[Inhoud]TWINTIGSTE HOOFDSTUK.TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Aboe Bakars ondergang voorbereid.Het was Vrijdag toen depenghoeloemet Aboe Bakar uit demissigitkwam; hij was de talrijke en fanatieke mannen, die in hun beste plunje gestoken, het bijna te kleine bedehuis vulden, vóórgegaan in het gebed; hij had heel mooi gepreekt over de rijkdommen, die de menschen slechts in verzoeking brengen; die men niet mag begeeren; die tot hoogmoed brengen en waarvan het bezit niet zoo goed en voordeelig is, als de genade en de barmhartigheid vantoean Allah; hij had betoogd, dat men zijn rijkdommen moest besteden op den weg Gods, om te worden gelijk een graankorrel,[398]die zeven halmen voortbrengt, waarvan ieder honderd korrels bevat.….De mannen hadden aandachtig geluisterd, schoon het in geen hunner ook maar één oogenblik was opgekomen nu iets anders te doen met zijn geld, dan wat hij totnogtoe er altijd mee had gedaan. Op Aboe Bakar had het een diepen indruk gemaakt.„Ik begrijp niet hoe men doen moet,” zei hij, toen ze het met vruchtboomen beschaduwde koele pad afliepen naar den zonnigen weg vol grijs stof.„Men moet erover nadenken,” antwoordde depenghoeloe, die zich vooral niet wilde overhaasten.Na een oogenblik zwijgend te hebben doorgestapt onder het gefladder hunner lange gewaden in den wind, depenghoeloein zwart met donkerrood, de andere in blauw met wit gevoerd en afgezet, vroeg Aboe Bakar:„Wat hebtgijgedaan?”„Ik deed wat wij, priesters, allen doen, en wat ook veel andere vrome menschen doen: ik heb[399]mijn geld gestort bij dedjakaten depitraen de andere opbrengsten der geestelijkheid.”„Kan ik het ook doen?”„Het kan; waarom zou het niet?”Onder de neergeslagen oogleden en de borstelige wenkbrauwen van denpenghoeloeschitterden de oogen van vreugde. Het ging zoo mooi! En juist nu hij zooveel noodig had, terwijl de priesterkas zoo leeg was als een uitgeholde klapperdop!’s Nachts kon Aboe Bakar zijn gedachten niet wegwerken; hij ging naar buiten, naar de rivier, waar hij een klein houten paviljoentje had laten bouwen, om in volkomen afzondering te bidden; hij boog zich neer op de knieën, het voorhoofd op den grond, de handen uitgestrekt; hij bad alleen en vurig tegen de inblazing der duivelen; tegen de booze geesten.Het hielp niet; telkens als hij weer zijn conscientie onderzocht, vond hij vrees en wantrouwen op den bodem zijner gedachten; het was als woeien zij op in zijn hoofd.[400]Dàt was de duivel in hem, dacht hij; de oude aan het persoonlijk bezit van geld en goed gehechte mensch; de Adam, die hij eens geweest was.Hij moest zijn geld storten in depenghoeloe-kas, dus trachtte hij zich te suggereeren; hijmoesthet afgeven zonder eenig bewijs van ontvangst, geheel te goeder trouw; hijmoesthet daar gedeponeerd laten, behoudens, dat hij er altijd van kon nemen, wat hij noodig had voor zijn behoeften of zijn genoegens. Maar of hij zich dit al opdrong, en of hij al trachtte zich tegen zichzelven op te hitsen en zich een nietswaardige te schelden,—het baatte niet;HETwilde hem niet verlaten;HETzat hem in de keel als een brok, dien hij niet kon doorslikken;HETbehaalde voor dien nacht de overwinning.Mistroostig en ontstemd, moede en slaperig ging hij naar huis, toen reeds dekoetjitjahaar eerste tonen opzond in den aanbrekenden dag; zacht sloop hij binnen; alles sliep nog in luie onverschilligheid. Hij opende zijn groote geldkist; het[401]zware ijzeren deksel opbeurend tot de steunveeren uitsprongen; daar lagen zijn schatten; daar lagen de pakjes bankpapier, de zakken sovereigns, gouden tientjes, rijksdaalders en guldens.En datmoesthij afgeven aan een ander, om het nimmermeer zóó in zijn schoon geheel terug te zien.… Zuchtend sloot hij de kist met de drie sleutels, die hij in een afzonderlijken ring aan den gordel droeg. Wat had een mensch toch zwaren strijd!Het viel denpenghoeloetegen, dat Aboe Bakar niet weer begon over het geld; hij wilde niets vragen; dàt was de verkeerde weg; dàt zou den patiënt wellicht wantrouwend maken en afschrikken; die was wel een dom koebeest, dacht de priester, maar hij had toch lang onder deblanda’sverkeerd; was zelf er een geweest en in sommige opzichten wellichtpinterder, dan men zou vermoeden.Thuis liep hij ’t vrouwenkwartier binnen.„Komt Aboe Bakar’s vrouw vandaag?”„Misschien,” zei een der zijne.[402]„Speelt zij met jullie?”Algemeen protest. Neen, zij speelden nooit. Dàt moest hij niet van haar denken.Brani soempah, geen kaartspel.Hij moest erom lachen. Wat konden die vrouwen toch prachtig liegen! Maar hij trok een boos gezicht en riep luid, stampend met den voet op den vloer:„Dat de leugenaars vergaan! Het is slecht elkaars bezittingen af te nemen door woeker en dobbelspel; het is altijd slecht te liegen. Als vrouwen voornamelijk spelen voor haar genoegen, waarvoor moeten zij dan liegen tegen haar man?”Hij had er haar dozijnen standjes over gemaakt vroeger, als zij door het dobbelen in schulden waren geraakt. Nu hij zoo veranderd scheen, begrepen zij dat de wind uit een anderen hoek woei.„Maar wij hebben toch nooit kaart gespeeld met Minah van Aboe Bakar.”„Doe het dan.”„Als zij wil.”Hij grinnikte, trekkend aan zijn sik.[403]„Heeft een mensch een wil? En wat zal een vrouw hebben?”„Nu, enalszij dan wil.”„Vraag het haar; het is een verstrooiing. Laat zij de tweede vrouw ook meebrengen.”„Hier in huis?” vroegen beiden verbaasd.Daar werd hijbetoelboos om.„Jullie bent gek. Mijn huis is dat van eenimaamen geen speelhol. Gaat met die vrouwen, waar je altijd gaat. Laat haar winnen een paar dagen.”Nu begrepen zij het; dáár had de oude iets mee voor; maar zij dachten er niet aan er verder naar te vragen. Wat kon het haar schelen! Zij hadden nu de vrijheid bij een inlandsche vrouw, die stilletjes een dobbelhuis hield, te gaan spelen. Dàt was al pleizier genoeg.Met Minah ging het erg gemakkelijk. Toen ze ’s middags na het eerste partijtje vrij laat thuis kwam, had ze gewonnen; zij liet het geld zien aan Dailah, die ze nog altijd vruchteloos getracht had over te halen met haar mee te gaan.[404]„Ga je morgen weer?” vroeg deze.„Betoel.Als het kan ga ik elken dag.”„Elken dag!” zuchtte Dailah, het hoofd op haarbantalneerlatend, de mooi gevormde witgele armen omhoog, gekruist over het blauwzwarte haar. „Hoe is het mogelijk?”„Wat?”„Elken dag uitgaan en zich opwinden. Welk eensoesah!”Het ging goed een paar dagen, zooals depenghoeloehad gecommandeerd, maar het partijtje kwam, waarop Minah, veel minder goed spelend dan haar partners, die nog valsche kaarten gebruikten bovendien, begon te verliezen. Alles wat zij ruilde, kwam averechts uit.„Ouah!” riep zij dan teleurgesteld. „Ik ruilsajoer, ik krijglodeh!”Maar ze zei er niets van aan Dailah, toen ze thuis kwam. Enkel, dat ze zoowat gelijk gespeeld had, daarbij hoog opgevend van het vermaak, dat ze dien ochtend had genoten.[405]
[Inhoud]TWINTIGSTE HOOFDSTUK.TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Aboe Bakars ondergang voorbereid.Het was Vrijdag toen depenghoeloemet Aboe Bakar uit demissigitkwam; hij was de talrijke en fanatieke mannen, die in hun beste plunje gestoken, het bijna te kleine bedehuis vulden, vóórgegaan in het gebed; hij had heel mooi gepreekt over de rijkdommen, die de menschen slechts in verzoeking brengen; die men niet mag begeeren; die tot hoogmoed brengen en waarvan het bezit niet zoo goed en voordeelig is, als de genade en de barmhartigheid vantoean Allah; hij had betoogd, dat men zijn rijkdommen moest besteden op den weg Gods, om te worden gelijk een graankorrel,[398]die zeven halmen voortbrengt, waarvan ieder honderd korrels bevat.….De mannen hadden aandachtig geluisterd, schoon het in geen hunner ook maar één oogenblik was opgekomen nu iets anders te doen met zijn geld, dan wat hij totnogtoe er altijd mee had gedaan. Op Aboe Bakar had het een diepen indruk gemaakt.„Ik begrijp niet hoe men doen moet,” zei hij, toen ze het met vruchtboomen beschaduwde koele pad afliepen naar den zonnigen weg vol grijs stof.„Men moet erover nadenken,” antwoordde depenghoeloe, die zich vooral niet wilde overhaasten.Na een oogenblik zwijgend te hebben doorgestapt onder het gefladder hunner lange gewaden in den wind, depenghoeloein zwart met donkerrood, de andere in blauw met wit gevoerd en afgezet, vroeg Aboe Bakar:„Wat hebtgijgedaan?”„Ik deed wat wij, priesters, allen doen, en wat ook veel andere vrome menschen doen: ik heb[399]mijn geld gestort bij dedjakaten depitraen de andere opbrengsten der geestelijkheid.”„Kan ik het ook doen?”„Het kan; waarom zou het niet?”Onder de neergeslagen oogleden en de borstelige wenkbrauwen van denpenghoeloeschitterden de oogen van vreugde. Het ging zoo mooi! En juist nu hij zooveel noodig had, terwijl de priesterkas zoo leeg was als een uitgeholde klapperdop!’s Nachts kon Aboe Bakar zijn gedachten niet wegwerken; hij ging naar buiten, naar de rivier, waar hij een klein houten paviljoentje had laten bouwen, om in volkomen afzondering te bidden; hij boog zich neer op de knieën, het voorhoofd op den grond, de handen uitgestrekt; hij bad alleen en vurig tegen de inblazing der duivelen; tegen de booze geesten.Het hielp niet; telkens als hij weer zijn conscientie onderzocht, vond hij vrees en wantrouwen op den bodem zijner gedachten; het was als woeien zij op in zijn hoofd.[400]Dàt was de duivel in hem, dacht hij; de oude aan het persoonlijk bezit van geld en goed gehechte mensch; de Adam, die hij eens geweest was.Hij moest zijn geld storten in depenghoeloe-kas, dus trachtte hij zich te suggereeren; hijmoesthet afgeven zonder eenig bewijs van ontvangst, geheel te goeder trouw; hijmoesthet daar gedeponeerd laten, behoudens, dat hij er altijd van kon nemen, wat hij noodig had voor zijn behoeften of zijn genoegens. Maar of hij zich dit al opdrong, en of hij al trachtte zich tegen zichzelven op te hitsen en zich een nietswaardige te schelden,—het baatte niet;HETwilde hem niet verlaten;HETzat hem in de keel als een brok, dien hij niet kon doorslikken;HETbehaalde voor dien nacht de overwinning.Mistroostig en ontstemd, moede en slaperig ging hij naar huis, toen reeds dekoetjitjahaar eerste tonen opzond in den aanbrekenden dag; zacht sloop hij binnen; alles sliep nog in luie onverschilligheid. Hij opende zijn groote geldkist; het[401]zware ijzeren deksel opbeurend tot de steunveeren uitsprongen; daar lagen zijn schatten; daar lagen de pakjes bankpapier, de zakken sovereigns, gouden tientjes, rijksdaalders en guldens.En datmoesthij afgeven aan een ander, om het nimmermeer zóó in zijn schoon geheel terug te zien.… Zuchtend sloot hij de kist met de drie sleutels, die hij in een afzonderlijken ring aan den gordel droeg. Wat had een mensch toch zwaren strijd!Het viel denpenghoeloetegen, dat Aboe Bakar niet weer begon over het geld; hij wilde niets vragen; dàt was de verkeerde weg; dàt zou den patiënt wellicht wantrouwend maken en afschrikken; die was wel een dom koebeest, dacht de priester, maar hij had toch lang onder deblanda’sverkeerd; was zelf er een geweest en in sommige opzichten wellichtpinterder, dan men zou vermoeden.Thuis liep hij ’t vrouwenkwartier binnen.„Komt Aboe Bakar’s vrouw vandaag?”„Misschien,” zei een der zijne.[402]„Speelt zij met jullie?”Algemeen protest. Neen, zij speelden nooit. Dàt moest hij niet van haar denken.Brani soempah, geen kaartspel.Hij moest erom lachen. Wat konden die vrouwen toch prachtig liegen! Maar hij trok een boos gezicht en riep luid, stampend met den voet op den vloer:„Dat de leugenaars vergaan! Het is slecht elkaars bezittingen af te nemen door woeker en dobbelspel; het is altijd slecht te liegen. Als vrouwen voornamelijk spelen voor haar genoegen, waarvoor moeten zij dan liegen tegen haar man?”Hij had er haar dozijnen standjes over gemaakt vroeger, als zij door het dobbelen in schulden waren geraakt. Nu hij zoo veranderd scheen, begrepen zij dat de wind uit een anderen hoek woei.„Maar wij hebben toch nooit kaart gespeeld met Minah van Aboe Bakar.”„Doe het dan.”„Als zij wil.”Hij grinnikte, trekkend aan zijn sik.[403]„Heeft een mensch een wil? En wat zal een vrouw hebben?”„Nu, enalszij dan wil.”„Vraag het haar; het is een verstrooiing. Laat zij de tweede vrouw ook meebrengen.”„Hier in huis?” vroegen beiden verbaasd.Daar werd hijbetoelboos om.„Jullie bent gek. Mijn huis is dat van eenimaamen geen speelhol. Gaat met die vrouwen, waar je altijd gaat. Laat haar winnen een paar dagen.”Nu begrepen zij het; dáár had de oude iets mee voor; maar zij dachten er niet aan er verder naar te vragen. Wat kon het haar schelen! Zij hadden nu de vrijheid bij een inlandsche vrouw, die stilletjes een dobbelhuis hield, te gaan spelen. Dàt was al pleizier genoeg.Met Minah ging het erg gemakkelijk. Toen ze ’s middags na het eerste partijtje vrij laat thuis kwam, had ze gewonnen; zij liet het geld zien aan Dailah, die ze nog altijd vruchteloos getracht had over te halen met haar mee te gaan.[404]„Ga je morgen weer?” vroeg deze.„Betoel.Als het kan ga ik elken dag.”„Elken dag!” zuchtte Dailah, het hoofd op haarbantalneerlatend, de mooi gevormde witgele armen omhoog, gekruist over het blauwzwarte haar. „Hoe is het mogelijk?”„Wat?”„Elken dag uitgaan en zich opwinden. Welk eensoesah!”Het ging goed een paar dagen, zooals depenghoeloehad gecommandeerd, maar het partijtje kwam, waarop Minah, veel minder goed spelend dan haar partners, die nog valsche kaarten gebruikten bovendien, begon te verliezen. Alles wat zij ruilde, kwam averechts uit.„Ouah!” riep zij dan teleurgesteld. „Ik ruilsajoer, ik krijglodeh!”Maar ze zei er niets van aan Dailah, toen ze thuis kwam. Enkel, dat ze zoowat gelijk gespeeld had, daarbij hoog opgevend van het vermaak, dat ze dien ochtend had genoten.[405]
[Inhoud]TWINTIGSTE HOOFDSTUK.TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Aboe Bakars ondergang voorbereid.Het was Vrijdag toen depenghoeloemet Aboe Bakar uit demissigitkwam; hij was de talrijke en fanatieke mannen, die in hun beste plunje gestoken, het bijna te kleine bedehuis vulden, vóórgegaan in het gebed; hij had heel mooi gepreekt over de rijkdommen, die de menschen slechts in verzoeking brengen; die men niet mag begeeren; die tot hoogmoed brengen en waarvan het bezit niet zoo goed en voordeelig is, als de genade en de barmhartigheid vantoean Allah; hij had betoogd, dat men zijn rijkdommen moest besteden op den weg Gods, om te worden gelijk een graankorrel,[398]die zeven halmen voortbrengt, waarvan ieder honderd korrels bevat.….De mannen hadden aandachtig geluisterd, schoon het in geen hunner ook maar één oogenblik was opgekomen nu iets anders te doen met zijn geld, dan wat hij totnogtoe er altijd mee had gedaan. Op Aboe Bakar had het een diepen indruk gemaakt.„Ik begrijp niet hoe men doen moet,” zei hij, toen ze het met vruchtboomen beschaduwde koele pad afliepen naar den zonnigen weg vol grijs stof.„Men moet erover nadenken,” antwoordde depenghoeloe, die zich vooral niet wilde overhaasten.Na een oogenblik zwijgend te hebben doorgestapt onder het gefladder hunner lange gewaden in den wind, depenghoeloein zwart met donkerrood, de andere in blauw met wit gevoerd en afgezet, vroeg Aboe Bakar:„Wat hebtgijgedaan?”„Ik deed wat wij, priesters, allen doen, en wat ook veel andere vrome menschen doen: ik heb[399]mijn geld gestort bij dedjakaten depitraen de andere opbrengsten der geestelijkheid.”„Kan ik het ook doen?”„Het kan; waarom zou het niet?”Onder de neergeslagen oogleden en de borstelige wenkbrauwen van denpenghoeloeschitterden de oogen van vreugde. Het ging zoo mooi! En juist nu hij zooveel noodig had, terwijl de priesterkas zoo leeg was als een uitgeholde klapperdop!’s Nachts kon Aboe Bakar zijn gedachten niet wegwerken; hij ging naar buiten, naar de rivier, waar hij een klein houten paviljoentje had laten bouwen, om in volkomen afzondering te bidden; hij boog zich neer op de knieën, het voorhoofd op den grond, de handen uitgestrekt; hij bad alleen en vurig tegen de inblazing der duivelen; tegen de booze geesten.Het hielp niet; telkens als hij weer zijn conscientie onderzocht, vond hij vrees en wantrouwen op den bodem zijner gedachten; het was als woeien zij op in zijn hoofd.[400]Dàt was de duivel in hem, dacht hij; de oude aan het persoonlijk bezit van geld en goed gehechte mensch; de Adam, die hij eens geweest was.Hij moest zijn geld storten in depenghoeloe-kas, dus trachtte hij zich te suggereeren; hijmoesthet afgeven zonder eenig bewijs van ontvangst, geheel te goeder trouw; hijmoesthet daar gedeponeerd laten, behoudens, dat hij er altijd van kon nemen, wat hij noodig had voor zijn behoeften of zijn genoegens. Maar of hij zich dit al opdrong, en of hij al trachtte zich tegen zichzelven op te hitsen en zich een nietswaardige te schelden,—het baatte niet;HETwilde hem niet verlaten;HETzat hem in de keel als een brok, dien hij niet kon doorslikken;HETbehaalde voor dien nacht de overwinning.Mistroostig en ontstemd, moede en slaperig ging hij naar huis, toen reeds dekoetjitjahaar eerste tonen opzond in den aanbrekenden dag; zacht sloop hij binnen; alles sliep nog in luie onverschilligheid. Hij opende zijn groote geldkist; het[401]zware ijzeren deksel opbeurend tot de steunveeren uitsprongen; daar lagen zijn schatten; daar lagen de pakjes bankpapier, de zakken sovereigns, gouden tientjes, rijksdaalders en guldens.En datmoesthij afgeven aan een ander, om het nimmermeer zóó in zijn schoon geheel terug te zien.… Zuchtend sloot hij de kist met de drie sleutels, die hij in een afzonderlijken ring aan den gordel droeg. Wat had een mensch toch zwaren strijd!Het viel denpenghoeloetegen, dat Aboe Bakar niet weer begon over het geld; hij wilde niets vragen; dàt was de verkeerde weg; dàt zou den patiënt wellicht wantrouwend maken en afschrikken; die was wel een dom koebeest, dacht de priester, maar hij had toch lang onder deblanda’sverkeerd; was zelf er een geweest en in sommige opzichten wellichtpinterder, dan men zou vermoeden.Thuis liep hij ’t vrouwenkwartier binnen.„Komt Aboe Bakar’s vrouw vandaag?”„Misschien,” zei een der zijne.[402]„Speelt zij met jullie?”Algemeen protest. Neen, zij speelden nooit. Dàt moest hij niet van haar denken.Brani soempah, geen kaartspel.Hij moest erom lachen. Wat konden die vrouwen toch prachtig liegen! Maar hij trok een boos gezicht en riep luid, stampend met den voet op den vloer:„Dat de leugenaars vergaan! Het is slecht elkaars bezittingen af te nemen door woeker en dobbelspel; het is altijd slecht te liegen. Als vrouwen voornamelijk spelen voor haar genoegen, waarvoor moeten zij dan liegen tegen haar man?”Hij had er haar dozijnen standjes over gemaakt vroeger, als zij door het dobbelen in schulden waren geraakt. Nu hij zoo veranderd scheen, begrepen zij dat de wind uit een anderen hoek woei.„Maar wij hebben toch nooit kaart gespeeld met Minah van Aboe Bakar.”„Doe het dan.”„Als zij wil.”Hij grinnikte, trekkend aan zijn sik.[403]„Heeft een mensch een wil? En wat zal een vrouw hebben?”„Nu, enalszij dan wil.”„Vraag het haar; het is een verstrooiing. Laat zij de tweede vrouw ook meebrengen.”„Hier in huis?” vroegen beiden verbaasd.Daar werd hijbetoelboos om.„Jullie bent gek. Mijn huis is dat van eenimaamen geen speelhol. Gaat met die vrouwen, waar je altijd gaat. Laat haar winnen een paar dagen.”Nu begrepen zij het; dáár had de oude iets mee voor; maar zij dachten er niet aan er verder naar te vragen. Wat kon het haar schelen! Zij hadden nu de vrijheid bij een inlandsche vrouw, die stilletjes een dobbelhuis hield, te gaan spelen. Dàt was al pleizier genoeg.Met Minah ging het erg gemakkelijk. Toen ze ’s middags na het eerste partijtje vrij laat thuis kwam, had ze gewonnen; zij liet het geld zien aan Dailah, die ze nog altijd vruchteloos getracht had over te halen met haar mee te gaan.[404]„Ga je morgen weer?” vroeg deze.„Betoel.Als het kan ga ik elken dag.”„Elken dag!” zuchtte Dailah, het hoofd op haarbantalneerlatend, de mooi gevormde witgele armen omhoog, gekruist over het blauwzwarte haar. „Hoe is het mogelijk?”„Wat?”„Elken dag uitgaan en zich opwinden. Welk eensoesah!”Het ging goed een paar dagen, zooals depenghoeloehad gecommandeerd, maar het partijtje kwam, waarop Minah, veel minder goed spelend dan haar partners, die nog valsche kaarten gebruikten bovendien, begon te verliezen. Alles wat zij ruilde, kwam averechts uit.„Ouah!” riep zij dan teleurgesteld. „Ik ruilsajoer, ik krijglodeh!”Maar ze zei er niets van aan Dailah, toen ze thuis kwam. Enkel, dat ze zoowat gelijk gespeeld had, daarbij hoog opgevend van het vermaak, dat ze dien ochtend had genoten.[405]
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Aboe Bakars ondergang voorbereid.
TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
Het was Vrijdag toen depenghoeloemet Aboe Bakar uit demissigitkwam; hij was de talrijke en fanatieke mannen, die in hun beste plunje gestoken, het bijna te kleine bedehuis vulden, vóórgegaan in het gebed; hij had heel mooi gepreekt over de rijkdommen, die de menschen slechts in verzoeking brengen; die men niet mag begeeren; die tot hoogmoed brengen en waarvan het bezit niet zoo goed en voordeelig is, als de genade en de barmhartigheid vantoean Allah; hij had betoogd, dat men zijn rijkdommen moest besteden op den weg Gods, om te worden gelijk een graankorrel,[398]die zeven halmen voortbrengt, waarvan ieder honderd korrels bevat.….De mannen hadden aandachtig geluisterd, schoon het in geen hunner ook maar één oogenblik was opgekomen nu iets anders te doen met zijn geld, dan wat hij totnogtoe er altijd mee had gedaan. Op Aboe Bakar had het een diepen indruk gemaakt.„Ik begrijp niet hoe men doen moet,” zei hij, toen ze het met vruchtboomen beschaduwde koele pad afliepen naar den zonnigen weg vol grijs stof.„Men moet erover nadenken,” antwoordde depenghoeloe, die zich vooral niet wilde overhaasten.Na een oogenblik zwijgend te hebben doorgestapt onder het gefladder hunner lange gewaden in den wind, depenghoeloein zwart met donkerrood, de andere in blauw met wit gevoerd en afgezet, vroeg Aboe Bakar:„Wat hebtgijgedaan?”„Ik deed wat wij, priesters, allen doen, en wat ook veel andere vrome menschen doen: ik heb[399]mijn geld gestort bij dedjakaten depitraen de andere opbrengsten der geestelijkheid.”„Kan ik het ook doen?”„Het kan; waarom zou het niet?”Onder de neergeslagen oogleden en de borstelige wenkbrauwen van denpenghoeloeschitterden de oogen van vreugde. Het ging zoo mooi! En juist nu hij zooveel noodig had, terwijl de priesterkas zoo leeg was als een uitgeholde klapperdop!’s Nachts kon Aboe Bakar zijn gedachten niet wegwerken; hij ging naar buiten, naar de rivier, waar hij een klein houten paviljoentje had laten bouwen, om in volkomen afzondering te bidden; hij boog zich neer op de knieën, het voorhoofd op den grond, de handen uitgestrekt; hij bad alleen en vurig tegen de inblazing der duivelen; tegen de booze geesten.Het hielp niet; telkens als hij weer zijn conscientie onderzocht, vond hij vrees en wantrouwen op den bodem zijner gedachten; het was als woeien zij op in zijn hoofd.[400]Dàt was de duivel in hem, dacht hij; de oude aan het persoonlijk bezit van geld en goed gehechte mensch; de Adam, die hij eens geweest was.Hij moest zijn geld storten in depenghoeloe-kas, dus trachtte hij zich te suggereeren; hijmoesthet afgeven zonder eenig bewijs van ontvangst, geheel te goeder trouw; hijmoesthet daar gedeponeerd laten, behoudens, dat hij er altijd van kon nemen, wat hij noodig had voor zijn behoeften of zijn genoegens. Maar of hij zich dit al opdrong, en of hij al trachtte zich tegen zichzelven op te hitsen en zich een nietswaardige te schelden,—het baatte niet;HETwilde hem niet verlaten;HETzat hem in de keel als een brok, dien hij niet kon doorslikken;HETbehaalde voor dien nacht de overwinning.Mistroostig en ontstemd, moede en slaperig ging hij naar huis, toen reeds dekoetjitjahaar eerste tonen opzond in den aanbrekenden dag; zacht sloop hij binnen; alles sliep nog in luie onverschilligheid. Hij opende zijn groote geldkist; het[401]zware ijzeren deksel opbeurend tot de steunveeren uitsprongen; daar lagen zijn schatten; daar lagen de pakjes bankpapier, de zakken sovereigns, gouden tientjes, rijksdaalders en guldens.En datmoesthij afgeven aan een ander, om het nimmermeer zóó in zijn schoon geheel terug te zien.… Zuchtend sloot hij de kist met de drie sleutels, die hij in een afzonderlijken ring aan den gordel droeg. Wat had een mensch toch zwaren strijd!Het viel denpenghoeloetegen, dat Aboe Bakar niet weer begon over het geld; hij wilde niets vragen; dàt was de verkeerde weg; dàt zou den patiënt wellicht wantrouwend maken en afschrikken; die was wel een dom koebeest, dacht de priester, maar hij had toch lang onder deblanda’sverkeerd; was zelf er een geweest en in sommige opzichten wellichtpinterder, dan men zou vermoeden.Thuis liep hij ’t vrouwenkwartier binnen.„Komt Aboe Bakar’s vrouw vandaag?”„Misschien,” zei een der zijne.[402]„Speelt zij met jullie?”Algemeen protest. Neen, zij speelden nooit. Dàt moest hij niet van haar denken.Brani soempah, geen kaartspel.Hij moest erom lachen. Wat konden die vrouwen toch prachtig liegen! Maar hij trok een boos gezicht en riep luid, stampend met den voet op den vloer:„Dat de leugenaars vergaan! Het is slecht elkaars bezittingen af te nemen door woeker en dobbelspel; het is altijd slecht te liegen. Als vrouwen voornamelijk spelen voor haar genoegen, waarvoor moeten zij dan liegen tegen haar man?”Hij had er haar dozijnen standjes over gemaakt vroeger, als zij door het dobbelen in schulden waren geraakt. Nu hij zoo veranderd scheen, begrepen zij dat de wind uit een anderen hoek woei.„Maar wij hebben toch nooit kaart gespeeld met Minah van Aboe Bakar.”„Doe het dan.”„Als zij wil.”Hij grinnikte, trekkend aan zijn sik.[403]„Heeft een mensch een wil? En wat zal een vrouw hebben?”„Nu, enalszij dan wil.”„Vraag het haar; het is een verstrooiing. Laat zij de tweede vrouw ook meebrengen.”„Hier in huis?” vroegen beiden verbaasd.Daar werd hijbetoelboos om.„Jullie bent gek. Mijn huis is dat van eenimaamen geen speelhol. Gaat met die vrouwen, waar je altijd gaat. Laat haar winnen een paar dagen.”Nu begrepen zij het; dáár had de oude iets mee voor; maar zij dachten er niet aan er verder naar te vragen. Wat kon het haar schelen! Zij hadden nu de vrijheid bij een inlandsche vrouw, die stilletjes een dobbelhuis hield, te gaan spelen. Dàt was al pleizier genoeg.Met Minah ging het erg gemakkelijk. Toen ze ’s middags na het eerste partijtje vrij laat thuis kwam, had ze gewonnen; zij liet het geld zien aan Dailah, die ze nog altijd vruchteloos getracht had over te halen met haar mee te gaan.[404]„Ga je morgen weer?” vroeg deze.„Betoel.Als het kan ga ik elken dag.”„Elken dag!” zuchtte Dailah, het hoofd op haarbantalneerlatend, de mooi gevormde witgele armen omhoog, gekruist over het blauwzwarte haar. „Hoe is het mogelijk?”„Wat?”„Elken dag uitgaan en zich opwinden. Welk eensoesah!”Het ging goed een paar dagen, zooals depenghoeloehad gecommandeerd, maar het partijtje kwam, waarop Minah, veel minder goed spelend dan haar partners, die nog valsche kaarten gebruikten bovendien, begon te verliezen. Alles wat zij ruilde, kwam averechts uit.„Ouah!” riep zij dan teleurgesteld. „Ik ruilsajoer, ik krijglodeh!”Maar ze zei er niets van aan Dailah, toen ze thuis kwam. Enkel, dat ze zoowat gelijk gespeeld had, daarbij hoog opgevend van het vermaak, dat ze dien ochtend had genoten.[405]
Het was Vrijdag toen depenghoeloemet Aboe Bakar uit demissigitkwam; hij was de talrijke en fanatieke mannen, die in hun beste plunje gestoken, het bijna te kleine bedehuis vulden, vóórgegaan in het gebed; hij had heel mooi gepreekt over de rijkdommen, die de menschen slechts in verzoeking brengen; die men niet mag begeeren; die tot hoogmoed brengen en waarvan het bezit niet zoo goed en voordeelig is, als de genade en de barmhartigheid vantoean Allah; hij had betoogd, dat men zijn rijkdommen moest besteden op den weg Gods, om te worden gelijk een graankorrel,[398]die zeven halmen voortbrengt, waarvan ieder honderd korrels bevat.….
De mannen hadden aandachtig geluisterd, schoon het in geen hunner ook maar één oogenblik was opgekomen nu iets anders te doen met zijn geld, dan wat hij totnogtoe er altijd mee had gedaan. Op Aboe Bakar had het een diepen indruk gemaakt.
„Ik begrijp niet hoe men doen moet,” zei hij, toen ze het met vruchtboomen beschaduwde koele pad afliepen naar den zonnigen weg vol grijs stof.
„Men moet erover nadenken,” antwoordde depenghoeloe, die zich vooral niet wilde overhaasten.
Na een oogenblik zwijgend te hebben doorgestapt onder het gefladder hunner lange gewaden in den wind, depenghoeloein zwart met donkerrood, de andere in blauw met wit gevoerd en afgezet, vroeg Aboe Bakar:
„Wat hebtgijgedaan?”
„Ik deed wat wij, priesters, allen doen, en wat ook veel andere vrome menschen doen: ik heb[399]mijn geld gestort bij dedjakaten depitraen de andere opbrengsten der geestelijkheid.”
„Kan ik het ook doen?”
„Het kan; waarom zou het niet?”
Onder de neergeslagen oogleden en de borstelige wenkbrauwen van denpenghoeloeschitterden de oogen van vreugde. Het ging zoo mooi! En juist nu hij zooveel noodig had, terwijl de priesterkas zoo leeg was als een uitgeholde klapperdop!
’s Nachts kon Aboe Bakar zijn gedachten niet wegwerken; hij ging naar buiten, naar de rivier, waar hij een klein houten paviljoentje had laten bouwen, om in volkomen afzondering te bidden; hij boog zich neer op de knieën, het voorhoofd op den grond, de handen uitgestrekt; hij bad alleen en vurig tegen de inblazing der duivelen; tegen de booze geesten.
Het hielp niet; telkens als hij weer zijn conscientie onderzocht, vond hij vrees en wantrouwen op den bodem zijner gedachten; het was als woeien zij op in zijn hoofd.[400]
Dàt was de duivel in hem, dacht hij; de oude aan het persoonlijk bezit van geld en goed gehechte mensch; de Adam, die hij eens geweest was.
Hij moest zijn geld storten in depenghoeloe-kas, dus trachtte hij zich te suggereeren; hijmoesthet afgeven zonder eenig bewijs van ontvangst, geheel te goeder trouw; hijmoesthet daar gedeponeerd laten, behoudens, dat hij er altijd van kon nemen, wat hij noodig had voor zijn behoeften of zijn genoegens. Maar of hij zich dit al opdrong, en of hij al trachtte zich tegen zichzelven op te hitsen en zich een nietswaardige te schelden,—het baatte niet;HETwilde hem niet verlaten;HETzat hem in de keel als een brok, dien hij niet kon doorslikken;HETbehaalde voor dien nacht de overwinning.
Mistroostig en ontstemd, moede en slaperig ging hij naar huis, toen reeds dekoetjitjahaar eerste tonen opzond in den aanbrekenden dag; zacht sloop hij binnen; alles sliep nog in luie onverschilligheid. Hij opende zijn groote geldkist; het[401]zware ijzeren deksel opbeurend tot de steunveeren uitsprongen; daar lagen zijn schatten; daar lagen de pakjes bankpapier, de zakken sovereigns, gouden tientjes, rijksdaalders en guldens.
En datmoesthij afgeven aan een ander, om het nimmermeer zóó in zijn schoon geheel terug te zien.… Zuchtend sloot hij de kist met de drie sleutels, die hij in een afzonderlijken ring aan den gordel droeg. Wat had een mensch toch zwaren strijd!
Het viel denpenghoeloetegen, dat Aboe Bakar niet weer begon over het geld; hij wilde niets vragen; dàt was de verkeerde weg; dàt zou den patiënt wellicht wantrouwend maken en afschrikken; die was wel een dom koebeest, dacht de priester, maar hij had toch lang onder deblanda’sverkeerd; was zelf er een geweest en in sommige opzichten wellichtpinterder, dan men zou vermoeden.
Thuis liep hij ’t vrouwenkwartier binnen.
„Komt Aboe Bakar’s vrouw vandaag?”
„Misschien,” zei een der zijne.[402]
„Speelt zij met jullie?”
Algemeen protest. Neen, zij speelden nooit. Dàt moest hij niet van haar denken.Brani soempah, geen kaartspel.
Hij moest erom lachen. Wat konden die vrouwen toch prachtig liegen! Maar hij trok een boos gezicht en riep luid, stampend met den voet op den vloer:
„Dat de leugenaars vergaan! Het is slecht elkaars bezittingen af te nemen door woeker en dobbelspel; het is altijd slecht te liegen. Als vrouwen voornamelijk spelen voor haar genoegen, waarvoor moeten zij dan liegen tegen haar man?”
Hij had er haar dozijnen standjes over gemaakt vroeger, als zij door het dobbelen in schulden waren geraakt. Nu hij zoo veranderd scheen, begrepen zij dat de wind uit een anderen hoek woei.
„Maar wij hebben toch nooit kaart gespeeld met Minah van Aboe Bakar.”
„Doe het dan.”
„Als zij wil.”
Hij grinnikte, trekkend aan zijn sik.[403]
„Heeft een mensch een wil? En wat zal een vrouw hebben?”
„Nu, enalszij dan wil.”
„Vraag het haar; het is een verstrooiing. Laat zij de tweede vrouw ook meebrengen.”
„Hier in huis?” vroegen beiden verbaasd.
Daar werd hijbetoelboos om.
„Jullie bent gek. Mijn huis is dat van eenimaamen geen speelhol. Gaat met die vrouwen, waar je altijd gaat. Laat haar winnen een paar dagen.”
Nu begrepen zij het; dáár had de oude iets mee voor; maar zij dachten er niet aan er verder naar te vragen. Wat kon het haar schelen! Zij hadden nu de vrijheid bij een inlandsche vrouw, die stilletjes een dobbelhuis hield, te gaan spelen. Dàt was al pleizier genoeg.
Met Minah ging het erg gemakkelijk. Toen ze ’s middags na het eerste partijtje vrij laat thuis kwam, had ze gewonnen; zij liet het geld zien aan Dailah, die ze nog altijd vruchteloos getracht had over te halen met haar mee te gaan.[404]
„Ga je morgen weer?” vroeg deze.
„Betoel.Als het kan ga ik elken dag.”
„Elken dag!” zuchtte Dailah, het hoofd op haarbantalneerlatend, de mooi gevormde witgele armen omhoog, gekruist over het blauwzwarte haar. „Hoe is het mogelijk?”
„Wat?”
„Elken dag uitgaan en zich opwinden. Welk eensoesah!”
Het ging goed een paar dagen, zooals depenghoeloehad gecommandeerd, maar het partijtje kwam, waarop Minah, veel minder goed spelend dan haar partners, die nog valsche kaarten gebruikten bovendien, begon te verliezen. Alles wat zij ruilde, kwam averechts uit.
„Ouah!” riep zij dan teleurgesteld. „Ik ruilsajoer, ik krijglodeh!”
Maar ze zei er niets van aan Dailah, toen ze thuis kwam. Enkel, dat ze zoowat gelijk gespeeld had, daarbij hoog opgevend van het vermaak, dat ze dien ochtend had genoten.[405]