VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

[Inhoud]VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Besluit.Depenghoeloe, door Minah’s tusschenkomst gewaarschuwd, kwam in den loop van den ochtend met zijn volgelingen; hij was kort en bevelend, alsof hij de baas was in het huis; niemand durfde zich tegen iets verzetten.Dailah, nu half suf van emotie, minder dan iemand anders: allen eigenlijk blij, dat er één was, die desoesahop zich nam.Maar toen de begrafenis plaats had en zij met de bedienden alleen in het huis bleef, liet zij een ouden klerk roepen, die vroeger wel eens daar aan huis was geweest, en die schreef voor haar den brief aan Bram.[442]En toen hij kwam en met haar had gesproken, hij hoogst zenuwachtig, zij erg bedroefd, maar kalm en gelaten,—toen ging hij naar voren, zitten op den stoel waarop Aboe Bakar zoo dikwijls had gezeten; zijn ongeregelde verbeelding en overprikkeld zenuwgestel, deden hem de meest gecompliceerde en gruwelijkste wraakplannen vormen; hij zou, en hij zou; hij kon er niet stil van blijven zitten; hij stond op, liep heen en weer en bewoog handen en armen, alsof hij kneep, worgde, verscheurde. O, die smeerlap, dacht hij, alsdienu eens hier was! Maar depenghoeloe, dien hij bedoelde, kwam niet; liet in ’t geheel niets van zich hooren.Bram schreef hem en verzocht dadelijke afrekening van het geld, dat wijlen zijn broeder Aboe Bakar gestort had in de penghoeloekas; er volgde niet eens antwoord.Ten slotte kwamen al de gewelddadigheden, die Bram zich voorgenomen had te bedrijven tegen de dieven en moordenaars, hierop neer, dat hij eindigde met wat hij had moeten beginnen: hij[443]ging naar het Europeesch bestuur en diende een aanklacht in.Hij was zeer bespraakt; hij kwam niet uit eigenbelang; wijlen desaïdwas zijn bloedeigen broer geweest, verklaarde hij, en het was niet om iets van diens nalatenschap, dat hij zich het schandelijk misdrijf aantrok. Hij wilde het geld, Aboe Bakar’s eigen geld, terug, voor diens zoon, die—dat vergat hij erbij te voegen—tot een nietsdoener en een leeglooper was opgegroeid, met groote kans een vagebond te worden.Voor het familiezwak van den Europeeschen oom voelden de ambtenaren iets, schoon zij zich bij voorkeur niet inlieten met zulke „vuile inlandscheperkara’s.”Zij zouden „een onderzoek instellen.”Terug in ’t huis vond Bram zijn oudste schoonzuster Minah; zij pakte haarbarang; met veel drukte was zij bezig haarsarongsen baadjes, heele stapels, haar menigte doosjes en doekjes in trommels te bergen en inkainste knoopen.[444]„Laat dat nu maar wachten,” zei Bram gebiedend. „Luister naar mij.”Minah stond op het punt een brutaal antwoord te geven; maar zij zag aan Bram, dat hij heel nijdig was; daarom ging zij stil op een bankje zitten, de handen op de knieën.„Waar is het geld van A. gebleven?”Zij haalde de schouders op.„Hoe kan ik het weten; hij zei nooit iets tegen mij.”„Daar stond zijn geldkist, daar in dien hoek, dat wist je toch.”„Ik? Wistikdat? Ik weet niet wat een geldkist anders is dan een gewone kist.…”„Dailah zegt.…”„Wel ja,” viel zij boosaardig uit, „daar heb je ’t al! Vraag het Dailah, die zal het wel weten. Ik niet; ik was maar zoowat de dienstmeid hier, en ik weet van geen kist, ik heb mij niet bemoeid met zijnbarang, waarom zou ik me ermee bemoeid hebben?”[445]„Om uw zoon.”„Om mijn zoon? Wat heeft hij zich ingelaten met zijn kind? Even weinig als met mij. De eenige met wie hij sprak was Dah; voor de rest zat hij ginds in het bidhuisje en in demissigit, altijd maar in het boek te lezen en te bidden.”Dat was Bram bekend, en toen nu Minah, die zich over zichzelve had verteederd, haar geheime angst tot zenuwachtigheid meewerkend, aanving zacht in haarslendangte schreien, kreeg Bramkasian, en daarmee verdween zijn boos vermoeden, dat Minah aan de misdaad medeplichtig was.„Wat ga je doen?” vroeg hij.„Ik weet het niet. Vooreerst ga ik bij een vrouw in de kampong wonen, tot hier den boel geregeld is.”„En dan?”„Ik weet het niet. Misschien zoek ik werk alsbaboebijblandas.”Een oogenblik dacht Bram na. Het ging niet aan, haar terug te zenden naar het land, waar ze[446]vandaan kwam; zelf haar in huis te nemen,—daarvan kon niets komen. Dailah zou weer teruggaan in haars vaders huis.„Goed,” zei hij, „je moet natuurlijk doen, wat je wilt. Ik zal je zoon meenemen. Wat het mijne is, kan ook het zijne wezen.”Voor haar was dat een ware uitkomst; zij was van den lastigen jongen kerel af; van een moederschap dat haar oud maakte, zoo goed als ontslagen, in een tijd dat haar belang vorderde jong te schijnen.„Gij zijt zijn oudste oom,” zei ze op een toon van berusting.En alles was naar beider begrip daarmee gezegd.Het onderzoek naar den dood, dat zelfs een gerechtelijk werd, leidde tot geen uitkomst; ’t waskoerang terang.Toen de tweede maan scheen op het graf van Aboe Bakar, het stille plekje in het binnenland, waar een groepkambodja’sde doordringende geuren harer witte bloemen over de sawahvlakte verspreidden,[447]—toen reed zijn eenige zoon te Batavia langs den Molenvliet als koetsier op een huurdos-à-dos van oom Bram.Oom Bram had veel last met hem; hij durfde ’s avonds niet naar bed gaan vóór zijn neef weer goed en wel thuis was, zoo vreesde hij altijd, dat er ’t een of ander met den bedorven jongen zou gebeuren.Als die eindelijk, laat in den nacht soms, de dos-à-dos het erf opreed, en Bram dan niet half zooveel huur kreeg als hij berekenen kon, dat verdiend was, keek hij door den gouden bril zijns vaders weleens beurtelings naar het onbeschaamde jonge gezicht voor hem en naar het oude vannjai Peraq, die op haarbaleh-balehrustig sliep.En dan vond hij, dat, als iemand weinig uit een schipbreuk was overgebleven, het dan hem, Bram Silver, was.—EINDE.

[Inhoud]VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Besluit.Depenghoeloe, door Minah’s tusschenkomst gewaarschuwd, kwam in den loop van den ochtend met zijn volgelingen; hij was kort en bevelend, alsof hij de baas was in het huis; niemand durfde zich tegen iets verzetten.Dailah, nu half suf van emotie, minder dan iemand anders: allen eigenlijk blij, dat er één was, die desoesahop zich nam.Maar toen de begrafenis plaats had en zij met de bedienden alleen in het huis bleef, liet zij een ouden klerk roepen, die vroeger wel eens daar aan huis was geweest, en die schreef voor haar den brief aan Bram.[442]En toen hij kwam en met haar had gesproken, hij hoogst zenuwachtig, zij erg bedroefd, maar kalm en gelaten,—toen ging hij naar voren, zitten op den stoel waarop Aboe Bakar zoo dikwijls had gezeten; zijn ongeregelde verbeelding en overprikkeld zenuwgestel, deden hem de meest gecompliceerde en gruwelijkste wraakplannen vormen; hij zou, en hij zou; hij kon er niet stil van blijven zitten; hij stond op, liep heen en weer en bewoog handen en armen, alsof hij kneep, worgde, verscheurde. O, die smeerlap, dacht hij, alsdienu eens hier was! Maar depenghoeloe, dien hij bedoelde, kwam niet; liet in ’t geheel niets van zich hooren.Bram schreef hem en verzocht dadelijke afrekening van het geld, dat wijlen zijn broeder Aboe Bakar gestort had in de penghoeloekas; er volgde niet eens antwoord.Ten slotte kwamen al de gewelddadigheden, die Bram zich voorgenomen had te bedrijven tegen de dieven en moordenaars, hierop neer, dat hij eindigde met wat hij had moeten beginnen: hij[443]ging naar het Europeesch bestuur en diende een aanklacht in.Hij was zeer bespraakt; hij kwam niet uit eigenbelang; wijlen desaïdwas zijn bloedeigen broer geweest, verklaarde hij, en het was niet om iets van diens nalatenschap, dat hij zich het schandelijk misdrijf aantrok. Hij wilde het geld, Aboe Bakar’s eigen geld, terug, voor diens zoon, die—dat vergat hij erbij te voegen—tot een nietsdoener en een leeglooper was opgegroeid, met groote kans een vagebond te worden.Voor het familiezwak van den Europeeschen oom voelden de ambtenaren iets, schoon zij zich bij voorkeur niet inlieten met zulke „vuile inlandscheperkara’s.”Zij zouden „een onderzoek instellen.”Terug in ’t huis vond Bram zijn oudste schoonzuster Minah; zij pakte haarbarang; met veel drukte was zij bezig haarsarongsen baadjes, heele stapels, haar menigte doosjes en doekjes in trommels te bergen en inkainste knoopen.[444]„Laat dat nu maar wachten,” zei Bram gebiedend. „Luister naar mij.”Minah stond op het punt een brutaal antwoord te geven; maar zij zag aan Bram, dat hij heel nijdig was; daarom ging zij stil op een bankje zitten, de handen op de knieën.„Waar is het geld van A. gebleven?”Zij haalde de schouders op.„Hoe kan ik het weten; hij zei nooit iets tegen mij.”„Daar stond zijn geldkist, daar in dien hoek, dat wist je toch.”„Ik? Wistikdat? Ik weet niet wat een geldkist anders is dan een gewone kist.…”„Dailah zegt.…”„Wel ja,” viel zij boosaardig uit, „daar heb je ’t al! Vraag het Dailah, die zal het wel weten. Ik niet; ik was maar zoowat de dienstmeid hier, en ik weet van geen kist, ik heb mij niet bemoeid met zijnbarang, waarom zou ik me ermee bemoeid hebben?”[445]„Om uw zoon.”„Om mijn zoon? Wat heeft hij zich ingelaten met zijn kind? Even weinig als met mij. De eenige met wie hij sprak was Dah; voor de rest zat hij ginds in het bidhuisje en in demissigit, altijd maar in het boek te lezen en te bidden.”Dat was Bram bekend, en toen nu Minah, die zich over zichzelve had verteederd, haar geheime angst tot zenuwachtigheid meewerkend, aanving zacht in haarslendangte schreien, kreeg Bramkasian, en daarmee verdween zijn boos vermoeden, dat Minah aan de misdaad medeplichtig was.„Wat ga je doen?” vroeg hij.„Ik weet het niet. Vooreerst ga ik bij een vrouw in de kampong wonen, tot hier den boel geregeld is.”„En dan?”„Ik weet het niet. Misschien zoek ik werk alsbaboebijblandas.”Een oogenblik dacht Bram na. Het ging niet aan, haar terug te zenden naar het land, waar ze[446]vandaan kwam; zelf haar in huis te nemen,—daarvan kon niets komen. Dailah zou weer teruggaan in haars vaders huis.„Goed,” zei hij, „je moet natuurlijk doen, wat je wilt. Ik zal je zoon meenemen. Wat het mijne is, kan ook het zijne wezen.”Voor haar was dat een ware uitkomst; zij was van den lastigen jongen kerel af; van een moederschap dat haar oud maakte, zoo goed als ontslagen, in een tijd dat haar belang vorderde jong te schijnen.„Gij zijt zijn oudste oom,” zei ze op een toon van berusting.En alles was naar beider begrip daarmee gezegd.Het onderzoek naar den dood, dat zelfs een gerechtelijk werd, leidde tot geen uitkomst; ’t waskoerang terang.Toen de tweede maan scheen op het graf van Aboe Bakar, het stille plekje in het binnenland, waar een groepkambodja’sde doordringende geuren harer witte bloemen over de sawahvlakte verspreidden,[447]—toen reed zijn eenige zoon te Batavia langs den Molenvliet als koetsier op een huurdos-à-dos van oom Bram.Oom Bram had veel last met hem; hij durfde ’s avonds niet naar bed gaan vóór zijn neef weer goed en wel thuis was, zoo vreesde hij altijd, dat er ’t een of ander met den bedorven jongen zou gebeuren.Als die eindelijk, laat in den nacht soms, de dos-à-dos het erf opreed, en Bram dan niet half zooveel huur kreeg als hij berekenen kon, dat verdiend was, keek hij door den gouden bril zijns vaders weleens beurtelings naar het onbeschaamde jonge gezicht voor hem en naar het oude vannjai Peraq, die op haarbaleh-balehrustig sliep.En dan vond hij, dat, als iemand weinig uit een schipbreuk was overgebleven, het dan hem, Bram Silver, was.—EINDE.

[Inhoud]VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Besluit.Depenghoeloe, door Minah’s tusschenkomst gewaarschuwd, kwam in den loop van den ochtend met zijn volgelingen; hij was kort en bevelend, alsof hij de baas was in het huis; niemand durfde zich tegen iets verzetten.Dailah, nu half suf van emotie, minder dan iemand anders: allen eigenlijk blij, dat er één was, die desoesahop zich nam.Maar toen de begrafenis plaats had en zij met de bedienden alleen in het huis bleef, liet zij een ouden klerk roepen, die vroeger wel eens daar aan huis was geweest, en die schreef voor haar den brief aan Bram.[442]En toen hij kwam en met haar had gesproken, hij hoogst zenuwachtig, zij erg bedroefd, maar kalm en gelaten,—toen ging hij naar voren, zitten op den stoel waarop Aboe Bakar zoo dikwijls had gezeten; zijn ongeregelde verbeelding en overprikkeld zenuwgestel, deden hem de meest gecompliceerde en gruwelijkste wraakplannen vormen; hij zou, en hij zou; hij kon er niet stil van blijven zitten; hij stond op, liep heen en weer en bewoog handen en armen, alsof hij kneep, worgde, verscheurde. O, die smeerlap, dacht hij, alsdienu eens hier was! Maar depenghoeloe, dien hij bedoelde, kwam niet; liet in ’t geheel niets van zich hooren.Bram schreef hem en verzocht dadelijke afrekening van het geld, dat wijlen zijn broeder Aboe Bakar gestort had in de penghoeloekas; er volgde niet eens antwoord.Ten slotte kwamen al de gewelddadigheden, die Bram zich voorgenomen had te bedrijven tegen de dieven en moordenaars, hierop neer, dat hij eindigde met wat hij had moeten beginnen: hij[443]ging naar het Europeesch bestuur en diende een aanklacht in.Hij was zeer bespraakt; hij kwam niet uit eigenbelang; wijlen desaïdwas zijn bloedeigen broer geweest, verklaarde hij, en het was niet om iets van diens nalatenschap, dat hij zich het schandelijk misdrijf aantrok. Hij wilde het geld, Aboe Bakar’s eigen geld, terug, voor diens zoon, die—dat vergat hij erbij te voegen—tot een nietsdoener en een leeglooper was opgegroeid, met groote kans een vagebond te worden.Voor het familiezwak van den Europeeschen oom voelden de ambtenaren iets, schoon zij zich bij voorkeur niet inlieten met zulke „vuile inlandscheperkara’s.”Zij zouden „een onderzoek instellen.”Terug in ’t huis vond Bram zijn oudste schoonzuster Minah; zij pakte haarbarang; met veel drukte was zij bezig haarsarongsen baadjes, heele stapels, haar menigte doosjes en doekjes in trommels te bergen en inkainste knoopen.[444]„Laat dat nu maar wachten,” zei Bram gebiedend. „Luister naar mij.”Minah stond op het punt een brutaal antwoord te geven; maar zij zag aan Bram, dat hij heel nijdig was; daarom ging zij stil op een bankje zitten, de handen op de knieën.„Waar is het geld van A. gebleven?”Zij haalde de schouders op.„Hoe kan ik het weten; hij zei nooit iets tegen mij.”„Daar stond zijn geldkist, daar in dien hoek, dat wist je toch.”„Ik? Wistikdat? Ik weet niet wat een geldkist anders is dan een gewone kist.…”„Dailah zegt.…”„Wel ja,” viel zij boosaardig uit, „daar heb je ’t al! Vraag het Dailah, die zal het wel weten. Ik niet; ik was maar zoowat de dienstmeid hier, en ik weet van geen kist, ik heb mij niet bemoeid met zijnbarang, waarom zou ik me ermee bemoeid hebben?”[445]„Om uw zoon.”„Om mijn zoon? Wat heeft hij zich ingelaten met zijn kind? Even weinig als met mij. De eenige met wie hij sprak was Dah; voor de rest zat hij ginds in het bidhuisje en in demissigit, altijd maar in het boek te lezen en te bidden.”Dat was Bram bekend, en toen nu Minah, die zich over zichzelve had verteederd, haar geheime angst tot zenuwachtigheid meewerkend, aanving zacht in haarslendangte schreien, kreeg Bramkasian, en daarmee verdween zijn boos vermoeden, dat Minah aan de misdaad medeplichtig was.„Wat ga je doen?” vroeg hij.„Ik weet het niet. Vooreerst ga ik bij een vrouw in de kampong wonen, tot hier den boel geregeld is.”„En dan?”„Ik weet het niet. Misschien zoek ik werk alsbaboebijblandas.”Een oogenblik dacht Bram na. Het ging niet aan, haar terug te zenden naar het land, waar ze[446]vandaan kwam; zelf haar in huis te nemen,—daarvan kon niets komen. Dailah zou weer teruggaan in haars vaders huis.„Goed,” zei hij, „je moet natuurlijk doen, wat je wilt. Ik zal je zoon meenemen. Wat het mijne is, kan ook het zijne wezen.”Voor haar was dat een ware uitkomst; zij was van den lastigen jongen kerel af; van een moederschap dat haar oud maakte, zoo goed als ontslagen, in een tijd dat haar belang vorderde jong te schijnen.„Gij zijt zijn oudste oom,” zei ze op een toon van berusting.En alles was naar beider begrip daarmee gezegd.Het onderzoek naar den dood, dat zelfs een gerechtelijk werd, leidde tot geen uitkomst; ’t waskoerang terang.Toen de tweede maan scheen op het graf van Aboe Bakar, het stille plekje in het binnenland, waar een groepkambodja’sde doordringende geuren harer witte bloemen over de sawahvlakte verspreidden,[447]—toen reed zijn eenige zoon te Batavia langs den Molenvliet als koetsier op een huurdos-à-dos van oom Bram.Oom Bram had veel last met hem; hij durfde ’s avonds niet naar bed gaan vóór zijn neef weer goed en wel thuis was, zoo vreesde hij altijd, dat er ’t een of ander met den bedorven jongen zou gebeuren.Als die eindelijk, laat in den nacht soms, de dos-à-dos het erf opreed, en Bram dan niet half zooveel huur kreeg als hij berekenen kon, dat verdiend was, keek hij door den gouden bril zijns vaders weleens beurtelings naar het onbeschaamde jonge gezicht voor hem en naar het oude vannjai Peraq, die op haarbaleh-balehrustig sliep.En dan vond hij, dat, als iemand weinig uit een schipbreuk was overgebleven, het dan hem, Bram Silver, was.—EINDE.

VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.Besluit.

VIER EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Depenghoeloe, door Minah’s tusschenkomst gewaarschuwd, kwam in den loop van den ochtend met zijn volgelingen; hij was kort en bevelend, alsof hij de baas was in het huis; niemand durfde zich tegen iets verzetten.Dailah, nu half suf van emotie, minder dan iemand anders: allen eigenlijk blij, dat er één was, die desoesahop zich nam.Maar toen de begrafenis plaats had en zij met de bedienden alleen in het huis bleef, liet zij een ouden klerk roepen, die vroeger wel eens daar aan huis was geweest, en die schreef voor haar den brief aan Bram.[442]En toen hij kwam en met haar had gesproken, hij hoogst zenuwachtig, zij erg bedroefd, maar kalm en gelaten,—toen ging hij naar voren, zitten op den stoel waarop Aboe Bakar zoo dikwijls had gezeten; zijn ongeregelde verbeelding en overprikkeld zenuwgestel, deden hem de meest gecompliceerde en gruwelijkste wraakplannen vormen; hij zou, en hij zou; hij kon er niet stil van blijven zitten; hij stond op, liep heen en weer en bewoog handen en armen, alsof hij kneep, worgde, verscheurde. O, die smeerlap, dacht hij, alsdienu eens hier was! Maar depenghoeloe, dien hij bedoelde, kwam niet; liet in ’t geheel niets van zich hooren.Bram schreef hem en verzocht dadelijke afrekening van het geld, dat wijlen zijn broeder Aboe Bakar gestort had in de penghoeloekas; er volgde niet eens antwoord.Ten slotte kwamen al de gewelddadigheden, die Bram zich voorgenomen had te bedrijven tegen de dieven en moordenaars, hierop neer, dat hij eindigde met wat hij had moeten beginnen: hij[443]ging naar het Europeesch bestuur en diende een aanklacht in.Hij was zeer bespraakt; hij kwam niet uit eigenbelang; wijlen desaïdwas zijn bloedeigen broer geweest, verklaarde hij, en het was niet om iets van diens nalatenschap, dat hij zich het schandelijk misdrijf aantrok. Hij wilde het geld, Aboe Bakar’s eigen geld, terug, voor diens zoon, die—dat vergat hij erbij te voegen—tot een nietsdoener en een leeglooper was opgegroeid, met groote kans een vagebond te worden.Voor het familiezwak van den Europeeschen oom voelden de ambtenaren iets, schoon zij zich bij voorkeur niet inlieten met zulke „vuile inlandscheperkara’s.”Zij zouden „een onderzoek instellen.”Terug in ’t huis vond Bram zijn oudste schoonzuster Minah; zij pakte haarbarang; met veel drukte was zij bezig haarsarongsen baadjes, heele stapels, haar menigte doosjes en doekjes in trommels te bergen en inkainste knoopen.[444]„Laat dat nu maar wachten,” zei Bram gebiedend. „Luister naar mij.”Minah stond op het punt een brutaal antwoord te geven; maar zij zag aan Bram, dat hij heel nijdig was; daarom ging zij stil op een bankje zitten, de handen op de knieën.„Waar is het geld van A. gebleven?”Zij haalde de schouders op.„Hoe kan ik het weten; hij zei nooit iets tegen mij.”„Daar stond zijn geldkist, daar in dien hoek, dat wist je toch.”„Ik? Wistikdat? Ik weet niet wat een geldkist anders is dan een gewone kist.…”„Dailah zegt.…”„Wel ja,” viel zij boosaardig uit, „daar heb je ’t al! Vraag het Dailah, die zal het wel weten. Ik niet; ik was maar zoowat de dienstmeid hier, en ik weet van geen kist, ik heb mij niet bemoeid met zijnbarang, waarom zou ik me ermee bemoeid hebben?”[445]„Om uw zoon.”„Om mijn zoon? Wat heeft hij zich ingelaten met zijn kind? Even weinig als met mij. De eenige met wie hij sprak was Dah; voor de rest zat hij ginds in het bidhuisje en in demissigit, altijd maar in het boek te lezen en te bidden.”Dat was Bram bekend, en toen nu Minah, die zich over zichzelve had verteederd, haar geheime angst tot zenuwachtigheid meewerkend, aanving zacht in haarslendangte schreien, kreeg Bramkasian, en daarmee verdween zijn boos vermoeden, dat Minah aan de misdaad medeplichtig was.„Wat ga je doen?” vroeg hij.„Ik weet het niet. Vooreerst ga ik bij een vrouw in de kampong wonen, tot hier den boel geregeld is.”„En dan?”„Ik weet het niet. Misschien zoek ik werk alsbaboebijblandas.”Een oogenblik dacht Bram na. Het ging niet aan, haar terug te zenden naar het land, waar ze[446]vandaan kwam; zelf haar in huis te nemen,—daarvan kon niets komen. Dailah zou weer teruggaan in haars vaders huis.„Goed,” zei hij, „je moet natuurlijk doen, wat je wilt. Ik zal je zoon meenemen. Wat het mijne is, kan ook het zijne wezen.”Voor haar was dat een ware uitkomst; zij was van den lastigen jongen kerel af; van een moederschap dat haar oud maakte, zoo goed als ontslagen, in een tijd dat haar belang vorderde jong te schijnen.„Gij zijt zijn oudste oom,” zei ze op een toon van berusting.En alles was naar beider begrip daarmee gezegd.Het onderzoek naar den dood, dat zelfs een gerechtelijk werd, leidde tot geen uitkomst; ’t waskoerang terang.Toen de tweede maan scheen op het graf van Aboe Bakar, het stille plekje in het binnenland, waar een groepkambodja’sde doordringende geuren harer witte bloemen over de sawahvlakte verspreidden,[447]—toen reed zijn eenige zoon te Batavia langs den Molenvliet als koetsier op een huurdos-à-dos van oom Bram.Oom Bram had veel last met hem; hij durfde ’s avonds niet naar bed gaan vóór zijn neef weer goed en wel thuis was, zoo vreesde hij altijd, dat er ’t een of ander met den bedorven jongen zou gebeuren.Als die eindelijk, laat in den nacht soms, de dos-à-dos het erf opreed, en Bram dan niet half zooveel huur kreeg als hij berekenen kon, dat verdiend was, keek hij door den gouden bril zijns vaders weleens beurtelings naar het onbeschaamde jonge gezicht voor hem en naar het oude vannjai Peraq, die op haarbaleh-balehrustig sliep.En dan vond hij, dat, als iemand weinig uit een schipbreuk was overgebleven, het dan hem, Bram Silver, was.—EINDE.

Depenghoeloe, door Minah’s tusschenkomst gewaarschuwd, kwam in den loop van den ochtend met zijn volgelingen; hij was kort en bevelend, alsof hij de baas was in het huis; niemand durfde zich tegen iets verzetten.

Dailah, nu half suf van emotie, minder dan iemand anders: allen eigenlijk blij, dat er één was, die desoesahop zich nam.

Maar toen de begrafenis plaats had en zij met de bedienden alleen in het huis bleef, liet zij een ouden klerk roepen, die vroeger wel eens daar aan huis was geweest, en die schreef voor haar den brief aan Bram.[442]

En toen hij kwam en met haar had gesproken, hij hoogst zenuwachtig, zij erg bedroefd, maar kalm en gelaten,—toen ging hij naar voren, zitten op den stoel waarop Aboe Bakar zoo dikwijls had gezeten; zijn ongeregelde verbeelding en overprikkeld zenuwgestel, deden hem de meest gecompliceerde en gruwelijkste wraakplannen vormen; hij zou, en hij zou; hij kon er niet stil van blijven zitten; hij stond op, liep heen en weer en bewoog handen en armen, alsof hij kneep, worgde, verscheurde. O, die smeerlap, dacht hij, alsdienu eens hier was! Maar depenghoeloe, dien hij bedoelde, kwam niet; liet in ’t geheel niets van zich hooren.

Bram schreef hem en verzocht dadelijke afrekening van het geld, dat wijlen zijn broeder Aboe Bakar gestort had in de penghoeloekas; er volgde niet eens antwoord.

Ten slotte kwamen al de gewelddadigheden, die Bram zich voorgenomen had te bedrijven tegen de dieven en moordenaars, hierop neer, dat hij eindigde met wat hij had moeten beginnen: hij[443]ging naar het Europeesch bestuur en diende een aanklacht in.

Hij was zeer bespraakt; hij kwam niet uit eigenbelang; wijlen desaïdwas zijn bloedeigen broer geweest, verklaarde hij, en het was niet om iets van diens nalatenschap, dat hij zich het schandelijk misdrijf aantrok. Hij wilde het geld, Aboe Bakar’s eigen geld, terug, voor diens zoon, die—dat vergat hij erbij te voegen—tot een nietsdoener en een leeglooper was opgegroeid, met groote kans een vagebond te worden.

Voor het familiezwak van den Europeeschen oom voelden de ambtenaren iets, schoon zij zich bij voorkeur niet inlieten met zulke „vuile inlandscheperkara’s.”

Zij zouden „een onderzoek instellen.”

Terug in ’t huis vond Bram zijn oudste schoonzuster Minah; zij pakte haarbarang; met veel drukte was zij bezig haarsarongsen baadjes, heele stapels, haar menigte doosjes en doekjes in trommels te bergen en inkainste knoopen.[444]

„Laat dat nu maar wachten,” zei Bram gebiedend. „Luister naar mij.”

Minah stond op het punt een brutaal antwoord te geven; maar zij zag aan Bram, dat hij heel nijdig was; daarom ging zij stil op een bankje zitten, de handen op de knieën.

„Waar is het geld van A. gebleven?”

Zij haalde de schouders op.

„Hoe kan ik het weten; hij zei nooit iets tegen mij.”

„Daar stond zijn geldkist, daar in dien hoek, dat wist je toch.”

„Ik? Wistikdat? Ik weet niet wat een geldkist anders is dan een gewone kist.…”

„Dailah zegt.…”

„Wel ja,” viel zij boosaardig uit, „daar heb je ’t al! Vraag het Dailah, die zal het wel weten. Ik niet; ik was maar zoowat de dienstmeid hier, en ik weet van geen kist, ik heb mij niet bemoeid met zijnbarang, waarom zou ik me ermee bemoeid hebben?”[445]

„Om uw zoon.”

„Om mijn zoon? Wat heeft hij zich ingelaten met zijn kind? Even weinig als met mij. De eenige met wie hij sprak was Dah; voor de rest zat hij ginds in het bidhuisje en in demissigit, altijd maar in het boek te lezen en te bidden.”

Dat was Bram bekend, en toen nu Minah, die zich over zichzelve had verteederd, haar geheime angst tot zenuwachtigheid meewerkend, aanving zacht in haarslendangte schreien, kreeg Bramkasian, en daarmee verdween zijn boos vermoeden, dat Minah aan de misdaad medeplichtig was.

„Wat ga je doen?” vroeg hij.

„Ik weet het niet. Vooreerst ga ik bij een vrouw in de kampong wonen, tot hier den boel geregeld is.”

„En dan?”

„Ik weet het niet. Misschien zoek ik werk alsbaboebijblandas.”

Een oogenblik dacht Bram na. Het ging niet aan, haar terug te zenden naar het land, waar ze[446]vandaan kwam; zelf haar in huis te nemen,—daarvan kon niets komen. Dailah zou weer teruggaan in haars vaders huis.

„Goed,” zei hij, „je moet natuurlijk doen, wat je wilt. Ik zal je zoon meenemen. Wat het mijne is, kan ook het zijne wezen.”

Voor haar was dat een ware uitkomst; zij was van den lastigen jongen kerel af; van een moederschap dat haar oud maakte, zoo goed als ontslagen, in een tijd dat haar belang vorderde jong te schijnen.

„Gij zijt zijn oudste oom,” zei ze op een toon van berusting.

En alles was naar beider begrip daarmee gezegd.

Het onderzoek naar den dood, dat zelfs een gerechtelijk werd, leidde tot geen uitkomst; ’t waskoerang terang.

Toen de tweede maan scheen op het graf van Aboe Bakar, het stille plekje in het binnenland, waar een groepkambodja’sde doordringende geuren harer witte bloemen over de sawahvlakte verspreidden,[447]—toen reed zijn eenige zoon te Batavia langs den Molenvliet als koetsier op een huurdos-à-dos van oom Bram.

Oom Bram had veel last met hem; hij durfde ’s avonds niet naar bed gaan vóór zijn neef weer goed en wel thuis was, zoo vreesde hij altijd, dat er ’t een of ander met den bedorven jongen zou gebeuren.

Als die eindelijk, laat in den nacht soms, de dos-à-dos het erf opreed, en Bram dan niet half zooveel huur kreeg als hij berekenen kon, dat verdiend was, keek hij door den gouden bril zijns vaders weleens beurtelings naar het onbeschaamde jonge gezicht voor hem en naar het oude vannjai Peraq, die op haarbaleh-balehrustig sliep.

En dan vond hij, dat, als iemand weinig uit een schipbreuk was overgebleven, het dan hem, Bram Silver, was.—

EINDE.


Back to IndexNext