VEERTIENDE HOOFDSTUK.VEERTIENDE HOOFDSTUK.Aan den Rijn.De wind was fel opgestoken, toen Alewijn na een vermoeienden marsch aan de oevers der rivier uitrustte.Droomend staarde hij naar de witte golven, die schuimend voorbij gingen.Eindelijk stond hij op: ’t was te koud om langer te blijven zitten. Het gure weerdwonghem, een schuilplaats tegen den nacht te zoeken.Nog eenmaal liet hij zijn blik gaan over de woelige watervlakte.Plotseling werd zijn aandacht getrokken door een schip, dat snel naderde. De harde wind had het groote zeil bol geblazen; één man stond achter aan de linkerzijde van het schip en had den stuurriem ter hand, terwijl twee anderen ijverig in de weer waren.Met groote belangstelling stond Alewijn het vaartuigte bekijken; nog eenige oogenblikken en het zou hem voorbijvaren.Daar deed een rukwind het roer omslaan; de stuurman kon zich niet langer op de been houden en plotseling lag hij in het woeste water te spartelen.De beide makkers bemerkten het ongeluk en haastten zich, om het schip zijn vaart te doen inhouden. Terwijl de eene het zeil wilde laten zakken, begaf de ander zich naar den achtersteven.Te laat.Reeds had de wind het vaartuig een heel eind voortgejaagd, reeds was de afstand tusschen schip en drenkeling zoo groot geworden, dat er aan redden niet te denken viel.De arme man scheen verloren; hij bleek een slecht zwemmer te zijn en worstelde vruchteloos met de krachtige golven.Alewijn, die eerst werkeloos had toegekeken, nieuwsgierig, hoe alles zou afloopen, begreep weldra het groote gevaar en aanstonds was zijn plan gemaakt.Zonder zich lang te bedenken, trok hij zijn buis uit. Toen sprong hij te water.Dat was nog eens zwemmen!Zware golven klotsten langs en over den moedigen jongen heen, herhaaldelijk werd hij uit den koers geworpen. Maar de koene zwemmer liet zich niet afschrikken.Met forsche slagen doorkliefde hij het water, onverpoosd werkte hij tegen stroom en golven.Zoo ging hij regelrecht op het doel af.’t Was hoog tijd.Wel spartelde de drenkeling nog wat, maar zijn krachten raakten uitgeput; het oogenblik was niet verre meer, dat men hem voorgoed zou zien verdwijnen.Herhaaldelijk riep hij om hulp.Maar het schip was ver weg, de opvarenden hadden het niet kunnen draaien: nu naderde het den oever.Onophoudelijk klonk het angstige hulpgeschrei. Voort zwom Alewijn, hijgend en zich meer en meer inspannend. Eindelijk schreeuwde de drenkeling niet meer; zijn krachten hadden hem begeven; voor en na spoelden golven over hem heen.Plotseling greep een forsche hand hem bij den arm; de man voelde het en klemde zich in zijn doodsangst aan het lichaam, dat zoo dicht bij hem was.Vruchteloos poogde Alewijn zich los te wringen uit den knellenden greep. Helaas, hij scheen zijn menschlievendheid met den dood te moeten bekoopen.Want de drenkeling hield hem zóó vast, dat Alewijn zich haast niet kon bewegen. Ternauwernood bleef hij boven water; laat staan dus, dat hij de kracht bezat, om zich naar den oever te begeven.Zoo dreven beiden met den stroom mede.Maar de hulp was nabij.Want de makkers van den schipper zagen het gevaar. Toen Alewijn zoo krachtig voortzwom, meenden ze het reddingswerk wel aan hem tekunnen overlaten; toen echter zijn krachten blijkbaar te kort schoten, aarzelden ze niet.’t Was een edele wedstrijd tusschen hen. Wie van beiden zou het eerst den ongelukkige bereiken?Alewijn hoorde het geroep, dat de hulp aankondigde; hij verdubbelde zijn pogingen; hij spande alle krachten in en—smaakte de voldoening, zich boven te houden, tot de redding nabij was.Stevig greep men hem en den drenkeling vast, en eindelijk hadden allen den vasten wal en niet lang daarna het schip bereikt.Het kostte niet weinig moeite, Alewijn te bevrijden uit den greep van de vingers, die hem vasthielden. Eindelijk gelukte het toch.De anderen wisten den bewusteloozen drenkeling spoedig bij te brengen. Alewijn zag, hoe ze hem uit alle macht begonnen te wrijven en te rollen. Ten laatste kwam de krachtige man bij en het duurde niet lang, of hij was weer zoo gezond als een visch.Alewijn kreeg droge kleeren: kousen, een tot aan de knieën reikende broek en een buis en, al mochten ze hem wat te groot zijn, hij voelde er zich na het koude bad aangenaam warm in.Toen hij in een klein vertrekje aan boord van het schip zat, gaf de geredde, die de eigenaar was, hem de hand, zeggende: „Jongen, ik dank je nog wel.”Verlegen als hij was, wist Alewijn niets te zeggen. Maar het behoefde ook niet, want de schipper praatte door.„Zonder jou lag ik nu op den bodem van derivier. Hoe kan ik je een bewijs van mijn dankbaarheid geven?”Alewijn verlangde geen belooning en sprak van vertrekken, maar daar kwam niets van in.„Wou je heengaan? Volstrekt niet. Je blijft mijn gast. Of heb je daar bezwaar tegen?”Bezwaar? Alewijn zou weigeren, in een vriendelijk, warm vertrekje, bij goede, hartelijke menschen den avond door te brengen?Stamelend antwoordde hij dus, dat hij het na zijn langen, vermoeienden tocht en de inspannende zwempartij heerlijk vond, als hij nog wat blijven mocht.„Welnu, praat dan vooreerst niet meer van heengaan. Komaan, drink een kruik bier. Durf je niet goed? Kijk dan maar naar mij. Ik moet van den schrik eens goed bekomen.”Dankzij de vriendelijke behandeling, voelde Alewijn zich meer en meer op zijn gemak.Hij bracht bij den goeden gastheer aangename uren door.’t Was een man van vijf en dertig jaar, met blonden baard en kleine, slimme oogen, die tegelijk heel goedig rondzagen.Als koopman reisde hij op een schip een deel van Europa door. Nu had hij een lading zijde en andere kostbare stoffen, van Oostersche kooplui afkomstig,aan boord.Het doel der reis was de groote koopstad Utrecht. Daar hoopte de man zijn waren met goede winst van de hand te doen.Viermaal in het jaar werd te Utrecht groote jaarmarkt gehouden. Van alle kanten kwamen dan reizigers de stad bezoeken. Boeren en edellieden uit den omtrek, maar ook vreemdelingen, uit Frankrijk, Duitschland, Engeland, ja zelfs Russen en Noren, brachten waren, of hoopten inkoopen te doen.In gewone tijden reeds heerschte er in de welvarende koopstad druk vertier, maar op zoo’n marktdag woelde en krioelde een dichte menigte in de straten.En ook op de wegen, die naar Utrecht voerden, was het buitengewoon levendig.Alewijn had daar nog weinig van gemerkt. Wel waren hem meer dan eens ruiters, voetgangers en wagens voorbijgegaan, maar op den dag, dat hij met den schipper kennis maakte, moest de groote drukte nog komen.De koopman had een voorspoedige reis gehad en was vrij wat vroeger in de nabijheid van Utrecht gekomen, dan hij wel had durven hopen.Zijn handelsondernemingen hadden hem rijk gemaakt en dit moedigde hem aan, telkens grooter reizen te doen. Zoo zag hij een groot deel van de wereld, zoo wist hij ook, als hij op zijn gemak zat, daar heel wat van te vertellen. Is het wonder, dat Alewijn, die nog zoo zelden een vriendelijke bejegening genoten had, recht in zijn schik was bij het gul onthaal? Maar als hij zijn erkentelijkheid wilde betuigen, legde de koopman hem met eenvriendelijkgebaar het zwijgen op.„Het is aan mij, je te bedanken. Zonder jouw hulp was ik stellig verdronken en ik wil je wel vertellen, dat het mij veel genoegen doet, den dans ontsprongen te zijn. Als ik je dus met woorden mijn dank te kennen wilde geven, zou ik den geheelen avond werk hebben. Maar ik houd er niet van, met ijdel gezwets te schermen en doe liever wat. Komaan, ik heb je iets van mijn reizen verteld, verhaal jij me op jouw beurt, hoe je hier komt en wat je plan is.”Toen hij echter zag, dat Alewijn wat verlegen werd en blijkbaar niet goed wist te beginnen, voegde de vriendelijke man er bij: „Als je liever zwijgt, doe je maar, of ik niets gevraagd heb. We blijven er even goede vrienden om.”Gelukkig boezemde de koopman Alewijn genoeg vertrouwen in, om hem zijn ontvluchting en de reden er van mee te deelen. Toen de eerste verlegenheid voorbij was, begon de jongen en weldra zat ook hij druk te vertellen. Hij vond in zijn nieuwen kennis een aandachtig toehoorder. Herhaaldelijk toonde de man door een gebaar of door een uitroep, hoe hij belang stelde in de geschiedenis. En toen Alewijn zei, dat hij Utrecht wilde zien te bereiken, knikte de koopman goedkeurend:„Ferm zoo, je hebt gelijk; dat is beter, dan je geheele leven in slavernij te zuchten.”Intusschen was het donker geworden en daarom verzocht de gastheer zijn jongen redder, des nachts op het schip te blijven. Alewijn deed het zeer gaarne. De kennismaking scheen beiden zeer goed te bevallen.Toen de jongen den volgenden ochtend dan ook voor de gastvrijheid bedankte en afscheid wilde nemen, zei de koopman: „Hoe is het? Zou je geen lust hebben, de reis met mij te maken?”Men kan begrijpen, hoe dankbaar Alewijn voor dit aanbod was; het leven op het schip wekte in hooge mate zijn belangstelling en de koopman behandelde hem zoo hartelijk, alsof zij al lange jaren vrienden waren geweest. Bovendien liep de jongen in het geheel geen gevaar meer, in handen van zijn vervolgers te vallen: hij voelde zich nu zoo vrij als een vogel.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.VEERTIENDE HOOFDSTUK.Aan den Rijn.De wind was fel opgestoken, toen Alewijn na een vermoeienden marsch aan de oevers der rivier uitrustte.Droomend staarde hij naar de witte golven, die schuimend voorbij gingen.Eindelijk stond hij op: ’t was te koud om langer te blijven zitten. Het gure weerdwonghem, een schuilplaats tegen den nacht te zoeken.Nog eenmaal liet hij zijn blik gaan over de woelige watervlakte.Plotseling werd zijn aandacht getrokken door een schip, dat snel naderde. De harde wind had het groote zeil bol geblazen; één man stond achter aan de linkerzijde van het schip en had den stuurriem ter hand, terwijl twee anderen ijverig in de weer waren.Met groote belangstelling stond Alewijn het vaartuigte bekijken; nog eenige oogenblikken en het zou hem voorbijvaren.Daar deed een rukwind het roer omslaan; de stuurman kon zich niet langer op de been houden en plotseling lag hij in het woeste water te spartelen.De beide makkers bemerkten het ongeluk en haastten zich, om het schip zijn vaart te doen inhouden. Terwijl de eene het zeil wilde laten zakken, begaf de ander zich naar den achtersteven.Te laat.Reeds had de wind het vaartuig een heel eind voortgejaagd, reeds was de afstand tusschen schip en drenkeling zoo groot geworden, dat er aan redden niet te denken viel.De arme man scheen verloren; hij bleek een slecht zwemmer te zijn en worstelde vruchteloos met de krachtige golven.Alewijn, die eerst werkeloos had toegekeken, nieuwsgierig, hoe alles zou afloopen, begreep weldra het groote gevaar en aanstonds was zijn plan gemaakt.Zonder zich lang te bedenken, trok hij zijn buis uit. Toen sprong hij te water.Dat was nog eens zwemmen!Zware golven klotsten langs en over den moedigen jongen heen, herhaaldelijk werd hij uit den koers geworpen. Maar de koene zwemmer liet zich niet afschrikken.Met forsche slagen doorkliefde hij het water, onverpoosd werkte hij tegen stroom en golven.Zoo ging hij regelrecht op het doel af.’t Was hoog tijd.Wel spartelde de drenkeling nog wat, maar zijn krachten raakten uitgeput; het oogenblik was niet verre meer, dat men hem voorgoed zou zien verdwijnen.Herhaaldelijk riep hij om hulp.Maar het schip was ver weg, de opvarenden hadden het niet kunnen draaien: nu naderde het den oever.Onophoudelijk klonk het angstige hulpgeschrei. Voort zwom Alewijn, hijgend en zich meer en meer inspannend. Eindelijk schreeuwde de drenkeling niet meer; zijn krachten hadden hem begeven; voor en na spoelden golven over hem heen.Plotseling greep een forsche hand hem bij den arm; de man voelde het en klemde zich in zijn doodsangst aan het lichaam, dat zoo dicht bij hem was.Vruchteloos poogde Alewijn zich los te wringen uit den knellenden greep. Helaas, hij scheen zijn menschlievendheid met den dood te moeten bekoopen.Want de drenkeling hield hem zóó vast, dat Alewijn zich haast niet kon bewegen. Ternauwernood bleef hij boven water; laat staan dus, dat hij de kracht bezat, om zich naar den oever te begeven.Zoo dreven beiden met den stroom mede.Maar de hulp was nabij.Want de makkers van den schipper zagen het gevaar. Toen Alewijn zoo krachtig voortzwom, meenden ze het reddingswerk wel aan hem tekunnen overlaten; toen echter zijn krachten blijkbaar te kort schoten, aarzelden ze niet.’t Was een edele wedstrijd tusschen hen. Wie van beiden zou het eerst den ongelukkige bereiken?Alewijn hoorde het geroep, dat de hulp aankondigde; hij verdubbelde zijn pogingen; hij spande alle krachten in en—smaakte de voldoening, zich boven te houden, tot de redding nabij was.Stevig greep men hem en den drenkeling vast, en eindelijk hadden allen den vasten wal en niet lang daarna het schip bereikt.Het kostte niet weinig moeite, Alewijn te bevrijden uit den greep van de vingers, die hem vasthielden. Eindelijk gelukte het toch.De anderen wisten den bewusteloozen drenkeling spoedig bij te brengen. Alewijn zag, hoe ze hem uit alle macht begonnen te wrijven en te rollen. Ten laatste kwam de krachtige man bij en het duurde niet lang, of hij was weer zoo gezond als een visch.Alewijn kreeg droge kleeren: kousen, een tot aan de knieën reikende broek en een buis en, al mochten ze hem wat te groot zijn, hij voelde er zich na het koude bad aangenaam warm in.Toen hij in een klein vertrekje aan boord van het schip zat, gaf de geredde, die de eigenaar was, hem de hand, zeggende: „Jongen, ik dank je nog wel.”Verlegen als hij was, wist Alewijn niets te zeggen. Maar het behoefde ook niet, want de schipper praatte door.„Zonder jou lag ik nu op den bodem van derivier. Hoe kan ik je een bewijs van mijn dankbaarheid geven?”Alewijn verlangde geen belooning en sprak van vertrekken, maar daar kwam niets van in.„Wou je heengaan? Volstrekt niet. Je blijft mijn gast. Of heb je daar bezwaar tegen?”Bezwaar? Alewijn zou weigeren, in een vriendelijk, warm vertrekje, bij goede, hartelijke menschen den avond door te brengen?Stamelend antwoordde hij dus, dat hij het na zijn langen, vermoeienden tocht en de inspannende zwempartij heerlijk vond, als hij nog wat blijven mocht.„Welnu, praat dan vooreerst niet meer van heengaan. Komaan, drink een kruik bier. Durf je niet goed? Kijk dan maar naar mij. Ik moet van den schrik eens goed bekomen.”Dankzij de vriendelijke behandeling, voelde Alewijn zich meer en meer op zijn gemak.Hij bracht bij den goeden gastheer aangename uren door.’t Was een man van vijf en dertig jaar, met blonden baard en kleine, slimme oogen, die tegelijk heel goedig rondzagen.Als koopman reisde hij op een schip een deel van Europa door. Nu had hij een lading zijde en andere kostbare stoffen, van Oostersche kooplui afkomstig,aan boord.Het doel der reis was de groote koopstad Utrecht. Daar hoopte de man zijn waren met goede winst van de hand te doen.Viermaal in het jaar werd te Utrecht groote jaarmarkt gehouden. Van alle kanten kwamen dan reizigers de stad bezoeken. Boeren en edellieden uit den omtrek, maar ook vreemdelingen, uit Frankrijk, Duitschland, Engeland, ja zelfs Russen en Noren, brachten waren, of hoopten inkoopen te doen.In gewone tijden reeds heerschte er in de welvarende koopstad druk vertier, maar op zoo’n marktdag woelde en krioelde een dichte menigte in de straten.En ook op de wegen, die naar Utrecht voerden, was het buitengewoon levendig.Alewijn had daar nog weinig van gemerkt. Wel waren hem meer dan eens ruiters, voetgangers en wagens voorbijgegaan, maar op den dag, dat hij met den schipper kennis maakte, moest de groote drukte nog komen.De koopman had een voorspoedige reis gehad en was vrij wat vroeger in de nabijheid van Utrecht gekomen, dan hij wel had durven hopen.Zijn handelsondernemingen hadden hem rijk gemaakt en dit moedigde hem aan, telkens grooter reizen te doen. Zoo zag hij een groot deel van de wereld, zoo wist hij ook, als hij op zijn gemak zat, daar heel wat van te vertellen. Is het wonder, dat Alewijn, die nog zoo zelden een vriendelijke bejegening genoten had, recht in zijn schik was bij het gul onthaal? Maar als hij zijn erkentelijkheid wilde betuigen, legde de koopman hem met eenvriendelijkgebaar het zwijgen op.„Het is aan mij, je te bedanken. Zonder jouw hulp was ik stellig verdronken en ik wil je wel vertellen, dat het mij veel genoegen doet, den dans ontsprongen te zijn. Als ik je dus met woorden mijn dank te kennen wilde geven, zou ik den geheelen avond werk hebben. Maar ik houd er niet van, met ijdel gezwets te schermen en doe liever wat. Komaan, ik heb je iets van mijn reizen verteld, verhaal jij me op jouw beurt, hoe je hier komt en wat je plan is.”Toen hij echter zag, dat Alewijn wat verlegen werd en blijkbaar niet goed wist te beginnen, voegde de vriendelijke man er bij: „Als je liever zwijgt, doe je maar, of ik niets gevraagd heb. We blijven er even goede vrienden om.”Gelukkig boezemde de koopman Alewijn genoeg vertrouwen in, om hem zijn ontvluchting en de reden er van mee te deelen. Toen de eerste verlegenheid voorbij was, begon de jongen en weldra zat ook hij druk te vertellen. Hij vond in zijn nieuwen kennis een aandachtig toehoorder. Herhaaldelijk toonde de man door een gebaar of door een uitroep, hoe hij belang stelde in de geschiedenis. En toen Alewijn zei, dat hij Utrecht wilde zien te bereiken, knikte de koopman goedkeurend:„Ferm zoo, je hebt gelijk; dat is beter, dan je geheele leven in slavernij te zuchten.”Intusschen was het donker geworden en daarom verzocht de gastheer zijn jongen redder, des nachts op het schip te blijven. Alewijn deed het zeer gaarne. De kennismaking scheen beiden zeer goed te bevallen.Toen de jongen den volgenden ochtend dan ook voor de gastvrijheid bedankte en afscheid wilde nemen, zei de koopman: „Hoe is het? Zou je geen lust hebben, de reis met mij te maken?”Men kan begrijpen, hoe dankbaar Alewijn voor dit aanbod was; het leven op het schip wekte in hooge mate zijn belangstelling en de koopman behandelde hem zoo hartelijk, alsof zij al lange jaren vrienden waren geweest. Bovendien liep de jongen in het geheel geen gevaar meer, in handen van zijn vervolgers te vallen: hij voelde zich nu zoo vrij als een vogel.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.VEERTIENDE HOOFDSTUK.Aan den Rijn.
VEERTIENDE HOOFDSTUK.
De wind was fel opgestoken, toen Alewijn na een vermoeienden marsch aan de oevers der rivier uitrustte.Droomend staarde hij naar de witte golven, die schuimend voorbij gingen.Eindelijk stond hij op: ’t was te koud om langer te blijven zitten. Het gure weerdwonghem, een schuilplaats tegen den nacht te zoeken.Nog eenmaal liet hij zijn blik gaan over de woelige watervlakte.Plotseling werd zijn aandacht getrokken door een schip, dat snel naderde. De harde wind had het groote zeil bol geblazen; één man stond achter aan de linkerzijde van het schip en had den stuurriem ter hand, terwijl twee anderen ijverig in de weer waren.Met groote belangstelling stond Alewijn het vaartuigte bekijken; nog eenige oogenblikken en het zou hem voorbijvaren.Daar deed een rukwind het roer omslaan; de stuurman kon zich niet langer op de been houden en plotseling lag hij in het woeste water te spartelen.De beide makkers bemerkten het ongeluk en haastten zich, om het schip zijn vaart te doen inhouden. Terwijl de eene het zeil wilde laten zakken, begaf de ander zich naar den achtersteven.Te laat.Reeds had de wind het vaartuig een heel eind voortgejaagd, reeds was de afstand tusschen schip en drenkeling zoo groot geworden, dat er aan redden niet te denken viel.De arme man scheen verloren; hij bleek een slecht zwemmer te zijn en worstelde vruchteloos met de krachtige golven.Alewijn, die eerst werkeloos had toegekeken, nieuwsgierig, hoe alles zou afloopen, begreep weldra het groote gevaar en aanstonds was zijn plan gemaakt.Zonder zich lang te bedenken, trok hij zijn buis uit. Toen sprong hij te water.Dat was nog eens zwemmen!Zware golven klotsten langs en over den moedigen jongen heen, herhaaldelijk werd hij uit den koers geworpen. Maar de koene zwemmer liet zich niet afschrikken.Met forsche slagen doorkliefde hij het water, onverpoosd werkte hij tegen stroom en golven.Zoo ging hij regelrecht op het doel af.’t Was hoog tijd.Wel spartelde de drenkeling nog wat, maar zijn krachten raakten uitgeput; het oogenblik was niet verre meer, dat men hem voorgoed zou zien verdwijnen.Herhaaldelijk riep hij om hulp.Maar het schip was ver weg, de opvarenden hadden het niet kunnen draaien: nu naderde het den oever.Onophoudelijk klonk het angstige hulpgeschrei. Voort zwom Alewijn, hijgend en zich meer en meer inspannend. Eindelijk schreeuwde de drenkeling niet meer; zijn krachten hadden hem begeven; voor en na spoelden golven over hem heen.Plotseling greep een forsche hand hem bij den arm; de man voelde het en klemde zich in zijn doodsangst aan het lichaam, dat zoo dicht bij hem was.Vruchteloos poogde Alewijn zich los te wringen uit den knellenden greep. Helaas, hij scheen zijn menschlievendheid met den dood te moeten bekoopen.Want de drenkeling hield hem zóó vast, dat Alewijn zich haast niet kon bewegen. Ternauwernood bleef hij boven water; laat staan dus, dat hij de kracht bezat, om zich naar den oever te begeven.Zoo dreven beiden met den stroom mede.Maar de hulp was nabij.Want de makkers van den schipper zagen het gevaar. Toen Alewijn zoo krachtig voortzwom, meenden ze het reddingswerk wel aan hem tekunnen overlaten; toen echter zijn krachten blijkbaar te kort schoten, aarzelden ze niet.’t Was een edele wedstrijd tusschen hen. Wie van beiden zou het eerst den ongelukkige bereiken?Alewijn hoorde het geroep, dat de hulp aankondigde; hij verdubbelde zijn pogingen; hij spande alle krachten in en—smaakte de voldoening, zich boven te houden, tot de redding nabij was.Stevig greep men hem en den drenkeling vast, en eindelijk hadden allen den vasten wal en niet lang daarna het schip bereikt.Het kostte niet weinig moeite, Alewijn te bevrijden uit den greep van de vingers, die hem vasthielden. Eindelijk gelukte het toch.De anderen wisten den bewusteloozen drenkeling spoedig bij te brengen. Alewijn zag, hoe ze hem uit alle macht begonnen te wrijven en te rollen. Ten laatste kwam de krachtige man bij en het duurde niet lang, of hij was weer zoo gezond als een visch.Alewijn kreeg droge kleeren: kousen, een tot aan de knieën reikende broek en een buis en, al mochten ze hem wat te groot zijn, hij voelde er zich na het koude bad aangenaam warm in.Toen hij in een klein vertrekje aan boord van het schip zat, gaf de geredde, die de eigenaar was, hem de hand, zeggende: „Jongen, ik dank je nog wel.”Verlegen als hij was, wist Alewijn niets te zeggen. Maar het behoefde ook niet, want de schipper praatte door.„Zonder jou lag ik nu op den bodem van derivier. Hoe kan ik je een bewijs van mijn dankbaarheid geven?”Alewijn verlangde geen belooning en sprak van vertrekken, maar daar kwam niets van in.„Wou je heengaan? Volstrekt niet. Je blijft mijn gast. Of heb je daar bezwaar tegen?”Bezwaar? Alewijn zou weigeren, in een vriendelijk, warm vertrekje, bij goede, hartelijke menschen den avond door te brengen?Stamelend antwoordde hij dus, dat hij het na zijn langen, vermoeienden tocht en de inspannende zwempartij heerlijk vond, als hij nog wat blijven mocht.„Welnu, praat dan vooreerst niet meer van heengaan. Komaan, drink een kruik bier. Durf je niet goed? Kijk dan maar naar mij. Ik moet van den schrik eens goed bekomen.”Dankzij de vriendelijke behandeling, voelde Alewijn zich meer en meer op zijn gemak.Hij bracht bij den goeden gastheer aangename uren door.’t Was een man van vijf en dertig jaar, met blonden baard en kleine, slimme oogen, die tegelijk heel goedig rondzagen.Als koopman reisde hij op een schip een deel van Europa door. Nu had hij een lading zijde en andere kostbare stoffen, van Oostersche kooplui afkomstig,aan boord.Het doel der reis was de groote koopstad Utrecht. Daar hoopte de man zijn waren met goede winst van de hand te doen.Viermaal in het jaar werd te Utrecht groote jaarmarkt gehouden. Van alle kanten kwamen dan reizigers de stad bezoeken. Boeren en edellieden uit den omtrek, maar ook vreemdelingen, uit Frankrijk, Duitschland, Engeland, ja zelfs Russen en Noren, brachten waren, of hoopten inkoopen te doen.In gewone tijden reeds heerschte er in de welvarende koopstad druk vertier, maar op zoo’n marktdag woelde en krioelde een dichte menigte in de straten.En ook op de wegen, die naar Utrecht voerden, was het buitengewoon levendig.Alewijn had daar nog weinig van gemerkt. Wel waren hem meer dan eens ruiters, voetgangers en wagens voorbijgegaan, maar op den dag, dat hij met den schipper kennis maakte, moest de groote drukte nog komen.De koopman had een voorspoedige reis gehad en was vrij wat vroeger in de nabijheid van Utrecht gekomen, dan hij wel had durven hopen.Zijn handelsondernemingen hadden hem rijk gemaakt en dit moedigde hem aan, telkens grooter reizen te doen. Zoo zag hij een groot deel van de wereld, zoo wist hij ook, als hij op zijn gemak zat, daar heel wat van te vertellen. Is het wonder, dat Alewijn, die nog zoo zelden een vriendelijke bejegening genoten had, recht in zijn schik was bij het gul onthaal? Maar als hij zijn erkentelijkheid wilde betuigen, legde de koopman hem met eenvriendelijkgebaar het zwijgen op.„Het is aan mij, je te bedanken. Zonder jouw hulp was ik stellig verdronken en ik wil je wel vertellen, dat het mij veel genoegen doet, den dans ontsprongen te zijn. Als ik je dus met woorden mijn dank te kennen wilde geven, zou ik den geheelen avond werk hebben. Maar ik houd er niet van, met ijdel gezwets te schermen en doe liever wat. Komaan, ik heb je iets van mijn reizen verteld, verhaal jij me op jouw beurt, hoe je hier komt en wat je plan is.”Toen hij echter zag, dat Alewijn wat verlegen werd en blijkbaar niet goed wist te beginnen, voegde de vriendelijke man er bij: „Als je liever zwijgt, doe je maar, of ik niets gevraagd heb. We blijven er even goede vrienden om.”Gelukkig boezemde de koopman Alewijn genoeg vertrouwen in, om hem zijn ontvluchting en de reden er van mee te deelen. Toen de eerste verlegenheid voorbij was, begon de jongen en weldra zat ook hij druk te vertellen. Hij vond in zijn nieuwen kennis een aandachtig toehoorder. Herhaaldelijk toonde de man door een gebaar of door een uitroep, hoe hij belang stelde in de geschiedenis. En toen Alewijn zei, dat hij Utrecht wilde zien te bereiken, knikte de koopman goedkeurend:„Ferm zoo, je hebt gelijk; dat is beter, dan je geheele leven in slavernij te zuchten.”Intusschen was het donker geworden en daarom verzocht de gastheer zijn jongen redder, des nachts op het schip te blijven. Alewijn deed het zeer gaarne. De kennismaking scheen beiden zeer goed te bevallen.Toen de jongen den volgenden ochtend dan ook voor de gastvrijheid bedankte en afscheid wilde nemen, zei de koopman: „Hoe is het? Zou je geen lust hebben, de reis met mij te maken?”Men kan begrijpen, hoe dankbaar Alewijn voor dit aanbod was; het leven op het schip wekte in hooge mate zijn belangstelling en de koopman behandelde hem zoo hartelijk, alsof zij al lange jaren vrienden waren geweest. Bovendien liep de jongen in het geheel geen gevaar meer, in handen van zijn vervolgers te vallen: hij voelde zich nu zoo vrij als een vogel.
De wind was fel opgestoken, toen Alewijn na een vermoeienden marsch aan de oevers der rivier uitrustte.
Droomend staarde hij naar de witte golven, die schuimend voorbij gingen.
Eindelijk stond hij op: ’t was te koud om langer te blijven zitten. Het gure weerdwonghem, een schuilplaats tegen den nacht te zoeken.
Nog eenmaal liet hij zijn blik gaan over de woelige watervlakte.
Plotseling werd zijn aandacht getrokken door een schip, dat snel naderde. De harde wind had het groote zeil bol geblazen; één man stond achter aan de linkerzijde van het schip en had den stuurriem ter hand, terwijl twee anderen ijverig in de weer waren.
Met groote belangstelling stond Alewijn het vaartuigte bekijken; nog eenige oogenblikken en het zou hem voorbijvaren.
Daar deed een rukwind het roer omslaan; de stuurman kon zich niet langer op de been houden en plotseling lag hij in het woeste water te spartelen.
De beide makkers bemerkten het ongeluk en haastten zich, om het schip zijn vaart te doen inhouden. Terwijl de eene het zeil wilde laten zakken, begaf de ander zich naar den achtersteven.
Te laat.
Reeds had de wind het vaartuig een heel eind voortgejaagd, reeds was de afstand tusschen schip en drenkeling zoo groot geworden, dat er aan redden niet te denken viel.
De arme man scheen verloren; hij bleek een slecht zwemmer te zijn en worstelde vruchteloos met de krachtige golven.
Alewijn, die eerst werkeloos had toegekeken, nieuwsgierig, hoe alles zou afloopen, begreep weldra het groote gevaar en aanstonds was zijn plan gemaakt.
Zonder zich lang te bedenken, trok hij zijn buis uit. Toen sprong hij te water.
Dat was nog eens zwemmen!
Zware golven klotsten langs en over den moedigen jongen heen, herhaaldelijk werd hij uit den koers geworpen. Maar de koene zwemmer liet zich niet afschrikken.
Met forsche slagen doorkliefde hij het water, onverpoosd werkte hij tegen stroom en golven.
Zoo ging hij regelrecht op het doel af.
’t Was hoog tijd.
Wel spartelde de drenkeling nog wat, maar zijn krachten raakten uitgeput; het oogenblik was niet verre meer, dat men hem voorgoed zou zien verdwijnen.
Herhaaldelijk riep hij om hulp.
Maar het schip was ver weg, de opvarenden hadden het niet kunnen draaien: nu naderde het den oever.
Onophoudelijk klonk het angstige hulpgeschrei. Voort zwom Alewijn, hijgend en zich meer en meer inspannend. Eindelijk schreeuwde de drenkeling niet meer; zijn krachten hadden hem begeven; voor en na spoelden golven over hem heen.
Plotseling greep een forsche hand hem bij den arm; de man voelde het en klemde zich in zijn doodsangst aan het lichaam, dat zoo dicht bij hem was.
Vruchteloos poogde Alewijn zich los te wringen uit den knellenden greep. Helaas, hij scheen zijn menschlievendheid met den dood te moeten bekoopen.
Want de drenkeling hield hem zóó vast, dat Alewijn zich haast niet kon bewegen. Ternauwernood bleef hij boven water; laat staan dus, dat hij de kracht bezat, om zich naar den oever te begeven.
Zoo dreven beiden met den stroom mede.
Maar de hulp was nabij.
Want de makkers van den schipper zagen het gevaar. Toen Alewijn zoo krachtig voortzwom, meenden ze het reddingswerk wel aan hem tekunnen overlaten; toen echter zijn krachten blijkbaar te kort schoten, aarzelden ze niet.
’t Was een edele wedstrijd tusschen hen. Wie van beiden zou het eerst den ongelukkige bereiken?
Alewijn hoorde het geroep, dat de hulp aankondigde; hij verdubbelde zijn pogingen; hij spande alle krachten in en—smaakte de voldoening, zich boven te houden, tot de redding nabij was.
Stevig greep men hem en den drenkeling vast, en eindelijk hadden allen den vasten wal en niet lang daarna het schip bereikt.
Het kostte niet weinig moeite, Alewijn te bevrijden uit den greep van de vingers, die hem vasthielden. Eindelijk gelukte het toch.
De anderen wisten den bewusteloozen drenkeling spoedig bij te brengen. Alewijn zag, hoe ze hem uit alle macht begonnen te wrijven en te rollen. Ten laatste kwam de krachtige man bij en het duurde niet lang, of hij was weer zoo gezond als een visch.
Alewijn kreeg droge kleeren: kousen, een tot aan de knieën reikende broek en een buis en, al mochten ze hem wat te groot zijn, hij voelde er zich na het koude bad aangenaam warm in.
Toen hij in een klein vertrekje aan boord van het schip zat, gaf de geredde, die de eigenaar was, hem de hand, zeggende: „Jongen, ik dank je nog wel.”
Verlegen als hij was, wist Alewijn niets te zeggen. Maar het behoefde ook niet, want de schipper praatte door.
„Zonder jou lag ik nu op den bodem van derivier. Hoe kan ik je een bewijs van mijn dankbaarheid geven?”
Alewijn verlangde geen belooning en sprak van vertrekken, maar daar kwam niets van in.
„Wou je heengaan? Volstrekt niet. Je blijft mijn gast. Of heb je daar bezwaar tegen?”
Bezwaar? Alewijn zou weigeren, in een vriendelijk, warm vertrekje, bij goede, hartelijke menschen den avond door te brengen?
Stamelend antwoordde hij dus, dat hij het na zijn langen, vermoeienden tocht en de inspannende zwempartij heerlijk vond, als hij nog wat blijven mocht.
„Welnu, praat dan vooreerst niet meer van heengaan. Komaan, drink een kruik bier. Durf je niet goed? Kijk dan maar naar mij. Ik moet van den schrik eens goed bekomen.”
Dankzij de vriendelijke behandeling, voelde Alewijn zich meer en meer op zijn gemak.
Hij bracht bij den goeden gastheer aangename uren door.
’t Was een man van vijf en dertig jaar, met blonden baard en kleine, slimme oogen, die tegelijk heel goedig rondzagen.
Als koopman reisde hij op een schip een deel van Europa door. Nu had hij een lading zijde en andere kostbare stoffen, van Oostersche kooplui afkomstig,aan boord.
Het doel der reis was de groote koopstad Utrecht. Daar hoopte de man zijn waren met goede winst van de hand te doen.
Viermaal in het jaar werd te Utrecht groote jaarmarkt gehouden. Van alle kanten kwamen dan reizigers de stad bezoeken. Boeren en edellieden uit den omtrek, maar ook vreemdelingen, uit Frankrijk, Duitschland, Engeland, ja zelfs Russen en Noren, brachten waren, of hoopten inkoopen te doen.
In gewone tijden reeds heerschte er in de welvarende koopstad druk vertier, maar op zoo’n marktdag woelde en krioelde een dichte menigte in de straten.
En ook op de wegen, die naar Utrecht voerden, was het buitengewoon levendig.
Alewijn had daar nog weinig van gemerkt. Wel waren hem meer dan eens ruiters, voetgangers en wagens voorbijgegaan, maar op den dag, dat hij met den schipper kennis maakte, moest de groote drukte nog komen.
De koopman had een voorspoedige reis gehad en was vrij wat vroeger in de nabijheid van Utrecht gekomen, dan hij wel had durven hopen.
Zijn handelsondernemingen hadden hem rijk gemaakt en dit moedigde hem aan, telkens grooter reizen te doen. Zoo zag hij een groot deel van de wereld, zoo wist hij ook, als hij op zijn gemak zat, daar heel wat van te vertellen. Is het wonder, dat Alewijn, die nog zoo zelden een vriendelijke bejegening genoten had, recht in zijn schik was bij het gul onthaal? Maar als hij zijn erkentelijkheid wilde betuigen, legde de koopman hem met eenvriendelijkgebaar het zwijgen op.
„Het is aan mij, je te bedanken. Zonder jouw hulp was ik stellig verdronken en ik wil je wel vertellen, dat het mij veel genoegen doet, den dans ontsprongen te zijn. Als ik je dus met woorden mijn dank te kennen wilde geven, zou ik den geheelen avond werk hebben. Maar ik houd er niet van, met ijdel gezwets te schermen en doe liever wat. Komaan, ik heb je iets van mijn reizen verteld, verhaal jij me op jouw beurt, hoe je hier komt en wat je plan is.”
Toen hij echter zag, dat Alewijn wat verlegen werd en blijkbaar niet goed wist te beginnen, voegde de vriendelijke man er bij: „Als je liever zwijgt, doe je maar, of ik niets gevraagd heb. We blijven er even goede vrienden om.”
Gelukkig boezemde de koopman Alewijn genoeg vertrouwen in, om hem zijn ontvluchting en de reden er van mee te deelen. Toen de eerste verlegenheid voorbij was, begon de jongen en weldra zat ook hij druk te vertellen. Hij vond in zijn nieuwen kennis een aandachtig toehoorder. Herhaaldelijk toonde de man door een gebaar of door een uitroep, hoe hij belang stelde in de geschiedenis. En toen Alewijn zei, dat hij Utrecht wilde zien te bereiken, knikte de koopman goedkeurend:
„Ferm zoo, je hebt gelijk; dat is beter, dan je geheele leven in slavernij te zuchten.”
Intusschen was het donker geworden en daarom verzocht de gastheer zijn jongen redder, des nachts op het schip te blijven. Alewijn deed het zeer gaarne. De kennismaking scheen beiden zeer goed te bevallen.Toen de jongen den volgenden ochtend dan ook voor de gastvrijheid bedankte en afscheid wilde nemen, zei de koopman: „Hoe is het? Zou je geen lust hebben, de reis met mij te maken?”
Men kan begrijpen, hoe dankbaar Alewijn voor dit aanbod was; het leven op het schip wekte in hooge mate zijn belangstelling en de koopman behandelde hem zoo hartelijk, alsof zij al lange jaren vrienden waren geweest. Bovendien liep de jongen in het geheel geen gevaar meer, in handen van zijn vervolgers te vallen: hij voelde zich nu zoo vrij als een vogel.