HOOFDSTUK XIII.

[Inhoud]HOOFDSTUK XIII.HOOFDSTUK XIII.Slot.Er zijn nog maar weinige menschen aan het leven die zich den vreeselijken storm herinneren, die op den 31stenAugustus van het jaar 1811 in Kaapstad woedde. Leven er misschien nog enkelen, die in die dagen reeds oud genoeg waren om zooiets bemerkt te hebben, dan is het nog zeer de vraag of zij zich dezen bijzonderen storm zullen herinneren, want stormen zijn zoo gewoon op het Kaapsche schiereiland in den winter, dat de oude inwoners van de Kaap er geen bijzondere attentie aan schonken, tenzij die gekenmerkt werd door het vergaan van een aantal schepen, iets dat maar helaas, al te dikwijls[237]gebeurde in de dagen, toen de Tafelbaai nog open lag voor de verschrikkelijke golven van den Oceaan, en er geen breekwater was, om die golven te keeren, zoodat de schepen veilig onder de bedekking er van konden liggen, zooals zij thans doen. In de geschiedenis boeken van de Kaapkolonie is dan ook geen melding gemaakt van dezen storm op gemelden datum, en dat waarschijnlijk omdat juist toen, er geen enkel schip in Tafelbaai lag, en de woedende elementen dus niet de gelegenheid hadden om hun wraak aan een enkel schip te koelen. Er lagen wel eenige schepen in de baai Fals, maar deze baai was in den winter een veel veiliger haven dan de Tafelbaai, omdat zij meer beschut was tegen de Noordwester stormen die in den winter heerschen. Wij vinden echter in het dagboek van Jan van Eck melding gemaakt van dien storm, en hij schijnt zeer erg geweest te zijn, zooals mijne lezers uit dit laatste gedeelte van het dagboek zullen zien.Wat Van Eck schreef komt omtrent hierop neer. Reeds in den namiddag van den 30stenAugustus begon de Noordwesten wind te waaien, maar het was toen nog maar een lichte bries, die geen ander effekt scheen te hebben dan dat zij uit het Noordwesten, zoowat tusschen Robbeneiland en Houtbaai eenige wolken aan den gezichteinder deed oprijzen,[238]die aantoonden dat er nog heel leelijk weer in dien hoek zat, wat niemand verwonderde, want in Augustus is de winter nog lang niet over in het zuiden der kolonie, en zelfs in October krijgt men dikwijls zeer zware regens en stormen. In den nacht wakkerde de wind echter wat aan, en toen de goede Kapenaars den volgenden morgen ontwaakten, was de lucht met lichte wolken overdekt, terwijl uit de zee ontzettende wolkgevaarten kwamen aanzetten, met dien statigen tred, die een zware storm voorspellen. Zwarte zware, donder koppen waren het eenigszins buitengewoon van vorm en kleur; zij waren niet gewoon zwart, maar schenen een soort van blauwachtigen glans te hebben, en hier en daar waren er tusschen hen eenige witachtige wolken, die zich op hun eigen houtje tusschen de zwarte wolken bewogen, gedreven door eene luchtstrooming, die oogenschijnlijk dichter bij de aarde was dan de wind die de zwaardere gevaarten voortstuwde. Naarmate de dag voorbij ging, kwamen deze zwarte wolken nader, en tegen den avond zoowat omtrent den gewonen zonsondergangstijd, (want de zon zelve was niet meer zichtbaar) was de geheele Kaapstad in een blauwachtig, geheimzinnig waas gehuld, terwijl de wind nu geheel was gaan liggen. Het was de stilte vóór den storm; een akelige, benauwde, angstwekkende stilte, zoo doodsch[239]en zoo treurig, dat als men sprak men voor zijn eigene stem schrok. Alle menschen zorgden dan ook om binnentijds in huis te komen, en zich daar veilig wanende, achter de dikke muren hunner huizen, wachtten zij met eenigen angst den verderen loop der zaken af.Het was even over zes ure, toen de natuur hare strijdkrachten scheen te hebben gemonsterd, en plotseling zich tot den aanval gereed maakte. Een felle bliksemstraal kliefde de lucht, en bijna op hetzelfde oogenblik kraakte er een geweldige donderslag, die de stad tot in hare grondvesten scheen te doen beven. Dadelijk daarop verhief de wind zich met ontzettend geweld, zoo erg, dat hij stukken schoorsteenen, en wat weggerukt kon worden, door de straten slingerde, en dat onder een gehuil en een gesis dat iemand hooren en zien deed vergaan. Steeds woedender werd het gebulder der elementen; en daarmede vermengde zich nu het gedruisch der opgezweepte golven, die als brieschende en schuimende paarden de baai binnen rolden en kletterend zich te pletter beukten tegen de rotsen nabij het kasteel en het omringende zand. Kort daarop begon de regen in stroomen neer te vallen, en werden de straten en wegen in ware rivieren herschapen, terwijl de wind steeds bleef doorwaaien, en zelfs heviger scheen te worden.[240]Jan van Eck was dien avond vrij vroeg in zijn huis gegaan, want ook hij had den storm zien aankomen. Hij had juist zijn avondeten genuttigd, toen de storm losbrak, en dat met zooveel geweld, dat zijn oude jong half bang werd, en de aanmerking maakte dat dit leek alsof de wereld wilde vergaan, en dat een mensch kon bang worden dat die wind die huis kon omwaaien, of de golven het konden wegspoelen. Maar de oude man lachte om dit denkbeeld. Het huis, zoo zeide hij, was stevig gebouwd en had nog wel zwaardere stormen doorleefd, en het was niet zeer waarschijnlijk dat de golven zoover het strand zouden opkomen, al was in December 1809, toen er een aardbeving was geweest, de zee tot zeer dicht bij het huis gekomen, maar misschien was dit een aardbevingsgolf geweest, die altijd hooger drong dan de golven onder gewone omstandigheden.„Ga jij maar gerust slapen”, zeide hij tot den slaaf, en deze, die een onbeperkt vertrouwen in zijn meester had, en hem nooit tegensprak, ging dan ook werkelijk zijn bed op de gewone plek in de kombuis maken, want het huisje van Van Eck bestond slechts uit twee vertrekken, een waarvan als woon-en slaapkamer diende, terwijl de andere als kombuis en bergplek diende.Toen de jongen in bed was, ging van Eck zijn[241]dagboek te voorschijn halen, en zette pen en inkt voor zich neder, zooals hij de laatste twintig jaren steeds had gedaan. Wie op dat oogenblik zijn kamer was binnen gekomen, zou nooit hebben kunnen droomen, dat daar buiten de elementen een hevigen strijd aan het voeren waren, en dat wind, en regen met elkander in geweld wedijverden onder het gedurige, en steeds sterker wordende gebrul en gedonder der golven, die thans berghoog de baai kwamen binnen rollen, en zeker alle schepen in de baai zouden hebben doen vergaan, zoo er eenige waren geweest.JanvanEck was er niet de man naar om zich te bekommeren over dezen strijd, die daar buiten aan den gang was; een meer dan vijf-en-twintig jaar leven aan Tafelbaai’s strand had hem er aan gewoon doen worden, en het geloei van den storm en het gebrul der baren was hem immer een soort van muziek geweest, die hem in den slaap suste, als ware het een zoet gezang geweest dat moeder natuur voor hem, haar kind, zong. Doch dezen avond was het den ouden man toch wonderlijk te moede; hij luisterde een tijd lang naar de geluiden daar buiten, en het kwam hem voor alsof er dien avond iets bijzonders in die geluiden was, iets dat hem vroeger nooit had getroffen. Zijne gedachten gingen[242]als van zelve terug naar de dagen van ouds, en zijn geheele leven ontrolde zich voor zijne oogen als een onafgebroken tooneel, van af zijne prilste jeugd tot aan den tegenwoordigen tijd. Hij zag weder de goede oude dagen, toen er hier in de kolonie een oprecht en rechtvaardig man aan het hoofd van zaken stond, een man zooals men sedert hem niet had gezien; Rijk Tulbagh, de vader des volks, de man die nietalleenbelang stelde in de welvaart van de volkplanting in het algemeen, maar die zich ook het lot van iedere klasse, en men zou bijna kunnen zeggen van ieder individu in de kolonie aantrok. En toen ontrolde zich één voor één de verdere tooneelen van de geschiedenis der Kaap; hij zag de zaken achteruit gaan onder onverschillige en onbekwame gouverneurs; de Compagnie in den uitersten geldnood verkeeren, en trachtende om uit de kolonie te zuigen wat er te zuigen viel, ten einde toch maar in staat te zijn het hoofd boven water te houden. En toen zag hij ten slotte de eerste verovering van de Kaap door de Engelschen, en zich zelven met geweer en kruit en kogeltasch staan bij het strand aan Muizenberg; hij streed nog eens den slag van Muizenberg over, en het rood der schaamte kleurde zijn gelaat als hij dacht, hoe de volkplanting toen schandelijk verraden was, door hen aan wien[243]het bestuur en de bewaking er van waren toevertrouwd. Toen volgde eenige treurige jaren, jaren van vreemde heerschappij; die jaren die door mannen als Adriaan van Jaarsveld, Teunis Botha en anderen werden doorgebracht in de vunzige, ongezonde kerkers van het Kaapsche kasteel, waar zij bleven totdat er een beteren tijd naderde, en de Hollandsche driekleur weder fier van de tinne van het kasteel wapperde. Welke tijden waren dat toen, en wat hadden zij niet beloofd? Maar die hoop was op grove wijze teleurgesteld, de oorlog brak weder uit, en de Britsche Leeuw, ergerlijk dat hij reeds éénmaal zijn prooi had moeten loslaten, sloeg weder den klauw op de kust van Zuid-Afrika. Weer woei het kruis van St. George aan de Tafelbaai, en het scheen bijna alsof zij daar zou waaien totdat de dag des doems de dooden in hunne graven zou doen ontwaken, en er een andere Vorst over de aarde zou regeeren, dan de zwakke monarchen dezer wereld.Al denkende over al deze gebeurtenissen, die zich voor zijn oog ontrolde, greep Jan van Eck, de laatste der oude Afrikaners van het Westen, de pen, om, vóór hij zich ter ruste begaf, nog zijn dagboek bij te werken. Hij begon: „Buiten loeit de storm, zoo erg als ik hem nog nimmer gehoord heb; binnen in mijn hart, woelt en stormt het van gedachten. Arm Kaapland,[244]wat zal van u worden? Welke tooneelen zal men hier aanschouwen binnen de volgende honderd jaren? zal er éénmaal een dag komen wanneer.…”Hier houdt het dagboek plotseling op, en na het woord „wanneer”, of liever er vlak onder, ligt een groote inktvlak. Wat is er met den schrijver gebeurd? Die vraag heb ik mij zelven zoo dikwijls gesteld, en er toch nooit eene behoorlijke oplossing van kunnen vinden. Dat het huisje van den ouden man op diens hoofd door den storm vernield is, komt mij onder de omstandigheden zeer onwaarschijnlijk voor. Want ten eerste schijnt hij tijd gehad te hebben om zijn dagboek weg te sluiten in de kist waarin hij die gewoonlijk bewaarde, en de kist zelf behoorlijk te sluiten. Ten tweede is er geen spoor te vinden van zijn lijk, en in de kerkboeken van de Hollandsche Kerk te Kaapstad heb ik te vergeefs gezocht naar iets omtrent zijn dood of begrafenis. Misschien dat het gebouw werkelijk aan het wankelen is geraakt en dat Van Eck het verliet, om op de eene of andere wijze zijn leven te redden, doch dat de woeste baren hem hebben uitgenomen, en hij in de Tafelbaai zijn dood vond? Doch waarom ons in zulke gissingen verdiept? De golven van den oceaan weten hunne geheimen te bewaren, en de grafgezangen door hen[245]over duizenden en honderdduizenden van menschen gezongen, worden door ons niet verstaan.Een jaar of wat geleden, toen ik voor het eerst Kaapstad bezocht, maakte ik ook eene wandeling langs het strand tusschen Woodstock—(of Papendorp) en Zoutrivier, en trachtte zoo goed mogelijk de plaats te vinden waar het huis van Jan van Eck had gestaan, want schoon de dokter die mij zoo goed mogelijk had beduid, hadden er zoovele veranderingen plaats gevonden, dat ik niet geheel zeker van mijne zaak was.Ik zette mij neder op eene boot, die, onderste boven gekeerd, op het strand lag, en keek eens om mij heen.De Tafelbaai was vol schepen en stoombooten; links van mij strekte zich Kaapstad uit, en van het Kasteel waaide nog de Engelsche vlag. Rechts van mij lag Maitland, en de groote Spoorwegwerkplaats te Zoutrivier. Een kleinen afstand achter mij ratelde er bijna elke tien minuten een spoortrein van of naar Kaapstad, en rijen van telegraafdraden doorsneden als spinnedraden de ruimte boven den spoorweg.Wat al veranderingen, wat al vooruitgang op stoffelijk gebied, sinds de dagen van 1812! Als de[246]arme Jan van Eck weer eens in het leven terugkwam, zou hij van dit alles niets begrijpen; hij zou een vreemdeling in de stad zijner geboorte zijn. Maar toch zou hij er eenige dingen vinden, die niet veranderd waren. Niet zaken der uiterlijke wereld, maar dingen die tot den geest van den mensch behooren. Want sinds 1812 is de klove, die er toen reeds bestond tusschen Afrikaner en Engelschman, niet gedempt; integendeel zij is breeder en dieper geworden; zij gaapt als een peilloozen afgrond. ’t Is niet hier de plaats om al de gebeurtenissen na te gaan, die daartoe hebben geleid.Maar toch is er iets dat ik graag onder den aandacht mijner lezers wil brengen, juist daarom, omdat, als zij werkelijk het rechte begrip er van krijgen, er meer kans is op samenwerking in Zuid-Afrika, dan er nu schijnt te bestaan.Men is gewoon om in Zuid-Afrika Engelschman tegenover Afrikaner te stellen; men heeft dit zoolang gedaan tot er werkelijk een rassengevoel is ontstaan, die alreeds tot de treurigste gevolgen heeft geleid. En toch, als men de zaak degelijk bekijkt, dan is de strijd die inZuid-Afrikaheeft geheerscht en nog heerscht, reeds duizenden van jaren oud, en zij bestaat overal. Het is de strijd tusschen den stadbewoner en den plattelands-bewoner, de strijd tusschen[247]handel en landbouw. Dat de strijd die van de eene nationaliteit tegen de andere geworden is, is alleen veroorzaakt door het feit dat het na 1806 de Engelschman was, die de stadbewoner werd, en de Afrikaner gewoon aan het vrije buitenleven, weigerde stadbewoner te worden. Voor een land als Engeland, dat geheel van den handel leeft, en dat als het ware één groote stad wordt, en waar de landbouw bijna geheel verdelgd is ten gunste van de industrie—voor zulk een land is het natuurlijk een levenskwestie om zijn handel, en diergenen zijner onderdanen die van den handel leven, te beschermen. Daarom heeft Engeland in Zuid-Afrika eene zuivere handelspolitiek gevolgd, die direkt en indirekt werkte ten nadeele der Afrikaander Boeren. Daardoor zijn hare verkeerde maatregelen ontstaan met betrekking tot onze inboorlingen, die alleen werden beschouwd als mogelijke koopers en dus beschermd werden tegenover de Boeren, die terecht den kleurling aanziet als den arbeider van het land. Sympathie en Samenwerking tusschen de twee klassen van bevolking waren onmogelijk van het begin af aan; het was geen rassenhaat, maar een direkt tegenover elkander staan van belangen.Zal samenwerking ooit mogelijk worden? Wij hebben redenen genoeg om er aan te twijfelen, als wij tenminste mogen oordeelen naar de toestanden[248]en gebeurtenissen die in andere landen hebben plaatsgevonden en nog plaatsvinden. Beide partijen zullen steeds trachten om elkander een vlieg af te vangen, zooals het spreekwoord luidt. Zoodra de Boerenpartij te machtig wordt, en door hare meerderheid in het Parlement in staat is maatregelen te nemen ten gunste van den landbouw, op datzelfde oogenblik zal de oude storie herhaald worden, en zal Engeland de handelspartij te hulp moeten komen.En wat leert ons ongelukkiglijk de geschiedenis. Dat, bijna overal waar de strijd plaats gevonden heeft, de steden het op den duur hebben gewonnen. En dat is ook begrijpelijk, want naar mate handel en industrie toenemen, en landbouw afneemt, na die mate groeit de bevolking der steden aan. ’t Is misschien een treurige toekomst voor den Afrikaner, maar de loop der dingen is niet te stuiten. Toch bestaan er betere kansen voor de landbouw bevolking in Zuid-Afrika dan ergens anders, tengevolge van de bijzondere omstandigheden, den aard van den grond en het klimaat van ons land, en er bestaat mogelijkheid, dat onder een gunstigen samenloop van omstandigheden, de Boer het toch wint. Maar dan is het noodig dat men de ware redenen van den strijd op den voorgrond stelt, en dat die niet op gebied van nationaliteit worde gestreden.[249]Maar genoeg hiervan. Wij schrijven hier geen politieke verhandeling, maar wel iets over de geschiedenis en het leven onzer voorvaderen. Dat leven te bestudeeren moet voor elken Afrikaander iets aantrekkelijks hebben; het behoort zijne plicht te zijn met de geschiedenis van zijn land en volk bekend te raken. En daarom moet er nog veel worden gedaan voor onze opvoeding, of liever voor die onzer kinderen. Goede, goedkoope scholen, dat is wat wij nog noodig hebben. Hoe beter ons nageslacht opgevoed is, hoe beter kans zij hebben om den strijd te winnen.Afrika voor de Afrikaners! Dat is noch seditie, noch rebellie. Want onder Afrikaners verstaan wij alleen degenen die het ware welzijn van dit land ter harte hebben, hetzij zij van Engelschen bloede, of van Hollandschen, Duitschen, of Franschen oorsprong zijn.En daarom nog eens:Afrika voor de Afrikaners![250]

[Inhoud]HOOFDSTUK XIII.HOOFDSTUK XIII.Slot.Er zijn nog maar weinige menschen aan het leven die zich den vreeselijken storm herinneren, die op den 31stenAugustus van het jaar 1811 in Kaapstad woedde. Leven er misschien nog enkelen, die in die dagen reeds oud genoeg waren om zooiets bemerkt te hebben, dan is het nog zeer de vraag of zij zich dezen bijzonderen storm zullen herinneren, want stormen zijn zoo gewoon op het Kaapsche schiereiland in den winter, dat de oude inwoners van de Kaap er geen bijzondere attentie aan schonken, tenzij die gekenmerkt werd door het vergaan van een aantal schepen, iets dat maar helaas, al te dikwijls[237]gebeurde in de dagen, toen de Tafelbaai nog open lag voor de verschrikkelijke golven van den Oceaan, en er geen breekwater was, om die golven te keeren, zoodat de schepen veilig onder de bedekking er van konden liggen, zooals zij thans doen. In de geschiedenis boeken van de Kaapkolonie is dan ook geen melding gemaakt van dezen storm op gemelden datum, en dat waarschijnlijk omdat juist toen, er geen enkel schip in Tafelbaai lag, en de woedende elementen dus niet de gelegenheid hadden om hun wraak aan een enkel schip te koelen. Er lagen wel eenige schepen in de baai Fals, maar deze baai was in den winter een veel veiliger haven dan de Tafelbaai, omdat zij meer beschut was tegen de Noordwester stormen die in den winter heerschen. Wij vinden echter in het dagboek van Jan van Eck melding gemaakt van dien storm, en hij schijnt zeer erg geweest te zijn, zooals mijne lezers uit dit laatste gedeelte van het dagboek zullen zien.Wat Van Eck schreef komt omtrent hierop neer. Reeds in den namiddag van den 30stenAugustus begon de Noordwesten wind te waaien, maar het was toen nog maar een lichte bries, die geen ander effekt scheen te hebben dan dat zij uit het Noordwesten, zoowat tusschen Robbeneiland en Houtbaai eenige wolken aan den gezichteinder deed oprijzen,[238]die aantoonden dat er nog heel leelijk weer in dien hoek zat, wat niemand verwonderde, want in Augustus is de winter nog lang niet over in het zuiden der kolonie, en zelfs in October krijgt men dikwijls zeer zware regens en stormen. In den nacht wakkerde de wind echter wat aan, en toen de goede Kapenaars den volgenden morgen ontwaakten, was de lucht met lichte wolken overdekt, terwijl uit de zee ontzettende wolkgevaarten kwamen aanzetten, met dien statigen tred, die een zware storm voorspellen. Zwarte zware, donder koppen waren het eenigszins buitengewoon van vorm en kleur; zij waren niet gewoon zwart, maar schenen een soort van blauwachtigen glans te hebben, en hier en daar waren er tusschen hen eenige witachtige wolken, die zich op hun eigen houtje tusschen de zwarte wolken bewogen, gedreven door eene luchtstrooming, die oogenschijnlijk dichter bij de aarde was dan de wind die de zwaardere gevaarten voortstuwde. Naarmate de dag voorbij ging, kwamen deze zwarte wolken nader, en tegen den avond zoowat omtrent den gewonen zonsondergangstijd, (want de zon zelve was niet meer zichtbaar) was de geheele Kaapstad in een blauwachtig, geheimzinnig waas gehuld, terwijl de wind nu geheel was gaan liggen. Het was de stilte vóór den storm; een akelige, benauwde, angstwekkende stilte, zoo doodsch[239]en zoo treurig, dat als men sprak men voor zijn eigene stem schrok. Alle menschen zorgden dan ook om binnentijds in huis te komen, en zich daar veilig wanende, achter de dikke muren hunner huizen, wachtten zij met eenigen angst den verderen loop der zaken af.Het was even over zes ure, toen de natuur hare strijdkrachten scheen te hebben gemonsterd, en plotseling zich tot den aanval gereed maakte. Een felle bliksemstraal kliefde de lucht, en bijna op hetzelfde oogenblik kraakte er een geweldige donderslag, die de stad tot in hare grondvesten scheen te doen beven. Dadelijk daarop verhief de wind zich met ontzettend geweld, zoo erg, dat hij stukken schoorsteenen, en wat weggerukt kon worden, door de straten slingerde, en dat onder een gehuil en een gesis dat iemand hooren en zien deed vergaan. Steeds woedender werd het gebulder der elementen; en daarmede vermengde zich nu het gedruisch der opgezweepte golven, die als brieschende en schuimende paarden de baai binnen rolden en kletterend zich te pletter beukten tegen de rotsen nabij het kasteel en het omringende zand. Kort daarop begon de regen in stroomen neer te vallen, en werden de straten en wegen in ware rivieren herschapen, terwijl de wind steeds bleef doorwaaien, en zelfs heviger scheen te worden.[240]Jan van Eck was dien avond vrij vroeg in zijn huis gegaan, want ook hij had den storm zien aankomen. Hij had juist zijn avondeten genuttigd, toen de storm losbrak, en dat met zooveel geweld, dat zijn oude jong half bang werd, en de aanmerking maakte dat dit leek alsof de wereld wilde vergaan, en dat een mensch kon bang worden dat die wind die huis kon omwaaien, of de golven het konden wegspoelen. Maar de oude man lachte om dit denkbeeld. Het huis, zoo zeide hij, was stevig gebouwd en had nog wel zwaardere stormen doorleefd, en het was niet zeer waarschijnlijk dat de golven zoover het strand zouden opkomen, al was in December 1809, toen er een aardbeving was geweest, de zee tot zeer dicht bij het huis gekomen, maar misschien was dit een aardbevingsgolf geweest, die altijd hooger drong dan de golven onder gewone omstandigheden.„Ga jij maar gerust slapen”, zeide hij tot den slaaf, en deze, die een onbeperkt vertrouwen in zijn meester had, en hem nooit tegensprak, ging dan ook werkelijk zijn bed op de gewone plek in de kombuis maken, want het huisje van Van Eck bestond slechts uit twee vertrekken, een waarvan als woon-en slaapkamer diende, terwijl de andere als kombuis en bergplek diende.Toen de jongen in bed was, ging van Eck zijn[241]dagboek te voorschijn halen, en zette pen en inkt voor zich neder, zooals hij de laatste twintig jaren steeds had gedaan. Wie op dat oogenblik zijn kamer was binnen gekomen, zou nooit hebben kunnen droomen, dat daar buiten de elementen een hevigen strijd aan het voeren waren, en dat wind, en regen met elkander in geweld wedijverden onder het gedurige, en steeds sterker wordende gebrul en gedonder der golven, die thans berghoog de baai kwamen binnen rollen, en zeker alle schepen in de baai zouden hebben doen vergaan, zoo er eenige waren geweest.JanvanEck was er niet de man naar om zich te bekommeren over dezen strijd, die daar buiten aan den gang was; een meer dan vijf-en-twintig jaar leven aan Tafelbaai’s strand had hem er aan gewoon doen worden, en het geloei van den storm en het gebrul der baren was hem immer een soort van muziek geweest, die hem in den slaap suste, als ware het een zoet gezang geweest dat moeder natuur voor hem, haar kind, zong. Doch dezen avond was het den ouden man toch wonderlijk te moede; hij luisterde een tijd lang naar de geluiden daar buiten, en het kwam hem voor alsof er dien avond iets bijzonders in die geluiden was, iets dat hem vroeger nooit had getroffen. Zijne gedachten gingen[242]als van zelve terug naar de dagen van ouds, en zijn geheele leven ontrolde zich voor zijne oogen als een onafgebroken tooneel, van af zijne prilste jeugd tot aan den tegenwoordigen tijd. Hij zag weder de goede oude dagen, toen er hier in de kolonie een oprecht en rechtvaardig man aan het hoofd van zaken stond, een man zooals men sedert hem niet had gezien; Rijk Tulbagh, de vader des volks, de man die nietalleenbelang stelde in de welvaart van de volkplanting in het algemeen, maar die zich ook het lot van iedere klasse, en men zou bijna kunnen zeggen van ieder individu in de kolonie aantrok. En toen ontrolde zich één voor één de verdere tooneelen van de geschiedenis der Kaap; hij zag de zaken achteruit gaan onder onverschillige en onbekwame gouverneurs; de Compagnie in den uitersten geldnood verkeeren, en trachtende om uit de kolonie te zuigen wat er te zuigen viel, ten einde toch maar in staat te zijn het hoofd boven water te houden. En toen zag hij ten slotte de eerste verovering van de Kaap door de Engelschen, en zich zelven met geweer en kruit en kogeltasch staan bij het strand aan Muizenberg; hij streed nog eens den slag van Muizenberg over, en het rood der schaamte kleurde zijn gelaat als hij dacht, hoe de volkplanting toen schandelijk verraden was, door hen aan wien[243]het bestuur en de bewaking er van waren toevertrouwd. Toen volgde eenige treurige jaren, jaren van vreemde heerschappij; die jaren die door mannen als Adriaan van Jaarsveld, Teunis Botha en anderen werden doorgebracht in de vunzige, ongezonde kerkers van het Kaapsche kasteel, waar zij bleven totdat er een beteren tijd naderde, en de Hollandsche driekleur weder fier van de tinne van het kasteel wapperde. Welke tijden waren dat toen, en wat hadden zij niet beloofd? Maar die hoop was op grove wijze teleurgesteld, de oorlog brak weder uit, en de Britsche Leeuw, ergerlijk dat hij reeds éénmaal zijn prooi had moeten loslaten, sloeg weder den klauw op de kust van Zuid-Afrika. Weer woei het kruis van St. George aan de Tafelbaai, en het scheen bijna alsof zij daar zou waaien totdat de dag des doems de dooden in hunne graven zou doen ontwaken, en er een andere Vorst over de aarde zou regeeren, dan de zwakke monarchen dezer wereld.Al denkende over al deze gebeurtenissen, die zich voor zijn oog ontrolde, greep Jan van Eck, de laatste der oude Afrikaners van het Westen, de pen, om, vóór hij zich ter ruste begaf, nog zijn dagboek bij te werken. Hij begon: „Buiten loeit de storm, zoo erg als ik hem nog nimmer gehoord heb; binnen in mijn hart, woelt en stormt het van gedachten. Arm Kaapland,[244]wat zal van u worden? Welke tooneelen zal men hier aanschouwen binnen de volgende honderd jaren? zal er éénmaal een dag komen wanneer.…”Hier houdt het dagboek plotseling op, en na het woord „wanneer”, of liever er vlak onder, ligt een groote inktvlak. Wat is er met den schrijver gebeurd? Die vraag heb ik mij zelven zoo dikwijls gesteld, en er toch nooit eene behoorlijke oplossing van kunnen vinden. Dat het huisje van den ouden man op diens hoofd door den storm vernield is, komt mij onder de omstandigheden zeer onwaarschijnlijk voor. Want ten eerste schijnt hij tijd gehad te hebben om zijn dagboek weg te sluiten in de kist waarin hij die gewoonlijk bewaarde, en de kist zelf behoorlijk te sluiten. Ten tweede is er geen spoor te vinden van zijn lijk, en in de kerkboeken van de Hollandsche Kerk te Kaapstad heb ik te vergeefs gezocht naar iets omtrent zijn dood of begrafenis. Misschien dat het gebouw werkelijk aan het wankelen is geraakt en dat Van Eck het verliet, om op de eene of andere wijze zijn leven te redden, doch dat de woeste baren hem hebben uitgenomen, en hij in de Tafelbaai zijn dood vond? Doch waarom ons in zulke gissingen verdiept? De golven van den oceaan weten hunne geheimen te bewaren, en de grafgezangen door hen[245]over duizenden en honderdduizenden van menschen gezongen, worden door ons niet verstaan.Een jaar of wat geleden, toen ik voor het eerst Kaapstad bezocht, maakte ik ook eene wandeling langs het strand tusschen Woodstock—(of Papendorp) en Zoutrivier, en trachtte zoo goed mogelijk de plaats te vinden waar het huis van Jan van Eck had gestaan, want schoon de dokter die mij zoo goed mogelijk had beduid, hadden er zoovele veranderingen plaats gevonden, dat ik niet geheel zeker van mijne zaak was.Ik zette mij neder op eene boot, die, onderste boven gekeerd, op het strand lag, en keek eens om mij heen.De Tafelbaai was vol schepen en stoombooten; links van mij strekte zich Kaapstad uit, en van het Kasteel waaide nog de Engelsche vlag. Rechts van mij lag Maitland, en de groote Spoorwegwerkplaats te Zoutrivier. Een kleinen afstand achter mij ratelde er bijna elke tien minuten een spoortrein van of naar Kaapstad, en rijen van telegraafdraden doorsneden als spinnedraden de ruimte boven den spoorweg.Wat al veranderingen, wat al vooruitgang op stoffelijk gebied, sinds de dagen van 1812! Als de[246]arme Jan van Eck weer eens in het leven terugkwam, zou hij van dit alles niets begrijpen; hij zou een vreemdeling in de stad zijner geboorte zijn. Maar toch zou hij er eenige dingen vinden, die niet veranderd waren. Niet zaken der uiterlijke wereld, maar dingen die tot den geest van den mensch behooren. Want sinds 1812 is de klove, die er toen reeds bestond tusschen Afrikaner en Engelschman, niet gedempt; integendeel zij is breeder en dieper geworden; zij gaapt als een peilloozen afgrond. ’t Is niet hier de plaats om al de gebeurtenissen na te gaan, die daartoe hebben geleid.Maar toch is er iets dat ik graag onder den aandacht mijner lezers wil brengen, juist daarom, omdat, als zij werkelijk het rechte begrip er van krijgen, er meer kans is op samenwerking in Zuid-Afrika, dan er nu schijnt te bestaan.Men is gewoon om in Zuid-Afrika Engelschman tegenover Afrikaner te stellen; men heeft dit zoolang gedaan tot er werkelijk een rassengevoel is ontstaan, die alreeds tot de treurigste gevolgen heeft geleid. En toch, als men de zaak degelijk bekijkt, dan is de strijd die inZuid-Afrikaheeft geheerscht en nog heerscht, reeds duizenden van jaren oud, en zij bestaat overal. Het is de strijd tusschen den stadbewoner en den plattelands-bewoner, de strijd tusschen[247]handel en landbouw. Dat de strijd die van de eene nationaliteit tegen de andere geworden is, is alleen veroorzaakt door het feit dat het na 1806 de Engelschman was, die de stadbewoner werd, en de Afrikaner gewoon aan het vrije buitenleven, weigerde stadbewoner te worden. Voor een land als Engeland, dat geheel van den handel leeft, en dat als het ware één groote stad wordt, en waar de landbouw bijna geheel verdelgd is ten gunste van de industrie—voor zulk een land is het natuurlijk een levenskwestie om zijn handel, en diergenen zijner onderdanen die van den handel leven, te beschermen. Daarom heeft Engeland in Zuid-Afrika eene zuivere handelspolitiek gevolgd, die direkt en indirekt werkte ten nadeele der Afrikaander Boeren. Daardoor zijn hare verkeerde maatregelen ontstaan met betrekking tot onze inboorlingen, die alleen werden beschouwd als mogelijke koopers en dus beschermd werden tegenover de Boeren, die terecht den kleurling aanziet als den arbeider van het land. Sympathie en Samenwerking tusschen de twee klassen van bevolking waren onmogelijk van het begin af aan; het was geen rassenhaat, maar een direkt tegenover elkander staan van belangen.Zal samenwerking ooit mogelijk worden? Wij hebben redenen genoeg om er aan te twijfelen, als wij tenminste mogen oordeelen naar de toestanden[248]en gebeurtenissen die in andere landen hebben plaatsgevonden en nog plaatsvinden. Beide partijen zullen steeds trachten om elkander een vlieg af te vangen, zooals het spreekwoord luidt. Zoodra de Boerenpartij te machtig wordt, en door hare meerderheid in het Parlement in staat is maatregelen te nemen ten gunste van den landbouw, op datzelfde oogenblik zal de oude storie herhaald worden, en zal Engeland de handelspartij te hulp moeten komen.En wat leert ons ongelukkiglijk de geschiedenis. Dat, bijna overal waar de strijd plaats gevonden heeft, de steden het op den duur hebben gewonnen. En dat is ook begrijpelijk, want naar mate handel en industrie toenemen, en landbouw afneemt, na die mate groeit de bevolking der steden aan. ’t Is misschien een treurige toekomst voor den Afrikaner, maar de loop der dingen is niet te stuiten. Toch bestaan er betere kansen voor de landbouw bevolking in Zuid-Afrika dan ergens anders, tengevolge van de bijzondere omstandigheden, den aard van den grond en het klimaat van ons land, en er bestaat mogelijkheid, dat onder een gunstigen samenloop van omstandigheden, de Boer het toch wint. Maar dan is het noodig dat men de ware redenen van den strijd op den voorgrond stelt, en dat die niet op gebied van nationaliteit worde gestreden.[249]Maar genoeg hiervan. Wij schrijven hier geen politieke verhandeling, maar wel iets over de geschiedenis en het leven onzer voorvaderen. Dat leven te bestudeeren moet voor elken Afrikaander iets aantrekkelijks hebben; het behoort zijne plicht te zijn met de geschiedenis van zijn land en volk bekend te raken. En daarom moet er nog veel worden gedaan voor onze opvoeding, of liever voor die onzer kinderen. Goede, goedkoope scholen, dat is wat wij nog noodig hebben. Hoe beter ons nageslacht opgevoed is, hoe beter kans zij hebben om den strijd te winnen.Afrika voor de Afrikaners! Dat is noch seditie, noch rebellie. Want onder Afrikaners verstaan wij alleen degenen die het ware welzijn van dit land ter harte hebben, hetzij zij van Engelschen bloede, of van Hollandschen, Duitschen, of Franschen oorsprong zijn.En daarom nog eens:Afrika voor de Afrikaners![250]

HOOFDSTUK XIII.HOOFDSTUK XIII.Slot.

HOOFDSTUK XIII.

Er zijn nog maar weinige menschen aan het leven die zich den vreeselijken storm herinneren, die op den 31stenAugustus van het jaar 1811 in Kaapstad woedde. Leven er misschien nog enkelen, die in die dagen reeds oud genoeg waren om zooiets bemerkt te hebben, dan is het nog zeer de vraag of zij zich dezen bijzonderen storm zullen herinneren, want stormen zijn zoo gewoon op het Kaapsche schiereiland in den winter, dat de oude inwoners van de Kaap er geen bijzondere attentie aan schonken, tenzij die gekenmerkt werd door het vergaan van een aantal schepen, iets dat maar helaas, al te dikwijls[237]gebeurde in de dagen, toen de Tafelbaai nog open lag voor de verschrikkelijke golven van den Oceaan, en er geen breekwater was, om die golven te keeren, zoodat de schepen veilig onder de bedekking er van konden liggen, zooals zij thans doen. In de geschiedenis boeken van de Kaapkolonie is dan ook geen melding gemaakt van dezen storm op gemelden datum, en dat waarschijnlijk omdat juist toen, er geen enkel schip in Tafelbaai lag, en de woedende elementen dus niet de gelegenheid hadden om hun wraak aan een enkel schip te koelen. Er lagen wel eenige schepen in de baai Fals, maar deze baai was in den winter een veel veiliger haven dan de Tafelbaai, omdat zij meer beschut was tegen de Noordwester stormen die in den winter heerschen. Wij vinden echter in het dagboek van Jan van Eck melding gemaakt van dien storm, en hij schijnt zeer erg geweest te zijn, zooals mijne lezers uit dit laatste gedeelte van het dagboek zullen zien.Wat Van Eck schreef komt omtrent hierop neer. Reeds in den namiddag van den 30stenAugustus begon de Noordwesten wind te waaien, maar het was toen nog maar een lichte bries, die geen ander effekt scheen te hebben dan dat zij uit het Noordwesten, zoowat tusschen Robbeneiland en Houtbaai eenige wolken aan den gezichteinder deed oprijzen,[238]die aantoonden dat er nog heel leelijk weer in dien hoek zat, wat niemand verwonderde, want in Augustus is de winter nog lang niet over in het zuiden der kolonie, en zelfs in October krijgt men dikwijls zeer zware regens en stormen. In den nacht wakkerde de wind echter wat aan, en toen de goede Kapenaars den volgenden morgen ontwaakten, was de lucht met lichte wolken overdekt, terwijl uit de zee ontzettende wolkgevaarten kwamen aanzetten, met dien statigen tred, die een zware storm voorspellen. Zwarte zware, donder koppen waren het eenigszins buitengewoon van vorm en kleur; zij waren niet gewoon zwart, maar schenen een soort van blauwachtigen glans te hebben, en hier en daar waren er tusschen hen eenige witachtige wolken, die zich op hun eigen houtje tusschen de zwarte wolken bewogen, gedreven door eene luchtstrooming, die oogenschijnlijk dichter bij de aarde was dan de wind die de zwaardere gevaarten voortstuwde. Naarmate de dag voorbij ging, kwamen deze zwarte wolken nader, en tegen den avond zoowat omtrent den gewonen zonsondergangstijd, (want de zon zelve was niet meer zichtbaar) was de geheele Kaapstad in een blauwachtig, geheimzinnig waas gehuld, terwijl de wind nu geheel was gaan liggen. Het was de stilte vóór den storm; een akelige, benauwde, angstwekkende stilte, zoo doodsch[239]en zoo treurig, dat als men sprak men voor zijn eigene stem schrok. Alle menschen zorgden dan ook om binnentijds in huis te komen, en zich daar veilig wanende, achter de dikke muren hunner huizen, wachtten zij met eenigen angst den verderen loop der zaken af.Het was even over zes ure, toen de natuur hare strijdkrachten scheen te hebben gemonsterd, en plotseling zich tot den aanval gereed maakte. Een felle bliksemstraal kliefde de lucht, en bijna op hetzelfde oogenblik kraakte er een geweldige donderslag, die de stad tot in hare grondvesten scheen te doen beven. Dadelijk daarop verhief de wind zich met ontzettend geweld, zoo erg, dat hij stukken schoorsteenen, en wat weggerukt kon worden, door de straten slingerde, en dat onder een gehuil en een gesis dat iemand hooren en zien deed vergaan. Steeds woedender werd het gebulder der elementen; en daarmede vermengde zich nu het gedruisch der opgezweepte golven, die als brieschende en schuimende paarden de baai binnen rolden en kletterend zich te pletter beukten tegen de rotsen nabij het kasteel en het omringende zand. Kort daarop begon de regen in stroomen neer te vallen, en werden de straten en wegen in ware rivieren herschapen, terwijl de wind steeds bleef doorwaaien, en zelfs heviger scheen te worden.[240]Jan van Eck was dien avond vrij vroeg in zijn huis gegaan, want ook hij had den storm zien aankomen. Hij had juist zijn avondeten genuttigd, toen de storm losbrak, en dat met zooveel geweld, dat zijn oude jong half bang werd, en de aanmerking maakte dat dit leek alsof de wereld wilde vergaan, en dat een mensch kon bang worden dat die wind die huis kon omwaaien, of de golven het konden wegspoelen. Maar de oude man lachte om dit denkbeeld. Het huis, zoo zeide hij, was stevig gebouwd en had nog wel zwaardere stormen doorleefd, en het was niet zeer waarschijnlijk dat de golven zoover het strand zouden opkomen, al was in December 1809, toen er een aardbeving was geweest, de zee tot zeer dicht bij het huis gekomen, maar misschien was dit een aardbevingsgolf geweest, die altijd hooger drong dan de golven onder gewone omstandigheden.„Ga jij maar gerust slapen”, zeide hij tot den slaaf, en deze, die een onbeperkt vertrouwen in zijn meester had, en hem nooit tegensprak, ging dan ook werkelijk zijn bed op de gewone plek in de kombuis maken, want het huisje van Van Eck bestond slechts uit twee vertrekken, een waarvan als woon-en slaapkamer diende, terwijl de andere als kombuis en bergplek diende.Toen de jongen in bed was, ging van Eck zijn[241]dagboek te voorschijn halen, en zette pen en inkt voor zich neder, zooals hij de laatste twintig jaren steeds had gedaan. Wie op dat oogenblik zijn kamer was binnen gekomen, zou nooit hebben kunnen droomen, dat daar buiten de elementen een hevigen strijd aan het voeren waren, en dat wind, en regen met elkander in geweld wedijverden onder het gedurige, en steeds sterker wordende gebrul en gedonder der golven, die thans berghoog de baai kwamen binnen rollen, en zeker alle schepen in de baai zouden hebben doen vergaan, zoo er eenige waren geweest.JanvanEck was er niet de man naar om zich te bekommeren over dezen strijd, die daar buiten aan den gang was; een meer dan vijf-en-twintig jaar leven aan Tafelbaai’s strand had hem er aan gewoon doen worden, en het geloei van den storm en het gebrul der baren was hem immer een soort van muziek geweest, die hem in den slaap suste, als ware het een zoet gezang geweest dat moeder natuur voor hem, haar kind, zong. Doch dezen avond was het den ouden man toch wonderlijk te moede; hij luisterde een tijd lang naar de geluiden daar buiten, en het kwam hem voor alsof er dien avond iets bijzonders in die geluiden was, iets dat hem vroeger nooit had getroffen. Zijne gedachten gingen[242]als van zelve terug naar de dagen van ouds, en zijn geheele leven ontrolde zich voor zijne oogen als een onafgebroken tooneel, van af zijne prilste jeugd tot aan den tegenwoordigen tijd. Hij zag weder de goede oude dagen, toen er hier in de kolonie een oprecht en rechtvaardig man aan het hoofd van zaken stond, een man zooals men sedert hem niet had gezien; Rijk Tulbagh, de vader des volks, de man die nietalleenbelang stelde in de welvaart van de volkplanting in het algemeen, maar die zich ook het lot van iedere klasse, en men zou bijna kunnen zeggen van ieder individu in de kolonie aantrok. En toen ontrolde zich één voor één de verdere tooneelen van de geschiedenis der Kaap; hij zag de zaken achteruit gaan onder onverschillige en onbekwame gouverneurs; de Compagnie in den uitersten geldnood verkeeren, en trachtende om uit de kolonie te zuigen wat er te zuigen viel, ten einde toch maar in staat te zijn het hoofd boven water te houden. En toen zag hij ten slotte de eerste verovering van de Kaap door de Engelschen, en zich zelven met geweer en kruit en kogeltasch staan bij het strand aan Muizenberg; hij streed nog eens den slag van Muizenberg over, en het rood der schaamte kleurde zijn gelaat als hij dacht, hoe de volkplanting toen schandelijk verraden was, door hen aan wien[243]het bestuur en de bewaking er van waren toevertrouwd. Toen volgde eenige treurige jaren, jaren van vreemde heerschappij; die jaren die door mannen als Adriaan van Jaarsveld, Teunis Botha en anderen werden doorgebracht in de vunzige, ongezonde kerkers van het Kaapsche kasteel, waar zij bleven totdat er een beteren tijd naderde, en de Hollandsche driekleur weder fier van de tinne van het kasteel wapperde. Welke tijden waren dat toen, en wat hadden zij niet beloofd? Maar die hoop was op grove wijze teleurgesteld, de oorlog brak weder uit, en de Britsche Leeuw, ergerlijk dat hij reeds éénmaal zijn prooi had moeten loslaten, sloeg weder den klauw op de kust van Zuid-Afrika. Weer woei het kruis van St. George aan de Tafelbaai, en het scheen bijna alsof zij daar zou waaien totdat de dag des doems de dooden in hunne graven zou doen ontwaken, en er een andere Vorst over de aarde zou regeeren, dan de zwakke monarchen dezer wereld.Al denkende over al deze gebeurtenissen, die zich voor zijn oog ontrolde, greep Jan van Eck, de laatste der oude Afrikaners van het Westen, de pen, om, vóór hij zich ter ruste begaf, nog zijn dagboek bij te werken. Hij begon: „Buiten loeit de storm, zoo erg als ik hem nog nimmer gehoord heb; binnen in mijn hart, woelt en stormt het van gedachten. Arm Kaapland,[244]wat zal van u worden? Welke tooneelen zal men hier aanschouwen binnen de volgende honderd jaren? zal er éénmaal een dag komen wanneer.…”Hier houdt het dagboek plotseling op, en na het woord „wanneer”, of liever er vlak onder, ligt een groote inktvlak. Wat is er met den schrijver gebeurd? Die vraag heb ik mij zelven zoo dikwijls gesteld, en er toch nooit eene behoorlijke oplossing van kunnen vinden. Dat het huisje van den ouden man op diens hoofd door den storm vernield is, komt mij onder de omstandigheden zeer onwaarschijnlijk voor. Want ten eerste schijnt hij tijd gehad te hebben om zijn dagboek weg te sluiten in de kist waarin hij die gewoonlijk bewaarde, en de kist zelf behoorlijk te sluiten. Ten tweede is er geen spoor te vinden van zijn lijk, en in de kerkboeken van de Hollandsche Kerk te Kaapstad heb ik te vergeefs gezocht naar iets omtrent zijn dood of begrafenis. Misschien dat het gebouw werkelijk aan het wankelen is geraakt en dat Van Eck het verliet, om op de eene of andere wijze zijn leven te redden, doch dat de woeste baren hem hebben uitgenomen, en hij in de Tafelbaai zijn dood vond? Doch waarom ons in zulke gissingen verdiept? De golven van den oceaan weten hunne geheimen te bewaren, en de grafgezangen door hen[245]over duizenden en honderdduizenden van menschen gezongen, worden door ons niet verstaan.Een jaar of wat geleden, toen ik voor het eerst Kaapstad bezocht, maakte ik ook eene wandeling langs het strand tusschen Woodstock—(of Papendorp) en Zoutrivier, en trachtte zoo goed mogelijk de plaats te vinden waar het huis van Jan van Eck had gestaan, want schoon de dokter die mij zoo goed mogelijk had beduid, hadden er zoovele veranderingen plaats gevonden, dat ik niet geheel zeker van mijne zaak was.Ik zette mij neder op eene boot, die, onderste boven gekeerd, op het strand lag, en keek eens om mij heen.De Tafelbaai was vol schepen en stoombooten; links van mij strekte zich Kaapstad uit, en van het Kasteel waaide nog de Engelsche vlag. Rechts van mij lag Maitland, en de groote Spoorwegwerkplaats te Zoutrivier. Een kleinen afstand achter mij ratelde er bijna elke tien minuten een spoortrein van of naar Kaapstad, en rijen van telegraafdraden doorsneden als spinnedraden de ruimte boven den spoorweg.Wat al veranderingen, wat al vooruitgang op stoffelijk gebied, sinds de dagen van 1812! Als de[246]arme Jan van Eck weer eens in het leven terugkwam, zou hij van dit alles niets begrijpen; hij zou een vreemdeling in de stad zijner geboorte zijn. Maar toch zou hij er eenige dingen vinden, die niet veranderd waren. Niet zaken der uiterlijke wereld, maar dingen die tot den geest van den mensch behooren. Want sinds 1812 is de klove, die er toen reeds bestond tusschen Afrikaner en Engelschman, niet gedempt; integendeel zij is breeder en dieper geworden; zij gaapt als een peilloozen afgrond. ’t Is niet hier de plaats om al de gebeurtenissen na te gaan, die daartoe hebben geleid.Maar toch is er iets dat ik graag onder den aandacht mijner lezers wil brengen, juist daarom, omdat, als zij werkelijk het rechte begrip er van krijgen, er meer kans is op samenwerking in Zuid-Afrika, dan er nu schijnt te bestaan.Men is gewoon om in Zuid-Afrika Engelschman tegenover Afrikaner te stellen; men heeft dit zoolang gedaan tot er werkelijk een rassengevoel is ontstaan, die alreeds tot de treurigste gevolgen heeft geleid. En toch, als men de zaak degelijk bekijkt, dan is de strijd die inZuid-Afrikaheeft geheerscht en nog heerscht, reeds duizenden van jaren oud, en zij bestaat overal. Het is de strijd tusschen den stadbewoner en den plattelands-bewoner, de strijd tusschen[247]handel en landbouw. Dat de strijd die van de eene nationaliteit tegen de andere geworden is, is alleen veroorzaakt door het feit dat het na 1806 de Engelschman was, die de stadbewoner werd, en de Afrikaner gewoon aan het vrije buitenleven, weigerde stadbewoner te worden. Voor een land als Engeland, dat geheel van den handel leeft, en dat als het ware één groote stad wordt, en waar de landbouw bijna geheel verdelgd is ten gunste van de industrie—voor zulk een land is het natuurlijk een levenskwestie om zijn handel, en diergenen zijner onderdanen die van den handel leven, te beschermen. Daarom heeft Engeland in Zuid-Afrika eene zuivere handelspolitiek gevolgd, die direkt en indirekt werkte ten nadeele der Afrikaander Boeren. Daardoor zijn hare verkeerde maatregelen ontstaan met betrekking tot onze inboorlingen, die alleen werden beschouwd als mogelijke koopers en dus beschermd werden tegenover de Boeren, die terecht den kleurling aanziet als den arbeider van het land. Sympathie en Samenwerking tusschen de twee klassen van bevolking waren onmogelijk van het begin af aan; het was geen rassenhaat, maar een direkt tegenover elkander staan van belangen.Zal samenwerking ooit mogelijk worden? Wij hebben redenen genoeg om er aan te twijfelen, als wij tenminste mogen oordeelen naar de toestanden[248]en gebeurtenissen die in andere landen hebben plaatsgevonden en nog plaatsvinden. Beide partijen zullen steeds trachten om elkander een vlieg af te vangen, zooals het spreekwoord luidt. Zoodra de Boerenpartij te machtig wordt, en door hare meerderheid in het Parlement in staat is maatregelen te nemen ten gunste van den landbouw, op datzelfde oogenblik zal de oude storie herhaald worden, en zal Engeland de handelspartij te hulp moeten komen.En wat leert ons ongelukkiglijk de geschiedenis. Dat, bijna overal waar de strijd plaats gevonden heeft, de steden het op den duur hebben gewonnen. En dat is ook begrijpelijk, want naar mate handel en industrie toenemen, en landbouw afneemt, na die mate groeit de bevolking der steden aan. ’t Is misschien een treurige toekomst voor den Afrikaner, maar de loop der dingen is niet te stuiten. Toch bestaan er betere kansen voor de landbouw bevolking in Zuid-Afrika dan ergens anders, tengevolge van de bijzondere omstandigheden, den aard van den grond en het klimaat van ons land, en er bestaat mogelijkheid, dat onder een gunstigen samenloop van omstandigheden, de Boer het toch wint. Maar dan is het noodig dat men de ware redenen van den strijd op den voorgrond stelt, en dat die niet op gebied van nationaliteit worde gestreden.[249]Maar genoeg hiervan. Wij schrijven hier geen politieke verhandeling, maar wel iets over de geschiedenis en het leven onzer voorvaderen. Dat leven te bestudeeren moet voor elken Afrikaander iets aantrekkelijks hebben; het behoort zijne plicht te zijn met de geschiedenis van zijn land en volk bekend te raken. En daarom moet er nog veel worden gedaan voor onze opvoeding, of liever voor die onzer kinderen. Goede, goedkoope scholen, dat is wat wij nog noodig hebben. Hoe beter ons nageslacht opgevoed is, hoe beter kans zij hebben om den strijd te winnen.Afrika voor de Afrikaners! Dat is noch seditie, noch rebellie. Want onder Afrikaners verstaan wij alleen degenen die het ware welzijn van dit land ter harte hebben, hetzij zij van Engelschen bloede, of van Hollandschen, Duitschen, of Franschen oorsprong zijn.En daarom nog eens:Afrika voor de Afrikaners![250]

Er zijn nog maar weinige menschen aan het leven die zich den vreeselijken storm herinneren, die op den 31stenAugustus van het jaar 1811 in Kaapstad woedde. Leven er misschien nog enkelen, die in die dagen reeds oud genoeg waren om zooiets bemerkt te hebben, dan is het nog zeer de vraag of zij zich dezen bijzonderen storm zullen herinneren, want stormen zijn zoo gewoon op het Kaapsche schiereiland in den winter, dat de oude inwoners van de Kaap er geen bijzondere attentie aan schonken, tenzij die gekenmerkt werd door het vergaan van een aantal schepen, iets dat maar helaas, al te dikwijls[237]gebeurde in de dagen, toen de Tafelbaai nog open lag voor de verschrikkelijke golven van den Oceaan, en er geen breekwater was, om die golven te keeren, zoodat de schepen veilig onder de bedekking er van konden liggen, zooals zij thans doen. In de geschiedenis boeken van de Kaapkolonie is dan ook geen melding gemaakt van dezen storm op gemelden datum, en dat waarschijnlijk omdat juist toen, er geen enkel schip in Tafelbaai lag, en de woedende elementen dus niet de gelegenheid hadden om hun wraak aan een enkel schip te koelen. Er lagen wel eenige schepen in de baai Fals, maar deze baai was in den winter een veel veiliger haven dan de Tafelbaai, omdat zij meer beschut was tegen de Noordwester stormen die in den winter heerschen. Wij vinden echter in het dagboek van Jan van Eck melding gemaakt van dien storm, en hij schijnt zeer erg geweest te zijn, zooals mijne lezers uit dit laatste gedeelte van het dagboek zullen zien.

Wat Van Eck schreef komt omtrent hierop neer. Reeds in den namiddag van den 30stenAugustus begon de Noordwesten wind te waaien, maar het was toen nog maar een lichte bries, die geen ander effekt scheen te hebben dan dat zij uit het Noordwesten, zoowat tusschen Robbeneiland en Houtbaai eenige wolken aan den gezichteinder deed oprijzen,[238]die aantoonden dat er nog heel leelijk weer in dien hoek zat, wat niemand verwonderde, want in Augustus is de winter nog lang niet over in het zuiden der kolonie, en zelfs in October krijgt men dikwijls zeer zware regens en stormen. In den nacht wakkerde de wind echter wat aan, en toen de goede Kapenaars den volgenden morgen ontwaakten, was de lucht met lichte wolken overdekt, terwijl uit de zee ontzettende wolkgevaarten kwamen aanzetten, met dien statigen tred, die een zware storm voorspellen. Zwarte zware, donder koppen waren het eenigszins buitengewoon van vorm en kleur; zij waren niet gewoon zwart, maar schenen een soort van blauwachtigen glans te hebben, en hier en daar waren er tusschen hen eenige witachtige wolken, die zich op hun eigen houtje tusschen de zwarte wolken bewogen, gedreven door eene luchtstrooming, die oogenschijnlijk dichter bij de aarde was dan de wind die de zwaardere gevaarten voortstuwde. Naarmate de dag voorbij ging, kwamen deze zwarte wolken nader, en tegen den avond zoowat omtrent den gewonen zonsondergangstijd, (want de zon zelve was niet meer zichtbaar) was de geheele Kaapstad in een blauwachtig, geheimzinnig waas gehuld, terwijl de wind nu geheel was gaan liggen. Het was de stilte vóór den storm; een akelige, benauwde, angstwekkende stilte, zoo doodsch[239]en zoo treurig, dat als men sprak men voor zijn eigene stem schrok. Alle menschen zorgden dan ook om binnentijds in huis te komen, en zich daar veilig wanende, achter de dikke muren hunner huizen, wachtten zij met eenigen angst den verderen loop der zaken af.

Het was even over zes ure, toen de natuur hare strijdkrachten scheen te hebben gemonsterd, en plotseling zich tot den aanval gereed maakte. Een felle bliksemstraal kliefde de lucht, en bijna op hetzelfde oogenblik kraakte er een geweldige donderslag, die de stad tot in hare grondvesten scheen te doen beven. Dadelijk daarop verhief de wind zich met ontzettend geweld, zoo erg, dat hij stukken schoorsteenen, en wat weggerukt kon worden, door de straten slingerde, en dat onder een gehuil en een gesis dat iemand hooren en zien deed vergaan. Steeds woedender werd het gebulder der elementen; en daarmede vermengde zich nu het gedruisch der opgezweepte golven, die als brieschende en schuimende paarden de baai binnen rolden en kletterend zich te pletter beukten tegen de rotsen nabij het kasteel en het omringende zand. Kort daarop begon de regen in stroomen neer te vallen, en werden de straten en wegen in ware rivieren herschapen, terwijl de wind steeds bleef doorwaaien, en zelfs heviger scheen te worden.[240]

Jan van Eck was dien avond vrij vroeg in zijn huis gegaan, want ook hij had den storm zien aankomen. Hij had juist zijn avondeten genuttigd, toen de storm losbrak, en dat met zooveel geweld, dat zijn oude jong half bang werd, en de aanmerking maakte dat dit leek alsof de wereld wilde vergaan, en dat een mensch kon bang worden dat die wind die huis kon omwaaien, of de golven het konden wegspoelen. Maar de oude man lachte om dit denkbeeld. Het huis, zoo zeide hij, was stevig gebouwd en had nog wel zwaardere stormen doorleefd, en het was niet zeer waarschijnlijk dat de golven zoover het strand zouden opkomen, al was in December 1809, toen er een aardbeving was geweest, de zee tot zeer dicht bij het huis gekomen, maar misschien was dit een aardbevingsgolf geweest, die altijd hooger drong dan de golven onder gewone omstandigheden.

„Ga jij maar gerust slapen”, zeide hij tot den slaaf, en deze, die een onbeperkt vertrouwen in zijn meester had, en hem nooit tegensprak, ging dan ook werkelijk zijn bed op de gewone plek in de kombuis maken, want het huisje van Van Eck bestond slechts uit twee vertrekken, een waarvan als woon-en slaapkamer diende, terwijl de andere als kombuis en bergplek diende.

Toen de jongen in bed was, ging van Eck zijn[241]dagboek te voorschijn halen, en zette pen en inkt voor zich neder, zooals hij de laatste twintig jaren steeds had gedaan. Wie op dat oogenblik zijn kamer was binnen gekomen, zou nooit hebben kunnen droomen, dat daar buiten de elementen een hevigen strijd aan het voeren waren, en dat wind, en regen met elkander in geweld wedijverden onder het gedurige, en steeds sterker wordende gebrul en gedonder der golven, die thans berghoog de baai kwamen binnen rollen, en zeker alle schepen in de baai zouden hebben doen vergaan, zoo er eenige waren geweest.

JanvanEck was er niet de man naar om zich te bekommeren over dezen strijd, die daar buiten aan den gang was; een meer dan vijf-en-twintig jaar leven aan Tafelbaai’s strand had hem er aan gewoon doen worden, en het geloei van den storm en het gebrul der baren was hem immer een soort van muziek geweest, die hem in den slaap suste, als ware het een zoet gezang geweest dat moeder natuur voor hem, haar kind, zong. Doch dezen avond was het den ouden man toch wonderlijk te moede; hij luisterde een tijd lang naar de geluiden daar buiten, en het kwam hem voor alsof er dien avond iets bijzonders in die geluiden was, iets dat hem vroeger nooit had getroffen. Zijne gedachten gingen[242]als van zelve terug naar de dagen van ouds, en zijn geheele leven ontrolde zich voor zijne oogen als een onafgebroken tooneel, van af zijne prilste jeugd tot aan den tegenwoordigen tijd. Hij zag weder de goede oude dagen, toen er hier in de kolonie een oprecht en rechtvaardig man aan het hoofd van zaken stond, een man zooals men sedert hem niet had gezien; Rijk Tulbagh, de vader des volks, de man die nietalleenbelang stelde in de welvaart van de volkplanting in het algemeen, maar die zich ook het lot van iedere klasse, en men zou bijna kunnen zeggen van ieder individu in de kolonie aantrok. En toen ontrolde zich één voor één de verdere tooneelen van de geschiedenis der Kaap; hij zag de zaken achteruit gaan onder onverschillige en onbekwame gouverneurs; de Compagnie in den uitersten geldnood verkeeren, en trachtende om uit de kolonie te zuigen wat er te zuigen viel, ten einde toch maar in staat te zijn het hoofd boven water te houden. En toen zag hij ten slotte de eerste verovering van de Kaap door de Engelschen, en zich zelven met geweer en kruit en kogeltasch staan bij het strand aan Muizenberg; hij streed nog eens den slag van Muizenberg over, en het rood der schaamte kleurde zijn gelaat als hij dacht, hoe de volkplanting toen schandelijk verraden was, door hen aan wien[243]het bestuur en de bewaking er van waren toevertrouwd. Toen volgde eenige treurige jaren, jaren van vreemde heerschappij; die jaren die door mannen als Adriaan van Jaarsveld, Teunis Botha en anderen werden doorgebracht in de vunzige, ongezonde kerkers van het Kaapsche kasteel, waar zij bleven totdat er een beteren tijd naderde, en de Hollandsche driekleur weder fier van de tinne van het kasteel wapperde. Welke tijden waren dat toen, en wat hadden zij niet beloofd? Maar die hoop was op grove wijze teleurgesteld, de oorlog brak weder uit, en de Britsche Leeuw, ergerlijk dat hij reeds éénmaal zijn prooi had moeten loslaten, sloeg weder den klauw op de kust van Zuid-Afrika. Weer woei het kruis van St. George aan de Tafelbaai, en het scheen bijna alsof zij daar zou waaien totdat de dag des doems de dooden in hunne graven zou doen ontwaken, en er een andere Vorst over de aarde zou regeeren, dan de zwakke monarchen dezer wereld.

Al denkende over al deze gebeurtenissen, die zich voor zijn oog ontrolde, greep Jan van Eck, de laatste der oude Afrikaners van het Westen, de pen, om, vóór hij zich ter ruste begaf, nog zijn dagboek bij te werken. Hij begon: „Buiten loeit de storm, zoo erg als ik hem nog nimmer gehoord heb; binnen in mijn hart, woelt en stormt het van gedachten. Arm Kaapland,[244]wat zal van u worden? Welke tooneelen zal men hier aanschouwen binnen de volgende honderd jaren? zal er éénmaal een dag komen wanneer.…”

Hier houdt het dagboek plotseling op, en na het woord „wanneer”, of liever er vlak onder, ligt een groote inktvlak. Wat is er met den schrijver gebeurd? Die vraag heb ik mij zelven zoo dikwijls gesteld, en er toch nooit eene behoorlijke oplossing van kunnen vinden. Dat het huisje van den ouden man op diens hoofd door den storm vernield is, komt mij onder de omstandigheden zeer onwaarschijnlijk voor. Want ten eerste schijnt hij tijd gehad te hebben om zijn dagboek weg te sluiten in de kist waarin hij die gewoonlijk bewaarde, en de kist zelf behoorlijk te sluiten. Ten tweede is er geen spoor te vinden van zijn lijk, en in de kerkboeken van de Hollandsche Kerk te Kaapstad heb ik te vergeefs gezocht naar iets omtrent zijn dood of begrafenis. Misschien dat het gebouw werkelijk aan het wankelen is geraakt en dat Van Eck het verliet, om op de eene of andere wijze zijn leven te redden, doch dat de woeste baren hem hebben uitgenomen, en hij in de Tafelbaai zijn dood vond? Doch waarom ons in zulke gissingen verdiept? De golven van den oceaan weten hunne geheimen te bewaren, en de grafgezangen door hen[245]over duizenden en honderdduizenden van menschen gezongen, worden door ons niet verstaan.

Een jaar of wat geleden, toen ik voor het eerst Kaapstad bezocht, maakte ik ook eene wandeling langs het strand tusschen Woodstock—(of Papendorp) en Zoutrivier, en trachtte zoo goed mogelijk de plaats te vinden waar het huis van Jan van Eck had gestaan, want schoon de dokter die mij zoo goed mogelijk had beduid, hadden er zoovele veranderingen plaats gevonden, dat ik niet geheel zeker van mijne zaak was.

Ik zette mij neder op eene boot, die, onderste boven gekeerd, op het strand lag, en keek eens om mij heen.

De Tafelbaai was vol schepen en stoombooten; links van mij strekte zich Kaapstad uit, en van het Kasteel waaide nog de Engelsche vlag. Rechts van mij lag Maitland, en de groote Spoorwegwerkplaats te Zoutrivier. Een kleinen afstand achter mij ratelde er bijna elke tien minuten een spoortrein van of naar Kaapstad, en rijen van telegraafdraden doorsneden als spinnedraden de ruimte boven den spoorweg.

Wat al veranderingen, wat al vooruitgang op stoffelijk gebied, sinds de dagen van 1812! Als de[246]arme Jan van Eck weer eens in het leven terugkwam, zou hij van dit alles niets begrijpen; hij zou een vreemdeling in de stad zijner geboorte zijn. Maar toch zou hij er eenige dingen vinden, die niet veranderd waren. Niet zaken der uiterlijke wereld, maar dingen die tot den geest van den mensch behooren. Want sinds 1812 is de klove, die er toen reeds bestond tusschen Afrikaner en Engelschman, niet gedempt; integendeel zij is breeder en dieper geworden; zij gaapt als een peilloozen afgrond. ’t Is niet hier de plaats om al de gebeurtenissen na te gaan, die daartoe hebben geleid.

Maar toch is er iets dat ik graag onder den aandacht mijner lezers wil brengen, juist daarom, omdat, als zij werkelijk het rechte begrip er van krijgen, er meer kans is op samenwerking in Zuid-Afrika, dan er nu schijnt te bestaan.

Men is gewoon om in Zuid-Afrika Engelschman tegenover Afrikaner te stellen; men heeft dit zoolang gedaan tot er werkelijk een rassengevoel is ontstaan, die alreeds tot de treurigste gevolgen heeft geleid. En toch, als men de zaak degelijk bekijkt, dan is de strijd die inZuid-Afrikaheeft geheerscht en nog heerscht, reeds duizenden van jaren oud, en zij bestaat overal. Het is de strijd tusschen den stadbewoner en den plattelands-bewoner, de strijd tusschen[247]handel en landbouw. Dat de strijd die van de eene nationaliteit tegen de andere geworden is, is alleen veroorzaakt door het feit dat het na 1806 de Engelschman was, die de stadbewoner werd, en de Afrikaner gewoon aan het vrije buitenleven, weigerde stadbewoner te worden. Voor een land als Engeland, dat geheel van den handel leeft, en dat als het ware één groote stad wordt, en waar de landbouw bijna geheel verdelgd is ten gunste van de industrie—voor zulk een land is het natuurlijk een levenskwestie om zijn handel, en diergenen zijner onderdanen die van den handel leven, te beschermen. Daarom heeft Engeland in Zuid-Afrika eene zuivere handelspolitiek gevolgd, die direkt en indirekt werkte ten nadeele der Afrikaander Boeren. Daardoor zijn hare verkeerde maatregelen ontstaan met betrekking tot onze inboorlingen, die alleen werden beschouwd als mogelijke koopers en dus beschermd werden tegenover de Boeren, die terecht den kleurling aanziet als den arbeider van het land. Sympathie en Samenwerking tusschen de twee klassen van bevolking waren onmogelijk van het begin af aan; het was geen rassenhaat, maar een direkt tegenover elkander staan van belangen.

Zal samenwerking ooit mogelijk worden? Wij hebben redenen genoeg om er aan te twijfelen, als wij tenminste mogen oordeelen naar de toestanden[248]en gebeurtenissen die in andere landen hebben plaatsgevonden en nog plaatsvinden. Beide partijen zullen steeds trachten om elkander een vlieg af te vangen, zooals het spreekwoord luidt. Zoodra de Boerenpartij te machtig wordt, en door hare meerderheid in het Parlement in staat is maatregelen te nemen ten gunste van den landbouw, op datzelfde oogenblik zal de oude storie herhaald worden, en zal Engeland de handelspartij te hulp moeten komen.

En wat leert ons ongelukkiglijk de geschiedenis. Dat, bijna overal waar de strijd plaats gevonden heeft, de steden het op den duur hebben gewonnen. En dat is ook begrijpelijk, want naar mate handel en industrie toenemen, en landbouw afneemt, na die mate groeit de bevolking der steden aan. ’t Is misschien een treurige toekomst voor den Afrikaner, maar de loop der dingen is niet te stuiten. Toch bestaan er betere kansen voor de landbouw bevolking in Zuid-Afrika dan ergens anders, tengevolge van de bijzondere omstandigheden, den aard van den grond en het klimaat van ons land, en er bestaat mogelijkheid, dat onder een gunstigen samenloop van omstandigheden, de Boer het toch wint. Maar dan is het noodig dat men de ware redenen van den strijd op den voorgrond stelt, en dat die niet op gebied van nationaliteit worde gestreden.[249]

Maar genoeg hiervan. Wij schrijven hier geen politieke verhandeling, maar wel iets over de geschiedenis en het leven onzer voorvaderen. Dat leven te bestudeeren moet voor elken Afrikaander iets aantrekkelijks hebben; het behoort zijne plicht te zijn met de geschiedenis van zijn land en volk bekend te raken. En daarom moet er nog veel worden gedaan voor onze opvoeding, of liever voor die onzer kinderen. Goede, goedkoope scholen, dat is wat wij nog noodig hebben. Hoe beter ons nageslacht opgevoed is, hoe beter kans zij hebben om den strijd te winnen.

Afrika voor de Afrikaners! Dat is noch seditie, noch rebellie. Want onder Afrikaners verstaan wij alleen degenen die het ware welzijn van dit land ter harte hebben, hetzij zij van Engelschen bloede, of van Hollandschen, Duitschen, of Franschen oorsprong zijn.

En daarom nog eens:

Afrika voor de Afrikaners![250]


Back to IndexNext