ACHTSTE HOOFDSTUK.ACHTSTE HOOFDSTUK.Op wacht.„’t Is jouw beurt om de wacht te houden, Alewijn,” zei Gerebrandt, „je treft het, het weer klaart op.”„Ze zullen het ons vannacht niet meer lastig maken.”„Dat geloof ik; ze zijn leelijk van de reis gekomen,” hernam Gerebrandt, op de lijken der gesneuvelde vijanden wijzende.Alewijn rilde. „Als al die lichamen toch nog eens levend bleken te zijn,” dacht hij. De jongen gevoelde in het geheel geen lust om op wacht te staan; hij was vermoeid van den strijd; het zware kasteel rees daar zoo spookachtig voor hem op en de aanblik van die doode menschen op den grond deed hem een huivering over den rug gaan.„Nu,” zei Gerebrandt, „ik wensch je veel genoegen; pas maar op, dat je niet in slaap valt.”Alewijn bleef alleen en keek rond. Hij kon zijn oogen bijna niet van het veld met die lichamen der gesneuvelden afhouden. De maan was wat hooger gerezen; daardoor waren de boschjes en struiken en tenten om hem heen beter te zien; alles leek even spookachtig. Hoe langer Alewijn daar stond, hoe angstiger hij werd. De jongen was anders niet licht bang, maar dezen nacht kon hij huiveringen van vrees niet terughouden; dat kwam zeker van het vreeselijke gevecht, waaraan hij had meegedaan.Dicht bij hem op den grond lag een zwarte massa.„Hoe vreemd toch,” dacht Alewijn. „Een paar uur geleden was die daar nog gezond en wel en nu.”Plotseling voer een hevige rilling hem over den rug. Hij staarde strak naar het lichaam op den grond en durfde zich niet te verroeren. Hij wilde vluchten en kon het niet: ’t was, alsof die doode zich bewoog. Kom, het moest verbeelding zijn. Alewijn poogde zijn angstige gedachten te verdrijven, door onverschillig een anderen kant uit te kijken, maar telkens viel zijn blik weer op dat vreeselijke punt. Hij beredeneerde zich zelf, dat het lichaam zich niet kon hebben bewogen, dat het maar gezichtsbedrog kon zijn, en toch, toch had hij het zoo duidelijk gezien.O wee! Daar zag hij het weer. Neen, nu was het maar al te duidelijk. Hemel, het lichaam verroerde zich, het kroop voort; Alewijn voelde zijn hart bonzen,hij wilde om hulp schreeuwen, maar zijn stem stokte hem in de keel. Met al de kracht, die in hem was, poogde hij zich tegen den angst, die hem over zijn geheele lichaam deed beven, te verzetten. Hij wist, dat het belachelijk was, zulk een vrees te gevoelen, toch sidderde hij.Eenige oogenblikken later lag het lichaam weer stil; toen Alewijn wat aan het denkbeeld gewend was, werd hij iets kalmer; zijn bedaarde, moedige natuur kreeg weer de overhand.Nu ontwaakte in hem de lust om te onderzoeken, wie het was, die hem met zijn spookachtige verschijning zoo’n schrik had aangejaagd. Een paar maal verzette hij reeds zijn voet, maar telkens werd hij nog door vrees teruggehouden; eindelijk vermande hij zich, hij trad toe, en, wat bleek nu?Het was wel degelijk een gewonde, en een zwaar gewonde ook, want met moeite richtte de man zich half op en sprak met zwakke stem:„Kom je om mij te dooden?”„Dat zal er van afhangen, wie je bent.”„Toe, dood mij maar, dadelijk liefst.”„Dat is een dwaze wensch; heb je zoo’n pijn misschien?”„Op dit oogenblik niet; maar het gaan valt me zeer moeilijk. Heb medelij.”„Je behoort zeker tot de lieden uit het kasteel?”„Ja.”Alewijn keek nauwkeuriger toe en zag aan de kleeding en den half opengemaakten maliënkolder, dat het een ridder moest zijn. Opeens ging hem eenlicht op: als het de jonker eens was! Dat zou een vangst wezen!„Ik geloof, dat het verstandiger is, je gevangen te nemen.”„Och, doe dat niet,” smeekte de gewonde met angstige stem. Alewijn moest in zich zelf er om lachen, dat een groot heer, een edelman, jegens een lijfeigene zich als een smeekeling gedroeg. Daar moest wel een gewichtige reden voor bestaan; anders zou een ridder zich zoo niet verlagen.„Verlang je er dan niet naar, te blijven leven?”„Om in handen te vallen van hem?.... Duizendmaal liever sterven. Jonge man, als er nog eenig gevoel voor een medemensch in je trilt, verhoor dan mijn bede.”„De ridders zijn anders niet gewoon, zich jegens hun minderen barmhartig te toonen.”„Ik heb nog nooit een lijfeigene hard behandeld; allen houden ze van me; en dat zal heer Diederik van zich zelf niet kunnen zeggen.”„Maar ik moet hem toch gehoorzamen en hij heeft bevolen, den jonker levend gevangen te nemen.”„Wat, hoe weet je....?”„Och, ik dacht het zoo. Maar nu ben ik er zeker van.”„Wie durft te beweren, dat je heer Diederik gehoorzaamheid verschuldigd bent? Hij heeft je gekocht misschien; is dat nu zoo’n groote weldaad, waar je altijd dankbaar voor moet blijven?”Alewijn weifelde: „Waarom zou ik mij ook zoo slaafs gedragen?” dacht hij.De jongen was eenmaal vrij geweest en de toestand van slavernij had nog niet zulk een invloed op hem gehad, dat hij niet liever zijn eigen zin deed. Maar.... er bestond een gewichtige reden voor Alewijn, om heer Diederik wel te gehoorzamen: zijn eigen veiligheid. Want als Alewijn gesnapt werd, terwijl hij bezig was, den jonker te redden, zou zijn leed niet te overzien zijn.De jonker scheen zijn gedachten te raden. „Jonge man,” zei hij, „wat ik je vraag, is voor je zelf niet de minste opoffering; laat mij rustig doorgaan; niemand zal het opmerken. En, als je dat niet wilt, dood mij dan, maar heb medelijden, neem me niet gevangen; geef me niet levend aan mijndoodsvijandover.”„Een weerlooze dooden? Ik heb ook de vrijheid gekend: ik bezit ook mijn gevoel van eer,” zei Alewijn op eenigszins scherpen toon. Toen dacht hij na. Hij gevoelde innig medelijden met den ongelukkigen gewonde. „Wat heb ik eigenlijk ook met heer Diederik te maken?” mompelde hij. „Heeft hij mij niet als een dier gekocht? Heeft hij me niet van mijn ouders losgescheurd? Worden wij allen niet voortdurend als vee behandeld? Waarom zal ik dan voor zijn belangen opkomen? Is het niet beter, barmhartig te zijn?”Ten laatste overwon zijn medelijdend hart en hij sprak tot den jonker: „Weet ge wat, ik zal mijn best doen, u te redden. Beproef op te staan en op mij te leunen.”Na eenige vergeefsche pogingen gelukte dit, enzie, hoe moeilijk het ook ging, de jonker schreed langzaam voort.„Komaan, als we gindsch boschje hebben bereikt, is het gevaarlijkste achter den rug. Eenmaal daar aangekomen, zal het u, indien ge voorzichtig zijt, niet moeilijk vallen, ongemerkt te verdwijnen.”„Welk een dank ben ik je verschuldigd. Zeg me, hoe je heet, en ik zal je goed beloonen.”„Een beloning begeer ik niet,” antwoordde Alewijn en hij vervolgde glimlachend: „Ik denk, dat ge ook niet veel zult hebben, om te beloonen: Zooveel verstand toch bezit ik wel, om in te zien, dat uw kasteel het niet lang meer uithoudt.”„Mijn vrienden zullen me niet in den steek laten. Als ik van nacht het huisje van de oude Wena bereik, ben ik gered.”„Waar woont die?”„We zijn op den goeden weg. Ik heb het arme mensch dikwijls bijgestaan; ze zal den jonker niets weigeren, als hijomeen schuilplaats smeekt.”Alewijn keek eens rond: alles lag in diepe rust; de maan bescheen met een flauw licht de vlakte, waar de menigte van tenten en wagens donkere schaduwen op den grond wierpen. Nergens bewoog zich een levend wezen. „Dat mag waarlijk een wonder heeten,” dacht Alewijn, „hoe dikwijls zie je anders niet een krijgsman door het kamp ronddwalen. Ik kan van geluk spreken, als ik niet ontdekt word.”Zooveel mogelijk zorgde hij in de schaduw te loopen, maar ten laatste was hij wel genoodzaakt,een door de maan beschenen vlakte over te steken; daar bewogen de twee jonge mannen zich als geheimzinnige spoken over heen. Het spreekt vanzelf, dat de jonker slechts langzaam loopen kon. Tot groote verwondering van Alewijn hield hij het evenwel tamelijk goed uit, hoewel de pijn hem soms deed kreunen.Eindelijk hadden ze het boschje bereikt.„Zie zoo,” zei Alewijn, „ik heb voor u gedaan, wat ik kon; nu moet ik maken, dat ik terugkom.”Nog eens bedankte de jonker hem hartelijk.„Wacht,” hernam Alewijn, in den zak tastende en daaruit een stuk brood te voorschijn halende, „’t is wel niet veel bijzonders, wat ik u geven kan, maar als ge honger hebt, kan het dienst doen. Vaarwel.”De jongen keerde terug en stond weldra weer op zijn post. Niet lang was hij daar geweest, toen een makker hem kwam aflossen. Had zijn uitstapje dus wat langer geduurd, dan zou zijn afwezigheid ontdekt zijn.Nu was niemand iets gewaar geworden en Alewijn zorgde natuurlijk wel, dat hij zijn mond hield.
ACHTSTE HOOFDSTUK.ACHTSTE HOOFDSTUK.Op wacht.„’t Is jouw beurt om de wacht te houden, Alewijn,” zei Gerebrandt, „je treft het, het weer klaart op.”„Ze zullen het ons vannacht niet meer lastig maken.”„Dat geloof ik; ze zijn leelijk van de reis gekomen,” hernam Gerebrandt, op de lijken der gesneuvelde vijanden wijzende.Alewijn rilde. „Als al die lichamen toch nog eens levend bleken te zijn,” dacht hij. De jongen gevoelde in het geheel geen lust om op wacht te staan; hij was vermoeid van den strijd; het zware kasteel rees daar zoo spookachtig voor hem op en de aanblik van die doode menschen op den grond deed hem een huivering over den rug gaan.„Nu,” zei Gerebrandt, „ik wensch je veel genoegen; pas maar op, dat je niet in slaap valt.”Alewijn bleef alleen en keek rond. Hij kon zijn oogen bijna niet van het veld met die lichamen der gesneuvelden afhouden. De maan was wat hooger gerezen; daardoor waren de boschjes en struiken en tenten om hem heen beter te zien; alles leek even spookachtig. Hoe langer Alewijn daar stond, hoe angstiger hij werd. De jongen was anders niet licht bang, maar dezen nacht kon hij huiveringen van vrees niet terughouden; dat kwam zeker van het vreeselijke gevecht, waaraan hij had meegedaan.Dicht bij hem op den grond lag een zwarte massa.„Hoe vreemd toch,” dacht Alewijn. „Een paar uur geleden was die daar nog gezond en wel en nu.”Plotseling voer een hevige rilling hem over den rug. Hij staarde strak naar het lichaam op den grond en durfde zich niet te verroeren. Hij wilde vluchten en kon het niet: ’t was, alsof die doode zich bewoog. Kom, het moest verbeelding zijn. Alewijn poogde zijn angstige gedachten te verdrijven, door onverschillig een anderen kant uit te kijken, maar telkens viel zijn blik weer op dat vreeselijke punt. Hij beredeneerde zich zelf, dat het lichaam zich niet kon hebben bewogen, dat het maar gezichtsbedrog kon zijn, en toch, toch had hij het zoo duidelijk gezien.O wee! Daar zag hij het weer. Neen, nu was het maar al te duidelijk. Hemel, het lichaam verroerde zich, het kroop voort; Alewijn voelde zijn hart bonzen,hij wilde om hulp schreeuwen, maar zijn stem stokte hem in de keel. Met al de kracht, die in hem was, poogde hij zich tegen den angst, die hem over zijn geheele lichaam deed beven, te verzetten. Hij wist, dat het belachelijk was, zulk een vrees te gevoelen, toch sidderde hij.Eenige oogenblikken later lag het lichaam weer stil; toen Alewijn wat aan het denkbeeld gewend was, werd hij iets kalmer; zijn bedaarde, moedige natuur kreeg weer de overhand.Nu ontwaakte in hem de lust om te onderzoeken, wie het was, die hem met zijn spookachtige verschijning zoo’n schrik had aangejaagd. Een paar maal verzette hij reeds zijn voet, maar telkens werd hij nog door vrees teruggehouden; eindelijk vermande hij zich, hij trad toe, en, wat bleek nu?Het was wel degelijk een gewonde, en een zwaar gewonde ook, want met moeite richtte de man zich half op en sprak met zwakke stem:„Kom je om mij te dooden?”„Dat zal er van afhangen, wie je bent.”„Toe, dood mij maar, dadelijk liefst.”„Dat is een dwaze wensch; heb je zoo’n pijn misschien?”„Op dit oogenblik niet; maar het gaan valt me zeer moeilijk. Heb medelij.”„Je behoort zeker tot de lieden uit het kasteel?”„Ja.”Alewijn keek nauwkeuriger toe en zag aan de kleeding en den half opengemaakten maliënkolder, dat het een ridder moest zijn. Opeens ging hem eenlicht op: als het de jonker eens was! Dat zou een vangst wezen!„Ik geloof, dat het verstandiger is, je gevangen te nemen.”„Och, doe dat niet,” smeekte de gewonde met angstige stem. Alewijn moest in zich zelf er om lachen, dat een groot heer, een edelman, jegens een lijfeigene zich als een smeekeling gedroeg. Daar moest wel een gewichtige reden voor bestaan; anders zou een ridder zich zoo niet verlagen.„Verlang je er dan niet naar, te blijven leven?”„Om in handen te vallen van hem?.... Duizendmaal liever sterven. Jonge man, als er nog eenig gevoel voor een medemensch in je trilt, verhoor dan mijn bede.”„De ridders zijn anders niet gewoon, zich jegens hun minderen barmhartig te toonen.”„Ik heb nog nooit een lijfeigene hard behandeld; allen houden ze van me; en dat zal heer Diederik van zich zelf niet kunnen zeggen.”„Maar ik moet hem toch gehoorzamen en hij heeft bevolen, den jonker levend gevangen te nemen.”„Wat, hoe weet je....?”„Och, ik dacht het zoo. Maar nu ben ik er zeker van.”„Wie durft te beweren, dat je heer Diederik gehoorzaamheid verschuldigd bent? Hij heeft je gekocht misschien; is dat nu zoo’n groote weldaad, waar je altijd dankbaar voor moet blijven?”Alewijn weifelde: „Waarom zou ik mij ook zoo slaafs gedragen?” dacht hij.De jongen was eenmaal vrij geweest en de toestand van slavernij had nog niet zulk een invloed op hem gehad, dat hij niet liever zijn eigen zin deed. Maar.... er bestond een gewichtige reden voor Alewijn, om heer Diederik wel te gehoorzamen: zijn eigen veiligheid. Want als Alewijn gesnapt werd, terwijl hij bezig was, den jonker te redden, zou zijn leed niet te overzien zijn.De jonker scheen zijn gedachten te raden. „Jonge man,” zei hij, „wat ik je vraag, is voor je zelf niet de minste opoffering; laat mij rustig doorgaan; niemand zal het opmerken. En, als je dat niet wilt, dood mij dan, maar heb medelijden, neem me niet gevangen; geef me niet levend aan mijndoodsvijandover.”„Een weerlooze dooden? Ik heb ook de vrijheid gekend: ik bezit ook mijn gevoel van eer,” zei Alewijn op eenigszins scherpen toon. Toen dacht hij na. Hij gevoelde innig medelijden met den ongelukkigen gewonde. „Wat heb ik eigenlijk ook met heer Diederik te maken?” mompelde hij. „Heeft hij mij niet als een dier gekocht? Heeft hij me niet van mijn ouders losgescheurd? Worden wij allen niet voortdurend als vee behandeld? Waarom zal ik dan voor zijn belangen opkomen? Is het niet beter, barmhartig te zijn?”Ten laatste overwon zijn medelijdend hart en hij sprak tot den jonker: „Weet ge wat, ik zal mijn best doen, u te redden. Beproef op te staan en op mij te leunen.”Na eenige vergeefsche pogingen gelukte dit, enzie, hoe moeilijk het ook ging, de jonker schreed langzaam voort.„Komaan, als we gindsch boschje hebben bereikt, is het gevaarlijkste achter den rug. Eenmaal daar aangekomen, zal het u, indien ge voorzichtig zijt, niet moeilijk vallen, ongemerkt te verdwijnen.”„Welk een dank ben ik je verschuldigd. Zeg me, hoe je heet, en ik zal je goed beloonen.”„Een beloning begeer ik niet,” antwoordde Alewijn en hij vervolgde glimlachend: „Ik denk, dat ge ook niet veel zult hebben, om te beloonen: Zooveel verstand toch bezit ik wel, om in te zien, dat uw kasteel het niet lang meer uithoudt.”„Mijn vrienden zullen me niet in den steek laten. Als ik van nacht het huisje van de oude Wena bereik, ben ik gered.”„Waar woont die?”„We zijn op den goeden weg. Ik heb het arme mensch dikwijls bijgestaan; ze zal den jonker niets weigeren, als hijomeen schuilplaats smeekt.”Alewijn keek eens rond: alles lag in diepe rust; de maan bescheen met een flauw licht de vlakte, waar de menigte van tenten en wagens donkere schaduwen op den grond wierpen. Nergens bewoog zich een levend wezen. „Dat mag waarlijk een wonder heeten,” dacht Alewijn, „hoe dikwijls zie je anders niet een krijgsman door het kamp ronddwalen. Ik kan van geluk spreken, als ik niet ontdekt word.”Zooveel mogelijk zorgde hij in de schaduw te loopen, maar ten laatste was hij wel genoodzaakt,een door de maan beschenen vlakte over te steken; daar bewogen de twee jonge mannen zich als geheimzinnige spoken over heen. Het spreekt vanzelf, dat de jonker slechts langzaam loopen kon. Tot groote verwondering van Alewijn hield hij het evenwel tamelijk goed uit, hoewel de pijn hem soms deed kreunen.Eindelijk hadden ze het boschje bereikt.„Zie zoo,” zei Alewijn, „ik heb voor u gedaan, wat ik kon; nu moet ik maken, dat ik terugkom.”Nog eens bedankte de jonker hem hartelijk.„Wacht,” hernam Alewijn, in den zak tastende en daaruit een stuk brood te voorschijn halende, „’t is wel niet veel bijzonders, wat ik u geven kan, maar als ge honger hebt, kan het dienst doen. Vaarwel.”De jongen keerde terug en stond weldra weer op zijn post. Niet lang was hij daar geweest, toen een makker hem kwam aflossen. Had zijn uitstapje dus wat langer geduurd, dan zou zijn afwezigheid ontdekt zijn.Nu was niemand iets gewaar geworden en Alewijn zorgde natuurlijk wel, dat hij zijn mond hield.
ACHTSTE HOOFDSTUK.ACHTSTE HOOFDSTUK.Op wacht.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
„’t Is jouw beurt om de wacht te houden, Alewijn,” zei Gerebrandt, „je treft het, het weer klaart op.”„Ze zullen het ons vannacht niet meer lastig maken.”„Dat geloof ik; ze zijn leelijk van de reis gekomen,” hernam Gerebrandt, op de lijken der gesneuvelde vijanden wijzende.Alewijn rilde. „Als al die lichamen toch nog eens levend bleken te zijn,” dacht hij. De jongen gevoelde in het geheel geen lust om op wacht te staan; hij was vermoeid van den strijd; het zware kasteel rees daar zoo spookachtig voor hem op en de aanblik van die doode menschen op den grond deed hem een huivering over den rug gaan.„Nu,” zei Gerebrandt, „ik wensch je veel genoegen; pas maar op, dat je niet in slaap valt.”Alewijn bleef alleen en keek rond. Hij kon zijn oogen bijna niet van het veld met die lichamen der gesneuvelden afhouden. De maan was wat hooger gerezen; daardoor waren de boschjes en struiken en tenten om hem heen beter te zien; alles leek even spookachtig. Hoe langer Alewijn daar stond, hoe angstiger hij werd. De jongen was anders niet licht bang, maar dezen nacht kon hij huiveringen van vrees niet terughouden; dat kwam zeker van het vreeselijke gevecht, waaraan hij had meegedaan.Dicht bij hem op den grond lag een zwarte massa.„Hoe vreemd toch,” dacht Alewijn. „Een paar uur geleden was die daar nog gezond en wel en nu.”Plotseling voer een hevige rilling hem over den rug. Hij staarde strak naar het lichaam op den grond en durfde zich niet te verroeren. Hij wilde vluchten en kon het niet: ’t was, alsof die doode zich bewoog. Kom, het moest verbeelding zijn. Alewijn poogde zijn angstige gedachten te verdrijven, door onverschillig een anderen kant uit te kijken, maar telkens viel zijn blik weer op dat vreeselijke punt. Hij beredeneerde zich zelf, dat het lichaam zich niet kon hebben bewogen, dat het maar gezichtsbedrog kon zijn, en toch, toch had hij het zoo duidelijk gezien.O wee! Daar zag hij het weer. Neen, nu was het maar al te duidelijk. Hemel, het lichaam verroerde zich, het kroop voort; Alewijn voelde zijn hart bonzen,hij wilde om hulp schreeuwen, maar zijn stem stokte hem in de keel. Met al de kracht, die in hem was, poogde hij zich tegen den angst, die hem over zijn geheele lichaam deed beven, te verzetten. Hij wist, dat het belachelijk was, zulk een vrees te gevoelen, toch sidderde hij.Eenige oogenblikken later lag het lichaam weer stil; toen Alewijn wat aan het denkbeeld gewend was, werd hij iets kalmer; zijn bedaarde, moedige natuur kreeg weer de overhand.Nu ontwaakte in hem de lust om te onderzoeken, wie het was, die hem met zijn spookachtige verschijning zoo’n schrik had aangejaagd. Een paar maal verzette hij reeds zijn voet, maar telkens werd hij nog door vrees teruggehouden; eindelijk vermande hij zich, hij trad toe, en, wat bleek nu?Het was wel degelijk een gewonde, en een zwaar gewonde ook, want met moeite richtte de man zich half op en sprak met zwakke stem:„Kom je om mij te dooden?”„Dat zal er van afhangen, wie je bent.”„Toe, dood mij maar, dadelijk liefst.”„Dat is een dwaze wensch; heb je zoo’n pijn misschien?”„Op dit oogenblik niet; maar het gaan valt me zeer moeilijk. Heb medelij.”„Je behoort zeker tot de lieden uit het kasteel?”„Ja.”Alewijn keek nauwkeuriger toe en zag aan de kleeding en den half opengemaakten maliënkolder, dat het een ridder moest zijn. Opeens ging hem eenlicht op: als het de jonker eens was! Dat zou een vangst wezen!„Ik geloof, dat het verstandiger is, je gevangen te nemen.”„Och, doe dat niet,” smeekte de gewonde met angstige stem. Alewijn moest in zich zelf er om lachen, dat een groot heer, een edelman, jegens een lijfeigene zich als een smeekeling gedroeg. Daar moest wel een gewichtige reden voor bestaan; anders zou een ridder zich zoo niet verlagen.„Verlang je er dan niet naar, te blijven leven?”„Om in handen te vallen van hem?.... Duizendmaal liever sterven. Jonge man, als er nog eenig gevoel voor een medemensch in je trilt, verhoor dan mijn bede.”„De ridders zijn anders niet gewoon, zich jegens hun minderen barmhartig te toonen.”„Ik heb nog nooit een lijfeigene hard behandeld; allen houden ze van me; en dat zal heer Diederik van zich zelf niet kunnen zeggen.”„Maar ik moet hem toch gehoorzamen en hij heeft bevolen, den jonker levend gevangen te nemen.”„Wat, hoe weet je....?”„Och, ik dacht het zoo. Maar nu ben ik er zeker van.”„Wie durft te beweren, dat je heer Diederik gehoorzaamheid verschuldigd bent? Hij heeft je gekocht misschien; is dat nu zoo’n groote weldaad, waar je altijd dankbaar voor moet blijven?”Alewijn weifelde: „Waarom zou ik mij ook zoo slaafs gedragen?” dacht hij.De jongen was eenmaal vrij geweest en de toestand van slavernij had nog niet zulk een invloed op hem gehad, dat hij niet liever zijn eigen zin deed. Maar.... er bestond een gewichtige reden voor Alewijn, om heer Diederik wel te gehoorzamen: zijn eigen veiligheid. Want als Alewijn gesnapt werd, terwijl hij bezig was, den jonker te redden, zou zijn leed niet te overzien zijn.De jonker scheen zijn gedachten te raden. „Jonge man,” zei hij, „wat ik je vraag, is voor je zelf niet de minste opoffering; laat mij rustig doorgaan; niemand zal het opmerken. En, als je dat niet wilt, dood mij dan, maar heb medelijden, neem me niet gevangen; geef me niet levend aan mijndoodsvijandover.”„Een weerlooze dooden? Ik heb ook de vrijheid gekend: ik bezit ook mijn gevoel van eer,” zei Alewijn op eenigszins scherpen toon. Toen dacht hij na. Hij gevoelde innig medelijden met den ongelukkigen gewonde. „Wat heb ik eigenlijk ook met heer Diederik te maken?” mompelde hij. „Heeft hij mij niet als een dier gekocht? Heeft hij me niet van mijn ouders losgescheurd? Worden wij allen niet voortdurend als vee behandeld? Waarom zal ik dan voor zijn belangen opkomen? Is het niet beter, barmhartig te zijn?”Ten laatste overwon zijn medelijdend hart en hij sprak tot den jonker: „Weet ge wat, ik zal mijn best doen, u te redden. Beproef op te staan en op mij te leunen.”Na eenige vergeefsche pogingen gelukte dit, enzie, hoe moeilijk het ook ging, de jonker schreed langzaam voort.„Komaan, als we gindsch boschje hebben bereikt, is het gevaarlijkste achter den rug. Eenmaal daar aangekomen, zal het u, indien ge voorzichtig zijt, niet moeilijk vallen, ongemerkt te verdwijnen.”„Welk een dank ben ik je verschuldigd. Zeg me, hoe je heet, en ik zal je goed beloonen.”„Een beloning begeer ik niet,” antwoordde Alewijn en hij vervolgde glimlachend: „Ik denk, dat ge ook niet veel zult hebben, om te beloonen: Zooveel verstand toch bezit ik wel, om in te zien, dat uw kasteel het niet lang meer uithoudt.”„Mijn vrienden zullen me niet in den steek laten. Als ik van nacht het huisje van de oude Wena bereik, ben ik gered.”„Waar woont die?”„We zijn op den goeden weg. Ik heb het arme mensch dikwijls bijgestaan; ze zal den jonker niets weigeren, als hijomeen schuilplaats smeekt.”Alewijn keek eens rond: alles lag in diepe rust; de maan bescheen met een flauw licht de vlakte, waar de menigte van tenten en wagens donkere schaduwen op den grond wierpen. Nergens bewoog zich een levend wezen. „Dat mag waarlijk een wonder heeten,” dacht Alewijn, „hoe dikwijls zie je anders niet een krijgsman door het kamp ronddwalen. Ik kan van geluk spreken, als ik niet ontdekt word.”Zooveel mogelijk zorgde hij in de schaduw te loopen, maar ten laatste was hij wel genoodzaakt,een door de maan beschenen vlakte over te steken; daar bewogen de twee jonge mannen zich als geheimzinnige spoken over heen. Het spreekt vanzelf, dat de jonker slechts langzaam loopen kon. Tot groote verwondering van Alewijn hield hij het evenwel tamelijk goed uit, hoewel de pijn hem soms deed kreunen.Eindelijk hadden ze het boschje bereikt.„Zie zoo,” zei Alewijn, „ik heb voor u gedaan, wat ik kon; nu moet ik maken, dat ik terugkom.”Nog eens bedankte de jonker hem hartelijk.„Wacht,” hernam Alewijn, in den zak tastende en daaruit een stuk brood te voorschijn halende, „’t is wel niet veel bijzonders, wat ik u geven kan, maar als ge honger hebt, kan het dienst doen. Vaarwel.”De jongen keerde terug en stond weldra weer op zijn post. Niet lang was hij daar geweest, toen een makker hem kwam aflossen. Had zijn uitstapje dus wat langer geduurd, dan zou zijn afwezigheid ontdekt zijn.Nu was niemand iets gewaar geworden en Alewijn zorgde natuurlijk wel, dat hij zijn mond hield.
„’t Is jouw beurt om de wacht te houden, Alewijn,” zei Gerebrandt, „je treft het, het weer klaart op.”
„Ze zullen het ons vannacht niet meer lastig maken.”
„Dat geloof ik; ze zijn leelijk van de reis gekomen,” hernam Gerebrandt, op de lijken der gesneuvelde vijanden wijzende.
Alewijn rilde. „Als al die lichamen toch nog eens levend bleken te zijn,” dacht hij. De jongen gevoelde in het geheel geen lust om op wacht te staan; hij was vermoeid van den strijd; het zware kasteel rees daar zoo spookachtig voor hem op en de aanblik van die doode menschen op den grond deed hem een huivering over den rug gaan.
„Nu,” zei Gerebrandt, „ik wensch je veel genoegen; pas maar op, dat je niet in slaap valt.”
Alewijn bleef alleen en keek rond. Hij kon zijn oogen bijna niet van het veld met die lichamen der gesneuvelden afhouden. De maan was wat hooger gerezen; daardoor waren de boschjes en struiken en tenten om hem heen beter te zien; alles leek even spookachtig. Hoe langer Alewijn daar stond, hoe angstiger hij werd. De jongen was anders niet licht bang, maar dezen nacht kon hij huiveringen van vrees niet terughouden; dat kwam zeker van het vreeselijke gevecht, waaraan hij had meegedaan.
Dicht bij hem op den grond lag een zwarte massa.
„Hoe vreemd toch,” dacht Alewijn. „Een paar uur geleden was die daar nog gezond en wel en nu.”
Plotseling voer een hevige rilling hem over den rug. Hij staarde strak naar het lichaam op den grond en durfde zich niet te verroeren. Hij wilde vluchten en kon het niet: ’t was, alsof die doode zich bewoog. Kom, het moest verbeelding zijn. Alewijn poogde zijn angstige gedachten te verdrijven, door onverschillig een anderen kant uit te kijken, maar telkens viel zijn blik weer op dat vreeselijke punt. Hij beredeneerde zich zelf, dat het lichaam zich niet kon hebben bewogen, dat het maar gezichtsbedrog kon zijn, en toch, toch had hij het zoo duidelijk gezien.
O wee! Daar zag hij het weer. Neen, nu was het maar al te duidelijk. Hemel, het lichaam verroerde zich, het kroop voort; Alewijn voelde zijn hart bonzen,hij wilde om hulp schreeuwen, maar zijn stem stokte hem in de keel. Met al de kracht, die in hem was, poogde hij zich tegen den angst, die hem over zijn geheele lichaam deed beven, te verzetten. Hij wist, dat het belachelijk was, zulk een vrees te gevoelen, toch sidderde hij.
Eenige oogenblikken later lag het lichaam weer stil; toen Alewijn wat aan het denkbeeld gewend was, werd hij iets kalmer; zijn bedaarde, moedige natuur kreeg weer de overhand.
Nu ontwaakte in hem de lust om te onderzoeken, wie het was, die hem met zijn spookachtige verschijning zoo’n schrik had aangejaagd. Een paar maal verzette hij reeds zijn voet, maar telkens werd hij nog door vrees teruggehouden; eindelijk vermande hij zich, hij trad toe, en, wat bleek nu?
Het was wel degelijk een gewonde, en een zwaar gewonde ook, want met moeite richtte de man zich half op en sprak met zwakke stem:
„Kom je om mij te dooden?”
„Dat zal er van afhangen, wie je bent.”
„Toe, dood mij maar, dadelijk liefst.”
„Dat is een dwaze wensch; heb je zoo’n pijn misschien?”
„Op dit oogenblik niet; maar het gaan valt me zeer moeilijk. Heb medelij.”
„Je behoort zeker tot de lieden uit het kasteel?”
„Ja.”
Alewijn keek nauwkeuriger toe en zag aan de kleeding en den half opengemaakten maliënkolder, dat het een ridder moest zijn. Opeens ging hem eenlicht op: als het de jonker eens was! Dat zou een vangst wezen!
„Ik geloof, dat het verstandiger is, je gevangen te nemen.”
„Och, doe dat niet,” smeekte de gewonde met angstige stem. Alewijn moest in zich zelf er om lachen, dat een groot heer, een edelman, jegens een lijfeigene zich als een smeekeling gedroeg. Daar moest wel een gewichtige reden voor bestaan; anders zou een ridder zich zoo niet verlagen.
„Verlang je er dan niet naar, te blijven leven?”
„Om in handen te vallen van hem?.... Duizendmaal liever sterven. Jonge man, als er nog eenig gevoel voor een medemensch in je trilt, verhoor dan mijn bede.”
„De ridders zijn anders niet gewoon, zich jegens hun minderen barmhartig te toonen.”
„Ik heb nog nooit een lijfeigene hard behandeld; allen houden ze van me; en dat zal heer Diederik van zich zelf niet kunnen zeggen.”
„Maar ik moet hem toch gehoorzamen en hij heeft bevolen, den jonker levend gevangen te nemen.”
„Wat, hoe weet je....?”
„Och, ik dacht het zoo. Maar nu ben ik er zeker van.”
„Wie durft te beweren, dat je heer Diederik gehoorzaamheid verschuldigd bent? Hij heeft je gekocht misschien; is dat nu zoo’n groote weldaad, waar je altijd dankbaar voor moet blijven?”
Alewijn weifelde: „Waarom zou ik mij ook zoo slaafs gedragen?” dacht hij.
De jongen was eenmaal vrij geweest en de toestand van slavernij had nog niet zulk een invloed op hem gehad, dat hij niet liever zijn eigen zin deed. Maar.... er bestond een gewichtige reden voor Alewijn, om heer Diederik wel te gehoorzamen: zijn eigen veiligheid. Want als Alewijn gesnapt werd, terwijl hij bezig was, den jonker te redden, zou zijn leed niet te overzien zijn.
De jonker scheen zijn gedachten te raden. „Jonge man,” zei hij, „wat ik je vraag, is voor je zelf niet de minste opoffering; laat mij rustig doorgaan; niemand zal het opmerken. En, als je dat niet wilt, dood mij dan, maar heb medelijden, neem me niet gevangen; geef me niet levend aan mijndoodsvijandover.”
„Een weerlooze dooden? Ik heb ook de vrijheid gekend: ik bezit ook mijn gevoel van eer,” zei Alewijn op eenigszins scherpen toon. Toen dacht hij na. Hij gevoelde innig medelijden met den ongelukkigen gewonde. „Wat heb ik eigenlijk ook met heer Diederik te maken?” mompelde hij. „Heeft hij mij niet als een dier gekocht? Heeft hij me niet van mijn ouders losgescheurd? Worden wij allen niet voortdurend als vee behandeld? Waarom zal ik dan voor zijn belangen opkomen? Is het niet beter, barmhartig te zijn?”
Ten laatste overwon zijn medelijdend hart en hij sprak tot den jonker: „Weet ge wat, ik zal mijn best doen, u te redden. Beproef op te staan en op mij te leunen.”
Na eenige vergeefsche pogingen gelukte dit, enzie, hoe moeilijk het ook ging, de jonker schreed langzaam voort.
„Komaan, als we gindsch boschje hebben bereikt, is het gevaarlijkste achter den rug. Eenmaal daar aangekomen, zal het u, indien ge voorzichtig zijt, niet moeilijk vallen, ongemerkt te verdwijnen.”
„Welk een dank ben ik je verschuldigd. Zeg me, hoe je heet, en ik zal je goed beloonen.”
„Een beloning begeer ik niet,” antwoordde Alewijn en hij vervolgde glimlachend: „Ik denk, dat ge ook niet veel zult hebben, om te beloonen: Zooveel verstand toch bezit ik wel, om in te zien, dat uw kasteel het niet lang meer uithoudt.”
„Mijn vrienden zullen me niet in den steek laten. Als ik van nacht het huisje van de oude Wena bereik, ben ik gered.”
„Waar woont die?”
„We zijn op den goeden weg. Ik heb het arme mensch dikwijls bijgestaan; ze zal den jonker niets weigeren, als hijomeen schuilplaats smeekt.”
Alewijn keek eens rond: alles lag in diepe rust; de maan bescheen met een flauw licht de vlakte, waar de menigte van tenten en wagens donkere schaduwen op den grond wierpen. Nergens bewoog zich een levend wezen. „Dat mag waarlijk een wonder heeten,” dacht Alewijn, „hoe dikwijls zie je anders niet een krijgsman door het kamp ronddwalen. Ik kan van geluk spreken, als ik niet ontdekt word.”
Zooveel mogelijk zorgde hij in de schaduw te loopen, maar ten laatste was hij wel genoodzaakt,een door de maan beschenen vlakte over te steken; daar bewogen de twee jonge mannen zich als geheimzinnige spoken over heen. Het spreekt vanzelf, dat de jonker slechts langzaam loopen kon. Tot groote verwondering van Alewijn hield hij het evenwel tamelijk goed uit, hoewel de pijn hem soms deed kreunen.
Eindelijk hadden ze het boschje bereikt.
„Zie zoo,” zei Alewijn, „ik heb voor u gedaan, wat ik kon; nu moet ik maken, dat ik terugkom.”
Nog eens bedankte de jonker hem hartelijk.
„Wacht,” hernam Alewijn, in den zak tastende en daaruit een stuk brood te voorschijn halende, „’t is wel niet veel bijzonders, wat ik u geven kan, maar als ge honger hebt, kan het dienst doen. Vaarwel.”
De jongen keerde terug en stond weldra weer op zijn post. Niet lang was hij daar geweest, toen een makker hem kwam aflossen. Had zijn uitstapje dus wat langer geduurd, dan zou zijn afwezigheid ontdekt zijn.
Nu was niemand iets gewaar geworden en Alewijn zorgde natuurlijk wel, dat hij zijn mond hield.