[3]Vooral niet te verwarren met Issus blz.61.
[3]Vooral niet te verwarren met Issus blz.61.
1. De stadRomeontstond in Latium, midden in het schoone schiereiland Italië, als noordelijkste stad in dat landschap en misschien ook wel als vesting tegen de naburige Etruriërs. Het tijdstip van de stichting der stad is hoogst onzeker, maar was volgens de legende 753 v. C., met welk jaar hunne tijdrekening aanvangt. Als stichter en eersten koning wordt eveneens door de legendeRomulusgenoemd, van wien vele sagen in omloop waren. Hij zou evenals Kores door een herder van dendood gered zijn en met zijn broeder Remus een koning verdreven hebben en dergelijke. Van zijne opvolgers wordtNuma Pompiliusgeroemd, die evenals de Spartaansche Lycurgus wijze wetten gegeven had. De koningen werden gekozen door eene volksvergadering van aanzienlijken,patriciërs. Behalve dezen spreekt de overlevering nog van vijf koningen, waarvan de beide laatsten warenServius TulliusenTarquinius Superbusd. i. de overmoedige of trotsche. Eerstgenoemde verdeelde het volk in centuriën, waaruit later eene nieuwe volksvergadering ontstond, laatstgenoemde maakte zich wreed en willekeurig van den troon meester, en verbitterde de patriciërs tegen zich. Het gevolg was, dat dezen hem verdreven 509. Daarop werd het koningschap afgeschaft, en een republiek ingesteld. De vergadering der centuriën werd de zetel van ’t hoogste gezag; daar werd over oorlog en vrede, evenals over hooge aangelegenheden, beslist; daar werden uit de patriciërs deconsulsbenoemd. Dit waren de hoogste staatsambtenaren, ten getale van twee, voor één jaar gekozen. Zij werden bijgestaan door eene raadgevende vergadering, desenaat, van 300 patricische leden, die ook aandeel aan ’t uitvoerend bewind had. Was b. v. door de vergadering der centuriën tot oorlog besloten, dan regelde de senaat het plan voor den veldtocht, benoemde de officieren van hoogeren en lageren rang, en dergelijke. In den eersten tijd had de lagere volksklasse, deplebejers, geen aandeel aan ’t bewind. Eerst langzamerhand hebben zij zich gelijke rechten als de patriciërs verworven. Het eerste daarvan was verdedigers, volkstribunen, te hebben — 494, een der belangrijkste, dat een der beide consuls uit hunne klasse moest zijn — 367, en het meest omvattende, dat debesluiten hunner vergadering kracht van wet hadden, zonder nadere bekrachtiging te behoeven, 287.
De Romeinen waren zeer krijgshaftig gezind en streden van ’t begin af met de omwonende volken. In vredestijden dreven zij den veldbouw, die hoog geschat werd. Hun voedsel en kleeding waren zeer eenvoudig. Hunne taal heet deLatijnsche, naar het landschap Latium, waar de Latijnen woonden. De Romeinsche opvoeding was zeer streng. De vader had macht over leven en dood zijner kinderen, en kon ze als slaven verkoopen. De slavernij was bij de Romeinen zeer hard en zeer algemeen. Het beroepswezen was veracht. DeRomeinenstonden derhalve bij deGriekenzeer ten achter. Ook duurde het lang, eer zich bij hen de dichtkunst en de godsdienst ontwikkelde. Bij de openbare schouwspelen werden dikwijls dierenjachten opgevoerd, die afschuwelijk waren.
2. Van de overige volken van midden-Italië traden vooral de Etruriërs ofEtruscenop den voorgrond. Zij onderscheidden zich door kunstvaardigheid, daar zij eigenaardige bouw- en beeldwerken vervaardigden, vooral in leem, die nog heden de bewondering opwekken. De zuidelijkste stad in hun uitgestrekt landschap was Veji, dat aan den rechteroever van den Tiber lag. Daar de Romeinen sedert oude tijden met deze stad in vijandschap leefden, belegerden zij haar omstreeks 400, en rustten niet vóór zij ze veroverden. In dezen strijd, die 10 jaar zou geduurd hebben, onderscheidde zich de veldheer Camillus, die een grooten triomftocht in Rome hield. Maar toen hij belasterd werd en de volksgunst verloor, ging hij vrijwilligin ballingschap, waaruit hij echter spoedig teruggeroepen werd.
DeGalliërs, uit het tegenwoordige Frankrijk stammend, hadden zich in opper-Italië gevestigd, van waar zij later naar het zuiden voortdrongen en algemeenen schrik verwekten. De Romeinen zonden daarop een gezantschap aan den Gallischen aanvoerderBrennus, en lieten hem vragen, met welk recht hij in ’t gebied van vrije mannen viel. Toen antwoordde de trotsche man: „Het recht rust op de spits van onze zwaarden; aan de dapperen behoort de wereld.” Over zoodanig antwoord verontrust, verhieven de Romeinen zich tot den strijd. Zij werden echter geslagen, 390, en de Galliërs togen naar Rome. Hier vonden zij eene ledige stad, want de Romeinen waren deels in naburige plaatsen, deels op den burg der stad, het kapitool, gevloden. Slechts tachtig oude senatoren waren achtergebleven. Dezen werden door de Galliërs verslagen en de geheele stad verwoest.
Na eene vergeefsche bestorming van het kapitool liet Brennus het insluiten om het uit te hongeren. Gedurende dezen tijd zouden de Galliërs eens bijna den burg bestegen hebben. Maar toen hieven, zoo verhaalt men, de ganzen, die op het kapitool gehouden werden ter eere der godin Juno, zulk een gesnater aan, dat de Romeinen ontwaakten en de vijanden verdreven. Nadat de belegering reeds zeven maanden geduurd had, begon men te onderhandelen. De Galliërs waren daartoe genegen, omdat zij van buiten aangevallen werden, vooral door Camillus, die zijne vaderstad weêr in den nood bijstond. Brennus beloofde, het land te ontruimen, als hij 1000 pond goud kreeg. Het werd bewilligd. Bij het afwegen gebruikten de Galliërs echter valsche gewichten, en toende Romeinen zich daarover beklaagden, wierp Brennus nog zijn geducht zwaard in de schaal en riep honend: „Wee den overwonnelingen!” In dit oogenblik verscheen echter Camillus met zijn leger, verklaarde echter het verdrag met Brennus voor ongeldig, en begon een strijd, waarbij de Galliërs geslagen werden.
Toen de Romeinen hunne oude stad niet weêr wilden opbouwen, drong Camillus er op aan, dat niemand zou uitwijken, en zoo verrees spoedig een nieuw Rome uit het puin, als een phoenix uit zijn asch. De dankbare Romeinen noemden Camillus den tweeden Romulus, den redder en vader des vaderlands.
1. Nog hadden de Romeinen een geduchten nabuur te bestrijden, deSamnieten, in Samnium, oostelijk van Etrurië. In den tweeden oorlog tegen hen leden zij eene even geduchte nederlaag als de Galliërs hun 70 jaar vroeger hadden toegebracht; het Romeinsche leger moest de vernedering lijden van onder ’t vijandelijk juk door te gaan. Maar weldra herstelde zich Rome en 30 jaar later was Samnium geheel onderworpen, en daarmeê geheel Midden-Italië. Nu richtten zij hunne blikken begeerig naar Beneden-Italië of Groot-Griekenland, waar zich spoedig eene gelegenheid tot strijden aanbood. De machtige stad Tarente had Romeinsche schepen den toegang tot haar haven geweigerd, wat zeer gegrond was. Toen nu de Romeinen, die strijd zochten, den oorlog begonnen, riepen de TarentijnenPyrrhus, koning vanEpirus, bij Macedonië, te hulp. Dezevorst had zich Alexander tot voorbeeld gesteld en was een voortreffelijk veldheer met een wel toegerust leger. Hij hielp de bevriende Grieken gaarne en verscheen ras met 25000 man, waarbij nog 20 afgerichte olifanten kwamen, die houten torentjes met soldaten droegen en zelf geducht streden. De Romeinen wisten geen middel om deze dieren te bestrijden, waarop zij volstrekt niet voorbereid waren. Zij werden geslagen 280, maar hadden zoo dapper gestreden, dat Pyrrhus vol bewondering uitriep: „Met zulke soldaten zou ik de geheele wereld veroveren”.
2. Om de gevangenen te bevrijden, zonden de Romeinen den ouden, eerwaardigen senator Fabricius naar Pyrrhus. Daar de koning wist, hoe groot het aanzien van den bescheiden, maar niet rijken, man was, zocht hij hem te winnen om door hem den vrede te bewerken, dien hij dringend wenschte. Hij bood hem als teeken zijner hoogachting rijke geschenken aan, maar te vergeefs. Fabricius verklaarde: „Ik behoef geen geld. Mijn geluk bestaat in de achting mijner medeburgers.” Den volgenden morgen wilde de koning de onverschrokkenheid van Fabricius op de proef stellen. Hij liet achter het gordijn zijner tent een olifant plaatsen, en zorgde, dat Fabricius vlak daarvóór zat. Toen het gesprek afgeloopen was, vloog het gordijn in de hoogte, en de olifant strekte brullend zijn snuit over Fabricius uit. Deze bleef echter heel rustig en zeide lachend tot Pyrrhus: „Even weinig als gisteren uw geld mij bekoorde, even weinig verschrikt mij heden uw olifant. Wij zullen niet over den vrede onderhandelen, vóór gij Italië ontruimd hebt.”
In het volgende jaar kwam het nogmaals tot een treffen,waarbij de Romeinen weêr het onderspit dolven, maar Pyrrhus zooveel man verloor, dat hij zou hebben uitgeroepen: „Nog één zoodanige zegepraal, en ik ben verloren.” Nu kreeg Fabricius het opperbevel bij de Romeinen, en betoonde zich op nieuw als een man van eer. Hij kreeg een brief van Pyrrhus’ lijfarts, waarin deze aanbood tegen eene belooning zijn koning te vergiftigen en zoo de Romeinen van hun gevaarlijksten vijand te bevrijden. Fabricius zond den brief aan Pyrrhus, opdat deze tegen het verraad van zijn arts op zijne hoede zou kunnen zijn. Toen riep de koning: „Het is lichter de zon uit hare baan, dan Fabricius van het pad van deugd en rechtschapenheid af te brengen.” Hij liet daarop den trouweloozen arts straffen en gaf uit dankbaarheid alle gevangene Romeinen zonder losgeld terug, terwijl hij bij herhaling den vrede aanbood. Maar de Romeinen zonden voor de uitgeleverde gevangenen even zoo veel Grieken terug en lieten zich tot geene vredesonderhandeling in.
Daarop trok Pyrrhus naar Sicilië, waar hij met geluk tegen de Karthagers streed. Naar Beneden-Italië teruggekeerd, raakte hij nogmaals met de Romeinen slaags, die hem nu overwonnen. Zij hadden namelijk bedacht, de olifanten van Pyrrhus door pektoortsen en geschreeuw in verwarring te brengen, en dat was voor het leger der Grieken verderfelijk. Pyrrhus ijlde naar Epirus terug, en de Romeinen bezetten Tarente en geheel Groot-Griekenland, dus het gansche schiereiland. Dit feit was voor de Romeinsche ontwikkeling van zeer veel belang. De kostbare kunstwerken, die men uit de veroverde steden naar Rome bracht, dienden tot vormende modellen. De krijgshaftige Romeinen leerden nu Grieksche beschaving en zeden kennen.
1. De rijkdom en macht van Karthago (blz.25en26) maakte de ijverzucht der Romeinen gaande, welke spoedig tot den krijg leidde. Daar de Romeinen deze hunne vijanden Puniërs, d. i. Phoeniciërs noemden, worden hunne oorlogen met de Karthagers als dePunischeaangeduid. Nog nooit hadden de Romeinen anders dan te land gestreden, maar naar ’t model van een gestrand Karthaagsch schip worden schepen gebouwd, door middel van enterbruggen de zeestrijd als in een landoorlog veranderd, ’t grootste gedeelte van ’t Karthaagsch gebied op Sicilië veroverd, en de eerste overwinning ter zee behaald 260. Nu wil de consulRegulusden vijand in diens eigen gebied bestoken, maar wordt geslagen en gevangen. Sedert blijft de strijd weêr beperkt tot de zee en Sicilië, waar de Karthagers nog een paar onneembare vestingen hadden. Maar de vredespartij in Karthago stond ook deze liever af dan den strijd voort te zetten. In 240 eindigde de eerste Punische oorlog; de Karthagers ontruimden hun gebied op Sicilië, dat het eerste Romeinsche wingewest (provincie) wordt. Weldra verkrijgt Rome nu ook Sardinië, Corsica, Illyrië gedeeltelijk en Cisalpijnsch Gallië. Maar ook Karthago zat niet stil; daar had eene andere partij dan de bovengenoemde doorgezet schadevergoeding te zoeken in Spanje, waar dan ook Hamilcar Barcas veel meer dan de helft van het land veroverde. Zijn zoonHannibalhad hij reeds als knaap meêgenomen naar Spanje en een eeuwigen haat tegen de Romeinen doen zweren. En zeker is nooit eenige eed ter wereld trouwer nagekomen dan deze.Toen de zoon, eenigen tijd na ’s vaders dood, het opperbevel kreeg, tastte hij opzettelijk het met de Romeinen bevriende Saguntum (blz.32) aan, en gelijk enkelen waarschuwden, terwijl de senaat beraadslaagde, ging het verloren.
2. Nu eischte Rome van Karthago de uitlevering van Hannibal, en toen hieraan niet werd voldaan, wilde men hem in Spanje gaan beoorlogen en stak daartoe over zee. Hij wachtte hen echter niet af, maar waagde den stouten tocht over de Pyreneën, door Zuid-oost-Gallië en over de Alpen. Geen wonder dat men den tweeden Punischen krijg naar hem den Hannibalsoorlog (218-201) noemt. De Romeinen konden en wilden niet gelooven, dat een tocht van Hannibal over de Alpen mogelijk geweest was. Zij zagen het echter spoedig en rustten zich toe zoo goed zij konden. Hannibal had zich door een bondgenootschap met de Galliërs in Opper-Italië versterkt en sloeg de Romeinsche legers driemaal achter elkander, steeds dieper in Italië doordringend. Toen vreesde Rome, dat Hannibal voor de poorten zou verschijnen en de stad belegeren. Maar hij trok Rome voorbij naar Apulië, en bracht daar den Romeinen bij Cannae weêr zulk eene hevige nederlaag toe, als zij nog maar tweemaal, laatstelijk ruim een eeuw geleden, ondergaan hadden. Een groot deel van Zuid-Italië, Macedonië en Syracuse werden zijne bondgenooten.
Maar uit Karthago kreeg hij geen troepen en krijgsvoorraad genoeg, dat was te kostbaar voor de vredespartij, en zijne oude troepen verslapten door een te weelderig leven. Rome daarentegen spande zijne beste krachten in en waagde een stouten slag. Terwijl zijMacedonië door de Grieken lieten bezig houden, vermeden zij beslissende slagen in Zuid-Italië, en gingen Syracuse zelf belegeren. Zij besteedden daaraan 3 jaren. In die stad leefde de beroemde wiskundige Archimedes, die de verdediging tegen de Romeinen krachtig ondersteunde, daar hij machines vervaardigde, waardoor steenen en vuurkogels geslingerd werden en dergelijke. Maar de dapperste verdediging hielp de stad niet; zij moest zich eindelijk overgeven. De Romeinsche veldheer had bevolen, bij de bestorming van Syracuse, den wijzen Archimedes te sparen. Deze zat, onbekommerd om hetgeen er om hem voorviel, in zijn huis, en teekende figuren tot nieuwe uitvindingen in het zand. Toen drong een Romeinsch soldaat binnen, die den grooten man niet kende. „O, veeg mijne cirkels niet uit!” riep Archimedes den krijgsman toe. Maar deze versloeg hem.
3. Na den val der stad hadden de Romeinen geheel Sicilië in handen, en konden nu hunne volle kracht tegen Karthago zelf richten. Reeds waren zij het in Spanje gaan bestrijden, en van nu af werd dit doorScipiomet zoo goed gevolg voortgezet, dat weldra bijna dat gansche schiereiland tot Romeinsche provincie (wingewest) werd. Hannibals jongere broeder, die daar als bevelhebber was gebleven, had op zijn broeders roepstem diens voetspoor gevolgd om hem in Zuid-Italië te gaan bijstaan, maar was onderweg door de Romeinen geslagen en met zijn leger vernield. Toen Hannibal dit vernam en het doodshoofd van zijn broeder aanschouwde, riep hij weenend uit: „Wee, nu zie ik het lot van Karthago naderen!”
En het naderde inderdaad, snel en zeker. Want de Romeinsche senaat had Scipio, wiens taak in Spanje zoo schitterend voltooid was, tot proconsul van Sicilië benoemd. En deze bestond op nieuw, wat een halve eeuw te voren aan Regulus mislukt was, den oorlog naar Afrika over te brengen, en dat, terwijl Hannibal nog in Zuid-Italië gelegerd was. Te laat zagen de Karthagers hunne tweede groote fout in, die van dezen grooten man niet naar behooren gesteund te hebben. Men zocht hem aan tot de leiding der verdediging van het vaderland, voor welks belang hij 36 jaar buiten af, de laatste 16 in Italië gekampt had, te weinig gesteund. En hij verloochende de liefde voor Karthago, den haat tegen Rome niet. Bij Zama, vijf dagreizen van Karthago, stiet hij op het Romeinsche leger. De groote beteekenis daarvan werd door Hannibal dadelijk begrepen, zoodat hij besloot, met Scipio te onderhandelen. Op een heuvel tusschen de beide legerplaatsen ontmoetten elkaâr de beide grootste veldheeren van hun tijd. Eene wijl stonden zij zwijgend tegenover elkander, Scipio in den bloei des levens en in den zonneglans van het geluk, Hannibal reeds verouderend en door tegenspoed ter neêr gedrukt. Toen ried Hannibal tot den vrede, terwijl hij zijn tegenstander aan de mogelijke wisseling van het geluk herinnerde, en bood hem als prijs van den vrede den afstand van Spanje en alle eilanden in de Middellandsche zee. Scipio echter eischte in het trotsche voorgevoel der zege onvoorwaardelijke onderwerping. Toen brak Hannibal de onderhandeling af en de strijd begon, die het lot van Karthago besliste. De Romeinen overwonnen en stelden harde vredesvoorwaarden: Karthago verloor alle bezittingen buiten Afrika, het moest alle schepen op tien na uitleveren, beloven geen oorlog te voeren zonder toestemmingder Romeinen, en eene groote som als vergoeding van oorlogskosten betalen, in 50 termijnen van even zooveel jaren. Hoeveel gemakkelijker dit nu ook is dan eene groote som in eens af te doen, het is voor een staat des te meer vernederend, want door de verplichting dier jaarlijksche bijdrage gedurende een halve eeuw werd Karthago als ’t ware cijnsbaar aan Rome, welks wereldheerschappij in ’t westen reeds nu gevestigd was. 200.
4. De diepe vernedering van Karthago deed Hannibal niet inslapen. Hij bevorderde door uitmuntende verordeningen de welvaart zijner vaderstad en werkte ook naar buiten, daar hij den Romeinen in den Syrischen (blz.65en66) koning Antiochus III den Grooten een machtigen vijand verwekte. Toen dit den Romeinen bekend werd, eischten zij van de Karthagers de uitlevering van Hannibal, en dezen bleef niets over, dan zijn vaderland te verlaten. Hij begaf zich naar Antiochus, die echter ook door de Romeinen overwonnen werd (190), en Hannibal moest naar Klein-Azië vluchten. Maar ook daar vonden hem zijne onverzoenlijke vijanden. Toen Hannibal zag, dat hij niet meer ontvluchten kon, nam hij vergif, dat hij reeds lang bij zich gedragen had, en stierf in den leeftijd van 64 jaren. Zoo was het uiteinde van een der grootste veldheeren der oudheid. Gelijk de Romeinen op Syrië overwonnen, zoo straften zij ook Macedonië voor zijn verbond met Hannibal na den slag bij Cannae (blz.74). Herhaaldelijk geslagen, kwam het land eerst onder Romeinschen invloed, en werd vervolgens, evenals Illyrië en Epirus, als wingewest ingelijfd.
5. Even vóórdat dit voltooid was, had men den derden Punischen oorlog aangevangen (149). Want de Romeinen vreesden Karthago, ook na zijn diepen val. Een oud raadsheer, Cato, sloot elke rede die hij in den senaat hield, met de woorden: „Overigens ben ik van meening, dat Karthago moet verwoest worden.” Daar de wensch van Cato ook het verlangen der Romeinen was, liet zich een voorwendsel tot den oorlog licht vinden. Men handelde met afschuwelijke arglist. De Karthagers moesten eerst wegens een teruggeslagen aanval van roofzieke naburen 300 voorname jongelingen uitleveren. Daarop verlangde men alle schepen, wapens en krijgsgereedschap. Toen ook dit met weemoed was toegestaan, gaf men den Karthagers bevel, hunne stad te verlaten, deze te verwoesten en zich eenige mijlen van de kust nieuwe hutten te bouwen. Ontzettende eisch! De Karthagers geraakten in woede en vertwijfeling en zwoeren zich liever met hunne stad te laten begraven, dan zelf haar te vernietigen. Zij ontwikkelden een ijver, als nauwelijks ooit gezien was. — Een klein deel daarvan zou eens Hannibal de overwinning verschaft hebben. — Maar het was te laat! Nadat de Romeinen Karthago twee jaar lang belegerd hadden, verscheen de kleinzoon[4]van Scipio, die ruim een halve eeuw geleden den tweeden Punischen oorlog ten einde gebracht had, en drong met eene vreeselijke bestorming in de stad. Wat hier het zwaard en het vuur gewoed hebben, dat laat zich niet beschrijven. 17 dagen duurde de brand, en toen ergeen ontkomen meer mogelijk was, wierp de bevolking zich liever in de vlammen dan in de handen der vijanden te vallen. En ook tegen de puinhoopen nog woedde de Romeinsche haat. Eene diepe voor werd gegraven en hierin zout gestrooid, als teeken van onvruchtbaarheid, waartoe men de plek doemde, terwijl het geheele gebied onder den naam Afrika Romeinsch wingewest werd 146. In hetzelfde jaar verwoestten de Romeinen ook de fraaie stad Korinthe, en maakten daarmeê Griekenland, waarvan zij het deel Hellas of het Aetolisch verbond (de Peloponnesus vormde het Achaeïsch verbond) reeds ingelijfd hadden, geheel tot Romeinsche provincie. Vele Grieken kwamen toen gedwongen of vrijwillig naar Rome en brachten hun barbaarschen overwinnaars de fijne helleensche beschaving mede, die thans nog meer bewonderd wordt dan alle krijgsdaden der Romeinen.
[4]Eigenlijk in de familie opgenomen, want hij was door een zoon van Scipio, bij ontstentenis van mannelijk oir, volgens Romeinsch gebruik, als zoon aangenomen, waarbij dan ook de naam overging. Zie Bewerkers geslachtstabellen no. 1.
[4]Eigenlijk in de familie opgenomen, want hij was door een zoon van Scipio, bij ontstentenis van mannelijk oir, volgens Romeinsch gebruik, als zoon aangenomen, waarbij dan ook de naam overging. Zie Bewerkers geslachtstabellen no. 1.
1. In Rome was langzamerhand het onderscheid tusschen patriciërs en plebejers verdwenen; er had zich echter een nieuwe soort van adel gevormd, die bestond uit de personen, die tot hooge ambten gekomen waren. Deze lieden hadden ook het grootste gedeelte der veroverde landerijen aan zich getrokken, die toch eigenlijk aan het volk behoorden, daar zij door de legers aan de vreemde volken ontnomen waren. Terwijl zoo de voornamen in rijkdom zwelgden, leefden de lagere volksklassen in den grootsten nood. Zulk een treurige toestand maakte de opmerkzaamheid gaande vooral van twee mannen, die tot de voornaamste familiën behoorden. Hetwaren de beide broedersTiberiusenCajus Gracchus. Hunne moederCornelia, eene dochter van Scipio, den overwinnaar van Zama, was eene der beste vrouwen die Rome ooit zag. Zij liet hare zonen door de voortreffelijkste leeraars onderwijzen en wendde zorgvuldig alles aan, om ze tot brave mannen op te voeden. Toen eens in een gezelschap door dames de prachtigste tooisels en sieraden getoond werden en men Cornelia naar hare schatten vroeg, riep zij hare beide zonen en zeide: “Hier zijn mijne eenige en grootste schatten!”
De broeders ontwikkelden zich verschillend, maar kwamen eindelijk op ééne zelfde baan. Tiberius trad het eerst in ’t openbaar op. Hij werd tot volkstribuun, d. i. tot verdediger der volksrechten (blz.67) gekozen, en bewerkte, dat het volk zooveel mogelijk aandeel aan de groote staatsgoederen kreeg. In het jaar 133 bracht hij eene meer dan twee eeuwen oude, maar in onbruik geraakte akkerwet in werking, volgens welke geen burger meer dan 500 morgen staatslanderijen bezitten mocht en al het overige aan de arme familiën verdeeld moest worden. Het dankbare volk wilde hem herkiezen, maar de edelen (nobiles) of senaatspartij, ook wel optimaten geheeten, waren zoo verbolgen, dat zij geweld gebruikten en hem met 300 burgers vermoordden. Daar zij den jongeren broeder, Cajus, vreesden, zochten zij hem te verwijderen door hem een ambt in Sardinië te geven. Dit hielp echter niet lang.
2. Cajus was een trotsch man van een heftig gemoed, en besloot het werk zijns broeders te voltooien, hoewel zijne moeder hem gewaarschuwd had. De nood des volks,dien hij diep doorzag, liet hem geen rust. Als hij sprak, waren zijne stem en gebaren zoo machtig, dat hij allen roerde. Als tribuun was hij werkzamer dan iemand vóór hem. Behalve de akkerwet bracht hij nog andere wetten tot stand, waardoor het volk macht en voordeel kreeg. In Italië liet hij groote en prachtige landwegen aanleggen; in de veroverde landen stichtte hij nieuwe plaatsen, opdat de arme burgers zich daar konden vestigen en den grond bebouwen. Terwijl Cajus zich eens op een reis naar Afrika bevond tot stichting eener stad, zetten de rijken al hunne macht in beweging, dat Cajus niet weêr tot tribuun gekozen zou worden. Zij deelden geld uit, deden veel ten gevalle van het volk, en verzekerden daarbij, dat zij het welzijn van het volk betrachtten, maar Cajus zich tot tyran wilde maken en dat niemand zulks mocht toestaan. Toen Cajus naar Rome terugkeerde, zag hij spoedig dat zijne positie zeer moeielijk was. Op den verkiezingsdag kwam het tot een strijd, waarin Cajus zich verloren zag. Om niet in de handen zijner vijanden te vallen, liet hij zich door een slaaf doorsteken. Met hem vielen nog meer dan 3000 burgers — 121. — Zoo waren de Gracchen, de edelste volksvrienden, als offers van hun streven gevallen. Zij bereikten de hooge doeleinden niet, die zij voor oogen hadden. Het volk zag echter spoedig in, wat het aan de groote mannen bezeten had. Het richtte hun standbeelden op en hield de plaatsen heilig, waar zij gevallen waren. Ook aan hunne edele moeder werd een gedenkteeken gewijd, waarop het eenvoudige, maar beteekenisvolle opschrift stond:Cornelia, moeder der Gracchen.
1.Marius, een dagloonerszoon, was zonder eenig onderwijs opgegroeid, sterk gebouwd, forsch van aanzien en ruw van zeden. Door wilde koenheid en dapperheid had hij zich in den oorlog onderscheiden en eindelijk den veldheersrang verworven. Tot volkstribuun gekozen, wist hij zich de gunst der lagere klassen te winnen. Ook wierf hij voor het eerst een leger uit de armste burgers, waardoor de grond gelegd werd tot de heerschappij der soldaten. Nadat hij den Afrikaanschen koning Jugurtha overwonnen had, voerde hij een hevigen strijd tegen de Cimbren en Teutonen. De eerste, een der vorsten van Numidië, had zijne medekoningen laten vermoorden, bij ’t veroveren van hun gebied de stad Cirta genomen en de geheele mannelijke bevolking er van omgebracht, waaronder een aantal Romeinen waren. Toen de regeering in Rome zich dit aantrok, wist Jugurtha gezantschappen, tribunen en veldheeren om te koopen, behalve Metellus, die hem versloeg. Maar de volkspartij, sedert der Gracchen dood de onderliggende, had het hoofd opgestoken, en benoemde uit haar midden Marius tot consul en opperbevelhebber tegen Jugurtha. Ook deze overwon (107) en Jugurtha werd gevangen genomen en stierf te Rome.
Reeds even vóórdat de strijd met Jugurtha was begonnen, waren bovengenoemde Germaansche of Duitsche volksstammen uit het noorden in de Romeinsche provinciën gevallen. Zij waren van reusachtige grootte, in dierenvellen gehuld en vreeselijk om aan te zien. Hunne breede zwaarden en zware strijdkolven werkten inderdaadontzettend; zelfs den ouden soldaten van Marius kwamen de Duitsche barbaren zoo schrikkelijk voor, dat hij ze eerst weken lang aan hun aanblik gewennen moest. Herhaaldelijk hadden zij de Romeinsche legers onder andere hoofden reeds geslagen, waarom de volksklasse de herbenoeming van Marius tot consul had doorgedreven, wat zij nog vier jaren achtereen herhaalde. Het was een geluk voor de Romeinen, dat de Teutonen zich van de Cimbren scheidden en alleen marcheerden. Zij werden geheel verslagen, in ’t zuid-oosten van het tegenwoordige Frankrijk 102.
Intusschen waren de Cimbren over de Tiroler Alpen in noord-Italië gevallen. Zij hadden zich op hunne groote schilden van de ijs- en sneeuwhellingen laten afglijden en toen groote rotsbrokken en boomstammen in de Etsch geworpen, om daarover den tegenovergestelden oever te bereiken. Toen ijlde Marius met zijne van roem dronken troepen daarheen. In de nabijheid van Verona kwam het tot een ontzettenden slag, waarin de Cimbren overwonnen werden 101.
Marius werd als redder van den staat, als “den derden stichter der stad”, “den tweeden Camillus”, begroet.
2. Niet lang daarna brak een inwendige oorlog uit, daar de Italiaansche bondgenooten van Rome zich gelijke rechten als de Romeinen wilden verwerven. In dezen strijd trad Sulla op den voorgrond, een man van zeldzame gaven en uit voornamen stand. Terwijl Marius de ziel der volkspartij was, was Sulla het hoofd van den adel. Toen om dezen tijd de koningMithradatesvan Pontus, aan de Zwarte zee, zich tegen de Romeinen verhief en een geweldig leger op de been bracht, koosde Romeinsche senaat Sulla tot opperbevelhebber. Maar het volk nam met die opdracht geen genoegen, het verlangde Marius als aanvoerder tegen den vijand. Zoo begon de eerste burgeroorlog; maar Sulla joeg Marius op de vlucht naar de puinhoopen van Karthago en ging nu den eersten strijd tegen Mithradates voeren. Terwijl hij (Sulla) dezen herhaaldelijk sloeg, werd Marius door zijn wapenbroeder Cinna teruggeroepen en ten zevenden male consul (86). De aanhangers van den senaat werden met ontzettende wreedheid vervolgd en gedood; Marius zelf stierf binnen weinige weken. Sulla liet in Rome zijne tegenpartij razen, en zette in ’t oosten zijne taak voort. Toen hij echter deze glorierijk voltooid had, kwam hij naar Italië terug, vast besloten de volkspartij uit te roeien. Hij overwon zijne tegenstanders en woedde nu nog oneindig wreeder dan dezen gedaan hadden. Het aantal der gedooden wordt op 50000 geschat. Nadat hij geheel de macht van den senaat hersteld had, trad hij van het staats-, en weldra ook van het levenstooneel af. Evenals Marius, stierf hij aan de gevolgen van onmatigheid, vooral in het drinken. Eene geduchte ziekte vernietigde zijn leven op smartvolle wijze. Hij had zich gaarne den gelukkigen genoemd, en stierf toch als de ongelukkigste der menschen.
1. Toen de Romeinen benevens de buitenlandsche oorlogen ook den verderfelijken burgerkrijg hadden, ontwikkelde zich een man, die in geest en kracht alleanderen overtrof. Het wasJulius Caesar, de groote veldheer, staatsman en vriend der wetenschappen. Zijn vader was vroeg gestorven, maar zijne voortreffelijke moeder Aurelia gaf hem eene zeer goede opvoeding. Zij boezemde hem eene vriendelijkheid en liefelijke spraakzaamheid in, die later hoog geroemd werd. Caesar had een doordringend verstand, een zeer sterk geheugen en eene levendige verbeeldingskracht, waarbij nog eene groote volharding kwam. In zijne jeugd had hij een zwak lichaam en leed dikwijls aan ziekten; hij hield zich echter door matigheid in eten en drinken gezond, en versterkte zich weldra door lichamelijke oefeningen zoozeer, dat hij alle bezwaren van den oorlog verdragen kon.
Door ongeëvenaarde eer- en heerschzucht gedreven, verstond hij het toch, de grooten niet tegen zich in ’t harnas te jagen, vóór hij geheel de stem des volks gewonnen had. Hij leefde even verkwistend als Alcibiades, maar besteedde wijselijk zijn vermogen ook, om de gunst zijner medeburgers te verwerven. En dit gelukte hem spoedig en zoo, dat hij het waagde, naar het ambt van opperpriester te dingen, dat anders alleen de eerwaardigste en verdienstelijkste raadsheeren kregen. Zijne moeder twijfelde aan den goeden uitslag. Maar Caesar ging naar de stemming en keerde als hoogepriester terug. Het omkoopbare volk was tot alles te bewegen.
2. Eenigen tijd daarna zou Caesar als stadhouder naar de provincie Spanje gaan, maar zijne schuldeischers wilden hem niet uit Rome laten trekken, want hij was hun 23 millioen schuldig. Toen won hij den rijkenCrassusvoor zich, dat deze borg voor hem bleef, en reisde daarop naar Spanje, waar hij zich in korten tijd een ongehoordvermogen verwierf. Na zijn terugkomst gedroeg Caesar zich reeds veel meer als heerscher, en de grooten van Rome zagen met verwondering, met welke macht hij het volk naar zijnen wil leidde. Het meest ontsteld wasPompejus, die tot op dat oogenblik voor den grootsten en beroemdsten burger van zijn tijd gold.
Pompejus had in drie werelddeelen te water en te land de belangrijkste overwinningen behaald. Terwijl Sulla de volkspartij in Rome onderdrukte, had Pompejus hetzelfde in Afrika gedaan, vervolgens in Spanje (72). Op de terugkomst van hier bracht hij den strijd tegen de opgestaneslavenenzwaardvechtersten einde, wier kracht reeds door Crassus gebroken was. Daarna bedwong hij dezeeroovers, die in Cilicië en Creta woonden, en maakte laatstgenoemd eiland tot wingewest. Van de andere krijgstochten van Pompejus is vooral die naar Azië beroemd in den derden oorlog tegen Mithradates (de tweede had weinig beduid). Nadat Lucullus, de befaamde lekkerbek, dezen vorst op de vlucht had geslagen naar Armenië, welks koning ook over Syrië heerschte, overwon Pompejus hem bij den Eufraat, veroverde Syrië en maakte Palestina afhankelijk van Rome (64). — Toen echter de senaat draalde met het goedkeuren van Pompejus’ beschikkingen, sloot deze een verbond met Caesar en huwde diens dochter Julia. Daar met Caesar reeds de rijke Crassus verbonden was, zoo was er een driemanschap, triumviraat, ontstaan, waarnaar het Romeinsche volk zich gemakkelijk voegde. Weldra kreeg Caesar het bestuur in Gallië, d. w. Noord-Italië en Zuid-Oost-Frankrijk; Pompejus koos Spanje, maar bleef rustig in Rome zitten; Crassus ging naar Azië.
In Gallië betoonde Caesar zich een groot veldheer.Binnen 10 jaren heeft hij van uit het Zuid-Oosten van het tegenwoordig Frankrijk alle Gallische volksstammen onderworpen, de Helvetiërs naar hun land terug, en de Germanen, onderAriovistusden Gallen te hulp gekomen, tengevolge van den slag bij Vesontio (Besançon) 58 over den Rijn teruggedreven, zelfs het Germaansche land tusschen Gallië en den beneden-Rijn veroverd en in 52 een algemeenen opstand der Galliërs gedempt. Maar hij vermeed de duistere wouden van het oude Duitschland. Zelf heeft hij ons zijne veldtochten zeer omstandig en fraai beschreven, gelijk ook den volgenden burgeroorlog.
3. De overwinningen van Caesar maakten Pompejus ongerust, die sedert den dood van Crassus in den strijd tegen de Parthen nog angstiger was. Met den senaat in Rome beducht, dat de dappere Caesar met zijn volksaanhang voor hunne heerschappij gevaarlijk kon worden, zonden zij dezen het bevel, zijn leger af te danken en zijn proconsulaat neêr te leggen. Deed hij zulks niet, dan zou hij voor een vijand van ’t vaderland verklaard worden. Toen Caesar dit bevel ontvangen had, besloot hij, zich te verdedigen. Hij sprak met zijne soldaten en brak toen op naar Italië. Aan de grensrivier van Cisalpijnsch Gallië en eigenlijk Italië gekomen, zeide hij: „De teerling zij geworpen”, en marcheerde naar Rome. Pompejus had zich gevleid, dat hij legioenen uit de aarde stampen zou. Hij vluchtte echter met een aantal senaatsleden voor Caesar naar Griekenland. In korten tijd beheerschte Caesar geheel Italië. Hierop sloeg hij het leger van Pompejus in Spanje en ging toen naar Griekenland, waar hij zijn tegenstander bijPharsalusin Thessalië overwon (48). De geslagene Pompejus vluchtte naarEgypte, maar werd hier, alvorens te landen, door lieden van den Egyptischen koning vermoord. Toen Caesar drie dagen later landde, vernam hij met smart wat er gebeurd was, en strafte de moordenaars van zijn ongelukkigen tegenstander. De heerschappij over Egypte viel aan ’s konings zusterCleopatraten deel.
4. Na Pompejus’ dood had Caesar nog menigen zwaren strijd te bestaan, daar de aanhangers der republiek zich bij die van Pompejus aansloten en zich ook de hulp van buitenlandsche vijanden ten nutte maakten. Hij zegepraalde echter allerwege (in Afrika en Spanje) en kreeg de heerschappij in Rome met steeds hoogere titels. Daar hij het volk groote feesten gaf en zich voor elk vriendelijk betoonde, werd hem op allerlei wijze hulde bewezen. Zijn geboortedag was een volksfeest; zijn beeld stond op munten; zijn naam ter eer werd ook een maandJuliusgenoemd; ook noemde men den nieuwen kalender, dien Caesar liet vervaardigen, denJuliaanschen. De senaat had den machtigen heerscher met een gouden zetel en het purper vereerd. Nu scheen niets meer te ontbreken dan de koninklijke kroon. En ook deze wilde men bewilligen. Maar het geschiedde anders. Een aantal mannen, verbitterd over de verplaatsing der heerschappij van den senaat op één persoon, zwoeren heimelijk samen om Caesar te dooden. Aan het hoofd stondenBrutusenCassius. De 15deMaart 44 werd tot Caesars doodsdag bestemd. Er was eene zitting beraamd, die Caesar niettegenstaande alle waarschuwing bijwoonde. Toen werd hij door de saamgezworenen omringd en neêrgestooten. Door 23 dolksteken getroffen, viel Caesar aan den voet van een standbeeld van Pompejus dood ter aarde.
Caesar was gevallen, maar zijne aanhangers bleven onversaagd. De consulAntoniusbewerkte, dat den vermoorden ambtgenoot eene plechtige begrafenis bereid werd. Met de grootste pracht werd de baar getooid, die de raadsheeren droegen. Voorts hield Antonius de lijkrede en stelde de verdiensten van Caesar met zoo groote welsprekendheid in het licht, dat allen tot tranen geroerd werden. Hij toonde den mantel, met dolksteken doorboord, en las een testament van Caesar voor, waarin geschreven stond, dat elk Romeinsch burger een geschenk in geld bekomen zou, en dat alle tuinen van Caesar aan het volk behoorden. Toen werden de smart en de toorn algemeen. Men liep woedend door de straten en stak de huizen der saamgezworenen in brand, die intusschen gevlucht waren. Een nieuwe burgeroorlog was nabij.
1. Caesar had den kleinzoon zijner zuster[5],Octavianus, tot zijn hoofderfgenaam benoemd. Deze jongeling was juist in Klein-Azië, maar liet zich spoedig in Rome vinden en gedroeg zich hier zoo sluw, dat hij in korten tijd de gunsteling van senaat en volk werd. Intusschen gedroeg Antonius zich steeds aanmatigender en overmoediger. Toen tradCiceroop, een man van buitengewone redenaarsgaven, en donderde tegen Antonius, als den gevaarlijksten vijand des vaderlands. Reeds 20 jaar vroeger had hij den senaat de grootste diensten bewezen door ’tverijdelen der samenzwering vanCatilina, die de heerschappij der optimaten wilde breken. Nu rustte hij niet, vóór Antonius beoorloogd werd. Dit geschiedde, en Antonius vluchtte naar Gallië, waar zijn trouwe aanhangerLepidushem nieuwe troepen toevoerde. Beiden rukten daarop gemeenschappelijk tegen Octavianus op, die aan de spits van ’t Romeinsche leger stond. Bij Bologna zou de strijd beginnen. Maar Octavianus had het anders besloten. Hij verzoende zich met Antonius en Lepidus en vereenigde zich met hen, om de oude vrijheid te vernietigen en het Romeinsche rijk te deelen. Dit verbond wordt het tweede driemanschap genoemd. De drie verbondenen trokken naar Rome en begonnen al hunne vijanden te verdelgen. Zoo keerden de schrikdagen van Marius en Sulla terug. De aanzienlijkste en rijkste mannen werden vermoord, op de hoofden der gevluchten hooge prijzen gesteld, de soldaten, als voltrekkers der moordbevelen, rijk beloond. Onder de tallooze ongelukkigen, die als offers van de heerschzucht der drie mannen vielen, was ook Cicero, die eenmaal de burgerkroon verkregen en den eernaam „Vader des Vaderlands” gedragen had. De wraakzuchtige Antonius liet hem dooden, ofschoon Octavianus het verhinderen wilde.
Terwijl zulke gruwelen in en om Rome voorvielen, stonden Brutus en Cassius, de stadhouders van Macedonië en Syrië, met hunne legers gereed voor de republiek te strijden, d. w. z. voor het behoud der senaatsmacht. Bij Philippi, in Macedonië, kwam het tot beslissing. De aanhangers der oude vrijheid streden zoo dapper, dat hun zeker de overwinning zou ten deel gevallen zijn. Maar toen Cassius, door een valsch bericht misleid, zich in zijn zwaard stortte, bezweek eindelijk ook Brutus en gafzich, gelijk vele anderen, den dood. Zoo waren de laatste steunen van den vrijstaat gebroken, en Rome had drie heeren, van welken ieder naar de alleenheerschappij streefde. Toen de onbeduidende Lepidus door zijn leger in Afrika verlaten werd, verdeelden Octavianus en Antonius het Romeinsche rijk; de eerste nam de westelijke, de laatste de oostelijke landen.
2. Terwijl Octavianus, in Rome zetelend, er op bedacht was, Antonius spoedig van de heerschappij te verdringen, leefde deze zorgeloos aan het schitterende hof der Egyptische koningin Cleopatra, schonk aan haar en hare familie een groot gedeelte der Romeinsche provincie in Azië weg, en verstiet eindelijk zijne deugdzame echtgenoote Octavia, de zuster van Octavianus. Den slechten indruk, dien zulk eene vermetele handelwijze bij de Romeinen teweeg bracht, maakte Octavianus zich ten nutte. Hij bewerkte een senaatsbesluit, waarbij Antonius van zijne waardigheid ontzet, en aan de Egyptische koningin Cleopatra de oorlog verklaard werd. Toen verbond Antonius zich met Cleopatra, en beiden trokken vereenigd tot den beslissenden strijd naar Griekenland. Toen echter in den zeeslag bij kaapActium(west. van Hellas) de koningin Cleopatra vluchtte 31, ging Antonius met haar naar Egypte terug en verliet zoo zijn leger, dat na lang dralen tot den verwonderden Octavianus overliep. Deze trok door Syrië naar Egypte en sloeg hier Antonius, die ook door Cleopatra verlaten werd. Zij liet hem zeggen, dat zij gestorven was, en bracht hem daardoor zoo in vertwijfeling, dat hij zich zelven vermoordde. De arglistige koningin had gehoopt, Octavianus voor zich te winnen. Toen dit echter vergeefsch was en zij nogvreesde in triomf naar Rome gevoerd te worden, gaf zij zich zelf den dood, door — zoo verhaalt men — eene vergiftige slang aan hare borst te zetten. Egypte werd nu eene Romeinsche provincie.
Octavianus was na den val van Antonius alleenheerscher van het monsterachtige Romeinsche rijk, en werd door den senaat met de hoogste titels beschonken. Men gaf hem den bijnaamAugustus, d. i. de verhevene of heilige, en droeg hem alle macht onbeperkt op. Octavianus liet echter in schijn de oude waardigheden voortbestaan en toonde zich, door het lot van Caesar gewaarschuwd, zeer ingetogen. Toch bezat hij koninklijk aanzien, en werd naar zijn oudoom ook Caesar genoemd, in ’t Grieksch Kaisar, van waar ons woord keizer komt. Augustus was inderdaad de eerste keizer; de republiek, hoewel hare vormen bleven, was in een keizerrijk veranderd.
3. Onder de regeering van Augustus had Rome het hoogste toppunt zijner macht bereikt. Het hoofdland, Italië, was maar een klein deel van het Romeinsche rijk, dat zich over de drie toen bekende werelddeelen uitstrekte, van de Atlantische zee tot aan den Eufraat, van den Rijn, den Donau en de Zwarte zee tot aan de Afrikaansche en Arabische woestijnen. In dezen wijden omvang lagen de schoonste landen der aarde, o. a. Portugal en Spanje, Gallië (Frankrijk), Italië, Griekenland en Macedonië, Klein-Azië, Syrië, Egypte en het Karthaagsche gebied. Op deze groote vlakteruimte leefden ongeveer 120 millioen menschen, waarvan de helft slaven waren. De grootste steden der toenmalige wereld waren behalve Rome nog Alexandrië en Antiochië. Haar prachten rijkdom waren grootsch. In Rome waren 400 kostbare tempels, groote marktplaatsen, prachtige schouwburgen en paleizen, zuilenhallen, triomfbogen en dergelijke.
De Romeinen, door de vele burgeroorlogen verschrikt, herademden onder de verstandige regeering van Augustus. Zeer ontwikkelden zich de wetenschappen en kunsten, die vooral door Maecenas, den vriend en raadsman van Augustus, bevorderd werden. De groote rijkdom, die in Rome samenvloeide, veroorloofde een prachtig leven. De weelde van sommige burgers ging boven alle beschrijving. Men richtte de duurste gastmalen aan en tooide de woningen op de schitterendste wijze. Het aantal der slaven was ongehoord. Benevens de groote pracht maakte zich echter ook eene groote zedeloosheid baan. Het ontbrak aan ware beschaving, aan echte menschelijkheid.
4. Te dier tijde werd echter in het Joodsche land, waar Romeinsche stadhouders regeerden,Jezus, de stichter van ’t christendom, geboren. Met deze gebeurtenis, waarnaar wij den tijd berekenen, opent zich onder de volken een nieuw leven, dat wij nog nauwkeuriger beschouwen zullen. Met den opkomenden bloei van ’t christendom valt het optreden derDuitschersofGermanensamen, die van nu af met de Romeinen om de wereldheerschappij strijden. Augustus had zijn stiefzoonDrususmet een groot leger naar Duitschland gezonden en hier tot menige verovering den weg laten banen. Toen de dappere Drusus plotseling gestorven was, volgde zijn broederTiberiushem op, die meer door list dan door macht slaagde. Het verst bracht het de Romeinsche stadhouderVarus, die zonder schroomde Duitsche instellingen veranderde en geheel naar willekeur te werk ging. Toen dit echter eenige jaren geduurd had, verhief zich de vrijheidlievende geest der Duitschers, en een vorst van hen,ArminofHerman, verbrak het Romeinsche juk. Hij overwon Varus in hetTeutoburgerwoud— 9 na Chr. — en werd zoo de bevrijder van Duitschland. De tijding daarvan bracht in Rome de grootste verwarring te weeg. Augustus riep in vertwijfeling uit: „Varus, Varus, geef mij mijne legioenen terug!” en liep als razend rond. Alle Duitschers moesten Rome verlaten, zelfs de Duitsche lijfwacht des keizers werd over de zee gebracht. De schrik, dien eens de Cimbren en Teutonen verwekt hadden, was weêr gekomen. Maar weldra bleek het, dat de Duitschers in de grootste rust t’huis bleven.
5. Augustus had in zijn huiselijk leven veel ongeluk. Zijne dochter Julia, zijn eenig kind, bezorgde hem door haar teugelloos leven veel kommer. Toen hare beide zonen gestorven waren, leidde Augustus’ derde gemalin, de listige Livia, het daarheên, dat haar zoon Tiberius, de bovengenoemde, een slecht mensch, tot keizer bestemd werd. Augustus stierf in ’t jaar 14 onzer jaartelling. Kort voor zijn dood zou hij tot de omstaande vrienden gezegd hebben: „Applaudisseert, want ik heb mijne rol goed gespeeld.” Deze woorden geven juist het karakter van den koelen man te kennen, die uit berekening eerst wreed, daarna zachtmoedig, maar steeds valsch en huichelachtig was. Desniettemin werd hij onder de goden opgenomen, en zelfs de laatste nakomelingen riepen elken nieuwen keizer bij den aanvang zijner regeering toe: „Regeer gelukkig als Augustus!”