VIII.

Hij zweeg eensklaps en ik meende te begrijpen, dat hij liever niet over dit onderwerp wilde voortspreken. Maar welke reden hij daartoe had, kon ik niet gissen. Later eerst heb ik die vernomen; heel veel later eerst en onder de treurigste omstandigheden, maar die ik wel vertellen zal als mijn verhaal zoover is.

Den anderen dag schreef mijn meester muziek voor mij, op dezelfde wijze als hij de letters voor mij had gemaakt.

Ditmaal echter was zijn werk veel moeielijker, want de verschillende teekens die voor de muziek vereischt worden, zijn wel zoo samengesteld als die van het alphabet.

Om mijn zakken niet al te vol te maken, gebruikte hij de blokjes hout aan beide kanten en nadat hij aan elke zijde vijf lijnen getrokken had, die de notenbalken moesten voorstellen, grifte hij op het eene een f- en op het andere een g-sleutel.

Toen hij hiermede gereed was, begonnen zijn lessen en ik moet bekennen, dat zij mij niet minder moeielijk vielen dan de vorige.

Meer dan eens begon Vitalis, die zoo geduldig met zijn honden was, aan mij te wanhopen.

—Wanneer men een dier leert, dan houdt men zich in, want dan weet men dat het een dier is, maar met u is mij dat bijna onmogelijk.

Hij hief dan op de meest aandoenlijke wijze de handen ten hemel en liet ze vervolgens met een harden slag op zijn dijen nederkomen.

Joli-Coeur, die alles altijd herhaalde wat hij dwaas vond, had ook deze beweging nagebootst, en daar hij altijd bij mijn lessen tegenwoordig was, speet het mij geweldig, wanneer ik mij vergiste en hem zijn armen weder ten hemel zag heffen.

—Zelfs Joli-Coeur lacht u uit, riep Vitalis.

Als ik gedurfd had, zou ik geantwoord hebben, dat hij zoowel den meester als den leerling bespotte, maar uit eerbied en uit vrees hield ik gelukkig dit gezegde altijd terug; ik stelde mij tevreden met het tegen mezelf te zeggen, wanneer Joli-Coeur met dit gebaar begon en een leelijk gezicht daarbij trok, hetgeen mij toch altijd eenige verlichting gaf.

Toen de eerste schreden met min of meer moeite gezet waren, had ik ook de voldoening een deuntje te kunnen neuriën, dat Vitalis op een blad papier geschreven had.

Dien dag bleef hij zijn kalmte behouden en tikte zelfs een paar maal vriendschappelijk op mijn wang, terwijl hij er bijvoegde, dat, als ik zoo voortging, ik waarschijnlijk een groot zanger worden zou.

Die vorderingen echter, men moet dit wel begrijpen, hadden niet op een enkelen dag plaats; weken en maanden verliepen er, dat ik voortdurend mijn zakken met blokjes hout moest vullen.

Ook was mijn werk niet zoo geregeld als bij een schoolkind en het was slechts in verloren oogenblikken, dat mijn meester mij les geven kon.

Iederen dag hadden wij onze wandeling, die nu eens kort, dan weder lang was, al naarmate de dorpen ver van elkander verwijderd lagen; overal moesten wij een voorstelling geven, waar wij kans hadden om een voldoende ontvangst te bekomen; de honden en Joli-Coeur moesten dagelijks hun repetitie houden en wij moesten voor ons ontbijt en middagmaal zorgen. Als dat alles was afgeloopen, kon er eerst aan de muziekles worden gedacht; meestal had ze plaats bij een halt onder een boom of wel op een hoop steenen, terwijl dan het gras of de weg gebruikt werd om er mijn blokjes op uit te spreiden.

Deze opvoeding geleek in het minst niet op die, welke andere kinderen ontvangen, die niets te doen hebben dan te leeren en zich toch altijd beklagen, dat zij geen tijd hebben om hun plicht te doen.

Er is echter iets belangrijker dan de tijd dien men met werken doorbrengt: de inspanning, die wij aan dat werk wijden; het is niet het uur, dat wij aan onze les geven, om ze in het geheugen te prenten, maar de wil, dien men medebrengt, om ze te leeren.

Gelukkig was mijn wilskracht zoo groot, dat ik mij nooit liet afleiden door hetgeen om ons voorviel.

Wat zou ik geleerd hebben, zoo ik altijd in een kamer had kunnen werken, met mijn handen op mijn ooren en de oogen in de boeken, zooals sommige scholieren! Daarvan kwam niets van in bij ons, want wij hadden geen kamer, waarin wij ons konden opsluiten en als wij op den grooten weg liepen, moest ik wel goed opletten, waar ik mijne voeten zette, daar ik anders licht zou zijn gestruikeld.

Ik leerde toch iets en leerde tevens verre tochten maken, wat niet minder beteekende dan de lessen van Vitalis. Ik was een mager kereltje, toen ik bij vrouw Barberin leefde en de wijze, waarop men over mij sprak, duidde dit aan; "een stadskind", had Barberin gezegd, "met te korte beenen en armen" had Vitalis er bij gevoegd. Bij mijn meester en in de buitenlucht werden mijn armen en beenen krachtiger, mijn longen ontwikkelden zich; kortom, ik werd tegen weer en wind gehard en was binnen korten tijd in staat om zoowel koude als warmte, vermoeienis als ontberingen te verdragen.

En deze leertijd was mijn geluk, want hij stelde mij in staat weerstand te bieden aan de slagen, die mij meer dan eens zouden treffen, harde en verpletterende beproevingen in mijn jeugd.

Wij hebben het zuidelijk gedeelte van Frankrijk doorkruist: Auvergne,Velay, Vivarais, Quercy, Rouergue, Cevennes en Languedoc.

Onze manier van reizen behoorde tot de eenvoudigste: wij liepen steeds recht toe recht aan; en als wij aan een dorp kwamen, dat ons niet al te armoedig scheen, dan maakten wij de noodige toebereidselen tot een feestelijken intocht. Ik kleedde de honden aan, maakte het kapsel van Dolce in orde en doste Zerbino zoo fraai mogelijk uit, terwijl ik op Capi's oog een pleister plakte om hem zijn rol van een ouden knorrepot te laten spelen, en eindelijk dwong ik Joli-Coeur om zijn generaalsrok aan te trekken. Dat was nog het moeielijkste gedeelte van mijn taak, want de aap, die zeer goed wist, dat dit kostuum voorafging aan hetgeen hij te verrichten zou hebben, verdedigde zich zoolang mogelijk en bedacht de zonderlingste streken om mij het aankleeden te beletten. Ik riep dan Capi te hulp en door diens handigheid, instinct en slimheid gelukte het mij meestal hem machtig te worden.

Wanneer wij allen in groot tenue waren, haalde Vitalis zijn fluit te voorschijn en wij trokken dan in geregelde orde het dorp binnen.

Zoodra het aantal nieuwsgierigen voldoende was, gaven wij eene voorstelling, maar wanneer dit niet talrijk genoeg was om een goede ontvangst te kunnen verwachten, vervolgden wij onzen weg.

In de steden echter vertoefden wij eenige dagen en 's morgens mocht ik dan gaan wandelen, als ik daartoe lust gevoelde. Ik nam Capi dan met mij mede—Capi geheel als hond, zonder zijn comediepakje, drentelde met mij door de straten.

Vitalis die mij gewoonlijk niet van zich weg liet gaan, stond mij echter deze vrijheid gaarne toe.

—Daar het toeval u door Frankrijk voert op een leeftijd, dien andere kinderen gewoonlijk op de schoolbanken doorbrengen, moet gij trachten alles te zien en te hooren. Wanneer gij u in moeielijkheden bevindt, iets ziet dat gij niet begrijpt, of mij het een of ander te vragen hebt, kom dan gerust bij mij. Misschien kan ik er u niet altijd een antwoord op geven, want ik beweer volstrekt niet, dat ik alles weet, maar het is zeer wel mogelijk, dat ik dikwijls aan uwe nieuwsgierigheid voldoen kan. Ik ben niet altijd directeur van een troep gedresseerde honden geweest en ik heb wel wat anders geleerd, dat mij nu te stade komt, om Capi en den heer Joli-Coeur aan het geëerde gezelschap voor te stellen.

—Wat dan?

—Dat zal ik u later wel eens vertellen. Voor het oogenblik behoeft gij slechts te weten, dat een man met geleerde honden wel eens een gansch andere plaats in de wereld kan bekleed hebben. En weet dan tevens, dat, al behoort gij thans tot een der laagste standen in de maatschappij, gij tot een hoogeren kunt geraken, wanneer gij wilt. Dit hangt een weinig van het toeval af, maar veel van u zelf. Wanneer gij naar mijn lessen luistert en mijn raad opvolgt, dan zult gij later, als gij ouder zijt, met een gevoel van genegenheid en dankbaarheid terugdenken aan den armen muzikant, die u zooveel schrik aanjoeg, toen hij u van uw pleegmoeder scheidde; ik verbeeld mij, dat onze ontmoeting tot uw geluk leiden moet.

Welke kon die stand wezen, waarover mijn meester dikwijls met zekere geheimzinnigheid sprak? Deze vraag wekte telkens mijne nieuwsgierigheid op en hield mijn geest aanhoudend bezig. Indien hij zulk een hooge betrekking in de maatschappij bekleed had, waarom was hij dan tot zulk een lage afgedaald? Hij beweerde, dat ik mijzelf tot eene betere positie kon opwerken, zoo ik dat wilde; ik, die niets was, niets wist, zonder een bloedverwant of iemand om mij te helpen. Waarom was hij dan zelf zoo gedaald?

Nadat wij Auvergne verlaten hadden, hadden wij ons naar de golvende vlakte van Quercy begeven. Geen land is armer en treuriger dan dit. En wat bovendien den indruk, dien de reiziger in deze streek ontvangt, nog sterker maakt, is, dat er bijna nergens eenig water te bespeuren is. Geen rivier, noch beekje, noch vijver. Hier en daar een steenachtige bedding van een stroom, die thans geheel verlaten was. Het water was in de diepte verdwenen en had zich verborgen onder den grond, om elders op te borrelen en rivieren of fonteinen te vormen.

Midden in deze vlakte, die op het tijdstip, dat wij haar bezochten geheel verzengd was door de droogte, ligt het aanzienlijke dorp Bastide-Murat; wij brachten daar den nacht door op de vliering van een herberg.

—Hier, zeide Vitalis, toen wij 's avonds, vóór we ons naar bed, begaven, nog een oogenblik bleven praten, hier is een man geboren die duizenden soldaten heeft doen sneuvelen, die zijn loopbaan als staljongen begonnen is, en als vorst en koning haar heeft geëindigd; hij heette Murat; men heeft een held van hem gemaakt en zijn naam aan dit dorp gegeven; ik heb hem gekend en zelfs dikwijls gesproken.

Ondanks mijzelven kon ik eene vraag niet terughouden.

—Toen hij staljongen was?

—Neen, zeide Vitalis lachend, toen hij koning was. Het is voor de eerste maal, dat ik te Bastide kom en ik heb hem te Napels, te midden zijner hofhouding, gekend.

—Hebt gij een koning gekend?

Ik vermoed, dat de toon waarop ik dit uitriep, zeer dwaas was, want mijn meester barstte in lachen uit.

Wij zaten op een bank voor den stal, met onzen rug tegen den muur geleund, waarop de warmte van den dag afstraalde. In een boschje eschdoorns, in de nabijheid, zongen de nachtegaals. Vóór ons, hoog boven de daken, steeg de maan zachtkens ten hemel. Deze avond was voor ons des te aangenamer, daar de dag brandend heet was geweest.

—Wilt gij gaan slapen, vroeg Vitalis mij, of wil ik u de geschiedenis van koning Murat vertellen?

—O, ja, de geschiedenis van den koning.

Hij verhaalde mij toen diens levensloop en uren lang bleven wij op die bank zitten; hij vertelde steeds voort, terwijl ik als aan zijn lippen hing en zijn gelaat door het bleeke maanlicht beschenen werd.

Was dat alles mogelijk, niet alleen mogelijk, maar waar!

Tot op dat oogenblik had ik in het minst geen begrip gehad wat de geschiedenis eigenlijk was. Wie zou ze mij ooit verteld hebben? Vrouw Barberin zeker niet; zij wist het zelve niet. Zij was te Chavanon geboren en zij hoopte daar te sterven. Haar gedachten waren nooit verder gegaan dan haar oogen. En voor haar oogen lag het heelal besloten in het landschap, waar zij de zon zag ondergaan achter den berg Hudouze.

Mijn meester had een koning gezien; die koning had tot hem gesproken.

Wat was mijn meester dan toch in zijn jeugd geweest?

En door welke oorzaak was hij op zijn ouden dag geworden wat hij thans was?

Men zal mij moeten toegeven, dat dit meer dan voldoende was om een kindergeest bezig te houden, zoo vatbaar voor al wat wonderlijk is.

Toen wij het dorre en onvruchtbare landschap verlaten hadden, daalden wij naar het schoone en liefelijke dal van de Dordogne, dat wij bij kleine dagreizen doortrokken, want een rijk land bevat welgestelde burgers en daar onze voorstellingen zeer talrijk waren, stroomde het geld in Capi's bakje.

Een bevallige brug, die in den nevel ons toescheen aan herfstdraden te hangen, strekt zich boven een breede rivier uit, welke rustig tusschen hare boorden voortkabbelt; het is de brug van Cubzac en de rivier is de Dordogne.

Een oude bouwvallige stad met grachten en wallen, met torens en een klooster, omheind door ingestorte muren, met boschjes waarin de krekel zich onophoudelijk doet hooren—dat is Saint-Emilion.

Maar dat alles staat mij slechts onbestemd voor den geest, terwijl een ander schouwspel mij veel meer getroffen heeft, en zulk een diepen indruk op mij maakte, dat ik het mij nog levendig herinneren kan.

Wij hadden den nacht in een zeer arm dorp doorgebracht, dat wij den anderen morgen reeds bij het aanbreken van den dag verlieten. Geruimen tijd hadden wij een zandweg gevolgd, toen wij plotseling, in plaats van de wingerden, die den weg omzoomden, een open vlakte voor ons zagen, alsof eensklaps, door een tooverstaf, een gordijn was opgetrokken.

Een breede rivier kronkelde zich zachtkens om den heuvel, dien wij bestegen, en aan gindsche zijde van die rivier verhieven zich de daken en torens van een groote stad, waarvan de grens met den horizon samensmolt. Wat een huizen! Wat een schoorsteenen! De een al hooger en nauwer dan de ander. Zij stonden daar als pilaren, die een zwarte rookkolom deden opstijgen, prijsgegeven aan de luimen van een licht koeltje, en boven de stad pakten zij zich tot een donkere wolk samen.

Middenop die rivier en aan de kade lagen een aantal schepen, die als boomen van een woud zich verhieven, waarvan tuig en masten, zeilen en vlaggen in elkander grepen en zich verwarden, wanneer de wind er onder speelde.

Men hoorde een dof gedreun, het geluid van rammelend ijzer en zware hamerslagen, terwijl daar bovenuit onafgebroken het ratelen van rijtuigen klonk, die men in zijn verbeelding over de kade zag rijden.

—Dat is Bordeaux, sprak Vitalis.

Voor een kind, dat eene opvoeding genoten had als ik, en tot nogtoe slechts arme dorpen of kleine steden had gezien, was het alsof het plotseling in een tooverwereld verplaatst werd.

Onwillekeurig bleef ik stilstaan en staarde ik strak voor mij uit.

Maar weldra werd mijn blik toch door één punt geboeid: de rivier en de schepen, die haar bedekten. Ik had mij nooit eene voorstelling daarvan gemaakt en ik begreep er ook niets van.

Schepen in volle zeilen zakten langzaam de rivier af, bevallig overhellend naar de eene zijde, terwijl andere vaartuigen de rivier opvoeren; ook zag ik er sommigen die onbeweeglijk bleven liggen, alsof zij een eiland waren, en nog anderen weder, die om zich zelf heendraaiden, zonder dat men bemerken kon, waardoor zij deze wendingen maakten; eindelijk waren er ook zonder masten, zelfs zonder zeilen, maar die hadden een schoorsteen, waaruit een dwarrelende kolom van rook ten hemel steeg; deze bewogen zich met groote snelheid in alle richtingen en lieten in het gele water voren van wit schuim achter.

—Het is thans vloed, zeide Vitalis, mij het antwoord gevende, zonder dat ik hem de vraag gedaan had; er zijn daaronder schepen, die uit volle zee komen en een lange reis achter den rug hebben; deze zijn verkleurd en bijna verroest; er zijn anderen die eerst de haven verlaten, in het midden der rivier liggen, om zich zelf draaien en met behulp van hun ankers steeds den steven bieden aan den opkomenden vloed. Die welke zooveel rook geven zijn sleepbooten.

Welke vreemde woorden waren dit voor mij! Welke nieuwe gedachten rezen voor mijn geest!

Toen wij de brug bereikt hadden, die Bastide met Bordeaux verbindt, had Vitalis den tijd nog niet gehad om mij zelfs maar op een honderdste gedeelte van mijn vragen, die ik hem doen wilde, een antwoord te geven.

Tot nogtoe was ons verblijf in dorpen nooit van langen duur geweest, want door den aard van onze voorstellingen waren wij wel genoodzaakt dagelijks een andere plaats te zoeken, om telkens een nieuw publiek te hebben. Wanneer wij de vier of vijf stukken, waaruit ons repertoire bestond, gespeeld hadden, dan moesten wij weder van voren afaan beginnen.

Maar Bordeaux was eene groote stad, waar wij dikwijls van publiek konden verwisselen en gerust drie of vier voorstellingen konden geven, zonder dat de toeschouwers ons zouden uitfluiten.

Van Bordeaux zouden wij naar Pau gaan. Ons reisplan voerde ons over dat uitgestrekt moeras, dat van de haven van Bordeaux zich tot aan de Pyreneën uitstrekt en de Landes heet.

Hoewel ik niet de muis uit de fabel ben, die bij alles wat zij ziet verbaasd is of haar verwondering en schrik daarover te kennen geeft, kreeg ik toch den eersten dag een schrik, die mijn meester dikwijls deed lachen en tot aan Pau mij met zijn spot vervolgen deed.

Het was zeven of acht dagen geleden, sedert wij Bordeaux verlaten hadden en nadat wij eerst de oevers van de Garonne gevolgd waren, verlieten wij deze en sloegen den weg naar Mont-de-Marsan in, die door de vlakte voerde. Geen wingerden of weilanden waren het thans, die ons oog bekoorden, maar bosschen van pijnboomen en heidevelden. De huizen werden zelfs al spoedig zeldzamer en armer. Daarop bereikten wij een onmetelijke vlakte, die zoo ver onze blik reikte, zich zacht-golvend voor ons uitstrekte. Geen bouwland, geen bosch, maar een grijsachtige bodem in de verte, en langs den weg, bedekt met een zacht mos, dorre struiken en door den wind geknakt kreupelhout.

—Hier zijn we in de Landes, zeide Vitalis; wij moeten thans nog twintig of vijfentwintig mijlen door deze woestijn afleggen. Gij moogt uw beenen dus wel wat moed inspreken.

Niet alleen mijn beenen, maar ook mijn hoofd en hart hadden daaraan behoefte; want op dezen weg, die nooit scheen te eindigen, werd men door een onbestemd gevoel van weemoed, ja van wanhoop aangegrepen.

Sedert dien tijd heb ik verscheidene zeereizen gemaakt, en als ik mij middenop den oceaan bevond, zonder een zeil in het gezicht, maakte zich altijd weder diezelfde onbeschrijfelijk zwaarmoedige stemming van mij meester, die ik in deze verlaten streek gevoeld had.

Wij liepen steeds voort, zonder dat wij een oogenblik bemerkten, dat wij vorderden. Nu en dan werd onze tocht afgewisseld door een klein groepje boomen, maar deze gaven aan het landschap geen vroolijker karakter. Het waren gewoonlijk pijnboomen, waarvan de takken aan den top waren afgesneden. Over den geheelen bast waren diepe insnijdingen gemaakt en uit die roode wonden droop het witte gekristalliseerde sap. Als de wind bij vlagen door de takken suisde, veroorzaakte hij een klagend geluid, alsof de arme gepijnigde boomen zelven over hunne wonden treurden.

Vitalis had mij gezegd, dat wij dien avond een dorp zouden bereiken, waar wij een nachtverblijf konden vinden.

Maar toen de avond naderde, bespeurden wij niets, dat ons de nabijheid van een dorp deed vermoeden: geen bouwland, noch grazend vee, noch lichten rook, die uit een huis opsteeg.

Wij hadden een geheelen dag geloopen; ik was doodmoê en een gevoel van uitputting had zich van mij meester gemaakt.

Zou dat vurig gewenschte dorp dan nooit op dezen oneindig langen weg verschijnen?

Hoe ik ook rondstaarde, ik zag niets anders om mij heen dan de vlakte, waarvan het lage kreupelhout al meer en meer verdween in de toenemende duisternis.

Het verlangen naar rust had ons den pas doen versnellen en mijn meester zelf, niettegenstaande hij gewend was verre tochten te maken, scheen vermoeid te zijn. Hij wilde zelf een oogenblik aan den kant van den weg gaan rusten.

Maar in plaats dat ik mij naast hem zette, beklom ik een kleinen heuvel, die met bremstruiken begroeid was en zich op geringen afstand van ons verhief, om te zien of ik niet eenig licht kon ontdekken.

Ik riep Capi om met mij mede te gaan; maar Capi was ook moede en hij deed alsof hij niet hoorde, wat zijn gewoonte was tegenover mij, als hij geen lust gevoelde om mij te gehoorzamen.

—Zijt gij bang? vroeg Vitalis.

Deze woorden deden mij besluiten om niet langer aan te dringen en ik ging alleen op mijn ontdekkingstocht uit: ik wilde me ook niet langer den spot van mijn meester laten welgevallen, daar ik in het minst geen angst gevoelde.

Het was echter geheel donker geworden; de maan scheen niet, maar eenige sterren flikkerden aan het uitspansel en verspreidden een flauw schijnsel, waardoor de lichte nevelen zichtbaar waren.

Terwijl ik voortliep en nu eens rechts dan links blikte, bemerkte ik, dat deze nevelachtige schemering een zonderlingen vorm aan alle dingen gaf; ik moest er goed over nadenken, eer ik het kreupelhout, de bremstruiken en vooral de lage boomen kon onderscheiden; zij geleken van verre allen op levende wezens, die deel uitmaakten van een tooverwereld.

Dat was vreemd en het scheen, dat in de schemering de vlakte eene verandering ondergaan had en zij met geheimzinnige wezens bevolkt was geworden.

De gedachte kwam in mij op, waarom weet ik zelf niet, dat een ander in mijn plaats misschien bang zou geworden zijn; dat was zeer wel mogelijk, daar Vitalis mij gevraagd had of ik vrees koesterde; toch gevoelde ik voor mezelf in het minst geen vrees.

Naarmate ik hooger klom, werden de struiken ook grooter en het hout krachtiger; de toppen der boomen reikten zelfs dikwijls boven mijn hoofd en ik was vaak genoodzaakt mij te bukken.

Toch had ik spoedig de kruin bereikt. Maar hoe ik ook om mij heen staarde en zocht, ik bespeurde nergens eenig licht. Mijn blik verloor zich in de duisternis: slechts onbestemde vormen, zonderlinge gedaanten, braamstruiken, die hun takken naar mij schenen uit te strekken alsof het lange beweegbare armen waren, soms dansende struiken schenen.

Toen ik niets kon ontdekken dat mij de nabijheid van een of ander dorp deed vermoeden, luisterde ik met ingehouden adem of soms eenig geluid, het loeien van eene koe of het blaffen van een hond, een boerenwoning mocht verraden.

Nadat ik geruimen tijd met gespannen aandacht alles had waargenomen, voer plotseling eene rilling mij door de leden; de stilte, welke in de Landes heerschte, deed mij huiveren, maakte mij angstig. Waarom? Dat wist ik zelf niet. Zeker was het mijn eenzaamheid en het nachtelijk uur. In ieder geval, ik gevoelde dat ik in gevaar verkeerde.

Op hetzelfde oogenblik, dat ik in den grootsten angst om mij heen staarde, bemerkte ik dat een lange gedaante, die boven de struiken uitstak, zich snel voortbewoog en tegelijkertijd hoorde ik iets in het kreupelhout ritselen.

Ik trachtte mezelf wijs te maken, dat dit het gevolg was van mijn vrees en dat hetgeen ik voor een schim hield niets anders dan een boom was, die mijn aandacht in het eerst was ontgaan.

Maar wat was dan dat gedruisch?

Het was volkomen windstil. Zelfs de kleinste takken bewegen zich niet vanzelf; het moest, zoo niet de wind, dan een mensch zijn, die ze heen-en-weer deed gaan.

Een mensch?

Neen, dat groote zwarte lichaam, dat mij naderde, kon geen mensch zijn; een dier eerder, een reusachtige nachtvogel, of een groote spinnekop op vier pooten, waarvan de tengere ledematen zich boven het hout en de struiken verhieven en tegen den bleeken hemel afstaken.

Zeker was het, dat dit dier op ondenkbaar lange pooten meer en meer, met groote sprongen zelfs, mij naderde.

Zonder twijfel had het mij gezien en het kwam op mij af.

Deze gedachte deed mij mijn krachten herwinnen en mij omkeerende, snelde ik den berg af om mij weder bij Vitalis te voegen.

Maar, zonderling, ik daalde minder snel, dan ik gestegen was; ik verwarde mij telkens tusschen het hakhout en wondde mij gedurig aan de takken, hetgeen mij noodzaakte bij elke schrede stil te staan.

Terwijl ik mij in een boschje verschool, wierp ik een blik achter mij: het dier naderde nog altijd; het kwam op mij af.

Gelukkig was het kreupelhout aanmerkelijk verminderd en kon ik dus over het gras harder loopen.

Maar hoe ik mij ook haastte, het dier liep nog sneller, ik behoefde niet eens meer om te zien, ik voelde het reeds in mijn rug.

Ik haalde geen adem meer, ik stikte bijna van angst en van het harde loopen; ik waagde toch nog eene laatste poging en viel voor de voeten van mijn meester neder, terwijl de drie honden, die zich plotseling hadden opgericht, begonnen te blaffen.

Ik herhaalde werktuigelijk slechts:

—Het beest! het beest!

Onder het blaffen der honden hoorde ik plotseling een luid gelach. Op hetzelfde oogenblik voelde ik de hand van mijn meester op mijn schouder rusten en dwong hij mij om mij om te keeren.

—Het beest zijt gij zelf; zie eens om, als ge durft.

Zijn lach meer nog dan zijn woorden, hadden mij weder tot mezelf gebracht; ik opende mijn oogen en volgde de richting van zijn hand.

De verschijning, die mij zooveel angst had aangejaagd, was stil blijven staan; zij stond onbeweeglijk op den weg.

Toch gevoelde ik nog eenige vrees en schrik, dat moet ik eerlijk bekennen, maar ik was niet meer alleen op de vlakte; Vitalis was bij mij; de honden stonden naast mij; de stilte en de eenzaamheid hadden nu haar invloed op mij verloren.

Ik vatte moed en staarde flink in het rond.

Was het een dier?

Was het een mensch?

Het had een menschelijk lichaam en ook een hoofd en armen.

Het had echter de harige huid van een dier en twee lange, magere pooten waarop het stond.

Hoewel het stikdonker was, kon ik die bijzonderheden toch onderscheiden, want deze groote gedaante teekende zich zwart af gelijk een silhouette tegen den hemel, waar tallooze sterren een zacht schijnsel verspreidden.

Waarschijnlijk zou het lang geduurd hebben eer ik mezelf op mijn vraag eenig antwoord had kunnen geven, zoo mijn meester niet het woord tot de gedaante gericht had.

—Kunt gij mij ook zeggen of wij nog ver van een dorp verwijderd zijn? vroeg hij.

Het was dus een mensch, daar men tot hem spreken kon?

Maar tot antwoord hoorde ik niets dan een scherpen lach gelijk aan het geschreeuw van een vogel.

Het was dus een dier?

Mijn meester ging echter voort met vragen, hetgeen ik als zeer onverstandig van hem beschouwde, want ieder weet, dat al mogen dieren somtijds hetgeen men zegt begrijpen, zij toch nooit kunnen antwoorden.

Hoe groot was dus mijne verbazing toen het dier zeide, dat er geen enkel huis in onze omgeving was, maar slechts een schaapskooi, waarheen hij ons wilde geleiden.

Hij sprak, maar hoe kwam het dan dat hij pooten had?

Indien ik gedurfd had, zou ik hem zijn genaderd, om te zien hoe zijn pooten gemaakt waren, en hoewel hij in het geheel niet boosaardig scheen, had ik toch daartoe den moed niet, en mijn zak opnemende, volgde ik mijn meester zonder iets te zeggen.

—Hebt gij nu gezien, wat u zooveel schrik heeft aangejaagd? vroeg hij me onderweg.

—Ja, maar ik weet niet wat het is; zijn er dan reuzen in dit land?

—Ja, wanneer zij op stelten loopen.

Hij vertelde mij toen dat de bewoners van de Landes, om de moerassige en zandige streken te doorkruisen zonder tot aan de heupen toe door het slijk te baggeren, zich van lange stokken bedienen, die met een beugel voorzien zijn en waarop zij hun voeten bevestigen.

—Op deze wijze worden zij voor bange kinderen reuzen met zevenmijlslaarzen.

Van Pau heb ik een zeer aangenamen indruk ontvangen: in deze stad waait het bijna nooit.

En daar wij haar in den winter bezochten, over dag op straat waren of op openbare pleinen onze voorstellingen gaven, kan men begrijpen, dat het verblijf daar voor mij een genot was.

Toch was dit niet de oorzaak, dat wij, in strijd met onze gewoonte, zoolang op een zelfde plaats bleven; het was eene andere, zeer overwegende reden, namelijk: de overvloedige opbrengst van onze voorstellingen.

Wij hadden gedurende den winter steeds een talrijk kinderpubliek dat ons repertoire nooit moede scheen te zijn en nooit riep: "Is het alweer hetzelfde."

Voor het grootste gedeelte waren het engelsche kinderen: opgeschoten knapen met roode wangen en kleine meisjes met groote oogen, die bijna even mooi waren als die van Dolce. Bij die gelegenheid leerde ik deAlbert's, deHuntley'sen andere lekkernijen kennen, waarmede zij, vóór dat ze naar de voorstelling gingen, altijd hun zakken vulden om ze dan met milde hand tusschen Joli-Coeur, de honden en mij te verdeelen.

Toen de lente zich door eenige warme dagen aankondigde, werd ons publiek minder talrijk en na de voorstelling kwamen de kinderen ons bezoeken; zij kwamen nu afscheid van ons nemen, want den anderen dag zouden zij vertrekken.

Weldra stonden wij weder geheel alleen op de pleinen en moesten wij er ook weder aan gaan denken andere plaatsen op te zoeken.

Op een morgen begaven we ons op weg en weldra hadden wij de stad geheel uit het gezicht verloren.

Ons zwervend leven had opnieuw een aanvang genomen en wij volgden weder den grooten weg.

Geruimen tijd, hoeveel dagen en weken weet ik niet, liepen wij steeds recht toe, recht aan, nu eens een dal doortrekkende, dan weder een heuvel beklimmende, terwijl aan onze rechterzijde de blauwe toppen der Pyreneën zich verhieven.

Eindelijk bereikten wij op een avond een groote stad, die aan den oever van een rivier gelegen was, en door de vruchtbaarste velden was omringd; de huizen waren meerendeels zeer leelijk en geheel uit roode steen gebouwd; de straten waren belegd met puntige keien, welke erg veel pijn deden aan de voeten van reizigers, die reeds een twaalftal mijlen per dag hadden afgelegd.

Vitalis zeide mij, dat het Toulouse was en dat wij daar lang zouden vertoeven.

Zooals gewoonlijk, was den anderen dag ons eerste werk om te zorgen, dat wij een geschikte plaats voor onze voorstellingen hadden.

Wij vonden er verscheidene, want Toulouse heeft een aantal pleinen, vooral in de nabijheid van den Dierentuin, en reeds bij onze eerste voorstelling hadden wij een talrijk publiek.

Ongelukkig echter keurde een agent van politie onze vertooning zeer af en hetzij hij niet van honden hield, of dat wij hem zijn dienst er moeielijker maakten, of om welke andere reden ook, hij wilde ons deze plaats doen verlaten.

Misschien ware het van ons verstandiger geweest om deze plagerij in te willigen, want in een strijd tusschen arme zwervers, zooals wij, en een politieagent, staan de partijen niet gelijk; maar mijn meester was van een andere meening.

Hoewel hij slechts honden en apen vertoonde, bezat hij toch een zeker gevoel van trots, of liever zijn gevoel van recht was sterk bij hem ontwikkeld; daarom gaf hij zijn overtuiging te kennen, zooals hij zelf verklaarde, dat hij beschermd moest worden, zoolang hij niets deed, wat met de wet of met eenige politieverordening in strijd was.

Hij weigerde dus om aan den agent te gehoorzamen, toen deze ons van het plein wilde wegjagen.

Als mijn meester zich niet door zijn drift wilde laten beheerschen of wel lust gevoelde om eene zaak in een bespottelijk daglicht te stellen—hetgeen hem dikwijls overkwam—, dan overdreef hij de italiaansche beleefdheid in de hoogste mate en ook thans zou men bijna meenen, als men hem hoorde spreken, dat hij het woord tot een der aanzienlijkste overheidspersonen richtte.

—Vertegenwoordiger der overheid, zeide hij, terwijl hij met zijn hoed in de hand den agent antwoordde, kunt gij mij een verordening toonen, welke van die overheid is uitgegaan en waarbij het aan toneelspelers, zooals wij, verboden is, hun weinig winstgevende zaak op publieke plaatsen te drijven?

De agent gaf hierop ten antwoord, dat hier niet te twisten, maar te gehoorzamen viel.

—Zonder twijfel, sprak Vitalis, en dat begrijp ik ook zeer goed; ik beloof u ook mij geheel volgens uw bevelen te gedragen, zoodra gij mij de voorschriften daaromtrent hebt getoond.

Dien dag keerde de agent ons den rug toe, terwijl mijn meester, met zijn hoed in de hand, den arm in de zijde en in eenigszins voorovergebogen houding hem lachend een eind vergezelde.

Maar den anderen morgen kwam hij terug, stapte hij zelfs over het touw heen, waarmede ons terrein was afgesloten en stoorde hij ons midden in onze voorstelling.

—Gij moet uw honden muilbanden, zeide hij op barschen toon totVitalis.

—Mijn honden muilbanden?

—Er bestaat eene politieverordening; dat moest gij weten. Deze stoornis deed onder de toeschouwers een gemompel van afkeuring ontstaan en zij riepen:

—Stoor hem niet!

—Laat eerst de voorstelling eindigen!

Maar met een enkele beweging van de hand beval Vitalis stilte.

Hij zette daarop zijn hoed, die met pluimen versierd was, af, en boog zeer onderdanig voor het publiek, naderde den agent met drie diepe buigingen en zeide toen:

—Vertegenwoordiger der overheid, hebt gij gezegd, dat ik mijn komedianten moet muilbanden?

—Ja, uw honden en zoo spoedig mogelijk.

—Muilbanden Capi, Zerbino en Dolce! riep Vitalis, meer tot het publiek dan tot den agent, maar u kunt dat niet meenen! Hoe zou de geleerde dokter Capi, die wereldberoemd is, zijn geneesmiddelen kunnen voorschrijven om den knikker uit de maag van den heer Joli-Coeur te verwijderen, wanneer de heer Capi een muilband voor zijn neus droeg? Het zou nog gaan, wanneer het een ander toestel ware, dat meer in overeenstemming was met zijn vak, maar dat volstrekt niet voor een menschenneus geplaatst wordt.

Deze woorden wekten zeer den lachlust van het publiek op.

Vitalis, aangemoedigd door deze toejuichingen, vervolgde:

—En hoe zou onze bekoorlijke Dolce, onze ziekenoppasseres, aan hare welsprekendheid kunnen voldoen, en op hare bevallige wijze onzen zieke kunnen overreden, zijn ingewanden te laten schoonmaken, indien zij aan de punt van haar neus het toestel droeg, dat de vertegenwoordiger der overheid haar wil geven? Ik vraag het geëerde publiek om dit te beslissen?

Het geëerde publiek, welks hulp aldus werd ingeroepen, gaf niet terstond antwoord, maar het lachen was reeds voldoende; men gaf Vitalis gelijk en bespotte den agent, en vooral schepte men behagen in de dwaze gezichten, die Joli-Coeur trok, achter den rug van den vertegenwoordiger der overheid.

Geërgerd door de woorden van Vitalis, wanhopend over het lachen van het publiek, keerde de agent, die niet tot de geduldigste menschen scheen te behooren, zich plotseling om.

Maar hij ontdekte toen den aap, die met zijn hand in de zijde als een kampvechter stond; eenige seconden lang bleven de man en het dier tegenover elkander staan en zagen zij elkaar strak aan, in afwachting, wie van beiden het eerst den blik zou nederslaan.

Het uitbundig gelach maakte een einde aan dit tooneel.

—Als uw honden niet gemuilband zijn, riep de agent, terwijl hij ons met de vuist dreigde, dan maak ik proces-verbaal op; meer zeg ik niet.

—Tot morgen, signor, tot morgen, zeide Vitalis.

En terwijl de agent zich met groote schreden verwijderde, bleef Vitalis als in tweeën gevouwen, zoo eerbiedig mogelijk staan; daarop werd de voorstelling vervolgd.

Ik dacht dat mijn meester de muilbanden voor zijn honden zou gaan koopen; maar hij deed het dien avond niet en sprak zelfs in het geheel niet over zijn twist met den agent.

Ik verstoutte mij toen om zelf dat onderwerp ter sprake te brengen.

—Als u wilt, dat Capi morgen gedurende de voorstelling zijn muilband niet stuk zal maken, dan moogt gij hem van te voren wel eens passen. Hij zal er dan misschien aan gewend zijn.

—Meent ge dan, dat ik ze zoo'n ijzeren masker zal opzetten?

—Mij dunkt, dat die agent zeer veel lust heeft om u in moeielijkheden te brengen.

—Gij zijt maar een boerenknaap, en evenals alle boeren zijt ge bang voor de politie en de gendarmes. Maar stel u gerust; ik zal morgen wel zorg dragen, dat hij geen proces-verbaal kan opmaken en tevens er voor waken, dat mijn leerlingen zich niet al te ongelukkig gevoelen.

Van den anderen kant zal ik ook trachten het publiek eenig genoegen te verschaffen. Die agent moet ons een goede ontvangst bezorgen en een dwaze rol spelen in het stuk, dat ik gereedmaak; dat zal nog eenige afwisseling in ons repertoire brengen en ons zelven eenig voordeel kunnen geven. Daarom gaat gij morgen alleen naar het terrein met Joli-Coeur; gij moet de koorden spannen en een stukje op de harp spelen; wanneer gij u omringd ziet van een groot publiek en de agent er is, dan zal ik met mijn honden komen. Dan eerst neemt de voorstelling een aanvang.

Ik vond het niets prettig om alleen deze toebereidselen voor de voorstelling te gaan maken; maar ik begon mijn meester reeds een weinig te leeren kennen en wist in welke gevallen ik hem weerstand kon bieden. Het was meer dan waarschijnlijk dat, in de gegeven omstandigheden, er voor mij weinig kans bestond om hem zijn plan te doen opgeven; ik besloot dus hem te gehoorzamen.

Den anderen dag begaf ik mij naar het plein en spande daar het touw. Nauwelijks had ik eenige akkoorden aangeslagen of van alle kanten snelde men toe.

In den laatsten tijd, vooral gedurende ons verblijf te Pau, had mijn meester mij dikwijls op de harp laten spelen en ik kende thans eenige stukjes van buiten. Vooral had ik een napolitaansch lied, dat ik met zang begeleidde en dat mij den algemeenen bijval van het publiek deed verwerven.

Ik was in zeker opzicht reeds een kunstenaar in mijn hart, want ik geloofde, dat als onze troep veel succes had, dit ook aan mijn talent moest worden toegeschreven; toch was ik dien morgen verstandig genoeg om de talrijke opkomst van het publiek niet met mijn lied in verband te brengen.

Zij, die den vorigen avond bij den twist tusschen den agent en mijn meester tegenwoordig waren geweest, kwamen thans terug en hadden zelfs hun vrienden medegebracht. De agenten van politie waren bij de inwoners van Toulouse, evenals in de meeste andere steden, niet gezien en men was nieuwsgierig hoe de oude Italiaan, zich van deze zaak zou afmaken en met zijn vijand zou omspringen. Hoewel Vitalis niets anders gezegd had, dan: "tot morgen, signor," had toch iedereen begrepen, dat die woorden de aankondiging waren van eene groote voorstelling, waarbij men in de gelegenheid zou worden gesteld ten koste van anderen te lachen.

Vandaar de talrijke opkomst van het publiek.

Toen zij mij dus alleen met Joli-Coeur zagen, stoorde men mij bij herhaling in mijn spel, om mij te vragen waar de "Italiaan" bleef.

—Hij komt zoo straks.

En ik vervolgde mijncanzonetta.

Niet mijn meester, maar de agent van politie kwam. Joli-Coeur zag hem het eerst en zette terstond de hand weer in de zijde, en, terwijl hij het hoofd in den nek wierp, liep hij statig ons terrein op en neer.

Het publiek barstte los in een schaterlach en juichte hem van alle kanten toe.

De agent raakte eenigszins van zijn stuk en wierp mij een woedenden blik toe.

Dit wekte nog meer den lachlust van het publiek op.

Ik zelf gevoelde lust om hem te bespotten, maar toch was ik niets op mijn gemak. Wat zou hiervan het gevolg wezen? Als Vitalis er nu maar was, dan zou hij den agent ten minste te woord kunnen staan. Maar ik was geheel alleen en ik moet eerlijk bekennen, dat ik niet weten zou, wat ik den agent antwoorden moest, wanneer hij mij aansprak.

Het voorkomen van den agent stelde mij volstrekt niet gerust; hij zag er kwaad uit en het scheen dat hij zeer driftig was.

Hij liep langs het touw heen en weer en zoo vaak hij dicht bij mij kwam, zag hij mij aan met een paar oogen, die niet veel goeds voorspelden.

Joli-Coeur, die volstrekt het ernstige van dezen toestand niet inzag, schepte behagen in de houding van den agent en bootste hem getrouw in alles na.

Ik wilde de wanhoop van den agent niet tot het uiterste drijven en riep Joli-Coeur bij mij, maar deze wilde niet gehoorzamen en ontsnapte mij telkens, wanneer ik op het punt was hem machtig te worden.

Ik weet niet hoe het kwam, maar de agent, wiens drift hem scheen te verblinden, dacht juist, dat ik den aap aanhitste en stapte over het touw heen.

In twee sprongen stond hij voor mij en ik werd bijna omver geworpen door een geduchten oorveeg.

Toen ik weder opstond en mijn oogen opende, stond Vitalis tusschen mij en den agent, dien hij bij zijn kraag vasthield.

—Ik verbied u dit kind te slaan, zeide hij; wat gij gedaan hebt is een laagheid.

De agent wilde zijn hand losmaken, maar Vitalis drukte deze in de zijne.

Gedurende eenige minuten zagen de beide mannen elkander strak aan.

De agent was buiten zich zelven van woede.

Mijn meester had een schoon, voornaam voorkomen, zijn indrukwekkend grijs hoofd hield hij steeds recht opgeheven en op zijn gelaat stond de hoogste verontwaardiging te lezen.

Het was mij alsof hij den agent met zijn blik in den grond wilde boren, maar dat gebeurde niet; eensklaps rukte deze zijn hand los, greep mijn meester bij den kraag en wierp hem op zijde.

Vitalis viel bijna op den grond, met zooveel kracht stootte de agent hem van zich af; maar hij bleef nog juist staan en gaf met de rechterhand zijn vijand een geduchten slag.

Mijn meester was wel is waar een krachtig gebouwd man, maar hij was een grijsaard; de agent een jeugdig man, in den bloei des levens en de strijd tusschen hen kon dus niet van langen duur zijn.

Maar er was geen strijd.

—Wat wilt gij? vroeg Vitalis.

—Ik neem u in hechtenis; volg mij naar het bureau.

—Waarom hebt gij dit kind geslagen?

—Geen praatjes, volg mij.

Vitalis gaf geen antwoord, maar wendde zich tot mij.

—Keer naar de herberg terug, blijf daar met de honden, ik zal u wel nader bericht zenden.

Hij kon niets meer zeggen; de agent trok hem mede.

Zoo eindigde op een zeer treurige wijze de voorstelling, welke mijn meester aardig had willen maken.

De honden wilden eerst hun baas volgen, maar toen ik hun beval bij mij te blijven, kwamen zij, gewoon om te gehoorzamen, terug. Ik zag toen, dat zij gemuilband waren, maar in plaats dat hun neus in een ijzeren toestel of een netwerk besloten was, droegen zij slechts een zijden lapje, dat met een lint om hun snoet gebonden was. Capi, die wit was, had een rooden doek; Zerbino, zwart van haar, een witten; de grijze Dolce was met een blauwen lap getooid. Het waren muilbanden die voor het tooneel waren bestemd en ongetwijfeld had Vitalis de honden zoo uitgedost, om den agent een poets te spelen.

Het publiek was terstond uiteen gegaan; eenige toeschouwers waren nog blijven staan om het gebeurde met elkaar te bepraten.

—De oude had gelijk.

—Hij had ongelijk.

—Waarom heeft de agent het kind geslagen, dat hem niets gezegd noch gedaan had?

—Het is een leelijk geval; de oude zal er niet zonder gevangenisstraf afkomen, als de agent hem van oproerige bedoelingen beschuldigt.

Ik keerde zeer bedroefd en in de grootste onrust naar de herberg terug.

Vitalis boezemde mij geen vrees meer in, en eerlijk gezegd had dat gevoel ook maar zeer kort bij mij geduurd. Al spoedig had ik mij aan hem gehecht en mijne genegenheid voor hem was met den dag sterker geworden. Wij leidden hetzelfde leven, waren van den morgen tot den avond samen en dikwijls deelden wij denzelfden stroozak. Een vader zou niet beter voor zijn kind hebben kunnen zorgen dan hij voor mij. Hij had mij lezen, zingen, schrijven en rekenen geleerd. Op onze lange wandelingen had hij mij onderweg altijd iets geleerd, wat betrekking had op hetgeen wij zagen of ondervonden. Bij koud weder had hij zijn dek met mij gedeeld; wanneer het zeer warm was, had hij mij altijd geholpen in het dragen van de vele dingen, waarmede ik beladen was. Van het eten gaf hij mij nooit het slechtste en zich zelven het beste. Nu en dan trok hij mij wel eens bij mijn ooren en gaf hij mij soms een schop, die wat harder aankwam, dan die een vader zou gegeven hebben; maar al die kleine bestraffingen deden mij toch nooit zijn zorgen vergeten, noch zijn goede woorden of bewijzen van genegenheid een oogenblik minder waardeeren. Hij hield van mij en ik van hem.

Deze scheiding deed mij dus innig leed.

Wanneer zouden wij elkander weerzien?

Ik had over de gevangenis hooren spreken. Hoelang zou die straf kunnen duren?

Wat zou ik in dien tijd doen? Hoe en waarvan zou ik moeten leven?

Mijn meester droeg steeds al zijn geld bij zich en vóór dat hij zich door den agent had laten medevoeren, had hij geen tijd gehad mij geld te geven.

Ik had slechts eenige centen in mijn zak; zouden die voldoende wezen om Joli-Coeur, de honden en mij te voeden?

Twee dagen brachten wij in den grootsten angst door, zonder dat ik de herberg durfde verlaten, en mij aanhoudend met Joli-Coeur en de honden bezighield, die eveneens in de grootste onrust verkeerden.

Eindelijk, den derden dag, bracht een man mij een brief van Vitalis.

In dien brief deelde mijn meester mij mede, dat men hem gevangen hield om den volgenden Zaterdag voor de correctioneele rechtbank te verschijnen, beschuldigd van weerspannigheid tegen een ambtenaar der openbare macht en feitelijk verzet tegen dezen gepleegd.

"Ik heb zeer verkeerd gedaan, dat ik mij heb laten medesleepen door mijn drift," voegde hij er bij, "een fout, die mij duur te staan kan komen. Maar het is te laat om deze te herstellen. Kom op de zitting; gij kunt er altijd wat leeren."

Hij gaf mij toen nog eenigen raad, hoe ik mij te gedragen had en eindigde zijn brief met een hartelijk woord, terwijl hij mij verzocht Capi, Joli-Coeur, Dolce en Zerbino eens voor hem te liefkoozen.

Terwijl ik dezen brief las, was Capi naderbij gekomen en hield zijn blik op het papier gevestigd; aan zijn kwispelstaarten en zijn snuiven bemerkte ik, dat hij, door den reuk, wist dat dit papier van zijn meester kwam; sedert drie dagen was dit het eerste teeken van leven en vroolijkheid, dat hij gaf.

Ik vroeg eenige inlichtingen en vernam dat de zitting om tien uur 's morgens begon. Tegen negen uur stond ik dien Zaterdagochtend reeds tegen den post van de deur geleund en ik was de eerste, die het lokaal binnentrad. Langzamerhand vulde zich de zaal en ik herkende vele personen, die bij de voorstelling tegenwoordig geweest waren.

Ik wist niet wat een rechtbank was, maar uit instinct boezemde zij mij vrees in; het kwam mij voor, dat, al betrof het hier mijn meester, ik zelf toch ook in gevaar verkeerde; ik verschool mij achter een groote kachel en, terwijl ik mij tegen den muur drukte, maakte ik mij hoe langer hoe kleiner.

Mijn meester stond niet het eerst terecht; hem vooraf gingen dieven, twistzoekers, die allen zich voor onschuldig verklaarden, doch allen veroordeeld werden.

Eindelijk kwam Vitalis op de bank zitten, tusschen twee gendarmen in.

Wat er in het begin gesproken werd, wat men hem vroeg en wat hij antwoordde, daar hoorde ik allemaal niets van; ik was te aangedaan om dat te hooren of liever om het te begrijpen. Ik dacht er dan ook niet aan om te luisteren; ik staarde slechts voor mij.

Ik keek naar mijn meester, die recht overeind stond met zijn grijze haren naar achteren geworpen, in de houding van een man die beschaamd en vernederd was; ik zag naar den rechter, die hem ondervroeg.

—Alzoo, zeide deze, erkent gij dat ge slagen hebt toegebracht aan den agent die u in hechtenis heeft genomen?

—Geen slagen, mijnheer de rechter, maar een slag; toen ik op de plaats kwam, waar onze voorstelling zou plaats hebben, zag ik den agent het kind, dat mij vergezelde, een oorveeg geven.

—Dat is uw kind niet?

—Neen, mijnheer de rechter, maar ik ken hem, alsof het mijn eigen zoon is. Toen ik hem een klap zag geven, liet ik mij door mijn drift medesleepen. Ik vatte de hand van den agent om hem te verhinderen, het kind een tweeden slag toe te brengen.

—Hebt gij zelf ook den agent geslagen?

—Dat is te zeggen, toen deze mij bij mijn kraag vatte, vergat ik, wie de man was, die mij aangreep; ik zag in hem slechts den aanvaller en niet den agent en ik kon mezelf niet beheerschen.

—Op uw leeftijd moet men zich zelf weten meester te blijven.

—Menmoestzich zelf beheerschen; maar men doet helaas! niet altijd wat men moet; dat voel ik thans ook.

—Wij zullen nu den agent hooren.

Deze vertelde de feiten zooals zij gebeurd waren, maar trachtte meer de aandacht te laten vallen op den spot, dien men met zijn persoon gedreven had, dan dat hij van den slag sprak, dien hij ontvangen had.

Bij deze verklaring zag Vitalis, in plaats van aandachtig te luisteren, de zaal rond. Ik begreep, dat hij mij zocht. Ik besloot toen mijn schuilplaats te verlaten en terwijl ik tusschen de menigte doorschoof, gelukte het mij eene plaats vooraan te krijgen.

Hij ontdekte mij en op zijn zwaarmoedig gelaat kwam een blijde trek te voorschijn; ik gevoelde, dat hij gelukkig was mij te zien en ondanks mezelf, vulden mijn oogen zich met tranen.

—Is dat al wat gij tot uw verdediging hebt in te brengen? vroeg de rechter eindelijk.

—Ik voor mij heb er niets bij te voegen, maar voor het kind, waarvan ik houd en dat nu alleen overblijft, voor hem roep ik de toegevendheid der rechters in en smeek hen ons zoo kort mogelijk van elkander te scheiden.

Ik dacht dat men mijn meester in vrijheid zou stellen. Maar daar gebeurde niets van.

Een andere rechter sprak nog eenige minuten, daarop zeide de president met een ernstige stem, dat Vitalis veroordeeld was tot twee maanden gevangenisstraf en een boete van vijftig gulden.

Twee maanden gevangenisstraf!

Door mijn tranen heen zag ik Vitalis door dezelfde deur, waardoor hij was binnengetreden, de zaal verlaten; een gendarme volgde hem en de deur werd weder gesloten.

Twee maanden zouden wij van elkander gescheiden zijn. Waar moest ik heen?

Toen ik met een bezwaard hart en betraande oogen in de herberg terugkeerde, zag de waard, die in de gang stond, mij strak aan.

Ik wilde haastig doorloopen om naar de honden te gaan, toen hij mij tegenhield.

—En wat zeide uw meester? vroeg hij mij.

—Hij is veroordeeld.

—Tot hoelang?

—Tot twee maanden gevangenisstraf.

—En tot hoeveel boete?

—Tot vijftig gulden.

—Twee maanden, vijftig gulden, herhaalde hij drie of vier keer. Ik wilde doorgaan; opnieuw hield hij mij terug.

—En wat wilt gij gedurende die twee maanden uitvoeren?

—Ik weet het niet, mijnheer.

—Wat, weet ge dat niet? Ge hebt toch zeker geld genoeg om van te leven en voedsel aan uw dieren te geven, denk ik?

—Neen mijnheer.

—Rekent gij er dan op, dat ik u al dien tijd huisvesting zal geven?

—O neen, mijnheer, ik reken op niets.

Ik sprak de zuivere waarheid; ik rekende op niemand.

—Welnu, kereltje, vervolgde de herbergier, daar hebt gij gelijk in; uw meester is mij reeds een aanzienlijke som schuldig; ik kan u twee maanden lang geen krediet geven, zonder te weten of ik op stuk van zaken betaald zal worden. Gij moet hier dus vandaan.

—Hier vandaan—maar waar moet ik dan heen, mijnheer?

—Dat is mijn zaak niet; ik ben uw vader niet, nog minder uw meester. Waarom zou ik voor u zorgen?

Ik bleef een oogenblik verstomd staan. Wat zou ik hem antwoorden? De man had gelijk: waarom zou hij mij bij zich nemen? ik zou hem slechts tot last wezen.

—Vooruit, jongetje, haal uw honden en aap, zoo gauw mogelijk. Gij laat de reistasch van uw meester bij mij, dat spreekt vanzelf, en als hij uit de gevangenis komt, zal hij haar stellig ophalen en dan kunnen wij tevens onze rekening vereffenen.

Deze woorden brachten mij op een denkbeeld; ik meende een middel gevonden te hebben om in deze herberg te blijven.

—Daar gij er zeker van zijt, dat alles u dan betaald zal worden, houd mij dan zoolang bij u en gij kunt dan mijne uitgaven bij die van mijn meester optellen.

—Gelooft gij dat, ventje? Uw meester zal mij wel voor eenige dagen, maar niet voor twee maanden kunnen betalen.

—Ik zal heel weinig eten, indien ge dat toestaat.

—En uw dieren dan? Neen, gij ziet wel, dat gij vertrekken moet! Gij vindt in het een of ander dorp wel voldoende werk, waarmede gij den kost kunt verdienen.

—Maar mijnheer, waar moet mijn meester mij dan zoeken, wanneer hij uit de gevangenis komt? Hij zal mij ongetwijfeld hier komen halen.

—Gij kunt dien dag dan terugkomen. Gij kunt van hier uit een tocht maken van twee maanden en de badplaatsen bezoeken, waar gij stellig veel geld zult verdienen.

—En als mijn meester mij schrijft?

—Ik zal al zijn brieven bewaren.

—Maar dan kan ik hem niet antwoorden.

—Och, je verveelt mij met al die vragen. Ik heb je gezegd, dat je vertrekken moet en wel zoo spoedig mogelijk; ik geef je vijf minuten om je gereed te maken; en zoo ik je hier nog vind, als ik terugkom, krijg je met mij te doen.

Ik gevoelde wel dat langer bij hem aan te houden, mij niets zou baten. Zooals de waard zeide, moest ik "hier vandaan." Ik begaf mij naar den stal, en toen ik de honden en Joli-Coeur bij elkander geroepen had, na mijn tasch gesloten en die met mijn harp over mijn schouder gehangen te hebben, verliet ik de herberg.

De waard stond op den drempel mij op te wachten.—Als er een brief komt, riep hij mij nog na, zal ik hem voor je bewaren.

Ik haastte mij om de stad te verlaten, want mijn honden hadden geen muilbanden voor. Wat zou ik antwoorden als mij een agent van politie tegenkwam? Dat ik geen geld had om muilbanden te betalen? Dat was de waarheid; want als ik al mijn geld optelde, kon ik niet meer bij elkander krijgen dan elf stuivers. En dat was niet genoeg voor zulk een toestel. Zou hij mij dan ook niet in hechtenis nemen? Als mijn meester en ik beiden in de gevangenis waren, wat zou er dan van de honden en van Joli-Coeur worden! Ik, die geheel alleen op de wereld stond, die vader noch moeder bezat, was op dit oogenblik directeur van een tooneelgezelschap en hoofd van een gezin en ik gevoelde dus de groote verantwoordelijkheid, die op mij rustte.

Terwijl wij haastig voortliepen, hieven de honden telkens hun kopjes op en zagen mij met een smeekenden blik aan, alsof zij zeggen wilden: wij hebben honger.

Joli-Coeur, die op mijn reiszak zat, trok mij van tijd tot tijd aan mijn oor, om mij te dwingen naar hem om te zien. Hij wreef dan over zijn maag, hetgeen niet minder duidelijk zijn bedoeling te kennen gaf dan de blik der honden.

Ik had hun ook wel kunnen vertellen, dat ik honger had, want ik had evenmin als zij ontbeten, maar wat zou dat geholpen hebben?

Mijn elf stuivers konden ons geen ontbijt en een middagmaal verschaffen; wij moesten ons dus met één maal tevreden stellen, dat wij middenop den dag zouden gebruiken en dat voor twee gelden moest.

Daar de herberg, die wij verlaten hadden, op den weg naar Monpellier gelegen was, volgden wij natuurlijk die richting.

In mijn haast om een stad te verlaten, waarin wij gevaar liepen een agent van politie te ontmoeten, had ik mezelf geen rekenschap gegeven, waarheen de weg leidde; ik wilde niets liever dan mij zoo ver mogelijk van Toulouse verwijderen; al het overige was mij onverschillig. Naar welk land ik heenging, boezemde mij weinig belang in; overal waar ik at en sliep, zou men geld van mij eischen; de vraag waar ik een onderkomen zou vinden, was voor mij ook wel van het minste gewicht: het was in het hartje van den zomer en wij konden dus wel onder den blooten hemel slapen.

Maar eten?

Ik geloof, dat ik wel twee uur lang, zonder ophouden, voortliep, niettegenstaande de honden mij telkens smeekend aanzagen en Joli-Coeur mij aan het oor trok en hoe langer hoe harder zijn maag wreef.

Eindelijk achtte ik me ver genoeg van Toulouse verwijderd om niet bevreesd te zijn, dat ik mijn honden zou moeten muilbanden en ik trad den eersten den besten bakkerswinkel binnen. Ik vroeg om een brood van anderhalf pond.

—Gij moogt er wel een van twee pond nemen, zeide de bakkersvrouw; daar zult gij met uw menagerie niet eens te veel aan hebben, want die arme dieren moogt ge wel goed voeden.

De vrouw had gelijk, want al nam ik een brood van twee pond, dan zouden we elk nog maar een half pond krijgen, maar helaas, dat was mij te duur. Het brood kostte vijf stuivers het pond en als ik er twee nam, dan zou mij dat tien stuivers kosten, zoodat ik van mijn elf stuivers nog slechts een stuiver zou overhouden.

Ik durfde niet tot zulk een groote uitgave overgaan, zonder dat ik wist, wat ik den anderen dag verdienen kon. Ik zou, wanneer ik nu slechts anderhalf pond kocht, morgen altijd nog genoeg overhebben om niet van honger om te komen en naar eene gelegenheid om wat geld te verdienen uit te zien.

Spoedig had ik deze berekening gemaakt en ik zeide op geruststellenden toon tot de bakkersvrouw, dat anderhalf pond wel genoeg was en zij niet meer moest afwegen.

—Goed, goed, gaf zij ten antwoord.

En zij sneed mij van een groot brood, dat wij gemakkelijk geheel hadden kunnen opeten, de hoeveelheid af en legde die op de weegschaal waartegen zij even duwde.

—Dat is wat te veel, zeide zij, nu, dat zullen we dan voor die twee centen rekenen.

En zij liet de acht stuivers in haar laadje glijden.

Ik heb wel eens gezien, dat menschen de centen, die zij ontvingen, teruggaven met de woorden, dat zij niet wisten, wat daarmede te doen; ik zou zeker die, welke mij toekwamen, niet hebben afgestaan: toch durfde ik ze niet terugeischen en verliet ik zonder een woord te zeggen den winkel met mijn brood onder den arm.

De honden waren uitgelaten van vreugde en deden niets dan tegen mij opspringen, terwijl Joli-Coeur mij onophoudelijk aan de haren trok.

Wij liepen nu niet ver meer.

Bij den eersten boom aan den weg, legde ik mijn harp en tasch op den grond en strekte ik mij op het gras uit; de honden gingen over mij zitten, Capi in het midden en aan weerskanten van haar Zerbino en Dolce; wat Joli-Coeur betrof, hij bleef staan, daar hij niet vermoeid was, om de stukjes brood op een onverwacht oogenblik weg te nemen.

Het verdeelen van het brood was nog een zeer moeielijke zaak; ik maakte vijf zoo gelijk mogelijke deelen, en opdat er geen kruimeltje verloren zou gaan, sneed ik die weder in kleine stukjes; ieder kreeg dus op zijn beurt een snede.

Joli-Coeur, die minder voedsel noodig had dan wij, had nog de beste partij, want hij had geen trek meer, toen wij nog uitgehongerd waren. Ik nam van zijn deel drie stukjes, die ik in mijn reistasch opborg om ze voor de honden te bewaren.

Hoewel dit geen feestmaal was, waarbij toosten geslagen moesten worden, meende ik toch dat het een geschikt oogenblik was om een enkel woord tot mijn makkers te spreken. Ik beschouwde mij zelf natuurlijk als het hoofd, maar ik geloofde me toch niet genoeg boven hen verheven om hen geen deelgenoot te maken van de ernstige omstandigheden, waarin wij ons bevonden.

Capi had stellig mijne bedoelingen gevat, want zijn verstandige oogen hield hij strak op mij gericht.

—Ja vrienden, ik heb u een slechte tijding mede te deelen: onze meester blijft twee maanden van ons weg.

—Ouah! blafte Capi.

—Dat is in de eerste plaats voor hem zeer treurig en ook voor ons. Want hij verdiende den kost voor ons en gedurende zijn afwezigheid zullen we ons in een zeer ellendigen toestand bevinden. Wij hebben geen geld.

Bij deze woorden, die hij zeer goed verstond, stond Capi plotseling op zijn achterste pooten en liep hij in het rond op de wijze als hij met zijn bakje de ronde deed bij het geëerde publiek.

—Gij wilt, dat wij onze voorstellingen zullen voortzetten; dat is zeker een goede raad, dien gij geeft; maar zullen wij daarmede iets verdienen? Daarop komt alles aan. Als wij niet slagen, dan bestaat ons geheele fortuin uit drie stuivers. Wij moeten dan onze magen maar sluiten. Daar de zaken zoo staan, hoop ik, dat gij zult inzien, in welke droevige omstandigheden wij verkeeren en dat gij al uw krachten zult inspannen om de gunst van het publiek te winnen. Ik vraag slechts gehoorzaamheid, matigheid en moed. Laten wij elkander bijstaan en rekent gij op mij, evenals ik op u reken.

Ik durf niet beweren, dat mijn makkers den schoonen vorm van mijn redevoering vatten, maar zeker is het, dat zij den algemeenen zin ervan begrepen. Zij wisten, dat door de afwezigheid van mijn meester er iets van het grootste gewicht gebeurd was en zij verwachtten van mij eene verklaring. Indien zij niet alles begrepen, wat ik zeide, zij waren ten minste voldaan over de wijze, waarop ik tegenover hen handelde, en zij toonden mij hunne tevredenheid door zeer oplettend te zijn.

Wanneer ik van hun oplettendheid spreek, dan bedoel ik hiermede de honden, want wat Joli-Coeur aangaat, deze kon onmogelijk zijn geest lang met hetzelfde onderwerp bezighouden. Naar het eerste gedeelte van mijne rede had hij met de grootste belangstelling geluisterd; maar toen ik twintig woorden gesproken had, was hij in den boom geklauterd, onder welks schaduw wij rustten en hij vond het nu veel aangenamer om heen en weer te schommelen en van den eenen tak op den anderen te springen. Als Capi mij een dergelijke beleediging had aangedaan, zou hij mij gekrenkt hebben, maar van Joli-Coeur verwonderde mij nooit iets; hij was onbezonnen en gedachteloos; en wel beschouwd was het ook zeer natuurlijk, dat hij eenige afleiding zocht.

Ik moet eerlijk bekennen, dat ik gaarne hetzelfde zou hebben gedaan en dat ik met het grootste genot mij zou hebben heen en weder geschommeld, maar de gewichtige en voorname rol, die ik thans speelde, veroorloofde mij dergelijk genoegen niet.

Toen wij eenige oogenblikken hadden uitgerust, gaf ik het sein tot vertrekken; wij moesten ons nachtverblijf opzoeken en in elk geval zorgen voor het ontbijt van den anderen morgen, nadat wij, zooals wel waarschijnlijk was, ons hadden beholpen met den blauwen hemel tot dak.

Na eene wandeling van ongeveer een uur kwamen wij aan een dorp, dat me geschikt toescheen voor de verwezenlijking van mijn plan.

Van verre zag het er nogal erg arm uit en wij hadden dus niet veel kans om er goede zaken te doen; maar dit ontnam mij den moed niet. Of ik veel of weinig ontving, was voor mij niet de hoofdzaak; maar hoe kleiner het dorp was, zooveel te minder gevaar liepen wij om er agenten van politie te ontmoeten.

Ik kleedde dus mijn personeel aan en zoo ordelijk mogelijk trokken wij het dorp binnen. Jammer maar, dat wij Vitalis niet hadden om op de fluit te spelen en door zijn voorkomen, evenals een tamboer-majoor, de aandacht te trekken. Ik had het geluk niet om zoo lang te zijn als hij en ik miste ook zijn fraaien kop; mijn gestalte was eer klein dan middelmatig; bovendien was ik vrij mager en op mijn gelaat stond meer angst dan zelfvertrouwen te lezen.


Back to IndexNext