ZESTIENDE HOOFDSTUK.

[Inhoud]ZESTIENDE HOOFDSTUK.ZESTIENDE HOOFDSTUK.Een listig mensch.In de oogen van denpenghoeloelichtte het kwaadaardig op, toen Aboe Bakar hem vertelde, hoe het verloopen was bij Djalil. Hij kende dat volkje! Met een eerlijk maar dom individu, dat wat overhelde naar den fanatieken kant, kon men doen wat men wilde; dat was een werktuig in de hand van een man als hij. Maar zoo’n oude geslepen patser, als die Djalil, liep er niet gemakkelijk in; met zóó een moet men voorzichtig zijn.En òf hij reden had tot voorzichtigheid! Hij stond aan het hoofd van een uitgebreid geheim genootschap; zij hielden vergaderingen inmissigits, zelfs[363]in de bosschen ’s nachts; zij hadden bergplaatsen van wapenen en oorlogsgewaden; zij hadden al lang den „heiligen oorlog” gezworen tegen dekafirs; maar het was alles nog onrijp, hoofdzakelijk wijl ze geen geld hadden. Een enkele onvoorzichtigheid en alles zou hier verloren gaan.„Indien het Gods wil is,” fluisterde de priester op zachten onderworpen toon, „zal het Pa Djalil wèl gaan.”„Ik hoop het,” zei Aboe Bakar, „hij is altijd eerlijk en trouw geweest in onze zaken.”„Dan zal zijn belooning ook niet verloren raken. Ik vertrek met den eersten trein morgenochtend. Zal ik ginder een woning voor u zoeken?”„Heel graag. Ik reken dezer dagen met Djalil af; dan heb ik nog enkel mijn huizen.”„Verkoop ze; trek u terug uit al die nietige dingen. Wat baten zij u? God zal hem beloonen, die het land verlaat omzijnzaak te omhelzen.”Aboe Bakar mocht denpenghoeloenaar het station brengen. Tusschen de bedrijvigheid der beambten,[364]zaten de inlanders, die op reis moesten, op hunbarangof stonden ernaast op den gelen cementvloer van het perron; droomerig in den nog vroegen morgen, keken zij voor zich uit met onverschillige gezichten, naar het rangeeren van den trein; het haastig heen en weer gevlieg van de daarbij dienstdoende machine, wier drukte en snelle geluiden zoo afstaken bij de algemeene kalmte der oostersche omgeving.Depenghoeloeen Aboe Bakar verschenen in hun Arabische kleeding, en al de aandacht van het inlandsch publiek was voor die statige mannen, zoo mooi gekleed en die in hun langzaam en deftig opwandelen, veel hoogere wezens schenen, dan de weinige Europeanen in hun witte jasjes hier en daar met elkaar pratend in nonchalante houding.Niemand had daar zoo’n sentiment voor, als Aboe Bakar; dàt deed hem zoo’n genoegen,diesoort van grootheid; dáár behoefde ’n mensch geen vreemde talen en geen wis- of andere kunde’s voor te leeren op de schoolbanken; dáár had je[365]maar voor naar Mekka te gaan, wat uit denkorante leeren, en zich te kleeden. Maar daarvoor moest je hebben die rustige deftigheid en die aangeboren superioriteit in houding en manieren, die hijzelf vond, dat hij in hooge mate bezat. Behaaglijk zag hij rond over de hoofden, onder het praten met den priester.„Dat de ijdelheid ons niet omtrent God bedriege; laat ons enkel dankbaar zijn,” zeide deze.Daar had-je het weer! Wat was het toch een wonder! Het was, dacht Aboe Bakar, of de priester iemands gedachten raadde. Het stemde hem onderworpen; hij nam afscheid met de grootste eerbieds- en onderdanigheids-betuigingen, die de aandacht trokken der inlanders en hen op een afstand even deden wachten, tot de heilige mannen gereed waren.Hij kreeg het druk na dien tijd; de afrekening met Djalil viel hem zeer mee, maar duurde toch nogal lang; want die moest geld opnemen; hij had wel altijd veel verdiend, zoo goed als Aboe Bakar, maar hij had een menigte dochters, en die[366]hadden weer veel zoons en dochters, en zij leefden allen van hem!Zijn huizen verkocht Aboe Bakar prachtig; voor veel meer, dan ze hem hadden gekost. Maar met zijn pogingen om geld uit te geven, lukte het minder goed. Hij wou zijn zoon bij een Europeesche familie in den kost doen, want dàt was nu eenmaal zijn idée: men moest Hollandsch kunnen spreken, en dat kon men niet leeren, zooals het hoort, dan in het huis vanpur sangHollanders; maar de families, bij welke hij deed navragen, hadden bezwaren; zij wilden hun eigen kinderen niet blootstellen aan het zedenbederf door zoo’n inlandschen jongen, met wien ze als met ’n broer zouden omgaan; en de families die ervan gehoord hadden en Aboe Bakar, den rijkenhadji, lieten polsen, die stonden hem niet aan.Dus vorderde hij niet.Voor Bram wou hij een aandeel koopen in een bestaande goede zaak, wat hij dacht dat met geld altijd te doen was; maar de goede zaken bedankten[367]er tot zijn groote verwondering voor, wijl ze nooit, op zulk een manier, iemand verlangden als deelgenoot, die volstrekt geen verstand van het vak had en weinig of geen administratieve kennis; en van de zaken, die dat wèl wilden, die zelfs met brieven en bezoeken er bij hem op aandrongen, zei Djalil, van al die dingen bijzonder op de hoogte, dat zeboesoekwaren. Wat was dat lastig![368]

[Inhoud]ZESTIENDE HOOFDSTUK.ZESTIENDE HOOFDSTUK.Een listig mensch.In de oogen van denpenghoeloelichtte het kwaadaardig op, toen Aboe Bakar hem vertelde, hoe het verloopen was bij Djalil. Hij kende dat volkje! Met een eerlijk maar dom individu, dat wat overhelde naar den fanatieken kant, kon men doen wat men wilde; dat was een werktuig in de hand van een man als hij. Maar zoo’n oude geslepen patser, als die Djalil, liep er niet gemakkelijk in; met zóó een moet men voorzichtig zijn.En òf hij reden had tot voorzichtigheid! Hij stond aan het hoofd van een uitgebreid geheim genootschap; zij hielden vergaderingen inmissigits, zelfs[363]in de bosschen ’s nachts; zij hadden bergplaatsen van wapenen en oorlogsgewaden; zij hadden al lang den „heiligen oorlog” gezworen tegen dekafirs; maar het was alles nog onrijp, hoofdzakelijk wijl ze geen geld hadden. Een enkele onvoorzichtigheid en alles zou hier verloren gaan.„Indien het Gods wil is,” fluisterde de priester op zachten onderworpen toon, „zal het Pa Djalil wèl gaan.”„Ik hoop het,” zei Aboe Bakar, „hij is altijd eerlijk en trouw geweest in onze zaken.”„Dan zal zijn belooning ook niet verloren raken. Ik vertrek met den eersten trein morgenochtend. Zal ik ginder een woning voor u zoeken?”„Heel graag. Ik reken dezer dagen met Djalil af; dan heb ik nog enkel mijn huizen.”„Verkoop ze; trek u terug uit al die nietige dingen. Wat baten zij u? God zal hem beloonen, die het land verlaat omzijnzaak te omhelzen.”Aboe Bakar mocht denpenghoeloenaar het station brengen. Tusschen de bedrijvigheid der beambten,[364]zaten de inlanders, die op reis moesten, op hunbarangof stonden ernaast op den gelen cementvloer van het perron; droomerig in den nog vroegen morgen, keken zij voor zich uit met onverschillige gezichten, naar het rangeeren van den trein; het haastig heen en weer gevlieg van de daarbij dienstdoende machine, wier drukte en snelle geluiden zoo afstaken bij de algemeene kalmte der oostersche omgeving.Depenghoeloeen Aboe Bakar verschenen in hun Arabische kleeding, en al de aandacht van het inlandsch publiek was voor die statige mannen, zoo mooi gekleed en die in hun langzaam en deftig opwandelen, veel hoogere wezens schenen, dan de weinige Europeanen in hun witte jasjes hier en daar met elkaar pratend in nonchalante houding.Niemand had daar zoo’n sentiment voor, als Aboe Bakar; dàt deed hem zoo’n genoegen,diesoort van grootheid; dáár behoefde ’n mensch geen vreemde talen en geen wis- of andere kunde’s voor te leeren op de schoolbanken; dáár had je[365]maar voor naar Mekka te gaan, wat uit denkorante leeren, en zich te kleeden. Maar daarvoor moest je hebben die rustige deftigheid en die aangeboren superioriteit in houding en manieren, die hijzelf vond, dat hij in hooge mate bezat. Behaaglijk zag hij rond over de hoofden, onder het praten met den priester.„Dat de ijdelheid ons niet omtrent God bedriege; laat ons enkel dankbaar zijn,” zeide deze.Daar had-je het weer! Wat was het toch een wonder! Het was, dacht Aboe Bakar, of de priester iemands gedachten raadde. Het stemde hem onderworpen; hij nam afscheid met de grootste eerbieds- en onderdanigheids-betuigingen, die de aandacht trokken der inlanders en hen op een afstand even deden wachten, tot de heilige mannen gereed waren.Hij kreeg het druk na dien tijd; de afrekening met Djalil viel hem zeer mee, maar duurde toch nogal lang; want die moest geld opnemen; hij had wel altijd veel verdiend, zoo goed als Aboe Bakar, maar hij had een menigte dochters, en die[366]hadden weer veel zoons en dochters, en zij leefden allen van hem!Zijn huizen verkocht Aboe Bakar prachtig; voor veel meer, dan ze hem hadden gekost. Maar met zijn pogingen om geld uit te geven, lukte het minder goed. Hij wou zijn zoon bij een Europeesche familie in den kost doen, want dàt was nu eenmaal zijn idée: men moest Hollandsch kunnen spreken, en dat kon men niet leeren, zooals het hoort, dan in het huis vanpur sangHollanders; maar de families, bij welke hij deed navragen, hadden bezwaren; zij wilden hun eigen kinderen niet blootstellen aan het zedenbederf door zoo’n inlandschen jongen, met wien ze als met ’n broer zouden omgaan; en de families die ervan gehoord hadden en Aboe Bakar, den rijkenhadji, lieten polsen, die stonden hem niet aan.Dus vorderde hij niet.Voor Bram wou hij een aandeel koopen in een bestaande goede zaak, wat hij dacht dat met geld altijd te doen was; maar de goede zaken bedankten[367]er tot zijn groote verwondering voor, wijl ze nooit, op zulk een manier, iemand verlangden als deelgenoot, die volstrekt geen verstand van het vak had en weinig of geen administratieve kennis; en van de zaken, die dat wèl wilden, die zelfs met brieven en bezoeken er bij hem op aandrongen, zei Djalil, van al die dingen bijzonder op de hoogte, dat zeboesoekwaren. Wat was dat lastig![368]

[Inhoud]ZESTIENDE HOOFDSTUK.ZESTIENDE HOOFDSTUK.Een listig mensch.In de oogen van denpenghoeloelichtte het kwaadaardig op, toen Aboe Bakar hem vertelde, hoe het verloopen was bij Djalil. Hij kende dat volkje! Met een eerlijk maar dom individu, dat wat overhelde naar den fanatieken kant, kon men doen wat men wilde; dat was een werktuig in de hand van een man als hij. Maar zoo’n oude geslepen patser, als die Djalil, liep er niet gemakkelijk in; met zóó een moet men voorzichtig zijn.En òf hij reden had tot voorzichtigheid! Hij stond aan het hoofd van een uitgebreid geheim genootschap; zij hielden vergaderingen inmissigits, zelfs[363]in de bosschen ’s nachts; zij hadden bergplaatsen van wapenen en oorlogsgewaden; zij hadden al lang den „heiligen oorlog” gezworen tegen dekafirs; maar het was alles nog onrijp, hoofdzakelijk wijl ze geen geld hadden. Een enkele onvoorzichtigheid en alles zou hier verloren gaan.„Indien het Gods wil is,” fluisterde de priester op zachten onderworpen toon, „zal het Pa Djalil wèl gaan.”„Ik hoop het,” zei Aboe Bakar, „hij is altijd eerlijk en trouw geweest in onze zaken.”„Dan zal zijn belooning ook niet verloren raken. Ik vertrek met den eersten trein morgenochtend. Zal ik ginder een woning voor u zoeken?”„Heel graag. Ik reken dezer dagen met Djalil af; dan heb ik nog enkel mijn huizen.”„Verkoop ze; trek u terug uit al die nietige dingen. Wat baten zij u? God zal hem beloonen, die het land verlaat omzijnzaak te omhelzen.”Aboe Bakar mocht denpenghoeloenaar het station brengen. Tusschen de bedrijvigheid der beambten,[364]zaten de inlanders, die op reis moesten, op hunbarangof stonden ernaast op den gelen cementvloer van het perron; droomerig in den nog vroegen morgen, keken zij voor zich uit met onverschillige gezichten, naar het rangeeren van den trein; het haastig heen en weer gevlieg van de daarbij dienstdoende machine, wier drukte en snelle geluiden zoo afstaken bij de algemeene kalmte der oostersche omgeving.Depenghoeloeen Aboe Bakar verschenen in hun Arabische kleeding, en al de aandacht van het inlandsch publiek was voor die statige mannen, zoo mooi gekleed en die in hun langzaam en deftig opwandelen, veel hoogere wezens schenen, dan de weinige Europeanen in hun witte jasjes hier en daar met elkaar pratend in nonchalante houding.Niemand had daar zoo’n sentiment voor, als Aboe Bakar; dàt deed hem zoo’n genoegen,diesoort van grootheid; dáár behoefde ’n mensch geen vreemde talen en geen wis- of andere kunde’s voor te leeren op de schoolbanken; dáár had je[365]maar voor naar Mekka te gaan, wat uit denkorante leeren, en zich te kleeden. Maar daarvoor moest je hebben die rustige deftigheid en die aangeboren superioriteit in houding en manieren, die hijzelf vond, dat hij in hooge mate bezat. Behaaglijk zag hij rond over de hoofden, onder het praten met den priester.„Dat de ijdelheid ons niet omtrent God bedriege; laat ons enkel dankbaar zijn,” zeide deze.Daar had-je het weer! Wat was het toch een wonder! Het was, dacht Aboe Bakar, of de priester iemands gedachten raadde. Het stemde hem onderworpen; hij nam afscheid met de grootste eerbieds- en onderdanigheids-betuigingen, die de aandacht trokken der inlanders en hen op een afstand even deden wachten, tot de heilige mannen gereed waren.Hij kreeg het druk na dien tijd; de afrekening met Djalil viel hem zeer mee, maar duurde toch nogal lang; want die moest geld opnemen; hij had wel altijd veel verdiend, zoo goed als Aboe Bakar, maar hij had een menigte dochters, en die[366]hadden weer veel zoons en dochters, en zij leefden allen van hem!Zijn huizen verkocht Aboe Bakar prachtig; voor veel meer, dan ze hem hadden gekost. Maar met zijn pogingen om geld uit te geven, lukte het minder goed. Hij wou zijn zoon bij een Europeesche familie in den kost doen, want dàt was nu eenmaal zijn idée: men moest Hollandsch kunnen spreken, en dat kon men niet leeren, zooals het hoort, dan in het huis vanpur sangHollanders; maar de families, bij welke hij deed navragen, hadden bezwaren; zij wilden hun eigen kinderen niet blootstellen aan het zedenbederf door zoo’n inlandschen jongen, met wien ze als met ’n broer zouden omgaan; en de families die ervan gehoord hadden en Aboe Bakar, den rijkenhadji, lieten polsen, die stonden hem niet aan.Dus vorderde hij niet.Voor Bram wou hij een aandeel koopen in een bestaande goede zaak, wat hij dacht dat met geld altijd te doen was; maar de goede zaken bedankten[367]er tot zijn groote verwondering voor, wijl ze nooit, op zulk een manier, iemand verlangden als deelgenoot, die volstrekt geen verstand van het vak had en weinig of geen administratieve kennis; en van de zaken, die dat wèl wilden, die zelfs met brieven en bezoeken er bij hem op aandrongen, zei Djalil, van al die dingen bijzonder op de hoogte, dat zeboesoekwaren. Wat was dat lastig![368]

ZESTIENDE HOOFDSTUK.ZESTIENDE HOOFDSTUK.Een listig mensch.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

In de oogen van denpenghoeloelichtte het kwaadaardig op, toen Aboe Bakar hem vertelde, hoe het verloopen was bij Djalil. Hij kende dat volkje! Met een eerlijk maar dom individu, dat wat overhelde naar den fanatieken kant, kon men doen wat men wilde; dat was een werktuig in de hand van een man als hij. Maar zoo’n oude geslepen patser, als die Djalil, liep er niet gemakkelijk in; met zóó een moet men voorzichtig zijn.En òf hij reden had tot voorzichtigheid! Hij stond aan het hoofd van een uitgebreid geheim genootschap; zij hielden vergaderingen inmissigits, zelfs[363]in de bosschen ’s nachts; zij hadden bergplaatsen van wapenen en oorlogsgewaden; zij hadden al lang den „heiligen oorlog” gezworen tegen dekafirs; maar het was alles nog onrijp, hoofdzakelijk wijl ze geen geld hadden. Een enkele onvoorzichtigheid en alles zou hier verloren gaan.„Indien het Gods wil is,” fluisterde de priester op zachten onderworpen toon, „zal het Pa Djalil wèl gaan.”„Ik hoop het,” zei Aboe Bakar, „hij is altijd eerlijk en trouw geweest in onze zaken.”„Dan zal zijn belooning ook niet verloren raken. Ik vertrek met den eersten trein morgenochtend. Zal ik ginder een woning voor u zoeken?”„Heel graag. Ik reken dezer dagen met Djalil af; dan heb ik nog enkel mijn huizen.”„Verkoop ze; trek u terug uit al die nietige dingen. Wat baten zij u? God zal hem beloonen, die het land verlaat omzijnzaak te omhelzen.”Aboe Bakar mocht denpenghoeloenaar het station brengen. Tusschen de bedrijvigheid der beambten,[364]zaten de inlanders, die op reis moesten, op hunbarangof stonden ernaast op den gelen cementvloer van het perron; droomerig in den nog vroegen morgen, keken zij voor zich uit met onverschillige gezichten, naar het rangeeren van den trein; het haastig heen en weer gevlieg van de daarbij dienstdoende machine, wier drukte en snelle geluiden zoo afstaken bij de algemeene kalmte der oostersche omgeving.Depenghoeloeen Aboe Bakar verschenen in hun Arabische kleeding, en al de aandacht van het inlandsch publiek was voor die statige mannen, zoo mooi gekleed en die in hun langzaam en deftig opwandelen, veel hoogere wezens schenen, dan de weinige Europeanen in hun witte jasjes hier en daar met elkaar pratend in nonchalante houding.Niemand had daar zoo’n sentiment voor, als Aboe Bakar; dàt deed hem zoo’n genoegen,diesoort van grootheid; dáár behoefde ’n mensch geen vreemde talen en geen wis- of andere kunde’s voor te leeren op de schoolbanken; dáár had je[365]maar voor naar Mekka te gaan, wat uit denkorante leeren, en zich te kleeden. Maar daarvoor moest je hebben die rustige deftigheid en die aangeboren superioriteit in houding en manieren, die hijzelf vond, dat hij in hooge mate bezat. Behaaglijk zag hij rond over de hoofden, onder het praten met den priester.„Dat de ijdelheid ons niet omtrent God bedriege; laat ons enkel dankbaar zijn,” zeide deze.Daar had-je het weer! Wat was het toch een wonder! Het was, dacht Aboe Bakar, of de priester iemands gedachten raadde. Het stemde hem onderworpen; hij nam afscheid met de grootste eerbieds- en onderdanigheids-betuigingen, die de aandacht trokken der inlanders en hen op een afstand even deden wachten, tot de heilige mannen gereed waren.Hij kreeg het druk na dien tijd; de afrekening met Djalil viel hem zeer mee, maar duurde toch nogal lang; want die moest geld opnemen; hij had wel altijd veel verdiend, zoo goed als Aboe Bakar, maar hij had een menigte dochters, en die[366]hadden weer veel zoons en dochters, en zij leefden allen van hem!Zijn huizen verkocht Aboe Bakar prachtig; voor veel meer, dan ze hem hadden gekost. Maar met zijn pogingen om geld uit te geven, lukte het minder goed. Hij wou zijn zoon bij een Europeesche familie in den kost doen, want dàt was nu eenmaal zijn idée: men moest Hollandsch kunnen spreken, en dat kon men niet leeren, zooals het hoort, dan in het huis vanpur sangHollanders; maar de families, bij welke hij deed navragen, hadden bezwaren; zij wilden hun eigen kinderen niet blootstellen aan het zedenbederf door zoo’n inlandschen jongen, met wien ze als met ’n broer zouden omgaan; en de families die ervan gehoord hadden en Aboe Bakar, den rijkenhadji, lieten polsen, die stonden hem niet aan.Dus vorderde hij niet.Voor Bram wou hij een aandeel koopen in een bestaande goede zaak, wat hij dacht dat met geld altijd te doen was; maar de goede zaken bedankten[367]er tot zijn groote verwondering voor, wijl ze nooit, op zulk een manier, iemand verlangden als deelgenoot, die volstrekt geen verstand van het vak had en weinig of geen administratieve kennis; en van de zaken, die dat wèl wilden, die zelfs met brieven en bezoeken er bij hem op aandrongen, zei Djalil, van al die dingen bijzonder op de hoogte, dat zeboesoekwaren. Wat was dat lastig![368]

In de oogen van denpenghoeloelichtte het kwaadaardig op, toen Aboe Bakar hem vertelde, hoe het verloopen was bij Djalil. Hij kende dat volkje! Met een eerlijk maar dom individu, dat wat overhelde naar den fanatieken kant, kon men doen wat men wilde; dat was een werktuig in de hand van een man als hij. Maar zoo’n oude geslepen patser, als die Djalil, liep er niet gemakkelijk in; met zóó een moet men voorzichtig zijn.

En òf hij reden had tot voorzichtigheid! Hij stond aan het hoofd van een uitgebreid geheim genootschap; zij hielden vergaderingen inmissigits, zelfs[363]in de bosschen ’s nachts; zij hadden bergplaatsen van wapenen en oorlogsgewaden; zij hadden al lang den „heiligen oorlog” gezworen tegen dekafirs; maar het was alles nog onrijp, hoofdzakelijk wijl ze geen geld hadden. Een enkele onvoorzichtigheid en alles zou hier verloren gaan.

„Indien het Gods wil is,” fluisterde de priester op zachten onderworpen toon, „zal het Pa Djalil wèl gaan.”

„Ik hoop het,” zei Aboe Bakar, „hij is altijd eerlijk en trouw geweest in onze zaken.”

„Dan zal zijn belooning ook niet verloren raken. Ik vertrek met den eersten trein morgenochtend. Zal ik ginder een woning voor u zoeken?”

„Heel graag. Ik reken dezer dagen met Djalil af; dan heb ik nog enkel mijn huizen.”

„Verkoop ze; trek u terug uit al die nietige dingen. Wat baten zij u? God zal hem beloonen, die het land verlaat omzijnzaak te omhelzen.”

Aboe Bakar mocht denpenghoeloenaar het station brengen. Tusschen de bedrijvigheid der beambten,[364]zaten de inlanders, die op reis moesten, op hunbarangof stonden ernaast op den gelen cementvloer van het perron; droomerig in den nog vroegen morgen, keken zij voor zich uit met onverschillige gezichten, naar het rangeeren van den trein; het haastig heen en weer gevlieg van de daarbij dienstdoende machine, wier drukte en snelle geluiden zoo afstaken bij de algemeene kalmte der oostersche omgeving.

Depenghoeloeen Aboe Bakar verschenen in hun Arabische kleeding, en al de aandacht van het inlandsch publiek was voor die statige mannen, zoo mooi gekleed en die in hun langzaam en deftig opwandelen, veel hoogere wezens schenen, dan de weinige Europeanen in hun witte jasjes hier en daar met elkaar pratend in nonchalante houding.

Niemand had daar zoo’n sentiment voor, als Aboe Bakar; dàt deed hem zoo’n genoegen,diesoort van grootheid; dáár behoefde ’n mensch geen vreemde talen en geen wis- of andere kunde’s voor te leeren op de schoolbanken; dáár had je[365]maar voor naar Mekka te gaan, wat uit denkorante leeren, en zich te kleeden. Maar daarvoor moest je hebben die rustige deftigheid en die aangeboren superioriteit in houding en manieren, die hijzelf vond, dat hij in hooge mate bezat. Behaaglijk zag hij rond over de hoofden, onder het praten met den priester.

„Dat de ijdelheid ons niet omtrent God bedriege; laat ons enkel dankbaar zijn,” zeide deze.

Daar had-je het weer! Wat was het toch een wonder! Het was, dacht Aboe Bakar, of de priester iemands gedachten raadde. Het stemde hem onderworpen; hij nam afscheid met de grootste eerbieds- en onderdanigheids-betuigingen, die de aandacht trokken der inlanders en hen op een afstand even deden wachten, tot de heilige mannen gereed waren.

Hij kreeg het druk na dien tijd; de afrekening met Djalil viel hem zeer mee, maar duurde toch nogal lang; want die moest geld opnemen; hij had wel altijd veel verdiend, zoo goed als Aboe Bakar, maar hij had een menigte dochters, en die[366]hadden weer veel zoons en dochters, en zij leefden allen van hem!

Zijn huizen verkocht Aboe Bakar prachtig; voor veel meer, dan ze hem hadden gekost. Maar met zijn pogingen om geld uit te geven, lukte het minder goed. Hij wou zijn zoon bij een Europeesche familie in den kost doen, want dàt was nu eenmaal zijn idée: men moest Hollandsch kunnen spreken, en dat kon men niet leeren, zooals het hoort, dan in het huis vanpur sangHollanders; maar de families, bij welke hij deed navragen, hadden bezwaren; zij wilden hun eigen kinderen niet blootstellen aan het zedenbederf door zoo’n inlandschen jongen, met wien ze als met ’n broer zouden omgaan; en de families die ervan gehoord hadden en Aboe Bakar, den rijkenhadji, lieten polsen, die stonden hem niet aan.

Dus vorderde hij niet.

Voor Bram wou hij een aandeel koopen in een bestaande goede zaak, wat hij dacht dat met geld altijd te doen was; maar de goede zaken bedankten[367]er tot zijn groote verwondering voor, wijl ze nooit, op zulk een manier, iemand verlangden als deelgenoot, die volstrekt geen verstand van het vak had en weinig of geen administratieve kennis; en van de zaken, die dat wèl wilden, die zelfs met brieven en bezoeken er bij hem op aandrongen, zei Djalil, van al die dingen bijzonder op de hoogte, dat zeboesoekwaren. Wat was dat lastig!

[368]


Back to IndexNext