VIERDE HOOFDSTUK.

[Inhoud]VIERDE HOOFDSTUK.VIERDE HOOFDSTUK.Opnieuw verloofd en getrouwd.Bij de Tiele’s werd al lang niet meer gesproken over Adam Silver, en mevrouw Verlande, die het heel dikwijls over hem had met haar man, vond dat vreemd. Want de families kwamen in den laatsten tijd nogal bij elkaar; mevrouw Verlande maakte zulke overheerlijke sandwiches bij de thee en al de Tiele’s waren daar dol op.„Ik vind het onhartelijk.”„Maar kindlief, het is immers beter zóó. Het was een hoogst onaangename verrassing.”„Kasian, hij was zoo’n goeje jongen, en hij kon er toch niets aan doen.”[260]„Dat maakt het voor hen niet anders.”„Nu maar, de eerste maal, dat ik bij hen kom, begin ik erover.”„Doe het niet.On ne parle pas corde dans la maison d’un pendu.Het zou een hatelijkheid lijken.”„Laat het. Zij, Nora, heeft, geloof ik, in ’t geheel niet van hem gehouden. Verleden week, toen ze hier gewhist hebben, zat ze met kapitein Slaters aan een tafeltje … En een koketteeren!”Verlande lachte luid,„Welnu, wat zou het? Kan je niet zien, dat de zon in het water schijnt? Ze is jong.”„Tamelijk; maar hij niet.”„Wel, hij is ’n goed geconserveerde veertiger. Dat is niet precies jong, maar nog erg.…. huwbaar.”„Huwbaar!” herhaalde zij met een gemaakte verontwaardiging over zoo’n uitdrukking; maar ze kon zich niet goed houden en ze lachten nu beiden om het idée.[261]„En dan,” ging Verlande voort, „zou hij ’n goede partij zijn voor Nora.”„’n Kapiteins tractement is ook zoo schitterend niet.”„Best, maar hij kan, hoor ik, zeker zijn van den gouden kraag, en hij is net een man om generaal te worden.”Het was een sterk argument; als elke vrouw vond mevrouw Verlande de afgedragenste generaals-uniform nog een ideaal, waartegen een dozijn van de zwartste zwarte rokken niet opgewassen waren.De generaal der toekomst, voor het oogenblik kapitein der infanterie bij het Indische leger, met verlof in Nederland, stond wezenlijk zoo goed aangeschreven als Verlande zei; hij was geen man met een martiaal uiterlijk: blond en fijn gebouwd, met een dun kneveltje en een zachte stem; wat alles niet belette, dat hij zoowel een dapper troepenaanvoerder als een kundig man gebleken was, die te velde zijn Willemsorde dubbel en dwars[262]had verdiend. Sedert de Tiele’s veel bij de Verlande’s kwamen, hadden zij Indische kennissen gemaakt, en ofschoon de oude Tiele daar altijd erg bang voor was geweest, en na zijn ervaring met Adam Silver er meer dan ooit voor vreesde, behaalden de sandwiches toch de overwinning.Ten slotte was het een kansje om van de meisjes af te komen, die meerendeels al ’n beetje op den achtergrond raakten in de vroegere kringetjes, waar nu jonge dames waren, die nog onder de kinderen telden, toen de meisjes Tiele al uitgingen. Bij de Verlande’s en zoo waren ze in elk geval nog vrij versch.Wat mevrouw Verlande het „koketteeren” van Nora had genoemd, bleek in elk geval succes te hebben. Dat zag zij aan ’t gezicht van het meisje, toen Nora ’s middags bij haar kwam.„Wat is er gebeurd?” vroeg ze.Verwonderd keek Nora haar aan.„U weet ervan.”„Heusch niet. Ik weet nergens van.”[263]„Ja, dan zoudt u zoo niet vragen wat er gebeurd was.”„Iser dan iets gebeurd?”„Och kom, houd u nu maar niet zoo onwetend!”„Wezenlijk, Nora, ik weet van niets. Ik vond alleen.… iets vreemds in je gezicht. Iets, alsof je een gewichtige tijding kwam brengen.”„Voor mij heel gewichtig. Ik ben geëngageerd.”„Met kapitein Slaters?”„Zie je wel, dat u ervan weet.”„Maar beste Nora, ik ben niet blind. Als wij bij elkaar zijn en twee wisselen met elkaar zulke lieve blikken als jullie deedt.”„Foei.… dat is niet waar. Dat deden we niet.….”Mevrouw Verlande werd er in haar oprechtheid een beetje akelig van. Zij had om het meisje niet te grieven, nu niet eens gezegd, dat de „lieve blikken” eigenlijk door haar alleen werden geworpen.[264]„In elk geval, ik feliciteer je. En dat geeft zeker gauw trouwen.”„Ja, het is fameus. Binnen een half jaar moeten we in Indië zijn.”„Als alles goed had gegaan met Adam Silver, zou je daar al geweest zijn.”Het was de eerste maal, dat zij na den fameusen dag, dien naam tegen Nora uitsprak, en het deed haar plezier, dat het meisje ontstelde; zij dacht, dat ze dan toch wel wat voor dien armen jongen gevoeld moest hebben, wijl ze zoo van kleur verschoot bij het hooren van dien naam.„God, mevrouw!” zei Nora zacht en vertrouwelijk, „zouden we hem in Indië ontmoeten?”„Ben je daar zoo bang voor?”„Verbeeld je.… ja, dat ben ik zeker. Ik heb van die heele akelige zaak niets aan Slaters gezegd. Pa zei, het was niet de moeite waard. Er was feitelijk niets gebeurd, zei hij.”Dus was het dàt alleen, dacht mevrouw Verlande, en een beetje bits antwoordde zij:[265]„Dat moet je zelf weten; dáárin geefikliever geen raad. En wat dat ontmoeten betreft,—er bestaat even weinig kans op, als hier in Den Haag iemand te ontmoeten, die in Denemarken woont. Waar jij komt, daar komt hij niet.”Een oogenblik keek Nora haar verwonderd aan; zij begreep het niet; verschil van grootte en afstanden stond haar niet voor den geest; men ging, meende zij, in zekeren zin naar Indië, zooals men naar Rotterdam ging, waar de menschen, bij al de drukte, toch onwillekeurig elkaar ontmoeten, ware het slechts op straat.„Je gaat naar Batavia, niet waar?”„Ten minste rechtstreeks; Slaters zegt, dat we er wel zullen blijven vooreerst.”„Nu, de plaats waar Adam Silver woont ligt ongeveer zoover van Batavia als Den Haag van … wat denk je?”Het moest een heel eind zijn, dacht Nora, en op goed geluk af zei ze:„Brussel.”[266]Mevrouw Verlande begon te lachen.„Neen kind, Petersburg of daaromtrent; met het verschil, dat je van hier veel gauwer te Petersburg bent.”Het meisje geloofde het niet; zij vroeg het haar vader, die het bevestigde en zij vroeg het ook, als een bloote nieuwsgierigheid, wijl, zei ze, het zoo moeilijk was zich eenig begrip van afstanden eigen te maken, aan den kapitein. Nu, toen die het bevestigde, was haar hart gerust.[267]

[Inhoud]VIERDE HOOFDSTUK.VIERDE HOOFDSTUK.Opnieuw verloofd en getrouwd.Bij de Tiele’s werd al lang niet meer gesproken over Adam Silver, en mevrouw Verlande, die het heel dikwijls over hem had met haar man, vond dat vreemd. Want de families kwamen in den laatsten tijd nogal bij elkaar; mevrouw Verlande maakte zulke overheerlijke sandwiches bij de thee en al de Tiele’s waren daar dol op.„Ik vind het onhartelijk.”„Maar kindlief, het is immers beter zóó. Het was een hoogst onaangename verrassing.”„Kasian, hij was zoo’n goeje jongen, en hij kon er toch niets aan doen.”[260]„Dat maakt het voor hen niet anders.”„Nu maar, de eerste maal, dat ik bij hen kom, begin ik erover.”„Doe het niet.On ne parle pas corde dans la maison d’un pendu.Het zou een hatelijkheid lijken.”„Laat het. Zij, Nora, heeft, geloof ik, in ’t geheel niet van hem gehouden. Verleden week, toen ze hier gewhist hebben, zat ze met kapitein Slaters aan een tafeltje … En een koketteeren!”Verlande lachte luid,„Welnu, wat zou het? Kan je niet zien, dat de zon in het water schijnt? Ze is jong.”„Tamelijk; maar hij niet.”„Wel, hij is ’n goed geconserveerde veertiger. Dat is niet precies jong, maar nog erg.…. huwbaar.”„Huwbaar!” herhaalde zij met een gemaakte verontwaardiging over zoo’n uitdrukking; maar ze kon zich niet goed houden en ze lachten nu beiden om het idée.[261]„En dan,” ging Verlande voort, „zou hij ’n goede partij zijn voor Nora.”„’n Kapiteins tractement is ook zoo schitterend niet.”„Best, maar hij kan, hoor ik, zeker zijn van den gouden kraag, en hij is net een man om generaal te worden.”Het was een sterk argument; als elke vrouw vond mevrouw Verlande de afgedragenste generaals-uniform nog een ideaal, waartegen een dozijn van de zwartste zwarte rokken niet opgewassen waren.De generaal der toekomst, voor het oogenblik kapitein der infanterie bij het Indische leger, met verlof in Nederland, stond wezenlijk zoo goed aangeschreven als Verlande zei; hij was geen man met een martiaal uiterlijk: blond en fijn gebouwd, met een dun kneveltje en een zachte stem; wat alles niet belette, dat hij zoowel een dapper troepenaanvoerder als een kundig man gebleken was, die te velde zijn Willemsorde dubbel en dwars[262]had verdiend. Sedert de Tiele’s veel bij de Verlande’s kwamen, hadden zij Indische kennissen gemaakt, en ofschoon de oude Tiele daar altijd erg bang voor was geweest, en na zijn ervaring met Adam Silver er meer dan ooit voor vreesde, behaalden de sandwiches toch de overwinning.Ten slotte was het een kansje om van de meisjes af te komen, die meerendeels al ’n beetje op den achtergrond raakten in de vroegere kringetjes, waar nu jonge dames waren, die nog onder de kinderen telden, toen de meisjes Tiele al uitgingen. Bij de Verlande’s en zoo waren ze in elk geval nog vrij versch.Wat mevrouw Verlande het „koketteeren” van Nora had genoemd, bleek in elk geval succes te hebben. Dat zag zij aan ’t gezicht van het meisje, toen Nora ’s middags bij haar kwam.„Wat is er gebeurd?” vroeg ze.Verwonderd keek Nora haar aan.„U weet ervan.”„Heusch niet. Ik weet nergens van.”[263]„Ja, dan zoudt u zoo niet vragen wat er gebeurd was.”„Iser dan iets gebeurd?”„Och kom, houd u nu maar niet zoo onwetend!”„Wezenlijk, Nora, ik weet van niets. Ik vond alleen.… iets vreemds in je gezicht. Iets, alsof je een gewichtige tijding kwam brengen.”„Voor mij heel gewichtig. Ik ben geëngageerd.”„Met kapitein Slaters?”„Zie je wel, dat u ervan weet.”„Maar beste Nora, ik ben niet blind. Als wij bij elkaar zijn en twee wisselen met elkaar zulke lieve blikken als jullie deedt.”„Foei.… dat is niet waar. Dat deden we niet.….”Mevrouw Verlande werd er in haar oprechtheid een beetje akelig van. Zij had om het meisje niet te grieven, nu niet eens gezegd, dat de „lieve blikken” eigenlijk door haar alleen werden geworpen.[264]„In elk geval, ik feliciteer je. En dat geeft zeker gauw trouwen.”„Ja, het is fameus. Binnen een half jaar moeten we in Indië zijn.”„Als alles goed had gegaan met Adam Silver, zou je daar al geweest zijn.”Het was de eerste maal, dat zij na den fameusen dag, dien naam tegen Nora uitsprak, en het deed haar plezier, dat het meisje ontstelde; zij dacht, dat ze dan toch wel wat voor dien armen jongen gevoeld moest hebben, wijl ze zoo van kleur verschoot bij het hooren van dien naam.„God, mevrouw!” zei Nora zacht en vertrouwelijk, „zouden we hem in Indië ontmoeten?”„Ben je daar zoo bang voor?”„Verbeeld je.… ja, dat ben ik zeker. Ik heb van die heele akelige zaak niets aan Slaters gezegd. Pa zei, het was niet de moeite waard. Er was feitelijk niets gebeurd, zei hij.”Dus was het dàt alleen, dacht mevrouw Verlande, en een beetje bits antwoordde zij:[265]„Dat moet je zelf weten; dáárin geefikliever geen raad. En wat dat ontmoeten betreft,—er bestaat even weinig kans op, als hier in Den Haag iemand te ontmoeten, die in Denemarken woont. Waar jij komt, daar komt hij niet.”Een oogenblik keek Nora haar verwonderd aan; zij begreep het niet; verschil van grootte en afstanden stond haar niet voor den geest; men ging, meende zij, in zekeren zin naar Indië, zooals men naar Rotterdam ging, waar de menschen, bij al de drukte, toch onwillekeurig elkaar ontmoeten, ware het slechts op straat.„Je gaat naar Batavia, niet waar?”„Ten minste rechtstreeks; Slaters zegt, dat we er wel zullen blijven vooreerst.”„Nu, de plaats waar Adam Silver woont ligt ongeveer zoover van Batavia als Den Haag van … wat denk je?”Het moest een heel eind zijn, dacht Nora, en op goed geluk af zei ze:„Brussel.”[266]Mevrouw Verlande begon te lachen.„Neen kind, Petersburg of daaromtrent; met het verschil, dat je van hier veel gauwer te Petersburg bent.”Het meisje geloofde het niet; zij vroeg het haar vader, die het bevestigde en zij vroeg het ook, als een bloote nieuwsgierigheid, wijl, zei ze, het zoo moeilijk was zich eenig begrip van afstanden eigen te maken, aan den kapitein. Nu, toen die het bevestigde, was haar hart gerust.[267]

[Inhoud]VIERDE HOOFDSTUK.VIERDE HOOFDSTUK.Opnieuw verloofd en getrouwd.Bij de Tiele’s werd al lang niet meer gesproken over Adam Silver, en mevrouw Verlande, die het heel dikwijls over hem had met haar man, vond dat vreemd. Want de families kwamen in den laatsten tijd nogal bij elkaar; mevrouw Verlande maakte zulke overheerlijke sandwiches bij de thee en al de Tiele’s waren daar dol op.„Ik vind het onhartelijk.”„Maar kindlief, het is immers beter zóó. Het was een hoogst onaangename verrassing.”„Kasian, hij was zoo’n goeje jongen, en hij kon er toch niets aan doen.”[260]„Dat maakt het voor hen niet anders.”„Nu maar, de eerste maal, dat ik bij hen kom, begin ik erover.”„Doe het niet.On ne parle pas corde dans la maison d’un pendu.Het zou een hatelijkheid lijken.”„Laat het. Zij, Nora, heeft, geloof ik, in ’t geheel niet van hem gehouden. Verleden week, toen ze hier gewhist hebben, zat ze met kapitein Slaters aan een tafeltje … En een koketteeren!”Verlande lachte luid,„Welnu, wat zou het? Kan je niet zien, dat de zon in het water schijnt? Ze is jong.”„Tamelijk; maar hij niet.”„Wel, hij is ’n goed geconserveerde veertiger. Dat is niet precies jong, maar nog erg.…. huwbaar.”„Huwbaar!” herhaalde zij met een gemaakte verontwaardiging over zoo’n uitdrukking; maar ze kon zich niet goed houden en ze lachten nu beiden om het idée.[261]„En dan,” ging Verlande voort, „zou hij ’n goede partij zijn voor Nora.”„’n Kapiteins tractement is ook zoo schitterend niet.”„Best, maar hij kan, hoor ik, zeker zijn van den gouden kraag, en hij is net een man om generaal te worden.”Het was een sterk argument; als elke vrouw vond mevrouw Verlande de afgedragenste generaals-uniform nog een ideaal, waartegen een dozijn van de zwartste zwarte rokken niet opgewassen waren.De generaal der toekomst, voor het oogenblik kapitein der infanterie bij het Indische leger, met verlof in Nederland, stond wezenlijk zoo goed aangeschreven als Verlande zei; hij was geen man met een martiaal uiterlijk: blond en fijn gebouwd, met een dun kneveltje en een zachte stem; wat alles niet belette, dat hij zoowel een dapper troepenaanvoerder als een kundig man gebleken was, die te velde zijn Willemsorde dubbel en dwars[262]had verdiend. Sedert de Tiele’s veel bij de Verlande’s kwamen, hadden zij Indische kennissen gemaakt, en ofschoon de oude Tiele daar altijd erg bang voor was geweest, en na zijn ervaring met Adam Silver er meer dan ooit voor vreesde, behaalden de sandwiches toch de overwinning.Ten slotte was het een kansje om van de meisjes af te komen, die meerendeels al ’n beetje op den achtergrond raakten in de vroegere kringetjes, waar nu jonge dames waren, die nog onder de kinderen telden, toen de meisjes Tiele al uitgingen. Bij de Verlande’s en zoo waren ze in elk geval nog vrij versch.Wat mevrouw Verlande het „koketteeren” van Nora had genoemd, bleek in elk geval succes te hebben. Dat zag zij aan ’t gezicht van het meisje, toen Nora ’s middags bij haar kwam.„Wat is er gebeurd?” vroeg ze.Verwonderd keek Nora haar aan.„U weet ervan.”„Heusch niet. Ik weet nergens van.”[263]„Ja, dan zoudt u zoo niet vragen wat er gebeurd was.”„Iser dan iets gebeurd?”„Och kom, houd u nu maar niet zoo onwetend!”„Wezenlijk, Nora, ik weet van niets. Ik vond alleen.… iets vreemds in je gezicht. Iets, alsof je een gewichtige tijding kwam brengen.”„Voor mij heel gewichtig. Ik ben geëngageerd.”„Met kapitein Slaters?”„Zie je wel, dat u ervan weet.”„Maar beste Nora, ik ben niet blind. Als wij bij elkaar zijn en twee wisselen met elkaar zulke lieve blikken als jullie deedt.”„Foei.… dat is niet waar. Dat deden we niet.….”Mevrouw Verlande werd er in haar oprechtheid een beetje akelig van. Zij had om het meisje niet te grieven, nu niet eens gezegd, dat de „lieve blikken” eigenlijk door haar alleen werden geworpen.[264]„In elk geval, ik feliciteer je. En dat geeft zeker gauw trouwen.”„Ja, het is fameus. Binnen een half jaar moeten we in Indië zijn.”„Als alles goed had gegaan met Adam Silver, zou je daar al geweest zijn.”Het was de eerste maal, dat zij na den fameusen dag, dien naam tegen Nora uitsprak, en het deed haar plezier, dat het meisje ontstelde; zij dacht, dat ze dan toch wel wat voor dien armen jongen gevoeld moest hebben, wijl ze zoo van kleur verschoot bij het hooren van dien naam.„God, mevrouw!” zei Nora zacht en vertrouwelijk, „zouden we hem in Indië ontmoeten?”„Ben je daar zoo bang voor?”„Verbeeld je.… ja, dat ben ik zeker. Ik heb van die heele akelige zaak niets aan Slaters gezegd. Pa zei, het was niet de moeite waard. Er was feitelijk niets gebeurd, zei hij.”Dus was het dàt alleen, dacht mevrouw Verlande, en een beetje bits antwoordde zij:[265]„Dat moet je zelf weten; dáárin geefikliever geen raad. En wat dat ontmoeten betreft,—er bestaat even weinig kans op, als hier in Den Haag iemand te ontmoeten, die in Denemarken woont. Waar jij komt, daar komt hij niet.”Een oogenblik keek Nora haar verwonderd aan; zij begreep het niet; verschil van grootte en afstanden stond haar niet voor den geest; men ging, meende zij, in zekeren zin naar Indië, zooals men naar Rotterdam ging, waar de menschen, bij al de drukte, toch onwillekeurig elkaar ontmoeten, ware het slechts op straat.„Je gaat naar Batavia, niet waar?”„Ten minste rechtstreeks; Slaters zegt, dat we er wel zullen blijven vooreerst.”„Nu, de plaats waar Adam Silver woont ligt ongeveer zoover van Batavia als Den Haag van … wat denk je?”Het moest een heel eind zijn, dacht Nora, en op goed geluk af zei ze:„Brussel.”[266]Mevrouw Verlande begon te lachen.„Neen kind, Petersburg of daaromtrent; met het verschil, dat je van hier veel gauwer te Petersburg bent.”Het meisje geloofde het niet; zij vroeg het haar vader, die het bevestigde en zij vroeg het ook, als een bloote nieuwsgierigheid, wijl, zei ze, het zoo moeilijk was zich eenig begrip van afstanden eigen te maken, aan den kapitein. Nu, toen die het bevestigde, was haar hart gerust.[267]

VIERDE HOOFDSTUK.VIERDE HOOFDSTUK.Opnieuw verloofd en getrouwd.

VIERDE HOOFDSTUK.

Bij de Tiele’s werd al lang niet meer gesproken over Adam Silver, en mevrouw Verlande, die het heel dikwijls over hem had met haar man, vond dat vreemd. Want de families kwamen in den laatsten tijd nogal bij elkaar; mevrouw Verlande maakte zulke overheerlijke sandwiches bij de thee en al de Tiele’s waren daar dol op.„Ik vind het onhartelijk.”„Maar kindlief, het is immers beter zóó. Het was een hoogst onaangename verrassing.”„Kasian, hij was zoo’n goeje jongen, en hij kon er toch niets aan doen.”[260]„Dat maakt het voor hen niet anders.”„Nu maar, de eerste maal, dat ik bij hen kom, begin ik erover.”„Doe het niet.On ne parle pas corde dans la maison d’un pendu.Het zou een hatelijkheid lijken.”„Laat het. Zij, Nora, heeft, geloof ik, in ’t geheel niet van hem gehouden. Verleden week, toen ze hier gewhist hebben, zat ze met kapitein Slaters aan een tafeltje … En een koketteeren!”Verlande lachte luid,„Welnu, wat zou het? Kan je niet zien, dat de zon in het water schijnt? Ze is jong.”„Tamelijk; maar hij niet.”„Wel, hij is ’n goed geconserveerde veertiger. Dat is niet precies jong, maar nog erg.…. huwbaar.”„Huwbaar!” herhaalde zij met een gemaakte verontwaardiging over zoo’n uitdrukking; maar ze kon zich niet goed houden en ze lachten nu beiden om het idée.[261]„En dan,” ging Verlande voort, „zou hij ’n goede partij zijn voor Nora.”„’n Kapiteins tractement is ook zoo schitterend niet.”„Best, maar hij kan, hoor ik, zeker zijn van den gouden kraag, en hij is net een man om generaal te worden.”Het was een sterk argument; als elke vrouw vond mevrouw Verlande de afgedragenste generaals-uniform nog een ideaal, waartegen een dozijn van de zwartste zwarte rokken niet opgewassen waren.De generaal der toekomst, voor het oogenblik kapitein der infanterie bij het Indische leger, met verlof in Nederland, stond wezenlijk zoo goed aangeschreven als Verlande zei; hij was geen man met een martiaal uiterlijk: blond en fijn gebouwd, met een dun kneveltje en een zachte stem; wat alles niet belette, dat hij zoowel een dapper troepenaanvoerder als een kundig man gebleken was, die te velde zijn Willemsorde dubbel en dwars[262]had verdiend. Sedert de Tiele’s veel bij de Verlande’s kwamen, hadden zij Indische kennissen gemaakt, en ofschoon de oude Tiele daar altijd erg bang voor was geweest, en na zijn ervaring met Adam Silver er meer dan ooit voor vreesde, behaalden de sandwiches toch de overwinning.Ten slotte was het een kansje om van de meisjes af te komen, die meerendeels al ’n beetje op den achtergrond raakten in de vroegere kringetjes, waar nu jonge dames waren, die nog onder de kinderen telden, toen de meisjes Tiele al uitgingen. Bij de Verlande’s en zoo waren ze in elk geval nog vrij versch.Wat mevrouw Verlande het „koketteeren” van Nora had genoemd, bleek in elk geval succes te hebben. Dat zag zij aan ’t gezicht van het meisje, toen Nora ’s middags bij haar kwam.„Wat is er gebeurd?” vroeg ze.Verwonderd keek Nora haar aan.„U weet ervan.”„Heusch niet. Ik weet nergens van.”[263]„Ja, dan zoudt u zoo niet vragen wat er gebeurd was.”„Iser dan iets gebeurd?”„Och kom, houd u nu maar niet zoo onwetend!”„Wezenlijk, Nora, ik weet van niets. Ik vond alleen.… iets vreemds in je gezicht. Iets, alsof je een gewichtige tijding kwam brengen.”„Voor mij heel gewichtig. Ik ben geëngageerd.”„Met kapitein Slaters?”„Zie je wel, dat u ervan weet.”„Maar beste Nora, ik ben niet blind. Als wij bij elkaar zijn en twee wisselen met elkaar zulke lieve blikken als jullie deedt.”„Foei.… dat is niet waar. Dat deden we niet.….”Mevrouw Verlande werd er in haar oprechtheid een beetje akelig van. Zij had om het meisje niet te grieven, nu niet eens gezegd, dat de „lieve blikken” eigenlijk door haar alleen werden geworpen.[264]„In elk geval, ik feliciteer je. En dat geeft zeker gauw trouwen.”„Ja, het is fameus. Binnen een half jaar moeten we in Indië zijn.”„Als alles goed had gegaan met Adam Silver, zou je daar al geweest zijn.”Het was de eerste maal, dat zij na den fameusen dag, dien naam tegen Nora uitsprak, en het deed haar plezier, dat het meisje ontstelde; zij dacht, dat ze dan toch wel wat voor dien armen jongen gevoeld moest hebben, wijl ze zoo van kleur verschoot bij het hooren van dien naam.„God, mevrouw!” zei Nora zacht en vertrouwelijk, „zouden we hem in Indië ontmoeten?”„Ben je daar zoo bang voor?”„Verbeeld je.… ja, dat ben ik zeker. Ik heb van die heele akelige zaak niets aan Slaters gezegd. Pa zei, het was niet de moeite waard. Er was feitelijk niets gebeurd, zei hij.”Dus was het dàt alleen, dacht mevrouw Verlande, en een beetje bits antwoordde zij:[265]„Dat moet je zelf weten; dáárin geefikliever geen raad. En wat dat ontmoeten betreft,—er bestaat even weinig kans op, als hier in Den Haag iemand te ontmoeten, die in Denemarken woont. Waar jij komt, daar komt hij niet.”Een oogenblik keek Nora haar verwonderd aan; zij begreep het niet; verschil van grootte en afstanden stond haar niet voor den geest; men ging, meende zij, in zekeren zin naar Indië, zooals men naar Rotterdam ging, waar de menschen, bij al de drukte, toch onwillekeurig elkaar ontmoeten, ware het slechts op straat.„Je gaat naar Batavia, niet waar?”„Ten minste rechtstreeks; Slaters zegt, dat we er wel zullen blijven vooreerst.”„Nu, de plaats waar Adam Silver woont ligt ongeveer zoover van Batavia als Den Haag van … wat denk je?”Het moest een heel eind zijn, dacht Nora, en op goed geluk af zei ze:„Brussel.”[266]Mevrouw Verlande begon te lachen.„Neen kind, Petersburg of daaromtrent; met het verschil, dat je van hier veel gauwer te Petersburg bent.”Het meisje geloofde het niet; zij vroeg het haar vader, die het bevestigde en zij vroeg het ook, als een bloote nieuwsgierigheid, wijl, zei ze, het zoo moeilijk was zich eenig begrip van afstanden eigen te maken, aan den kapitein. Nu, toen die het bevestigde, was haar hart gerust.[267]

Bij de Tiele’s werd al lang niet meer gesproken over Adam Silver, en mevrouw Verlande, die het heel dikwijls over hem had met haar man, vond dat vreemd. Want de families kwamen in den laatsten tijd nogal bij elkaar; mevrouw Verlande maakte zulke overheerlijke sandwiches bij de thee en al de Tiele’s waren daar dol op.

„Ik vind het onhartelijk.”

„Maar kindlief, het is immers beter zóó. Het was een hoogst onaangename verrassing.”

„Kasian, hij was zoo’n goeje jongen, en hij kon er toch niets aan doen.”[260]

„Dat maakt het voor hen niet anders.”

„Nu maar, de eerste maal, dat ik bij hen kom, begin ik erover.”

„Doe het niet.On ne parle pas corde dans la maison d’un pendu.Het zou een hatelijkheid lijken.”

„Laat het. Zij, Nora, heeft, geloof ik, in ’t geheel niet van hem gehouden. Verleden week, toen ze hier gewhist hebben, zat ze met kapitein Slaters aan een tafeltje … En een koketteeren!”

Verlande lachte luid,

„Welnu, wat zou het? Kan je niet zien, dat de zon in het water schijnt? Ze is jong.”

„Tamelijk; maar hij niet.”

„Wel, hij is ’n goed geconserveerde veertiger. Dat is niet precies jong, maar nog erg.…. huwbaar.”

„Huwbaar!” herhaalde zij met een gemaakte verontwaardiging over zoo’n uitdrukking; maar ze kon zich niet goed houden en ze lachten nu beiden om het idée.[261]

„En dan,” ging Verlande voort, „zou hij ’n goede partij zijn voor Nora.”

„’n Kapiteins tractement is ook zoo schitterend niet.”

„Best, maar hij kan, hoor ik, zeker zijn van den gouden kraag, en hij is net een man om generaal te worden.”

Het was een sterk argument; als elke vrouw vond mevrouw Verlande de afgedragenste generaals-uniform nog een ideaal, waartegen een dozijn van de zwartste zwarte rokken niet opgewassen waren.

De generaal der toekomst, voor het oogenblik kapitein der infanterie bij het Indische leger, met verlof in Nederland, stond wezenlijk zoo goed aangeschreven als Verlande zei; hij was geen man met een martiaal uiterlijk: blond en fijn gebouwd, met een dun kneveltje en een zachte stem; wat alles niet belette, dat hij zoowel een dapper troepenaanvoerder als een kundig man gebleken was, die te velde zijn Willemsorde dubbel en dwars[262]had verdiend. Sedert de Tiele’s veel bij de Verlande’s kwamen, hadden zij Indische kennissen gemaakt, en ofschoon de oude Tiele daar altijd erg bang voor was geweest, en na zijn ervaring met Adam Silver er meer dan ooit voor vreesde, behaalden de sandwiches toch de overwinning.

Ten slotte was het een kansje om van de meisjes af te komen, die meerendeels al ’n beetje op den achtergrond raakten in de vroegere kringetjes, waar nu jonge dames waren, die nog onder de kinderen telden, toen de meisjes Tiele al uitgingen. Bij de Verlande’s en zoo waren ze in elk geval nog vrij versch.

Wat mevrouw Verlande het „koketteeren” van Nora had genoemd, bleek in elk geval succes te hebben. Dat zag zij aan ’t gezicht van het meisje, toen Nora ’s middags bij haar kwam.

„Wat is er gebeurd?” vroeg ze.

Verwonderd keek Nora haar aan.

„U weet ervan.”

„Heusch niet. Ik weet nergens van.”[263]

„Ja, dan zoudt u zoo niet vragen wat er gebeurd was.”

„Iser dan iets gebeurd?”

„Och kom, houd u nu maar niet zoo onwetend!”

„Wezenlijk, Nora, ik weet van niets. Ik vond alleen.… iets vreemds in je gezicht. Iets, alsof je een gewichtige tijding kwam brengen.”

„Voor mij heel gewichtig. Ik ben geëngageerd.”

„Met kapitein Slaters?”

„Zie je wel, dat u ervan weet.”

„Maar beste Nora, ik ben niet blind. Als wij bij elkaar zijn en twee wisselen met elkaar zulke lieve blikken als jullie deedt.”

„Foei.… dat is niet waar. Dat deden we niet.….”

Mevrouw Verlande werd er in haar oprechtheid een beetje akelig van. Zij had om het meisje niet te grieven, nu niet eens gezegd, dat de „lieve blikken” eigenlijk door haar alleen werden geworpen.[264]

„In elk geval, ik feliciteer je. En dat geeft zeker gauw trouwen.”

„Ja, het is fameus. Binnen een half jaar moeten we in Indië zijn.”

„Als alles goed had gegaan met Adam Silver, zou je daar al geweest zijn.”

Het was de eerste maal, dat zij na den fameusen dag, dien naam tegen Nora uitsprak, en het deed haar plezier, dat het meisje ontstelde; zij dacht, dat ze dan toch wel wat voor dien armen jongen gevoeld moest hebben, wijl ze zoo van kleur verschoot bij het hooren van dien naam.

„God, mevrouw!” zei Nora zacht en vertrouwelijk, „zouden we hem in Indië ontmoeten?”

„Ben je daar zoo bang voor?”

„Verbeeld je.… ja, dat ben ik zeker. Ik heb van die heele akelige zaak niets aan Slaters gezegd. Pa zei, het was niet de moeite waard. Er was feitelijk niets gebeurd, zei hij.”

Dus was het dàt alleen, dacht mevrouw Verlande, en een beetje bits antwoordde zij:[265]

„Dat moet je zelf weten; dáárin geefikliever geen raad. En wat dat ontmoeten betreft,—er bestaat even weinig kans op, als hier in Den Haag iemand te ontmoeten, die in Denemarken woont. Waar jij komt, daar komt hij niet.”

Een oogenblik keek Nora haar verwonderd aan; zij begreep het niet; verschil van grootte en afstanden stond haar niet voor den geest; men ging, meende zij, in zekeren zin naar Indië, zooals men naar Rotterdam ging, waar de menschen, bij al de drukte, toch onwillekeurig elkaar ontmoeten, ware het slechts op straat.

„Je gaat naar Batavia, niet waar?”

„Ten minste rechtstreeks; Slaters zegt, dat we er wel zullen blijven vooreerst.”

„Nu, de plaats waar Adam Silver woont ligt ongeveer zoover van Batavia als Den Haag van … wat denk je?”

Het moest een heel eind zijn, dacht Nora, en op goed geluk af zei ze:

„Brussel.”[266]

Mevrouw Verlande begon te lachen.

„Neen kind, Petersburg of daaromtrent; met het verschil, dat je van hier veel gauwer te Petersburg bent.”

Het meisje geloofde het niet; zij vroeg het haar vader, die het bevestigde en zij vroeg het ook, als een bloote nieuwsgierigheid, wijl, zei ze, het zoo moeilijk was zich eenig begrip van afstanden eigen te maken, aan den kapitein. Nu, toen die het bevestigde, was haar hart gerust.

[267]


Back to IndexNext