[Inhoud]NEGENTIENDE HOOFDSTUK.NEGENTIENDE HOOFDSTUK.Een nieuwe vlam.Adam rekte zich uit, dat de ledikantstijlen ervan kraakten. Hij had heerlijk geslapen en de muizenissen waren hem uit het hoofd gegaan, aan het portret dacht hij zoo dadelijk niet en miste het dus evenmin; hij ging baden om wat op te frisschen, en deed ’n wandeling daarna met Bram, die druk bezig was in den tuin.„Het ziet er niet netjes uit,” excuseerde zich Bram, die dezelfdeliefhebberijin bloemkweeken had als z’n vader. „Het is in den laatsten tijd erg verwaarloosd door de ziekte van den ouwen.”„Het gaat nogal,” meende Adam met ’n onverschilligen[181]blik over de rozestruiken en de veelkleurige planten.„Neen, waarachtig niet. Maar da’s niks; ik zal het wel weer gauw in orde krijgen. Hou jij van bloemen?”Bram zat op z’n hurken, met vette aardkluitjes aan en een groote kromme schaar in z’n handen, en hoog boven hem uit stak het groote breede lijf, dat in de witte kabaai nog forscher leek, van den jongeren broer. Toen Bram geen antwoord kreeg, zag hij op naar den jeugdigen gebaarden kop boven hem, en hij volgde tusschen de struiken de richting van den blik, die er bovenuit keek.„Aardig, ja?” vroeg Bram.Langzaam knikte Adam van ja; zijn zwarte oogen, glinsterend als karbonkels, boorden door de lichte gele zonnelucht over den pagger naar het weggetje daar langs, en Bram lachte genoeglijk; dááraan herkende hij ten minste zijn bloed bij dien vreemdsoortigen broer; die rare eend in de familiebijt.[182]„Ja, ze ziet er goed uit,” vervolgde Bram; „zij is de dochter van eenmantrivan de gevangenis; ze zal moeilijk te krijgen zijn.”Adam oogde nog de slanke figuur na in het gebloemd katoenen baadje, dat, strak gespannen, van onder haast vastgedrukt tegen de mede engsluitend aangehaalde in bruin gewerkte sarong, de fijne ronde vormen onberispelijk teekende, evenals de met die tengerheid van bouw contrasteerende, sterke buste-ontwikkeling in conische vormen vooruitspringend.Het was ’n mooi gezicht vond Adam; hij had, toen ze voorbijging, gekeken in haar vroolijke, ronde oogen, die hem toelachten gelijk het meisjesoogen mooie jongens doen; zijn blik was gegaan over den weelderigen schat van in een groote wrong gedraaid hoofdhaar, waarin ’n wit bloempje stak, als hield dat die massa bijeen; en het aardigensemblehad hem diep geïmpressionneerd; een stil vuur was langzaam als door hem heengegaan van top tot teen, een gloeiende lavastroom,[183]die hem op zijn groote voeten deed staan trillen van begeerte.Dat was hem nog nooit overkomen, zóó nog nooit! Bij de boemelpartijen met zijn vrienden in Holland had hij meegedaan aan alles, maar zonder veel opgewektheid; altijd met het indolente en onverschillige, dat hem zoo typeerde in uiterlijk en manieren. Hij gaf zich geen rekenschap van het andere, dat hem nu bezielde; hij vond het vreemd en keek er een oogenblik later verwonderd over naar Bram, die opgestaan was, als moest deze het raadsel oplossen. Of het kwam door het klimaat of door zijn oostersche afkomst;—dat waren quaesties, die niet eens in zijn gedachten oprezen.Werktuiglijk vroeg hij:„Zou het niet gaan?”„Ik denk het niet,” zei Bram, „of je moest het heel stil behandelen.”„Hoe bedoel-je?” vroeg Adam, die wezenlijk niet op de hoogte was, en deze conversatie, welke hem geheelau faitvooronderstelde en in kwart[184]en halve phrasen werd gevoerd, nauwlijks volgen kon.„Wel, dan naderhand met geld; een flinke som. Zie je, zoo’n kerel is nauwelijks bij het gouvernement of van tweeën één: zijn dochter moet huishoudster worden bij een Europeesch ambtenaar, die hem vooruit kan helpen, of zij moet trouwen met een inlandsch ambtenaar; maar een ambtenaar moet het zijn; dáár heeft zoo’n vent nu eenmaal zijn zinnen op gezet, en hij gaat er niet af.”„Ik kan nog niet eens met haar praten,” zei Adam met een spijtigen glimlach.„Och, dat is niks. Integendeel.”„Hoezoo?”„Wel, des te gauwer leer je de taal van het land.”„Ja, dat zal wel waar zijn.”„Nou,” zei Bram zacht en vertrouwelijk, „ik zal eens poolshoogte voor je nemen. Loop je nog door?”En toen Adam dat nog doen wilde:[185]„Dan groet ik je, want ik moet even met de ouwe vrouw praten.”In het kamertje op het achtererf ging hij bijnjai Peraqzitten en stak een strootje op, z’n magere beenen in de lucht wippend en kruiselings weer inhalend met groote lenigheid over elkaar tot ver achter het kniegewricht.Telkens luid op lachend, vertelde hij in het maleisch hoe Adam het inlandsche meisje had aan- en nagekeken; dat hij al zoo goed als verliefd was op het eerste gezicht; dat het dus alles maar onzin was met dattotohmeisje, en Adam als hij eenmaal Minah van denmantrihad, voorgoed van die gekheid af zou zijn.Ernstig en stil overwoognjai Peraq; de mantri stond bij haar in de schuld; hij was achterstallig en zij kon hem in moeilijkheden brengen, want hij knoeide met leveranciers; dàt kon ze bewijzen; het meisje was wel een beetje koket en keek veel te veel de mannen in de oogen, maar ze was werkzaam en bij de hand, en had ze eenmaal een[186]lakials Adam, dan zou zij zich heel gemakkelijk tot deugden schikken.„Het kan misschien wel,” meende zij.„Hm! Heb je hem vast?”„Ja; maar hij kan me ontgaan, als er anderen zijn, die hem helpen.”„Nou ja! Ik zou er gauw werk van maken. Loop er eens langs en vraag haar mee te gaan om koffie te drinken enkwee-kweete eten.”„Wat zou dat helpen?” vroegnjai Peraq.Zij had andere inzichten; zij kon niet afdalen tot het standpunt van vernedering, vanwaar Bram het artikel vrouw beschouwde.„Wat het helpen zou? Wel, als ze eenmaal hier is, komt ze ook wel eens alleen met Adam. Dan moet hij maar zelf weten, wat hem te doen staat.”Maarnjai Peraqfronste de wenkbrauwen en schudde in korte nijdige bewegingen het hoofd.„Terlaloe, Bram. Het is gemeen, en zóó zal het niet gebeuren. Ik weet wel beter en fatsoenlijker.[187]Hij hoeft geen beest te zijn om haar te krijgen.”Bram lachte erom, zoo gek vond hij haar uitval, en stak, terwijl hij zijn knokkelvingers luid en knappend liet kraken, zijn magere beenen weer in de lucht. „Ouwe sok!” zei hij in ’t Hollandsch.Zij kende het woord, als een uitdrukking, die John Silver vroeger altijd veel in den mond had; maar zij begreep er niets van en liet het erbij. En toen Bram uitgelachen had, spraken ze er ook niet verder over, denkend ieder hun eigen gedachten.Tot Bram opschrikte toen eenbaboekwam zeggen, dat er bezoek was; de meneer had een kaartje afgegeven, er stond op, dat hij agent was van de Weeskamer.Met een nijdig gezicht ging hij het huis in; dat was waar ook: de vervelende Weeskamer zou zich er nu mee bemoeien, want Adam was minderjarig.[188]
[Inhoud]NEGENTIENDE HOOFDSTUK.NEGENTIENDE HOOFDSTUK.Een nieuwe vlam.Adam rekte zich uit, dat de ledikantstijlen ervan kraakten. Hij had heerlijk geslapen en de muizenissen waren hem uit het hoofd gegaan, aan het portret dacht hij zoo dadelijk niet en miste het dus evenmin; hij ging baden om wat op te frisschen, en deed ’n wandeling daarna met Bram, die druk bezig was in den tuin.„Het ziet er niet netjes uit,” excuseerde zich Bram, die dezelfdeliefhebberijin bloemkweeken had als z’n vader. „Het is in den laatsten tijd erg verwaarloosd door de ziekte van den ouwen.”„Het gaat nogal,” meende Adam met ’n onverschilligen[181]blik over de rozestruiken en de veelkleurige planten.„Neen, waarachtig niet. Maar da’s niks; ik zal het wel weer gauw in orde krijgen. Hou jij van bloemen?”Bram zat op z’n hurken, met vette aardkluitjes aan en een groote kromme schaar in z’n handen, en hoog boven hem uit stak het groote breede lijf, dat in de witte kabaai nog forscher leek, van den jongeren broer. Toen Bram geen antwoord kreeg, zag hij op naar den jeugdigen gebaarden kop boven hem, en hij volgde tusschen de struiken de richting van den blik, die er bovenuit keek.„Aardig, ja?” vroeg Bram.Langzaam knikte Adam van ja; zijn zwarte oogen, glinsterend als karbonkels, boorden door de lichte gele zonnelucht over den pagger naar het weggetje daar langs, en Bram lachte genoeglijk; dááraan herkende hij ten minste zijn bloed bij dien vreemdsoortigen broer; die rare eend in de familiebijt.[182]„Ja, ze ziet er goed uit,” vervolgde Bram; „zij is de dochter van eenmantrivan de gevangenis; ze zal moeilijk te krijgen zijn.”Adam oogde nog de slanke figuur na in het gebloemd katoenen baadje, dat, strak gespannen, van onder haast vastgedrukt tegen de mede engsluitend aangehaalde in bruin gewerkte sarong, de fijne ronde vormen onberispelijk teekende, evenals de met die tengerheid van bouw contrasteerende, sterke buste-ontwikkeling in conische vormen vooruitspringend.Het was ’n mooi gezicht vond Adam; hij had, toen ze voorbijging, gekeken in haar vroolijke, ronde oogen, die hem toelachten gelijk het meisjesoogen mooie jongens doen; zijn blik was gegaan over den weelderigen schat van in een groote wrong gedraaid hoofdhaar, waarin ’n wit bloempje stak, als hield dat die massa bijeen; en het aardigensemblehad hem diep geïmpressionneerd; een stil vuur was langzaam als door hem heengegaan van top tot teen, een gloeiende lavastroom,[183]die hem op zijn groote voeten deed staan trillen van begeerte.Dat was hem nog nooit overkomen, zóó nog nooit! Bij de boemelpartijen met zijn vrienden in Holland had hij meegedaan aan alles, maar zonder veel opgewektheid; altijd met het indolente en onverschillige, dat hem zoo typeerde in uiterlijk en manieren. Hij gaf zich geen rekenschap van het andere, dat hem nu bezielde; hij vond het vreemd en keek er een oogenblik later verwonderd over naar Bram, die opgestaan was, als moest deze het raadsel oplossen. Of het kwam door het klimaat of door zijn oostersche afkomst;—dat waren quaesties, die niet eens in zijn gedachten oprezen.Werktuiglijk vroeg hij:„Zou het niet gaan?”„Ik denk het niet,” zei Bram, „of je moest het heel stil behandelen.”„Hoe bedoel-je?” vroeg Adam, die wezenlijk niet op de hoogte was, en deze conversatie, welke hem geheelau faitvooronderstelde en in kwart[184]en halve phrasen werd gevoerd, nauwlijks volgen kon.„Wel, dan naderhand met geld; een flinke som. Zie je, zoo’n kerel is nauwelijks bij het gouvernement of van tweeën één: zijn dochter moet huishoudster worden bij een Europeesch ambtenaar, die hem vooruit kan helpen, of zij moet trouwen met een inlandsch ambtenaar; maar een ambtenaar moet het zijn; dáár heeft zoo’n vent nu eenmaal zijn zinnen op gezet, en hij gaat er niet af.”„Ik kan nog niet eens met haar praten,” zei Adam met een spijtigen glimlach.„Och, dat is niks. Integendeel.”„Hoezoo?”„Wel, des te gauwer leer je de taal van het land.”„Ja, dat zal wel waar zijn.”„Nou,” zei Bram zacht en vertrouwelijk, „ik zal eens poolshoogte voor je nemen. Loop je nog door?”En toen Adam dat nog doen wilde:[185]„Dan groet ik je, want ik moet even met de ouwe vrouw praten.”In het kamertje op het achtererf ging hij bijnjai Peraqzitten en stak een strootje op, z’n magere beenen in de lucht wippend en kruiselings weer inhalend met groote lenigheid over elkaar tot ver achter het kniegewricht.Telkens luid op lachend, vertelde hij in het maleisch hoe Adam het inlandsche meisje had aan- en nagekeken; dat hij al zoo goed als verliefd was op het eerste gezicht; dat het dus alles maar onzin was met dattotohmeisje, en Adam als hij eenmaal Minah van denmantrihad, voorgoed van die gekheid af zou zijn.Ernstig en stil overwoognjai Peraq; de mantri stond bij haar in de schuld; hij was achterstallig en zij kon hem in moeilijkheden brengen, want hij knoeide met leveranciers; dàt kon ze bewijzen; het meisje was wel een beetje koket en keek veel te veel de mannen in de oogen, maar ze was werkzaam en bij de hand, en had ze eenmaal een[186]lakials Adam, dan zou zij zich heel gemakkelijk tot deugden schikken.„Het kan misschien wel,” meende zij.„Hm! Heb je hem vast?”„Ja; maar hij kan me ontgaan, als er anderen zijn, die hem helpen.”„Nou ja! Ik zou er gauw werk van maken. Loop er eens langs en vraag haar mee te gaan om koffie te drinken enkwee-kweete eten.”„Wat zou dat helpen?” vroegnjai Peraq.Zij had andere inzichten; zij kon niet afdalen tot het standpunt van vernedering, vanwaar Bram het artikel vrouw beschouwde.„Wat het helpen zou? Wel, als ze eenmaal hier is, komt ze ook wel eens alleen met Adam. Dan moet hij maar zelf weten, wat hem te doen staat.”Maarnjai Peraqfronste de wenkbrauwen en schudde in korte nijdige bewegingen het hoofd.„Terlaloe, Bram. Het is gemeen, en zóó zal het niet gebeuren. Ik weet wel beter en fatsoenlijker.[187]Hij hoeft geen beest te zijn om haar te krijgen.”Bram lachte erom, zoo gek vond hij haar uitval, en stak, terwijl hij zijn knokkelvingers luid en knappend liet kraken, zijn magere beenen weer in de lucht. „Ouwe sok!” zei hij in ’t Hollandsch.Zij kende het woord, als een uitdrukking, die John Silver vroeger altijd veel in den mond had; maar zij begreep er niets van en liet het erbij. En toen Bram uitgelachen had, spraken ze er ook niet verder over, denkend ieder hun eigen gedachten.Tot Bram opschrikte toen eenbaboekwam zeggen, dat er bezoek was; de meneer had een kaartje afgegeven, er stond op, dat hij agent was van de Weeskamer.Met een nijdig gezicht ging hij het huis in; dat was waar ook: de vervelende Weeskamer zou zich er nu mee bemoeien, want Adam was minderjarig.[188]
[Inhoud]NEGENTIENDE HOOFDSTUK.NEGENTIENDE HOOFDSTUK.Een nieuwe vlam.Adam rekte zich uit, dat de ledikantstijlen ervan kraakten. Hij had heerlijk geslapen en de muizenissen waren hem uit het hoofd gegaan, aan het portret dacht hij zoo dadelijk niet en miste het dus evenmin; hij ging baden om wat op te frisschen, en deed ’n wandeling daarna met Bram, die druk bezig was in den tuin.„Het ziet er niet netjes uit,” excuseerde zich Bram, die dezelfdeliefhebberijin bloemkweeken had als z’n vader. „Het is in den laatsten tijd erg verwaarloosd door de ziekte van den ouwen.”„Het gaat nogal,” meende Adam met ’n onverschilligen[181]blik over de rozestruiken en de veelkleurige planten.„Neen, waarachtig niet. Maar da’s niks; ik zal het wel weer gauw in orde krijgen. Hou jij van bloemen?”Bram zat op z’n hurken, met vette aardkluitjes aan en een groote kromme schaar in z’n handen, en hoog boven hem uit stak het groote breede lijf, dat in de witte kabaai nog forscher leek, van den jongeren broer. Toen Bram geen antwoord kreeg, zag hij op naar den jeugdigen gebaarden kop boven hem, en hij volgde tusschen de struiken de richting van den blik, die er bovenuit keek.„Aardig, ja?” vroeg Bram.Langzaam knikte Adam van ja; zijn zwarte oogen, glinsterend als karbonkels, boorden door de lichte gele zonnelucht over den pagger naar het weggetje daar langs, en Bram lachte genoeglijk; dááraan herkende hij ten minste zijn bloed bij dien vreemdsoortigen broer; die rare eend in de familiebijt.[182]„Ja, ze ziet er goed uit,” vervolgde Bram; „zij is de dochter van eenmantrivan de gevangenis; ze zal moeilijk te krijgen zijn.”Adam oogde nog de slanke figuur na in het gebloemd katoenen baadje, dat, strak gespannen, van onder haast vastgedrukt tegen de mede engsluitend aangehaalde in bruin gewerkte sarong, de fijne ronde vormen onberispelijk teekende, evenals de met die tengerheid van bouw contrasteerende, sterke buste-ontwikkeling in conische vormen vooruitspringend.Het was ’n mooi gezicht vond Adam; hij had, toen ze voorbijging, gekeken in haar vroolijke, ronde oogen, die hem toelachten gelijk het meisjesoogen mooie jongens doen; zijn blik was gegaan over den weelderigen schat van in een groote wrong gedraaid hoofdhaar, waarin ’n wit bloempje stak, als hield dat die massa bijeen; en het aardigensemblehad hem diep geïmpressionneerd; een stil vuur was langzaam als door hem heengegaan van top tot teen, een gloeiende lavastroom,[183]die hem op zijn groote voeten deed staan trillen van begeerte.Dat was hem nog nooit overkomen, zóó nog nooit! Bij de boemelpartijen met zijn vrienden in Holland had hij meegedaan aan alles, maar zonder veel opgewektheid; altijd met het indolente en onverschillige, dat hem zoo typeerde in uiterlijk en manieren. Hij gaf zich geen rekenschap van het andere, dat hem nu bezielde; hij vond het vreemd en keek er een oogenblik later verwonderd over naar Bram, die opgestaan was, als moest deze het raadsel oplossen. Of het kwam door het klimaat of door zijn oostersche afkomst;—dat waren quaesties, die niet eens in zijn gedachten oprezen.Werktuiglijk vroeg hij:„Zou het niet gaan?”„Ik denk het niet,” zei Bram, „of je moest het heel stil behandelen.”„Hoe bedoel-je?” vroeg Adam, die wezenlijk niet op de hoogte was, en deze conversatie, welke hem geheelau faitvooronderstelde en in kwart[184]en halve phrasen werd gevoerd, nauwlijks volgen kon.„Wel, dan naderhand met geld; een flinke som. Zie je, zoo’n kerel is nauwelijks bij het gouvernement of van tweeën één: zijn dochter moet huishoudster worden bij een Europeesch ambtenaar, die hem vooruit kan helpen, of zij moet trouwen met een inlandsch ambtenaar; maar een ambtenaar moet het zijn; dáár heeft zoo’n vent nu eenmaal zijn zinnen op gezet, en hij gaat er niet af.”„Ik kan nog niet eens met haar praten,” zei Adam met een spijtigen glimlach.„Och, dat is niks. Integendeel.”„Hoezoo?”„Wel, des te gauwer leer je de taal van het land.”„Ja, dat zal wel waar zijn.”„Nou,” zei Bram zacht en vertrouwelijk, „ik zal eens poolshoogte voor je nemen. Loop je nog door?”En toen Adam dat nog doen wilde:[185]„Dan groet ik je, want ik moet even met de ouwe vrouw praten.”In het kamertje op het achtererf ging hij bijnjai Peraqzitten en stak een strootje op, z’n magere beenen in de lucht wippend en kruiselings weer inhalend met groote lenigheid over elkaar tot ver achter het kniegewricht.Telkens luid op lachend, vertelde hij in het maleisch hoe Adam het inlandsche meisje had aan- en nagekeken; dat hij al zoo goed als verliefd was op het eerste gezicht; dat het dus alles maar onzin was met dattotohmeisje, en Adam als hij eenmaal Minah van denmantrihad, voorgoed van die gekheid af zou zijn.Ernstig en stil overwoognjai Peraq; de mantri stond bij haar in de schuld; hij was achterstallig en zij kon hem in moeilijkheden brengen, want hij knoeide met leveranciers; dàt kon ze bewijzen; het meisje was wel een beetje koket en keek veel te veel de mannen in de oogen, maar ze was werkzaam en bij de hand, en had ze eenmaal een[186]lakials Adam, dan zou zij zich heel gemakkelijk tot deugden schikken.„Het kan misschien wel,” meende zij.„Hm! Heb je hem vast?”„Ja; maar hij kan me ontgaan, als er anderen zijn, die hem helpen.”„Nou ja! Ik zou er gauw werk van maken. Loop er eens langs en vraag haar mee te gaan om koffie te drinken enkwee-kweete eten.”„Wat zou dat helpen?” vroegnjai Peraq.Zij had andere inzichten; zij kon niet afdalen tot het standpunt van vernedering, vanwaar Bram het artikel vrouw beschouwde.„Wat het helpen zou? Wel, als ze eenmaal hier is, komt ze ook wel eens alleen met Adam. Dan moet hij maar zelf weten, wat hem te doen staat.”Maarnjai Peraqfronste de wenkbrauwen en schudde in korte nijdige bewegingen het hoofd.„Terlaloe, Bram. Het is gemeen, en zóó zal het niet gebeuren. Ik weet wel beter en fatsoenlijker.[187]Hij hoeft geen beest te zijn om haar te krijgen.”Bram lachte erom, zoo gek vond hij haar uitval, en stak, terwijl hij zijn knokkelvingers luid en knappend liet kraken, zijn magere beenen weer in de lucht. „Ouwe sok!” zei hij in ’t Hollandsch.Zij kende het woord, als een uitdrukking, die John Silver vroeger altijd veel in den mond had; maar zij begreep er niets van en liet het erbij. En toen Bram uitgelachen had, spraken ze er ook niet verder over, denkend ieder hun eigen gedachten.Tot Bram opschrikte toen eenbaboekwam zeggen, dat er bezoek was; de meneer had een kaartje afgegeven, er stond op, dat hij agent was van de Weeskamer.Met een nijdig gezicht ging hij het huis in; dat was waar ook: de vervelende Weeskamer zou zich er nu mee bemoeien, want Adam was minderjarig.[188]
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.NEGENTIENDE HOOFDSTUK.Een nieuwe vlam.
NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
Adam rekte zich uit, dat de ledikantstijlen ervan kraakten. Hij had heerlijk geslapen en de muizenissen waren hem uit het hoofd gegaan, aan het portret dacht hij zoo dadelijk niet en miste het dus evenmin; hij ging baden om wat op te frisschen, en deed ’n wandeling daarna met Bram, die druk bezig was in den tuin.„Het ziet er niet netjes uit,” excuseerde zich Bram, die dezelfdeliefhebberijin bloemkweeken had als z’n vader. „Het is in den laatsten tijd erg verwaarloosd door de ziekte van den ouwen.”„Het gaat nogal,” meende Adam met ’n onverschilligen[181]blik over de rozestruiken en de veelkleurige planten.„Neen, waarachtig niet. Maar da’s niks; ik zal het wel weer gauw in orde krijgen. Hou jij van bloemen?”Bram zat op z’n hurken, met vette aardkluitjes aan en een groote kromme schaar in z’n handen, en hoog boven hem uit stak het groote breede lijf, dat in de witte kabaai nog forscher leek, van den jongeren broer. Toen Bram geen antwoord kreeg, zag hij op naar den jeugdigen gebaarden kop boven hem, en hij volgde tusschen de struiken de richting van den blik, die er bovenuit keek.„Aardig, ja?” vroeg Bram.Langzaam knikte Adam van ja; zijn zwarte oogen, glinsterend als karbonkels, boorden door de lichte gele zonnelucht over den pagger naar het weggetje daar langs, en Bram lachte genoeglijk; dááraan herkende hij ten minste zijn bloed bij dien vreemdsoortigen broer; die rare eend in de familiebijt.[182]„Ja, ze ziet er goed uit,” vervolgde Bram; „zij is de dochter van eenmantrivan de gevangenis; ze zal moeilijk te krijgen zijn.”Adam oogde nog de slanke figuur na in het gebloemd katoenen baadje, dat, strak gespannen, van onder haast vastgedrukt tegen de mede engsluitend aangehaalde in bruin gewerkte sarong, de fijne ronde vormen onberispelijk teekende, evenals de met die tengerheid van bouw contrasteerende, sterke buste-ontwikkeling in conische vormen vooruitspringend.Het was ’n mooi gezicht vond Adam; hij had, toen ze voorbijging, gekeken in haar vroolijke, ronde oogen, die hem toelachten gelijk het meisjesoogen mooie jongens doen; zijn blik was gegaan over den weelderigen schat van in een groote wrong gedraaid hoofdhaar, waarin ’n wit bloempje stak, als hield dat die massa bijeen; en het aardigensemblehad hem diep geïmpressionneerd; een stil vuur was langzaam als door hem heengegaan van top tot teen, een gloeiende lavastroom,[183]die hem op zijn groote voeten deed staan trillen van begeerte.Dat was hem nog nooit overkomen, zóó nog nooit! Bij de boemelpartijen met zijn vrienden in Holland had hij meegedaan aan alles, maar zonder veel opgewektheid; altijd met het indolente en onverschillige, dat hem zoo typeerde in uiterlijk en manieren. Hij gaf zich geen rekenschap van het andere, dat hem nu bezielde; hij vond het vreemd en keek er een oogenblik later verwonderd over naar Bram, die opgestaan was, als moest deze het raadsel oplossen. Of het kwam door het klimaat of door zijn oostersche afkomst;—dat waren quaesties, die niet eens in zijn gedachten oprezen.Werktuiglijk vroeg hij:„Zou het niet gaan?”„Ik denk het niet,” zei Bram, „of je moest het heel stil behandelen.”„Hoe bedoel-je?” vroeg Adam, die wezenlijk niet op de hoogte was, en deze conversatie, welke hem geheelau faitvooronderstelde en in kwart[184]en halve phrasen werd gevoerd, nauwlijks volgen kon.„Wel, dan naderhand met geld; een flinke som. Zie je, zoo’n kerel is nauwelijks bij het gouvernement of van tweeën één: zijn dochter moet huishoudster worden bij een Europeesch ambtenaar, die hem vooruit kan helpen, of zij moet trouwen met een inlandsch ambtenaar; maar een ambtenaar moet het zijn; dáár heeft zoo’n vent nu eenmaal zijn zinnen op gezet, en hij gaat er niet af.”„Ik kan nog niet eens met haar praten,” zei Adam met een spijtigen glimlach.„Och, dat is niks. Integendeel.”„Hoezoo?”„Wel, des te gauwer leer je de taal van het land.”„Ja, dat zal wel waar zijn.”„Nou,” zei Bram zacht en vertrouwelijk, „ik zal eens poolshoogte voor je nemen. Loop je nog door?”En toen Adam dat nog doen wilde:[185]„Dan groet ik je, want ik moet even met de ouwe vrouw praten.”In het kamertje op het achtererf ging hij bijnjai Peraqzitten en stak een strootje op, z’n magere beenen in de lucht wippend en kruiselings weer inhalend met groote lenigheid over elkaar tot ver achter het kniegewricht.Telkens luid op lachend, vertelde hij in het maleisch hoe Adam het inlandsche meisje had aan- en nagekeken; dat hij al zoo goed als verliefd was op het eerste gezicht; dat het dus alles maar onzin was met dattotohmeisje, en Adam als hij eenmaal Minah van denmantrihad, voorgoed van die gekheid af zou zijn.Ernstig en stil overwoognjai Peraq; de mantri stond bij haar in de schuld; hij was achterstallig en zij kon hem in moeilijkheden brengen, want hij knoeide met leveranciers; dàt kon ze bewijzen; het meisje was wel een beetje koket en keek veel te veel de mannen in de oogen, maar ze was werkzaam en bij de hand, en had ze eenmaal een[186]lakials Adam, dan zou zij zich heel gemakkelijk tot deugden schikken.„Het kan misschien wel,” meende zij.„Hm! Heb je hem vast?”„Ja; maar hij kan me ontgaan, als er anderen zijn, die hem helpen.”„Nou ja! Ik zou er gauw werk van maken. Loop er eens langs en vraag haar mee te gaan om koffie te drinken enkwee-kweete eten.”„Wat zou dat helpen?” vroegnjai Peraq.Zij had andere inzichten; zij kon niet afdalen tot het standpunt van vernedering, vanwaar Bram het artikel vrouw beschouwde.„Wat het helpen zou? Wel, als ze eenmaal hier is, komt ze ook wel eens alleen met Adam. Dan moet hij maar zelf weten, wat hem te doen staat.”Maarnjai Peraqfronste de wenkbrauwen en schudde in korte nijdige bewegingen het hoofd.„Terlaloe, Bram. Het is gemeen, en zóó zal het niet gebeuren. Ik weet wel beter en fatsoenlijker.[187]Hij hoeft geen beest te zijn om haar te krijgen.”Bram lachte erom, zoo gek vond hij haar uitval, en stak, terwijl hij zijn knokkelvingers luid en knappend liet kraken, zijn magere beenen weer in de lucht. „Ouwe sok!” zei hij in ’t Hollandsch.Zij kende het woord, als een uitdrukking, die John Silver vroeger altijd veel in den mond had; maar zij begreep er niets van en liet het erbij. En toen Bram uitgelachen had, spraken ze er ook niet verder over, denkend ieder hun eigen gedachten.Tot Bram opschrikte toen eenbaboekwam zeggen, dat er bezoek was; de meneer had een kaartje afgegeven, er stond op, dat hij agent was van de Weeskamer.Met een nijdig gezicht ging hij het huis in; dat was waar ook: de vervelende Weeskamer zou zich er nu mee bemoeien, want Adam was minderjarig.[188]
Adam rekte zich uit, dat de ledikantstijlen ervan kraakten. Hij had heerlijk geslapen en de muizenissen waren hem uit het hoofd gegaan, aan het portret dacht hij zoo dadelijk niet en miste het dus evenmin; hij ging baden om wat op te frisschen, en deed ’n wandeling daarna met Bram, die druk bezig was in den tuin.
„Het ziet er niet netjes uit,” excuseerde zich Bram, die dezelfdeliefhebberijin bloemkweeken had als z’n vader. „Het is in den laatsten tijd erg verwaarloosd door de ziekte van den ouwen.”
„Het gaat nogal,” meende Adam met ’n onverschilligen[181]blik over de rozestruiken en de veelkleurige planten.
„Neen, waarachtig niet. Maar da’s niks; ik zal het wel weer gauw in orde krijgen. Hou jij van bloemen?”
Bram zat op z’n hurken, met vette aardkluitjes aan en een groote kromme schaar in z’n handen, en hoog boven hem uit stak het groote breede lijf, dat in de witte kabaai nog forscher leek, van den jongeren broer. Toen Bram geen antwoord kreeg, zag hij op naar den jeugdigen gebaarden kop boven hem, en hij volgde tusschen de struiken de richting van den blik, die er bovenuit keek.
„Aardig, ja?” vroeg Bram.
Langzaam knikte Adam van ja; zijn zwarte oogen, glinsterend als karbonkels, boorden door de lichte gele zonnelucht over den pagger naar het weggetje daar langs, en Bram lachte genoeglijk; dááraan herkende hij ten minste zijn bloed bij dien vreemdsoortigen broer; die rare eend in de familiebijt.[182]
„Ja, ze ziet er goed uit,” vervolgde Bram; „zij is de dochter van eenmantrivan de gevangenis; ze zal moeilijk te krijgen zijn.”
Adam oogde nog de slanke figuur na in het gebloemd katoenen baadje, dat, strak gespannen, van onder haast vastgedrukt tegen de mede engsluitend aangehaalde in bruin gewerkte sarong, de fijne ronde vormen onberispelijk teekende, evenals de met die tengerheid van bouw contrasteerende, sterke buste-ontwikkeling in conische vormen vooruitspringend.
Het was ’n mooi gezicht vond Adam; hij had, toen ze voorbijging, gekeken in haar vroolijke, ronde oogen, die hem toelachten gelijk het meisjesoogen mooie jongens doen; zijn blik was gegaan over den weelderigen schat van in een groote wrong gedraaid hoofdhaar, waarin ’n wit bloempje stak, als hield dat die massa bijeen; en het aardigensemblehad hem diep geïmpressionneerd; een stil vuur was langzaam als door hem heengegaan van top tot teen, een gloeiende lavastroom,[183]die hem op zijn groote voeten deed staan trillen van begeerte.
Dat was hem nog nooit overkomen, zóó nog nooit! Bij de boemelpartijen met zijn vrienden in Holland had hij meegedaan aan alles, maar zonder veel opgewektheid; altijd met het indolente en onverschillige, dat hem zoo typeerde in uiterlijk en manieren. Hij gaf zich geen rekenschap van het andere, dat hem nu bezielde; hij vond het vreemd en keek er een oogenblik later verwonderd over naar Bram, die opgestaan was, als moest deze het raadsel oplossen. Of het kwam door het klimaat of door zijn oostersche afkomst;—dat waren quaesties, die niet eens in zijn gedachten oprezen.
Werktuiglijk vroeg hij:
„Zou het niet gaan?”
„Ik denk het niet,” zei Bram, „of je moest het heel stil behandelen.”
„Hoe bedoel-je?” vroeg Adam, die wezenlijk niet op de hoogte was, en deze conversatie, welke hem geheelau faitvooronderstelde en in kwart[184]en halve phrasen werd gevoerd, nauwlijks volgen kon.
„Wel, dan naderhand met geld; een flinke som. Zie je, zoo’n kerel is nauwelijks bij het gouvernement of van tweeën één: zijn dochter moet huishoudster worden bij een Europeesch ambtenaar, die hem vooruit kan helpen, of zij moet trouwen met een inlandsch ambtenaar; maar een ambtenaar moet het zijn; dáár heeft zoo’n vent nu eenmaal zijn zinnen op gezet, en hij gaat er niet af.”
„Ik kan nog niet eens met haar praten,” zei Adam met een spijtigen glimlach.
„Och, dat is niks. Integendeel.”
„Hoezoo?”
„Wel, des te gauwer leer je de taal van het land.”
„Ja, dat zal wel waar zijn.”
„Nou,” zei Bram zacht en vertrouwelijk, „ik zal eens poolshoogte voor je nemen. Loop je nog door?”
En toen Adam dat nog doen wilde:[185]
„Dan groet ik je, want ik moet even met de ouwe vrouw praten.”
In het kamertje op het achtererf ging hij bijnjai Peraqzitten en stak een strootje op, z’n magere beenen in de lucht wippend en kruiselings weer inhalend met groote lenigheid over elkaar tot ver achter het kniegewricht.
Telkens luid op lachend, vertelde hij in het maleisch hoe Adam het inlandsche meisje had aan- en nagekeken; dat hij al zoo goed als verliefd was op het eerste gezicht; dat het dus alles maar onzin was met dattotohmeisje, en Adam als hij eenmaal Minah van denmantrihad, voorgoed van die gekheid af zou zijn.
Ernstig en stil overwoognjai Peraq; de mantri stond bij haar in de schuld; hij was achterstallig en zij kon hem in moeilijkheden brengen, want hij knoeide met leveranciers; dàt kon ze bewijzen; het meisje was wel een beetje koket en keek veel te veel de mannen in de oogen, maar ze was werkzaam en bij de hand, en had ze eenmaal een[186]lakials Adam, dan zou zij zich heel gemakkelijk tot deugden schikken.
„Het kan misschien wel,” meende zij.
„Hm! Heb je hem vast?”
„Ja; maar hij kan me ontgaan, als er anderen zijn, die hem helpen.”
„Nou ja! Ik zou er gauw werk van maken. Loop er eens langs en vraag haar mee te gaan om koffie te drinken enkwee-kweete eten.”
„Wat zou dat helpen?” vroegnjai Peraq.
Zij had andere inzichten; zij kon niet afdalen tot het standpunt van vernedering, vanwaar Bram het artikel vrouw beschouwde.
„Wat het helpen zou? Wel, als ze eenmaal hier is, komt ze ook wel eens alleen met Adam. Dan moet hij maar zelf weten, wat hem te doen staat.”
Maarnjai Peraqfronste de wenkbrauwen en schudde in korte nijdige bewegingen het hoofd.
„Terlaloe, Bram. Het is gemeen, en zóó zal het niet gebeuren. Ik weet wel beter en fatsoenlijker.[187]Hij hoeft geen beest te zijn om haar te krijgen.”
Bram lachte erom, zoo gek vond hij haar uitval, en stak, terwijl hij zijn knokkelvingers luid en knappend liet kraken, zijn magere beenen weer in de lucht. „Ouwe sok!” zei hij in ’t Hollandsch.
Zij kende het woord, als een uitdrukking, die John Silver vroeger altijd veel in den mond had; maar zij begreep er niets van en liet het erbij. En toen Bram uitgelachen had, spraken ze er ook niet verder over, denkend ieder hun eigen gedachten.
Tot Bram opschrikte toen eenbaboekwam zeggen, dat er bezoek was; de meneer had een kaartje afgegeven, er stond op, dat hij agent was van de Weeskamer.
Met een nijdig gezicht ging hij het huis in; dat was waar ook: de vervelende Weeskamer zou zich er nu mee bemoeien, want Adam was minderjarig.
[188]