Op avontuur.De reis van de Abraham Lincoln werd gedurende eenigen tijd door niets bijzonders gekenmerkt. Evenwel gebeurde er iets waardoor Ned Land een proefje van zijne bewonderenswaardige handigheid toonde, en dat bewees welk vertrouwen men in hem stellen kon.Op de hoogte van de Malouïnen, praaide het fregat op 30 Juni Amerikaansche walvischvaarders, die ons verzekerden dat zij niets van den eenhoorn gemerkt hadden. Maar toen een hunner, de kapitein van de Monroe, hoorde dat Ned Land bij ons aan boord was, verzocht hij om zijne hulp om een walvisch te vangen, die in het gezicht was. Onze kapitein, die begeerig was om Ned Land eens in zijne kracht te zien, gaf hem verlof om aan boord van de Monroe te gaan. En het toeval begunstigde Ned zóó zeer dat hij in plaats van éen, twee walvisschen harpoende; den eenen trof hij midden in het hart, en van den anderen maakte hij zich na eene vervolging van weinige minuten meester. Als het monster ooit onder het bereik kwam van Neds harpoen zou ik waarlijk geene weddenschap vóór het monster hebben willen aangaan.Het fregat stoomde met bijzondere snelheid langs de zuidoost-kust van Amerika. Den 3denJuli waren wij voor de straat van Magelhaen op de hoogte van de Maagdenkaap. De kapitein wilde zich echter liever niet in deze bochtige doorvaart wagen, en veeleer Kaap Hoorn omzeilen. De equipage gaf hem eenparig gelijk; en inderdaad, was het wel waarschijnlijk dat wij den eenhoorn in die nauwe straat ontmoetten? Verscheidene matrozen verzekerden dat het dier er niet door kon, “omdat het er te dik voor was!”Op den zesden Juli zeilde de Abraham Lincoln op 15 kilometer om de zuid van het eenzame rotseilandje, dat zoo verloren tegenover het uiteinde van het Amerikaansche vasteland ligt en waaraan de Hollandsche zeevaarder Schouten den naam van zijne vaderstad Hoorn gaf. De steven werd naar het noordoosten gewend en den volgenden dag kliefde het fregat eindelijk de golven van de Stille Zuidzee.“Nu de kijkgaten open!” zeiden de matrozen op de Abraham Lincoln, en zij spalkten de oogen wijd op. Men gunde oogen en kijkers geen oogenblik rust, omdat elk begeerig was naar den uitgeloofden prijs van 2000 dollars voor hem, die het monster het eerste zag. Nacht en dag liet men het oog over het vlak der zee weiden; en zij die beter bij nacht dan bij dag konden zien, deden al hun best om den prijs te verdienen, waardoor de kans om het monster te ontdekken 50 percent grooter werd.Hoewel geene geldelijke belooning mij aanzette, was ik toch niet de minst oplettende aan boord. Ik besteedde maar enkele minuten aan mijn middagmaal, aan rusten slechts een uur of wat, was onverschillig voor regen of wind, en van het dek niet af te slaan. Dan hing ik eens vóór dan achter op het dek over de verschansing, en staarde met begeerige blikken op ’t schuimende kielwater, dat zoover het oog reikte achter het schip te zien was. En hoe dikwijls deelde ik niet in de ontroering van de officieren en van de equipage als een dartele walvisch soms zijn zwarten rug uit de golven omhoogstak. In een oogenblik was dan het dek vol; officieren en matrozen stormden door de luiken naar boven. Elk staarde met hijgende borst en vorschend oog naar den gang van het dier. Ik keek zelfalsof ik er mijn netvlies bij wilde verslijten en blind worden, terwijl Koenraad altijd even bedaard en kalm tot mij zeide:Sloepen zwierven in elke richting om het fregat.Sloepen zwierven in elke richting om het fregat.“Als mijnheer zoo goed wilde zijn om zijne oogen minder wijd open te spalken, dan zou mijnheer vrij wat beter kunnen zien.”Maar ijdele hoop! De Abraham Lincoln veranderde van koers, stoomde op het aangewezen dier los, en als men het naderde bleek het slechts een gewone walvisch of gemeene potvisch te zijn, die weldra onder tal van verwenschingen verdween.Het weer bleef echter goed en de reis werd onder de gunstigste omstandigheden voortgezet. Het slechte jaargetijde was anders in die streken ingevallen, want de maand Juli komt daar met onze maand Januari overeen; maar de zee bleef kalm en men kon haar tot op grooten afstand overzien.Ned Land toonde altijd nog het hardnekkigste ongeloof; hij hield zich zelfs alsof hij nooit naar de zee keek, behalve als hij de wacht had—ten minste als er geen walvisch in het gezicht was. En toch zou zijn scherp oog groote diensten hebben kunnen bewijzen. Maar gedurende acht uur van de twaalf was de koppige Amerikaan in zijne hut, waar hij las of sliep. Honderdmaal verweet ik hem zijne onverschilligheid.“Och, kom,” antwoordde hij “er is niemendal, mijnheer Aronnax, en al was er eens een beest, welke kans hebben wij dan nog om het te zien? Dwalen wij niet op avontuur rond? Men heeft, zegt men, dat ongenaakbare dier in de Zuidzee teruggezien, ik wil dat eens aannemen; maar er zijn reeds twee maanden voorbijgegaan sedert dit gebeurd is, en als ik let op den aard van uw eenhoorn dan houdt hij er niet van om lang in dezelfde streken te huizen. Hij verplaatst zich zeer gemakkelijk; welnu, gij weet het beter dan ik, mijnheer de professor, de natuur doet niets in verkeerden zin, en zij zou aan geen dier dat langzaam van aard is de kracht geven om zich snel te bewegen, als het beest dit niet noodig had; als derhalve uw dier bestaat, is het reeds ver weg.”Ik kon daar niets op antwoorden, want het was waar, wij zochten in den blinde rond; maar hoe kon het anders? Onze kansen waren dus zeer gering. Echter twijfelde niemand nog aan een goeden uitslag, en elk matroos aan boord zou eene weddenschap hebben willen aangaan dat de eenhoorn bestond en weldra zou opdagen.Den 20stenJuli passeerden wij op 105° W.L. den Steenbokskeerkring, en den 27stenvan diezelfde maand den evenaar op 110° W.L. Toen hiervan hoogte was genomen, richtte het fregat zijn koers meer naar het westen en stoomde naar het middelste gedeelte van den Grooten Oceaan. De kapitein dacht met reden dat het beter was om het diepste gedeelte van den Oceaan te bevaren, en zich van het vasteland of de eilanden verwijderd te houden, omdat het dier deze altijd scheen te vermijden, “zonder twijfel omdat hij daargeen water genoeg heeft,” zeide de equipagemeester. Na kolen geladen te hebben stoomde het fregat in de verte langs de Pomotu-eilanden, de Markiezen- en de Sandwichseilanden, passeerde den Kreeftskeerkring op 132° W.L., en zette koers naar de Chineesche zee. Eindelijk waren wij dan in die streken, waar het monster zich het laatst vertoond had; om de waarheid te zeggen, men had aan boord maar een half leven. Elks hart klopte vreeselijk en menigeen haalde zich daardoor voor het vervolg eene ongeneeslijke kwaal op den hals; de geheele equipage verkeerde in zulk eene zenuwachtige spanning dat men er zich ter nauwernood een denkbeeld van kan maken. Men at niet meer, men sliep bijna niet, twintig keer daags veroorzaakte eene vergissing of een zinsbedrog van een der matrozen in de raas eene ondraaglijke teleurstelling, en die zoo dikwijls herhaalde aandoeningen hielden ons voortdurend in een staat van al te groote opgewondenheid dan dat er niet spoedig eene reactie komen moest. En inderdaad bleef deze niet uit. Gedurende drie maanden, waarvan elke dag eene eeuw duurde, kliefde de Abraham Lincoln de golven van het noordelijk deel der Stille Zuidzee; het fregat vervolgde walvisschen, maakte eensklaps allerlei omwegen, ging soms plotseling over stag of keerde op zijn koers terug, spande alle stoomkracht in, op gevaar af van de ketels te doen springen, en liet geen enkel punt van de zee tusschen Japan en Amerika onbezocht. En niets! niets dan de onmetelijke uitgestrektheid der verlaten zee! niets wat geleek op een reusachtigen eenhoorn of op eene onderzeesche rots, of op een wrak, of op een klip, of op iets bovennatuurlijks, wat het ook zij!Er was dus reactie; moedeloosheid maakte zich van elkeen meester, en opende ruim baan aan het ongeloof. Een nieuw gevoel maakte zich van het scheepsvolk meester, dat voor drie tienden uit schaamte en voor zeven tienden uit woede bestond. Men was dom genoeg om zich door een hersenschim te laten misleiden, maar ontstak er over in toorn. Plotseling stortten alle bewijzen in elkander, welke men sedert een jaar had uitgedacht, en iedereen spande zich slechts in om in te halen, wat men door opoffering van tijd aan eten en slaap was te kort gekomen. Met de natuurlijke wispelturigheid van den menschelijken geest wierp men zich van het eene uiterste op het andere. De warmste voorstanders van de onderneming werden noodlottigerwijze hare hevigste tegenstanders. De tegenstand begon bij het mindere deel der equipage en drong eindelijk zelfs bij de officieren door; zonder eene bijzondere stijfhoofdigheid van den kapitein zou het fregat zeker den steven weder naar het zuiden hebben gewend.Dat nutteloos zoeken kon echter niet lang meer worden voortgezet; de Abraham Lincoln had zich niets te verwijten, daar alles gedaan was om te slagen. Geene equipage van eenig Amerikaanschschip toonde ooit zooveel geduld en zooveel ijver; het mislukken kon haar niet geweten worden; men kon niets anders doen dan terugkeeren.Er werd een verzoek in dien zin aan den kapitein gericht; hij hield zich evenwel goed; de matrozen ontveinsden hunne ontevredenheid niet, en de dienst leed er onder. Ik zal niet zeggen dat er een opstand aan boord uitbrak, maar nadat de kapitein lang genoeg tegenstand had geboden, vroeg hij, evenals in der tijd Columbus, drie dagen uitstel. Indien in dien tijd het monster niet verschenen was zou de Abraham Lincoln naar den Atlantischen Oceaan terug keeren.Deze belofte werd op den 2denNovember gedaan; zij had ten minste ten gevolge, dat de moed van het scheepsvolk er een weinig door werd opgebeurd. Men bekeek den Oceaan weder met vernieuwde oplettendheid. Elkeen wilde er nog een laatsten blik op slaan; de kijkers werden weder met koortsige bedrijvigheid aan het oog gebracht; het was eene laatste uitdaging aan den reus, en deze kon redelijkerwijze niet nalaten daaraan te beantwoorden door te verschijnen.Twee dagen gingen voorbij: de Abraham Lincoln bleef onder halven stoom; men gebruikte duizenderlei middelen om de opmerkzaamheid van het dier op te wekken, of zijne lusteloosheid te doen verdwijnen, voor het geval, dat het zich soms in deze streken mocht ophouden. Vreeselijke stukken spek werden aan touwen achter aan het schip gehangen, tot groote vreugde van de haaien. Sloepen zwierven in elke richting rondom het fregat, terwijl dit opbraste en lieten geen enkel punt der zee ondoorzocht; maar de avond van den 4denNovember kwam, zonder dat men iets gevonden had. Den volgenden dag om 12 uur des middags was de bepaalde tijd om. Na dit oogenblik moest de kapitein, als hij trouw bleef aan zijne belofte, naar het zuidoosten stoomen en de noordelijke streken van den Grooten Oceaan verlaten. Het fregat bevond zich toen op 31° 15′ N.B. en 136° 42′ W.L. De Japansche kust lag minstens 200 mijl ver van ons verwijderd. De duisternis viel; het was acht uur; groote wolken dreven voorbij de schijf der maan, welke toen in haar eerste kwartier was; de zee kabbelde kalm tegen den voorsteven van het fregat. Op dat oogenblik leunde ik op de verschansing aan stuurboordzijde; Koenraad stond naast mij, en keek voor zich; de equipage zat in het want, en beschouwde den horizon, die door het vallen van den nacht hoe langer hoe kleiner werd. De officieren keken met hunne nachtkijkers in de toenemende duisternis. Soms schitterde de sombere Oceaan door een straal der maan, welke tusschen twee wolken doorscheen, en dan verdween weder alle licht in de duisternis van den nacht.Toen ik Koenraad aankeek, merkte ik dat die brave jongen eenigermateonder den algemeenen invloed stond, ten minste ik meende het. Misschien trilden zijne zenuwen voor het eerst door een gevoel van nieuwsgierigheid.Het monster, eenige vademen diep onder het watervlak.Het monster, eenige vademen diep onder het watervlak.“Komaan Koen,” zeide ik, “nu hebt gij voor het laatst de gelegenheid om 2000 dollars in uw zak te steken.”“Mijnheer zal mij vergunnen hem te zeggen,” antwoordde Koenraad, “dat ik nooit op die belooning gerekend heb; de regeering der Unie kon even goed honderdduizend dollars beloofd hebben, zij zou er geen duit armer door zijn geworden.”“Gij hebt gelijk, Koen; het is eene dwaze onderneming, waarin wij ons te lichtvaardig begeven hebben. Wat een tijd is er verloren gegaan, wat eene nuttelooze inspanning! Sinds zes maanden zouden wij reeds naar Frankrijk zijn teruggekeerd....”“In mijnheers kleine kamer,” antwoordde Koenraad, “in mijnheers museum! En ik zou al de fossilen van mijnheer reeds hebben gerangschikt! En de hertever (babiroussa) zou in den Plantentuin reeds in zijn hok zitten, en al de nieuwsgierigen tot zich trekken.”“Het is zoo als gij zegt Koen, en ik verbeeld mij dat men ons hartelijk zal uitlachen.”“Zeker,” antwoordde Koenraad bedaard, “ik denk wel dat men mijnheer zal uitlachen, en—mag ik het zeggen?“Wel zeker, Koen.”“Welnu, dan heeft mijnheer slechts wat hij verdient.”“Waarlijk?”“Wanneer men zoo geleerd is als mijnheer, dan stelt men zich niet bloot aan....”Maar Koenraad kon zijn zin niet voleinden: te midden van de algemeene stilte liet zich eene stem hooren. Het was de stem van Ned Land, die schreeuwde:“Ohé, daar is het ding, onder den wind, dwars voor ons!”Met vollen stoom.Op dat geroep stormde de geheele equipage naar den harpoenier; kapitein, officieren, bootslieden, matrozen, kajuitsjongens, tot zelfs de machinisten, die de machine, en de stokers die hunne vuren in den steek lieten. Er was bevel gegeven om te stoppen, en het fregat liep nog slechts langzaam vooruit.Het was zeer donker, en hoe goed of de oogen van den harpoenier ook waren, vroeg ik mij zelven af hoe en wat hij dan toch gezienhad; mijn hart klopte alsof het barsten moest. Maar Ned Land had zich niet bedrogen, en wij zagen allen het voorwerp, dat hij met de hand aanwees.Aan stuurboordszijde op twee kabellengten afstands van de Abraham Lincoln scheen de zee van onderen verlicht te zijn. Het was niet het eenvoudige verschijnsel van het lichten der zee; men kon zich daarin niet bedriegen. Het monster, dat eenige vademen diep onder het watervlak dreef, gaf dien helderlichtenden, maar onverklaarbaren glans van zich, waarvan in het rapport van verscheidene kapiteins gesproken werd. Deze prachtige lichtuitstraling moest door eene groote lichtgevende kracht worden voortgebracht. Het lichtende gedeelte beschreef op zee een zeer groot langwerpig ovaal, in welks midden zich een schitterend brandpunt bevond, welks onbeschrijfelijke glans langzamerhand verminderde.“Het is slechts eene ophooping van lichtgevende deeltjes,” riep een van de officieren.“Neen mijnheer,” antwoordde ik met overtuiging, “nooit hebben steenboorders of salpen zulk eene lichtgevende kracht. Deze glans moet volstrekt van electrieken aard zijn; bovendien, zie maar eens, het verandert van plaats, het beweegt zich naar voren ... naar achteren ... het snelt naar ons toe!”Een algemeene kreet verhief zich van het fregat.“Stilte,” beval de kapitein, “het roer in den wind, achteruit!”De matrozen snelden naar het roer, de machinisten naar de machine; deze werkte aanstonds achteruit, en de Abraham Lincoln naar bakboordszijde wendende, beschreef een halven cirkel.“Roer recht! Vooruit!” riep de kapitein.Zijne bevelen werden ten uitvoer gebracht, en het fregat verwijderde zich snel van het lichtende brandpunt. Neen, ik bedrieg mij: het wilde zich verwijderen, maar het bovennatuurlijke dier naderde met dubbele snelheid.Wij waren buiten adem, verbazing, nog meer dan vrees, maakte ons stom en onbeweeglijk. Het dier won spelenderwijze op ons; het zwom om het fregat heen, dat toch veertien knopen in het uur liep, en wikkelde het in zijn electrieken stroom als in eene lichtende stof. Daarop verwijderde het zich twee of drie kilometer, en liet eene lichtgevende streep achter, evenals een wolk van stoom, welke de locomotief van een sneltrein achter zich laat. Plotseling toen het monster aan den gezichteinder gekomen was, alsof het zich wilde verwijderen, wierp het zich met ijzingwekkende snelheid op de Abraham Lincoln, hield eensklaps twintig voet van den voorsteven op, en doofde zijn licht uit, niet door dieper onder water te zakken, want het verminderde niet langzamerhand, maar plotseling, even alsof de bron van dien schitterenden lichtstroom op eens werd afgebroken. Daarna verscheen het aan de andere zijde van het fregat,hetzij dat het er omheen was gedraaid, of dat het onder de kiel was door gegleden. Ieder oogenblik kon er eene botsing komen, welke ons noodlottig zou geweest zijn.Met dat al verwonderde ik mij over de wendingen van het fregat; het vluchtte en viel niet aan; het werd vervolgd, terwijl het zelf vervolgen moest; ik deelde deze opmerking den kapitein mede. Op zijn gelaat, dat gewoonlijk zeer kalm was, stond nu stomme verbazing te lezen.“Mijnheer Aronnax,” antwoordde hij, “ik weet niet met welk verschrikkelijk wezen ik te doen heb, en ik wil mijn fregat in deze duisternis niet onvoorzichtig blootstellen: hoe moet ik dat onbekende dier bovendien aanvallen, hoe mij verdedigen? Laat ons het daglicht afwachten, en dan zullen de rollen wel veranderen.”“Twijfelt gij niet meer aan den aard van het dier, kapitein?”“Neen mijnheer, het is duidelijk genoeg een reusachtige eenhoorn, maar een electrieke tevens.”“Misschien kan men dit dier evenmin naderen als een sidderaal?”“Misschien,” antwoordde de kapitein, “maar als het electrieke kracht bezit, dan is het gewis het verschrikkelijkste beest, dat de Schepper ooit gewrocht heeft. Daarom zal ik oppassen, mijnheer.”De geheele equipage bleef des nachts op de been; niemand dacht aan slapen. De Abraham Lincoln kon niet het dier in snelheid niet wedijveren, daarom had het fregat zijn gang verminderd en bleef onder halven stoom. Van zijn kant deed de eenhoorn hetzelfde; hij liet zich door de golven voortwiegen en scheen vast besloten om het tooneel van den strijd niet te verlaten. Omstreeks middernacht verdween hij, of liever om een juister uitdrukking te bezigen “ging hij uit” evenals een groote glimworm. Was hij gevlucht? men moest het vreezen, maar niet hopen. Nog geen uur later liet zich een verdoovend gesis hooren, gelijk aan dat, hetwelk eene kolom water veroorzaakt, welke ergens met geweld wordt uitgespoten.De kapitein, Ned Land en ik stonden op dat oogenblik op de kampanje, en wierpen nieuwsgierige blikken in de dikke duisternis.“Ned Land,” vroeg de kapitein, “hebt gij dikwijls het geblaas van walvisschen gehoord?”“Dikwijls kapitein, maar nooit van een dier, welks gezicht alléen mij 2000 dollars opbracht.”“Het is waar ook, gij hebt recht op die belooning. Maar zeg mij eens, is dat geraas niet hetzelfde hetwelk de walvisschen maken, als zij het water door hunne kieuwen uitblazen?”“Hetzelfde kapitein, maar dit is oneindig sterker. Men kan er zich dan ook niet in vergissen; het is wel eene soort van walvisch, die zich in ons vaarwater ophoudt. Als gij het goed vindt kapitein, zullen wij morgen met het aanbreken van den dag een paar woorden met hem wisselen.”Een oude kanonnier naderde bedaard en kalm het stuk.Een oude kanonnier naderde bedaard en kalm het stuk.“Als hij u ten minste wil aanhooren, Ned,” antwoordde ik op ongeloovigen toon.“Laat ik hem maar eens op vier harpoenlengten kunnen naderen,”voegde Ned er bij, “dan zal hij mij wel moeten aanhooren.”“Maar om hem te naderen, moet ik vast eene walvischsloep ter uwer beschikking stellen?” hernam de kapitein.“Zeker kapitein.”“Dan zet ik het leven van mijne matrozen op het spel.”“En het mijne!” antwoordde de harpoenier dood eenvoudig.Om twee uur des morgens verscheen het licht op nieuw, maar minder helder, op vijf mijl in den wind van de Abraham Lincoln. Niettegenstaande den afstand en het geraas van wind en zee, hoorde men het dier duidelijk met den vreeselijken staart slaan, en zelfs ademhalen. Het scheen dat als het beest aan het oppervlak der zee kwam om adem te halen, de lucht met zooveel geweld in zijne longen drong, als de stoom in de groote ketels van eene machine van 2000 paardekracht.“Nu,” dacht ik, “een walvisch zoo sterk als een regiment ruiterij, dat is nog al zoo iets!”Men bleef tot aan het aanbreken van den dag op zijne hoede en bereidde zich voor op den strijd. De vischtoestellen werden langs de verschansingen gereed gemaakt. De tweede stuurman liet de donderbussen laden, die een harpoen een kilometer ver werpen, en lange ganzenroeren met ontplofbare kogels gereed maken, welker wond doodelijk is, zelfs voor de grootste dieren. Ned Land had zich vergenoegd met zijn harpoen klaar te maken, een vreeselijk wapen in zijne hand.Om zes uur begon de dag aan te breken, en bij de eerste stralen van het morgenlicht verdween de electrieke glans van den eenhoorn. Om zeven uur was het helder dag, maar een dikke nevel belette ver om zich heen te zien, en de beste kijkers konden er niet doorheen boren; dientengevolge was men aan boord teleurgesteld en boos.Ik klom in den bezaansmast; eenige officieren zaten reeds in de toppen der masten. Om acht uur begon de mist langzaam op te trekken. De gezichteinder verwijdde zich en werd helder, evenals den vorigen dag liet zich nu plotseling de stem van Ned Land hooren: “Daar is het ding weer, achter ons, aan bakboord,” riep de harpoenier. Aller blikken richtten zich naar het aangewezen punt. Daar stak op anderhalven kilometer van het fregat een langwerpig zwart lichaam uit de golven; het dier sloeg geweldig met den staart en liet eene massa zog achter zich. Nimmer nog was de zee met zulk eene kracht door een staart in beweging gebracht; eene lange streep helder wit schuim duidde den weg van het dier aan en beschreef eene lange bocht.Het fregat naderde den visch; ik beschouwde het beest zoo nauwkeurig mogelijk. De rapporten van de Shannon en de Helvetia hadden de afmetingen wat vergroot, en ik hield het er voor, dathet beest slechts 250 voet lang was. Moeielijk kon ik nagaan hoe dik het was, maar het dier scheen mij over het algemeen in zijne afmetingen goed gevormd te zijn.Terwijl ik dit wonderbare verschijnsel stond te bekijken, spoot het twee stralen damp en water tot op eene hoogte van 40 meter op; ik maakte daaruit en uit al het andere op, dat het tot de gewervelde zoogdieren behoorde, tot welke familie het moest gerekend worden, wist ik nog niet, omdat er drie familiën waren, waartoe het behooren kon, namelijk die der walvisschen, der potvisschen en der dolfijnen, waartoe ook de eenhoorns gerekend worden; elk van die familiën is weder in verschillende geslachten ingedeeld, de geslachten in soorten, de soorten in verschillende onderdeelen, dat alles was mij van dit dier nog onbekend, maar ik hoopte er achter te komen met de hulp des Hemels en van kapitein Farragut.De equipage wachtte ongeduldig de bevelen van den kapitein af; toen deze het dier nauwkeurig bekeken had, liet hij den machinist roepen; deze kwam: “Mijnheer,” vroeg de kapitein, “hebt gij stoom genoeg!”“Jawel kapitein,” was het antwoord.Drie hoezee’s volgden op dit bevel. Het uur van den strijd had geslagen; eenige oogenblikken later braakten de beide schoorsteenen van het fregat wolken zwarten rook uit, en het dek trilde onder de heftige beweging der machine.De Abraham Lincoln, door zijne sterke schroef vooruitgestuwd, stoomde recht op het dier aan. Dit liet zich tot op eene halve kabellengte naderen; toen nam het den schijn aan van niet eens te willen duiken, maar zoowat te vluchten, en stelde zich tevreden met den afstand te bewaren. Deze vervolging duurde ongeveer drie kwartier, zonder dat het fregat twee vadem op het dier won; het was dus duidelijk, dat door zoo voort te gaan men het nooit bereiken zou. De kapitein trok zich woedend aan den baard.“Ned Land!” riep hij; deze kwam op dit bevel.“Zeg eens, Land,” vroeg de kapitein, “raadt gij mij nog aan de sloepen in zee te laten?”“Neen kapitein,” antwoordde Ned, “want dat dier zal zich niet laten vangen dan als het wil.”“Wat dan te doen?”“Als gij kunt nog harder stoomen, kapitein; indien gij het mij toestaat ga ik op den boegspriet zitten, en als ik er dan kans toe zie, zal ik het mijn harpoen in ’t lijf gooien.”“Ga je gang,” antwoordde de kapitein. “Machinist” riep hij toen, “vermeerder de drukking!”Ned Land ging op zijn post zitten. Het vuur werd ferm aangestookt, de schroef draaide43 maalin de minuut en de stoom perstedoor de kleppen. Toen men de log uitwierp, kon men zien, dat de Abraham Lincoln met eene vaart van 18,5 kilometer in ’t uur liep; maar het verwenschte dier liep even snel. Gedurende een uur ongeveer, bleef het fregat dezelfde snelheid behouden zonder éen vadem te winnen. Het was vernederend voor een van de snelste schepen der Amerikaansche vloot. Doffe woede bezielde de equipage; de matrozen scholden op het monster, dat overigens zich niet verwaardigde eenig antwoord te geven. Kapitein Farragut trok niet alleen aan zijn baard, maar hij kauwde er op. Hij riep den machinist nog eens.“Hebt gij de hoogste drukking?” vroeg de kapitein driftig.“Ja kapitein,” antwoordde de machinist.“En zijn de veiligheidskleppen belast?”“Tot op 6½ atmosfeer.”“Belast ze tot op tien atmosferen!”Dit was een echt Amerikaansch bevel; op denMississippizou men niet anders gehandeld hebben om een concurrent vooruit te komen.“Weet gij wel Koen,” zeide ik tegen mijn trouwen knecht die naast mij stond, “dat wij waarschijnlijk in de lucht zullen vliegen?”“Zooals mijnheer belieft!” antwoordde Koenraad.Welnu, ik moet bekennen, dat het mij niet onaangenaam was, deze kans te loopen.De kleppen werden belast, de fornuizen werden volgepropt met kolen; de wind vangers wierpen stroomen lucht in de machinekamer; de snelheid van de Abraham Lincoln werd nog grooter. De masten trilden over hunne geheele lengte, en de schoorsteenen konden ter nauwernood de dikke rookwolken den doorgang verschaffen.De log werd ten tweeden male uitgeworpen.“Hoeveel, stuurman?” riep de kapitein.“19,3 kilometer, kapitein!”“Stook op!” beval Farragut.De machinist gehoorzaamde; de manometer teekende tien atmosferen; maar de visch schoot ook vooruit, want zonder moeite liep hij ook 19,3 kilometer. Welke jacht! Neen, ik ben niet in staat om de ontroering te beschrijven, welke mijn geheele lichaam deed trillen. Ned Land was op zijn post met de harpoen in de hand. Verscheidene malen liet het dier zich naderen.“Wij halen hem in! Wij halen hem in!” riep Ned, maar op het oogenblik dat hij wilde werpen, zwom het dier vooruit met eene snelheid, welke ik op niet minder dan dertig kilometer in het uur schatte. En zelfs toen wij ons maximum van snelheid bereikt hadden, stak het den draak met het fregat, door er om heen te zwemmen! Een kreet van woede ontsnapte ons.Om twaalf uur waren wij niet verder dan om acht uur ’s morgens. Toen besloot kapitein Farragut andere middelen aan te wenden.Een van ons beiden onbeweeglijk op den rug liggende.Een van ons beiden onbeweeglijk op den rug liggende.“Zoo,” zeide hij, “loopt dat beest sneller dan de Abraham Lincoln, dan zullen wij eens zien of het onze puntkogels vooruit blijft. Mannen aan het voorstuk!”Het stuk op den voorsteven werd onmiddellijk geladen en gericht; het schot ging af,maarde kogel vloog eenige voeten te hoog en over het dier heen, dat op een halven kilometer voor ons uit zwom.“Een ander die beter bij de hand is!” schreeuwde de kapitein, “500 dollars voor hem die het verwenschte beest raakt!”Een oude kanonnier met grijzen baard, ik zie hem nog, naderde bedaard en kalm het stuk, richtte het en mikte lang. Een zware slag dreunde, en de equipage stiet een vreugdekreet uit. De kogel had het dier getroffen, maar niet vlak op zijn lichaam, want hij gleed langs de ronde oppervlakte af, en vloog twee kilometer verder in zee.“Wat drommel,” riep de oude kanonnier woedend, “is die schelm dan met zesduims platen gepantserd?”“Vervloekt!” riep de kapitein.De jacht begon op nieuw, de kapitein wendde zich tot mij en zeide: “ik zal het vervolgen tot mijn fregat in de lucht vliegt.”“Gij hebt gelijk!” antwoordde ik.Men hoopte dat het dier uitgeput zou raken, en dat het niet evenals een stoommachine onvermoeid zijn zou, maar verre van dien; het eene uur verliep na het andere, zonder dat het eenig teeken van afmatting gaf. Ik moet der Abraham Lincoln ter eere nageven, dat zij met onvermoeide inspanning volhield, ik bereken dat het schip op dien ongelukkigen zesden November wel 500 kilometer aflegde; maar de duisternis viel, en overdekte de onstuimige zee met haren sluier. Op dat oogenblik meende ik, dat onze tocht geëindigd was, en wij het bovennatuurlijke dier niet terug zouden zien; maar ik bedroog mij. ’s Avonds tien minuten voor elven zagen wij het electrieke licht weder op drie kilometer voor ons uit; het was even helder, even glanzend als den vorigen nacht.De eenhoorn scheen onbeweeglijk. Misschien was hij vermoeid van den wedren, en sliep hij, of liet hij zich door de golven zachtkens voortwiegelen. Dit was eene kans, waarvan de kapitein gebruik wilde maken. Hij gaf dienovereenkomstig zijne bevelen. De Abraham Lincoln naderde voorzichtig en langzaam onder halven stoom om de aandacht van zijn tegenstander niet op te wekken. Men ontmoet niet zelden in volle zee walvisschen in diepe rust, welke men dan met goed gevolg aanvalt, en Ned Land had er meer dan een in den slaap geharpoend; hij ging weder op zijn post op den boegspriet. Het fregat naderde zonder veel geraas, stopte op twee kabellengte afstands van het dier, en dreef langzaam voort: men haalde bijna geen adem meer; diepe stilte heerschte op het dek. Wij waren op geen honderd voet afstands van het licht, dat in onze oogen nog helderder en schitterender werd. Op dat oogenblik zag ik Ned Land over de verschansing leunen, terwijl hij zich metde eene hand aan een touw vasthield, en met de andere zijn vreeselijken harpoen drilde. Hij was nauwelijks twintig voet van het onbeweeglijke dier verwijderd. Eensklaps strekte hij zijn arm uit en de harpoen vloog weg. Ik hoorden den doffen slag van het wapen, dat op een hard voorwerp scheen te stooten. Plotseling doofde de electrieke glans uit, en twee groote waterstralen stortten op het dek neer; als een woedende stroom ging het over het dek, wierp de menschen omver en verbrijzelde alles wat in den weg kwam. Toen voelden wij een vreeselijken schok, en zonder dat ik tijd had mij ergens aan vast te grijpen, werd ik over de verschansing in zee geworpen.Een vreemdsoortige walvisch.Hoewel ik door dien overwachten val geheel uit het veld was geslagen, wist ik toch bijzonder goed wat mij overkwam. Eerst zonk ik ongeveer twintig voet diep in zee, doch daar ik goed zwemmen kan, zonder daarom nog zoo’n held er in te zijn als b.v. Byron, die de straat van Konstantinopel over zwom, verloor ik den kop niet, en door een paar ferme slagen kwam ik weder boven. Mijn eerste werk was om eens naar het fregat rond te zien. Had de equipage mijne verdwijning opgemerkt? Had de Abraham Lincoln bijgedraaid? Had de kapitein een sloep in zee gezet? Kon ik hoop op redding koesteren?Het was verschrikkelijk donker; ik zag nog even een zwarte massa, welke zich naar het oosten verwijderde, en welker lichten langzamerhand verdwenen; het was het fregat, ik voelde dat ik verloren was. “Help! help!” riep ik, terwijl ik een wanhopige poging aanwendde, om naar de Abraham Lincoln te zwemmen. Mijn kleeren hinderden mij; het water plakte ze vast aan mijn lichaam; mijne bewegingen werden er door verlamd; ik zonk; ik stikte.“Help!” het was mijn laatste kreet; mijn mond kwam vol water; ik worstelde en zonk naar den afgrond....Plotseling werd ik door een krachtige hand bij mijn kleeren gegrepen; ik voelde mij naar de oppervlakte slepen, en ik hoorde—ja waarachtig ik hoorde mij de volgende woorden in het oor roepen:“Als mijnheer zoo goed wil zijn om op mijne schouders te leunen,zalhij veel gemakkelijker zwemmen.”Ik greep den arm van mijn trouwen Koenraad.“Hoe, zijt gij het?” vroeg ik.“Ik zelf mijnheer,” antwoordde Koen, “tot mijnheers dienst.”“Heeft die schok u te gelijk met mij in zee geworpen?”“Neen mijnheer, maar daar ik in mijnheers dienst ben, ben ik mijnheer gevolgd.”De brave jongen vond dit zeer natuurlijk.“En het fregat?” vroeg ik.“Het fregat,” antwoordde Koenraad, terwijl hij zich op den rug draaide, “ik geloof dat mijnheer er maar niet meer op rekenen moet.”“Wat zegt gij?”“Ik zeg dat op het oogenblik dat ik in zee sprong, ik de stuurlui hoorde zeggen: “de schroef en het roer zijn stuk....”“Stuk?”“Ja! door den tand van het monster verbrijzeld; het is geloof ik de eenige averij, welke het schip gekregen heeft; maar het is ongelukkig voor ons, omdat er geen stuur meer in zit.”“Dan zijn wij verloren.”“Misschien,” antwoordde Koenraad bedaard; “maar wij hebben toch nog eenige uren voor ons, en in eenige uren kan er heel wat gebeuren.”De onwrikbare kalmte van Koenraad beurde mij wat op. Ik zwom met meer kracht, maar daar mijne kleeren zoo zwaar als lood waren geworden, kon ik mij bijna niet boven houden. Koenraad merkte het. “Als mijnheer mij veroorlooft ze los te snijden,” zeide hij, en hij sneed met zijn mes mijne kleeren over hunne geheele lengte open; daarop trok hij ze mij handig uit, terwijl ik voor ons beiden tegelijk zwom. Op mijne beurt bewees ik hem denzelfden dienst, en wij zwommen daarna weder naast elkander voort. Onze toestand was echter met dat al vreeselijk; misschien had men onze verdwijning niet gemerkt, en al was dit het geval, dan kon het fregat toch tegen den wind in niet naar ons toekomen, daar het van zijn roer beroofd was; wij konden dus slechts op de sloepen rekenen. Koenraad redeneerde kalm voort, en maakte dienovereenkomstig zijn plan; zonderling karakter! die flegmatieke jongen praatte alsof hij thuis was!Daar onze eenige kans op levensbehoud gelegen was in de sloepen van de Abraham Lincoln, besloten wij dus pogingen in het werk te stellen om ons zoo lang mogelijk boven water te houden, ten einde ze af te wachten. Ik stelde dus voor om onze krachten te verdeelen, ten einde ze niet gelijktijdig uit te putten, en ziehier wat wij besloten: terwijl een van ons beiden onbeweeglijk met over elkander gekruiste armen en gestrekte beenen op den rug zou liggen, zou de ander zwemmen en hem voorwaarts duwen. Wij zouden elkniet meer dan tien minuten die rol van sleper vervullen, en als wij elkander aldus aflosten, zouden wij nog uren lang, misschien wel tot den morgen toe kunnen boven blijven.Wij bevonden ons boven op een onderzeesch vaartuig.Wij bevonden ons boven op een onderzeesch vaartuig.Het was eene geringe kans, maar de hoop is in het menschelijke hart zoo diep ingeworteld; en ik beken het, hoewel het onwaarschijnlijk lijkt, dat als ik mij alle illusie trachtte te benemen, of als ik aan ons behoud wilde wanhopen, ik het niet kon.De ontmoeting tusschen het fregat en het monster had omstreeks elf uur ’s avonds plaats gehad; ik rekende er dus op, dat wij tot zonsopgang acht uur moesten zwemmen, dit was wel te doen als wij elkander aflosten; de zee, die vrij kalm was, vermoeide ons weinig door den golfslag; soms beproefde ik door de dikke duisternis heen te zien, welke door niets werd afgebroken dan enkele malen door het lichten der zee vlak voor ons; ik zag die lichtende golven, welke op mijn lichaam braken, en die dan eenigermate schitterden; men zou gezegd hebben, dat wij in een bad van kwik lagen. Tegen éen uur ’s morgens was ik erg vermoeid; mijne leden verstijfden door hevige krampen; Koenraad moest mij ondersteunen, en nu rustte de zorg voor ons behoud op hem alleen. Ik hoorde den armen jongen hijgen; zijn ademhaling werd kort en gejaagd. Ik begreep dat het niet lang meer duren kon.“Laat mij los, laat mij los!”“Mijnheer los laten? nooit,” riep hij, “ik hoop nog vóor mijnheer te verdrinken.”Op dat oogenblik kwam de maan tusschen de wolken, welke de wind naar het oosten joeg, te voorschijn. De zee schitterde door hare stralen; dit weldadige licht deed onze krachten herleven. Ik richtte mijn hoofd weer op; ik keek naar alle kanten rond en zag het fregat; het was vijf kilometer van ons af, en vertoonde slechts een somberen, nauw merkbaren klomp. Maar geen enkele sloep! Ik wilde roepen; wat zou dit op zulk een afstand helpen! Mijne opgezwollen lippen lieten geen enkel geluid door; Koenraad kon eenige woorden stamelen, en ik hoorde hem eenige malen: “help! help!” roepen. Wij hielden ons een oogenblik stil en luisterden. Was het misschien het suizen in mijn oor, veroorzaakt door het bloed dat mij naar het hoofd joeg, of hoorde ik inderdaad een kreet, die op Koenraads geroep antwoord gaf?“Hebt gij het gehoord?” stamelde ik.“Ja, ja!” en Koenraad riep nogmaals op wanhopigen toon. Ditmaal vergisten wij ons niet; eene menschelijke stem gaf ons antwoord; was het de stem van een ongelukkige of eenig ander slachtoffer van den schok, dien het fregat ondervonden had? Of was het wellicht eene sloep van de Abraham Lincoln, die ons in de duisternis zocht?Koenraad spande eene laatste poging in; hij richtte zich op mijne schouders op, terwijl ik hem met inspanning mijner laatste krachten ondersteunde, hij hief zich ten halvenlijve uit het water op en viel toen uitgeput weer neer.“Wat hebt gij gezien?”“Ik zag,” stamelde hij, “ik zag ... maar laat ons niet praten ... laten wij al onze krachten bewaren?”Wat had hij gezien? Toen kwam, ik weet niet hoe, het monster mij voor de eerste maal in de gedachten.... Maar die stem dan? De tijden waren toch voorbij dat een Jonas in den buik van een walvisch zat.Koenraad stiet mij altijd voor zich uit; nu en dan lichtte hij het hoofd op, zag voor zich uit en riep, waarop eene andere stem, welke ons hoe langer hoe meer naderde, het antwoord gaf. Mijne krachten waren uitgeput; mijne vingers waren verstijfd; ik kon niet meer op mijn handen steunen; mijn mond, dien ik zenuwachtig opende, liep vol zeewater; ijskoude overviel mij; eene laatste maal lichtte ik het hoofd nog eens op, en toen zonk ik in de diepte....Op dit oogenblik stiet ik op een hard voorwerp; ik klampte mij er aan vast; toen voelde ik dat men mij optrok en uit het water haalde; ik haalde ruimer adem en viel in zwijm....Ik kwam spoedig weer tot mijn bewustzijn, omdat men mij duchtig wreef; ik opende de oogen....“Koenraad!” fluisterde ik.“Heeft mijnheer mij gebeld?” antwoordde Koenraad.Op dat oogenblik bemerkte ik bij het licht der reeds ondergaande maan een gelaat, dat niet van Koenraad was, maar hetwelk ik aanstonds herkende.“Ned!” riep ik uit.“Hij zelf, mijnheer, en ik loop mijne premie na,” antwoordde Ned Land.“Zijt gij door den schok in zee geworpen?”“Ja mijnheer de professor, maar gelukkiger dan gij ben ik bijna onmiddellijk op een drijvend eiland neergekomen.”“Een eiland?”“Ja of beter gezegd op uw reusachtigen eenhoorn.”“Verklaar u duidelijker Ned.”“En nu begreep ik aanstonds waarom mijn harpoen hem niet heeft getroffen, en op zijn huid is afgesprongen.”“Waarom dan Ned, waarom?”“Omdat dit beest, mijnheer de professor, van stalen platen gemaakt is.”Ik moest een oogenblik tot mijne zinnen komen en mijn herinneringsvermogen te hulp roepen, ik moest mijne eigene beweringen nog eens nagaan. De laatste woorden van Ned hadden een plotselingen omkeer in mijne hersens te weeg gebracht. Ik kroop naar het hoogste gedeelte van het wezen of het voorwerp, dat half in zee was weggezonken en waarop wij eene toevlucht hadden gevonden. Ik stampte er met den voet op; het was klaarblijkelijk eenhard, ondoordringbaar voorwerp en niet die weeke zelfstandigheid waaruit de massa der groote zeedieren is samengesteld. Maar dit harde lichaam kon een beenachtig schild zijn, zooals dat van voorwereldlijke dieren, en ik zou het monster misschien kunnen rangschikken onder de kruipende dieren, zooals schildpadden en alligators.Welnu, dit was niet het geval; de zwartachtige rug, waarop wij zaten, was glad, gepolijst, ongerimpeld; als men er op stampte gaf hij een metaalklank van zich, en hoe ongeloofelijk het ook schijnen moge, hij scheen van ijzeren platen gemaakt en met nagels in elkander geklonken te zijn. Er was geen twijfel meer mogelijk; het dier, het monster, het wonderlijke verschijnsel dat de geheele wereld in spanning had gehouden, dat de verbeelding der zeelieden van de beide halfronden had opgewonden en getroffen, was, ik moest het erkennen, een nog veelwonderlijkerverschijnsel, namelijk een wonder door menschenhanden gemaakt. De ontdekking van het fabelachtige wezen uit de mythologie zou mij niet zoo verbaasd hebben. Dat al wat wonder heet uit des Scheppers hand komt is dood eenvoudig, maar dat men plotseling iets onmogelijks voor zijne oogen ziet, dat op geheimzinnige wijze door ’s menschen hand tot iets wezenlijks geworden is, dat was om iemand geheel uit het veld te slaan!Wij behoefden evenwel niet te aarzelen, wij bevonden ons boven op een soort van onderzeesch vaartuig dat voor zoover als ik er over kan oordeelen, den vorm had van een metalen visch. Ned Land had er zijn meening reeds over gevormd; Koenraad en ik konden er zoo spoedig niet toe komen.“Maar dan bevat dit toestel,” zeide ik, “een werktuig om het in beweging te brengen en eene equipage om er mede om te gaan?”“Natuurlijk,” antwoordde de harpoenier, “en toch heeft dit drijvend eiland gedurende de drie uur dat ik er op zit, nog geen teeken van leven gegeven.”“Heeft het schip zich dan niet bewogen?”“Neen mijnheer Aronnax; het laat zich door de golven voortwiegelen, maar het beweegt zich niet.”“Wij weten toch zonder er aan te mogen twijfelen, dat het met groote snelheid vooruit kan komen; en daar er eene machine noodig is om die snelheid voort te brengen, en een machinist om de machine te besturen, zoo houd ik het er voor, dat wij gered zijn.”“Hm!” zeide Ned, zonder zich verder uit te laten.Op dat oogenblik, als om mijne bewijsvoering te bevestigen, begon het water aan de achterste punt van dit zonderlinge werktuig heftig op te borrelen, zoodat de beweging zeker door eene schroef moest worden voortgebracht. Het schip stoof vooruit, wij hadden slechts den tijd om ons aan de bovenzijde, welke ongeveer tachtigcentimeteruit het water stak, vast te klampen. Gelukkig was de snelheid niet zoo buitengewoon groot.Eensklaps werd onze gevangenis verlicht.Eensklaps werd onze gevangenis verlicht.“Zoolang het ding horizontaal doorvaart,” mompelde Ned Land,“heb ik niets te zeggen; maar als het de aardigheid heeft om eens te duiken, dan geef ik geen twee dollars voor mijn huid.”Ned had er nog wel minder voor kunnen geven; het werd dus noodzakelijk om ons in gemeenschap te stellen met de wezens, van welke soort ook, die in dit ding zaten opgesloten; ik zocht aan de oppervlakte eene opening, of een luik, maar de rijen bouten, welke vast aan de randen der platen waren ingeklonken, waren allen hetzelfde. Bovendien verdween de maan, en liet ons in volslagen duisternis. Wij moesten den dag afwachten om op middelen te peinzen, hoe wij binnen in dit onderzeesche schip zouden doordringen. Derhalve hing ons behoud alleen af van een gril der geheimzinnige stuurlieden, die dit vaartuig bestuurden, en als het dook waren wij verloren. Behalve in dit geval twijfelde ik er geen oogenblik aan of wij konden ons met hen wel in gemeenschap stellen; en inderdaad, als zij zelven geen lucht vervaardigden, moesten zij van tijd tot tijd wel op de oppervlakte komen om hun voorraad versche lucht te vernieuwen; er moest dus eene opening zijn, welke het binnenste van het vaartuig met de buitenlucht in gemeenschap stelde.Wij moesten de hoop geheel opgeven om door kapitein Farragut gered te worden: wij werden naar het westen medegesleept, en ik berekende, dat onze snelheid zoo wat twaalf kilometer in het uur bedroeg. De schroef bewoog zich met wiskunstige regelmatigheid in het water, en deed enkele malen als zij boven kwam het lichtende zeewater met groote kracht opspuiten.Tegen vier uur in den morgen nam de snelheid toe, en het was moeielijk om ons bij die snelle vaart vast te houden, vooral als de golven onze lichamen zweepten. Gelukkig ontmoette Ned’s hand een grooten ankerring, die aan het bovenvlak was vastgemaakt, en waaraan wij ons stevig vastklampten. Eindelijk ging de lange nacht voorbij. Mijne herinnering roept mij alle indrukken niet meer voor den geest, maar éene bijzonderheid valt mij nog in. Als zee en wind eens voor een oogenblik zwegen, meende ik verscheidene malen, een vaag geluid, een soort van vluchtige harmonie, van verwijderde akkoorden te hooren. Wat was dan toch het geheim van die onderzeesche vaart, naar welker verklaring de geheele wereld te vergeefs zocht! Welke wezens leefden er in dit zonderlinge vaartuig? Welk werktuig zou het met zulk eene verbazende snelheid in beweging brengen?De dag brak aan. Morgennevels omhulden ons, doch begonnen weldra te scheuren. Ik wilde beginnen om het bovenvlak, dat eene soort van horizontaal plat vormde, nauwkeurig te onderzoeken, toen ik het vaartuig langzamerhand voelde wegzinken.“Duizend duivels,” riep Ned Land, terwijl hij met zijn voet op het dof klinkende metaal stampte, “opent dan, ongastvrije schippers!”Maar het was moeielijk om zich bij het verdoovende geraas van de schroef te doen verstaan; gelukkig zonk het vaartuig niet dieper. Plotseling hoorde ik een gekraak van sterk knarsende sloten binnen in het vaartuig; eene plaat werd opgelicht, een man verscheen, gaf een zonderlingen kreet en verdween oogenblikkelijk. Eenige oogenblikken later verschenen er acht sterke klanten met bedekt gelaat, en sleepten ons in hunne vervaarlijke machine naar beneden.
Op avontuur.De reis van de Abraham Lincoln werd gedurende eenigen tijd door niets bijzonders gekenmerkt. Evenwel gebeurde er iets waardoor Ned Land een proefje van zijne bewonderenswaardige handigheid toonde, en dat bewees welk vertrouwen men in hem stellen kon.Op de hoogte van de Malouïnen, praaide het fregat op 30 Juni Amerikaansche walvischvaarders, die ons verzekerden dat zij niets van den eenhoorn gemerkt hadden. Maar toen een hunner, de kapitein van de Monroe, hoorde dat Ned Land bij ons aan boord was, verzocht hij om zijne hulp om een walvisch te vangen, die in het gezicht was. Onze kapitein, die begeerig was om Ned Land eens in zijne kracht te zien, gaf hem verlof om aan boord van de Monroe te gaan. En het toeval begunstigde Ned zóó zeer dat hij in plaats van éen, twee walvisschen harpoende; den eenen trof hij midden in het hart, en van den anderen maakte hij zich na eene vervolging van weinige minuten meester. Als het monster ooit onder het bereik kwam van Neds harpoen zou ik waarlijk geene weddenschap vóór het monster hebben willen aangaan.Het fregat stoomde met bijzondere snelheid langs de zuidoost-kust van Amerika. Den 3denJuli waren wij voor de straat van Magelhaen op de hoogte van de Maagdenkaap. De kapitein wilde zich echter liever niet in deze bochtige doorvaart wagen, en veeleer Kaap Hoorn omzeilen. De equipage gaf hem eenparig gelijk; en inderdaad, was het wel waarschijnlijk dat wij den eenhoorn in die nauwe straat ontmoetten? Verscheidene matrozen verzekerden dat het dier er niet door kon, “omdat het er te dik voor was!”Op den zesden Juli zeilde de Abraham Lincoln op 15 kilometer om de zuid van het eenzame rotseilandje, dat zoo verloren tegenover het uiteinde van het Amerikaansche vasteland ligt en waaraan de Hollandsche zeevaarder Schouten den naam van zijne vaderstad Hoorn gaf. De steven werd naar het noordoosten gewend en den volgenden dag kliefde het fregat eindelijk de golven van de Stille Zuidzee.“Nu de kijkgaten open!” zeiden de matrozen op de Abraham Lincoln, en zij spalkten de oogen wijd op. Men gunde oogen en kijkers geen oogenblik rust, omdat elk begeerig was naar den uitgeloofden prijs van 2000 dollars voor hem, die het monster het eerste zag. Nacht en dag liet men het oog over het vlak der zee weiden; en zij die beter bij nacht dan bij dag konden zien, deden al hun best om den prijs te verdienen, waardoor de kans om het monster te ontdekken 50 percent grooter werd.Hoewel geene geldelijke belooning mij aanzette, was ik toch niet de minst oplettende aan boord. Ik besteedde maar enkele minuten aan mijn middagmaal, aan rusten slechts een uur of wat, was onverschillig voor regen of wind, en van het dek niet af te slaan. Dan hing ik eens vóór dan achter op het dek over de verschansing, en staarde met begeerige blikken op ’t schuimende kielwater, dat zoover het oog reikte achter het schip te zien was. En hoe dikwijls deelde ik niet in de ontroering van de officieren en van de equipage als een dartele walvisch soms zijn zwarten rug uit de golven omhoogstak. In een oogenblik was dan het dek vol; officieren en matrozen stormden door de luiken naar boven. Elk staarde met hijgende borst en vorschend oog naar den gang van het dier. Ik keek zelfalsof ik er mijn netvlies bij wilde verslijten en blind worden, terwijl Koenraad altijd even bedaard en kalm tot mij zeide:Sloepen zwierven in elke richting om het fregat.Sloepen zwierven in elke richting om het fregat.“Als mijnheer zoo goed wilde zijn om zijne oogen minder wijd open te spalken, dan zou mijnheer vrij wat beter kunnen zien.”Maar ijdele hoop! De Abraham Lincoln veranderde van koers, stoomde op het aangewezen dier los, en als men het naderde bleek het slechts een gewone walvisch of gemeene potvisch te zijn, die weldra onder tal van verwenschingen verdween.Het weer bleef echter goed en de reis werd onder de gunstigste omstandigheden voortgezet. Het slechte jaargetijde was anders in die streken ingevallen, want de maand Juli komt daar met onze maand Januari overeen; maar de zee bleef kalm en men kon haar tot op grooten afstand overzien.Ned Land toonde altijd nog het hardnekkigste ongeloof; hij hield zich zelfs alsof hij nooit naar de zee keek, behalve als hij de wacht had—ten minste als er geen walvisch in het gezicht was. En toch zou zijn scherp oog groote diensten hebben kunnen bewijzen. Maar gedurende acht uur van de twaalf was de koppige Amerikaan in zijne hut, waar hij las of sliep. Honderdmaal verweet ik hem zijne onverschilligheid.“Och, kom,” antwoordde hij “er is niemendal, mijnheer Aronnax, en al was er eens een beest, welke kans hebben wij dan nog om het te zien? Dwalen wij niet op avontuur rond? Men heeft, zegt men, dat ongenaakbare dier in de Zuidzee teruggezien, ik wil dat eens aannemen; maar er zijn reeds twee maanden voorbijgegaan sedert dit gebeurd is, en als ik let op den aard van uw eenhoorn dan houdt hij er niet van om lang in dezelfde streken te huizen. Hij verplaatst zich zeer gemakkelijk; welnu, gij weet het beter dan ik, mijnheer de professor, de natuur doet niets in verkeerden zin, en zij zou aan geen dier dat langzaam van aard is de kracht geven om zich snel te bewegen, als het beest dit niet noodig had; als derhalve uw dier bestaat, is het reeds ver weg.”Ik kon daar niets op antwoorden, want het was waar, wij zochten in den blinde rond; maar hoe kon het anders? Onze kansen waren dus zeer gering. Echter twijfelde niemand nog aan een goeden uitslag, en elk matroos aan boord zou eene weddenschap hebben willen aangaan dat de eenhoorn bestond en weldra zou opdagen.Den 20stenJuli passeerden wij op 105° W.L. den Steenbokskeerkring, en den 27stenvan diezelfde maand den evenaar op 110° W.L. Toen hiervan hoogte was genomen, richtte het fregat zijn koers meer naar het westen en stoomde naar het middelste gedeelte van den Grooten Oceaan. De kapitein dacht met reden dat het beter was om het diepste gedeelte van den Oceaan te bevaren, en zich van het vasteland of de eilanden verwijderd te houden, omdat het dier deze altijd scheen te vermijden, “zonder twijfel omdat hij daargeen water genoeg heeft,” zeide de equipagemeester. Na kolen geladen te hebben stoomde het fregat in de verte langs de Pomotu-eilanden, de Markiezen- en de Sandwichseilanden, passeerde den Kreeftskeerkring op 132° W.L., en zette koers naar de Chineesche zee. Eindelijk waren wij dan in die streken, waar het monster zich het laatst vertoond had; om de waarheid te zeggen, men had aan boord maar een half leven. Elks hart klopte vreeselijk en menigeen haalde zich daardoor voor het vervolg eene ongeneeslijke kwaal op den hals; de geheele equipage verkeerde in zulk eene zenuwachtige spanning dat men er zich ter nauwernood een denkbeeld van kan maken. Men at niet meer, men sliep bijna niet, twintig keer daags veroorzaakte eene vergissing of een zinsbedrog van een der matrozen in de raas eene ondraaglijke teleurstelling, en die zoo dikwijls herhaalde aandoeningen hielden ons voortdurend in een staat van al te groote opgewondenheid dan dat er niet spoedig eene reactie komen moest. En inderdaad bleef deze niet uit. Gedurende drie maanden, waarvan elke dag eene eeuw duurde, kliefde de Abraham Lincoln de golven van het noordelijk deel der Stille Zuidzee; het fregat vervolgde walvisschen, maakte eensklaps allerlei omwegen, ging soms plotseling over stag of keerde op zijn koers terug, spande alle stoomkracht in, op gevaar af van de ketels te doen springen, en liet geen enkel punt van de zee tusschen Japan en Amerika onbezocht. En niets! niets dan de onmetelijke uitgestrektheid der verlaten zee! niets wat geleek op een reusachtigen eenhoorn of op eene onderzeesche rots, of op een wrak, of op een klip, of op iets bovennatuurlijks, wat het ook zij!Er was dus reactie; moedeloosheid maakte zich van elkeen meester, en opende ruim baan aan het ongeloof. Een nieuw gevoel maakte zich van het scheepsvolk meester, dat voor drie tienden uit schaamte en voor zeven tienden uit woede bestond. Men was dom genoeg om zich door een hersenschim te laten misleiden, maar ontstak er over in toorn. Plotseling stortten alle bewijzen in elkander, welke men sedert een jaar had uitgedacht, en iedereen spande zich slechts in om in te halen, wat men door opoffering van tijd aan eten en slaap was te kort gekomen. Met de natuurlijke wispelturigheid van den menschelijken geest wierp men zich van het eene uiterste op het andere. De warmste voorstanders van de onderneming werden noodlottigerwijze hare hevigste tegenstanders. De tegenstand begon bij het mindere deel der equipage en drong eindelijk zelfs bij de officieren door; zonder eene bijzondere stijfhoofdigheid van den kapitein zou het fregat zeker den steven weder naar het zuiden hebben gewend.Dat nutteloos zoeken kon echter niet lang meer worden voortgezet; de Abraham Lincoln had zich niets te verwijten, daar alles gedaan was om te slagen. Geene equipage van eenig Amerikaanschschip toonde ooit zooveel geduld en zooveel ijver; het mislukken kon haar niet geweten worden; men kon niets anders doen dan terugkeeren.Er werd een verzoek in dien zin aan den kapitein gericht; hij hield zich evenwel goed; de matrozen ontveinsden hunne ontevredenheid niet, en de dienst leed er onder. Ik zal niet zeggen dat er een opstand aan boord uitbrak, maar nadat de kapitein lang genoeg tegenstand had geboden, vroeg hij, evenals in der tijd Columbus, drie dagen uitstel. Indien in dien tijd het monster niet verschenen was zou de Abraham Lincoln naar den Atlantischen Oceaan terug keeren.Deze belofte werd op den 2denNovember gedaan; zij had ten minste ten gevolge, dat de moed van het scheepsvolk er een weinig door werd opgebeurd. Men bekeek den Oceaan weder met vernieuwde oplettendheid. Elkeen wilde er nog een laatsten blik op slaan; de kijkers werden weder met koortsige bedrijvigheid aan het oog gebracht; het was eene laatste uitdaging aan den reus, en deze kon redelijkerwijze niet nalaten daaraan te beantwoorden door te verschijnen.Twee dagen gingen voorbij: de Abraham Lincoln bleef onder halven stoom; men gebruikte duizenderlei middelen om de opmerkzaamheid van het dier op te wekken, of zijne lusteloosheid te doen verdwijnen, voor het geval, dat het zich soms in deze streken mocht ophouden. Vreeselijke stukken spek werden aan touwen achter aan het schip gehangen, tot groote vreugde van de haaien. Sloepen zwierven in elke richting rondom het fregat, terwijl dit opbraste en lieten geen enkel punt der zee ondoorzocht; maar de avond van den 4denNovember kwam, zonder dat men iets gevonden had. Den volgenden dag om 12 uur des middags was de bepaalde tijd om. Na dit oogenblik moest de kapitein, als hij trouw bleef aan zijne belofte, naar het zuidoosten stoomen en de noordelijke streken van den Grooten Oceaan verlaten. Het fregat bevond zich toen op 31° 15′ N.B. en 136° 42′ W.L. De Japansche kust lag minstens 200 mijl ver van ons verwijderd. De duisternis viel; het was acht uur; groote wolken dreven voorbij de schijf der maan, welke toen in haar eerste kwartier was; de zee kabbelde kalm tegen den voorsteven van het fregat. Op dat oogenblik leunde ik op de verschansing aan stuurboordzijde; Koenraad stond naast mij, en keek voor zich; de equipage zat in het want, en beschouwde den horizon, die door het vallen van den nacht hoe langer hoe kleiner werd. De officieren keken met hunne nachtkijkers in de toenemende duisternis. Soms schitterde de sombere Oceaan door een straal der maan, welke tusschen twee wolken doorscheen, en dan verdween weder alle licht in de duisternis van den nacht.Toen ik Koenraad aankeek, merkte ik dat die brave jongen eenigermateonder den algemeenen invloed stond, ten minste ik meende het. Misschien trilden zijne zenuwen voor het eerst door een gevoel van nieuwsgierigheid.Het monster, eenige vademen diep onder het watervlak.Het monster, eenige vademen diep onder het watervlak.“Komaan Koen,” zeide ik, “nu hebt gij voor het laatst de gelegenheid om 2000 dollars in uw zak te steken.”“Mijnheer zal mij vergunnen hem te zeggen,” antwoordde Koenraad, “dat ik nooit op die belooning gerekend heb; de regeering der Unie kon even goed honderdduizend dollars beloofd hebben, zij zou er geen duit armer door zijn geworden.”“Gij hebt gelijk, Koen; het is eene dwaze onderneming, waarin wij ons te lichtvaardig begeven hebben. Wat een tijd is er verloren gegaan, wat eene nuttelooze inspanning! Sinds zes maanden zouden wij reeds naar Frankrijk zijn teruggekeerd....”“In mijnheers kleine kamer,” antwoordde Koenraad, “in mijnheers museum! En ik zou al de fossilen van mijnheer reeds hebben gerangschikt! En de hertever (babiroussa) zou in den Plantentuin reeds in zijn hok zitten, en al de nieuwsgierigen tot zich trekken.”“Het is zoo als gij zegt Koen, en ik verbeeld mij dat men ons hartelijk zal uitlachen.”“Zeker,” antwoordde Koenraad bedaard, “ik denk wel dat men mijnheer zal uitlachen, en—mag ik het zeggen?“Wel zeker, Koen.”“Welnu, dan heeft mijnheer slechts wat hij verdient.”“Waarlijk?”“Wanneer men zoo geleerd is als mijnheer, dan stelt men zich niet bloot aan....”Maar Koenraad kon zijn zin niet voleinden: te midden van de algemeene stilte liet zich eene stem hooren. Het was de stem van Ned Land, die schreeuwde:“Ohé, daar is het ding, onder den wind, dwars voor ons!”
De reis van de Abraham Lincoln werd gedurende eenigen tijd door niets bijzonders gekenmerkt. Evenwel gebeurde er iets waardoor Ned Land een proefje van zijne bewonderenswaardige handigheid toonde, en dat bewees welk vertrouwen men in hem stellen kon.
Op de hoogte van de Malouïnen, praaide het fregat op 30 Juni Amerikaansche walvischvaarders, die ons verzekerden dat zij niets van den eenhoorn gemerkt hadden. Maar toen een hunner, de kapitein van de Monroe, hoorde dat Ned Land bij ons aan boord was, verzocht hij om zijne hulp om een walvisch te vangen, die in het gezicht was. Onze kapitein, die begeerig was om Ned Land eens in zijne kracht te zien, gaf hem verlof om aan boord van de Monroe te gaan. En het toeval begunstigde Ned zóó zeer dat hij in plaats van éen, twee walvisschen harpoende; den eenen trof hij midden in het hart, en van den anderen maakte hij zich na eene vervolging van weinige minuten meester. Als het monster ooit onder het bereik kwam van Neds harpoen zou ik waarlijk geene weddenschap vóór het monster hebben willen aangaan.
Het fregat stoomde met bijzondere snelheid langs de zuidoost-kust van Amerika. Den 3denJuli waren wij voor de straat van Magelhaen op de hoogte van de Maagdenkaap. De kapitein wilde zich echter liever niet in deze bochtige doorvaart wagen, en veeleer Kaap Hoorn omzeilen. De equipage gaf hem eenparig gelijk; en inderdaad, was het wel waarschijnlijk dat wij den eenhoorn in die nauwe straat ontmoetten? Verscheidene matrozen verzekerden dat het dier er niet door kon, “omdat het er te dik voor was!”
Op den zesden Juli zeilde de Abraham Lincoln op 15 kilometer om de zuid van het eenzame rotseilandje, dat zoo verloren tegenover het uiteinde van het Amerikaansche vasteland ligt en waaraan de Hollandsche zeevaarder Schouten den naam van zijne vaderstad Hoorn gaf. De steven werd naar het noordoosten gewend en den volgenden dag kliefde het fregat eindelijk de golven van de Stille Zuidzee.
“Nu de kijkgaten open!” zeiden de matrozen op de Abraham Lincoln, en zij spalkten de oogen wijd op. Men gunde oogen en kijkers geen oogenblik rust, omdat elk begeerig was naar den uitgeloofden prijs van 2000 dollars voor hem, die het monster het eerste zag. Nacht en dag liet men het oog over het vlak der zee weiden; en zij die beter bij nacht dan bij dag konden zien, deden al hun best om den prijs te verdienen, waardoor de kans om het monster te ontdekken 50 percent grooter werd.
Hoewel geene geldelijke belooning mij aanzette, was ik toch niet de minst oplettende aan boord. Ik besteedde maar enkele minuten aan mijn middagmaal, aan rusten slechts een uur of wat, was onverschillig voor regen of wind, en van het dek niet af te slaan. Dan hing ik eens vóór dan achter op het dek over de verschansing, en staarde met begeerige blikken op ’t schuimende kielwater, dat zoover het oog reikte achter het schip te zien was. En hoe dikwijls deelde ik niet in de ontroering van de officieren en van de equipage als een dartele walvisch soms zijn zwarten rug uit de golven omhoogstak. In een oogenblik was dan het dek vol; officieren en matrozen stormden door de luiken naar boven. Elk staarde met hijgende borst en vorschend oog naar den gang van het dier. Ik keek zelfalsof ik er mijn netvlies bij wilde verslijten en blind worden, terwijl Koenraad altijd even bedaard en kalm tot mij zeide:
Sloepen zwierven in elke richting om het fregat.Sloepen zwierven in elke richting om het fregat.
Sloepen zwierven in elke richting om het fregat.
“Als mijnheer zoo goed wilde zijn om zijne oogen minder wijd open te spalken, dan zou mijnheer vrij wat beter kunnen zien.”
Maar ijdele hoop! De Abraham Lincoln veranderde van koers, stoomde op het aangewezen dier los, en als men het naderde bleek het slechts een gewone walvisch of gemeene potvisch te zijn, die weldra onder tal van verwenschingen verdween.
Het weer bleef echter goed en de reis werd onder de gunstigste omstandigheden voortgezet. Het slechte jaargetijde was anders in die streken ingevallen, want de maand Juli komt daar met onze maand Januari overeen; maar de zee bleef kalm en men kon haar tot op grooten afstand overzien.
Ned Land toonde altijd nog het hardnekkigste ongeloof; hij hield zich zelfs alsof hij nooit naar de zee keek, behalve als hij de wacht had—ten minste als er geen walvisch in het gezicht was. En toch zou zijn scherp oog groote diensten hebben kunnen bewijzen. Maar gedurende acht uur van de twaalf was de koppige Amerikaan in zijne hut, waar hij las of sliep. Honderdmaal verweet ik hem zijne onverschilligheid.
“Och, kom,” antwoordde hij “er is niemendal, mijnheer Aronnax, en al was er eens een beest, welke kans hebben wij dan nog om het te zien? Dwalen wij niet op avontuur rond? Men heeft, zegt men, dat ongenaakbare dier in de Zuidzee teruggezien, ik wil dat eens aannemen; maar er zijn reeds twee maanden voorbijgegaan sedert dit gebeurd is, en als ik let op den aard van uw eenhoorn dan houdt hij er niet van om lang in dezelfde streken te huizen. Hij verplaatst zich zeer gemakkelijk; welnu, gij weet het beter dan ik, mijnheer de professor, de natuur doet niets in verkeerden zin, en zij zou aan geen dier dat langzaam van aard is de kracht geven om zich snel te bewegen, als het beest dit niet noodig had; als derhalve uw dier bestaat, is het reeds ver weg.”
Ik kon daar niets op antwoorden, want het was waar, wij zochten in den blinde rond; maar hoe kon het anders? Onze kansen waren dus zeer gering. Echter twijfelde niemand nog aan een goeden uitslag, en elk matroos aan boord zou eene weddenschap hebben willen aangaan dat de eenhoorn bestond en weldra zou opdagen.
Den 20stenJuli passeerden wij op 105° W.L. den Steenbokskeerkring, en den 27stenvan diezelfde maand den evenaar op 110° W.L. Toen hiervan hoogte was genomen, richtte het fregat zijn koers meer naar het westen en stoomde naar het middelste gedeelte van den Grooten Oceaan. De kapitein dacht met reden dat het beter was om het diepste gedeelte van den Oceaan te bevaren, en zich van het vasteland of de eilanden verwijderd te houden, omdat het dier deze altijd scheen te vermijden, “zonder twijfel omdat hij daargeen water genoeg heeft,” zeide de equipagemeester. Na kolen geladen te hebben stoomde het fregat in de verte langs de Pomotu-eilanden, de Markiezen- en de Sandwichseilanden, passeerde den Kreeftskeerkring op 132° W.L., en zette koers naar de Chineesche zee. Eindelijk waren wij dan in die streken, waar het monster zich het laatst vertoond had; om de waarheid te zeggen, men had aan boord maar een half leven. Elks hart klopte vreeselijk en menigeen haalde zich daardoor voor het vervolg eene ongeneeslijke kwaal op den hals; de geheele equipage verkeerde in zulk eene zenuwachtige spanning dat men er zich ter nauwernood een denkbeeld van kan maken. Men at niet meer, men sliep bijna niet, twintig keer daags veroorzaakte eene vergissing of een zinsbedrog van een der matrozen in de raas eene ondraaglijke teleurstelling, en die zoo dikwijls herhaalde aandoeningen hielden ons voortdurend in een staat van al te groote opgewondenheid dan dat er niet spoedig eene reactie komen moest. En inderdaad bleef deze niet uit. Gedurende drie maanden, waarvan elke dag eene eeuw duurde, kliefde de Abraham Lincoln de golven van het noordelijk deel der Stille Zuidzee; het fregat vervolgde walvisschen, maakte eensklaps allerlei omwegen, ging soms plotseling over stag of keerde op zijn koers terug, spande alle stoomkracht in, op gevaar af van de ketels te doen springen, en liet geen enkel punt van de zee tusschen Japan en Amerika onbezocht. En niets! niets dan de onmetelijke uitgestrektheid der verlaten zee! niets wat geleek op een reusachtigen eenhoorn of op eene onderzeesche rots, of op een wrak, of op een klip, of op iets bovennatuurlijks, wat het ook zij!
Er was dus reactie; moedeloosheid maakte zich van elkeen meester, en opende ruim baan aan het ongeloof. Een nieuw gevoel maakte zich van het scheepsvolk meester, dat voor drie tienden uit schaamte en voor zeven tienden uit woede bestond. Men was dom genoeg om zich door een hersenschim te laten misleiden, maar ontstak er over in toorn. Plotseling stortten alle bewijzen in elkander, welke men sedert een jaar had uitgedacht, en iedereen spande zich slechts in om in te halen, wat men door opoffering van tijd aan eten en slaap was te kort gekomen. Met de natuurlijke wispelturigheid van den menschelijken geest wierp men zich van het eene uiterste op het andere. De warmste voorstanders van de onderneming werden noodlottigerwijze hare hevigste tegenstanders. De tegenstand begon bij het mindere deel der equipage en drong eindelijk zelfs bij de officieren door; zonder eene bijzondere stijfhoofdigheid van den kapitein zou het fregat zeker den steven weder naar het zuiden hebben gewend.
Dat nutteloos zoeken kon echter niet lang meer worden voortgezet; de Abraham Lincoln had zich niets te verwijten, daar alles gedaan was om te slagen. Geene equipage van eenig Amerikaanschschip toonde ooit zooveel geduld en zooveel ijver; het mislukken kon haar niet geweten worden; men kon niets anders doen dan terugkeeren.
Er werd een verzoek in dien zin aan den kapitein gericht; hij hield zich evenwel goed; de matrozen ontveinsden hunne ontevredenheid niet, en de dienst leed er onder. Ik zal niet zeggen dat er een opstand aan boord uitbrak, maar nadat de kapitein lang genoeg tegenstand had geboden, vroeg hij, evenals in der tijd Columbus, drie dagen uitstel. Indien in dien tijd het monster niet verschenen was zou de Abraham Lincoln naar den Atlantischen Oceaan terug keeren.
Deze belofte werd op den 2denNovember gedaan; zij had ten minste ten gevolge, dat de moed van het scheepsvolk er een weinig door werd opgebeurd. Men bekeek den Oceaan weder met vernieuwde oplettendheid. Elkeen wilde er nog een laatsten blik op slaan; de kijkers werden weder met koortsige bedrijvigheid aan het oog gebracht; het was eene laatste uitdaging aan den reus, en deze kon redelijkerwijze niet nalaten daaraan te beantwoorden door te verschijnen.
Twee dagen gingen voorbij: de Abraham Lincoln bleef onder halven stoom; men gebruikte duizenderlei middelen om de opmerkzaamheid van het dier op te wekken, of zijne lusteloosheid te doen verdwijnen, voor het geval, dat het zich soms in deze streken mocht ophouden. Vreeselijke stukken spek werden aan touwen achter aan het schip gehangen, tot groote vreugde van de haaien. Sloepen zwierven in elke richting rondom het fregat, terwijl dit opbraste en lieten geen enkel punt der zee ondoorzocht; maar de avond van den 4denNovember kwam, zonder dat men iets gevonden had. Den volgenden dag om 12 uur des middags was de bepaalde tijd om. Na dit oogenblik moest de kapitein, als hij trouw bleef aan zijne belofte, naar het zuidoosten stoomen en de noordelijke streken van den Grooten Oceaan verlaten. Het fregat bevond zich toen op 31° 15′ N.B. en 136° 42′ W.L. De Japansche kust lag minstens 200 mijl ver van ons verwijderd. De duisternis viel; het was acht uur; groote wolken dreven voorbij de schijf der maan, welke toen in haar eerste kwartier was; de zee kabbelde kalm tegen den voorsteven van het fregat. Op dat oogenblik leunde ik op de verschansing aan stuurboordzijde; Koenraad stond naast mij, en keek voor zich; de equipage zat in het want, en beschouwde den horizon, die door het vallen van den nacht hoe langer hoe kleiner werd. De officieren keken met hunne nachtkijkers in de toenemende duisternis. Soms schitterde de sombere Oceaan door een straal der maan, welke tusschen twee wolken doorscheen, en dan verdween weder alle licht in de duisternis van den nacht.
Toen ik Koenraad aankeek, merkte ik dat die brave jongen eenigermateonder den algemeenen invloed stond, ten minste ik meende het. Misschien trilden zijne zenuwen voor het eerst door een gevoel van nieuwsgierigheid.
Het monster, eenige vademen diep onder het watervlak.Het monster, eenige vademen diep onder het watervlak.
Het monster, eenige vademen diep onder het watervlak.
“Komaan Koen,” zeide ik, “nu hebt gij voor het laatst de gelegenheid om 2000 dollars in uw zak te steken.”
“Mijnheer zal mij vergunnen hem te zeggen,” antwoordde Koenraad, “dat ik nooit op die belooning gerekend heb; de regeering der Unie kon even goed honderdduizend dollars beloofd hebben, zij zou er geen duit armer door zijn geworden.”
“Gij hebt gelijk, Koen; het is eene dwaze onderneming, waarin wij ons te lichtvaardig begeven hebben. Wat een tijd is er verloren gegaan, wat eene nuttelooze inspanning! Sinds zes maanden zouden wij reeds naar Frankrijk zijn teruggekeerd....”
“In mijnheers kleine kamer,” antwoordde Koenraad, “in mijnheers museum! En ik zou al de fossilen van mijnheer reeds hebben gerangschikt! En de hertever (babiroussa) zou in den Plantentuin reeds in zijn hok zitten, en al de nieuwsgierigen tot zich trekken.”
“Het is zoo als gij zegt Koen, en ik verbeeld mij dat men ons hartelijk zal uitlachen.”
“Zeker,” antwoordde Koenraad bedaard, “ik denk wel dat men mijnheer zal uitlachen, en—mag ik het zeggen?
“Wel zeker, Koen.”
“Welnu, dan heeft mijnheer slechts wat hij verdient.”
“Waarlijk?”
“Wanneer men zoo geleerd is als mijnheer, dan stelt men zich niet bloot aan....”
Maar Koenraad kon zijn zin niet voleinden: te midden van de algemeene stilte liet zich eene stem hooren. Het was de stem van Ned Land, die schreeuwde:
“Ohé, daar is het ding, onder den wind, dwars voor ons!”
Met vollen stoom.Op dat geroep stormde de geheele equipage naar den harpoenier; kapitein, officieren, bootslieden, matrozen, kajuitsjongens, tot zelfs de machinisten, die de machine, en de stokers die hunne vuren in den steek lieten. Er was bevel gegeven om te stoppen, en het fregat liep nog slechts langzaam vooruit.Het was zeer donker, en hoe goed of de oogen van den harpoenier ook waren, vroeg ik mij zelven af hoe en wat hij dan toch gezienhad; mijn hart klopte alsof het barsten moest. Maar Ned Land had zich niet bedrogen, en wij zagen allen het voorwerp, dat hij met de hand aanwees.Aan stuurboordszijde op twee kabellengten afstands van de Abraham Lincoln scheen de zee van onderen verlicht te zijn. Het was niet het eenvoudige verschijnsel van het lichten der zee; men kon zich daarin niet bedriegen. Het monster, dat eenige vademen diep onder het watervlak dreef, gaf dien helderlichtenden, maar onverklaarbaren glans van zich, waarvan in het rapport van verscheidene kapiteins gesproken werd. Deze prachtige lichtuitstraling moest door eene groote lichtgevende kracht worden voortgebracht. Het lichtende gedeelte beschreef op zee een zeer groot langwerpig ovaal, in welks midden zich een schitterend brandpunt bevond, welks onbeschrijfelijke glans langzamerhand verminderde.“Het is slechts eene ophooping van lichtgevende deeltjes,” riep een van de officieren.“Neen mijnheer,” antwoordde ik met overtuiging, “nooit hebben steenboorders of salpen zulk eene lichtgevende kracht. Deze glans moet volstrekt van electrieken aard zijn; bovendien, zie maar eens, het verandert van plaats, het beweegt zich naar voren ... naar achteren ... het snelt naar ons toe!”Een algemeene kreet verhief zich van het fregat.“Stilte,” beval de kapitein, “het roer in den wind, achteruit!”De matrozen snelden naar het roer, de machinisten naar de machine; deze werkte aanstonds achteruit, en de Abraham Lincoln naar bakboordszijde wendende, beschreef een halven cirkel.“Roer recht! Vooruit!” riep de kapitein.Zijne bevelen werden ten uitvoer gebracht, en het fregat verwijderde zich snel van het lichtende brandpunt. Neen, ik bedrieg mij: het wilde zich verwijderen, maar het bovennatuurlijke dier naderde met dubbele snelheid.Wij waren buiten adem, verbazing, nog meer dan vrees, maakte ons stom en onbeweeglijk. Het dier won spelenderwijze op ons; het zwom om het fregat heen, dat toch veertien knopen in het uur liep, en wikkelde het in zijn electrieken stroom als in eene lichtende stof. Daarop verwijderde het zich twee of drie kilometer, en liet eene lichtgevende streep achter, evenals een wolk van stoom, welke de locomotief van een sneltrein achter zich laat. Plotseling toen het monster aan den gezichteinder gekomen was, alsof het zich wilde verwijderen, wierp het zich met ijzingwekkende snelheid op de Abraham Lincoln, hield eensklaps twintig voet van den voorsteven op, en doofde zijn licht uit, niet door dieper onder water te zakken, want het verminderde niet langzamerhand, maar plotseling, even alsof de bron van dien schitterenden lichtstroom op eens werd afgebroken. Daarna verscheen het aan de andere zijde van het fregat,hetzij dat het er omheen was gedraaid, of dat het onder de kiel was door gegleden. Ieder oogenblik kon er eene botsing komen, welke ons noodlottig zou geweest zijn.Met dat al verwonderde ik mij over de wendingen van het fregat; het vluchtte en viel niet aan; het werd vervolgd, terwijl het zelf vervolgen moest; ik deelde deze opmerking den kapitein mede. Op zijn gelaat, dat gewoonlijk zeer kalm was, stond nu stomme verbazing te lezen.“Mijnheer Aronnax,” antwoordde hij, “ik weet niet met welk verschrikkelijk wezen ik te doen heb, en ik wil mijn fregat in deze duisternis niet onvoorzichtig blootstellen: hoe moet ik dat onbekende dier bovendien aanvallen, hoe mij verdedigen? Laat ons het daglicht afwachten, en dan zullen de rollen wel veranderen.”“Twijfelt gij niet meer aan den aard van het dier, kapitein?”“Neen mijnheer, het is duidelijk genoeg een reusachtige eenhoorn, maar een electrieke tevens.”“Misschien kan men dit dier evenmin naderen als een sidderaal?”“Misschien,” antwoordde de kapitein, “maar als het electrieke kracht bezit, dan is het gewis het verschrikkelijkste beest, dat de Schepper ooit gewrocht heeft. Daarom zal ik oppassen, mijnheer.”De geheele equipage bleef des nachts op de been; niemand dacht aan slapen. De Abraham Lincoln kon niet het dier in snelheid niet wedijveren, daarom had het fregat zijn gang verminderd en bleef onder halven stoom. Van zijn kant deed de eenhoorn hetzelfde; hij liet zich door de golven voortwiegen en scheen vast besloten om het tooneel van den strijd niet te verlaten. Omstreeks middernacht verdween hij, of liever om een juister uitdrukking te bezigen “ging hij uit” evenals een groote glimworm. Was hij gevlucht? men moest het vreezen, maar niet hopen. Nog geen uur later liet zich een verdoovend gesis hooren, gelijk aan dat, hetwelk eene kolom water veroorzaakt, welke ergens met geweld wordt uitgespoten.De kapitein, Ned Land en ik stonden op dat oogenblik op de kampanje, en wierpen nieuwsgierige blikken in de dikke duisternis.“Ned Land,” vroeg de kapitein, “hebt gij dikwijls het geblaas van walvisschen gehoord?”“Dikwijls kapitein, maar nooit van een dier, welks gezicht alléen mij 2000 dollars opbracht.”“Het is waar ook, gij hebt recht op die belooning. Maar zeg mij eens, is dat geraas niet hetzelfde hetwelk de walvisschen maken, als zij het water door hunne kieuwen uitblazen?”“Hetzelfde kapitein, maar dit is oneindig sterker. Men kan er zich dan ook niet in vergissen; het is wel eene soort van walvisch, die zich in ons vaarwater ophoudt. Als gij het goed vindt kapitein, zullen wij morgen met het aanbreken van den dag een paar woorden met hem wisselen.”Een oude kanonnier naderde bedaard en kalm het stuk.Een oude kanonnier naderde bedaard en kalm het stuk.“Als hij u ten minste wil aanhooren, Ned,” antwoordde ik op ongeloovigen toon.“Laat ik hem maar eens op vier harpoenlengten kunnen naderen,”voegde Ned er bij, “dan zal hij mij wel moeten aanhooren.”“Maar om hem te naderen, moet ik vast eene walvischsloep ter uwer beschikking stellen?” hernam de kapitein.“Zeker kapitein.”“Dan zet ik het leven van mijne matrozen op het spel.”“En het mijne!” antwoordde de harpoenier dood eenvoudig.Om twee uur des morgens verscheen het licht op nieuw, maar minder helder, op vijf mijl in den wind van de Abraham Lincoln. Niettegenstaande den afstand en het geraas van wind en zee, hoorde men het dier duidelijk met den vreeselijken staart slaan, en zelfs ademhalen. Het scheen dat als het beest aan het oppervlak der zee kwam om adem te halen, de lucht met zooveel geweld in zijne longen drong, als de stoom in de groote ketels van eene machine van 2000 paardekracht.“Nu,” dacht ik, “een walvisch zoo sterk als een regiment ruiterij, dat is nog al zoo iets!”Men bleef tot aan het aanbreken van den dag op zijne hoede en bereidde zich voor op den strijd. De vischtoestellen werden langs de verschansingen gereed gemaakt. De tweede stuurman liet de donderbussen laden, die een harpoen een kilometer ver werpen, en lange ganzenroeren met ontplofbare kogels gereed maken, welker wond doodelijk is, zelfs voor de grootste dieren. Ned Land had zich vergenoegd met zijn harpoen klaar te maken, een vreeselijk wapen in zijne hand.Om zes uur begon de dag aan te breken, en bij de eerste stralen van het morgenlicht verdween de electrieke glans van den eenhoorn. Om zeven uur was het helder dag, maar een dikke nevel belette ver om zich heen te zien, en de beste kijkers konden er niet doorheen boren; dientengevolge was men aan boord teleurgesteld en boos.Ik klom in den bezaansmast; eenige officieren zaten reeds in de toppen der masten. Om acht uur begon de mist langzaam op te trekken. De gezichteinder verwijdde zich en werd helder, evenals den vorigen dag liet zich nu plotseling de stem van Ned Land hooren: “Daar is het ding weer, achter ons, aan bakboord,” riep de harpoenier. Aller blikken richtten zich naar het aangewezen punt. Daar stak op anderhalven kilometer van het fregat een langwerpig zwart lichaam uit de golven; het dier sloeg geweldig met den staart en liet eene massa zog achter zich. Nimmer nog was de zee met zulk eene kracht door een staart in beweging gebracht; eene lange streep helder wit schuim duidde den weg van het dier aan en beschreef eene lange bocht.Het fregat naderde den visch; ik beschouwde het beest zoo nauwkeurig mogelijk. De rapporten van de Shannon en de Helvetia hadden de afmetingen wat vergroot, en ik hield het er voor, dathet beest slechts 250 voet lang was. Moeielijk kon ik nagaan hoe dik het was, maar het dier scheen mij over het algemeen in zijne afmetingen goed gevormd te zijn.Terwijl ik dit wonderbare verschijnsel stond te bekijken, spoot het twee stralen damp en water tot op eene hoogte van 40 meter op; ik maakte daaruit en uit al het andere op, dat het tot de gewervelde zoogdieren behoorde, tot welke familie het moest gerekend worden, wist ik nog niet, omdat er drie familiën waren, waartoe het behooren kon, namelijk die der walvisschen, der potvisschen en der dolfijnen, waartoe ook de eenhoorns gerekend worden; elk van die familiën is weder in verschillende geslachten ingedeeld, de geslachten in soorten, de soorten in verschillende onderdeelen, dat alles was mij van dit dier nog onbekend, maar ik hoopte er achter te komen met de hulp des Hemels en van kapitein Farragut.De equipage wachtte ongeduldig de bevelen van den kapitein af; toen deze het dier nauwkeurig bekeken had, liet hij den machinist roepen; deze kwam: “Mijnheer,” vroeg de kapitein, “hebt gij stoom genoeg!”“Jawel kapitein,” was het antwoord.Drie hoezee’s volgden op dit bevel. Het uur van den strijd had geslagen; eenige oogenblikken later braakten de beide schoorsteenen van het fregat wolken zwarten rook uit, en het dek trilde onder de heftige beweging der machine.De Abraham Lincoln, door zijne sterke schroef vooruitgestuwd, stoomde recht op het dier aan. Dit liet zich tot op eene halve kabellengte naderen; toen nam het den schijn aan van niet eens te willen duiken, maar zoowat te vluchten, en stelde zich tevreden met den afstand te bewaren. Deze vervolging duurde ongeveer drie kwartier, zonder dat het fregat twee vadem op het dier won; het was dus duidelijk, dat door zoo voort te gaan men het nooit bereiken zou. De kapitein trok zich woedend aan den baard.“Ned Land!” riep hij; deze kwam op dit bevel.“Zeg eens, Land,” vroeg de kapitein, “raadt gij mij nog aan de sloepen in zee te laten?”“Neen kapitein,” antwoordde Ned, “want dat dier zal zich niet laten vangen dan als het wil.”“Wat dan te doen?”“Als gij kunt nog harder stoomen, kapitein; indien gij het mij toestaat ga ik op den boegspriet zitten, en als ik er dan kans toe zie, zal ik het mijn harpoen in ’t lijf gooien.”“Ga je gang,” antwoordde de kapitein. “Machinist” riep hij toen, “vermeerder de drukking!”Ned Land ging op zijn post zitten. Het vuur werd ferm aangestookt, de schroef draaide43 maalin de minuut en de stoom perstedoor de kleppen. Toen men de log uitwierp, kon men zien, dat de Abraham Lincoln met eene vaart van 18,5 kilometer in ’t uur liep; maar het verwenschte dier liep even snel. Gedurende een uur ongeveer, bleef het fregat dezelfde snelheid behouden zonder éen vadem te winnen. Het was vernederend voor een van de snelste schepen der Amerikaansche vloot. Doffe woede bezielde de equipage; de matrozen scholden op het monster, dat overigens zich niet verwaardigde eenig antwoord te geven. Kapitein Farragut trok niet alleen aan zijn baard, maar hij kauwde er op. Hij riep den machinist nog eens.“Hebt gij de hoogste drukking?” vroeg de kapitein driftig.“Ja kapitein,” antwoordde de machinist.“En zijn de veiligheidskleppen belast?”“Tot op 6½ atmosfeer.”“Belast ze tot op tien atmosferen!”Dit was een echt Amerikaansch bevel; op denMississippizou men niet anders gehandeld hebben om een concurrent vooruit te komen.“Weet gij wel Koen,” zeide ik tegen mijn trouwen knecht die naast mij stond, “dat wij waarschijnlijk in de lucht zullen vliegen?”“Zooals mijnheer belieft!” antwoordde Koenraad.Welnu, ik moet bekennen, dat het mij niet onaangenaam was, deze kans te loopen.De kleppen werden belast, de fornuizen werden volgepropt met kolen; de wind vangers wierpen stroomen lucht in de machinekamer; de snelheid van de Abraham Lincoln werd nog grooter. De masten trilden over hunne geheele lengte, en de schoorsteenen konden ter nauwernood de dikke rookwolken den doorgang verschaffen.De log werd ten tweeden male uitgeworpen.“Hoeveel, stuurman?” riep de kapitein.“19,3 kilometer, kapitein!”“Stook op!” beval Farragut.De machinist gehoorzaamde; de manometer teekende tien atmosferen; maar de visch schoot ook vooruit, want zonder moeite liep hij ook 19,3 kilometer. Welke jacht! Neen, ik ben niet in staat om de ontroering te beschrijven, welke mijn geheele lichaam deed trillen. Ned Land was op zijn post met de harpoen in de hand. Verscheidene malen liet het dier zich naderen.“Wij halen hem in! Wij halen hem in!” riep Ned, maar op het oogenblik dat hij wilde werpen, zwom het dier vooruit met eene snelheid, welke ik op niet minder dan dertig kilometer in het uur schatte. En zelfs toen wij ons maximum van snelheid bereikt hadden, stak het den draak met het fregat, door er om heen te zwemmen! Een kreet van woede ontsnapte ons.Om twaalf uur waren wij niet verder dan om acht uur ’s morgens. Toen besloot kapitein Farragut andere middelen aan te wenden.Een van ons beiden onbeweeglijk op den rug liggende.Een van ons beiden onbeweeglijk op den rug liggende.“Zoo,” zeide hij, “loopt dat beest sneller dan de Abraham Lincoln, dan zullen wij eens zien of het onze puntkogels vooruit blijft. Mannen aan het voorstuk!”Het stuk op den voorsteven werd onmiddellijk geladen en gericht; het schot ging af,maarde kogel vloog eenige voeten te hoog en over het dier heen, dat op een halven kilometer voor ons uit zwom.“Een ander die beter bij de hand is!” schreeuwde de kapitein, “500 dollars voor hem die het verwenschte beest raakt!”Een oude kanonnier met grijzen baard, ik zie hem nog, naderde bedaard en kalm het stuk, richtte het en mikte lang. Een zware slag dreunde, en de equipage stiet een vreugdekreet uit. De kogel had het dier getroffen, maar niet vlak op zijn lichaam, want hij gleed langs de ronde oppervlakte af, en vloog twee kilometer verder in zee.“Wat drommel,” riep de oude kanonnier woedend, “is die schelm dan met zesduims platen gepantserd?”“Vervloekt!” riep de kapitein.De jacht begon op nieuw, de kapitein wendde zich tot mij en zeide: “ik zal het vervolgen tot mijn fregat in de lucht vliegt.”“Gij hebt gelijk!” antwoordde ik.Men hoopte dat het dier uitgeput zou raken, en dat het niet evenals een stoommachine onvermoeid zijn zou, maar verre van dien; het eene uur verliep na het andere, zonder dat het eenig teeken van afmatting gaf. Ik moet der Abraham Lincoln ter eere nageven, dat zij met onvermoeide inspanning volhield, ik bereken dat het schip op dien ongelukkigen zesden November wel 500 kilometer aflegde; maar de duisternis viel, en overdekte de onstuimige zee met haren sluier. Op dat oogenblik meende ik, dat onze tocht geëindigd was, en wij het bovennatuurlijke dier niet terug zouden zien; maar ik bedroog mij. ’s Avonds tien minuten voor elven zagen wij het electrieke licht weder op drie kilometer voor ons uit; het was even helder, even glanzend als den vorigen nacht.De eenhoorn scheen onbeweeglijk. Misschien was hij vermoeid van den wedren, en sliep hij, of liet hij zich door de golven zachtkens voortwiegelen. Dit was eene kans, waarvan de kapitein gebruik wilde maken. Hij gaf dienovereenkomstig zijne bevelen. De Abraham Lincoln naderde voorzichtig en langzaam onder halven stoom om de aandacht van zijn tegenstander niet op te wekken. Men ontmoet niet zelden in volle zee walvisschen in diepe rust, welke men dan met goed gevolg aanvalt, en Ned Land had er meer dan een in den slaap geharpoend; hij ging weder op zijn post op den boegspriet. Het fregat naderde zonder veel geraas, stopte op twee kabellengte afstands van het dier, en dreef langzaam voort: men haalde bijna geen adem meer; diepe stilte heerschte op het dek. Wij waren op geen honderd voet afstands van het licht, dat in onze oogen nog helderder en schitterender werd. Op dat oogenblik zag ik Ned Land over de verschansing leunen, terwijl hij zich metde eene hand aan een touw vasthield, en met de andere zijn vreeselijken harpoen drilde. Hij was nauwelijks twintig voet van het onbeweeglijke dier verwijderd. Eensklaps strekte hij zijn arm uit en de harpoen vloog weg. Ik hoorden den doffen slag van het wapen, dat op een hard voorwerp scheen te stooten. Plotseling doofde de electrieke glans uit, en twee groote waterstralen stortten op het dek neer; als een woedende stroom ging het over het dek, wierp de menschen omver en verbrijzelde alles wat in den weg kwam. Toen voelden wij een vreeselijken schok, en zonder dat ik tijd had mij ergens aan vast te grijpen, werd ik over de verschansing in zee geworpen.
Op dat geroep stormde de geheele equipage naar den harpoenier; kapitein, officieren, bootslieden, matrozen, kajuitsjongens, tot zelfs de machinisten, die de machine, en de stokers die hunne vuren in den steek lieten. Er was bevel gegeven om te stoppen, en het fregat liep nog slechts langzaam vooruit.
Het was zeer donker, en hoe goed of de oogen van den harpoenier ook waren, vroeg ik mij zelven af hoe en wat hij dan toch gezienhad; mijn hart klopte alsof het barsten moest. Maar Ned Land had zich niet bedrogen, en wij zagen allen het voorwerp, dat hij met de hand aanwees.
Aan stuurboordszijde op twee kabellengten afstands van de Abraham Lincoln scheen de zee van onderen verlicht te zijn. Het was niet het eenvoudige verschijnsel van het lichten der zee; men kon zich daarin niet bedriegen. Het monster, dat eenige vademen diep onder het watervlak dreef, gaf dien helderlichtenden, maar onverklaarbaren glans van zich, waarvan in het rapport van verscheidene kapiteins gesproken werd. Deze prachtige lichtuitstraling moest door eene groote lichtgevende kracht worden voortgebracht. Het lichtende gedeelte beschreef op zee een zeer groot langwerpig ovaal, in welks midden zich een schitterend brandpunt bevond, welks onbeschrijfelijke glans langzamerhand verminderde.
“Het is slechts eene ophooping van lichtgevende deeltjes,” riep een van de officieren.
“Neen mijnheer,” antwoordde ik met overtuiging, “nooit hebben steenboorders of salpen zulk eene lichtgevende kracht. Deze glans moet volstrekt van electrieken aard zijn; bovendien, zie maar eens, het verandert van plaats, het beweegt zich naar voren ... naar achteren ... het snelt naar ons toe!”
Een algemeene kreet verhief zich van het fregat.
“Stilte,” beval de kapitein, “het roer in den wind, achteruit!”
De matrozen snelden naar het roer, de machinisten naar de machine; deze werkte aanstonds achteruit, en de Abraham Lincoln naar bakboordszijde wendende, beschreef een halven cirkel.
“Roer recht! Vooruit!” riep de kapitein.
Zijne bevelen werden ten uitvoer gebracht, en het fregat verwijderde zich snel van het lichtende brandpunt. Neen, ik bedrieg mij: het wilde zich verwijderen, maar het bovennatuurlijke dier naderde met dubbele snelheid.
Wij waren buiten adem, verbazing, nog meer dan vrees, maakte ons stom en onbeweeglijk. Het dier won spelenderwijze op ons; het zwom om het fregat heen, dat toch veertien knopen in het uur liep, en wikkelde het in zijn electrieken stroom als in eene lichtende stof. Daarop verwijderde het zich twee of drie kilometer, en liet eene lichtgevende streep achter, evenals een wolk van stoom, welke de locomotief van een sneltrein achter zich laat. Plotseling toen het monster aan den gezichteinder gekomen was, alsof het zich wilde verwijderen, wierp het zich met ijzingwekkende snelheid op de Abraham Lincoln, hield eensklaps twintig voet van den voorsteven op, en doofde zijn licht uit, niet door dieper onder water te zakken, want het verminderde niet langzamerhand, maar plotseling, even alsof de bron van dien schitterenden lichtstroom op eens werd afgebroken. Daarna verscheen het aan de andere zijde van het fregat,hetzij dat het er omheen was gedraaid, of dat het onder de kiel was door gegleden. Ieder oogenblik kon er eene botsing komen, welke ons noodlottig zou geweest zijn.
Met dat al verwonderde ik mij over de wendingen van het fregat; het vluchtte en viel niet aan; het werd vervolgd, terwijl het zelf vervolgen moest; ik deelde deze opmerking den kapitein mede. Op zijn gelaat, dat gewoonlijk zeer kalm was, stond nu stomme verbazing te lezen.
“Mijnheer Aronnax,” antwoordde hij, “ik weet niet met welk verschrikkelijk wezen ik te doen heb, en ik wil mijn fregat in deze duisternis niet onvoorzichtig blootstellen: hoe moet ik dat onbekende dier bovendien aanvallen, hoe mij verdedigen? Laat ons het daglicht afwachten, en dan zullen de rollen wel veranderen.”
“Twijfelt gij niet meer aan den aard van het dier, kapitein?”
“Neen mijnheer, het is duidelijk genoeg een reusachtige eenhoorn, maar een electrieke tevens.”
“Misschien kan men dit dier evenmin naderen als een sidderaal?”
“Misschien,” antwoordde de kapitein, “maar als het electrieke kracht bezit, dan is het gewis het verschrikkelijkste beest, dat de Schepper ooit gewrocht heeft. Daarom zal ik oppassen, mijnheer.”
De geheele equipage bleef des nachts op de been; niemand dacht aan slapen. De Abraham Lincoln kon niet het dier in snelheid niet wedijveren, daarom had het fregat zijn gang verminderd en bleef onder halven stoom. Van zijn kant deed de eenhoorn hetzelfde; hij liet zich door de golven voortwiegen en scheen vast besloten om het tooneel van den strijd niet te verlaten. Omstreeks middernacht verdween hij, of liever om een juister uitdrukking te bezigen “ging hij uit” evenals een groote glimworm. Was hij gevlucht? men moest het vreezen, maar niet hopen. Nog geen uur later liet zich een verdoovend gesis hooren, gelijk aan dat, hetwelk eene kolom water veroorzaakt, welke ergens met geweld wordt uitgespoten.
De kapitein, Ned Land en ik stonden op dat oogenblik op de kampanje, en wierpen nieuwsgierige blikken in de dikke duisternis.
“Ned Land,” vroeg de kapitein, “hebt gij dikwijls het geblaas van walvisschen gehoord?”
“Dikwijls kapitein, maar nooit van een dier, welks gezicht alléen mij 2000 dollars opbracht.”
“Het is waar ook, gij hebt recht op die belooning. Maar zeg mij eens, is dat geraas niet hetzelfde hetwelk de walvisschen maken, als zij het water door hunne kieuwen uitblazen?”
“Hetzelfde kapitein, maar dit is oneindig sterker. Men kan er zich dan ook niet in vergissen; het is wel eene soort van walvisch, die zich in ons vaarwater ophoudt. Als gij het goed vindt kapitein, zullen wij morgen met het aanbreken van den dag een paar woorden met hem wisselen.”
Een oude kanonnier naderde bedaard en kalm het stuk.Een oude kanonnier naderde bedaard en kalm het stuk.
Een oude kanonnier naderde bedaard en kalm het stuk.
“Als hij u ten minste wil aanhooren, Ned,” antwoordde ik op ongeloovigen toon.
“Laat ik hem maar eens op vier harpoenlengten kunnen naderen,”voegde Ned er bij, “dan zal hij mij wel moeten aanhooren.”
“Maar om hem te naderen, moet ik vast eene walvischsloep ter uwer beschikking stellen?” hernam de kapitein.
“Zeker kapitein.”
“Dan zet ik het leven van mijne matrozen op het spel.”
“En het mijne!” antwoordde de harpoenier dood eenvoudig.
Om twee uur des morgens verscheen het licht op nieuw, maar minder helder, op vijf mijl in den wind van de Abraham Lincoln. Niettegenstaande den afstand en het geraas van wind en zee, hoorde men het dier duidelijk met den vreeselijken staart slaan, en zelfs ademhalen. Het scheen dat als het beest aan het oppervlak der zee kwam om adem te halen, de lucht met zooveel geweld in zijne longen drong, als de stoom in de groote ketels van eene machine van 2000 paardekracht.
“Nu,” dacht ik, “een walvisch zoo sterk als een regiment ruiterij, dat is nog al zoo iets!”
Men bleef tot aan het aanbreken van den dag op zijne hoede en bereidde zich voor op den strijd. De vischtoestellen werden langs de verschansingen gereed gemaakt. De tweede stuurman liet de donderbussen laden, die een harpoen een kilometer ver werpen, en lange ganzenroeren met ontplofbare kogels gereed maken, welker wond doodelijk is, zelfs voor de grootste dieren. Ned Land had zich vergenoegd met zijn harpoen klaar te maken, een vreeselijk wapen in zijne hand.
Om zes uur begon de dag aan te breken, en bij de eerste stralen van het morgenlicht verdween de electrieke glans van den eenhoorn. Om zeven uur was het helder dag, maar een dikke nevel belette ver om zich heen te zien, en de beste kijkers konden er niet doorheen boren; dientengevolge was men aan boord teleurgesteld en boos.
Ik klom in den bezaansmast; eenige officieren zaten reeds in de toppen der masten. Om acht uur begon de mist langzaam op te trekken. De gezichteinder verwijdde zich en werd helder, evenals den vorigen dag liet zich nu plotseling de stem van Ned Land hooren: “Daar is het ding weer, achter ons, aan bakboord,” riep de harpoenier. Aller blikken richtten zich naar het aangewezen punt. Daar stak op anderhalven kilometer van het fregat een langwerpig zwart lichaam uit de golven; het dier sloeg geweldig met den staart en liet eene massa zog achter zich. Nimmer nog was de zee met zulk eene kracht door een staart in beweging gebracht; eene lange streep helder wit schuim duidde den weg van het dier aan en beschreef eene lange bocht.
Het fregat naderde den visch; ik beschouwde het beest zoo nauwkeurig mogelijk. De rapporten van de Shannon en de Helvetia hadden de afmetingen wat vergroot, en ik hield het er voor, dathet beest slechts 250 voet lang was. Moeielijk kon ik nagaan hoe dik het was, maar het dier scheen mij over het algemeen in zijne afmetingen goed gevormd te zijn.
Terwijl ik dit wonderbare verschijnsel stond te bekijken, spoot het twee stralen damp en water tot op eene hoogte van 40 meter op; ik maakte daaruit en uit al het andere op, dat het tot de gewervelde zoogdieren behoorde, tot welke familie het moest gerekend worden, wist ik nog niet, omdat er drie familiën waren, waartoe het behooren kon, namelijk die der walvisschen, der potvisschen en der dolfijnen, waartoe ook de eenhoorns gerekend worden; elk van die familiën is weder in verschillende geslachten ingedeeld, de geslachten in soorten, de soorten in verschillende onderdeelen, dat alles was mij van dit dier nog onbekend, maar ik hoopte er achter te komen met de hulp des Hemels en van kapitein Farragut.
De equipage wachtte ongeduldig de bevelen van den kapitein af; toen deze het dier nauwkeurig bekeken had, liet hij den machinist roepen; deze kwam: “Mijnheer,” vroeg de kapitein, “hebt gij stoom genoeg!”
“Jawel kapitein,” was het antwoord.
Drie hoezee’s volgden op dit bevel. Het uur van den strijd had geslagen; eenige oogenblikken later braakten de beide schoorsteenen van het fregat wolken zwarten rook uit, en het dek trilde onder de heftige beweging der machine.
De Abraham Lincoln, door zijne sterke schroef vooruitgestuwd, stoomde recht op het dier aan. Dit liet zich tot op eene halve kabellengte naderen; toen nam het den schijn aan van niet eens te willen duiken, maar zoowat te vluchten, en stelde zich tevreden met den afstand te bewaren. Deze vervolging duurde ongeveer drie kwartier, zonder dat het fregat twee vadem op het dier won; het was dus duidelijk, dat door zoo voort te gaan men het nooit bereiken zou. De kapitein trok zich woedend aan den baard.
“Ned Land!” riep hij; deze kwam op dit bevel.
“Zeg eens, Land,” vroeg de kapitein, “raadt gij mij nog aan de sloepen in zee te laten?”
“Neen kapitein,” antwoordde Ned, “want dat dier zal zich niet laten vangen dan als het wil.”
“Wat dan te doen?”
“Als gij kunt nog harder stoomen, kapitein; indien gij het mij toestaat ga ik op den boegspriet zitten, en als ik er dan kans toe zie, zal ik het mijn harpoen in ’t lijf gooien.”
“Ga je gang,” antwoordde de kapitein. “Machinist” riep hij toen, “vermeerder de drukking!”
Ned Land ging op zijn post zitten. Het vuur werd ferm aangestookt, de schroef draaide43 maalin de minuut en de stoom perstedoor de kleppen. Toen men de log uitwierp, kon men zien, dat de Abraham Lincoln met eene vaart van 18,5 kilometer in ’t uur liep; maar het verwenschte dier liep even snel. Gedurende een uur ongeveer, bleef het fregat dezelfde snelheid behouden zonder éen vadem te winnen. Het was vernederend voor een van de snelste schepen der Amerikaansche vloot. Doffe woede bezielde de equipage; de matrozen scholden op het monster, dat overigens zich niet verwaardigde eenig antwoord te geven. Kapitein Farragut trok niet alleen aan zijn baard, maar hij kauwde er op. Hij riep den machinist nog eens.
“Hebt gij de hoogste drukking?” vroeg de kapitein driftig.
“Ja kapitein,” antwoordde de machinist.
“En zijn de veiligheidskleppen belast?”
“Tot op 6½ atmosfeer.”
“Belast ze tot op tien atmosferen!”
Dit was een echt Amerikaansch bevel; op denMississippizou men niet anders gehandeld hebben om een concurrent vooruit te komen.
“Weet gij wel Koen,” zeide ik tegen mijn trouwen knecht die naast mij stond, “dat wij waarschijnlijk in de lucht zullen vliegen?”
“Zooals mijnheer belieft!” antwoordde Koenraad.
Welnu, ik moet bekennen, dat het mij niet onaangenaam was, deze kans te loopen.
De kleppen werden belast, de fornuizen werden volgepropt met kolen; de wind vangers wierpen stroomen lucht in de machinekamer; de snelheid van de Abraham Lincoln werd nog grooter. De masten trilden over hunne geheele lengte, en de schoorsteenen konden ter nauwernood de dikke rookwolken den doorgang verschaffen.
De log werd ten tweeden male uitgeworpen.
“Hoeveel, stuurman?” riep de kapitein.
“19,3 kilometer, kapitein!”
“Stook op!” beval Farragut.
De machinist gehoorzaamde; de manometer teekende tien atmosferen; maar de visch schoot ook vooruit, want zonder moeite liep hij ook 19,3 kilometer. Welke jacht! Neen, ik ben niet in staat om de ontroering te beschrijven, welke mijn geheele lichaam deed trillen. Ned Land was op zijn post met de harpoen in de hand. Verscheidene malen liet het dier zich naderen.
“Wij halen hem in! Wij halen hem in!” riep Ned, maar op het oogenblik dat hij wilde werpen, zwom het dier vooruit met eene snelheid, welke ik op niet minder dan dertig kilometer in het uur schatte. En zelfs toen wij ons maximum van snelheid bereikt hadden, stak het den draak met het fregat, door er om heen te zwemmen! Een kreet van woede ontsnapte ons.
Om twaalf uur waren wij niet verder dan om acht uur ’s morgens. Toen besloot kapitein Farragut andere middelen aan te wenden.
Een van ons beiden onbeweeglijk op den rug liggende.Een van ons beiden onbeweeglijk op den rug liggende.
Een van ons beiden onbeweeglijk op den rug liggende.
“Zoo,” zeide hij, “loopt dat beest sneller dan de Abraham Lincoln, dan zullen wij eens zien of het onze puntkogels vooruit blijft. Mannen aan het voorstuk!”
Het stuk op den voorsteven werd onmiddellijk geladen en gericht; het schot ging af,maarde kogel vloog eenige voeten te hoog en over het dier heen, dat op een halven kilometer voor ons uit zwom.
“Een ander die beter bij de hand is!” schreeuwde de kapitein, “500 dollars voor hem die het verwenschte beest raakt!”
Een oude kanonnier met grijzen baard, ik zie hem nog, naderde bedaard en kalm het stuk, richtte het en mikte lang. Een zware slag dreunde, en de equipage stiet een vreugdekreet uit. De kogel had het dier getroffen, maar niet vlak op zijn lichaam, want hij gleed langs de ronde oppervlakte af, en vloog twee kilometer verder in zee.
“Wat drommel,” riep de oude kanonnier woedend, “is die schelm dan met zesduims platen gepantserd?”
“Vervloekt!” riep de kapitein.
De jacht begon op nieuw, de kapitein wendde zich tot mij en zeide: “ik zal het vervolgen tot mijn fregat in de lucht vliegt.”
“Gij hebt gelijk!” antwoordde ik.
Men hoopte dat het dier uitgeput zou raken, en dat het niet evenals een stoommachine onvermoeid zijn zou, maar verre van dien; het eene uur verliep na het andere, zonder dat het eenig teeken van afmatting gaf. Ik moet der Abraham Lincoln ter eere nageven, dat zij met onvermoeide inspanning volhield, ik bereken dat het schip op dien ongelukkigen zesden November wel 500 kilometer aflegde; maar de duisternis viel, en overdekte de onstuimige zee met haren sluier. Op dat oogenblik meende ik, dat onze tocht geëindigd was, en wij het bovennatuurlijke dier niet terug zouden zien; maar ik bedroog mij. ’s Avonds tien minuten voor elven zagen wij het electrieke licht weder op drie kilometer voor ons uit; het was even helder, even glanzend als den vorigen nacht.
De eenhoorn scheen onbeweeglijk. Misschien was hij vermoeid van den wedren, en sliep hij, of liet hij zich door de golven zachtkens voortwiegelen. Dit was eene kans, waarvan de kapitein gebruik wilde maken. Hij gaf dienovereenkomstig zijne bevelen. De Abraham Lincoln naderde voorzichtig en langzaam onder halven stoom om de aandacht van zijn tegenstander niet op te wekken. Men ontmoet niet zelden in volle zee walvisschen in diepe rust, welke men dan met goed gevolg aanvalt, en Ned Land had er meer dan een in den slaap geharpoend; hij ging weder op zijn post op den boegspriet. Het fregat naderde zonder veel geraas, stopte op twee kabellengte afstands van het dier, en dreef langzaam voort: men haalde bijna geen adem meer; diepe stilte heerschte op het dek. Wij waren op geen honderd voet afstands van het licht, dat in onze oogen nog helderder en schitterender werd. Op dat oogenblik zag ik Ned Land over de verschansing leunen, terwijl hij zich metde eene hand aan een touw vasthield, en met de andere zijn vreeselijken harpoen drilde. Hij was nauwelijks twintig voet van het onbeweeglijke dier verwijderd. Eensklaps strekte hij zijn arm uit en de harpoen vloog weg. Ik hoorden den doffen slag van het wapen, dat op een hard voorwerp scheen te stooten. Plotseling doofde de electrieke glans uit, en twee groote waterstralen stortten op het dek neer; als een woedende stroom ging het over het dek, wierp de menschen omver en verbrijzelde alles wat in den weg kwam. Toen voelden wij een vreeselijken schok, en zonder dat ik tijd had mij ergens aan vast te grijpen, werd ik over de verschansing in zee geworpen.
Een vreemdsoortige walvisch.Hoewel ik door dien overwachten val geheel uit het veld was geslagen, wist ik toch bijzonder goed wat mij overkwam. Eerst zonk ik ongeveer twintig voet diep in zee, doch daar ik goed zwemmen kan, zonder daarom nog zoo’n held er in te zijn als b.v. Byron, die de straat van Konstantinopel over zwom, verloor ik den kop niet, en door een paar ferme slagen kwam ik weder boven. Mijn eerste werk was om eens naar het fregat rond te zien. Had de equipage mijne verdwijning opgemerkt? Had de Abraham Lincoln bijgedraaid? Had de kapitein een sloep in zee gezet? Kon ik hoop op redding koesteren?Het was verschrikkelijk donker; ik zag nog even een zwarte massa, welke zich naar het oosten verwijderde, en welker lichten langzamerhand verdwenen; het was het fregat, ik voelde dat ik verloren was. “Help! help!” riep ik, terwijl ik een wanhopige poging aanwendde, om naar de Abraham Lincoln te zwemmen. Mijn kleeren hinderden mij; het water plakte ze vast aan mijn lichaam; mijne bewegingen werden er door verlamd; ik zonk; ik stikte.“Help!” het was mijn laatste kreet; mijn mond kwam vol water; ik worstelde en zonk naar den afgrond....Plotseling werd ik door een krachtige hand bij mijn kleeren gegrepen; ik voelde mij naar de oppervlakte slepen, en ik hoorde—ja waarachtig ik hoorde mij de volgende woorden in het oor roepen:“Als mijnheer zoo goed wil zijn om op mijne schouders te leunen,zalhij veel gemakkelijker zwemmen.”Ik greep den arm van mijn trouwen Koenraad.“Hoe, zijt gij het?” vroeg ik.“Ik zelf mijnheer,” antwoordde Koen, “tot mijnheers dienst.”“Heeft die schok u te gelijk met mij in zee geworpen?”“Neen mijnheer, maar daar ik in mijnheers dienst ben, ben ik mijnheer gevolgd.”De brave jongen vond dit zeer natuurlijk.“En het fregat?” vroeg ik.“Het fregat,” antwoordde Koenraad, terwijl hij zich op den rug draaide, “ik geloof dat mijnheer er maar niet meer op rekenen moet.”“Wat zegt gij?”“Ik zeg dat op het oogenblik dat ik in zee sprong, ik de stuurlui hoorde zeggen: “de schroef en het roer zijn stuk....”“Stuk?”“Ja! door den tand van het monster verbrijzeld; het is geloof ik de eenige averij, welke het schip gekregen heeft; maar het is ongelukkig voor ons, omdat er geen stuur meer in zit.”“Dan zijn wij verloren.”“Misschien,” antwoordde Koenraad bedaard; “maar wij hebben toch nog eenige uren voor ons, en in eenige uren kan er heel wat gebeuren.”De onwrikbare kalmte van Koenraad beurde mij wat op. Ik zwom met meer kracht, maar daar mijne kleeren zoo zwaar als lood waren geworden, kon ik mij bijna niet boven houden. Koenraad merkte het. “Als mijnheer mij veroorlooft ze los te snijden,” zeide hij, en hij sneed met zijn mes mijne kleeren over hunne geheele lengte open; daarop trok hij ze mij handig uit, terwijl ik voor ons beiden tegelijk zwom. Op mijne beurt bewees ik hem denzelfden dienst, en wij zwommen daarna weder naast elkander voort. Onze toestand was echter met dat al vreeselijk; misschien had men onze verdwijning niet gemerkt, en al was dit het geval, dan kon het fregat toch tegen den wind in niet naar ons toekomen, daar het van zijn roer beroofd was; wij konden dus slechts op de sloepen rekenen. Koenraad redeneerde kalm voort, en maakte dienovereenkomstig zijn plan; zonderling karakter! die flegmatieke jongen praatte alsof hij thuis was!Daar onze eenige kans op levensbehoud gelegen was in de sloepen van de Abraham Lincoln, besloten wij dus pogingen in het werk te stellen om ons zoo lang mogelijk boven water te houden, ten einde ze af te wachten. Ik stelde dus voor om onze krachten te verdeelen, ten einde ze niet gelijktijdig uit te putten, en ziehier wat wij besloten: terwijl een van ons beiden onbeweeglijk met over elkander gekruiste armen en gestrekte beenen op den rug zou liggen, zou de ander zwemmen en hem voorwaarts duwen. Wij zouden elkniet meer dan tien minuten die rol van sleper vervullen, en als wij elkander aldus aflosten, zouden wij nog uren lang, misschien wel tot den morgen toe kunnen boven blijven.Wij bevonden ons boven op een onderzeesch vaartuig.Wij bevonden ons boven op een onderzeesch vaartuig.Het was eene geringe kans, maar de hoop is in het menschelijke hart zoo diep ingeworteld; en ik beken het, hoewel het onwaarschijnlijk lijkt, dat als ik mij alle illusie trachtte te benemen, of als ik aan ons behoud wilde wanhopen, ik het niet kon.De ontmoeting tusschen het fregat en het monster had omstreeks elf uur ’s avonds plaats gehad; ik rekende er dus op, dat wij tot zonsopgang acht uur moesten zwemmen, dit was wel te doen als wij elkander aflosten; de zee, die vrij kalm was, vermoeide ons weinig door den golfslag; soms beproefde ik door de dikke duisternis heen te zien, welke door niets werd afgebroken dan enkele malen door het lichten der zee vlak voor ons; ik zag die lichtende golven, welke op mijn lichaam braken, en die dan eenigermate schitterden; men zou gezegd hebben, dat wij in een bad van kwik lagen. Tegen éen uur ’s morgens was ik erg vermoeid; mijne leden verstijfden door hevige krampen; Koenraad moest mij ondersteunen, en nu rustte de zorg voor ons behoud op hem alleen. Ik hoorde den armen jongen hijgen; zijn ademhaling werd kort en gejaagd. Ik begreep dat het niet lang meer duren kon.“Laat mij los, laat mij los!”“Mijnheer los laten? nooit,” riep hij, “ik hoop nog vóor mijnheer te verdrinken.”Op dat oogenblik kwam de maan tusschen de wolken, welke de wind naar het oosten joeg, te voorschijn. De zee schitterde door hare stralen; dit weldadige licht deed onze krachten herleven. Ik richtte mijn hoofd weer op; ik keek naar alle kanten rond en zag het fregat; het was vijf kilometer van ons af, en vertoonde slechts een somberen, nauw merkbaren klomp. Maar geen enkele sloep! Ik wilde roepen; wat zou dit op zulk een afstand helpen! Mijne opgezwollen lippen lieten geen enkel geluid door; Koenraad kon eenige woorden stamelen, en ik hoorde hem eenige malen: “help! help!” roepen. Wij hielden ons een oogenblik stil en luisterden. Was het misschien het suizen in mijn oor, veroorzaakt door het bloed dat mij naar het hoofd joeg, of hoorde ik inderdaad een kreet, die op Koenraads geroep antwoord gaf?“Hebt gij het gehoord?” stamelde ik.“Ja, ja!” en Koenraad riep nogmaals op wanhopigen toon. Ditmaal vergisten wij ons niet; eene menschelijke stem gaf ons antwoord; was het de stem van een ongelukkige of eenig ander slachtoffer van den schok, dien het fregat ondervonden had? Of was het wellicht eene sloep van de Abraham Lincoln, die ons in de duisternis zocht?Koenraad spande eene laatste poging in; hij richtte zich op mijne schouders op, terwijl ik hem met inspanning mijner laatste krachten ondersteunde, hij hief zich ten halvenlijve uit het water op en viel toen uitgeput weer neer.“Wat hebt gij gezien?”“Ik zag,” stamelde hij, “ik zag ... maar laat ons niet praten ... laten wij al onze krachten bewaren?”Wat had hij gezien? Toen kwam, ik weet niet hoe, het monster mij voor de eerste maal in de gedachten.... Maar die stem dan? De tijden waren toch voorbij dat een Jonas in den buik van een walvisch zat.Koenraad stiet mij altijd voor zich uit; nu en dan lichtte hij het hoofd op, zag voor zich uit en riep, waarop eene andere stem, welke ons hoe langer hoe meer naderde, het antwoord gaf. Mijne krachten waren uitgeput; mijne vingers waren verstijfd; ik kon niet meer op mijn handen steunen; mijn mond, dien ik zenuwachtig opende, liep vol zeewater; ijskoude overviel mij; eene laatste maal lichtte ik het hoofd nog eens op, en toen zonk ik in de diepte....Op dit oogenblik stiet ik op een hard voorwerp; ik klampte mij er aan vast; toen voelde ik dat men mij optrok en uit het water haalde; ik haalde ruimer adem en viel in zwijm....Ik kwam spoedig weer tot mijn bewustzijn, omdat men mij duchtig wreef; ik opende de oogen....“Koenraad!” fluisterde ik.“Heeft mijnheer mij gebeld?” antwoordde Koenraad.Op dat oogenblik bemerkte ik bij het licht der reeds ondergaande maan een gelaat, dat niet van Koenraad was, maar hetwelk ik aanstonds herkende.“Ned!” riep ik uit.“Hij zelf, mijnheer, en ik loop mijne premie na,” antwoordde Ned Land.“Zijt gij door den schok in zee geworpen?”“Ja mijnheer de professor, maar gelukkiger dan gij ben ik bijna onmiddellijk op een drijvend eiland neergekomen.”“Een eiland?”“Ja of beter gezegd op uw reusachtigen eenhoorn.”“Verklaar u duidelijker Ned.”“En nu begreep ik aanstonds waarom mijn harpoen hem niet heeft getroffen, en op zijn huid is afgesprongen.”“Waarom dan Ned, waarom?”“Omdat dit beest, mijnheer de professor, van stalen platen gemaakt is.”Ik moest een oogenblik tot mijne zinnen komen en mijn herinneringsvermogen te hulp roepen, ik moest mijne eigene beweringen nog eens nagaan. De laatste woorden van Ned hadden een plotselingen omkeer in mijne hersens te weeg gebracht. Ik kroop naar het hoogste gedeelte van het wezen of het voorwerp, dat half in zee was weggezonken en waarop wij eene toevlucht hadden gevonden. Ik stampte er met den voet op; het was klaarblijkelijk eenhard, ondoordringbaar voorwerp en niet die weeke zelfstandigheid waaruit de massa der groote zeedieren is samengesteld. Maar dit harde lichaam kon een beenachtig schild zijn, zooals dat van voorwereldlijke dieren, en ik zou het monster misschien kunnen rangschikken onder de kruipende dieren, zooals schildpadden en alligators.Welnu, dit was niet het geval; de zwartachtige rug, waarop wij zaten, was glad, gepolijst, ongerimpeld; als men er op stampte gaf hij een metaalklank van zich, en hoe ongeloofelijk het ook schijnen moge, hij scheen van ijzeren platen gemaakt en met nagels in elkander geklonken te zijn. Er was geen twijfel meer mogelijk; het dier, het monster, het wonderlijke verschijnsel dat de geheele wereld in spanning had gehouden, dat de verbeelding der zeelieden van de beide halfronden had opgewonden en getroffen, was, ik moest het erkennen, een nog veelwonderlijkerverschijnsel, namelijk een wonder door menschenhanden gemaakt. De ontdekking van het fabelachtige wezen uit de mythologie zou mij niet zoo verbaasd hebben. Dat al wat wonder heet uit des Scheppers hand komt is dood eenvoudig, maar dat men plotseling iets onmogelijks voor zijne oogen ziet, dat op geheimzinnige wijze door ’s menschen hand tot iets wezenlijks geworden is, dat was om iemand geheel uit het veld te slaan!Wij behoefden evenwel niet te aarzelen, wij bevonden ons boven op een soort van onderzeesch vaartuig dat voor zoover als ik er over kan oordeelen, den vorm had van een metalen visch. Ned Land had er zijn meening reeds over gevormd; Koenraad en ik konden er zoo spoedig niet toe komen.“Maar dan bevat dit toestel,” zeide ik, “een werktuig om het in beweging te brengen en eene equipage om er mede om te gaan?”“Natuurlijk,” antwoordde de harpoenier, “en toch heeft dit drijvend eiland gedurende de drie uur dat ik er op zit, nog geen teeken van leven gegeven.”“Heeft het schip zich dan niet bewogen?”“Neen mijnheer Aronnax; het laat zich door de golven voortwiegelen, maar het beweegt zich niet.”“Wij weten toch zonder er aan te mogen twijfelen, dat het met groote snelheid vooruit kan komen; en daar er eene machine noodig is om die snelheid voort te brengen, en een machinist om de machine te besturen, zoo houd ik het er voor, dat wij gered zijn.”“Hm!” zeide Ned, zonder zich verder uit te laten.Op dat oogenblik, als om mijne bewijsvoering te bevestigen, begon het water aan de achterste punt van dit zonderlinge werktuig heftig op te borrelen, zoodat de beweging zeker door eene schroef moest worden voortgebracht. Het schip stoof vooruit, wij hadden slechts den tijd om ons aan de bovenzijde, welke ongeveer tachtigcentimeteruit het water stak, vast te klampen. Gelukkig was de snelheid niet zoo buitengewoon groot.Eensklaps werd onze gevangenis verlicht.Eensklaps werd onze gevangenis verlicht.“Zoolang het ding horizontaal doorvaart,” mompelde Ned Land,“heb ik niets te zeggen; maar als het de aardigheid heeft om eens te duiken, dan geef ik geen twee dollars voor mijn huid.”Ned had er nog wel minder voor kunnen geven; het werd dus noodzakelijk om ons in gemeenschap te stellen met de wezens, van welke soort ook, die in dit ding zaten opgesloten; ik zocht aan de oppervlakte eene opening, of een luik, maar de rijen bouten, welke vast aan de randen der platen waren ingeklonken, waren allen hetzelfde. Bovendien verdween de maan, en liet ons in volslagen duisternis. Wij moesten den dag afwachten om op middelen te peinzen, hoe wij binnen in dit onderzeesche schip zouden doordringen. Derhalve hing ons behoud alleen af van een gril der geheimzinnige stuurlieden, die dit vaartuig bestuurden, en als het dook waren wij verloren. Behalve in dit geval twijfelde ik er geen oogenblik aan of wij konden ons met hen wel in gemeenschap stellen; en inderdaad, als zij zelven geen lucht vervaardigden, moesten zij van tijd tot tijd wel op de oppervlakte komen om hun voorraad versche lucht te vernieuwen; er moest dus eene opening zijn, welke het binnenste van het vaartuig met de buitenlucht in gemeenschap stelde.Wij moesten de hoop geheel opgeven om door kapitein Farragut gered te worden: wij werden naar het westen medegesleept, en ik berekende, dat onze snelheid zoo wat twaalf kilometer in het uur bedroeg. De schroef bewoog zich met wiskunstige regelmatigheid in het water, en deed enkele malen als zij boven kwam het lichtende zeewater met groote kracht opspuiten.Tegen vier uur in den morgen nam de snelheid toe, en het was moeielijk om ons bij die snelle vaart vast te houden, vooral als de golven onze lichamen zweepten. Gelukkig ontmoette Ned’s hand een grooten ankerring, die aan het bovenvlak was vastgemaakt, en waaraan wij ons stevig vastklampten. Eindelijk ging de lange nacht voorbij. Mijne herinnering roept mij alle indrukken niet meer voor den geest, maar éene bijzonderheid valt mij nog in. Als zee en wind eens voor een oogenblik zwegen, meende ik verscheidene malen, een vaag geluid, een soort van vluchtige harmonie, van verwijderde akkoorden te hooren. Wat was dan toch het geheim van die onderzeesche vaart, naar welker verklaring de geheele wereld te vergeefs zocht! Welke wezens leefden er in dit zonderlinge vaartuig? Welk werktuig zou het met zulk eene verbazende snelheid in beweging brengen?De dag brak aan. Morgennevels omhulden ons, doch begonnen weldra te scheuren. Ik wilde beginnen om het bovenvlak, dat eene soort van horizontaal plat vormde, nauwkeurig te onderzoeken, toen ik het vaartuig langzamerhand voelde wegzinken.“Duizend duivels,” riep Ned Land, terwijl hij met zijn voet op het dof klinkende metaal stampte, “opent dan, ongastvrije schippers!”Maar het was moeielijk om zich bij het verdoovende geraas van de schroef te doen verstaan; gelukkig zonk het vaartuig niet dieper. Plotseling hoorde ik een gekraak van sterk knarsende sloten binnen in het vaartuig; eene plaat werd opgelicht, een man verscheen, gaf een zonderlingen kreet en verdween oogenblikkelijk. Eenige oogenblikken later verschenen er acht sterke klanten met bedekt gelaat, en sleepten ons in hunne vervaarlijke machine naar beneden.
Hoewel ik door dien overwachten val geheel uit het veld was geslagen, wist ik toch bijzonder goed wat mij overkwam. Eerst zonk ik ongeveer twintig voet diep in zee, doch daar ik goed zwemmen kan, zonder daarom nog zoo’n held er in te zijn als b.v. Byron, die de straat van Konstantinopel over zwom, verloor ik den kop niet, en door een paar ferme slagen kwam ik weder boven. Mijn eerste werk was om eens naar het fregat rond te zien. Had de equipage mijne verdwijning opgemerkt? Had de Abraham Lincoln bijgedraaid? Had de kapitein een sloep in zee gezet? Kon ik hoop op redding koesteren?
Het was verschrikkelijk donker; ik zag nog even een zwarte massa, welke zich naar het oosten verwijderde, en welker lichten langzamerhand verdwenen; het was het fregat, ik voelde dat ik verloren was. “Help! help!” riep ik, terwijl ik een wanhopige poging aanwendde, om naar de Abraham Lincoln te zwemmen. Mijn kleeren hinderden mij; het water plakte ze vast aan mijn lichaam; mijne bewegingen werden er door verlamd; ik zonk; ik stikte.
“Help!” het was mijn laatste kreet; mijn mond kwam vol water; ik worstelde en zonk naar den afgrond....
Plotseling werd ik door een krachtige hand bij mijn kleeren gegrepen; ik voelde mij naar de oppervlakte slepen, en ik hoorde—ja waarachtig ik hoorde mij de volgende woorden in het oor roepen:
“Als mijnheer zoo goed wil zijn om op mijne schouders te leunen,zalhij veel gemakkelijker zwemmen.”
Ik greep den arm van mijn trouwen Koenraad.
“Hoe, zijt gij het?” vroeg ik.
“Ik zelf mijnheer,” antwoordde Koen, “tot mijnheers dienst.”
“Heeft die schok u te gelijk met mij in zee geworpen?”
“Neen mijnheer, maar daar ik in mijnheers dienst ben, ben ik mijnheer gevolgd.”
De brave jongen vond dit zeer natuurlijk.
“En het fregat?” vroeg ik.
“Het fregat,” antwoordde Koenraad, terwijl hij zich op den rug draaide, “ik geloof dat mijnheer er maar niet meer op rekenen moet.”
“Wat zegt gij?”
“Ik zeg dat op het oogenblik dat ik in zee sprong, ik de stuurlui hoorde zeggen: “de schroef en het roer zijn stuk....”
“Stuk?”
“Ja! door den tand van het monster verbrijzeld; het is geloof ik de eenige averij, welke het schip gekregen heeft; maar het is ongelukkig voor ons, omdat er geen stuur meer in zit.”
“Dan zijn wij verloren.”
“Misschien,” antwoordde Koenraad bedaard; “maar wij hebben toch nog eenige uren voor ons, en in eenige uren kan er heel wat gebeuren.”
De onwrikbare kalmte van Koenraad beurde mij wat op. Ik zwom met meer kracht, maar daar mijne kleeren zoo zwaar als lood waren geworden, kon ik mij bijna niet boven houden. Koenraad merkte het. “Als mijnheer mij veroorlooft ze los te snijden,” zeide hij, en hij sneed met zijn mes mijne kleeren over hunne geheele lengte open; daarop trok hij ze mij handig uit, terwijl ik voor ons beiden tegelijk zwom. Op mijne beurt bewees ik hem denzelfden dienst, en wij zwommen daarna weder naast elkander voort. Onze toestand was echter met dat al vreeselijk; misschien had men onze verdwijning niet gemerkt, en al was dit het geval, dan kon het fregat toch tegen den wind in niet naar ons toekomen, daar het van zijn roer beroofd was; wij konden dus slechts op de sloepen rekenen. Koenraad redeneerde kalm voort, en maakte dienovereenkomstig zijn plan; zonderling karakter! die flegmatieke jongen praatte alsof hij thuis was!
Daar onze eenige kans op levensbehoud gelegen was in de sloepen van de Abraham Lincoln, besloten wij dus pogingen in het werk te stellen om ons zoo lang mogelijk boven water te houden, ten einde ze af te wachten. Ik stelde dus voor om onze krachten te verdeelen, ten einde ze niet gelijktijdig uit te putten, en ziehier wat wij besloten: terwijl een van ons beiden onbeweeglijk met over elkander gekruiste armen en gestrekte beenen op den rug zou liggen, zou de ander zwemmen en hem voorwaarts duwen. Wij zouden elkniet meer dan tien minuten die rol van sleper vervullen, en als wij elkander aldus aflosten, zouden wij nog uren lang, misschien wel tot den morgen toe kunnen boven blijven.
Wij bevonden ons boven op een onderzeesch vaartuig.Wij bevonden ons boven op een onderzeesch vaartuig.
Wij bevonden ons boven op een onderzeesch vaartuig.
Het was eene geringe kans, maar de hoop is in het menschelijke hart zoo diep ingeworteld; en ik beken het, hoewel het onwaarschijnlijk lijkt, dat als ik mij alle illusie trachtte te benemen, of als ik aan ons behoud wilde wanhopen, ik het niet kon.
De ontmoeting tusschen het fregat en het monster had omstreeks elf uur ’s avonds plaats gehad; ik rekende er dus op, dat wij tot zonsopgang acht uur moesten zwemmen, dit was wel te doen als wij elkander aflosten; de zee, die vrij kalm was, vermoeide ons weinig door den golfslag; soms beproefde ik door de dikke duisternis heen te zien, welke door niets werd afgebroken dan enkele malen door het lichten der zee vlak voor ons; ik zag die lichtende golven, welke op mijn lichaam braken, en die dan eenigermate schitterden; men zou gezegd hebben, dat wij in een bad van kwik lagen. Tegen éen uur ’s morgens was ik erg vermoeid; mijne leden verstijfden door hevige krampen; Koenraad moest mij ondersteunen, en nu rustte de zorg voor ons behoud op hem alleen. Ik hoorde den armen jongen hijgen; zijn ademhaling werd kort en gejaagd. Ik begreep dat het niet lang meer duren kon.
“Laat mij los, laat mij los!”
“Mijnheer los laten? nooit,” riep hij, “ik hoop nog vóor mijnheer te verdrinken.”
Op dat oogenblik kwam de maan tusschen de wolken, welke de wind naar het oosten joeg, te voorschijn. De zee schitterde door hare stralen; dit weldadige licht deed onze krachten herleven. Ik richtte mijn hoofd weer op; ik keek naar alle kanten rond en zag het fregat; het was vijf kilometer van ons af, en vertoonde slechts een somberen, nauw merkbaren klomp. Maar geen enkele sloep! Ik wilde roepen; wat zou dit op zulk een afstand helpen! Mijne opgezwollen lippen lieten geen enkel geluid door; Koenraad kon eenige woorden stamelen, en ik hoorde hem eenige malen: “help! help!” roepen. Wij hielden ons een oogenblik stil en luisterden. Was het misschien het suizen in mijn oor, veroorzaakt door het bloed dat mij naar het hoofd joeg, of hoorde ik inderdaad een kreet, die op Koenraads geroep antwoord gaf?
“Hebt gij het gehoord?” stamelde ik.
“Ja, ja!” en Koenraad riep nogmaals op wanhopigen toon. Ditmaal vergisten wij ons niet; eene menschelijke stem gaf ons antwoord; was het de stem van een ongelukkige of eenig ander slachtoffer van den schok, dien het fregat ondervonden had? Of was het wellicht eene sloep van de Abraham Lincoln, die ons in de duisternis zocht?
Koenraad spande eene laatste poging in; hij richtte zich op mijne schouders op, terwijl ik hem met inspanning mijner laatste krachten ondersteunde, hij hief zich ten halvenlijve uit het water op en viel toen uitgeput weer neer.
“Wat hebt gij gezien?”
“Ik zag,” stamelde hij, “ik zag ... maar laat ons niet praten ... laten wij al onze krachten bewaren?”
Wat had hij gezien? Toen kwam, ik weet niet hoe, het monster mij voor de eerste maal in de gedachten.... Maar die stem dan? De tijden waren toch voorbij dat een Jonas in den buik van een walvisch zat.
Koenraad stiet mij altijd voor zich uit; nu en dan lichtte hij het hoofd op, zag voor zich uit en riep, waarop eene andere stem, welke ons hoe langer hoe meer naderde, het antwoord gaf. Mijne krachten waren uitgeput; mijne vingers waren verstijfd; ik kon niet meer op mijn handen steunen; mijn mond, dien ik zenuwachtig opende, liep vol zeewater; ijskoude overviel mij; eene laatste maal lichtte ik het hoofd nog eens op, en toen zonk ik in de diepte....
Op dit oogenblik stiet ik op een hard voorwerp; ik klampte mij er aan vast; toen voelde ik dat men mij optrok en uit het water haalde; ik haalde ruimer adem en viel in zwijm....
Ik kwam spoedig weer tot mijn bewustzijn, omdat men mij duchtig wreef; ik opende de oogen....
“Koenraad!” fluisterde ik.
“Heeft mijnheer mij gebeld?” antwoordde Koenraad.
Op dat oogenblik bemerkte ik bij het licht der reeds ondergaande maan een gelaat, dat niet van Koenraad was, maar hetwelk ik aanstonds herkende.
“Ned!” riep ik uit.
“Hij zelf, mijnheer, en ik loop mijne premie na,” antwoordde Ned Land.
“Zijt gij door den schok in zee geworpen?”
“Ja mijnheer de professor, maar gelukkiger dan gij ben ik bijna onmiddellijk op een drijvend eiland neergekomen.”
“Een eiland?”
“Ja of beter gezegd op uw reusachtigen eenhoorn.”
“Verklaar u duidelijker Ned.”
“En nu begreep ik aanstonds waarom mijn harpoen hem niet heeft getroffen, en op zijn huid is afgesprongen.”
“Waarom dan Ned, waarom?”
“Omdat dit beest, mijnheer de professor, van stalen platen gemaakt is.”
Ik moest een oogenblik tot mijne zinnen komen en mijn herinneringsvermogen te hulp roepen, ik moest mijne eigene beweringen nog eens nagaan. De laatste woorden van Ned hadden een plotselingen omkeer in mijne hersens te weeg gebracht. Ik kroop naar het hoogste gedeelte van het wezen of het voorwerp, dat half in zee was weggezonken en waarop wij eene toevlucht hadden gevonden. Ik stampte er met den voet op; het was klaarblijkelijk eenhard, ondoordringbaar voorwerp en niet die weeke zelfstandigheid waaruit de massa der groote zeedieren is samengesteld. Maar dit harde lichaam kon een beenachtig schild zijn, zooals dat van voorwereldlijke dieren, en ik zou het monster misschien kunnen rangschikken onder de kruipende dieren, zooals schildpadden en alligators.
Welnu, dit was niet het geval; de zwartachtige rug, waarop wij zaten, was glad, gepolijst, ongerimpeld; als men er op stampte gaf hij een metaalklank van zich, en hoe ongeloofelijk het ook schijnen moge, hij scheen van ijzeren platen gemaakt en met nagels in elkander geklonken te zijn. Er was geen twijfel meer mogelijk; het dier, het monster, het wonderlijke verschijnsel dat de geheele wereld in spanning had gehouden, dat de verbeelding der zeelieden van de beide halfronden had opgewonden en getroffen, was, ik moest het erkennen, een nog veelwonderlijkerverschijnsel, namelijk een wonder door menschenhanden gemaakt. De ontdekking van het fabelachtige wezen uit de mythologie zou mij niet zoo verbaasd hebben. Dat al wat wonder heet uit des Scheppers hand komt is dood eenvoudig, maar dat men plotseling iets onmogelijks voor zijne oogen ziet, dat op geheimzinnige wijze door ’s menschen hand tot iets wezenlijks geworden is, dat was om iemand geheel uit het veld te slaan!
Wij behoefden evenwel niet te aarzelen, wij bevonden ons boven op een soort van onderzeesch vaartuig dat voor zoover als ik er over kan oordeelen, den vorm had van een metalen visch. Ned Land had er zijn meening reeds over gevormd; Koenraad en ik konden er zoo spoedig niet toe komen.
“Maar dan bevat dit toestel,” zeide ik, “een werktuig om het in beweging te brengen en eene equipage om er mede om te gaan?”
“Natuurlijk,” antwoordde de harpoenier, “en toch heeft dit drijvend eiland gedurende de drie uur dat ik er op zit, nog geen teeken van leven gegeven.”
“Heeft het schip zich dan niet bewogen?”
“Neen mijnheer Aronnax; het laat zich door de golven voortwiegelen, maar het beweegt zich niet.”
“Wij weten toch zonder er aan te mogen twijfelen, dat het met groote snelheid vooruit kan komen; en daar er eene machine noodig is om die snelheid voort te brengen, en een machinist om de machine te besturen, zoo houd ik het er voor, dat wij gered zijn.”
“Hm!” zeide Ned, zonder zich verder uit te laten.
Op dat oogenblik, als om mijne bewijsvoering te bevestigen, begon het water aan de achterste punt van dit zonderlinge werktuig heftig op te borrelen, zoodat de beweging zeker door eene schroef moest worden voortgebracht. Het schip stoof vooruit, wij hadden slechts den tijd om ons aan de bovenzijde, welke ongeveer tachtigcentimeteruit het water stak, vast te klampen. Gelukkig was de snelheid niet zoo buitengewoon groot.
Eensklaps werd onze gevangenis verlicht.Eensklaps werd onze gevangenis verlicht.
Eensklaps werd onze gevangenis verlicht.
“Zoolang het ding horizontaal doorvaart,” mompelde Ned Land,“heb ik niets te zeggen; maar als het de aardigheid heeft om eens te duiken, dan geef ik geen twee dollars voor mijn huid.”
Ned had er nog wel minder voor kunnen geven; het werd dus noodzakelijk om ons in gemeenschap te stellen met de wezens, van welke soort ook, die in dit ding zaten opgesloten; ik zocht aan de oppervlakte eene opening, of een luik, maar de rijen bouten, welke vast aan de randen der platen waren ingeklonken, waren allen hetzelfde. Bovendien verdween de maan, en liet ons in volslagen duisternis. Wij moesten den dag afwachten om op middelen te peinzen, hoe wij binnen in dit onderzeesche schip zouden doordringen. Derhalve hing ons behoud alleen af van een gril der geheimzinnige stuurlieden, die dit vaartuig bestuurden, en als het dook waren wij verloren. Behalve in dit geval twijfelde ik er geen oogenblik aan of wij konden ons met hen wel in gemeenschap stellen; en inderdaad, als zij zelven geen lucht vervaardigden, moesten zij van tijd tot tijd wel op de oppervlakte komen om hun voorraad versche lucht te vernieuwen; er moest dus eene opening zijn, welke het binnenste van het vaartuig met de buitenlucht in gemeenschap stelde.
Wij moesten de hoop geheel opgeven om door kapitein Farragut gered te worden: wij werden naar het westen medegesleept, en ik berekende, dat onze snelheid zoo wat twaalf kilometer in het uur bedroeg. De schroef bewoog zich met wiskunstige regelmatigheid in het water, en deed enkele malen als zij boven kwam het lichtende zeewater met groote kracht opspuiten.
Tegen vier uur in den morgen nam de snelheid toe, en het was moeielijk om ons bij die snelle vaart vast te houden, vooral als de golven onze lichamen zweepten. Gelukkig ontmoette Ned’s hand een grooten ankerring, die aan het bovenvlak was vastgemaakt, en waaraan wij ons stevig vastklampten. Eindelijk ging de lange nacht voorbij. Mijne herinnering roept mij alle indrukken niet meer voor den geest, maar éene bijzonderheid valt mij nog in. Als zee en wind eens voor een oogenblik zwegen, meende ik verscheidene malen, een vaag geluid, een soort van vluchtige harmonie, van verwijderde akkoorden te hooren. Wat was dan toch het geheim van die onderzeesche vaart, naar welker verklaring de geheele wereld te vergeefs zocht! Welke wezens leefden er in dit zonderlinge vaartuig? Welk werktuig zou het met zulk eene verbazende snelheid in beweging brengen?
De dag brak aan. Morgennevels omhulden ons, doch begonnen weldra te scheuren. Ik wilde beginnen om het bovenvlak, dat eene soort van horizontaal plat vormde, nauwkeurig te onderzoeken, toen ik het vaartuig langzamerhand voelde wegzinken.
“Duizend duivels,” riep Ned Land, terwijl hij met zijn voet op het dof klinkende metaal stampte, “opent dan, ongastvrije schippers!”
Maar het was moeielijk om zich bij het verdoovende geraas van de schroef te doen verstaan; gelukkig zonk het vaartuig niet dieper. Plotseling hoorde ik een gekraak van sterk knarsende sloten binnen in het vaartuig; eene plaat werd opgelicht, een man verscheen, gaf een zonderlingen kreet en verdween oogenblikkelijk. Eenige oogenblikken later verschenen er acht sterke klanten met bedekt gelaat, en sleepten ons in hunne vervaarlijke machine naar beneden.