[Inhoud]ELFDE HOOFDSTUK.ELFDE HOOFDSTUK.Hoe zal ik sterk zijn?Het was of hij dien dag geen rust zou hebben van de vrouwen. Toen hij uitgestapt was en betaald had voor het weggetje door zijn kampong, en nog altijd over zijn eigen zonden dacht, kwamen een man en een meisje, een kind nog haast, hem op ’t smalle pad tegemoet; de man stil mompelend, het meisje, dat huilend zich verzette, voortduwend.„Toean,” riep zij, „help mij! Hij wil mij verkoopen …”De inlander, verlegen en woedend, sloeg haar met de vlakke hand ruw op den mond.[323]„Zij is mijn dochter en zij is ondeugend.”Aboe Bakar gaf hem een gevoeligen tik op de hand met den beenen knop van zijn wandelstok.„Hij wil mij verkoopen,” riep het meisje weer, nu dapper door den bijstand; „hij wil mij verkoopen aan een Chinees.”Zwijgend, de oogen neergeslagen, bang voor den invloedrijkenhadji, zoo groot, zoo sterk en zoo rijk, stond de inlander zijn hand te wrijven, zich dicht in de groene levende pagger dringend.„Diam!” gelastte Aboe Bakar het meisje, dat niet zoo mocht spreken tegen haar vader. „Is het waar?” vroeg hij dezen.In een nu loskomenden woordenstroom, verdronk de man de gedachte; hij had zoo’nroegigehad met dit en met dat; hij kon zijn belasting niet betalen en hij had geen goed om te beleenen; dus zou hij in de gevangenis komen. Wat hij deed, hadden al zoovelen gedaan en mocht hij doen …„Je moogt het niet!”„Nu dan, het is tochadat.”[324]„Toean,” smeekte het meisje zacht. „Help mij! Ik wil niet bij een Chinees; ik wil bij eenorang selam, niet bij een vuilenkafir.”Hij glimlachte tegen haar; zooals ze daar stond, zag ze er wel aardig uit, en haar gezicht zei zoo duidelijk als woorden het slechts konden doen, dat ze met veel genoegen zich verkocht zou zien aan den mooientoean saïd.„Volg me,” gelastte hij den inlander; en zoo gingen ze verder, achter elkaar. In zijn woning sprak hij erover; zij werden het eens wat den prijs aangaat, terwijl het meisje op den dorpel zat, blij, dat ze niet naar den Chinees behoefde; kalm, nu, afwachtend wat volgen zou, toen haar vader heenging, diep boog voor dentoean saïdwiens hand hij aan z’n lippen bracht, zonder haar met een groet of een blik te verwaardigen.Aboe Bakar wenkte haar naar zich toe en zij volgde hem naar achter. Minah schrok ervan. Daar zou je het hebben!„Ik heb dit kind van haar vader gekocht,” zei[325]hij zacht, poseerend, met groote waardigheid. „Haar vader wilde haar verkoopen aan een ongeloovige.”En toen Minah niets zei, maar met booze oogen naar het slachtoffer zag, dat bij haar neerhurkte en haar hand kuste, ging Aboe Bakar voort met de zalving van een volleerdpenghoeloe:„Zij kan u dienen, tot een goed Mohammedaan haar als vrouw verlangt, behandel haar goed en het zal ons voordeel aanbrengen.”Het was Minah een pak van het hart; zij zag op naar haar man met groote verwonderde oogen. Ook het meisje begreep er niets van, zij keek in stomme verbazing door een gordijnkier den grooten breeden man na, die zooveel licht wegnam in het gangetje, dat hij langzaam doorstapte.Het viel haar bitter tegen! Had die zooveel geld aan haar vader betaald, om het genoegen haar cadeau te doen aan zijn vrouw, die veel goedkooper een beter meisje als baboe krijgen kon?Minah, die het evenmin begreep, wantrouwde de zaak. Wat kon het zijn? Zij wist, dat hij geen[326]voorwendsels zou zoeken, en niet een meisje als bediende zou binnensmokkelen, dat hij van plan was tot zijn vrouw te maken. Neen, dan zou hij komen met groote deftigheid in houding en gebaar; zijn zware hand zou hij dan leggen op haar schouder en haar zeggen: dit is mijn tweede vrouw; wees goed voor haar of gij zult mij zijn als de rug mijner moeder.Habis perkara.Zij hoorde het meisje uit, maar dat kon niet anders dan gewoon vertellen wat er gebeurd was. Het maakte beiden niet wijzer.Zij zagen door een venstertje Aboe Bakar buiten achter den hoogen pagger gaan en hoorden hem baden aan den put; Minah luisterde aandachtig; de wijze, waarop hij blijkbaar zich baadde, beviel haar niet; zij hoorde hem er den naam vanAllahbij aanroepen, en alles driemaal.… Wat was er dan toch gebeurd?Aboe Bakar daarentegen voelde zich zoo plezierig als was er niets onbehoorlijks voorgevallen.[327]Hij had berouw gevoeld over zijn daden, en door een Mohammedaansche vrouw van de ongeloovigen af te houden met opoffering van geld, had hij een goed werk gedaan, waarvoor God zijn slechte daden ook in goede zou veranderen.Doch hoe niet meer te zondigen? O, hij was nu op ’t moment heel sterk. Hoe echter zou het zijn, als hij weer eens samen was met dat opgewonden gekkinnetje, dat zoo verliefd op hem was, en zijn huis had gehuurd?Hoe, als hij bij Pa Djalil zat en die namobattegen de avondlucht?Wat moest hij doen om daar af te komen?Zijn compagnon maakte het hem niet moeilijk.Een beetje geraakt over de koranwijsheid van Aboe Bakar, nam Pa Djalil, toen ze ’s avonds weer hadden gepraat over hun zaken, stil zijnobatalleen, en presenteerde hem niets. Hij rook den lekkeren cognacgeur en watertandde ervan; hij zag den ouden langzaam het glas ledigen, en zich onder ’t baadje over den buik strijken, hij hoorde hem[328]zacht smakken met een klein gesteun van genot.En Aboe Bakar zuchtte diep, met innig verlangen; en hij vond het veel moeilijker over een aangewende kleinigheid heen te komen in het leven, dan op een gegeven moment een groot besluit te nemen.[329]
[Inhoud]ELFDE HOOFDSTUK.ELFDE HOOFDSTUK.Hoe zal ik sterk zijn?Het was of hij dien dag geen rust zou hebben van de vrouwen. Toen hij uitgestapt was en betaald had voor het weggetje door zijn kampong, en nog altijd over zijn eigen zonden dacht, kwamen een man en een meisje, een kind nog haast, hem op ’t smalle pad tegemoet; de man stil mompelend, het meisje, dat huilend zich verzette, voortduwend.„Toean,” riep zij, „help mij! Hij wil mij verkoopen …”De inlander, verlegen en woedend, sloeg haar met de vlakke hand ruw op den mond.[323]„Zij is mijn dochter en zij is ondeugend.”Aboe Bakar gaf hem een gevoeligen tik op de hand met den beenen knop van zijn wandelstok.„Hij wil mij verkoopen,” riep het meisje weer, nu dapper door den bijstand; „hij wil mij verkoopen aan een Chinees.”Zwijgend, de oogen neergeslagen, bang voor den invloedrijkenhadji, zoo groot, zoo sterk en zoo rijk, stond de inlander zijn hand te wrijven, zich dicht in de groene levende pagger dringend.„Diam!” gelastte Aboe Bakar het meisje, dat niet zoo mocht spreken tegen haar vader. „Is het waar?” vroeg hij dezen.In een nu loskomenden woordenstroom, verdronk de man de gedachte; hij had zoo’nroegigehad met dit en met dat; hij kon zijn belasting niet betalen en hij had geen goed om te beleenen; dus zou hij in de gevangenis komen. Wat hij deed, hadden al zoovelen gedaan en mocht hij doen …„Je moogt het niet!”„Nu dan, het is tochadat.”[324]„Toean,” smeekte het meisje zacht. „Help mij! Ik wil niet bij een Chinees; ik wil bij eenorang selam, niet bij een vuilenkafir.”Hij glimlachte tegen haar; zooals ze daar stond, zag ze er wel aardig uit, en haar gezicht zei zoo duidelijk als woorden het slechts konden doen, dat ze met veel genoegen zich verkocht zou zien aan den mooientoean saïd.„Volg me,” gelastte hij den inlander; en zoo gingen ze verder, achter elkaar. In zijn woning sprak hij erover; zij werden het eens wat den prijs aangaat, terwijl het meisje op den dorpel zat, blij, dat ze niet naar den Chinees behoefde; kalm, nu, afwachtend wat volgen zou, toen haar vader heenging, diep boog voor dentoean saïdwiens hand hij aan z’n lippen bracht, zonder haar met een groet of een blik te verwaardigen.Aboe Bakar wenkte haar naar zich toe en zij volgde hem naar achter. Minah schrok ervan. Daar zou je het hebben!„Ik heb dit kind van haar vader gekocht,” zei[325]hij zacht, poseerend, met groote waardigheid. „Haar vader wilde haar verkoopen aan een ongeloovige.”En toen Minah niets zei, maar met booze oogen naar het slachtoffer zag, dat bij haar neerhurkte en haar hand kuste, ging Aboe Bakar voort met de zalving van een volleerdpenghoeloe:„Zij kan u dienen, tot een goed Mohammedaan haar als vrouw verlangt, behandel haar goed en het zal ons voordeel aanbrengen.”Het was Minah een pak van het hart; zij zag op naar haar man met groote verwonderde oogen. Ook het meisje begreep er niets van, zij keek in stomme verbazing door een gordijnkier den grooten breeden man na, die zooveel licht wegnam in het gangetje, dat hij langzaam doorstapte.Het viel haar bitter tegen! Had die zooveel geld aan haar vader betaald, om het genoegen haar cadeau te doen aan zijn vrouw, die veel goedkooper een beter meisje als baboe krijgen kon?Minah, die het evenmin begreep, wantrouwde de zaak. Wat kon het zijn? Zij wist, dat hij geen[326]voorwendsels zou zoeken, en niet een meisje als bediende zou binnensmokkelen, dat hij van plan was tot zijn vrouw te maken. Neen, dan zou hij komen met groote deftigheid in houding en gebaar; zijn zware hand zou hij dan leggen op haar schouder en haar zeggen: dit is mijn tweede vrouw; wees goed voor haar of gij zult mij zijn als de rug mijner moeder.Habis perkara.Zij hoorde het meisje uit, maar dat kon niet anders dan gewoon vertellen wat er gebeurd was. Het maakte beiden niet wijzer.Zij zagen door een venstertje Aboe Bakar buiten achter den hoogen pagger gaan en hoorden hem baden aan den put; Minah luisterde aandachtig; de wijze, waarop hij blijkbaar zich baadde, beviel haar niet; zij hoorde hem er den naam vanAllahbij aanroepen, en alles driemaal.… Wat was er dan toch gebeurd?Aboe Bakar daarentegen voelde zich zoo plezierig als was er niets onbehoorlijks voorgevallen.[327]Hij had berouw gevoeld over zijn daden, en door een Mohammedaansche vrouw van de ongeloovigen af te houden met opoffering van geld, had hij een goed werk gedaan, waarvoor God zijn slechte daden ook in goede zou veranderen.Doch hoe niet meer te zondigen? O, hij was nu op ’t moment heel sterk. Hoe echter zou het zijn, als hij weer eens samen was met dat opgewonden gekkinnetje, dat zoo verliefd op hem was, en zijn huis had gehuurd?Hoe, als hij bij Pa Djalil zat en die namobattegen de avondlucht?Wat moest hij doen om daar af te komen?Zijn compagnon maakte het hem niet moeilijk.Een beetje geraakt over de koranwijsheid van Aboe Bakar, nam Pa Djalil, toen ze ’s avonds weer hadden gepraat over hun zaken, stil zijnobatalleen, en presenteerde hem niets. Hij rook den lekkeren cognacgeur en watertandde ervan; hij zag den ouden langzaam het glas ledigen, en zich onder ’t baadje over den buik strijken, hij hoorde hem[328]zacht smakken met een klein gesteun van genot.En Aboe Bakar zuchtte diep, met innig verlangen; en hij vond het veel moeilijker over een aangewende kleinigheid heen te komen in het leven, dan op een gegeven moment een groot besluit te nemen.[329]
[Inhoud]ELFDE HOOFDSTUK.ELFDE HOOFDSTUK.Hoe zal ik sterk zijn?Het was of hij dien dag geen rust zou hebben van de vrouwen. Toen hij uitgestapt was en betaald had voor het weggetje door zijn kampong, en nog altijd over zijn eigen zonden dacht, kwamen een man en een meisje, een kind nog haast, hem op ’t smalle pad tegemoet; de man stil mompelend, het meisje, dat huilend zich verzette, voortduwend.„Toean,” riep zij, „help mij! Hij wil mij verkoopen …”De inlander, verlegen en woedend, sloeg haar met de vlakke hand ruw op den mond.[323]„Zij is mijn dochter en zij is ondeugend.”Aboe Bakar gaf hem een gevoeligen tik op de hand met den beenen knop van zijn wandelstok.„Hij wil mij verkoopen,” riep het meisje weer, nu dapper door den bijstand; „hij wil mij verkoopen aan een Chinees.”Zwijgend, de oogen neergeslagen, bang voor den invloedrijkenhadji, zoo groot, zoo sterk en zoo rijk, stond de inlander zijn hand te wrijven, zich dicht in de groene levende pagger dringend.„Diam!” gelastte Aboe Bakar het meisje, dat niet zoo mocht spreken tegen haar vader. „Is het waar?” vroeg hij dezen.In een nu loskomenden woordenstroom, verdronk de man de gedachte; hij had zoo’nroegigehad met dit en met dat; hij kon zijn belasting niet betalen en hij had geen goed om te beleenen; dus zou hij in de gevangenis komen. Wat hij deed, hadden al zoovelen gedaan en mocht hij doen …„Je moogt het niet!”„Nu dan, het is tochadat.”[324]„Toean,” smeekte het meisje zacht. „Help mij! Ik wil niet bij een Chinees; ik wil bij eenorang selam, niet bij een vuilenkafir.”Hij glimlachte tegen haar; zooals ze daar stond, zag ze er wel aardig uit, en haar gezicht zei zoo duidelijk als woorden het slechts konden doen, dat ze met veel genoegen zich verkocht zou zien aan den mooientoean saïd.„Volg me,” gelastte hij den inlander; en zoo gingen ze verder, achter elkaar. In zijn woning sprak hij erover; zij werden het eens wat den prijs aangaat, terwijl het meisje op den dorpel zat, blij, dat ze niet naar den Chinees behoefde; kalm, nu, afwachtend wat volgen zou, toen haar vader heenging, diep boog voor dentoean saïdwiens hand hij aan z’n lippen bracht, zonder haar met een groet of een blik te verwaardigen.Aboe Bakar wenkte haar naar zich toe en zij volgde hem naar achter. Minah schrok ervan. Daar zou je het hebben!„Ik heb dit kind van haar vader gekocht,” zei[325]hij zacht, poseerend, met groote waardigheid. „Haar vader wilde haar verkoopen aan een ongeloovige.”En toen Minah niets zei, maar met booze oogen naar het slachtoffer zag, dat bij haar neerhurkte en haar hand kuste, ging Aboe Bakar voort met de zalving van een volleerdpenghoeloe:„Zij kan u dienen, tot een goed Mohammedaan haar als vrouw verlangt, behandel haar goed en het zal ons voordeel aanbrengen.”Het was Minah een pak van het hart; zij zag op naar haar man met groote verwonderde oogen. Ook het meisje begreep er niets van, zij keek in stomme verbazing door een gordijnkier den grooten breeden man na, die zooveel licht wegnam in het gangetje, dat hij langzaam doorstapte.Het viel haar bitter tegen! Had die zooveel geld aan haar vader betaald, om het genoegen haar cadeau te doen aan zijn vrouw, die veel goedkooper een beter meisje als baboe krijgen kon?Minah, die het evenmin begreep, wantrouwde de zaak. Wat kon het zijn? Zij wist, dat hij geen[326]voorwendsels zou zoeken, en niet een meisje als bediende zou binnensmokkelen, dat hij van plan was tot zijn vrouw te maken. Neen, dan zou hij komen met groote deftigheid in houding en gebaar; zijn zware hand zou hij dan leggen op haar schouder en haar zeggen: dit is mijn tweede vrouw; wees goed voor haar of gij zult mij zijn als de rug mijner moeder.Habis perkara.Zij hoorde het meisje uit, maar dat kon niet anders dan gewoon vertellen wat er gebeurd was. Het maakte beiden niet wijzer.Zij zagen door een venstertje Aboe Bakar buiten achter den hoogen pagger gaan en hoorden hem baden aan den put; Minah luisterde aandachtig; de wijze, waarop hij blijkbaar zich baadde, beviel haar niet; zij hoorde hem er den naam vanAllahbij aanroepen, en alles driemaal.… Wat was er dan toch gebeurd?Aboe Bakar daarentegen voelde zich zoo plezierig als was er niets onbehoorlijks voorgevallen.[327]Hij had berouw gevoeld over zijn daden, en door een Mohammedaansche vrouw van de ongeloovigen af te houden met opoffering van geld, had hij een goed werk gedaan, waarvoor God zijn slechte daden ook in goede zou veranderen.Doch hoe niet meer te zondigen? O, hij was nu op ’t moment heel sterk. Hoe echter zou het zijn, als hij weer eens samen was met dat opgewonden gekkinnetje, dat zoo verliefd op hem was, en zijn huis had gehuurd?Hoe, als hij bij Pa Djalil zat en die namobattegen de avondlucht?Wat moest hij doen om daar af te komen?Zijn compagnon maakte het hem niet moeilijk.Een beetje geraakt over de koranwijsheid van Aboe Bakar, nam Pa Djalil, toen ze ’s avonds weer hadden gepraat over hun zaken, stil zijnobatalleen, en presenteerde hem niets. Hij rook den lekkeren cognacgeur en watertandde ervan; hij zag den ouden langzaam het glas ledigen, en zich onder ’t baadje over den buik strijken, hij hoorde hem[328]zacht smakken met een klein gesteun van genot.En Aboe Bakar zuchtte diep, met innig verlangen; en hij vond het veel moeilijker over een aangewende kleinigheid heen te komen in het leven, dan op een gegeven moment een groot besluit te nemen.[329]
ELFDE HOOFDSTUK.ELFDE HOOFDSTUK.Hoe zal ik sterk zijn?
ELFDE HOOFDSTUK.
Het was of hij dien dag geen rust zou hebben van de vrouwen. Toen hij uitgestapt was en betaald had voor het weggetje door zijn kampong, en nog altijd over zijn eigen zonden dacht, kwamen een man en een meisje, een kind nog haast, hem op ’t smalle pad tegemoet; de man stil mompelend, het meisje, dat huilend zich verzette, voortduwend.„Toean,” riep zij, „help mij! Hij wil mij verkoopen …”De inlander, verlegen en woedend, sloeg haar met de vlakke hand ruw op den mond.[323]„Zij is mijn dochter en zij is ondeugend.”Aboe Bakar gaf hem een gevoeligen tik op de hand met den beenen knop van zijn wandelstok.„Hij wil mij verkoopen,” riep het meisje weer, nu dapper door den bijstand; „hij wil mij verkoopen aan een Chinees.”Zwijgend, de oogen neergeslagen, bang voor den invloedrijkenhadji, zoo groot, zoo sterk en zoo rijk, stond de inlander zijn hand te wrijven, zich dicht in de groene levende pagger dringend.„Diam!” gelastte Aboe Bakar het meisje, dat niet zoo mocht spreken tegen haar vader. „Is het waar?” vroeg hij dezen.In een nu loskomenden woordenstroom, verdronk de man de gedachte; hij had zoo’nroegigehad met dit en met dat; hij kon zijn belasting niet betalen en hij had geen goed om te beleenen; dus zou hij in de gevangenis komen. Wat hij deed, hadden al zoovelen gedaan en mocht hij doen …„Je moogt het niet!”„Nu dan, het is tochadat.”[324]„Toean,” smeekte het meisje zacht. „Help mij! Ik wil niet bij een Chinees; ik wil bij eenorang selam, niet bij een vuilenkafir.”Hij glimlachte tegen haar; zooals ze daar stond, zag ze er wel aardig uit, en haar gezicht zei zoo duidelijk als woorden het slechts konden doen, dat ze met veel genoegen zich verkocht zou zien aan den mooientoean saïd.„Volg me,” gelastte hij den inlander; en zoo gingen ze verder, achter elkaar. In zijn woning sprak hij erover; zij werden het eens wat den prijs aangaat, terwijl het meisje op den dorpel zat, blij, dat ze niet naar den Chinees behoefde; kalm, nu, afwachtend wat volgen zou, toen haar vader heenging, diep boog voor dentoean saïdwiens hand hij aan z’n lippen bracht, zonder haar met een groet of een blik te verwaardigen.Aboe Bakar wenkte haar naar zich toe en zij volgde hem naar achter. Minah schrok ervan. Daar zou je het hebben!„Ik heb dit kind van haar vader gekocht,” zei[325]hij zacht, poseerend, met groote waardigheid. „Haar vader wilde haar verkoopen aan een ongeloovige.”En toen Minah niets zei, maar met booze oogen naar het slachtoffer zag, dat bij haar neerhurkte en haar hand kuste, ging Aboe Bakar voort met de zalving van een volleerdpenghoeloe:„Zij kan u dienen, tot een goed Mohammedaan haar als vrouw verlangt, behandel haar goed en het zal ons voordeel aanbrengen.”Het was Minah een pak van het hart; zij zag op naar haar man met groote verwonderde oogen. Ook het meisje begreep er niets van, zij keek in stomme verbazing door een gordijnkier den grooten breeden man na, die zooveel licht wegnam in het gangetje, dat hij langzaam doorstapte.Het viel haar bitter tegen! Had die zooveel geld aan haar vader betaald, om het genoegen haar cadeau te doen aan zijn vrouw, die veel goedkooper een beter meisje als baboe krijgen kon?Minah, die het evenmin begreep, wantrouwde de zaak. Wat kon het zijn? Zij wist, dat hij geen[326]voorwendsels zou zoeken, en niet een meisje als bediende zou binnensmokkelen, dat hij van plan was tot zijn vrouw te maken. Neen, dan zou hij komen met groote deftigheid in houding en gebaar; zijn zware hand zou hij dan leggen op haar schouder en haar zeggen: dit is mijn tweede vrouw; wees goed voor haar of gij zult mij zijn als de rug mijner moeder.Habis perkara.Zij hoorde het meisje uit, maar dat kon niet anders dan gewoon vertellen wat er gebeurd was. Het maakte beiden niet wijzer.Zij zagen door een venstertje Aboe Bakar buiten achter den hoogen pagger gaan en hoorden hem baden aan den put; Minah luisterde aandachtig; de wijze, waarop hij blijkbaar zich baadde, beviel haar niet; zij hoorde hem er den naam vanAllahbij aanroepen, en alles driemaal.… Wat was er dan toch gebeurd?Aboe Bakar daarentegen voelde zich zoo plezierig als was er niets onbehoorlijks voorgevallen.[327]Hij had berouw gevoeld over zijn daden, en door een Mohammedaansche vrouw van de ongeloovigen af te houden met opoffering van geld, had hij een goed werk gedaan, waarvoor God zijn slechte daden ook in goede zou veranderen.Doch hoe niet meer te zondigen? O, hij was nu op ’t moment heel sterk. Hoe echter zou het zijn, als hij weer eens samen was met dat opgewonden gekkinnetje, dat zoo verliefd op hem was, en zijn huis had gehuurd?Hoe, als hij bij Pa Djalil zat en die namobattegen de avondlucht?Wat moest hij doen om daar af te komen?Zijn compagnon maakte het hem niet moeilijk.Een beetje geraakt over de koranwijsheid van Aboe Bakar, nam Pa Djalil, toen ze ’s avonds weer hadden gepraat over hun zaken, stil zijnobatalleen, en presenteerde hem niets. Hij rook den lekkeren cognacgeur en watertandde ervan; hij zag den ouden langzaam het glas ledigen, en zich onder ’t baadje over den buik strijken, hij hoorde hem[328]zacht smakken met een klein gesteun van genot.En Aboe Bakar zuchtte diep, met innig verlangen; en hij vond het veel moeilijker over een aangewende kleinigheid heen te komen in het leven, dan op een gegeven moment een groot besluit te nemen.[329]
Het was of hij dien dag geen rust zou hebben van de vrouwen. Toen hij uitgestapt was en betaald had voor het weggetje door zijn kampong, en nog altijd over zijn eigen zonden dacht, kwamen een man en een meisje, een kind nog haast, hem op ’t smalle pad tegemoet; de man stil mompelend, het meisje, dat huilend zich verzette, voortduwend.
„Toean,” riep zij, „help mij! Hij wil mij verkoopen …”
De inlander, verlegen en woedend, sloeg haar met de vlakke hand ruw op den mond.[323]
„Zij is mijn dochter en zij is ondeugend.”
Aboe Bakar gaf hem een gevoeligen tik op de hand met den beenen knop van zijn wandelstok.
„Hij wil mij verkoopen,” riep het meisje weer, nu dapper door den bijstand; „hij wil mij verkoopen aan een Chinees.”
Zwijgend, de oogen neergeslagen, bang voor den invloedrijkenhadji, zoo groot, zoo sterk en zoo rijk, stond de inlander zijn hand te wrijven, zich dicht in de groene levende pagger dringend.
„Diam!” gelastte Aboe Bakar het meisje, dat niet zoo mocht spreken tegen haar vader. „Is het waar?” vroeg hij dezen.
In een nu loskomenden woordenstroom, verdronk de man de gedachte; hij had zoo’nroegigehad met dit en met dat; hij kon zijn belasting niet betalen en hij had geen goed om te beleenen; dus zou hij in de gevangenis komen. Wat hij deed, hadden al zoovelen gedaan en mocht hij doen …
„Je moogt het niet!”
„Nu dan, het is tochadat.”[324]
„Toean,” smeekte het meisje zacht. „Help mij! Ik wil niet bij een Chinees; ik wil bij eenorang selam, niet bij een vuilenkafir.”
Hij glimlachte tegen haar; zooals ze daar stond, zag ze er wel aardig uit, en haar gezicht zei zoo duidelijk als woorden het slechts konden doen, dat ze met veel genoegen zich verkocht zou zien aan den mooientoean saïd.
„Volg me,” gelastte hij den inlander; en zoo gingen ze verder, achter elkaar. In zijn woning sprak hij erover; zij werden het eens wat den prijs aangaat, terwijl het meisje op den dorpel zat, blij, dat ze niet naar den Chinees behoefde; kalm, nu, afwachtend wat volgen zou, toen haar vader heenging, diep boog voor dentoean saïdwiens hand hij aan z’n lippen bracht, zonder haar met een groet of een blik te verwaardigen.
Aboe Bakar wenkte haar naar zich toe en zij volgde hem naar achter. Minah schrok ervan. Daar zou je het hebben!
„Ik heb dit kind van haar vader gekocht,” zei[325]hij zacht, poseerend, met groote waardigheid. „Haar vader wilde haar verkoopen aan een ongeloovige.”
En toen Minah niets zei, maar met booze oogen naar het slachtoffer zag, dat bij haar neerhurkte en haar hand kuste, ging Aboe Bakar voort met de zalving van een volleerdpenghoeloe:
„Zij kan u dienen, tot een goed Mohammedaan haar als vrouw verlangt, behandel haar goed en het zal ons voordeel aanbrengen.”
Het was Minah een pak van het hart; zij zag op naar haar man met groote verwonderde oogen. Ook het meisje begreep er niets van, zij keek in stomme verbazing door een gordijnkier den grooten breeden man na, die zooveel licht wegnam in het gangetje, dat hij langzaam doorstapte.
Het viel haar bitter tegen! Had die zooveel geld aan haar vader betaald, om het genoegen haar cadeau te doen aan zijn vrouw, die veel goedkooper een beter meisje als baboe krijgen kon?
Minah, die het evenmin begreep, wantrouwde de zaak. Wat kon het zijn? Zij wist, dat hij geen[326]voorwendsels zou zoeken, en niet een meisje als bediende zou binnensmokkelen, dat hij van plan was tot zijn vrouw te maken. Neen, dan zou hij komen met groote deftigheid in houding en gebaar; zijn zware hand zou hij dan leggen op haar schouder en haar zeggen: dit is mijn tweede vrouw; wees goed voor haar of gij zult mij zijn als de rug mijner moeder.
Habis perkara.
Zij hoorde het meisje uit, maar dat kon niet anders dan gewoon vertellen wat er gebeurd was. Het maakte beiden niet wijzer.
Zij zagen door een venstertje Aboe Bakar buiten achter den hoogen pagger gaan en hoorden hem baden aan den put; Minah luisterde aandachtig; de wijze, waarop hij blijkbaar zich baadde, beviel haar niet; zij hoorde hem er den naam vanAllahbij aanroepen, en alles driemaal.… Wat was er dan toch gebeurd?
Aboe Bakar daarentegen voelde zich zoo plezierig als was er niets onbehoorlijks voorgevallen.[327]Hij had berouw gevoeld over zijn daden, en door een Mohammedaansche vrouw van de ongeloovigen af te houden met opoffering van geld, had hij een goed werk gedaan, waarvoor God zijn slechte daden ook in goede zou veranderen.
Doch hoe niet meer te zondigen? O, hij was nu op ’t moment heel sterk. Hoe echter zou het zijn, als hij weer eens samen was met dat opgewonden gekkinnetje, dat zoo verliefd op hem was, en zijn huis had gehuurd?
Hoe, als hij bij Pa Djalil zat en die namobattegen de avondlucht?
Wat moest hij doen om daar af te komen?
Zijn compagnon maakte het hem niet moeilijk.
Een beetje geraakt over de koranwijsheid van Aboe Bakar, nam Pa Djalil, toen ze ’s avonds weer hadden gepraat over hun zaken, stil zijnobatalleen, en presenteerde hem niets. Hij rook den lekkeren cognacgeur en watertandde ervan; hij zag den ouden langzaam het glas ledigen, en zich onder ’t baadje over den buik strijken, hij hoorde hem[328]zacht smakken met een klein gesteun van genot.
En Aboe Bakar zuchtte diep, met innig verlangen; en hij vond het veel moeilijker over een aangewende kleinigheid heen te komen in het leven, dan op een gegeven moment een groot besluit te nemen.
[329]