Vanikoro.Dit vreeselijk schouwspel was de voorbode van eene menigte zeerampen, welke de Nautilus op haar weg zou ontmoeten. Sedertwij in meer bezochte zeeën kwamen, zagen wij dikwijls rompen van schepen, welke drijvende bijna geheel verrot waren, en dieper op den bodem lagen kanonnen, kogels, ankers, ketens en duizend andere voorwerpen, die door den roest werden verteerd.Altijd medegesleept door de Nautilus, waarin wij geheel afgezonderd van de wereld leefden, kregen wij 11 December den Pomotu-Archipel in het gezicht. Het waren de “Gevaarlijke eilanden” van Bougainville, die zich over eene ruimte van 2000 kilometer van het Oost-Zuid-Oosten naar het West-Noord-Westen tusschen 253° 50’ en 13° 30′ Z.B. en 151° 30′ en 125° 30′ W.L. uitstrekken van het eiland Ducie tot aan het eiland Matahiwa (Lazareff). Deze Archipel bedekt eene oppervlakte van bijna 6,000 vierkante kilometer, en wordt gevormd door een zestigtal groepen van eilandjes, waaronder de voornaamste zijn de Gambier-eilanden, welke onder bescherming staan van Frankrijk. Het zijn allen koraaleilanden. Door het werk van polypen worden zij langzaam, maar voortdurend opgeheven, en zullen eens met elkander verbonden zijn. Dan zal dit nieuwe eiland vastgroeien aan de naburige Archipels, en zoo zal er een vijfde vasteland ontstaan, dat zich van Nieuw-Zeeland en Nieuw-Caledonië tot aan de Markiezen-eilanden uitstrekt.Toen ik deze stelling eens tegen kapitein Nemo verdedigde, zeide hij koeltjes:“Het zijn geen nieuwe vastelanden, welke de aarde noodig heeft, maar nieuwe menschen!”Het toeval misschien had de Nautilus op hare vaart juist bij het eiland Clermont-Tonnerre gebracht, een van de zonderlingste van deze groep, welke in 1822 door kapitein Bell ontdekt werd. Ik kon nu de koralen bestudeeren aan welke de eilanden in dien Oceaan hun ontstaan te danken hebben.De koralen worden met eene kalklaag overtrokken; de kleine diertjes, welke ze vormen, leven bij millioenen in hunne cellen. Het zijn hunne kalknesten welke tot rotsen, klippen, eilanden aangroeien. Hier vormen zij atollen, daar maken zij rijen klippen zooals op de kusten van Nieuw-Caledonië en van verschillende eilanden van den Pomotu-Archipel. Op andere plaatsen weder, zooals op Reunion en Mauritius, verheffen zij zich tot afgebrokkelde rotswanden, die recht oprijzen, en naast welke de Oceaan onmetelijk diep is.Het eiland Clermont-Tonnerre op eenige kabellengten naderende, bewonderde ik dit reuzenwerk dat door die microscopisch kleine diertjes gemaakt was: ik kon die zonderlinge muren van nabij beschouwen, want onmiddellijk er naast peilden wij meer dan 300 meter; deze prachtige kalkformatie schitterde in ons electriek licht.Toen Koenraad mij vroeg, hoe lang het wel duurde eer zulke groote rotsen gevormd waren, verwonderde hij zich zeer dat degeleerden meenen, dat zij gedurende eene eeuw slechts een achtste centimeter groeiden.“Om die muren te vormen,” zeide hij aarzelend, “zijn er dus...?”“Wel 192,000 jaren noodig geweest, Koen, waardoor de tijdrekening van den bijbel wel wat langer wordt. Overigens is er nog ontzaglijker tijdsverloop noodig geweest tot vorming van de steenkolen, de wouden welke door zondvloeden zijn vernietigd en onder de aarde geraakt, en tot afkoeling van de basaltrotsen. Maar ik voeg hier ten overvloede bij, dat die dagen van den bijbel tijdvakken voorstellen, en geene tijdruimte tusschen twee zonsopgangen, want volgens den bijbel zelven, dagteekent de zon niet eens van den eersten scheppingsdag.”Toen de Nautilus weder op de oppervlakte kwam, kon ik het lage en boschrijke eiland Clermont Tonnerre in zijn geheelen omvang zien. De koraalrotsen waren vermoedelijk door stormen vruchtbaar gemaakt. Eens is zeker een zaadje door een orkaan van naburige eilanden op deze kalkrotsenovergewaaid, waarop verrotte visschen en zeeplanten vruchtbare aarde hadden gevormd. Een kokosnoot werd door de golven voortgestuwd en op deze kust geworpen; de noot ontkiemde en schoot wortels; de boom groeide op en hield den waterdamp tegen, zoo ontstond een stroompje. Langzamerhand nam het plantenrijk toe; eenige diertjes, wormen, insecten, kwamen op boomstronken aandrijven, welke de wind op andere eilanden had losgerukt. Schildpadden kwamen hare eieren leggen, vogels nestelden in den jonge boomen. Zoo ontwikkelde zich het dierlijk leven en door de vruchtbaarheid aangetrokken verscheen de mensch. Op deze wijze vormen onzichtbare diertjes eilanden.Tegen den avond verdweenClermont-Tonnerrein de verte, en de richting van de Nautilus veranderde merkbaar. Na op 135° lengte den Steenbokskeerkring even te hebben aangeraakt, wendde zij zich W.N.W. Hoewel de zonnestralen krachtig neerschoten, hadden wijgeenhinder van de warmte, daar de temperatuur op 30 of 40 meter onder water zich niet boven tien of twaalf graad verhief.Op 15 December lieten wij den schoonen Archipel der Gezelschapseilanden en het bevallige Taiti, de koningin der Stille Zuidzee oostwaarts liggen, ’s Morgens bemerkte ik eenige kilometer onder den wind de hooge bergtoppen van die eilanden. In deze streken vingen wij voortreffelijke visch voor onze tafel.De Nautilus had 800 kilometer afgelegd. Wij gingen door tusschen den Archipel van Tonga-Tabou, waar de Argo, de Port-au-Prince en de Duke of Portland vergingen, en dien van de Schippers-eilanden, waar kapitein de Langle, de vriend van La Pérouse, vermoord werd. Daarna kwamen wij langs de Witi-eilanden, waarde wilden de matrozen van de Union en kapitein Bureau van de Aimable Joséphine vermoordden. Deze Archipel, welke zich van het noorden naar het zuiden over eene lengte van 400 en van hetoosten naar het westen van 300 kilometer uitstrekt, ligt tusschen 6° en 2° Z.B., en 174° en 179′ W.L. Hij bestaat uit een groot aantal eilandjes en klippen, waaronder de eilanden Witi-Lewu en Wanna-Lewu de voornaamste zijn.Het eiland Vanikoro.Het eiland Vanikoro.Tasman ontdekte deze groep in 1643, in hetzelfde jaar, waarin Toricelli den barometer uitvond, en dat Lodewijk XIV den troon beklom. Ik laat daar, welke van deze drie gebeurtenissen het nuttigst voor de menschheid geweest is. Daarna kwamen er Cook in 1714, Entrecasteaux in 1793, en eindelijk in 1827 Durmont d’Urville, die dezen geographischen chaos eerst goed onderzocht en beschreef. De Nautilus naderde de baai van Wailea, het tooneel van de vreeselijke lotgevallen van dien kapitein Dillon, die het eerst het geheim ontdekte van de schipbreuk van La Pérouse.Deze baai, waar wij verscheiden malen de netten uitwierpen, leverde een overvloed van voortreffelijke oesters op. Wij aten er onbehoorlijk veel, enmaaktenze volgens Seneca’s voorschrift zelven aan tafel open. De oesterbank van Wailea moet verbazend groot zijn; en zonder veelvuldige oorzaken van vernietiging zou die opeenstapeling van schelpdieren eindigen met de geheele baai te vullen, omdat een dier tot zelfs twee millioen eieren kan bevatten. Indien Ned Land bij die gelegenheid geen berouw over zijne gulzigheid had, dan komt het alléen daarvandaan, dat de oesters het eenige eten is dat minder eene indigestie veroorzaakt. Inderdaad men moet niet minder dan zestien dozijn van die schelpdieren hebben om de 315 gram stikstofhoudend voedsel te verkrijgen, welke voor het dagelijksch onderhoud van een mensch noodig zijn.De Nautilus voer op 25 December midden door den Archipel der Nieuwe Hebriden, welke Quiros in 1606 ontdekte, die Bougainville in 1768 nader onderzocht, en waaraan Cook in 1773 den tegenwoordigen naam gaf. Deze groep bestaat uit negen groote eilanden en ligt in eene lijn van 480 kilometer van het N.N.W. naar het Z.Z.O. tusschen 15°en 2° Z.B. en 164° en 168° W.L. Wij gingen dicht genoeg langs het eiland Aurou om te zien dat het bedekt was met bosschen, uit welker midden een bergtop hoog uitstak.Het was dien dag Kerstmis, en het scheen mij toe dat Ned Land het zeer betreurde, dat hij het bij de Engelschen zoo hoog geëerde Kerstfeest niet te midden der zijnen vieren kon.Ik had kapitein Nemo in geen acht dagen gezien, toen hij 27 December ’s morgens in het salon kwam, met een gezicht als van iemand, die u eerst vijf minuten te voren gezien heeft. Ik zag juist op de kaart den weg van de Nautilus na; de kapitein naderde mij, wees met den vinger op de kaart, en zeide slechts dit ééne woord:“Vanikoro.”Die naam werkte als een tooverwoord; het was de naam van heteiland, waar de schepen van La Pérouse vergaan waren. Ik stond plotseling op.“Brengt de Nautilus ons naar Vanikoro?” vroeg ik.“Ja, mijnheer,” antwoordde de kapitein.“Zal ik dan die beruchte eilanden kunnen bezoeken, waar de Boussole en de Astrolabe te gronde gingen?”“Als dat u aangenaam is, ja, mijnheer de professor.”“Wanneer komen wij bij Vanikoro?”“Wij zijn er al, mijnheer,” was het lakonieke antwoord.Door den kapitein gevolgd, ging ik naar het plat, en keek met begeerige blikken naar den gezichteinder.In het noordoosten zag ik twee vulkanische eilanden van ongelijke grootte, omringd door een koraalrif, dat veertig kilometer in omtrek had. Wij waren bij het eigenlijk gezegde Vanikoro, waaraan Dumont d’Urville den naam van Onderzoek-eiland gaf, en lagen juist voor de kleine haven van Vanou; het eiland scheen van het strand tot op de bergtoppen binnenslands met groen bedekt te zijn. In het midden verhief zich de berg Kapogo, die eene hoogte had van 950 meter.Toen de Nautilus den buitensten rotsrand door eene zeer nauwe opening was binnen gevaren, vonden wij daar binnen eene branding met dertig tot veertig vademen diepte. Onder de dichte schaduw der palmboomen zag ik een dozijn wilden staan, die hoogst verbaasd over onze komst opkeken. Meenden zij mogelijk dat dit lange zwarte lichaam, dat slechts even boven water uitstak, een vreeselijk zeemonster was, waarvoor zij zich in acht moesten nemen?Op dat oogenblik vroeg mij kapitein Nemo wat ik van de schipbreuk van La Pérouse wist.“Wat iedereen er van weet,” antwoordde ik.“Zoudt gij mij dan kunnen vertellen wat iedereen weet?” vroeg hij mij op eenigszins spotachtigen toon.“Zeer gemakkelijk.”Ik vertelde hem wat de laatste werken van Dumont d’Urville hadden medegedeeld. La Pérouse en de kapitein de Langle werden in 1785 door Lodewijk XVI uitgezonden om eene reis om de aarde te doen. Zij voerden het bevel op de Boussole en de Astrolabe, en kwamen nooit terug. Toen in 1791 de Fransche regeering met recht ongerust werd over het lot van de twee korvetten, rustte zij twee groote schepen uit, de Recherche en de Espérance; deze schepen zeilden 28 September uit Brest onder bevel van Bruni d’Entrecasteaux. Twee maanden daarna vernam men van zekeren Bowen, kapitein op de Albemarle, dat hij overblijfselen van schepen gezien had op de kusten van Nieuw-Georgië; maar d’Entrecasteaux, die deze overigens vrij onzekere mededeeling niet kende, richtte zich naar de Admiraliteits-eilanden, welke in een verslag van kapitein Hunter waren aangeduidals de plaats waar de schipbreuk van La Pérouse had plaats gehad. Zijn onderzoek was te vergeefs. De Espérance en de Recherche zeilden zelfs voorbij Vanikoro zonder er zich op te houden, en bovendien was deze reis zeer ongelukkig, daar zij het leven aan d’Entrecasteaux, aan twee zijner stuurlieden en aan verscheiden matrozen zijner equipage kostte.Het was een oude bekende op den Grooten Oceaan, de kapitein Dillon, die het eerst de stelligste sporen van de schipbreuk vond. Den 15denMei 1824 kwam hij met zijn schip de Saint Patrick voorbij het eilandje Tikopia, een van de Nieuwe Hebriden. Daar kwam een inlander in zijne kano bij hem aan boord en verkocht hem een zilveren degengevest, waarin letters gegraveerd stonden. Die inlander beweerde overigens dat hij, zes jaar geleden bij eene reis naar Vanikoro, daar twee Europeanen gezien had, die behoorden tot de bemanning van schepen, welke lang te voren op de klippen van het eiland vergaan waren.Dillon raadde dat dit de schepen van La Pérouse konden zijn, wier verdwijning de geheele wereld ongerust had gemaakt. Hij wilde naar Vanikoro, waar volgens den Polynesiër nog verschillende overblijfselen van de schipbreuk gevonden werden; hij werd door tegenwind en zeestroomingen evenwel daarin verhinderd. Dillon kwam te Calcutta; daar wist hij de Aziatische Maatschappij en de Indische compagnie voor zijne ontdekking te winnen. Men stelde een schip waaraan men den naam van Recherche gaf, ter zijner beschikking, en hij vertrok 23 Januari 1827 in gezelschap van een Fransch agent.Nadat de Recherche op verschillende punten van den Grooten Oceaan reeds het anker had laten vallen, kwam het schip 7 Juli 1827 voor Vanikoro, en in diezelfde haven van Vanou, waar de Nautilus op dit oogenblik lag.Daar verzamelde Dillon talrijke overblijfselen van de schipbreuk, ijzeren gereedschappen, ankers, blokken, draaibassen, een achttienponder, stukken van astronomische instrumenten, een bronzen klok met het opschrift: “Bazin heeft mij gemaakt,” en het merk van de gieterij van het arsenaal van Brest met het jaartal 1785: er was dus geen twijfel meer mogelijk.Dillon bleef om zijne inlichtingen te vermeerderen tot October op de plaats des onheils. Daarop verliet hij Vanikoro, richtte den steven naar Nieuw-Zeeland, liet het anker 7 April 1828 nogmaals voor Calcutta vallen, en kwam in Frankrijk terug, waar hij door Karel X hartelijk ontvangen werd.Maar op dit oogenblik was Dumont d’Urville, zonder iets van de reis van Dillon te weten, reeds vertrokken, om elders het tooneel van de schipbreuk te zoeken. En inderdaad, men had door een walvischvaarder gehoord, dat er medailles en een kruis van den Heiligen Lodewijk in handen van wilden van de Louisiaden enNieuw-Caledonië gezien waren.Dumontd’Urville, kapitein van de Astrolabe, was dus in zee gestoken, en liet twee maanden nadat Dillon Vanikoro verlaten had, het anker voor Hobarttown vallen.Daar vernam hij welke de uitslag was geweest van Dillons onderzoekingen, en verder hoorde hij dat zekere James Hobbs, stuurman van de Union van Calcutta eens op een eilandje aan wal gegaan was, dat op 8° 18′ Z.B. en 156° 30′ O.L. lag, en daar ijzeren staven en roode stoffen gezien had, welke de inlanders gebruikten.Ik zag een aantal geel geworden, doch noch leesbare papieren.Ik zag een aantal geel geworden, doch noch leesbare papieren.Dumont d’Urville was uit het veld geslagen, en wist niet of hij geloof moest hechten aan verhalen uit dagbladen, welke zoo weinig geloof verdienden, doch besloot ten laatste Dillons voetspoor te volgen. De Astrolabe kwam 10 Februari 1828 voor Tikopia, nam als gids of als tolk een deserteur aan boord, die zich dáar bevond, en zeilde naar Vanikoro, dat hij 12 Februari in het gezicht kreeg; hij zeilde langs de klippen tot den 14denliet eerst den 20stenhet anker binnen die klippen in de haven van Vanou vallen. Den 23stendeden verscheiden officieren een tocht om het eiland, en brachten eenige weinig beteekenende overblijfselen mede. De inboorlingen hadden een stelsel van ontkenning en uitvluchten aangenomen, en weigerden om hen op de plaats van het onheil te brengen. Dit ellendige gedrag deed zien, dat zij de schipbreukelingen hadden mishandeld, en dat zij schenen te vreezen dat Dumont d’Urville gekomen was, om La Pérouse en zijne ongelukkige makkers te wreken. Den 26stenbrachten zij, overgehaald door geschenken en begrijpende dat zij geen weerwraak te vreezen hadden, den stuurman Jaquinot naar deplaatswaar de schipbreuk had plaats gehad. Dáar lagen op drie of vier vademen diepte tusschen de klippen Pacou en Vanou ankers, stukken ijzer en lood, die reeds met eene kalklaag overdekt waren. De sloepen van de Astrolabe werden naar deze plek gezonden; de bemanning slaagde er met groote moeite in om een anker, dat 1800 pond woog, een gegoten achtponder, een looden blok en twee koperen draaibassen naar boven te halen. Dumont d’Urville ondervroeg de inboorlingen en vernam ook dat La Pérouse, na zijne beide schepen op de klippen van het eiland te hebben zien vergaan, een kleiner schip had gebouwd, waarmede hij een tweede maal schipbreuk had geleden. Waar? dat wist men niet.Toen liet de gezagvoerder van de Astrolabe onder eene groep palmboomen een grafteeken ter herinnering aan den beroemden zeevaarder en zijne tochtgenooten oprichten. Het was eene vierhoekige pyramide, welke op een stuk koraal was gezet, en waaraan geen enkel stuk ijzer gebruikt werd, om daardoor de hebzucht van de inboorlingen niet op te wekken. Daarna wilde d’Urville vertrekken, doch zijne manschappen hadden op deze ongezonde kust de koorts gekregen, en daar hij zelf ernstig ziek was, kon hij niet vóor 17 Maart vertrekken.De Fransche regeering, bang dat d’Urville niet op de hoogte was van hetgeen Dillon reeds gedaan had, zond de korvet deBayonnaise, onder kapitein Legorant de Tromelin, naar Vanikoro, welk schip op dat oogenblik ergens op de westkust van Amerika gestationneerd was. De Bayonnaise liet eenige maanden na het vertrek van de Astrolabe het anker voor Vanikoro vallen, doch vond niets nieuws; alleen bevond men dat de inboorlingen het gedenkteeken voor La Pérouse hadden ontzien.Dit was ongeveer het verhaal dat ik aan kapitein Nemo deed.“Dus weet men nog niet,” zeide hij, “waar dit derde schip is vergaan, hetwelk door de schipbreukelingen op Vanikoro gebouwd werd?”“Neen, kapitein.”Nemo zeide verder niets doch wenkte mij om hem naar het salon te volgen. De Nautilus zonk eenige meters onder water en de wanden openden zich. Ik ijlde naar het glas en zag onder die koralen en andere zeegewassen overblijfselen van eene schipbreuk, welke de dreggen niet hadden kunnen losrukken; ijzeren werktuigen, ankers,kanonnen, kogels, een kaapstander, een brok van een voorsteven, kortom allerlei voorwerpen van vergane schepen, welke de zee nu met hare levende bloemen overdekt had.Terwijl ik die armzalige overblijfselen stond te bekijken, zeide de kapitein op ernstigen toon:“Kapitein La Pérouse vertrok 7 December 1785 met zijne schepen; eerst ankerde hij in de Botanybaai, daarop bezocht hij de Vriendschapseilanden, Nieuw-Caledonië, richtte toen den steven naar Santa-Cruz en wierp het anker voor Namouka een der Vriendschapseilanden. Toen kwamen de schepen op de onbekende klippen van Vanikoro; de Boussole zeilde vooruit, en stootte aan den zuidkant van het eiland; de Astrolabe kwam te hulp, doch leed eveneens schipbreuk. Het eerste schip werd bijna onmiddellijk uit elkander geslagen; het tweede dat onder den wind op het zand geraakt was, hield het nog eenige dagen uit; de schipbreukelingen werden door de inlanders vrij goed ontvangen: zij zetten zich op het eiland neder en bouwden daar een kleiner schip met de overblijfselen van het groote. Eenige matrozen bleven vrijwillig op Vanikoro; de anderen, hoewel zwak en ziek, vertrokken met La Pérouse. Zij zetten koers naar de Salomon-eilanden, en vergingen met man en muis op de westkust van het voornaamste eiland dier groep.”“En hoe weet gij dat?” vroeg ik.“Ziehier wat ik op de plaats van die laatste schipbreuk gevonden heb.”Kapitein Nemo liet mij een blikken doos zien, waarop het wapen van Frankrijk stond ingeslagen, en die geheel door het zeewater was ingevreten. Hij opende haar en ik zag een aantal geel geworden, doch nog leesbare papieren. Het waren de instructiën van den Minister van Marine aan La Pérouse, op welker kant Lodewijk XVI eigenhandig eenige aanteekeningen had gemaakt.“Het is een schoone dood voor een zeeman!” zeide toen kapitein Nemo. “Het is een kalm graf daar onder de koralen, ik wensch dat de hemel mij en mijne makkers nimmer ander graf schenke!”De Torrestraat.In den nacht van 27 op 28 December verliet de Nautilus de kusten van Vanikoro met buitengewone snelheid. Zij richtte zich naar het zuidwesten, en in drie dagen doorliepen wij de 750 kilometer, welke dit eiland van de zuidoostpunt van Nieuw-Guinea scheidt.Den 1stenJanuari 1868 kwam Koenraad zeer vroeg in den morgen op het plat bij mij.“Mijnheer,” zeide de brave jongen, “zal mij toch niet kwalijk nemen als ik hem een gelukkig nieuwjaar wensch?”“Wat, Koen? Evenmin als te Parijs in mijne studeerkamer; ik neem uw wensch aan en dank u er voor; alleen wil ik u vragen wat gij bedoelt met een gelukkig nieuwjaar in de omstandigheden, waarin wij ons bevinden? Is het een jaar dat een einde aan onze gevangenschap maken moet, of een waarin wij deze vreemdsoortige reis zullen voortzetten?”“Ik weet niet wat ik mijnheer moet antwoorden,” zeide Koenraad. “Zeker is het dat wij vreemde dingen zien, en dat wij in die twee maanden geen tijd hebben gehad om ons te vervelen. Het laatste wat wij zien is altijd nog het meest verbazingwekkende, en als dat zoo doorgaat, weet ik niet waarmede het eindigen moet. Ik geloof dat wij zulk eene gelegenheid nooit weder krijgen.”“Nooit, Koen.”“En bovendien is die mijnheer Nemo, die een goeden naam draagt, ons evenmin hinderlijk alsof hij niet bestond.”“Het is zooals ge zegt, Koen.”“Ik denk dus, als mijnheer ’t mij niet kwalijk neemt, dat een gelukkig jaar er een is, waarin wij alles zouden kunnen zien.”“Alles zien, Koen? Dat zou misschien wat lang duren. Maar wat denkt Ned Land er van?”“Ned Land denkt juist het tegenovergestelde als ik,” antwoordde Koenraad. “Hij is veel te veel aan het stoffelijke gehecht, enmaakt een afgod van zijn maag. Visschen bekijken en altijd visschen eten is voor hem niet genoeg. Dat hij wijn, brood en vleesch moet missen bevalt niemendal aan onzen Amerikaan, die gewoonwas biefstuk te eten, en niet bang was voor brandewijn of jenever, hoewel altijd met mate.”De Nautilus had op een klip gestooten.De Nautilus had op een klip gestooten.“Wat mij betreft, Koen, daar heb ik geen verlangst naar, en ik kan mij in den leefregel hier aan boord nog wel schikken.”“Ik ook,” antwoordde Koenraad; “ik denk er dus even sterk over om te blijven als Ned om te vluchten. Als dus het nieuw begonnen jaar voor mij niet goed is, dan zal het voor hem goed zijn, en omgekeerd. Op die wijze zal er toch altijd iemand tevreden zijn. Kortom, ik wensch mijnheer veel heil en zegen in ’t nieuwe jaar.”“Ik dank u, Koen; doch gij moet uw nieuwjaarsfooi tot later uitstellen, en u daarvoor nu maar tevreden stellen met een hartelijken handdruk. Ik heb niets anders te geven.”“Mijnheer is nooit zoo gul geweest,” zeide Koenraad, en daarmede ging hij heen.Den volgden dag hadden wij reeds 11340 kilometer afgelegd sedert ons vertrek uit de Japansche zee. Voor de Nautilus strekte zich de gevaarlijke Koralenzee uit aan de noordoostkust van Australië. Ons vaartuig liep op eenige kilometers afstands langs die gevaarlijke bank, waarop de schepen van Cook 10 Juni 1770 bijna vergaan waren. Het schip waarop deze zeevaarder zich bevond stootte op een rif, en zoo het niet zonk was dit alleen te danken aan de toevallige omstandigheid, dat het stuk koraal dat door den schok van de klip was afgestooten in de daardoor ontstane opening bleef vastzitten.Ik had gaarne dit 1400 kilometer lange rif eens bezocht, waartegen de altijd ontstuimige zee met donderend geweld breekt. Maar op dat oogenblik sleepte de Nautilus ons naar de diepte, en ik zag niets van die hooge door koralen gevormde muren. Ik moest mij tevreden stellen met eenige staaltjes van visschen, welke in de netten gevangen waren.Twee dagen na de Koralenzee te zijn doorgevaren, den 4denJanuari, verkenden wij de kust van Nieuw-Guinea. Bij die gelegenheid deelde kapitein Nemo mij mede dat hij het plan had om door de Torrestraat naar den Indischen Oceaan te gaan; meer zeide hij niet. Ned zag met genoegen dat die reis ons nader bij Europa brengen zou.Die straat Torres wordt even gevaarlijk beschouwd om de klippen, die men er talrijk aantreft, als om de woestheid der kustbewoners. Zij scheidt Nieuw-Holland van Nieuw-Guinea. Dit laatste eiland is ruim 1600 kilometer lang en 520 breed, en heeft eene oppervlakte van 640,000vierkantekilometer. Het ligt tusschen 0° 19′ en 10° 2′ Z.B. en tusschen 128° 23′ en 146° 15′ O.L. Om twaalf uur, toen de eerste stuurman de hoogte der zon nam, zag ik de toppen van den Owen-Stanley-bergketen, welke langzaam opliep en in scherpe punten eindigde.Dit land in 1511 door den Portugees Francisco Serrano ontdekt, werd achtereenvolgens bezocht door don José Meneses in 1526, doorGrijalvain 1527, door den Spaanschen generaalAlvarode Saavedra in 1528, door Juigo Ortez in 1545, door Schouten in 1616, door Tasman, Carteret, Bougainville, Cook, Mac Clure, Dumont d’Urville en anderen. “Het is de bakermat der Maleische kleurlingen,” zeide de Rienzi, doch ik dacht niet dat het toeval mij ooit in zijne nabijheid brengen zou.De Nautilus kwam dus voor den ingang der gevaarlijkste zeestraat van den aardbodem, waar de stoutmoedigste zeevaarders ter nauwernood door durven varen, eene straat waar Luiz paz de Torréz zich doorwaagde, toen hij uit de Stille Zuidzee naar den Indischen Archipel ging, en waar in 1840 de korvetten van Dumont d’Urville op het punt waren van met man en muis te vergaan. Hoewel de Nautilus alle zeegevaren scheen te kunnen trotseeren, zou zij met deze koraalriffen toch kennis maken.De Torrestraat is ongeveer 135 kilometer breed, maar is zoo vol klippen, rotsen, eilandjes en riffen, dat de vaart er bijna onmogelijk is; derhalve nam kapitein Nemo alle mogelijke voorzorgen om er door te komen. De Nautilus, die over de oppervlakte dreef, voer slechts bedaard voorwaarts; de schroef bewoog zich slechts langzaam.Hiervan gebruik makende, hadden mijne twee makkers en ik op het plat plaats genomen. Vóór ons was het kastje van den stuurman, en ik moet mij al zeer bedriegen als de kapitein zelf er zich niet bevond om zijn Nautilus te besturen.Ik had de beste kaarten van de zeestraat voor mij en volgde daarop met de grootste oplettendheid onzen tocht; rondom de Nautilus kookte en bruiste de zee. De golven, met eene snelheid van twee en een halven kilometer door den zeestroom van het zuidoosten naar het noordwesten gedreven, braken op de koraalriffen, wier toppen hier en daar te voorschijn kwamen.“Dat is een leelijke zee!” zeide Ned Land.“Afschuwelijk,” antwoordde ik, “zij is niet best voor de Nautilus.”“Die vervloekte kapitein,” hernam de Amerikaan, “moet wel zeker van zijn weg zijn, want ik zie daar riffen waarop zijne schuit in duizend stukken zou splijten als hij er slechts aanraakte.”Onze toestand was inderdaad gevaarlijk, maar de Nautilus scheen als door eene betoovering midden tusschen deze vreeselijke klippen door te komen. Zij volgde niet juist den weg van de Astrolabe welke voor Dumont d’Urville zoo noodlottig was; het vaartuig nam den koers meer noordelijk, voer langs het eiland Murray, en richtte zich toen zuidwestwaarts naar de doorvaart van Cumberland. Ik dacht dat het schip er recht doorheen zou gaan, toen het zich weder noordwestwaarts wendde en tusschen een groot aantal weinig bekendeeilandjes en rotsen door naar het eiland Tound en het Slechte Kanaal voer. Ik vroeg mij zelven af of kapitein Nemo onvoorzichtig was en zijn schip in dezen doorgang wilde wagen, waar de twee korvetten van d’Urville op de rotsen stootten, toen hij voor de tweede maal van richting veranderde en westwaarts naar het eiland Gueboroar liep.Het was toen drie uur; het getij was bijna vol; de Nautilus naderde het eiland, dat ik met zijne prachtige groene omzooming nog voor mij zie liggen; wij liepen op minder dan twee kilometer afstands er langs. Plotseling werden wij door een schok omvergeworpen; de Nautilus had op een klip gestooten; het schip bleef onbeweeglijk liggen, doch helde naar bakboordzijde eenigszins over. Toen ik opstond zag ik den kapitein en den eersten stuurman op het plat; zij namen den toestand van het vaartuig op en wisselden eenige woorden in hunne onverstaanbare taal.Ziehier hoe onze toestand was. Op twee kilometer afstand lag aan stuurboordzijde het eiland Gueboroar, welks kust zich als een lange arm van het noorden naar het westen kromde. Naar het zuiden en oosten vertoonden zich reeds eenige toppen van koraalriffen, welke het afloopend getij bloot liet. Wij zaten geheel vast en dat wel in eene zee waar het getij slechts middelmatig was; dit was eene noodlottige omstandigheid om de Nautilus weer vlot te krijgen. Echter had het schip niets geleden, zoo stevig was de huid gesmeed. Maar als het al niet zinken of barsten kon, dan liep het toch gevaar voor eeuwig op die rotsen te blijven zitten, en dan was het gedaan met het onderzeesche toestel van kapitein Nemo.Zoo peinsde ik, toen de kapitein, kalm en bedaard als altijd zonder eenige ontroering of teleurstelling te laten blijken, mij naderde.“Een ongeluk?” vroeg ik.“Neen, een toeval,” was zijn antwoord.“Maar een toeval,” hernam ik, “dat u misschien verplichten zal om het land, dat gij zoozeer ontvlucht, weder te gaan bewonen.”De kapitein keek mij met een zonderlingen blik aan, en schudde met het hoofd; dit was duidelijk gezegd, dat niets hem ooit zou dwingen om den voet weder op het land te zetten. Toen zeide hij: “Bovendien mijnheer Aronnax, de Nautilus is niet weg; zij zal u nog de wonderen van den Oceaan laten zien. Onze reis begint eerst, en ik hoop nog zoo spoedig niet van de eer van uw gezelschap verstoken te worden.”“Maar toch kapitein,” antwoordde ik, zonder acht te geven op de spotternij, die in zijne woorden doorstraalde, “de Nautilus is gaan vast zitten bij hoog tij. Nu zijn de getijen in den grooten Oceaan niet zeer sterk, en als gij nu de Nautilus niet ontlasten kunt (hetgeen mij onmogelijk schijnt), dan begrijp ik niet hoe gij weder vlot zult komen.”Ons uitzicht werd door prachtige bosschen belet.Ons uitzicht werd door prachtige bosschen belet.“Gij hebt gelijk, mijnheer de professor, de getijen zijn in dezen Oceaan niet sterk, maar in de Torrestraat is er toch nog een verschil van anderhalven meter, tusschen de hoogste en laagste standender zee met andere deelen van den Oceaan. Het is van daag 4 Januari, en over vijf dagen hebben wij volle maan; ik zou mij zeer moeten verwonderen als die wachter van onze aarde niet beleefd genoeg was om de watermassa wat hooger te doen komen, ten einde mij daardoor een dienst te bewijzen, welken ik alleen aan de maan wil te danken hebben.”Toen de kapitein dit gezegd had ging hij met zijn eersten stuurman weder naar binnen. De Nautilus bewoog zich niet en bleef onwrikbaar vast liggen, alsof de koralen het vaartuig reeds voor goed hadden ingemetseld.“Welnu mijnheer!” zeide Ned Land, die na het vertrek van den kapitein naar mij toe kwam.“Welnu, vriend Ned, wij zullen stil het tij van 9 Januari afwachten, want het schijnt dat de maan zoo beleefd zal zijn om ons weder vlot te maken.”“Meent gij dat?”“Ja zeker.”“En die kapitein gaat zijn ankers niet uitgooien om zich hieraf te brassen, en zijne machine niet laten werken, en alles doen om van die verwenschte klip te komen?”“Het tij is immers voldoende,” antwoordde Koenraad bedaard.De Amerikaan keek hem aan, en trok zijne schouders op; het was de zeeman, die uit hem sprak.“Mijnheer,” antwoordde hij, “geloof mij, als ik u zeg, dat dit stuk ijzer nooit meer op of onder zee varen zal, het is goed om bij ’t pond verkocht te worden. Ik geloof dat het oogenblik gekomen is om dien kapitein Nemo de hakken te laten zien.”“Vriend Ned,” antwoordde ik, “ik wanhoop niet zooals gij aan dit flinke vaartuig; in vier dagen zullen wij zien waar wij ons met die getijen in dezen Oceaan aan te houden hebben. Overigens kon die raad om te vluchten goed zijn, als wij de Engelsche of Fransche kust in ’t gezicht hadden, maar hier in de buurt van Nieuw-Guinea is ’t eene andere zaak; het zal altijd nog tijd genoeg zijn om tot dit uiterste te komen, als de Nautilus niet los raakt, ik zou dit als een erge ramp beschouwen.”“Zouden wij ten minste dat land niet eens onderzoeken?” hernam Ned Land. “Daar is een eiland, op dat eiland groeien boomen, onder die boomen loopen dieren; die karbonade en roastbeef aan hun romp hebben, en daar zou ik wel eens gaarne mijne tanden inzetten.”“Nu heeft vriend Land gelijk.” zeide Koenraad, “en ik ben het met hem eens. Zou mijnheer van zijn vriend, den kapitein, geen verlof kunnen krijgen om eens aan land te gaan, al was het alleen maar om de gewoonte niet te verliezen van nu en dan den voet eens te zetten op het vaste deel van onzen aardbodem?”“Ik kan het hem wel eens vragen,” antwoordde ik, doch hij zal het weigeren.“Het is in allen gevalle te wagen,” zeide Koenraad, “en dan weten wij met een waaraan wij ons ten opzichte van zijne vriendelijkheid te houden hebben.”Tot mijne groote verwondering stond kapitein Nemo toe wat ik hem vroeg. Hij deed het zelfs met de grootste beleefdheid, zonder zelfs de belofte van mij te vorderen, dat ik aan boord zou terug komen. Maar eene vlucht door Nieuw-Guinea was zeer gevaarlijk, en ik zou het Ned Land nooit hebben aangeraden om zoo iets te beproeven. Het was veel beter om aan boord van de Nautilus opgesloten te zijn, dan om in de handen van de Papoea’s te vallen!Den volgenden morgen zou de sloep ter onzer beschikking zijn. Ik zocht niet eens te weten te komen of de kapitein ons zou vergezellen; zelfs vermoedde ik dat geen matroos der equipage met ons mede zou gaan, en dat Ned Land de boot alléén zou moeten sturen. Overigens was het land op zijn hoogst op twee kilometer afstands, en het was maar spelen gaan voor onzen Amerikaan om dat lichtte vaartuig tusschen die voor groote schepen zoo noodlottige klippen door te brengen.Den volgenden dag, 5 Januari, werd de sloep losgemaakt en van het plat in zee gewerkt; twee man waren daarvoor genoeg, de riemen lagen er in, en wij behoefden slechts plaats te nemen. Met bijlen en electrieke geweren bij ons roeiden wij om acht uur weg. De zee was vrij kalm; een kleine bries woei van de landzijde. Koen en ik roeiden flink op, en Ned stuurde tusschen de klippen door. De sloep was gemakkelijk te sturen en schoot goed vooruit. Ned kon zijne vreugde niet bedwingen, hij stelde zich aan als een gevangene, die aan zijne cel ontsnapt is, en hij dacht er niet aan dat hij er weder in moest.“Vleesch,” riep hij herhaaldelijk, “vleesch zullen wij dan proeven, en welk vleesch! Echt wild! Geen visch! Ik zeg niet dat visch niet goed is, maar men moet er geen misbruik van maken, en een stuk versch wild, op een kolenvuur geroosterd, zal onzen gewonen kost lekker afwisselen.”“Lekkerbek!” zeide Koenraad, “het water komt mij in den mond.”“Wij mogen eerst wel vragen of die bosschen wildrijk zijn,” zeide ik, “en of het wild er niet zóo groot is, dat het den jager wegjaagt.”“Goed zoo, mijnheerAronnax,” antwoordde de Amerikaan, wiens tanden zoo scherp als een bijl schenen te zijn, “maar ik zal zelfs eentijgerribeten als er geen ander viervoetig dier op dit eiland te vinden is.”“Vriend Ned maakt ons bang,” zeide Koenraad.“Hoe het ook zij,” hernam de harpoenier, “het eerste dier op vierof op twee pooten, met of zonder vleugels krijgt een schot van mij in zijn ribben.”“Goed!” antwoordde ik, “daar gaat de onverzichtigheid van meester Land weer beginnen.”“Wees niet bang, mijnheer Aronnax; roei maar ferm op. Binnen vijf en twintig minuten zal ik u een kost naar mijn smaak opdisschen.”Om half negen liep de sloep zacht tegen het zandige strand op, na gelukkig tusschen de koraalriffen doorgekomen te zijn, welke het eiland Gueboroar omringden.Aan land.Ik was zonderling te moede toen ik aan land stapte. Ned Land stampte op den grond alsof hij dien in bezit nam. Er waren echter nog maar twee maanden verloopen sinds wij, volgens de uitdrukking van kapitein Nemo, “passagiers op de Nautilus,” maar inderdaad gevangenen van den kapitein waren.Binnen weinige minuten waren wij reeds op een geweerschot afstands van de kust het binnenland ingestapt. De grond was bijna geheel koraalvormig, maar enkele uitgedroogde stroombeddingen, waarin ik stukken graniet vond, toonden aan dat dit eiland tot de primaire aardvorming behoorde. Ons uitzicht werd door prachtige bosschen belet; groote boomen, soms van 60 tot 70 meter hoog, waren verbonden door slingerplanten, natuurlijke hangmatten, welke een licht windje heen en weder bewoog; aan den voet dier woudreuzen en onder het dichte bladerdak was de grond bezaaid met de schoonste en welriekendste bloemen. Zonder op al die schoone voortbrengselen van de Nieuw-Guineesche flora te letten, liet de Amerikaan het aangename voor het nuttige in den steek; hij zag een kokosboom, sloeg er eenige vruchten af, brak die door, en wij dronken de melk, en aten de pit met een smaak, welke deed zien, dat wij niet volkomen tevreden waren met de gewone spijzen op de Nautilus.“Uitmuntend!” zeide Ned.“Uitstekend!” antwoordde Koenraad.Ned Land wist hoe men zulke boomen behandelen moest.Ned Land wist hoe men zulke boomen behandelen moest.“Ik geloof niet,” zeide de Amerikaan, “dat uw vriend Nemo er zich tegen verzetten zal als wij eene lading kokosnoten mede aan boord brengen?”“Ik geloof het ook niet,” antwoordde ik, “maar hij zal er niet van willen proeven.”“Zooveel te erger voor hem,” meende Koenraad.“En zooveel te beter voor ons,” antwoordde Ned Land “des te meer houden wij.”“Een woord slechts, Ned,” zeide ik tegen den harpoenier, die gereed stond om een anderen kokosboom te plunderen, “de kokosnoot is goed, maar voor dat gij er de sloep mede vollaadt, dunkt mij, dat wij eerst eens moesten onderzoeken, of het eiland geene even nuttige zaken oplevert. Versche groenten bijvoorbeeld, zouden door den kok van de Nautilus gretig ontvangen worden.”“Mijnheer heeft gelijk,” antwoordde Koenraad, “en ik stel voor om in ons vaartuig drie plaatsen open te houden, eene voor vruchten, eene voor groenten, en eene voor wild; hoewel ik van dit laatste nog het minste of geringste niet gezien heb.”“Koen, wij moeten aan niets wanhopen,” antwoordde Ned.“Laat ons dan verder gaan,” hernam ik, “maar goed uit onze oogen zien, want al schijnt het eiland onbewoond, dan zouden er toch wel eens wezens op kunnen wonen, die minder kiesch dan wij op het soort van wild waren!”“Nu, nu!” riep Ned, met eene beteekenisvolle beweging zijner kakebeenen.“Wat, Ned?” riep Koenraad.“Ik begin waarachtig te begrijpen,” hervatte de Amerikaan, “hoe pleizierig het menscheneten zijn moet!”“Ned, Ned, wat zegt gij daar?” antwoordde Koen. “Gij een menscheneter: maar dan zou ik niet meer veilig bij u zijn, met wien ik mijne hut moet deelen. Zal ik dan nog eens half opgegeten wakker worden?”“Hoor eens, vriend Koen, ik houd veel van u, maar niet genoeg, om u zonder noodzaak op te pruimen.”“Ik vertrouw het maar half!” zeide Koenraad. “Komaan op de jacht; wij moeten volstrekt een stuk wild schieten om dien kannibaal tevreden te stellen, of anders zal mijnheer op een morgen niets anders vinden dan wat brokken van een knecht om hem te bedienen.”Onder het houden van dergelijke gesprekken drongen wij in het sombere woud door, en doorkruisten dit gedurende twee uur in allerlei richtingen. Het toeval diende ons in het vinden van eetbare planten, en een van de nuttigste boomen uit de keerkringsstreken verschafte ons een kostbaar voedsel, hetwelk aan boord ontbrak. Ik bedoel den broodboom, die op het eiland Gueboroar veelvuldig voorkomt; deze boom onderscheidde zich van de andere door een rechten en 14 meter hoogen stam. De top was van bevalligen ronden vorm, en droeg groote gelobde bladeren; uit die bladerenkroon kwamen groote ronde vruchten van een decimeter lang, welkeuitwendig zoo met stekels bezet waren, dat zij daardoor den schijn hadden van zeshoekig te zijn. Het is een nuttige boom, waarmede de natuur die streken, waar het graan ontbreekt, voorzien heeft en die zonder veel arbeid te vorderen, gedurende acht maanden van het jaar vruchten geeft.Ned Land kende die vruchten wel; hij had er bij zijne talrijke reizen meermalen van gegeten, en hij wist ze goed open te krijgen. Toen hij ze zag werd zijne begeerte aanstonds opgewekt, en hij kon zich niet langer bedwingen.“Ik mag sterven, mijnheer,” zeide hij, “als ik niet van dien broodboom eet.”“Eet er van op uw gemak, vriend Ned; wij zijn hier om alles te beproeven; doe het dus.”“Het zal niet lang duren!” zeide de Amerikaan, en met eene lens gewapend stak hij een hoop dood hout in den brand, dat weldra, helder opflikkerde. Gedurende dien tijd zochten Koen en ik de beste vruchten van den broodboom bijeen. Enkelen waren nog niet rijp genoeg, en haar dikke bast omvatte een wit, doch weinig vezelig merg. Anderen waren geel en geleiachtig, en wachtten slechts het oogenblik om geplukt te worden. In die vruchten zat geen kern; Koenraad bracht er een twaalftal aan Ned, die ze op een kolenvuur legde, nadat hij ze in schijfjes gesneden had; terwijl hij dit deed, zeide hij:“Gij zult eens zien mijnheer, hoe lekker dit brood is.”“Vooral als men in lang geen brood gehad heeft,” zeide Koen.“Het is zelfs geen brood meer,” voegde de Amerikaan er bij: “het is een heerlijk gebak. Hebt gij dat nooit gegeten, mijnheer?”“Neen, Ned.”“Welnu, maak u dan maar gereed om iets heel lekkers te genieten. Als gij er dan niet weer naar verlangt, ben ik de koning der harpoeniers niet meer.”Na weinige minuten was het gedeelte der vrucht dat aan den gloed van het vuur was blootgesteld geweest, geheel verkoold. Het binnenste was een wit deeg, een soort van week kruim, waarvan de geur aan artisjokken deed denken. Ik moet het bekennen, dit brood was voortreffelijk, en ik at het met groot genoegen.“Ongelukkig,” zeide ik, “kan men zulk een deeg niet versch houden, en het komt mij onnoodig voor om er een voorraad van op te doen om mede te nemen.”“Welnu komaan, mijnheer!” riep Ned Land uit, “gij spreekt als een natuuronderzoeker, en ik zal handelen als een bakker. Koen, haal eens een hoop vruchten op, die wij mede kunnen nemen als wij weer naar boord gaan.”“En hoe maakt gij die gereed?” vroeg ik.“Door uit het merg een gegist deeg te maken, dat zonder tebederven lang bewaard kan blijven. Als ik het gebruiken wil dan zal ik het in de kombuis laten bakken, al is het dan een beetje zuur, dan zult gij het toch wel lekker vinden.”“Ik zie dus Ned, dat er niets aan dit brood ontbreekt?”“Ik wel mijnheer; wij hebben nog behoefte aan eenige vruchten, of althans groenten er bij!”“Laat ons die dan zoeken.”Toen wij dien oogst bijeen hadden, gingen wij op weg om dit landelijk maal volledig te maken. Ons onderzoek was niet te vergeefs, en tegen den middag hadden wij een grooten voorraad bananen. Deze heerlijke vruchten uit de verzengde luchtstreek zijn het geheele jaar door rijp, en de Maleiers, die er den naam van pisang aan hebben gegeven, eten ze zonder ze te koken; te gelijk met de bananen verzamelden wij nog andere vruchten, onder anderen ananassen van buitengewone grootte. Doch deze oogst ontnam ons een groot deel van onzen tijd, dien wij overigens niet behoefden te betreuren.Koenraad keek altijd naar Ned: de harpoenier liep vooruit, en terwijl hij door het bosch wandelde, verzamelde hij zonder zich te vergissen uitstekende vruchten om zijn voorraad volledig te maken.“Ontbreekt u niets?” vroeg Koenraad.“Hem!” kuchte de Amerikaan.“Wat beklaagt gij u?”“Al die planten en vruchten maken geen maal uit,” antwoordde Ned. “Hiermede eindigt een maaltijd, dat is het dessert. Maar de soep, en het gebraad, waar zijn die?”“Zeker, Ned,” zeide ik, “gij hebt ons karbonaden beloofd, die tot het rijk der fabelen schijnen te blijven behooren.”“Mijnheer,” antwoordde de Amerikaan, “de jacht is niet alleen niet geëindigd, maar zij is zelfs nog niet eens begonnen. Geduld maar, wij zullen nog wel een gevederd of behaard dier tegen komen, en is het hier niet, dan is het ergens anders....”“En is het van daag niet, dan is het morgen,” voegde Koen er bij, “want wij moeten niet al te ver gaan, en ik stel zelfs voor om naar de sloep terug te keeren.”“Wat, nu reeds?” riep Ned Land.“Wij moeten voor den nacht terug zijn,” zeide ik.“Maar hoe laat is het dan!” vroeg de Amerikaan.“Ten minste twee uur,” gaf Koenraad ten antwoord.“Hoe spoedig gaat de tijd aan den wal om,” zuchtte Ned Land treurig.“Op weg,” riep Koenraad.Het was de groote smaragdkleurige Paradijsvogel.Het was de groote smaragdkleurige Paradijsvogel.Wij kwamen dus door het bosch terug, en sneden daar nog eenige koppen uit jonge palmboomen, welke wij als kool konden eten, en vonden bovendien een soort van kleine snijboonen. Wij waren zwaarbeladen, toen wij de sloep bereikten. Ned Land vond echter dat wij nog niet genoeg hadden. Het toeval begunstigde hem. Op het oogenblik dat wij ons zouden inschepen zag hij verscheidene boomen van8 tot 10 meter hoog, die tot de palmsoorten behoorden: die boomen even kostbaar als de broodboom, worden met recht onder de nuttigste van den geheelen Maleischen Archipel gerekend. Het waren sagoboomen, die van zelven voorttelen zonder aangekweekt te worden, daar zij evenals moerbeiboomen loten schieten en zich zelven zaaien. Ned Land wist hoe men zulke boomen behandelen moest; hij nam zijne bijl, en die met groote kracht zwaaiende had hij er weldra twee of drie voor den grond doen vallen, wier met witte stof overdekte bladeren bewezen dat zij rijp waren. Ik keek er meer naar met het oog van een natuuronderzoeker dan van iemand, die uitgehongerd was. Hij begon met van elken stam eene reep schors van een centimeter breed af te scheuren, waaronder een net van lange vezels lag, dat uit niet te ontwarren knoopen bestond, en met een soort van gomachtig meel aan elkander zat geplakt. Dit meel was de sago, welk voedsel vooral door de bevolking van dezen Archipel genuttigd wordt. Ned Land stelde zich voor het oogenblik tevreden met den stam in stukken te hakken, zooals hij met brandhout zou gedaan hebben; hij behield zich voor om er later het meel uit te halen en op te zamelen, en om het, als het in de zon wat gedroogd was, in Tormen te laten hard worden.Eindelijk verlieten wij tegen vijf uur s’avonds met al onze schatten het eiland, en een half uur daarna lagen wij weder naast de Nautilus. Bij onze komst verscheen er niemand, de groote ijzeren cylinder scheen verlaten; toen wij onzen voorraad aan boord hadden ging ik naar mijne kamer, waar het souper gereed stond; ik at en ging naar bed. Den volgenden morgen, 6 Januari, gebeurde er niets bijzonders aan boord. Geen enkel gerucht, geen enkel teeken van leven kwam tot mij. De sloep was naast het vaartuig blijven liggen op dezelfde plaats, waar wij haar den vorigen avond gelaten hadden. Wij besloten nog eens naar het eiland Gueboroar te gaan. Ned Land hoopte op de jacht gelukkiger te zijn dan den vorigen dag en wilde een ander deel van het woud bezoeken.Met het opgaan der zon waren wij op weg. In weinige oogenblikken bereikte onze sloep met behulp van een gunstigen stroom het eiland. Wij gingen aan land, en omdat wij dachten dat het goed was als wij aan het verlangen van Ned Land voldeden, volgden wij hem, doch hadden werk om hem met zijne lange beenen bij te houden.De Amerikaan liep de kust in westelijke richting langs, daarna doorwaadde hij eenige kleine riviertjes, en ging naar eene hoogvlakte, welke door wonderschoone bosschen begrensd werd. Eenige ijsvogels zwierven langs de riviertjes, doch lieten zich niet benaderen. Hunne schuwheid bewees mij dat die vogels wisten wat zij van wezens van onze soort te wachten hadden, en ik maakte daaruit de gevolgtrekking dat als het eiland al niet bewoond was, er ten minste van tijd tot tijd menschen kwamen.Toen wij eene vrij weelderige weide door waren gegaan, kwamen wij aan den rand van een klein bosch, waar het gezang en gekweel van een groot aantal vogels ons vroolijk tegenklonk.“Dat zijn nog maar vogels,” zeide Koenraad.“Maar er zijn er toch bij, die men eten kan!” antwoordde de harpoenier.“Ik geloof het niet, vriend Ned,” hervatte Koenraad, “want ik zie niets dan papegaaien.“Vriend Koen,” was het deftige antwoord van den Amerikaan, “de papegaai is een fazant voor hem die niets anders te eten heeft.”“En ik zal er nog bijvoegen,” zeide ik, “dat als hij goed wordt klaargemaakt, die vogel nog wel de moeite waard is.”En inderdaad, onder het dichte gebladerte fladderde een heirleger van papegaaien van tak tot tak; zij schenen slechts op een zorgvuldiger opvoeding te wachten om te kunnen spreken. Voor het oogenblik kakelden zij met wijfjes van allerhande kleur, en met deftige kakatoe’s, die over eenige wijsgeerige stelling schenen na te denken, terwijl schitterend roode vogels als een stuk scharlaken, dat door den wind wordt voortgejaagd, voorbij vlogen, te midden van een vogelenheir dat met de prachtigste kleuren was uitgedost; het was eene verscheidenheid van bevallige vogels, zooals ik nooit gezien had, doch die over het algemeen slecht om te eten waren. Evenwel ontbrak er aan deze verzameling nog éen vogel, welke nooit over de grenzen van de Papoea-eilanden gekomen is. Het toeval diende mij weldra ook hierin.Na een niet zeer dicht kreupelhout te zijn doorgegaan, vonden wij eene vlakte met heesters bedekt. Daar zag ik prachtige vogels opvliegen, wier lange vederen hen noodzaakten om tegen den wind in te vliegen. Hunne dwarrelende vlucht, de bevalligheid der bochten, welke zij in de lucht beschreven de schittering hunner kleuren trokken bijzonder onze aandacht; ik herkende ze zonder moeite.“Paradijsvogels!” riep ik uit.“Orde der musschen, afdeeling der....” antwoordde Koenraad.“Is het ook familie van de patrijzen?” viel Ned Land hem in de rede.“Dat geloof ik niet; doch ik reken toch op uwe behendigheid om een van die prachtige dieren uit deze hemelstreek te vangen.”“Ik zal het beproeven, mijnheer de professor, hoewel ik meer gewoon ben om met den harpoen dan met het geweer om te gaan.”De Maleiers, die met de Chineezen grooten handel in deze vogels drijven, hebben verschillende manieren om ze te vangen, waarvan wij nu geen gebruik konden maken. Dan eens zetten zij strikken in de toppen der boomen; waarin deparadijsvogelsbij voorkeur zich ophouden; dan vangen zij ze met lijmstokken; soms zelfs vergiftigen zij het water, waarin die vogels gewoonlijk gaan drinken.Wat ons betrof, wij moesten ze in de vlucht schieten waardoor wij weinige kans hadden om er een te krijgen; wij verspilden daarom ook een deel van onze ammunitie.Tegen elf uur ’s morgens waren wij den eersten rand der bergen, welke zich in het midden des eilands verheffen, over, en wij hadden nog niets geschoten. De honger begon ons te plagen; de jagers hadden gerekend op hetgeen zij zouden schieten en daarin hadden zij ongelijk gehad. Gelukkig schoot Koenraad tot zijne groote verbazing twee dieren tegelijk dood en verschafte ons daardoor een ontbijt; hij schoot namelijk eene witte en eene houtduif, die vlug geplukt en aan een spit gestoken, voor een vuurtje van dood hout gebraden werden. Terwijl die beestjes gereed werden gemaakt, bereidde Ned Land eenige vruchten van den broodboom; daarna aten wij de beide duiven op en vonden ze voortreffelijk. De muskaatnoot, waarmede zij zich gewoonlijk voeden, geeft aan hun vleesch een zekeren geur, en doet ze overheerlijk smaken.“Het is evenals jonge hoentjes, die truffels eten,” zeide Koenraad.“En wat ontbreekt u nu nog, Ned?” vroeg ik den Amerikaan.“Een viervoetig stuk wild, mijnheer Aronnax,” antwoordde Ned Land. “Al die duiven dat is maar bijwerk, en een mondterging; ik zal dan ook niet eer tevreden zijn voor ik een beest heb doodgeschoten, waarvan ik karbonade kan eten.”“En ik niet, Ned, alvorens ik een paradijsvogel gevangen heb.”“Laat ons de jacht dan voortzetten,” antwoordde Koenraad, maar naar den zeekant toe; wij zijn tot de helling der bergen genaderd en ik geloof dat het beter is om naar de bosschen terug te keeren.Dat was een wijze raad, en wij volgden dien. Na een uur te zijn voortgegaan, waren wij in een waar bosch van sagoboomen gekomen; eenige onschadelijke slangen vluchtten voor ons uit; de paradijsvogels verdwenen als wij naderden, en ik wanhoopte er wezenlijk reeds aan om ze onder schot te krijgen, toen Koenraad, die vooruitging, zich eensklaps bukte, een blijden kreet slaakte en met een prachtigen paradijsvogel in de hand naar mij toe kwam.“Bravo Koen, bravo!” riep ik.“Mijnheer is wel goed.” antwoordde Koenraad.“Zeker niet, mijn jongen; gij hebt daar een meesterstuk begaan om een van die vogels te vangen, en dat nog wel met de hand!”“Als mijnheer hem eens goed bekijken wil, zal hij zien dat er zooveel verdienste niet in steekt.”“En waarom Koen?”“Omdat die vogel zoo dronken als een snip is.”“Dronken?”“Ja, mijnheer, dronken van de muskaatnoten, welke hij onder den boom, waar ik hem gevangen heb, opvrat. Kijk eens, vriend Ned, wat het vreeselijk gevolg der onmatigheid is?”Ned Land stelde zich tevreden met een dozijn buideldieren.Ned Land stelde zich tevreden met een dozijn buideldieren.“Duizend duivels!” antwoordde de Amerikaan, “het is wel de moeite waard om mij te verwijten hoeveel jenever ik sedert twee maanden gedronken heb!”Ik bekeek ondertusschen den schoonen vogel; Koenraad bedroog zich niet: de paradijsvogel, dronken van het koppige sap, was onmachtig om zich te bewegen; hij kon niet vliegen, zelfs bijna niet loopen; dit verontrustte mij echter niet, en ik liet zijn roes stil uitwoeden. De vogel behoorde tot de schoonste der acht soorten, welke men op Nieuw-Guinea vindt; het was de groote smaragdkleurige paradijsvogel, een van de zeldzaamste; hij was drie decimeter lang; het kopje was betrekkelijk klein; de oogen, die dicht bij den bek stonden, waren ook klein; doch hij vertoonde eene wonderschoone afwisseling van kleuren, de bek was geel, de pooten en nagels bruin, de vleugels lichtbruin met purper aan de uiteinden, de kop en hals lichtgeel, de borst smaragdkleurig en de buik kastanjebruin. Boven den staart staken twee lange hoornachtige en met dons bedekte schachten uit, welke in zeer lichte en lange veeren van zonderlinge fijnheid eindigden. Zoodanig was het uiterlijk van dien uitstekend fraaien vogel, welken de inboorlingen dichterlijk “den vogel der zon” noemen. Ik wenschte dit prachtig exemplaar van de paradijsvogels mede naar Parijs te kunnen nemen om hem aan den Plantentuin ten geschenke te geven, waar er geen enkele levend is.“Is hij dan zóo zeldzaam?” vroeg de Amerikaan op den toon van een jager, die uit een wetenschappelijk oogpunt zeer weinig om wild geeft.“Zeer zeldzaam, wakkere vriend, en vooral hoogst moeielijk om ze levend te vangen; zelfs als zij dood zijn, worden deze vogels nog als een belangrijk handelsartikel beschouwd. Daarom hebben de inboorlingen een middel verzonnen om ze na te maken, zooals men paarlen en diamanten namaakt.”“Wat!” riep Koenraad, “maakt men valsche paradijsvogels?”“Ja, Koen.”“En weet mijnheer hoe die inboorlingen dat doen?”“Zeer goed: de paradijsvogels verliezen in den Oostmousson hunne prachtige staartveeren; deze worden door de namakers van vogels opgezocht en aan een te voren verminkten papegaai aangeplakt, dan verven en vernissen zij den vogel, en sturen die voortbrengselen hunner zonderlinge nijverheid naar de Europeesche museums of aan liefhebbers.”“Mooi zoo!” riep Ned Land, “al is het dan de vogel niet, dan zijn het toch zijne vederen, en zoolang het beest niet gegeten wordt, zie ik er geen kwaad in!”Al was aan mijne begeerte nu voldaan door het bezit van een paradijsvogel, de wensch van den Amerikaanschen jager was nog volstrekt niet vervuld. Gelukkig velde Ned Land tegen twee uur een groot boschvarken, dat de inlanders bari-outang noemen. Het dier kwam goed van pas om ons wezenlijk vleesch van een viervoetigdier te verschaffen; Ned was trotsch op zijn schot; het varken, door den electrieken kogel getroffen, was mors dood gevallen.De Amerikaan sneed het open en haalde er de ingewanden uit; toen sneed hij er vast een half dozijn ribbetjes uit, welke hij voor ons avondmaal wilde roosteren; daarop ving de jacht op nieuw aan, welke nog blijken moest geven van de heldendaden van Ned en Koenraad; de twee vrienden, het kreupelhout doorkruisende, joegen een troep kangoeroe’s op, die op hunne lange achterpooten wegvluchtten; maar zij sprongen niet zóo snel weg of de electrieke kogel kon hen in hunne vaart nog wel stuiten.“O, mijnheer,” riep Ned Land, wien de jagers woede naar het hoofd begon te stijgen, “wat heerlijk wild, vooral gestoofd! Wat voorraad voor de Nautilus! Twee, drie ... vijf voor den grond! En als ik denk dat wij al dat vleesch zullen opeten, en dat die gekken daar aan boord er niets van mede krijgen!”Ik geloof waarlijk dat, als de Amerikaan niet zooveel gepraat had, hij in overmaat van blijdschap den geheelen troep zou doodgeschoten hebben! Maar hij stelde zich tevreden met een dozijn van die buideldieren; zij waren klein van stuk; het waren eigenlijk springkonijnen, die in holle boomen nestelen en ontzaglijk vlug zijn; maar al zijn zij klein, zoo is hun vleesch toch bijzonder gezocht.Wij waren zeer tevreden over den uitslag onzer jacht. De vroolijke Ned stelde zich voor om den volgenden dag naar dit bekoorlijke eiland terug te keeren, dat hij zoo het scheen van alle eetbare dieren berooven wilde; doch hij rekende buiten den waard.’s Avonds om zes uur waren wij weder op het strand. Onze sloep lag op hare gewone plaats; de Nautilus stak altijd als een lange klip op twee mijl van de kust boven de zee uit.Zonder dralen begon Ned Land aan het gewichtig werk voor ons diner. Hij verstond de kookkunst bijzonder goed. Weldra verspreidden de varkensribbetjes, die hij boven een kolenvuur roosterde, een aangenamen geur. Doch ik bemerk dat ik den Amerikaan nadoe. Ik raak nu reeds opgewonden door een geroosterd varkensribbetje! Men vergeve het mij zooals aan Ned Land!Om kort te gaan, ons maal was overheerlijk. Twee houtduiven kwamen ook op de spijskaart voor, en behalve dit en de andere vleeschspijzen eene sagopastij, brood van den broodboom, eenige manga’s, een half dozijn ananassen, en het uitgegiste sap van zeker soort van kokosnoten, waardoor wij wat opgewonden werden; ik geloof zelfs dat mijne waardige makkers niet zoo heel helder meer waren.“Als wij van avond eens niet naar de Nautilus terug keerden?” zeide Koenraad.“Als wij er eens nooit weder heen gingen?” voegde Ned er bij.Op dat oogenblik viel er een steen voor onze voeten neder, en maakte een einde aan de voorstellen van het tweetal.
Vanikoro.Dit vreeselijk schouwspel was de voorbode van eene menigte zeerampen, welke de Nautilus op haar weg zou ontmoeten. Sedertwij in meer bezochte zeeën kwamen, zagen wij dikwijls rompen van schepen, welke drijvende bijna geheel verrot waren, en dieper op den bodem lagen kanonnen, kogels, ankers, ketens en duizend andere voorwerpen, die door den roest werden verteerd.Altijd medegesleept door de Nautilus, waarin wij geheel afgezonderd van de wereld leefden, kregen wij 11 December den Pomotu-Archipel in het gezicht. Het waren de “Gevaarlijke eilanden” van Bougainville, die zich over eene ruimte van 2000 kilometer van het Oost-Zuid-Oosten naar het West-Noord-Westen tusschen 253° 50’ en 13° 30′ Z.B. en 151° 30′ en 125° 30′ W.L. uitstrekken van het eiland Ducie tot aan het eiland Matahiwa (Lazareff). Deze Archipel bedekt eene oppervlakte van bijna 6,000 vierkante kilometer, en wordt gevormd door een zestigtal groepen van eilandjes, waaronder de voornaamste zijn de Gambier-eilanden, welke onder bescherming staan van Frankrijk. Het zijn allen koraaleilanden. Door het werk van polypen worden zij langzaam, maar voortdurend opgeheven, en zullen eens met elkander verbonden zijn. Dan zal dit nieuwe eiland vastgroeien aan de naburige Archipels, en zoo zal er een vijfde vasteland ontstaan, dat zich van Nieuw-Zeeland en Nieuw-Caledonië tot aan de Markiezen-eilanden uitstrekt.Toen ik deze stelling eens tegen kapitein Nemo verdedigde, zeide hij koeltjes:“Het zijn geen nieuwe vastelanden, welke de aarde noodig heeft, maar nieuwe menschen!”Het toeval misschien had de Nautilus op hare vaart juist bij het eiland Clermont-Tonnerre gebracht, een van de zonderlingste van deze groep, welke in 1822 door kapitein Bell ontdekt werd. Ik kon nu de koralen bestudeeren aan welke de eilanden in dien Oceaan hun ontstaan te danken hebben.De koralen worden met eene kalklaag overtrokken; de kleine diertjes, welke ze vormen, leven bij millioenen in hunne cellen. Het zijn hunne kalknesten welke tot rotsen, klippen, eilanden aangroeien. Hier vormen zij atollen, daar maken zij rijen klippen zooals op de kusten van Nieuw-Caledonië en van verschillende eilanden van den Pomotu-Archipel. Op andere plaatsen weder, zooals op Reunion en Mauritius, verheffen zij zich tot afgebrokkelde rotswanden, die recht oprijzen, en naast welke de Oceaan onmetelijk diep is.Het eiland Clermont-Tonnerre op eenige kabellengten naderende, bewonderde ik dit reuzenwerk dat door die microscopisch kleine diertjes gemaakt was: ik kon die zonderlinge muren van nabij beschouwen, want onmiddellijk er naast peilden wij meer dan 300 meter; deze prachtige kalkformatie schitterde in ons electriek licht.Toen Koenraad mij vroeg, hoe lang het wel duurde eer zulke groote rotsen gevormd waren, verwonderde hij zich zeer dat degeleerden meenen, dat zij gedurende eene eeuw slechts een achtste centimeter groeiden.“Om die muren te vormen,” zeide hij aarzelend, “zijn er dus...?”“Wel 192,000 jaren noodig geweest, Koen, waardoor de tijdrekening van den bijbel wel wat langer wordt. Overigens is er nog ontzaglijker tijdsverloop noodig geweest tot vorming van de steenkolen, de wouden welke door zondvloeden zijn vernietigd en onder de aarde geraakt, en tot afkoeling van de basaltrotsen. Maar ik voeg hier ten overvloede bij, dat die dagen van den bijbel tijdvakken voorstellen, en geene tijdruimte tusschen twee zonsopgangen, want volgens den bijbel zelven, dagteekent de zon niet eens van den eersten scheppingsdag.”Toen de Nautilus weder op de oppervlakte kwam, kon ik het lage en boschrijke eiland Clermont Tonnerre in zijn geheelen omvang zien. De koraalrotsen waren vermoedelijk door stormen vruchtbaar gemaakt. Eens is zeker een zaadje door een orkaan van naburige eilanden op deze kalkrotsenovergewaaid, waarop verrotte visschen en zeeplanten vruchtbare aarde hadden gevormd. Een kokosnoot werd door de golven voortgestuwd en op deze kust geworpen; de noot ontkiemde en schoot wortels; de boom groeide op en hield den waterdamp tegen, zoo ontstond een stroompje. Langzamerhand nam het plantenrijk toe; eenige diertjes, wormen, insecten, kwamen op boomstronken aandrijven, welke de wind op andere eilanden had losgerukt. Schildpadden kwamen hare eieren leggen, vogels nestelden in den jonge boomen. Zoo ontwikkelde zich het dierlijk leven en door de vruchtbaarheid aangetrokken verscheen de mensch. Op deze wijze vormen onzichtbare diertjes eilanden.Tegen den avond verdweenClermont-Tonnerrein de verte, en de richting van de Nautilus veranderde merkbaar. Na op 135° lengte den Steenbokskeerkring even te hebben aangeraakt, wendde zij zich W.N.W. Hoewel de zonnestralen krachtig neerschoten, hadden wijgeenhinder van de warmte, daar de temperatuur op 30 of 40 meter onder water zich niet boven tien of twaalf graad verhief.Op 15 December lieten wij den schoonen Archipel der Gezelschapseilanden en het bevallige Taiti, de koningin der Stille Zuidzee oostwaarts liggen, ’s Morgens bemerkte ik eenige kilometer onder den wind de hooge bergtoppen van die eilanden. In deze streken vingen wij voortreffelijke visch voor onze tafel.De Nautilus had 800 kilometer afgelegd. Wij gingen door tusschen den Archipel van Tonga-Tabou, waar de Argo, de Port-au-Prince en de Duke of Portland vergingen, en dien van de Schippers-eilanden, waar kapitein de Langle, de vriend van La Pérouse, vermoord werd. Daarna kwamen wij langs de Witi-eilanden, waarde wilden de matrozen van de Union en kapitein Bureau van de Aimable Joséphine vermoordden. Deze Archipel, welke zich van het noorden naar het zuiden over eene lengte van 400 en van hetoosten naar het westen van 300 kilometer uitstrekt, ligt tusschen 6° en 2° Z.B., en 174° en 179′ W.L. Hij bestaat uit een groot aantal eilandjes en klippen, waaronder de eilanden Witi-Lewu en Wanna-Lewu de voornaamste zijn.Het eiland Vanikoro.Het eiland Vanikoro.Tasman ontdekte deze groep in 1643, in hetzelfde jaar, waarin Toricelli den barometer uitvond, en dat Lodewijk XIV den troon beklom. Ik laat daar, welke van deze drie gebeurtenissen het nuttigst voor de menschheid geweest is. Daarna kwamen er Cook in 1714, Entrecasteaux in 1793, en eindelijk in 1827 Durmont d’Urville, die dezen geographischen chaos eerst goed onderzocht en beschreef. De Nautilus naderde de baai van Wailea, het tooneel van de vreeselijke lotgevallen van dien kapitein Dillon, die het eerst het geheim ontdekte van de schipbreuk van La Pérouse.Deze baai, waar wij verscheiden malen de netten uitwierpen, leverde een overvloed van voortreffelijke oesters op. Wij aten er onbehoorlijk veel, enmaaktenze volgens Seneca’s voorschrift zelven aan tafel open. De oesterbank van Wailea moet verbazend groot zijn; en zonder veelvuldige oorzaken van vernietiging zou die opeenstapeling van schelpdieren eindigen met de geheele baai te vullen, omdat een dier tot zelfs twee millioen eieren kan bevatten. Indien Ned Land bij die gelegenheid geen berouw over zijne gulzigheid had, dan komt het alléen daarvandaan, dat de oesters het eenige eten is dat minder eene indigestie veroorzaakt. Inderdaad men moet niet minder dan zestien dozijn van die schelpdieren hebben om de 315 gram stikstofhoudend voedsel te verkrijgen, welke voor het dagelijksch onderhoud van een mensch noodig zijn.De Nautilus voer op 25 December midden door den Archipel der Nieuwe Hebriden, welke Quiros in 1606 ontdekte, die Bougainville in 1768 nader onderzocht, en waaraan Cook in 1773 den tegenwoordigen naam gaf. Deze groep bestaat uit negen groote eilanden en ligt in eene lijn van 480 kilometer van het N.N.W. naar het Z.Z.O. tusschen 15°en 2° Z.B. en 164° en 168° W.L. Wij gingen dicht genoeg langs het eiland Aurou om te zien dat het bedekt was met bosschen, uit welker midden een bergtop hoog uitstak.Het was dien dag Kerstmis, en het scheen mij toe dat Ned Land het zeer betreurde, dat hij het bij de Engelschen zoo hoog geëerde Kerstfeest niet te midden der zijnen vieren kon.Ik had kapitein Nemo in geen acht dagen gezien, toen hij 27 December ’s morgens in het salon kwam, met een gezicht als van iemand, die u eerst vijf minuten te voren gezien heeft. Ik zag juist op de kaart den weg van de Nautilus na; de kapitein naderde mij, wees met den vinger op de kaart, en zeide slechts dit ééne woord:“Vanikoro.”Die naam werkte als een tooverwoord; het was de naam van heteiland, waar de schepen van La Pérouse vergaan waren. Ik stond plotseling op.“Brengt de Nautilus ons naar Vanikoro?” vroeg ik.“Ja, mijnheer,” antwoordde de kapitein.“Zal ik dan die beruchte eilanden kunnen bezoeken, waar de Boussole en de Astrolabe te gronde gingen?”“Als dat u aangenaam is, ja, mijnheer de professor.”“Wanneer komen wij bij Vanikoro?”“Wij zijn er al, mijnheer,” was het lakonieke antwoord.Door den kapitein gevolgd, ging ik naar het plat, en keek met begeerige blikken naar den gezichteinder.In het noordoosten zag ik twee vulkanische eilanden van ongelijke grootte, omringd door een koraalrif, dat veertig kilometer in omtrek had. Wij waren bij het eigenlijk gezegde Vanikoro, waaraan Dumont d’Urville den naam van Onderzoek-eiland gaf, en lagen juist voor de kleine haven van Vanou; het eiland scheen van het strand tot op de bergtoppen binnenslands met groen bedekt te zijn. In het midden verhief zich de berg Kapogo, die eene hoogte had van 950 meter.Toen de Nautilus den buitensten rotsrand door eene zeer nauwe opening was binnen gevaren, vonden wij daar binnen eene branding met dertig tot veertig vademen diepte. Onder de dichte schaduw der palmboomen zag ik een dozijn wilden staan, die hoogst verbaasd over onze komst opkeken. Meenden zij mogelijk dat dit lange zwarte lichaam, dat slechts even boven water uitstak, een vreeselijk zeemonster was, waarvoor zij zich in acht moesten nemen?Op dat oogenblik vroeg mij kapitein Nemo wat ik van de schipbreuk van La Pérouse wist.“Wat iedereen er van weet,” antwoordde ik.“Zoudt gij mij dan kunnen vertellen wat iedereen weet?” vroeg hij mij op eenigszins spotachtigen toon.“Zeer gemakkelijk.”Ik vertelde hem wat de laatste werken van Dumont d’Urville hadden medegedeeld. La Pérouse en de kapitein de Langle werden in 1785 door Lodewijk XVI uitgezonden om eene reis om de aarde te doen. Zij voerden het bevel op de Boussole en de Astrolabe, en kwamen nooit terug. Toen in 1791 de Fransche regeering met recht ongerust werd over het lot van de twee korvetten, rustte zij twee groote schepen uit, de Recherche en de Espérance; deze schepen zeilden 28 September uit Brest onder bevel van Bruni d’Entrecasteaux. Twee maanden daarna vernam men van zekeren Bowen, kapitein op de Albemarle, dat hij overblijfselen van schepen gezien had op de kusten van Nieuw-Georgië; maar d’Entrecasteaux, die deze overigens vrij onzekere mededeeling niet kende, richtte zich naar de Admiraliteits-eilanden, welke in een verslag van kapitein Hunter waren aangeduidals de plaats waar de schipbreuk van La Pérouse had plaats gehad. Zijn onderzoek was te vergeefs. De Espérance en de Recherche zeilden zelfs voorbij Vanikoro zonder er zich op te houden, en bovendien was deze reis zeer ongelukkig, daar zij het leven aan d’Entrecasteaux, aan twee zijner stuurlieden en aan verscheiden matrozen zijner equipage kostte.Het was een oude bekende op den Grooten Oceaan, de kapitein Dillon, die het eerst de stelligste sporen van de schipbreuk vond. Den 15denMei 1824 kwam hij met zijn schip de Saint Patrick voorbij het eilandje Tikopia, een van de Nieuwe Hebriden. Daar kwam een inlander in zijne kano bij hem aan boord en verkocht hem een zilveren degengevest, waarin letters gegraveerd stonden. Die inlander beweerde overigens dat hij, zes jaar geleden bij eene reis naar Vanikoro, daar twee Europeanen gezien had, die behoorden tot de bemanning van schepen, welke lang te voren op de klippen van het eiland vergaan waren.Dillon raadde dat dit de schepen van La Pérouse konden zijn, wier verdwijning de geheele wereld ongerust had gemaakt. Hij wilde naar Vanikoro, waar volgens den Polynesiër nog verschillende overblijfselen van de schipbreuk gevonden werden; hij werd door tegenwind en zeestroomingen evenwel daarin verhinderd. Dillon kwam te Calcutta; daar wist hij de Aziatische Maatschappij en de Indische compagnie voor zijne ontdekking te winnen. Men stelde een schip waaraan men den naam van Recherche gaf, ter zijner beschikking, en hij vertrok 23 Januari 1827 in gezelschap van een Fransch agent.Nadat de Recherche op verschillende punten van den Grooten Oceaan reeds het anker had laten vallen, kwam het schip 7 Juli 1827 voor Vanikoro, en in diezelfde haven van Vanou, waar de Nautilus op dit oogenblik lag.Daar verzamelde Dillon talrijke overblijfselen van de schipbreuk, ijzeren gereedschappen, ankers, blokken, draaibassen, een achttienponder, stukken van astronomische instrumenten, een bronzen klok met het opschrift: “Bazin heeft mij gemaakt,” en het merk van de gieterij van het arsenaal van Brest met het jaartal 1785: er was dus geen twijfel meer mogelijk.Dillon bleef om zijne inlichtingen te vermeerderen tot October op de plaats des onheils. Daarop verliet hij Vanikoro, richtte den steven naar Nieuw-Zeeland, liet het anker 7 April 1828 nogmaals voor Calcutta vallen, en kwam in Frankrijk terug, waar hij door Karel X hartelijk ontvangen werd.Maar op dit oogenblik was Dumont d’Urville, zonder iets van de reis van Dillon te weten, reeds vertrokken, om elders het tooneel van de schipbreuk te zoeken. En inderdaad, men had door een walvischvaarder gehoord, dat er medailles en een kruis van den Heiligen Lodewijk in handen van wilden van de Louisiaden enNieuw-Caledonië gezien waren.Dumontd’Urville, kapitein van de Astrolabe, was dus in zee gestoken, en liet twee maanden nadat Dillon Vanikoro verlaten had, het anker voor Hobarttown vallen.Daar vernam hij welke de uitslag was geweest van Dillons onderzoekingen, en verder hoorde hij dat zekere James Hobbs, stuurman van de Union van Calcutta eens op een eilandje aan wal gegaan was, dat op 8° 18′ Z.B. en 156° 30′ O.L. lag, en daar ijzeren staven en roode stoffen gezien had, welke de inlanders gebruikten.Ik zag een aantal geel geworden, doch noch leesbare papieren.Ik zag een aantal geel geworden, doch noch leesbare papieren.Dumont d’Urville was uit het veld geslagen, en wist niet of hij geloof moest hechten aan verhalen uit dagbladen, welke zoo weinig geloof verdienden, doch besloot ten laatste Dillons voetspoor te volgen. De Astrolabe kwam 10 Februari 1828 voor Tikopia, nam als gids of als tolk een deserteur aan boord, die zich dáar bevond, en zeilde naar Vanikoro, dat hij 12 Februari in het gezicht kreeg; hij zeilde langs de klippen tot den 14denliet eerst den 20stenhet anker binnen die klippen in de haven van Vanou vallen. Den 23stendeden verscheiden officieren een tocht om het eiland, en brachten eenige weinig beteekenende overblijfselen mede. De inboorlingen hadden een stelsel van ontkenning en uitvluchten aangenomen, en weigerden om hen op de plaats van het onheil te brengen. Dit ellendige gedrag deed zien, dat zij de schipbreukelingen hadden mishandeld, en dat zij schenen te vreezen dat Dumont d’Urville gekomen was, om La Pérouse en zijne ongelukkige makkers te wreken. Den 26stenbrachten zij, overgehaald door geschenken en begrijpende dat zij geen weerwraak te vreezen hadden, den stuurman Jaquinot naar deplaatswaar de schipbreuk had plaats gehad. Dáar lagen op drie of vier vademen diepte tusschen de klippen Pacou en Vanou ankers, stukken ijzer en lood, die reeds met eene kalklaag overdekt waren. De sloepen van de Astrolabe werden naar deze plek gezonden; de bemanning slaagde er met groote moeite in om een anker, dat 1800 pond woog, een gegoten achtponder, een looden blok en twee koperen draaibassen naar boven te halen. Dumont d’Urville ondervroeg de inboorlingen en vernam ook dat La Pérouse, na zijne beide schepen op de klippen van het eiland te hebben zien vergaan, een kleiner schip had gebouwd, waarmede hij een tweede maal schipbreuk had geleden. Waar? dat wist men niet.Toen liet de gezagvoerder van de Astrolabe onder eene groep palmboomen een grafteeken ter herinnering aan den beroemden zeevaarder en zijne tochtgenooten oprichten. Het was eene vierhoekige pyramide, welke op een stuk koraal was gezet, en waaraan geen enkel stuk ijzer gebruikt werd, om daardoor de hebzucht van de inboorlingen niet op te wekken. Daarna wilde d’Urville vertrekken, doch zijne manschappen hadden op deze ongezonde kust de koorts gekregen, en daar hij zelf ernstig ziek was, kon hij niet vóor 17 Maart vertrekken.De Fransche regeering, bang dat d’Urville niet op de hoogte was van hetgeen Dillon reeds gedaan had, zond de korvet deBayonnaise, onder kapitein Legorant de Tromelin, naar Vanikoro, welk schip op dat oogenblik ergens op de westkust van Amerika gestationneerd was. De Bayonnaise liet eenige maanden na het vertrek van de Astrolabe het anker voor Vanikoro vallen, doch vond niets nieuws; alleen bevond men dat de inboorlingen het gedenkteeken voor La Pérouse hadden ontzien.Dit was ongeveer het verhaal dat ik aan kapitein Nemo deed.“Dus weet men nog niet,” zeide hij, “waar dit derde schip is vergaan, hetwelk door de schipbreukelingen op Vanikoro gebouwd werd?”“Neen, kapitein.”Nemo zeide verder niets doch wenkte mij om hem naar het salon te volgen. De Nautilus zonk eenige meters onder water en de wanden openden zich. Ik ijlde naar het glas en zag onder die koralen en andere zeegewassen overblijfselen van eene schipbreuk, welke de dreggen niet hadden kunnen losrukken; ijzeren werktuigen, ankers,kanonnen, kogels, een kaapstander, een brok van een voorsteven, kortom allerlei voorwerpen van vergane schepen, welke de zee nu met hare levende bloemen overdekt had.Terwijl ik die armzalige overblijfselen stond te bekijken, zeide de kapitein op ernstigen toon:“Kapitein La Pérouse vertrok 7 December 1785 met zijne schepen; eerst ankerde hij in de Botanybaai, daarop bezocht hij de Vriendschapseilanden, Nieuw-Caledonië, richtte toen den steven naar Santa-Cruz en wierp het anker voor Namouka een der Vriendschapseilanden. Toen kwamen de schepen op de onbekende klippen van Vanikoro; de Boussole zeilde vooruit, en stootte aan den zuidkant van het eiland; de Astrolabe kwam te hulp, doch leed eveneens schipbreuk. Het eerste schip werd bijna onmiddellijk uit elkander geslagen; het tweede dat onder den wind op het zand geraakt was, hield het nog eenige dagen uit; de schipbreukelingen werden door de inlanders vrij goed ontvangen: zij zetten zich op het eiland neder en bouwden daar een kleiner schip met de overblijfselen van het groote. Eenige matrozen bleven vrijwillig op Vanikoro; de anderen, hoewel zwak en ziek, vertrokken met La Pérouse. Zij zetten koers naar de Salomon-eilanden, en vergingen met man en muis op de westkust van het voornaamste eiland dier groep.”“En hoe weet gij dat?” vroeg ik.“Ziehier wat ik op de plaats van die laatste schipbreuk gevonden heb.”Kapitein Nemo liet mij een blikken doos zien, waarop het wapen van Frankrijk stond ingeslagen, en die geheel door het zeewater was ingevreten. Hij opende haar en ik zag een aantal geel geworden, doch nog leesbare papieren. Het waren de instructiën van den Minister van Marine aan La Pérouse, op welker kant Lodewijk XVI eigenhandig eenige aanteekeningen had gemaakt.“Het is een schoone dood voor een zeeman!” zeide toen kapitein Nemo. “Het is een kalm graf daar onder de koralen, ik wensch dat de hemel mij en mijne makkers nimmer ander graf schenke!”
Dit vreeselijk schouwspel was de voorbode van eene menigte zeerampen, welke de Nautilus op haar weg zou ontmoeten. Sedertwij in meer bezochte zeeën kwamen, zagen wij dikwijls rompen van schepen, welke drijvende bijna geheel verrot waren, en dieper op den bodem lagen kanonnen, kogels, ankers, ketens en duizend andere voorwerpen, die door den roest werden verteerd.
Altijd medegesleept door de Nautilus, waarin wij geheel afgezonderd van de wereld leefden, kregen wij 11 December den Pomotu-Archipel in het gezicht. Het waren de “Gevaarlijke eilanden” van Bougainville, die zich over eene ruimte van 2000 kilometer van het Oost-Zuid-Oosten naar het West-Noord-Westen tusschen 253° 50’ en 13° 30′ Z.B. en 151° 30′ en 125° 30′ W.L. uitstrekken van het eiland Ducie tot aan het eiland Matahiwa (Lazareff). Deze Archipel bedekt eene oppervlakte van bijna 6,000 vierkante kilometer, en wordt gevormd door een zestigtal groepen van eilandjes, waaronder de voornaamste zijn de Gambier-eilanden, welke onder bescherming staan van Frankrijk. Het zijn allen koraaleilanden. Door het werk van polypen worden zij langzaam, maar voortdurend opgeheven, en zullen eens met elkander verbonden zijn. Dan zal dit nieuwe eiland vastgroeien aan de naburige Archipels, en zoo zal er een vijfde vasteland ontstaan, dat zich van Nieuw-Zeeland en Nieuw-Caledonië tot aan de Markiezen-eilanden uitstrekt.
Toen ik deze stelling eens tegen kapitein Nemo verdedigde, zeide hij koeltjes:
“Het zijn geen nieuwe vastelanden, welke de aarde noodig heeft, maar nieuwe menschen!”
Het toeval misschien had de Nautilus op hare vaart juist bij het eiland Clermont-Tonnerre gebracht, een van de zonderlingste van deze groep, welke in 1822 door kapitein Bell ontdekt werd. Ik kon nu de koralen bestudeeren aan welke de eilanden in dien Oceaan hun ontstaan te danken hebben.
De koralen worden met eene kalklaag overtrokken; de kleine diertjes, welke ze vormen, leven bij millioenen in hunne cellen. Het zijn hunne kalknesten welke tot rotsen, klippen, eilanden aangroeien. Hier vormen zij atollen, daar maken zij rijen klippen zooals op de kusten van Nieuw-Caledonië en van verschillende eilanden van den Pomotu-Archipel. Op andere plaatsen weder, zooals op Reunion en Mauritius, verheffen zij zich tot afgebrokkelde rotswanden, die recht oprijzen, en naast welke de Oceaan onmetelijk diep is.
Het eiland Clermont-Tonnerre op eenige kabellengten naderende, bewonderde ik dit reuzenwerk dat door die microscopisch kleine diertjes gemaakt was: ik kon die zonderlinge muren van nabij beschouwen, want onmiddellijk er naast peilden wij meer dan 300 meter; deze prachtige kalkformatie schitterde in ons electriek licht.
Toen Koenraad mij vroeg, hoe lang het wel duurde eer zulke groote rotsen gevormd waren, verwonderde hij zich zeer dat degeleerden meenen, dat zij gedurende eene eeuw slechts een achtste centimeter groeiden.
“Om die muren te vormen,” zeide hij aarzelend, “zijn er dus...?”
“Wel 192,000 jaren noodig geweest, Koen, waardoor de tijdrekening van den bijbel wel wat langer wordt. Overigens is er nog ontzaglijker tijdsverloop noodig geweest tot vorming van de steenkolen, de wouden welke door zondvloeden zijn vernietigd en onder de aarde geraakt, en tot afkoeling van de basaltrotsen. Maar ik voeg hier ten overvloede bij, dat die dagen van den bijbel tijdvakken voorstellen, en geene tijdruimte tusschen twee zonsopgangen, want volgens den bijbel zelven, dagteekent de zon niet eens van den eersten scheppingsdag.”
Toen de Nautilus weder op de oppervlakte kwam, kon ik het lage en boschrijke eiland Clermont Tonnerre in zijn geheelen omvang zien. De koraalrotsen waren vermoedelijk door stormen vruchtbaar gemaakt. Eens is zeker een zaadje door een orkaan van naburige eilanden op deze kalkrotsenovergewaaid, waarop verrotte visschen en zeeplanten vruchtbare aarde hadden gevormd. Een kokosnoot werd door de golven voortgestuwd en op deze kust geworpen; de noot ontkiemde en schoot wortels; de boom groeide op en hield den waterdamp tegen, zoo ontstond een stroompje. Langzamerhand nam het plantenrijk toe; eenige diertjes, wormen, insecten, kwamen op boomstronken aandrijven, welke de wind op andere eilanden had losgerukt. Schildpadden kwamen hare eieren leggen, vogels nestelden in den jonge boomen. Zoo ontwikkelde zich het dierlijk leven en door de vruchtbaarheid aangetrokken verscheen de mensch. Op deze wijze vormen onzichtbare diertjes eilanden.
Tegen den avond verdweenClermont-Tonnerrein de verte, en de richting van de Nautilus veranderde merkbaar. Na op 135° lengte den Steenbokskeerkring even te hebben aangeraakt, wendde zij zich W.N.W. Hoewel de zonnestralen krachtig neerschoten, hadden wijgeenhinder van de warmte, daar de temperatuur op 30 of 40 meter onder water zich niet boven tien of twaalf graad verhief.
Op 15 December lieten wij den schoonen Archipel der Gezelschapseilanden en het bevallige Taiti, de koningin der Stille Zuidzee oostwaarts liggen, ’s Morgens bemerkte ik eenige kilometer onder den wind de hooge bergtoppen van die eilanden. In deze streken vingen wij voortreffelijke visch voor onze tafel.
De Nautilus had 800 kilometer afgelegd. Wij gingen door tusschen den Archipel van Tonga-Tabou, waar de Argo, de Port-au-Prince en de Duke of Portland vergingen, en dien van de Schippers-eilanden, waar kapitein de Langle, de vriend van La Pérouse, vermoord werd. Daarna kwamen wij langs de Witi-eilanden, waarde wilden de matrozen van de Union en kapitein Bureau van de Aimable Joséphine vermoordden. Deze Archipel, welke zich van het noorden naar het zuiden over eene lengte van 400 en van hetoosten naar het westen van 300 kilometer uitstrekt, ligt tusschen 6° en 2° Z.B., en 174° en 179′ W.L. Hij bestaat uit een groot aantal eilandjes en klippen, waaronder de eilanden Witi-Lewu en Wanna-Lewu de voornaamste zijn.
Het eiland Vanikoro.Het eiland Vanikoro.
Het eiland Vanikoro.
Tasman ontdekte deze groep in 1643, in hetzelfde jaar, waarin Toricelli den barometer uitvond, en dat Lodewijk XIV den troon beklom. Ik laat daar, welke van deze drie gebeurtenissen het nuttigst voor de menschheid geweest is. Daarna kwamen er Cook in 1714, Entrecasteaux in 1793, en eindelijk in 1827 Durmont d’Urville, die dezen geographischen chaos eerst goed onderzocht en beschreef. De Nautilus naderde de baai van Wailea, het tooneel van de vreeselijke lotgevallen van dien kapitein Dillon, die het eerst het geheim ontdekte van de schipbreuk van La Pérouse.
Deze baai, waar wij verscheiden malen de netten uitwierpen, leverde een overvloed van voortreffelijke oesters op. Wij aten er onbehoorlijk veel, enmaaktenze volgens Seneca’s voorschrift zelven aan tafel open. De oesterbank van Wailea moet verbazend groot zijn; en zonder veelvuldige oorzaken van vernietiging zou die opeenstapeling van schelpdieren eindigen met de geheele baai te vullen, omdat een dier tot zelfs twee millioen eieren kan bevatten. Indien Ned Land bij die gelegenheid geen berouw over zijne gulzigheid had, dan komt het alléen daarvandaan, dat de oesters het eenige eten is dat minder eene indigestie veroorzaakt. Inderdaad men moet niet minder dan zestien dozijn van die schelpdieren hebben om de 315 gram stikstofhoudend voedsel te verkrijgen, welke voor het dagelijksch onderhoud van een mensch noodig zijn.
De Nautilus voer op 25 December midden door den Archipel der Nieuwe Hebriden, welke Quiros in 1606 ontdekte, die Bougainville in 1768 nader onderzocht, en waaraan Cook in 1773 den tegenwoordigen naam gaf. Deze groep bestaat uit negen groote eilanden en ligt in eene lijn van 480 kilometer van het N.N.W. naar het Z.Z.O. tusschen 15°en 2° Z.B. en 164° en 168° W.L. Wij gingen dicht genoeg langs het eiland Aurou om te zien dat het bedekt was met bosschen, uit welker midden een bergtop hoog uitstak.
Het was dien dag Kerstmis, en het scheen mij toe dat Ned Land het zeer betreurde, dat hij het bij de Engelschen zoo hoog geëerde Kerstfeest niet te midden der zijnen vieren kon.
Ik had kapitein Nemo in geen acht dagen gezien, toen hij 27 December ’s morgens in het salon kwam, met een gezicht als van iemand, die u eerst vijf minuten te voren gezien heeft. Ik zag juist op de kaart den weg van de Nautilus na; de kapitein naderde mij, wees met den vinger op de kaart, en zeide slechts dit ééne woord:
“Vanikoro.”
Die naam werkte als een tooverwoord; het was de naam van heteiland, waar de schepen van La Pérouse vergaan waren. Ik stond plotseling op.
“Brengt de Nautilus ons naar Vanikoro?” vroeg ik.
“Ja, mijnheer,” antwoordde de kapitein.
“Zal ik dan die beruchte eilanden kunnen bezoeken, waar de Boussole en de Astrolabe te gronde gingen?”
“Als dat u aangenaam is, ja, mijnheer de professor.”
“Wanneer komen wij bij Vanikoro?”
“Wij zijn er al, mijnheer,” was het lakonieke antwoord.
Door den kapitein gevolgd, ging ik naar het plat, en keek met begeerige blikken naar den gezichteinder.
In het noordoosten zag ik twee vulkanische eilanden van ongelijke grootte, omringd door een koraalrif, dat veertig kilometer in omtrek had. Wij waren bij het eigenlijk gezegde Vanikoro, waaraan Dumont d’Urville den naam van Onderzoek-eiland gaf, en lagen juist voor de kleine haven van Vanou; het eiland scheen van het strand tot op de bergtoppen binnenslands met groen bedekt te zijn. In het midden verhief zich de berg Kapogo, die eene hoogte had van 950 meter.
Toen de Nautilus den buitensten rotsrand door eene zeer nauwe opening was binnen gevaren, vonden wij daar binnen eene branding met dertig tot veertig vademen diepte. Onder de dichte schaduw der palmboomen zag ik een dozijn wilden staan, die hoogst verbaasd over onze komst opkeken. Meenden zij mogelijk dat dit lange zwarte lichaam, dat slechts even boven water uitstak, een vreeselijk zeemonster was, waarvoor zij zich in acht moesten nemen?
Op dat oogenblik vroeg mij kapitein Nemo wat ik van de schipbreuk van La Pérouse wist.
“Wat iedereen er van weet,” antwoordde ik.
“Zoudt gij mij dan kunnen vertellen wat iedereen weet?” vroeg hij mij op eenigszins spotachtigen toon.
“Zeer gemakkelijk.”
Ik vertelde hem wat de laatste werken van Dumont d’Urville hadden medegedeeld. La Pérouse en de kapitein de Langle werden in 1785 door Lodewijk XVI uitgezonden om eene reis om de aarde te doen. Zij voerden het bevel op de Boussole en de Astrolabe, en kwamen nooit terug. Toen in 1791 de Fransche regeering met recht ongerust werd over het lot van de twee korvetten, rustte zij twee groote schepen uit, de Recherche en de Espérance; deze schepen zeilden 28 September uit Brest onder bevel van Bruni d’Entrecasteaux. Twee maanden daarna vernam men van zekeren Bowen, kapitein op de Albemarle, dat hij overblijfselen van schepen gezien had op de kusten van Nieuw-Georgië; maar d’Entrecasteaux, die deze overigens vrij onzekere mededeeling niet kende, richtte zich naar de Admiraliteits-eilanden, welke in een verslag van kapitein Hunter waren aangeduidals de plaats waar de schipbreuk van La Pérouse had plaats gehad. Zijn onderzoek was te vergeefs. De Espérance en de Recherche zeilden zelfs voorbij Vanikoro zonder er zich op te houden, en bovendien was deze reis zeer ongelukkig, daar zij het leven aan d’Entrecasteaux, aan twee zijner stuurlieden en aan verscheiden matrozen zijner equipage kostte.
Het was een oude bekende op den Grooten Oceaan, de kapitein Dillon, die het eerst de stelligste sporen van de schipbreuk vond. Den 15denMei 1824 kwam hij met zijn schip de Saint Patrick voorbij het eilandje Tikopia, een van de Nieuwe Hebriden. Daar kwam een inlander in zijne kano bij hem aan boord en verkocht hem een zilveren degengevest, waarin letters gegraveerd stonden. Die inlander beweerde overigens dat hij, zes jaar geleden bij eene reis naar Vanikoro, daar twee Europeanen gezien had, die behoorden tot de bemanning van schepen, welke lang te voren op de klippen van het eiland vergaan waren.
Dillon raadde dat dit de schepen van La Pérouse konden zijn, wier verdwijning de geheele wereld ongerust had gemaakt. Hij wilde naar Vanikoro, waar volgens den Polynesiër nog verschillende overblijfselen van de schipbreuk gevonden werden; hij werd door tegenwind en zeestroomingen evenwel daarin verhinderd. Dillon kwam te Calcutta; daar wist hij de Aziatische Maatschappij en de Indische compagnie voor zijne ontdekking te winnen. Men stelde een schip waaraan men den naam van Recherche gaf, ter zijner beschikking, en hij vertrok 23 Januari 1827 in gezelschap van een Fransch agent.
Nadat de Recherche op verschillende punten van den Grooten Oceaan reeds het anker had laten vallen, kwam het schip 7 Juli 1827 voor Vanikoro, en in diezelfde haven van Vanou, waar de Nautilus op dit oogenblik lag.
Daar verzamelde Dillon talrijke overblijfselen van de schipbreuk, ijzeren gereedschappen, ankers, blokken, draaibassen, een achttienponder, stukken van astronomische instrumenten, een bronzen klok met het opschrift: “Bazin heeft mij gemaakt,” en het merk van de gieterij van het arsenaal van Brest met het jaartal 1785: er was dus geen twijfel meer mogelijk.
Dillon bleef om zijne inlichtingen te vermeerderen tot October op de plaats des onheils. Daarop verliet hij Vanikoro, richtte den steven naar Nieuw-Zeeland, liet het anker 7 April 1828 nogmaals voor Calcutta vallen, en kwam in Frankrijk terug, waar hij door Karel X hartelijk ontvangen werd.
Maar op dit oogenblik was Dumont d’Urville, zonder iets van de reis van Dillon te weten, reeds vertrokken, om elders het tooneel van de schipbreuk te zoeken. En inderdaad, men had door een walvischvaarder gehoord, dat er medailles en een kruis van den Heiligen Lodewijk in handen van wilden van de Louisiaden enNieuw-Caledonië gezien waren.Dumontd’Urville, kapitein van de Astrolabe, was dus in zee gestoken, en liet twee maanden nadat Dillon Vanikoro verlaten had, het anker voor Hobarttown vallen.Daar vernam hij welke de uitslag was geweest van Dillons onderzoekingen, en verder hoorde hij dat zekere James Hobbs, stuurman van de Union van Calcutta eens op een eilandje aan wal gegaan was, dat op 8° 18′ Z.B. en 156° 30′ O.L. lag, en daar ijzeren staven en roode stoffen gezien had, welke de inlanders gebruikten.
Ik zag een aantal geel geworden, doch noch leesbare papieren.Ik zag een aantal geel geworden, doch noch leesbare papieren.
Ik zag een aantal geel geworden, doch noch leesbare papieren.
Dumont d’Urville was uit het veld geslagen, en wist niet of hij geloof moest hechten aan verhalen uit dagbladen, welke zoo weinig geloof verdienden, doch besloot ten laatste Dillons voetspoor te volgen. De Astrolabe kwam 10 Februari 1828 voor Tikopia, nam als gids of als tolk een deserteur aan boord, die zich dáar bevond, en zeilde naar Vanikoro, dat hij 12 Februari in het gezicht kreeg; hij zeilde langs de klippen tot den 14denliet eerst den 20stenhet anker binnen die klippen in de haven van Vanou vallen. Den 23stendeden verscheiden officieren een tocht om het eiland, en brachten eenige weinig beteekenende overblijfselen mede. De inboorlingen hadden een stelsel van ontkenning en uitvluchten aangenomen, en weigerden om hen op de plaats van het onheil te brengen. Dit ellendige gedrag deed zien, dat zij de schipbreukelingen hadden mishandeld, en dat zij schenen te vreezen dat Dumont d’Urville gekomen was, om La Pérouse en zijne ongelukkige makkers te wreken. Den 26stenbrachten zij, overgehaald door geschenken en begrijpende dat zij geen weerwraak te vreezen hadden, den stuurman Jaquinot naar deplaatswaar de schipbreuk had plaats gehad. Dáar lagen op drie of vier vademen diepte tusschen de klippen Pacou en Vanou ankers, stukken ijzer en lood, die reeds met eene kalklaag overdekt waren. De sloepen van de Astrolabe werden naar deze plek gezonden; de bemanning slaagde er met groote moeite in om een anker, dat 1800 pond woog, een gegoten achtponder, een looden blok en twee koperen draaibassen naar boven te halen. Dumont d’Urville ondervroeg de inboorlingen en vernam ook dat La Pérouse, na zijne beide schepen op de klippen van het eiland te hebben zien vergaan, een kleiner schip had gebouwd, waarmede hij een tweede maal schipbreuk had geleden. Waar? dat wist men niet.
Toen liet de gezagvoerder van de Astrolabe onder eene groep palmboomen een grafteeken ter herinnering aan den beroemden zeevaarder en zijne tochtgenooten oprichten. Het was eene vierhoekige pyramide, welke op een stuk koraal was gezet, en waaraan geen enkel stuk ijzer gebruikt werd, om daardoor de hebzucht van de inboorlingen niet op te wekken. Daarna wilde d’Urville vertrekken, doch zijne manschappen hadden op deze ongezonde kust de koorts gekregen, en daar hij zelf ernstig ziek was, kon hij niet vóor 17 Maart vertrekken.
De Fransche regeering, bang dat d’Urville niet op de hoogte was van hetgeen Dillon reeds gedaan had, zond de korvet deBayonnaise, onder kapitein Legorant de Tromelin, naar Vanikoro, welk schip op dat oogenblik ergens op de westkust van Amerika gestationneerd was. De Bayonnaise liet eenige maanden na het vertrek van de Astrolabe het anker voor Vanikoro vallen, doch vond niets nieuws; alleen bevond men dat de inboorlingen het gedenkteeken voor La Pérouse hadden ontzien.
Dit was ongeveer het verhaal dat ik aan kapitein Nemo deed.
“Dus weet men nog niet,” zeide hij, “waar dit derde schip is vergaan, hetwelk door de schipbreukelingen op Vanikoro gebouwd werd?”
“Neen, kapitein.”
Nemo zeide verder niets doch wenkte mij om hem naar het salon te volgen. De Nautilus zonk eenige meters onder water en de wanden openden zich. Ik ijlde naar het glas en zag onder die koralen en andere zeegewassen overblijfselen van eene schipbreuk, welke de dreggen niet hadden kunnen losrukken; ijzeren werktuigen, ankers,kanonnen, kogels, een kaapstander, een brok van een voorsteven, kortom allerlei voorwerpen van vergane schepen, welke de zee nu met hare levende bloemen overdekt had.
Terwijl ik die armzalige overblijfselen stond te bekijken, zeide de kapitein op ernstigen toon:
“Kapitein La Pérouse vertrok 7 December 1785 met zijne schepen; eerst ankerde hij in de Botanybaai, daarop bezocht hij de Vriendschapseilanden, Nieuw-Caledonië, richtte toen den steven naar Santa-Cruz en wierp het anker voor Namouka een der Vriendschapseilanden. Toen kwamen de schepen op de onbekende klippen van Vanikoro; de Boussole zeilde vooruit, en stootte aan den zuidkant van het eiland; de Astrolabe kwam te hulp, doch leed eveneens schipbreuk. Het eerste schip werd bijna onmiddellijk uit elkander geslagen; het tweede dat onder den wind op het zand geraakt was, hield het nog eenige dagen uit; de schipbreukelingen werden door de inlanders vrij goed ontvangen: zij zetten zich op het eiland neder en bouwden daar een kleiner schip met de overblijfselen van het groote. Eenige matrozen bleven vrijwillig op Vanikoro; de anderen, hoewel zwak en ziek, vertrokken met La Pérouse. Zij zetten koers naar de Salomon-eilanden, en vergingen met man en muis op de westkust van het voornaamste eiland dier groep.”
“En hoe weet gij dat?” vroeg ik.
“Ziehier wat ik op de plaats van die laatste schipbreuk gevonden heb.”
Kapitein Nemo liet mij een blikken doos zien, waarop het wapen van Frankrijk stond ingeslagen, en die geheel door het zeewater was ingevreten. Hij opende haar en ik zag een aantal geel geworden, doch nog leesbare papieren. Het waren de instructiën van den Minister van Marine aan La Pérouse, op welker kant Lodewijk XVI eigenhandig eenige aanteekeningen had gemaakt.
“Het is een schoone dood voor een zeeman!” zeide toen kapitein Nemo. “Het is een kalm graf daar onder de koralen, ik wensch dat de hemel mij en mijne makkers nimmer ander graf schenke!”
De Torrestraat.In den nacht van 27 op 28 December verliet de Nautilus de kusten van Vanikoro met buitengewone snelheid. Zij richtte zich naar het zuidwesten, en in drie dagen doorliepen wij de 750 kilometer, welke dit eiland van de zuidoostpunt van Nieuw-Guinea scheidt.Den 1stenJanuari 1868 kwam Koenraad zeer vroeg in den morgen op het plat bij mij.“Mijnheer,” zeide de brave jongen, “zal mij toch niet kwalijk nemen als ik hem een gelukkig nieuwjaar wensch?”“Wat, Koen? Evenmin als te Parijs in mijne studeerkamer; ik neem uw wensch aan en dank u er voor; alleen wil ik u vragen wat gij bedoelt met een gelukkig nieuwjaar in de omstandigheden, waarin wij ons bevinden? Is het een jaar dat een einde aan onze gevangenschap maken moet, of een waarin wij deze vreemdsoortige reis zullen voortzetten?”“Ik weet niet wat ik mijnheer moet antwoorden,” zeide Koenraad. “Zeker is het dat wij vreemde dingen zien, en dat wij in die twee maanden geen tijd hebben gehad om ons te vervelen. Het laatste wat wij zien is altijd nog het meest verbazingwekkende, en als dat zoo doorgaat, weet ik niet waarmede het eindigen moet. Ik geloof dat wij zulk eene gelegenheid nooit weder krijgen.”“Nooit, Koen.”“En bovendien is die mijnheer Nemo, die een goeden naam draagt, ons evenmin hinderlijk alsof hij niet bestond.”“Het is zooals ge zegt, Koen.”“Ik denk dus, als mijnheer ’t mij niet kwalijk neemt, dat een gelukkig jaar er een is, waarin wij alles zouden kunnen zien.”“Alles zien, Koen? Dat zou misschien wat lang duren. Maar wat denkt Ned Land er van?”“Ned Land denkt juist het tegenovergestelde als ik,” antwoordde Koenraad. “Hij is veel te veel aan het stoffelijke gehecht, enmaakt een afgod van zijn maag. Visschen bekijken en altijd visschen eten is voor hem niet genoeg. Dat hij wijn, brood en vleesch moet missen bevalt niemendal aan onzen Amerikaan, die gewoonwas biefstuk te eten, en niet bang was voor brandewijn of jenever, hoewel altijd met mate.”De Nautilus had op een klip gestooten.De Nautilus had op een klip gestooten.“Wat mij betreft, Koen, daar heb ik geen verlangst naar, en ik kan mij in den leefregel hier aan boord nog wel schikken.”“Ik ook,” antwoordde Koenraad; “ik denk er dus even sterk over om te blijven als Ned om te vluchten. Als dus het nieuw begonnen jaar voor mij niet goed is, dan zal het voor hem goed zijn, en omgekeerd. Op die wijze zal er toch altijd iemand tevreden zijn. Kortom, ik wensch mijnheer veel heil en zegen in ’t nieuwe jaar.”“Ik dank u, Koen; doch gij moet uw nieuwjaarsfooi tot later uitstellen, en u daarvoor nu maar tevreden stellen met een hartelijken handdruk. Ik heb niets anders te geven.”“Mijnheer is nooit zoo gul geweest,” zeide Koenraad, en daarmede ging hij heen.Den volgden dag hadden wij reeds 11340 kilometer afgelegd sedert ons vertrek uit de Japansche zee. Voor de Nautilus strekte zich de gevaarlijke Koralenzee uit aan de noordoostkust van Australië. Ons vaartuig liep op eenige kilometers afstands langs die gevaarlijke bank, waarop de schepen van Cook 10 Juni 1770 bijna vergaan waren. Het schip waarop deze zeevaarder zich bevond stootte op een rif, en zoo het niet zonk was dit alleen te danken aan de toevallige omstandigheid, dat het stuk koraal dat door den schok van de klip was afgestooten in de daardoor ontstane opening bleef vastzitten.Ik had gaarne dit 1400 kilometer lange rif eens bezocht, waartegen de altijd ontstuimige zee met donderend geweld breekt. Maar op dat oogenblik sleepte de Nautilus ons naar de diepte, en ik zag niets van die hooge door koralen gevormde muren. Ik moest mij tevreden stellen met eenige staaltjes van visschen, welke in de netten gevangen waren.Twee dagen na de Koralenzee te zijn doorgevaren, den 4denJanuari, verkenden wij de kust van Nieuw-Guinea. Bij die gelegenheid deelde kapitein Nemo mij mede dat hij het plan had om door de Torrestraat naar den Indischen Oceaan te gaan; meer zeide hij niet. Ned zag met genoegen dat die reis ons nader bij Europa brengen zou.Die straat Torres wordt even gevaarlijk beschouwd om de klippen, die men er talrijk aantreft, als om de woestheid der kustbewoners. Zij scheidt Nieuw-Holland van Nieuw-Guinea. Dit laatste eiland is ruim 1600 kilometer lang en 520 breed, en heeft eene oppervlakte van 640,000vierkantekilometer. Het ligt tusschen 0° 19′ en 10° 2′ Z.B. en tusschen 128° 23′ en 146° 15′ O.L. Om twaalf uur, toen de eerste stuurman de hoogte der zon nam, zag ik de toppen van den Owen-Stanley-bergketen, welke langzaam opliep en in scherpe punten eindigde.Dit land in 1511 door den Portugees Francisco Serrano ontdekt, werd achtereenvolgens bezocht door don José Meneses in 1526, doorGrijalvain 1527, door den Spaanschen generaalAlvarode Saavedra in 1528, door Juigo Ortez in 1545, door Schouten in 1616, door Tasman, Carteret, Bougainville, Cook, Mac Clure, Dumont d’Urville en anderen. “Het is de bakermat der Maleische kleurlingen,” zeide de Rienzi, doch ik dacht niet dat het toeval mij ooit in zijne nabijheid brengen zou.De Nautilus kwam dus voor den ingang der gevaarlijkste zeestraat van den aardbodem, waar de stoutmoedigste zeevaarders ter nauwernood door durven varen, eene straat waar Luiz paz de Torréz zich doorwaagde, toen hij uit de Stille Zuidzee naar den Indischen Archipel ging, en waar in 1840 de korvetten van Dumont d’Urville op het punt waren van met man en muis te vergaan. Hoewel de Nautilus alle zeegevaren scheen te kunnen trotseeren, zou zij met deze koraalriffen toch kennis maken.De Torrestraat is ongeveer 135 kilometer breed, maar is zoo vol klippen, rotsen, eilandjes en riffen, dat de vaart er bijna onmogelijk is; derhalve nam kapitein Nemo alle mogelijke voorzorgen om er door te komen. De Nautilus, die over de oppervlakte dreef, voer slechts bedaard voorwaarts; de schroef bewoog zich slechts langzaam.Hiervan gebruik makende, hadden mijne twee makkers en ik op het plat plaats genomen. Vóór ons was het kastje van den stuurman, en ik moet mij al zeer bedriegen als de kapitein zelf er zich niet bevond om zijn Nautilus te besturen.Ik had de beste kaarten van de zeestraat voor mij en volgde daarop met de grootste oplettendheid onzen tocht; rondom de Nautilus kookte en bruiste de zee. De golven, met eene snelheid van twee en een halven kilometer door den zeestroom van het zuidoosten naar het noordwesten gedreven, braken op de koraalriffen, wier toppen hier en daar te voorschijn kwamen.“Dat is een leelijke zee!” zeide Ned Land.“Afschuwelijk,” antwoordde ik, “zij is niet best voor de Nautilus.”“Die vervloekte kapitein,” hernam de Amerikaan, “moet wel zeker van zijn weg zijn, want ik zie daar riffen waarop zijne schuit in duizend stukken zou splijten als hij er slechts aanraakte.”Onze toestand was inderdaad gevaarlijk, maar de Nautilus scheen als door eene betoovering midden tusschen deze vreeselijke klippen door te komen. Zij volgde niet juist den weg van de Astrolabe welke voor Dumont d’Urville zoo noodlottig was; het vaartuig nam den koers meer noordelijk, voer langs het eiland Murray, en richtte zich toen zuidwestwaarts naar de doorvaart van Cumberland. Ik dacht dat het schip er recht doorheen zou gaan, toen het zich weder noordwestwaarts wendde en tusschen een groot aantal weinig bekendeeilandjes en rotsen door naar het eiland Tound en het Slechte Kanaal voer. Ik vroeg mij zelven af of kapitein Nemo onvoorzichtig was en zijn schip in dezen doorgang wilde wagen, waar de twee korvetten van d’Urville op de rotsen stootten, toen hij voor de tweede maal van richting veranderde en westwaarts naar het eiland Gueboroar liep.Het was toen drie uur; het getij was bijna vol; de Nautilus naderde het eiland, dat ik met zijne prachtige groene omzooming nog voor mij zie liggen; wij liepen op minder dan twee kilometer afstands er langs. Plotseling werden wij door een schok omvergeworpen; de Nautilus had op een klip gestooten; het schip bleef onbeweeglijk liggen, doch helde naar bakboordzijde eenigszins over. Toen ik opstond zag ik den kapitein en den eersten stuurman op het plat; zij namen den toestand van het vaartuig op en wisselden eenige woorden in hunne onverstaanbare taal.Ziehier hoe onze toestand was. Op twee kilometer afstand lag aan stuurboordzijde het eiland Gueboroar, welks kust zich als een lange arm van het noorden naar het westen kromde. Naar het zuiden en oosten vertoonden zich reeds eenige toppen van koraalriffen, welke het afloopend getij bloot liet. Wij zaten geheel vast en dat wel in eene zee waar het getij slechts middelmatig was; dit was eene noodlottige omstandigheid om de Nautilus weer vlot te krijgen. Echter had het schip niets geleden, zoo stevig was de huid gesmeed. Maar als het al niet zinken of barsten kon, dan liep het toch gevaar voor eeuwig op die rotsen te blijven zitten, en dan was het gedaan met het onderzeesche toestel van kapitein Nemo.Zoo peinsde ik, toen de kapitein, kalm en bedaard als altijd zonder eenige ontroering of teleurstelling te laten blijken, mij naderde.“Een ongeluk?” vroeg ik.“Neen, een toeval,” was zijn antwoord.“Maar een toeval,” hernam ik, “dat u misschien verplichten zal om het land, dat gij zoozeer ontvlucht, weder te gaan bewonen.”De kapitein keek mij met een zonderlingen blik aan, en schudde met het hoofd; dit was duidelijk gezegd, dat niets hem ooit zou dwingen om den voet weder op het land te zetten. Toen zeide hij: “Bovendien mijnheer Aronnax, de Nautilus is niet weg; zij zal u nog de wonderen van den Oceaan laten zien. Onze reis begint eerst, en ik hoop nog zoo spoedig niet van de eer van uw gezelschap verstoken te worden.”“Maar toch kapitein,” antwoordde ik, zonder acht te geven op de spotternij, die in zijne woorden doorstraalde, “de Nautilus is gaan vast zitten bij hoog tij. Nu zijn de getijen in den grooten Oceaan niet zeer sterk, en als gij nu de Nautilus niet ontlasten kunt (hetgeen mij onmogelijk schijnt), dan begrijp ik niet hoe gij weder vlot zult komen.”Ons uitzicht werd door prachtige bosschen belet.Ons uitzicht werd door prachtige bosschen belet.“Gij hebt gelijk, mijnheer de professor, de getijen zijn in dezen Oceaan niet sterk, maar in de Torrestraat is er toch nog een verschil van anderhalven meter, tusschen de hoogste en laagste standender zee met andere deelen van den Oceaan. Het is van daag 4 Januari, en over vijf dagen hebben wij volle maan; ik zou mij zeer moeten verwonderen als die wachter van onze aarde niet beleefd genoeg was om de watermassa wat hooger te doen komen, ten einde mij daardoor een dienst te bewijzen, welken ik alleen aan de maan wil te danken hebben.”Toen de kapitein dit gezegd had ging hij met zijn eersten stuurman weder naar binnen. De Nautilus bewoog zich niet en bleef onwrikbaar vast liggen, alsof de koralen het vaartuig reeds voor goed hadden ingemetseld.“Welnu mijnheer!” zeide Ned Land, die na het vertrek van den kapitein naar mij toe kwam.“Welnu, vriend Ned, wij zullen stil het tij van 9 Januari afwachten, want het schijnt dat de maan zoo beleefd zal zijn om ons weder vlot te maken.”“Meent gij dat?”“Ja zeker.”“En die kapitein gaat zijn ankers niet uitgooien om zich hieraf te brassen, en zijne machine niet laten werken, en alles doen om van die verwenschte klip te komen?”“Het tij is immers voldoende,” antwoordde Koenraad bedaard.De Amerikaan keek hem aan, en trok zijne schouders op; het was de zeeman, die uit hem sprak.“Mijnheer,” antwoordde hij, “geloof mij, als ik u zeg, dat dit stuk ijzer nooit meer op of onder zee varen zal, het is goed om bij ’t pond verkocht te worden. Ik geloof dat het oogenblik gekomen is om dien kapitein Nemo de hakken te laten zien.”“Vriend Ned,” antwoordde ik, “ik wanhoop niet zooals gij aan dit flinke vaartuig; in vier dagen zullen wij zien waar wij ons met die getijen in dezen Oceaan aan te houden hebben. Overigens kon die raad om te vluchten goed zijn, als wij de Engelsche of Fransche kust in ’t gezicht hadden, maar hier in de buurt van Nieuw-Guinea is ’t eene andere zaak; het zal altijd nog tijd genoeg zijn om tot dit uiterste te komen, als de Nautilus niet los raakt, ik zou dit als een erge ramp beschouwen.”“Zouden wij ten minste dat land niet eens onderzoeken?” hernam Ned Land. “Daar is een eiland, op dat eiland groeien boomen, onder die boomen loopen dieren; die karbonade en roastbeef aan hun romp hebben, en daar zou ik wel eens gaarne mijne tanden inzetten.”“Nu heeft vriend Land gelijk.” zeide Koenraad, “en ik ben het met hem eens. Zou mijnheer van zijn vriend, den kapitein, geen verlof kunnen krijgen om eens aan land te gaan, al was het alleen maar om de gewoonte niet te verliezen van nu en dan den voet eens te zetten op het vaste deel van onzen aardbodem?”“Ik kan het hem wel eens vragen,” antwoordde ik, doch hij zal het weigeren.“Het is in allen gevalle te wagen,” zeide Koenraad, “en dan weten wij met een waaraan wij ons ten opzichte van zijne vriendelijkheid te houden hebben.”Tot mijne groote verwondering stond kapitein Nemo toe wat ik hem vroeg. Hij deed het zelfs met de grootste beleefdheid, zonder zelfs de belofte van mij te vorderen, dat ik aan boord zou terug komen. Maar eene vlucht door Nieuw-Guinea was zeer gevaarlijk, en ik zou het Ned Land nooit hebben aangeraden om zoo iets te beproeven. Het was veel beter om aan boord van de Nautilus opgesloten te zijn, dan om in de handen van de Papoea’s te vallen!Den volgenden morgen zou de sloep ter onzer beschikking zijn. Ik zocht niet eens te weten te komen of de kapitein ons zou vergezellen; zelfs vermoedde ik dat geen matroos der equipage met ons mede zou gaan, en dat Ned Land de boot alléén zou moeten sturen. Overigens was het land op zijn hoogst op twee kilometer afstands, en het was maar spelen gaan voor onzen Amerikaan om dat lichtte vaartuig tusschen die voor groote schepen zoo noodlottige klippen door te brengen.Den volgenden dag, 5 Januari, werd de sloep losgemaakt en van het plat in zee gewerkt; twee man waren daarvoor genoeg, de riemen lagen er in, en wij behoefden slechts plaats te nemen. Met bijlen en electrieke geweren bij ons roeiden wij om acht uur weg. De zee was vrij kalm; een kleine bries woei van de landzijde. Koen en ik roeiden flink op, en Ned stuurde tusschen de klippen door. De sloep was gemakkelijk te sturen en schoot goed vooruit. Ned kon zijne vreugde niet bedwingen, hij stelde zich aan als een gevangene, die aan zijne cel ontsnapt is, en hij dacht er niet aan dat hij er weder in moest.“Vleesch,” riep hij herhaaldelijk, “vleesch zullen wij dan proeven, en welk vleesch! Echt wild! Geen visch! Ik zeg niet dat visch niet goed is, maar men moet er geen misbruik van maken, en een stuk versch wild, op een kolenvuur geroosterd, zal onzen gewonen kost lekker afwisselen.”“Lekkerbek!” zeide Koenraad, “het water komt mij in den mond.”“Wij mogen eerst wel vragen of die bosschen wildrijk zijn,” zeide ik, “en of het wild er niet zóo groot is, dat het den jager wegjaagt.”“Goed zoo, mijnheerAronnax,” antwoordde de Amerikaan, wiens tanden zoo scherp als een bijl schenen te zijn, “maar ik zal zelfs eentijgerribeten als er geen ander viervoetig dier op dit eiland te vinden is.”“Vriend Ned maakt ons bang,” zeide Koenraad.“Hoe het ook zij,” hernam de harpoenier, “het eerste dier op vierof op twee pooten, met of zonder vleugels krijgt een schot van mij in zijn ribben.”“Goed!” antwoordde ik, “daar gaat de onverzichtigheid van meester Land weer beginnen.”“Wees niet bang, mijnheer Aronnax; roei maar ferm op. Binnen vijf en twintig minuten zal ik u een kost naar mijn smaak opdisschen.”Om half negen liep de sloep zacht tegen het zandige strand op, na gelukkig tusschen de koraalriffen doorgekomen te zijn, welke het eiland Gueboroar omringden.
In den nacht van 27 op 28 December verliet de Nautilus de kusten van Vanikoro met buitengewone snelheid. Zij richtte zich naar het zuidwesten, en in drie dagen doorliepen wij de 750 kilometer, welke dit eiland van de zuidoostpunt van Nieuw-Guinea scheidt.
Den 1stenJanuari 1868 kwam Koenraad zeer vroeg in den morgen op het plat bij mij.
“Mijnheer,” zeide de brave jongen, “zal mij toch niet kwalijk nemen als ik hem een gelukkig nieuwjaar wensch?”
“Wat, Koen? Evenmin als te Parijs in mijne studeerkamer; ik neem uw wensch aan en dank u er voor; alleen wil ik u vragen wat gij bedoelt met een gelukkig nieuwjaar in de omstandigheden, waarin wij ons bevinden? Is het een jaar dat een einde aan onze gevangenschap maken moet, of een waarin wij deze vreemdsoortige reis zullen voortzetten?”
“Ik weet niet wat ik mijnheer moet antwoorden,” zeide Koenraad. “Zeker is het dat wij vreemde dingen zien, en dat wij in die twee maanden geen tijd hebben gehad om ons te vervelen. Het laatste wat wij zien is altijd nog het meest verbazingwekkende, en als dat zoo doorgaat, weet ik niet waarmede het eindigen moet. Ik geloof dat wij zulk eene gelegenheid nooit weder krijgen.”
“Nooit, Koen.”
“En bovendien is die mijnheer Nemo, die een goeden naam draagt, ons evenmin hinderlijk alsof hij niet bestond.”
“Het is zooals ge zegt, Koen.”
“Ik denk dus, als mijnheer ’t mij niet kwalijk neemt, dat een gelukkig jaar er een is, waarin wij alles zouden kunnen zien.”
“Alles zien, Koen? Dat zou misschien wat lang duren. Maar wat denkt Ned Land er van?”
“Ned Land denkt juist het tegenovergestelde als ik,” antwoordde Koenraad. “Hij is veel te veel aan het stoffelijke gehecht, enmaakt een afgod van zijn maag. Visschen bekijken en altijd visschen eten is voor hem niet genoeg. Dat hij wijn, brood en vleesch moet missen bevalt niemendal aan onzen Amerikaan, die gewoonwas biefstuk te eten, en niet bang was voor brandewijn of jenever, hoewel altijd met mate.”
De Nautilus had op een klip gestooten.De Nautilus had op een klip gestooten.
De Nautilus had op een klip gestooten.
“Wat mij betreft, Koen, daar heb ik geen verlangst naar, en ik kan mij in den leefregel hier aan boord nog wel schikken.”
“Ik ook,” antwoordde Koenraad; “ik denk er dus even sterk over om te blijven als Ned om te vluchten. Als dus het nieuw begonnen jaar voor mij niet goed is, dan zal het voor hem goed zijn, en omgekeerd. Op die wijze zal er toch altijd iemand tevreden zijn. Kortom, ik wensch mijnheer veel heil en zegen in ’t nieuwe jaar.”
“Ik dank u, Koen; doch gij moet uw nieuwjaarsfooi tot later uitstellen, en u daarvoor nu maar tevreden stellen met een hartelijken handdruk. Ik heb niets anders te geven.”
“Mijnheer is nooit zoo gul geweest,” zeide Koenraad, en daarmede ging hij heen.
Den volgden dag hadden wij reeds 11340 kilometer afgelegd sedert ons vertrek uit de Japansche zee. Voor de Nautilus strekte zich de gevaarlijke Koralenzee uit aan de noordoostkust van Australië. Ons vaartuig liep op eenige kilometers afstands langs die gevaarlijke bank, waarop de schepen van Cook 10 Juni 1770 bijna vergaan waren. Het schip waarop deze zeevaarder zich bevond stootte op een rif, en zoo het niet zonk was dit alleen te danken aan de toevallige omstandigheid, dat het stuk koraal dat door den schok van de klip was afgestooten in de daardoor ontstane opening bleef vastzitten.
Ik had gaarne dit 1400 kilometer lange rif eens bezocht, waartegen de altijd ontstuimige zee met donderend geweld breekt. Maar op dat oogenblik sleepte de Nautilus ons naar de diepte, en ik zag niets van die hooge door koralen gevormde muren. Ik moest mij tevreden stellen met eenige staaltjes van visschen, welke in de netten gevangen waren.
Twee dagen na de Koralenzee te zijn doorgevaren, den 4denJanuari, verkenden wij de kust van Nieuw-Guinea. Bij die gelegenheid deelde kapitein Nemo mij mede dat hij het plan had om door de Torrestraat naar den Indischen Oceaan te gaan; meer zeide hij niet. Ned zag met genoegen dat die reis ons nader bij Europa brengen zou.
Die straat Torres wordt even gevaarlijk beschouwd om de klippen, die men er talrijk aantreft, als om de woestheid der kustbewoners. Zij scheidt Nieuw-Holland van Nieuw-Guinea. Dit laatste eiland is ruim 1600 kilometer lang en 520 breed, en heeft eene oppervlakte van 640,000vierkantekilometer. Het ligt tusschen 0° 19′ en 10° 2′ Z.B. en tusschen 128° 23′ en 146° 15′ O.L. Om twaalf uur, toen de eerste stuurman de hoogte der zon nam, zag ik de toppen van den Owen-Stanley-bergketen, welke langzaam opliep en in scherpe punten eindigde.
Dit land in 1511 door den Portugees Francisco Serrano ontdekt, werd achtereenvolgens bezocht door don José Meneses in 1526, doorGrijalvain 1527, door den Spaanschen generaalAlvarode Saavedra in 1528, door Juigo Ortez in 1545, door Schouten in 1616, door Tasman, Carteret, Bougainville, Cook, Mac Clure, Dumont d’Urville en anderen. “Het is de bakermat der Maleische kleurlingen,” zeide de Rienzi, doch ik dacht niet dat het toeval mij ooit in zijne nabijheid brengen zou.
De Nautilus kwam dus voor den ingang der gevaarlijkste zeestraat van den aardbodem, waar de stoutmoedigste zeevaarders ter nauwernood door durven varen, eene straat waar Luiz paz de Torréz zich doorwaagde, toen hij uit de Stille Zuidzee naar den Indischen Archipel ging, en waar in 1840 de korvetten van Dumont d’Urville op het punt waren van met man en muis te vergaan. Hoewel de Nautilus alle zeegevaren scheen te kunnen trotseeren, zou zij met deze koraalriffen toch kennis maken.
De Torrestraat is ongeveer 135 kilometer breed, maar is zoo vol klippen, rotsen, eilandjes en riffen, dat de vaart er bijna onmogelijk is; derhalve nam kapitein Nemo alle mogelijke voorzorgen om er door te komen. De Nautilus, die over de oppervlakte dreef, voer slechts bedaard voorwaarts; de schroef bewoog zich slechts langzaam.
Hiervan gebruik makende, hadden mijne twee makkers en ik op het plat plaats genomen. Vóór ons was het kastje van den stuurman, en ik moet mij al zeer bedriegen als de kapitein zelf er zich niet bevond om zijn Nautilus te besturen.
Ik had de beste kaarten van de zeestraat voor mij en volgde daarop met de grootste oplettendheid onzen tocht; rondom de Nautilus kookte en bruiste de zee. De golven, met eene snelheid van twee en een halven kilometer door den zeestroom van het zuidoosten naar het noordwesten gedreven, braken op de koraalriffen, wier toppen hier en daar te voorschijn kwamen.
“Dat is een leelijke zee!” zeide Ned Land.
“Afschuwelijk,” antwoordde ik, “zij is niet best voor de Nautilus.”
“Die vervloekte kapitein,” hernam de Amerikaan, “moet wel zeker van zijn weg zijn, want ik zie daar riffen waarop zijne schuit in duizend stukken zou splijten als hij er slechts aanraakte.”
Onze toestand was inderdaad gevaarlijk, maar de Nautilus scheen als door eene betoovering midden tusschen deze vreeselijke klippen door te komen. Zij volgde niet juist den weg van de Astrolabe welke voor Dumont d’Urville zoo noodlottig was; het vaartuig nam den koers meer noordelijk, voer langs het eiland Murray, en richtte zich toen zuidwestwaarts naar de doorvaart van Cumberland. Ik dacht dat het schip er recht doorheen zou gaan, toen het zich weder noordwestwaarts wendde en tusschen een groot aantal weinig bekendeeilandjes en rotsen door naar het eiland Tound en het Slechte Kanaal voer. Ik vroeg mij zelven af of kapitein Nemo onvoorzichtig was en zijn schip in dezen doorgang wilde wagen, waar de twee korvetten van d’Urville op de rotsen stootten, toen hij voor de tweede maal van richting veranderde en westwaarts naar het eiland Gueboroar liep.
Het was toen drie uur; het getij was bijna vol; de Nautilus naderde het eiland, dat ik met zijne prachtige groene omzooming nog voor mij zie liggen; wij liepen op minder dan twee kilometer afstands er langs. Plotseling werden wij door een schok omvergeworpen; de Nautilus had op een klip gestooten; het schip bleef onbeweeglijk liggen, doch helde naar bakboordzijde eenigszins over. Toen ik opstond zag ik den kapitein en den eersten stuurman op het plat; zij namen den toestand van het vaartuig op en wisselden eenige woorden in hunne onverstaanbare taal.
Ziehier hoe onze toestand was. Op twee kilometer afstand lag aan stuurboordzijde het eiland Gueboroar, welks kust zich als een lange arm van het noorden naar het westen kromde. Naar het zuiden en oosten vertoonden zich reeds eenige toppen van koraalriffen, welke het afloopend getij bloot liet. Wij zaten geheel vast en dat wel in eene zee waar het getij slechts middelmatig was; dit was eene noodlottige omstandigheid om de Nautilus weer vlot te krijgen. Echter had het schip niets geleden, zoo stevig was de huid gesmeed. Maar als het al niet zinken of barsten kon, dan liep het toch gevaar voor eeuwig op die rotsen te blijven zitten, en dan was het gedaan met het onderzeesche toestel van kapitein Nemo.
Zoo peinsde ik, toen de kapitein, kalm en bedaard als altijd zonder eenige ontroering of teleurstelling te laten blijken, mij naderde.
“Een ongeluk?” vroeg ik.
“Neen, een toeval,” was zijn antwoord.
“Maar een toeval,” hernam ik, “dat u misschien verplichten zal om het land, dat gij zoozeer ontvlucht, weder te gaan bewonen.”
De kapitein keek mij met een zonderlingen blik aan, en schudde met het hoofd; dit was duidelijk gezegd, dat niets hem ooit zou dwingen om den voet weder op het land te zetten. Toen zeide hij: “Bovendien mijnheer Aronnax, de Nautilus is niet weg; zij zal u nog de wonderen van den Oceaan laten zien. Onze reis begint eerst, en ik hoop nog zoo spoedig niet van de eer van uw gezelschap verstoken te worden.”
“Maar toch kapitein,” antwoordde ik, zonder acht te geven op de spotternij, die in zijne woorden doorstraalde, “de Nautilus is gaan vast zitten bij hoog tij. Nu zijn de getijen in den grooten Oceaan niet zeer sterk, en als gij nu de Nautilus niet ontlasten kunt (hetgeen mij onmogelijk schijnt), dan begrijp ik niet hoe gij weder vlot zult komen.”
Ons uitzicht werd door prachtige bosschen belet.Ons uitzicht werd door prachtige bosschen belet.
Ons uitzicht werd door prachtige bosschen belet.
“Gij hebt gelijk, mijnheer de professor, de getijen zijn in dezen Oceaan niet sterk, maar in de Torrestraat is er toch nog een verschil van anderhalven meter, tusschen de hoogste en laagste standender zee met andere deelen van den Oceaan. Het is van daag 4 Januari, en over vijf dagen hebben wij volle maan; ik zou mij zeer moeten verwonderen als die wachter van onze aarde niet beleefd genoeg was om de watermassa wat hooger te doen komen, ten einde mij daardoor een dienst te bewijzen, welken ik alleen aan de maan wil te danken hebben.”
Toen de kapitein dit gezegd had ging hij met zijn eersten stuurman weder naar binnen. De Nautilus bewoog zich niet en bleef onwrikbaar vast liggen, alsof de koralen het vaartuig reeds voor goed hadden ingemetseld.
“Welnu mijnheer!” zeide Ned Land, die na het vertrek van den kapitein naar mij toe kwam.
“Welnu, vriend Ned, wij zullen stil het tij van 9 Januari afwachten, want het schijnt dat de maan zoo beleefd zal zijn om ons weder vlot te maken.”
“Meent gij dat?”
“Ja zeker.”
“En die kapitein gaat zijn ankers niet uitgooien om zich hieraf te brassen, en zijne machine niet laten werken, en alles doen om van die verwenschte klip te komen?”
“Het tij is immers voldoende,” antwoordde Koenraad bedaard.
De Amerikaan keek hem aan, en trok zijne schouders op; het was de zeeman, die uit hem sprak.
“Mijnheer,” antwoordde hij, “geloof mij, als ik u zeg, dat dit stuk ijzer nooit meer op of onder zee varen zal, het is goed om bij ’t pond verkocht te worden. Ik geloof dat het oogenblik gekomen is om dien kapitein Nemo de hakken te laten zien.”
“Vriend Ned,” antwoordde ik, “ik wanhoop niet zooals gij aan dit flinke vaartuig; in vier dagen zullen wij zien waar wij ons met die getijen in dezen Oceaan aan te houden hebben. Overigens kon die raad om te vluchten goed zijn, als wij de Engelsche of Fransche kust in ’t gezicht hadden, maar hier in de buurt van Nieuw-Guinea is ’t eene andere zaak; het zal altijd nog tijd genoeg zijn om tot dit uiterste te komen, als de Nautilus niet los raakt, ik zou dit als een erge ramp beschouwen.”
“Zouden wij ten minste dat land niet eens onderzoeken?” hernam Ned Land. “Daar is een eiland, op dat eiland groeien boomen, onder die boomen loopen dieren; die karbonade en roastbeef aan hun romp hebben, en daar zou ik wel eens gaarne mijne tanden inzetten.”
“Nu heeft vriend Land gelijk.” zeide Koenraad, “en ik ben het met hem eens. Zou mijnheer van zijn vriend, den kapitein, geen verlof kunnen krijgen om eens aan land te gaan, al was het alleen maar om de gewoonte niet te verliezen van nu en dan den voet eens te zetten op het vaste deel van onzen aardbodem?”
“Ik kan het hem wel eens vragen,” antwoordde ik, doch hij zal het weigeren.
“Het is in allen gevalle te wagen,” zeide Koenraad, “en dan weten wij met een waaraan wij ons ten opzichte van zijne vriendelijkheid te houden hebben.”
Tot mijne groote verwondering stond kapitein Nemo toe wat ik hem vroeg. Hij deed het zelfs met de grootste beleefdheid, zonder zelfs de belofte van mij te vorderen, dat ik aan boord zou terug komen. Maar eene vlucht door Nieuw-Guinea was zeer gevaarlijk, en ik zou het Ned Land nooit hebben aangeraden om zoo iets te beproeven. Het was veel beter om aan boord van de Nautilus opgesloten te zijn, dan om in de handen van de Papoea’s te vallen!
Den volgenden morgen zou de sloep ter onzer beschikking zijn. Ik zocht niet eens te weten te komen of de kapitein ons zou vergezellen; zelfs vermoedde ik dat geen matroos der equipage met ons mede zou gaan, en dat Ned Land de boot alléén zou moeten sturen. Overigens was het land op zijn hoogst op twee kilometer afstands, en het was maar spelen gaan voor onzen Amerikaan om dat lichtte vaartuig tusschen die voor groote schepen zoo noodlottige klippen door te brengen.
Den volgenden dag, 5 Januari, werd de sloep losgemaakt en van het plat in zee gewerkt; twee man waren daarvoor genoeg, de riemen lagen er in, en wij behoefden slechts plaats te nemen. Met bijlen en electrieke geweren bij ons roeiden wij om acht uur weg. De zee was vrij kalm; een kleine bries woei van de landzijde. Koen en ik roeiden flink op, en Ned stuurde tusschen de klippen door. De sloep was gemakkelijk te sturen en schoot goed vooruit. Ned kon zijne vreugde niet bedwingen, hij stelde zich aan als een gevangene, die aan zijne cel ontsnapt is, en hij dacht er niet aan dat hij er weder in moest.
“Vleesch,” riep hij herhaaldelijk, “vleesch zullen wij dan proeven, en welk vleesch! Echt wild! Geen visch! Ik zeg niet dat visch niet goed is, maar men moet er geen misbruik van maken, en een stuk versch wild, op een kolenvuur geroosterd, zal onzen gewonen kost lekker afwisselen.”
“Lekkerbek!” zeide Koenraad, “het water komt mij in den mond.”
“Wij mogen eerst wel vragen of die bosschen wildrijk zijn,” zeide ik, “en of het wild er niet zóo groot is, dat het den jager wegjaagt.”
“Goed zoo, mijnheerAronnax,” antwoordde de Amerikaan, wiens tanden zoo scherp als een bijl schenen te zijn, “maar ik zal zelfs eentijgerribeten als er geen ander viervoetig dier op dit eiland te vinden is.”
“Vriend Ned maakt ons bang,” zeide Koenraad.
“Hoe het ook zij,” hernam de harpoenier, “het eerste dier op vierof op twee pooten, met of zonder vleugels krijgt een schot van mij in zijn ribben.”
“Goed!” antwoordde ik, “daar gaat de onverzichtigheid van meester Land weer beginnen.”
“Wees niet bang, mijnheer Aronnax; roei maar ferm op. Binnen vijf en twintig minuten zal ik u een kost naar mijn smaak opdisschen.”
Om half negen liep de sloep zacht tegen het zandige strand op, na gelukkig tusschen de koraalriffen doorgekomen te zijn, welke het eiland Gueboroar omringden.
Aan land.Ik was zonderling te moede toen ik aan land stapte. Ned Land stampte op den grond alsof hij dien in bezit nam. Er waren echter nog maar twee maanden verloopen sinds wij, volgens de uitdrukking van kapitein Nemo, “passagiers op de Nautilus,” maar inderdaad gevangenen van den kapitein waren.Binnen weinige minuten waren wij reeds op een geweerschot afstands van de kust het binnenland ingestapt. De grond was bijna geheel koraalvormig, maar enkele uitgedroogde stroombeddingen, waarin ik stukken graniet vond, toonden aan dat dit eiland tot de primaire aardvorming behoorde. Ons uitzicht werd door prachtige bosschen belet; groote boomen, soms van 60 tot 70 meter hoog, waren verbonden door slingerplanten, natuurlijke hangmatten, welke een licht windje heen en weder bewoog; aan den voet dier woudreuzen en onder het dichte bladerdak was de grond bezaaid met de schoonste en welriekendste bloemen. Zonder op al die schoone voortbrengselen van de Nieuw-Guineesche flora te letten, liet de Amerikaan het aangename voor het nuttige in den steek; hij zag een kokosboom, sloeg er eenige vruchten af, brak die door, en wij dronken de melk, en aten de pit met een smaak, welke deed zien, dat wij niet volkomen tevreden waren met de gewone spijzen op de Nautilus.“Uitmuntend!” zeide Ned.“Uitstekend!” antwoordde Koenraad.Ned Land wist hoe men zulke boomen behandelen moest.Ned Land wist hoe men zulke boomen behandelen moest.“Ik geloof niet,” zeide de Amerikaan, “dat uw vriend Nemo er zich tegen verzetten zal als wij eene lading kokosnoten mede aan boord brengen?”“Ik geloof het ook niet,” antwoordde ik, “maar hij zal er niet van willen proeven.”“Zooveel te erger voor hem,” meende Koenraad.“En zooveel te beter voor ons,” antwoordde Ned Land “des te meer houden wij.”“Een woord slechts, Ned,” zeide ik tegen den harpoenier, die gereed stond om een anderen kokosboom te plunderen, “de kokosnoot is goed, maar voor dat gij er de sloep mede vollaadt, dunkt mij, dat wij eerst eens moesten onderzoeken, of het eiland geene even nuttige zaken oplevert. Versche groenten bijvoorbeeld, zouden door den kok van de Nautilus gretig ontvangen worden.”“Mijnheer heeft gelijk,” antwoordde Koenraad, “en ik stel voor om in ons vaartuig drie plaatsen open te houden, eene voor vruchten, eene voor groenten, en eene voor wild; hoewel ik van dit laatste nog het minste of geringste niet gezien heb.”“Koen, wij moeten aan niets wanhopen,” antwoordde Ned.“Laat ons dan verder gaan,” hernam ik, “maar goed uit onze oogen zien, want al schijnt het eiland onbewoond, dan zouden er toch wel eens wezens op kunnen wonen, die minder kiesch dan wij op het soort van wild waren!”“Nu, nu!” riep Ned, met eene beteekenisvolle beweging zijner kakebeenen.“Wat, Ned?” riep Koenraad.“Ik begin waarachtig te begrijpen,” hervatte de Amerikaan, “hoe pleizierig het menscheneten zijn moet!”“Ned, Ned, wat zegt gij daar?” antwoordde Koen. “Gij een menscheneter: maar dan zou ik niet meer veilig bij u zijn, met wien ik mijne hut moet deelen. Zal ik dan nog eens half opgegeten wakker worden?”“Hoor eens, vriend Koen, ik houd veel van u, maar niet genoeg, om u zonder noodzaak op te pruimen.”“Ik vertrouw het maar half!” zeide Koenraad. “Komaan op de jacht; wij moeten volstrekt een stuk wild schieten om dien kannibaal tevreden te stellen, of anders zal mijnheer op een morgen niets anders vinden dan wat brokken van een knecht om hem te bedienen.”Onder het houden van dergelijke gesprekken drongen wij in het sombere woud door, en doorkruisten dit gedurende twee uur in allerlei richtingen. Het toeval diende ons in het vinden van eetbare planten, en een van de nuttigste boomen uit de keerkringsstreken verschafte ons een kostbaar voedsel, hetwelk aan boord ontbrak. Ik bedoel den broodboom, die op het eiland Gueboroar veelvuldig voorkomt; deze boom onderscheidde zich van de andere door een rechten en 14 meter hoogen stam. De top was van bevalligen ronden vorm, en droeg groote gelobde bladeren; uit die bladerenkroon kwamen groote ronde vruchten van een decimeter lang, welkeuitwendig zoo met stekels bezet waren, dat zij daardoor den schijn hadden van zeshoekig te zijn. Het is een nuttige boom, waarmede de natuur die streken, waar het graan ontbreekt, voorzien heeft en die zonder veel arbeid te vorderen, gedurende acht maanden van het jaar vruchten geeft.Ned Land kende die vruchten wel; hij had er bij zijne talrijke reizen meermalen van gegeten, en hij wist ze goed open te krijgen. Toen hij ze zag werd zijne begeerte aanstonds opgewekt, en hij kon zich niet langer bedwingen.“Ik mag sterven, mijnheer,” zeide hij, “als ik niet van dien broodboom eet.”“Eet er van op uw gemak, vriend Ned; wij zijn hier om alles te beproeven; doe het dus.”“Het zal niet lang duren!” zeide de Amerikaan, en met eene lens gewapend stak hij een hoop dood hout in den brand, dat weldra, helder opflikkerde. Gedurende dien tijd zochten Koen en ik de beste vruchten van den broodboom bijeen. Enkelen waren nog niet rijp genoeg, en haar dikke bast omvatte een wit, doch weinig vezelig merg. Anderen waren geel en geleiachtig, en wachtten slechts het oogenblik om geplukt te worden. In die vruchten zat geen kern; Koenraad bracht er een twaalftal aan Ned, die ze op een kolenvuur legde, nadat hij ze in schijfjes gesneden had; terwijl hij dit deed, zeide hij:“Gij zult eens zien mijnheer, hoe lekker dit brood is.”“Vooral als men in lang geen brood gehad heeft,” zeide Koen.“Het is zelfs geen brood meer,” voegde de Amerikaan er bij: “het is een heerlijk gebak. Hebt gij dat nooit gegeten, mijnheer?”“Neen, Ned.”“Welnu, maak u dan maar gereed om iets heel lekkers te genieten. Als gij er dan niet weer naar verlangt, ben ik de koning der harpoeniers niet meer.”Na weinige minuten was het gedeelte der vrucht dat aan den gloed van het vuur was blootgesteld geweest, geheel verkoold. Het binnenste was een wit deeg, een soort van week kruim, waarvan de geur aan artisjokken deed denken. Ik moet het bekennen, dit brood was voortreffelijk, en ik at het met groot genoegen.“Ongelukkig,” zeide ik, “kan men zulk een deeg niet versch houden, en het komt mij onnoodig voor om er een voorraad van op te doen om mede te nemen.”“Welnu komaan, mijnheer!” riep Ned Land uit, “gij spreekt als een natuuronderzoeker, en ik zal handelen als een bakker. Koen, haal eens een hoop vruchten op, die wij mede kunnen nemen als wij weer naar boord gaan.”“En hoe maakt gij die gereed?” vroeg ik.“Door uit het merg een gegist deeg te maken, dat zonder tebederven lang bewaard kan blijven. Als ik het gebruiken wil dan zal ik het in de kombuis laten bakken, al is het dan een beetje zuur, dan zult gij het toch wel lekker vinden.”“Ik zie dus Ned, dat er niets aan dit brood ontbreekt?”“Ik wel mijnheer; wij hebben nog behoefte aan eenige vruchten, of althans groenten er bij!”“Laat ons die dan zoeken.”Toen wij dien oogst bijeen hadden, gingen wij op weg om dit landelijk maal volledig te maken. Ons onderzoek was niet te vergeefs, en tegen den middag hadden wij een grooten voorraad bananen. Deze heerlijke vruchten uit de verzengde luchtstreek zijn het geheele jaar door rijp, en de Maleiers, die er den naam van pisang aan hebben gegeven, eten ze zonder ze te koken; te gelijk met de bananen verzamelden wij nog andere vruchten, onder anderen ananassen van buitengewone grootte. Doch deze oogst ontnam ons een groot deel van onzen tijd, dien wij overigens niet behoefden te betreuren.Koenraad keek altijd naar Ned: de harpoenier liep vooruit, en terwijl hij door het bosch wandelde, verzamelde hij zonder zich te vergissen uitstekende vruchten om zijn voorraad volledig te maken.“Ontbreekt u niets?” vroeg Koenraad.“Hem!” kuchte de Amerikaan.“Wat beklaagt gij u?”“Al die planten en vruchten maken geen maal uit,” antwoordde Ned. “Hiermede eindigt een maaltijd, dat is het dessert. Maar de soep, en het gebraad, waar zijn die?”“Zeker, Ned,” zeide ik, “gij hebt ons karbonaden beloofd, die tot het rijk der fabelen schijnen te blijven behooren.”“Mijnheer,” antwoordde de Amerikaan, “de jacht is niet alleen niet geëindigd, maar zij is zelfs nog niet eens begonnen. Geduld maar, wij zullen nog wel een gevederd of behaard dier tegen komen, en is het hier niet, dan is het ergens anders....”“En is het van daag niet, dan is het morgen,” voegde Koen er bij, “want wij moeten niet al te ver gaan, en ik stel zelfs voor om naar de sloep terug te keeren.”“Wat, nu reeds?” riep Ned Land.“Wij moeten voor den nacht terug zijn,” zeide ik.“Maar hoe laat is het dan!” vroeg de Amerikaan.“Ten minste twee uur,” gaf Koenraad ten antwoord.“Hoe spoedig gaat de tijd aan den wal om,” zuchtte Ned Land treurig.“Op weg,” riep Koenraad.Het was de groote smaragdkleurige Paradijsvogel.Het was de groote smaragdkleurige Paradijsvogel.Wij kwamen dus door het bosch terug, en sneden daar nog eenige koppen uit jonge palmboomen, welke wij als kool konden eten, en vonden bovendien een soort van kleine snijboonen. Wij waren zwaarbeladen, toen wij de sloep bereikten. Ned Land vond echter dat wij nog niet genoeg hadden. Het toeval begunstigde hem. Op het oogenblik dat wij ons zouden inschepen zag hij verscheidene boomen van8 tot 10 meter hoog, die tot de palmsoorten behoorden: die boomen even kostbaar als de broodboom, worden met recht onder de nuttigste van den geheelen Maleischen Archipel gerekend. Het waren sagoboomen, die van zelven voorttelen zonder aangekweekt te worden, daar zij evenals moerbeiboomen loten schieten en zich zelven zaaien. Ned Land wist hoe men zulke boomen behandelen moest; hij nam zijne bijl, en die met groote kracht zwaaiende had hij er weldra twee of drie voor den grond doen vallen, wier met witte stof overdekte bladeren bewezen dat zij rijp waren. Ik keek er meer naar met het oog van een natuuronderzoeker dan van iemand, die uitgehongerd was. Hij begon met van elken stam eene reep schors van een centimeter breed af te scheuren, waaronder een net van lange vezels lag, dat uit niet te ontwarren knoopen bestond, en met een soort van gomachtig meel aan elkander zat geplakt. Dit meel was de sago, welk voedsel vooral door de bevolking van dezen Archipel genuttigd wordt. Ned Land stelde zich voor het oogenblik tevreden met den stam in stukken te hakken, zooals hij met brandhout zou gedaan hebben; hij behield zich voor om er later het meel uit te halen en op te zamelen, en om het, als het in de zon wat gedroogd was, in Tormen te laten hard worden.Eindelijk verlieten wij tegen vijf uur s’avonds met al onze schatten het eiland, en een half uur daarna lagen wij weder naast de Nautilus. Bij onze komst verscheen er niemand, de groote ijzeren cylinder scheen verlaten; toen wij onzen voorraad aan boord hadden ging ik naar mijne kamer, waar het souper gereed stond; ik at en ging naar bed. Den volgenden morgen, 6 Januari, gebeurde er niets bijzonders aan boord. Geen enkel gerucht, geen enkel teeken van leven kwam tot mij. De sloep was naast het vaartuig blijven liggen op dezelfde plaats, waar wij haar den vorigen avond gelaten hadden. Wij besloten nog eens naar het eiland Gueboroar te gaan. Ned Land hoopte op de jacht gelukkiger te zijn dan den vorigen dag en wilde een ander deel van het woud bezoeken.Met het opgaan der zon waren wij op weg. In weinige oogenblikken bereikte onze sloep met behulp van een gunstigen stroom het eiland. Wij gingen aan land, en omdat wij dachten dat het goed was als wij aan het verlangen van Ned Land voldeden, volgden wij hem, doch hadden werk om hem met zijne lange beenen bij te houden.De Amerikaan liep de kust in westelijke richting langs, daarna doorwaadde hij eenige kleine riviertjes, en ging naar eene hoogvlakte, welke door wonderschoone bosschen begrensd werd. Eenige ijsvogels zwierven langs de riviertjes, doch lieten zich niet benaderen. Hunne schuwheid bewees mij dat die vogels wisten wat zij van wezens van onze soort te wachten hadden, en ik maakte daaruit de gevolgtrekking dat als het eiland al niet bewoond was, er ten minste van tijd tot tijd menschen kwamen.Toen wij eene vrij weelderige weide door waren gegaan, kwamen wij aan den rand van een klein bosch, waar het gezang en gekweel van een groot aantal vogels ons vroolijk tegenklonk.“Dat zijn nog maar vogels,” zeide Koenraad.“Maar er zijn er toch bij, die men eten kan!” antwoordde de harpoenier.“Ik geloof het niet, vriend Ned,” hervatte Koenraad, “want ik zie niets dan papegaaien.“Vriend Koen,” was het deftige antwoord van den Amerikaan, “de papegaai is een fazant voor hem die niets anders te eten heeft.”“En ik zal er nog bijvoegen,” zeide ik, “dat als hij goed wordt klaargemaakt, die vogel nog wel de moeite waard is.”En inderdaad, onder het dichte gebladerte fladderde een heirleger van papegaaien van tak tot tak; zij schenen slechts op een zorgvuldiger opvoeding te wachten om te kunnen spreken. Voor het oogenblik kakelden zij met wijfjes van allerhande kleur, en met deftige kakatoe’s, die over eenige wijsgeerige stelling schenen na te denken, terwijl schitterend roode vogels als een stuk scharlaken, dat door den wind wordt voortgejaagd, voorbij vlogen, te midden van een vogelenheir dat met de prachtigste kleuren was uitgedost; het was eene verscheidenheid van bevallige vogels, zooals ik nooit gezien had, doch die over het algemeen slecht om te eten waren. Evenwel ontbrak er aan deze verzameling nog éen vogel, welke nooit over de grenzen van de Papoea-eilanden gekomen is. Het toeval diende mij weldra ook hierin.Na een niet zeer dicht kreupelhout te zijn doorgegaan, vonden wij eene vlakte met heesters bedekt. Daar zag ik prachtige vogels opvliegen, wier lange vederen hen noodzaakten om tegen den wind in te vliegen. Hunne dwarrelende vlucht, de bevalligheid der bochten, welke zij in de lucht beschreven de schittering hunner kleuren trokken bijzonder onze aandacht; ik herkende ze zonder moeite.“Paradijsvogels!” riep ik uit.“Orde der musschen, afdeeling der....” antwoordde Koenraad.“Is het ook familie van de patrijzen?” viel Ned Land hem in de rede.“Dat geloof ik niet; doch ik reken toch op uwe behendigheid om een van die prachtige dieren uit deze hemelstreek te vangen.”“Ik zal het beproeven, mijnheer de professor, hoewel ik meer gewoon ben om met den harpoen dan met het geweer om te gaan.”De Maleiers, die met de Chineezen grooten handel in deze vogels drijven, hebben verschillende manieren om ze te vangen, waarvan wij nu geen gebruik konden maken. Dan eens zetten zij strikken in de toppen der boomen; waarin deparadijsvogelsbij voorkeur zich ophouden; dan vangen zij ze met lijmstokken; soms zelfs vergiftigen zij het water, waarin die vogels gewoonlijk gaan drinken.Wat ons betrof, wij moesten ze in de vlucht schieten waardoor wij weinige kans hadden om er een te krijgen; wij verspilden daarom ook een deel van onze ammunitie.Tegen elf uur ’s morgens waren wij den eersten rand der bergen, welke zich in het midden des eilands verheffen, over, en wij hadden nog niets geschoten. De honger begon ons te plagen; de jagers hadden gerekend op hetgeen zij zouden schieten en daarin hadden zij ongelijk gehad. Gelukkig schoot Koenraad tot zijne groote verbazing twee dieren tegelijk dood en verschafte ons daardoor een ontbijt; hij schoot namelijk eene witte en eene houtduif, die vlug geplukt en aan een spit gestoken, voor een vuurtje van dood hout gebraden werden. Terwijl die beestjes gereed werden gemaakt, bereidde Ned Land eenige vruchten van den broodboom; daarna aten wij de beide duiven op en vonden ze voortreffelijk. De muskaatnoot, waarmede zij zich gewoonlijk voeden, geeft aan hun vleesch een zekeren geur, en doet ze overheerlijk smaken.“Het is evenals jonge hoentjes, die truffels eten,” zeide Koenraad.“En wat ontbreekt u nu nog, Ned?” vroeg ik den Amerikaan.“Een viervoetig stuk wild, mijnheer Aronnax,” antwoordde Ned Land. “Al die duiven dat is maar bijwerk, en een mondterging; ik zal dan ook niet eer tevreden zijn voor ik een beest heb doodgeschoten, waarvan ik karbonade kan eten.”“En ik niet, Ned, alvorens ik een paradijsvogel gevangen heb.”“Laat ons de jacht dan voortzetten,” antwoordde Koenraad, maar naar den zeekant toe; wij zijn tot de helling der bergen genaderd en ik geloof dat het beter is om naar de bosschen terug te keeren.Dat was een wijze raad, en wij volgden dien. Na een uur te zijn voortgegaan, waren wij in een waar bosch van sagoboomen gekomen; eenige onschadelijke slangen vluchtten voor ons uit; de paradijsvogels verdwenen als wij naderden, en ik wanhoopte er wezenlijk reeds aan om ze onder schot te krijgen, toen Koenraad, die vooruitging, zich eensklaps bukte, een blijden kreet slaakte en met een prachtigen paradijsvogel in de hand naar mij toe kwam.“Bravo Koen, bravo!” riep ik.“Mijnheer is wel goed.” antwoordde Koenraad.“Zeker niet, mijn jongen; gij hebt daar een meesterstuk begaan om een van die vogels te vangen, en dat nog wel met de hand!”“Als mijnheer hem eens goed bekijken wil, zal hij zien dat er zooveel verdienste niet in steekt.”“En waarom Koen?”“Omdat die vogel zoo dronken als een snip is.”“Dronken?”“Ja, mijnheer, dronken van de muskaatnoten, welke hij onder den boom, waar ik hem gevangen heb, opvrat. Kijk eens, vriend Ned, wat het vreeselijk gevolg der onmatigheid is?”Ned Land stelde zich tevreden met een dozijn buideldieren.Ned Land stelde zich tevreden met een dozijn buideldieren.“Duizend duivels!” antwoordde de Amerikaan, “het is wel de moeite waard om mij te verwijten hoeveel jenever ik sedert twee maanden gedronken heb!”Ik bekeek ondertusschen den schoonen vogel; Koenraad bedroog zich niet: de paradijsvogel, dronken van het koppige sap, was onmachtig om zich te bewegen; hij kon niet vliegen, zelfs bijna niet loopen; dit verontrustte mij echter niet, en ik liet zijn roes stil uitwoeden. De vogel behoorde tot de schoonste der acht soorten, welke men op Nieuw-Guinea vindt; het was de groote smaragdkleurige paradijsvogel, een van de zeldzaamste; hij was drie decimeter lang; het kopje was betrekkelijk klein; de oogen, die dicht bij den bek stonden, waren ook klein; doch hij vertoonde eene wonderschoone afwisseling van kleuren, de bek was geel, de pooten en nagels bruin, de vleugels lichtbruin met purper aan de uiteinden, de kop en hals lichtgeel, de borst smaragdkleurig en de buik kastanjebruin. Boven den staart staken twee lange hoornachtige en met dons bedekte schachten uit, welke in zeer lichte en lange veeren van zonderlinge fijnheid eindigden. Zoodanig was het uiterlijk van dien uitstekend fraaien vogel, welken de inboorlingen dichterlijk “den vogel der zon” noemen. Ik wenschte dit prachtig exemplaar van de paradijsvogels mede naar Parijs te kunnen nemen om hem aan den Plantentuin ten geschenke te geven, waar er geen enkele levend is.“Is hij dan zóo zeldzaam?” vroeg de Amerikaan op den toon van een jager, die uit een wetenschappelijk oogpunt zeer weinig om wild geeft.“Zeer zeldzaam, wakkere vriend, en vooral hoogst moeielijk om ze levend te vangen; zelfs als zij dood zijn, worden deze vogels nog als een belangrijk handelsartikel beschouwd. Daarom hebben de inboorlingen een middel verzonnen om ze na te maken, zooals men paarlen en diamanten namaakt.”“Wat!” riep Koenraad, “maakt men valsche paradijsvogels?”“Ja, Koen.”“En weet mijnheer hoe die inboorlingen dat doen?”“Zeer goed: de paradijsvogels verliezen in den Oostmousson hunne prachtige staartveeren; deze worden door de namakers van vogels opgezocht en aan een te voren verminkten papegaai aangeplakt, dan verven en vernissen zij den vogel, en sturen die voortbrengselen hunner zonderlinge nijverheid naar de Europeesche museums of aan liefhebbers.”“Mooi zoo!” riep Ned Land, “al is het dan de vogel niet, dan zijn het toch zijne vederen, en zoolang het beest niet gegeten wordt, zie ik er geen kwaad in!”Al was aan mijne begeerte nu voldaan door het bezit van een paradijsvogel, de wensch van den Amerikaanschen jager was nog volstrekt niet vervuld. Gelukkig velde Ned Land tegen twee uur een groot boschvarken, dat de inlanders bari-outang noemen. Het dier kwam goed van pas om ons wezenlijk vleesch van een viervoetigdier te verschaffen; Ned was trotsch op zijn schot; het varken, door den electrieken kogel getroffen, was mors dood gevallen.De Amerikaan sneed het open en haalde er de ingewanden uit; toen sneed hij er vast een half dozijn ribbetjes uit, welke hij voor ons avondmaal wilde roosteren; daarop ving de jacht op nieuw aan, welke nog blijken moest geven van de heldendaden van Ned en Koenraad; de twee vrienden, het kreupelhout doorkruisende, joegen een troep kangoeroe’s op, die op hunne lange achterpooten wegvluchtten; maar zij sprongen niet zóo snel weg of de electrieke kogel kon hen in hunne vaart nog wel stuiten.“O, mijnheer,” riep Ned Land, wien de jagers woede naar het hoofd begon te stijgen, “wat heerlijk wild, vooral gestoofd! Wat voorraad voor de Nautilus! Twee, drie ... vijf voor den grond! En als ik denk dat wij al dat vleesch zullen opeten, en dat die gekken daar aan boord er niets van mede krijgen!”Ik geloof waarlijk dat, als de Amerikaan niet zooveel gepraat had, hij in overmaat van blijdschap den geheelen troep zou doodgeschoten hebben! Maar hij stelde zich tevreden met een dozijn van die buideldieren; zij waren klein van stuk; het waren eigenlijk springkonijnen, die in holle boomen nestelen en ontzaglijk vlug zijn; maar al zijn zij klein, zoo is hun vleesch toch bijzonder gezocht.Wij waren zeer tevreden over den uitslag onzer jacht. De vroolijke Ned stelde zich voor om den volgenden dag naar dit bekoorlijke eiland terug te keeren, dat hij zoo het scheen van alle eetbare dieren berooven wilde; doch hij rekende buiten den waard.’s Avonds om zes uur waren wij weder op het strand. Onze sloep lag op hare gewone plaats; de Nautilus stak altijd als een lange klip op twee mijl van de kust boven de zee uit.Zonder dralen begon Ned Land aan het gewichtig werk voor ons diner. Hij verstond de kookkunst bijzonder goed. Weldra verspreidden de varkensribbetjes, die hij boven een kolenvuur roosterde, een aangenamen geur. Doch ik bemerk dat ik den Amerikaan nadoe. Ik raak nu reeds opgewonden door een geroosterd varkensribbetje! Men vergeve het mij zooals aan Ned Land!Om kort te gaan, ons maal was overheerlijk. Twee houtduiven kwamen ook op de spijskaart voor, en behalve dit en de andere vleeschspijzen eene sagopastij, brood van den broodboom, eenige manga’s, een half dozijn ananassen, en het uitgegiste sap van zeker soort van kokosnoten, waardoor wij wat opgewonden werden; ik geloof zelfs dat mijne waardige makkers niet zoo heel helder meer waren.“Als wij van avond eens niet naar de Nautilus terug keerden?” zeide Koenraad.“Als wij er eens nooit weder heen gingen?” voegde Ned er bij.Op dat oogenblik viel er een steen voor onze voeten neder, en maakte een einde aan de voorstellen van het tweetal.
Ik was zonderling te moede toen ik aan land stapte. Ned Land stampte op den grond alsof hij dien in bezit nam. Er waren echter nog maar twee maanden verloopen sinds wij, volgens de uitdrukking van kapitein Nemo, “passagiers op de Nautilus,” maar inderdaad gevangenen van den kapitein waren.
Binnen weinige minuten waren wij reeds op een geweerschot afstands van de kust het binnenland ingestapt. De grond was bijna geheel koraalvormig, maar enkele uitgedroogde stroombeddingen, waarin ik stukken graniet vond, toonden aan dat dit eiland tot de primaire aardvorming behoorde. Ons uitzicht werd door prachtige bosschen belet; groote boomen, soms van 60 tot 70 meter hoog, waren verbonden door slingerplanten, natuurlijke hangmatten, welke een licht windje heen en weder bewoog; aan den voet dier woudreuzen en onder het dichte bladerdak was de grond bezaaid met de schoonste en welriekendste bloemen. Zonder op al die schoone voortbrengselen van de Nieuw-Guineesche flora te letten, liet de Amerikaan het aangename voor het nuttige in den steek; hij zag een kokosboom, sloeg er eenige vruchten af, brak die door, en wij dronken de melk, en aten de pit met een smaak, welke deed zien, dat wij niet volkomen tevreden waren met de gewone spijzen op de Nautilus.
“Uitmuntend!” zeide Ned.
“Uitstekend!” antwoordde Koenraad.
Ned Land wist hoe men zulke boomen behandelen moest.Ned Land wist hoe men zulke boomen behandelen moest.
Ned Land wist hoe men zulke boomen behandelen moest.
“Ik geloof niet,” zeide de Amerikaan, “dat uw vriend Nemo er zich tegen verzetten zal als wij eene lading kokosnoten mede aan boord brengen?”
“Ik geloof het ook niet,” antwoordde ik, “maar hij zal er niet van willen proeven.”
“Zooveel te erger voor hem,” meende Koenraad.
“En zooveel te beter voor ons,” antwoordde Ned Land “des te meer houden wij.”
“Een woord slechts, Ned,” zeide ik tegen den harpoenier, die gereed stond om een anderen kokosboom te plunderen, “de kokosnoot is goed, maar voor dat gij er de sloep mede vollaadt, dunkt mij, dat wij eerst eens moesten onderzoeken, of het eiland geene even nuttige zaken oplevert. Versche groenten bijvoorbeeld, zouden door den kok van de Nautilus gretig ontvangen worden.”
“Mijnheer heeft gelijk,” antwoordde Koenraad, “en ik stel voor om in ons vaartuig drie plaatsen open te houden, eene voor vruchten, eene voor groenten, en eene voor wild; hoewel ik van dit laatste nog het minste of geringste niet gezien heb.”
“Koen, wij moeten aan niets wanhopen,” antwoordde Ned.
“Laat ons dan verder gaan,” hernam ik, “maar goed uit onze oogen zien, want al schijnt het eiland onbewoond, dan zouden er toch wel eens wezens op kunnen wonen, die minder kiesch dan wij op het soort van wild waren!”
“Nu, nu!” riep Ned, met eene beteekenisvolle beweging zijner kakebeenen.
“Wat, Ned?” riep Koenraad.
“Ik begin waarachtig te begrijpen,” hervatte de Amerikaan, “hoe pleizierig het menscheneten zijn moet!”
“Ned, Ned, wat zegt gij daar?” antwoordde Koen. “Gij een menscheneter: maar dan zou ik niet meer veilig bij u zijn, met wien ik mijne hut moet deelen. Zal ik dan nog eens half opgegeten wakker worden?”
“Hoor eens, vriend Koen, ik houd veel van u, maar niet genoeg, om u zonder noodzaak op te pruimen.”
“Ik vertrouw het maar half!” zeide Koenraad. “Komaan op de jacht; wij moeten volstrekt een stuk wild schieten om dien kannibaal tevreden te stellen, of anders zal mijnheer op een morgen niets anders vinden dan wat brokken van een knecht om hem te bedienen.”
Onder het houden van dergelijke gesprekken drongen wij in het sombere woud door, en doorkruisten dit gedurende twee uur in allerlei richtingen. Het toeval diende ons in het vinden van eetbare planten, en een van de nuttigste boomen uit de keerkringsstreken verschafte ons een kostbaar voedsel, hetwelk aan boord ontbrak. Ik bedoel den broodboom, die op het eiland Gueboroar veelvuldig voorkomt; deze boom onderscheidde zich van de andere door een rechten en 14 meter hoogen stam. De top was van bevalligen ronden vorm, en droeg groote gelobde bladeren; uit die bladerenkroon kwamen groote ronde vruchten van een decimeter lang, welkeuitwendig zoo met stekels bezet waren, dat zij daardoor den schijn hadden van zeshoekig te zijn. Het is een nuttige boom, waarmede de natuur die streken, waar het graan ontbreekt, voorzien heeft en die zonder veel arbeid te vorderen, gedurende acht maanden van het jaar vruchten geeft.
Ned Land kende die vruchten wel; hij had er bij zijne talrijke reizen meermalen van gegeten, en hij wist ze goed open te krijgen. Toen hij ze zag werd zijne begeerte aanstonds opgewekt, en hij kon zich niet langer bedwingen.
“Ik mag sterven, mijnheer,” zeide hij, “als ik niet van dien broodboom eet.”
“Eet er van op uw gemak, vriend Ned; wij zijn hier om alles te beproeven; doe het dus.”
“Het zal niet lang duren!” zeide de Amerikaan, en met eene lens gewapend stak hij een hoop dood hout in den brand, dat weldra, helder opflikkerde. Gedurende dien tijd zochten Koen en ik de beste vruchten van den broodboom bijeen. Enkelen waren nog niet rijp genoeg, en haar dikke bast omvatte een wit, doch weinig vezelig merg. Anderen waren geel en geleiachtig, en wachtten slechts het oogenblik om geplukt te worden. In die vruchten zat geen kern; Koenraad bracht er een twaalftal aan Ned, die ze op een kolenvuur legde, nadat hij ze in schijfjes gesneden had; terwijl hij dit deed, zeide hij:
“Gij zult eens zien mijnheer, hoe lekker dit brood is.”
“Vooral als men in lang geen brood gehad heeft,” zeide Koen.
“Het is zelfs geen brood meer,” voegde de Amerikaan er bij: “het is een heerlijk gebak. Hebt gij dat nooit gegeten, mijnheer?”
“Neen, Ned.”
“Welnu, maak u dan maar gereed om iets heel lekkers te genieten. Als gij er dan niet weer naar verlangt, ben ik de koning der harpoeniers niet meer.”
Na weinige minuten was het gedeelte der vrucht dat aan den gloed van het vuur was blootgesteld geweest, geheel verkoold. Het binnenste was een wit deeg, een soort van week kruim, waarvan de geur aan artisjokken deed denken. Ik moet het bekennen, dit brood was voortreffelijk, en ik at het met groot genoegen.
“Ongelukkig,” zeide ik, “kan men zulk een deeg niet versch houden, en het komt mij onnoodig voor om er een voorraad van op te doen om mede te nemen.”
“Welnu komaan, mijnheer!” riep Ned Land uit, “gij spreekt als een natuuronderzoeker, en ik zal handelen als een bakker. Koen, haal eens een hoop vruchten op, die wij mede kunnen nemen als wij weer naar boord gaan.”
“En hoe maakt gij die gereed?” vroeg ik.
“Door uit het merg een gegist deeg te maken, dat zonder tebederven lang bewaard kan blijven. Als ik het gebruiken wil dan zal ik het in de kombuis laten bakken, al is het dan een beetje zuur, dan zult gij het toch wel lekker vinden.”
“Ik zie dus Ned, dat er niets aan dit brood ontbreekt?”
“Ik wel mijnheer; wij hebben nog behoefte aan eenige vruchten, of althans groenten er bij!”
“Laat ons die dan zoeken.”
Toen wij dien oogst bijeen hadden, gingen wij op weg om dit landelijk maal volledig te maken. Ons onderzoek was niet te vergeefs, en tegen den middag hadden wij een grooten voorraad bananen. Deze heerlijke vruchten uit de verzengde luchtstreek zijn het geheele jaar door rijp, en de Maleiers, die er den naam van pisang aan hebben gegeven, eten ze zonder ze te koken; te gelijk met de bananen verzamelden wij nog andere vruchten, onder anderen ananassen van buitengewone grootte. Doch deze oogst ontnam ons een groot deel van onzen tijd, dien wij overigens niet behoefden te betreuren.
Koenraad keek altijd naar Ned: de harpoenier liep vooruit, en terwijl hij door het bosch wandelde, verzamelde hij zonder zich te vergissen uitstekende vruchten om zijn voorraad volledig te maken.
“Ontbreekt u niets?” vroeg Koenraad.
“Hem!” kuchte de Amerikaan.
“Wat beklaagt gij u?”
“Al die planten en vruchten maken geen maal uit,” antwoordde Ned. “Hiermede eindigt een maaltijd, dat is het dessert. Maar de soep, en het gebraad, waar zijn die?”
“Zeker, Ned,” zeide ik, “gij hebt ons karbonaden beloofd, die tot het rijk der fabelen schijnen te blijven behooren.”
“Mijnheer,” antwoordde de Amerikaan, “de jacht is niet alleen niet geëindigd, maar zij is zelfs nog niet eens begonnen. Geduld maar, wij zullen nog wel een gevederd of behaard dier tegen komen, en is het hier niet, dan is het ergens anders....”
“En is het van daag niet, dan is het morgen,” voegde Koen er bij, “want wij moeten niet al te ver gaan, en ik stel zelfs voor om naar de sloep terug te keeren.”
“Wat, nu reeds?” riep Ned Land.
“Wij moeten voor den nacht terug zijn,” zeide ik.
“Maar hoe laat is het dan!” vroeg de Amerikaan.
“Ten minste twee uur,” gaf Koenraad ten antwoord.
“Hoe spoedig gaat de tijd aan den wal om,” zuchtte Ned Land treurig.
“Op weg,” riep Koenraad.
Het was de groote smaragdkleurige Paradijsvogel.Het was de groote smaragdkleurige Paradijsvogel.
Het was de groote smaragdkleurige Paradijsvogel.
Wij kwamen dus door het bosch terug, en sneden daar nog eenige koppen uit jonge palmboomen, welke wij als kool konden eten, en vonden bovendien een soort van kleine snijboonen. Wij waren zwaarbeladen, toen wij de sloep bereikten. Ned Land vond echter dat wij nog niet genoeg hadden. Het toeval begunstigde hem. Op het oogenblik dat wij ons zouden inschepen zag hij verscheidene boomen van8 tot 10 meter hoog, die tot de palmsoorten behoorden: die boomen even kostbaar als de broodboom, worden met recht onder de nuttigste van den geheelen Maleischen Archipel gerekend. Het waren sagoboomen, die van zelven voorttelen zonder aangekweekt te worden, daar zij evenals moerbeiboomen loten schieten en zich zelven zaaien. Ned Land wist hoe men zulke boomen behandelen moest; hij nam zijne bijl, en die met groote kracht zwaaiende had hij er weldra twee of drie voor den grond doen vallen, wier met witte stof overdekte bladeren bewezen dat zij rijp waren. Ik keek er meer naar met het oog van een natuuronderzoeker dan van iemand, die uitgehongerd was. Hij begon met van elken stam eene reep schors van een centimeter breed af te scheuren, waaronder een net van lange vezels lag, dat uit niet te ontwarren knoopen bestond, en met een soort van gomachtig meel aan elkander zat geplakt. Dit meel was de sago, welk voedsel vooral door de bevolking van dezen Archipel genuttigd wordt. Ned Land stelde zich voor het oogenblik tevreden met den stam in stukken te hakken, zooals hij met brandhout zou gedaan hebben; hij behield zich voor om er later het meel uit te halen en op te zamelen, en om het, als het in de zon wat gedroogd was, in Tormen te laten hard worden.
Eindelijk verlieten wij tegen vijf uur s’avonds met al onze schatten het eiland, en een half uur daarna lagen wij weder naast de Nautilus. Bij onze komst verscheen er niemand, de groote ijzeren cylinder scheen verlaten; toen wij onzen voorraad aan boord hadden ging ik naar mijne kamer, waar het souper gereed stond; ik at en ging naar bed. Den volgenden morgen, 6 Januari, gebeurde er niets bijzonders aan boord. Geen enkel gerucht, geen enkel teeken van leven kwam tot mij. De sloep was naast het vaartuig blijven liggen op dezelfde plaats, waar wij haar den vorigen avond gelaten hadden. Wij besloten nog eens naar het eiland Gueboroar te gaan. Ned Land hoopte op de jacht gelukkiger te zijn dan den vorigen dag en wilde een ander deel van het woud bezoeken.
Met het opgaan der zon waren wij op weg. In weinige oogenblikken bereikte onze sloep met behulp van een gunstigen stroom het eiland. Wij gingen aan land, en omdat wij dachten dat het goed was als wij aan het verlangen van Ned Land voldeden, volgden wij hem, doch hadden werk om hem met zijne lange beenen bij te houden.
De Amerikaan liep de kust in westelijke richting langs, daarna doorwaadde hij eenige kleine riviertjes, en ging naar eene hoogvlakte, welke door wonderschoone bosschen begrensd werd. Eenige ijsvogels zwierven langs de riviertjes, doch lieten zich niet benaderen. Hunne schuwheid bewees mij dat die vogels wisten wat zij van wezens van onze soort te wachten hadden, en ik maakte daaruit de gevolgtrekking dat als het eiland al niet bewoond was, er ten minste van tijd tot tijd menschen kwamen.
Toen wij eene vrij weelderige weide door waren gegaan, kwamen wij aan den rand van een klein bosch, waar het gezang en gekweel van een groot aantal vogels ons vroolijk tegenklonk.
“Dat zijn nog maar vogels,” zeide Koenraad.
“Maar er zijn er toch bij, die men eten kan!” antwoordde de harpoenier.
“Ik geloof het niet, vriend Ned,” hervatte Koenraad, “want ik zie niets dan papegaaien.
“Vriend Koen,” was het deftige antwoord van den Amerikaan, “de papegaai is een fazant voor hem die niets anders te eten heeft.”
“En ik zal er nog bijvoegen,” zeide ik, “dat als hij goed wordt klaargemaakt, die vogel nog wel de moeite waard is.”
En inderdaad, onder het dichte gebladerte fladderde een heirleger van papegaaien van tak tot tak; zij schenen slechts op een zorgvuldiger opvoeding te wachten om te kunnen spreken. Voor het oogenblik kakelden zij met wijfjes van allerhande kleur, en met deftige kakatoe’s, die over eenige wijsgeerige stelling schenen na te denken, terwijl schitterend roode vogels als een stuk scharlaken, dat door den wind wordt voortgejaagd, voorbij vlogen, te midden van een vogelenheir dat met de prachtigste kleuren was uitgedost; het was eene verscheidenheid van bevallige vogels, zooals ik nooit gezien had, doch die over het algemeen slecht om te eten waren. Evenwel ontbrak er aan deze verzameling nog éen vogel, welke nooit over de grenzen van de Papoea-eilanden gekomen is. Het toeval diende mij weldra ook hierin.
Na een niet zeer dicht kreupelhout te zijn doorgegaan, vonden wij eene vlakte met heesters bedekt. Daar zag ik prachtige vogels opvliegen, wier lange vederen hen noodzaakten om tegen den wind in te vliegen. Hunne dwarrelende vlucht, de bevalligheid der bochten, welke zij in de lucht beschreven de schittering hunner kleuren trokken bijzonder onze aandacht; ik herkende ze zonder moeite.
“Paradijsvogels!” riep ik uit.
“Orde der musschen, afdeeling der....” antwoordde Koenraad.
“Is het ook familie van de patrijzen?” viel Ned Land hem in de rede.
“Dat geloof ik niet; doch ik reken toch op uwe behendigheid om een van die prachtige dieren uit deze hemelstreek te vangen.”
“Ik zal het beproeven, mijnheer de professor, hoewel ik meer gewoon ben om met den harpoen dan met het geweer om te gaan.”
De Maleiers, die met de Chineezen grooten handel in deze vogels drijven, hebben verschillende manieren om ze te vangen, waarvan wij nu geen gebruik konden maken. Dan eens zetten zij strikken in de toppen der boomen; waarin deparadijsvogelsbij voorkeur zich ophouden; dan vangen zij ze met lijmstokken; soms zelfs vergiftigen zij het water, waarin die vogels gewoonlijk gaan drinken.Wat ons betrof, wij moesten ze in de vlucht schieten waardoor wij weinige kans hadden om er een te krijgen; wij verspilden daarom ook een deel van onze ammunitie.
Tegen elf uur ’s morgens waren wij den eersten rand der bergen, welke zich in het midden des eilands verheffen, over, en wij hadden nog niets geschoten. De honger begon ons te plagen; de jagers hadden gerekend op hetgeen zij zouden schieten en daarin hadden zij ongelijk gehad. Gelukkig schoot Koenraad tot zijne groote verbazing twee dieren tegelijk dood en verschafte ons daardoor een ontbijt; hij schoot namelijk eene witte en eene houtduif, die vlug geplukt en aan een spit gestoken, voor een vuurtje van dood hout gebraden werden. Terwijl die beestjes gereed werden gemaakt, bereidde Ned Land eenige vruchten van den broodboom; daarna aten wij de beide duiven op en vonden ze voortreffelijk. De muskaatnoot, waarmede zij zich gewoonlijk voeden, geeft aan hun vleesch een zekeren geur, en doet ze overheerlijk smaken.
“Het is evenals jonge hoentjes, die truffels eten,” zeide Koenraad.
“En wat ontbreekt u nu nog, Ned?” vroeg ik den Amerikaan.
“Een viervoetig stuk wild, mijnheer Aronnax,” antwoordde Ned Land. “Al die duiven dat is maar bijwerk, en een mondterging; ik zal dan ook niet eer tevreden zijn voor ik een beest heb doodgeschoten, waarvan ik karbonade kan eten.”
“En ik niet, Ned, alvorens ik een paradijsvogel gevangen heb.”
“Laat ons de jacht dan voortzetten,” antwoordde Koenraad, maar naar den zeekant toe; wij zijn tot de helling der bergen genaderd en ik geloof dat het beter is om naar de bosschen terug te keeren.
Dat was een wijze raad, en wij volgden dien. Na een uur te zijn voortgegaan, waren wij in een waar bosch van sagoboomen gekomen; eenige onschadelijke slangen vluchtten voor ons uit; de paradijsvogels verdwenen als wij naderden, en ik wanhoopte er wezenlijk reeds aan om ze onder schot te krijgen, toen Koenraad, die vooruitging, zich eensklaps bukte, een blijden kreet slaakte en met een prachtigen paradijsvogel in de hand naar mij toe kwam.
“Bravo Koen, bravo!” riep ik.
“Mijnheer is wel goed.” antwoordde Koenraad.
“Zeker niet, mijn jongen; gij hebt daar een meesterstuk begaan om een van die vogels te vangen, en dat nog wel met de hand!”
“Als mijnheer hem eens goed bekijken wil, zal hij zien dat er zooveel verdienste niet in steekt.”
“En waarom Koen?”
“Omdat die vogel zoo dronken als een snip is.”
“Dronken?”
“Ja, mijnheer, dronken van de muskaatnoten, welke hij onder den boom, waar ik hem gevangen heb, opvrat. Kijk eens, vriend Ned, wat het vreeselijk gevolg der onmatigheid is?”
Ned Land stelde zich tevreden met een dozijn buideldieren.Ned Land stelde zich tevreden met een dozijn buideldieren.
Ned Land stelde zich tevreden met een dozijn buideldieren.
“Duizend duivels!” antwoordde de Amerikaan, “het is wel de moeite waard om mij te verwijten hoeveel jenever ik sedert twee maanden gedronken heb!”
Ik bekeek ondertusschen den schoonen vogel; Koenraad bedroog zich niet: de paradijsvogel, dronken van het koppige sap, was onmachtig om zich te bewegen; hij kon niet vliegen, zelfs bijna niet loopen; dit verontrustte mij echter niet, en ik liet zijn roes stil uitwoeden. De vogel behoorde tot de schoonste der acht soorten, welke men op Nieuw-Guinea vindt; het was de groote smaragdkleurige paradijsvogel, een van de zeldzaamste; hij was drie decimeter lang; het kopje was betrekkelijk klein; de oogen, die dicht bij den bek stonden, waren ook klein; doch hij vertoonde eene wonderschoone afwisseling van kleuren, de bek was geel, de pooten en nagels bruin, de vleugels lichtbruin met purper aan de uiteinden, de kop en hals lichtgeel, de borst smaragdkleurig en de buik kastanjebruin. Boven den staart staken twee lange hoornachtige en met dons bedekte schachten uit, welke in zeer lichte en lange veeren van zonderlinge fijnheid eindigden. Zoodanig was het uiterlijk van dien uitstekend fraaien vogel, welken de inboorlingen dichterlijk “den vogel der zon” noemen. Ik wenschte dit prachtig exemplaar van de paradijsvogels mede naar Parijs te kunnen nemen om hem aan den Plantentuin ten geschenke te geven, waar er geen enkele levend is.
“Is hij dan zóo zeldzaam?” vroeg de Amerikaan op den toon van een jager, die uit een wetenschappelijk oogpunt zeer weinig om wild geeft.
“Zeer zeldzaam, wakkere vriend, en vooral hoogst moeielijk om ze levend te vangen; zelfs als zij dood zijn, worden deze vogels nog als een belangrijk handelsartikel beschouwd. Daarom hebben de inboorlingen een middel verzonnen om ze na te maken, zooals men paarlen en diamanten namaakt.”
“Wat!” riep Koenraad, “maakt men valsche paradijsvogels?”
“Ja, Koen.”
“En weet mijnheer hoe die inboorlingen dat doen?”
“Zeer goed: de paradijsvogels verliezen in den Oostmousson hunne prachtige staartveeren; deze worden door de namakers van vogels opgezocht en aan een te voren verminkten papegaai aangeplakt, dan verven en vernissen zij den vogel, en sturen die voortbrengselen hunner zonderlinge nijverheid naar de Europeesche museums of aan liefhebbers.”
“Mooi zoo!” riep Ned Land, “al is het dan de vogel niet, dan zijn het toch zijne vederen, en zoolang het beest niet gegeten wordt, zie ik er geen kwaad in!”
Al was aan mijne begeerte nu voldaan door het bezit van een paradijsvogel, de wensch van den Amerikaanschen jager was nog volstrekt niet vervuld. Gelukkig velde Ned Land tegen twee uur een groot boschvarken, dat de inlanders bari-outang noemen. Het dier kwam goed van pas om ons wezenlijk vleesch van een viervoetigdier te verschaffen; Ned was trotsch op zijn schot; het varken, door den electrieken kogel getroffen, was mors dood gevallen.
De Amerikaan sneed het open en haalde er de ingewanden uit; toen sneed hij er vast een half dozijn ribbetjes uit, welke hij voor ons avondmaal wilde roosteren; daarop ving de jacht op nieuw aan, welke nog blijken moest geven van de heldendaden van Ned en Koenraad; de twee vrienden, het kreupelhout doorkruisende, joegen een troep kangoeroe’s op, die op hunne lange achterpooten wegvluchtten; maar zij sprongen niet zóo snel weg of de electrieke kogel kon hen in hunne vaart nog wel stuiten.
“O, mijnheer,” riep Ned Land, wien de jagers woede naar het hoofd begon te stijgen, “wat heerlijk wild, vooral gestoofd! Wat voorraad voor de Nautilus! Twee, drie ... vijf voor den grond! En als ik denk dat wij al dat vleesch zullen opeten, en dat die gekken daar aan boord er niets van mede krijgen!”
Ik geloof waarlijk dat, als de Amerikaan niet zooveel gepraat had, hij in overmaat van blijdschap den geheelen troep zou doodgeschoten hebben! Maar hij stelde zich tevreden met een dozijn van die buideldieren; zij waren klein van stuk; het waren eigenlijk springkonijnen, die in holle boomen nestelen en ontzaglijk vlug zijn; maar al zijn zij klein, zoo is hun vleesch toch bijzonder gezocht.
Wij waren zeer tevreden over den uitslag onzer jacht. De vroolijke Ned stelde zich voor om den volgenden dag naar dit bekoorlijke eiland terug te keeren, dat hij zoo het scheen van alle eetbare dieren berooven wilde; doch hij rekende buiten den waard.
’s Avonds om zes uur waren wij weder op het strand. Onze sloep lag op hare gewone plaats; de Nautilus stak altijd als een lange klip op twee mijl van de kust boven de zee uit.
Zonder dralen begon Ned Land aan het gewichtig werk voor ons diner. Hij verstond de kookkunst bijzonder goed. Weldra verspreidden de varkensribbetjes, die hij boven een kolenvuur roosterde, een aangenamen geur. Doch ik bemerk dat ik den Amerikaan nadoe. Ik raak nu reeds opgewonden door een geroosterd varkensribbetje! Men vergeve het mij zooals aan Ned Land!
Om kort te gaan, ons maal was overheerlijk. Twee houtduiven kwamen ook op de spijskaart voor, en behalve dit en de andere vleeschspijzen eene sagopastij, brood van den broodboom, eenige manga’s, een half dozijn ananassen, en het uitgegiste sap van zeker soort van kokosnoten, waardoor wij wat opgewonden werden; ik geloof zelfs dat mijne waardige makkers niet zoo heel helder meer waren.
“Als wij van avond eens niet naar de Nautilus terug keerden?” zeide Koenraad.
“Als wij er eens nooit weder heen gingen?” voegde Ned er bij.
Op dat oogenblik viel er een steen voor onze voeten neder, en maakte een einde aan de voorstellen van het tweetal.