XLIV.

Jaren zijn voorbijgegaan, vele jaren zelfs, maar zij zijn omgevlogen, omdat zij slechts goede en gelukkige dagen hebben opgeleverd.

Thans woon ik in Engeland, in Milligan-Park, het kasteel van mijne voorouders.

Het kind zonder ouders, zonder steun, te vondeling gelegd en verlaten, ten prooi aan de wisselvalligheden van het lot, zonder baak om hem den weg te wijzen op die onafzienbare zee, waarop hij rondzwalkte, zonder haven waarheen hij zich kon richten, heeft niet slechts eene moeder en een broeder, die hij liefheeft en die hem liefhebben, maar ook voorouders, die hem een naam hebben nagelaten, door het gansche land geëerd, en een aanzienlijk vermogen.

De kleine ongelukkige knaap, die als kind zoo menigen nacht in schuren en stallen heeft doorgebracht of in een uithoek van het bosch onder den blooten hemel, is thans de erfgenaam van een voornaam geslacht, in het bezit van een kasteel in de geschiedenis vermaard, dat door de nieuwsgierigen wordt bezocht en in alle reisboeken vermeld en geroemd.

Op een twintig mijlen ten westen van de plek waar ik scheep ging, vervolgd door de politie, ligt dat kasteel op een helling, omringd door een lommerrijk bosch, ondanks de nabijheid van de zee. Het is gebouwd op een terras door de natuur zelve gevormd; het heeft de gedaante van een kubus en op elken hoek staat een zware ronde toren. De twee gevels naar het zuiden en westen gekeerd, zijn bedekt met slingerplanten en klimmende rozen; die van het noorden en oosten met klimop, met stammen zoo dik als een mensch, die getuigen van zijn hoogen ouderdom, en al de zorgen van de tuinlieden zijn noodig om te verhoede dat zijn weelderige groei onder donker loof de arabesken en andere ornamenten bedekt, die zoo kunstig gehouwen zijn in de witte steen, welke de vensters en deuren omlijst. Het is door een uitgestrekt park omringd. Daarin groeien oude boomen, die nog nooit gesnoeid of geveld zijn en levende beken stroomen erdoorheen, welke groeikracht schenken aan de altijd groene grasperken. In een bosch van hoog opgaand hout nestelen oude kraaien, die elken nacht door haar gekras het begin en het einde van den dag verkondigen.

Op dit oude kasteel van Milligan-Park woon ik nu met mijne familie: mijne moeder, mijn broer en mijne vrouw.

Wij zijn daar sedert zes maanden gevestigd. Vele uren heb ik reeds doorgebracht in de bibliotheek, waarin de oude archieven, de eigendomstitels, de familiepapieren bewaard worden. Ik zit daar aan eene groote eikenhouten tafel, zwart van ouderdom, en schrijf. Maar het zijn niet die archieven of familiepapieren welke ik zoo nauwkeurig naga, maar het boek mijner eigen geschiedenis, dat ik doorblader en in orde breng.

Wij zullen ons eerste kind laten doopen, onzen kleinen Mattia, en bij gelegenheid van dien doop, die op het kasteel mijner vaderen allen vereenigen zal, die mijne vrienden waren in dagen van tegenspoed, wil ik het verhaal geven van mijne lotgevallen, waarin zij eene rol hebben gespeeld, als een bewijs mijner dankbaarheid voor de hulp, die zij mij hebben verleend of voor de liefde, die zij voor het arme verloren kind hebben aan den dag gelegd. Als ik een hoofdstuk afhad, zond ik het naar Dorchester, naar den lithograaf en denzelfden dag ontvang ik de gesteendrukte kopieën van mijn handschrift, om aan ieder der gasten er een te geven.

Die bijeenkomst is eene verrassing, die ik hun heb bereid, ook voor mijne vrouw, die dan haar vader zal weerzien en hare zuster, en haar broers en hare tante, welke zij niet verwacht; alleen mijne moeder en mijn broer zijn in het geheim. Als er niets tusschen beiden komt, zullen allen dezen avond onder mijn dak doorbrengen en ik zal het genot smaken hen allen aan mijne tafel te zien.

Een enkele zal aan dat feest ontbreken, want hoeveel men ook met geld kan doen, het kan 't leven niet teruggeven aan hen, die niet meer zijn. Arme, dierbare oude meester! wat zou ik gelukkig geweest zijn, als ik u een rustigen ouden dag had kunnen bezorgen! Gij zoudt u kunnen ontdaan hebben van uwepiva, uw schapevacht en uw fluweelen buis; gij zoudt niet meer het "vooruit kinderen!" geroepen hebben. Een ouderdom door allen geëerbiedigd, zou u zijn geschonken, gij zoudt uw indrukwekkend grijs hoofd met fierheid kunnen opheffen en uw vroegeren naam weder kunnen aannemen. Vitalis, de oude zwerveling, zou weder Carlo Balzani, de beroemde zanger zijn. Maar wat de onverbiddelijke dood u niet vergund heeft, heb ik althans voor uwe nagedachtenis gedaan: te Parijs op het kerkhof Montmartre is de naam gebeiteld op het gedenkteeken, dat mijne moeder op mijn verzoek voor u heeft opgericht; en uw borstbeeld in brons naar de portretten uit den tijd van uw roem herinnert uwen naam aan hen, die u hebben toegejuicht; een afbeeldsel van uw borstbeeld is voor mij gegoten; het staat daar voor mij, en terwijl ik het verhaal schrijf van mijne eerste jaren van beproeving, toen de loop der gebeurtenissen zich begon te ontwikkelen, hebben mijne oogen vaak de uwe gezocht. Ik heb u niet vergeten; ik zal u nooit vergeten, wees daar zeker van; indien ik in dat gevaarlijk tijdperk van een aan zich zelf overgelaten kind, nooit gestruikeld heb en nooit ben gevallen, dan ben ik het aan u verschuldigd, aan uwe lessen, aan uw voorbeeld, mijn dierbare oude meester! En op elk feest zal uwe plaats in eere worden gehouden; ziet gij mij niet, ik zal u zien.

Maar daar komt mijne moeder door de zaal der familieportretten; de jaren hebben hare schoonheid niet doen verwelken, en zij is in mijn oog nog dezelfde als toen ik haar voor de eerste maal aanschouwde, onder de veranda vanDe Zwaan, met haar edel gelaat, zoo zacht en schoon; maar dat waas van zwaarmoedigheid dat het toen overtoog, is geheel verdwenen.

Zij leunt op den arm van Arthur, want thans is het de moeder niet meer, die haar zwakken, wankelenden zoon ondersteund, maar de zoon, die een schoon en krachtig jongeling is geworden, bedreven in alle lichaamsoefeningen, bevallig ruiter, flink roeier, onverschrokken jager, die met innige teederheid zijn arm biedt aan zijne moeder; want in strijd met de voorstelling van mijn oom, James Milligan, is het wonder gebeurd: Arthur is in leven gebleven en hij zal blijven leven.

Op eenigen afstand achter hen, zie ik eene oude vrouw komen, gekleed in de dracht der Fransche boerinnen. Zij heeft een kindje op den arm met een wit cachemieren mantel om: de oude boerin is vrouw Barberin en dat kind is het mijne: het is mijn zoon, de kleine Mattia.

Nadat ik mijne moeder teruggevonden had, wilde ik, dat vrouw Barberin bij ons zou blijven, maar zij nam dit niet aan.

—Neen, zeide zij, mijn beste Rémi, mijn plaats is thans niet bij uwe moeder. Gij moet thans werken om knap te worden en door uwe kennis een heer te worden, zooals gij door uwe geboorte reeds zijt. Wat zou ik bij u doen? Mijne plaats is niet in het huis uwer wezenlijke moeder. Laat mij naar Chavanon terugkeeren. Maar onze scheiding zal niet voor altijd wezen. Gij wordt grooter; gij zult trouwen en kinderen krijgen. Dan eerst, als gij wilt en ik nog in leven ben, zal ik bij u komen om uwe kinderen te verzorgen; ik kan hunne min niet zijn, zooals ik uw min geweest ben, maar mijn leeftijd zal mij niet beletten dat ik goed op uwe kinderen pas; ik ben een vrouw van ervaring, en oude menschen hebben niet veel behoefte aan slaap. Bovendien ik zal uw kinderen liefhebben en ge kunt er zeker van zijn, dat ik mij de kleinen niet zal laten ontstelen, zooals men u gestolen heeft.

Wat vrouw Barberin verlangde is gebeurd; korten tijd vóór de geboorte van ons kind, is men haar te Chavanon gaan halen en zij heeft alles verlaten, haar dorp, hare gewoonten, hare vrienden, de koe, die uit onze koe was geboren, om in Engeland bij ons te komen; onze kleine Mattia wordt gezoogd door zijne moeder, maar hij wordt verzorgd, gedragen, beziggehouden en geliefkoosd door "moeder" Barberin, die verzekert, dat dit het mooiste kind is, dat zij ooit heeft gezien.

Arthur heeft een nommer van deTimesin de hand; hij legt dit op mijne schrijftafel en vraagt me of ik het gelezen heb. Op mijn ontkennend antwoord, wijst hij me op een brief uit Weenen, dien ik hier laat volgen.

"Weldra zult gij te Londen het bezoek krijgen van Mattia; ondanks den ongelooflijken bijval, die zijne reeks concerten alhier verwierven, verlaat hij ons, daar hij naar Engeland moet vertrekken wegens eene verbintenis, die hij niet verbreken kan. Ik heb u reeds van die concerten gesproken; zij hebben den grootsten opgang gemaakt, zoowel door de mate als door de oorspronkelijkheid van zijn talent, en door zijne gave als componist. In één woord, Mattia is een Chopin op de viool."

Ik heb dat artikel niet noodig om te weten, dat de kleine straatmuzikant, mijn makker en leerling, een groot kunstenaar is geworden. Ik heb Mattia zich zien ontwikkelen en opgroeien; en zoo het al wezen mocht, dat in den tijd, waarin hij onder leiding van denzelfden onderwijzer als Arthur en ik, geen groote vorderingen maakte in het latijn en grieksch, des te meer vorderde hij in de muziek bij de onderwijzers die mijne moeder hem gaf, en het was gemakkelijk te voorzien, dat de voorzegging van Espinassous, den kapper-musicus van Mende, eenmaal bewaarheid zou worden.

Toch vervulde mij die brief uit Weenen met trots en vreugd; het was of ik zelf deelde in de toejuichingen, waarvan hij de weerklank was. Maar was dit ook niet zoo? Was Mattia niet mijn tweede ik, mijn makker, mijn vriend, mijn broeder? zijn roem was de mijne, evenals zijn geluk het mijne was.

Op dat oogenblik bracht de bediende een telegram, dat juist was aangekomen.

"Het is misschien de kortste weg, maar zeker niet de aangenaamste; maar is er wel één aangename? Hoe dit zij, ik ben zoo zeeziek geweest, dat ik eerst te Red-Hill de kracht had om u bericht te zenden. Te Parijs heb ik Christina gehaald; wij zullen te Chegford te vier uren tien minuten zijn; zend ons daar een rijtuig.

"Mattia."

Toen ik den naam van Christina las, had ik Arthur aangezien, maar hij had den blik afgewend; eerst bij het slot van het telegram sloeg hij de oogen weder op.

—Ik heb wel zin om zelf naar Chegford te gaan, zeide hij; ik zal den landauer laten inspannen.

—Dat is een goed idée; in het terugrijden zult gij over Christina zitten.

Hij gaf geen antwoord, maar verliet terstond de kamer; toen wendde ik mij tot mijne moeder.

—U ziet dat Arthur het niet verbergt, dat hij naar haar verlangt; dat beteekent iets.

—Dat beteekent zeer veel.

Het kwam mij voor, dat in den toon van die woorden een zweem van ontevredenheid doorstraalde. Ik stond op en zette mij naast mijne moeder, en terwijl ik hare beide handen greep, die ik kuste, zeide ik in het Fransch, de taal waarvan ik mij altijd bediende als ik met innigheid, als haar kind, tot haar spreken wilde:

—Lieve moeder, het moet u geen zorg geven, dat Arthur Christina bemint. 't Is waar, dat zal hem beletten een goed huwelijk te sluiten, en een goed huwelijk is in het oog der menschen een huwelijk, dat geboorte en rijkdom vereenigt. Maar bewijst mijn voorbeeld niet genoeg, dat men gelukkig, zeer gelukkig kan zijn, zoo gelukkig mogelijk, zonder dat de vrouw met wie men trouwt van aanzienlijke afkomst en rijk is? Zoudt gij Arthur niet gaarne even gelukkig willen zien als mij? De zwakheid, die gij gehad hebt voor mij, omdat gij niets weigeren woudt aan het kind, dat gij dertien jaar lang hadt betreurd, zoudt gij die ook niet voor uw anderen zoon willen hebben? Zoudt gij toegeeflijker zijn voor den een dan voor den ander?

Zij streek de hand over het voorhoofd en omhelsde mij.

—Ge zijt een goed kind en een liefhebbende broeder. Welk een schat van liefde bewaart gij in uw hart!

—Omdat ik dien vroeger heb opgespaard; maar 't is niet over mij, dat wij nu spreken, maar over Arthur. Zeg mij eens, of gij een bekoorlijker vrouwtje zoudt kunnen vinden dan Christina. Is dat niet de mooiste italiaansche vrouw, die gij kent? En de opvoeding, die zij genoten heeft sedert wij haar te Lucca zijn gaan halen, stelt die haar niet in staat waardig eene plaats te bekleeden in de meest eischende kringen?

—Gij ziet in Christina de zuster van uw vriend Mattia.

—Dat is zoo, en ik beken rondweg, dat ik van ganscher harte een huwelijk verlang, waardoor Mattia in onze familie zou komen.

—Heeft Arthur u gesproken van zijne genegenheid en van zijne wenschen?

—Ja, beste moeder, zeide ik glimlachend, en hij heeft zich tot mij gewend als hoofd van de familie.

—En het hoofd van de familie?

—Heeft hem zijn steun beloofd.

Mijne moeder viel mij hier in de rede.

—Daar is uwe vrouw, zeide zij; over Arthur zullen wij later spreken.

Mijne vrouw—gij hebt het reeds geraden en ik behoef het u niet te zeggen, nietwaar?—mijne vrouw is het meisje met die groote verwonderde oogen en het sprekend gelaat, dat gij reeds kent. Lize, de kleine, tengere, fijngevormde Lize. Zij is niet stom meer, maar zij heeft gelukkig die slankheid en tengerheid behouden, die aan hare schoonheid iets hemelsch geven. Lize heeft mijne moeder niet verlaten, die haar onder hare leiding heeft doen opvoeden en onderwijzen, en zij is eene schoone jonge maagd geworden, voor mij begaafd met de volmaaktste eigenschappen en de grootste deugden… want ik heb haar lief. Ik heb aan mijne moeder gevraagd mij haar tot vrouw te geven, en na eene levendige tegenkanting, die vooral gegrond was op het verschil in maatschappelijken stand, kon mijne moeder toch niet blijven weigeren. Eenigen onzer bloedverwanten waren er zeer boos en geërgerd over; maar van de vier, die het afkeurden, zijn er drie reeds terruggekomen op hun oordeel: zij bezweken voor de lieftalligheid van Lize, en de vierde wacht ook slechts om zich te bekeeren, tot wij hem een bezoek zullen gebracht hebben, waarin wij hem onze verontschuldiging maken, dat wij nog gelukkig zijn. En dat bezoek is op morgen bepaald.

—Wel, zeide Lize, toen zij binnenkwam, wat is er toch gaande? Men verbergt zich voor mij; men spreekt in het geheim; Arthur is naar het station van Chegford gereden; de break is naar Ferry gezonden. Wat is er toch voor een geheim? Vertel mij dat eens.

Wij glimlachten, maar gaven haar geen antwoord.

Toen sloeg zij haar arm om den hals mijner moeder en terwijl zij ze teeder omhelsde, sprak zij:

—Nu u in 't geheim is, moederlief, ben ik niet ongerust meer; ik ben van te voren zeker, als altijd, dat gij voor ons geluk werkzaam zijt geweest. Maar dat maakt mij niet minder nieuwsgierig.

De tijd ging voort en de break, die ik naar Ferry had gezonden om de familie van Lize te halen, kon elk oogenblik aankomen; om hare nieuwsgierigheid niet te lang op de proef te stellen, nam ik mijn verrekijker, die wij gebruikten om de schepen, welke voorbijvoeren, te zien; maar inplaats van hem naar de zee te richten, wendde ik hem naar den weg, vanwaar de break moest komen.

—Zie eens door dien kijker, zeide ik, en uw nieuwsgierigheid zal bevredigd zijn.

Zij keek, maar zag niets anders dan den witten weg, want er was nog geen rijtuig te zien.

Toen bracht ik op mijne beurt mijn oog voor het glas.

—Hoe is 't, hebt gij niets door dien kijker gezien? vroeg ik op den toon van Vitalis, als hij zich tot het geëerde publiek wendde. Het is toch een wonderkijker: met deze glazen ziet men tot over de zee; zelfs in Frankrijk; ik zie er een aardig huisje door, te Sceaux; ik zie daar een man met grijze haren, die de hand drukt aan twee vrouwen, welke naast hem zijn gezeten. "Haast-je toch," zegt hij, "anders missen wij den trein en ik zal niet bijtijds in Engeland zijn voor den doop van mijn kleinzoon. Katherina, haast u wat, als ik u verzoeken mag; sedert tien jaar dat wij samen wonen, zijt ge altijd te laat geweest. Wat is er? Wat wilt ge, Martha? Speelt ge weer voor gendarme? Wat ik aan Katherina zeg, is in vrede en vriendschap. Ik weet zeer goed, dat Katherina de beste zuster is, zooals gij, Martha, de beste dochter zijt. Waar vindt men een meisje, zoo lief als gij, die niet trouwt, alleen om haar ouden vader op te passen en die de taak van beschermengel blijft vervullen, gelijk zij die eenmaal vervulde voor hare broers en haar zusje? Nu geeft hij, vóór hij heengaat, nog eenige bevelen, vooral om te doen zorgen voor zijne bloemen, zoolang hij afwezig is. Vergeet vooral niet, dat ik tuinman geweest ben—zegt hij tot zijn knecht—en dat ik verstand heb van dat werk."

Ik veranderde de richting van den kijker, alsof ik naar een anderen kant wilde uitzien.

—En nu zie ik eene stoomboot, eene groote stoomboot, die terugkeert van de Antilles en Hâvre nadert. Aan boord is een jongmensch, die een botanischen onderzoekingstocht heeft gedaan langs de oevers van de Amazone. Men zegt, dat hij planten en bloemen medebrengt, die in Europa nog onbekend zijn en het eerste gedeelte van zijne reis, dat in de dagbladen werd opgenomen, is zeer belangwekkend: de naam van Benjamin Acquin is reeds beroemd; slechts één ding maakt hem bezorgd, dat hij niet tijdig genoeg te Hâvre zal komen om de boot te halen naar Southampton, die hem bij zijne familie op Milligan-Park zal brengen. Mijn kijker is zoo uitstekend, dat ik hem volgen kan; hij heeft de boot van Southampton gehaald; weldra zal hij hier zijn.

Wederom richt ik mijn kijker naar een andere zijde, en ga voort:

—Niet alleen kan ik nu zien, maar zelfs hooren: twee mannen zitten in den trein, een oude en een jonge. "Wat zal dit eene belangrijke reis voor ons zijn," zegt de oude.—Heel belangrijk, meester.—"Niet alleen, beste Alexis, zult gij uwe familie weerzien en kunt gij de hand drukken van uw vriend Rémi, die ons niet vergeten heeft, maar wij zullen ook een bezoek kunnen brengen aan de mijnen van Wales; daar zult gij merkwaardige dingen zien, en als gij teruggekeerd zijt, zult gij te Truyères verbeteringen kunnen invoeren, wat meer gezag zal bijzetten aan de betrekking, die gij door uw arbeid wist te verwerven. Ik voor mij zal eenige stukken steenkool vandaar kunnen meebrengen en die bij mijne verzameling voegen, die de stad Varses wel heeft willen aannemen. Hoe ongelukkig dat je oom Gaspard niet mee kon gaan!"

Ik wilde voortgaan, maar Lize was bij me gekomen; zij nam mijn hoofd tusschen hare beide handen en door deze liefkoozing belette zij me te spreken.

—O, wat een verrassing! zeide zij, met een stem, die trilde van ontroering.

—Daar moet gij mij niet voor bedanken, maar mijne moeder, die allen om zich wilde vereenigen, welke goed geweest waren voor haar verlaten kind; als gij mij den mond niet gesloten hadt, zoudt gij gehoord hebben, dat wij ook dien braven Bob hier wachten, die nu een der voornaamste ondernemers van publieke vermakelijkheden van gansch Engeland is geworden, alsmede zijn broer, die nog altijd het bevel voert over deEclipse.

Op dat oogenblik drong het geratel van een rijtuig tot ons door, en bijna terstond daarop dat van een tweede. Wij snellen naar het venster en zien de break, waarin Lize haar vader herkent, met hare tante Katherina, hare zuster Martha en hare broeders Alexis en Benjamin; naast Alexis zit een grijsaard met witte haren en gebogen gestalte: het is de meester.

Van den anderen kant komt tegelijk de open landauer, waarin Mattia en Christina zijn gezeten, die ons toewuiven met de hand. En achter den landauer volgt eene cabriolet, waarvan Bob zelf het paard ment. Bob ziet er uit als een voornaam heer en zijn broer is nog altijd de ruwe zeeman, die ons naar Isigny bracht.

Wij snellen ijlings de trap af, om onze gasten beneden aan het bordes te ontvangen.

Het diné vereenigde ons allen aan dezelfde tafel en natuurlijk spraken wij over het verleden.

—Onlangs, zeide Mattia, heb ik in de speelzaal te Baden een Engelsch heer ontmoet met witte puntige tanden, die bijna altijd glimlachte, ondanks zijn tegenspoed in het spel; hij heeft mij niet herkend, en mij de eer bewezen een gulden van mij te leenen om dien zóó op te zetten, dat hij zeker winnen moest; het was eene zeer vernuftige berekening, maar dien avond gelukte zij niet: de heer James Milligan verloor.

—Waarom vertelt gij dat, nu Rémi er bij is, mijn beste Mattia? vroeg mijne moeder; hij is in staat om zijn oom onderstand te zenden.

—Zeker, mama.

—Waarin zou dan zijne boete bestaan? vroeg mijne moeder.

—Hierin, dat mijn oom, die alles heeft opgeofferd om fortuin te krijgen, zijn onderstand zal verschuldigd zijn aan hem, dien hij vervolgd heeft en getracht heeft te doen omkomen.

—Ik heb nog 't een en ander vernomen omtrent zijne medeplichtigen, zeide Bob.

—Omtrent dien afschuwelijken Driscoll? vroeg Mattia.

—Niet van Driscoll zelf, die nog altijd aan de overzijde van den Oceaan is, maar van de familie Driscoll. Vrouw Driscoll is verbrand, eens dat zij op den haard was gaan liggen, inplaats van op tafel, en Allen en Ned zijn veroordeeld om hun gansche leven in eene strafkolonie door te brengen; zij vinden daar hun vader.

—En Kate?

—De kleine Kate past haar grootvader op, die nog altijd leeft; zij wonen in De Roode Leeuw; de oude heeft geld; zij zijn niet ongelukkig.

—Als ze kouwelijk is, zeide Mattia lachend, dan beklaag ik haar, want de oude heeft niet graag, dat men te dicht bij den haard komt.

Bij die herinneringen aan het verleden had ieder wat te vertellen; hadden wij niet allen gebeurtenissen te herdenken, waarbij ieder onzer van meer of minder nabij betrokken was en waarover wij allen gaarne spraken, want zij vormden den band, die ons samen verbond.

Toen het diné afgeloopen was, trok Mattia mij terzijde bij een der ramen.

—Ik heb een idée, zeide hij; wij hebben zoo dikwijls muziek gemaakt voor onverschilligen; thans mochten wij wel wat muziek maken voor hen, die ons dierbaar zijn.

—Is er dan voor u geen genot zonder muziek? Altijd, overal en in alle omstandigheden muziek; denk eens aan de koe, die er zoo bang voor was.

—Wilt gij het Napolitaansche lied eens spelen?

—Met genoegen; want dat heeft ook Lize hare spraak teruggegeven.

Wij namen onze instrumenten. In eene fraaie, met fluweel bekleede kist had Mattia eene oude viool, die misschien wel een gulden zou opbrengen als wij haar verkochten, en ik haalde de oude harp, waarvan het hout onder de tallooze regenbuien zijne oorspronkelijke kleur had teruggekregen.

Men vormde een kring om ons, maar op dat oogenblik kwam er een hond, een poedel, binnen. Hij is erg oud geworden, de goede Capi; hij is doof, maar zijn gezicht is nog goed. Op het kussen liggende, waarop hij zijne dagen doorbrengt, heeft hij de harp herkend en hij komt hinkend naderbij, om de "voorstelling". Hij heeft een bakje in zijn bek; hij wil de ronde doen bij het "geëerd publiek", op zijn achterpooten loopende; maar de krachten ontbreken hem; hij zet zich neder en groet het gezelschap deftig met een poot op zijn hart.

Toen ons lied uit was stond Capi op, zoo goed en zoo kwaad als het ging. Ieder legde zijne gift in het bakje en Capi, getroffen door de milde giften, bracht het bij mij. Het was de mooiste inzameling, die hij ooit gedaan had; er lag slechts zilver en goud op: tachtig gulden.

Ik kuste hem op zijn snuit, zooals voorheen, toen hij mij troostte en die herinnering aan de armoede mijner kindsheid deed een denkbeeld bij mij oprijzen, dat ik terstond uitte:

—Die som zal de eerste bijdrage zijn voor een verplegings- en toevluchtsoord voor kleine straatmuzikanten; mijne moeder en ik zullen het overige geven.

—Lieve mama, zeide Mattia, terwijl hij de hand kuste mijner moeder, mag ik een klein aandeel in dat goede werk dragen? Als gij het toestemt zal de opbrengst van mijn eerste concert te Londen gevoegd worden bij hetgeen Capi ontvangen heeft.

I. In het dorp 1II. Een pleegvader 8III. De troep van Signor Vitalis 17IV. Het ouderlijk huis 27V. Op reis 34VI. Mijn eerste optreden 40VII. Ik leer lezen 51VIII. Over berg en dal 59IX. Ik ontmoet een reus met zevenmijlslaarzen 63X. Voor den rechter 70XI. Op het schip 81XII. Mijn eerste vriend 101XIII. De vondeling 114XIV. Sneeuw en wolven 122XV. Mijnheer Joli-Coeur 143XVI. Aankomst te Parijs 155XVII. Een padrone uit de straat Lourcine 163XVIII. De steengroeven van Gentilly 177XIX. Lize 186XX. De tuinman 197XXI. Het huisgezin wordt opgebroken 204XXII. Voorwaarts 7XXIII. Een zwarte stad 26XXIV. Opperman 37XXV. De overstrooming 45XXVI. In de zijgang 58XXVII. De redding 71XXVIII. Een muziekles 92XXIX. De koe van den prins 102XXX. Vrouw Barberin 120XXXI. Het oude en nieuwe gezin 134XXXII. Barberin 143XXXIII. Nasporingen 157XXXIV. De familie Driscoll 172XXXV. Eert uw vader en uwe moeder 181XXXVI. Capi op den slechten weg 192XXXVII. De mooie luiers waren bedrog 197XXXVIII. De oom van Arthur: James Milligan 203XXXIX. De Kerstnachten 208XL. De angst van Mattia 213XLI. Bob 230XLII. De Zwaan 241XLIII. De mooie luiers hebben waarheid gesproken 251XLIV. Met de mijnen 261


Back to IndexNext