ZESTIENDE HOOFDSTUK.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.ZESTIENDE HOOFDSTUK.Onverwachte uitredding.’t Was druk in Utrecht; van alle kanten hadden reizigers en kooplui en boeren in de stad gastvrijheid gezocht; voortdurend kwamen vreemdelingen aan, sommigen met schepen, velen met wagens, anderen te paard, maar ook tal van voetgangers hadden zich een lastige reis getroost, om in de beroemde handelsstad goede zaken te kunnen doen.De koopman, dien Alewijn van den dood gered had, was eveneens in Utrecht aangekomen, had zijn waren in een pakhuis gelost en bevond zich nu op de markt, waar een deel van zijn zijde en van de andere stoffen lag uitgestald. Zoo wachtte hij geduldig het oogenblik af, dat een kooper hem zou naderen.Kalm en rustig bleef hij zitten, zich verlustigende in den aanblik van het gewoel, maar tegelijk goeduitziende, of Alewijn zich ook onder de menschenmassa mocht bevinden.De goedhartige koopman toch voelde warme dankbaarheid jegens den redder van zijn leven en niets was hem meer pijnlijk, dan dat hij de gelegenheid zou missen, om zijn erkentelijkheid te toonen.Nu rekende hij er stellig op, dat de jongen in Utrecht wel zou zijn aangeland. Hij had echter in het geheel geen vermoeden van den deerniswekkenden toestand, waarin Alewijn de groote koopstad had moeten binnentreden.Toen dan ook een aanzienlijk, trotsch edelman, van een talrijk gevolg vergezeld, de markt overstak, dacht de koopman er allerminst aan, Alewijn onder dat gezelschap te zoeken.Trouwens, op dat oogenblik vergat hij den knaap geheel en al. Geen wonder: de trotsche oogen van den ridder hadden zich met onverholen belangstelling op een zijden kleed gevestigd, een kostelijken, met gouddraad gestikten mantel, die tot het edelste van de uitstalling behoorde.Geruimen tijd bleef hij staan, om het prachtstuk te bewonderen.Wat zou hij daarmee kunnen pronken op den dag, dat zijn vrienden zich voor het tournooi op zijn kasteel hadden vergaderd.Wat zouden allen hem benijden, wat zou ieder van hem spreken.In zijn gedachten zag hij zich al, zoo rijk getooid, in den grooten armstoel zitten, die de eerezetel van de groote zaal in het kasteel was.Ook ’s ridders metgezel betuigde zijn ongeveinsde bewondering, maar beiden waren het er over eens, dat zoo’n kostbaar stuk buitengewoon veel geld moest kosten. De laatste oorlog mocht groote voordeelen hebben opgeleverd, hij had niet minder schatten verslonden en zeer veel geld uitgeven zou een edelman tamelijk ongelegen komen.De koopman wachtte intusschen geduldig, vertrouwende, dat het fraai bewerkte stuk den machtigen heer wel tot koopen zou verlokken. Terwijl hij zoo achteloos zijn blik over het gevolg van den ridder liet gaan, ontdekte hij plotseling iets, dat hem bijna van groote verbazing op had doen springen. Daar stond Alewijn!Het allereerste oogenblik mocht de koopman verbaasd staan, al heel spoedig had hij de toedracht der zaak begrepen, en, vindingrijk als hij was, even gauw een besluit genomen.Want de edele man vergat niet licht genoten weldaden, en het was zijn grootste verlangen, den jongen voor zijn zelfopoffering rijk te beloonen.Plotseling schoot hem een heerlijk denkbeeld te binnen. Toen de ridder eindelijk, op hem toetredende, naar den prijs van den mantel vroeg, antwoordde hij: „Heer ridder, dit kleed is misschien het kostbaarste, dat gij op de geheele markt zult vinden. Weinig edelen, hoe rijk ook, kunnen er zich op beroemen, zulk een prachtigen mantel te bezitten. Zie slechts, hoe kunstig dit gouddraad op de zijde is gestikt. De arbeid alleen, die er voor noodig is geweest, moet met schatten betaald zijn.”Nu wachtte de koopman even, als wilde hij den edelman de gelegenheid geven, het kleed nog eens nauwkeurig te bekijken. Heer Diederik kon zijn oogen den geheelen tijd niet van het kunstwerk afhouden; eindelijk keek hij den koopman vragend aan:„En de prijs?”De koopman glimlachte even; hij was nieuwsgierig, welk gezicht de edelman zou zetten bij het antwoord, dat hij stellig niet kon verwachten.„Tegen gewoonte vraag ik geen geld; ik heb een fermen knaap noodig, om mij bij mijn zaken behulpzaam te zijn; staat gij mij toe, een van uw dienaren uit te kiezen, dan moogt gij dien fraaien mantel den uwen noemen.”Neen, zulk een antwoord had de edelman niet verwacht en eenige oogenblikken keek hij den koopman aan, als wilde hij weten, of hij zijn klanten voor den gek hield, dan wel, of hij zijn verstand niet had. Want zulk een prijs, het was immers belachelijk. Maar de handelaar zag den ridder kalm in de oogen en herhaalde op ernstigen toon zijn eisch.Toch wist heer Diederik niet, hoe hij het had, en, nauwkeuriger dan eerst, bekeek hij het kleed, als vreesde hij, dat het maar namaak zou zijn. Maar zijn zwager, die niet minder verwonderd was over den lagen prijs, verzekerde, dat men hier met geen bedrieger te doen had. Men behoefde waarlijk niet veel zijde in handen gehad te hebben, om de echtheid van deze fijne stof te herkennen.„Maar man,” riep de edelman eindelijk uit, „meen je, wat je zegt?”„Hoe zou ik het wagen, edele heer, tegen u te schertsen; het is me hooge ernst.”„Nu, als je dan volstrekt wilt, ga je gang, maar ik verzeker je, dat je je zelf te kort doet. Kies er maar een uit; of weet je wat, ik zal den besten kerel geven, dien ik bij mij heb.”Hoe gevoelig ook voor deze edelmoedigheid van den ridder, was de koopman van dit aanbod niet gediend; hij wees den dienaar, die op een wenk van den ridder naar voren was getreden, terug en sprak: „Dank u, ik zoek liever zelf.”Nog eens zeide hij ernstig: „Gij geeft mij immers verlof te kiezen?”„Natuurlijk; mijn eens gegeven woord is me heilig.”„Nu dan, vergun mij, dien knaap te nemen, dien gij als gevangene met u voert.”Dit antwoord verbaasde den edelman in hooge mate, maar het wekte niet minder zijn ergernis: „Wat, daar had ik niet op gerekend; ik gaf je verlof, een dienaar te kiezen, niet een gevangene.”„Nu dan, vergun mij dien knaap te nemen, dien gij als gevangene met u voert.”„Nu dan, vergun mij dien knaap te nemen, dien gij als gevangene met u voert.”De koopman liet zich intusschen niet uit het veld slaan. Daar hij maar al te goed gezien had, hoe groot het verlangen van den ridder naar het kleed was, sprak hij bedaard: „We zijn het dus niet eens, welnu, dan gaat de koop niet door.”„Waarom vraag je niet een flinke som geld?”„Omdat mijn mantel voor geld niet te koop is,” antwoordde de handelaar wel beleefd, maar tochzoo beslist, dat de ridder niet verder behoefde aan te dringen.Eenige oogenblikken verkeerde de edelman in tweestrijd; die mantel blonk hem zoo aanlokkelijk in de oogen.Aan den anderen kant wilde hij zoo gaarne de voldoening smaken van een ontvluchten lijfeigene geducht te straffen.Wat moest hij doen?Intusschen waren andere koopers genaderd en de handelaar hield zich met dezen bezig. De schijnbare onverschilligheid, waarvan hij blijk gaf, wond den edelman op.„Spreek,” riep heer Diederik ruw, „wat moet je voor den mantel hebben. Noem een flinken prijs alsjeblieft, maar....”„Ik blijf bij hetgeen ik gezegd heb,” was het eenvoudige antwoord.Reeds wilde heer Diederik, toornig over zulk een koppigheid, maar nog meer geërgerd, daar men hem durfde wederstreven, zich omkeeren.Nog eenmaal keek hij den heerlijken mantel aan. En nu werd de verzoeking te sterk.„Vooruit dan maar,” riep hij plotseling, tot groote verbazing van de omstanders.Dadelijk werd Alewijn van de banden bevrijd en de edelman ontving den mantel.Diep ontroerd viel de gelukkige jongen op de knieën, stamelend sprak hij zijn dank uit en tranen druppelden op des koopmans handen, toen Alewijn zich bukte, om ze te kussen.Maar de handelaar glimlachte en sprak: „Elk zijn beurt, mijn jongen. Nu ben je vrij, voor altijd.”De omstanders begrepen er niets van. Sommigen mompelden, dat het vader en zoon waren, die elkander hadden weergezien. Niemand wist het rechte, maar dat behoefde ook niet.Alewijn werd door den rijken koopman in staat gesteld, zijn ouders op te zoeken.Helaas, de reis was vergeefsch. In de buurt der abdij gekomen, vernam de jongen, dat zijn moeder gestorven, zijn vader in een vreemd land verkocht was.Niets bond hem meer aan het land zijner geboorte, waar hij zooveel ellende had geleden. Hij keerde naar den koopman terug en vergezelde hem op al zijn tochten. Van nu af begon er een nieuw leven voor Alewijn. Hij zag tal van vreemde streken; hij reisde naar alle oorden der wereld en genoot volop van de verworven vrijheid.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.ZESTIENDE HOOFDSTUK.Onverwachte uitredding.’t Was druk in Utrecht; van alle kanten hadden reizigers en kooplui en boeren in de stad gastvrijheid gezocht; voortdurend kwamen vreemdelingen aan, sommigen met schepen, velen met wagens, anderen te paard, maar ook tal van voetgangers hadden zich een lastige reis getroost, om in de beroemde handelsstad goede zaken te kunnen doen.De koopman, dien Alewijn van den dood gered had, was eveneens in Utrecht aangekomen, had zijn waren in een pakhuis gelost en bevond zich nu op de markt, waar een deel van zijn zijde en van de andere stoffen lag uitgestald. Zoo wachtte hij geduldig het oogenblik af, dat een kooper hem zou naderen.Kalm en rustig bleef hij zitten, zich verlustigende in den aanblik van het gewoel, maar tegelijk goeduitziende, of Alewijn zich ook onder de menschenmassa mocht bevinden.De goedhartige koopman toch voelde warme dankbaarheid jegens den redder van zijn leven en niets was hem meer pijnlijk, dan dat hij de gelegenheid zou missen, om zijn erkentelijkheid te toonen.Nu rekende hij er stellig op, dat de jongen in Utrecht wel zou zijn aangeland. Hij had echter in het geheel geen vermoeden van den deerniswekkenden toestand, waarin Alewijn de groote koopstad had moeten binnentreden.Toen dan ook een aanzienlijk, trotsch edelman, van een talrijk gevolg vergezeld, de markt overstak, dacht de koopman er allerminst aan, Alewijn onder dat gezelschap te zoeken.Trouwens, op dat oogenblik vergat hij den knaap geheel en al. Geen wonder: de trotsche oogen van den ridder hadden zich met onverholen belangstelling op een zijden kleed gevestigd, een kostelijken, met gouddraad gestikten mantel, die tot het edelste van de uitstalling behoorde.Geruimen tijd bleef hij staan, om het prachtstuk te bewonderen.Wat zou hij daarmee kunnen pronken op den dag, dat zijn vrienden zich voor het tournooi op zijn kasteel hadden vergaderd.Wat zouden allen hem benijden, wat zou ieder van hem spreken.In zijn gedachten zag hij zich al, zoo rijk getooid, in den grooten armstoel zitten, die de eerezetel van de groote zaal in het kasteel was.Ook ’s ridders metgezel betuigde zijn ongeveinsde bewondering, maar beiden waren het er over eens, dat zoo’n kostbaar stuk buitengewoon veel geld moest kosten. De laatste oorlog mocht groote voordeelen hebben opgeleverd, hij had niet minder schatten verslonden en zeer veel geld uitgeven zou een edelman tamelijk ongelegen komen.De koopman wachtte intusschen geduldig, vertrouwende, dat het fraai bewerkte stuk den machtigen heer wel tot koopen zou verlokken. Terwijl hij zoo achteloos zijn blik over het gevolg van den ridder liet gaan, ontdekte hij plotseling iets, dat hem bijna van groote verbazing op had doen springen. Daar stond Alewijn!Het allereerste oogenblik mocht de koopman verbaasd staan, al heel spoedig had hij de toedracht der zaak begrepen, en, vindingrijk als hij was, even gauw een besluit genomen.Want de edele man vergat niet licht genoten weldaden, en het was zijn grootste verlangen, den jongen voor zijn zelfopoffering rijk te beloonen.Plotseling schoot hem een heerlijk denkbeeld te binnen. Toen de ridder eindelijk, op hem toetredende, naar den prijs van den mantel vroeg, antwoordde hij: „Heer ridder, dit kleed is misschien het kostbaarste, dat gij op de geheele markt zult vinden. Weinig edelen, hoe rijk ook, kunnen er zich op beroemen, zulk een prachtigen mantel te bezitten. Zie slechts, hoe kunstig dit gouddraad op de zijde is gestikt. De arbeid alleen, die er voor noodig is geweest, moet met schatten betaald zijn.”Nu wachtte de koopman even, als wilde hij den edelman de gelegenheid geven, het kleed nog eens nauwkeurig te bekijken. Heer Diederik kon zijn oogen den geheelen tijd niet van het kunstwerk afhouden; eindelijk keek hij den koopman vragend aan:„En de prijs?”De koopman glimlachte even; hij was nieuwsgierig, welk gezicht de edelman zou zetten bij het antwoord, dat hij stellig niet kon verwachten.„Tegen gewoonte vraag ik geen geld; ik heb een fermen knaap noodig, om mij bij mijn zaken behulpzaam te zijn; staat gij mij toe, een van uw dienaren uit te kiezen, dan moogt gij dien fraaien mantel den uwen noemen.”Neen, zulk een antwoord had de edelman niet verwacht en eenige oogenblikken keek hij den koopman aan, als wilde hij weten, of hij zijn klanten voor den gek hield, dan wel, of hij zijn verstand niet had. Want zulk een prijs, het was immers belachelijk. Maar de handelaar zag den ridder kalm in de oogen en herhaalde op ernstigen toon zijn eisch.Toch wist heer Diederik niet, hoe hij het had, en, nauwkeuriger dan eerst, bekeek hij het kleed, als vreesde hij, dat het maar namaak zou zijn. Maar zijn zwager, die niet minder verwonderd was over den lagen prijs, verzekerde, dat men hier met geen bedrieger te doen had. Men behoefde waarlijk niet veel zijde in handen gehad te hebben, om de echtheid van deze fijne stof te herkennen.„Maar man,” riep de edelman eindelijk uit, „meen je, wat je zegt?”„Hoe zou ik het wagen, edele heer, tegen u te schertsen; het is me hooge ernst.”„Nu, als je dan volstrekt wilt, ga je gang, maar ik verzeker je, dat je je zelf te kort doet. Kies er maar een uit; of weet je wat, ik zal den besten kerel geven, dien ik bij mij heb.”Hoe gevoelig ook voor deze edelmoedigheid van den ridder, was de koopman van dit aanbod niet gediend; hij wees den dienaar, die op een wenk van den ridder naar voren was getreden, terug en sprak: „Dank u, ik zoek liever zelf.”Nog eens zeide hij ernstig: „Gij geeft mij immers verlof te kiezen?”„Natuurlijk; mijn eens gegeven woord is me heilig.”„Nu dan, vergun mij, dien knaap te nemen, dien gij als gevangene met u voert.”Dit antwoord verbaasde den edelman in hooge mate, maar het wekte niet minder zijn ergernis: „Wat, daar had ik niet op gerekend; ik gaf je verlof, een dienaar te kiezen, niet een gevangene.”„Nu dan, vergun mij dien knaap te nemen, dien gij als gevangene met u voert.”„Nu dan, vergun mij dien knaap te nemen, dien gij als gevangene met u voert.”De koopman liet zich intusschen niet uit het veld slaan. Daar hij maar al te goed gezien had, hoe groot het verlangen van den ridder naar het kleed was, sprak hij bedaard: „We zijn het dus niet eens, welnu, dan gaat de koop niet door.”„Waarom vraag je niet een flinke som geld?”„Omdat mijn mantel voor geld niet te koop is,” antwoordde de handelaar wel beleefd, maar tochzoo beslist, dat de ridder niet verder behoefde aan te dringen.Eenige oogenblikken verkeerde de edelman in tweestrijd; die mantel blonk hem zoo aanlokkelijk in de oogen.Aan den anderen kant wilde hij zoo gaarne de voldoening smaken van een ontvluchten lijfeigene geducht te straffen.Wat moest hij doen?Intusschen waren andere koopers genaderd en de handelaar hield zich met dezen bezig. De schijnbare onverschilligheid, waarvan hij blijk gaf, wond den edelman op.„Spreek,” riep heer Diederik ruw, „wat moet je voor den mantel hebben. Noem een flinken prijs alsjeblieft, maar....”„Ik blijf bij hetgeen ik gezegd heb,” was het eenvoudige antwoord.Reeds wilde heer Diederik, toornig over zulk een koppigheid, maar nog meer geërgerd, daar men hem durfde wederstreven, zich omkeeren.Nog eenmaal keek hij den heerlijken mantel aan. En nu werd de verzoeking te sterk.„Vooruit dan maar,” riep hij plotseling, tot groote verbazing van de omstanders.Dadelijk werd Alewijn van de banden bevrijd en de edelman ontving den mantel.Diep ontroerd viel de gelukkige jongen op de knieën, stamelend sprak hij zijn dank uit en tranen druppelden op des koopmans handen, toen Alewijn zich bukte, om ze te kussen.Maar de handelaar glimlachte en sprak: „Elk zijn beurt, mijn jongen. Nu ben je vrij, voor altijd.”De omstanders begrepen er niets van. Sommigen mompelden, dat het vader en zoon waren, die elkander hadden weergezien. Niemand wist het rechte, maar dat behoefde ook niet.Alewijn werd door den rijken koopman in staat gesteld, zijn ouders op te zoeken.Helaas, de reis was vergeefsch. In de buurt der abdij gekomen, vernam de jongen, dat zijn moeder gestorven, zijn vader in een vreemd land verkocht was.Niets bond hem meer aan het land zijner geboorte, waar hij zooveel ellende had geleden. Hij keerde naar den koopman terug en vergezelde hem op al zijn tochten. Van nu af begon er een nieuw leven voor Alewijn. Hij zag tal van vreemde streken; hij reisde naar alle oorden der wereld en genoot volop van de verworven vrijheid.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.ZESTIENDE HOOFDSTUK.Onverwachte uitredding.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

’t Was druk in Utrecht; van alle kanten hadden reizigers en kooplui en boeren in de stad gastvrijheid gezocht; voortdurend kwamen vreemdelingen aan, sommigen met schepen, velen met wagens, anderen te paard, maar ook tal van voetgangers hadden zich een lastige reis getroost, om in de beroemde handelsstad goede zaken te kunnen doen.De koopman, dien Alewijn van den dood gered had, was eveneens in Utrecht aangekomen, had zijn waren in een pakhuis gelost en bevond zich nu op de markt, waar een deel van zijn zijde en van de andere stoffen lag uitgestald. Zoo wachtte hij geduldig het oogenblik af, dat een kooper hem zou naderen.Kalm en rustig bleef hij zitten, zich verlustigende in den aanblik van het gewoel, maar tegelijk goeduitziende, of Alewijn zich ook onder de menschenmassa mocht bevinden.De goedhartige koopman toch voelde warme dankbaarheid jegens den redder van zijn leven en niets was hem meer pijnlijk, dan dat hij de gelegenheid zou missen, om zijn erkentelijkheid te toonen.Nu rekende hij er stellig op, dat de jongen in Utrecht wel zou zijn aangeland. Hij had echter in het geheel geen vermoeden van den deerniswekkenden toestand, waarin Alewijn de groote koopstad had moeten binnentreden.Toen dan ook een aanzienlijk, trotsch edelman, van een talrijk gevolg vergezeld, de markt overstak, dacht de koopman er allerminst aan, Alewijn onder dat gezelschap te zoeken.Trouwens, op dat oogenblik vergat hij den knaap geheel en al. Geen wonder: de trotsche oogen van den ridder hadden zich met onverholen belangstelling op een zijden kleed gevestigd, een kostelijken, met gouddraad gestikten mantel, die tot het edelste van de uitstalling behoorde.Geruimen tijd bleef hij staan, om het prachtstuk te bewonderen.Wat zou hij daarmee kunnen pronken op den dag, dat zijn vrienden zich voor het tournooi op zijn kasteel hadden vergaderd.Wat zouden allen hem benijden, wat zou ieder van hem spreken.In zijn gedachten zag hij zich al, zoo rijk getooid, in den grooten armstoel zitten, die de eerezetel van de groote zaal in het kasteel was.Ook ’s ridders metgezel betuigde zijn ongeveinsde bewondering, maar beiden waren het er over eens, dat zoo’n kostbaar stuk buitengewoon veel geld moest kosten. De laatste oorlog mocht groote voordeelen hebben opgeleverd, hij had niet minder schatten verslonden en zeer veel geld uitgeven zou een edelman tamelijk ongelegen komen.De koopman wachtte intusschen geduldig, vertrouwende, dat het fraai bewerkte stuk den machtigen heer wel tot koopen zou verlokken. Terwijl hij zoo achteloos zijn blik over het gevolg van den ridder liet gaan, ontdekte hij plotseling iets, dat hem bijna van groote verbazing op had doen springen. Daar stond Alewijn!Het allereerste oogenblik mocht de koopman verbaasd staan, al heel spoedig had hij de toedracht der zaak begrepen, en, vindingrijk als hij was, even gauw een besluit genomen.Want de edele man vergat niet licht genoten weldaden, en het was zijn grootste verlangen, den jongen voor zijn zelfopoffering rijk te beloonen.Plotseling schoot hem een heerlijk denkbeeld te binnen. Toen de ridder eindelijk, op hem toetredende, naar den prijs van den mantel vroeg, antwoordde hij: „Heer ridder, dit kleed is misschien het kostbaarste, dat gij op de geheele markt zult vinden. Weinig edelen, hoe rijk ook, kunnen er zich op beroemen, zulk een prachtigen mantel te bezitten. Zie slechts, hoe kunstig dit gouddraad op de zijde is gestikt. De arbeid alleen, die er voor noodig is geweest, moet met schatten betaald zijn.”Nu wachtte de koopman even, als wilde hij den edelman de gelegenheid geven, het kleed nog eens nauwkeurig te bekijken. Heer Diederik kon zijn oogen den geheelen tijd niet van het kunstwerk afhouden; eindelijk keek hij den koopman vragend aan:„En de prijs?”De koopman glimlachte even; hij was nieuwsgierig, welk gezicht de edelman zou zetten bij het antwoord, dat hij stellig niet kon verwachten.„Tegen gewoonte vraag ik geen geld; ik heb een fermen knaap noodig, om mij bij mijn zaken behulpzaam te zijn; staat gij mij toe, een van uw dienaren uit te kiezen, dan moogt gij dien fraaien mantel den uwen noemen.”Neen, zulk een antwoord had de edelman niet verwacht en eenige oogenblikken keek hij den koopman aan, als wilde hij weten, of hij zijn klanten voor den gek hield, dan wel, of hij zijn verstand niet had. Want zulk een prijs, het was immers belachelijk. Maar de handelaar zag den ridder kalm in de oogen en herhaalde op ernstigen toon zijn eisch.Toch wist heer Diederik niet, hoe hij het had, en, nauwkeuriger dan eerst, bekeek hij het kleed, als vreesde hij, dat het maar namaak zou zijn. Maar zijn zwager, die niet minder verwonderd was over den lagen prijs, verzekerde, dat men hier met geen bedrieger te doen had. Men behoefde waarlijk niet veel zijde in handen gehad te hebben, om de echtheid van deze fijne stof te herkennen.„Maar man,” riep de edelman eindelijk uit, „meen je, wat je zegt?”„Hoe zou ik het wagen, edele heer, tegen u te schertsen; het is me hooge ernst.”„Nu, als je dan volstrekt wilt, ga je gang, maar ik verzeker je, dat je je zelf te kort doet. Kies er maar een uit; of weet je wat, ik zal den besten kerel geven, dien ik bij mij heb.”Hoe gevoelig ook voor deze edelmoedigheid van den ridder, was de koopman van dit aanbod niet gediend; hij wees den dienaar, die op een wenk van den ridder naar voren was getreden, terug en sprak: „Dank u, ik zoek liever zelf.”Nog eens zeide hij ernstig: „Gij geeft mij immers verlof te kiezen?”„Natuurlijk; mijn eens gegeven woord is me heilig.”„Nu dan, vergun mij, dien knaap te nemen, dien gij als gevangene met u voert.”Dit antwoord verbaasde den edelman in hooge mate, maar het wekte niet minder zijn ergernis: „Wat, daar had ik niet op gerekend; ik gaf je verlof, een dienaar te kiezen, niet een gevangene.”„Nu dan, vergun mij dien knaap te nemen, dien gij als gevangene met u voert.”„Nu dan, vergun mij dien knaap te nemen, dien gij als gevangene met u voert.”De koopman liet zich intusschen niet uit het veld slaan. Daar hij maar al te goed gezien had, hoe groot het verlangen van den ridder naar het kleed was, sprak hij bedaard: „We zijn het dus niet eens, welnu, dan gaat de koop niet door.”„Waarom vraag je niet een flinke som geld?”„Omdat mijn mantel voor geld niet te koop is,” antwoordde de handelaar wel beleefd, maar tochzoo beslist, dat de ridder niet verder behoefde aan te dringen.Eenige oogenblikken verkeerde de edelman in tweestrijd; die mantel blonk hem zoo aanlokkelijk in de oogen.Aan den anderen kant wilde hij zoo gaarne de voldoening smaken van een ontvluchten lijfeigene geducht te straffen.Wat moest hij doen?Intusschen waren andere koopers genaderd en de handelaar hield zich met dezen bezig. De schijnbare onverschilligheid, waarvan hij blijk gaf, wond den edelman op.„Spreek,” riep heer Diederik ruw, „wat moet je voor den mantel hebben. Noem een flinken prijs alsjeblieft, maar....”„Ik blijf bij hetgeen ik gezegd heb,” was het eenvoudige antwoord.Reeds wilde heer Diederik, toornig over zulk een koppigheid, maar nog meer geërgerd, daar men hem durfde wederstreven, zich omkeeren.Nog eenmaal keek hij den heerlijken mantel aan. En nu werd de verzoeking te sterk.„Vooruit dan maar,” riep hij plotseling, tot groote verbazing van de omstanders.Dadelijk werd Alewijn van de banden bevrijd en de edelman ontving den mantel.Diep ontroerd viel de gelukkige jongen op de knieën, stamelend sprak hij zijn dank uit en tranen druppelden op des koopmans handen, toen Alewijn zich bukte, om ze te kussen.Maar de handelaar glimlachte en sprak: „Elk zijn beurt, mijn jongen. Nu ben je vrij, voor altijd.”De omstanders begrepen er niets van. Sommigen mompelden, dat het vader en zoon waren, die elkander hadden weergezien. Niemand wist het rechte, maar dat behoefde ook niet.Alewijn werd door den rijken koopman in staat gesteld, zijn ouders op te zoeken.Helaas, de reis was vergeefsch. In de buurt der abdij gekomen, vernam de jongen, dat zijn moeder gestorven, zijn vader in een vreemd land verkocht was.Niets bond hem meer aan het land zijner geboorte, waar hij zooveel ellende had geleden. Hij keerde naar den koopman terug en vergezelde hem op al zijn tochten. Van nu af begon er een nieuw leven voor Alewijn. Hij zag tal van vreemde streken; hij reisde naar alle oorden der wereld en genoot volop van de verworven vrijheid.

’t Was druk in Utrecht; van alle kanten hadden reizigers en kooplui en boeren in de stad gastvrijheid gezocht; voortdurend kwamen vreemdelingen aan, sommigen met schepen, velen met wagens, anderen te paard, maar ook tal van voetgangers hadden zich een lastige reis getroost, om in de beroemde handelsstad goede zaken te kunnen doen.

De koopman, dien Alewijn van den dood gered had, was eveneens in Utrecht aangekomen, had zijn waren in een pakhuis gelost en bevond zich nu op de markt, waar een deel van zijn zijde en van de andere stoffen lag uitgestald. Zoo wachtte hij geduldig het oogenblik af, dat een kooper hem zou naderen.

Kalm en rustig bleef hij zitten, zich verlustigende in den aanblik van het gewoel, maar tegelijk goeduitziende, of Alewijn zich ook onder de menschenmassa mocht bevinden.

De goedhartige koopman toch voelde warme dankbaarheid jegens den redder van zijn leven en niets was hem meer pijnlijk, dan dat hij de gelegenheid zou missen, om zijn erkentelijkheid te toonen.

Nu rekende hij er stellig op, dat de jongen in Utrecht wel zou zijn aangeland. Hij had echter in het geheel geen vermoeden van den deerniswekkenden toestand, waarin Alewijn de groote koopstad had moeten binnentreden.

Toen dan ook een aanzienlijk, trotsch edelman, van een talrijk gevolg vergezeld, de markt overstak, dacht de koopman er allerminst aan, Alewijn onder dat gezelschap te zoeken.

Trouwens, op dat oogenblik vergat hij den knaap geheel en al. Geen wonder: de trotsche oogen van den ridder hadden zich met onverholen belangstelling op een zijden kleed gevestigd, een kostelijken, met gouddraad gestikten mantel, die tot het edelste van de uitstalling behoorde.

Geruimen tijd bleef hij staan, om het prachtstuk te bewonderen.

Wat zou hij daarmee kunnen pronken op den dag, dat zijn vrienden zich voor het tournooi op zijn kasteel hadden vergaderd.

Wat zouden allen hem benijden, wat zou ieder van hem spreken.

In zijn gedachten zag hij zich al, zoo rijk getooid, in den grooten armstoel zitten, die de eerezetel van de groote zaal in het kasteel was.

Ook ’s ridders metgezel betuigde zijn ongeveinsde bewondering, maar beiden waren het er over eens, dat zoo’n kostbaar stuk buitengewoon veel geld moest kosten. De laatste oorlog mocht groote voordeelen hebben opgeleverd, hij had niet minder schatten verslonden en zeer veel geld uitgeven zou een edelman tamelijk ongelegen komen.

De koopman wachtte intusschen geduldig, vertrouwende, dat het fraai bewerkte stuk den machtigen heer wel tot koopen zou verlokken. Terwijl hij zoo achteloos zijn blik over het gevolg van den ridder liet gaan, ontdekte hij plotseling iets, dat hem bijna van groote verbazing op had doen springen. Daar stond Alewijn!

Het allereerste oogenblik mocht de koopman verbaasd staan, al heel spoedig had hij de toedracht der zaak begrepen, en, vindingrijk als hij was, even gauw een besluit genomen.

Want de edele man vergat niet licht genoten weldaden, en het was zijn grootste verlangen, den jongen voor zijn zelfopoffering rijk te beloonen.

Plotseling schoot hem een heerlijk denkbeeld te binnen. Toen de ridder eindelijk, op hem toetredende, naar den prijs van den mantel vroeg, antwoordde hij: „Heer ridder, dit kleed is misschien het kostbaarste, dat gij op de geheele markt zult vinden. Weinig edelen, hoe rijk ook, kunnen er zich op beroemen, zulk een prachtigen mantel te bezitten. Zie slechts, hoe kunstig dit gouddraad op de zijde is gestikt. De arbeid alleen, die er voor noodig is geweest, moet met schatten betaald zijn.”

Nu wachtte de koopman even, als wilde hij den edelman de gelegenheid geven, het kleed nog eens nauwkeurig te bekijken. Heer Diederik kon zijn oogen den geheelen tijd niet van het kunstwerk afhouden; eindelijk keek hij den koopman vragend aan:

„En de prijs?”

De koopman glimlachte even; hij was nieuwsgierig, welk gezicht de edelman zou zetten bij het antwoord, dat hij stellig niet kon verwachten.

„Tegen gewoonte vraag ik geen geld; ik heb een fermen knaap noodig, om mij bij mijn zaken behulpzaam te zijn; staat gij mij toe, een van uw dienaren uit te kiezen, dan moogt gij dien fraaien mantel den uwen noemen.”

Neen, zulk een antwoord had de edelman niet verwacht en eenige oogenblikken keek hij den koopman aan, als wilde hij weten, of hij zijn klanten voor den gek hield, dan wel, of hij zijn verstand niet had. Want zulk een prijs, het was immers belachelijk. Maar de handelaar zag den ridder kalm in de oogen en herhaalde op ernstigen toon zijn eisch.

Toch wist heer Diederik niet, hoe hij het had, en, nauwkeuriger dan eerst, bekeek hij het kleed, als vreesde hij, dat het maar namaak zou zijn. Maar zijn zwager, die niet minder verwonderd was over den lagen prijs, verzekerde, dat men hier met geen bedrieger te doen had. Men behoefde waarlijk niet veel zijde in handen gehad te hebben, om de echtheid van deze fijne stof te herkennen.

„Maar man,” riep de edelman eindelijk uit, „meen je, wat je zegt?”

„Hoe zou ik het wagen, edele heer, tegen u te schertsen; het is me hooge ernst.”

„Nu, als je dan volstrekt wilt, ga je gang, maar ik verzeker je, dat je je zelf te kort doet. Kies er maar een uit; of weet je wat, ik zal den besten kerel geven, dien ik bij mij heb.”

Hoe gevoelig ook voor deze edelmoedigheid van den ridder, was de koopman van dit aanbod niet gediend; hij wees den dienaar, die op een wenk van den ridder naar voren was getreden, terug en sprak: „Dank u, ik zoek liever zelf.”

Nog eens zeide hij ernstig: „Gij geeft mij immers verlof te kiezen?”

„Natuurlijk; mijn eens gegeven woord is me heilig.”

„Nu dan, vergun mij, dien knaap te nemen, dien gij als gevangene met u voert.”

Dit antwoord verbaasde den edelman in hooge mate, maar het wekte niet minder zijn ergernis: „Wat, daar had ik niet op gerekend; ik gaf je verlof, een dienaar te kiezen, niet een gevangene.”

„Nu dan, vergun mij dien knaap te nemen, dien gij als gevangene met u voert.”„Nu dan, vergun mij dien knaap te nemen, dien gij als gevangene met u voert.”

„Nu dan, vergun mij dien knaap te nemen, dien gij als gevangene met u voert.”

De koopman liet zich intusschen niet uit het veld slaan. Daar hij maar al te goed gezien had, hoe groot het verlangen van den ridder naar het kleed was, sprak hij bedaard: „We zijn het dus niet eens, welnu, dan gaat de koop niet door.”

„Waarom vraag je niet een flinke som geld?”

„Omdat mijn mantel voor geld niet te koop is,” antwoordde de handelaar wel beleefd, maar tochzoo beslist, dat de ridder niet verder behoefde aan te dringen.

Eenige oogenblikken verkeerde de edelman in tweestrijd; die mantel blonk hem zoo aanlokkelijk in de oogen.

Aan den anderen kant wilde hij zoo gaarne de voldoening smaken van een ontvluchten lijfeigene geducht te straffen.

Wat moest hij doen?

Intusschen waren andere koopers genaderd en de handelaar hield zich met dezen bezig. De schijnbare onverschilligheid, waarvan hij blijk gaf, wond den edelman op.

„Spreek,” riep heer Diederik ruw, „wat moet je voor den mantel hebben. Noem een flinken prijs alsjeblieft, maar....”

„Ik blijf bij hetgeen ik gezegd heb,” was het eenvoudige antwoord.

Reeds wilde heer Diederik, toornig over zulk een koppigheid, maar nog meer geërgerd, daar men hem durfde wederstreven, zich omkeeren.

Nog eenmaal keek hij den heerlijken mantel aan. En nu werd de verzoeking te sterk.

„Vooruit dan maar,” riep hij plotseling, tot groote verbazing van de omstanders.

Dadelijk werd Alewijn van de banden bevrijd en de edelman ontving den mantel.

Diep ontroerd viel de gelukkige jongen op de knieën, stamelend sprak hij zijn dank uit en tranen druppelden op des koopmans handen, toen Alewijn zich bukte, om ze te kussen.

Maar de handelaar glimlachte en sprak: „Elk zijn beurt, mijn jongen. Nu ben je vrij, voor altijd.”

De omstanders begrepen er niets van. Sommigen mompelden, dat het vader en zoon waren, die elkander hadden weergezien. Niemand wist het rechte, maar dat behoefde ook niet.

Alewijn werd door den rijken koopman in staat gesteld, zijn ouders op te zoeken.

Helaas, de reis was vergeefsch. In de buurt der abdij gekomen, vernam de jongen, dat zijn moeder gestorven, zijn vader in een vreemd land verkocht was.

Niets bond hem meer aan het land zijner geboorte, waar hij zooveel ellende had geleden. Hij keerde naar den koopman terug en vergezelde hem op al zijn tochten. Van nu af begon er een nieuw leven voor Alewijn. Hij zag tal van vreemde streken; hij reisde naar alle oorden der wereld en genoot volop van de verworven vrijheid.


Back to IndexNext