Chapter 7

Prinses achter traliewerk.De geheime deur bevond zich onder de kamers der prinses. Aladdin vond haar open en snelde de trap op. Het is onmogelijk de vreugde te beschrijven welke de beide echtgenooten ondervonden, toen zij elkander, na een scheiding, die zij voor eeuwig gehouden hadden, eindelijk terugzagen. Zij omhelsden elkander verscheidene malen en gaven elkander alle bewijzen van liefde en teederheid, die men na een zoo treurige en onverwachte scheiding als de hunne maar bedenken kan. Na deze omarming, die met vreugdetranen gepaard ging, zetten zij zich neder, en Aladdin sprak: “Prinses, vóor wij over ietsanders spreken, bezweer ik u in naam van God, zoowel ter wille van uzelf, als om uw vereerden vader, den sultan, en in ’t bijzonder om mijns zelfs wil, zeg mij, wat is er van mijn oude lamp geworden, die ik, voor ik op jacht ging, in de zaal met de vier en twintig vensters op de kroonlijst gezet heb.”Aladdin en prinses.“Ach, dierbare gemaal”, antwoordde de prinses, “ik heb wel al gedacht, dat ons wederzijdsch ongeluk met die lamp in verband stond, en wat mij ontroostbaar maakt is, dat ik er zelve de schuld van ben.”—“Prinses,” hernam Aladdin, “geef uzelve de schuld niet, zij is geheel aan mijn kant, want ik had de lamp zorgvuldigermoeten bewaren. Laat ons er nu echter alleen aan denken, de schade weer te herstellen en doe mij daarom het genoegen en vertel mij uitvoerig hoe zich de zaak heeft toegedragen en in welke handen de lamp gevallen is.”Prinses Bedroelboedoer vertelde daarop aan Aladdin alles; onder welke omstandigheden zij de oude lamp tegen de nieuwe, die zij hierop aan hem liet zien, verruild had, en hoe zij den daaropvolgenden nacht de verplaatsing van het paleis bemerkt en zich in een geheel vreemd land bevonden had, ’t zelfde waar zij nu waren en dat Afrika heette. Dit laatste had zij uit den mond van den schurk zelf gehoord, die haar door zijn tooverkunst hierheen verplaatst had.“Prinses”, onderbrak Aladdin haar, “ge hebt mij den schurk duidelijk genoeg aangeduid, met te zeggen dat wij in Afrika zijn. Hij is de afschuwelijkste van alle menschen; het is er nu de tijd noch de gelegenheid voor u zijn slechtheden omstandig te verhalen, en ik verzoek u alleen mij te zeggen, wat hij met de lamp uitgevoerd en waar hij haar verborgen heeft.”—“Hij draagt haar zoo goed mogelijk in zijn boezem verstopt”, hernam de prinses, “dat kan ik vast zeggen, daar hij haar in mijn tegenwoordigheid te voorschijn gehaald en onthuld heeft, om zich er tegen mij op te verhoovaardigen.”“Geliefde mijns harten”, zei Aladdin hierop, “vergeef mij, als ik u door veel vragen vermoei: het is voor u en mij van het hoogste gewicht. Maar om nu te komen op wat mij bijzonder na aan ’t hart ligt, bezweer ik u mij te zeggen, hoe deze slechte en trouwelooze man u behandeld heeft.”—“Sinds ik hier ben”, antwoordde de prinses, “heeft hij zich maar eens per dag aanmij vertoond, en ik ben overtuigd, dat het slechte gevolg dat hij van zijn bezoeken gehad heeft, hem er van zal terughouden mij nog vaker lastig te vallen. Al zijn toespraken, die hij tot mij richt, hebben ten doel mij er toe te brengen, mijn woord aan u te breken en hem tot mijn gemaal te nemen. Daarbij geeft hij mij te verstaan, dat ik nimmer meer behoef te hopen u weder te zien, want gij waart niet meer in leven en de sultan, mijn vader, had u het hoofd af laten houwen. Tot zijn rechtvaardiging voegt hij erbij, dat gij een ondankbaar schepsel zijt, die al zijn geluk aan hem te danken hebt, en zoo nog allerlei dingen meer, waarop ik niet eens acht sloeg. Daar hij nu van mij geen verder antwoord krijgt dan klachten, zuchten en tranen, moet hij zich telkens even onbevredigd verwijderen als hij gekomen is. Ondertusschen twijfel ik er niet aan, of hij heeft het plan, mijn levendigste smart eerst voorbij te laten gaan, in de hoop dat ik tot andere gedachten mag komen, en eindelijk zal hij geweld gebruiken als ik in mijn verzet volhard. Maar uwe tegenwoordigheid, mijn dierbare gemaal, heeft al mijn zorgen reeds verdreven.”“Prinses”, onderbrak haar Aladdin, “ik koester het vertrouwen, dat gij niets meer te vreezen hebt, en geloof een middel te hebben gevonden, om ons beiden van den gemeenschappelijken vijand te bevrijden. Hiertoe moet ik evenwel noodzakelijk de stad ingaan. Ik zal tegen den middag terugkomen, en u dan mijn plan meedeelen, en wat ge zelf te doen hebt, om tot het welslagen ervan bij te dragen. Maar dit zeg ik u vooruit, verwonder u niet als ge mij in een andere kleeding ziet terugkomen, en geef ’t bevel dat men mij, als ik aan de geheime deur klop, niet langlaat wachten.” De prinses beloofde dat men hem aan de deur zou opwachten en snel openen.Toen Aladdin nu uit de kamer van de prinses en weer buiten het paleis gekomen was, keek hij naar alle kanten rond en bemerkte een landman, die naar ’t veld ging.Daar de boer tamelijk ver van het paleis af was, liepAladdinsnel om hem in te halen, en deed hem het voorstel met hem van kleeren te verwisselen, waarop de boer eindelijk ook inging. De ruil geschiedde achter eenige struiken, en toen zij van elkander scheidden, sloeg Aladdin den weg naar de stad in. Zoodra hij daar was, sloeg hij de straat in die van de poort afliep, en ging van daar een van de drukste straten in, tot hij aan een plein kwam, waar kooplieden en handwerkslieden van allerlei soort hun afzonderlijk straatje hadden. Hij trad nu het straatje van de drogistenhandelaars binnen, ging in den grootsten en best-voorzienen winkel en vroeg den koopman, of deze niet een zeker poeder had, dat hij hem opnoemde. De koopman, die uit Aladdin’s kleeren opmaakte, dat hij arm was en geen geld genoeg had om hem te betalen, antwoordde dat hij het wel had, maar dat het heel duur was. Aladdin ried zijn gedachten, haalde zijn buidel uit den zak, liet eenige goudstukken klinken en verlangde toen een halve drachma van dat poeder. De koopman woog het af, pakte het in en gaf het aan Aladdin en eischte een goudstuk daarvoor. Aladdin overhandigde het hem, en zonder zich in de stad langer op te houden, dan noodig was om eenig voedsel tot zich te nemen keerde hij in zijn paleis terug. Hij behoefde aan de geheime deur niet lang te wachten, zij werd dadelijk voor hem geopend,en zoo ging hijnaar bovenin de kamer van prinses Bedroelboedoer. “Liefste”, zoo sprak hij haar aan, “hoewel gij zulk een afkeer van uw ontvoerder hebt, zal het u toch zwaar vallen den raad te volgen, dien ik u geef. Bedenk echter, dat gij u noodwendig eenig geweld moet aandoen, als gij u van zijn aanzoeken bevrijden, en den sultan uwen vader en mijnen gebieder de vreugde wilt bereiden u ooit weder te zien. “Volg alzoo mijn raad”, voer Aladdin voort, “tooi u dadelijk met uw schoonste kleederen, en als de Afrikaansche toovenaar komt, ontvang hem dan zoo vriendelijk mogelijk. Gij moet echter niet laten merken dat gij u geweld aandoet, maar gij moet hem een vriendelijk gezicht toonen, zoodat hij moet besluiten, dat, zoo er nog eenige droefenis bij u is achtergebleven, deze ook mettertijd wel verdwijnen zal. Geef hem dan in uw gesprekken te kennen, dat ge alle moeite doet mij te vergeten; en om hem volkomen van uw oprechtheid te overtuigen, noodigt gij hem aan den avondmaaltijd, en geeft den wensch te kennen, den besten wijn van zijn land eens te probeeren. Hij zal dan dadelijk wegloopen, om u dien te halen. Terwijl gij nu op zijn terugkomst wacht, en gij den schenktafel in gereedheid laat brengen, stort gij in een der bekers die aan den uwen gelijk is, dit poeder, zet hem dan terzijde en beveel degene van uw vrouwen, die met het schenken belast is, u dezen beker op een afgesproken teeken vol wijn te brengen, en er wel acht op te geven, dat zij zich niet vergist. Als dan de toovenaar terugkomt, en, gij beiden aan tafel zit, en naar hartelust gegeten en gedronken hebt, laat gij u den beker met het poeder brengen en verwisselt gij uwen beker met den zijnen.Hij zal dit als zulk een hooge eer beschouwen, dat hij het niet zal weigeren en den beker tot op den bodem zal ledigen; nauwelijks echter zal hij hem uitgedronken hebben, of gij zult hem achterover zien zinken. Mocht gij het al te afschuwelijk vinden, uit zijn beker te drinken, houd u dan maar zoo of gij drinkt, en gij hebt er niets bij te vreezen; want het poeder zal zulk een snelle uitwerking hebben, dat hij geen tijd zal hebben om op te merken of gij drinkt of niet.”Daarop antwoordde de prinses: “Ik beken dat het mij een groote overwinning op mijzelf zal kosten, den toovenaar op deze wijze tegemoet te komen, waarvan ik toch de noodzakelijkheid inzie. Waartoe is men niet in staat tegenover zulk een gruwzamen vijand. Ik zal dus doen wat gij mij aanraadt, daar zoowel mijn als uw veiligheid daarvan afhangt.” Na deze afspraak nam Aladdin afscheid van de prinses en bracht het overige deel van den dag in den omtrek van het paleis door met het plan zich met het aanbreken van den nacht weer aan de geheime deur te bevinden. Prinses Bedroelboedoer, ontroostbaar dat zij niet alleen van haar geliefden gade, dien zij van den beginne af meer uit ware liefde dan uit gehoorzaamheid aan haren vader gehuwd had, maar ook van den sultan, haar vader, wiens teedere liefde zij met dezelfde teederheid beantwoordde, gescheiden was, had sinds het oogenblik der smartelijke scheiding haar uiterlijk zeer verwaarloosd. Ja, zij had zelfs de reinheid uit het oog verloren, die toch haar geslacht zoo bijzonder goed staat, in ’t bijzonder sinds de Afrikaansche toovenaar haar voor de eerste maal bezocht had, en zij van haar vrouwen, die hem herkenden, gehoord had, dat het dezelfde was diede oude lamp tegen eene nieuwe verruild had; want door dit afschuwelijk bedrog was hij haar tot een gruwel geworden. Nu echter, daar zich de gelegenheid voordeed, de verdiende wraak op hem te nemen, en zelfs vroeger dan zij had durven hopen, besloot zij Aladdin’s wensch te volvoeren. Zoodra hij zich daarom verwijderd had, zette zij zich voor haar kaptafel, liet zich door haar vrouwen zoo prachtig mogelijk kleeden en koos het rijkste en bij haar voornemen ’t best passende staatsiegewaad uit. Haar gordel was van louter goud, en met de grootste en kostbaarste diamanten bezet; om den hals droeg zij een snoer van slechts dertien paarlen, waarvan echter de zes paarlen aan den kant tot de middelste, die de grootste en kostbaarste was, in zulke verhouding stonden, dat de grootste sultanen en koninginnen zich gelukkig zouden gerekend hebben, indien zij slechts een volledig snoer van de grootte der beide kleinste paarlen in het halssnoer der prinses bezeten hadden. De armbanden, die met robijnen en diamanten bezet waren, kwamen treffend overeen met den rijkdom van den gordel en van het halssnoer.Toen prinses Bedroelboedoer geheel gekleed was, haalde zij haar spiegel te voorschijn, vroeg haren vrouwen hoe zij er uitzag en daar zij zich overtuigd had, dat haar geen der bekoorlijkheden ontbrak, die den dwazen hartstocht van den Afrikaanschen toovenaar konden prikkelen, ging zij op de sofa zitten en wachtte zijn komst.De toovenaar verzuimde niet, op het gewone uur te komen. Zoodra de prinses hem de zaal met de vier en twintig vensters, waar zij hem verwachtte, zag binnentreden, stond zij op in al den glans harer bekoorlijkheid, wees hem metde hand de eereplaats die hij zou innemen, en zette zich dan tegelijk met hem: een zeer bijzondere hoffelijkheid, die zij hem tot dusver nog niet bewezen had.Den Afrikaanschen toovenaar verblindde meer de glans uit de schoone oogen der prinses, dan de stralende edelgesteenten, waarmee zij zich getooid had, zoodat hij geheel verrast was. Haar koninklijke houding en de vriendelijke minzaamheid waarmee zij hem ontving, terwijl zij hem tot nog toe zoo stug had teruggewezen, maakten zulk een indruk op hem dat hij nauwelijks bij zijn zinnen bleef. Hij wilde aanvankelijk op het uiterste randje van de sofa plaats nemen; maar toen hij zag dat de prinsese niet eer ging zitten voor hij had plaats genomen waar zij wenschte, gehoorzaamde hij. Toen de Afrikaansche toovenaar zich gezet had, nam de prinses, om hem uit de verlegenheid te helpen, het woord, en terwijl zij hem aankeek op een manier die hem moest doen besluiten dat hij haar niet meer zoo hatelijk was als tot nog toe, sprak zij tot hem: “Gij zult u zonder twijfel verwonderen, dat gij mij thans geheel anders aantreft, dan vroeger, maar ge zult het u verklaren kunnen, als ik u zeg dat mijn gansche gemoedsgesteldheid zoodanig is, dat zij een afkeer heeft van alle treurigheid, zwaarmoedigheid, bedroefdheid en zorgen; en dat ik die altijd zoo spoedig mogelijk van mij afschud, zoodra ik er geen gegronde oorzaak meer voor zie. Ik heb alles wat gij mij van Aladdin’s lot verteld hebt, wel overlegd, en daar ik het karakter van mijn vader zeer goed ken, ben ik er met u van overtuigd, dat hij aan de verschrikkelijke gevolgen van zijn toorn niet ontkomen is. Als ik er nu op wilde staan, mijn heeleverdere leven om hem te weenen, zie ik toch wel in dat mijn tranen hem niet in het leven terug zouden roepen. Daarom geloof ik, dat ik, na hem alle liefde, ook in het graf, bewezen te hebben, nu ook alle middelen moet te baat nemen om mij te troosten. Dit zijn de gronden voor de verandering, die gij bij mij bespeurt. Om nu dadelijk elke aanleiding tot treurigheid te verwijderen, die ik besloten ben ook voorgoed te verbannen, heb ik een avondmaaltijd laten bereiden, waarbij ik hoop dat gij zoo vriendelijk zult zijn mij gezelschap te houden. Daar ik echter slechts Chineeschen wijn heb en mij toch in Afrika bevind, heeft mij de lust bekropen, den hier te lande groeienden te proeven, en ik twijfel niet, of gij zult den besten weten uit te kiezen, als hier goede mocht zijn.”De Afrikaansche toovenaar, die het geluk, zoo snel en zoo gemakkelijk prinses Bedroelboedoer’s gunst te winnen, voor onmogelijk gehouden had, zei dat hij nauwelijks woorden kon vinden om zijn dank genoegzaam uit te drukken, en om dit gesprek, waarbij hij nog immer zeer in verlegenheid was, spoedig te besluiten, bracht hij het snel op den Afrikaanschen wijn, waarover zij gesproken had, en zeide onder alle voorrechten waarop zich Afrika kon beroemen, stond een voortreffelijke wijn bovenaan, en de allerbeste groeide in dat deel van het land, waar zij zich thans bevonden; hij had een vat, dat al zeven jaar gevuld en nog niet aangestoken was, en hij dacht niet te veel te zeggen, als hij beweerde, dat de qualiteit van dezen wijn die van elken anderen op de heele aarde overtrof. “Als mijn prinses het mij wil vergunnen”, voegde hij erbij, “dan wil ik er twee flesschen van halen enoogenblikkelijk weer terug zijn.”—“Het zou mij leed doen, als ik u zooveel moeite veroorzaakte”, zei de prinses, “gij zoudt wel iemand kunnen sturen”.—“Neen”, antwoordde de Afrikaansche toovenaar, “ik moet noodzakelijk zelf gaan; niemand buiten mij weet, waar de sleutel van dezen kelder is; ook weet niemand het geheim, hem te openen.”—“Als dat zoo is”, zei de prinses, “ga dan zelf, en kom spoedig terug. Hoe langer gij uitblijft, des te grooter zal mijn ongeduld zijn, u weer te zien, en zoodra gij terugkomt zetten wij ons aan tafel.”De Afrikaansche toovenaar, vol hoop op zijn vermeend geluk, liep niet maar vloog om zijn zevenjarigen wijn te halen, en kwam zeer spoedig terug. Ondertusschen had de prinses, die er niet aan twijfelde of hij zou zich zeer haasten, het poeder dat Aladdin haar gebracht had, in een beker geworpen, dien zij daarna aan den kant zette, en liet nu dadelijk opdragen. Zij zetten zich tegenover elkander aan tafel, zoodat de toovenaar met den rug naar de schenktafel toe zat. De prinses legde hem van alles het beste voor en zei tot hem: “Als gij het verlangt, zal ik muziek laten maken en laten zingen; maar daar wij hier beiden alleen zijn, denk ik dat wij meer genoegen zullen smaken, als wij tezamen wat praten.” De toovenaar beschouwde deze keus der prinses als een nieuwe gunst.Nadat zij eenige beten genuttigd had, verlangde de prinses te drinken. Ze dronk op de gezondheid des toovenaars en zei dan tot hem: “Gij hadt alle recht uwen wijn te prijzen; ik heb nog nooit zoo kostelijken wijn gedronken.”—“Bekoorlijke prinses”, antwoordde hij, “terwijl hij den beker die hem gereikt werd, in de handhield, “mijn wijn krijgt door uw bijval een nieuwe voortreffelijkheid.”—“Drink op mijn gezondheid”, zei de prinses, “dan zult gij zelf zien dat ik hem beoordeelen kan.” Hij dronk op de gezondheid der prinses, zag dan den beker aan, en zei: “Prinses, ik acht mij gelukkig dat ik dit vat voor zulk een goede gelegenheid bewaard heb; ik beken zelf dat ik mijn heele leven nog zoo’n voortreffelijken wijn niet gedronken heb.”Toen zij nog meer gegeten en nog driemaal gedronken hadden, gaf eindelijk de prinses die den Afrikaanschen toovenaar door haar vriendelijkheid en lieftalligheid het hoofd geheel op hol gebracht had, de vrouw die met schenken belast was, het afgesproken teeken, en terwijl men haar den beker met wijn bracht, beval zij ook dien van den toovenaar te vullen en hem over te reiken.Toen nu beiden den beker in de hand hadden, sprak zij tot den Afrikaanschen toovenaar: “Ik weet niet, hoe het bij u te lande onder minnenden die met elkander drinken de gewoonte is; bij ons in China verwisselen beiden hun bekers met elkander en drinken elkanders gezondheid.” Met deze woorden reikte zij hem den beker over, dien zij in de hand hield, en strekte de andere hand uit om den zijnen in ontvangst te nemen.De Afrikaansche toovenaar haastte zich met des te meer vreugde haar wensch na te komen, daar hij het als een zeker teeken beschouwde, dat hij het hart der prinses nu geheel veroverd had, en hield zich voor den gelukkigste aller stervelingen. Eer hij dronk, zei hij met den beker in de hand: “Prinses, wij Afrikanen zijn lang niet zoo ver in de kunst, de liefde met alle mogelijkevoorkomendheden te kruiden, als de Chineezen en terwijl ik hier iets leer, wat ik nog niet wist, voel ik tegelijkertijd hoe hoog ik deze gunst te schatten heb. Nooit zal ik vergeten, beminnelijke prinses, dat ik uit uw beker gedronken en daarmee tevens het leven teruggevonden heb, waarvan ik reeds niets meer gehoopt had, als gij nog langer in uw wreedheid volhard hadt.”Prinses Bedroelboedoer, wie het nuttelooze gepraat van den toovenaar verveelde, viel hem in de rede en zei: “Laat ons nu drinken, later kunt gij verder spreken.” Tegelijkertijd voerde zij den beker aan den mond, raakte hem echter slechts met de lippen aan, terwijl de Afrikaansche toovenaar zich beijverde haar vóór te zijn, en den zijnen ledigde zonder er een droppel in te laten. Daar hij bij het uitdrinken zijn hoofd wat achterover geneigd had, om zijn ijver te toonen, bleef hij nog een wijle in deze houding, tot de prinses, die nog steeds den rand van den beker aan hare lippen hield, zag, dat zijn oogen zich verdraaiden en hij zonder bewustzijn ruggelings achteroverzonk.De prinses behoefde niet lang te bevelen, dat men Aladdin de geheime deur zou openen. Haar vrouwen, met wie alles van te voren was afgesproken, hadden zich op behoorlijke afstanden van de zaal tot onder aan de trap opgesteld, zoodat de geheime deur bijna op hetzelfde oogenblik geopend werd, waarin de Afrikaansche toovenaar in elkaar gezakt was.Aladdin kwam boven en trad de zaal binnen. Toen hij den Afrikaanschen toovenaar op de sofa uitgestrekt zag, en prinses Bedroelboedoer hem vol vreugde met open armen tegemoet snelde,hield hij haar terug en zei: “Het is daarvoor nu nog geen tijd, prinses; doe mij het genoegen en begeef u naar uw kamer en zorg ervoor dat men mij alleen laat, terwijl ik mijn voorbereidingen tref om u even snel weer naar China terug te brengen, als gij vandaar ontvoerd zijt.”Zoodra de prinses met haar vrouwen en bedienden de zaal verlaten had, sloot Aladdin de deur, ging op het ontzielde lichaam van den toovenaar toe, opende zijn kleed en haalde er de lamp uit, die nog zoo omhuld was als de prinses hem beschreven had. Hij wikkelde haar los, wreef haar en dadelijk verscheen de geest met zijn gewonen groet. “Geest”, zei Aladdin, “ik heb u geroepen, om u in naam der lamp, uw meesteres die gij hier voor u ziet, te bevelen dat gij dit paleis weer naar China laat terugbrengen en wel op dezelfde plaats, vanwaar het vervoerd is.” De geest gaf door een hoofdknik te verstaan, dat hij zou gehoorzamen en verdween. De verplaatsing geschiedde werkelijk en men bespeurde haar slechts aan twee zeer kleine schokken: één, toen het paleis van zijn plaats in Afrika werd opgenomen, en een toen het weder in China tegenover het paleis van den sultan werd neergelaten; dit alles was het werk van een paar oogenblikken.Aladdin ging nu naar de kamer van de prinses, omhelsde haar en zei tot haar: “Prinses, ik kan u verzekeren, dat uw vreugde en de mijne morgen volmaakt zullen zijn.” Daar de prinses haar avondmaaltijd nog niet beëindigd had en Aladdin naar eten verlangde, liet zij uit de zaal met de vier en twintig vensters de spijzen, die daar waren klaargezet, doch nauwelijks aangeraakt waren, op haar kamer brengen. De prinses enAladdin aten nu tezamen en dronken van den goeden wijn van den Afrikaanschen toovenaar. Ik zal niets van hun verder onderhoud meedeelen, dat niet anders dan zeer vergenoegd zijn kon, en voeg er slechts bij dat zij zich eindelijk ter ruste begaven.Sinds de ontvoering van het paleis en van prinses Bedroelboedoer was de sultan, haar vader, ontroostbaar, daar hij haar voor immer verloren waande. Hij kon dag noch nacht rust vinden, en in plaats van alles te vermijden wat zijn smart nieuw voedsel kon verschaffen, zocht hij dat als ’t ware op. Terwijl hij bijvoorbeeld vroeger alleen ’s morgens naar den open uitbouw van zijn paleis was gegaan, om zijn oogen aan den aanblik te vergasten, waarvan hij maar niet zat kon worden, ging hij nu meermalen overdag erheen om zijn tranen vrijen loop te laten en zich immer weer in zijn droefheid te verdiepen door te denken dat hij alles wat hem voorheen zoo welgevallig geweest was, nooit weer zou zien, en het liefste dat hij ter wereld bezeten had, hem voor altijd ontrukt was. Ook op den morgen, dat Aladdin’s paleis weer op zijn oude plaats was teruggebracht, vertoonde zich nauwelijks het morgenrood aan den horizont, of de sultan ging in zijn uitbouw. Hij was zoo in zichzelven gekeerd en zoo doordrongen van zijn smart, dat hij zijn oogen treurig naar den kant wendde waar hij slechts een ledige ruimte en geen paleis meer dacht te zien. Toen hij nu opeens deze plaats weer gevuld zag, hield hij het voor een nevel. Eindelijk echter, nadat hij opmerkzamer gekeken had, erkende hij dat het heel zeker Aladdin’s paleis was. Vreugde en blijdschap maakten zich nu na langen kommer en treurigheid van zijnhart meester. Hij keerde ijlings naar zijn kamer terug en beval dat men hem een paard zou voorbrengen. Hij wierp zich in den zadel, reed voort, en het was hem als kon hij maar niet vlug genoeg bij Aladdin’s paleis komen.Sultan kijkt uit raam paleis.Aladdin, die dit wel voorzien had, was met het krieken van den dag opgestaan, had een zijner prachtigste gewaden aangetrokken en zich toen in de zaal met de vier en twintig vensters begeven vanwaar hij den sultan ook zag aankomen. Hij snelde weg en kwam nog net vroeg genoeg om hem onder aan den hoofdtrap op te wachten en hem te helpen van ’t paard stijgen. “Aladdin”, sprak de sultan tot hem; “ik kan niet met u spreken alvorens mijn dochter te hebben gezien en omhelsd.”Aladdin voerde den sultan in de kamer van prinses Bedroelboedoer, die juist met kleeden gereed was; want Aladdin had haar bij het opstaan eraan herinnerd, dat zij niet meer in Afrika, maar in China, in de hoofdstad van den sultan, tegenover zijn paleis was. De sultan omhelsdezijn dochter meermalen, terwijl hem de vreugdetranen over de wangen liepen, en de prinses, van haar kant, bewees hem op alle mogelijke wijzen, hoe blij zij was, hem weerom te zien.De sultan was een tijdlang sprakeloos van ontroering nu hij zijn geliefde dochter, die hij reeds zoo lang beweend had, weerom gevonden had, en ook de prinses vergoot veel tranen van blijdschap nu zij haar vader, den sultan, terugzag. Eindelijk nam de sultan het woord en sprak: “Geliefde dochter, ik wil gelooven dat de vreugde des wederziens u in mijn oogen zoo vroolijk en weinig veranderd doet schijnen, alsof u heelemaal niets onaangenaams gebeurd was, en toch ben ik overtuigd, dat gij veel hebt uitgestaan. Men wordt niet zoo snel met zijn heele paleis verplaatst, zonder dat daarmede een schrikkelijke onrust en groote angst gepaard gaan. Ik wensch nu dat ge mij vertelt, hoe de zaak zich heeft toegedragen, en gij mij niets verzwijgt.De prinses schiep er behagen in, den wensch van den sultan, haar vader, gehoor te geven. “Heer”, sprak zij tot hem, “als ik u zoo onveranderd lijk, bid ik u wel te bedenken, dat ik reeds sinds gistermorgen vroeg weer ben begonnen te leven, toen ik mijn dierbaren gemaal en bevrijder aanschouwde, dien ik reeds verloren gewaand en beweend heb, terwijl de gedachte, u te mogen omarmen, elk spoor van vroeger verdriet van mij heeft weggevaagd. Om het vrij te zeggen, mijn heele ongeluk bestond daarin, dat ik mij aan u en mijn gemaal ontrukt zag; ook was ik niet slechts in angst om het verlies van mijn echtgenoot, maar vooral om de treurige gevolgen van uw toorn, waaraan hij, hoe onschuldig ook, zondertwijfel moest zijn blootgesteld. Minder heb ik van de onbeschaamdheid van mijn ontvoerder geleden, die tot mij sprak op een wijze die mij niet beviel. Ik wist mij dadelijk zulk een gezag over hem te verschaffen, dat ik hem tot zwijgen bracht. Overigens werd mij even weinig dwang aangedaan als op dit oogenblik. Wat mijn ontvoering betreft, daaraan heeft Aladdin niet de minste schuld; ik zelf ben er de oorzaak van, maar op een hoogst onschuldige wijze.” Om den sultan van de waarheid harer woorden te overtuigen, vertelde zij hem uitvoerig, hoe de Afrikaansche toovenaar zich als een lampenkoopman verkleed had, die oude lampen tegen nieuwe inruilde, en hoe zij hem voor den grap Aladdin’s lamp, waarvan zij de geheime kracht niet gekend had, tegen een nieuwe had ingeruild, waarop het paleis met haar en de overige bewoners was opgeheven, en met den Afrikaanschen toovenaar naar Afrika was overgebracht; den laatsten hadden twee harer vrouwen en de bediende, die de lamp geruild had, dadelijk herkend, toen hij de onbeschaamdheid gehad had, zich aan haar voor te stellen na het gelukkig welslagen van zijn onderneming, en haar een huwelijksaanbod te doen; verder vertelde zij van de herhaalde aanzoeken, die zij tot Aladdin’s komst had moeten verduren, en van de maatregelen die zij gezamenlijk getroffen hadden, om hem de lamp die hij bij zich droeg, te ontrukken; hoe hun dit gelukt was, doordat zij zichzelve geweld aangedaan had en hem op haar kamer aan den avondmaaltijd had uitgenoodigd, waar zij hem dan den vergiftigden wijn had toegediend. “Omtrent het overige”, voegde zij erbij, “moge Aladdin u inlichten.”Aladdin maakte zijn verhaal kort. “Toen men mij”, zei hij, “de geheime deur geopend had, ging ik snel naar de zaal met de vier en twintig vensters en daar ik den verrader door de werking van het poeder dood op de sofa zag liggen, verzocht ik de prinses, daar een langer verblijf haar zeker niet welkom was, met haar vrouwen en bedienden naar haar vertrekken te gaan. Ik bleef nu alleen achter, haalde de lamp uit het gewaad van den toovenaar en gebruikte haar geheime kracht, waarvan hij zich bediend had, om de prinses en het paleis te rooven. Zoo heb ik ’t dan gedaan gekregen dat het paleis weer op zijn plaats staat, en ben zoo gelukkig u volgens uw bevel de prinses terug te brengen. Alles, wat ik u daar vertel, is de zuivere waarheid, en als gij u naar boven in de zaal begeven wilt, zult gij zien, dat de toovenaar naar verdienste gestraft is.”Om zich geheel te overtuigen, ging de sultan naar boven, en toen hij den Afrikaanschen toovenaar dood, en zijn gezicht geheel blauwzwart door de werking van het vergift vond, omhelsde hij Aladdin met veel teederheid en zeide hij tot hem: “Mijn zoon, neem mij mijn gedrag tegenover u niet kwalijk; slechts mijn vaderliefde was daaraan schuld, en ge moet mij de overijling, tot welke ik mij liet verleiden, vergeven.”—“Heer”, antwoordde Aladdin, “ik heb niet de minste reden, mij over u te beklagen; gij hebt slechts gedaan, wat gij doen moest. Die schandelijke toovenaar, dat uitvaagsel der menschheid, was de eenige oorzaak, dat ik uw gunst verloor. Als gij eens gelegenheid hebt, zal ik u van een andere snoodheid vertellen, die hij mij heeft aangedaan, en die niet minder verschrikkelijk is, dan zijnlaatste, waarvoor mij Gods bijzondere genade bewaard heeft.”“Ik zal zorgen dat deze gelegenheid spoedig komt”, antwoordde de sultan, “en wel heel spoedig. Laat ons er nu evenwel aan denken vroolijk te zijn, en te zorgen dat dit gehate lichaam hiervandaankomt.”Aladdin liet het lijk van den toovenaar wegbrengen en op den mesthoop werpen, ten einde den vogelen des velds tot voedsel te strekken. De sultan gaf echter bevel door trommels, pauken, trompetten en andere instrumenten het teeken tot een algemeene vreugde te geven, en liet een tiendaagsch vreugdefeest aankondigen, om den terugkeer van prinses Bedroelboedoer en Aladdin te vieren.Zoo ontkwam Aladdin ten tweeden male aan een doodsgevaar; maar het was nog niet het laatste, en hij moest nog een derde, even gevaarlijke beproeving doorstaan, die wij hier uitvoerig verhalen zullen.De Afrikaansche toovenaar had nog een jongeren broeder, die in de tooverkunst niet minder bedreven was dan hij; ja, men kan zeggen dat hij dezen nog in boosheid en listen overtrof. Daar zij niet steeds tezamen of in dezelfde stad leefden, en de een zich menigmaal in het oosten bevond terwijl de andere in het westen was, lieten zij niet na door middel der punteerkunst eens per jaar uit te vinden in welk deel der wereld ieder van hen leefde, hoe het hem ging en of hij ook de hulp van den ander noodig had.Korten tijd nadat de Afrikaansche toovenaar bij zijn aanslag tegen Aladdin’s geluk den dood gevonden had, wilde zijn jongere broeder die sinds jaar en dag geen bericht van hem had ontvangen, en zich niet in Afrika maar in een zeer ver afgelegen land ophield, weten waar hij zich ter wereld bevond, hoe hij het maakte en wat hij uitvoerde. Evenals zijn broeder had hij overal waar hij ging zijn punteer-vierhoek bij zich. Hij nam nu dezen vierhoek, effende het zand, maakte de punten, trok de figuren en lijnen en stelde de horoscoop. Terwijl hij nu alle afzonderlijkefiguren doorliep, vond hij door de eene dat zijn broeder niet meer leefde, door de andere, dat hij vergiftigd was geworden en plotseling gestorven was, door de derde dat dit in China, door de vierde dat het in een hoofdstad van China, daar en daar gelegen, gebeurd was, en eindelijk dat hij die hem vergiftigd had, een man van nederige afkomst was, die een prinses van den sultan gehuwd had.Toen de toovenaar op deze wijze het treurige uiteinde van zijn broeder ervaren had, verloor hij geen tijd met nuttelooze klachten, waardoor zijn broeder toch niet levend had kunnen worden, maar besloot oogenblikkelijk, zijn dood te wreken, steeg te paard en begaf zich op weg naar China. Hij moest over vlakten, rivieren, bergen, woestenijen; en na een lange reis kwam hij eindelijk, nadat hij zich onderweg nergens had opgehouden en na ongeloofelijke moeielijkheden, in China aan en was spoedig daarop in de hoofdstad die hij door zijn punteerkunst had weten uit te vinden. Daar hij zeker wist dat hij zich niet vergist, en dit koninkrijk niet met een ander verwisseld had, bleef hij in de hoofdstad en sloeg er zijn zetel op.Den dag na zijn aankomst ging de toovenaar uit en wandelde door de stad, niet zoozeer om hare schoonheden te bewonderen, die hem hoogst onverschillig waren, als om dadelijk op maatregelen te zinnen voor de uitvoering van zijn verderfelijk plan; daarom ging hij naar de meest bezochte plaatsen en luisterde begeerig naar alles wat er gesproken werd. Op een plaats waar men zich met allerlei spelen den tijd verdreef, en waar, terwijl de eenen speelden, de anderen zich met de nieuwtjes van den dag of met hun eigengeschiedenissen bezighielden, hoorde hij zeer merkwaardige dingen vertellen van de deugd en vroomheid, ja zelfs van de wonderdaden van een, der wereld afgescheidene vrouw, Fatime genaamd. Daar hij geloofde, dat deze vrouw hem bij zijn voornemen wellicht behulpzaam zou kunnen zijn, nam hij een van het gezelschap ter zijde om iets naders omtrent die heilige vrouw en hare wonderen te vernemen.“Wat”, zei de aangesprokene tot hem, “gij hebt deze vrouw nog nooit gezien en ook niet van haar hooren spreken? Zij is door haar vasten, haar strenge levenswijze en het voorbeeld dat zij geeft, een voorwerp van algemeene bewondering in de geheele stad. Behalve Maandags en Vrijdags, verlaat zij haar kleine kluis niet en de dagen waarop zij zich in de stad vertoont, doet zij oneindig veel goeds; ook geneest zij ieder die met hoofdpijn behept is, door oplegging der handen.”De toovenaar verlangde op dit punt niet meer te weten, maar vroeg alleen nog in welk deel der stad haar eenzame woning te vinden was. De man beschreef hem de plek nauwkeurig; de toovenaar echter, nadat hij deze mededeeling ontvangen en het verderfelijke plan, waarvan wij zoo dadelijk zullen spreken, had opgevat en ontworpen, bespiedde, om van zijn taak nog zekerder te zijn, reeds den eersten dag, dat zij uitging, al haar schreden en verloor haar niet uit het oog tot hij haar ’s avonds in haar eenzame woning zag terugkeeren. Toen hij zich de plaats goed ingeprent had, begaf hij zich naar een der reeds boven genoemde huizen, waar men een zekeren warmen drank gebruikte en als men lust had ook den nacht kon doorbrengen, voornamelijkbij groote hitte, wanneer men in deze warme landen liever op matten dan in bedden slaapt.Tegen middernacht betaalde de toovenaar den waard zijn kleine vertering en ging rechtstreeks naar de eenzame woning van Fatime, de heilige vrouw, want onder dien naam was zij in de heele stad bekend. Hij opende zonder moeite de met een klink gesloten deur, trad binnen en deed de deur heel zachtjes weder toe; daarbinnen zag hij bij het helle maanlicht Fatime liggen die in de open lucht op een sofa sliep. Hij naderde haar, trok een dolk, die hij in zijn gordel droeg en wekte haar.Toen de arme Fatime haar oogen opsloeg, schrok zij vreeselijk bij het zien van een man, die op het punt stond haar te vermoorden. Hij zette haar de dolk op de borst, maakte een gebaar, alsof hij wilde toestooten en zei tot haar: “Als ge schreeuwt, of slechts het minste gedruisch maakt, dan zijt gij een kind des doods; sta nu echter op, en doe wat ik u zeggen zal.”Fatime, die zich gekleed ter ruste had gelegd, stond sidderend en bevend op. “Vrees niet”, sprak de toovenaar tot haar, “ik verlang alleen uw kleed; geef het mij en neem daarvoor het mijne.” Zij ruilden hun kleeren, en nadat de toovenaar Fatime’s kleed had aangetrokken zei hij: “Verf mij nu het gezicht, zoodat ik er uitzie als gij en zorg dat de verf niet uitwischt.” Daar hij zag, dat zij nog steeds sidderde, zeide hij om haar gerust te stellen, en opdat zij des te nauwkeuriger zijn wensch vervullen mocht, nogmaals tot haar: “Vrees niets; ik zweer u bij den naam van God, dat ik u in het leven zal laten.” Fatime liet hem toen in haar cel treden, stak haar lampaan, nam een penseel en een zeker sap dat zij in een vat had staan, wreef hem daarmee het gezicht in en verzekerde hem toen dat zijn gezicht geheel op het hare geleek en dat de kleur niet verdwijnen zou. Hierop zette zij hem hare hoofdbedekking op en deed hem haar sluier voor en wees hem hoe hij zich op zijn gang door de stad het gezicht ermee bedekken moest. Eindelijk, nadat zij hem nog een grooten rozenkrans, die vóór aan haar gordel hing, om den hals had geslagen, gaf zij hem denzelfden staf, dien zij gewoonlijk droeg in de hand, hield hem toen een spiegel voor en zei: “Zie nu zelf hoe gij mij gelijkt, als het eene ei op het andere.” De toovenaar vond alles naar wensch, maar hield de goede Fatime den eed niet, dien hij zoo plechtig had afgelegd. Opdat men geen bloedsporen zou zien, als hij haar doorstak, worgde hij haar, en toen hij zag, dat zij den geest gegeven had, sleepte hij haar lijk bij de voeten naar de waterton van de kluis en wierp haar daar in.Na de volvoering van dezen gewetenloozen moord bracht de als Fatime verkleede toovenaar het overige van den nacht in de eenzame kluis door. Den volgenden morgen ging hij, hoewel dit geen gewone uitgaansdag van de heilige vrouw was, toch uit, want hij meende dat wel niemand hem ernaar zou vragen, en zoo ja, dan zou hij hem wel te woord staan. Daar hij bij zijn aankomst vóór alle dingen naar Aladdin’s paleis gevraagd had, en omdat hij daar zijn rol wenschte te spelen, sloeg hij dadelijk den weg daarheen in.Iedereen hield hem voor de heilige vrouw, en zoo was hij spoedig door een groote menigte omringd. Eenigen smeekten dat hij hen in zijngebeden mocht gedenken, anderen kusten hem de hand, weer anderen, die nog eerbiediger waren, kusten den zoom van zijn kleed, en nog anderen, die of werkelijk hoofdpijn hadden, of zich daartegen wilden vrijwaren, bogen zich voor hem opdat hij hun zijn handen mocht opleggen, wat hij ook deed terwijl hij eenige woorden prevelde die op een gebed leken; kortom, hij bootste de heilige vrouw zoo goed na, dat ieder hem voor haar aanzag. Nadat hij meermalen onderweg was blijven staan, om die lieden te bevredigen, die van deze manier van handenopleggen, voor- noch nadeel hadden, kwam hij eindelijk op de plaats voor Aladdin’s paleis, waar zich nog meer volk verzameld had, zoodat het veel moeite kostte, tot hem te naderen. De sterksten en begeerigsten drongen zich met geweld door het gewoel en daarover verhieven zich klachten en zulk een geschreeuw, dat men het in de zaal met de vier en twintig vensters hooren kon.De prinses vroeg wat dat leven te beteekenen had, en daar niemand het haar zeggen kon, beval zij eens te gaan zien en ’t haar mede te deelen. Een harer vrouwen keek, zonder de zaal te verlaten, door een venster en meldde haar dat het lawaai van een volksmenigte kwam, die de heilige vrouw omgaf, om zich door handen opleggen van hoofdpijn te bevrijden.De prinses, die reeds lang veel goeds van de heilige vrouw gehoord, maar haar nog niet gezien had, was nieuwsgierig met haar kennis te maken en met haar te spreken. Zoodra zij daarvan iets liet merken, zeide de opperste harer dienaren, die aanwezig was, als zij het wenschte, zou hij de vrouw boven roepen; zij had slechts te bevelen. De prinses stemde toe en vaardigde dadelijkvier bedienden af met het bevel de zoogenaamde heilige vrouw naar boven te leiden.Zoodra de bedienden de poort van Aladdin’s paleis uitkwamen en op het punt toeliepen, waar de Afrikaansche toovenaar stond, week de menigte uiteen, en toen deze nu zichzelf vrij en de bedienden op zich zag toekomen, ging hij hun met te meer vreugde een eindweegs tegemoet daar hij dacht dat zijn schelmstuk reeds een goeden aanvang nam. Een van de dienaren nam het woord en zei: “Heilige vrouw, de prinses wenscht u te spreken; kom en volg ons.”—“De prinses bewijst mij veel eer”, antwoordde de zoogenaamde Fatime; “ik ben bereid te gehoorzamen.” Met deze woorden volgde hij de bedienden, die reeds den terugweg naar het paleis hadden ingeslagen.Toen de toovenaar, die onder een heilig kleed een duivelsch hart verborg, in de zaal met de vier en twintig vensters kwam en de prinses bemerkte, begon hij met een gebed dat een lange reeks wenschen voor haar welzijn, haar geluk en de vervulling van al haar begeerten bevatte. Hierop ontplooide hij al zijn leugenachtige en huichelachtige redeneerkunst, om zich onder den dekmantel van groote vroomheid in het hart der prinses een plaats te veroveren, wat hem zooveel te gemakkelijker gelukte, daar de prinses met haar natuurlijke goedhartigheid de overtuiging had, dat alle menschen even goed waren als zij zelf, vooral echter die mannen en vrouwen, die het voor hun plicht hielden, God in de eenzaamheid te dienen.Toen de gewaande Fatime haar lange toespraak geëindigd had, zei de prinses tot haar: “Mijne goede moeder, ik dank u voor uwe schoonegebeden, ik stel er een groot vertrouwen in en hoop dat God ze moge verhooren. Kom dichterbij en zet u hier neder.” De gewaande Fatime nam met gehuichelde bescheidenheid plaats. Hierop nam de prinses weder het woord en zei: “Goede moeder, ik vraag u om iets, dat ge mij moet bewilligen en wat ge niet moogt afslaan, namelijk dat ge bij mij blijft, mij de geschiedenis van uw leven vertelt en mij door uw goede voorbeeld leeren zult hoe ik God moet dienen.”“Prinses”, zei hierop de pseudo-Fatime, “ik bid u, verlang niets van mij, dat ik niet bewilligen kan, zonder mij geheel te verstrooien en van mijn gebeden en vrome oefeningen de aandacht af te wenden.”—“Dat behoeft u niet te verontrusten”, hernam de prinses, “ik heb verschillende kamers die niet bewoond worden, kies er u een uit, dat u het beste bevalt, dan kunt gij daar uw oefeningen even rustig houden als in uw afzondering.”De toovenaar die geen ander doel had, dan in Aladdin’s paleis te komen, daar het hem veel gemakkelijker moest vallen, zijn schelmstuk uit te voeren, wanneer hij onder begunstiging van de bescherming der prinses daar zelf woonde, dan dat hij telkens van zijn eenzame huis naar het paleis, en vandaar weer terug had moeten loopen, maakte geen groote tegenwerpingen meer op het vriendelijke aanbod der prinses en nam het aan. “Prinses”, sprak hij tot haar, “hoe vast ook het besluit van een arme onaanzienlijke vrouw, als ik ben, van de wereld met haar genietingen afstand te doen, moet staan, waag ik het toch niet den wil en den wensch van een zoo vrome en milddadige prinses te weerstreven.”Op dit antwoord van den toovenaar stond deprinses op en zeide tot hem: “Sta op en kom met mij mee, dan zal ik u mijn leege kamers wijzen, opdat gij er een kunt uitzoeken.” Hij volgde prinses Bedroelboedoer en koos uit haar vertrekken, die alle zeer mooi en prachtig gemeubileerd waren, het minst mooie terwijl hij op huichelachtigen toon zei, dat het nog veel te mooi voor hem was en hij het alleen koos om de prinses een plezier te doen.De prinses wilde nu den schurk naar de zaal met de vier en twintig vensters terugbrengen, opdat hij bij haar het middageten zou gebruiken. Daar hij echter bij het eten zijn tot nu toe steeds gesluierd gezicht had moeten ontblooten, en daar hij vreesde dat de prinses zou merken dat hij niet de heilige vrouw Fatime was waarvoor zij hem hield, verzocht hij haar zoo dringend hem daarvan vrij te stellen, daar hij toch slechts brood en gedroogde vruchten at, en hem toe te staan zijn kleinen maaltijd op zijn kamer tot zich te nemen, dat zij het hem toestond. “Goede vrouw”, zeide zij tot hem, “het hangt geheel van uw eigen goedvinden af; gij kunt doen alsof gij in uwe kluis waart. Ik zal u het eten laten brengen; maar vergeet niet, dat ik u terug verwacht zoodra gij uw maaltijd geëindigd[**typo verbeterd] hebt.”De prinses gebruikte den maaltijd, en de gewaande Fatime liet niet na, zich weder bij haar aan te melden, zoodra zij door een der bedienden had laten weten, dat zij van tafel was opgestaan. “Mijn goede moeder”, zei de prinses tot haar, “ik ben zeer verheugd een heilige vrouw, als gij zijt, bij mij te zien, die dit paleis zeker ten zegen zal verstrekken. Wel hoe bevalt u het paleis? Eer ik het u evenwel kamer voor kamer laat zien, zeg mij eerst hoe vindt gij deze zaal?”De valsche Fatime, die om haar rol beter te kunnen spelen, tot nog toe steeds met neergeslagen oogen gestaan had, en haar hoofd rechts noch links gewend had, hief het bij deze vraag eindelijk op, keek de heele zaal van het eene eind tot het andere met een onderzoekenden blik rond en toen zij genoeg gekeken had, zei ze: “Prinses, deze zaal is werkelijk bewonderenswaardig en uitnemend schoon. Intusschen komt het mij voor, voor zooveel een kluizenaarster, die van dat wat de wereld voor schoon houdt geen verstand heeft, beoordeelen kan, dat een enkel ding eraan ontbreekt.”“En wat dan, mijn goede moeder?” vroeg prinses Bedroelboedoer; “ik bezweer u, zeg het mij. Ik voor mij heb steeds geloofd en ook altijd gehoord, dat de zaal in alle opzichten volmaakt was. Maar als er iets aan ontbreekt, dan wil ik dit gebrek herstellen.”“Prinses”, antwoordde de valsche Fatime, “vergeef mij, dat ik zoo vrij ben. Mijn meening, als u daaraan wat gelegen is, zou namelijk wezen, dat als van uit het midden van dezen koepel het ei van den vogel Rock hing, deze zaal in geen enkel deel der aarde haars gelijke zou hebben, en het paleis werkelijk een wereldwonder zijn.”“Goede moeder”, vroeg de prinses, “wat is dan die Rock voor een vogel, en hoe kan men er een ei van krijgen?”“Prinses”, antwoordde de gewaande Fatime, “het is een vogel van bewonderenswaardige grootte, die op den hoogsten top van den Kaukasus woont; de bouwmeester van dit paleis zal u zulk een ei wel kunnen verschaffen.”Prinses Bedroelboedoer dankte de valsche Fatime voor den, zooals zij meende, goeden raad,en sprak met haar nog over een menigte andere dingen; toch vergat zij het Rock-ei niet, en nam zich voor met Aladdin erover te spreken zoodra hij van de jacht terug zou zijn. Hij was namelijk juist sedert zes dagen weg en de toovenaar, die dit zeer goed wist, had van zijne afwezigheid gebruik gemaakt. Aladdin kwam nog denzelfden dag ’s avonds terug, toen de gewaande Fatime juist afscheid van de prinses had genomen, en zich naar haar kamer begeven had. Hij ging dadelijk naar de kamer der prinses, die daar juist was teruggekeerd en begroette en omhelsde haar; het scheen hem echter, alsof zij hem eenigszins koel ontving. “Dierbare prinses”, sprak hij tot haar, “ik vind u niet zoo vroolijk als anders. Is er in mijn afwezigheid iets gebeurd, dat u mishaagd of verdriet of onaangenaamheid veroorzaakt heeft? Ik bezweer u, zeg het mij, want ik wil alles doen wat mij mogelijk is uwe wenschen te vervullen.”—“Het is maar een kleinigheid”, antwoordde de prinses, “en de zaak hindert mij zoo weinig, dat het mij onbegrijpelijk is, hoe gij uit mijn gelaat iets hebt kunnen opmaken. Daar gij echter tegen mijn verwachting een verandering hebt waargenomen, wil ik u de oorzaak ervan meedeelen, ofschoon het niets van beteekenis is.”“Ik had”, ging de prinses voort,“evenals gij, tot nu toe steeds geloofd dat ons paleis het heerlijkste, prachtigste en volmaaktste op de wereld was. Maar nu moet ik u toch zeggen, wat mij bij nauwkeurige bezichtiging van de zaal in de gedachten is gekomen. Denkt gij ook niet, dat er niets te wenschen over zou zijn, als er midden in het koepelgewelf een Rock-ei hing?”“Prinses”, antwoordde Aladdin, “zoodra gij vindt, dat er nog een Rock-ei aan ontbreekt, danvind ik het ook, en uit de haast waarmee ik dit gebrek zal verhelpen, zult gij u overtuigen, dat er niets is, wat ik niet uit liefde voor u zou willen doen.”Aladdin verliet oogenblikkelijk prinses Bedroelboedoer, ging naar de zaal met de vier en twintig vensters, haalde de lamp, die hij sinds het gevaar dat hij door haar te veronachtzamen geloopen had, overal met zich meedroeg uit zijn boezem te voorschijn en wreef haar. Dadelijk verscheen ook de geest. “Geest”, sprak Aladdin hem aan, “er ontbreekt aan dezen koepel nog het ei van den vogel Rock, dat in het midden hangen moet; ik beveel u in naam van de lamp, die ik hier in de hand houd, dat gij dit gebrek verhelpt.”Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of de geest hief zulk een luid en ontzettend geschreeuw aan, dat de zaal ervan beefde en Aladdin tuimelde ontsteld achteruit, zoodat hij bijna op den grond viel. “Wat, ellendeling!” zei de geest op een toon tot hem, die ook den meest onverschrokken mensch zou hebben doen ontstellen, “is het u niet genoeg, dat mijn gezellen en ik ter wille van u alles gedaan hebben? Moet gij ook nog, met een ondankbaarheid, die haars gelijke niet heeft, bevelen dat ik u mijn meester breng en midden in dezen koepel ophang? Dit misdrijf verdiende, dat gij en uw vrouw en uw paleis terstond tot stof en asch verteerdet. Tot uw geluk zijt ge echter niet zelf op deze gedachte gekomen, en de wensch komt niet onmiddellijk uit u zelven voort. Ge moet namelijk weten, dat hij komt van den broeder des Afrikaanschen toovenaars, uw vijand, dien gij verdelgd hebt, zooals hij verdiende. Hij bevindt zich in uw paleisin de kleeding van de heilige vrouw Fatime, die hij vermoord heeft, en hij heeft uw vrouw het verderfelijke verlangen ingegeven, dat gij tegen mij geuit hebt. Zijn doel is, u om te brengen, wees daarom wel op uw hoede.” Met deze woorden verdween hij.Aladdin ontging geen der woorden van den geest. Hij had van de heilige vrouw Fatime gehoord, en wist zeer goed, hoe zij volgens het algemeene geloof, hoofdpijnen genas. Hij ging nu naar de kamer van de prinses terug, en zonder een woord te spreken van datgene, wat hem zooeven wedervaren was, ging hij zitten met het hoofd in de hand, en zei dat hij plotseling door hevige hoofdpijn was overvallen. De prinses beval dadelijk de heilige vrouw te roepen, en terwijl deze gehaald werd, vertelde zij Aladdin hoe zij in het paleis gekomen was en hoe zij voor haar een kamer had ingeruimd.De valsche Fatime kwam, en zoodra zij er was zei Aladdin tot haar: “Treed nader, mijn goede moeder; het verheugt mij u te zien, gij zijt juist tot mijn geluk hier gekomen. Ik ben zooeven door een afschuwelijke hoofdpijn overvallen, en in het vertrouwen op uw gebeden bid ik u om hulp, want ik hoop, dat gij de weldaad, die gij reeds aan zoovele met hoofdpijn-bezochten bewezen hebt, ook mij niet zult weigeren.” Met deze woorden stond hij op en boog het hoofd; de valsche Fatime naderde hem, terwijl ze tegelijkertijd met de hand naar een dolk greep, die zij onder haar kleed in den gordel droeg. Aladdin echter, die haar nauwkeurig gadesloeg, voorkwam haar nog voor zij van leder getrokken had, en doorboorde haar met zijn dolk, zoodat zij dood ter aarde stortte.“Wat hebt gij gedaan, mijn dierbare gemaal?” riep de prinses vol angst, “gij hebt de heilige vrouw gedood!”—“Neen, geliefde prinses”, antwoordde Aladdin met groote kalmte; “ik heb niet Fatime gedood, maar een schurk, die mij zou vermoord hebben, als ik hem niet was voorgekomen. De booswicht, dien gij hier ziet”, ging hij voort, terwijl hij hem onthulde, “heeft de echte Fatime geworgd en zich in hare kleederen gestoken, om mij te vermoorden; in ’t kort, hij was de broeder van den Afrikaanschen toovenaar, uwen ontvoerder.” Aladdin vertelde daarop, hoe hij al deze omstandigheden vernomen had, en liet toen het lijk wegbrengen.Alzoo werd Aladdin van de vervolgingen der beide toovenaars bevrijd. Weinig jaren daarna stierf de sultan in hoogen ouderdom. Daar hij geen mannelijke erfgenamen achterliet, volgde hem prinses Bedroelboedoer als rechtmatige erfgename op den troon op en deelde de heerschappij met Aladdin. Zij regeerden vele jaren met elkander en lieten een beroemde nakomelingschap achter.Men zal zonder twijfel bemerkt hebben, dat in den persoon van den Afrikaanschen toovenaar een mensch is voorgesteld, die door een matelooze begeerigheid was aangegrepen, schatten te verwerven op alle mogelijke wijzen; daardoor heeft hij ze ook ontdekt, maar is toch niet in het bezit ervan gekomen, daar hij zich de schatten onwaardig betoonde. In Aladdin daarentegen, ziet men een man, die, van nederige afkomstzich tot de koninklijke waardigheid verheft, en wel door middel van dezelfde schatten, die hem zonder dat hij ze zoekt in handen vallen, en die hij slechts dan begeert als hij ze ter bereiking van een hooger doel noodig heeft. Aan den sultan zelf kan men ervaren, hoe gemakkelijk zelfs een goed, rechtvaardig en weldenkend vorst, gevaar loopt zijn troon te verliezen, als hij het waagt door een daad van schreeuwende onrechtvaardigheid en tegen alle regelen van billijkheid, uit onverstandige overijling een onschuldige te veroordeelen, zonder zijn rechtvaardiging te willen aanhooren. Den diepsten afschuw echter zullen de beide schurken van toovenaars hebben gewekt, van wie de een zijn leven opoffert om schatten te verwerven, de andere leven en geloof te gelijk om een schurk als hij zelf is, te wreken, en beiden het verdiende loon voor hun boosheid ontvangen.

Prinses achter traliewerk.De geheime deur bevond zich onder de kamers der prinses. Aladdin vond haar open en snelde de trap op. Het is onmogelijk de vreugde te beschrijven welke de beide echtgenooten ondervonden, toen zij elkander, na een scheiding, die zij voor eeuwig gehouden hadden, eindelijk terugzagen. Zij omhelsden elkander verscheidene malen en gaven elkander alle bewijzen van liefde en teederheid, die men na een zoo treurige en onverwachte scheiding als de hunne maar bedenken kan. Na deze omarming, die met vreugdetranen gepaard ging, zetten zij zich neder, en Aladdin sprak: “Prinses, vóor wij over ietsanders spreken, bezweer ik u in naam van God, zoowel ter wille van uzelf, als om uw vereerden vader, den sultan, en in ’t bijzonder om mijns zelfs wil, zeg mij, wat is er van mijn oude lamp geworden, die ik, voor ik op jacht ging, in de zaal met de vier en twintig vensters op de kroonlijst gezet heb.”Aladdin en prinses.“Ach, dierbare gemaal”, antwoordde de prinses, “ik heb wel al gedacht, dat ons wederzijdsch ongeluk met die lamp in verband stond, en wat mij ontroostbaar maakt is, dat ik er zelve de schuld van ben.”—“Prinses,” hernam Aladdin, “geef uzelve de schuld niet, zij is geheel aan mijn kant, want ik had de lamp zorgvuldigermoeten bewaren. Laat ons er nu echter alleen aan denken, de schade weer te herstellen en doe mij daarom het genoegen en vertel mij uitvoerig hoe zich de zaak heeft toegedragen en in welke handen de lamp gevallen is.”Prinses Bedroelboedoer vertelde daarop aan Aladdin alles; onder welke omstandigheden zij de oude lamp tegen de nieuwe, die zij hierop aan hem liet zien, verruild had, en hoe zij den daaropvolgenden nacht de verplaatsing van het paleis bemerkt en zich in een geheel vreemd land bevonden had, ’t zelfde waar zij nu waren en dat Afrika heette. Dit laatste had zij uit den mond van den schurk zelf gehoord, die haar door zijn tooverkunst hierheen verplaatst had.“Prinses”, onderbrak Aladdin haar, “ge hebt mij den schurk duidelijk genoeg aangeduid, met te zeggen dat wij in Afrika zijn. Hij is de afschuwelijkste van alle menschen; het is er nu de tijd noch de gelegenheid voor u zijn slechtheden omstandig te verhalen, en ik verzoek u alleen mij te zeggen, wat hij met de lamp uitgevoerd en waar hij haar verborgen heeft.”—“Hij draagt haar zoo goed mogelijk in zijn boezem verstopt”, hernam de prinses, “dat kan ik vast zeggen, daar hij haar in mijn tegenwoordigheid te voorschijn gehaald en onthuld heeft, om zich er tegen mij op te verhoovaardigen.”“Geliefde mijns harten”, zei Aladdin hierop, “vergeef mij, als ik u door veel vragen vermoei: het is voor u en mij van het hoogste gewicht. Maar om nu te komen op wat mij bijzonder na aan ’t hart ligt, bezweer ik u mij te zeggen, hoe deze slechte en trouwelooze man u behandeld heeft.”—“Sinds ik hier ben”, antwoordde de prinses, “heeft hij zich maar eens per dag aanmij vertoond, en ik ben overtuigd, dat het slechte gevolg dat hij van zijn bezoeken gehad heeft, hem er van zal terughouden mij nog vaker lastig te vallen. Al zijn toespraken, die hij tot mij richt, hebben ten doel mij er toe te brengen, mijn woord aan u te breken en hem tot mijn gemaal te nemen. Daarbij geeft hij mij te verstaan, dat ik nimmer meer behoef te hopen u weder te zien, want gij waart niet meer in leven en de sultan, mijn vader, had u het hoofd af laten houwen. Tot zijn rechtvaardiging voegt hij erbij, dat gij een ondankbaar schepsel zijt, die al zijn geluk aan hem te danken hebt, en zoo nog allerlei dingen meer, waarop ik niet eens acht sloeg. Daar hij nu van mij geen verder antwoord krijgt dan klachten, zuchten en tranen, moet hij zich telkens even onbevredigd verwijderen als hij gekomen is. Ondertusschen twijfel ik er niet aan, of hij heeft het plan, mijn levendigste smart eerst voorbij te laten gaan, in de hoop dat ik tot andere gedachten mag komen, en eindelijk zal hij geweld gebruiken als ik in mijn verzet volhard. Maar uwe tegenwoordigheid, mijn dierbare gemaal, heeft al mijn zorgen reeds verdreven.”“Prinses”, onderbrak haar Aladdin, “ik koester het vertrouwen, dat gij niets meer te vreezen hebt, en geloof een middel te hebben gevonden, om ons beiden van den gemeenschappelijken vijand te bevrijden. Hiertoe moet ik evenwel noodzakelijk de stad ingaan. Ik zal tegen den middag terugkomen, en u dan mijn plan meedeelen, en wat ge zelf te doen hebt, om tot het welslagen ervan bij te dragen. Maar dit zeg ik u vooruit, verwonder u niet als ge mij in een andere kleeding ziet terugkomen, en geef ’t bevel dat men mij, als ik aan de geheime deur klop, niet langlaat wachten.” De prinses beloofde dat men hem aan de deur zou opwachten en snel openen.Toen Aladdin nu uit de kamer van de prinses en weer buiten het paleis gekomen was, keek hij naar alle kanten rond en bemerkte een landman, die naar ’t veld ging.Daar de boer tamelijk ver van het paleis af was, liepAladdinsnel om hem in te halen, en deed hem het voorstel met hem van kleeren te verwisselen, waarop de boer eindelijk ook inging. De ruil geschiedde achter eenige struiken, en toen zij van elkander scheidden, sloeg Aladdin den weg naar de stad in. Zoodra hij daar was, sloeg hij de straat in die van de poort afliep, en ging van daar een van de drukste straten in, tot hij aan een plein kwam, waar kooplieden en handwerkslieden van allerlei soort hun afzonderlijk straatje hadden. Hij trad nu het straatje van de drogistenhandelaars binnen, ging in den grootsten en best-voorzienen winkel en vroeg den koopman, of deze niet een zeker poeder had, dat hij hem opnoemde. De koopman, die uit Aladdin’s kleeren opmaakte, dat hij arm was en geen geld genoeg had om hem te betalen, antwoordde dat hij het wel had, maar dat het heel duur was. Aladdin ried zijn gedachten, haalde zijn buidel uit den zak, liet eenige goudstukken klinken en verlangde toen een halve drachma van dat poeder. De koopman woog het af, pakte het in en gaf het aan Aladdin en eischte een goudstuk daarvoor. Aladdin overhandigde het hem, en zonder zich in de stad langer op te houden, dan noodig was om eenig voedsel tot zich te nemen keerde hij in zijn paleis terug. Hij behoefde aan de geheime deur niet lang te wachten, zij werd dadelijk voor hem geopend,en zoo ging hijnaar bovenin de kamer van prinses Bedroelboedoer. “Liefste”, zoo sprak hij haar aan, “hoewel gij zulk een afkeer van uw ontvoerder hebt, zal het u toch zwaar vallen den raad te volgen, dien ik u geef. Bedenk echter, dat gij u noodwendig eenig geweld moet aandoen, als gij u van zijn aanzoeken bevrijden, en den sultan uwen vader en mijnen gebieder de vreugde wilt bereiden u ooit weder te zien. “Volg alzoo mijn raad”, voer Aladdin voort, “tooi u dadelijk met uw schoonste kleederen, en als de Afrikaansche toovenaar komt, ontvang hem dan zoo vriendelijk mogelijk. Gij moet echter niet laten merken dat gij u geweld aandoet, maar gij moet hem een vriendelijk gezicht toonen, zoodat hij moet besluiten, dat, zoo er nog eenige droefenis bij u is achtergebleven, deze ook mettertijd wel verdwijnen zal. Geef hem dan in uw gesprekken te kennen, dat ge alle moeite doet mij te vergeten; en om hem volkomen van uw oprechtheid te overtuigen, noodigt gij hem aan den avondmaaltijd, en geeft den wensch te kennen, den besten wijn van zijn land eens te probeeren. Hij zal dan dadelijk wegloopen, om u dien te halen. Terwijl gij nu op zijn terugkomst wacht, en gij den schenktafel in gereedheid laat brengen, stort gij in een der bekers die aan den uwen gelijk is, dit poeder, zet hem dan terzijde en beveel degene van uw vrouwen, die met het schenken belast is, u dezen beker op een afgesproken teeken vol wijn te brengen, en er wel acht op te geven, dat zij zich niet vergist. Als dan de toovenaar terugkomt, en, gij beiden aan tafel zit, en naar hartelust gegeten en gedronken hebt, laat gij u den beker met het poeder brengen en verwisselt gij uwen beker met den zijnen.Hij zal dit als zulk een hooge eer beschouwen, dat hij het niet zal weigeren en den beker tot op den bodem zal ledigen; nauwelijks echter zal hij hem uitgedronken hebben, of gij zult hem achterover zien zinken. Mocht gij het al te afschuwelijk vinden, uit zijn beker te drinken, houd u dan maar zoo of gij drinkt, en gij hebt er niets bij te vreezen; want het poeder zal zulk een snelle uitwerking hebben, dat hij geen tijd zal hebben om op te merken of gij drinkt of niet.”Daarop antwoordde de prinses: “Ik beken dat het mij een groote overwinning op mijzelf zal kosten, den toovenaar op deze wijze tegemoet te komen, waarvan ik toch de noodzakelijkheid inzie. Waartoe is men niet in staat tegenover zulk een gruwzamen vijand. Ik zal dus doen wat gij mij aanraadt, daar zoowel mijn als uw veiligheid daarvan afhangt.” Na deze afspraak nam Aladdin afscheid van de prinses en bracht het overige deel van den dag in den omtrek van het paleis door met het plan zich met het aanbreken van den nacht weer aan de geheime deur te bevinden. Prinses Bedroelboedoer, ontroostbaar dat zij niet alleen van haar geliefden gade, dien zij van den beginne af meer uit ware liefde dan uit gehoorzaamheid aan haren vader gehuwd had, maar ook van den sultan, haar vader, wiens teedere liefde zij met dezelfde teederheid beantwoordde, gescheiden was, had sinds het oogenblik der smartelijke scheiding haar uiterlijk zeer verwaarloosd. Ja, zij had zelfs de reinheid uit het oog verloren, die toch haar geslacht zoo bijzonder goed staat, in ’t bijzonder sinds de Afrikaansche toovenaar haar voor de eerste maal bezocht had, en zij van haar vrouwen, die hem herkenden, gehoord had, dat het dezelfde was diede oude lamp tegen eene nieuwe verruild had; want door dit afschuwelijk bedrog was hij haar tot een gruwel geworden. Nu echter, daar zich de gelegenheid voordeed, de verdiende wraak op hem te nemen, en zelfs vroeger dan zij had durven hopen, besloot zij Aladdin’s wensch te volvoeren. Zoodra hij zich daarom verwijderd had, zette zij zich voor haar kaptafel, liet zich door haar vrouwen zoo prachtig mogelijk kleeden en koos het rijkste en bij haar voornemen ’t best passende staatsiegewaad uit. Haar gordel was van louter goud, en met de grootste en kostbaarste diamanten bezet; om den hals droeg zij een snoer van slechts dertien paarlen, waarvan echter de zes paarlen aan den kant tot de middelste, die de grootste en kostbaarste was, in zulke verhouding stonden, dat de grootste sultanen en koninginnen zich gelukkig zouden gerekend hebben, indien zij slechts een volledig snoer van de grootte der beide kleinste paarlen in het halssnoer der prinses bezeten hadden. De armbanden, die met robijnen en diamanten bezet waren, kwamen treffend overeen met den rijkdom van den gordel en van het halssnoer.Toen prinses Bedroelboedoer geheel gekleed was, haalde zij haar spiegel te voorschijn, vroeg haren vrouwen hoe zij er uitzag en daar zij zich overtuigd had, dat haar geen der bekoorlijkheden ontbrak, die den dwazen hartstocht van den Afrikaanschen toovenaar konden prikkelen, ging zij op de sofa zitten en wachtte zijn komst.De toovenaar verzuimde niet, op het gewone uur te komen. Zoodra de prinses hem de zaal met de vier en twintig vensters, waar zij hem verwachtte, zag binnentreden, stond zij op in al den glans harer bekoorlijkheid, wees hem metde hand de eereplaats die hij zou innemen, en zette zich dan tegelijk met hem: een zeer bijzondere hoffelijkheid, die zij hem tot dusver nog niet bewezen had.Den Afrikaanschen toovenaar verblindde meer de glans uit de schoone oogen der prinses, dan de stralende edelgesteenten, waarmee zij zich getooid had, zoodat hij geheel verrast was. Haar koninklijke houding en de vriendelijke minzaamheid waarmee zij hem ontving, terwijl zij hem tot nog toe zoo stug had teruggewezen, maakten zulk een indruk op hem dat hij nauwelijks bij zijn zinnen bleef. Hij wilde aanvankelijk op het uiterste randje van de sofa plaats nemen; maar toen hij zag dat de prinsese niet eer ging zitten voor hij had plaats genomen waar zij wenschte, gehoorzaamde hij. Toen de Afrikaansche toovenaar zich gezet had, nam de prinses, om hem uit de verlegenheid te helpen, het woord, en terwijl zij hem aankeek op een manier die hem moest doen besluiten dat hij haar niet meer zoo hatelijk was als tot nog toe, sprak zij tot hem: “Gij zult u zonder twijfel verwonderen, dat gij mij thans geheel anders aantreft, dan vroeger, maar ge zult het u verklaren kunnen, als ik u zeg dat mijn gansche gemoedsgesteldheid zoodanig is, dat zij een afkeer heeft van alle treurigheid, zwaarmoedigheid, bedroefdheid en zorgen; en dat ik die altijd zoo spoedig mogelijk van mij afschud, zoodra ik er geen gegronde oorzaak meer voor zie. Ik heb alles wat gij mij van Aladdin’s lot verteld hebt, wel overlegd, en daar ik het karakter van mijn vader zeer goed ken, ben ik er met u van overtuigd, dat hij aan de verschrikkelijke gevolgen van zijn toorn niet ontkomen is. Als ik er nu op wilde staan, mijn heeleverdere leven om hem te weenen, zie ik toch wel in dat mijn tranen hem niet in het leven terug zouden roepen. Daarom geloof ik, dat ik, na hem alle liefde, ook in het graf, bewezen te hebben, nu ook alle middelen moet te baat nemen om mij te troosten. Dit zijn de gronden voor de verandering, die gij bij mij bespeurt. Om nu dadelijk elke aanleiding tot treurigheid te verwijderen, die ik besloten ben ook voorgoed te verbannen, heb ik een avondmaaltijd laten bereiden, waarbij ik hoop dat gij zoo vriendelijk zult zijn mij gezelschap te houden. Daar ik echter slechts Chineeschen wijn heb en mij toch in Afrika bevind, heeft mij de lust bekropen, den hier te lande groeienden te proeven, en ik twijfel niet, of gij zult den besten weten uit te kiezen, als hier goede mocht zijn.”De Afrikaansche toovenaar, die het geluk, zoo snel en zoo gemakkelijk prinses Bedroelboedoer’s gunst te winnen, voor onmogelijk gehouden had, zei dat hij nauwelijks woorden kon vinden om zijn dank genoegzaam uit te drukken, en om dit gesprek, waarbij hij nog immer zeer in verlegenheid was, spoedig te besluiten, bracht hij het snel op den Afrikaanschen wijn, waarover zij gesproken had, en zeide onder alle voorrechten waarop zich Afrika kon beroemen, stond een voortreffelijke wijn bovenaan, en de allerbeste groeide in dat deel van het land, waar zij zich thans bevonden; hij had een vat, dat al zeven jaar gevuld en nog niet aangestoken was, en hij dacht niet te veel te zeggen, als hij beweerde, dat de qualiteit van dezen wijn die van elken anderen op de heele aarde overtrof. “Als mijn prinses het mij wil vergunnen”, voegde hij erbij, “dan wil ik er twee flesschen van halen enoogenblikkelijk weer terug zijn.”—“Het zou mij leed doen, als ik u zooveel moeite veroorzaakte”, zei de prinses, “gij zoudt wel iemand kunnen sturen”.—“Neen”, antwoordde de Afrikaansche toovenaar, “ik moet noodzakelijk zelf gaan; niemand buiten mij weet, waar de sleutel van dezen kelder is; ook weet niemand het geheim, hem te openen.”—“Als dat zoo is”, zei de prinses, “ga dan zelf, en kom spoedig terug. Hoe langer gij uitblijft, des te grooter zal mijn ongeduld zijn, u weer te zien, en zoodra gij terugkomt zetten wij ons aan tafel.”De Afrikaansche toovenaar, vol hoop op zijn vermeend geluk, liep niet maar vloog om zijn zevenjarigen wijn te halen, en kwam zeer spoedig terug. Ondertusschen had de prinses, die er niet aan twijfelde of hij zou zich zeer haasten, het poeder dat Aladdin haar gebracht had, in een beker geworpen, dien zij daarna aan den kant zette, en liet nu dadelijk opdragen. Zij zetten zich tegenover elkander aan tafel, zoodat de toovenaar met den rug naar de schenktafel toe zat. De prinses legde hem van alles het beste voor en zei tot hem: “Als gij het verlangt, zal ik muziek laten maken en laten zingen; maar daar wij hier beiden alleen zijn, denk ik dat wij meer genoegen zullen smaken, als wij tezamen wat praten.” De toovenaar beschouwde deze keus der prinses als een nieuwe gunst.Nadat zij eenige beten genuttigd had, verlangde de prinses te drinken. Ze dronk op de gezondheid des toovenaars en zei dan tot hem: “Gij hadt alle recht uwen wijn te prijzen; ik heb nog nooit zoo kostelijken wijn gedronken.”—“Bekoorlijke prinses”, antwoordde hij, “terwijl hij den beker die hem gereikt werd, in de handhield, “mijn wijn krijgt door uw bijval een nieuwe voortreffelijkheid.”—“Drink op mijn gezondheid”, zei de prinses, “dan zult gij zelf zien dat ik hem beoordeelen kan.” Hij dronk op de gezondheid der prinses, zag dan den beker aan, en zei: “Prinses, ik acht mij gelukkig dat ik dit vat voor zulk een goede gelegenheid bewaard heb; ik beken zelf dat ik mijn heele leven nog zoo’n voortreffelijken wijn niet gedronken heb.”Toen zij nog meer gegeten en nog driemaal gedronken hadden, gaf eindelijk de prinses die den Afrikaanschen toovenaar door haar vriendelijkheid en lieftalligheid het hoofd geheel op hol gebracht had, de vrouw die met schenken belast was, het afgesproken teeken, en terwijl men haar den beker met wijn bracht, beval zij ook dien van den toovenaar te vullen en hem over te reiken.Toen nu beiden den beker in de hand hadden, sprak zij tot den Afrikaanschen toovenaar: “Ik weet niet, hoe het bij u te lande onder minnenden die met elkander drinken de gewoonte is; bij ons in China verwisselen beiden hun bekers met elkander en drinken elkanders gezondheid.” Met deze woorden reikte zij hem den beker over, dien zij in de hand hield, en strekte de andere hand uit om den zijnen in ontvangst te nemen.De Afrikaansche toovenaar haastte zich met des te meer vreugde haar wensch na te komen, daar hij het als een zeker teeken beschouwde, dat hij het hart der prinses nu geheel veroverd had, en hield zich voor den gelukkigste aller stervelingen. Eer hij dronk, zei hij met den beker in de hand: “Prinses, wij Afrikanen zijn lang niet zoo ver in de kunst, de liefde met alle mogelijkevoorkomendheden te kruiden, als de Chineezen en terwijl ik hier iets leer, wat ik nog niet wist, voel ik tegelijkertijd hoe hoog ik deze gunst te schatten heb. Nooit zal ik vergeten, beminnelijke prinses, dat ik uit uw beker gedronken en daarmee tevens het leven teruggevonden heb, waarvan ik reeds niets meer gehoopt had, als gij nog langer in uw wreedheid volhard hadt.”Prinses Bedroelboedoer, wie het nuttelooze gepraat van den toovenaar verveelde, viel hem in de rede en zei: “Laat ons nu drinken, later kunt gij verder spreken.” Tegelijkertijd voerde zij den beker aan den mond, raakte hem echter slechts met de lippen aan, terwijl de Afrikaansche toovenaar zich beijverde haar vóór te zijn, en den zijnen ledigde zonder er een droppel in te laten. Daar hij bij het uitdrinken zijn hoofd wat achterover geneigd had, om zijn ijver te toonen, bleef hij nog een wijle in deze houding, tot de prinses, die nog steeds den rand van den beker aan hare lippen hield, zag, dat zijn oogen zich verdraaiden en hij zonder bewustzijn ruggelings achteroverzonk.De prinses behoefde niet lang te bevelen, dat men Aladdin de geheime deur zou openen. Haar vrouwen, met wie alles van te voren was afgesproken, hadden zich op behoorlijke afstanden van de zaal tot onder aan de trap opgesteld, zoodat de geheime deur bijna op hetzelfde oogenblik geopend werd, waarin de Afrikaansche toovenaar in elkaar gezakt was.Aladdin kwam boven en trad de zaal binnen. Toen hij den Afrikaanschen toovenaar op de sofa uitgestrekt zag, en prinses Bedroelboedoer hem vol vreugde met open armen tegemoet snelde,hield hij haar terug en zei: “Het is daarvoor nu nog geen tijd, prinses; doe mij het genoegen en begeef u naar uw kamer en zorg ervoor dat men mij alleen laat, terwijl ik mijn voorbereidingen tref om u even snel weer naar China terug te brengen, als gij vandaar ontvoerd zijt.”Zoodra de prinses met haar vrouwen en bedienden de zaal verlaten had, sloot Aladdin de deur, ging op het ontzielde lichaam van den toovenaar toe, opende zijn kleed en haalde er de lamp uit, die nog zoo omhuld was als de prinses hem beschreven had. Hij wikkelde haar los, wreef haar en dadelijk verscheen de geest met zijn gewonen groet. “Geest”, zei Aladdin, “ik heb u geroepen, om u in naam der lamp, uw meesteres die gij hier voor u ziet, te bevelen dat gij dit paleis weer naar China laat terugbrengen en wel op dezelfde plaats, vanwaar het vervoerd is.” De geest gaf door een hoofdknik te verstaan, dat hij zou gehoorzamen en verdween. De verplaatsing geschiedde werkelijk en men bespeurde haar slechts aan twee zeer kleine schokken: één, toen het paleis van zijn plaats in Afrika werd opgenomen, en een toen het weder in China tegenover het paleis van den sultan werd neergelaten; dit alles was het werk van een paar oogenblikken.Aladdin ging nu naar de kamer van de prinses, omhelsde haar en zei tot haar: “Prinses, ik kan u verzekeren, dat uw vreugde en de mijne morgen volmaakt zullen zijn.” Daar de prinses haar avondmaaltijd nog niet beëindigd had en Aladdin naar eten verlangde, liet zij uit de zaal met de vier en twintig vensters de spijzen, die daar waren klaargezet, doch nauwelijks aangeraakt waren, op haar kamer brengen. De prinses enAladdin aten nu tezamen en dronken van den goeden wijn van den Afrikaanschen toovenaar. Ik zal niets van hun verder onderhoud meedeelen, dat niet anders dan zeer vergenoegd zijn kon, en voeg er slechts bij dat zij zich eindelijk ter ruste begaven.Sinds de ontvoering van het paleis en van prinses Bedroelboedoer was de sultan, haar vader, ontroostbaar, daar hij haar voor immer verloren waande. Hij kon dag noch nacht rust vinden, en in plaats van alles te vermijden wat zijn smart nieuw voedsel kon verschaffen, zocht hij dat als ’t ware op. Terwijl hij bijvoorbeeld vroeger alleen ’s morgens naar den open uitbouw van zijn paleis was gegaan, om zijn oogen aan den aanblik te vergasten, waarvan hij maar niet zat kon worden, ging hij nu meermalen overdag erheen om zijn tranen vrijen loop te laten en zich immer weer in zijn droefheid te verdiepen door te denken dat hij alles wat hem voorheen zoo welgevallig geweest was, nooit weer zou zien, en het liefste dat hij ter wereld bezeten had, hem voor altijd ontrukt was. Ook op den morgen, dat Aladdin’s paleis weer op zijn oude plaats was teruggebracht, vertoonde zich nauwelijks het morgenrood aan den horizont, of de sultan ging in zijn uitbouw. Hij was zoo in zichzelven gekeerd en zoo doordrongen van zijn smart, dat hij zijn oogen treurig naar den kant wendde waar hij slechts een ledige ruimte en geen paleis meer dacht te zien. Toen hij nu opeens deze plaats weer gevuld zag, hield hij het voor een nevel. Eindelijk echter, nadat hij opmerkzamer gekeken had, erkende hij dat het heel zeker Aladdin’s paleis was. Vreugde en blijdschap maakten zich nu na langen kommer en treurigheid van zijnhart meester. Hij keerde ijlings naar zijn kamer terug en beval dat men hem een paard zou voorbrengen. Hij wierp zich in den zadel, reed voort, en het was hem als kon hij maar niet vlug genoeg bij Aladdin’s paleis komen.Sultan kijkt uit raam paleis.Aladdin, die dit wel voorzien had, was met het krieken van den dag opgestaan, had een zijner prachtigste gewaden aangetrokken en zich toen in de zaal met de vier en twintig vensters begeven vanwaar hij den sultan ook zag aankomen. Hij snelde weg en kwam nog net vroeg genoeg om hem onder aan den hoofdtrap op te wachten en hem te helpen van ’t paard stijgen. “Aladdin”, sprak de sultan tot hem; “ik kan niet met u spreken alvorens mijn dochter te hebben gezien en omhelsd.”Aladdin voerde den sultan in de kamer van prinses Bedroelboedoer, die juist met kleeden gereed was; want Aladdin had haar bij het opstaan eraan herinnerd, dat zij niet meer in Afrika, maar in China, in de hoofdstad van den sultan, tegenover zijn paleis was. De sultan omhelsdezijn dochter meermalen, terwijl hem de vreugdetranen over de wangen liepen, en de prinses, van haar kant, bewees hem op alle mogelijke wijzen, hoe blij zij was, hem weerom te zien.De sultan was een tijdlang sprakeloos van ontroering nu hij zijn geliefde dochter, die hij reeds zoo lang beweend had, weerom gevonden had, en ook de prinses vergoot veel tranen van blijdschap nu zij haar vader, den sultan, terugzag. Eindelijk nam de sultan het woord en sprak: “Geliefde dochter, ik wil gelooven dat de vreugde des wederziens u in mijn oogen zoo vroolijk en weinig veranderd doet schijnen, alsof u heelemaal niets onaangenaams gebeurd was, en toch ben ik overtuigd, dat gij veel hebt uitgestaan. Men wordt niet zoo snel met zijn heele paleis verplaatst, zonder dat daarmede een schrikkelijke onrust en groote angst gepaard gaan. Ik wensch nu dat ge mij vertelt, hoe de zaak zich heeft toegedragen, en gij mij niets verzwijgt.De prinses schiep er behagen in, den wensch van den sultan, haar vader, gehoor te geven. “Heer”, sprak zij tot hem, “als ik u zoo onveranderd lijk, bid ik u wel te bedenken, dat ik reeds sinds gistermorgen vroeg weer ben begonnen te leven, toen ik mijn dierbaren gemaal en bevrijder aanschouwde, dien ik reeds verloren gewaand en beweend heb, terwijl de gedachte, u te mogen omarmen, elk spoor van vroeger verdriet van mij heeft weggevaagd. Om het vrij te zeggen, mijn heele ongeluk bestond daarin, dat ik mij aan u en mijn gemaal ontrukt zag; ook was ik niet slechts in angst om het verlies van mijn echtgenoot, maar vooral om de treurige gevolgen van uw toorn, waaraan hij, hoe onschuldig ook, zondertwijfel moest zijn blootgesteld. Minder heb ik van de onbeschaamdheid van mijn ontvoerder geleden, die tot mij sprak op een wijze die mij niet beviel. Ik wist mij dadelijk zulk een gezag over hem te verschaffen, dat ik hem tot zwijgen bracht. Overigens werd mij even weinig dwang aangedaan als op dit oogenblik. Wat mijn ontvoering betreft, daaraan heeft Aladdin niet de minste schuld; ik zelf ben er de oorzaak van, maar op een hoogst onschuldige wijze.” Om den sultan van de waarheid harer woorden te overtuigen, vertelde zij hem uitvoerig, hoe de Afrikaansche toovenaar zich als een lampenkoopman verkleed had, die oude lampen tegen nieuwe inruilde, en hoe zij hem voor den grap Aladdin’s lamp, waarvan zij de geheime kracht niet gekend had, tegen een nieuwe had ingeruild, waarop het paleis met haar en de overige bewoners was opgeheven, en met den Afrikaanschen toovenaar naar Afrika was overgebracht; den laatsten hadden twee harer vrouwen en de bediende, die de lamp geruild had, dadelijk herkend, toen hij de onbeschaamdheid gehad had, zich aan haar voor te stellen na het gelukkig welslagen van zijn onderneming, en haar een huwelijksaanbod te doen; verder vertelde zij van de herhaalde aanzoeken, die zij tot Aladdin’s komst had moeten verduren, en van de maatregelen die zij gezamenlijk getroffen hadden, om hem de lamp die hij bij zich droeg, te ontrukken; hoe hun dit gelukt was, doordat zij zichzelve geweld aangedaan had en hem op haar kamer aan den avondmaaltijd had uitgenoodigd, waar zij hem dan den vergiftigden wijn had toegediend. “Omtrent het overige”, voegde zij erbij, “moge Aladdin u inlichten.”Aladdin maakte zijn verhaal kort. “Toen men mij”, zei hij, “de geheime deur geopend had, ging ik snel naar de zaal met de vier en twintig vensters en daar ik den verrader door de werking van het poeder dood op de sofa zag liggen, verzocht ik de prinses, daar een langer verblijf haar zeker niet welkom was, met haar vrouwen en bedienden naar haar vertrekken te gaan. Ik bleef nu alleen achter, haalde de lamp uit het gewaad van den toovenaar en gebruikte haar geheime kracht, waarvan hij zich bediend had, om de prinses en het paleis te rooven. Zoo heb ik ’t dan gedaan gekregen dat het paleis weer op zijn plaats staat, en ben zoo gelukkig u volgens uw bevel de prinses terug te brengen. Alles, wat ik u daar vertel, is de zuivere waarheid, en als gij u naar boven in de zaal begeven wilt, zult gij zien, dat de toovenaar naar verdienste gestraft is.”Om zich geheel te overtuigen, ging de sultan naar boven, en toen hij den Afrikaanschen toovenaar dood, en zijn gezicht geheel blauwzwart door de werking van het vergift vond, omhelsde hij Aladdin met veel teederheid en zeide hij tot hem: “Mijn zoon, neem mij mijn gedrag tegenover u niet kwalijk; slechts mijn vaderliefde was daaraan schuld, en ge moet mij de overijling, tot welke ik mij liet verleiden, vergeven.”—“Heer”, antwoordde Aladdin, “ik heb niet de minste reden, mij over u te beklagen; gij hebt slechts gedaan, wat gij doen moest. Die schandelijke toovenaar, dat uitvaagsel der menschheid, was de eenige oorzaak, dat ik uw gunst verloor. Als gij eens gelegenheid hebt, zal ik u van een andere snoodheid vertellen, die hij mij heeft aangedaan, en die niet minder verschrikkelijk is, dan zijnlaatste, waarvoor mij Gods bijzondere genade bewaard heeft.”“Ik zal zorgen dat deze gelegenheid spoedig komt”, antwoordde de sultan, “en wel heel spoedig. Laat ons er nu evenwel aan denken vroolijk te zijn, en te zorgen dat dit gehate lichaam hiervandaankomt.”Aladdin liet het lijk van den toovenaar wegbrengen en op den mesthoop werpen, ten einde den vogelen des velds tot voedsel te strekken. De sultan gaf echter bevel door trommels, pauken, trompetten en andere instrumenten het teeken tot een algemeene vreugde te geven, en liet een tiendaagsch vreugdefeest aankondigen, om den terugkeer van prinses Bedroelboedoer en Aladdin te vieren.Zoo ontkwam Aladdin ten tweeden male aan een doodsgevaar; maar het was nog niet het laatste, en hij moest nog een derde, even gevaarlijke beproeving doorstaan, die wij hier uitvoerig verhalen zullen.De Afrikaansche toovenaar had nog een jongeren broeder, die in de tooverkunst niet minder bedreven was dan hij; ja, men kan zeggen dat hij dezen nog in boosheid en listen overtrof. Daar zij niet steeds tezamen of in dezelfde stad leefden, en de een zich menigmaal in het oosten bevond terwijl de andere in het westen was, lieten zij niet na door middel der punteerkunst eens per jaar uit te vinden in welk deel der wereld ieder van hen leefde, hoe het hem ging en of hij ook de hulp van den ander noodig had.Korten tijd nadat de Afrikaansche toovenaar bij zijn aanslag tegen Aladdin’s geluk den dood gevonden had, wilde zijn jongere broeder die sinds jaar en dag geen bericht van hem had ontvangen, en zich niet in Afrika maar in een zeer ver afgelegen land ophield, weten waar hij zich ter wereld bevond, hoe hij het maakte en wat hij uitvoerde. Evenals zijn broeder had hij overal waar hij ging zijn punteer-vierhoek bij zich. Hij nam nu dezen vierhoek, effende het zand, maakte de punten, trok de figuren en lijnen en stelde de horoscoop. Terwijl hij nu alle afzonderlijkefiguren doorliep, vond hij door de eene dat zijn broeder niet meer leefde, door de andere, dat hij vergiftigd was geworden en plotseling gestorven was, door de derde dat dit in China, door de vierde dat het in een hoofdstad van China, daar en daar gelegen, gebeurd was, en eindelijk dat hij die hem vergiftigd had, een man van nederige afkomst was, die een prinses van den sultan gehuwd had.Toen de toovenaar op deze wijze het treurige uiteinde van zijn broeder ervaren had, verloor hij geen tijd met nuttelooze klachten, waardoor zijn broeder toch niet levend had kunnen worden, maar besloot oogenblikkelijk, zijn dood te wreken, steeg te paard en begaf zich op weg naar China. Hij moest over vlakten, rivieren, bergen, woestenijen; en na een lange reis kwam hij eindelijk, nadat hij zich onderweg nergens had opgehouden en na ongeloofelijke moeielijkheden, in China aan en was spoedig daarop in de hoofdstad die hij door zijn punteerkunst had weten uit te vinden. Daar hij zeker wist dat hij zich niet vergist, en dit koninkrijk niet met een ander verwisseld had, bleef hij in de hoofdstad en sloeg er zijn zetel op.Den dag na zijn aankomst ging de toovenaar uit en wandelde door de stad, niet zoozeer om hare schoonheden te bewonderen, die hem hoogst onverschillig waren, als om dadelijk op maatregelen te zinnen voor de uitvoering van zijn verderfelijk plan; daarom ging hij naar de meest bezochte plaatsen en luisterde begeerig naar alles wat er gesproken werd. Op een plaats waar men zich met allerlei spelen den tijd verdreef, en waar, terwijl de eenen speelden, de anderen zich met de nieuwtjes van den dag of met hun eigengeschiedenissen bezighielden, hoorde hij zeer merkwaardige dingen vertellen van de deugd en vroomheid, ja zelfs van de wonderdaden van een, der wereld afgescheidene vrouw, Fatime genaamd. Daar hij geloofde, dat deze vrouw hem bij zijn voornemen wellicht behulpzaam zou kunnen zijn, nam hij een van het gezelschap ter zijde om iets naders omtrent die heilige vrouw en hare wonderen te vernemen.“Wat”, zei de aangesprokene tot hem, “gij hebt deze vrouw nog nooit gezien en ook niet van haar hooren spreken? Zij is door haar vasten, haar strenge levenswijze en het voorbeeld dat zij geeft, een voorwerp van algemeene bewondering in de geheele stad. Behalve Maandags en Vrijdags, verlaat zij haar kleine kluis niet en de dagen waarop zij zich in de stad vertoont, doet zij oneindig veel goeds; ook geneest zij ieder die met hoofdpijn behept is, door oplegging der handen.”De toovenaar verlangde op dit punt niet meer te weten, maar vroeg alleen nog in welk deel der stad haar eenzame woning te vinden was. De man beschreef hem de plek nauwkeurig; de toovenaar echter, nadat hij deze mededeeling ontvangen en het verderfelijke plan, waarvan wij zoo dadelijk zullen spreken, had opgevat en ontworpen, bespiedde, om van zijn taak nog zekerder te zijn, reeds den eersten dag, dat zij uitging, al haar schreden en verloor haar niet uit het oog tot hij haar ’s avonds in haar eenzame woning zag terugkeeren. Toen hij zich de plaats goed ingeprent had, begaf hij zich naar een der reeds boven genoemde huizen, waar men een zekeren warmen drank gebruikte en als men lust had ook den nacht kon doorbrengen, voornamelijkbij groote hitte, wanneer men in deze warme landen liever op matten dan in bedden slaapt.Tegen middernacht betaalde de toovenaar den waard zijn kleine vertering en ging rechtstreeks naar de eenzame woning van Fatime, de heilige vrouw, want onder dien naam was zij in de heele stad bekend. Hij opende zonder moeite de met een klink gesloten deur, trad binnen en deed de deur heel zachtjes weder toe; daarbinnen zag hij bij het helle maanlicht Fatime liggen die in de open lucht op een sofa sliep. Hij naderde haar, trok een dolk, die hij in zijn gordel droeg en wekte haar.Toen de arme Fatime haar oogen opsloeg, schrok zij vreeselijk bij het zien van een man, die op het punt stond haar te vermoorden. Hij zette haar de dolk op de borst, maakte een gebaar, alsof hij wilde toestooten en zei tot haar: “Als ge schreeuwt, of slechts het minste gedruisch maakt, dan zijt gij een kind des doods; sta nu echter op, en doe wat ik u zeggen zal.”Fatime, die zich gekleed ter ruste had gelegd, stond sidderend en bevend op. “Vrees niet”, sprak de toovenaar tot haar, “ik verlang alleen uw kleed; geef het mij en neem daarvoor het mijne.” Zij ruilden hun kleeren, en nadat de toovenaar Fatime’s kleed had aangetrokken zei hij: “Verf mij nu het gezicht, zoodat ik er uitzie als gij en zorg dat de verf niet uitwischt.” Daar hij zag, dat zij nog steeds sidderde, zeide hij om haar gerust te stellen, en opdat zij des te nauwkeuriger zijn wensch vervullen mocht, nogmaals tot haar: “Vrees niets; ik zweer u bij den naam van God, dat ik u in het leven zal laten.” Fatime liet hem toen in haar cel treden, stak haar lampaan, nam een penseel en een zeker sap dat zij in een vat had staan, wreef hem daarmee het gezicht in en verzekerde hem toen dat zijn gezicht geheel op het hare geleek en dat de kleur niet verdwijnen zou. Hierop zette zij hem hare hoofdbedekking op en deed hem haar sluier voor en wees hem hoe hij zich op zijn gang door de stad het gezicht ermee bedekken moest. Eindelijk, nadat zij hem nog een grooten rozenkrans, die vóór aan haar gordel hing, om den hals had geslagen, gaf zij hem denzelfden staf, dien zij gewoonlijk droeg in de hand, hield hem toen een spiegel voor en zei: “Zie nu zelf hoe gij mij gelijkt, als het eene ei op het andere.” De toovenaar vond alles naar wensch, maar hield de goede Fatime den eed niet, dien hij zoo plechtig had afgelegd. Opdat men geen bloedsporen zou zien, als hij haar doorstak, worgde hij haar, en toen hij zag, dat zij den geest gegeven had, sleepte hij haar lijk bij de voeten naar de waterton van de kluis en wierp haar daar in.Na de volvoering van dezen gewetenloozen moord bracht de als Fatime verkleede toovenaar het overige van den nacht in de eenzame kluis door. Den volgenden morgen ging hij, hoewel dit geen gewone uitgaansdag van de heilige vrouw was, toch uit, want hij meende dat wel niemand hem ernaar zou vragen, en zoo ja, dan zou hij hem wel te woord staan. Daar hij bij zijn aankomst vóór alle dingen naar Aladdin’s paleis gevraagd had, en omdat hij daar zijn rol wenschte te spelen, sloeg hij dadelijk den weg daarheen in.Iedereen hield hem voor de heilige vrouw, en zoo was hij spoedig door een groote menigte omringd. Eenigen smeekten dat hij hen in zijngebeden mocht gedenken, anderen kusten hem de hand, weer anderen, die nog eerbiediger waren, kusten den zoom van zijn kleed, en nog anderen, die of werkelijk hoofdpijn hadden, of zich daartegen wilden vrijwaren, bogen zich voor hem opdat hij hun zijn handen mocht opleggen, wat hij ook deed terwijl hij eenige woorden prevelde die op een gebed leken; kortom, hij bootste de heilige vrouw zoo goed na, dat ieder hem voor haar aanzag. Nadat hij meermalen onderweg was blijven staan, om die lieden te bevredigen, die van deze manier van handenopleggen, voor- noch nadeel hadden, kwam hij eindelijk op de plaats voor Aladdin’s paleis, waar zich nog meer volk verzameld had, zoodat het veel moeite kostte, tot hem te naderen. De sterksten en begeerigsten drongen zich met geweld door het gewoel en daarover verhieven zich klachten en zulk een geschreeuw, dat men het in de zaal met de vier en twintig vensters hooren kon.De prinses vroeg wat dat leven te beteekenen had, en daar niemand het haar zeggen kon, beval zij eens te gaan zien en ’t haar mede te deelen. Een harer vrouwen keek, zonder de zaal te verlaten, door een venster en meldde haar dat het lawaai van een volksmenigte kwam, die de heilige vrouw omgaf, om zich door handen opleggen van hoofdpijn te bevrijden.De prinses, die reeds lang veel goeds van de heilige vrouw gehoord, maar haar nog niet gezien had, was nieuwsgierig met haar kennis te maken en met haar te spreken. Zoodra zij daarvan iets liet merken, zeide de opperste harer dienaren, die aanwezig was, als zij het wenschte, zou hij de vrouw boven roepen; zij had slechts te bevelen. De prinses stemde toe en vaardigde dadelijkvier bedienden af met het bevel de zoogenaamde heilige vrouw naar boven te leiden.Zoodra de bedienden de poort van Aladdin’s paleis uitkwamen en op het punt toeliepen, waar de Afrikaansche toovenaar stond, week de menigte uiteen, en toen deze nu zichzelf vrij en de bedienden op zich zag toekomen, ging hij hun met te meer vreugde een eindweegs tegemoet daar hij dacht dat zijn schelmstuk reeds een goeden aanvang nam. Een van de dienaren nam het woord en zei: “Heilige vrouw, de prinses wenscht u te spreken; kom en volg ons.”—“De prinses bewijst mij veel eer”, antwoordde de zoogenaamde Fatime; “ik ben bereid te gehoorzamen.” Met deze woorden volgde hij de bedienden, die reeds den terugweg naar het paleis hadden ingeslagen.Toen de toovenaar, die onder een heilig kleed een duivelsch hart verborg, in de zaal met de vier en twintig vensters kwam en de prinses bemerkte, begon hij met een gebed dat een lange reeks wenschen voor haar welzijn, haar geluk en de vervulling van al haar begeerten bevatte. Hierop ontplooide hij al zijn leugenachtige en huichelachtige redeneerkunst, om zich onder den dekmantel van groote vroomheid in het hart der prinses een plaats te veroveren, wat hem zooveel te gemakkelijker gelukte, daar de prinses met haar natuurlijke goedhartigheid de overtuiging had, dat alle menschen even goed waren als zij zelf, vooral echter die mannen en vrouwen, die het voor hun plicht hielden, God in de eenzaamheid te dienen.Toen de gewaande Fatime haar lange toespraak geëindigd had, zei de prinses tot haar: “Mijne goede moeder, ik dank u voor uwe schoonegebeden, ik stel er een groot vertrouwen in en hoop dat God ze moge verhooren. Kom dichterbij en zet u hier neder.” De gewaande Fatime nam met gehuichelde bescheidenheid plaats. Hierop nam de prinses weder het woord en zei: “Goede moeder, ik vraag u om iets, dat ge mij moet bewilligen en wat ge niet moogt afslaan, namelijk dat ge bij mij blijft, mij de geschiedenis van uw leven vertelt en mij door uw goede voorbeeld leeren zult hoe ik God moet dienen.”“Prinses”, zei hierop de pseudo-Fatime, “ik bid u, verlang niets van mij, dat ik niet bewilligen kan, zonder mij geheel te verstrooien en van mijn gebeden en vrome oefeningen de aandacht af te wenden.”—“Dat behoeft u niet te verontrusten”, hernam de prinses, “ik heb verschillende kamers die niet bewoond worden, kies er u een uit, dat u het beste bevalt, dan kunt gij daar uw oefeningen even rustig houden als in uw afzondering.”De toovenaar die geen ander doel had, dan in Aladdin’s paleis te komen, daar het hem veel gemakkelijker moest vallen, zijn schelmstuk uit te voeren, wanneer hij onder begunstiging van de bescherming der prinses daar zelf woonde, dan dat hij telkens van zijn eenzame huis naar het paleis, en vandaar weer terug had moeten loopen, maakte geen groote tegenwerpingen meer op het vriendelijke aanbod der prinses en nam het aan. “Prinses”, sprak hij tot haar, “hoe vast ook het besluit van een arme onaanzienlijke vrouw, als ik ben, van de wereld met haar genietingen afstand te doen, moet staan, waag ik het toch niet den wil en den wensch van een zoo vrome en milddadige prinses te weerstreven.”Op dit antwoord van den toovenaar stond deprinses op en zeide tot hem: “Sta op en kom met mij mee, dan zal ik u mijn leege kamers wijzen, opdat gij er een kunt uitzoeken.” Hij volgde prinses Bedroelboedoer en koos uit haar vertrekken, die alle zeer mooi en prachtig gemeubileerd waren, het minst mooie terwijl hij op huichelachtigen toon zei, dat het nog veel te mooi voor hem was en hij het alleen koos om de prinses een plezier te doen.De prinses wilde nu den schurk naar de zaal met de vier en twintig vensters terugbrengen, opdat hij bij haar het middageten zou gebruiken. Daar hij echter bij het eten zijn tot nu toe steeds gesluierd gezicht had moeten ontblooten, en daar hij vreesde dat de prinses zou merken dat hij niet de heilige vrouw Fatime was waarvoor zij hem hield, verzocht hij haar zoo dringend hem daarvan vrij te stellen, daar hij toch slechts brood en gedroogde vruchten at, en hem toe te staan zijn kleinen maaltijd op zijn kamer tot zich te nemen, dat zij het hem toestond. “Goede vrouw”, zeide zij tot hem, “het hangt geheel van uw eigen goedvinden af; gij kunt doen alsof gij in uwe kluis waart. Ik zal u het eten laten brengen; maar vergeet niet, dat ik u terug verwacht zoodra gij uw maaltijd geëindigd[**typo verbeterd] hebt.”De prinses gebruikte den maaltijd, en de gewaande Fatime liet niet na, zich weder bij haar aan te melden, zoodra zij door een der bedienden had laten weten, dat zij van tafel was opgestaan. “Mijn goede moeder”, zei de prinses tot haar, “ik ben zeer verheugd een heilige vrouw, als gij zijt, bij mij te zien, die dit paleis zeker ten zegen zal verstrekken. Wel hoe bevalt u het paleis? Eer ik het u evenwel kamer voor kamer laat zien, zeg mij eerst hoe vindt gij deze zaal?”De valsche Fatime, die om haar rol beter te kunnen spelen, tot nog toe steeds met neergeslagen oogen gestaan had, en haar hoofd rechts noch links gewend had, hief het bij deze vraag eindelijk op, keek de heele zaal van het eene eind tot het andere met een onderzoekenden blik rond en toen zij genoeg gekeken had, zei ze: “Prinses, deze zaal is werkelijk bewonderenswaardig en uitnemend schoon. Intusschen komt het mij voor, voor zooveel een kluizenaarster, die van dat wat de wereld voor schoon houdt geen verstand heeft, beoordeelen kan, dat een enkel ding eraan ontbreekt.”“En wat dan, mijn goede moeder?” vroeg prinses Bedroelboedoer; “ik bezweer u, zeg het mij. Ik voor mij heb steeds geloofd en ook altijd gehoord, dat de zaal in alle opzichten volmaakt was. Maar als er iets aan ontbreekt, dan wil ik dit gebrek herstellen.”“Prinses”, antwoordde de valsche Fatime, “vergeef mij, dat ik zoo vrij ben. Mijn meening, als u daaraan wat gelegen is, zou namelijk wezen, dat als van uit het midden van dezen koepel het ei van den vogel Rock hing, deze zaal in geen enkel deel der aarde haars gelijke zou hebben, en het paleis werkelijk een wereldwonder zijn.”“Goede moeder”, vroeg de prinses, “wat is dan die Rock voor een vogel, en hoe kan men er een ei van krijgen?”“Prinses”, antwoordde de gewaande Fatime, “het is een vogel van bewonderenswaardige grootte, die op den hoogsten top van den Kaukasus woont; de bouwmeester van dit paleis zal u zulk een ei wel kunnen verschaffen.”Prinses Bedroelboedoer dankte de valsche Fatime voor den, zooals zij meende, goeden raad,en sprak met haar nog over een menigte andere dingen; toch vergat zij het Rock-ei niet, en nam zich voor met Aladdin erover te spreken zoodra hij van de jacht terug zou zijn. Hij was namelijk juist sedert zes dagen weg en de toovenaar, die dit zeer goed wist, had van zijne afwezigheid gebruik gemaakt. Aladdin kwam nog denzelfden dag ’s avonds terug, toen de gewaande Fatime juist afscheid van de prinses had genomen, en zich naar haar kamer begeven had. Hij ging dadelijk naar de kamer der prinses, die daar juist was teruggekeerd en begroette en omhelsde haar; het scheen hem echter, alsof zij hem eenigszins koel ontving. “Dierbare prinses”, sprak hij tot haar, “ik vind u niet zoo vroolijk als anders. Is er in mijn afwezigheid iets gebeurd, dat u mishaagd of verdriet of onaangenaamheid veroorzaakt heeft? Ik bezweer u, zeg het mij, want ik wil alles doen wat mij mogelijk is uwe wenschen te vervullen.”—“Het is maar een kleinigheid”, antwoordde de prinses, “en de zaak hindert mij zoo weinig, dat het mij onbegrijpelijk is, hoe gij uit mijn gelaat iets hebt kunnen opmaken. Daar gij echter tegen mijn verwachting een verandering hebt waargenomen, wil ik u de oorzaak ervan meedeelen, ofschoon het niets van beteekenis is.”“Ik had”, ging de prinses voort,“evenals gij, tot nu toe steeds geloofd dat ons paleis het heerlijkste, prachtigste en volmaaktste op de wereld was. Maar nu moet ik u toch zeggen, wat mij bij nauwkeurige bezichtiging van de zaal in de gedachten is gekomen. Denkt gij ook niet, dat er niets te wenschen over zou zijn, als er midden in het koepelgewelf een Rock-ei hing?”“Prinses”, antwoordde Aladdin, “zoodra gij vindt, dat er nog een Rock-ei aan ontbreekt, danvind ik het ook, en uit de haast waarmee ik dit gebrek zal verhelpen, zult gij u overtuigen, dat er niets is, wat ik niet uit liefde voor u zou willen doen.”Aladdin verliet oogenblikkelijk prinses Bedroelboedoer, ging naar de zaal met de vier en twintig vensters, haalde de lamp, die hij sinds het gevaar dat hij door haar te veronachtzamen geloopen had, overal met zich meedroeg uit zijn boezem te voorschijn en wreef haar. Dadelijk verscheen ook de geest. “Geest”, sprak Aladdin hem aan, “er ontbreekt aan dezen koepel nog het ei van den vogel Rock, dat in het midden hangen moet; ik beveel u in naam van de lamp, die ik hier in de hand houd, dat gij dit gebrek verhelpt.”Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of de geest hief zulk een luid en ontzettend geschreeuw aan, dat de zaal ervan beefde en Aladdin tuimelde ontsteld achteruit, zoodat hij bijna op den grond viel. “Wat, ellendeling!” zei de geest op een toon tot hem, die ook den meest onverschrokken mensch zou hebben doen ontstellen, “is het u niet genoeg, dat mijn gezellen en ik ter wille van u alles gedaan hebben? Moet gij ook nog, met een ondankbaarheid, die haars gelijke niet heeft, bevelen dat ik u mijn meester breng en midden in dezen koepel ophang? Dit misdrijf verdiende, dat gij en uw vrouw en uw paleis terstond tot stof en asch verteerdet. Tot uw geluk zijt ge echter niet zelf op deze gedachte gekomen, en de wensch komt niet onmiddellijk uit u zelven voort. Ge moet namelijk weten, dat hij komt van den broeder des Afrikaanschen toovenaars, uw vijand, dien gij verdelgd hebt, zooals hij verdiende. Hij bevindt zich in uw paleisin de kleeding van de heilige vrouw Fatime, die hij vermoord heeft, en hij heeft uw vrouw het verderfelijke verlangen ingegeven, dat gij tegen mij geuit hebt. Zijn doel is, u om te brengen, wees daarom wel op uw hoede.” Met deze woorden verdween hij.Aladdin ontging geen der woorden van den geest. Hij had van de heilige vrouw Fatime gehoord, en wist zeer goed, hoe zij volgens het algemeene geloof, hoofdpijnen genas. Hij ging nu naar de kamer van de prinses terug, en zonder een woord te spreken van datgene, wat hem zooeven wedervaren was, ging hij zitten met het hoofd in de hand, en zei dat hij plotseling door hevige hoofdpijn was overvallen. De prinses beval dadelijk de heilige vrouw te roepen, en terwijl deze gehaald werd, vertelde zij Aladdin hoe zij in het paleis gekomen was en hoe zij voor haar een kamer had ingeruimd.De valsche Fatime kwam, en zoodra zij er was zei Aladdin tot haar: “Treed nader, mijn goede moeder; het verheugt mij u te zien, gij zijt juist tot mijn geluk hier gekomen. Ik ben zooeven door een afschuwelijke hoofdpijn overvallen, en in het vertrouwen op uw gebeden bid ik u om hulp, want ik hoop, dat gij de weldaad, die gij reeds aan zoovele met hoofdpijn-bezochten bewezen hebt, ook mij niet zult weigeren.” Met deze woorden stond hij op en boog het hoofd; de valsche Fatime naderde hem, terwijl ze tegelijkertijd met de hand naar een dolk greep, die zij onder haar kleed in den gordel droeg. Aladdin echter, die haar nauwkeurig gadesloeg, voorkwam haar nog voor zij van leder getrokken had, en doorboorde haar met zijn dolk, zoodat zij dood ter aarde stortte.“Wat hebt gij gedaan, mijn dierbare gemaal?” riep de prinses vol angst, “gij hebt de heilige vrouw gedood!”—“Neen, geliefde prinses”, antwoordde Aladdin met groote kalmte; “ik heb niet Fatime gedood, maar een schurk, die mij zou vermoord hebben, als ik hem niet was voorgekomen. De booswicht, dien gij hier ziet”, ging hij voort, terwijl hij hem onthulde, “heeft de echte Fatime geworgd en zich in hare kleederen gestoken, om mij te vermoorden; in ’t kort, hij was de broeder van den Afrikaanschen toovenaar, uwen ontvoerder.” Aladdin vertelde daarop, hoe hij al deze omstandigheden vernomen had, en liet toen het lijk wegbrengen.Alzoo werd Aladdin van de vervolgingen der beide toovenaars bevrijd. Weinig jaren daarna stierf de sultan in hoogen ouderdom. Daar hij geen mannelijke erfgenamen achterliet, volgde hem prinses Bedroelboedoer als rechtmatige erfgename op den troon op en deelde de heerschappij met Aladdin. Zij regeerden vele jaren met elkander en lieten een beroemde nakomelingschap achter.Men zal zonder twijfel bemerkt hebben, dat in den persoon van den Afrikaanschen toovenaar een mensch is voorgesteld, die door een matelooze begeerigheid was aangegrepen, schatten te verwerven op alle mogelijke wijzen; daardoor heeft hij ze ook ontdekt, maar is toch niet in het bezit ervan gekomen, daar hij zich de schatten onwaardig betoonde. In Aladdin daarentegen, ziet men een man, die, van nederige afkomstzich tot de koninklijke waardigheid verheft, en wel door middel van dezelfde schatten, die hem zonder dat hij ze zoekt in handen vallen, en die hij slechts dan begeert als hij ze ter bereiking van een hooger doel noodig heeft. Aan den sultan zelf kan men ervaren, hoe gemakkelijk zelfs een goed, rechtvaardig en weldenkend vorst, gevaar loopt zijn troon te verliezen, als hij het waagt door een daad van schreeuwende onrechtvaardigheid en tegen alle regelen van billijkheid, uit onverstandige overijling een onschuldige te veroordeelen, zonder zijn rechtvaardiging te willen aanhooren. Den diepsten afschuw echter zullen de beide schurken van toovenaars hebben gewekt, van wie de een zijn leven opoffert om schatten te verwerven, de andere leven en geloof te gelijk om een schurk als hij zelf is, te wreken, en beiden het verdiende loon voor hun boosheid ontvangen.

Prinses achter traliewerk.De geheime deur bevond zich onder de kamers der prinses. Aladdin vond haar open en snelde de trap op. Het is onmogelijk de vreugde te beschrijven welke de beide echtgenooten ondervonden, toen zij elkander, na een scheiding, die zij voor eeuwig gehouden hadden, eindelijk terugzagen. Zij omhelsden elkander verscheidene malen en gaven elkander alle bewijzen van liefde en teederheid, die men na een zoo treurige en onverwachte scheiding als de hunne maar bedenken kan. Na deze omarming, die met vreugdetranen gepaard ging, zetten zij zich neder, en Aladdin sprak: “Prinses, vóor wij over ietsanders spreken, bezweer ik u in naam van God, zoowel ter wille van uzelf, als om uw vereerden vader, den sultan, en in ’t bijzonder om mijns zelfs wil, zeg mij, wat is er van mijn oude lamp geworden, die ik, voor ik op jacht ging, in de zaal met de vier en twintig vensters op de kroonlijst gezet heb.”Aladdin en prinses.“Ach, dierbare gemaal”, antwoordde de prinses, “ik heb wel al gedacht, dat ons wederzijdsch ongeluk met die lamp in verband stond, en wat mij ontroostbaar maakt is, dat ik er zelve de schuld van ben.”—“Prinses,” hernam Aladdin, “geef uzelve de schuld niet, zij is geheel aan mijn kant, want ik had de lamp zorgvuldigermoeten bewaren. Laat ons er nu echter alleen aan denken, de schade weer te herstellen en doe mij daarom het genoegen en vertel mij uitvoerig hoe zich de zaak heeft toegedragen en in welke handen de lamp gevallen is.”Prinses Bedroelboedoer vertelde daarop aan Aladdin alles; onder welke omstandigheden zij de oude lamp tegen de nieuwe, die zij hierop aan hem liet zien, verruild had, en hoe zij den daaropvolgenden nacht de verplaatsing van het paleis bemerkt en zich in een geheel vreemd land bevonden had, ’t zelfde waar zij nu waren en dat Afrika heette. Dit laatste had zij uit den mond van den schurk zelf gehoord, die haar door zijn tooverkunst hierheen verplaatst had.“Prinses”, onderbrak Aladdin haar, “ge hebt mij den schurk duidelijk genoeg aangeduid, met te zeggen dat wij in Afrika zijn. Hij is de afschuwelijkste van alle menschen; het is er nu de tijd noch de gelegenheid voor u zijn slechtheden omstandig te verhalen, en ik verzoek u alleen mij te zeggen, wat hij met de lamp uitgevoerd en waar hij haar verborgen heeft.”—“Hij draagt haar zoo goed mogelijk in zijn boezem verstopt”, hernam de prinses, “dat kan ik vast zeggen, daar hij haar in mijn tegenwoordigheid te voorschijn gehaald en onthuld heeft, om zich er tegen mij op te verhoovaardigen.”“Geliefde mijns harten”, zei Aladdin hierop, “vergeef mij, als ik u door veel vragen vermoei: het is voor u en mij van het hoogste gewicht. Maar om nu te komen op wat mij bijzonder na aan ’t hart ligt, bezweer ik u mij te zeggen, hoe deze slechte en trouwelooze man u behandeld heeft.”—“Sinds ik hier ben”, antwoordde de prinses, “heeft hij zich maar eens per dag aanmij vertoond, en ik ben overtuigd, dat het slechte gevolg dat hij van zijn bezoeken gehad heeft, hem er van zal terughouden mij nog vaker lastig te vallen. Al zijn toespraken, die hij tot mij richt, hebben ten doel mij er toe te brengen, mijn woord aan u te breken en hem tot mijn gemaal te nemen. Daarbij geeft hij mij te verstaan, dat ik nimmer meer behoef te hopen u weder te zien, want gij waart niet meer in leven en de sultan, mijn vader, had u het hoofd af laten houwen. Tot zijn rechtvaardiging voegt hij erbij, dat gij een ondankbaar schepsel zijt, die al zijn geluk aan hem te danken hebt, en zoo nog allerlei dingen meer, waarop ik niet eens acht sloeg. Daar hij nu van mij geen verder antwoord krijgt dan klachten, zuchten en tranen, moet hij zich telkens even onbevredigd verwijderen als hij gekomen is. Ondertusschen twijfel ik er niet aan, of hij heeft het plan, mijn levendigste smart eerst voorbij te laten gaan, in de hoop dat ik tot andere gedachten mag komen, en eindelijk zal hij geweld gebruiken als ik in mijn verzet volhard. Maar uwe tegenwoordigheid, mijn dierbare gemaal, heeft al mijn zorgen reeds verdreven.”“Prinses”, onderbrak haar Aladdin, “ik koester het vertrouwen, dat gij niets meer te vreezen hebt, en geloof een middel te hebben gevonden, om ons beiden van den gemeenschappelijken vijand te bevrijden. Hiertoe moet ik evenwel noodzakelijk de stad ingaan. Ik zal tegen den middag terugkomen, en u dan mijn plan meedeelen, en wat ge zelf te doen hebt, om tot het welslagen ervan bij te dragen. Maar dit zeg ik u vooruit, verwonder u niet als ge mij in een andere kleeding ziet terugkomen, en geef ’t bevel dat men mij, als ik aan de geheime deur klop, niet langlaat wachten.” De prinses beloofde dat men hem aan de deur zou opwachten en snel openen.Toen Aladdin nu uit de kamer van de prinses en weer buiten het paleis gekomen was, keek hij naar alle kanten rond en bemerkte een landman, die naar ’t veld ging.Daar de boer tamelijk ver van het paleis af was, liepAladdinsnel om hem in te halen, en deed hem het voorstel met hem van kleeren te verwisselen, waarop de boer eindelijk ook inging. De ruil geschiedde achter eenige struiken, en toen zij van elkander scheidden, sloeg Aladdin den weg naar de stad in. Zoodra hij daar was, sloeg hij de straat in die van de poort afliep, en ging van daar een van de drukste straten in, tot hij aan een plein kwam, waar kooplieden en handwerkslieden van allerlei soort hun afzonderlijk straatje hadden. Hij trad nu het straatje van de drogistenhandelaars binnen, ging in den grootsten en best-voorzienen winkel en vroeg den koopman, of deze niet een zeker poeder had, dat hij hem opnoemde. De koopman, die uit Aladdin’s kleeren opmaakte, dat hij arm was en geen geld genoeg had om hem te betalen, antwoordde dat hij het wel had, maar dat het heel duur was. Aladdin ried zijn gedachten, haalde zijn buidel uit den zak, liet eenige goudstukken klinken en verlangde toen een halve drachma van dat poeder. De koopman woog het af, pakte het in en gaf het aan Aladdin en eischte een goudstuk daarvoor. Aladdin overhandigde het hem, en zonder zich in de stad langer op te houden, dan noodig was om eenig voedsel tot zich te nemen keerde hij in zijn paleis terug. Hij behoefde aan de geheime deur niet lang te wachten, zij werd dadelijk voor hem geopend,en zoo ging hijnaar bovenin de kamer van prinses Bedroelboedoer. “Liefste”, zoo sprak hij haar aan, “hoewel gij zulk een afkeer van uw ontvoerder hebt, zal het u toch zwaar vallen den raad te volgen, dien ik u geef. Bedenk echter, dat gij u noodwendig eenig geweld moet aandoen, als gij u van zijn aanzoeken bevrijden, en den sultan uwen vader en mijnen gebieder de vreugde wilt bereiden u ooit weder te zien. “Volg alzoo mijn raad”, voer Aladdin voort, “tooi u dadelijk met uw schoonste kleederen, en als de Afrikaansche toovenaar komt, ontvang hem dan zoo vriendelijk mogelijk. Gij moet echter niet laten merken dat gij u geweld aandoet, maar gij moet hem een vriendelijk gezicht toonen, zoodat hij moet besluiten, dat, zoo er nog eenige droefenis bij u is achtergebleven, deze ook mettertijd wel verdwijnen zal. Geef hem dan in uw gesprekken te kennen, dat ge alle moeite doet mij te vergeten; en om hem volkomen van uw oprechtheid te overtuigen, noodigt gij hem aan den avondmaaltijd, en geeft den wensch te kennen, den besten wijn van zijn land eens te probeeren. Hij zal dan dadelijk wegloopen, om u dien te halen. Terwijl gij nu op zijn terugkomst wacht, en gij den schenktafel in gereedheid laat brengen, stort gij in een der bekers die aan den uwen gelijk is, dit poeder, zet hem dan terzijde en beveel degene van uw vrouwen, die met het schenken belast is, u dezen beker op een afgesproken teeken vol wijn te brengen, en er wel acht op te geven, dat zij zich niet vergist. Als dan de toovenaar terugkomt, en, gij beiden aan tafel zit, en naar hartelust gegeten en gedronken hebt, laat gij u den beker met het poeder brengen en verwisselt gij uwen beker met den zijnen.Hij zal dit als zulk een hooge eer beschouwen, dat hij het niet zal weigeren en den beker tot op den bodem zal ledigen; nauwelijks echter zal hij hem uitgedronken hebben, of gij zult hem achterover zien zinken. Mocht gij het al te afschuwelijk vinden, uit zijn beker te drinken, houd u dan maar zoo of gij drinkt, en gij hebt er niets bij te vreezen; want het poeder zal zulk een snelle uitwerking hebben, dat hij geen tijd zal hebben om op te merken of gij drinkt of niet.”Daarop antwoordde de prinses: “Ik beken dat het mij een groote overwinning op mijzelf zal kosten, den toovenaar op deze wijze tegemoet te komen, waarvan ik toch de noodzakelijkheid inzie. Waartoe is men niet in staat tegenover zulk een gruwzamen vijand. Ik zal dus doen wat gij mij aanraadt, daar zoowel mijn als uw veiligheid daarvan afhangt.” Na deze afspraak nam Aladdin afscheid van de prinses en bracht het overige deel van den dag in den omtrek van het paleis door met het plan zich met het aanbreken van den nacht weer aan de geheime deur te bevinden. Prinses Bedroelboedoer, ontroostbaar dat zij niet alleen van haar geliefden gade, dien zij van den beginne af meer uit ware liefde dan uit gehoorzaamheid aan haren vader gehuwd had, maar ook van den sultan, haar vader, wiens teedere liefde zij met dezelfde teederheid beantwoordde, gescheiden was, had sinds het oogenblik der smartelijke scheiding haar uiterlijk zeer verwaarloosd. Ja, zij had zelfs de reinheid uit het oog verloren, die toch haar geslacht zoo bijzonder goed staat, in ’t bijzonder sinds de Afrikaansche toovenaar haar voor de eerste maal bezocht had, en zij van haar vrouwen, die hem herkenden, gehoord had, dat het dezelfde was diede oude lamp tegen eene nieuwe verruild had; want door dit afschuwelijk bedrog was hij haar tot een gruwel geworden. Nu echter, daar zich de gelegenheid voordeed, de verdiende wraak op hem te nemen, en zelfs vroeger dan zij had durven hopen, besloot zij Aladdin’s wensch te volvoeren. Zoodra hij zich daarom verwijderd had, zette zij zich voor haar kaptafel, liet zich door haar vrouwen zoo prachtig mogelijk kleeden en koos het rijkste en bij haar voornemen ’t best passende staatsiegewaad uit. Haar gordel was van louter goud, en met de grootste en kostbaarste diamanten bezet; om den hals droeg zij een snoer van slechts dertien paarlen, waarvan echter de zes paarlen aan den kant tot de middelste, die de grootste en kostbaarste was, in zulke verhouding stonden, dat de grootste sultanen en koninginnen zich gelukkig zouden gerekend hebben, indien zij slechts een volledig snoer van de grootte der beide kleinste paarlen in het halssnoer der prinses bezeten hadden. De armbanden, die met robijnen en diamanten bezet waren, kwamen treffend overeen met den rijkdom van den gordel en van het halssnoer.Toen prinses Bedroelboedoer geheel gekleed was, haalde zij haar spiegel te voorschijn, vroeg haren vrouwen hoe zij er uitzag en daar zij zich overtuigd had, dat haar geen der bekoorlijkheden ontbrak, die den dwazen hartstocht van den Afrikaanschen toovenaar konden prikkelen, ging zij op de sofa zitten en wachtte zijn komst.De toovenaar verzuimde niet, op het gewone uur te komen. Zoodra de prinses hem de zaal met de vier en twintig vensters, waar zij hem verwachtte, zag binnentreden, stond zij op in al den glans harer bekoorlijkheid, wees hem metde hand de eereplaats die hij zou innemen, en zette zich dan tegelijk met hem: een zeer bijzondere hoffelijkheid, die zij hem tot dusver nog niet bewezen had.Den Afrikaanschen toovenaar verblindde meer de glans uit de schoone oogen der prinses, dan de stralende edelgesteenten, waarmee zij zich getooid had, zoodat hij geheel verrast was. Haar koninklijke houding en de vriendelijke minzaamheid waarmee zij hem ontving, terwijl zij hem tot nog toe zoo stug had teruggewezen, maakten zulk een indruk op hem dat hij nauwelijks bij zijn zinnen bleef. Hij wilde aanvankelijk op het uiterste randje van de sofa plaats nemen; maar toen hij zag dat de prinsese niet eer ging zitten voor hij had plaats genomen waar zij wenschte, gehoorzaamde hij. Toen de Afrikaansche toovenaar zich gezet had, nam de prinses, om hem uit de verlegenheid te helpen, het woord, en terwijl zij hem aankeek op een manier die hem moest doen besluiten dat hij haar niet meer zoo hatelijk was als tot nog toe, sprak zij tot hem: “Gij zult u zonder twijfel verwonderen, dat gij mij thans geheel anders aantreft, dan vroeger, maar ge zult het u verklaren kunnen, als ik u zeg dat mijn gansche gemoedsgesteldheid zoodanig is, dat zij een afkeer heeft van alle treurigheid, zwaarmoedigheid, bedroefdheid en zorgen; en dat ik die altijd zoo spoedig mogelijk van mij afschud, zoodra ik er geen gegronde oorzaak meer voor zie. Ik heb alles wat gij mij van Aladdin’s lot verteld hebt, wel overlegd, en daar ik het karakter van mijn vader zeer goed ken, ben ik er met u van overtuigd, dat hij aan de verschrikkelijke gevolgen van zijn toorn niet ontkomen is. Als ik er nu op wilde staan, mijn heeleverdere leven om hem te weenen, zie ik toch wel in dat mijn tranen hem niet in het leven terug zouden roepen. Daarom geloof ik, dat ik, na hem alle liefde, ook in het graf, bewezen te hebben, nu ook alle middelen moet te baat nemen om mij te troosten. Dit zijn de gronden voor de verandering, die gij bij mij bespeurt. Om nu dadelijk elke aanleiding tot treurigheid te verwijderen, die ik besloten ben ook voorgoed te verbannen, heb ik een avondmaaltijd laten bereiden, waarbij ik hoop dat gij zoo vriendelijk zult zijn mij gezelschap te houden. Daar ik echter slechts Chineeschen wijn heb en mij toch in Afrika bevind, heeft mij de lust bekropen, den hier te lande groeienden te proeven, en ik twijfel niet, of gij zult den besten weten uit te kiezen, als hier goede mocht zijn.”De Afrikaansche toovenaar, die het geluk, zoo snel en zoo gemakkelijk prinses Bedroelboedoer’s gunst te winnen, voor onmogelijk gehouden had, zei dat hij nauwelijks woorden kon vinden om zijn dank genoegzaam uit te drukken, en om dit gesprek, waarbij hij nog immer zeer in verlegenheid was, spoedig te besluiten, bracht hij het snel op den Afrikaanschen wijn, waarover zij gesproken had, en zeide onder alle voorrechten waarop zich Afrika kon beroemen, stond een voortreffelijke wijn bovenaan, en de allerbeste groeide in dat deel van het land, waar zij zich thans bevonden; hij had een vat, dat al zeven jaar gevuld en nog niet aangestoken was, en hij dacht niet te veel te zeggen, als hij beweerde, dat de qualiteit van dezen wijn die van elken anderen op de heele aarde overtrof. “Als mijn prinses het mij wil vergunnen”, voegde hij erbij, “dan wil ik er twee flesschen van halen enoogenblikkelijk weer terug zijn.”—“Het zou mij leed doen, als ik u zooveel moeite veroorzaakte”, zei de prinses, “gij zoudt wel iemand kunnen sturen”.—“Neen”, antwoordde de Afrikaansche toovenaar, “ik moet noodzakelijk zelf gaan; niemand buiten mij weet, waar de sleutel van dezen kelder is; ook weet niemand het geheim, hem te openen.”—“Als dat zoo is”, zei de prinses, “ga dan zelf, en kom spoedig terug. Hoe langer gij uitblijft, des te grooter zal mijn ongeduld zijn, u weer te zien, en zoodra gij terugkomt zetten wij ons aan tafel.”De Afrikaansche toovenaar, vol hoop op zijn vermeend geluk, liep niet maar vloog om zijn zevenjarigen wijn te halen, en kwam zeer spoedig terug. Ondertusschen had de prinses, die er niet aan twijfelde of hij zou zich zeer haasten, het poeder dat Aladdin haar gebracht had, in een beker geworpen, dien zij daarna aan den kant zette, en liet nu dadelijk opdragen. Zij zetten zich tegenover elkander aan tafel, zoodat de toovenaar met den rug naar de schenktafel toe zat. De prinses legde hem van alles het beste voor en zei tot hem: “Als gij het verlangt, zal ik muziek laten maken en laten zingen; maar daar wij hier beiden alleen zijn, denk ik dat wij meer genoegen zullen smaken, als wij tezamen wat praten.” De toovenaar beschouwde deze keus der prinses als een nieuwe gunst.Nadat zij eenige beten genuttigd had, verlangde de prinses te drinken. Ze dronk op de gezondheid des toovenaars en zei dan tot hem: “Gij hadt alle recht uwen wijn te prijzen; ik heb nog nooit zoo kostelijken wijn gedronken.”—“Bekoorlijke prinses”, antwoordde hij, “terwijl hij den beker die hem gereikt werd, in de handhield, “mijn wijn krijgt door uw bijval een nieuwe voortreffelijkheid.”—“Drink op mijn gezondheid”, zei de prinses, “dan zult gij zelf zien dat ik hem beoordeelen kan.” Hij dronk op de gezondheid der prinses, zag dan den beker aan, en zei: “Prinses, ik acht mij gelukkig dat ik dit vat voor zulk een goede gelegenheid bewaard heb; ik beken zelf dat ik mijn heele leven nog zoo’n voortreffelijken wijn niet gedronken heb.”Toen zij nog meer gegeten en nog driemaal gedronken hadden, gaf eindelijk de prinses die den Afrikaanschen toovenaar door haar vriendelijkheid en lieftalligheid het hoofd geheel op hol gebracht had, de vrouw die met schenken belast was, het afgesproken teeken, en terwijl men haar den beker met wijn bracht, beval zij ook dien van den toovenaar te vullen en hem over te reiken.Toen nu beiden den beker in de hand hadden, sprak zij tot den Afrikaanschen toovenaar: “Ik weet niet, hoe het bij u te lande onder minnenden die met elkander drinken de gewoonte is; bij ons in China verwisselen beiden hun bekers met elkander en drinken elkanders gezondheid.” Met deze woorden reikte zij hem den beker over, dien zij in de hand hield, en strekte de andere hand uit om den zijnen in ontvangst te nemen.De Afrikaansche toovenaar haastte zich met des te meer vreugde haar wensch na te komen, daar hij het als een zeker teeken beschouwde, dat hij het hart der prinses nu geheel veroverd had, en hield zich voor den gelukkigste aller stervelingen. Eer hij dronk, zei hij met den beker in de hand: “Prinses, wij Afrikanen zijn lang niet zoo ver in de kunst, de liefde met alle mogelijkevoorkomendheden te kruiden, als de Chineezen en terwijl ik hier iets leer, wat ik nog niet wist, voel ik tegelijkertijd hoe hoog ik deze gunst te schatten heb. Nooit zal ik vergeten, beminnelijke prinses, dat ik uit uw beker gedronken en daarmee tevens het leven teruggevonden heb, waarvan ik reeds niets meer gehoopt had, als gij nog langer in uw wreedheid volhard hadt.”Prinses Bedroelboedoer, wie het nuttelooze gepraat van den toovenaar verveelde, viel hem in de rede en zei: “Laat ons nu drinken, later kunt gij verder spreken.” Tegelijkertijd voerde zij den beker aan den mond, raakte hem echter slechts met de lippen aan, terwijl de Afrikaansche toovenaar zich beijverde haar vóór te zijn, en den zijnen ledigde zonder er een droppel in te laten. Daar hij bij het uitdrinken zijn hoofd wat achterover geneigd had, om zijn ijver te toonen, bleef hij nog een wijle in deze houding, tot de prinses, die nog steeds den rand van den beker aan hare lippen hield, zag, dat zijn oogen zich verdraaiden en hij zonder bewustzijn ruggelings achteroverzonk.De prinses behoefde niet lang te bevelen, dat men Aladdin de geheime deur zou openen. Haar vrouwen, met wie alles van te voren was afgesproken, hadden zich op behoorlijke afstanden van de zaal tot onder aan de trap opgesteld, zoodat de geheime deur bijna op hetzelfde oogenblik geopend werd, waarin de Afrikaansche toovenaar in elkaar gezakt was.Aladdin kwam boven en trad de zaal binnen. Toen hij den Afrikaanschen toovenaar op de sofa uitgestrekt zag, en prinses Bedroelboedoer hem vol vreugde met open armen tegemoet snelde,hield hij haar terug en zei: “Het is daarvoor nu nog geen tijd, prinses; doe mij het genoegen en begeef u naar uw kamer en zorg ervoor dat men mij alleen laat, terwijl ik mijn voorbereidingen tref om u even snel weer naar China terug te brengen, als gij vandaar ontvoerd zijt.”Zoodra de prinses met haar vrouwen en bedienden de zaal verlaten had, sloot Aladdin de deur, ging op het ontzielde lichaam van den toovenaar toe, opende zijn kleed en haalde er de lamp uit, die nog zoo omhuld was als de prinses hem beschreven had. Hij wikkelde haar los, wreef haar en dadelijk verscheen de geest met zijn gewonen groet. “Geest”, zei Aladdin, “ik heb u geroepen, om u in naam der lamp, uw meesteres die gij hier voor u ziet, te bevelen dat gij dit paleis weer naar China laat terugbrengen en wel op dezelfde plaats, vanwaar het vervoerd is.” De geest gaf door een hoofdknik te verstaan, dat hij zou gehoorzamen en verdween. De verplaatsing geschiedde werkelijk en men bespeurde haar slechts aan twee zeer kleine schokken: één, toen het paleis van zijn plaats in Afrika werd opgenomen, en een toen het weder in China tegenover het paleis van den sultan werd neergelaten; dit alles was het werk van een paar oogenblikken.Aladdin ging nu naar de kamer van de prinses, omhelsde haar en zei tot haar: “Prinses, ik kan u verzekeren, dat uw vreugde en de mijne morgen volmaakt zullen zijn.” Daar de prinses haar avondmaaltijd nog niet beëindigd had en Aladdin naar eten verlangde, liet zij uit de zaal met de vier en twintig vensters de spijzen, die daar waren klaargezet, doch nauwelijks aangeraakt waren, op haar kamer brengen. De prinses enAladdin aten nu tezamen en dronken van den goeden wijn van den Afrikaanschen toovenaar. Ik zal niets van hun verder onderhoud meedeelen, dat niet anders dan zeer vergenoegd zijn kon, en voeg er slechts bij dat zij zich eindelijk ter ruste begaven.Sinds de ontvoering van het paleis en van prinses Bedroelboedoer was de sultan, haar vader, ontroostbaar, daar hij haar voor immer verloren waande. Hij kon dag noch nacht rust vinden, en in plaats van alles te vermijden wat zijn smart nieuw voedsel kon verschaffen, zocht hij dat als ’t ware op. Terwijl hij bijvoorbeeld vroeger alleen ’s morgens naar den open uitbouw van zijn paleis was gegaan, om zijn oogen aan den aanblik te vergasten, waarvan hij maar niet zat kon worden, ging hij nu meermalen overdag erheen om zijn tranen vrijen loop te laten en zich immer weer in zijn droefheid te verdiepen door te denken dat hij alles wat hem voorheen zoo welgevallig geweest was, nooit weer zou zien, en het liefste dat hij ter wereld bezeten had, hem voor altijd ontrukt was. Ook op den morgen, dat Aladdin’s paleis weer op zijn oude plaats was teruggebracht, vertoonde zich nauwelijks het morgenrood aan den horizont, of de sultan ging in zijn uitbouw. Hij was zoo in zichzelven gekeerd en zoo doordrongen van zijn smart, dat hij zijn oogen treurig naar den kant wendde waar hij slechts een ledige ruimte en geen paleis meer dacht te zien. Toen hij nu opeens deze plaats weer gevuld zag, hield hij het voor een nevel. Eindelijk echter, nadat hij opmerkzamer gekeken had, erkende hij dat het heel zeker Aladdin’s paleis was. Vreugde en blijdschap maakten zich nu na langen kommer en treurigheid van zijnhart meester. Hij keerde ijlings naar zijn kamer terug en beval dat men hem een paard zou voorbrengen. Hij wierp zich in den zadel, reed voort, en het was hem als kon hij maar niet vlug genoeg bij Aladdin’s paleis komen.Sultan kijkt uit raam paleis.Aladdin, die dit wel voorzien had, was met het krieken van den dag opgestaan, had een zijner prachtigste gewaden aangetrokken en zich toen in de zaal met de vier en twintig vensters begeven vanwaar hij den sultan ook zag aankomen. Hij snelde weg en kwam nog net vroeg genoeg om hem onder aan den hoofdtrap op te wachten en hem te helpen van ’t paard stijgen. “Aladdin”, sprak de sultan tot hem; “ik kan niet met u spreken alvorens mijn dochter te hebben gezien en omhelsd.”Aladdin voerde den sultan in de kamer van prinses Bedroelboedoer, die juist met kleeden gereed was; want Aladdin had haar bij het opstaan eraan herinnerd, dat zij niet meer in Afrika, maar in China, in de hoofdstad van den sultan, tegenover zijn paleis was. De sultan omhelsdezijn dochter meermalen, terwijl hem de vreugdetranen over de wangen liepen, en de prinses, van haar kant, bewees hem op alle mogelijke wijzen, hoe blij zij was, hem weerom te zien.De sultan was een tijdlang sprakeloos van ontroering nu hij zijn geliefde dochter, die hij reeds zoo lang beweend had, weerom gevonden had, en ook de prinses vergoot veel tranen van blijdschap nu zij haar vader, den sultan, terugzag. Eindelijk nam de sultan het woord en sprak: “Geliefde dochter, ik wil gelooven dat de vreugde des wederziens u in mijn oogen zoo vroolijk en weinig veranderd doet schijnen, alsof u heelemaal niets onaangenaams gebeurd was, en toch ben ik overtuigd, dat gij veel hebt uitgestaan. Men wordt niet zoo snel met zijn heele paleis verplaatst, zonder dat daarmede een schrikkelijke onrust en groote angst gepaard gaan. Ik wensch nu dat ge mij vertelt, hoe de zaak zich heeft toegedragen, en gij mij niets verzwijgt.De prinses schiep er behagen in, den wensch van den sultan, haar vader, gehoor te geven. “Heer”, sprak zij tot hem, “als ik u zoo onveranderd lijk, bid ik u wel te bedenken, dat ik reeds sinds gistermorgen vroeg weer ben begonnen te leven, toen ik mijn dierbaren gemaal en bevrijder aanschouwde, dien ik reeds verloren gewaand en beweend heb, terwijl de gedachte, u te mogen omarmen, elk spoor van vroeger verdriet van mij heeft weggevaagd. Om het vrij te zeggen, mijn heele ongeluk bestond daarin, dat ik mij aan u en mijn gemaal ontrukt zag; ook was ik niet slechts in angst om het verlies van mijn echtgenoot, maar vooral om de treurige gevolgen van uw toorn, waaraan hij, hoe onschuldig ook, zondertwijfel moest zijn blootgesteld. Minder heb ik van de onbeschaamdheid van mijn ontvoerder geleden, die tot mij sprak op een wijze die mij niet beviel. Ik wist mij dadelijk zulk een gezag over hem te verschaffen, dat ik hem tot zwijgen bracht. Overigens werd mij even weinig dwang aangedaan als op dit oogenblik. Wat mijn ontvoering betreft, daaraan heeft Aladdin niet de minste schuld; ik zelf ben er de oorzaak van, maar op een hoogst onschuldige wijze.” Om den sultan van de waarheid harer woorden te overtuigen, vertelde zij hem uitvoerig, hoe de Afrikaansche toovenaar zich als een lampenkoopman verkleed had, die oude lampen tegen nieuwe inruilde, en hoe zij hem voor den grap Aladdin’s lamp, waarvan zij de geheime kracht niet gekend had, tegen een nieuwe had ingeruild, waarop het paleis met haar en de overige bewoners was opgeheven, en met den Afrikaanschen toovenaar naar Afrika was overgebracht; den laatsten hadden twee harer vrouwen en de bediende, die de lamp geruild had, dadelijk herkend, toen hij de onbeschaamdheid gehad had, zich aan haar voor te stellen na het gelukkig welslagen van zijn onderneming, en haar een huwelijksaanbod te doen; verder vertelde zij van de herhaalde aanzoeken, die zij tot Aladdin’s komst had moeten verduren, en van de maatregelen die zij gezamenlijk getroffen hadden, om hem de lamp die hij bij zich droeg, te ontrukken; hoe hun dit gelukt was, doordat zij zichzelve geweld aangedaan had en hem op haar kamer aan den avondmaaltijd had uitgenoodigd, waar zij hem dan den vergiftigden wijn had toegediend. “Omtrent het overige”, voegde zij erbij, “moge Aladdin u inlichten.”Aladdin maakte zijn verhaal kort. “Toen men mij”, zei hij, “de geheime deur geopend had, ging ik snel naar de zaal met de vier en twintig vensters en daar ik den verrader door de werking van het poeder dood op de sofa zag liggen, verzocht ik de prinses, daar een langer verblijf haar zeker niet welkom was, met haar vrouwen en bedienden naar haar vertrekken te gaan. Ik bleef nu alleen achter, haalde de lamp uit het gewaad van den toovenaar en gebruikte haar geheime kracht, waarvan hij zich bediend had, om de prinses en het paleis te rooven. Zoo heb ik ’t dan gedaan gekregen dat het paleis weer op zijn plaats staat, en ben zoo gelukkig u volgens uw bevel de prinses terug te brengen. Alles, wat ik u daar vertel, is de zuivere waarheid, en als gij u naar boven in de zaal begeven wilt, zult gij zien, dat de toovenaar naar verdienste gestraft is.”Om zich geheel te overtuigen, ging de sultan naar boven, en toen hij den Afrikaanschen toovenaar dood, en zijn gezicht geheel blauwzwart door de werking van het vergift vond, omhelsde hij Aladdin met veel teederheid en zeide hij tot hem: “Mijn zoon, neem mij mijn gedrag tegenover u niet kwalijk; slechts mijn vaderliefde was daaraan schuld, en ge moet mij de overijling, tot welke ik mij liet verleiden, vergeven.”—“Heer”, antwoordde Aladdin, “ik heb niet de minste reden, mij over u te beklagen; gij hebt slechts gedaan, wat gij doen moest. Die schandelijke toovenaar, dat uitvaagsel der menschheid, was de eenige oorzaak, dat ik uw gunst verloor. Als gij eens gelegenheid hebt, zal ik u van een andere snoodheid vertellen, die hij mij heeft aangedaan, en die niet minder verschrikkelijk is, dan zijnlaatste, waarvoor mij Gods bijzondere genade bewaard heeft.”“Ik zal zorgen dat deze gelegenheid spoedig komt”, antwoordde de sultan, “en wel heel spoedig. Laat ons er nu evenwel aan denken vroolijk te zijn, en te zorgen dat dit gehate lichaam hiervandaankomt.”Aladdin liet het lijk van den toovenaar wegbrengen en op den mesthoop werpen, ten einde den vogelen des velds tot voedsel te strekken. De sultan gaf echter bevel door trommels, pauken, trompetten en andere instrumenten het teeken tot een algemeene vreugde te geven, en liet een tiendaagsch vreugdefeest aankondigen, om den terugkeer van prinses Bedroelboedoer en Aladdin te vieren.Zoo ontkwam Aladdin ten tweeden male aan een doodsgevaar; maar het was nog niet het laatste, en hij moest nog een derde, even gevaarlijke beproeving doorstaan, die wij hier uitvoerig verhalen zullen.De Afrikaansche toovenaar had nog een jongeren broeder, die in de tooverkunst niet minder bedreven was dan hij; ja, men kan zeggen dat hij dezen nog in boosheid en listen overtrof. Daar zij niet steeds tezamen of in dezelfde stad leefden, en de een zich menigmaal in het oosten bevond terwijl de andere in het westen was, lieten zij niet na door middel der punteerkunst eens per jaar uit te vinden in welk deel der wereld ieder van hen leefde, hoe het hem ging en of hij ook de hulp van den ander noodig had.Korten tijd nadat de Afrikaansche toovenaar bij zijn aanslag tegen Aladdin’s geluk den dood gevonden had, wilde zijn jongere broeder die sinds jaar en dag geen bericht van hem had ontvangen, en zich niet in Afrika maar in een zeer ver afgelegen land ophield, weten waar hij zich ter wereld bevond, hoe hij het maakte en wat hij uitvoerde. Evenals zijn broeder had hij overal waar hij ging zijn punteer-vierhoek bij zich. Hij nam nu dezen vierhoek, effende het zand, maakte de punten, trok de figuren en lijnen en stelde de horoscoop. Terwijl hij nu alle afzonderlijkefiguren doorliep, vond hij door de eene dat zijn broeder niet meer leefde, door de andere, dat hij vergiftigd was geworden en plotseling gestorven was, door de derde dat dit in China, door de vierde dat het in een hoofdstad van China, daar en daar gelegen, gebeurd was, en eindelijk dat hij die hem vergiftigd had, een man van nederige afkomst was, die een prinses van den sultan gehuwd had.Toen de toovenaar op deze wijze het treurige uiteinde van zijn broeder ervaren had, verloor hij geen tijd met nuttelooze klachten, waardoor zijn broeder toch niet levend had kunnen worden, maar besloot oogenblikkelijk, zijn dood te wreken, steeg te paard en begaf zich op weg naar China. Hij moest over vlakten, rivieren, bergen, woestenijen; en na een lange reis kwam hij eindelijk, nadat hij zich onderweg nergens had opgehouden en na ongeloofelijke moeielijkheden, in China aan en was spoedig daarop in de hoofdstad die hij door zijn punteerkunst had weten uit te vinden. Daar hij zeker wist dat hij zich niet vergist, en dit koninkrijk niet met een ander verwisseld had, bleef hij in de hoofdstad en sloeg er zijn zetel op.Den dag na zijn aankomst ging de toovenaar uit en wandelde door de stad, niet zoozeer om hare schoonheden te bewonderen, die hem hoogst onverschillig waren, als om dadelijk op maatregelen te zinnen voor de uitvoering van zijn verderfelijk plan; daarom ging hij naar de meest bezochte plaatsen en luisterde begeerig naar alles wat er gesproken werd. Op een plaats waar men zich met allerlei spelen den tijd verdreef, en waar, terwijl de eenen speelden, de anderen zich met de nieuwtjes van den dag of met hun eigengeschiedenissen bezighielden, hoorde hij zeer merkwaardige dingen vertellen van de deugd en vroomheid, ja zelfs van de wonderdaden van een, der wereld afgescheidene vrouw, Fatime genaamd. Daar hij geloofde, dat deze vrouw hem bij zijn voornemen wellicht behulpzaam zou kunnen zijn, nam hij een van het gezelschap ter zijde om iets naders omtrent die heilige vrouw en hare wonderen te vernemen.“Wat”, zei de aangesprokene tot hem, “gij hebt deze vrouw nog nooit gezien en ook niet van haar hooren spreken? Zij is door haar vasten, haar strenge levenswijze en het voorbeeld dat zij geeft, een voorwerp van algemeene bewondering in de geheele stad. Behalve Maandags en Vrijdags, verlaat zij haar kleine kluis niet en de dagen waarop zij zich in de stad vertoont, doet zij oneindig veel goeds; ook geneest zij ieder die met hoofdpijn behept is, door oplegging der handen.”De toovenaar verlangde op dit punt niet meer te weten, maar vroeg alleen nog in welk deel der stad haar eenzame woning te vinden was. De man beschreef hem de plek nauwkeurig; de toovenaar echter, nadat hij deze mededeeling ontvangen en het verderfelijke plan, waarvan wij zoo dadelijk zullen spreken, had opgevat en ontworpen, bespiedde, om van zijn taak nog zekerder te zijn, reeds den eersten dag, dat zij uitging, al haar schreden en verloor haar niet uit het oog tot hij haar ’s avonds in haar eenzame woning zag terugkeeren. Toen hij zich de plaats goed ingeprent had, begaf hij zich naar een der reeds boven genoemde huizen, waar men een zekeren warmen drank gebruikte en als men lust had ook den nacht kon doorbrengen, voornamelijkbij groote hitte, wanneer men in deze warme landen liever op matten dan in bedden slaapt.Tegen middernacht betaalde de toovenaar den waard zijn kleine vertering en ging rechtstreeks naar de eenzame woning van Fatime, de heilige vrouw, want onder dien naam was zij in de heele stad bekend. Hij opende zonder moeite de met een klink gesloten deur, trad binnen en deed de deur heel zachtjes weder toe; daarbinnen zag hij bij het helle maanlicht Fatime liggen die in de open lucht op een sofa sliep. Hij naderde haar, trok een dolk, die hij in zijn gordel droeg en wekte haar.Toen de arme Fatime haar oogen opsloeg, schrok zij vreeselijk bij het zien van een man, die op het punt stond haar te vermoorden. Hij zette haar de dolk op de borst, maakte een gebaar, alsof hij wilde toestooten en zei tot haar: “Als ge schreeuwt, of slechts het minste gedruisch maakt, dan zijt gij een kind des doods; sta nu echter op, en doe wat ik u zeggen zal.”Fatime, die zich gekleed ter ruste had gelegd, stond sidderend en bevend op. “Vrees niet”, sprak de toovenaar tot haar, “ik verlang alleen uw kleed; geef het mij en neem daarvoor het mijne.” Zij ruilden hun kleeren, en nadat de toovenaar Fatime’s kleed had aangetrokken zei hij: “Verf mij nu het gezicht, zoodat ik er uitzie als gij en zorg dat de verf niet uitwischt.” Daar hij zag, dat zij nog steeds sidderde, zeide hij om haar gerust te stellen, en opdat zij des te nauwkeuriger zijn wensch vervullen mocht, nogmaals tot haar: “Vrees niets; ik zweer u bij den naam van God, dat ik u in het leven zal laten.” Fatime liet hem toen in haar cel treden, stak haar lampaan, nam een penseel en een zeker sap dat zij in een vat had staan, wreef hem daarmee het gezicht in en verzekerde hem toen dat zijn gezicht geheel op het hare geleek en dat de kleur niet verdwijnen zou. Hierop zette zij hem hare hoofdbedekking op en deed hem haar sluier voor en wees hem hoe hij zich op zijn gang door de stad het gezicht ermee bedekken moest. Eindelijk, nadat zij hem nog een grooten rozenkrans, die vóór aan haar gordel hing, om den hals had geslagen, gaf zij hem denzelfden staf, dien zij gewoonlijk droeg in de hand, hield hem toen een spiegel voor en zei: “Zie nu zelf hoe gij mij gelijkt, als het eene ei op het andere.” De toovenaar vond alles naar wensch, maar hield de goede Fatime den eed niet, dien hij zoo plechtig had afgelegd. Opdat men geen bloedsporen zou zien, als hij haar doorstak, worgde hij haar, en toen hij zag, dat zij den geest gegeven had, sleepte hij haar lijk bij de voeten naar de waterton van de kluis en wierp haar daar in.Na de volvoering van dezen gewetenloozen moord bracht de als Fatime verkleede toovenaar het overige van den nacht in de eenzame kluis door. Den volgenden morgen ging hij, hoewel dit geen gewone uitgaansdag van de heilige vrouw was, toch uit, want hij meende dat wel niemand hem ernaar zou vragen, en zoo ja, dan zou hij hem wel te woord staan. Daar hij bij zijn aankomst vóór alle dingen naar Aladdin’s paleis gevraagd had, en omdat hij daar zijn rol wenschte te spelen, sloeg hij dadelijk den weg daarheen in.Iedereen hield hem voor de heilige vrouw, en zoo was hij spoedig door een groote menigte omringd. Eenigen smeekten dat hij hen in zijngebeden mocht gedenken, anderen kusten hem de hand, weer anderen, die nog eerbiediger waren, kusten den zoom van zijn kleed, en nog anderen, die of werkelijk hoofdpijn hadden, of zich daartegen wilden vrijwaren, bogen zich voor hem opdat hij hun zijn handen mocht opleggen, wat hij ook deed terwijl hij eenige woorden prevelde die op een gebed leken; kortom, hij bootste de heilige vrouw zoo goed na, dat ieder hem voor haar aanzag. Nadat hij meermalen onderweg was blijven staan, om die lieden te bevredigen, die van deze manier van handenopleggen, voor- noch nadeel hadden, kwam hij eindelijk op de plaats voor Aladdin’s paleis, waar zich nog meer volk verzameld had, zoodat het veel moeite kostte, tot hem te naderen. De sterksten en begeerigsten drongen zich met geweld door het gewoel en daarover verhieven zich klachten en zulk een geschreeuw, dat men het in de zaal met de vier en twintig vensters hooren kon.De prinses vroeg wat dat leven te beteekenen had, en daar niemand het haar zeggen kon, beval zij eens te gaan zien en ’t haar mede te deelen. Een harer vrouwen keek, zonder de zaal te verlaten, door een venster en meldde haar dat het lawaai van een volksmenigte kwam, die de heilige vrouw omgaf, om zich door handen opleggen van hoofdpijn te bevrijden.De prinses, die reeds lang veel goeds van de heilige vrouw gehoord, maar haar nog niet gezien had, was nieuwsgierig met haar kennis te maken en met haar te spreken. Zoodra zij daarvan iets liet merken, zeide de opperste harer dienaren, die aanwezig was, als zij het wenschte, zou hij de vrouw boven roepen; zij had slechts te bevelen. De prinses stemde toe en vaardigde dadelijkvier bedienden af met het bevel de zoogenaamde heilige vrouw naar boven te leiden.Zoodra de bedienden de poort van Aladdin’s paleis uitkwamen en op het punt toeliepen, waar de Afrikaansche toovenaar stond, week de menigte uiteen, en toen deze nu zichzelf vrij en de bedienden op zich zag toekomen, ging hij hun met te meer vreugde een eindweegs tegemoet daar hij dacht dat zijn schelmstuk reeds een goeden aanvang nam. Een van de dienaren nam het woord en zei: “Heilige vrouw, de prinses wenscht u te spreken; kom en volg ons.”—“De prinses bewijst mij veel eer”, antwoordde de zoogenaamde Fatime; “ik ben bereid te gehoorzamen.” Met deze woorden volgde hij de bedienden, die reeds den terugweg naar het paleis hadden ingeslagen.Toen de toovenaar, die onder een heilig kleed een duivelsch hart verborg, in de zaal met de vier en twintig vensters kwam en de prinses bemerkte, begon hij met een gebed dat een lange reeks wenschen voor haar welzijn, haar geluk en de vervulling van al haar begeerten bevatte. Hierop ontplooide hij al zijn leugenachtige en huichelachtige redeneerkunst, om zich onder den dekmantel van groote vroomheid in het hart der prinses een plaats te veroveren, wat hem zooveel te gemakkelijker gelukte, daar de prinses met haar natuurlijke goedhartigheid de overtuiging had, dat alle menschen even goed waren als zij zelf, vooral echter die mannen en vrouwen, die het voor hun plicht hielden, God in de eenzaamheid te dienen.Toen de gewaande Fatime haar lange toespraak geëindigd had, zei de prinses tot haar: “Mijne goede moeder, ik dank u voor uwe schoonegebeden, ik stel er een groot vertrouwen in en hoop dat God ze moge verhooren. Kom dichterbij en zet u hier neder.” De gewaande Fatime nam met gehuichelde bescheidenheid plaats. Hierop nam de prinses weder het woord en zei: “Goede moeder, ik vraag u om iets, dat ge mij moet bewilligen en wat ge niet moogt afslaan, namelijk dat ge bij mij blijft, mij de geschiedenis van uw leven vertelt en mij door uw goede voorbeeld leeren zult hoe ik God moet dienen.”“Prinses”, zei hierop de pseudo-Fatime, “ik bid u, verlang niets van mij, dat ik niet bewilligen kan, zonder mij geheel te verstrooien en van mijn gebeden en vrome oefeningen de aandacht af te wenden.”—“Dat behoeft u niet te verontrusten”, hernam de prinses, “ik heb verschillende kamers die niet bewoond worden, kies er u een uit, dat u het beste bevalt, dan kunt gij daar uw oefeningen even rustig houden als in uw afzondering.”De toovenaar die geen ander doel had, dan in Aladdin’s paleis te komen, daar het hem veel gemakkelijker moest vallen, zijn schelmstuk uit te voeren, wanneer hij onder begunstiging van de bescherming der prinses daar zelf woonde, dan dat hij telkens van zijn eenzame huis naar het paleis, en vandaar weer terug had moeten loopen, maakte geen groote tegenwerpingen meer op het vriendelijke aanbod der prinses en nam het aan. “Prinses”, sprak hij tot haar, “hoe vast ook het besluit van een arme onaanzienlijke vrouw, als ik ben, van de wereld met haar genietingen afstand te doen, moet staan, waag ik het toch niet den wil en den wensch van een zoo vrome en milddadige prinses te weerstreven.”Op dit antwoord van den toovenaar stond deprinses op en zeide tot hem: “Sta op en kom met mij mee, dan zal ik u mijn leege kamers wijzen, opdat gij er een kunt uitzoeken.” Hij volgde prinses Bedroelboedoer en koos uit haar vertrekken, die alle zeer mooi en prachtig gemeubileerd waren, het minst mooie terwijl hij op huichelachtigen toon zei, dat het nog veel te mooi voor hem was en hij het alleen koos om de prinses een plezier te doen.De prinses wilde nu den schurk naar de zaal met de vier en twintig vensters terugbrengen, opdat hij bij haar het middageten zou gebruiken. Daar hij echter bij het eten zijn tot nu toe steeds gesluierd gezicht had moeten ontblooten, en daar hij vreesde dat de prinses zou merken dat hij niet de heilige vrouw Fatime was waarvoor zij hem hield, verzocht hij haar zoo dringend hem daarvan vrij te stellen, daar hij toch slechts brood en gedroogde vruchten at, en hem toe te staan zijn kleinen maaltijd op zijn kamer tot zich te nemen, dat zij het hem toestond. “Goede vrouw”, zeide zij tot hem, “het hangt geheel van uw eigen goedvinden af; gij kunt doen alsof gij in uwe kluis waart. Ik zal u het eten laten brengen; maar vergeet niet, dat ik u terug verwacht zoodra gij uw maaltijd geëindigd[**typo verbeterd] hebt.”De prinses gebruikte den maaltijd, en de gewaande Fatime liet niet na, zich weder bij haar aan te melden, zoodra zij door een der bedienden had laten weten, dat zij van tafel was opgestaan. “Mijn goede moeder”, zei de prinses tot haar, “ik ben zeer verheugd een heilige vrouw, als gij zijt, bij mij te zien, die dit paleis zeker ten zegen zal verstrekken. Wel hoe bevalt u het paleis? Eer ik het u evenwel kamer voor kamer laat zien, zeg mij eerst hoe vindt gij deze zaal?”De valsche Fatime, die om haar rol beter te kunnen spelen, tot nog toe steeds met neergeslagen oogen gestaan had, en haar hoofd rechts noch links gewend had, hief het bij deze vraag eindelijk op, keek de heele zaal van het eene eind tot het andere met een onderzoekenden blik rond en toen zij genoeg gekeken had, zei ze: “Prinses, deze zaal is werkelijk bewonderenswaardig en uitnemend schoon. Intusschen komt het mij voor, voor zooveel een kluizenaarster, die van dat wat de wereld voor schoon houdt geen verstand heeft, beoordeelen kan, dat een enkel ding eraan ontbreekt.”“En wat dan, mijn goede moeder?” vroeg prinses Bedroelboedoer; “ik bezweer u, zeg het mij. Ik voor mij heb steeds geloofd en ook altijd gehoord, dat de zaal in alle opzichten volmaakt was. Maar als er iets aan ontbreekt, dan wil ik dit gebrek herstellen.”“Prinses”, antwoordde de valsche Fatime, “vergeef mij, dat ik zoo vrij ben. Mijn meening, als u daaraan wat gelegen is, zou namelijk wezen, dat als van uit het midden van dezen koepel het ei van den vogel Rock hing, deze zaal in geen enkel deel der aarde haars gelijke zou hebben, en het paleis werkelijk een wereldwonder zijn.”“Goede moeder”, vroeg de prinses, “wat is dan die Rock voor een vogel, en hoe kan men er een ei van krijgen?”“Prinses”, antwoordde de gewaande Fatime, “het is een vogel van bewonderenswaardige grootte, die op den hoogsten top van den Kaukasus woont; de bouwmeester van dit paleis zal u zulk een ei wel kunnen verschaffen.”Prinses Bedroelboedoer dankte de valsche Fatime voor den, zooals zij meende, goeden raad,en sprak met haar nog over een menigte andere dingen; toch vergat zij het Rock-ei niet, en nam zich voor met Aladdin erover te spreken zoodra hij van de jacht terug zou zijn. Hij was namelijk juist sedert zes dagen weg en de toovenaar, die dit zeer goed wist, had van zijne afwezigheid gebruik gemaakt. Aladdin kwam nog denzelfden dag ’s avonds terug, toen de gewaande Fatime juist afscheid van de prinses had genomen, en zich naar haar kamer begeven had. Hij ging dadelijk naar de kamer der prinses, die daar juist was teruggekeerd en begroette en omhelsde haar; het scheen hem echter, alsof zij hem eenigszins koel ontving. “Dierbare prinses”, sprak hij tot haar, “ik vind u niet zoo vroolijk als anders. Is er in mijn afwezigheid iets gebeurd, dat u mishaagd of verdriet of onaangenaamheid veroorzaakt heeft? Ik bezweer u, zeg het mij, want ik wil alles doen wat mij mogelijk is uwe wenschen te vervullen.”—“Het is maar een kleinigheid”, antwoordde de prinses, “en de zaak hindert mij zoo weinig, dat het mij onbegrijpelijk is, hoe gij uit mijn gelaat iets hebt kunnen opmaken. Daar gij echter tegen mijn verwachting een verandering hebt waargenomen, wil ik u de oorzaak ervan meedeelen, ofschoon het niets van beteekenis is.”“Ik had”, ging de prinses voort,“evenals gij, tot nu toe steeds geloofd dat ons paleis het heerlijkste, prachtigste en volmaaktste op de wereld was. Maar nu moet ik u toch zeggen, wat mij bij nauwkeurige bezichtiging van de zaal in de gedachten is gekomen. Denkt gij ook niet, dat er niets te wenschen over zou zijn, als er midden in het koepelgewelf een Rock-ei hing?”“Prinses”, antwoordde Aladdin, “zoodra gij vindt, dat er nog een Rock-ei aan ontbreekt, danvind ik het ook, en uit de haast waarmee ik dit gebrek zal verhelpen, zult gij u overtuigen, dat er niets is, wat ik niet uit liefde voor u zou willen doen.”Aladdin verliet oogenblikkelijk prinses Bedroelboedoer, ging naar de zaal met de vier en twintig vensters, haalde de lamp, die hij sinds het gevaar dat hij door haar te veronachtzamen geloopen had, overal met zich meedroeg uit zijn boezem te voorschijn en wreef haar. Dadelijk verscheen ook de geest. “Geest”, sprak Aladdin hem aan, “er ontbreekt aan dezen koepel nog het ei van den vogel Rock, dat in het midden hangen moet; ik beveel u in naam van de lamp, die ik hier in de hand houd, dat gij dit gebrek verhelpt.”Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of de geest hief zulk een luid en ontzettend geschreeuw aan, dat de zaal ervan beefde en Aladdin tuimelde ontsteld achteruit, zoodat hij bijna op den grond viel. “Wat, ellendeling!” zei de geest op een toon tot hem, die ook den meest onverschrokken mensch zou hebben doen ontstellen, “is het u niet genoeg, dat mijn gezellen en ik ter wille van u alles gedaan hebben? Moet gij ook nog, met een ondankbaarheid, die haars gelijke niet heeft, bevelen dat ik u mijn meester breng en midden in dezen koepel ophang? Dit misdrijf verdiende, dat gij en uw vrouw en uw paleis terstond tot stof en asch verteerdet. Tot uw geluk zijt ge echter niet zelf op deze gedachte gekomen, en de wensch komt niet onmiddellijk uit u zelven voort. Ge moet namelijk weten, dat hij komt van den broeder des Afrikaanschen toovenaars, uw vijand, dien gij verdelgd hebt, zooals hij verdiende. Hij bevindt zich in uw paleisin de kleeding van de heilige vrouw Fatime, die hij vermoord heeft, en hij heeft uw vrouw het verderfelijke verlangen ingegeven, dat gij tegen mij geuit hebt. Zijn doel is, u om te brengen, wees daarom wel op uw hoede.” Met deze woorden verdween hij.Aladdin ontging geen der woorden van den geest. Hij had van de heilige vrouw Fatime gehoord, en wist zeer goed, hoe zij volgens het algemeene geloof, hoofdpijnen genas. Hij ging nu naar de kamer van de prinses terug, en zonder een woord te spreken van datgene, wat hem zooeven wedervaren was, ging hij zitten met het hoofd in de hand, en zei dat hij plotseling door hevige hoofdpijn was overvallen. De prinses beval dadelijk de heilige vrouw te roepen, en terwijl deze gehaald werd, vertelde zij Aladdin hoe zij in het paleis gekomen was en hoe zij voor haar een kamer had ingeruimd.De valsche Fatime kwam, en zoodra zij er was zei Aladdin tot haar: “Treed nader, mijn goede moeder; het verheugt mij u te zien, gij zijt juist tot mijn geluk hier gekomen. Ik ben zooeven door een afschuwelijke hoofdpijn overvallen, en in het vertrouwen op uw gebeden bid ik u om hulp, want ik hoop, dat gij de weldaad, die gij reeds aan zoovele met hoofdpijn-bezochten bewezen hebt, ook mij niet zult weigeren.” Met deze woorden stond hij op en boog het hoofd; de valsche Fatime naderde hem, terwijl ze tegelijkertijd met de hand naar een dolk greep, die zij onder haar kleed in den gordel droeg. Aladdin echter, die haar nauwkeurig gadesloeg, voorkwam haar nog voor zij van leder getrokken had, en doorboorde haar met zijn dolk, zoodat zij dood ter aarde stortte.“Wat hebt gij gedaan, mijn dierbare gemaal?” riep de prinses vol angst, “gij hebt de heilige vrouw gedood!”—“Neen, geliefde prinses”, antwoordde Aladdin met groote kalmte; “ik heb niet Fatime gedood, maar een schurk, die mij zou vermoord hebben, als ik hem niet was voorgekomen. De booswicht, dien gij hier ziet”, ging hij voort, terwijl hij hem onthulde, “heeft de echte Fatime geworgd en zich in hare kleederen gestoken, om mij te vermoorden; in ’t kort, hij was de broeder van den Afrikaanschen toovenaar, uwen ontvoerder.” Aladdin vertelde daarop, hoe hij al deze omstandigheden vernomen had, en liet toen het lijk wegbrengen.Alzoo werd Aladdin van de vervolgingen der beide toovenaars bevrijd. Weinig jaren daarna stierf de sultan in hoogen ouderdom. Daar hij geen mannelijke erfgenamen achterliet, volgde hem prinses Bedroelboedoer als rechtmatige erfgename op den troon op en deelde de heerschappij met Aladdin. Zij regeerden vele jaren met elkander en lieten een beroemde nakomelingschap achter.Men zal zonder twijfel bemerkt hebben, dat in den persoon van den Afrikaanschen toovenaar een mensch is voorgesteld, die door een matelooze begeerigheid was aangegrepen, schatten te verwerven op alle mogelijke wijzen; daardoor heeft hij ze ook ontdekt, maar is toch niet in het bezit ervan gekomen, daar hij zich de schatten onwaardig betoonde. In Aladdin daarentegen, ziet men een man, die, van nederige afkomstzich tot de koninklijke waardigheid verheft, en wel door middel van dezelfde schatten, die hem zonder dat hij ze zoekt in handen vallen, en die hij slechts dan begeert als hij ze ter bereiking van een hooger doel noodig heeft. Aan den sultan zelf kan men ervaren, hoe gemakkelijk zelfs een goed, rechtvaardig en weldenkend vorst, gevaar loopt zijn troon te verliezen, als hij het waagt door een daad van schreeuwende onrechtvaardigheid en tegen alle regelen van billijkheid, uit onverstandige overijling een onschuldige te veroordeelen, zonder zijn rechtvaardiging te willen aanhooren. Den diepsten afschuw echter zullen de beide schurken van toovenaars hebben gewekt, van wie de een zijn leven opoffert om schatten te verwerven, de andere leven en geloof te gelijk om een schurk als hij zelf is, te wreken, en beiden het verdiende loon voor hun boosheid ontvangen.

Prinses achter traliewerk.

De geheime deur bevond zich onder de kamers der prinses. Aladdin vond haar open en snelde de trap op. Het is onmogelijk de vreugde te beschrijven welke de beide echtgenooten ondervonden, toen zij elkander, na een scheiding, die zij voor eeuwig gehouden hadden, eindelijk terugzagen. Zij omhelsden elkander verscheidene malen en gaven elkander alle bewijzen van liefde en teederheid, die men na een zoo treurige en onverwachte scheiding als de hunne maar bedenken kan. Na deze omarming, die met vreugdetranen gepaard ging, zetten zij zich neder, en Aladdin sprak: “Prinses, vóor wij over ietsanders spreken, bezweer ik u in naam van God, zoowel ter wille van uzelf, als om uw vereerden vader, den sultan, en in ’t bijzonder om mijns zelfs wil, zeg mij, wat is er van mijn oude lamp geworden, die ik, voor ik op jacht ging, in de zaal met de vier en twintig vensters op de kroonlijst gezet heb.”

Aladdin en prinses.

“Ach, dierbare gemaal”, antwoordde de prinses, “ik heb wel al gedacht, dat ons wederzijdsch ongeluk met die lamp in verband stond, en wat mij ontroostbaar maakt is, dat ik er zelve de schuld van ben.”—“Prinses,” hernam Aladdin, “geef uzelve de schuld niet, zij is geheel aan mijn kant, want ik had de lamp zorgvuldigermoeten bewaren. Laat ons er nu echter alleen aan denken, de schade weer te herstellen en doe mij daarom het genoegen en vertel mij uitvoerig hoe zich de zaak heeft toegedragen en in welke handen de lamp gevallen is.”

Prinses Bedroelboedoer vertelde daarop aan Aladdin alles; onder welke omstandigheden zij de oude lamp tegen de nieuwe, die zij hierop aan hem liet zien, verruild had, en hoe zij den daaropvolgenden nacht de verplaatsing van het paleis bemerkt en zich in een geheel vreemd land bevonden had, ’t zelfde waar zij nu waren en dat Afrika heette. Dit laatste had zij uit den mond van den schurk zelf gehoord, die haar door zijn tooverkunst hierheen verplaatst had.

“Prinses”, onderbrak Aladdin haar, “ge hebt mij den schurk duidelijk genoeg aangeduid, met te zeggen dat wij in Afrika zijn. Hij is de afschuwelijkste van alle menschen; het is er nu de tijd noch de gelegenheid voor u zijn slechtheden omstandig te verhalen, en ik verzoek u alleen mij te zeggen, wat hij met de lamp uitgevoerd en waar hij haar verborgen heeft.”—“Hij draagt haar zoo goed mogelijk in zijn boezem verstopt”, hernam de prinses, “dat kan ik vast zeggen, daar hij haar in mijn tegenwoordigheid te voorschijn gehaald en onthuld heeft, om zich er tegen mij op te verhoovaardigen.”

“Geliefde mijns harten”, zei Aladdin hierop, “vergeef mij, als ik u door veel vragen vermoei: het is voor u en mij van het hoogste gewicht. Maar om nu te komen op wat mij bijzonder na aan ’t hart ligt, bezweer ik u mij te zeggen, hoe deze slechte en trouwelooze man u behandeld heeft.”—“Sinds ik hier ben”, antwoordde de prinses, “heeft hij zich maar eens per dag aanmij vertoond, en ik ben overtuigd, dat het slechte gevolg dat hij van zijn bezoeken gehad heeft, hem er van zal terughouden mij nog vaker lastig te vallen. Al zijn toespraken, die hij tot mij richt, hebben ten doel mij er toe te brengen, mijn woord aan u te breken en hem tot mijn gemaal te nemen. Daarbij geeft hij mij te verstaan, dat ik nimmer meer behoef te hopen u weder te zien, want gij waart niet meer in leven en de sultan, mijn vader, had u het hoofd af laten houwen. Tot zijn rechtvaardiging voegt hij erbij, dat gij een ondankbaar schepsel zijt, die al zijn geluk aan hem te danken hebt, en zoo nog allerlei dingen meer, waarop ik niet eens acht sloeg. Daar hij nu van mij geen verder antwoord krijgt dan klachten, zuchten en tranen, moet hij zich telkens even onbevredigd verwijderen als hij gekomen is. Ondertusschen twijfel ik er niet aan, of hij heeft het plan, mijn levendigste smart eerst voorbij te laten gaan, in de hoop dat ik tot andere gedachten mag komen, en eindelijk zal hij geweld gebruiken als ik in mijn verzet volhard. Maar uwe tegenwoordigheid, mijn dierbare gemaal, heeft al mijn zorgen reeds verdreven.”

“Prinses”, onderbrak haar Aladdin, “ik koester het vertrouwen, dat gij niets meer te vreezen hebt, en geloof een middel te hebben gevonden, om ons beiden van den gemeenschappelijken vijand te bevrijden. Hiertoe moet ik evenwel noodzakelijk de stad ingaan. Ik zal tegen den middag terugkomen, en u dan mijn plan meedeelen, en wat ge zelf te doen hebt, om tot het welslagen ervan bij te dragen. Maar dit zeg ik u vooruit, verwonder u niet als ge mij in een andere kleeding ziet terugkomen, en geef ’t bevel dat men mij, als ik aan de geheime deur klop, niet langlaat wachten.” De prinses beloofde dat men hem aan de deur zou opwachten en snel openen.

Toen Aladdin nu uit de kamer van de prinses en weer buiten het paleis gekomen was, keek hij naar alle kanten rond en bemerkte een landman, die naar ’t veld ging.

Daar de boer tamelijk ver van het paleis af was, liepAladdinsnel om hem in te halen, en deed hem het voorstel met hem van kleeren te verwisselen, waarop de boer eindelijk ook inging. De ruil geschiedde achter eenige struiken, en toen zij van elkander scheidden, sloeg Aladdin den weg naar de stad in. Zoodra hij daar was, sloeg hij de straat in die van de poort afliep, en ging van daar een van de drukste straten in, tot hij aan een plein kwam, waar kooplieden en handwerkslieden van allerlei soort hun afzonderlijk straatje hadden. Hij trad nu het straatje van de drogistenhandelaars binnen, ging in den grootsten en best-voorzienen winkel en vroeg den koopman, of deze niet een zeker poeder had, dat hij hem opnoemde. De koopman, die uit Aladdin’s kleeren opmaakte, dat hij arm was en geen geld genoeg had om hem te betalen, antwoordde dat hij het wel had, maar dat het heel duur was. Aladdin ried zijn gedachten, haalde zijn buidel uit den zak, liet eenige goudstukken klinken en verlangde toen een halve drachma van dat poeder. De koopman woog het af, pakte het in en gaf het aan Aladdin en eischte een goudstuk daarvoor. Aladdin overhandigde het hem, en zonder zich in de stad langer op te houden, dan noodig was om eenig voedsel tot zich te nemen keerde hij in zijn paleis terug. Hij behoefde aan de geheime deur niet lang te wachten, zij werd dadelijk voor hem geopend,en zoo ging hijnaar bovenin de kamer van prinses Bedroelboedoer. “Liefste”, zoo sprak hij haar aan, “hoewel gij zulk een afkeer van uw ontvoerder hebt, zal het u toch zwaar vallen den raad te volgen, dien ik u geef. Bedenk echter, dat gij u noodwendig eenig geweld moet aandoen, als gij u van zijn aanzoeken bevrijden, en den sultan uwen vader en mijnen gebieder de vreugde wilt bereiden u ooit weder te zien. “Volg alzoo mijn raad”, voer Aladdin voort, “tooi u dadelijk met uw schoonste kleederen, en als de Afrikaansche toovenaar komt, ontvang hem dan zoo vriendelijk mogelijk. Gij moet echter niet laten merken dat gij u geweld aandoet, maar gij moet hem een vriendelijk gezicht toonen, zoodat hij moet besluiten, dat, zoo er nog eenige droefenis bij u is achtergebleven, deze ook mettertijd wel verdwijnen zal. Geef hem dan in uw gesprekken te kennen, dat ge alle moeite doet mij te vergeten; en om hem volkomen van uw oprechtheid te overtuigen, noodigt gij hem aan den avondmaaltijd, en geeft den wensch te kennen, den besten wijn van zijn land eens te probeeren. Hij zal dan dadelijk wegloopen, om u dien te halen. Terwijl gij nu op zijn terugkomst wacht, en gij den schenktafel in gereedheid laat brengen, stort gij in een der bekers die aan den uwen gelijk is, dit poeder, zet hem dan terzijde en beveel degene van uw vrouwen, die met het schenken belast is, u dezen beker op een afgesproken teeken vol wijn te brengen, en er wel acht op te geven, dat zij zich niet vergist. Als dan de toovenaar terugkomt, en, gij beiden aan tafel zit, en naar hartelust gegeten en gedronken hebt, laat gij u den beker met het poeder brengen en verwisselt gij uwen beker met den zijnen.Hij zal dit als zulk een hooge eer beschouwen, dat hij het niet zal weigeren en den beker tot op den bodem zal ledigen; nauwelijks echter zal hij hem uitgedronken hebben, of gij zult hem achterover zien zinken. Mocht gij het al te afschuwelijk vinden, uit zijn beker te drinken, houd u dan maar zoo of gij drinkt, en gij hebt er niets bij te vreezen; want het poeder zal zulk een snelle uitwerking hebben, dat hij geen tijd zal hebben om op te merken of gij drinkt of niet.”

Daarop antwoordde de prinses: “Ik beken dat het mij een groote overwinning op mijzelf zal kosten, den toovenaar op deze wijze tegemoet te komen, waarvan ik toch de noodzakelijkheid inzie. Waartoe is men niet in staat tegenover zulk een gruwzamen vijand. Ik zal dus doen wat gij mij aanraadt, daar zoowel mijn als uw veiligheid daarvan afhangt.” Na deze afspraak nam Aladdin afscheid van de prinses en bracht het overige deel van den dag in den omtrek van het paleis door met het plan zich met het aanbreken van den nacht weer aan de geheime deur te bevinden. Prinses Bedroelboedoer, ontroostbaar dat zij niet alleen van haar geliefden gade, dien zij van den beginne af meer uit ware liefde dan uit gehoorzaamheid aan haren vader gehuwd had, maar ook van den sultan, haar vader, wiens teedere liefde zij met dezelfde teederheid beantwoordde, gescheiden was, had sinds het oogenblik der smartelijke scheiding haar uiterlijk zeer verwaarloosd. Ja, zij had zelfs de reinheid uit het oog verloren, die toch haar geslacht zoo bijzonder goed staat, in ’t bijzonder sinds de Afrikaansche toovenaar haar voor de eerste maal bezocht had, en zij van haar vrouwen, die hem herkenden, gehoord had, dat het dezelfde was diede oude lamp tegen eene nieuwe verruild had; want door dit afschuwelijk bedrog was hij haar tot een gruwel geworden. Nu echter, daar zich de gelegenheid voordeed, de verdiende wraak op hem te nemen, en zelfs vroeger dan zij had durven hopen, besloot zij Aladdin’s wensch te volvoeren. Zoodra hij zich daarom verwijderd had, zette zij zich voor haar kaptafel, liet zich door haar vrouwen zoo prachtig mogelijk kleeden en koos het rijkste en bij haar voornemen ’t best passende staatsiegewaad uit. Haar gordel was van louter goud, en met de grootste en kostbaarste diamanten bezet; om den hals droeg zij een snoer van slechts dertien paarlen, waarvan echter de zes paarlen aan den kant tot de middelste, die de grootste en kostbaarste was, in zulke verhouding stonden, dat de grootste sultanen en koninginnen zich gelukkig zouden gerekend hebben, indien zij slechts een volledig snoer van de grootte der beide kleinste paarlen in het halssnoer der prinses bezeten hadden. De armbanden, die met robijnen en diamanten bezet waren, kwamen treffend overeen met den rijkdom van den gordel en van het halssnoer.

Toen prinses Bedroelboedoer geheel gekleed was, haalde zij haar spiegel te voorschijn, vroeg haren vrouwen hoe zij er uitzag en daar zij zich overtuigd had, dat haar geen der bekoorlijkheden ontbrak, die den dwazen hartstocht van den Afrikaanschen toovenaar konden prikkelen, ging zij op de sofa zitten en wachtte zijn komst.

De toovenaar verzuimde niet, op het gewone uur te komen. Zoodra de prinses hem de zaal met de vier en twintig vensters, waar zij hem verwachtte, zag binnentreden, stond zij op in al den glans harer bekoorlijkheid, wees hem metde hand de eereplaats die hij zou innemen, en zette zich dan tegelijk met hem: een zeer bijzondere hoffelijkheid, die zij hem tot dusver nog niet bewezen had.

Den Afrikaanschen toovenaar verblindde meer de glans uit de schoone oogen der prinses, dan de stralende edelgesteenten, waarmee zij zich getooid had, zoodat hij geheel verrast was. Haar koninklijke houding en de vriendelijke minzaamheid waarmee zij hem ontving, terwijl zij hem tot nog toe zoo stug had teruggewezen, maakten zulk een indruk op hem dat hij nauwelijks bij zijn zinnen bleef. Hij wilde aanvankelijk op het uiterste randje van de sofa plaats nemen; maar toen hij zag dat de prinsese niet eer ging zitten voor hij had plaats genomen waar zij wenschte, gehoorzaamde hij. Toen de Afrikaansche toovenaar zich gezet had, nam de prinses, om hem uit de verlegenheid te helpen, het woord, en terwijl zij hem aankeek op een manier die hem moest doen besluiten dat hij haar niet meer zoo hatelijk was als tot nog toe, sprak zij tot hem: “Gij zult u zonder twijfel verwonderen, dat gij mij thans geheel anders aantreft, dan vroeger, maar ge zult het u verklaren kunnen, als ik u zeg dat mijn gansche gemoedsgesteldheid zoodanig is, dat zij een afkeer heeft van alle treurigheid, zwaarmoedigheid, bedroefdheid en zorgen; en dat ik die altijd zoo spoedig mogelijk van mij afschud, zoodra ik er geen gegronde oorzaak meer voor zie. Ik heb alles wat gij mij van Aladdin’s lot verteld hebt, wel overlegd, en daar ik het karakter van mijn vader zeer goed ken, ben ik er met u van overtuigd, dat hij aan de verschrikkelijke gevolgen van zijn toorn niet ontkomen is. Als ik er nu op wilde staan, mijn heeleverdere leven om hem te weenen, zie ik toch wel in dat mijn tranen hem niet in het leven terug zouden roepen. Daarom geloof ik, dat ik, na hem alle liefde, ook in het graf, bewezen te hebben, nu ook alle middelen moet te baat nemen om mij te troosten. Dit zijn de gronden voor de verandering, die gij bij mij bespeurt. Om nu dadelijk elke aanleiding tot treurigheid te verwijderen, die ik besloten ben ook voorgoed te verbannen, heb ik een avondmaaltijd laten bereiden, waarbij ik hoop dat gij zoo vriendelijk zult zijn mij gezelschap te houden. Daar ik echter slechts Chineeschen wijn heb en mij toch in Afrika bevind, heeft mij de lust bekropen, den hier te lande groeienden te proeven, en ik twijfel niet, of gij zult den besten weten uit te kiezen, als hier goede mocht zijn.”

De Afrikaansche toovenaar, die het geluk, zoo snel en zoo gemakkelijk prinses Bedroelboedoer’s gunst te winnen, voor onmogelijk gehouden had, zei dat hij nauwelijks woorden kon vinden om zijn dank genoegzaam uit te drukken, en om dit gesprek, waarbij hij nog immer zeer in verlegenheid was, spoedig te besluiten, bracht hij het snel op den Afrikaanschen wijn, waarover zij gesproken had, en zeide onder alle voorrechten waarop zich Afrika kon beroemen, stond een voortreffelijke wijn bovenaan, en de allerbeste groeide in dat deel van het land, waar zij zich thans bevonden; hij had een vat, dat al zeven jaar gevuld en nog niet aangestoken was, en hij dacht niet te veel te zeggen, als hij beweerde, dat de qualiteit van dezen wijn die van elken anderen op de heele aarde overtrof. “Als mijn prinses het mij wil vergunnen”, voegde hij erbij, “dan wil ik er twee flesschen van halen enoogenblikkelijk weer terug zijn.”—“Het zou mij leed doen, als ik u zooveel moeite veroorzaakte”, zei de prinses, “gij zoudt wel iemand kunnen sturen”.—“Neen”, antwoordde de Afrikaansche toovenaar, “ik moet noodzakelijk zelf gaan; niemand buiten mij weet, waar de sleutel van dezen kelder is; ook weet niemand het geheim, hem te openen.”—“Als dat zoo is”, zei de prinses, “ga dan zelf, en kom spoedig terug. Hoe langer gij uitblijft, des te grooter zal mijn ongeduld zijn, u weer te zien, en zoodra gij terugkomt zetten wij ons aan tafel.”

De Afrikaansche toovenaar, vol hoop op zijn vermeend geluk, liep niet maar vloog om zijn zevenjarigen wijn te halen, en kwam zeer spoedig terug. Ondertusschen had de prinses, die er niet aan twijfelde of hij zou zich zeer haasten, het poeder dat Aladdin haar gebracht had, in een beker geworpen, dien zij daarna aan den kant zette, en liet nu dadelijk opdragen. Zij zetten zich tegenover elkander aan tafel, zoodat de toovenaar met den rug naar de schenktafel toe zat. De prinses legde hem van alles het beste voor en zei tot hem: “Als gij het verlangt, zal ik muziek laten maken en laten zingen; maar daar wij hier beiden alleen zijn, denk ik dat wij meer genoegen zullen smaken, als wij tezamen wat praten.” De toovenaar beschouwde deze keus der prinses als een nieuwe gunst.

Nadat zij eenige beten genuttigd had, verlangde de prinses te drinken. Ze dronk op de gezondheid des toovenaars en zei dan tot hem: “Gij hadt alle recht uwen wijn te prijzen; ik heb nog nooit zoo kostelijken wijn gedronken.”—“Bekoorlijke prinses”, antwoordde hij, “terwijl hij den beker die hem gereikt werd, in de handhield, “mijn wijn krijgt door uw bijval een nieuwe voortreffelijkheid.”—“Drink op mijn gezondheid”, zei de prinses, “dan zult gij zelf zien dat ik hem beoordeelen kan.” Hij dronk op de gezondheid der prinses, zag dan den beker aan, en zei: “Prinses, ik acht mij gelukkig dat ik dit vat voor zulk een goede gelegenheid bewaard heb; ik beken zelf dat ik mijn heele leven nog zoo’n voortreffelijken wijn niet gedronken heb.”

Toen zij nog meer gegeten en nog driemaal gedronken hadden, gaf eindelijk de prinses die den Afrikaanschen toovenaar door haar vriendelijkheid en lieftalligheid het hoofd geheel op hol gebracht had, de vrouw die met schenken belast was, het afgesproken teeken, en terwijl men haar den beker met wijn bracht, beval zij ook dien van den toovenaar te vullen en hem over te reiken.

Toen nu beiden den beker in de hand hadden, sprak zij tot den Afrikaanschen toovenaar: “Ik weet niet, hoe het bij u te lande onder minnenden die met elkander drinken de gewoonte is; bij ons in China verwisselen beiden hun bekers met elkander en drinken elkanders gezondheid.” Met deze woorden reikte zij hem den beker over, dien zij in de hand hield, en strekte de andere hand uit om den zijnen in ontvangst te nemen.

De Afrikaansche toovenaar haastte zich met des te meer vreugde haar wensch na te komen, daar hij het als een zeker teeken beschouwde, dat hij het hart der prinses nu geheel veroverd had, en hield zich voor den gelukkigste aller stervelingen. Eer hij dronk, zei hij met den beker in de hand: “Prinses, wij Afrikanen zijn lang niet zoo ver in de kunst, de liefde met alle mogelijkevoorkomendheden te kruiden, als de Chineezen en terwijl ik hier iets leer, wat ik nog niet wist, voel ik tegelijkertijd hoe hoog ik deze gunst te schatten heb. Nooit zal ik vergeten, beminnelijke prinses, dat ik uit uw beker gedronken en daarmee tevens het leven teruggevonden heb, waarvan ik reeds niets meer gehoopt had, als gij nog langer in uw wreedheid volhard hadt.”

Prinses Bedroelboedoer, wie het nuttelooze gepraat van den toovenaar verveelde, viel hem in de rede en zei: “Laat ons nu drinken, later kunt gij verder spreken.” Tegelijkertijd voerde zij den beker aan den mond, raakte hem echter slechts met de lippen aan, terwijl de Afrikaansche toovenaar zich beijverde haar vóór te zijn, en den zijnen ledigde zonder er een droppel in te laten. Daar hij bij het uitdrinken zijn hoofd wat achterover geneigd had, om zijn ijver te toonen, bleef hij nog een wijle in deze houding, tot de prinses, die nog steeds den rand van den beker aan hare lippen hield, zag, dat zijn oogen zich verdraaiden en hij zonder bewustzijn ruggelings achteroverzonk.

De prinses behoefde niet lang te bevelen, dat men Aladdin de geheime deur zou openen. Haar vrouwen, met wie alles van te voren was afgesproken, hadden zich op behoorlijke afstanden van de zaal tot onder aan de trap opgesteld, zoodat de geheime deur bijna op hetzelfde oogenblik geopend werd, waarin de Afrikaansche toovenaar in elkaar gezakt was.

Aladdin kwam boven en trad de zaal binnen. Toen hij den Afrikaanschen toovenaar op de sofa uitgestrekt zag, en prinses Bedroelboedoer hem vol vreugde met open armen tegemoet snelde,hield hij haar terug en zei: “Het is daarvoor nu nog geen tijd, prinses; doe mij het genoegen en begeef u naar uw kamer en zorg ervoor dat men mij alleen laat, terwijl ik mijn voorbereidingen tref om u even snel weer naar China terug te brengen, als gij vandaar ontvoerd zijt.”

Zoodra de prinses met haar vrouwen en bedienden de zaal verlaten had, sloot Aladdin de deur, ging op het ontzielde lichaam van den toovenaar toe, opende zijn kleed en haalde er de lamp uit, die nog zoo omhuld was als de prinses hem beschreven had. Hij wikkelde haar los, wreef haar en dadelijk verscheen de geest met zijn gewonen groet. “Geest”, zei Aladdin, “ik heb u geroepen, om u in naam der lamp, uw meesteres die gij hier voor u ziet, te bevelen dat gij dit paleis weer naar China laat terugbrengen en wel op dezelfde plaats, vanwaar het vervoerd is.” De geest gaf door een hoofdknik te verstaan, dat hij zou gehoorzamen en verdween. De verplaatsing geschiedde werkelijk en men bespeurde haar slechts aan twee zeer kleine schokken: één, toen het paleis van zijn plaats in Afrika werd opgenomen, en een toen het weder in China tegenover het paleis van den sultan werd neergelaten; dit alles was het werk van een paar oogenblikken.

Aladdin ging nu naar de kamer van de prinses, omhelsde haar en zei tot haar: “Prinses, ik kan u verzekeren, dat uw vreugde en de mijne morgen volmaakt zullen zijn.” Daar de prinses haar avondmaaltijd nog niet beëindigd had en Aladdin naar eten verlangde, liet zij uit de zaal met de vier en twintig vensters de spijzen, die daar waren klaargezet, doch nauwelijks aangeraakt waren, op haar kamer brengen. De prinses enAladdin aten nu tezamen en dronken van den goeden wijn van den Afrikaanschen toovenaar. Ik zal niets van hun verder onderhoud meedeelen, dat niet anders dan zeer vergenoegd zijn kon, en voeg er slechts bij dat zij zich eindelijk ter ruste begaven.

Sinds de ontvoering van het paleis en van prinses Bedroelboedoer was de sultan, haar vader, ontroostbaar, daar hij haar voor immer verloren waande. Hij kon dag noch nacht rust vinden, en in plaats van alles te vermijden wat zijn smart nieuw voedsel kon verschaffen, zocht hij dat als ’t ware op. Terwijl hij bijvoorbeeld vroeger alleen ’s morgens naar den open uitbouw van zijn paleis was gegaan, om zijn oogen aan den aanblik te vergasten, waarvan hij maar niet zat kon worden, ging hij nu meermalen overdag erheen om zijn tranen vrijen loop te laten en zich immer weer in zijn droefheid te verdiepen door te denken dat hij alles wat hem voorheen zoo welgevallig geweest was, nooit weer zou zien, en het liefste dat hij ter wereld bezeten had, hem voor altijd ontrukt was. Ook op den morgen, dat Aladdin’s paleis weer op zijn oude plaats was teruggebracht, vertoonde zich nauwelijks het morgenrood aan den horizont, of de sultan ging in zijn uitbouw. Hij was zoo in zichzelven gekeerd en zoo doordrongen van zijn smart, dat hij zijn oogen treurig naar den kant wendde waar hij slechts een ledige ruimte en geen paleis meer dacht te zien. Toen hij nu opeens deze plaats weer gevuld zag, hield hij het voor een nevel. Eindelijk echter, nadat hij opmerkzamer gekeken had, erkende hij dat het heel zeker Aladdin’s paleis was. Vreugde en blijdschap maakten zich nu na langen kommer en treurigheid van zijnhart meester. Hij keerde ijlings naar zijn kamer terug en beval dat men hem een paard zou voorbrengen. Hij wierp zich in den zadel, reed voort, en het was hem als kon hij maar niet vlug genoeg bij Aladdin’s paleis komen.

Sultan kijkt uit raam paleis.

Aladdin, die dit wel voorzien had, was met het krieken van den dag opgestaan, had een zijner prachtigste gewaden aangetrokken en zich toen in de zaal met de vier en twintig vensters begeven vanwaar hij den sultan ook zag aankomen. Hij snelde weg en kwam nog net vroeg genoeg om hem onder aan den hoofdtrap op te wachten en hem te helpen van ’t paard stijgen. “Aladdin”, sprak de sultan tot hem; “ik kan niet met u spreken alvorens mijn dochter te hebben gezien en omhelsd.”

Aladdin voerde den sultan in de kamer van prinses Bedroelboedoer, die juist met kleeden gereed was; want Aladdin had haar bij het opstaan eraan herinnerd, dat zij niet meer in Afrika, maar in China, in de hoofdstad van den sultan, tegenover zijn paleis was. De sultan omhelsdezijn dochter meermalen, terwijl hem de vreugdetranen over de wangen liepen, en de prinses, van haar kant, bewees hem op alle mogelijke wijzen, hoe blij zij was, hem weerom te zien.

De sultan was een tijdlang sprakeloos van ontroering nu hij zijn geliefde dochter, die hij reeds zoo lang beweend had, weerom gevonden had, en ook de prinses vergoot veel tranen van blijdschap nu zij haar vader, den sultan, terugzag. Eindelijk nam de sultan het woord en sprak: “Geliefde dochter, ik wil gelooven dat de vreugde des wederziens u in mijn oogen zoo vroolijk en weinig veranderd doet schijnen, alsof u heelemaal niets onaangenaams gebeurd was, en toch ben ik overtuigd, dat gij veel hebt uitgestaan. Men wordt niet zoo snel met zijn heele paleis verplaatst, zonder dat daarmede een schrikkelijke onrust en groote angst gepaard gaan. Ik wensch nu dat ge mij vertelt, hoe de zaak zich heeft toegedragen, en gij mij niets verzwijgt.

De prinses schiep er behagen in, den wensch van den sultan, haar vader, gehoor te geven. “Heer”, sprak zij tot hem, “als ik u zoo onveranderd lijk, bid ik u wel te bedenken, dat ik reeds sinds gistermorgen vroeg weer ben begonnen te leven, toen ik mijn dierbaren gemaal en bevrijder aanschouwde, dien ik reeds verloren gewaand en beweend heb, terwijl de gedachte, u te mogen omarmen, elk spoor van vroeger verdriet van mij heeft weggevaagd. Om het vrij te zeggen, mijn heele ongeluk bestond daarin, dat ik mij aan u en mijn gemaal ontrukt zag; ook was ik niet slechts in angst om het verlies van mijn echtgenoot, maar vooral om de treurige gevolgen van uw toorn, waaraan hij, hoe onschuldig ook, zondertwijfel moest zijn blootgesteld. Minder heb ik van de onbeschaamdheid van mijn ontvoerder geleden, die tot mij sprak op een wijze die mij niet beviel. Ik wist mij dadelijk zulk een gezag over hem te verschaffen, dat ik hem tot zwijgen bracht. Overigens werd mij even weinig dwang aangedaan als op dit oogenblik. Wat mijn ontvoering betreft, daaraan heeft Aladdin niet de minste schuld; ik zelf ben er de oorzaak van, maar op een hoogst onschuldige wijze.” Om den sultan van de waarheid harer woorden te overtuigen, vertelde zij hem uitvoerig, hoe de Afrikaansche toovenaar zich als een lampenkoopman verkleed had, die oude lampen tegen nieuwe inruilde, en hoe zij hem voor den grap Aladdin’s lamp, waarvan zij de geheime kracht niet gekend had, tegen een nieuwe had ingeruild, waarop het paleis met haar en de overige bewoners was opgeheven, en met den Afrikaanschen toovenaar naar Afrika was overgebracht; den laatsten hadden twee harer vrouwen en de bediende, die de lamp geruild had, dadelijk herkend, toen hij de onbeschaamdheid gehad had, zich aan haar voor te stellen na het gelukkig welslagen van zijn onderneming, en haar een huwelijksaanbod te doen; verder vertelde zij van de herhaalde aanzoeken, die zij tot Aladdin’s komst had moeten verduren, en van de maatregelen die zij gezamenlijk getroffen hadden, om hem de lamp die hij bij zich droeg, te ontrukken; hoe hun dit gelukt was, doordat zij zichzelve geweld aangedaan had en hem op haar kamer aan den avondmaaltijd had uitgenoodigd, waar zij hem dan den vergiftigden wijn had toegediend. “Omtrent het overige”, voegde zij erbij, “moge Aladdin u inlichten.”

Aladdin maakte zijn verhaal kort. “Toen men mij”, zei hij, “de geheime deur geopend had, ging ik snel naar de zaal met de vier en twintig vensters en daar ik den verrader door de werking van het poeder dood op de sofa zag liggen, verzocht ik de prinses, daar een langer verblijf haar zeker niet welkom was, met haar vrouwen en bedienden naar haar vertrekken te gaan. Ik bleef nu alleen achter, haalde de lamp uit het gewaad van den toovenaar en gebruikte haar geheime kracht, waarvan hij zich bediend had, om de prinses en het paleis te rooven. Zoo heb ik ’t dan gedaan gekregen dat het paleis weer op zijn plaats staat, en ben zoo gelukkig u volgens uw bevel de prinses terug te brengen. Alles, wat ik u daar vertel, is de zuivere waarheid, en als gij u naar boven in de zaal begeven wilt, zult gij zien, dat de toovenaar naar verdienste gestraft is.”

Om zich geheel te overtuigen, ging de sultan naar boven, en toen hij den Afrikaanschen toovenaar dood, en zijn gezicht geheel blauwzwart door de werking van het vergift vond, omhelsde hij Aladdin met veel teederheid en zeide hij tot hem: “Mijn zoon, neem mij mijn gedrag tegenover u niet kwalijk; slechts mijn vaderliefde was daaraan schuld, en ge moet mij de overijling, tot welke ik mij liet verleiden, vergeven.”—“Heer”, antwoordde Aladdin, “ik heb niet de minste reden, mij over u te beklagen; gij hebt slechts gedaan, wat gij doen moest. Die schandelijke toovenaar, dat uitvaagsel der menschheid, was de eenige oorzaak, dat ik uw gunst verloor. Als gij eens gelegenheid hebt, zal ik u van een andere snoodheid vertellen, die hij mij heeft aangedaan, en die niet minder verschrikkelijk is, dan zijnlaatste, waarvoor mij Gods bijzondere genade bewaard heeft.”

“Ik zal zorgen dat deze gelegenheid spoedig komt”, antwoordde de sultan, “en wel heel spoedig. Laat ons er nu evenwel aan denken vroolijk te zijn, en te zorgen dat dit gehate lichaam hiervandaankomt.”

Aladdin liet het lijk van den toovenaar wegbrengen en op den mesthoop werpen, ten einde den vogelen des velds tot voedsel te strekken. De sultan gaf echter bevel door trommels, pauken, trompetten en andere instrumenten het teeken tot een algemeene vreugde te geven, en liet een tiendaagsch vreugdefeest aankondigen, om den terugkeer van prinses Bedroelboedoer en Aladdin te vieren.

Zoo ontkwam Aladdin ten tweeden male aan een doodsgevaar; maar het was nog niet het laatste, en hij moest nog een derde, even gevaarlijke beproeving doorstaan, die wij hier uitvoerig verhalen zullen.

De Afrikaansche toovenaar had nog een jongeren broeder, die in de tooverkunst niet minder bedreven was dan hij; ja, men kan zeggen dat hij dezen nog in boosheid en listen overtrof. Daar zij niet steeds tezamen of in dezelfde stad leefden, en de een zich menigmaal in het oosten bevond terwijl de andere in het westen was, lieten zij niet na door middel der punteerkunst eens per jaar uit te vinden in welk deel der wereld ieder van hen leefde, hoe het hem ging en of hij ook de hulp van den ander noodig had.

Korten tijd nadat de Afrikaansche toovenaar bij zijn aanslag tegen Aladdin’s geluk den dood gevonden had, wilde zijn jongere broeder die sinds jaar en dag geen bericht van hem had ontvangen, en zich niet in Afrika maar in een zeer ver afgelegen land ophield, weten waar hij zich ter wereld bevond, hoe hij het maakte en wat hij uitvoerde. Evenals zijn broeder had hij overal waar hij ging zijn punteer-vierhoek bij zich. Hij nam nu dezen vierhoek, effende het zand, maakte de punten, trok de figuren en lijnen en stelde de horoscoop. Terwijl hij nu alle afzonderlijkefiguren doorliep, vond hij door de eene dat zijn broeder niet meer leefde, door de andere, dat hij vergiftigd was geworden en plotseling gestorven was, door de derde dat dit in China, door de vierde dat het in een hoofdstad van China, daar en daar gelegen, gebeurd was, en eindelijk dat hij die hem vergiftigd had, een man van nederige afkomst was, die een prinses van den sultan gehuwd had.

Toen de toovenaar op deze wijze het treurige uiteinde van zijn broeder ervaren had, verloor hij geen tijd met nuttelooze klachten, waardoor zijn broeder toch niet levend had kunnen worden, maar besloot oogenblikkelijk, zijn dood te wreken, steeg te paard en begaf zich op weg naar China. Hij moest over vlakten, rivieren, bergen, woestenijen; en na een lange reis kwam hij eindelijk, nadat hij zich onderweg nergens had opgehouden en na ongeloofelijke moeielijkheden, in China aan en was spoedig daarop in de hoofdstad die hij door zijn punteerkunst had weten uit te vinden. Daar hij zeker wist dat hij zich niet vergist, en dit koninkrijk niet met een ander verwisseld had, bleef hij in de hoofdstad en sloeg er zijn zetel op.

Den dag na zijn aankomst ging de toovenaar uit en wandelde door de stad, niet zoozeer om hare schoonheden te bewonderen, die hem hoogst onverschillig waren, als om dadelijk op maatregelen te zinnen voor de uitvoering van zijn verderfelijk plan; daarom ging hij naar de meest bezochte plaatsen en luisterde begeerig naar alles wat er gesproken werd. Op een plaats waar men zich met allerlei spelen den tijd verdreef, en waar, terwijl de eenen speelden, de anderen zich met de nieuwtjes van den dag of met hun eigengeschiedenissen bezighielden, hoorde hij zeer merkwaardige dingen vertellen van de deugd en vroomheid, ja zelfs van de wonderdaden van een, der wereld afgescheidene vrouw, Fatime genaamd. Daar hij geloofde, dat deze vrouw hem bij zijn voornemen wellicht behulpzaam zou kunnen zijn, nam hij een van het gezelschap ter zijde om iets naders omtrent die heilige vrouw en hare wonderen te vernemen.

“Wat”, zei de aangesprokene tot hem, “gij hebt deze vrouw nog nooit gezien en ook niet van haar hooren spreken? Zij is door haar vasten, haar strenge levenswijze en het voorbeeld dat zij geeft, een voorwerp van algemeene bewondering in de geheele stad. Behalve Maandags en Vrijdags, verlaat zij haar kleine kluis niet en de dagen waarop zij zich in de stad vertoont, doet zij oneindig veel goeds; ook geneest zij ieder die met hoofdpijn behept is, door oplegging der handen.”

De toovenaar verlangde op dit punt niet meer te weten, maar vroeg alleen nog in welk deel der stad haar eenzame woning te vinden was. De man beschreef hem de plek nauwkeurig; de toovenaar echter, nadat hij deze mededeeling ontvangen en het verderfelijke plan, waarvan wij zoo dadelijk zullen spreken, had opgevat en ontworpen, bespiedde, om van zijn taak nog zekerder te zijn, reeds den eersten dag, dat zij uitging, al haar schreden en verloor haar niet uit het oog tot hij haar ’s avonds in haar eenzame woning zag terugkeeren. Toen hij zich de plaats goed ingeprent had, begaf hij zich naar een der reeds boven genoemde huizen, waar men een zekeren warmen drank gebruikte en als men lust had ook den nacht kon doorbrengen, voornamelijkbij groote hitte, wanneer men in deze warme landen liever op matten dan in bedden slaapt.

Tegen middernacht betaalde de toovenaar den waard zijn kleine vertering en ging rechtstreeks naar de eenzame woning van Fatime, de heilige vrouw, want onder dien naam was zij in de heele stad bekend. Hij opende zonder moeite de met een klink gesloten deur, trad binnen en deed de deur heel zachtjes weder toe; daarbinnen zag hij bij het helle maanlicht Fatime liggen die in de open lucht op een sofa sliep. Hij naderde haar, trok een dolk, die hij in zijn gordel droeg en wekte haar.

Toen de arme Fatime haar oogen opsloeg, schrok zij vreeselijk bij het zien van een man, die op het punt stond haar te vermoorden. Hij zette haar de dolk op de borst, maakte een gebaar, alsof hij wilde toestooten en zei tot haar: “Als ge schreeuwt, of slechts het minste gedruisch maakt, dan zijt gij een kind des doods; sta nu echter op, en doe wat ik u zeggen zal.”

Fatime, die zich gekleed ter ruste had gelegd, stond sidderend en bevend op. “Vrees niet”, sprak de toovenaar tot haar, “ik verlang alleen uw kleed; geef het mij en neem daarvoor het mijne.” Zij ruilden hun kleeren, en nadat de toovenaar Fatime’s kleed had aangetrokken zei hij: “Verf mij nu het gezicht, zoodat ik er uitzie als gij en zorg dat de verf niet uitwischt.” Daar hij zag, dat zij nog steeds sidderde, zeide hij om haar gerust te stellen, en opdat zij des te nauwkeuriger zijn wensch vervullen mocht, nogmaals tot haar: “Vrees niets; ik zweer u bij den naam van God, dat ik u in het leven zal laten.” Fatime liet hem toen in haar cel treden, stak haar lampaan, nam een penseel en een zeker sap dat zij in een vat had staan, wreef hem daarmee het gezicht in en verzekerde hem toen dat zijn gezicht geheel op het hare geleek en dat de kleur niet verdwijnen zou. Hierop zette zij hem hare hoofdbedekking op en deed hem haar sluier voor en wees hem hoe hij zich op zijn gang door de stad het gezicht ermee bedekken moest. Eindelijk, nadat zij hem nog een grooten rozenkrans, die vóór aan haar gordel hing, om den hals had geslagen, gaf zij hem denzelfden staf, dien zij gewoonlijk droeg in de hand, hield hem toen een spiegel voor en zei: “Zie nu zelf hoe gij mij gelijkt, als het eene ei op het andere.” De toovenaar vond alles naar wensch, maar hield de goede Fatime den eed niet, dien hij zoo plechtig had afgelegd. Opdat men geen bloedsporen zou zien, als hij haar doorstak, worgde hij haar, en toen hij zag, dat zij den geest gegeven had, sleepte hij haar lijk bij de voeten naar de waterton van de kluis en wierp haar daar in.

Na de volvoering van dezen gewetenloozen moord bracht de als Fatime verkleede toovenaar het overige van den nacht in de eenzame kluis door. Den volgenden morgen ging hij, hoewel dit geen gewone uitgaansdag van de heilige vrouw was, toch uit, want hij meende dat wel niemand hem ernaar zou vragen, en zoo ja, dan zou hij hem wel te woord staan. Daar hij bij zijn aankomst vóór alle dingen naar Aladdin’s paleis gevraagd had, en omdat hij daar zijn rol wenschte te spelen, sloeg hij dadelijk den weg daarheen in.

Iedereen hield hem voor de heilige vrouw, en zoo was hij spoedig door een groote menigte omringd. Eenigen smeekten dat hij hen in zijngebeden mocht gedenken, anderen kusten hem de hand, weer anderen, die nog eerbiediger waren, kusten den zoom van zijn kleed, en nog anderen, die of werkelijk hoofdpijn hadden, of zich daartegen wilden vrijwaren, bogen zich voor hem opdat hij hun zijn handen mocht opleggen, wat hij ook deed terwijl hij eenige woorden prevelde die op een gebed leken; kortom, hij bootste de heilige vrouw zoo goed na, dat ieder hem voor haar aanzag. Nadat hij meermalen onderweg was blijven staan, om die lieden te bevredigen, die van deze manier van handenopleggen, voor- noch nadeel hadden, kwam hij eindelijk op de plaats voor Aladdin’s paleis, waar zich nog meer volk verzameld had, zoodat het veel moeite kostte, tot hem te naderen. De sterksten en begeerigsten drongen zich met geweld door het gewoel en daarover verhieven zich klachten en zulk een geschreeuw, dat men het in de zaal met de vier en twintig vensters hooren kon.

De prinses vroeg wat dat leven te beteekenen had, en daar niemand het haar zeggen kon, beval zij eens te gaan zien en ’t haar mede te deelen. Een harer vrouwen keek, zonder de zaal te verlaten, door een venster en meldde haar dat het lawaai van een volksmenigte kwam, die de heilige vrouw omgaf, om zich door handen opleggen van hoofdpijn te bevrijden.

De prinses, die reeds lang veel goeds van de heilige vrouw gehoord, maar haar nog niet gezien had, was nieuwsgierig met haar kennis te maken en met haar te spreken. Zoodra zij daarvan iets liet merken, zeide de opperste harer dienaren, die aanwezig was, als zij het wenschte, zou hij de vrouw boven roepen; zij had slechts te bevelen. De prinses stemde toe en vaardigde dadelijkvier bedienden af met het bevel de zoogenaamde heilige vrouw naar boven te leiden.

Zoodra de bedienden de poort van Aladdin’s paleis uitkwamen en op het punt toeliepen, waar de Afrikaansche toovenaar stond, week de menigte uiteen, en toen deze nu zichzelf vrij en de bedienden op zich zag toekomen, ging hij hun met te meer vreugde een eindweegs tegemoet daar hij dacht dat zijn schelmstuk reeds een goeden aanvang nam. Een van de dienaren nam het woord en zei: “Heilige vrouw, de prinses wenscht u te spreken; kom en volg ons.”—“De prinses bewijst mij veel eer”, antwoordde de zoogenaamde Fatime; “ik ben bereid te gehoorzamen.” Met deze woorden volgde hij de bedienden, die reeds den terugweg naar het paleis hadden ingeslagen.

Toen de toovenaar, die onder een heilig kleed een duivelsch hart verborg, in de zaal met de vier en twintig vensters kwam en de prinses bemerkte, begon hij met een gebed dat een lange reeks wenschen voor haar welzijn, haar geluk en de vervulling van al haar begeerten bevatte. Hierop ontplooide hij al zijn leugenachtige en huichelachtige redeneerkunst, om zich onder den dekmantel van groote vroomheid in het hart der prinses een plaats te veroveren, wat hem zooveel te gemakkelijker gelukte, daar de prinses met haar natuurlijke goedhartigheid de overtuiging had, dat alle menschen even goed waren als zij zelf, vooral echter die mannen en vrouwen, die het voor hun plicht hielden, God in de eenzaamheid te dienen.

Toen de gewaande Fatime haar lange toespraak geëindigd had, zei de prinses tot haar: “Mijne goede moeder, ik dank u voor uwe schoonegebeden, ik stel er een groot vertrouwen in en hoop dat God ze moge verhooren. Kom dichterbij en zet u hier neder.” De gewaande Fatime nam met gehuichelde bescheidenheid plaats. Hierop nam de prinses weder het woord en zei: “Goede moeder, ik vraag u om iets, dat ge mij moet bewilligen en wat ge niet moogt afslaan, namelijk dat ge bij mij blijft, mij de geschiedenis van uw leven vertelt en mij door uw goede voorbeeld leeren zult hoe ik God moet dienen.”

“Prinses”, zei hierop de pseudo-Fatime, “ik bid u, verlang niets van mij, dat ik niet bewilligen kan, zonder mij geheel te verstrooien en van mijn gebeden en vrome oefeningen de aandacht af te wenden.”—“Dat behoeft u niet te verontrusten”, hernam de prinses, “ik heb verschillende kamers die niet bewoond worden, kies er u een uit, dat u het beste bevalt, dan kunt gij daar uw oefeningen even rustig houden als in uw afzondering.”

De toovenaar die geen ander doel had, dan in Aladdin’s paleis te komen, daar het hem veel gemakkelijker moest vallen, zijn schelmstuk uit te voeren, wanneer hij onder begunstiging van de bescherming der prinses daar zelf woonde, dan dat hij telkens van zijn eenzame huis naar het paleis, en vandaar weer terug had moeten loopen, maakte geen groote tegenwerpingen meer op het vriendelijke aanbod der prinses en nam het aan. “Prinses”, sprak hij tot haar, “hoe vast ook het besluit van een arme onaanzienlijke vrouw, als ik ben, van de wereld met haar genietingen afstand te doen, moet staan, waag ik het toch niet den wil en den wensch van een zoo vrome en milddadige prinses te weerstreven.”

Op dit antwoord van den toovenaar stond deprinses op en zeide tot hem: “Sta op en kom met mij mee, dan zal ik u mijn leege kamers wijzen, opdat gij er een kunt uitzoeken.” Hij volgde prinses Bedroelboedoer en koos uit haar vertrekken, die alle zeer mooi en prachtig gemeubileerd waren, het minst mooie terwijl hij op huichelachtigen toon zei, dat het nog veel te mooi voor hem was en hij het alleen koos om de prinses een plezier te doen.

De prinses wilde nu den schurk naar de zaal met de vier en twintig vensters terugbrengen, opdat hij bij haar het middageten zou gebruiken. Daar hij echter bij het eten zijn tot nu toe steeds gesluierd gezicht had moeten ontblooten, en daar hij vreesde dat de prinses zou merken dat hij niet de heilige vrouw Fatime was waarvoor zij hem hield, verzocht hij haar zoo dringend hem daarvan vrij te stellen, daar hij toch slechts brood en gedroogde vruchten at, en hem toe te staan zijn kleinen maaltijd op zijn kamer tot zich te nemen, dat zij het hem toestond. “Goede vrouw”, zeide zij tot hem, “het hangt geheel van uw eigen goedvinden af; gij kunt doen alsof gij in uwe kluis waart. Ik zal u het eten laten brengen; maar vergeet niet, dat ik u terug verwacht zoodra gij uw maaltijd geëindigd[**typo verbeterd] hebt.”

De prinses gebruikte den maaltijd, en de gewaande Fatime liet niet na, zich weder bij haar aan te melden, zoodra zij door een der bedienden had laten weten, dat zij van tafel was opgestaan. “Mijn goede moeder”, zei de prinses tot haar, “ik ben zeer verheugd een heilige vrouw, als gij zijt, bij mij te zien, die dit paleis zeker ten zegen zal verstrekken. Wel hoe bevalt u het paleis? Eer ik het u evenwel kamer voor kamer laat zien, zeg mij eerst hoe vindt gij deze zaal?”

De valsche Fatime, die om haar rol beter te kunnen spelen, tot nog toe steeds met neergeslagen oogen gestaan had, en haar hoofd rechts noch links gewend had, hief het bij deze vraag eindelijk op, keek de heele zaal van het eene eind tot het andere met een onderzoekenden blik rond en toen zij genoeg gekeken had, zei ze: “Prinses, deze zaal is werkelijk bewonderenswaardig en uitnemend schoon. Intusschen komt het mij voor, voor zooveel een kluizenaarster, die van dat wat de wereld voor schoon houdt geen verstand heeft, beoordeelen kan, dat een enkel ding eraan ontbreekt.”

“En wat dan, mijn goede moeder?” vroeg prinses Bedroelboedoer; “ik bezweer u, zeg het mij. Ik voor mij heb steeds geloofd en ook altijd gehoord, dat de zaal in alle opzichten volmaakt was. Maar als er iets aan ontbreekt, dan wil ik dit gebrek herstellen.”

“Prinses”, antwoordde de valsche Fatime, “vergeef mij, dat ik zoo vrij ben. Mijn meening, als u daaraan wat gelegen is, zou namelijk wezen, dat als van uit het midden van dezen koepel het ei van den vogel Rock hing, deze zaal in geen enkel deel der aarde haars gelijke zou hebben, en het paleis werkelijk een wereldwonder zijn.”

“Goede moeder”, vroeg de prinses, “wat is dan die Rock voor een vogel, en hoe kan men er een ei van krijgen?”

“Prinses”, antwoordde de gewaande Fatime, “het is een vogel van bewonderenswaardige grootte, die op den hoogsten top van den Kaukasus woont; de bouwmeester van dit paleis zal u zulk een ei wel kunnen verschaffen.”

Prinses Bedroelboedoer dankte de valsche Fatime voor den, zooals zij meende, goeden raad,en sprak met haar nog over een menigte andere dingen; toch vergat zij het Rock-ei niet, en nam zich voor met Aladdin erover te spreken zoodra hij van de jacht terug zou zijn. Hij was namelijk juist sedert zes dagen weg en de toovenaar, die dit zeer goed wist, had van zijne afwezigheid gebruik gemaakt. Aladdin kwam nog denzelfden dag ’s avonds terug, toen de gewaande Fatime juist afscheid van de prinses had genomen, en zich naar haar kamer begeven had. Hij ging dadelijk naar de kamer der prinses, die daar juist was teruggekeerd en begroette en omhelsde haar; het scheen hem echter, alsof zij hem eenigszins koel ontving. “Dierbare prinses”, sprak hij tot haar, “ik vind u niet zoo vroolijk als anders. Is er in mijn afwezigheid iets gebeurd, dat u mishaagd of verdriet of onaangenaamheid veroorzaakt heeft? Ik bezweer u, zeg het mij, want ik wil alles doen wat mij mogelijk is uwe wenschen te vervullen.”—“Het is maar een kleinigheid”, antwoordde de prinses, “en de zaak hindert mij zoo weinig, dat het mij onbegrijpelijk is, hoe gij uit mijn gelaat iets hebt kunnen opmaken. Daar gij echter tegen mijn verwachting een verandering hebt waargenomen, wil ik u de oorzaak ervan meedeelen, ofschoon het niets van beteekenis is.”

“Ik had”, ging de prinses voort,“evenals gij, tot nu toe steeds geloofd dat ons paleis het heerlijkste, prachtigste en volmaaktste op de wereld was. Maar nu moet ik u toch zeggen, wat mij bij nauwkeurige bezichtiging van de zaal in de gedachten is gekomen. Denkt gij ook niet, dat er niets te wenschen over zou zijn, als er midden in het koepelgewelf een Rock-ei hing?”

“Prinses”, antwoordde Aladdin, “zoodra gij vindt, dat er nog een Rock-ei aan ontbreekt, danvind ik het ook, en uit de haast waarmee ik dit gebrek zal verhelpen, zult gij u overtuigen, dat er niets is, wat ik niet uit liefde voor u zou willen doen.”

Aladdin verliet oogenblikkelijk prinses Bedroelboedoer, ging naar de zaal met de vier en twintig vensters, haalde de lamp, die hij sinds het gevaar dat hij door haar te veronachtzamen geloopen had, overal met zich meedroeg uit zijn boezem te voorschijn en wreef haar. Dadelijk verscheen ook de geest. “Geest”, sprak Aladdin hem aan, “er ontbreekt aan dezen koepel nog het ei van den vogel Rock, dat in het midden hangen moet; ik beveel u in naam van de lamp, die ik hier in de hand houd, dat gij dit gebrek verhelpt.”

Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of de geest hief zulk een luid en ontzettend geschreeuw aan, dat de zaal ervan beefde en Aladdin tuimelde ontsteld achteruit, zoodat hij bijna op den grond viel. “Wat, ellendeling!” zei de geest op een toon tot hem, die ook den meest onverschrokken mensch zou hebben doen ontstellen, “is het u niet genoeg, dat mijn gezellen en ik ter wille van u alles gedaan hebben? Moet gij ook nog, met een ondankbaarheid, die haars gelijke niet heeft, bevelen dat ik u mijn meester breng en midden in dezen koepel ophang? Dit misdrijf verdiende, dat gij en uw vrouw en uw paleis terstond tot stof en asch verteerdet. Tot uw geluk zijt ge echter niet zelf op deze gedachte gekomen, en de wensch komt niet onmiddellijk uit u zelven voort. Ge moet namelijk weten, dat hij komt van den broeder des Afrikaanschen toovenaars, uw vijand, dien gij verdelgd hebt, zooals hij verdiende. Hij bevindt zich in uw paleisin de kleeding van de heilige vrouw Fatime, die hij vermoord heeft, en hij heeft uw vrouw het verderfelijke verlangen ingegeven, dat gij tegen mij geuit hebt. Zijn doel is, u om te brengen, wees daarom wel op uw hoede.” Met deze woorden verdween hij.

Aladdin ontging geen der woorden van den geest. Hij had van de heilige vrouw Fatime gehoord, en wist zeer goed, hoe zij volgens het algemeene geloof, hoofdpijnen genas. Hij ging nu naar de kamer van de prinses terug, en zonder een woord te spreken van datgene, wat hem zooeven wedervaren was, ging hij zitten met het hoofd in de hand, en zei dat hij plotseling door hevige hoofdpijn was overvallen. De prinses beval dadelijk de heilige vrouw te roepen, en terwijl deze gehaald werd, vertelde zij Aladdin hoe zij in het paleis gekomen was en hoe zij voor haar een kamer had ingeruimd.

De valsche Fatime kwam, en zoodra zij er was zei Aladdin tot haar: “Treed nader, mijn goede moeder; het verheugt mij u te zien, gij zijt juist tot mijn geluk hier gekomen. Ik ben zooeven door een afschuwelijke hoofdpijn overvallen, en in het vertrouwen op uw gebeden bid ik u om hulp, want ik hoop, dat gij de weldaad, die gij reeds aan zoovele met hoofdpijn-bezochten bewezen hebt, ook mij niet zult weigeren.” Met deze woorden stond hij op en boog het hoofd; de valsche Fatime naderde hem, terwijl ze tegelijkertijd met de hand naar een dolk greep, die zij onder haar kleed in den gordel droeg. Aladdin echter, die haar nauwkeurig gadesloeg, voorkwam haar nog voor zij van leder getrokken had, en doorboorde haar met zijn dolk, zoodat zij dood ter aarde stortte.

“Wat hebt gij gedaan, mijn dierbare gemaal?” riep de prinses vol angst, “gij hebt de heilige vrouw gedood!”—“Neen, geliefde prinses”, antwoordde Aladdin met groote kalmte; “ik heb niet Fatime gedood, maar een schurk, die mij zou vermoord hebben, als ik hem niet was voorgekomen. De booswicht, dien gij hier ziet”, ging hij voort, terwijl hij hem onthulde, “heeft de echte Fatime geworgd en zich in hare kleederen gestoken, om mij te vermoorden; in ’t kort, hij was de broeder van den Afrikaanschen toovenaar, uwen ontvoerder.” Aladdin vertelde daarop, hoe hij al deze omstandigheden vernomen had, en liet toen het lijk wegbrengen.

Alzoo werd Aladdin van de vervolgingen der beide toovenaars bevrijd. Weinig jaren daarna stierf de sultan in hoogen ouderdom. Daar hij geen mannelijke erfgenamen achterliet, volgde hem prinses Bedroelboedoer als rechtmatige erfgename op den troon op en deelde de heerschappij met Aladdin. Zij regeerden vele jaren met elkander en lieten een beroemde nakomelingschap achter.

Men zal zonder twijfel bemerkt hebben, dat in den persoon van den Afrikaanschen toovenaar een mensch is voorgesteld, die door een matelooze begeerigheid was aangegrepen, schatten te verwerven op alle mogelijke wijzen; daardoor heeft hij ze ook ontdekt, maar is toch niet in het bezit ervan gekomen, daar hij zich de schatten onwaardig betoonde. In Aladdin daarentegen, ziet men een man, die, van nederige afkomstzich tot de koninklijke waardigheid verheft, en wel door middel van dezelfde schatten, die hem zonder dat hij ze zoekt in handen vallen, en die hij slechts dan begeert als hij ze ter bereiking van een hooger doel noodig heeft. Aan den sultan zelf kan men ervaren, hoe gemakkelijk zelfs een goed, rechtvaardig en weldenkend vorst, gevaar loopt zijn troon te verliezen, als hij het waagt door een daad van schreeuwende onrechtvaardigheid en tegen alle regelen van billijkheid, uit onverstandige overijling een onschuldige te veroordeelen, zonder zijn rechtvaardiging te willen aanhooren. Den diepsten afschuw echter zullen de beide schurken van toovenaars hebben gewekt, van wie de een zijn leven opoffert om schatten te verwerven, de andere leven en geloof te gelijk om een schurk als hij zelf is, te wreken, en beiden het verdiende loon voor hun boosheid ontvangen.


Back to IndexNext