[Inhoud]EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Vergeefsche moeite.Adam had direct vertrouwen gekregen in het fameuse request aan de Regeering; immers, dacht hij, wat kon het haar schelen, of hij in die registers stond geschreven? Daar had zij, meende hij, geen voor- of nadeel van, en er was dus geen reden, waarom ze het, als hij het vroeg, zou weigeren. Het was heel vreemd van zijn vader geweest, dat vond hij ook; maar het kon toch alles niet anders dan op een misverstand berusten. En daar het met het geld vanzelf terecht zou komen, was Adam heelemaal gerustgesteld en trok er zich verder niets van aan.[199]Het gaf, toen hij zich zoo gemoedelijk erover uitliet, aan Bram een gevoel van meerderheid, dat hem streelde,hij, die nooit in Europa was geweest, was toch veelpinterder. En het verhoogde nog zijn sympathie voor den jongeren broer.Maar zijn geringe opvoeding bracht niet mee nu ook kiesch genoeg te zijn erover te zwijgen. Waarom zou men dat doen, als iets nu eenmaal zóó was en niet anders?Daarom schudde hij ’t hoofd met een bedenkelijk gezicht.„Ik geloof niet, dat je erop mag rekenen.”„Waarom niet?” vroeg Adam zeer verwonderd.„Ja, zie je, dat weet ik niet; die lui zijn zoo raar.”„Ik begrijp niet wat het hen schelen kan. Het kost immers niets en het geeft geen moeite.”„Dat doet het ook niet.”„Waarom zouden ze het dan weigeren? Iedereen kan het toch getuigen.”„Wat getuigen.”[200]„Wel,” zei Adam met zijn goedigen lach, „dat ik de zoon ben van mijn vader.”Het werd nu, zelfs voor Bram, een moeilijk terrein.„Ik geloof niet, dat het dáár zit, A. Ze hebben het erg op die registers van den Burgerlijken Stand; wanneer je daar per abuis in staat als iemand van het vrouwelijk geslacht, en je bent een man …”„Nou, wat dan?”„Dan ben je toch een vrouw!”Adam lachte zoo hartelijk, als hij het in lang niet gedaan had; en Bram kon er ook niet ernstig bij blijven, schoon hij volstrekt niet de bedoeling had gehad een aardigheid of iets mals te zeggen.„Je gelooft het niet—het is toch zooals ik zeg.”„Laat je niks wijs maken,” zei Adam. „Het is zoo erg niet, hoor! De menschen zijn niet stapelgek. Het kost wel wat moeite, maar veranderd wordt het toch.”[201]„Ik mag het lijden voor jou; maar ik zie het nog niet gebeuren.”„En wat dan?”„Ja, dat mag je wel zeggen.”„Ze spraken nog van een ander request, een gezamenlijk van jullie.”„Weet je wat ik geloof?” vroeg Bram met een hoogwijs gezicht.En toen Adam dat niet wist:„Dat we daarmee hadden moeten beginnen.”„Men moet niet al het kruit ineens verschieten.”„Gekheid? Als ze het wilden toestaan, zou het dan zeker zijn gebeurd.”„A propos,” zei Adam, „heb je ook ergens een portret gezien?”Bram begreep het wel, maar hij vroeg:„Een portret van jou?”„Neen; van een jonge dame.”„Zoo! Niet bij mijn weten. Ben je er een kwijt?”„Ja, en ik heb er overal vruchteloos naar gezocht. Ik had het, herinner ik me, ’s middags bekeken.”[202]„Waar?”„Hier in de kamer, op mijn bed.”„Een liefje van je?”Adam aarzelde een oogenblik.„Ja. Ik had de toestemming van papa willen vragen haar te trouwen.”„Dat is dan een gedane zaak, hè?”„Hoezoo?”„Wel, vooreerst had de-n-ouwe je zien aankomen! Maarsoedah, hij is dood, en nu een van tweeën: je wordt nog erkend als Europeaan, en dan heb je aan ’t geld nauwelijks genoeg voor je zelven.”…„Als ik op een land ben …”„Beste jongen, als ik mij niet vergis, zijn jij en een land er twee. En een Haagsch dametje op een land, dat geeft ook niets! En als je niet wordt erkend, dan is het heelemaal uit.”Adam rookte zijn strootje en keek met een bedrukt gezicht naar buiten. Zoo zaten ze beiden wel tien minuten lang.[203]„Trek het je niet aan, A.,” zei Bram, die weer heel veelkasianhad. „Als ik jou was en het liep heelemaal scheef, ging ik naar Australië of Amerika en ik liet me naturaliseeren.”Maar Adam weerde het denkbeeld af met ’n handbeweging.„Dat verdom ik,” riep hij boos, „dat doe ik m’n leven niet.”De waarheid was, dat hij er altijd vreeselijk tegenop had gezien met vreemden te spreken; hij had zoo bitter weinig genoten van het onderricht in talen!„Het is goed en wel, maar wat zou je anders te doen staan?”„Ik weet het niet.”„In elk geval zou ik mijn idée maar niet langer op een Haagsch dametje zetten, dáár kan toch niets van komen.”„Dat vrees ik nu ook,” zuchtte Adam.„En je behoeft er waarachtig niet om te zuchten. Er zijn mooie meisjes genoeg, ook hier, onder de inlandsche.”[204]„Ja,” gaf Adam na eenige aarzeling toe, „dat is waar; die ééne laatst, toen we in den tuin waren …”„Welnu, neem haar.”„Neem haar, neem haar …! ’t is wat moois; alsof ik haar voor het nemen heb.”„Een kerel als jij!” riep Bram met afgunst zijn broer monsterend van het hoofd tot de voeten. „Een kerel als jij.”„Het is heel mooi, waarachtig! Ik kan me niet eens behoorlijk verstaanbaar maken.”„Dat duurt ook geen veertien dagen meer; ik heb je hooren praten tegen den mandoer en ik stond verbaasd; het is of ’t je is aangewaaid.”Het streelde Adam meer, dan de ander kon vermoeden; nog nooit in zijn leven had hij een compliment gehad over zijn vlug aanleeren van het een of ander. En nu verklaarde een deskundige als Bram, dat hij zulke snelle vorderingen had gemaakt in de landstaal; het leek hem een wonder!Het kwam precies uit zooals Bram het had voorspeld.[205]Van een boedelscheiding wilde niemand hooren, vóórdat de moeilijkheid met Adam uit den weg was geruimd. Bram, in het testament als executeur aangewezen, deed zooals vroeger zijn vader had gedaan met het beheer van het geld en het huishouden; de andere broer ging naar de onderneming, waar hij werkte. Of John Silver er niet meer was en of er een Adam zonder naam was bijgekomen, het maakte in het gewone gangetje des huiselijken levens maar weinig verschil.Njai Peraqkwam zelden in het hoofdgebouw; het was haar gewoonte niet. De „kinderen” dronken ’s morgens koffie in de achtergalerij en aten rijst; dan ging Bram aan de bloemkweekerij; de zuster zorgde voor de keuken en Adam doodde zijn tijd zoo goed en kwaad het ging; en eigenlijk ging dat bij zijn natuurlijken aanleg heel goed. De mooie Minah van den mantri had hij tot „erkende” huishoudster; zij woonde in een kamertje naast dat van haar „schoonmoeder.” Adam amuseerde zich perfect met haar en sprak nu maleisch, alsof[206]hij ’t zijn leven lang gedaan had. En de jonge inlandsche vrouw hield heel veel van hem; zij maakte zich „mooi” voor hem; zij staarde met bewondering naar zijn echt oosterschen kop; zijkipastehem als hij sliep en putte zich uit in lekkeresambalsenkwee-kwee, die haar vergolden werden door een genadigen glimlach van haar heer en meester, wat haar gelukkig maakte; door levendige loftuitingen van Bram, waarvoor ze volmaakt onverschillig was.En dan had Bram pleizier. Hij wist nu al vrij precies, wat hij had aan den broer, tegen wiens Europeesche wijsheid en kennis hij vroeger, toen Adam nog in Holland was, zoo had opgezien in z’n verbeelding.Dat die broer niet knap en ook nietpinterwas, verheugde hem; maar als hij dan het stilleairvan superioriteit zag, dat Adam zich niet kunstmatig gaf, maar van nature had, stond hij verbaasd; dan kon hij zooen passantal lachend tegen zijn zuster zeggen: „Die vent heeft, gévédé, iets over zich … Het is om je dood te lachen!”[207]
[Inhoud]EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Vergeefsche moeite.Adam had direct vertrouwen gekregen in het fameuse request aan de Regeering; immers, dacht hij, wat kon het haar schelen, of hij in die registers stond geschreven? Daar had zij, meende hij, geen voor- of nadeel van, en er was dus geen reden, waarom ze het, als hij het vroeg, zou weigeren. Het was heel vreemd van zijn vader geweest, dat vond hij ook; maar het kon toch alles niet anders dan op een misverstand berusten. En daar het met het geld vanzelf terecht zou komen, was Adam heelemaal gerustgesteld en trok er zich verder niets van aan.[199]Het gaf, toen hij zich zoo gemoedelijk erover uitliet, aan Bram een gevoel van meerderheid, dat hem streelde,hij, die nooit in Europa was geweest, was toch veelpinterder. En het verhoogde nog zijn sympathie voor den jongeren broer.Maar zijn geringe opvoeding bracht niet mee nu ook kiesch genoeg te zijn erover te zwijgen. Waarom zou men dat doen, als iets nu eenmaal zóó was en niet anders?Daarom schudde hij ’t hoofd met een bedenkelijk gezicht.„Ik geloof niet, dat je erop mag rekenen.”„Waarom niet?” vroeg Adam zeer verwonderd.„Ja, zie je, dat weet ik niet; die lui zijn zoo raar.”„Ik begrijp niet wat het hen schelen kan. Het kost immers niets en het geeft geen moeite.”„Dat doet het ook niet.”„Waarom zouden ze het dan weigeren? Iedereen kan het toch getuigen.”„Wat getuigen.”[200]„Wel,” zei Adam met zijn goedigen lach, „dat ik de zoon ben van mijn vader.”Het werd nu, zelfs voor Bram, een moeilijk terrein.„Ik geloof niet, dat het dáár zit, A. Ze hebben het erg op die registers van den Burgerlijken Stand; wanneer je daar per abuis in staat als iemand van het vrouwelijk geslacht, en je bent een man …”„Nou, wat dan?”„Dan ben je toch een vrouw!”Adam lachte zoo hartelijk, als hij het in lang niet gedaan had; en Bram kon er ook niet ernstig bij blijven, schoon hij volstrekt niet de bedoeling had gehad een aardigheid of iets mals te zeggen.„Je gelooft het niet—het is toch zooals ik zeg.”„Laat je niks wijs maken,” zei Adam. „Het is zoo erg niet, hoor! De menschen zijn niet stapelgek. Het kost wel wat moeite, maar veranderd wordt het toch.”[201]„Ik mag het lijden voor jou; maar ik zie het nog niet gebeuren.”„En wat dan?”„Ja, dat mag je wel zeggen.”„Ze spraken nog van een ander request, een gezamenlijk van jullie.”„Weet je wat ik geloof?” vroeg Bram met een hoogwijs gezicht.En toen Adam dat niet wist:„Dat we daarmee hadden moeten beginnen.”„Men moet niet al het kruit ineens verschieten.”„Gekheid? Als ze het wilden toestaan, zou het dan zeker zijn gebeurd.”„A propos,” zei Adam, „heb je ook ergens een portret gezien?”Bram begreep het wel, maar hij vroeg:„Een portret van jou?”„Neen; van een jonge dame.”„Zoo! Niet bij mijn weten. Ben je er een kwijt?”„Ja, en ik heb er overal vruchteloos naar gezocht. Ik had het, herinner ik me, ’s middags bekeken.”[202]„Waar?”„Hier in de kamer, op mijn bed.”„Een liefje van je?”Adam aarzelde een oogenblik.„Ja. Ik had de toestemming van papa willen vragen haar te trouwen.”„Dat is dan een gedane zaak, hè?”„Hoezoo?”„Wel, vooreerst had de-n-ouwe je zien aankomen! Maarsoedah, hij is dood, en nu een van tweeën: je wordt nog erkend als Europeaan, en dan heb je aan ’t geld nauwelijks genoeg voor je zelven.”…„Als ik op een land ben …”„Beste jongen, als ik mij niet vergis, zijn jij en een land er twee. En een Haagsch dametje op een land, dat geeft ook niets! En als je niet wordt erkend, dan is het heelemaal uit.”Adam rookte zijn strootje en keek met een bedrukt gezicht naar buiten. Zoo zaten ze beiden wel tien minuten lang.[203]„Trek het je niet aan, A.,” zei Bram, die weer heel veelkasianhad. „Als ik jou was en het liep heelemaal scheef, ging ik naar Australië of Amerika en ik liet me naturaliseeren.”Maar Adam weerde het denkbeeld af met ’n handbeweging.„Dat verdom ik,” riep hij boos, „dat doe ik m’n leven niet.”De waarheid was, dat hij er altijd vreeselijk tegenop had gezien met vreemden te spreken; hij had zoo bitter weinig genoten van het onderricht in talen!„Het is goed en wel, maar wat zou je anders te doen staan?”„Ik weet het niet.”„In elk geval zou ik mijn idée maar niet langer op een Haagsch dametje zetten, dáár kan toch niets van komen.”„Dat vrees ik nu ook,” zuchtte Adam.„En je behoeft er waarachtig niet om te zuchten. Er zijn mooie meisjes genoeg, ook hier, onder de inlandsche.”[204]„Ja,” gaf Adam na eenige aarzeling toe, „dat is waar; die ééne laatst, toen we in den tuin waren …”„Welnu, neem haar.”„Neem haar, neem haar …! ’t is wat moois; alsof ik haar voor het nemen heb.”„Een kerel als jij!” riep Bram met afgunst zijn broer monsterend van het hoofd tot de voeten. „Een kerel als jij.”„Het is heel mooi, waarachtig! Ik kan me niet eens behoorlijk verstaanbaar maken.”„Dat duurt ook geen veertien dagen meer; ik heb je hooren praten tegen den mandoer en ik stond verbaasd; het is of ’t je is aangewaaid.”Het streelde Adam meer, dan de ander kon vermoeden; nog nooit in zijn leven had hij een compliment gehad over zijn vlug aanleeren van het een of ander. En nu verklaarde een deskundige als Bram, dat hij zulke snelle vorderingen had gemaakt in de landstaal; het leek hem een wonder!Het kwam precies uit zooals Bram het had voorspeld.[205]Van een boedelscheiding wilde niemand hooren, vóórdat de moeilijkheid met Adam uit den weg was geruimd. Bram, in het testament als executeur aangewezen, deed zooals vroeger zijn vader had gedaan met het beheer van het geld en het huishouden; de andere broer ging naar de onderneming, waar hij werkte. Of John Silver er niet meer was en of er een Adam zonder naam was bijgekomen, het maakte in het gewone gangetje des huiselijken levens maar weinig verschil.Njai Peraqkwam zelden in het hoofdgebouw; het was haar gewoonte niet. De „kinderen” dronken ’s morgens koffie in de achtergalerij en aten rijst; dan ging Bram aan de bloemkweekerij; de zuster zorgde voor de keuken en Adam doodde zijn tijd zoo goed en kwaad het ging; en eigenlijk ging dat bij zijn natuurlijken aanleg heel goed. De mooie Minah van den mantri had hij tot „erkende” huishoudster; zij woonde in een kamertje naast dat van haar „schoonmoeder.” Adam amuseerde zich perfect met haar en sprak nu maleisch, alsof[206]hij ’t zijn leven lang gedaan had. En de jonge inlandsche vrouw hield heel veel van hem; zij maakte zich „mooi” voor hem; zij staarde met bewondering naar zijn echt oosterschen kop; zijkipastehem als hij sliep en putte zich uit in lekkeresambalsenkwee-kwee, die haar vergolden werden door een genadigen glimlach van haar heer en meester, wat haar gelukkig maakte; door levendige loftuitingen van Bram, waarvoor ze volmaakt onverschillig was.En dan had Bram pleizier. Hij wist nu al vrij precies, wat hij had aan den broer, tegen wiens Europeesche wijsheid en kennis hij vroeger, toen Adam nog in Holland was, zoo had opgezien in z’n verbeelding.Dat die broer niet knap en ook nietpinterwas, verheugde hem; maar als hij dan het stilleairvan superioriteit zag, dat Adam zich niet kunstmatig gaf, maar van nature had, stond hij verbaasd; dan kon hij zooen passantal lachend tegen zijn zuster zeggen: „Die vent heeft, gévédé, iets over zich … Het is om je dood te lachen!”[207]
[Inhoud]EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Vergeefsche moeite.Adam had direct vertrouwen gekregen in het fameuse request aan de Regeering; immers, dacht hij, wat kon het haar schelen, of hij in die registers stond geschreven? Daar had zij, meende hij, geen voor- of nadeel van, en er was dus geen reden, waarom ze het, als hij het vroeg, zou weigeren. Het was heel vreemd van zijn vader geweest, dat vond hij ook; maar het kon toch alles niet anders dan op een misverstand berusten. En daar het met het geld vanzelf terecht zou komen, was Adam heelemaal gerustgesteld en trok er zich verder niets van aan.[199]Het gaf, toen hij zich zoo gemoedelijk erover uitliet, aan Bram een gevoel van meerderheid, dat hem streelde,hij, die nooit in Europa was geweest, was toch veelpinterder. En het verhoogde nog zijn sympathie voor den jongeren broer.Maar zijn geringe opvoeding bracht niet mee nu ook kiesch genoeg te zijn erover te zwijgen. Waarom zou men dat doen, als iets nu eenmaal zóó was en niet anders?Daarom schudde hij ’t hoofd met een bedenkelijk gezicht.„Ik geloof niet, dat je erop mag rekenen.”„Waarom niet?” vroeg Adam zeer verwonderd.„Ja, zie je, dat weet ik niet; die lui zijn zoo raar.”„Ik begrijp niet wat het hen schelen kan. Het kost immers niets en het geeft geen moeite.”„Dat doet het ook niet.”„Waarom zouden ze het dan weigeren? Iedereen kan het toch getuigen.”„Wat getuigen.”[200]„Wel,” zei Adam met zijn goedigen lach, „dat ik de zoon ben van mijn vader.”Het werd nu, zelfs voor Bram, een moeilijk terrein.„Ik geloof niet, dat het dáár zit, A. Ze hebben het erg op die registers van den Burgerlijken Stand; wanneer je daar per abuis in staat als iemand van het vrouwelijk geslacht, en je bent een man …”„Nou, wat dan?”„Dan ben je toch een vrouw!”Adam lachte zoo hartelijk, als hij het in lang niet gedaan had; en Bram kon er ook niet ernstig bij blijven, schoon hij volstrekt niet de bedoeling had gehad een aardigheid of iets mals te zeggen.„Je gelooft het niet—het is toch zooals ik zeg.”„Laat je niks wijs maken,” zei Adam. „Het is zoo erg niet, hoor! De menschen zijn niet stapelgek. Het kost wel wat moeite, maar veranderd wordt het toch.”[201]„Ik mag het lijden voor jou; maar ik zie het nog niet gebeuren.”„En wat dan?”„Ja, dat mag je wel zeggen.”„Ze spraken nog van een ander request, een gezamenlijk van jullie.”„Weet je wat ik geloof?” vroeg Bram met een hoogwijs gezicht.En toen Adam dat niet wist:„Dat we daarmee hadden moeten beginnen.”„Men moet niet al het kruit ineens verschieten.”„Gekheid? Als ze het wilden toestaan, zou het dan zeker zijn gebeurd.”„A propos,” zei Adam, „heb je ook ergens een portret gezien?”Bram begreep het wel, maar hij vroeg:„Een portret van jou?”„Neen; van een jonge dame.”„Zoo! Niet bij mijn weten. Ben je er een kwijt?”„Ja, en ik heb er overal vruchteloos naar gezocht. Ik had het, herinner ik me, ’s middags bekeken.”[202]„Waar?”„Hier in de kamer, op mijn bed.”„Een liefje van je?”Adam aarzelde een oogenblik.„Ja. Ik had de toestemming van papa willen vragen haar te trouwen.”„Dat is dan een gedane zaak, hè?”„Hoezoo?”„Wel, vooreerst had de-n-ouwe je zien aankomen! Maarsoedah, hij is dood, en nu een van tweeën: je wordt nog erkend als Europeaan, en dan heb je aan ’t geld nauwelijks genoeg voor je zelven.”…„Als ik op een land ben …”„Beste jongen, als ik mij niet vergis, zijn jij en een land er twee. En een Haagsch dametje op een land, dat geeft ook niets! En als je niet wordt erkend, dan is het heelemaal uit.”Adam rookte zijn strootje en keek met een bedrukt gezicht naar buiten. Zoo zaten ze beiden wel tien minuten lang.[203]„Trek het je niet aan, A.,” zei Bram, die weer heel veelkasianhad. „Als ik jou was en het liep heelemaal scheef, ging ik naar Australië of Amerika en ik liet me naturaliseeren.”Maar Adam weerde het denkbeeld af met ’n handbeweging.„Dat verdom ik,” riep hij boos, „dat doe ik m’n leven niet.”De waarheid was, dat hij er altijd vreeselijk tegenop had gezien met vreemden te spreken; hij had zoo bitter weinig genoten van het onderricht in talen!„Het is goed en wel, maar wat zou je anders te doen staan?”„Ik weet het niet.”„In elk geval zou ik mijn idée maar niet langer op een Haagsch dametje zetten, dáár kan toch niets van komen.”„Dat vrees ik nu ook,” zuchtte Adam.„En je behoeft er waarachtig niet om te zuchten. Er zijn mooie meisjes genoeg, ook hier, onder de inlandsche.”[204]„Ja,” gaf Adam na eenige aarzeling toe, „dat is waar; die ééne laatst, toen we in den tuin waren …”„Welnu, neem haar.”„Neem haar, neem haar …! ’t is wat moois; alsof ik haar voor het nemen heb.”„Een kerel als jij!” riep Bram met afgunst zijn broer monsterend van het hoofd tot de voeten. „Een kerel als jij.”„Het is heel mooi, waarachtig! Ik kan me niet eens behoorlijk verstaanbaar maken.”„Dat duurt ook geen veertien dagen meer; ik heb je hooren praten tegen den mandoer en ik stond verbaasd; het is of ’t je is aangewaaid.”Het streelde Adam meer, dan de ander kon vermoeden; nog nooit in zijn leven had hij een compliment gehad over zijn vlug aanleeren van het een of ander. En nu verklaarde een deskundige als Bram, dat hij zulke snelle vorderingen had gemaakt in de landstaal; het leek hem een wonder!Het kwam precies uit zooals Bram het had voorspeld.[205]Van een boedelscheiding wilde niemand hooren, vóórdat de moeilijkheid met Adam uit den weg was geruimd. Bram, in het testament als executeur aangewezen, deed zooals vroeger zijn vader had gedaan met het beheer van het geld en het huishouden; de andere broer ging naar de onderneming, waar hij werkte. Of John Silver er niet meer was en of er een Adam zonder naam was bijgekomen, het maakte in het gewone gangetje des huiselijken levens maar weinig verschil.Njai Peraqkwam zelden in het hoofdgebouw; het was haar gewoonte niet. De „kinderen” dronken ’s morgens koffie in de achtergalerij en aten rijst; dan ging Bram aan de bloemkweekerij; de zuster zorgde voor de keuken en Adam doodde zijn tijd zoo goed en kwaad het ging; en eigenlijk ging dat bij zijn natuurlijken aanleg heel goed. De mooie Minah van den mantri had hij tot „erkende” huishoudster; zij woonde in een kamertje naast dat van haar „schoonmoeder.” Adam amuseerde zich perfect met haar en sprak nu maleisch, alsof[206]hij ’t zijn leven lang gedaan had. En de jonge inlandsche vrouw hield heel veel van hem; zij maakte zich „mooi” voor hem; zij staarde met bewondering naar zijn echt oosterschen kop; zijkipastehem als hij sliep en putte zich uit in lekkeresambalsenkwee-kwee, die haar vergolden werden door een genadigen glimlach van haar heer en meester, wat haar gelukkig maakte; door levendige loftuitingen van Bram, waarvoor ze volmaakt onverschillig was.En dan had Bram pleizier. Hij wist nu al vrij precies, wat hij had aan den broer, tegen wiens Europeesche wijsheid en kennis hij vroeger, toen Adam nog in Holland was, zoo had opgezien in z’n verbeelding.Dat die broer niet knap en ook nietpinterwas, verheugde hem; maar als hij dan het stilleairvan superioriteit zag, dat Adam zich niet kunstmatig gaf, maar van nature had, stond hij verbaasd; dan kon hij zooen passantal lachend tegen zijn zuster zeggen: „Die vent heeft, gévédé, iets over zich … Het is om je dood te lachen!”[207]
EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Vergeefsche moeite.
EEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Adam had direct vertrouwen gekregen in het fameuse request aan de Regeering; immers, dacht hij, wat kon het haar schelen, of hij in die registers stond geschreven? Daar had zij, meende hij, geen voor- of nadeel van, en er was dus geen reden, waarom ze het, als hij het vroeg, zou weigeren. Het was heel vreemd van zijn vader geweest, dat vond hij ook; maar het kon toch alles niet anders dan op een misverstand berusten. En daar het met het geld vanzelf terecht zou komen, was Adam heelemaal gerustgesteld en trok er zich verder niets van aan.[199]Het gaf, toen hij zich zoo gemoedelijk erover uitliet, aan Bram een gevoel van meerderheid, dat hem streelde,hij, die nooit in Europa was geweest, was toch veelpinterder. En het verhoogde nog zijn sympathie voor den jongeren broer.Maar zijn geringe opvoeding bracht niet mee nu ook kiesch genoeg te zijn erover te zwijgen. Waarom zou men dat doen, als iets nu eenmaal zóó was en niet anders?Daarom schudde hij ’t hoofd met een bedenkelijk gezicht.„Ik geloof niet, dat je erop mag rekenen.”„Waarom niet?” vroeg Adam zeer verwonderd.„Ja, zie je, dat weet ik niet; die lui zijn zoo raar.”„Ik begrijp niet wat het hen schelen kan. Het kost immers niets en het geeft geen moeite.”„Dat doet het ook niet.”„Waarom zouden ze het dan weigeren? Iedereen kan het toch getuigen.”„Wat getuigen.”[200]„Wel,” zei Adam met zijn goedigen lach, „dat ik de zoon ben van mijn vader.”Het werd nu, zelfs voor Bram, een moeilijk terrein.„Ik geloof niet, dat het dáár zit, A. Ze hebben het erg op die registers van den Burgerlijken Stand; wanneer je daar per abuis in staat als iemand van het vrouwelijk geslacht, en je bent een man …”„Nou, wat dan?”„Dan ben je toch een vrouw!”Adam lachte zoo hartelijk, als hij het in lang niet gedaan had; en Bram kon er ook niet ernstig bij blijven, schoon hij volstrekt niet de bedoeling had gehad een aardigheid of iets mals te zeggen.„Je gelooft het niet—het is toch zooals ik zeg.”„Laat je niks wijs maken,” zei Adam. „Het is zoo erg niet, hoor! De menschen zijn niet stapelgek. Het kost wel wat moeite, maar veranderd wordt het toch.”[201]„Ik mag het lijden voor jou; maar ik zie het nog niet gebeuren.”„En wat dan?”„Ja, dat mag je wel zeggen.”„Ze spraken nog van een ander request, een gezamenlijk van jullie.”„Weet je wat ik geloof?” vroeg Bram met een hoogwijs gezicht.En toen Adam dat niet wist:„Dat we daarmee hadden moeten beginnen.”„Men moet niet al het kruit ineens verschieten.”„Gekheid? Als ze het wilden toestaan, zou het dan zeker zijn gebeurd.”„A propos,” zei Adam, „heb je ook ergens een portret gezien?”Bram begreep het wel, maar hij vroeg:„Een portret van jou?”„Neen; van een jonge dame.”„Zoo! Niet bij mijn weten. Ben je er een kwijt?”„Ja, en ik heb er overal vruchteloos naar gezocht. Ik had het, herinner ik me, ’s middags bekeken.”[202]„Waar?”„Hier in de kamer, op mijn bed.”„Een liefje van je?”Adam aarzelde een oogenblik.„Ja. Ik had de toestemming van papa willen vragen haar te trouwen.”„Dat is dan een gedane zaak, hè?”„Hoezoo?”„Wel, vooreerst had de-n-ouwe je zien aankomen! Maarsoedah, hij is dood, en nu een van tweeën: je wordt nog erkend als Europeaan, en dan heb je aan ’t geld nauwelijks genoeg voor je zelven.”…„Als ik op een land ben …”„Beste jongen, als ik mij niet vergis, zijn jij en een land er twee. En een Haagsch dametje op een land, dat geeft ook niets! En als je niet wordt erkend, dan is het heelemaal uit.”Adam rookte zijn strootje en keek met een bedrukt gezicht naar buiten. Zoo zaten ze beiden wel tien minuten lang.[203]„Trek het je niet aan, A.,” zei Bram, die weer heel veelkasianhad. „Als ik jou was en het liep heelemaal scheef, ging ik naar Australië of Amerika en ik liet me naturaliseeren.”Maar Adam weerde het denkbeeld af met ’n handbeweging.„Dat verdom ik,” riep hij boos, „dat doe ik m’n leven niet.”De waarheid was, dat hij er altijd vreeselijk tegenop had gezien met vreemden te spreken; hij had zoo bitter weinig genoten van het onderricht in talen!„Het is goed en wel, maar wat zou je anders te doen staan?”„Ik weet het niet.”„In elk geval zou ik mijn idée maar niet langer op een Haagsch dametje zetten, dáár kan toch niets van komen.”„Dat vrees ik nu ook,” zuchtte Adam.„En je behoeft er waarachtig niet om te zuchten. Er zijn mooie meisjes genoeg, ook hier, onder de inlandsche.”[204]„Ja,” gaf Adam na eenige aarzeling toe, „dat is waar; die ééne laatst, toen we in den tuin waren …”„Welnu, neem haar.”„Neem haar, neem haar …! ’t is wat moois; alsof ik haar voor het nemen heb.”„Een kerel als jij!” riep Bram met afgunst zijn broer monsterend van het hoofd tot de voeten. „Een kerel als jij.”„Het is heel mooi, waarachtig! Ik kan me niet eens behoorlijk verstaanbaar maken.”„Dat duurt ook geen veertien dagen meer; ik heb je hooren praten tegen den mandoer en ik stond verbaasd; het is of ’t je is aangewaaid.”Het streelde Adam meer, dan de ander kon vermoeden; nog nooit in zijn leven had hij een compliment gehad over zijn vlug aanleeren van het een of ander. En nu verklaarde een deskundige als Bram, dat hij zulke snelle vorderingen had gemaakt in de landstaal; het leek hem een wonder!Het kwam precies uit zooals Bram het had voorspeld.[205]Van een boedelscheiding wilde niemand hooren, vóórdat de moeilijkheid met Adam uit den weg was geruimd. Bram, in het testament als executeur aangewezen, deed zooals vroeger zijn vader had gedaan met het beheer van het geld en het huishouden; de andere broer ging naar de onderneming, waar hij werkte. Of John Silver er niet meer was en of er een Adam zonder naam was bijgekomen, het maakte in het gewone gangetje des huiselijken levens maar weinig verschil.Njai Peraqkwam zelden in het hoofdgebouw; het was haar gewoonte niet. De „kinderen” dronken ’s morgens koffie in de achtergalerij en aten rijst; dan ging Bram aan de bloemkweekerij; de zuster zorgde voor de keuken en Adam doodde zijn tijd zoo goed en kwaad het ging; en eigenlijk ging dat bij zijn natuurlijken aanleg heel goed. De mooie Minah van den mantri had hij tot „erkende” huishoudster; zij woonde in een kamertje naast dat van haar „schoonmoeder.” Adam amuseerde zich perfect met haar en sprak nu maleisch, alsof[206]hij ’t zijn leven lang gedaan had. En de jonge inlandsche vrouw hield heel veel van hem; zij maakte zich „mooi” voor hem; zij staarde met bewondering naar zijn echt oosterschen kop; zijkipastehem als hij sliep en putte zich uit in lekkeresambalsenkwee-kwee, die haar vergolden werden door een genadigen glimlach van haar heer en meester, wat haar gelukkig maakte; door levendige loftuitingen van Bram, waarvoor ze volmaakt onverschillig was.En dan had Bram pleizier. Hij wist nu al vrij precies, wat hij had aan den broer, tegen wiens Europeesche wijsheid en kennis hij vroeger, toen Adam nog in Holland was, zoo had opgezien in z’n verbeelding.Dat die broer niet knap en ook nietpinterwas, verheugde hem; maar als hij dan het stilleairvan superioriteit zag, dat Adam zich niet kunstmatig gaf, maar van nature had, stond hij verbaasd; dan kon hij zooen passantal lachend tegen zijn zuster zeggen: „Die vent heeft, gévédé, iets over zich … Het is om je dood te lachen!”[207]
Adam had direct vertrouwen gekregen in het fameuse request aan de Regeering; immers, dacht hij, wat kon het haar schelen, of hij in die registers stond geschreven? Daar had zij, meende hij, geen voor- of nadeel van, en er was dus geen reden, waarom ze het, als hij het vroeg, zou weigeren. Het was heel vreemd van zijn vader geweest, dat vond hij ook; maar het kon toch alles niet anders dan op een misverstand berusten. En daar het met het geld vanzelf terecht zou komen, was Adam heelemaal gerustgesteld en trok er zich verder niets van aan.[199]
Het gaf, toen hij zich zoo gemoedelijk erover uitliet, aan Bram een gevoel van meerderheid, dat hem streelde,hij, die nooit in Europa was geweest, was toch veelpinterder. En het verhoogde nog zijn sympathie voor den jongeren broer.
Maar zijn geringe opvoeding bracht niet mee nu ook kiesch genoeg te zijn erover te zwijgen. Waarom zou men dat doen, als iets nu eenmaal zóó was en niet anders?
Daarom schudde hij ’t hoofd met een bedenkelijk gezicht.
„Ik geloof niet, dat je erop mag rekenen.”
„Waarom niet?” vroeg Adam zeer verwonderd.
„Ja, zie je, dat weet ik niet; die lui zijn zoo raar.”
„Ik begrijp niet wat het hen schelen kan. Het kost immers niets en het geeft geen moeite.”
„Dat doet het ook niet.”
„Waarom zouden ze het dan weigeren? Iedereen kan het toch getuigen.”
„Wat getuigen.”[200]
„Wel,” zei Adam met zijn goedigen lach, „dat ik de zoon ben van mijn vader.”
Het werd nu, zelfs voor Bram, een moeilijk terrein.
„Ik geloof niet, dat het dáár zit, A. Ze hebben het erg op die registers van den Burgerlijken Stand; wanneer je daar per abuis in staat als iemand van het vrouwelijk geslacht, en je bent een man …”
„Nou, wat dan?”
„Dan ben je toch een vrouw!”
Adam lachte zoo hartelijk, als hij het in lang niet gedaan had; en Bram kon er ook niet ernstig bij blijven, schoon hij volstrekt niet de bedoeling had gehad een aardigheid of iets mals te zeggen.
„Je gelooft het niet—het is toch zooals ik zeg.”
„Laat je niks wijs maken,” zei Adam. „Het is zoo erg niet, hoor! De menschen zijn niet stapelgek. Het kost wel wat moeite, maar veranderd wordt het toch.”[201]
„Ik mag het lijden voor jou; maar ik zie het nog niet gebeuren.”
„En wat dan?”
„Ja, dat mag je wel zeggen.”
„Ze spraken nog van een ander request, een gezamenlijk van jullie.”
„Weet je wat ik geloof?” vroeg Bram met een hoogwijs gezicht.
En toen Adam dat niet wist:
„Dat we daarmee hadden moeten beginnen.”
„Men moet niet al het kruit ineens verschieten.”
„Gekheid? Als ze het wilden toestaan, zou het dan zeker zijn gebeurd.”
„A propos,” zei Adam, „heb je ook ergens een portret gezien?”
Bram begreep het wel, maar hij vroeg:
„Een portret van jou?”
„Neen; van een jonge dame.”
„Zoo! Niet bij mijn weten. Ben je er een kwijt?”
„Ja, en ik heb er overal vruchteloos naar gezocht. Ik had het, herinner ik me, ’s middags bekeken.”[202]
„Waar?”
„Hier in de kamer, op mijn bed.”
„Een liefje van je?”
Adam aarzelde een oogenblik.
„Ja. Ik had de toestemming van papa willen vragen haar te trouwen.”
„Dat is dan een gedane zaak, hè?”
„Hoezoo?”
„Wel, vooreerst had de-n-ouwe je zien aankomen! Maarsoedah, hij is dood, en nu een van tweeën: je wordt nog erkend als Europeaan, en dan heb je aan ’t geld nauwelijks genoeg voor je zelven.”…
„Als ik op een land ben …”
„Beste jongen, als ik mij niet vergis, zijn jij en een land er twee. En een Haagsch dametje op een land, dat geeft ook niets! En als je niet wordt erkend, dan is het heelemaal uit.”
Adam rookte zijn strootje en keek met een bedrukt gezicht naar buiten. Zoo zaten ze beiden wel tien minuten lang.[203]
„Trek het je niet aan, A.,” zei Bram, die weer heel veelkasianhad. „Als ik jou was en het liep heelemaal scheef, ging ik naar Australië of Amerika en ik liet me naturaliseeren.”
Maar Adam weerde het denkbeeld af met ’n handbeweging.
„Dat verdom ik,” riep hij boos, „dat doe ik m’n leven niet.”
De waarheid was, dat hij er altijd vreeselijk tegenop had gezien met vreemden te spreken; hij had zoo bitter weinig genoten van het onderricht in talen!
„Het is goed en wel, maar wat zou je anders te doen staan?”
„Ik weet het niet.”
„In elk geval zou ik mijn idée maar niet langer op een Haagsch dametje zetten, dáár kan toch niets van komen.”
„Dat vrees ik nu ook,” zuchtte Adam.
„En je behoeft er waarachtig niet om te zuchten. Er zijn mooie meisjes genoeg, ook hier, onder de inlandsche.”[204]
„Ja,” gaf Adam na eenige aarzeling toe, „dat is waar; die ééne laatst, toen we in den tuin waren …”
„Welnu, neem haar.”
„Neem haar, neem haar …! ’t is wat moois; alsof ik haar voor het nemen heb.”
„Een kerel als jij!” riep Bram met afgunst zijn broer monsterend van het hoofd tot de voeten. „Een kerel als jij.”
„Het is heel mooi, waarachtig! Ik kan me niet eens behoorlijk verstaanbaar maken.”
„Dat duurt ook geen veertien dagen meer; ik heb je hooren praten tegen den mandoer en ik stond verbaasd; het is of ’t je is aangewaaid.”
Het streelde Adam meer, dan de ander kon vermoeden; nog nooit in zijn leven had hij een compliment gehad over zijn vlug aanleeren van het een of ander. En nu verklaarde een deskundige als Bram, dat hij zulke snelle vorderingen had gemaakt in de landstaal; het leek hem een wonder!
Het kwam precies uit zooals Bram het had voorspeld.[205]Van een boedelscheiding wilde niemand hooren, vóórdat de moeilijkheid met Adam uit den weg was geruimd. Bram, in het testament als executeur aangewezen, deed zooals vroeger zijn vader had gedaan met het beheer van het geld en het huishouden; de andere broer ging naar de onderneming, waar hij werkte. Of John Silver er niet meer was en of er een Adam zonder naam was bijgekomen, het maakte in het gewone gangetje des huiselijken levens maar weinig verschil.
Njai Peraqkwam zelden in het hoofdgebouw; het was haar gewoonte niet. De „kinderen” dronken ’s morgens koffie in de achtergalerij en aten rijst; dan ging Bram aan de bloemkweekerij; de zuster zorgde voor de keuken en Adam doodde zijn tijd zoo goed en kwaad het ging; en eigenlijk ging dat bij zijn natuurlijken aanleg heel goed. De mooie Minah van den mantri had hij tot „erkende” huishoudster; zij woonde in een kamertje naast dat van haar „schoonmoeder.” Adam amuseerde zich perfect met haar en sprak nu maleisch, alsof[206]hij ’t zijn leven lang gedaan had. En de jonge inlandsche vrouw hield heel veel van hem; zij maakte zich „mooi” voor hem; zij staarde met bewondering naar zijn echt oosterschen kop; zijkipastehem als hij sliep en putte zich uit in lekkeresambalsenkwee-kwee, die haar vergolden werden door een genadigen glimlach van haar heer en meester, wat haar gelukkig maakte; door levendige loftuitingen van Bram, waarvoor ze volmaakt onverschillig was.
En dan had Bram pleizier. Hij wist nu al vrij precies, wat hij had aan den broer, tegen wiens Europeesche wijsheid en kennis hij vroeger, toen Adam nog in Holland was, zoo had opgezien in z’n verbeelding.
Dat die broer niet knap en ook nietpinterwas, verheugde hem; maar als hij dan het stilleairvan superioriteit zag, dat Adam zich niet kunstmatig gaf, maar van nature had, stond hij verbaasd; dan kon hij zooen passantal lachend tegen zijn zuster zeggen: „Die vent heeft, gévédé, iets over zich … Het is om je dood te lachen!”[207]