had. Rasinski liet hem dadelijk den schedel nauwkeuriger onderzoeken, en men ontdekte, dat het haar eerst onlangs was afgeschoren en Isaäk dus geen pruik had noodig gehad. Met loosheid bracht hij tot zijne verdediging in: „God der genade! wat ik gedaan heb, om u te kunnen dienen, dat zal thans worden bij u mijn verderf? Toen ik mij aanbood, uit honger en nood, om voor u te wagen het gevaarlijk werk, moest ik toen niet bedenken, hoe ik u nuttig kon worden, zonder u te verraden? Wist ik, wat ik voor u zou te doen hebben? Heb ik niet altijd gehoord, dat men brieven, berichten en andere papieren voorzichtig moest overbrengen? Daarom heb ik—en nu treft mij de straf!—geschonden de heilige wet, en een scheermes gebracht aan mijn hoofd! Moet gij mij straffen, wijl ik gezondigd heb, om u te dienen? Spreek, en neem tot getuige uw God, heer overste, als gij mij hadt gezegd: Isaäk, hier is een brief, ga heen, breng hem aan den vijandelijken generaal, doch laat hem niet vallen in vreemde handen! zoudt gij dan hebben gevraagd wat de oude Isaäk had aangevangen, om te doen naar uw woord? Hadden zij mij gesnapt en gehangen, zoudt gij niet geroepen hebben: hem geschiedt naar recht; waarom is hij niet voorzichtig en slim, als een kondschapper past? Is het mijne schuld, dat gij mij niets anders dan eene mondelinge boodschap gegeven hebt?”Op dezen toon ging de Jood, door doodsangst gefolterd, met toenemende welsprekendheid voort, en inderdaad, zijne gronden waren bezwaarlijk te wederleggen. Echter gelukte het hem niet Rasinski van zijne onschuld te overtuigen, die beval, hem zorgvuldig te binden en, wanneer men oprukken mocht, op een pakpaard mede te voeren.„Bespeur ik aan de bewegingen van den vijand,” riep hij den Jood toe, toen deze werd weggeleid, „dat hij gewaarschuwd is, dan zijt gij rijp voor de galg en zult haar niet ontgaan. Hebt gij niets verraden of kunnen verraden, loopt dan waarheen gij wilt, tot anderen u hangen: achter Liady zijt gij toch niet te gebruiken, daar de Rus uw, bloed en merg der armen uitzuigend geslacht op zijn bodem niet duldt; het eenige, wat ik in dat volk prijzen kan. Nu marsch! Bewaakt hem wel!”De luid jammerende en weeklagende Jood werd onder den hoon en den spot der moedwillige soldaten in hechtenis gebracht; zoo veracht toch is het snoode, maarhelaas onontbeerlijke handwerk van den spion, dat zelfs zij, wie hij van nut is, hem liever mishandeld dan beloond zien.HOOFDSTUK II.Bij het aanbreken van den dag was het gansche leger der Franschen reeds weder op marsch.Rasinski had bevel bekomen, zich bij de voorhoede onder den koning van Napels aan te sluiten. Op een zijweg, dien Isaäk aanwees, won hij zooveel grond, dat hij de lange colonne infanterie, die de maarschalkDavoustaanvoerde, voorbijtrekken en zonder verdere hindernissen het punt zijner bescherming bereiken kon. Hier vond men den prins Murat reeds door verschillende stafofficieren omgeven, en bezig het voor hem uitgestrekt liggende terrein met rassche blikken te monsteren. Rasinski reed op hem toe, ten einde zich te melden en den koning te berichten, dat hij aan Isaäk verschuldigd was, mede te deelen, zonder echter zijne vrees te bewimpelen, dat de spion zich van een dubbel masker bediend had en den vijand wellicht meer tot nut was geweest dan het leger van den keizer.„Wanneer slechts dat waarheid is,” antwoordde de prins, „wat de Jood u heeft opgegeven, dan kan een onverwijld handelen nog alles redden. Wij moeten het korps van den generaal Newerowskoi afsnijden, vernietigen en Smolensko op die wijze vroeger bereiken dan hij. Het hoofdleger des vijands kan de vesting uit zijne standkwartieren onmogelijk zoo snel naderen, dat wij hem nog niet zouden kunnen voorkomen. Dit is het oogenblik, waarin wij den veldtocht van het geheele jaar kunnen beslissen. Snelheid is thans onze eerste plicht; laat ons dien vervullen.”Deze woorden waren ook het teeken tot oprukken.De hoofdarmee zette haren marsch langs den Dnieper voort, zoo echter, dat tusschen den stroom en de groote heirbaan nog eene aanmerkelijke ruimte bleef. Rasinski marcheerde met zijn regiment het naast aan den vloed; hij zond eene patrouille vooruit, welke Jaromir, een andere op de rechterflank, die een jonger officier aanvoerde; ter linkerzijde verleende de stroom genoegzame zekerheid.„Een verdrietig werk,” wendde Rasinski zich tot Lodewijk, „zoo altijd den vluchtenden vijand na te trekken, zonder hem ooit te kunnen bereiken. Hier moeten zeer onlangs kozakken geweest zijn; zie slechts, de sporen zijn nog versch en duiden onbeslagen paarden met kleine hoeven aan. Aan hen hebben wij het vermoedelijk te danken, dat alle bruggen en vlonders zijn afgebroken, zoodat wij gestadig door het water kunnen rijden. Maar wat gebeurt daar! Jaromir zendt bericht.”Men zag een lansier naderen; Rasinski galoppeerde op hem toe, om het naricht des te spoediger te ontvangen. Jaromir liet weten, dat hij zoo even, bij het beklimmen eener hoogte, twee kozakken ontdekt had, die dadelijk in een vooruit gelegen boschje verdwenen waren en vermoedelijk tot een sterken troep behoorden.„Hadden wij hen eindelijk!” riep Rasinski met van vreugde fonkelende oogen en beval in draf voort te rukken. Het regiment stoof den heuvel op, van wiens kruin men een uitgestrekt, vlak terrein voor zich zag, dat slechts door het gemelde boschje,dat nauwelijks een paar honderd schreden diep en ook niet veel breeder scheen, doorsneden werd. De patrouilles werden ingetrokken en men rukte in gesloten gelederen met allen spoed voorwaarts. Het hout genaderd, deelde Rasinski het regiment af en liet een escadron rechts, een ander links omrijden, terwijl hij zelf met de overigen den rechten weg, midden door het bosch, vervolgde, en iets langzamer reed, opdat men te zelfder tijd de ruimte weder bereiken mocht. Nog dampende paardenmest, die men op den weg ontdekte, alsook de vele sporen van hoeven zonder ijzers bewezen met zekerheid, dat eerst eenige minuten te voren een sterke troep kozakken door het bosch moest gekomen zijn. Thans opende het zich en had men het vrije veld voor oogen.„Waarachtig, daar zijn zij!” riep Rasinski en duidde met den vinger op een korenveld, boven hetwelk men vele lansspitsen en pieken zag uitblinken; „nu zullen zij ons niet weder ontsnappen. Blaast ten aanval!”De trompetten klonken. Met bliksemsnelheid braken de strijdmassa's uit het bosch te voorschijn. Rasinski beval in front op te marcheeren en de diepe colonne vormde zich tot eene breede linie. De beide escadrons, die het hout waren omgereden, werden thans ook aan den zoom daarvan weder zichtbaar en sloten zich in gestrekten galop bij het hoofdkorps aan.Het gedruisch, door eene op deze wijze aanrukkende ruiterij te weeg gebracht, moest de kozakken, die vreedzaam voortreden en den vijand niet zoo nabij waanden, dadelijk opmerkzaam maken. Een gevecht scheen met hunne bedoeling niet te strooken; zij zetten hunne paarden aan en renden met lossen teugel voort, tot zij in de door struiken en heuvels begrensde verte verdwenen.Toen het stof, door de vluchtelingen veroorzaakt, gevallen was, werd men eene kleine stad gewaar, die geen uur meer verwijderd scheen. „Dat zal Krasnoi zijn,” sprak Rasinski. „Waar is de Jood Isaäk? Hij moet het weten.” Isaäk had tot hier toe, met geknevelde handen op een pakpaard gezeten, het regiment met den trein en wagenknechten moeten volgen. Hier zocht men hem ook thans, doch te vergeefs; in het gewoel van den aanval was het hem gelukt te ontkomen.„Dus hebben de kozakken ons toch nog schade toegebracht,” riep Rasinski; „dien Jood had ik met hart en ziel de galg gegund.”Intusschen was toch een gedeelte der infanterie en eenige lichte ruiterij met het korps van den generaalNewerowskoislaags geraakt, die na dappere tegenweer terug geworpen werd.—Tegen het ondergaan der zon sloeg Rasinski's regiment het nachtleger op. Juist had men zich om het helder vlammend vuur in een kring geschaard, toen de donder der kanonnen zich eensklaps liet hooren.Alles geraakte in beweging, doch spoedig vernam men, dat het vreugdeschoten, ter eere van het zegenrijk gevecht met de Russen en van den geboortedag des keizers waren.„Waarlijk!” riep Rasinski uit, „bijna zou ik vergeten hebben, dat wij heden den 15 Augustus schrijven. Dit salvo is iets waard, want het wordt met russisch, heden buit gemaakt kruit gelost. Laat ons dan ook den dag niet vergeten, mijne vrienden, maar in een vroolijken kring op het welzijn des keizers drinken.”Deze uitnoodiging werd met blijdschap aangenomen. Het vuur vlamde spoedig helder op; daar omheen legerden zich de officieren van het regiment en de beide vrienden, die steeds door Rasinski als tot zijn staf behoorende beschouwd werden.„Onze drinkschalen zijn wel niet van de glansrijkste,” sprak Rasinski, toen ieder het glas, den beker, of wat anders bij de hand was, gevuld had, „de tafel is wel niet terijk bezet, maar de gasten zijn, vertrouw ik, zoo edel, als zij ooit in eene pronkzaal bijeen zaten. Zoo heet ik u dan welkom, mijne kameraden!”Eensklaps werden zijne trekken ernstig; met waardigheid trad hij voor den kring der gelegerde broeders, steunde met den linkerarm op de sabel en hield met den rechter den gevulden beker omhoog.„Vrienden!” begon hij op plechtigen toon, „na lange jaren betreden wij heden, door den grooten keizer der Franschen aangevoerd, het gebied van oud-Rusland voor het eerst weder met de wapens in de vuist! Wij staan op den bodem, waar onze vaderen eertijds zoo menigen roemrijken kamp met den gehaten nabuur gestreden hebben. Herinnert u, broeders, hoe er een tijd was, dat Polens vanen in Moskou van het Kremlin waaiden, dat onze waiwoden den Russen hunnen czaar gaven. De czaar Boris Godunow, die de oude stad Smolensko, welke daar achter gindsche heuvels door het duister van den nacht bedekt wordt, grondvestte en de muren met hunne torens bouwde, die wij morgen wellicht in stormloop beklimmen—die czaar Boris Godunow verloor den troon door de dapperheid onzer voorvaders. Dat waren Polens glansrijke dagen! Maar zij keeren weder! Als een feniks uit de asch zal de witte arend zich uit het rookend puin verheffen, waaronder ons vaderland bedolven ligt, sinds verraad en overmacht de brandfakkels in onze steden en velden slingerden. In de diepte smeulde de vonk voort; in de borst van elken Pool blaakt nog de machtige vlam van den ouden heldenmoed, van de oude vaderlandsliefde. De dag der vergelding, der verzoening, der gerechtigheid is daar!—De wereldgeschiedenis heeft den grooten man aan het licht gebracht, die dezen dag doet aanbreken. Zijne banieren volgende, stormen wij ter zege over onze vijanden! Op dan, ledigt op hem dezen beker. Leve de keizer, leve Polen, leve de vrijheid!”Gelijk een stormwind de losgebarsten vlammen opjaagt, drongen de vurige woorden van Rasinski in het hart zijner van vaderlandsliefde en heldenmoed gloeiende strijdgenooten. Tot marmerbeelden versteend, hadden zij elk woord van zijne lippen opgevangen; slechts het vurige oog verried het leven in hunne borst. Thans sprongen zij op. Onder tranen en gejuich herhaalden zij den kreet: „Leve de keizer, Polen, de vrijheid!” Met duizendvoudige echo's klonk de juichtoon verder, want de kring had zich door de van alle zijden toedringende krijgers tot in het onafzienbare uitgestrekt. Toen Rasinski zijn beker geledigd had, slingerde hij dien hoog in de lucht, breidde de armen uit en sloot den naasten makker onstuimig aan de borst. De vrienden omringden hem, wierpen zich aan zijne voeten, grepen zijne handen, bedekten ze met kussen en tranen. Eene bijna waanzinnige geestvervoering had zich van allen bemachtigd; luid weenend hielden jongelingen en mannen elkander omstrengeld. Diepe smart en namelooze verrukking welden tegelijk met machtige golven in de ziel op en dreigden de geschokte gemoederen geheel te overstelpen. De ouden van dagen gevoelden zich verjongd en over den grijzen knevelbaard van Petrowski rolden even heldere tranen, als over Jaromirs bloeiende wangen.Lang duurde het eer de hevig opbruisende vloed weder in de kalmere bedding terugkeerde. Een milde, zachte ernst vervulde hierop de gemoederen. Vertrouwelijk bleef men om de vlam gelegerd en gaf zich aan het zoet gevoel van hartelijke, broederlijke gemeenschap over. Al langzamerhand nam de gloed der legervuren af; de vermoeide natuur gevoelde na de verdubbelde inspanning eene verdubbelde afmatting. De zachte slaap deed de krijgers den een na den ander nederzijgen. Jaromir legdehet blonde hoofd op Bernards schouder, die dien last gewillig droeg en eindelijk, zelfs door den sluimer overmand, met hem op het gras terugzonk. Lodewijk bleef nog lang wakende. Alles zweeg om hem heen; de verteerde denneblokken braken doormidden; de vlam verdoofde; de nachtelijke hemel welfde zich donker over het leger; door den in breede dwarlende zuilen langzaam opstijgenden rook schemerden matte sterren. Een ernstig, somber beeld!En donker werd het in de ziel van den jongeling. Het hopeloos treurend vaderland, de verre geliefden, het dierbare beeld van een onbekend, spoorloos verdwenen wezen, dat zijn hart nog altijd geheel vervulde—dat waren de treurige gestalten, die zich op den somberen achtergrond van den nacht voor hem afteekenden.Die diepe, onuitsprekelijke angst beklemde zijne borst; het was hem eensklaps, alsof hij aan de smart niet langer weerstand kon bieden, alsof hij onder deze bezwijken moest. Met al de innerlijke kracht zijner ziel moest hij zich wapenen, om niet moedeloos neer te zinken onder den last, die op zijn hart drukte. Zijn oog viel op Bernard, die, door den matten glans van het vuur bestraald, nevens hem sluimerde. Toen hij in dat trouwe, edele gelaat blikte, waarop fierheid en kracht zich met welwillende zachtheid innig paarden, waaruit de liefde hem uit broederlijke, hartelijke trekken vriendelijk toelachte, toen keerde eene vertroostende kalmte in zijn geschokten boezem terug, en hij dacht: „Neen, hij mag zich nog niet ongelukkig noemen, die aan de zijde van zulk een vriend insluimert!”En rustiger vlijde ook hij thans het hoofd aan de borst van den vriend neder, hulde zich in den mantel en sliep in.HOOFDSTUK III.„Dat zijn de torens van Smolensko!” riep Rasinski, toen hij aan de spits van zijn regiment eene boschrijke hoogte bestegen had, vanwaar men de grijze stad op nauwelijks een uur afstand voor zich zag. „Wij moeten nu langs den zoom van den heuvel, door het kreupelhout, afdalen, om ongemerkt tot dicht onder de muren te komen.—Ik vrees, ik vrees, dat wij een harden strijd zullen te kampen hebben. Ziet gij daar die stofwolken op de heuvels aan gindschen oever van den Dnieper? Dat kunnen geen troepen van ons leger zijn! In den zwavelpoel der hel zou ik den Jood wenschen; want het is zoo goed als zeker dat hij het opzet van den keizer beluisterd of geraden en aan Barclay overgebracht heeft. Mijn kop wil ik er op verwedden, dat het de russische hoofdarmee is, die daar aanrukt!”„Nu, dan is de gewenschte slag immers daar?” hervatte Bernard op vragenden toon.„Misschien; maar nog niet zeker, en in allen gevalle onder veel ongunstiger omstandigheden, dan wanneer wij Smolensko vroeger bereikt, het bezet en zoo den weg naar Moskou voor den vijand afgesneden hadden. Dan moest hij ons de vesting ontrukken; thans zullen wij duizenden voor haar bezit opofferen.—Ware het ons slechts gelukt,Newerowskoiaf te snijden, dan zouden wij nog de eersten geweest zijn!”Onrustig stoof Rasinski alleen vooruit naar een nabijliggenden heuvel, die een vrijeruitzicht vergunde; het regiment trok intusschen langs den aangeduiden weg, die in breede bochten op de stad aanliep, langzaam voorwaarts.„De landstreek is toch niet geheel onbevallig,” sprak Lodewijk tot Bernard, daar eene breede opening in het kreupelhout juist een verren blik in het Dnieperdal vergunde. „Ziet gij ginds dat kasteel aan genen oever op den heuvel?”„Een statig gebouw,” hervatte Bernard. „Het schijnt van zonderlingen, voorvaderlijken bouwtrant, voor zoover men van hier kan zien. Wellicht zullen wij er spoedig ons nachtkwartier in opslaan, daar het, met het aanzienlijke dorp, dat zich ginds ter zijde uitstrekt, waarschijnlijk even verlaten zal zijn, als alle plaatsen, die wij tot hiertoe doortrokken.”„Inderdaad eene treurige wildernis, die wij doortrekken!” hernam Lodewijk. „Maar het gindsche slot brengt een zonderlingen indruk op mij te weeg. Ik ondervind hier voor het eerst, dat de verte, de vreemdheid, haren invloed merkbaar doen gelden. De bouworde, de ligging, alles wekt een zonderling, zeldzaam gevoel in mij op.”„Ook in mij flikkeren eenige vonken van avontuurlijk romantische verschijningen op,” sprak Bernard luchtig. „Hoe, wanneer daar eene bekoorlijke prinses woonde, of wanneer het slot bestormd werd, in brand vloog, en wij een liefelijk wezen van onbegrijpelijke schoonheid uit de vlammende zalen redden? Mij dunkt, ik zie den rooden gloed nu reeds om de zonderlinge torenspitsen spelen.”„Scherts niet,” sprak Lodewijk ernstig. „Uwe voorzegging kon ten minste gedeeltelijk bewaarheid worden; wie weet, met welk vreeselijk onheil de ongelukkige bewoners werkelijk bedreigd worden!”„Licht mogelijk, dat zij zelven de pekkransen in hunne bezitting slingeren; het slot schijnt niet ver van den landweg gelegen, die langs den anderen oever heenloopt, en tot hiertoe hebben wij niet vele onverwoeste dorpen en sloten op onzen weg aangetroffen. Het schijnt, dat de Russen ons liever eene verwoeste provincie, dan eene onvernielde stad inruimen. Doch daar komt immers Rasinski met lossen teugel terug.”Inderdaad kwam deze met zulk een spoed aanrennen, dat zijn paard wild uit de neusgaten blies en het stof in dwarlende wolken achter hem opsteeg. Reeds van verre wenkte hij met de sabel. Zijn naaste plaatsbekleeder, majoor Negolinski, verstond dit teeken en liet het regiment in vliegenden galop bij den volgenden heuvel oprukken. Thans zag men Smolensko voor zich; tegelijk kon men de gansche landstreek tot in de verte overzien en ontdekte verschillende korpsen der groote armee, die op eenige punten reeds tot binnen de geschutlijn der vesting waren doorgedrongen. Op genen oever werd men daarentegen de tallooze russische legermassa's gewaar, die in vliegenden stormmarsch op Smolensko aanrukten, om de stad te bezetten, eer de Franschen zich van haar hadden meester gemaakt.„Voorwaarts, voorwaarts!” schreeuwde Rasinski. „Het dal af, langs den stroom op, wellicht gelukt het ons den vijand te verrassen.” Hij zelf rende wederom ver vooruit, alsof hij het oogenblik, waarop men zich met den vijand meten zoude, niet kon afwachten.Toen men de rivier bereikt had, lag Smolensko op zijne beide steile heuvels aan deze en gene zijde van den Dnieper, dicht voor de aanvallers, ja bijna boven hen. Reeds hoorde men kanongedonder en klein geweervuur. Wolken van stof en rook omhulden het dal en den stroom; slechts de tinnen van den ouden stadsmuur en de hooge torens verhieven zich boven den nevel. De ruiters volgden hun aanvoerder,zonder te weten, of zij vriend of vijand voor zich hadden; want in den dichten damp, dien de wind hun te gemoet joeg, was niets te onderscheiden.Plotseling kwam Rasinski weder op hen toe. „Halt!” was zijn commando. Het regiment stond als een muur; de ruiters, door den overhaasten rit op den oneffen grond ten deele uit hunne gelederen gedrongen, ordenden zich in stilte weder. „Eerste escadron links zwenkt! Regiment marsch!”Langzaam voerde Rasinski de zijnen de helling weder op en boven over de heuvelachtige vlakte naar eene, met hout bedekte hoogte, die buiten het bereik der vesting lag.„Het was te laat,” zeide hij in het terugrijden. „De koning van Napels wilde van deze zijde met de cavalerie, de maarschalkNeyvan gene zijde met de infanterie de stad overvallen, maar de Russen zijn te vast verschanst en hebben te veel geschut. Binnen een half uur moet bovendien de hoofdarmee hier zijn, en dan ware het dwaasheid, juist hier den kamp te beginnen. Echter heb ik hoop, dat men zich morgen door een slag van het bezit der vesting zal trachten te verzekeren, daar het er hier op aankomt, de hoofdpoort te verdedigen, die naar Rusland voert.”Het regiment betrok het bivak.Tegen den avond kwam een adjudant van den generalen staf aanrennen en vroeg naar Rasinski. Hij werd bij den keizer ontboden, die, benevens de maarschalken, ook alle der landstreek kundige officieren om zich verzameld had, ten einde betrekkelijk den aanval, dien hij morgen op de stad wilde ondernemen, van hen eenige inlichtingen te bekomen. Om mogelijke bevelen spoedig te kunnen afzenden, liet Rasinski zich door Bernard en Lodewijk verzellen. Zij hadden moeite de tent van den keizer te bereiken, wijl de tot nabij de stad voortgerukte troepen op bevel van Napoleon hun bivak ontruimen en het verder achterwaarts weder moesten opslaan.„Wat beteekent die beweging?” vroeg Rasinski aan een adjudant, die met hem den zelfden weg nam.„De keizer wil den vijand een slagveld vrijlaten; hij hoopt, dat de russischeliniënmorgen eindelijk geordend voor ons staan en den kamp zullen aannemen.”„En onze stelling?” vroeg Rasinski verder.„Daar op het gindsche amphitheater van heuvels, die een halven kring om de stad sluiten. Het zijn slechts holle wegen en engten, waartegen wij leunen; bij een terugtocht eene bedenkelijke stelling!”„Het woord terugtocht heeft de keizer in zijn woordenboek doorgestreken,” hernam Rasinski; „voor elk ander veldheer ware de misslag groot. Hij echter heeft de zekerheid van de overwinning; tot hiertoe ontbrak hem niets dan de vijand. Gave de hemel dat die morgen toch eindelijk stand hield!”„Hm! Ik twijfel er aan. Waarom zou hij vóór de vesting een slag wagen, wanneer hij het daarachter even goed kan?”„Bagration heeft, naar men verneemt, den grootsten lust tot een gevecht.”„Barclay des te minder.”„Hij is niet bemind; de Rus haat hem, slechts de keizer is zijn steun. In zijn eigen vaderland aangetast, moet het den Rus in zijne eer ten diepste krenken, dat hij, zonder weerstand te bieden, telkens wijken moet. Barclay zalmoetenvechten, daar het leger hem anders niet langer gehoorzaamt. In zeker opzicht staat de veldheer, niettegenstaande zijne onbeperkte macht, nog altijd onder het bevel des legers. En het zwaarst vanalles is, den strijdzuchtigen soldaat van den slag terug te houden; tevens is het ook het gevaarlijkst, want hij toont naderhand juist in het beslissende oogenblik onwil, wanneer men vroeger zijne dapperheid met geweld in boeien heeft gelegd. Een veldheer moet niet slechts het terrein, hij moet ook den innerlijken mensch weten te beoordeelen; verrekent hij zich dáár, dan zal al zijne taktiek hem weinig baten.”„Hoopt gij iets goeds van den slag?” vroeg de officier na eene poos stilzwijgen.„Zonder twijfel de beslissendste overwinning; echter zal zij bloed kosten.”„Voorzeker, veel. Reeds bij den aanval van heden hebben wij een geducht verlies geleden. Van het bataljon, waarmede de maarschalkNeyliet aangrijpen, zijn twee derden gebleven. Zij geraakten in het flankvuur der russische batterij, één enkele kogel trof zoo moorddadig, dat hij vier en twintig soldaten verpletterde. Wij konden het van de hoogte maar te duidelijk aanzien.”„Te vallen is de ernstige bestemming van den soldaat,” hernam Rasinski. „Maar hoor! Tirailleursvuur!”„De keizer heeft bevolen, dat het eerste korps den vijand verontrusten zal, om hem misschien op dezen oever der rivier te lokken.”Gedurende dit gesprek was men, deels tusschen bivaksvuren en gelegerde troepen door, deels om terugtrekkende afdeelingen heenrijdende, aan de legerplaats der oude garde gekomen, in welker nabijheid de tent des keizers op eene boschachtige hoogte was opgeslagen. Men zag hem juist met een vrij talrijk geleide afrijden, vermoedelijk om den omtrek te verkennen; Rasinski stoof in gestrekten galop na, de beide vrienden volgden op een behoorlijken afstand. Ongeveer een half uur reed de keizer met zijn gevolg van den eenen heuveltop naar den anderen. Van wat inmiddels verhandeld werd konden Lodewijk en Bernard niets verstaan, daar zij met andere ordonnans- en jongere officieren ten minste dertig tot veertig schreden achter de maarschalken reden. Thans hield de keizer stil en sprak met den maarschalkNeyen den koning van Napels; hierop wenkte hij Rasinski, dien hij een uitvoerig bevel scheen te geven, want hij sprak lang en met driftige gebaren.Dadelijk reed deze terug, liet zich door Lodewijk verzellen en beval Bernard, den trein verder te volgen en daarna bij de keizerlijke tent te wachten, tot hij eenig schriftelijk of mondeling bevel ter overbrenging zou hebben ontvangen.Bij het toenemen der duisternis keerde Napoleon naar zijne tent terug. De maarschalkenBerthier, Ney, Murat, Davousten de onderkoning van Italië volgden hem. Twee grenadiers van de garde hielden wacht aan de tent; Bernard en drie ordonnans-officieren plaatsten zich nabij den ingang, om de bevelen af te wachten. Binnen een kwartier werden de drie afgevaardigd, Bernard bleef alleen zonder verdere bestemming. Het was stil geworden; de vermoeide troepen lagen in hunne mantels gewikkeld en sliepen; ook het minste geruisch in de verte begon hoorbaar te worden. Zoo kon Bernard thans onderscheiden, dat in de tent levendig gesproken werd; echter was het hem onmogelijk den loop van het gesprek te volgen. Slechts enkele woorden verstond hij en wel bij herhaling de namen Smolensko en Moskou. Gaarne ware hij eenige schreden nader getreden, maar de beide baardige grenadiers met hunne hooge berenmutsen, die met afgemeten passen voor de tent op- en nedergingen, hielden hem door den ernstigen blik hunner zwarte oogen op een eerbiedigen afstand.„Men spreekt van den slag, dien wij wellicht morgen leveren,” begon hij eindelijk; „kunt gij het gesprek volgen, mijne vrienden?”„De schildwacht des keizers hoort niets, kameraad,” antwoordde een der grenadiers met strengen blik.„En spreekt ook niet,” voegde de andere er op verwijtenden toon bij.Pas had men deze woorden gewisseld, toen de maarschalkenNeyenDavoust, beiden zichtbaar in hevige gemoedsbeweging, met rassche schreden de tent verlieten en een verschillenden weg insloegen, zonder van elkander afscheid te nemen. Het viel onmiskenbaar in het oog, dat zij zich in een uiterst verbitterde stemming bevonden. Intusschen werd het gesprek in de tent nog driftiger. Bernard onderscheidde duidelijk de stem van den keizer, die luid en heftig sprak. De vice-koning van Napels verliet eenige oogenblikken later de tent. De schildwachten trokken het geweer aan, toen hij voorbij kwam; maar de anders zoo vriendelijke, welwillende man verzuimde den groet te beantwoorden; hij scheen, innerlijk zoo geschokt en ontroerd, dat de uiterlijke voorwerpen hem geheel ontgingen. Bernard kon bij den schijn van een, niet ver van de tent brandend vuur, waaraan de keizerlijke keuken bezorgd werd, de edele veelbeteekenende trekken van den vorst, op wiens voorhoofd zorg en kommer duistere wolken samentrokken, vrij duidelijk onderscheiden. Er lag zooveel zachtheid in dat gelaat en zooveel mannelijke stoutheid met vriendelijken adel gepaard, dat de indruk, dien het teweeg bracht, onvergetelijk zijn moest. Nog volgde Bernard met onafgewende blikken de edele gestalte, toen het kletteren eener sabel zijn oog opnieuw naar den ingang der keizerlijke tent trok. Het was de koning van Napels, die in zijne avontuurlijk vreemdsoortige dracht, een reigerveer op de met pels omzoomde muts, onder het onverstaanbaar mompelen van eenige, toorn en ijver verradende woorden uit de tent te voorschijn trad. Zonder Bernard te bemerken, ging hij strijkelings diens paard voorbij, en duidelijk kon deze verstaan, dat hij stampvoetend en met eene halfgesmoorde stem uitriep: „Moscou! Moscou! Cette ville nous pendra.”Nauwelijks was hij echter eenige schreden verder, toen hij eensklaps als zich bezinnend, bleef staan, zich omwendde en riep: „Waar is de ordonnans van overste Rasinski?”Bernard wilde van het paard springen en zich aanmelden, doch de koning riep hem toe: „Blijf zitten! Deze order voor den overste! Haast u!”Met deze woorden verwijderde hij zich, en Bernard rende met lossen teugel op het bivak van zijn regiment toe.Met een gelukkig plaatsgeheugen begaafd, gelukte het hem, in weerwil der duisternis en der van alle zijden verwarrend flikkerende legervuren, die, wijl hunne verte en nabijheid zoo moeilijk te berekenen zijn, dikwijls als dwaallichten van den rechten weg afleiden, toch in korten tijd de legerplaats zijner kameraden te ontdekken. Rasinski brak de order met driftig ongeduld open en verslond de regels bij den glans van het vuur.„Goed, goed,” mompelde hij, „ik vrees maar, dat het onnoodig zal zijn.”De nacht verstreek zonder eenige bijzondere ontmoeting; men had de wachten verdubbeld, en een deel der manschappen bleef onder de wapenen; intusschen werd de rust der overigen door niets gestoord. Bij het aanbreken van den dag verwachtte men den vijand in slagorde geschaard te zien. Men had zich bedrogen. De wijde ruimte, die men hem tot een slagveld had gelaten, was eenzaam en ledig. De stad met hare oude, dikke, met achttien torens gekroonde muren lag stil en doodsch in de vale morgenschemering; geen geluid liet zich daaruit vernemen. Het gansche leger der Franschen stond onder de wapens; op den eersten wenk konden de troepen in slagorde uitrukken. Men zag den keizer, door maarschalken omstuwd, meermalen over het veldrijden; hij rende de eene hoogte na de andere op en zag in het rond, deels om, ingeval het tot een treffen kwam, zijne maatregelen te nemen, deels in de gestadige verwachting, dat de vijand toch eindelijk nog zou komen opdagen.Een maarschalk, het wasBelliard, kwam op Rasinski toe, wenkte en sprak eenige woorden met hem. Dadelijk beval deze het eerste escadron, hetwelk door Boleslaw werd aangevoerd, hem te volgen.Zij reden een eindweegs langs den Dnieper voort; bij eene kromming van den weg stieten zij op twintig of dertig kozakken, die, zoodra zij den vijand in het oog kregen, als een zwerm opgejaagde vogels ijlings over de vlakte stoven. In ééne minuut waren zij verdwenen; echter ontdekte men hen eenige oogenblikken later weder aan den voet eens heuvels, waar zij op eene plaats van den stroom, die tot hiertoe door zijne kromming onzichtbaar was geweest, met hunne paarden naar den tegenoever overzwommen.„Duivel!” riep Rasinski plotseling uit en wendde zich tot den maarschalk, terwijl hij met de sabel voor zich uit wees. „Ziet gij naar die massa's! Het is de russische armee in vollen aftocht op den weg naar Moskou.”De maarschalk sloeg een mistroostigen blik naar de overzijde. „De keizer zal buiten zich zelf zijn; tot hiertoe had hij nog altijd gehoopt, het leger hier tot den slag te zien uitrukken, enDavoustversterkte hem in dien waan. Nu is de begoocheling voorbij, zie slechts die onmetelijke rijen artillerie, infanterie en cavalerie, die den weg bedekken. Doch ik wil het dadelijk melden.” In gestrekten galop vloog de maarschalk thans over de vlakte terug op de tent des keizers toe.Rasinski droeg aan Boleslaw op, met het escadron den vloed hooger opwaarts te verkennen en eene ondiepte te zoeken, waardoor men met de ruiterij en desnoods ook met infanterie en geschut den anderen oever konde bereiken; want hij vermoedde terstond, dat de keizer bevel zoude geven, de armee in de flank te vallen en haren aftocht te verontrusten.Boleslaw reed verder dan een uur langs den oeverkant voort. Overal, waar het water slechts een schijn van ondiepte vertoonde, was hij de eerste, die beproefde er door te waden, doch nergens vond hij, wat hij zocht, en bijna had hij eenige manschappen bij zijn vruchtelooze pogingen ingeschoten. Verdrietig, dat het hem niet gelukken wilde, den last te volvoeren, was hij op het puntvan denteugel om te wenden, toen hij achter zich den donder eener batterij vernam. Hij wierp zijn paard om en zag den oever met geweldige artilleriemassa's beplant, die op de, aan de overzijde van den stroom zich langzaam voortbewegenderussischearmee hun vuur uitbraakten. Thans wierp ook deze eenige batterijen op, om het vijandelijke vuur tot zwijgen te brengen, en spoedig werd men de vreeselijke uitwerking daarvan gewaar. Eene wolk legerde zich als een nachtelijk monster op het veld; slechts eenige roodachtige tongen bliksemden door het duister en werden onmiddellijk daarop door den rollenden donder gevolgd. Boleslaw, die de hoop om eene doorwaadbare plaats te vinden, nu had opgegeven, besloot met zijne lieden terug te rijden. Zoo had hij dan het veld der verwoesting en des doods voor zich, want niet slechts de batterijen vuurden onophoudelijk op elkander, maar ook de gansche vlakte van Smolensko dreunde van een verbitterd gevecht.De keizer had den aanval op de stad bevolen, waarvan hij zich thans ten spoedigste wilde meester maken. De zwarte massa's infanterie rukten dus van alle zijden aan,ten einde den vijand, nadat hij door het vuur der artillerie verzwakt was, geheel te verdrijven. De aarde scheen angstig te zwoegen onder het dof gedreun; grijze rookwolken trokken langzaam over de strijdenden voort en overschaduwden het veld des doods. Als een bloedig oog blikte de verduisterde zon op de slachting neder. De vogels fladderden angstig en verschrikt in het rond en vluchtten van de schouwplaats der verdelging. Buiten den doffen donder van den slag, dien Boleslaw slechts in de verte vernam, liet zich geen geluid hooren. De natuur lag in diepe stilte; geen windje ritselde door het loover. Zwijgend en ernstig reed Boleslaw aan de spits der zijnen langs den rug des heuvels op het slagveld aan. De kamp, die de krijgers met vlammenden moed vervult, wanneer zij zich midden in zijne golven zien neergestort, verwekte thans, daar zij hem uit de verte moesten aanzien en geen aandeel in de beslissing konden nemen, eene angstige beklemming in hunne borst. Buiten de handeling geplaatst, gevoelden zij hare vreeselijke beteekenis te dieper, naarmate zij die beter overzien konden.„Daar in dien kuil spookt de baardige satan, geloof ik,” sprak de oude Petrowski en wees naar eene plaats, waar de fransche vuurmonden in den dichtsten damp gehuld stonden.„Zij schijnen in drievoudig kruisvuur te staan,” hernam Boleslaw.„Voorzeker; de drie zwarte wolken daarboven bliksemen er al op los! En zij treffen. De kruitwagens vliegen in de lucht, alsof zij op vlammende mijnen stonden. Daar komt eene reservebatterij aandraven; zij moeten er al verduiveld van gelust hebben. De Moskoviten beginnen er ernst mee te maken. Hadden wij hen maar op de vlakte, waar de cavalerie er op los kan houwen! De sabel is mij van daag zoo licht in de hand als een wandelstok! Ik zou hen.... Donder en hel! alweer eene kruitkist naar den duivel!”Inderdaad scheen de plaats, waarop Petrowski gewezen had, vooral thans, nu men nader kwam, een vuurspuwende vulkaan. De rook dwarrelde in dicht opeengepakte wolken daaruit omhoog, en trok langzaam, in donkere, zwarte wentelingen over de vlakte voort. Daardoor juist werd het vuur van den vijand zoo verderfelijk, dat hij het voordeel had, zijn tegenstander duidelijk te zien, terwijl hij zelf door den voorwaarts trekkenden rook dicht omhuld was. Zoo sloegen de kogels en granaten onophoudelijk met verheerende kracht op de batterij neer. Raderen en assen werden tot splinters geschoten, de paarden steigerden en verscheurden zeelen en strengen, granaten barstten, kruitkarren vlogen in de lucht, en bij dat alles kraakte en donderde het eigen legervuur der batterijen, dat de grond, waarop zij stonden, sidderde en dreunde.„Wij moeten, geloof ik, nog verder links rijden,” sprak Boleslaw tot Petrowski,„anders komen wij zelve in de geschutlijn.”„Ik geloof het ook,” antwoordde de oude; „wij konden geheel zonder noodzaak een half dozijn paarden kwijt raken en ik verlies niet gaarne iets, waar niets te winnen valt.”„Gij hebt gelijk, oude! Er zal ons dan niets overblijven, dan achter gindschen heuvel om te rijden,” hervatte Boleslaw, na een blik over de landstreek geworpen te hebben.Hij sloeg een hollen weg in en was dus spoedig buiten het bereik van het vijandelijke vuur, maar kon ook niets meer van het slagveld overzien. Weldra had hij het bivak bereikt, waar hij Rasinski van zijne vergeefsche pogingen bericht gaf.„Ik wist het reeds,” antwoordde deze; „want wij hebben intusschen eenige lieden opgespoord, die met de landstreek bekend zijn. Verder opwaarts is evenwel nog een doortocht te vinden, waarvan wij echter niet vóór den avond willen gebruik maken daar er slechts weinig lieden tegelijk over kunnen trekken en de plaats door de steile oevers voor het geschut geheel ongenaakbaar is. De aanval met een geheel korps op de achterhoede der Russen is dus niet denkbaar, maar toch kunnen wij wellicht een blinden schrik onder hen brengen, een troep naloopers gevangennemen en eenigen buit maken. Dit is aan ons opgedragen. Het verheugt mij, dat wij dan toch nog eenig aandeel in den dag van heden krijgen zullen, daar de cavalerie overigens ledig toeschouwster blijven moet.”Intusschen werd het gevecht onder de muren der stad met verbittering voortgezet. Rasinski was met zijne officieren naar een punt gereden, waar zij het bloedig tooneel in zijn ganschen omvang konden overzien. Ook thans nog was de stelling der batterijen aan den stroom de plaats, waar dood en verwoesting het vreeselijkst woedden. Met bezorgdheid richtten zich de blikken der toeschouwers daarheen, waar zoovele kameraden aan het lot van den dag moesten worden opgeofferd. Een aantal ruiters kwam uit de dichte rookzuilen te voorschijn rijden en nam zijn weg over de vlakte naar de tent des keizers. Met verbazing herkende men, toen zij naderden, den koning van Napels. Hij reed langzaam voorbij en beantwoordde den eerbiedigen groet der officieren, zonder verder naar hen om te zien. Een officier uit zijn gevolg rende op Rasinski toe. Het was de oversteRegnard.„Om 's hemels wil,” vroeg hem Rasinski, „wat hadt gij daarboven in dien ziedenden ketel te doen en bovenal wat wilde de koning daar?”„Wat hij wilde? Bezwaarlijk, wat hij nu doet: weder terugrijden. Er moeten gisteren zeldzame dingen tusschen hem en den keizer zijn voorgevallen, want hij is geheel veranderd. Hij bleef hardnekkig bij zijn voornemen, om zich in dien helschen kuil te laten neerschieten. Toen wij hem bezwoeren terug te rijden, riep hij: „Ik wil niemand met mij in het verderf storten,” en wilde zijne adjudanten wegzenden. Eenstemmig verklaarden zij, geene schrede van hem te zullen wijken. Op hetzelfde oogenblik sloeg een houwitser neer en deed het paard van zijn lievelingDuteuilter aarde storten, zoodat hij dezen zelf gedood meende. Verschrikt sprong hij uit den zadel en trok hem zelf van onder het stuiptrekkend dier weg. Toen hij hem nog in leven en ongekwetst zag, kuste hij hem en zeide: „Laat ons dan terugrijden.””Bernard hoorde dit verhaal met gespannen deelneming aan en bracht het dadelijk in verband met wat hij gisteren voor de tent des keizers waargenomen, maar aan niemand medegedeeld had.„En vermoedt men wat tusschen den keizer en zijn zwager kan zijn voorgevallen?” vroeg Rasinski.„Ieder gist het zijne,” antwoorddeRegnardde schouders ophalende;„hij zal evenmin alsDuroc, Daru,Lobau, kortom, als wij allen met den veldtocht tevreden en daarover met hem in strijd geraakt zijn. Het oude lied met het oude refrein. Nu, wanneer wij heden een twintig duizend man laten, om den steenhoop daar ginds te veroveren, zal er wel een luid deuntje in het geheele leger worden gezongen. Ten minste zal ieder het stil voor zich zelf neuriën. Goeden morgen!” Met deze woorden reed hij verder en liet Rasinski in sombere mijmeringen achter.HOOFDSTUK IV.De aanvallen op Smolensko werden den ganschen dag door onophoudelijk vernieuwd. De Russen verdedigden zich koelbloedig, maar vreeselijk. Duizende krijgers zonken op het veld des doods neder, en nog immer was de prijs voor deze offers niet gewonnen, toen de zon reeds begon te dalen en achter grauwe wolken verdween.Thans was de gunstige tijd voor Rasinski's plan gekomen. Hij liet opzitten en trok met zijn regiment langs den Dnieper voort, maar hield zich zoo ver van den oever verwijderd, dat men hem van de overzijde niet ontdekken konde. Nadat men een uur had afgelegd, werd deze voorzorg overbodig, daar het geheel donker was geworden.„Ieder houde zich doodstil! Niemand mag rooken of vuur slaan!” luidde het bevel dat de overste van rot tot rot liet voortloopen. Hij had een jongeling uit den omtrek bij zich, die hem tot gids diende. Met dezen onderhield hij zich in het russisch, zoodat niemand der overigen verstaan konde, waarover hij met hem sprak. De gansche tocht werd als een geheim behandeld.Men bevond zich in een vrij dicht kreupelhout, toen Rasinski halt liet houden. Hij zelf reed, enkel door zijn geleider verzeld, verder voorwaarts en beval het regiment, zijne terugkomst af te wachten.Eene hooggespannen verwachting heerschte in de gelederen. Rondom ademlooze stilte; de donder van den slag, dien men nog lang in de verte gehoord had, was verstomd. De vallende avond had aan den bloedigen moord een einde gemaakt. Slechts de wind ruischte in de toppen der berken en dennen, van tijd tot tijd hoorde men het geroep van den roerdomp. Een half uur bracht men op deze wijze door. Eindelijk kwam Rasinski terug en gebood stapvoets voort te rukken. Men moest eenige woeste heuvels, die met bramen en varenkruiden bedekt waren, op en af; hierop stond men onverhoeds aan eene steile helling en hoorde de Dnieper ruischen, in wiens golven de zwarte, nachtelijke hemel zich donker afspiegelde. „Bij tweeën afgebroken en mij gevolgd!” fluisterde Rasinski den vleugelman toe; en met dof gemompel liep dit bevel door de gelederen voort. Hij liet daarop zijn paard behoedzaam bij de helling afklauteren en reed door de, hier nauwelijks drie voet diepe stroombedding. Boleslaw volgde met zijn escadron. De overigen moesten, daar die overtocht zich slechts langzaam liet bewerkstelligen, een geruimen tijd op de hoogte wachten.Bernard, die zich altijd met de plaatselijkheid nauwkeurig zocht bekend te maken, stiet Lodewijk zachtkens aan en fluisterde, met den vinger naar den anderen oever wijzende: „Zie ik daar ginds in de hoogte niet flauw verlichte vensters? Mij dunkt, ik moest mij zeer bedriegen, zoo wij ons hier niet zeer in de nabijheid van het slot bevinden, dat ons dezen morgen reeds zoo in het oog viel.”„Mogelijk,” antwoordde Lodewijk. „Maar zie eens dien helderen schijn daar achter ons. Wat mag dat beduiden? Boven de boomtoppen is de hemel gloeiend rood.”„Het zal de opkomende maan zijn,” sprak Jaromir, die zich intusschen bij hen gevoegd had.„Dat kan niet zijn,” meende Bernard; want die komt eerst tegen middernacht op.Daar lichtte eensklaps een roode bliksemstraal door den nachtelijken hemel en een bloedigen weerschijn werd op de golven van den vloed zichtbaar.„Dat is brand,” riep Jaromir met eene gesmoorde stem. „Ziet, ziet! Nu breekt het uit;—de vlammen slaan wild omhoog. Het is Smolensko, dat in brand staat.”Men kon er niet meer aan twijfelen, want de donkere gloed, met lichter vuurstrepen doortinteld, breidde zich verder en verder over den gezichteinder uit en begon zijn helder schijnsel tot zelfs op de plaats neer te werpen, waar de ruiters zich opeendrongen. Thans werden ook de zwarte torenspitsen van den stadsmuur op den blakenden achtergrond zichtbaar, en de boomkruinen in den omtrek schenen als door de late avondschemering roodachtig verlicht te worden.„Ziet gij wel, dat ik gelijk had?” met deze woorden wendde Bernard zich nu weder tot Lodewijk en wees naar den anderen oever. „Herkent gij nu het slot in den flikkerenden weerglans der vlammen? Hoor de klok van het dorp. Ik geloof, men luidt storm!”Inderdaad lag het oude gebouw duidelijk en nauwelijks een vierde uur verwijderd voor hunne oogen. Eene zonderlinge gewaarwording maakte zich van Lodewijks ziel meester. Zou de in scherts gesproken voorzegging bewaarheid worden? Zouden moord en brand ook hier woeden?Doch de tijd tot verdere bespiegelingen werd hem benomen, daar het rot, waartoe hij behoorde, zich juist in beweging zette, om door de rivier te rijden. Bernard sloot dicht nevens hem aan; toen de hoeven hunner paarden in het water plasten, zeide hij half in scherts, half ernstig: „Rijden wij door den Phlegethon, door den Styx of Cocytus? Men weet waarlijk niet, of het een zwarte, dan een vurige, helsche stroom is!”De bloedige weerschijn der vlammen, die zich ver over de wentelende golven uitstrekte, gaf hem aanleiding tot deze vergelijking. „Ten minste,” vervolgde hij, „is het voor ons de Rubicon, dien wij overtrekken.Jacta est alea!Wij weten nauwelijks, of wij de overzijde bereiken, veel minder of wij dezen weg terug zullen rijden. In allen gevalle maak ik hiernevens mijn testament, broertje. Als de visschen in den Dnieper of de raven van oud-Rusland mij buit mochten maken, zijt gij mijn eenige erfgenaam. Maar mijn hart—ik begeer daarom niet, dat gij mij den kouden vleeschklomp uit de borst snijdt—breng dat aan uwe zuster Maria en deel het in vrede.”„Hoe komt gij thans op mijne zuster?” vroeg Lodewijk geroerd.„Zij is een kostelijk meisje, een engelachtig, braaf kind en verdiende een betere broeder, dan gij zijt. Waarom zij echter juist in dit oogenblik voor mijne ziel staat, als had ik haar zelf zoo trouw als haar spiegelbeeld geportretteert, dat weet ik niet; wij zien onze gedachten wel bloeien, maar weten niet, waar zij gezaaid zijn. Genoeg, schoon mijne gedachten dagelijks een twintig-, dertigmaal naar Dresden enTeplitzreizen, zijn zij toch in deze minuut met buitengewoon driftige vlucht derwaarts heengetrokken; zij vliegen als zwaluwen naar het huisdak. Het moet zijne oorzaak hebben, want alles in de wijde schepping steunt op goede gronden; ik wil het echter nauwkeurig in gedachtenis houden, dat ik op den 17 Augustus, 's avonds te tien uur, aan Maria gedacht heb, en dat zij mij juist in deze minuut nog tienmaal liever is geworden dan te voren.”Lodewijk drukte den vriend met warmte de hand. Reeds meermalen had hij gemeend te bespeuren, en zich daarover in stilte verheugd, dat in Bernards borst eene zachte warme liefde voor de zuster woonde, doch de zonderlinge mensch liet zelfs den vriend bijna nooit anders, dan door de misvormende, gekleurde glazen van schertsende luim in het binnenste van zijn hart blikken. Daarenboven had Lodewijk steeds het gevoel,alsof Bernards ziel door zoo velerlei grootere gewaarwordingen en diepere, meer woeste hartstochten, zelfs dezulke waaronder zich eene vrouwelijke gestalte verborgen hield, bewogen werd, dat de stille bloem eener liefde voor de zachte, vriendelijke Maria in dien woeligen chaos onmogelijk wortel kon vatten. Er lag iets in zijne natuur, dat scheen aan te duiden: ik zou wel gaarne onder de schaduw dezer boomen vertoeven, deze vrucht plukken, in deze hut vreedzaam wonen, maar ik kan niet, ik mag niet, eene onbekende, overmachtige kracht drijft mij tegen mijn wil voorwaarts. Als de stroom, moet ik de vriendelijke oevers voorbijsnellen, en spiegel ik al somtijds den blauwen, lachenden hemel op mijne vlakte af, ras zwellen de woest schuimende golven met vernieuwde drift op en vernielen het zachte, liefelijke beeld weder. Hoe vurig deze borst ook naar een vreemd hart verlangt, ik durf er geen aan mij verbinden, want ik zou het in den woelenden maalstroom van mijn lot moeten medeslepen. Eene teedere bloem zoude ik, door haar aan deze gloeiende borst te drukken, slechts verzengen, zoodat zij ras verdord neerzonk,—ik zou haar vernietigen,alwas zij mij dierbaarder dan mijn leven. Semele sterft aan de borst van Jupiter; zelfs de vader der goden vermag hare bestemming niet te keeren, hoe diep ook de wonde in zijn eigen onsterfelijk hart dringt.—Deze ééne warme ontboezeming echter, die zoo even vanBernardslippen vloeide, verdreef eensklaps al deze gewaarwordingen en twijfelingen; op den hartelijksten toon antwoordde hij: „Het is wel natuurlijk, dat gij aan haar denkt. In ernstige oogenblikken onzes levens treden de beelden onzer geliefden te lichter te voorschijn, naarmate de grond, waarop zij zich afteekenen duisterder is. Ook ik....”„Ja, ja, gij hebt gelijk,” sprak Bernard, als om het gesprek af te wenden, „het beeld hier heeft een verduiveld zwarten grond; maar er vallen reeds lichttinten in, want de pekfakkels daar beneden branden in lichtelaaien gloed. Dra kan men de muizen over het veld zien loopen. Maar mij dunkt, de Dnieper is verwenscht koud, en uw knol heeft mij nog daarenboven een ganschen bek water over de lendenen gespogen. Gij moet beter op uw paard passen, als gij een goed kameraad wilt zijn.—Den hemel zij dank! Land! Ik ben nooit een liefhebber van zeereizen geweest.”Zoodra het regiment op den anderen oever verzameld was, rukte Rasinski in de hoogst mogelijke stilte op het recht vóór hen gelegen slot aan. Toen men nog eenige honderden schreden daarvan verwijderd was, liet hij halt houden. „Vrienden,” sprak hij, „wij zijn aan het doel. Daar in het slot zijn, naar ik met zekerheid onderricht ben, eenige russische generaals en voornamen op een bruiloftsfeest bijeen. Hen op te lichten, is het oogmerk onzer gewaagde onderneming. Thans langzaam voort, tot wij een vlakken bodem voor ons zien en geenerlei beletsel ons meer kan ophouden. Dan echter als de bliksem er op in! Nu voorwaarts, vrienden, houdt u wakker, zijt vlug, koen, doch behoedzaam! Voorwaarts!”Zij rukten voort, tot aan eene zachte helling. Thans liet Rasinski stormloop blazen, en in den vollen ren der snuivende rossen stoof de schaar den weg naar slot en dorp op.

„Bij den satan, wat is 't nu weer?” Met deze woorden stoof Bernard, die in zijn mantel gewikkeld, aan het bivaksvuur lag, verdrietig op, toen eene mannelijke hand hem uit den slaap schudde, waarin hij eerst voor eenige minuten verzonken was. „Ach, zijt gij 't Lodewijk?” voegde hij er dadelijk zachter bij, toen hij den vriend herkende. „Al terug?.... Nu, welke avonturen hebt gij in Witepsk gehad?”

„Van verschillenden aard,” antwoordde Lodewijk; „maar gij zijt toch niet boos, dat ik u zoo laat nog stoor?”

„Zoo moe ben ik niet, of ik kan nog wel een uurtje met u keuvelen. Vertel op dan.”

„Raad eerst wie ik in Witepsk gezien heb.”

„Wie, den grooten mogol, of den paus, of den koning van Engeland?”

„Neen, in ernst, Bernard!”

„Dat zeg ik u; hoe zal ik van de tienduizend mogelijkheden de werkelijkheid treffen, wanneer mijn raden niet eene scherts zal zijn. Dus wien zaagt gij?”

„Ik ging een klein huisje in eene dwarsstraat voorbij, toen ik eene vrouwenstem hoorde zingen. Verwonderd keerde ik mij om en zag in een half met bloemen bezet venster de jonge zangeres uit Warschau.”

„Françoise Alisette?” riep Bernard, met de uiterste verbazing.

„Dezelfde.”

„Zijt gij er wel zeker van? Hebt gij haar gesproken?”

„Dat niet, want zij sprong verschrikt terug, toen zij mij ontdekte. Echter ben ik zeker van wat ik gezien heb.”

„Hm!” mompelde Bernard en beet zich in den knevel, „zou alles zoo naar mijn vermoeden uitkomen? Hoor, Lodewijk, ik zou durven wedden, dat de oversteRegnardook met zijn regiment in de stad ligt.”

„Gij vergist u; ik heb hem er wel ontmoet, doch weet, dat zijn regiment in Ostrowno staat.”

„Pah!” riep Bernard, „dat zijn vijf kleine uren en dood op zijn gemak rijdt men ze in twee. Maar, weet gij wat het zal best zijn, dat wij er Jaromir niets van zeggen, zoo hij het niet al weet.”

„Dat denk ik niet; maar waarom?” vroeg Lodewijk verwonderd.

„Uit menigerlei gronden. Vooreerst geloof ik, datRegnardjaloersch op hem is, en dat kon aanleiding tot eene onaangename ontmoeting geven; vervolgens vermoed ik half en half, dat de overste niet zoo geheel en al ongelijk heeft, ten minste voor zoover de schooneAlisettehet verantwoorden moet. Te Warschau reeds keek zij Jaromir met blikken aan, die voor een jong, onervaren mensch als hij, licht gevaarlijk konden worden; dus is zwijgen hier zeker goed.”

„Naar gij wilt,” antwoordde Lodewijk.

Eensklaps brak een pistoolschot in de nabijheid het gesprek der vrienden af. De in het rond gelegerde lieden sprongen, want men bevond zich op de uiterste voorposten, haastig op en grepen naar de wapens, den wenk verwachtende, om zich tot het gevecht te regelen. Men luisterde of zich een nieuw geraas vernemen liet, doch alles bleef stil; slechts in de verte, aan de zijde der postenketen, hoorde men eenige stemmen driftig spreken. Boleslaw, die de veldwacht had, zond den wachtmeester Petrowski met eene patrouille af, om bericht wegens het voorgevallene in te winnen. Deze keerde na eenige minuten terug en voerde een jongen man en eene jeugdige vrouw, naar hare kleeding eene Russin, als gevangenen mede. Het meisje klemde zich angstig aan haren geleider vast en zocht de blikken der nieuwsgierig toedringende soldaten beschaamd te ontwijken.

„Waarachtig, een aardig kind!” riep Bernard zijnen vriend toe, toen zij nader gebracht werden en de weerschijn van het vuur de groep verlichtte; maar nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of de jonge man stond stil en sprak hem aan: „O, mijnheer, gij zijt een Duitscher, help gij een landsman die in groote verlegenheid is, daar hij alleen duitsch en russisch spreekt, dat deze Polen niet verstaan of niet willen verstaan.”

„Gaarne,” hernam Bernard, „ik zal u verzellen.”

Inmiddels was ook Boleslaw nader getreden en vroeg den wachtmeester, wie die lieden waren en wat zij wilden.

„Zij zijn,” sprak Petrowski, „zoo even met eene slede aangehouden. Toen wij hen aanriepen, gaven zij geen antwoord, maar wilden ras omwenden; eerst toen de schildwacht het pistool afschoot, hielden zij stil. Het zijn denkelijk spions.”

Bernard mengde zich in het gesprek en vroeg Boleslaw verlof, om de lieden in het Duitsch te ondervragen. „Vanwaar komt gij?” sprak hij hen aan; „hoe is uw naam? wat het doel uwer reis?”

„O, mijnheer,” antwoordde de gevangene, „geen ander, dan in vrede naar Duitschland te trekken, vanwaar ik geboortig ben. Ik heet Paul, en dit is mijne jonge vrouw, Axinia, eene Russin. Tot hiertoe was ik als tuinier in dienst van den graaf Dolgorow; daar de oorlog alles in verwarring brengt, heeft hij mij laten gaan, om naar mijn vaderland terug te keeren.”

„Hebt gij papieren, goede vriend, die uw voorgeven bevestigen?” vroeg Bernard verder.

„O, in de beste orde, mijnheer!” antwoordde Paul en kreeg eene brieventasch, waaruit hij zijn doopcedel, zijne dienstgetuigenis en een in Smolensko uitgereikten pas aan Bernard overgaf.

„Wat gebeurt hier?” vroeg eensklaps eene stem.

„Wat gebeurt hier?” vroeg eensklaps eene stem.

„Wat gebeurt hier?” vroeg eensklaps eene stem.

„Deze papieren mogen volkomen in orde zijn, mijn vriend,” hervatte deze; „maar russische passen, begrijpt gij licht, geven u geen toegang in het fransche leger. Schoon het mij van harte leed doet, zal men u toch moeten afwijzen.”

„O, mijn hemel, dan ben ik verloren!” riep Paul uit, „want slechts door een wonder is het mij tot hiertoe gelukt, met mijne kleine bezitting aan de zwermen van rondstroopende kozakken te ontsnappen. Ik bid u, beste heer, wanneer gij eenigszins kunt, help ons door, want waarachtig, wij zijn eerlijke lieden en begeeren niets, dan ongestoord verder te kunnen reizen.”

„Waarom hebt gij niet de rechte lijn naar Witepsk genomen? En waarom kiest gij den nacht tot de reis? Dat verwekt kwaad vermoeden.”

„Enkel om de kozakken te vermijden, en bovendien zeide men ons, dat wij hier den linkervleugel der armee konden voorbijkomen en dan zonder verdere hindernis over Boiszikowo de rechte straat naar Wilna bereiken.”

„Ja nu, stroopers zult gij daar ook nog in menigte aantreffen,” merkte Bernard op en dacht na, hoe hij de lieden het best konde voorthelpen. „Zij schijnen mij eerlijk en onverdacht toe,” sprak hij tot Boleslaw;„maar al liet gij hen ook door, zoo zou het hun nog niet veel baten, daar men hen, waar zij komen, opnieuw zal aanhouden. Vooral is deze jonge vrouw eene waar, voor welke ik de verzekering niet gaarne op mij zou nemen op de verwoeste wegen van hier naar Wilna, waar nog altijd naloopers omzwerven en joden en boeren rooven, wat die overlaten.”

„Wat gebeurt hier?” vroeg eensklaps eene stem. Het was Rasinski, die met omgeworpen mantel, eene veldmuts diep in de oogen gedrukt, onverhoeds onder de sprekenden trad. Bernard berichtte hem het voorval.

„Bij wien stondt gij in dienst?” richtte de overste zijne vraag aan Paul.

„Bij graaf Dolgorow,” antwoordde deze.

„Uwe papieren?”

Paul vertoonde ze.

Rasinski doorliep ze met snellen blik. „Zij zijn richtig; dat is de handteekening van den graaf. Ik zal u tot uwe verdere reis behulpzaam zijn. Dezen nacht moet gij in het leger doorbrengen; morgen gaat een transport zieken naar Wilna terug, daar kunt gij u bijvoegen. Ik zal u de gevorderde passen bezorgen.”

Paul dankte met blijde woorden en nog vroolijker blikken; op Axinia's bezorgde gelaatstrekken keerde de gerustheid terug. Thans eerst scheen Rasinski haar gewaar te worden. Vriendelijk trad hij op haar toe en vroeg haar in hare moedertaal: „En ook gij wilt naar Duitschland trekken en zijt toch eene dochter uit Ruriks rijk, gelijk ik uit uwe kleeding opmaak?”

Axinia bloosde en sloeg de oogen voor zich neder. „Het was de wil der jonge gravin Feodorowna,” stamelde zij.

„En waarom zond de jonge gravin u naar Duitschland?” vervolgde hij na eenig nadenken.

„Wij zouden, meende zij, daar gelukkiger zijn.”

„Thans? Dat is de vraag; dat land is ook niet bovenmate rijk in geluk.—Is de gravin Feodorowna de dochter van graaf Dolgorow?”

„Zoo is het, genadige heer!” hervatte Axinia, terwijl zij ter bevestiging en met de uitdrukking van deemoed het hoofd boog. „In mijne kindsheid werd ik als gespele der gravin met haar opgevoed; ik ben haar alles verschuldigd.” Hier scheen zij zoo ontroerd, dat zij niet in staat was verder te spreken.

„Wanneer gij zoo aan haar gehecht zijt, waarom verliet gij haar dan of zond zij u weg?”

Axinia bloosde en zweeg.

„Ik versta u,” vervolgde Rasinski met een weemoedigen glimlach; „wel nu, het is de plicht der vrouw den man te volgen.Gij hebt welgedaan. Wijst dezen lieden eene plaats op zijde van den heuvel aan, waar zij veilig kunnen overnachten,” sprak hij, het gesprek afbrekend, en wenkte met de hand.

„Nu vrienden,” begon hij, toen de nieuwe gasten zich verwijderd hadden, „morgen zetten wij onzen marsch voort; dat had ik u nog niet gezegd. Ik verwacht Jaromir elk oogenblik met orders uit Witepsk terug; bij zijne terugkomst zal ik u kunnen zeggen, werwaarts wij onzen weg nemen moeten. Dat wij bij het gros der armee blijven, geloof ik niet. Het wordt eindelijk tijd, dat wij aan het handelen komen.”

„Waarlijk,” riep Bernard, „wanneer de Rus slechts stand wil houden. Tot hiertoe hebben wij met een schaduwbeeld gevochten. Wanneer wij den vijand dicht voor oogen hadden en hem eindelijk als Achilles aan Hector, konden toeroepen: Sta en kamp!.... dan verdween de verschijning weder in den donkeren nacht. Ik beken, dat deze wijze van oorlogvoeren mij tusschenbeiden eene bijna angstige huivering verwekt heeft. De grootste veldheer moet toch een tegenstander hebben, om hem te kunnen overwinnen.”

„Dit is nu eenmaal de vorm van den verdedigingskrijg, wanneer het terrein den aanvaller door zijne uitgestrektheid ongunstig is; reeds de eerste scythische bewoners dezer gewesten voerden op die wijze den oorlog tegen de perzische koningen,” antwoordde Rasinski. „Ik was van den beginne daarop voorbereid, want ik ken de Russen en hun land. Maar dat juist is mijn troost. Hier is de plaats nog niet, waar dit rijk het hart slaat; half vochten wij nog op eigen grond en bodem, op oud-poolschen; ook Littauwen behoorde eertijds aan den stam van Jagello. Deze bodem is den Rus geen heiligdom. Thans eerst raken wij zijne grenzen: hier begint zijn vaderland, zijne kerk. Geeft acht, hier zullen Ruriks zonen hunne haardsteden en altaren verdedigen; naar mate wij verder op den zetel des heiligen Iwans, de eerwaardige stad Moskou, aanrukken, zal ook het volk zich met meer geestdrift tegen ons wapenen. Niet alle bewoners van het russische gebied hebben één vaderland. De grensprovinciën zijn bij voorhoven en buitenzalen te vergelijken, waar het heir der zonder vaste bezitting omdolende slaven gelegerd is. Deze geeft men licht prijs, doch in het binnenste des huizes wonen de zonen en zij zullen altaren en heiligdommen met bloed en leven verdedigen. Dan zal het aan veldslagen en ik hoop ook aan overwinningen niet ontbreken.”

Men hoorde een ruiter in galop naderen. Het was Jaromir. Vlug uit den zadel springend, reikte hij Rasinski zijne orders over, die deze bij den schijn der vlammen doorliep terwijl de jongeling zijne vrienden begroette.

„Morgen tegen vier uur breken wij op. Goeden nacht dan; gebruikt den tijd die ons blijft tot rusten, want de dag van morgen vordert wellicht uwe krachten.” Met deze woorden keerde Rasinski naar zijne tent terug, en de overigen legerden zich weder om het wachtvuur, waar zij spoedig in vasten slaap verzonken.

Toen de dag aanbrak, bevond Rasinski zich met zijn regiment reeds op marsch. Hij trok op eene uitgestrekte hoogte voort, langs den zoom van een dennenwoud, dat aan zijne rechterzijde tot diep in de landstreek voorttrok, terwijl links eene heuvelachtige, met kreupelhout en laag struikgewas doorsneden wildernis het uitzicht begrensde.Boleslaw, Jaromir, Lodewijk en Bernard reden aan zijne zijde. „De keizer heeft een stout ontwerp beraamd,” dus brak hij het eerst de stilte af; „gelijk gij ziet, nemen wij eene richting, die ons van den vijand, die ver links bij Rudnia en Inkowo zijn hoofdkwartier heeft opgeslagen, verwijdert. Wij zullen over den Dnieper gaan, dan, op de linkerflank door den stroom gedekt, tot Smolensko voortdringen, de russische armee omtrekken, ons midden tusschen haar en Moskou inwerpen. Waarlijk eene kolossale onderneming, die, wanneer zij gelukt, den ganschen veldtocht op eenmaal beslissen moet. Wat de maarschalkDavoustdoor den misslag van den koning van Westfalen tegen Bagration te vergeefs beproefde, zal thans hoop ik, tegen Barclay en Bagration tegelijk gelukken. Onze taak daarbij is, de zwermen lichte cavalerie, die zich nog op onze rechterflank bevinden konden, te verjagen en op zulk een afstand te houden, dat zij de bewegingen onzer hoofdarmee niet te vroeg bespeuren.”

De zon was thans opgegaan en wierp hare stralen op het uitgestrekte landschap, dat men van de hoogte kon overzien. „Ziet gij die massa's te voorschijn komen?” sprak Rasinski met den vinger links wijzende. „Hier, aan deze zijde van den zwarten stroom, is alles nabij en duidelijk; maar op gindschen oever ontdekt men enkel aan de stofwolken, dat cavalerie oprukt, en achter genen heuvel, die te ver verwijderd is, om de troepen zelve te onderscheiden, ziet men toch de wapens blinken. Dezer dagen kan veel beslist worden!”

Lodewijk overzag de vlakte, waarover de zwarte stroomen der volkeren voortgolfden met een zonderling gevoel.

„Wat hier voorbereid en beslist wordt,” vroeg hij zich zelf ernstig af, „zal het der wereld tot heil of ten verderve strekken? Wanneer de geweldige geest, die deze duizendtallen in beweging zet, hier eens, als weleer Alexander in Indië, den eindpaal zijner daden vond? Wanneer de kolossale, ruwe macht van Rusland haar overwicht in Europa geldend maakte?—Of als, omgekeerd, de stroom der overwinning voortbruiste tot in het hart van het oude Rusland en Frankrijks vanen ook op den zetel der czaren neergeplant, van de trotsche tinnen van het Kremlin wapperden?—Ware het dan niet gedaan met Duitschlands zelfstandigheid? Moest dan niet alles voor den franschen overmoed bukken? Zou de naam „vaderland” dan niet een ijdele klank, een ledig niets voor ons worden?”

Uit deze mijmeringen deed Bernard hem oprijzen, die, als schilder, alle uitwendige verschijningen uit het oogpunt eener schilderij opvatte. „Wat kunnen toch ook doode landschappen niet eene eigenaardige schoonheid hebben,” sprak hij zijn vriend aan; „zie slechts hoe fijn deze blauwachtig zwarte woudzoom zich met zijne zachte spitsen tegen den hemel afteekent, deze treurige eenvormigheid heeft iets treffends, gelijk ook de woestijn een eigenaardigen indruk maakt. En de breede boschstreken, die daar beneden door het land kruisen, de naakte heuvels daartusschen, waarop het roode heidekruid schemert, de vervelooze hemel, de lange grauwe wolkstrepen,—bij tijd en wijle zou ik iets dergelijks liever schilderen, dan zwitsersche landschappen.—Zoo lag ik ook in Schotland bij stille, heldere herfstdagen gaarne op de barre heiden van het Hoogland en liet de wolken over mij heentrekken.”

„Zoo lang de mensch met het huiveringwekkende en sombere vrij speelt en het van zich af kan wijzen, wanneer hij wil,” antwoordde Lodewijk, „zoo lang vindt hij er ook een bijzonder welbehagen in, de meer heldere zijden des levens voorbij te zien; doch wanneer de strenge noodzakelijkheid ons hare ernstige paden doet bewandelen, dan zien wij het duister voorkomen van het lot met geheel andere oogen aan.—Maarwat ik zeggen wilde,” dus brak hij eensklaps af, „ja, wat dunkt u? Boleslaw schijnt zeer droefgeestig; sinds wij Warschau verlaten hebben, wordt hij dagelijks somberder.”

„En dagelijks schooner,” hernam Bernard. „Zie eens, hoe edel die bleeke trekken zijn, hoe trotsch dat voorhoofd, waarop de sombere schaduwen der zwaarmoedigheid rondzweven! En het zwarte haar, de donkere gloed van het oog, de fijne mond!—Hij is de Orestes bij den zorgeloozen Pylades Jaromir, het romantische nachtstuk bij een zonsopgang, of immers het herfsttafereel bij diens lentelandschap.”

Men was onder deze gesprekken aan een kruisweg gekomen; links daalde de heuvelreeks naar de vlakte van Liozna af, rechts boog zij het woud in, naar Babinowiczi en Orsza. Rasinski sloeg den laatsten weg in en achtte het, daar hij het terrein vóór zich niet meer kon overzien, noodzakelijk, eene voorspits en zijpatrouilles uit te zenden. Jaromir ontving het bevel over de eerste, Boleslaw moest de laatste verdeelen, Lodewijk en Bernard bleven in Rasinski's nabijheid, die zich van hen als adjudanten bediende, om bevelen aan de verspreide troepen over te brengen. Men marcheerde intusschen tot aan den avond, zonder op den vijand te stooten. Des nachts bivouakeerde men deels in, deels buiten een ellendig dorp, dat door de inwoners geheel was verlaten. Met de morgenschemering rukte het regiment weder op en trok op Rasasna aan, waar de armee den overtocht over den Dnieper bewerkstelligen wilde.

De keizer was reeds met de afdeeling vanDavoustaangekomen; de bruggen bij Rasasna, die haastig in goeden staat waren gebracht, wemelde bereids van troepen, die in lange zwarte massa's overtrokken. Ook Rasinski sloot zich daar achter aan en betrok zijne legerplaats aan de overzijde van den stroom, boven Rasasna, waar ook de tent van den keizer werd opgeslagen. Een littauwsche Jood, die zich aan Rasinski tot spion had aangeboden, nam tegen eene goede belooning op zich, nog eenige uren verder voorwaarts te gaan, ten einde uit te vorschen, of de vijand van de aannadering der armee onderricht en misschien ook voornemens was, krachtdadig wederstand te bieden.

Tegen drie uren in den morgen, toen het nog volkomen duister was, keerde de spion terug. Bernard was juist ontwaakt en had het vuur opgestookt, toen de zonderlinge gedaante van den Israëliet, die, daar schuwe bedachtzaamheid hem reeds tot eene tweede natuur was geworden, zonder het minste geruisch nadersloop, in den weerschijn der vlammen zichtbaar werd. Een boosaardig toovenaar scheen hij den verschrikten Bernard toe, toen hij zoo eensklaps uit den donkeren nacht in den hellen lichtkring van het vuur trad. Een lang, zwart opperkleed, om de middel door een lederen gordel vastgesnoerd, omhulde de gestalte; de spitse, roode baard hing tot op de borst neder, het smalle, bleeke gezicht stak loerend uit de wildernis der verwarde haarlokken te voorschijn, en de scherpe, grijze oogen vlamden listig, maar tegelijk boosaardig, uit hunne diepe holen. Een grijnzend lachje vertrok zijne lippen, toen hij Bernard in zijn joodschen tongval aansprak:

„Jongeheer! zeg mij dan gezwind, waar de heer overste slaapt! Ik heb hem toch noodwendig te spreken, hoort gij, jongeheer?”

„De vent ziet er uit, als de duivel in een vossenvel gekropen,” mompelde Bernard. „Hebben zij u niet opgeknoopt, Isaäk?” vroeg hij den Jood.

„Vader Abraham, wat de jongeheer voor vragen doet! Zou de oude Isaäk zoo lang geleefd hebben, om niet te weten, hoe men ontsnapt aan een hennipstrik? Maar breng mij gezwind bij den heer overste, het heeft haast!”

„Kom, zone Abrahams, zet uwe zolen op de sporen mijner voetstappen, zoo zult gij komen, waar gij hem vindt, wiens geld gij zoekt. Voorwaarts!” Met deze spotachtige woorden ging Bernard voor en geleidde den ouden sluwkop door de groepen der rondom de vuren gelegerde ruiters naar de plaats, waar Rasinski, in zijn mantel gehuld, op een bos stroo sliep. Bij de aannadering der schreden richtte deze zich dadelijk op en zag scherp rond. „Zijt gij het, vriend Isaäk?” riep hij, de komenden herkennende. „Nu? Brengt gij nieuws van belang?”

De Jood wenkte met geheimzinnige gebaren en trok hem ter zijde. Bernard wilde zich verwijderen, doch Rasinski gebood hem te blijven. Inmiddels sprak deze lang en heimelijk met den Jood en hoorde, naar het scheen, met toenemende belangstelling diens berichten aan. De trekken van den spion werden gestadig levendiger; het grijnzend boosaardige lachje straalde van minuut tot minuut duidelijker door, naarmate Rasinski met de narichten meer en meer tevreden scheen te zijn.

„Vervloekte Judas!” mompelde Bernard. „Ik zou die tronie niet vertrouwen, al bezwoer de vent op ziel en zaligheid, mij regelrecht naar het paradijs te brengen. Doch Rasinski kent dat volk!”

Isaäks bericht was ten einde; deemoedig stond hij voor den overste en scheen met diepen eerbied diens verdere bevelen te willen afwachten. Rasinski trok zijne beurs; het gelaat van den Jood glansde van vreugde, de begeerte naar het metaal flonkerde in zijne oogen, en toen hij eindelijk in de gierig uitgestrekte hand een aantal goudstukken voelde, barstte hij in de uitbundigste dankbetuigingen los.

„God Abrahams!” riep hij, terwijl hij zich beijverde Rasinski's handen te kussen; „bescherm mijn weldoener, die mij niet laat omkomen in den tijd van ellende en gevaar. De honger zou verscheuren mijne ingewanden, dat ik huilde als de wolf in den winter, als gij niet waart mijn grootmoedige redder, edele heer!”

Rasinski wenkte met de hand en gebood hem te zwijgen. De Jood wilde zich verwijderen en trok onder het gaan een kleinen lederen buidel te voorschijn, om de goudstukken te bergen. Doch tegelijk trok hij onvoorziens eene tweede, aanmerkelijk zwaardere beurs, waaraan de koord der eerste moest zijn vastgehaakt, uit den gordel op en liet ze voor zijne voeten neervallen. Isaäk schrikte kennelijk en wilde toegrijpen, maar Bernard, die het gezicht van den Jood in den weerschijn der vlammen bespied had, kreeg dadelijk argwaan en sprong eveneens toe, om den buidel meester te worden. Daar het gras hoog en de grond niet door het vuur verlicht was, tastten beiden eene poos tevergeefs in het rond, tot eindelijk Bernard met zijn vond opsprong.

„Geef hier, mijn lieve jongeheer,” riep Isaäk haastig, „het is mijn zuur verworven goed. Wat men thans niet bij zich draagt, is niet zeker! Ik bid u, geef.”

De angstige toon, waarop hij deze woorden sprak, en zijne driftige gebaren versterkten niet alleen Bernards achterdocht, maar maakten ook Rasinski's opmerkzaamheid gaande.

„Hm! zwaar, zeer zwaar,” sprak Bernard opzettelijk overluid; „vermoedelijk enkel goud?”

Rasinski trad nader.

„Ei, beware!” riep Isaäk, „een weinig zilver en koper, met een paar oude dukaten daarbij.” Tevens strekte hij den arm driftig naar de beurs uit en wilde haar grijpen. Bernard trok echter de hand terug, hield den schat tegen het schijnsel der vlammen, en sprak nog luider: „Zilver? koper? Wat ik bij het licht van 't vuur door de reten glinsteren zie, schijnt mij zuiver goud te zijn.”

„Laat eens zien!” sprak thans Rasinski en kwam haastig nader. Lachend gaf Bernard hem de beurs over; de Jood waagde niet iets in te brengen, doch sprak sidderend en op een deemoedig smeekenden toon: „Grootmoedige heer! Het is het weinige, dat ik heb gered uit den nood. Gij zult de bezitting van een ouden hulpeloozen man niet rooven.”

„Rooven?” sprak Rasinski verachtelijk. „Ben ik een strooper? Maar,” ging hij op dreigenden toon voort,„gij zult mij niet wijs maken, dat dit geld reeds lang uw eigendom geweest is. Denkt gij, dat ik niet beter weet, wat een Jood van uws gelijken in Littauwen besparen kan? Ik zou gelooven, dat gij met dezen schat bij u van het eene leger in het andere als spion zoudt rondsluipen? Tien voeten onder de aarde, in het dichtste bosch zoudt gij uw geld nog niet veilig achten. En waarom ontkent gij, dat het goud is. Waar is het zilver en koper onder deze nieuwe dukaten? Beken, Jood, van waar hebt gij het goud?”

Isaäk rilde over al zijne leden; eindelijk stotterde hij met moeite: „Wat kunt gij denken, genadige heer overste? Hoe zou de oude Isaäk bezitten ander goud, dan wat hij in de zestig jaren van zijn leven bespaard heeft? Waar zou hij het begraven? Welke grond is zijn, dat hij kon weervinden den schat? En daar ik het verbergen wou, dat ik ettelijke dukaten bespaard heb, zoo zeg mij toch, wanneer is het raadzaam met zijn geld openlijk te loopen te pronk?”

„Ellendige uitvluchten!” riep Rasinski. „Hier neem uw geld terug, ik verlang het niet. Dit echter zeg ik u, smelten laat ik het en gloeiend zult gij het doorslikken, als uwe tong mij leugenachtig bedrogen heeft! Deze dukaten schijnen mij het Judasloon voor gewichtiger narichten, dan gij mij gebracht hebt. Hebt gij den vijand iets verraden, mislukt het plan dat wij voorhebben, dan sidder, want gij zult weten, met wien gij te doen hebt!”

De Jood wierd bleek als de dood; zijne knieën knikten; plotseling wierp hij zich aan Rasinski's voeten neder en kermde op den toon der vertwijfeling: „Genade, barmhartigheid!”

„Recht!” donderde Rasinski hem toe. „Onderzoekt hem dadelijk ten strengste, of hij papieren of iets dergelijks bij zich draagt.”

Een onderofficier en twee soldaten maakten zich terstond van den jammerende meester, sleepten hem naar het naaste vuur en bevalen hem zich dadelijk tot op het hemd te ontkleeden.

Zulks was weldra geschied. Men doorzocht het opperkleed, de broek, den lijfgordel, de kousen en schoenen, zonder iets te vinden; zelfs eene snede door de schoenzolen bracht tot geene ontdekking. Isaäk stond inmiddels in het bloote hemd en volgde met angstige blikken de beweging der soldaten. Zijne trekken helderden nochtans op en werden rustiger, toen het eene stuk zijner kleeding na het andere onverdacht bevonden en ter zijde gelegd was. „Zoo waar God Jehova boven mij leeft,” riep hij uit, „ik ben een onschuldig oud man. Geef mij, ik bid u, het mijne terug, en mijne kleedingstukken, en laat mij in vrede heentrekken naar mijne hut!”

„Daar, trek den rommel aan,” riep een onderofficier en wierp hem de broek toe. Isaäk ving haar met beide handen op; maar in hetzelfde oogenblik wierp een soldaat hem ook het opperkleed op dezelfde wijze toe. Daar de Jood juist naar het eerste stuk gegrepen had, kwam het tweede hem, eer hij het afweren konde, op het hoofd te land, zoodat hij zich een oogenblik in de plooien verwarde. Dit gaf den moedwilligen soldatenaanleiding hem te sarren, daar zij hem het wijde kleed al verder over het hoofd neertrokken, tot hij geheel daarin verwikkeld werd en als verbijsterd, maar toch met luid gekerm en driftigen tegenstand heen en weer tuimelde.

Juist wilde Rasinski aan dit woeste spel een einde maken, toen de Jood, door een soldaat met kracht voortgesleurd, struikelde en op den grond viel, zoodat het kleed in de handen der krijgers bleef. Doch tegelijk met het gewaad, was den gevallene ook de valsche haarpruik, die tot nog toe door niemand was opgemerkt, ontrukt geworden, en zijn kale schedel werd voor aller oog zichtbaar. Niets kwaads vermoedend, lachten de soldaten over dit nieuwe onheil dat den Jood bejegende, toen Bernards scherpziend oog een strookje papier ontdekte, dat de Jood tusschen schedel en pruik verborgen gehad en zoo even verloren moest hebben. Hij wilde het oprapen, maar Isaäk, zich zelf niets goeds bewust, kwam hem voor, greep het aan en slingerde het, eer Bernard zijn arm kon tegenhouden, in den gloed van het helder vlammend wachtvuur, waar het oogenblikkelijk tot asch verbrandde. Deze omstandigheid gaf aanleiding tot een nieuw onderzoek. De Jood lochende alles; hij zwoer bij den God zijner vaderen, dat hem van een papier niets bewust was, en dat hij niets in het vuur geworpen, maar slechts zijn witten doek van den grond opgeraapt had. Rasinski liet hem dadelijk den schedel nauwkeuriger onderzoeken, en men ontdekte, dat het haar eerst onlangs was afgeschoren en Isaäk dus geen pruik had noodig gehad. Met loosheid bracht hij tot zijne verdediging in: „God der genade! wat ik gedaan heb, om u te kunnen dienen, dat zal thans worden bij u mijn verderf? Toen ik mij aanbood, uit honger en nood, om voor u te wagen het gevaarlijk werk, moest ik toen niet bedenken, hoe ik u nuttig kon worden, zonder u te verraden? Wist ik, wat ik voor u zou te doen hebben? Heb ik niet altijd gehoord, dat men brieven, berichten en andere papieren voorzichtig moest overbrengen? Daarom heb ik—en nu treft mij de straf!—geschonden de heilige wet, en een scheermes gebracht aan mijn hoofd! Moet gij mij straffen, wijl ik gezondigd heb, om u te dienen? Spreek, en neem tot getuige uw God, heer overste, als gij mij hadt gezegd: Isaäk, hier is een brief, ga heen, breng hem aan den vijandelijken generaal, doch laat hem niet vallen in vreemde handen! zoudt gij dan hebben gevraagd wat de oude Isaäk had aangevangen, om te doen naar uw woord? Hadden zij mij gesnapt en gehangen, zoudt gij niet geroepen hebben: hem geschiedt naar recht; waarom is hij niet voorzichtig en slim, als een kondschapper past? Is het mijne schuld, dat gij mij niets anders dan eene mondelinge boodschap gegeven hebt?”

Op dezen toon ging de Jood, door doodsangst gefolterd, met toenemende welsprekendheid voort, en inderdaad, zijne gronden waren bezwaarlijk te wederleggen. Echter gelukte het hem niet Rasinski van zijne onschuld te overtuigen, die beval, hem zorgvuldig te binden en, wanneer men oprukken mocht, op een pakpaard mede te voeren.

„Bespeur ik aan de bewegingen van den vijand,” riep hij den Jood toe, toen deze werd weggeleid, „dat hij gewaarschuwd is, dan zijt gij rijp voor de galg en zult haar niet ontgaan. Hebt gij niets verraden of kunnen verraden, loopt dan waarheen gij wilt, tot anderen u hangen: achter Liady zijt gij toch niet te gebruiken, daar de Rus uw, bloed en merg der armen uitzuigend geslacht op zijn bodem niet duldt; het eenige, wat ik in dat volk prijzen kan. Nu marsch! Bewaakt hem wel!”

De luid jammerende en weeklagende Jood werd onder den hoon en den spot der moedwillige soldaten in hechtenis gebracht; zoo veracht toch is het snoode, maarhelaas onontbeerlijke handwerk van den spion, dat zelfs zij, wie hij van nut is, hem liever mishandeld dan beloond zien.

Bij het aanbreken van den dag was het gansche leger der Franschen reeds weder op marsch.

Rasinski had bevel bekomen, zich bij de voorhoede onder den koning van Napels aan te sluiten. Op een zijweg, dien Isaäk aanwees, won hij zooveel grond, dat hij de lange colonne infanterie, die de maarschalkDavoustaanvoerde, voorbijtrekken en zonder verdere hindernissen het punt zijner bescherming bereiken kon. Hier vond men den prins Murat reeds door verschillende stafofficieren omgeven, en bezig het voor hem uitgestrekt liggende terrein met rassche blikken te monsteren. Rasinski reed op hem toe, ten einde zich te melden en den koning te berichten, dat hij aan Isaäk verschuldigd was, mede te deelen, zonder echter zijne vrees te bewimpelen, dat de spion zich van een dubbel masker bediend had en den vijand wellicht meer tot nut was geweest dan het leger van den keizer.

„Wanneer slechts dat waarheid is,” antwoordde de prins, „wat de Jood u heeft opgegeven, dan kan een onverwijld handelen nog alles redden. Wij moeten het korps van den generaal Newerowskoi afsnijden, vernietigen en Smolensko op die wijze vroeger bereiken dan hij. Het hoofdleger des vijands kan de vesting uit zijne standkwartieren onmogelijk zoo snel naderen, dat wij hem nog niet zouden kunnen voorkomen. Dit is het oogenblik, waarin wij den veldtocht van het geheele jaar kunnen beslissen. Snelheid is thans onze eerste plicht; laat ons dien vervullen.”

Deze woorden waren ook het teeken tot oprukken.

De hoofdarmee zette haren marsch langs den Dnieper voort, zoo echter, dat tusschen den stroom en de groote heirbaan nog eene aanmerkelijke ruimte bleef. Rasinski marcheerde met zijn regiment het naast aan den vloed; hij zond eene patrouille vooruit, welke Jaromir, een andere op de rechterflank, die een jonger officier aanvoerde; ter linkerzijde verleende de stroom genoegzame zekerheid.

„Een verdrietig werk,” wendde Rasinski zich tot Lodewijk, „zoo altijd den vluchtenden vijand na te trekken, zonder hem ooit te kunnen bereiken. Hier moeten zeer onlangs kozakken geweest zijn; zie slechts, de sporen zijn nog versch en duiden onbeslagen paarden met kleine hoeven aan. Aan hen hebben wij het vermoedelijk te danken, dat alle bruggen en vlonders zijn afgebroken, zoodat wij gestadig door het water kunnen rijden. Maar wat gebeurt daar! Jaromir zendt bericht.”

Men zag een lansier naderen; Rasinski galoppeerde op hem toe, om het naricht des te spoediger te ontvangen. Jaromir liet weten, dat hij zoo even, bij het beklimmen eener hoogte, twee kozakken ontdekt had, die dadelijk in een vooruit gelegen boschje verdwenen waren en vermoedelijk tot een sterken troep behoorden.

„Hadden wij hen eindelijk!” riep Rasinski met van vreugde fonkelende oogen en beval in draf voort te rukken. Het regiment stoof den heuvel op, van wiens kruin men een uitgestrekt, vlak terrein voor zich zag, dat slechts door het gemelde boschje,dat nauwelijks een paar honderd schreden diep en ook niet veel breeder scheen, doorsneden werd. De patrouilles werden ingetrokken en men rukte in gesloten gelederen met allen spoed voorwaarts. Het hout genaderd, deelde Rasinski het regiment af en liet een escadron rechts, een ander links omrijden, terwijl hij zelf met de overigen den rechten weg, midden door het bosch, vervolgde, en iets langzamer reed, opdat men te zelfder tijd de ruimte weder bereiken mocht. Nog dampende paardenmest, die men op den weg ontdekte, alsook de vele sporen van hoeven zonder ijzers bewezen met zekerheid, dat eerst eenige minuten te voren een sterke troep kozakken door het bosch moest gekomen zijn. Thans opende het zich en had men het vrije veld voor oogen.

„Waarachtig, daar zijn zij!” riep Rasinski en duidde met den vinger op een korenveld, boven hetwelk men vele lansspitsen en pieken zag uitblinken; „nu zullen zij ons niet weder ontsnappen. Blaast ten aanval!”

De trompetten klonken. Met bliksemsnelheid braken de strijdmassa's uit het bosch te voorschijn. Rasinski beval in front op te marcheeren en de diepe colonne vormde zich tot eene breede linie. De beide escadrons, die het hout waren omgereden, werden thans ook aan den zoom daarvan weder zichtbaar en sloten zich in gestrekten galop bij het hoofdkorps aan.

Het gedruisch, door eene op deze wijze aanrukkende ruiterij te weeg gebracht, moest de kozakken, die vreedzaam voortreden en den vijand niet zoo nabij waanden, dadelijk opmerkzaam maken. Een gevecht scheen met hunne bedoeling niet te strooken; zij zetten hunne paarden aan en renden met lossen teugel voort, tot zij in de door struiken en heuvels begrensde verte verdwenen.

Toen het stof, door de vluchtelingen veroorzaakt, gevallen was, werd men eene kleine stad gewaar, die geen uur meer verwijderd scheen. „Dat zal Krasnoi zijn,” sprak Rasinski. „Waar is de Jood Isaäk? Hij moet het weten.” Isaäk had tot hier toe, met geknevelde handen op een pakpaard gezeten, het regiment met den trein en wagenknechten moeten volgen. Hier zocht men hem ook thans, doch te vergeefs; in het gewoel van den aanval was het hem gelukt te ontkomen.

„Dus hebben de kozakken ons toch nog schade toegebracht,” riep Rasinski; „dien Jood had ik met hart en ziel de galg gegund.”

Intusschen was toch een gedeelte der infanterie en eenige lichte ruiterij met het korps van den generaalNewerowskoislaags geraakt, die na dappere tegenweer terug geworpen werd.—Tegen het ondergaan der zon sloeg Rasinski's regiment het nachtleger op. Juist had men zich om het helder vlammend vuur in een kring geschaard, toen de donder der kanonnen zich eensklaps liet hooren.

Alles geraakte in beweging, doch spoedig vernam men, dat het vreugdeschoten, ter eere van het zegenrijk gevecht met de Russen en van den geboortedag des keizers waren.

„Waarlijk!” riep Rasinski uit, „bijna zou ik vergeten hebben, dat wij heden den 15 Augustus schrijven. Dit salvo is iets waard, want het wordt met russisch, heden buit gemaakt kruit gelost. Laat ons dan ook den dag niet vergeten, mijne vrienden, maar in een vroolijken kring op het welzijn des keizers drinken.”

Deze uitnoodiging werd met blijdschap aangenomen. Het vuur vlamde spoedig helder op; daar omheen legerden zich de officieren van het regiment en de beide vrienden, die steeds door Rasinski als tot zijn staf behoorende beschouwd werden.

„Onze drinkschalen zijn wel niet van de glansrijkste,” sprak Rasinski, toen ieder het glas, den beker, of wat anders bij de hand was, gevuld had, „de tafel is wel niet terijk bezet, maar de gasten zijn, vertrouw ik, zoo edel, als zij ooit in eene pronkzaal bijeen zaten. Zoo heet ik u dan welkom, mijne kameraden!”

Eensklaps werden zijne trekken ernstig; met waardigheid trad hij voor den kring der gelegerde broeders, steunde met den linkerarm op de sabel en hield met den rechter den gevulden beker omhoog.

„Vrienden!” begon hij op plechtigen toon, „na lange jaren betreden wij heden, door den grooten keizer der Franschen aangevoerd, het gebied van oud-Rusland voor het eerst weder met de wapens in de vuist! Wij staan op den bodem, waar onze vaderen eertijds zoo menigen roemrijken kamp met den gehaten nabuur gestreden hebben. Herinnert u, broeders, hoe er een tijd was, dat Polens vanen in Moskou van het Kremlin waaiden, dat onze waiwoden den Russen hunnen czaar gaven. De czaar Boris Godunow, die de oude stad Smolensko, welke daar achter gindsche heuvels door het duister van den nacht bedekt wordt, grondvestte en de muren met hunne torens bouwde, die wij morgen wellicht in stormloop beklimmen—die czaar Boris Godunow verloor den troon door de dapperheid onzer voorvaders. Dat waren Polens glansrijke dagen! Maar zij keeren weder! Als een feniks uit de asch zal de witte arend zich uit het rookend puin verheffen, waaronder ons vaderland bedolven ligt, sinds verraad en overmacht de brandfakkels in onze steden en velden slingerden. In de diepte smeulde de vonk voort; in de borst van elken Pool blaakt nog de machtige vlam van den ouden heldenmoed, van de oude vaderlandsliefde. De dag der vergelding, der verzoening, der gerechtigheid is daar!—De wereldgeschiedenis heeft den grooten man aan het licht gebracht, die dezen dag doet aanbreken. Zijne banieren volgende, stormen wij ter zege over onze vijanden! Op dan, ledigt op hem dezen beker. Leve de keizer, leve Polen, leve de vrijheid!”

Gelijk een stormwind de losgebarsten vlammen opjaagt, drongen de vurige woorden van Rasinski in het hart zijner van vaderlandsliefde en heldenmoed gloeiende strijdgenooten. Tot marmerbeelden versteend, hadden zij elk woord van zijne lippen opgevangen; slechts het vurige oog verried het leven in hunne borst. Thans sprongen zij op. Onder tranen en gejuich herhaalden zij den kreet: „Leve de keizer, Polen, de vrijheid!” Met duizendvoudige echo's klonk de juichtoon verder, want de kring had zich door de van alle zijden toedringende krijgers tot in het onafzienbare uitgestrekt. Toen Rasinski zijn beker geledigd had, slingerde hij dien hoog in de lucht, breidde de armen uit en sloot den naasten makker onstuimig aan de borst. De vrienden omringden hem, wierpen zich aan zijne voeten, grepen zijne handen, bedekten ze met kussen en tranen. Eene bijna waanzinnige geestvervoering had zich van allen bemachtigd; luid weenend hielden jongelingen en mannen elkander omstrengeld. Diepe smart en namelooze verrukking welden tegelijk met machtige golven in de ziel op en dreigden de geschokte gemoederen geheel te overstelpen. De ouden van dagen gevoelden zich verjongd en over den grijzen knevelbaard van Petrowski rolden even heldere tranen, als over Jaromirs bloeiende wangen.

Lang duurde het eer de hevig opbruisende vloed weder in de kalmere bedding terugkeerde. Een milde, zachte ernst vervulde hierop de gemoederen. Vertrouwelijk bleef men om de vlam gelegerd en gaf zich aan het zoet gevoel van hartelijke, broederlijke gemeenschap over. Al langzamerhand nam de gloed der legervuren af; de vermoeide natuur gevoelde na de verdubbelde inspanning eene verdubbelde afmatting. De zachte slaap deed de krijgers den een na den ander nederzijgen. Jaromir legdehet blonde hoofd op Bernards schouder, die dien last gewillig droeg en eindelijk, zelfs door den sluimer overmand, met hem op het gras terugzonk. Lodewijk bleef nog lang wakende. Alles zweeg om hem heen; de verteerde denneblokken braken doormidden; de vlam verdoofde; de nachtelijke hemel welfde zich donker over het leger; door den in breede dwarlende zuilen langzaam opstijgenden rook schemerden matte sterren. Een ernstig, somber beeld!

En donker werd het in de ziel van den jongeling. Het hopeloos treurend vaderland, de verre geliefden, het dierbare beeld van een onbekend, spoorloos verdwenen wezen, dat zijn hart nog altijd geheel vervulde—dat waren de treurige gestalten, die zich op den somberen achtergrond van den nacht voor hem afteekenden.

Die diepe, onuitsprekelijke angst beklemde zijne borst; het was hem eensklaps, alsof hij aan de smart niet langer weerstand kon bieden, alsof hij onder deze bezwijken moest. Met al de innerlijke kracht zijner ziel moest hij zich wapenen, om niet moedeloos neer te zinken onder den last, die op zijn hart drukte. Zijn oog viel op Bernard, die, door den matten glans van het vuur bestraald, nevens hem sluimerde. Toen hij in dat trouwe, edele gelaat blikte, waarop fierheid en kracht zich met welwillende zachtheid innig paarden, waaruit de liefde hem uit broederlijke, hartelijke trekken vriendelijk toelachte, toen keerde eene vertroostende kalmte in zijn geschokten boezem terug, en hij dacht: „Neen, hij mag zich nog niet ongelukkig noemen, die aan de zijde van zulk een vriend insluimert!”

En rustiger vlijde ook hij thans het hoofd aan de borst van den vriend neder, hulde zich in den mantel en sliep in.

„Dat zijn de torens van Smolensko!” riep Rasinski, toen hij aan de spits van zijn regiment eene boschrijke hoogte bestegen had, vanwaar men de grijze stad op nauwelijks een uur afstand voor zich zag. „Wij moeten nu langs den zoom van den heuvel, door het kreupelhout, afdalen, om ongemerkt tot dicht onder de muren te komen.—Ik vrees, ik vrees, dat wij een harden strijd zullen te kampen hebben. Ziet gij daar die stofwolken op de heuvels aan gindschen oever van den Dnieper? Dat kunnen geen troepen van ons leger zijn! In den zwavelpoel der hel zou ik den Jood wenschen; want het is zoo goed als zeker dat hij het opzet van den keizer beluisterd of geraden en aan Barclay overgebracht heeft. Mijn kop wil ik er op verwedden, dat het de russische hoofdarmee is, die daar aanrukt!”

„Nu, dan is de gewenschte slag immers daar?” hervatte Bernard op vragenden toon.

„Misschien; maar nog niet zeker, en in allen gevalle onder veel ongunstiger omstandigheden, dan wanneer wij Smolensko vroeger bereikt, het bezet en zoo den weg naar Moskou voor den vijand afgesneden hadden. Dan moest hij ons de vesting ontrukken; thans zullen wij duizenden voor haar bezit opofferen.—Ware het ons slechts gelukt,Newerowskoiaf te snijden, dan zouden wij nog de eersten geweest zijn!”

Onrustig stoof Rasinski alleen vooruit naar een nabijliggenden heuvel, die een vrijeruitzicht vergunde; het regiment trok intusschen langs den aangeduiden weg, die in breede bochten op de stad aanliep, langzaam voorwaarts.

„De landstreek is toch niet geheel onbevallig,” sprak Lodewijk tot Bernard, daar eene breede opening in het kreupelhout juist een verren blik in het Dnieperdal vergunde. „Ziet gij ginds dat kasteel aan genen oever op den heuvel?”

„Een statig gebouw,” hervatte Bernard. „Het schijnt van zonderlingen, voorvaderlijken bouwtrant, voor zoover men van hier kan zien. Wellicht zullen wij er spoedig ons nachtkwartier in opslaan, daar het, met het aanzienlijke dorp, dat zich ginds ter zijde uitstrekt, waarschijnlijk even verlaten zal zijn, als alle plaatsen, die wij tot hiertoe doortrokken.”

„Inderdaad eene treurige wildernis, die wij doortrekken!” hernam Lodewijk. „Maar het gindsche slot brengt een zonderlingen indruk op mij te weeg. Ik ondervind hier voor het eerst, dat de verte, de vreemdheid, haren invloed merkbaar doen gelden. De bouworde, de ligging, alles wekt een zonderling, zeldzaam gevoel in mij op.”

„Ook in mij flikkeren eenige vonken van avontuurlijk romantische verschijningen op,” sprak Bernard luchtig. „Hoe, wanneer daar eene bekoorlijke prinses woonde, of wanneer het slot bestormd werd, in brand vloog, en wij een liefelijk wezen van onbegrijpelijke schoonheid uit de vlammende zalen redden? Mij dunkt, ik zie den rooden gloed nu reeds om de zonderlinge torenspitsen spelen.”

„Scherts niet,” sprak Lodewijk ernstig. „Uwe voorzegging kon ten minste gedeeltelijk bewaarheid worden; wie weet, met welk vreeselijk onheil de ongelukkige bewoners werkelijk bedreigd worden!”

„Licht mogelijk, dat zij zelven de pekkransen in hunne bezitting slingeren; het slot schijnt niet ver van den landweg gelegen, die langs den anderen oever heenloopt, en tot hiertoe hebben wij niet vele onverwoeste dorpen en sloten op onzen weg aangetroffen. Het schijnt, dat de Russen ons liever eene verwoeste provincie, dan eene onvernielde stad inruimen. Doch daar komt immers Rasinski met lossen teugel terug.”

Inderdaad kwam deze met zulk een spoed aanrennen, dat zijn paard wild uit de neusgaten blies en het stof in dwarlende wolken achter hem opsteeg. Reeds van verre wenkte hij met de sabel. Zijn naaste plaatsbekleeder, majoor Negolinski, verstond dit teeken en liet het regiment in vliegenden galop bij den volgenden heuvel oprukken. Thans zag men Smolensko voor zich; tegelijk kon men de gansche landstreek tot in de verte overzien en ontdekte verschillende korpsen der groote armee, die op eenige punten reeds tot binnen de geschutlijn der vesting waren doorgedrongen. Op genen oever werd men daarentegen de tallooze russische legermassa's gewaar, die in vliegenden stormmarsch op Smolensko aanrukten, om de stad te bezetten, eer de Franschen zich van haar hadden meester gemaakt.

„Voorwaarts, voorwaarts!” schreeuwde Rasinski. „Het dal af, langs den stroom op, wellicht gelukt het ons den vijand te verrassen.” Hij zelf rende wederom ver vooruit, alsof hij het oogenblik, waarop men zich met den vijand meten zoude, niet kon afwachten.

Toen men de rivier bereikt had, lag Smolensko op zijne beide steile heuvels aan deze en gene zijde van den Dnieper, dicht voor de aanvallers, ja bijna boven hen. Reeds hoorde men kanongedonder en klein geweervuur. Wolken van stof en rook omhulden het dal en den stroom; slechts de tinnen van den ouden stadsmuur en de hooge torens verhieven zich boven den nevel. De ruiters volgden hun aanvoerder,zonder te weten, of zij vriend of vijand voor zich hadden; want in den dichten damp, dien de wind hun te gemoet joeg, was niets te onderscheiden.

Plotseling kwam Rasinski weder op hen toe. „Halt!” was zijn commando. Het regiment stond als een muur; de ruiters, door den overhaasten rit op den oneffen grond ten deele uit hunne gelederen gedrongen, ordenden zich in stilte weder. „Eerste escadron links zwenkt! Regiment marsch!”

Langzaam voerde Rasinski de zijnen de helling weder op en boven over de heuvelachtige vlakte naar eene, met hout bedekte hoogte, die buiten het bereik der vesting lag.

„Het was te laat,” zeide hij in het terugrijden. „De koning van Napels wilde van deze zijde met de cavalerie, de maarschalkNeyvan gene zijde met de infanterie de stad overvallen, maar de Russen zijn te vast verschanst en hebben te veel geschut. Binnen een half uur moet bovendien de hoofdarmee hier zijn, en dan ware het dwaasheid, juist hier den kamp te beginnen. Echter heb ik hoop, dat men zich morgen door een slag van het bezit der vesting zal trachten te verzekeren, daar het er hier op aankomt, de hoofdpoort te verdedigen, die naar Rusland voert.”

Het regiment betrok het bivak.

Tegen den avond kwam een adjudant van den generalen staf aanrennen en vroeg naar Rasinski. Hij werd bij den keizer ontboden, die, benevens de maarschalken, ook alle der landstreek kundige officieren om zich verzameld had, ten einde betrekkelijk den aanval, dien hij morgen op de stad wilde ondernemen, van hen eenige inlichtingen te bekomen. Om mogelijke bevelen spoedig te kunnen afzenden, liet Rasinski zich door Bernard en Lodewijk verzellen. Zij hadden moeite de tent van den keizer te bereiken, wijl de tot nabij de stad voortgerukte troepen op bevel van Napoleon hun bivak ontruimen en het verder achterwaarts weder moesten opslaan.

„Wat beteekent die beweging?” vroeg Rasinski aan een adjudant, die met hem den zelfden weg nam.

„De keizer wil den vijand een slagveld vrijlaten; hij hoopt, dat de russischeliniënmorgen eindelijk geordend voor ons staan en den kamp zullen aannemen.”

„En onze stelling?” vroeg Rasinski verder.

„Daar op het gindsche amphitheater van heuvels, die een halven kring om de stad sluiten. Het zijn slechts holle wegen en engten, waartegen wij leunen; bij een terugtocht eene bedenkelijke stelling!”

„Het woord terugtocht heeft de keizer in zijn woordenboek doorgestreken,” hernam Rasinski; „voor elk ander veldheer ware de misslag groot. Hij echter heeft de zekerheid van de overwinning; tot hiertoe ontbrak hem niets dan de vijand. Gave de hemel dat die morgen toch eindelijk stand hield!”

„Hm! Ik twijfel er aan. Waarom zou hij vóór de vesting een slag wagen, wanneer hij het daarachter even goed kan?”

„Bagration heeft, naar men verneemt, den grootsten lust tot een gevecht.”

„Barclay des te minder.”

„Hij is niet bemind; de Rus haat hem, slechts de keizer is zijn steun. In zijn eigen vaderland aangetast, moet het den Rus in zijne eer ten diepste krenken, dat hij, zonder weerstand te bieden, telkens wijken moet. Barclay zalmoetenvechten, daar het leger hem anders niet langer gehoorzaamt. In zeker opzicht staat de veldheer, niettegenstaande zijne onbeperkte macht, nog altijd onder het bevel des legers. En het zwaarst vanalles is, den strijdzuchtigen soldaat van den slag terug te houden; tevens is het ook het gevaarlijkst, want hij toont naderhand juist in het beslissende oogenblik onwil, wanneer men vroeger zijne dapperheid met geweld in boeien heeft gelegd. Een veldheer moet niet slechts het terrein, hij moet ook den innerlijken mensch weten te beoordeelen; verrekent hij zich dáár, dan zal al zijne taktiek hem weinig baten.”

„Hoopt gij iets goeds van den slag?” vroeg de officier na eene poos stilzwijgen.

„Zonder twijfel de beslissendste overwinning; echter zal zij bloed kosten.”

„Voorzeker, veel. Reeds bij den aanval van heden hebben wij een geducht verlies geleden. Van het bataljon, waarmede de maarschalkNeyliet aangrijpen, zijn twee derden gebleven. Zij geraakten in het flankvuur der russische batterij, één enkele kogel trof zoo moorddadig, dat hij vier en twintig soldaten verpletterde. Wij konden het van de hoogte maar te duidelijk aanzien.”

„Te vallen is de ernstige bestemming van den soldaat,” hernam Rasinski. „Maar hoor! Tirailleursvuur!”

„De keizer heeft bevolen, dat het eerste korps den vijand verontrusten zal, om hem misschien op dezen oever der rivier te lokken.”

Gedurende dit gesprek was men, deels tusschen bivaksvuren en gelegerde troepen door, deels om terugtrekkende afdeelingen heenrijdende, aan de legerplaats der oude garde gekomen, in welker nabijheid de tent des keizers op eene boschachtige hoogte was opgeslagen. Men zag hem juist met een vrij talrijk geleide afrijden, vermoedelijk om den omtrek te verkennen; Rasinski stoof in gestrekten galop na, de beide vrienden volgden op een behoorlijken afstand. Ongeveer een half uur reed de keizer met zijn gevolg van den eenen heuveltop naar den anderen. Van wat inmiddels verhandeld werd konden Lodewijk en Bernard niets verstaan, daar zij met andere ordonnans- en jongere officieren ten minste dertig tot veertig schreden achter de maarschalken reden. Thans hield de keizer stil en sprak met den maarschalkNeyen den koning van Napels; hierop wenkte hij Rasinski, dien hij een uitvoerig bevel scheen te geven, want hij sprak lang en met driftige gebaren.

Dadelijk reed deze terug, liet zich door Lodewijk verzellen en beval Bernard, den trein verder te volgen en daarna bij de keizerlijke tent te wachten, tot hij eenig schriftelijk of mondeling bevel ter overbrenging zou hebben ontvangen.

Bij het toenemen der duisternis keerde Napoleon naar zijne tent terug. De maarschalkenBerthier, Ney, Murat, Davousten de onderkoning van Italië volgden hem. Twee grenadiers van de garde hielden wacht aan de tent; Bernard en drie ordonnans-officieren plaatsten zich nabij den ingang, om de bevelen af te wachten. Binnen een kwartier werden de drie afgevaardigd, Bernard bleef alleen zonder verdere bestemming. Het was stil geworden; de vermoeide troepen lagen in hunne mantels gewikkeld en sliepen; ook het minste geruisch in de verte begon hoorbaar te worden. Zoo kon Bernard thans onderscheiden, dat in de tent levendig gesproken werd; echter was het hem onmogelijk den loop van het gesprek te volgen. Slechts enkele woorden verstond hij en wel bij herhaling de namen Smolensko en Moskou. Gaarne ware hij eenige schreden nader getreden, maar de beide baardige grenadiers met hunne hooge berenmutsen, die met afgemeten passen voor de tent op- en nedergingen, hielden hem door den ernstigen blik hunner zwarte oogen op een eerbiedigen afstand.

„Men spreekt van den slag, dien wij wellicht morgen leveren,” begon hij eindelijk; „kunt gij het gesprek volgen, mijne vrienden?”

„De schildwacht des keizers hoort niets, kameraad,” antwoordde een der grenadiers met strengen blik.

„En spreekt ook niet,” voegde de andere er op verwijtenden toon bij.

Pas had men deze woorden gewisseld, toen de maarschalkenNeyenDavoust, beiden zichtbaar in hevige gemoedsbeweging, met rassche schreden de tent verlieten en een verschillenden weg insloegen, zonder van elkander afscheid te nemen. Het viel onmiskenbaar in het oog, dat zij zich in een uiterst verbitterde stemming bevonden. Intusschen werd het gesprek in de tent nog driftiger. Bernard onderscheidde duidelijk de stem van den keizer, die luid en heftig sprak. De vice-koning van Napels verliet eenige oogenblikken later de tent. De schildwachten trokken het geweer aan, toen hij voorbij kwam; maar de anders zoo vriendelijke, welwillende man verzuimde den groet te beantwoorden; hij scheen, innerlijk zoo geschokt en ontroerd, dat de uiterlijke voorwerpen hem geheel ontgingen. Bernard kon bij den schijn van een, niet ver van de tent brandend vuur, waaraan de keizerlijke keuken bezorgd werd, de edele veelbeteekenende trekken van den vorst, op wiens voorhoofd zorg en kommer duistere wolken samentrokken, vrij duidelijk onderscheiden. Er lag zooveel zachtheid in dat gelaat en zooveel mannelijke stoutheid met vriendelijken adel gepaard, dat de indruk, dien het teweeg bracht, onvergetelijk zijn moest. Nog volgde Bernard met onafgewende blikken de edele gestalte, toen het kletteren eener sabel zijn oog opnieuw naar den ingang der keizerlijke tent trok. Het was de koning van Napels, die in zijne avontuurlijk vreemdsoortige dracht, een reigerveer op de met pels omzoomde muts, onder het onverstaanbaar mompelen van eenige, toorn en ijver verradende woorden uit de tent te voorschijn trad. Zonder Bernard te bemerken, ging hij strijkelings diens paard voorbij, en duidelijk kon deze verstaan, dat hij stampvoetend en met eene halfgesmoorde stem uitriep: „Moscou! Moscou! Cette ville nous pendra.”

Nauwelijks was hij echter eenige schreden verder, toen hij eensklaps als zich bezinnend, bleef staan, zich omwendde en riep: „Waar is de ordonnans van overste Rasinski?”

Bernard wilde van het paard springen en zich aanmelden, doch de koning riep hem toe: „Blijf zitten! Deze order voor den overste! Haast u!”

Met deze woorden verwijderde hij zich, en Bernard rende met lossen teugel op het bivak van zijn regiment toe.

Met een gelukkig plaatsgeheugen begaafd, gelukte het hem, in weerwil der duisternis en der van alle zijden verwarrend flikkerende legervuren, die, wijl hunne verte en nabijheid zoo moeilijk te berekenen zijn, dikwijls als dwaallichten van den rechten weg afleiden, toch in korten tijd de legerplaats zijner kameraden te ontdekken. Rasinski brak de order met driftig ongeduld open en verslond de regels bij den glans van het vuur.

„Goed, goed,” mompelde hij, „ik vrees maar, dat het onnoodig zal zijn.”

De nacht verstreek zonder eenige bijzondere ontmoeting; men had de wachten verdubbeld, en een deel der manschappen bleef onder de wapenen; intusschen werd de rust der overigen door niets gestoord. Bij het aanbreken van den dag verwachtte men den vijand in slagorde geschaard te zien. Men had zich bedrogen. De wijde ruimte, die men hem tot een slagveld had gelaten, was eenzaam en ledig. De stad met hare oude, dikke, met achttien torens gekroonde muren lag stil en doodsch in de vale morgenschemering; geen geluid liet zich daaruit vernemen. Het gansche leger der Franschen stond onder de wapens; op den eersten wenk konden de troepen in slagorde uitrukken. Men zag den keizer, door maarschalken omstuwd, meermalen over het veldrijden; hij rende de eene hoogte na de andere op en zag in het rond, deels om, ingeval het tot een treffen kwam, zijne maatregelen te nemen, deels in de gestadige verwachting, dat de vijand toch eindelijk nog zou komen opdagen.

Een maarschalk, het wasBelliard, kwam op Rasinski toe, wenkte en sprak eenige woorden met hem. Dadelijk beval deze het eerste escadron, hetwelk door Boleslaw werd aangevoerd, hem te volgen.

Zij reden een eindweegs langs den Dnieper voort; bij eene kromming van den weg stieten zij op twintig of dertig kozakken, die, zoodra zij den vijand in het oog kregen, als een zwerm opgejaagde vogels ijlings over de vlakte stoven. In ééne minuut waren zij verdwenen; echter ontdekte men hen eenige oogenblikken later weder aan den voet eens heuvels, waar zij op eene plaats van den stroom, die tot hiertoe door zijne kromming onzichtbaar was geweest, met hunne paarden naar den tegenoever overzwommen.

„Duivel!” riep Rasinski plotseling uit en wendde zich tot den maarschalk, terwijl hij met de sabel voor zich uit wees. „Ziet gij naar die massa's! Het is de russische armee in vollen aftocht op den weg naar Moskou.”

De maarschalk sloeg een mistroostigen blik naar de overzijde. „De keizer zal buiten zich zelf zijn; tot hiertoe had hij nog altijd gehoopt, het leger hier tot den slag te zien uitrukken, enDavoustversterkte hem in dien waan. Nu is de begoocheling voorbij, zie slechts die onmetelijke rijen artillerie, infanterie en cavalerie, die den weg bedekken. Doch ik wil het dadelijk melden.” In gestrekten galop vloog de maarschalk thans over de vlakte terug op de tent des keizers toe.

Rasinski droeg aan Boleslaw op, met het escadron den vloed hooger opwaarts te verkennen en eene ondiepte te zoeken, waardoor men met de ruiterij en desnoods ook met infanterie en geschut den anderen oever konde bereiken; want hij vermoedde terstond, dat de keizer bevel zoude geven, de armee in de flank te vallen en haren aftocht te verontrusten.

Boleslaw reed verder dan een uur langs den oeverkant voort. Overal, waar het water slechts een schijn van ondiepte vertoonde, was hij de eerste, die beproefde er door te waden, doch nergens vond hij, wat hij zocht, en bijna had hij eenige manschappen bij zijn vruchtelooze pogingen ingeschoten. Verdrietig, dat het hem niet gelukken wilde, den last te volvoeren, was hij op het puntvan denteugel om te wenden, toen hij achter zich den donder eener batterij vernam. Hij wierp zijn paard om en zag den oever met geweldige artilleriemassa's beplant, die op de, aan de overzijde van den stroom zich langzaam voortbewegenderussischearmee hun vuur uitbraakten. Thans wierp ook deze eenige batterijen op, om het vijandelijke vuur tot zwijgen te brengen, en spoedig werd men de vreeselijke uitwerking daarvan gewaar. Eene wolk legerde zich als een nachtelijk monster op het veld; slechts eenige roodachtige tongen bliksemden door het duister en werden onmiddellijk daarop door den rollenden donder gevolgd. Boleslaw, die de hoop om eene doorwaadbare plaats te vinden, nu had opgegeven, besloot met zijne lieden terug te rijden. Zoo had hij dan het veld der verwoesting en des doods voor zich, want niet slechts de batterijen vuurden onophoudelijk op elkander, maar ook de gansche vlakte van Smolensko dreunde van een verbitterd gevecht.

De keizer had den aanval op de stad bevolen, waarvan hij zich thans ten spoedigste wilde meester maken. De zwarte massa's infanterie rukten dus van alle zijden aan,ten einde den vijand, nadat hij door het vuur der artillerie verzwakt was, geheel te verdrijven. De aarde scheen angstig te zwoegen onder het dof gedreun; grijze rookwolken trokken langzaam over de strijdenden voort en overschaduwden het veld des doods. Als een bloedig oog blikte de verduisterde zon op de slachting neder. De vogels fladderden angstig en verschrikt in het rond en vluchtten van de schouwplaats der verdelging. Buiten den doffen donder van den slag, dien Boleslaw slechts in de verte vernam, liet zich geen geluid hooren. De natuur lag in diepe stilte; geen windje ritselde door het loover. Zwijgend en ernstig reed Boleslaw aan de spits der zijnen langs den rug des heuvels op het slagveld aan. De kamp, die de krijgers met vlammenden moed vervult, wanneer zij zich midden in zijne golven zien neergestort, verwekte thans, daar zij hem uit de verte moesten aanzien en geen aandeel in de beslissing konden nemen, eene angstige beklemming in hunne borst. Buiten de handeling geplaatst, gevoelden zij hare vreeselijke beteekenis te dieper, naarmate zij die beter overzien konden.

„Daar in dien kuil spookt de baardige satan, geloof ik,” sprak de oude Petrowski en wees naar eene plaats, waar de fransche vuurmonden in den dichtsten damp gehuld stonden.

„Zij schijnen in drievoudig kruisvuur te staan,” hernam Boleslaw.

„Voorzeker; de drie zwarte wolken daarboven bliksemen er al op los! En zij treffen. De kruitwagens vliegen in de lucht, alsof zij op vlammende mijnen stonden. Daar komt eene reservebatterij aandraven; zij moeten er al verduiveld van gelust hebben. De Moskoviten beginnen er ernst mee te maken. Hadden wij hen maar op de vlakte, waar de cavalerie er op los kan houwen! De sabel is mij van daag zoo licht in de hand als een wandelstok! Ik zou hen.... Donder en hel! alweer eene kruitkist naar den duivel!”

Inderdaad scheen de plaats, waarop Petrowski gewezen had, vooral thans, nu men nader kwam, een vuurspuwende vulkaan. De rook dwarrelde in dicht opeengepakte wolken daaruit omhoog, en trok langzaam, in donkere, zwarte wentelingen over de vlakte voort. Daardoor juist werd het vuur van den vijand zoo verderfelijk, dat hij het voordeel had, zijn tegenstander duidelijk te zien, terwijl hij zelf door den voorwaarts trekkenden rook dicht omhuld was. Zoo sloegen de kogels en granaten onophoudelijk met verheerende kracht op de batterij neer. Raderen en assen werden tot splinters geschoten, de paarden steigerden en verscheurden zeelen en strengen, granaten barstten, kruitkarren vlogen in de lucht, en bij dat alles kraakte en donderde het eigen legervuur der batterijen, dat de grond, waarop zij stonden, sidderde en dreunde.

„Wij moeten, geloof ik, nog verder links rijden,” sprak Boleslaw tot Petrowski,„anders komen wij zelve in de geschutlijn.”

„Ik geloof het ook,” antwoordde de oude; „wij konden geheel zonder noodzaak een half dozijn paarden kwijt raken en ik verlies niet gaarne iets, waar niets te winnen valt.”

„Gij hebt gelijk, oude! Er zal ons dan niets overblijven, dan achter gindschen heuvel om te rijden,” hervatte Boleslaw, na een blik over de landstreek geworpen te hebben.

Hij sloeg een hollen weg in en was dus spoedig buiten het bereik van het vijandelijke vuur, maar kon ook niets meer van het slagveld overzien. Weldra had hij het bivak bereikt, waar hij Rasinski van zijne vergeefsche pogingen bericht gaf.

„Ik wist het reeds,” antwoordde deze; „want wij hebben intusschen eenige lieden opgespoord, die met de landstreek bekend zijn. Verder opwaarts is evenwel nog een doortocht te vinden, waarvan wij echter niet vóór den avond willen gebruik maken daar er slechts weinig lieden tegelijk over kunnen trekken en de plaats door de steile oevers voor het geschut geheel ongenaakbaar is. De aanval met een geheel korps op de achterhoede der Russen is dus niet denkbaar, maar toch kunnen wij wellicht een blinden schrik onder hen brengen, een troep naloopers gevangennemen en eenigen buit maken. Dit is aan ons opgedragen. Het verheugt mij, dat wij dan toch nog eenig aandeel in den dag van heden krijgen zullen, daar de cavalerie overigens ledig toeschouwster blijven moet.”

Intusschen werd het gevecht onder de muren der stad met verbittering voortgezet. Rasinski was met zijne officieren naar een punt gereden, waar zij het bloedig tooneel in zijn ganschen omvang konden overzien. Ook thans nog was de stelling der batterijen aan den stroom de plaats, waar dood en verwoesting het vreeselijkst woedden. Met bezorgdheid richtten zich de blikken der toeschouwers daarheen, waar zoovele kameraden aan het lot van den dag moesten worden opgeofferd. Een aantal ruiters kwam uit de dichte rookzuilen te voorschijn rijden en nam zijn weg over de vlakte naar de tent des keizers. Met verbazing herkende men, toen zij naderden, den koning van Napels. Hij reed langzaam voorbij en beantwoordde den eerbiedigen groet der officieren, zonder verder naar hen om te zien. Een officier uit zijn gevolg rende op Rasinski toe. Het was de oversteRegnard.

„Om 's hemels wil,” vroeg hem Rasinski, „wat hadt gij daarboven in dien ziedenden ketel te doen en bovenal wat wilde de koning daar?”

„Wat hij wilde? Bezwaarlijk, wat hij nu doet: weder terugrijden. Er moeten gisteren zeldzame dingen tusschen hem en den keizer zijn voorgevallen, want hij is geheel veranderd. Hij bleef hardnekkig bij zijn voornemen, om zich in dien helschen kuil te laten neerschieten. Toen wij hem bezwoeren terug te rijden, riep hij: „Ik wil niemand met mij in het verderf storten,” en wilde zijne adjudanten wegzenden. Eenstemmig verklaarden zij, geene schrede van hem te zullen wijken. Op hetzelfde oogenblik sloeg een houwitser neer en deed het paard van zijn lievelingDuteuilter aarde storten, zoodat hij dezen zelf gedood meende. Verschrikt sprong hij uit den zadel en trok hem zelf van onder het stuiptrekkend dier weg. Toen hij hem nog in leven en ongekwetst zag, kuste hij hem en zeide: „Laat ons dan terugrijden.””

Bernard hoorde dit verhaal met gespannen deelneming aan en bracht het dadelijk in verband met wat hij gisteren voor de tent des keizers waargenomen, maar aan niemand medegedeeld had.

„En vermoedt men wat tusschen den keizer en zijn zwager kan zijn voorgevallen?” vroeg Rasinski.

„Ieder gist het zijne,” antwoorddeRegnardde schouders ophalende;„hij zal evenmin alsDuroc, Daru,Lobau, kortom, als wij allen met den veldtocht tevreden en daarover met hem in strijd geraakt zijn. Het oude lied met het oude refrein. Nu, wanneer wij heden een twintig duizend man laten, om den steenhoop daar ginds te veroveren, zal er wel een luid deuntje in het geheele leger worden gezongen. Ten minste zal ieder het stil voor zich zelf neuriën. Goeden morgen!” Met deze woorden reed hij verder en liet Rasinski in sombere mijmeringen achter.

De aanvallen op Smolensko werden den ganschen dag door onophoudelijk vernieuwd. De Russen verdedigden zich koelbloedig, maar vreeselijk. Duizende krijgers zonken op het veld des doods neder, en nog immer was de prijs voor deze offers niet gewonnen, toen de zon reeds begon te dalen en achter grauwe wolken verdween.

Thans was de gunstige tijd voor Rasinski's plan gekomen. Hij liet opzitten en trok met zijn regiment langs den Dnieper voort, maar hield zich zoo ver van den oever verwijderd, dat men hem van de overzijde niet ontdekken konde. Nadat men een uur had afgelegd, werd deze voorzorg overbodig, daar het geheel donker was geworden.

„Ieder houde zich doodstil! Niemand mag rooken of vuur slaan!” luidde het bevel dat de overste van rot tot rot liet voortloopen. Hij had een jongeling uit den omtrek bij zich, die hem tot gids diende. Met dezen onderhield hij zich in het russisch, zoodat niemand der overigen verstaan konde, waarover hij met hem sprak. De gansche tocht werd als een geheim behandeld.

Men bevond zich in een vrij dicht kreupelhout, toen Rasinski halt liet houden. Hij zelf reed, enkel door zijn geleider verzeld, verder voorwaarts en beval het regiment, zijne terugkomst af te wachten.

Eene hooggespannen verwachting heerschte in de gelederen. Rondom ademlooze stilte; de donder van den slag, dien men nog lang in de verte gehoord had, was verstomd. De vallende avond had aan den bloedigen moord een einde gemaakt. Slechts de wind ruischte in de toppen der berken en dennen, van tijd tot tijd hoorde men het geroep van den roerdomp. Een half uur bracht men op deze wijze door. Eindelijk kwam Rasinski terug en gebood stapvoets voort te rukken. Men moest eenige woeste heuvels, die met bramen en varenkruiden bedekt waren, op en af; hierop stond men onverhoeds aan eene steile helling en hoorde de Dnieper ruischen, in wiens golven de zwarte, nachtelijke hemel zich donker afspiegelde. „Bij tweeën afgebroken en mij gevolgd!” fluisterde Rasinski den vleugelman toe; en met dof gemompel liep dit bevel door de gelederen voort. Hij liet daarop zijn paard behoedzaam bij de helling afklauteren en reed door de, hier nauwelijks drie voet diepe stroombedding. Boleslaw volgde met zijn escadron. De overigen moesten, daar die overtocht zich slechts langzaam liet bewerkstelligen, een geruimen tijd op de hoogte wachten.

Bernard, die zich altijd met de plaatselijkheid nauwkeurig zocht bekend te maken, stiet Lodewijk zachtkens aan en fluisterde, met den vinger naar den anderen oever wijzende: „Zie ik daar ginds in de hoogte niet flauw verlichte vensters? Mij dunkt, ik moest mij zeer bedriegen, zoo wij ons hier niet zeer in de nabijheid van het slot bevinden, dat ons dezen morgen reeds zoo in het oog viel.”

„Mogelijk,” antwoordde Lodewijk. „Maar zie eens dien helderen schijn daar achter ons. Wat mag dat beduiden? Boven de boomtoppen is de hemel gloeiend rood.”

„Het zal de opkomende maan zijn,” sprak Jaromir, die zich intusschen bij hen gevoegd had.

„Dat kan niet zijn,” meende Bernard; want die komt eerst tegen middernacht op.

Daar lichtte eensklaps een roode bliksemstraal door den nachtelijken hemel en een bloedigen weerschijn werd op de golven van den vloed zichtbaar.

„Dat is brand,” riep Jaromir met eene gesmoorde stem. „Ziet, ziet! Nu breekt het uit;—de vlammen slaan wild omhoog. Het is Smolensko, dat in brand staat.”

Men kon er niet meer aan twijfelen, want de donkere gloed, met lichter vuurstrepen doortinteld, breidde zich verder en verder over den gezichteinder uit en begon zijn helder schijnsel tot zelfs op de plaats neer te werpen, waar de ruiters zich opeendrongen. Thans werden ook de zwarte torenspitsen van den stadsmuur op den blakenden achtergrond zichtbaar, en de boomkruinen in den omtrek schenen als door de late avondschemering roodachtig verlicht te worden.

„Ziet gij wel, dat ik gelijk had?” met deze woorden wendde Bernard zich nu weder tot Lodewijk en wees naar den anderen oever. „Herkent gij nu het slot in den flikkerenden weerglans der vlammen? Hoor de klok van het dorp. Ik geloof, men luidt storm!”

Inderdaad lag het oude gebouw duidelijk en nauwelijks een vierde uur verwijderd voor hunne oogen. Eene zonderlinge gewaarwording maakte zich van Lodewijks ziel meester. Zou de in scherts gesproken voorzegging bewaarheid worden? Zouden moord en brand ook hier woeden?

Doch de tijd tot verdere bespiegelingen werd hem benomen, daar het rot, waartoe hij behoorde, zich juist in beweging zette, om door de rivier te rijden. Bernard sloot dicht nevens hem aan; toen de hoeven hunner paarden in het water plasten, zeide hij half in scherts, half ernstig: „Rijden wij door den Phlegethon, door den Styx of Cocytus? Men weet waarlijk niet, of het een zwarte, dan een vurige, helsche stroom is!”

De bloedige weerschijn der vlammen, die zich ver over de wentelende golven uitstrekte, gaf hem aanleiding tot deze vergelijking. „Ten minste,” vervolgde hij, „is het voor ons de Rubicon, dien wij overtrekken.Jacta est alea!Wij weten nauwelijks, of wij de overzijde bereiken, veel minder of wij dezen weg terug zullen rijden. In allen gevalle maak ik hiernevens mijn testament, broertje. Als de visschen in den Dnieper of de raven van oud-Rusland mij buit mochten maken, zijt gij mijn eenige erfgenaam. Maar mijn hart—ik begeer daarom niet, dat gij mij den kouden vleeschklomp uit de borst snijdt—breng dat aan uwe zuster Maria en deel het in vrede.”

„Hoe komt gij thans op mijne zuster?” vroeg Lodewijk geroerd.

„Zij is een kostelijk meisje, een engelachtig, braaf kind en verdiende een betere broeder, dan gij zijt. Waarom zij echter juist in dit oogenblik voor mijne ziel staat, als had ik haar zelf zoo trouw als haar spiegelbeeld geportretteert, dat weet ik niet; wij zien onze gedachten wel bloeien, maar weten niet, waar zij gezaaid zijn. Genoeg, schoon mijne gedachten dagelijks een twintig-, dertigmaal naar Dresden enTeplitzreizen, zijn zij toch in deze minuut met buitengewoon driftige vlucht derwaarts heengetrokken; zij vliegen als zwaluwen naar het huisdak. Het moet zijne oorzaak hebben, want alles in de wijde schepping steunt op goede gronden; ik wil het echter nauwkeurig in gedachtenis houden, dat ik op den 17 Augustus, 's avonds te tien uur, aan Maria gedacht heb, en dat zij mij juist in deze minuut nog tienmaal liever is geworden dan te voren.”

Lodewijk drukte den vriend met warmte de hand. Reeds meermalen had hij gemeend te bespeuren, en zich daarover in stilte verheugd, dat in Bernards borst eene zachte warme liefde voor de zuster woonde, doch de zonderlinge mensch liet zelfs den vriend bijna nooit anders, dan door de misvormende, gekleurde glazen van schertsende luim in het binnenste van zijn hart blikken. Daarenboven had Lodewijk steeds het gevoel,alsof Bernards ziel door zoo velerlei grootere gewaarwordingen en diepere, meer woeste hartstochten, zelfs dezulke waaronder zich eene vrouwelijke gestalte verborgen hield, bewogen werd, dat de stille bloem eener liefde voor de zachte, vriendelijke Maria in dien woeligen chaos onmogelijk wortel kon vatten. Er lag iets in zijne natuur, dat scheen aan te duiden: ik zou wel gaarne onder de schaduw dezer boomen vertoeven, deze vrucht plukken, in deze hut vreedzaam wonen, maar ik kan niet, ik mag niet, eene onbekende, overmachtige kracht drijft mij tegen mijn wil voorwaarts. Als de stroom, moet ik de vriendelijke oevers voorbijsnellen, en spiegel ik al somtijds den blauwen, lachenden hemel op mijne vlakte af, ras zwellen de woest schuimende golven met vernieuwde drift op en vernielen het zachte, liefelijke beeld weder. Hoe vurig deze borst ook naar een vreemd hart verlangt, ik durf er geen aan mij verbinden, want ik zou het in den woelenden maalstroom van mijn lot moeten medeslepen. Eene teedere bloem zoude ik, door haar aan deze gloeiende borst te drukken, slechts verzengen, zoodat zij ras verdord neerzonk,—ik zou haar vernietigen,alwas zij mij dierbaarder dan mijn leven. Semele sterft aan de borst van Jupiter; zelfs de vader der goden vermag hare bestemming niet te keeren, hoe diep ook de wonde in zijn eigen onsterfelijk hart dringt.—Deze ééne warme ontboezeming echter, die zoo even vanBernardslippen vloeide, verdreef eensklaps al deze gewaarwordingen en twijfelingen; op den hartelijksten toon antwoordde hij: „Het is wel natuurlijk, dat gij aan haar denkt. In ernstige oogenblikken onzes levens treden de beelden onzer geliefden te lichter te voorschijn, naarmate de grond, waarop zij zich afteekenen duisterder is. Ook ik....”

„Ja, ja, gij hebt gelijk,” sprak Bernard, als om het gesprek af te wenden, „het beeld hier heeft een verduiveld zwarten grond; maar er vallen reeds lichttinten in, want de pekfakkels daar beneden branden in lichtelaaien gloed. Dra kan men de muizen over het veld zien loopen. Maar mij dunkt, de Dnieper is verwenscht koud, en uw knol heeft mij nog daarenboven een ganschen bek water over de lendenen gespogen. Gij moet beter op uw paard passen, als gij een goed kameraad wilt zijn.—Den hemel zij dank! Land! Ik ben nooit een liefhebber van zeereizen geweest.”

Zoodra het regiment op den anderen oever verzameld was, rukte Rasinski in de hoogst mogelijke stilte op het recht vóór hen gelegen slot aan. Toen men nog eenige honderden schreden daarvan verwijderd was, liet hij halt houden. „Vrienden,” sprak hij, „wij zijn aan het doel. Daar in het slot zijn, naar ik met zekerheid onderricht ben, eenige russische generaals en voornamen op een bruiloftsfeest bijeen. Hen op te lichten, is het oogmerk onzer gewaagde onderneming. Thans langzaam voort, tot wij een vlakken bodem voor ons zien en geenerlei beletsel ons meer kan ophouden. Dan echter als de bliksem er op in! Nu voorwaarts, vrienden, houdt u wakker, zijt vlug, koen, doch behoedzaam! Voorwaarts!”

Zij rukten voort, tot aan eene zachte helling. Thans liet Rasinski stormloop blazen, en in den vollen ren der snuivende rossen stoof de schaar den weg naar slot en dorp op.


Back to IndexNext