En eer Iravati bij dit nieuw en onverwacht besluit gelegenheid had gevonden tot een antwoord, was hij verdwenen, en zocht hij reeds naar zijn dienaar om zijn paard te zadelen en zich gereed te maken tot een togt, waarvan het doel haar onbekend moest blijven. In allerijl begaf zij zich naar Koelloeka en deelde hem in der haast mede wat tot verklaring kon strekken van Siddha's zonderling besluit. Wat hem gemeld werd, was den goeroe genoeg om hem te doen inzien, dat het beter ware Siddha zijn gang te laten, dan hem in dit oogenblik tegen te werken, ook al stelden zijne pas herwonnen krachten hem nog nauwelijks tot het verduren van vermoeijenissen in staat; en zoo goed mogelijk zocht hij de bedrukte Iravati te troosten met de hoop, dat zij haar verloofde binnen een niet al te lang tijdsverloop zou terug mogen zien. Inmiddels was Siddha zelf, na een hartelijk afscheid van den Boeddha-priester, wien hij tevens een rijk geschenk voor het klooster ter hand stelde, met Vatsa reeds spoedig op weg….
Wederom gleden de late zonnestralen langs de hellingen van den Himâlaya, en wederom daalde Siddha, maar nu enkel door zijn dienaar vergezeld, naar de vallei, waar de woning van Gaurapada lag. Daar werd hij door den ouden dienaar ontvangen, die hem spoedig herkende en aanstonds zijn meester de komst van den gast ging melden.
Met blijdschap ontving de kluizenaar zijn jongen vriend, maar met bekommering tevens zag hij hem aan, toen hij de verandering opmerkte die zijn voorkomen had ondergaan. Het vroeger zoo open en vrolijk gelaat, thans verbleekt, had eene strakke, sombere uitdrukking aangenomen en ook de gansche houding scheen niet veerkrachtig meer als voorheen. In betrekkelijk korten tijd was de jongeling een man geworden; echter niet een man van geestkracht en met levensmoed bezield, maar een die gebogen ging onder leed, en wel—de scherpe blik van Gaurapada doorzag het dra,—onder dat leed, dat welligt het zwaarst te dragen is, de smart die haar oorsprong heeft in grievend zelfverwijt.
—Eerwaarde!—begon Siddha, na de eerste begroeting,—of laat mij liever zeggen, mijn genadige Vorst!…
—Neen,—viel de kluizenaar hem in de rede,—blijf mij Gaurapada noemen! Ik ben niets anders meer.
—Welnu dan,—hernam Siddha,—ik gehoorzaam. En met vreugde zie ik dat ge u mijner nog herinnert. Maar tevens zullen dan ook de woorden u nog wel heugen, die gij bij mijn kort bezoek in uwe gastvrije woning, ten afscheid tot mij gesproken hebt.
—Ik liet u beloven—antwoordde Gaurapada,—mij nogmaals op te zoeken als er ooit een tijd in uw leven kwam, waarin gij den raad van een goed en opregt vriend mogt behoeven en dien bij een ander niet te vinden wist. Ik begrijp, dat een dergelijke reden u thans hier brengt. En mag ik oordeelen naar uw uiterlijk, dan moet, dunkt mij, die reden ook eene zijn van droevigen aard.
—Dat is zij,—sprak Siddha,—en als ik u alles heb meegedeeld, zult gij u misschien verwonderen, dat mijn voorkomen nog niet duidelijker te kennen geeft wat er in mij omgaat.
—Kom inmiddels aan de andere zijde van het huis,—zei Gaurapada;— wij willen ons daar neerzetten en er rustig zamen spreken.
Gaarne voldeed Siddha aan de uitnoodiging, en nadat hij op dringend verlangen van den kluizenaar eerst nog een versterkenden wijn en eenige ververschingen had gebruikt, begon hij 't verhaal van zijn wedervaren tot op het oogenblik dat hij Iravati in het klooster verlaten had.
Opmerkzaam en met groote belangstelling hoorde Gaurapada hem aan, en toen het verhaal ten einde was, zweeg hij nog geruimen tijd en bleef in gedachten vóór zich staren. Eindelijk nam hij weer het woord en Siddha aanziend met zijn helder en vriendelijk oog, zeide hij:
—Inderdaad! gij hebt u een zwaren last op de schouders gelegd. Maar toch niet een, die voor een man niet te dragen zou zijn. Dat gij door Goelbadan u liet verleiden acht ik zeer zeker niet te verdedigen, maar toch wel verschoonbaar; dat gij echter uwe betrekking met haar niet wist af te breken, toen gij ontdekt had wie zij was, noem ik een niet ligt te vergeven schending van de vriendschap die u aan Feizi verbond. Zoo was ook uw aanvankelijke ontrouw jegens den Keizer grootendeels het gevolg eener dwaling; maar tegen hem zaam te spannen en tevens in zijn dienst te blijven, was misdadig. Ik beoordeel uw gedrag dus geenszins zachter dan gijzelf. Integendeel, mijn oordeel moet zelfs iets harder zijn. Want gij meent dat de reeks uwer feilen gesloten was, toen gij den Keizer uw misdrijf hadt bekend. Maar gij bedriegt u. Gij hebt er nog eene begaan, die niet minder noodlottig kon zijn dan de overige, hoewel eene dwaling ook waartoe zeer velen in uwe omstandigheden plegen te vervallen. De groote meerderheid der menschen verbeeldt zich even als gij, dat berouw eene deugd is, en dat boete en zelfkastijding het eenige is waardoor de misdadiger zijne schuld kan uitwisschen. Maar er zijn weinig dwalingen zoo verderfelijk menigmaal in de gevolgen als juist deze, wanneer de boete nu juist daarin bestaat, dat men zich onttrekt aan den werkkring waarin men nog nuttig werkzaam kan zijn, en ook anderen in zichzelven straft. En dat was het, wat gij voornemens waart te doen. Eerst zoekt gij den dood op het slagveld; en dat was ook zeker 't eenvoudigste, als gij uzelf het leven niet wildet benemen; mij blijkt echter niet wat uw dood op zichzelf aan anderen gebaat zou hebben, en hoe gij uw vergrijpen er dus weer goed mee kondt maken. En nu gij een eervollen dood niet hebt kunnen vinden, en daartoe misschien ook voor 't oogenblik geen gelegenheid bestaat, nu verklaart gij mij uw voornemen om eenzaam te gaan leven in de wildernis en uwe dagen te slijten in zelfkastijding en boete. Maar waartoe? Tot wat kan in uw geval die afzondering dienen, óf voor uzelf óf voor een ander? En dan Iravati, uwe bruid! Haar verstoot of verlaat gij, hoe ge 't noemen wilt, niet omdat zij ontrouw werd jegens u, maar omdat gijzelf u te schamen hebt gehad tegenover haar. Gij straft dus niet uzelf, maar juist haar in de eerste plaats. Noemt gij zoo iets pligt of deugd? Neen, mijn vriend! het zou slecht zijn, omdat het niet enkel 't gevolg van een dwaling maar van een grove ondeugd zou zijn…. Gij ziet mij verwonderd aan, maar gij zult mij gelijk geven als ik u die ondeugd noem. Zij is hoogmoed, verregaande trots, en sterk doet ze zich gelden bij u, terwijl ge u hebt wijsgemaakt dat gij uzelven vernedert. Iravati heeft gelijk. Gij waart te hooghartig om u te verbinden aan eene vrouw, die uwe zwakheden kende of ze eenmaal zou kunnen ontdekken, terwijl zij zichzelve niets te verwijten had. En evenzoo is het in waarheid niet dan hoogmoed, wat u zou nopen de wereld te ontvlugten. Gij zijt bevreesd soms iemand te ontmoeten, die 't een of ander van uwe vroegere handelingen vernomen had; en zelfs durft gij een ander man niet meer onder de oogen zien, ook al is hem niets van u bekend, enkel omdat gij u bewust zijt eenmaal verkeerd en slecht gehandeld te hebben. Heet dat, vraag ik, deugd of moed, of is 't alles niet weder laakbare zwakheid?
—Maar de laatste woorden van Feizi!—sprak Siddha, toen de kluizenaar op een antwoord bleef wachten.
—Ik had de tegenwerping voorzien,—hervatte Gaurapada,—en ik wil haar volstrekt niet zekere beteekenis ontzeggen. Maar wachten wij ons voor overdrijving! Dat Feizi handelde en sprak zooals hij deed, noem ik zeer verklaarbaar; ikzelf zou in gelijke omstandigheden misschien evenzoo hebben gedaan. En toch had hij in zekere mate weer ongelijk; en zoo hij thans in mijne plaats was en dus onpartijdig oordeelen kon, hij zou, ik twijfel niet, u hetzelfde zeggen. Een man behoeft nog volstrekt niet zijn gansche leven lang zich te blijven vernederen tegenover anderen, omdat hij eenmaal een afkeurenswaardige daad bedreef, indien hij door latere handelingen de achting zijner medeburgers zich waardig heeft weten te maken. Wel daarentegen zou hij tegenover hen zich te schamen hebben, wanneer hij, na eens zijn plicht door handelen te hebben verzaakt, door niet-handelen voortging dat te doen…. En nu, luister naar den raad dien gij mij vraagt en dien ik u volgaarne geef. Gij zijt voorlang tot het vol besef van het onwaardige uwer vroegere gedragingen gekomen en hebt uzelven daarover aangeklaagd bij den Keizer, bij Iravati en bij mij. Dat was goed, zeer goed! Maar dat besef, dat helder inzigt in 't verkeerde uwer daden moet niet de laatste wezenlijke stap zijn, maar juist de eerste op een beteren weg. Het zal u kunnen behoeden voor latere dwalingen; niet alleen voor soortgelijke als waartoe ge u liet verleiden, maar ook voor andere. Gij zult beter leeren waken over uzelf, uwe indrukken, uwe hartstogten en driften, meer beducht zijn voor daden, waarover gij later tegenover anderen en uzelf u beschaamd moet gevoelen; en in 't eind kan op die wijze een gemoedstoestand voor u geboren worden, waarin 't u nagenoeg niet meer mogelijk ware te handelen tegen 't geen plicht en eer gebieden. Maar niet, wanneer gij aan het werkelijke leven u onttrekt en de verzoeking tracht te ontgaan enkel door ze te ontvlugten. Weersta de verleiding, en begin nu in de eerste plaats met de overwinning van uw misplaatsten trots! Daarom, neem Iravati tot vrouw en maak u harer waardig; ga tot den Keizer en vraag hem een werkzaamheid waarin gij hem en uw land van dienst kunt zijn. Ik twijfel geen oogenblik, of hij zal ze u gaarne verleenen na uw op nieuw betoonde trouw. Ik begrijp dat gij Feizi liefst zult willen ontwijken, en dat is ook goed; gij behoort hem een nadere ontmoeting te sparen; maar Hindostan is waarlijk groot genoeg om twee menschen van elkaar gescheiden te houden, en in Kaçmir of elders kunt gij even goed als te Agra zelf nog werkzaam zijn. Denk nu over dat een en ander eens na en meld mij, als gij 't overwogen zult hebben, uw besluit!—Neen, antwoord mij thans niet terstond,—sprak Gaurapada met afwerend gebaar, toen hij Siddha gereed zag het woord op te vatten;—neem thans de rust, die, ik zie het, u volstrekt noodig is; en als gij dan morgen behoorlijk alles hebt overwogen, zeg mij dan of er nog bezwaren bij u bestaan tegen 't geen ik gemeend heb u te moeten aanraden!
En met een vriendelijken groet verwijderde zich de kluizenaar en liet Siddha over aan zijne eigene overpeinzingen.
Den anderen dag stond nogmaals Siddha gereed om afscheid te nemen, en nu voor 't laatst misschien, van Gaurapada. Lang nog bleven de beide mannen in gesprek en toen eindelijk de reiziger weer te paard zou stijgen, drukte hij met warmte zijn waardigen gastheer de hand, en sprak met bewogen stem, maar weer verhelderd gelaat:— Ik dank u, Gaurapada! voor de wijze en mannelijke taal, die gij tot mij hebt gesproken. Een nieuw leven ben ik u verschuldigd, en ik wil hopen mij daarin anders te gedragen dan in dat vorige, dat ik niet wil vergeten maar voor altijd achter mij laat. Gij hebt mij geleerd wat regt berouw en wezenlijke boete is; moge ik nimmer toonen dat ik u verkeerd begreep, of u aanleiding geven tot de ervaring dat gij uw goeden raad aan een onwaardige hebt verspild!…
Bij het praalgraf
In de nabijheid van het dorp Sekandra, niet ver van Agra, verheft zich een dier prachtige gebouwen, die, de roem van Hindostan en door de smaakvolle weelde hunner bouworde de bewondering wekkend van alle reizigers, de laatste overblijfselen mogen heeten van de vóórlang verdwenen grootheid der Mogols. Een met torens bezette ringmuur geeft door een breede poort van rooden met marmer ingelegden steen den toegang tot een uitgebreid, met lommerrijke boomen beplant park, in welks midden zich een gebouw van aanzienlijke hoogte en kolossalen omvang bevindt. En dat gebouw zelf, niet minder uitmuntend door de strenge schoonheid zijner lijnen dan door het weelderige en bevallige der tallooze op de muren, poorten en minaretten aangebragte versieringen, is wederom door een aantal hoogere en lagere open koepels en galerijen omringd, zoodat het geheel eer nog eene verzameling van paleizen en lusthoven schijnt dan een op zichzelf staand monument. Die grootsche stichting evenwel is niet het verblijf van levenden, maar werd bestemd om het gebeente te dekken van een roemruchtigen doode, van Akbar.
Eenige jaren na de tot hiertoe vermelde gebeurtenissen stond daar in het park eens op een avond een zwijgend paar. Een krachtvol man in rijk en smaakvol gewaad, met de linkerhand op het gevest van zijn sabel en met den regterarm om de leest eener beeldschoone, bevallig gekleede vrouw, die, als de ligte slingerplant aan den sterken eik, aan den schouder van haar echtgenoot leunde: Siddha Rama met zijne thans overgelukkige Iravati…. Bewonderend zagen beiden op naar het heerlijk mausoleum en dachten aan den man, van wien zij zoo menigmaal te zamen en nooit anders dan met den hoogsten eerbied gesproken hadden.
Veel was er gedurende die inmiddels verloopen jaren anders geworden.
Akbar dan was niet meer. Selim, zijn zoon, na op verlangen van zijn vader bij diens sterfbed het zwaard te hebben aangegord dat hij, de Keizer, steeds had gedragen, was hem opgevolgd en regeerde nu onder den titel van Djihangir in Hindostan. Dat hij met Akbar niet te vergelijken viel, lag wel in den aard der zaak, en niemand dan ook die verwachtte dat hij hem ooit zou evenaren; maar slecht kon zijne regering toch niet worden genoemd, en aan zijne opvolgers, aan Shah Djihan en Aurengzeb, was het voorbehouden, onder allen uitwendigen glans de zaden te strooijen van het bederf, dat het eenmaal zoo magtige rijk weer uiteen zou doen vallen, om als eene ligte prooi het ten laatste in handen te spelen van Britsche veroveraars. Zijne slechte gewoonten had Selim overigens nog wel niet gansch afgelegd; en Sir Thomas Roe, die als Engelsch gezant zijn hof bezocht, vond gelegenheid om hem in een dergelijken toestand te zien, als waarin Siddha hem op het nachtfeest in zijn paleis had aanschouwd; maar toch had hij geleerd zijne uitspattingen te beperken, en in elk geval was hij geenszins de onverbeterlijke dronkaard geworden, die hij eenmaal bestemd scheen in 't vervolg van zijn leven te zijn. Jegens Iravati had hij volkomen zijn woord gestand gedaan, en gelukkig ook vond hij troost over de ondervonden teleurstelling in zijn huwelijk met de schoone en verstandige Noermahal, die een veelbeteekenenden en in vele opzigten heilzamen invloed op hem verkreeg.
Dat Kaçmir in 't eind moest onderworpen worden, was reeds lang te voorzien geweest; en na de verijdeling van Selim's zamenzwering kostte het Akbar weinig moeite meer om door te dringen in het ontredderd land en het te onderwerpen aan zijne heerschappij. De zwakke Koning was gesneuveld; zijne onwaardige zonen werden verbannen; Siddha's vader werd door den Keizer tot Onderkoning benoemd, en hijzelf erlangde, met het vooruitzigt zijn vader op te volgen, de eerste betrekking na dezen in het land, terwijl Koelloeka hem, trouw als steeds, met raad en daad ter zijde bleef staan. Niet lang ook of het volk, dat zich eerst niet dan noode had gewonnen gegeven, begon de zegeningen te waardeeren van het nieuw en thans eindelijk door wijze instellingen en bekwame beambten rust en welvaart verzekerend bestuur.
De kluizenaar van den Bhadrinâth beleefde niet meer de volkomen onderwerping van zijn vaderland. Eens, toen Koelloeka hem een bezoek was gaan brengen om hem op de tijding daarvan voor te bereiden, vond hij den ouden dienaar alleen. Zijn meester was op eenmaal ongesteld geworden en weinige dagen later was hij gestorven, rustig en kalm zooals hij in zijne laatste jaren had geleefd. De dienaar begroef het lijk op eene hoogte, die naar de zijde van Kaçmir ziet. Daar legde Hara, de tijger, zich neder, en begon, als de dienaar hem zocht te verwijderen en naar huis te lokken, op onheilspellende wijze te grommen. Aan het voedsel en het water dat hem op die plek gebragt werd, raakte hij niet; en na enkele dagen lag hij dood op het graf van zijn meester en vriend. De dienaar begroef hem nevens dezen.
Van Parviz, jegens wien Feizi blijkbaar van het gebeurde met Goelbadan gezwegen had, ontving Siddha van tijd tot tijd vrolijker berigten. Hij was gelukkig door het bezit van de dochter des schatmeeesters; en, in een hooge staatsbetrekking geplaatst, hield hij zich vooral ook bezig met het ordenen van de letterkundige en diplomatische nalatenschap van Aboel Fazl, zijn steeds nog door velen diepbetreurden oom.
Abdal Kadir bleef zich terugtrekken uit het openbare leven en werd hoe langer hoe regtzinniger, en steeds hartstogtelijker ijveraar voor het ware geloof. Hij zocht troost voor zijne vele teleurstellingen en ergernissen in het schrijven van zijn Moentak-hab-oet-Tawarikh, waarin hij zich bitter bleef beklagen over Akbar en dapper voortging op Aboel Fazl en Feizi te schelden, die hem nooit kwaad hadden gedaan.
De Padre Aquaviva keerde niet te Agra terug; anderen kwamen er later zijn werk weder opvatten. Met weinig gelukkiger uitslag evenwel; en ook nu nog, bijkans drie eeuwen later, blijft de bekeering van Hindostan tot de vrome wenschen van Westersche dweepers behooren.
Of de trouwe Vatsa met de praatlustige maar goedhartige Nipoenika huwde, meldt de geschiedenis niet. De waarschijnlijkheid echter bestaat, dat de dienaar en de dienares wel het voorbeeld van meester en gebiedster zullen gevolgd hebben.
Aan het geluk van deze beiden ontbrak thans weinig of niets meer. Wel kwam er bij wijlen nog eene sombere herinnering opdoemen in Siddha's geest, maar hij had zich langzamerhand gewend, zich daardoor niet geheel te laten neerslaan, en vooral ook zijn leed voor Iravati te verbergen, sinds hij bemerkt had hoezeer 't haar bedroefde als zij de donkere uitdrukking op zijn gelaat ontwaarde, wier oorzaak zij maar al te wel begreep. Wat en hoe hij misdreef, had hij eens voor al omstandig haar bekend, maar als hij toch soms nog zinspeelde op het gebeurde, sloot zij vriendelijk lagchend hem den mond en wilde er niets meer van hooren. En eenigen tijd na hun huwelijk had zij hem een zoon geschonken, dien hij weldra haast niet minder dan haarzelve beminde. Toch leerde hij nu eerst volkomen haar waardeeren, en begrijpen welk een schat hij gewonnen had en bijkans zou hebben versmaad, toen hem Iravati haar wedervaren met Selim verhaalde, en vreemd opzag toen hij in levendige bewoordingen haar zijne bewondering uitdrukte over hare handelwijze; zij toch had, meende ze, niet anders gehandeld dan in gelijk geval iedere vrouw van haar geslacht zou hebben gedaan.
Lang bleef Siddha daar nevens haar bij Akbar's graf in gedachten verzonken, toen zijn aandacht op eens door een voetstap getrokken werd, die in de nabijheid zich deed hooren op den met zware steenen bevloerden grond. Ontzet deed hij een stap achterwaarts, toen hij den naderende herkende. En zijn uitroep moest Iravati wel terstond doen begrijpen tot welke noodlottige ontmoeting het hier gekomen was….
—Feizi!…—klonk het uit zijn mond….
Onmiddelijk stond de ander stil, nadat hij eerst zonder op de beide bezoekers te letten al mijmerend was blijven voortgaan. En ook hij ging een schrede achteruit, toen hij den man gewaar werd die hem eenmaal zoo diep beleedigd had …. Maar hij scheen zich te bezinnen en trad langzaam weer voorwaarts, en toen hij Siddha een beweging zag maken om zich haastig te verwijderen, zeide hij:
—Blijf en hoor mij aan! Hier, bij het graf van den vorst, die altijd liever vergaf dan strafte en zijn vijanden niet wist te haten, voegt ons geen toorn en geen wrok. Ook ik heb menigmaal reeds getracht zijn edel voorbeeld te volgen, en althans in mijn hart u de beleediging te vergeven, die ge mij hebt aangedaan. Maar ik kon niet, ik miste nog de kracht. Thans, op deze geheiligde plek, waar het toeval ons voor 't eerst weer zamenbrengt, heb ik eindelijk die kracht gevonden, en wil ik doen wat Akbar in mijne plaats zou gedaan hebben. Ik vergeef u, Siddha!
Diep ontroerd en met gebogen hoofd stond Siddha daar vóór zijn edelmoedigen vijand; en met bewondering zag Iravati naar den man, die zulk een strijd tegen zichzelve volstreden had.
—Zie op!—sprak Feizi weder,—en ontvlugt den blik van uw vroegeren vriend niet meer! De woorden, die ik eenmaal in toorn tot u rigtte, waren zeker niet onverdiend, maar voor een man van uw karakter toch inderdaad een vreeselijke, misschien ook al te harde straf; en ik weet, door Koelloeka, welk een indruk ze op u hebben nagelaten en tot welke verkeerde handelwijze ze u bijkans hadden vervoerd. En ik vernam ook van ons beider vriend, dat gijzelf de verleider niet zijt geweest en in den beginne ook niet geweten hadt wie de verleidster was. Haar invloed en geduchte magt heb ikzelf trouwens wel gekend. Te vreezen is zij thans voor niemand meer. In hare gevangenschap heeft zij zelve een eind aan haar schuldig leven gemaakt. Doch genoeg reeds van het voorleden, vooral in tegenwoordigheid van haar, die ik begrijp als uwe edele echtgenoote te mogen begroeten. Laat het dan vergeten zijn tusschen ons! Uwe verdere handelingen, waarvan ik later veel vernam, hebben u op nieuw de achting en vriendschap waardig gemaakt van een man van eer. Ziedaar mijn hand als voorheen!
Het was Iravati die ze greep, terwijl Siddha nog nauw van zijne ontroering scheen bekomen.
—Heer!—sprak zij,—ik zeg u dank, innigen dank voor uwe grootmoedigheid! Wat gij gezegd hebt verjaagt de donkere wolk, die nog altijd ons huwelijksgeluk kwam verstoren, en het looden wigt is dan eindelijk opgeheven, waaronder mijn Siddha zoolang heeft gebukt gegaan!
—Ik zoek naar woorden,—sprak nu ten laatste Siddha zelf, terwijl hij thans ook de hand van Feizi aannam,—naar woorden om uit te drukken wat ik in dit oogenblik gevoel; maar ik weet ze nog niet te vinden. Toen ik eenmaal mij getroost, althans mij gesterkt achtte door de verstandige taal van een wijs man, geloofde ik tot een nieuw leven herboren te zijn; maar thans gevoel ik het, ik ben dat eerst nu! Uwe vriendschap, Feizi! had voor mij steeds de hoogste waarde; maar te grievender dan ook mijn zelfverwijt en te zwaarder mijne straf, toen ik door eigen schuld op de schandelijkste wijze ze had verbeurd. En die vriendschap, die ge mij edelmoedig teruggeeft, acht ik ook het hoogste geschenk dat tegenwoordig mij nog geworden kon.
—Toch zal—hernam Feizi,—onze tegenwoordige toevallige zamenkomst slechts kort van duur en deze onze ontmoeting waarschijnlijk wel de laatste zijn. Dat ik aan de staatsdienst mij heb onttrokken, is u zeker wel bekend; Selim, of zooals hij nu met een trotschen titel zich gelieft te noemen, Djihangir, zag mij zoo min als mijn broeder ooit met een goed oog aan; en bovendien viel 't mij zwaar hem te gaan dienen, om redenen, die ik nu niet verder behoef aan te duiden. Ik trok mij dus terug en leefde stil te Agra. Nu heeft Shah Abbas, de Koning van Perzië, mij uitgenoodigd om in zijne hoofdstad te komen en mij daar met wetenschappelijke werkzaamheden bezig te houden. Aan die uitnoodiging wil ik gehoor geven. Morgen vertrek ik naar Ispahan, en, zoo 't mij daar behaagt, denk ik er ook te blijven. Maar ik mogt niet van hier gaan zonder een afscheidsbezoek aan de laatste woning van mijn vorstelijken vriend. Daarom treft gij mij heden op deze plaats. Die vriend was mij alles, Siddha! en meer zelfs dan mijn leven en huwelijksgeluk; en indien gij tegen hem u waart blijven bezondigen, neen! ik geloof niet dat ik 't ooit u vergeven had. Maar gij hebt getoond hem te eeren en te hoogachten als ik, ook al waart gij nooit in de gelegenheid hem zóó te waardeeren en zóó lief te hebben als de weinigen, die hem volkomen én in zijne buitengewone grootheid én ook in zijne kleine maar doorgaans nog altijd beminnenswaardige zwakheden hebben gekend.
—Ik heb—merkte Siddha aan,—inderdaad hem zóó nooit leeren kennen, maar toch genoeg van hem kunnen ontdekken om hem niet anders dan met de grootste bewondering en den hoogsten eerbied te herdenken. Ook een ander vorst heb ik gekend, maar die opgehouden had het te zijn; en grooten dank ben ik hem verschuldigd, en dierbaar is mij zijne nagedachtenis; maar nadat ik mij vroeger de vraag had gesteld, wie van die beiden wel de grootste was, kwam ik in later dagen tot de overtuiging, dat de stille en rustige wijsgeer, die van alle wereldsche genietingen afstand had gedaan, toch nog overtroffen werd door den wijsgeer op den troon, die te midden van het woeligst staatsleven diezelfde gelijkmatigheid van karakter en die regtvaardigheid van zin had weten te bewaren, die de ander in zijne afzondering zich had eigen gemaakt. Inderdaad, zoo één, dan heeft wel Akbar zijn naam verdiend!
—Dat zullen wel alle komende geslachten u nazeggen,—sprak Feizi,—in 't Oosten en in 't Westen. Die titel van "de Groote" pleegt door vleijers en begunstigden aan menig vorst te worden toegekend; maar dikwijls met weinig regt. Niet hier aldus. Indien groot te zijn waarlijk beteekent, zichzelf met geen minder kracht dan anderen te beheerschen en een leven van moeiten en zorgen toe te wijden aan het geluk zijner medemenschen, dan was de man wiens gebeente ginds rust in waarheid wel een groot man. Er zijn vorsten geweest, en er zullen er misschien ook nog komen, wier naam in de wereldgeschiedenis meer bekendheid erlangt dan de zijne; er waren er, en er zullen ook mogelijk nog zijn, wien nog hooger roem ten deel valt dan hem; maar zéér zelden toch zal er een magthebber in de geschiedenis zijn aan te wijzen, die te midden van al zijne grootheid zoo volkomen als Akbar zich mensch bleef betoonen in de schoonste en edelste beteekenis van het woord …—En nu:—besloot Feizi, terwijl hij beiden, Siddha en Iravati, de hand drukte,— vaartwel! En denkt ook nog eens aan mij, als ik vér van hier zal zijn. Gij kunt het nu voortaan zonder bitterheid. Ook mijzelven ontneemt die overtuiging een last, die lang mij zwaar gewogen heeft! …
Nog bleef Siddha geruimen tijd nadat Feizi zich langzaam door de breede laan had verwijderd, met zijne Iravati in het park vertoeven. Eindelijk verliet hij met haar ook de plaats, waar hij een laatste, stilzwijgende hulde was komen brengen aan de nagedachtenis van den grooten Keizer.
—Zoo gaan zij dan allen,—sprak hij mijmerend onder 't huiswaarts keeren,—allen die wij leerden kennen en hoogachten! Ook hem zien wij waarschijnlijk nooit terug, die zooeven ons verliet. Toch sterven zulke mannen als Akbar en Aboel Fazl en Feizi niet als de dood een eind aan hun leven maakt! Zij blijven voortbestaan in de herinnering, die ze ons nalaten en in hunne werken. Hunne gedachte bezielt anderen die na hen komen, en wederom anderen die er komen na dezen. Of dàt niet de onsterfelijkheid zou zijn?…
End of Project Gutenberg's Akbar, by Petrus Abraham Samuel van Limburg Brouwer