[Inhoud]ZESDE HOOFDSTUK.ZESDE HOOFDSTUK.Het vierde kind.De geboorte van dat vierde kind was een zware slag voor hem. Niet om het feit zelf, maar door het resultaat. Eerst had hij in ’t half duister, waar hij, zelfs met zijn bril op, maar slecht zag, even gekeken zonder belangstelling; hij had ook nu gehoord, als meermalen vroeger, dat het een kloek kind was, een jongen. Dàt vond hij voorloopig welletjes.Nu debaboehem in het vensterlicht het kind liet zien, slapend op een kussentje, dat ze droeg op haar armen, stond hij verstomd te kijken, zijn hoofd over den schouder van de meid, als verdiept[52]in een stille studie. Met een zwaren zucht richtte hij zich op. Hoe was het in godsnaam mogelijk? ’t Leek wel een kind van drie maanden, zoo groot en dik! En dan die schrikkelijke haargroei op het hoofd vol pikzwart wollig dons, doorgroeiend langs de oortjes tot op de blanke wangen! Zijn hand gleed over z’n eigen bruin gezicht zonder knevel of baard, en als vragend keek hij debaboeaan, die met een klein glimlachje de oogen neersloeg, denkend haar eigen gedachten.„Seperti monjet,” zei hij eindelijk zacht.De meid was er verontwaardigd over; zij vond het een mooi kind; vrij wat flinker, dan de andere vier scharminkels, die op hem leeken; met een boozen blik keerde zij zich om en lei het kind in ’t bed, terwijl Silver de deur uitging, verbluft door wat hij gezien had.Want met al zijn vroegere jaloerschheid had hij het nooit recht goed geloofd; nu was het voor hem een uitgemaakte zaak: van dat harige apenkind met breeden kop en grof beendergestel kon[53]hij toch onmogelijk de vader zijn. Hij trachtte niettemin zich de mogelijkheid op te dringen; hij diepte uit zijn herinnering allerlei dingen op, die hij vroeger wel eens in kranten of tijdschriften had gelezen over „spelingen der natuur;” het kon ook zijn, dat zijnnjaizich had „verkeken,” en toen hij wel een uur tusschen twee prachtig bloeiende rozenstruiken op een bankje in den tuin had zittenpikiren, gelijk aan een waardelooze prent in ’n mooie lijst, keerde hij terug naar de kamer en ging kijken bij het ledikant, aandachtig turend, het hoofd schuddend nu en dan. Opeens trok het kind ’n leelijk gezicht, bewoog heftig armen en beenen en begon te schreeuwen, hard, zwaar en dringend; de meid schoot toe; John Silver stond op en ging heen.Neen, dat kon niet zijn! Hij had z’n best gedaan om zichzelf de mogelijkheid aan te denken, en meende daartoe ’n beetje op weg te zijn gekomen: maar de manier, waarop dat „jong” een keel opzette, had al z’n pogingen tot zelfovertuiging[54]ineens doen mislukken. Hij beproefde het niet meer met redeneering; het was thans voor hem een uitgemaakte zaak.De pijnlijke zekerheid vervolgde hem den heelen dag; hij verzorgde zijn bloemen uit gewoonte, maar gaf er haast geen acht op, telkens stilstaand of ergens gaande zitten, om na te denken over wat hem te doen stond. De vrouw interesseerde hem niet meer, en zou dat waarschijnlijk toch nooit meer gedaan hebben, nu de andere in huis was; dàt was het niet; haar wegjagen ging niet, tenzij hij de kinderen naar Holland zond, wat hem veel te duur was; en dan het huishouden! Maar hij wilde ook geen schandaal; hij vreesde voor praatjes en opspraak, die hem nu nog maar belachelijk zouden maken, zooals ze hem reeds vernederd hadden. Van dat alles niets dus; maar wrekenmoesthij zich op de een of andere manier; deugdelijk, blijvend en afdoende.Schuin gleed het roodvergulde licht der in zee gaande zon onder den rand van zijn stroohoed in[55]zijn gezicht; het sloeg bij dofglinsterende stukken en strepen in het woelige water der wijde, bewegende vlakte; achter, ver boven de weiden, donkerde de avond aan, en staken de palmboomen ruischend op in een al somberder wordend halflicht; John Silver zag het niet; hij zag niets, geheel bezig met zijn gedachten op het ééne punt: hoe moest hij handelen, nu hij zoo bedrogen was?Ineens wist hij het. Het was zóó eenvoudig,teeenvoudig naar zijn zin; hij had gewenscht, dat het moeielijker ware geweest en meer gecompliceerd; hij begreep niet hoe hij nog zoolang erover had moetenpikiren; maar gevonden was het, en zoo het nog niet ingewikkeld was, hij zou het dat wel maken. Door zijntrouvaillekwam hij weer eenigszins tot zichzelven; hij lachte erom; het lachte hem toe; zoo het niet spoedig zou werken, zeker was het, en dat moest hem voldoende zijn. En als goedkeurend knikkend tegen z’n eigen idée, nam hij uit zijn soepelen rieten sigarenkoker een strootje; en de lucifer hoog opvlammend bij de paar trekken,[56]weerkaatste hel in zijn glinsterende oogen.Dat Silver een kind meer had gekregen, was op het plaatsje geen onderwerp van discours. Ja, als hij wettig gehuwd was geweest, met een ook maar eenigszins presentable vrouw.… Nu niet.Slechts door één werd hem over dat kind gesproken; ’t was door den dominé, die op een rondreis hem bezocht en het wilde doopen, zooals hij de andere kinderen vroeger had gedaan; nu ging hij heel boos weg omdat Silver beslist weigerde.Met moeite had hij een naam voor ’t kind gevonden; het mocht er geen zijn uit de familie; dàt nooit; eerst dacht hij aan eenigszins dwaze en bespottelijke namen, maar dat verwierp hij toch ook; toen, beginnend bij het begin, was hij dadelijk klaar: Adam.En zóó bleef het.Hij maakte anders weinig verschil; sprak en deed tegen den kleinen Adam als tegen de andere kinderen; het eenige was, dat hij hem nooit aanraakte,[57]als hij het kon vermijden; maar daarentegen kon hij met de grootste attentie naar ’t kind zitten kijken vele minuten achtereen; hij zag het opgroeien onder zijn oogen, hij zag het een levenskracht ontwikkelen zóó sterk, als geen der andere ooit had bezeten.Over zijn eigen hoofd gingen de jaren zonder spoor achter te laten; hij verouderde niet in zijn uiterlijk; zooals hij eruit zag, had men hem twintig jaren vroeger reeds gekend; en in zijn onveranderlijke magerheid was hij een tegenstelling met het forsche kind, dat met den dag anders, grooter en kloeker werd.[58]
[Inhoud]ZESDE HOOFDSTUK.ZESDE HOOFDSTUK.Het vierde kind.De geboorte van dat vierde kind was een zware slag voor hem. Niet om het feit zelf, maar door het resultaat. Eerst had hij in ’t half duister, waar hij, zelfs met zijn bril op, maar slecht zag, even gekeken zonder belangstelling; hij had ook nu gehoord, als meermalen vroeger, dat het een kloek kind was, een jongen. Dàt vond hij voorloopig welletjes.Nu debaboehem in het vensterlicht het kind liet zien, slapend op een kussentje, dat ze droeg op haar armen, stond hij verstomd te kijken, zijn hoofd over den schouder van de meid, als verdiept[52]in een stille studie. Met een zwaren zucht richtte hij zich op. Hoe was het in godsnaam mogelijk? ’t Leek wel een kind van drie maanden, zoo groot en dik! En dan die schrikkelijke haargroei op het hoofd vol pikzwart wollig dons, doorgroeiend langs de oortjes tot op de blanke wangen! Zijn hand gleed over z’n eigen bruin gezicht zonder knevel of baard, en als vragend keek hij debaboeaan, die met een klein glimlachje de oogen neersloeg, denkend haar eigen gedachten.„Seperti monjet,” zei hij eindelijk zacht.De meid was er verontwaardigd over; zij vond het een mooi kind; vrij wat flinker, dan de andere vier scharminkels, die op hem leeken; met een boozen blik keerde zij zich om en lei het kind in ’t bed, terwijl Silver de deur uitging, verbluft door wat hij gezien had.Want met al zijn vroegere jaloerschheid had hij het nooit recht goed geloofd; nu was het voor hem een uitgemaakte zaak: van dat harige apenkind met breeden kop en grof beendergestel kon[53]hij toch onmogelijk de vader zijn. Hij trachtte niettemin zich de mogelijkheid op te dringen; hij diepte uit zijn herinnering allerlei dingen op, die hij vroeger wel eens in kranten of tijdschriften had gelezen over „spelingen der natuur;” het kon ook zijn, dat zijnnjaizich had „verkeken,” en toen hij wel een uur tusschen twee prachtig bloeiende rozenstruiken op een bankje in den tuin had zittenpikiren, gelijk aan een waardelooze prent in ’n mooie lijst, keerde hij terug naar de kamer en ging kijken bij het ledikant, aandachtig turend, het hoofd schuddend nu en dan. Opeens trok het kind ’n leelijk gezicht, bewoog heftig armen en beenen en begon te schreeuwen, hard, zwaar en dringend; de meid schoot toe; John Silver stond op en ging heen.Neen, dat kon niet zijn! Hij had z’n best gedaan om zichzelf de mogelijkheid aan te denken, en meende daartoe ’n beetje op weg te zijn gekomen: maar de manier, waarop dat „jong” een keel opzette, had al z’n pogingen tot zelfovertuiging[54]ineens doen mislukken. Hij beproefde het niet meer met redeneering; het was thans voor hem een uitgemaakte zaak.De pijnlijke zekerheid vervolgde hem den heelen dag; hij verzorgde zijn bloemen uit gewoonte, maar gaf er haast geen acht op, telkens stilstaand of ergens gaande zitten, om na te denken over wat hem te doen stond. De vrouw interesseerde hem niet meer, en zou dat waarschijnlijk toch nooit meer gedaan hebben, nu de andere in huis was; dàt was het niet; haar wegjagen ging niet, tenzij hij de kinderen naar Holland zond, wat hem veel te duur was; en dan het huishouden! Maar hij wilde ook geen schandaal; hij vreesde voor praatjes en opspraak, die hem nu nog maar belachelijk zouden maken, zooals ze hem reeds vernederd hadden. Van dat alles niets dus; maar wrekenmoesthij zich op de een of andere manier; deugdelijk, blijvend en afdoende.Schuin gleed het roodvergulde licht der in zee gaande zon onder den rand van zijn stroohoed in[55]zijn gezicht; het sloeg bij dofglinsterende stukken en strepen in het woelige water der wijde, bewegende vlakte; achter, ver boven de weiden, donkerde de avond aan, en staken de palmboomen ruischend op in een al somberder wordend halflicht; John Silver zag het niet; hij zag niets, geheel bezig met zijn gedachten op het ééne punt: hoe moest hij handelen, nu hij zoo bedrogen was?Ineens wist hij het. Het was zóó eenvoudig,teeenvoudig naar zijn zin; hij had gewenscht, dat het moeielijker ware geweest en meer gecompliceerd; hij begreep niet hoe hij nog zoolang erover had moetenpikiren; maar gevonden was het, en zoo het nog niet ingewikkeld was, hij zou het dat wel maken. Door zijntrouvaillekwam hij weer eenigszins tot zichzelven; hij lachte erom; het lachte hem toe; zoo het niet spoedig zou werken, zeker was het, en dat moest hem voldoende zijn. En als goedkeurend knikkend tegen z’n eigen idée, nam hij uit zijn soepelen rieten sigarenkoker een strootje; en de lucifer hoog opvlammend bij de paar trekken,[56]weerkaatste hel in zijn glinsterende oogen.Dat Silver een kind meer had gekregen, was op het plaatsje geen onderwerp van discours. Ja, als hij wettig gehuwd was geweest, met een ook maar eenigszins presentable vrouw.… Nu niet.Slechts door één werd hem over dat kind gesproken; ’t was door den dominé, die op een rondreis hem bezocht en het wilde doopen, zooals hij de andere kinderen vroeger had gedaan; nu ging hij heel boos weg omdat Silver beslist weigerde.Met moeite had hij een naam voor ’t kind gevonden; het mocht er geen zijn uit de familie; dàt nooit; eerst dacht hij aan eenigszins dwaze en bespottelijke namen, maar dat verwierp hij toch ook; toen, beginnend bij het begin, was hij dadelijk klaar: Adam.En zóó bleef het.Hij maakte anders weinig verschil; sprak en deed tegen den kleinen Adam als tegen de andere kinderen; het eenige was, dat hij hem nooit aanraakte,[57]als hij het kon vermijden; maar daarentegen kon hij met de grootste attentie naar ’t kind zitten kijken vele minuten achtereen; hij zag het opgroeien onder zijn oogen, hij zag het een levenskracht ontwikkelen zóó sterk, als geen der andere ooit had bezeten.Over zijn eigen hoofd gingen de jaren zonder spoor achter te laten; hij verouderde niet in zijn uiterlijk; zooals hij eruit zag, had men hem twintig jaren vroeger reeds gekend; en in zijn onveranderlijke magerheid was hij een tegenstelling met het forsche kind, dat met den dag anders, grooter en kloeker werd.[58]
[Inhoud]ZESDE HOOFDSTUK.ZESDE HOOFDSTUK.Het vierde kind.De geboorte van dat vierde kind was een zware slag voor hem. Niet om het feit zelf, maar door het resultaat. Eerst had hij in ’t half duister, waar hij, zelfs met zijn bril op, maar slecht zag, even gekeken zonder belangstelling; hij had ook nu gehoord, als meermalen vroeger, dat het een kloek kind was, een jongen. Dàt vond hij voorloopig welletjes.Nu debaboehem in het vensterlicht het kind liet zien, slapend op een kussentje, dat ze droeg op haar armen, stond hij verstomd te kijken, zijn hoofd over den schouder van de meid, als verdiept[52]in een stille studie. Met een zwaren zucht richtte hij zich op. Hoe was het in godsnaam mogelijk? ’t Leek wel een kind van drie maanden, zoo groot en dik! En dan die schrikkelijke haargroei op het hoofd vol pikzwart wollig dons, doorgroeiend langs de oortjes tot op de blanke wangen! Zijn hand gleed over z’n eigen bruin gezicht zonder knevel of baard, en als vragend keek hij debaboeaan, die met een klein glimlachje de oogen neersloeg, denkend haar eigen gedachten.„Seperti monjet,” zei hij eindelijk zacht.De meid was er verontwaardigd over; zij vond het een mooi kind; vrij wat flinker, dan de andere vier scharminkels, die op hem leeken; met een boozen blik keerde zij zich om en lei het kind in ’t bed, terwijl Silver de deur uitging, verbluft door wat hij gezien had.Want met al zijn vroegere jaloerschheid had hij het nooit recht goed geloofd; nu was het voor hem een uitgemaakte zaak: van dat harige apenkind met breeden kop en grof beendergestel kon[53]hij toch onmogelijk de vader zijn. Hij trachtte niettemin zich de mogelijkheid op te dringen; hij diepte uit zijn herinnering allerlei dingen op, die hij vroeger wel eens in kranten of tijdschriften had gelezen over „spelingen der natuur;” het kon ook zijn, dat zijnnjaizich had „verkeken,” en toen hij wel een uur tusschen twee prachtig bloeiende rozenstruiken op een bankje in den tuin had zittenpikiren, gelijk aan een waardelooze prent in ’n mooie lijst, keerde hij terug naar de kamer en ging kijken bij het ledikant, aandachtig turend, het hoofd schuddend nu en dan. Opeens trok het kind ’n leelijk gezicht, bewoog heftig armen en beenen en begon te schreeuwen, hard, zwaar en dringend; de meid schoot toe; John Silver stond op en ging heen.Neen, dat kon niet zijn! Hij had z’n best gedaan om zichzelf de mogelijkheid aan te denken, en meende daartoe ’n beetje op weg te zijn gekomen: maar de manier, waarop dat „jong” een keel opzette, had al z’n pogingen tot zelfovertuiging[54]ineens doen mislukken. Hij beproefde het niet meer met redeneering; het was thans voor hem een uitgemaakte zaak.De pijnlijke zekerheid vervolgde hem den heelen dag; hij verzorgde zijn bloemen uit gewoonte, maar gaf er haast geen acht op, telkens stilstaand of ergens gaande zitten, om na te denken over wat hem te doen stond. De vrouw interesseerde hem niet meer, en zou dat waarschijnlijk toch nooit meer gedaan hebben, nu de andere in huis was; dàt was het niet; haar wegjagen ging niet, tenzij hij de kinderen naar Holland zond, wat hem veel te duur was; en dan het huishouden! Maar hij wilde ook geen schandaal; hij vreesde voor praatjes en opspraak, die hem nu nog maar belachelijk zouden maken, zooals ze hem reeds vernederd hadden. Van dat alles niets dus; maar wrekenmoesthij zich op de een of andere manier; deugdelijk, blijvend en afdoende.Schuin gleed het roodvergulde licht der in zee gaande zon onder den rand van zijn stroohoed in[55]zijn gezicht; het sloeg bij dofglinsterende stukken en strepen in het woelige water der wijde, bewegende vlakte; achter, ver boven de weiden, donkerde de avond aan, en staken de palmboomen ruischend op in een al somberder wordend halflicht; John Silver zag het niet; hij zag niets, geheel bezig met zijn gedachten op het ééne punt: hoe moest hij handelen, nu hij zoo bedrogen was?Ineens wist hij het. Het was zóó eenvoudig,teeenvoudig naar zijn zin; hij had gewenscht, dat het moeielijker ware geweest en meer gecompliceerd; hij begreep niet hoe hij nog zoolang erover had moetenpikiren; maar gevonden was het, en zoo het nog niet ingewikkeld was, hij zou het dat wel maken. Door zijntrouvaillekwam hij weer eenigszins tot zichzelven; hij lachte erom; het lachte hem toe; zoo het niet spoedig zou werken, zeker was het, en dat moest hem voldoende zijn. En als goedkeurend knikkend tegen z’n eigen idée, nam hij uit zijn soepelen rieten sigarenkoker een strootje; en de lucifer hoog opvlammend bij de paar trekken,[56]weerkaatste hel in zijn glinsterende oogen.Dat Silver een kind meer had gekregen, was op het plaatsje geen onderwerp van discours. Ja, als hij wettig gehuwd was geweest, met een ook maar eenigszins presentable vrouw.… Nu niet.Slechts door één werd hem over dat kind gesproken; ’t was door den dominé, die op een rondreis hem bezocht en het wilde doopen, zooals hij de andere kinderen vroeger had gedaan; nu ging hij heel boos weg omdat Silver beslist weigerde.Met moeite had hij een naam voor ’t kind gevonden; het mocht er geen zijn uit de familie; dàt nooit; eerst dacht hij aan eenigszins dwaze en bespottelijke namen, maar dat verwierp hij toch ook; toen, beginnend bij het begin, was hij dadelijk klaar: Adam.En zóó bleef het.Hij maakte anders weinig verschil; sprak en deed tegen den kleinen Adam als tegen de andere kinderen; het eenige was, dat hij hem nooit aanraakte,[57]als hij het kon vermijden; maar daarentegen kon hij met de grootste attentie naar ’t kind zitten kijken vele minuten achtereen; hij zag het opgroeien onder zijn oogen, hij zag het een levenskracht ontwikkelen zóó sterk, als geen der andere ooit had bezeten.Over zijn eigen hoofd gingen de jaren zonder spoor achter te laten; hij verouderde niet in zijn uiterlijk; zooals hij eruit zag, had men hem twintig jaren vroeger reeds gekend; en in zijn onveranderlijke magerheid was hij een tegenstelling met het forsche kind, dat met den dag anders, grooter en kloeker werd.[58]
ZESDE HOOFDSTUK.ZESDE HOOFDSTUK.Het vierde kind.
ZESDE HOOFDSTUK.
De geboorte van dat vierde kind was een zware slag voor hem. Niet om het feit zelf, maar door het resultaat. Eerst had hij in ’t half duister, waar hij, zelfs met zijn bril op, maar slecht zag, even gekeken zonder belangstelling; hij had ook nu gehoord, als meermalen vroeger, dat het een kloek kind was, een jongen. Dàt vond hij voorloopig welletjes.Nu debaboehem in het vensterlicht het kind liet zien, slapend op een kussentje, dat ze droeg op haar armen, stond hij verstomd te kijken, zijn hoofd over den schouder van de meid, als verdiept[52]in een stille studie. Met een zwaren zucht richtte hij zich op. Hoe was het in godsnaam mogelijk? ’t Leek wel een kind van drie maanden, zoo groot en dik! En dan die schrikkelijke haargroei op het hoofd vol pikzwart wollig dons, doorgroeiend langs de oortjes tot op de blanke wangen! Zijn hand gleed over z’n eigen bruin gezicht zonder knevel of baard, en als vragend keek hij debaboeaan, die met een klein glimlachje de oogen neersloeg, denkend haar eigen gedachten.„Seperti monjet,” zei hij eindelijk zacht.De meid was er verontwaardigd over; zij vond het een mooi kind; vrij wat flinker, dan de andere vier scharminkels, die op hem leeken; met een boozen blik keerde zij zich om en lei het kind in ’t bed, terwijl Silver de deur uitging, verbluft door wat hij gezien had.Want met al zijn vroegere jaloerschheid had hij het nooit recht goed geloofd; nu was het voor hem een uitgemaakte zaak: van dat harige apenkind met breeden kop en grof beendergestel kon[53]hij toch onmogelijk de vader zijn. Hij trachtte niettemin zich de mogelijkheid op te dringen; hij diepte uit zijn herinnering allerlei dingen op, die hij vroeger wel eens in kranten of tijdschriften had gelezen over „spelingen der natuur;” het kon ook zijn, dat zijnnjaizich had „verkeken,” en toen hij wel een uur tusschen twee prachtig bloeiende rozenstruiken op een bankje in den tuin had zittenpikiren, gelijk aan een waardelooze prent in ’n mooie lijst, keerde hij terug naar de kamer en ging kijken bij het ledikant, aandachtig turend, het hoofd schuddend nu en dan. Opeens trok het kind ’n leelijk gezicht, bewoog heftig armen en beenen en begon te schreeuwen, hard, zwaar en dringend; de meid schoot toe; John Silver stond op en ging heen.Neen, dat kon niet zijn! Hij had z’n best gedaan om zichzelf de mogelijkheid aan te denken, en meende daartoe ’n beetje op weg te zijn gekomen: maar de manier, waarop dat „jong” een keel opzette, had al z’n pogingen tot zelfovertuiging[54]ineens doen mislukken. Hij beproefde het niet meer met redeneering; het was thans voor hem een uitgemaakte zaak.De pijnlijke zekerheid vervolgde hem den heelen dag; hij verzorgde zijn bloemen uit gewoonte, maar gaf er haast geen acht op, telkens stilstaand of ergens gaande zitten, om na te denken over wat hem te doen stond. De vrouw interesseerde hem niet meer, en zou dat waarschijnlijk toch nooit meer gedaan hebben, nu de andere in huis was; dàt was het niet; haar wegjagen ging niet, tenzij hij de kinderen naar Holland zond, wat hem veel te duur was; en dan het huishouden! Maar hij wilde ook geen schandaal; hij vreesde voor praatjes en opspraak, die hem nu nog maar belachelijk zouden maken, zooals ze hem reeds vernederd hadden. Van dat alles niets dus; maar wrekenmoesthij zich op de een of andere manier; deugdelijk, blijvend en afdoende.Schuin gleed het roodvergulde licht der in zee gaande zon onder den rand van zijn stroohoed in[55]zijn gezicht; het sloeg bij dofglinsterende stukken en strepen in het woelige water der wijde, bewegende vlakte; achter, ver boven de weiden, donkerde de avond aan, en staken de palmboomen ruischend op in een al somberder wordend halflicht; John Silver zag het niet; hij zag niets, geheel bezig met zijn gedachten op het ééne punt: hoe moest hij handelen, nu hij zoo bedrogen was?Ineens wist hij het. Het was zóó eenvoudig,teeenvoudig naar zijn zin; hij had gewenscht, dat het moeielijker ware geweest en meer gecompliceerd; hij begreep niet hoe hij nog zoolang erover had moetenpikiren; maar gevonden was het, en zoo het nog niet ingewikkeld was, hij zou het dat wel maken. Door zijntrouvaillekwam hij weer eenigszins tot zichzelven; hij lachte erom; het lachte hem toe; zoo het niet spoedig zou werken, zeker was het, en dat moest hem voldoende zijn. En als goedkeurend knikkend tegen z’n eigen idée, nam hij uit zijn soepelen rieten sigarenkoker een strootje; en de lucifer hoog opvlammend bij de paar trekken,[56]weerkaatste hel in zijn glinsterende oogen.Dat Silver een kind meer had gekregen, was op het plaatsje geen onderwerp van discours. Ja, als hij wettig gehuwd was geweest, met een ook maar eenigszins presentable vrouw.… Nu niet.Slechts door één werd hem over dat kind gesproken; ’t was door den dominé, die op een rondreis hem bezocht en het wilde doopen, zooals hij de andere kinderen vroeger had gedaan; nu ging hij heel boos weg omdat Silver beslist weigerde.Met moeite had hij een naam voor ’t kind gevonden; het mocht er geen zijn uit de familie; dàt nooit; eerst dacht hij aan eenigszins dwaze en bespottelijke namen, maar dat verwierp hij toch ook; toen, beginnend bij het begin, was hij dadelijk klaar: Adam.En zóó bleef het.Hij maakte anders weinig verschil; sprak en deed tegen den kleinen Adam als tegen de andere kinderen; het eenige was, dat hij hem nooit aanraakte,[57]als hij het kon vermijden; maar daarentegen kon hij met de grootste attentie naar ’t kind zitten kijken vele minuten achtereen; hij zag het opgroeien onder zijn oogen, hij zag het een levenskracht ontwikkelen zóó sterk, als geen der andere ooit had bezeten.Over zijn eigen hoofd gingen de jaren zonder spoor achter te laten; hij verouderde niet in zijn uiterlijk; zooals hij eruit zag, had men hem twintig jaren vroeger reeds gekend; en in zijn onveranderlijke magerheid was hij een tegenstelling met het forsche kind, dat met den dag anders, grooter en kloeker werd.[58]
De geboorte van dat vierde kind was een zware slag voor hem. Niet om het feit zelf, maar door het resultaat. Eerst had hij in ’t half duister, waar hij, zelfs met zijn bril op, maar slecht zag, even gekeken zonder belangstelling; hij had ook nu gehoord, als meermalen vroeger, dat het een kloek kind was, een jongen. Dàt vond hij voorloopig welletjes.
Nu debaboehem in het vensterlicht het kind liet zien, slapend op een kussentje, dat ze droeg op haar armen, stond hij verstomd te kijken, zijn hoofd over den schouder van de meid, als verdiept[52]in een stille studie. Met een zwaren zucht richtte hij zich op. Hoe was het in godsnaam mogelijk? ’t Leek wel een kind van drie maanden, zoo groot en dik! En dan die schrikkelijke haargroei op het hoofd vol pikzwart wollig dons, doorgroeiend langs de oortjes tot op de blanke wangen! Zijn hand gleed over z’n eigen bruin gezicht zonder knevel of baard, en als vragend keek hij debaboeaan, die met een klein glimlachje de oogen neersloeg, denkend haar eigen gedachten.
„Seperti monjet,” zei hij eindelijk zacht.
De meid was er verontwaardigd over; zij vond het een mooi kind; vrij wat flinker, dan de andere vier scharminkels, die op hem leeken; met een boozen blik keerde zij zich om en lei het kind in ’t bed, terwijl Silver de deur uitging, verbluft door wat hij gezien had.
Want met al zijn vroegere jaloerschheid had hij het nooit recht goed geloofd; nu was het voor hem een uitgemaakte zaak: van dat harige apenkind met breeden kop en grof beendergestel kon[53]hij toch onmogelijk de vader zijn. Hij trachtte niettemin zich de mogelijkheid op te dringen; hij diepte uit zijn herinnering allerlei dingen op, die hij vroeger wel eens in kranten of tijdschriften had gelezen over „spelingen der natuur;” het kon ook zijn, dat zijnnjaizich had „verkeken,” en toen hij wel een uur tusschen twee prachtig bloeiende rozenstruiken op een bankje in den tuin had zittenpikiren, gelijk aan een waardelooze prent in ’n mooie lijst, keerde hij terug naar de kamer en ging kijken bij het ledikant, aandachtig turend, het hoofd schuddend nu en dan. Opeens trok het kind ’n leelijk gezicht, bewoog heftig armen en beenen en begon te schreeuwen, hard, zwaar en dringend; de meid schoot toe; John Silver stond op en ging heen.
Neen, dat kon niet zijn! Hij had z’n best gedaan om zichzelf de mogelijkheid aan te denken, en meende daartoe ’n beetje op weg te zijn gekomen: maar de manier, waarop dat „jong” een keel opzette, had al z’n pogingen tot zelfovertuiging[54]ineens doen mislukken. Hij beproefde het niet meer met redeneering; het was thans voor hem een uitgemaakte zaak.
De pijnlijke zekerheid vervolgde hem den heelen dag; hij verzorgde zijn bloemen uit gewoonte, maar gaf er haast geen acht op, telkens stilstaand of ergens gaande zitten, om na te denken over wat hem te doen stond. De vrouw interesseerde hem niet meer, en zou dat waarschijnlijk toch nooit meer gedaan hebben, nu de andere in huis was; dàt was het niet; haar wegjagen ging niet, tenzij hij de kinderen naar Holland zond, wat hem veel te duur was; en dan het huishouden! Maar hij wilde ook geen schandaal; hij vreesde voor praatjes en opspraak, die hem nu nog maar belachelijk zouden maken, zooals ze hem reeds vernederd hadden. Van dat alles niets dus; maar wrekenmoesthij zich op de een of andere manier; deugdelijk, blijvend en afdoende.
Schuin gleed het roodvergulde licht der in zee gaande zon onder den rand van zijn stroohoed in[55]zijn gezicht; het sloeg bij dofglinsterende stukken en strepen in het woelige water der wijde, bewegende vlakte; achter, ver boven de weiden, donkerde de avond aan, en staken de palmboomen ruischend op in een al somberder wordend halflicht; John Silver zag het niet; hij zag niets, geheel bezig met zijn gedachten op het ééne punt: hoe moest hij handelen, nu hij zoo bedrogen was?
Ineens wist hij het. Het was zóó eenvoudig,teeenvoudig naar zijn zin; hij had gewenscht, dat het moeielijker ware geweest en meer gecompliceerd; hij begreep niet hoe hij nog zoolang erover had moetenpikiren; maar gevonden was het, en zoo het nog niet ingewikkeld was, hij zou het dat wel maken. Door zijntrouvaillekwam hij weer eenigszins tot zichzelven; hij lachte erom; het lachte hem toe; zoo het niet spoedig zou werken, zeker was het, en dat moest hem voldoende zijn. En als goedkeurend knikkend tegen z’n eigen idée, nam hij uit zijn soepelen rieten sigarenkoker een strootje; en de lucifer hoog opvlammend bij de paar trekken,[56]weerkaatste hel in zijn glinsterende oogen.
Dat Silver een kind meer had gekregen, was op het plaatsje geen onderwerp van discours. Ja, als hij wettig gehuwd was geweest, met een ook maar eenigszins presentable vrouw.… Nu niet.
Slechts door één werd hem over dat kind gesproken; ’t was door den dominé, die op een rondreis hem bezocht en het wilde doopen, zooals hij de andere kinderen vroeger had gedaan; nu ging hij heel boos weg omdat Silver beslist weigerde.
Met moeite had hij een naam voor ’t kind gevonden; het mocht er geen zijn uit de familie; dàt nooit; eerst dacht hij aan eenigszins dwaze en bespottelijke namen, maar dat verwierp hij toch ook; toen, beginnend bij het begin, was hij dadelijk klaar: Adam.
En zóó bleef het.
Hij maakte anders weinig verschil; sprak en deed tegen den kleinen Adam als tegen de andere kinderen; het eenige was, dat hij hem nooit aanraakte,[57]als hij het kon vermijden; maar daarentegen kon hij met de grootste attentie naar ’t kind zitten kijken vele minuten achtereen; hij zag het opgroeien onder zijn oogen, hij zag het een levenskracht ontwikkelen zóó sterk, als geen der andere ooit had bezeten.
Over zijn eigen hoofd gingen de jaren zonder spoor achter te laten; hij verouderde niet in zijn uiterlijk; zooals hij eruit zag, had men hem twintig jaren vroeger reeds gekend; en in zijn onveranderlijke magerheid was hij een tegenstelling met het forsche kind, dat met den dag anders, grooter en kloeker werd.
[58]