The Project Gutenberg eBook ofAlgemeene Geschiedenis in Verhalen: Oudheid

The Project Gutenberg eBook ofAlgemeene Geschiedenis in Verhalen: OudheidThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: Algemeene Geschiedenis in Verhalen: OudheidAuthor: H. SolgerRelease date: July 27, 2012 [eBook #40351]Most recently updated: October 23, 2024Language: DutchCredits: Produced by Branko Collin, eagkw and the Online DistributedProofreading Team at http://www.pgdp.net*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ALGEMEENE GESCHIEDENIS IN VERHALEN: OUDHEID ***

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Algemeene Geschiedenis in Verhalen: OudheidAuthor: H. SolgerRelease date: July 27, 2012 [eBook #40351]Most recently updated: October 23, 2024Language: DutchCredits: Produced by Branko Collin, eagkw and the Online DistributedProofreading Team at http://www.pgdp.net

Title: Algemeene Geschiedenis in Verhalen: Oudheid

Author: H. Solger

Author: H. Solger

Release date: July 27, 2012 [eBook #40351]Most recently updated: October 23, 2024

Language: Dutch

Credits: Produced by Branko Collin, eagkw and the Online DistributedProofreading Team at http://www.pgdp.net

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK ALGEMEENE GESCHIEDENIS IN VERHALEN: OUDHEID ***

AlgemeeneGeschiedenisIN VERHALEN.Een LeesboekBESTEMD TOT ZELFONDERRICHT EN TOT LEIDDRAADBIJ HET ONDERWIJS.Vrij naar het Hoogduitsch vanH. SOLGER.OUDHEID.Apeldoorn,N. A. HINGST.1880.N.B. Men zoeke den inhoud van dit eerste deeltje achterin; den inhoud van het 2e deeltje (Middeleeuwen) op de keerzijde.

AlgemeeneGeschiedenisIN VERHALEN.

Een LeesboekBESTEMD TOT ZELFONDERRICHT EN TOT LEIDDRAADBIJ HET ONDERWIJS.Vrij naar het Hoogduitsch vanH. SOLGER.

OUDHEID.

Apeldoorn,N. A. HINGST.1880.

N.B. Men zoeke den inhoud van dit eerste deeltje achterin; den inhoud van het 2e deeltje (Middeleeuwen) op de keerzijde.

N.B. Men zoeke den inhoud van dit eerste deeltje achterin; den inhoud van het 2e deeltje (Middeleeuwen) op de keerzijde.

EEN LEESBOEKBESTEMD TOTZELFONDERRICHT en TEN GEBRUIKE aan INRICHTINGEN van ONDERWIJS.Vrij naar het Hoogduitsch van H. SOLGER.

OUDHEID.

Apeldoorn,N. A. HINGST.

Stoomdruk van J. van Boekhoven te Utrecht.

1. Het ligt volstrekt niet in onze bedoeling, hier van het ontstaan der wereld en der menschen te spreken. Wat daarover door geleerde mannen geschreven is, laat zich niet zoo licht begrijpelijk maken. Zooveel schijnt echter duidelijk, dat eerstens de aarde reeds sedert duizenden jaren bestaat, dat zij verder merkwaardige veranderingen ondergaan heeft, en dat ook de menschen reeds zeer lang daarop aanwezig zijn en zich eerst langzamerhand ontwikkeld hebben.

Door de opgravingen, die steeds ijverig worden voortgezet, heeft men omtrent de ontwikkeling der aarde zeer belangrijke ervaringen opgedaan. Daarbij heeft men bevonden, dat er in overoude tijden reeds menschen waren, en dat dezen hunne woonplaatsen dikwijls op palen in ’t water bouwden, weshalve men vanbewoners van paaldorpenspreekt. Dezen hadden aanvankelijk slechtssteenengereedschappen, en er verliepen vrij langetijdperken, eer men door middel van het vuur de metalen, vooral hetijzer, verwerkte. De oudste werktuigen zijn in elk geval dewapenen, waaronder hamer en speer den oudsten rang bekleedden. Met pijl en boog werd de grond gelegd tot de jacht; de bijl en het mes dienden ook tot vreedzame doeleinden.

2. Ofschoon de mensch aan lichamelijke kracht bij de dieren achterstaat, overtreft hij hen toch door zijn verstand zoo, dat hij ze aan zich dienstbaar kan maken. Terwijl hij nuttige dieren aan zich gewende en die aankweekte, legde hij den grond tot deveeteelt; en door de vruchten der planten te verzamelen en de zaden uit te strooien, leerde hij langzamerhand denakkerbouw, die eene bron van den rijksten zegen werd. Want terwijl de herder om den wil der weilanden dikwijls verhuizen moet en weinig vormenden of ontwikkelenden arbeid heeft, is de landman die den oogst afwacht, aan een bepaalde woonplaats gebonden en moet bij zijn doen op het veld en te huis bestendig nadenken en zoodoende ook tot betere inrichtingen geraken. De rondtrekkende herder wil weinig genooten, om aan zijne kudde veel plaats te verzekeren; de gezeten landman ziet gaarne, dat naast zijne woning nog andere bestaan. De akkerbouw bevorderde dus het vreedzame samenleven der menschen, en dit bracht de maatschappelijke ordeningen,gemeentenenstammen,volkenenstatente voorschijn. Daarmeê ontstonden tevens rechters en aanvoerders, hoofdmannen en vorsten, die gewoonlijk allen gekozen werden. Bij verscheidene volken traden echter ook de sterksten op den voorgrond en verlangden de onderwerping der anderen. Dat waren detyrannen, die men in de geschiedeniszoo veelvuldig vindt, en die tot zooveeloorlogenaanleiding gaven.

3. Door het onderling verkeer der menschen moest zich ook noodzakelijk detaalontwikkelen. Er is geen menschelijke stam, die zonder taal is, al zou deze dan ook nog zoo beperkt zijn. Gelijk echter de menschen naar kleur, gestalte en levenswijze zeer verscheiden zijn, zoo hebben zij ook zeer verschillende talen.

Zoodra de menschen in verkeer traden, moest ook dehandelontstaan, die waarschijnlijk eerst slechts eene ruiling van voorwerpen was. Deze soort van handel is ook nu nog bij wilde volken te vinden. Daar echter het ruilen niet altijd mogelijk is, zoo moest men zekere dingen als maatstaf van waarde nemen, aanvankelijk wel schelpen, vruchten en dergelijke, later ook metalen stukken, waardoor ten laatste hetgeldontstond.

De handel kreeg eerst zijne rechte uitbreiding en verbetering, toen men schepen ging bouwen en zich op de zee wagen. Descheepvaartis over ’t algemeen voor de ontwikkeling der wereld van de hoogste beteekenis. Dit blijkt reeds daaruit, dat de volken, die aan de zee wonen, zich sneller ontwikkelen en eerder machtig worden dan de andere, die daarvan verwijderd zijn en geen zeehandel hebben.

Er ligt ten zuiden van ons werelddeel, midden tusschen Europa, Azië en Afrika, eene groote zee, de Middellandsche genoemd. Aan de oevers van deze woonden de oudste en beschaafdste volkeren, die wij kennen. Wij beginnen met de Egyptenaren, wier berichten tot in de hoogste oudheid opklimmen.

1. Egypte ligt in Afrika, grenst aan de Middellandsche en Roode zee, en wordt in zijne geheele lengte door den Nijl doorsneden. Deze machtige stroom is de grootste weldoener van ’t land. Hij bevrucht den bodem door zijne overstroomingen en maakt hem tot de eerste voorraadschuur der wereld. Naar den loop van den Nijl werd het oude Egypte in drie deelen verdeeld: inOpper-Egyptemet de stadThebe, inMidden-EgyptemetMemphisen inBeneden-Egypte, waar laterAlexandriaontstond. Bijna eene mijl van den oever der zee af lag het eilandPharos, dat door een’ dijk met het vaste land verbonden werd. Op dit eiland verhief zich de beroemde lichttoren,Pharosgenoemd, naar welken later alle andere dien naam gekregen hebben. Hij diende in donkere nachten als wegwijzer voor de naderende schepen met hooge zee, en werd onder de wonderen der oude wereld gerekend.

2. Geen volk heeft aan de nakomelingschap zulke reusachtige gedenkteekenen zijner bouwkunst nagelaten, als de Egyptenaren. Het eerst van alles moeten depyramidenvermeld worden, die in Midden-Egypte, aan de westzijde van den Nijl, staan. Het zijn groote, vierhoekige gebouwen, die naar boven altijd smaller worden en inwendig uit veel gangen en kamers bestaan. Gewoonlijk uit kalksteen gebouwd, bereiken zij eene hoogte van 5 tot 140 meters, en zijn niets dan gedenkteekenen van Egyptische koningen.

De Egyptenaren besteedden in ’t algemeen veel vlijt aan de graven en lijken. Om het bederf der dooden te verhinderen, overtrokken zij ze met een verhardende, doorzichtige stof, de aardharsmum, waarnaar men de gebalsemde lijkenmumiënnoemt. Deze zijn gedeeltelijk tot aan den huidigen dag in stand gebleven, zien er zwart uit en zijn zoo hard als steen. De rustplaatsen der ontslapenen werden in de westelijk gelegen rotsbodems uitgehouwen, waar zij door den buiten zijne oevers tredenden Nijl niet konden verontrust worden. Onder de graven zijn dekatakombenbij Thebe beroemd, die uit eene menigte gangen, vertrekken, zalen en trappen bestaan en met beelden en schriftteekens versierd zijn.

In Opper-Egypte zijn ook deobeliskenopmerkelijk, vierhoekige zuilen uit een’ enkelen steen, van graniet gewerkt, 15-30 meters hoog en tot 2 meters breed, fijn gepolijst en met beelden voorzien. Zij werden voor tempels, paleizen en tuinen geplaatst en dienden tot sieraad of tot gedenkteekenen van merkwaardige gebeurtenissen, later ook als zonnewijzers. De monsterachtige massa’s der obelisken werden ten tijde der overstrooming van den Nijl op vlotten bijeengebracht en dikwijls door bijzondere kanalen vervoerd. In Midden-Egypte bevinden zich de overblijfselen van een reusachtig gebouw, dat uit twaalf paleizen bestond en 3000 kamers bevatte. Ook dit bouwwerk,labyrinthgenoemd, was met kunstige beelden getooid.

3. De schriftteekens, die zich op de gedenkteekenen der Egyptische bouwkunst bevinden, zijn van een geheel eigenaardige soort. Zij bestaan namelijk uit beelden, die met groote netheid geteekend zijn en, òf het voorwerpzelf voorstellen, òf, als dit niet mogelijk is, als b.v. bij eigenschappen, bekende zinnebeelden geven, als de bij voor vlijt en dergelijke, of ook zekere klanken aanduiden. Deze teekeningen werdenhieroglyphen, d. i. heilig schrift, genoemd en lang als geheimenissen met verwondering beschouwd. Sedert men echter bevond, dat zich onder de schriftbeelden ook dezulke bevinden, die vaak wederkeeren, vermoedde men, dat de Egyptenaren dikwijls als wij, bepaalde klanken door bepaalde teekens uitdrukten. Op het eind der vorige eeuw nu deed men eene belangrijke ontdekking. Met Bonaparte, toen generaal der Fransche republiek, vóórdat hij keizer werd, waren een aantal geleerden naar Egypte gegaan. In den Nijlmond bij Rosette vond men een steen met opschriften uit de oudheid. Hij vermeldde het besluit tot huldiging van een vorst omtrent 2 eeuwen vóór onze jaartelling, in hieroglyphen, het toen nog raadselachtige heilige schrift der oude Egyptenaren, en in het Grieksch, in de laatste eeuwen vóór Christus de algemeene taal in de oostelijke landen der Middellandsche zee. Er was bij vermeld, dat de inhoud der verschillende opschriften gelijkluidend was. Maar hiermeê was de sleutel tot de hieroglyphen nog niet gevonden; dit is eerst veel later (± 1821) gelukt aan Champollion, een Fransch geleerde. Na den dood van het overoude Egyptisch toch had er in het Nijldal eeuwen lang eene taal geleefd, die nu ook reeds dood, maar toch nog bekend was, hetKoptisch. Men kwam op de gedachte der mogelijkheid, dat er verwantschap kon bestaan tusschen deze taal en de vroegere. Als proef vertaalde men het Grieksche opschrift van den steen in het Koptisch, en vond toen eene merkwaardige en verrassende overeenkomst tusschen de letterfiguren van destammen dier woorden en de hieroglyphen op den steen. Op deze bevinding kon men voortbouwen ter ontcijfering van het schrift, ook van verscheidene andere inscripties, waaraan men eene veel nauwkeuriger kennis van het oude Egypte te danken heeft. Men nam waar, dat de Egyptenaren in den loop des tijds eenklankenschriftgevormd hadden, daar zij eerst dezelfde woorden, vervolgens dezelfde lettergrepen en klanken door bepaalde beelden voorstelden en deze steeds meer vereenvoudigden.

Als men zeer duidelijk zien wil, hoe nuttigde uitvinding der klankteekens of lettersis, behoeft men slechts aan deChineezente denken. Dit volk, dat naast de Egyptenaren enIndiërstot de oudste volken der wereld behoort, heeft nog heden geen volledig stel van letters, maar voor elk woord eene afzonderlijke figuur. Daar heeft men nu veel duizenden schriftteekens te leeren, wat veel tijd en groote inspanning vereischt, terwijl wij slechts twee dozijn letters hebben te leeren, waarmeê wij alle woorden lezen en schrijven kunnen. Het letterschrift behoort tot de meest grootsche uitvindingen van den mensch. Het geeft gemakkelijkheid om het ervarene en gedachte vast te houden en uit te breiden; het behoedt de gebeurtenissen voor vergetelheid en bevordert de beschaving in hooge mate.

Terwijl men in oude tijden meestal op steenen of metalen schreef, waren de Egyptenaren zoo gelukkig eene plant te hebben, waarvan zij een schrijfmateriaal vervaardigen konden. Zij hadden depapyrusstruik, die aan ons papier den naam gaf. Deze heeft eene vezelachtige huid, die men in enkele lange deelen uitleggen kan. Had men de vezels naast elkander gelegd en metwarm Nijlwater begoten, dan bracht men eene tweede laag vezelen dwars over de eerste, perste beide samen, liet ze drogen en streek ze glad. Zoo was een papier gereed, dat voor den ouden tijd van de grootste beteekenis was.

4. De Egyptenaren waren in standen verdeeld, die men gewoonlijkkastennoemt. Er waren er vier à zeven. De geëerdste kaste was die derpriesters. Zij waren opvoeders en raden der koningen, die men hierpharao’s, d. i. verhevenen, noemde; zij richtten het volk naar eigene wetten; zij namen den loop der sterren waar en regelden den kalender; zij waren de eenige geleerden in het land. Naast de priesters waren de krijgslieden deaanzienlijkstekaste. Dezen vormden geen heir van soldaten, maar waren vrije burgers met grondeigendom en woonden in afgezonderde rechtsgebieden. De overige kasten bestonden uitlandbouwers,handwerkslieden,schippersenherders, en hadden minder rechten dan de priesters en krijgslieden. Deze waren veeleer de alleen heerschende klassen, die ook in ’t bezit van alle landerijen waren.

De godsdienst der Egyptenaren bestond in de vereering van natuurlichamen. Dezonwerd als de hoogste kracht beschouwd en als godOsirisvereerd;Isiswas de godin der aarde. Eene bijzondere vereering genoten ook de dieren. Er was bijna geen dier, dat zij niet aanbaden, als het zich door nut of schade aan te brengen onderscheidde. De nuttige dieren vereerden zij uit dankbaarheid, de schadelijke daarentegen uit vrees. Zoo was deibis, behoorende tot de orde der moerasvogels of steltloopers, den Egyptenaren heilig, omdat hij de slangen in het slib van den Nijl opat. Dekrokodilechterwerd uit vrees vereerd. Dit groote roofdier, bijna twintig voet lang en met eene zeer harde, schubbige huid gepantserd, behoort tot het geslacht der hagedissen en is voor de menschen zeer gevaarlijk. Eene bijzondere vereering viel denkattenten deel. Hare beenderen werden gebalsemd en plechtig begraven. Wie een kat ombracht, was des doods. Eens had een Romeinsch soldaat in Egypte een kat gedood. Dadelijk ontstond een oploop van ’t volk, en noch de smeekingen der priesters, noch de vrees voor de Romeinen konden het tot rust brengen. De ongelukkige moest zijne daad met het leven boeten.

Toch was het niet zeldzaam, dat men in de eene stad zekere dieren vereerde, welke in eene andere zonder aarzelen geslacht werden. Slechts de os,Apisgenoemd, schijnt algemeen het meest vereerd te zijn geworden. Hij was voor de Egyptenaren een zinnebeeld van den akkerbouw, die in het hoogste aanzien stond. De geschiedenis van het gouden kalf, dat de Joden eenmaal in de woestijn vereerden, herinnert duidelijk aan den Egyptischen afgodendienst met den stier.

5. Ofschoon Egypte zeer rijk is aan oude gedenkteekenen, kent men toch de oude geschiedenis van dit land zeer weinig. De Egyptenaren leidden een zeer afgezonderd leven en hielden hun land voor vreemdelingen tamelijk gesloten. Onder de vroegste koningen wordenMenesenChufuofCheopsvermeld, de eerste als stichter van Memphis en den Egyptischen staat, de tweede met zijne opvolgers als grondleggers der fraaiste en grootste pyramiden bij genoemde stad. Een latere koning, met nameAmenemhaIII, zou het meerMoerisaangelegd hebben, dat in Midden-Egypte ligt en met het Jozefskanaalin verband staat. Het zou gediend hebben om bij de overstroomingen van den Nijl het overtollige water op te nemen en in drooge tijden dit door kanalen te rechter plaatse te brengen.

Nadat volgens de opgaven reeds verscheidene dynastieën gedurende een aantal eeuwen over het land geregeerd hadden, kwam uit het noordoosten een herdersvolk, Hyksos genaamd, veroverde het grootste gedeelte van Egypte (noord en midden) en werd eerst na vijf eeuwen weer verdrongen. Daarop verhief zich het land tot eene groote macht. De vorsten breidden hunne heerschappij uit over omliggende landen, zoowel in Azië als in Afrika. Van de toenmalige koningen wordt vooral Ramses II of Sesostris genoemd; hij deed krijgstochten naar verre landen en bracht grooten buit huiswaarts. Na hem schijnt Egypte’s macht gedaald, en het land tot zijne natuurlijke grenzen beperkt te zijn. Toen, ongeveer zes eeuwen later, deEthiopiërsvan uit het zuiden binnengedrongen waren, en het boven- en middendeel van ’t land vermeesterd hadden, verhieven zich de Egyptenaren op nieuw tot omverwerping der vreemde heerschappij. Deze werd verdreven en het land daarop door 12 personen geregeerd (dodekarchie), onder welken Psammetichus op den voorgrond trad. Zoo ontstond er nijd en twist. Toen echter Psammetichus door gelande Grieken ondersteund werd, verdreef hij alle medebestuurders en werd alleenbeheerscher van Egypte, ± 650 vóór Christus. Sedert kreeg het land een nieuw leven. Er ontstond een levendig verkeer met de omliggende volken, vooral met de Grieken. Ten gevolge daarvan werd zelfs eene nieuwe kaste gevormd, die dertolken. De zoon van Psammetichus, Necho, heerschte eveneens machtig en wijs.Om den handel te bevorderen, deed hij eene poging, tusschen de Middellandsche en de Roode zee een kanaal aan te leggen. Ook wekte hij zeevaarders op, het werelddeel Afrika om te zeilen. Toen hij echter op veroveringen uitging, geraakte hij in ongeluk en geheel Egypte met hem. Hij werd doorNebukadnezar, den krijgshaftigen koning van Babylon, overwonnen bij Circesium, 605 v. Chr., en reeds ¾ eeuw later verloor Egypte zijne onafhankelijkheid. De voorlaatste koningAmasiskwam in oorlog met Cambyses van Perzië (zie blz.19), en was nauwelijks opgevolgd door zijn zoon, of deze werd in 525 v. Chr. bij Pelusium geslagen, waarop het geheele Egyptische land eene Perzische provincie werd. Herhaaldelijk deed het pogingen om zich te bevrijden, eenmaal met tijdelijk goed gevolg, en verwisselde in 332 v. Chr. de Perzische opperheerschappij met die van Alexander den Grooten van Macedonië (Hoofdstuk14). Had zoo het land der pyramiden veel te lijden, het behield een onvermengd volk en handhaafde de aloude instellingen.

1. De Perzen stonden in overouden tijd onder de heerschappij der Meden, en ook dezen waren eens, gelijk ook de Babyloniërs, onderdanen vanAssyrië. Deze Semietische staat toch had sedert ± 1300 v. Chr. verschillende omliggende landen onderworpen en eeuwen lang beheerscht. De hoofdstad Nineveh was een toonbeeld van pracht en rijkdom. Zij lag aan den Tigris of Tiger, had 12 mijlen in omvang, en werd omringd doormuren met 1500 torens. Naar den naam dier stad heeft men zich een stichter gedacht, Ninus, gelijk er ook een Assur als grondlegger van den staat verdicht is. Maar terwijl de een Ninus 9 à 10 eeuwen later plaatst dan de ander, is er geen historisch bewijs voor zijn bestaan. De legende kende hem eene echtgenoote toe, Semiramis, eerst gehuwd met een’ zijner generaals, nog vroeger slavin, later heerscheres door schoonheid en geest over vorst en staat. Aan haar werden al de bovengenoemde veroveringen van Armenië, Bactrië, Mesopotamië, enz. enz. toegedicht, even als de hangende tuinen van Babylon. Van deze is echter de historische oorsprong anders, zooals wij beneden zullen zien. Maar hoe mythisch deze tijd ook is, d. w. z. hoezeer waarheid en verdichting vermengd zijn en ofschoon het onmogelijk is deze van elkander te onderscheiden, daarmeê is de machtsuitbreiding en eeuwen lange heerschappij van Assyrië over allerlei aangrenzende en meer verwijderde volken niet geloochend. Eene reeks van vorsten uit verschillende dynastieën worden ons genoemd, o. a.Salmanassar, die ± 725 v. Chr. Israël, het rijk der 10 stammen (blz.21), en Phoenicië onderwierp. Toen echter zijn opvolger Sanherib een ongelukkigen veldtocht naar Egypte ondernomen en ook bij de belegering van Jeruzalem een groot leger verloren had, maakten zich achtereenvolgens verschillende onderworpene landen vrij. Zoo zien wij in het ArischeMedië712 à 710 v. Chr. een koning Dejoces aan ’t bewind, en in deze schoone bergstreek de sterke hoofdstad Ecbatana gesticht. Zijn opvolger Phraortes onderwierp 640 v. Chr. de stamverwante Perzen. En, even als Medië, werd ookBabyloniëvrij van Assyrië, volgens de overlevering, doordien de stadhouder Nabopolassarzich onafhankelijk maakte. Nu was dus het groote Assyrische rijk opgelost niet alleen, maar zelfs bestemd om op zijn beurt de buit der vroeger onderworpene landen te worden. Nabopolassars zoon en mederegent toch,Nebukadnezarvan Babylonië, en de derde koning van Medië,Cyaxares, verbonden zich tegen Niniveh, namen en verwoestten die beroemde hoofdstad, waarvan eerst sedert 35 jaren overblijfselen zijn gevonden, en verdeelden het Assyrische rijk, zoodat de Tiger de grens werd. De oostelijke of linkeroever kwam bij Medië, de andere, dus ook de Israëlieten, bij Babylonië. De laatstgenoemde vorst hiervan veroverde ook Juda, het rijk der twee stammen. Maar onder zijne opvolgers ging ook zijn rijk ten gronde, zooals straks blijken zal.

2. De opvolger van Cyaxares was Astyages, onder wiens regeering de PersCyrusofKoresgeboren werd, over wiens geboorte en opvoeding zeer wonderlijke sagen bestaan. Zijne moeder zou eene dochter van den koning geweest zijn, en deze laatste door een droom verschrikt had hem willen doen ombrengen. Maar de knaap was door een’ herder opgevoed en toen toevallig bij den koning gekomen, die nu geen haat meer koesterde. Wat hiervan waar zij, zooveel is zeker, dat Kores zijne landgenooten, de Perzen, bevrijdde van de Meden en Astyages onttroonde, 558. Het lag niet in zijn plan alleen den Perzen de vrijheid te hergeven en de Meden zelfstandig te laten bestaan. Neen, de vroegere heerschers moesten op hunne beurt gehoorzamen, de Perzen het hoofdvolk, hij machtiger monarch dan iemand vóór hem worden. Na zich van de heerschappij en van de Medische onderwerping verzekerd te hebben, besteedde hijeenige jaren aan de ten onder brenging van een aantal oostwaarts gelegen landen, Parthië, Bactrië, Sogdiana, enz. enz. zoodat zijn scepter tot aan den Indus reikte. Daarna onderwierp hij aan de westzijde de Armenische landen tot aan den Kaukasus en den Halys (midden in Klein-Azië, aan de noordzijde). Aan de overzijde van deze rivier lag hetLydischerijk, voortgekomen uit een gedeelte van West-Klein-Azië, Lydië, welks vorsten de omliggende landen onderworpen hadden, namelijk de geheele westelijke helft van Klein-Azië, waar zich zeer veel Grieken hadden nedergezet, als in Ephesus, Smyrna, enz. In dit rijk heerschte nu koningCroesus, die met schrik Kores’ macht tot aan zijne grenzen zag naderen. Hij waagde het hem weerstand te bieden, maar leed eene geduchte nederlaag en werd gevangen genomen. Daarop wilde Kores den rijken Croesus laten verbranden. Reeds was de brandstapel opgericht en Croesus geboeid daarop gebracht. Toen liet hij plotseling den doordringenden kreet hooren: „O Solon, Solon, Solon!” en Kores was begeerig te weten, wien hij riep. Hij liet daarom Croesus afstijgen van den mutserd, en verlangde van hem te weten, wat die roep beteekende. Eerst wilde Croesus niets bekennen, maar verhaalde daarop het volgende:

„Eens kwam tot mij een wijs man uit Griekenland, met nameSolon. Ik liet hem al mijne schatten toonen, en hoopte, dat hij mij gelukkig zou noemen. Toen hij echter zweeg, zeide ik tot hem: „Solon, gij hebt zoo ver in de wereld rondgereisd en zooveel menschen gezien; zeg mij, wien houdt gij wel voor den gelukkigsten?” Daarop noemde Solon mij een’ burger van Athene, met name Tellus, die veel vreugde aan zijne kinderen beleefdeen voor het vaderland stierf, dat hem een eerzuil liet oprichten. Ik vroeg nog verder naar gelukkigen en hoorde van twee Grieksche jongelingen, die hunne moeder innig vereerden; van mij echter zeî Solon niets. Toen kon ik mijn verdriet niet langer verbergen en sprak: „O vreemdeling, acht gij dan mijn geluk zoo gering, dat gij mij niet eens met gemeene burgers in vergelijking stelt?” En Solon antwoordde: „Dikwijls is een arm man veel gelukkiger dan een rijke. En dan bedenk ik altijd, dat er in een menschelijk leven veel veranderen kan. Gij zijt nu zeer rijk en koning over een groot volk; ik kan u echter niet den gelukkigsten mensch noemen, vóór dat ik verneem, dat gij uw leven ook gelukkig ten einde gebracht hebt. Bij alle dingen moet men op het einde letten, en vóór den dood mag men niemand gelukkig roemen.”

Zoo sprak de wijze Solon; maar ik verachtte hem en liet hem nooit weêr vóór mij komen. Sedert heb ik reeds veel ongeluk gehad, en heden, in den grootsten nood, is Solon mij in de gedachte gekomen. Nu weet gij, o Kores, waarom ik dezen naam riep.”

Kores was diep geroerd. Hij schonk Croesus het leven en hield hem als vriend en raadgever bij zich. Maar de landen, waarover Croesus geheerscht had, kwamen bij Kores’ rijk, ± 549. Nu was er van het bekende land van Azië maar één groote staat over, die nog niet tot de Perzische heerschappij behoorde, Babylonië. Reeds had het geheimzinnige schrift aan den wand Belsazar verkondigd, dat zijn rijkUpharsin, aan de Perzen, zou komen. Maar de hoofdstad, Babylon, was sterk en groot. Prachtig lag zij aan beide zijden van den beneden-Eufraat en had 9 mijlen in omtrek. De haar omringende muurwas als een toren zoo hoog en zoo breed, dat op haar kruin meerdere rijtuigen elkaar passeeren konden. Tot ingang waren er 100 koperen poorten. Ook de oevers van de rivier waren aan beide zijden door een hoogen muur besloten, die zooveel poorten had, als er straten op uitliepen. De brug, die over den Eufraat leidde, was 9 meters breed en aan elke zijde met een groot paleis getooid. Deze paleizen droegen op gewelfde terrassen de fraaiste tuinen, die met hun prachtigen aanleg vrij in de lucht schenen te zweven. Men noemde ze daarom de zwevende of hangende tuinen en telde ze tot de wonderwerken der oude wereld. Kende de legende ze toe aan Semiramis (blz.14), de geschiedenis leert, dat Nebukadnezar ze had laten vervaardigen, om door den rijzenden en dalenden grond de glooiingen der bergen na te bootsen. Zijne vrouw was eene Medische prinses, dochter van Cyaxares, en verlangde in het vlakke Babylonië terug naar de berggezichten uit haar geboorteland. — In een deel der stad, dat eene geduchte ruimte insloot, verhief zich een groote toren, die met den tempel aan zijn voet aan den zonnegodBaalofBelgewijd was. Hij heette daarom toren van Baal, maar later ook Nimrodsburg, en bestond uit 8 verdiepingen, die naar boven altijd nauwer werden en met een trap voorzien waren.

Deze reuzenstad, van welke nog slechts puinhoopen voorhanden zijn, kon Kores niet met geweld veroveren, hij nam ze echter met list. Toen eens in Babylon een groot feest gevierd werd, liet hij in de duisternis van den nacht het water van den Eufraat afleiden. Daarop marcheerden de Perzen in de rivierbedding onder den muur door en overvielen de inwoners, die slechts aanhunne feestelijkheid gedacht hadden. Zoo werd Kores meester van Babylon en het geheele Babylonische rijk, 538, en gaf den Israelieten verlof naar het heilige land terug te gaan, waarmeê hunne 70 jarige Babylonische ballingschap eindigde.

3. Kores’ veroveringstochten werden voortgezet door zijn zoonCambyses. Deze, als zeer wreed afgeschilderd, was de onderwerper van Egypte, 525 (blz.13). Spoedig daarna stierf hij en zou, bij ontstentenis van een zoon, opgevolgd zijn door een’ jonger’ broeder, hadde hij dien niet reeds vroeger in ’t geheim laten vermoorden. Nu nam een Medisch priester de rol van dezen op, en, als hij zich had kunnen handhaven, dan waren de Meden weêr het hoofdvolk geworden. Maar nadat Pseudo-Smerdis, zoo noemt het Grieksche verhaal hem, eenige maanden geregeerd had, werd hij door saamgezworenen van den troon gestooten, enDarius, de naaste bloedverwant van Cambyses, werd heerscher. Hij kwam in Europa, trok den Donau over tegen de Scythen, onderwierp op zijn terugtocht Thracie en Macedonië gedeeltelijk (dit werd de 20stesatrapie[1]van zijn groot rijk), bedwong de opgestane Grieken in het westen van Klein-Azië, ± 500, en vond in de hulp, die dezen uit het moederland ontvangen hadden, voorwendsel en aanleiding om ook Griekenland aan te vallen. Dit stiet het Perzische rijk van het toppunt zijner macht af, zooals wij later bij de Grieken zullen zien.

4. De Perzen waren een dapper en vrijheidlievend volk en hadden veel overeenkomst met de oude Duitschers.Zij zorgden voor eene krachtige opvoeding van hunne kinderen, en haatten den leugen als de grootste ondeugd. Het krijgswezen was bij hen ver ontwikkeld. De sterkte van het leger lag in de ruiterij. Met het 20stejaar werd elk man, in staat de wapenen te dragen, aan eene bepaalde legerafdeeling toegevoegd, en bleef dan tot zijn 50stejaar in krijgsdienst. De Perzische koningen regeerden geheel onbeperkt; maar toch wisten de priesters,magigenoemd, hun invloed te doen gelden.

De godsdienst der oude Perzen was eene vereering der natuur. Zij hielden hun’ godsdienst op de wijs der oude Germanen, zonder tempels of beelden, in de vrije natuur, en aanbaden vooral hetvuur. Toen zich later veel afgoderij ontwikkeld had, trad een wijs man op,Zoroaster, en werd de eigenlijke stichter van het geloof, dat in de heilige boekenZendavesta, d. w. z. tekstverklaring, is ontwikkeld. Volgens deze is er naast den goeden wereldschepperOrmuzdnog een booze geestAhriman, en vele aan hen ondergeschikte wezens, goede en kwade engelen. Ook Ahriman was aanvankelijk goed en werd eerst door nijd omgekeerd. Zijn element is de duisternis, gelijk dat van Ormuzd het licht is. Na langen tijd en zware boete zal hij weêr heilig en goed worden. Als eenmaal de beheerscher van het booze geheel overwonnen is, volgt de opstanding der dooden en de verjonging der wereld.

De belijder van deze leer moet deugdzaam, weldadig en gastvrij zijn; nooit mag hij het streven der boozen onverschillig en zorgeloos aanzien; hij zal zich rein houden ook in zijne gedachten. Dit schoone voorschrift betrekkelijk de innerlijke reinheid werd later geheel uiterlijk opgevat. Er ontstonden zonderlinge manieren van reiniging;eindelijk gold zelfs al het menschelijke voor onrein, terwijl het vuur voor zoo heilig verklaard werd, dat men het niet aanblazen mocht, en dat men het tot geene bezigheid aanwenden moest. Daarbij kwamen nog andere bevreemdende stellingen, die de godsdienstleer van Zoroaster zeer verbijsterden. Desniettemin handhaafde zij zich langen tijd, en de vuurdienst duurt bij een klein gedeelte der Perzen, bij deParsenofGebers, nog thans voort.

De geschiedenis derJodenmag als bekend verondersteld worden; daarom volgen hier slechts de voornaamste jaartallen: Abraham ± 2000 v. Chr.; Jozef 1800; Mozes 1500; Salomo 1000; verdeeling van het rijk in 10 en 2 stammen 986; verwoesting van het rijk Israël door Salmanasser, koning van Assyrië aan den Tigris, ± 725, (blz.14); verwoesting van ’t rijk van Juda 586 door Nebukadnezar, koning van Babylonië, aan den Eufraat (blz.15); terugkeering uit de gevangenschap 536, door Kores, koning van Perzië (blz.19).

[1]Om opstanden te voorkomen, had hij overal satrapen.

[1]Om opstanden te voorkomen, had hij overal satrapen.

1. Naast de Joden, aan de bergachtige kust der Middellandsche zee, woonden dePhoeniciërs, die in den bijbel dikwijls vermeld worden. Hun geheele landje was nauwelijks dertig mijlen lang en hoogstens vijf mijlen breed. Van het overige Azië was het door het hooge gebergte van den Libanon gescheiden, die het in denvorm van een halven cirkel omringt. Daar het land grootendeels onvruchtbaar, de zee daarentegen zeer vischrijk was, zoo moesten de Phoeniciërs reeds vroegtijdig ter zee zich begeven. De prachtvolle cederen van den Libanon gaven hun het noodige hout tot den bouw der schepen. Hun smalle landje had voortreffelijke havens. Zoo kon het niet missen, of de Phoeniciërs moesten spoedig tot scheepvaart geraken. Zij waagden zich stoutweg op de open voor hen liggende Middellandsche zee en dreven belangrijken handel. Daar zij echter de magneetnaald, die steeds naar ’t noorden wijst en zoo de hemelstreken aangeeft, nog niet hadden, moesten zij op hunne vaarten vaak landen en zich rustplaatsen kiezen. Daardoor ontstonden nederzettingen ofkoloniën, die voor den handel buitengewoon belangrijk werden.

2. De eerste landingsplaats der Phoeniciërs was wel het nabij liggende eilandCyprus, waar zij zeer vroeg koperbergwerken ontdekten. Voorts voeren zij naarCreta, het tegenwoordigeCandia, dat van hooge krijtrotsen doortrokken is. Van hier zeilden zij naar de eilanden en kusten van Griekenland en Klein-Azië. Toen echter de Grieken zelf een machtig volk werden en scheepvaart dreven, wendden de Phoeniciërs zich naarNoord-Afrika. Hier stichtten zij vele steden, onder andere Hippo, Tunis en vooralKarthago. Tegenover deze legden zij ook op de eilandenSiciliëenSardiniëkoloniën aan.

Het gewichtigst was echter de Phoenicische handel opSpanje. Hier was goud, zilver en andere kostbare metalen in groote menigte. De oude inwoners, die de waarde van hunne bezitting niet kenden, ruilden gaarne met de Phoeniciërs, en dezen verzuimden niet hun voordeelop het schoone land te zoeken. De hoofdzetel van hun Spaansche koloniën was in het Zuiden, waar zij veel steden stichtten, b. v.Gades(Kadix),Malaka, enz. De Phoeniciërs zouden ook door de zeeëngte vanGibraltarnaar den Atlantischen Oceaan gevaren zijn en uit deEngelscheeilanden tin, ja zelfs uit de Oostzee het barnsteen gehaald hebben.

Behalve hun scheepvaart dreven zij een grooten handel te land, naar Egypte, Arabië, naar den Euphraat en verder; ook bezaten zij koloniën aan de Roode en Perzische zee en zelfs in Indië.

3. De werkzaamheid der Phoeniciërs was voor de ontwikkeling van verkeer en beschaving zeer zegenrijk. Zij verbreidden veel nuttige wetenschappen en verbeterden de uitvindingen, die zij bij andere volken aantroffen, zooals hetletterschrift, dat zij van de Egyptenaren leerden. Deglasbereiding, die het eerst door hen uitgevonden zou zijn, was reeds vroeger bij de Egyptenaren bekend. De Phoeniciërs hebben echter de verdienste, dat zij deze en andere nijverheidstakken vlijtig dreven en in grootere kringen bekend maakten. Zij vervaardigden uit glas verschillende vaatwerken en versierselen, bebouwden de bergen, bewerkten het erts, maakten afbeeldingen en stikwerken en waren vooral bekwaam in weven en verven. Zij hadden depurperkleur, die, zooals men vertelt, door een herdershond ontdekt en in den ouden tijd zeer duur betaald werd. Hoe veel andere uitvindingen en ontdekkingen zouden er wel door dat werkzame, nijvere volkje uitgevonden of volmaakt en verbreid zijn! Derekenkunstwordt nog uitdrukkelijk als hun uitvinding aangewezen; de handel moestook noodwendig tot deze leiden. Zoo is het ook met de vervaardiging vangeldstukkenofmunten.

4. DePhoeniciërswaren door hun uitgebreiden handel langzamerhand het rijkste en aanzienlijkste volk geworden. Hun vroeger zoo arm landje scheen een schoone lusthof. Alle 4 uren was een schoone hoofdstad met voortloopende plantsoenen tot aan de volgende. Iedere stad met haar gebied maakte een afzonderlijken staat uit. Zij hielden echter ook gemeenschappelijke beraadslagingen en verbonden zich tot grootere ondernemingen. De hoofden der afzonderlijke staten werden dikwijls koningen genoemd; zij waren echter waarschijnlijk slechts hooge beambten. De oudste stad van het land wasSidon. Beroemder dan zij, ja de beroemdste handelstad der oude wereld wasTyrus, een kolonie der Sidoniërs, daarom ook dochter van Sidon geheeten. In den tijd van den Joodschen koningDavidstond Tyrus onder zijn koningHiramop het toppunt zijner macht. Het verdrag, datHirammetSalomowegens den tempelbouw te Jeruzalem sloot, is om zijne hooge oudheid zeer merkwaardig.

Phoenicië was toen de markt van de geheele bekende wereld. Alles wat men om te leven of tot vermaak noodig had, kwam uit de hand der Phoeniciërs. Welk leven was er in de steden en aan de kusten! Daar waaiden de zeilen, daar snorden de raderen, daar gingen de hamers; alles leefde, bewoog zich en handelde. Steden en oevers wemelden van bezige menschen. Het land was een gelukkig land te noemen. Maar rondom woonden volken, die oorlogzuchtig waren en dikwijls den vrede der Phoeniciërs stoorden.Salmanassar,de strijdlustige koning van Assyrië, die het rijk Israël vernietigde, onderwierp de Phoenicische steden en verdrukte ze hard. Later kwamNebukadnezarvan Babylon en bestreed Tyrus zooals Jeruzalem. De inwoners van Tyrus verdedigden zich dapper, zoodat de belegering, zooals men verhaalt, bijna 13 jaren duurde, en toen Nebukadnezar eindelijk de stad veroverd had, vond hij ze zonder menschen. De inwoners hadden ze met al hun have verlaten en waren naar een naburig eiland gevlucht, waar zij spoedig weder een nieuw Tyrus oprichtten met al de pracht van ’t oude. Dit werd de hoofdzetel van den wereldhandel en bleef het, tot dat, 300 jaar later, de koningAlexander van Macedoniëkwam en de stad na eene belegering van zeven maanden veroverde. Hij liet haar wegens haar wanhopigen tegenstand in puinhoopen verkeeren. De inwoners werden neergesabeld, aan het kruis geslagen of als slaven verkocht. Alexander liet Tyrus wel weder opbouwen, maar de oude heerlijkheid was voorbij, want hij grondde nog in ’t zelfde jaar een stad aan den mond van den Nijl, naar hem Alexandrië geheeten, die den handel van Tyrus wegtrok. Sedert dien tijd is het Phoenicische kustenland door voortdurende verzandingen tot een ware zandwoestijn geworden en armelijke visschershutten staan heden daar, waar vroeger de volkrijkste steden bloeiden.

Verreweg de belangrijkste van alle Phoenicische koloniën was Karthago, op de noordkust van Afrika, oorspronkelijk eene Sidonische nederzetting, maar die van Tyrus nieuw bloed en leven kreeg, en na de rampen dezer stad op hare beurt eeuwen lang bloeide. Haar gebied strekte zich rechts en links uit en reikte diep landwaarts in. Naar ’t voorbeeld van ’t moederland coloniseerende,kwamen Sardinië, Corsica en de grootste westelijke helft van Sicilië in haar bezit. Later zullen we het in den kamp tegen Rome zien ondergaan.

1. Griekenland is aan drie kanten door de zee omringd, en in ’t noorden, waar het met het vaste land samenhangt, wordt het door hooge gebergten begrensd. De zee vormt tallooze en groote bochten, waardoor de scheepvaart zeer gemakkelijk wordt gemaakt. De bodem is bergachtig en bevat eene menigte kleine landschappen die meest alle vruchtbaar en bekoorlijk zijn. Het oude Griekenland, een beetje grooter als het nieuwe, was om zijn schoonheid zeer beroemd. Men onderscheidt van het noordelijke deel des lands het schiereilandMorea, vroegerPeloponnesusgenoemd, waarbij nog vele eilanden behooren. De Grieken hadden ook talrijke nederzettingen aan de kusten van de Middellandsche zee, voornamelijk in klein-Azië en Italië (bladz.32.) Griekenland werd door veel kleine volksstammen bewoond, die uit Azië afkomstig waren. Onder dezen traden langzamerhand de Hellenen op den voorgrond, wier naam nog heden bestaat en met dien van Grieken één is. Verscheidene sagen wijzen er op, dat ook vreemde volksstammen naar Griekenland kwamen, die reeds een hoogeren graad van beschaving bezaten, namelijk uit Egypte en Phoenicië. Naast deze sagen zijn vooral beroemd die, welke van groote helden vertellen, b.v. vanHercules.

2. De Grieken vereerden veel goden en godinnen, diezij zich geheel menschelijk voorstelden, terwijl zij hun een hoogere macht toeschreven. De koning der goden wasZeusofJupiter, die naar de schikkingen van het noodlot alles bestuurde, en met de hemellingen op denOlympus, een berg inThessalië, in het noorden van Griekenland, woonde. De bode en middelaar tusschen goden en menschen wasHermesofMerkurius, die met een staf en vleugels aan de hielen afgebeeld werd. DeMuzenwaren de beschermsters der muziek en andere kunsten. Behalve dat dachten de Grieken zich de geheele natuur als bezield en met hoogere wezens vervuld. Elke beweging in de natuur scheen hun een werk van de een of andere godheid te zijn. Ook in het innerlijke der menschen werkten de godheden als rechters van gezindheden en handelingen.

De Grieken geloofden ook, dat de goden soms uit hun hemelsche woningen op de aarde nederdaalden en hier op geheimzinnige wijze van de toekomstige dingen spraken. Als uitverkoren woonsteden der goden en hunner openbaringen golden vooral zulke plaatsen, waar schrik der natuur of heilige herinneringen tot geloovige aandacht stemden. Daarheen deden de Grieken bedevaarten, om bij de priesters raad te halen, als er gewichtige aangelegenheden te beslissen waren. Zulke door de priesters medegedeelde uitspraken werdenorakelsgenoemd en onvoorwaardelijk geloofd. Ook machtige personen eerden de orakels, daar zij zich gunstige antwoorden wisten te verschaffen en zoo hun plannen gemakkelijk uitvoeren konden. Het beroemdste orakel van Griekenland was teDelphi, aan den voet van den bergParnassus, in het midden van het land.

3. De Grieken waren een vriendelijk, levenslustig volken beminden spel en dans, ook bij de heilige feesten. Er waren verscheidene plaatsen, waar regelmatig alle 4 jaren geheel Griekenland tezamenkwam om groote spelen te vieren. Deze bestonden uit wedloopen, wagenrennen, worstelen, vuistgevechten, springen en dergelijke. Naast den lichamelijken wedstrijd was er ook een geestelijke, daar dichters, redenaars en kunstenaars hun werken voordroegen. Dan waren er vroolijke feesten, die meestal 5 dagen duurden. De namen der overwinnaars werden uitgeroepen en met gejuich door de aanwezenden herhaald. De prijs der overwinnaars was slechts een olijventak die het echter aan roem van een koningskroon won en niet slechts hem, die hem behaalde, maar ook zijn familie en vaderstad verheerlijkte. Onder de nationale spelen der Grieken waren deOlympische— naar Olympia, een vlek op Morea, genoemd — de beroemdste. Naar deze werd de tijdrekening bepaald en men noemde een tijdruimte van 4 jaren, met 776 v. Chr. beginnend, eenolympiade.

1. De Grieken hadden geen godsdienstboek zooals de Perzen en Joden; zij lazen en leerden in de plaats daarvan de groote gedichten, die men een ouden zanger,Homerusgenaamd, toeschrijft en die den tocht der Grieken naar Troje behandelen. De stadTrojelag in Klein-Azië, aan de westkust, en was de schouwplaats van een langen oorlog, waarover wij naar de oude verhalen iets zullen hooren.

De Trojaansche koningPriamushad een zoon,Parisgenaamd, die eensMenelaus, koning vanSparta, in Griekenland, bezocht en daarbij diens vrouw, Helena,roofde. Deze vermetele daad deed gansch Griekenland opstaan en alle vorsten verzamelden zich om naar Troje te trekken en wraak te nemen. Tot aanvoerder van den krijgstocht werdAgamemnon, de broeder van Menelaus, gekozen. Onder de overige vorsten van Griekenland zijn vooral de sluweOdysseusen de dappereAchilleste onderscheiden. Er werden 1200 schepen tot overbrenging van ’t leger gebouwd, dat wel 100000 man sterk was, en de strijd om Troje begon.

Deze stad was echter niet zoo licht te veroveren als de Grieken meenden. Zij had hooge muren en torens en werd zeer dapper verdedigd. Aan het hoofd van het trojaansche leger stondHector, een zoon van Priamus, die in moed en kracht met iederen Griek kon wedijveren. De groote vlakte tusschen de stad en de ligplaats der schepen was de kampplaats, waar beide volken de grootste heldendaden uitvoerden. De aanvoerders streden gewoonlijk op strijdwagens, de gemeene krijgers te voet; ruiterij had men nog niet. De wapens bestonden in lansen, zwaarden, werpspiesen, steenen en bogen. Tot dekking dienden hooge kegelvormige helmen, borstharnassen en beenbekleedsels, alles van metaal en groote schilden, die gewoonlijk uit runderhuiden bestonden, maar dikwijls met metaal ingelegd waren. De slagordening was tamelijk ongeregeld. Voor de legers aanvielen, was er gewoonlijk een tweestrijd tusschen de dappersten.

Het was een groot nadeel voor de Grieken, dat hun grootste held Achilles een geruimen tijd zich geheel van den strijd terugtrok uit bitteren haat tegen Agamemnon, met wien hij twist had. Maar toen zijn boezemvriend, Patroclus, door Hector verslagen was, verhief hij zich als een brullende leeuw en rustte niet, vóór hij Hectorgedood had. Het lijk van Hector liet hij door paarden sleepen, maar gaf het eindelijk op de beden van Priamus tot een plechtige begrafenis terug. Toen zich later de strijd vernieuwde, viel ook Achilles, getroffen door een pijl van Paris.

2. Nadat de Grieken 10 jaar voor Troje gestreden hadden, werden zij de lange belegering moê en wenschten naar huis te gaan. Toen gaf de sluwe Odysseus den raad, de stad met list te veroveren. Men bouwde een houten paard, zoo groot als een toren en verstak daarin dertig helden, waaronder ook Odysseus was. Dit houtwerk liet men in de legerplaats staan en deed toen alsof men geheel afreisde. De Grieken zeilden echter slechts naar een nabijzijnd eiland en stelden den arglistigenSinonaan om de Trojanen te bedriegen. Deze kwamen spoedig naar de verlaten legerplaats der Grieken en verwonderden zich niet weinig over het houten paard. Toen zij Sinon zagen, namen zij hem gevangen en ondervroegen hem. Hij verklaarde met veel sluwheid, dat de Grieken het paard op goddelijk bevel gebouwd en daarom zoo groot gemaakt hadden, omdat zij niet wilden dat het in de stad zou komen; als dat gebeurde, zou Troje naar de uitspraak der priesters nooit ondergaan. De Trojanen geloofden deze woorden en gingen dadelijk pogingen doen om het houten paard in de stad te halen. Zij wierpen een deel der muren om en voerden het met een grooten optocht door de lange straten naar den burg en den tempel. Toen alles sliep, opende Sinon het houten paard en liet er de geharnaste mannen uit. Deze liepen naar de poorten, waar de Grieken reeds wachtten en lieten ze binnen. Daar vlogen van alle kanten de vlammen in de hoogte en erbegon een verwoesting, die vreeselijk was. De Trojanen streden als razenden, maar het was te vergeefs. De geheele stad werd verwoest en al het volk met Priamus en zijn zoons gedood. Slechts een klein hoopje redde zich, waarbij de vromeAeneas, die eindelijk naar Italië kwam en hier zeer machtig werd. Menelaus bekwam zijn Helena weder, maar het schoone Troje lag in puinhoopen.

De Grieken hadden op hun terugkeer veel ongeluk te verdragen. Geweldige stormen verbrijzelden een deel der schepen, zoodat bijna de helft der manschap verdronk en jaren lang dwaalden de overgeblevenen in verwarring rond. De meeste en wonderbaarste lotgevallen had Odysseus. Hij moest tien jaar in de wereld omdwalen eer hij eindelijk het vaderland bereikte en kort daarvoor zijn zoon Telemachus aantrof, die lang naar hem gezocht had. In de schoone gedichten van Homerus zijn ook Odysseus’ omzwervingen bezongen. De legende spreekt verder van de terugkomst der Heracliden, afstammelingen van Heracles, de helden van Troje; de geschiedenis van een vrij algemeene verhuizing der Grieken, waartoe de bewoners van Doris in Midden-Griekenland[2]den stoot gaven. Daarnaar noemt men ze deDorische volksverhuizing, maar, zooals we zoo even zeiden, het was eene algemeene verplaatsing, ten gevolge waarvan de Peloponnesus de hoofdzetel der Doriërs werd, Attica die der Joniërs; dit waren de twee hoofdstammen. Maar men gingook verder. Vele Grieken van verschillende stammen gingen zich elders vestigen, gelijk wij ook de Phoeniciërs hebben zien doen, en zoo ontstonden een menigte Grieksche volkplantingen,nederzettingen, zelfstandige republiekeinsche steden (blz.26). Links en rechts vond men ze, als:

op Sicilië:Syracuse, Agrigentum, Selinus, enz.

in Zuid-Italië zoo vele, dat dit naar de nieuwe bewoners den naam van Groot-Griekenland kreeg, o. a. Neapolis (nu Napels), Maloënton (later Beneventum), Tarente, Sybaris, Croton;

in Spanje Saguntum; in Gallië (Frankrijk) Marseille;

in Macedonië: Olynthus, Thessalonica, e. a.;

in Thracië Byzantium (nu Konstantinopel);

rondom de Propontis en de Zwarte Zee, zelfs eene aan de monding van den Don, even als deze Tanaïs geheeten;

langs en in de Aegaeïsche zee. Vooral de laatste, aan de westzijde van Klein-Azië, waren talrijk en bloeiend. Zoo waren o. a. Smyrna, Ephesus en Miletus Ionisch, gelijk de eilanden Samos, Chios en Euboea; Aeolisch waren de eilanden Lemnos en Lesbos; Dorisch de zuidelijke Cycladen en Sporaden, Rhodus en Creta.


Back to IndexNext