[Inhoud]NEGENDE HOOFDSTUK.NEGENDE HOOFDSTUK.Schoonmoeder en schoondochter.Njai Peraqliep regelrecht naar achter, de scheidinggordijn wegslaande, en daar stond ze tegenover Minah, die ervan schrikte. Het was geen aangename ontmoeting. Bij Minah streden de vrees voor de schoonmoeder en de zucht zich in haar eigen huis niet de wet te laten stellen om de overhand;njai Peraqwas woedend. Aboe Bakar, die de bekende trommel zijner moeder in de voorgalerij had laten zetten, ging daar zitten op een wipstoel naast het tafeltje in het midden. De eerste plicht der gastvrijheid werd stil vervuld, de moeder ging op de „eeremat” zitten, dronk een kop[305]koffie en at met de vingers wat rijst uit een pisangblad. Minah rammelde in het maleisch over de buurt-perkaras; maar toennjai Peraq, die niets gezegd had, met eten en drinken klaar was, sloeg zij van haarkaïnde korrels rijst, die dadelijk door een grooten haan met harde tikken van den houten vloer werden opgepikt, zette haar bril op en zei langzaam:„Het is een vuile boel in het huis van mijn zoon.”Daar had je ’t al, dacht Minah, en zich tot verweer gereed makende.„Wij zijn tevreden.”„Een man let daar niet op, hij ziet het niet, hij gewent eraan, een vuile vrouw maakt een vuilen man.”„Het is hier niet vuiler dan elders.”„Bij mij aan huis was het zoo niet, bij denmantri, uw vader, ook niet.”En toen Minah, inwendig kokend van woede, zweeg, ging de oude voort.[306]„Wat doe je den heelen dag? Moet ik het nog vragen? Je doetniets; als een lui beest lig je daar tusschen vuilebantals, die nooit gelucht worden. Je moest de vrouw zijn van een koeli, dan zou die je slaan met derotan.”„Ik behoef immers niets te doen! Aboe Bakar is rijk, ik kan alles laten doen als ik het wil.”„Maar je bent zelfs te lui om te laten werken. Wat ben je? Ik heb je opgeraapt van den weg; je vader stond tekrakalals een kettingganger, wanneer ik hem niet geholpen had. Goed, ik zou je danken met mijn hart, als ik zag, dat je een goeje vrouw voor mijn zoon was. Je bent vuil en lui. En je hebt maar één kind.”„Het is mijn schuld niet.”„Traperdoelie, het is niet zooals het behoort. Ik had gedacht hier te komen in een nette woning, met een goede flinke vrouw; ik kom in een varkenshok met een slechte zeug.”Dàt was te veel voor Minah; zij verschoot van grijs in zwart en omgekeerd in het bruin der huid.[307]„Het iszijnschuld.”„Het is nooit de schuld van den man.”„Het is goed praten, als je van een ouden leelijken Europeaan denjaigeweest ben, en grapjes had met Arabieren; dan kan men dat van zoo’n kerel verdragen. Ik ben een fatsoenlijke getrouwde vrouw, en ik kan me niet zóó laten behandelen; ik hield van hem en hij behandelt me als een hondenkind.”Gelukkig schoof Aboe Bakar de gordijn op zij en kwam binnen; hij had geluisterd, en vreezend datnjai Peraqhandtastelijk zou worden—wat zij al was—trad hij tusschenbeiden.„Wat wil je zeggen?” vroeg hij Minah, die met een boozen trek om den mond en de oogen neergeslagen tegen den wand stond.„Ik wil hebben, dat je antwoordt,” herhaalde hij.En toen ze nog altijd zweeg:„Voor de derde maal: zal je antwoorden?”Het was de eerste keer in zijn leven, dat hij de hand uitstak naar een vrouw, maar hij moest[308]het doen; moest hij, levend naar denkoran, de ongehoorzame vrouw niet slaan?Daarom liet hij zijn zware vuist een paar malen neerkomen op haar schouders, greep haar in dekondéen slingerde haar door een achterdeur het binnenplaatsje op, waar ze neerviel bij den put, een paargendiesbrekend bij het vallen.Wat had hij daar een berouw van!Minah zette een keel op, die de heele kampong deed uitloopen.Verschrikt stapte Aboe Bakar naar voren en ging met ’n kleur van schaamte weer naast het tafeltje zitten. Wat was zij toch een brutaal beest!Het kamponghoofd kwam zijn erfje op, met een vriendelijk gezicht, plichtshalve.„Ada apa, toean saïd.”Hij haalde de breede schouders op, reikte den inlander de vingertoppen, en zei lachend:„Ah, gila behasa; trada ada apa apa.”Njai Peraqhad het zóó niet bedoeld; zij had[309]nooit slaag gehad van John Silver op die manier; nu en dan had hij in eenstadiumvan erge opgewondenheid, zich verstout haar met zijn magere knokkels op het dikke vleesch der bovenarmen te stompen, maar zoo’n pak was haar te erg; zij zou het ook niet hebben verdragen.Zij trachtte nu Minah te troosten, die vastbesloten scheen te blijven doorjammeren bij den put.„Slaat hij wel meer?” vroeg ze.„Het is de eerste maal; ik dacht wel dat het komen zou; hij zal me nu wel meer slaan; hij heeft maar een voorwendsel gezocht; ik begrijp het wel; maar ikwilniet; hetzalniet gebeuren; hij mag me dood slaan; laat hij mij maar dood slaan, dat kan me niet schelen; hij heeft me geslagen; hij zal me nu altijd slaan.”Zoo brulde zij voort, den arm opgestoken tegen de bamboezen heining, het hoofd heen en weer rollend over den arm.En toen ze eindelijk bedaard was, kwam het hooge woord eruit:[310]„Hij wil er nog een vrouw bijnemen.”Dat keurdenjai Peraqaf, maar zij wilde toch haar zoon verdedigen, en met een schijn van onverschilligheid zei ze:„Wat zou het?”Minah keek haar strak in het gezicht.„Ik zou u wel eens hebben willen zien, als.…”Maar dat liet geen vergelijking toe.„Meneer Silver was een Europeaan en ik was niet met hem getrouwd volgens deadat; als hij mij had willen wegzenden, zou hij dat gedaan hebben; als hij een ander had genomen, zou ik zijn huis hebben verlaten. Hoe heb ik zijn huishouding bestuurd? Hoe heb ik hem geholpen met alles? Had hij niet drie zonen.…”Hier lachte Minah schamper.„Iedereen zei, dat hij er maar twee had.”„De menschen zijn kwaadsprekers en jij praat hen na,” zeinjai Peraqkalm.„Waarom kon Aboe Bakar dan geen Europeaan blijven?”[311]Een oogenblik dacht de oude na; dan zei ze onverstoorbaar kalm:„Toewan Allahheeft het zoo gewild; hij heeft Silver doen vergeten, dat kind te laten opschrijven in het boek derblanda’s; het is een wonder.”Minah trok de wenkbrauwen op, diep en hoorbaar ademhalend door den neus; nu, vond ze, dàt wonder, dáár was een luchtje aan!„Hoe het ook zij, het zal niet gebeuren,” herhaalde ze, toen terugkomend op de hoofdzaak.„Heeft hij erover gesproken?”„Hij is begonnen met praatjes; het werk in huis was me te zwaar.”„Daar heeft hij gelijk aan; dat kan men dadelijk merken.”„De zorg voor onzen zoon Amat eischte meer van mij.”„Dat is ook waar; ik heb den jongen daar straks op het voorerf gezien; hij liep haast naakt en speelde in de goot; het is een schande.”„Ik moest meer rust nemen en iemand in huis[312]hebben, jonger en sterker om mij te helpen.”„Astage!” riepnjai Peraquit, „wat ben je voor een schepsel! Dat alles heeft hij je gezegd, en in plaats van nu je best te gaan doen; te zorgen voor de huishouding en je kind, ben je dezelfde luie slons gebleven, die je geworden waart. En je durft me zeggen, dat het niet zal gebeuren; dat hij geen tweede vrouw mag nemen, terwijl jij niet meer deugt en niet eens wilt deugen. Wil ik je iets zeggen: mijn zoon is veel te goed voor je.”Het kijven begon nu opnieuw tot ergernis van Aboe Bakar, die naar achter moest komen om stilte te gebieden.Van zijn idée om zijn moeder bij zich te houden, zag hij nu af; dàt zou geen leven zijn; die twee zouden elken dag standjes hebben; daar moest hij iets anders op vinden.[313]
[Inhoud]NEGENDE HOOFDSTUK.NEGENDE HOOFDSTUK.Schoonmoeder en schoondochter.Njai Peraqliep regelrecht naar achter, de scheidinggordijn wegslaande, en daar stond ze tegenover Minah, die ervan schrikte. Het was geen aangename ontmoeting. Bij Minah streden de vrees voor de schoonmoeder en de zucht zich in haar eigen huis niet de wet te laten stellen om de overhand;njai Peraqwas woedend. Aboe Bakar, die de bekende trommel zijner moeder in de voorgalerij had laten zetten, ging daar zitten op een wipstoel naast het tafeltje in het midden. De eerste plicht der gastvrijheid werd stil vervuld, de moeder ging op de „eeremat” zitten, dronk een kop[305]koffie en at met de vingers wat rijst uit een pisangblad. Minah rammelde in het maleisch over de buurt-perkaras; maar toennjai Peraq, die niets gezegd had, met eten en drinken klaar was, sloeg zij van haarkaïnde korrels rijst, die dadelijk door een grooten haan met harde tikken van den houten vloer werden opgepikt, zette haar bril op en zei langzaam:„Het is een vuile boel in het huis van mijn zoon.”Daar had je ’t al, dacht Minah, en zich tot verweer gereed makende.„Wij zijn tevreden.”„Een man let daar niet op, hij ziet het niet, hij gewent eraan, een vuile vrouw maakt een vuilen man.”„Het is hier niet vuiler dan elders.”„Bij mij aan huis was het zoo niet, bij denmantri, uw vader, ook niet.”En toen Minah, inwendig kokend van woede, zweeg, ging de oude voort.[306]„Wat doe je den heelen dag? Moet ik het nog vragen? Je doetniets; als een lui beest lig je daar tusschen vuilebantals, die nooit gelucht worden. Je moest de vrouw zijn van een koeli, dan zou die je slaan met derotan.”„Ik behoef immers niets te doen! Aboe Bakar is rijk, ik kan alles laten doen als ik het wil.”„Maar je bent zelfs te lui om te laten werken. Wat ben je? Ik heb je opgeraapt van den weg; je vader stond tekrakalals een kettingganger, wanneer ik hem niet geholpen had. Goed, ik zou je danken met mijn hart, als ik zag, dat je een goeje vrouw voor mijn zoon was. Je bent vuil en lui. En je hebt maar één kind.”„Het is mijn schuld niet.”„Traperdoelie, het is niet zooals het behoort. Ik had gedacht hier te komen in een nette woning, met een goede flinke vrouw; ik kom in een varkenshok met een slechte zeug.”Dàt was te veel voor Minah; zij verschoot van grijs in zwart en omgekeerd in het bruin der huid.[307]„Het iszijnschuld.”„Het is nooit de schuld van den man.”„Het is goed praten, als je van een ouden leelijken Europeaan denjaigeweest ben, en grapjes had met Arabieren; dan kan men dat van zoo’n kerel verdragen. Ik ben een fatsoenlijke getrouwde vrouw, en ik kan me niet zóó laten behandelen; ik hield van hem en hij behandelt me als een hondenkind.”Gelukkig schoof Aboe Bakar de gordijn op zij en kwam binnen; hij had geluisterd, en vreezend datnjai Peraqhandtastelijk zou worden—wat zij al was—trad hij tusschenbeiden.„Wat wil je zeggen?” vroeg hij Minah, die met een boozen trek om den mond en de oogen neergeslagen tegen den wand stond.„Ik wil hebben, dat je antwoordt,” herhaalde hij.En toen ze nog altijd zweeg:„Voor de derde maal: zal je antwoorden?”Het was de eerste keer in zijn leven, dat hij de hand uitstak naar een vrouw, maar hij moest[308]het doen; moest hij, levend naar denkoran, de ongehoorzame vrouw niet slaan?Daarom liet hij zijn zware vuist een paar malen neerkomen op haar schouders, greep haar in dekondéen slingerde haar door een achterdeur het binnenplaatsje op, waar ze neerviel bij den put, een paargendiesbrekend bij het vallen.Wat had hij daar een berouw van!Minah zette een keel op, die de heele kampong deed uitloopen.Verschrikt stapte Aboe Bakar naar voren en ging met ’n kleur van schaamte weer naast het tafeltje zitten. Wat was zij toch een brutaal beest!Het kamponghoofd kwam zijn erfje op, met een vriendelijk gezicht, plichtshalve.„Ada apa, toean saïd.”Hij haalde de breede schouders op, reikte den inlander de vingertoppen, en zei lachend:„Ah, gila behasa; trada ada apa apa.”Njai Peraqhad het zóó niet bedoeld; zij had[309]nooit slaag gehad van John Silver op die manier; nu en dan had hij in eenstadiumvan erge opgewondenheid, zich verstout haar met zijn magere knokkels op het dikke vleesch der bovenarmen te stompen, maar zoo’n pak was haar te erg; zij zou het ook niet hebben verdragen.Zij trachtte nu Minah te troosten, die vastbesloten scheen te blijven doorjammeren bij den put.„Slaat hij wel meer?” vroeg ze.„Het is de eerste maal; ik dacht wel dat het komen zou; hij zal me nu wel meer slaan; hij heeft maar een voorwendsel gezocht; ik begrijp het wel; maar ikwilniet; hetzalniet gebeuren; hij mag me dood slaan; laat hij mij maar dood slaan, dat kan me niet schelen; hij heeft me geslagen; hij zal me nu altijd slaan.”Zoo brulde zij voort, den arm opgestoken tegen de bamboezen heining, het hoofd heen en weer rollend over den arm.En toen ze eindelijk bedaard was, kwam het hooge woord eruit:[310]„Hij wil er nog een vrouw bijnemen.”Dat keurdenjai Peraqaf, maar zij wilde toch haar zoon verdedigen, en met een schijn van onverschilligheid zei ze:„Wat zou het?”Minah keek haar strak in het gezicht.„Ik zou u wel eens hebben willen zien, als.…”Maar dat liet geen vergelijking toe.„Meneer Silver was een Europeaan en ik was niet met hem getrouwd volgens deadat; als hij mij had willen wegzenden, zou hij dat gedaan hebben; als hij een ander had genomen, zou ik zijn huis hebben verlaten. Hoe heb ik zijn huishouding bestuurd? Hoe heb ik hem geholpen met alles? Had hij niet drie zonen.…”Hier lachte Minah schamper.„Iedereen zei, dat hij er maar twee had.”„De menschen zijn kwaadsprekers en jij praat hen na,” zeinjai Peraqkalm.„Waarom kon Aboe Bakar dan geen Europeaan blijven?”[311]Een oogenblik dacht de oude na; dan zei ze onverstoorbaar kalm:„Toewan Allahheeft het zoo gewild; hij heeft Silver doen vergeten, dat kind te laten opschrijven in het boek derblanda’s; het is een wonder.”Minah trok de wenkbrauwen op, diep en hoorbaar ademhalend door den neus; nu, vond ze, dàt wonder, dáár was een luchtje aan!„Hoe het ook zij, het zal niet gebeuren,” herhaalde ze, toen terugkomend op de hoofdzaak.„Heeft hij erover gesproken?”„Hij is begonnen met praatjes; het werk in huis was me te zwaar.”„Daar heeft hij gelijk aan; dat kan men dadelijk merken.”„De zorg voor onzen zoon Amat eischte meer van mij.”„Dat is ook waar; ik heb den jongen daar straks op het voorerf gezien; hij liep haast naakt en speelde in de goot; het is een schande.”„Ik moest meer rust nemen en iemand in huis[312]hebben, jonger en sterker om mij te helpen.”„Astage!” riepnjai Peraquit, „wat ben je voor een schepsel! Dat alles heeft hij je gezegd, en in plaats van nu je best te gaan doen; te zorgen voor de huishouding en je kind, ben je dezelfde luie slons gebleven, die je geworden waart. En je durft me zeggen, dat het niet zal gebeuren; dat hij geen tweede vrouw mag nemen, terwijl jij niet meer deugt en niet eens wilt deugen. Wil ik je iets zeggen: mijn zoon is veel te goed voor je.”Het kijven begon nu opnieuw tot ergernis van Aboe Bakar, die naar achter moest komen om stilte te gebieden.Van zijn idée om zijn moeder bij zich te houden, zag hij nu af; dàt zou geen leven zijn; die twee zouden elken dag standjes hebben; daar moest hij iets anders op vinden.[313]
[Inhoud]NEGENDE HOOFDSTUK.NEGENDE HOOFDSTUK.Schoonmoeder en schoondochter.Njai Peraqliep regelrecht naar achter, de scheidinggordijn wegslaande, en daar stond ze tegenover Minah, die ervan schrikte. Het was geen aangename ontmoeting. Bij Minah streden de vrees voor de schoonmoeder en de zucht zich in haar eigen huis niet de wet te laten stellen om de overhand;njai Peraqwas woedend. Aboe Bakar, die de bekende trommel zijner moeder in de voorgalerij had laten zetten, ging daar zitten op een wipstoel naast het tafeltje in het midden. De eerste plicht der gastvrijheid werd stil vervuld, de moeder ging op de „eeremat” zitten, dronk een kop[305]koffie en at met de vingers wat rijst uit een pisangblad. Minah rammelde in het maleisch over de buurt-perkaras; maar toennjai Peraq, die niets gezegd had, met eten en drinken klaar was, sloeg zij van haarkaïnde korrels rijst, die dadelijk door een grooten haan met harde tikken van den houten vloer werden opgepikt, zette haar bril op en zei langzaam:„Het is een vuile boel in het huis van mijn zoon.”Daar had je ’t al, dacht Minah, en zich tot verweer gereed makende.„Wij zijn tevreden.”„Een man let daar niet op, hij ziet het niet, hij gewent eraan, een vuile vrouw maakt een vuilen man.”„Het is hier niet vuiler dan elders.”„Bij mij aan huis was het zoo niet, bij denmantri, uw vader, ook niet.”En toen Minah, inwendig kokend van woede, zweeg, ging de oude voort.[306]„Wat doe je den heelen dag? Moet ik het nog vragen? Je doetniets; als een lui beest lig je daar tusschen vuilebantals, die nooit gelucht worden. Je moest de vrouw zijn van een koeli, dan zou die je slaan met derotan.”„Ik behoef immers niets te doen! Aboe Bakar is rijk, ik kan alles laten doen als ik het wil.”„Maar je bent zelfs te lui om te laten werken. Wat ben je? Ik heb je opgeraapt van den weg; je vader stond tekrakalals een kettingganger, wanneer ik hem niet geholpen had. Goed, ik zou je danken met mijn hart, als ik zag, dat je een goeje vrouw voor mijn zoon was. Je bent vuil en lui. En je hebt maar één kind.”„Het is mijn schuld niet.”„Traperdoelie, het is niet zooals het behoort. Ik had gedacht hier te komen in een nette woning, met een goede flinke vrouw; ik kom in een varkenshok met een slechte zeug.”Dàt was te veel voor Minah; zij verschoot van grijs in zwart en omgekeerd in het bruin der huid.[307]„Het iszijnschuld.”„Het is nooit de schuld van den man.”„Het is goed praten, als je van een ouden leelijken Europeaan denjaigeweest ben, en grapjes had met Arabieren; dan kan men dat van zoo’n kerel verdragen. Ik ben een fatsoenlijke getrouwde vrouw, en ik kan me niet zóó laten behandelen; ik hield van hem en hij behandelt me als een hondenkind.”Gelukkig schoof Aboe Bakar de gordijn op zij en kwam binnen; hij had geluisterd, en vreezend datnjai Peraqhandtastelijk zou worden—wat zij al was—trad hij tusschenbeiden.„Wat wil je zeggen?” vroeg hij Minah, die met een boozen trek om den mond en de oogen neergeslagen tegen den wand stond.„Ik wil hebben, dat je antwoordt,” herhaalde hij.En toen ze nog altijd zweeg:„Voor de derde maal: zal je antwoorden?”Het was de eerste keer in zijn leven, dat hij de hand uitstak naar een vrouw, maar hij moest[308]het doen; moest hij, levend naar denkoran, de ongehoorzame vrouw niet slaan?Daarom liet hij zijn zware vuist een paar malen neerkomen op haar schouders, greep haar in dekondéen slingerde haar door een achterdeur het binnenplaatsje op, waar ze neerviel bij den put, een paargendiesbrekend bij het vallen.Wat had hij daar een berouw van!Minah zette een keel op, die de heele kampong deed uitloopen.Verschrikt stapte Aboe Bakar naar voren en ging met ’n kleur van schaamte weer naast het tafeltje zitten. Wat was zij toch een brutaal beest!Het kamponghoofd kwam zijn erfje op, met een vriendelijk gezicht, plichtshalve.„Ada apa, toean saïd.”Hij haalde de breede schouders op, reikte den inlander de vingertoppen, en zei lachend:„Ah, gila behasa; trada ada apa apa.”Njai Peraqhad het zóó niet bedoeld; zij had[309]nooit slaag gehad van John Silver op die manier; nu en dan had hij in eenstadiumvan erge opgewondenheid, zich verstout haar met zijn magere knokkels op het dikke vleesch der bovenarmen te stompen, maar zoo’n pak was haar te erg; zij zou het ook niet hebben verdragen.Zij trachtte nu Minah te troosten, die vastbesloten scheen te blijven doorjammeren bij den put.„Slaat hij wel meer?” vroeg ze.„Het is de eerste maal; ik dacht wel dat het komen zou; hij zal me nu wel meer slaan; hij heeft maar een voorwendsel gezocht; ik begrijp het wel; maar ikwilniet; hetzalniet gebeuren; hij mag me dood slaan; laat hij mij maar dood slaan, dat kan me niet schelen; hij heeft me geslagen; hij zal me nu altijd slaan.”Zoo brulde zij voort, den arm opgestoken tegen de bamboezen heining, het hoofd heen en weer rollend over den arm.En toen ze eindelijk bedaard was, kwam het hooge woord eruit:[310]„Hij wil er nog een vrouw bijnemen.”Dat keurdenjai Peraqaf, maar zij wilde toch haar zoon verdedigen, en met een schijn van onverschilligheid zei ze:„Wat zou het?”Minah keek haar strak in het gezicht.„Ik zou u wel eens hebben willen zien, als.…”Maar dat liet geen vergelijking toe.„Meneer Silver was een Europeaan en ik was niet met hem getrouwd volgens deadat; als hij mij had willen wegzenden, zou hij dat gedaan hebben; als hij een ander had genomen, zou ik zijn huis hebben verlaten. Hoe heb ik zijn huishouding bestuurd? Hoe heb ik hem geholpen met alles? Had hij niet drie zonen.…”Hier lachte Minah schamper.„Iedereen zei, dat hij er maar twee had.”„De menschen zijn kwaadsprekers en jij praat hen na,” zeinjai Peraqkalm.„Waarom kon Aboe Bakar dan geen Europeaan blijven?”[311]Een oogenblik dacht de oude na; dan zei ze onverstoorbaar kalm:„Toewan Allahheeft het zoo gewild; hij heeft Silver doen vergeten, dat kind te laten opschrijven in het boek derblanda’s; het is een wonder.”Minah trok de wenkbrauwen op, diep en hoorbaar ademhalend door den neus; nu, vond ze, dàt wonder, dáár was een luchtje aan!„Hoe het ook zij, het zal niet gebeuren,” herhaalde ze, toen terugkomend op de hoofdzaak.„Heeft hij erover gesproken?”„Hij is begonnen met praatjes; het werk in huis was me te zwaar.”„Daar heeft hij gelijk aan; dat kan men dadelijk merken.”„De zorg voor onzen zoon Amat eischte meer van mij.”„Dat is ook waar; ik heb den jongen daar straks op het voorerf gezien; hij liep haast naakt en speelde in de goot; het is een schande.”„Ik moest meer rust nemen en iemand in huis[312]hebben, jonger en sterker om mij te helpen.”„Astage!” riepnjai Peraquit, „wat ben je voor een schepsel! Dat alles heeft hij je gezegd, en in plaats van nu je best te gaan doen; te zorgen voor de huishouding en je kind, ben je dezelfde luie slons gebleven, die je geworden waart. En je durft me zeggen, dat het niet zal gebeuren; dat hij geen tweede vrouw mag nemen, terwijl jij niet meer deugt en niet eens wilt deugen. Wil ik je iets zeggen: mijn zoon is veel te goed voor je.”Het kijven begon nu opnieuw tot ergernis van Aboe Bakar, die naar achter moest komen om stilte te gebieden.Van zijn idée om zijn moeder bij zich te houden, zag hij nu af; dàt zou geen leven zijn; die twee zouden elken dag standjes hebben; daar moest hij iets anders op vinden.[313]
NEGENDE HOOFDSTUK.NEGENDE HOOFDSTUK.Schoonmoeder en schoondochter.
NEGENDE HOOFDSTUK.
Njai Peraqliep regelrecht naar achter, de scheidinggordijn wegslaande, en daar stond ze tegenover Minah, die ervan schrikte. Het was geen aangename ontmoeting. Bij Minah streden de vrees voor de schoonmoeder en de zucht zich in haar eigen huis niet de wet te laten stellen om de overhand;njai Peraqwas woedend. Aboe Bakar, die de bekende trommel zijner moeder in de voorgalerij had laten zetten, ging daar zitten op een wipstoel naast het tafeltje in het midden. De eerste plicht der gastvrijheid werd stil vervuld, de moeder ging op de „eeremat” zitten, dronk een kop[305]koffie en at met de vingers wat rijst uit een pisangblad. Minah rammelde in het maleisch over de buurt-perkaras; maar toennjai Peraq, die niets gezegd had, met eten en drinken klaar was, sloeg zij van haarkaïnde korrels rijst, die dadelijk door een grooten haan met harde tikken van den houten vloer werden opgepikt, zette haar bril op en zei langzaam:„Het is een vuile boel in het huis van mijn zoon.”Daar had je ’t al, dacht Minah, en zich tot verweer gereed makende.„Wij zijn tevreden.”„Een man let daar niet op, hij ziet het niet, hij gewent eraan, een vuile vrouw maakt een vuilen man.”„Het is hier niet vuiler dan elders.”„Bij mij aan huis was het zoo niet, bij denmantri, uw vader, ook niet.”En toen Minah, inwendig kokend van woede, zweeg, ging de oude voort.[306]„Wat doe je den heelen dag? Moet ik het nog vragen? Je doetniets; als een lui beest lig je daar tusschen vuilebantals, die nooit gelucht worden. Je moest de vrouw zijn van een koeli, dan zou die je slaan met derotan.”„Ik behoef immers niets te doen! Aboe Bakar is rijk, ik kan alles laten doen als ik het wil.”„Maar je bent zelfs te lui om te laten werken. Wat ben je? Ik heb je opgeraapt van den weg; je vader stond tekrakalals een kettingganger, wanneer ik hem niet geholpen had. Goed, ik zou je danken met mijn hart, als ik zag, dat je een goeje vrouw voor mijn zoon was. Je bent vuil en lui. En je hebt maar één kind.”„Het is mijn schuld niet.”„Traperdoelie, het is niet zooals het behoort. Ik had gedacht hier te komen in een nette woning, met een goede flinke vrouw; ik kom in een varkenshok met een slechte zeug.”Dàt was te veel voor Minah; zij verschoot van grijs in zwart en omgekeerd in het bruin der huid.[307]„Het iszijnschuld.”„Het is nooit de schuld van den man.”„Het is goed praten, als je van een ouden leelijken Europeaan denjaigeweest ben, en grapjes had met Arabieren; dan kan men dat van zoo’n kerel verdragen. Ik ben een fatsoenlijke getrouwde vrouw, en ik kan me niet zóó laten behandelen; ik hield van hem en hij behandelt me als een hondenkind.”Gelukkig schoof Aboe Bakar de gordijn op zij en kwam binnen; hij had geluisterd, en vreezend datnjai Peraqhandtastelijk zou worden—wat zij al was—trad hij tusschenbeiden.„Wat wil je zeggen?” vroeg hij Minah, die met een boozen trek om den mond en de oogen neergeslagen tegen den wand stond.„Ik wil hebben, dat je antwoordt,” herhaalde hij.En toen ze nog altijd zweeg:„Voor de derde maal: zal je antwoorden?”Het was de eerste keer in zijn leven, dat hij de hand uitstak naar een vrouw, maar hij moest[308]het doen; moest hij, levend naar denkoran, de ongehoorzame vrouw niet slaan?Daarom liet hij zijn zware vuist een paar malen neerkomen op haar schouders, greep haar in dekondéen slingerde haar door een achterdeur het binnenplaatsje op, waar ze neerviel bij den put, een paargendiesbrekend bij het vallen.Wat had hij daar een berouw van!Minah zette een keel op, die de heele kampong deed uitloopen.Verschrikt stapte Aboe Bakar naar voren en ging met ’n kleur van schaamte weer naast het tafeltje zitten. Wat was zij toch een brutaal beest!Het kamponghoofd kwam zijn erfje op, met een vriendelijk gezicht, plichtshalve.„Ada apa, toean saïd.”Hij haalde de breede schouders op, reikte den inlander de vingertoppen, en zei lachend:„Ah, gila behasa; trada ada apa apa.”Njai Peraqhad het zóó niet bedoeld; zij had[309]nooit slaag gehad van John Silver op die manier; nu en dan had hij in eenstadiumvan erge opgewondenheid, zich verstout haar met zijn magere knokkels op het dikke vleesch der bovenarmen te stompen, maar zoo’n pak was haar te erg; zij zou het ook niet hebben verdragen.Zij trachtte nu Minah te troosten, die vastbesloten scheen te blijven doorjammeren bij den put.„Slaat hij wel meer?” vroeg ze.„Het is de eerste maal; ik dacht wel dat het komen zou; hij zal me nu wel meer slaan; hij heeft maar een voorwendsel gezocht; ik begrijp het wel; maar ikwilniet; hetzalniet gebeuren; hij mag me dood slaan; laat hij mij maar dood slaan, dat kan me niet schelen; hij heeft me geslagen; hij zal me nu altijd slaan.”Zoo brulde zij voort, den arm opgestoken tegen de bamboezen heining, het hoofd heen en weer rollend over den arm.En toen ze eindelijk bedaard was, kwam het hooge woord eruit:[310]„Hij wil er nog een vrouw bijnemen.”Dat keurdenjai Peraqaf, maar zij wilde toch haar zoon verdedigen, en met een schijn van onverschilligheid zei ze:„Wat zou het?”Minah keek haar strak in het gezicht.„Ik zou u wel eens hebben willen zien, als.…”Maar dat liet geen vergelijking toe.„Meneer Silver was een Europeaan en ik was niet met hem getrouwd volgens deadat; als hij mij had willen wegzenden, zou hij dat gedaan hebben; als hij een ander had genomen, zou ik zijn huis hebben verlaten. Hoe heb ik zijn huishouding bestuurd? Hoe heb ik hem geholpen met alles? Had hij niet drie zonen.…”Hier lachte Minah schamper.„Iedereen zei, dat hij er maar twee had.”„De menschen zijn kwaadsprekers en jij praat hen na,” zeinjai Peraqkalm.„Waarom kon Aboe Bakar dan geen Europeaan blijven?”[311]Een oogenblik dacht de oude na; dan zei ze onverstoorbaar kalm:„Toewan Allahheeft het zoo gewild; hij heeft Silver doen vergeten, dat kind te laten opschrijven in het boek derblanda’s; het is een wonder.”Minah trok de wenkbrauwen op, diep en hoorbaar ademhalend door den neus; nu, vond ze, dàt wonder, dáár was een luchtje aan!„Hoe het ook zij, het zal niet gebeuren,” herhaalde ze, toen terugkomend op de hoofdzaak.„Heeft hij erover gesproken?”„Hij is begonnen met praatjes; het werk in huis was me te zwaar.”„Daar heeft hij gelijk aan; dat kan men dadelijk merken.”„De zorg voor onzen zoon Amat eischte meer van mij.”„Dat is ook waar; ik heb den jongen daar straks op het voorerf gezien; hij liep haast naakt en speelde in de goot; het is een schande.”„Ik moest meer rust nemen en iemand in huis[312]hebben, jonger en sterker om mij te helpen.”„Astage!” riepnjai Peraquit, „wat ben je voor een schepsel! Dat alles heeft hij je gezegd, en in plaats van nu je best te gaan doen; te zorgen voor de huishouding en je kind, ben je dezelfde luie slons gebleven, die je geworden waart. En je durft me zeggen, dat het niet zal gebeuren; dat hij geen tweede vrouw mag nemen, terwijl jij niet meer deugt en niet eens wilt deugen. Wil ik je iets zeggen: mijn zoon is veel te goed voor je.”Het kijven begon nu opnieuw tot ergernis van Aboe Bakar, die naar achter moest komen om stilte te gebieden.Van zijn idée om zijn moeder bij zich te houden, zag hij nu af; dàt zou geen leven zijn; die twee zouden elken dag standjes hebben; daar moest hij iets anders op vinden.[313]
Njai Peraqliep regelrecht naar achter, de scheidinggordijn wegslaande, en daar stond ze tegenover Minah, die ervan schrikte. Het was geen aangename ontmoeting. Bij Minah streden de vrees voor de schoonmoeder en de zucht zich in haar eigen huis niet de wet te laten stellen om de overhand;njai Peraqwas woedend. Aboe Bakar, die de bekende trommel zijner moeder in de voorgalerij had laten zetten, ging daar zitten op een wipstoel naast het tafeltje in het midden. De eerste plicht der gastvrijheid werd stil vervuld, de moeder ging op de „eeremat” zitten, dronk een kop[305]koffie en at met de vingers wat rijst uit een pisangblad. Minah rammelde in het maleisch over de buurt-perkaras; maar toennjai Peraq, die niets gezegd had, met eten en drinken klaar was, sloeg zij van haarkaïnde korrels rijst, die dadelijk door een grooten haan met harde tikken van den houten vloer werden opgepikt, zette haar bril op en zei langzaam:
„Het is een vuile boel in het huis van mijn zoon.”
Daar had je ’t al, dacht Minah, en zich tot verweer gereed makende.
„Wij zijn tevreden.”
„Een man let daar niet op, hij ziet het niet, hij gewent eraan, een vuile vrouw maakt een vuilen man.”
„Het is hier niet vuiler dan elders.”
„Bij mij aan huis was het zoo niet, bij denmantri, uw vader, ook niet.”
En toen Minah, inwendig kokend van woede, zweeg, ging de oude voort.[306]
„Wat doe je den heelen dag? Moet ik het nog vragen? Je doetniets; als een lui beest lig je daar tusschen vuilebantals, die nooit gelucht worden. Je moest de vrouw zijn van een koeli, dan zou die je slaan met derotan.”
„Ik behoef immers niets te doen! Aboe Bakar is rijk, ik kan alles laten doen als ik het wil.”
„Maar je bent zelfs te lui om te laten werken. Wat ben je? Ik heb je opgeraapt van den weg; je vader stond tekrakalals een kettingganger, wanneer ik hem niet geholpen had. Goed, ik zou je danken met mijn hart, als ik zag, dat je een goeje vrouw voor mijn zoon was. Je bent vuil en lui. En je hebt maar één kind.”
„Het is mijn schuld niet.”
„Traperdoelie, het is niet zooals het behoort. Ik had gedacht hier te komen in een nette woning, met een goede flinke vrouw; ik kom in een varkenshok met een slechte zeug.”
Dàt was te veel voor Minah; zij verschoot van grijs in zwart en omgekeerd in het bruin der huid.[307]
„Het iszijnschuld.”
„Het is nooit de schuld van den man.”
„Het is goed praten, als je van een ouden leelijken Europeaan denjaigeweest ben, en grapjes had met Arabieren; dan kan men dat van zoo’n kerel verdragen. Ik ben een fatsoenlijke getrouwde vrouw, en ik kan me niet zóó laten behandelen; ik hield van hem en hij behandelt me als een hondenkind.”
Gelukkig schoof Aboe Bakar de gordijn op zij en kwam binnen; hij had geluisterd, en vreezend datnjai Peraqhandtastelijk zou worden—wat zij al was—trad hij tusschenbeiden.
„Wat wil je zeggen?” vroeg hij Minah, die met een boozen trek om den mond en de oogen neergeslagen tegen den wand stond.
„Ik wil hebben, dat je antwoordt,” herhaalde hij.
En toen ze nog altijd zweeg:
„Voor de derde maal: zal je antwoorden?”
Het was de eerste keer in zijn leven, dat hij de hand uitstak naar een vrouw, maar hij moest[308]het doen; moest hij, levend naar denkoran, de ongehoorzame vrouw niet slaan?
Daarom liet hij zijn zware vuist een paar malen neerkomen op haar schouders, greep haar in dekondéen slingerde haar door een achterdeur het binnenplaatsje op, waar ze neerviel bij den put, een paargendiesbrekend bij het vallen.
Wat had hij daar een berouw van!
Minah zette een keel op, die de heele kampong deed uitloopen.
Verschrikt stapte Aboe Bakar naar voren en ging met ’n kleur van schaamte weer naast het tafeltje zitten. Wat was zij toch een brutaal beest!
Het kamponghoofd kwam zijn erfje op, met een vriendelijk gezicht, plichtshalve.
„Ada apa, toean saïd.”
Hij haalde de breede schouders op, reikte den inlander de vingertoppen, en zei lachend:
„Ah, gila behasa; trada ada apa apa.”
Njai Peraqhad het zóó niet bedoeld; zij had[309]nooit slaag gehad van John Silver op die manier; nu en dan had hij in eenstadiumvan erge opgewondenheid, zich verstout haar met zijn magere knokkels op het dikke vleesch der bovenarmen te stompen, maar zoo’n pak was haar te erg; zij zou het ook niet hebben verdragen.
Zij trachtte nu Minah te troosten, die vastbesloten scheen te blijven doorjammeren bij den put.
„Slaat hij wel meer?” vroeg ze.
„Het is de eerste maal; ik dacht wel dat het komen zou; hij zal me nu wel meer slaan; hij heeft maar een voorwendsel gezocht; ik begrijp het wel; maar ikwilniet; hetzalniet gebeuren; hij mag me dood slaan; laat hij mij maar dood slaan, dat kan me niet schelen; hij heeft me geslagen; hij zal me nu altijd slaan.”
Zoo brulde zij voort, den arm opgestoken tegen de bamboezen heining, het hoofd heen en weer rollend over den arm.
En toen ze eindelijk bedaard was, kwam het hooge woord eruit:[310]
„Hij wil er nog een vrouw bijnemen.”
Dat keurdenjai Peraqaf, maar zij wilde toch haar zoon verdedigen, en met een schijn van onverschilligheid zei ze:
„Wat zou het?”
Minah keek haar strak in het gezicht.
„Ik zou u wel eens hebben willen zien, als.…”
Maar dat liet geen vergelijking toe.
„Meneer Silver was een Europeaan en ik was niet met hem getrouwd volgens deadat; als hij mij had willen wegzenden, zou hij dat gedaan hebben; als hij een ander had genomen, zou ik zijn huis hebben verlaten. Hoe heb ik zijn huishouding bestuurd? Hoe heb ik hem geholpen met alles? Had hij niet drie zonen.…”
Hier lachte Minah schamper.
„Iedereen zei, dat hij er maar twee had.”
„De menschen zijn kwaadsprekers en jij praat hen na,” zeinjai Peraqkalm.
„Waarom kon Aboe Bakar dan geen Europeaan blijven?”[311]
Een oogenblik dacht de oude na; dan zei ze onverstoorbaar kalm:
„Toewan Allahheeft het zoo gewild; hij heeft Silver doen vergeten, dat kind te laten opschrijven in het boek derblanda’s; het is een wonder.”
Minah trok de wenkbrauwen op, diep en hoorbaar ademhalend door den neus; nu, vond ze, dàt wonder, dáár was een luchtje aan!
„Hoe het ook zij, het zal niet gebeuren,” herhaalde ze, toen terugkomend op de hoofdzaak.
„Heeft hij erover gesproken?”
„Hij is begonnen met praatjes; het werk in huis was me te zwaar.”
„Daar heeft hij gelijk aan; dat kan men dadelijk merken.”
„De zorg voor onzen zoon Amat eischte meer van mij.”
„Dat is ook waar; ik heb den jongen daar straks op het voorerf gezien; hij liep haast naakt en speelde in de goot; het is een schande.”
„Ik moest meer rust nemen en iemand in huis[312]hebben, jonger en sterker om mij te helpen.”
„Astage!” riepnjai Peraquit, „wat ben je voor een schepsel! Dat alles heeft hij je gezegd, en in plaats van nu je best te gaan doen; te zorgen voor de huishouding en je kind, ben je dezelfde luie slons gebleven, die je geworden waart. En je durft me zeggen, dat het niet zal gebeuren; dat hij geen tweede vrouw mag nemen, terwijl jij niet meer deugt en niet eens wilt deugen. Wil ik je iets zeggen: mijn zoon is veel te goed voor je.”
Het kijven begon nu opnieuw tot ergernis van Aboe Bakar, die naar achter moest komen om stilte te gebieden.
Van zijn idée om zijn moeder bij zich te houden, zag hij nu af; dàt zou geen leven zijn; die twee zouden elken dag standjes hebben; daar moest hij iets anders op vinden.
[313]