De nachtegaal.In China, moet je weten, is de keizer een Chinees en allen, die hij om zich heen heeft, zijn ook Chineezen. Het is nu al vele jaren geleden, maar juist daarom is het de moeite wel waard, de geschiedenis eens te hooren, voordat zij vergeten wordt. Het keizerlijk paleis was het prachtigste van de wereld, geheel en al van fijn porselein, zeer kostbaar, maar zoo broos, zoo gevaarlijk om er aan te raken, dat men zich zeer in acht moest nemen. In den tuin zag men de wonderlijkste bloemen, en aan de prachtigste waren zilveren klokjes vastgebonden, die altijd bengelden, opdat men niet zou voorbijgaan, zonder op de bloemen te letten. Ja, alles was in den tuin van den keizer keurig ingericht. En hij strekte zich zoo ver uit, dat de tuinman zelf het einde daarvan niet wist. Als men maar steeds verder ging, dan kwam men in het heerlijkste bosch met hooge boomen en diepe meren. Het bosch strekte zich tot aan de zee uit, die blauw en diep was; groote schepen konden tot onder de takken der boomen voortzeilen, en in deze boomen woonde een nachtegaal, die zoo prachtig zong, dat zelfs de arme visscher,die toch drukke bezigheden had, met werken ophield en luisterde, als hij ’s nachts uitgevaren was, om zijn net uit te werpen, en dan den nachtegaal hoorde. «Och, och! wat is dat mooi!» zei hij; maar hij moest op zijn zaken acht geven en vergat den vogel daardoor. Maar als deze den volgenden nacht weer zong en de visscher daarheen kwam, dan zei hij hetzelfde weer.Uit alle landen der wereld kwamen er reizigers naar de stad van den keizer en bewonderden deze, en vooral het paleis en den tuin. Maar als zij den nachtegaal hoorden, dan zeiden zij toch allen: «Dat is nog het mooiste van alles!»De reizigers vertelden daarvan, als zij weer thuis kwamen; en de geleerden schreven vele boeken over de stad, het paleis en den tuin. Maar ook den nachtegaal vergaten zij niet: deze werd het hoogst gesteld; en zij, die verzen konden maken, schreven de prachtigste gedichten over den nachtegaal in het bosch bij de diepe zee.Deze boeken werden door de geheele wereld verspreid, en enkele daarvan kwamen ook den keizer in handen. Deze zat op zijn gouden stoel en las; ieder oogenblik knikte hij met het hoofd, want het deed hem genoegen, de prachtige beschrijvingen van de stad, het paleis en den tuin te lezen. «Maar de nachtegaal is nog het mooiste van alles!» stond daar geschreven.«Wat is dat?» riep de keizer uit. «Den nachtegaal ken ik niet eens! Is er zulk een vogel in mijn keizerrijk en zelfs in mijn tuin? Dat heb ik nog nooit gehoord! Dat ik zoo iets eerst uit boeken moet vernemen!»En hierop riep hij zijn kamerheer. Deze was zoo voornaam, dat hij, als iemand, die minder dan hij was, tegen hem wilde spreken of hem naar iets vragen, niets anders ten antwoord gaf dan: «P!» en dat beteekent niets.«Er moet hier een uiterst merkwaardige vogel zijn, die nachtegaal genoemd wordt!» zei de keizer. «Men zegt, dat deze het mooiste van alles in mijn groot rijk is. Waarom heeft men mij daarvan nooit iets gezegd?»«Ik heb hem vroeger nooit hooren noemen!» zei de kamerheer. «Hij is nooit ten hove voorgesteld.»«Ik wil, dat hij heden avond in het paleis komt en voor mij zingt!» zei de keizer. «De heele wereld weet, wat ik heb, en ik weet het niet.»«Ik heb hem vroeger nooit hooren noemen!» zei de kamerheer. «Ik zal hem zoeken, ik zal hem vinden!»Maar waar zou hij te vinden zijn? De kamerheer liep alle trappen op en neer, door zalen en gangen, maar geen van allen, die hij ontmoette, had over den nachtegaal hooren spreken. Endekamerheer keerde naar den keizer terug en zei, dat het zeker een verzinseltje moest zijn van hen, die boeken schreven. «Uwe Keizerlijke Majesteit kan niet begrijpen, wat er al zoo geschreven wordt! Dat zijn verdichtselen en iets, wat men de zwarte kunst noemt.»«Maar het boek, waarin ik dit gelezen heb,» zei de keizer, «is mij door den grootmachtigen keizer van Japan gezonden; en hetkan dus geen onwaarheid zijn. Ik wil den nachtegaal hooren! Hij moet heden avond hier zijn. Hij bezit mijn hoogste genade! En als hij niet komt, dan moet het geheele hof met stokslagen gestraft worden, wanneer men den avondmaaltijd genuttigd heeft!»«Tsing pe!» zei de kamerheer en liep nogmaals alle trappen op en neer, door al de zalen en gangen; en het halve hof liep mee, want zij wilden niet graag stokslagen krijgen. Nu werd er aan ieder gevraagd naar den merkwaardigen nachtegaal, dien de heele wereld kende, maar aan het hof niemand.Eindelijk troffen zij een klein, arm meisje in de keuken aan, dat tegen hen zei: «Och, hemel! den nachtegaal ken ik heel goed! O, wat kan die zingen! Iederen avond mag ik de restjes van de tafel aan mijn arme, zieke moeder brengen; zij woont aan het strand, en als ik terugkom, moe ben en in het bosch uitrust, dan hoor ik den nachtegaal zingen! Daarbij komen mij de tranen in de oogen, en het is mij, alsof mijn moeder mij kuste!»«Beste meid!» zei de kamerheer, «ik zal je een post in de keuken bezorgen en de vergunning, den keizer te zien eten, als je ons naar den nachtegaal kunt brengen, want deze is tegen van avond aan het hof ontboden!»En zoo liepen zij met hun allen het bosch in, waar de nachtegaal placht te zingen; het halve hof was er bij. Toen zij een eindje geloopen hadden, begon er een koe te loeien.«Ziezoo!» zeiden de hovelingen, «daar hebben we hem! Wat zit er toch een stem in zoo’n klein beestje! Ik moet dit vroeger zeker als eens meer gehoord hebben.»«Neen, dat is een koe, die loeit!» zei het meisje. «We zijn nog ver van de plaats verwijderd.»Nu kwaakten de kikvorschen in het moeras.«Prachtig!» riep de Chineesche hofprediker. «Nu hoor ik hem; het klinkt precies als kleine kerkklokken.»«Neen, dat zijn kikvorschen!» zei het meisje. «Maar nu denk ik, dat we hem gauw zullen hooren.»Daar begon de nachtegaal te zingen.«Dat is hij!» zei het meisje. «Hoort! Hoort! Daar zit hij!» En hierbij wees zij naar een kleinen, grauwachtigen vogel boven in de takken.«Hoe is ’t mogelijk?» zei de kamerheer. «Zoo had ik hem mij niet voorgesteld! Wat ziet hij er eenvoudig uit! Hij heeft zeker zijn kleur verloren, doordat hij zoo vele deftige heeren om zich heen ziet!»«Lieve nachtegaal!»zeide het meisje overluid; «onze genadige keizer verlangt, dat ge voor hem zingt.»«Met het meeste genoegen!» antwoordde de nachtegaal en zong daarop, dat het een lust was om te hooren.«Het klinkt precies als glazen klokjes!» zei de kamerheer. «En kijk dat kleine keeltje eens, hoe het op en neer gaat!Het is zonderling, dat wij hem vroeger nooit gehoord hebben. Hij zal aan het hof zeker wel veel opgang maken!»«Moet ik nog eens voor den keizer zingen?» vroeg de nachtegaal, die dacht, dat de keizer er ook bij was.«Mijn voortreffelijke kleine nachtegaal!» zei de kamerheer, «ik heb het genoegen, u heden avond tot een feest ten hove uit te noodigen, waar ge Zijne Keizerlijke Majesteit door uw verrukkelijk gezang ongetwijfeld zult betooveren.»«Dit laat zich het best te midden van het geboomte hooren!» zei de nachtegaal; maar hij ging toch mee, toen hij hoorde, dat de keizer het wenschte.In het paleis was alles in orde gebracht. De wanden en de vloeren, die van porselein waren, fonkelden in den glans van vele duizenden gouden lampen; de prachtigste bloemen, die goed konden klingelen, waren in de gangen neergezet. Daar was een geloop en gedraaf, en alle klokjes klingelden zoo, dat men zijn eigen woorden niet kon verstaan.Midden in de groote zaal, waar de keizer zat, was een goudenstok geplaatst: daarop moest de nachtegaal zitten. Het geheele hof was er, en de kleine keukenmeid had vergunning verkregen, om achter de deur te staan, daar zij nu den titel van een werkelijkehofkeukenmeid gekregen had. Allen waren in feestgewaad gedost, en allen keken naar den kleinen, grauwachtigen vogel, dien de keizer toeknikte.De nachtegaal zong zoo prachtig, dat den keizer de tranen in de oogen kwamen en langs de wangen biggelden; en nu zong de nachtegaal nog mooier: het ging hem zoo recht van harte. De keizer was zoo verrukt, dat hij zei, dat de nachtegaal zijn gouden pantoffel om den hals moest dragen. Maar de nachtegaal bedankte hiervoor: hij was al genoeg beloond.«Ik heb tranen in ’s keizers oogen gezien, dat is voor mij de grootste schat! De tranen van een keizer hebben een bijzondere kracht! God weet het, ik ben genoeg beloond!» Daarop zong hij weer met zijn liefelijke, prachtige stem.«Dat is de beminnelijkste coquetterie, die ik ken!» zeiden de dames in de rondte, en toen namen zij water in den mond om daarmee te klokken, als iemand tegen haar sprak. Zij meenden, dat zij dan ook nachtegalen waren. Ja, de lakeien en de kameniers lieten berichten, dat ook zij tevreden waren; dat wil veel zeggen, want die zijn het moeilijkst te voldoen. In één woord, de nachtegaal vond algemeenen bijval.Hij zou nu aan het hof blijven, zijn eigen kooi hebben en de vergunning krijgen, er overdag tweemaal en ’s nachts eenmaal uit te komen. Hij kreeg daarop twaalf bedienden, die allen een zijden draadje om een van zijn pooten gebonden hadden, waaraan zij hem stevig vasthielden. Er was volstrekt geen plezier in zulk een wandeling.De geheele stad sprak over den merkwaardigen vogel, en als twee elkaar, ontmoetten, dan zei de een niets anders dan «Nacht!» en dan zei de ander: «Gaal»1. En dan zuchtten zij en begrepen elkaar. Ja, elf kinderen werden er naar hem genoemd; maar niet een van hen had eenig geluid in zijn keel.Op zekeren dag kreeg de keizer een groot pakket, waarop geschreven stond: «De nachtegaal.»«Daar hebben we nu een nieuw boek over onzen beroemden vogel!» zei de keizer. Maar het was geen boek, maar een klein kunstwerk, dat in een doosje lag: een kunstmatige nachtegaal, die op den levenden moest gelijken, maar overal met diamanten, robijnen en saffieren als bezaaid was. Zoodra men den kunstmatigen vogel opwond, kon hij een der stukken, die de werkelijke vogel zong, zingen: en dan bewoog zijn staart op en neer en fonkelde van zilver en goud. Om zijn hals hing een klein lint, en daarop stond geschreven: «De nachtegaal van den keizer van Japan is arm, bij dien van den keizer van China vergeleken.»«Dat is prachtig!» zeiden allen; en de persoon, die den kunstmatigenvogel gebracht had, kreeg dadelijk den titel van Keizerlijken Opper-Nachtegaalbrenger.«Nu moeten zij eens samen zingen. Wat zal dat een mooi duet worden!»En zoo moesten zij samen zingen; maar het eene gezang paste niet goed bij het andere, want de werkelijke nachtegaal zong op zijn wijze en de kunstmatige vogel bracht geluid voort door het ronddraaien van een cilinder. «Het is zijn schuld niet,» zei de muziekmeester; «hij blijft goed in de maat en zingt geheel volgens mijn methode!» Nu moest de kunstmatige vogel alleen zingen. Hij vond evenveel bijval als de werkelijke, en daarbij kwam nog, dat hij er veel mooier uitzag: hij fonkelde als armbanden en doekspelden.Drie-en-dertig maal zong hij één en hetzelfde stuk en was nog niet moe. De aanwezigen zouden hem graag nog eens gehoord hebben, maar de keizer beweerde, dat nu ook de levende nachtegaal eens iets moest zingen.—-Maar waar was die? Niemand had gemerkt, dat hij door het openstaande raam naar zijn groene bosschen weggevlogen was.«Wat is dat?» riep de keizer uit. En al de hovelingen waren geërgerd en beweerden, dat de nachtegaal een heel ondankbaar beest was. «Den besten nachtegaal hebben we toch!» zeiden zij; en zoo moest dan de kunstmatige vogel weer zingen, en dat was de vier-en-dertigste maal, dat zij hetzelfde stuk te hooren kregen. Zij kenden het met dat al toch niet van buiten; want het was veel te moeilijk. En de muziekmeester prees den vogel hemelhoog; ja, hij verzekerde, dat hij beter dan een levende nachtegaal was, niet alleen wat zijn veeren en de vele prachtige diamanten betreft, maar ook innerlijk.«Want ziet ge, Mijne Heeren! en bovenal gij, Uwe Majesteit! bij den werkelijken nachtegaal kan men nooit berekenen, wat er zal komen; maar bij den kunstmatigen vogel is alles bepaald! Men kan het verklaren, men kan hem opendoen en het aan de menschen begrijpelijk maken, hoe de cilinders zitten, hoe zij omdraaien, en hoe het een uit het ander volgt.»«Zoo denken wij er ook over!» zeiden allen, en de muziekmeester kreeg de vergunning, den vogel den volgenden Zondag aan het volk te laten zien. Het moest hem ook hooren zingen, beval de keizer. En het volk hoorde hem; en het werd zoo uitgelaten, alsof het zich aan thee bedronken had, want dat is Chineesch. Nu zeiden allen: «O!» en hielden hun wijsvinger in de hoogte en knikten daarbij. De arme visschers echter, die den werkelijken nachtegaal gehoord hadden, zeiden: «Dat klinkt niet onaardig; de zangwijzen gelijken ook op elkaar; maar er ontbreekt toch iets aan, ik weet niet wat.»De werkelijke nachtegaal werd uit het land verbannen.De kunstmatige vogel had zijn plaats op een zijden kussen dicht bij het bed van den keizer; al de geschenken, die hij gekregen had, lagen om hem heen, en in den titel was hij tot een «KeizerlijkenKamerzanger» geklommen, in den rang tot nummer één aan de linkerzijde. Want de keizer rekende die zijde voor de voornaamste, waar het hart zit, en het hart zit ook bij een keizer links. En de muziekmeester schreef een werk van vijf-en-twintig deelen over den kunstmatigen vogel; dit was zoo geleerd en zoo lang, vol van de allermoeilijkste Chineesche woorden, dat alle menschen zeiden, dat zij het gelezen en begrepen hadden; want anders zouden zij immers dom geweest zijn en stokslagen gekregen hebben.Zoo ging het een geheel jaar door. De keizer, het hof en al de andere Chineezen kenden het gezang van den kunstmatigen vogel nu heelemaal van buiten. Maar juist daarom beviel het hun ook het allerbest; zij konden zelf meezingen, en dat deden zij dan ook. De straatjongens zongen: «Tititi, tititi!» En de keizer zong het insgelijks. Ja, dat was allerprachtigst!Op zekeren avond echter, toen de kunstmatige vogel overheerlijk zong en de keizer te bed lag en daarnaar luisterde, ging het van binnen in den vogel «Knap!» Daar sprong iets! «Rrrrr!» alle raderen liepen in de rondte, en toen stond de muziek stil.De keizer sprong dadelijk uit zijn bed en liet zijn lijfarts roepen; maar wat kondieer aan doen? Toen lieten zij den horlogemaker halen, en na veel praten en bekijken kreeg hij den vogel een beetje in orde; maar hij zeide, dat hij ontzien moest worden, want de pennetjes waren afgesleten, en het was onmogelijk, er nieuwe zóó in te zetten, dat de muziek goed bleef gaan. Nu heerschte er een diepe treurigheid! Slechts eenmaal in het jaar mocht men den kunstmatigen vogel laten zingen, en dat was bijna nog te veel. Maar dan hield de muziekmeester een korte toespraak vol vreemde woorden en zeide, dat hij even goed was als vroeger; en toen was hij ook even goed als vroeger.Nu waren er vijf jaren verloopen, en het land werd in diepe treurigheid gedompeld. De Chineezen hielden in den grond allen veel van hun keizer, en nu was hij ziek en zou het wel niet lang meer maken, zei men. Er was al eennieuwekeizer gekozen, en het volk stond buiten op de straat en vroeg aan den kamerheer, hoe het met hun ouden keizer ging.«P!» zeide hij en schudde met het hoofd.Koud en bleek lag de keizer in zijn groot, prachtig ledekant; het geheele hof dacht, dat hij dood was, en ieder van hen liep weg, om den nieuwen keizer te begroeten. De kamerdienaars liepen naar buiten, om daarover te praten, en de kameniers hadden een groote koffievisite. In al de zalen en gangen was laken neergelegd, opdat men geen voetstap zou hooren, en daarom was het er stil! Maar de keizer was nog niet dood; stijf en bleek lag hij in het prachtige ledekant met de lange fluweelen gordijnen en de zware gouden kwasten; in de hoogte stond er een raam open, en de maan scheen daardoor heen op den keizer en den kunstmatigen vogel.De arme keizer kon tenauwernood ademhalen; het was, alsof eriets op zijn borst zat; hij deed de oogen open, en nu zag hij, dat het de dood was, die op zijn borst zat en zich zijn gouden kroon opgezet had en in de eene hand zijn gouden sabel, in de andere zijn prachtig vaandel hield. En uit de plooien van de groote, fluweelen bedgordijnen kwamen wonderlijke hoofden kijken: enkele leelijk, andere liefelijk en vriendelijk. Dat waren al ’s keizers booze en goede daden, die hem aanstaarden, terwijl de dood hem op het hart zat.«Herinnert ge u dit?» fluisterde de een na den ander. «Herinnert ge u dat?» En dan vertelden zij hem zoo veel, dat hem het zweet van het voorhoofd gutste.«Dat heb ik niet geweten!» zei de keizer. «Muziek! Muziek! De groote Chineesche trommel!» riep hij, «opdat ik niet alles behoef te hooren, wat zij zeggen!»En zij gingen voort, en de dood knikte als een Chinees bij alles, wat er gezegd werd.«Muziek! Muziek!» schreeuwde de keizer. «Och, kleine, prachtige gouden vogel! Zing toch, zing toch! Ik heb u immers goud en kostbaarheden gegeven; ik heb u zelfs mijn gouden pantoffel om den hals gehangen. Zing toch, zing toch!»Maar de vogel hield zich stil, er was niemand om hem op te winden, en anders zong hij niet; maar de dood ging voort, den keizer met zijn groote, holle oogen aan te staren; en stil was het, akelig stil.Daar deed zich op eens van den kant van het raam het heerlijkste gezang hooren: het was de kleine, levende nachtegaal, die buiten op een tak zat. Hij had van de ziekte van zijn keizer gehoord en was daarom gekomen, om hem troost en hoop toe te zingen. En terwijl hij zong, werden de spooksels gedurig bleeker en bleeker; het bloed begon gedurig sneller en sneller door ’s keizers zwakke leden te vloeien, en zelfs de dood luisterde en zei: «Zing door, kleine nachtegaal! Zing door!»«Wilt ge mij dan de prachtige gouden sabel geven? Wilt ge mij het mooie vaandel geven? Wilt ge mij de kroon van den keizer geven?»En de dood gaf ieder kleinood voor een lied; en de nachtegaal ging nog steeds met zingen voort; hij zong van den stillen akker Gods, waar de witte rozen groeien, waar de vlier geurt, en waar het frissche gras door de tranen der achterblijvenden bevochtigd wordt. Nu kreeg de dood verlangen naar zijn tuin en zweefde, als een koude, witte nevel, uit het raam.«Dank, dank!» zei de keizer. «Gij hemelsche, kleine vogel! Ik ken u wel! Ik heb u uit mijn land verjaagd! En toch hebt gij de booze gezichten van mijn bed weggezonden, den dood van mijn hart verdreven! Hoe kan ik u daarvoor beloonen?»«Ge hebt mij beloond!» zei de nachtegaal. «Ik heb aan uw oogen tranen ontlokt, toen ik de eerste maal zong: dat vergeet ik nimmer! Dat zijn juweelen, die een zangershart verheugen! Maar slaap nu en word weer frisch en sterk! Ik zal u iets voorzingen!»En hij zong,—en de keizer viel in een zoete sluimering. O, hoe mild en weldadig was die slaap!De zon scheen door het raam naar binnen, toen hij gesterkt en gezond ontwaakte. Geen van zijn bedienden was nog teruggekomen, want zij dachten, dat hij dood was; alleen de nachtegaal zat nog bij hem en zong.«Altijd moet ge bij mij blijven!» zei de keizer. «Ge moet nu maar zingen, als ge zelf wilt, en den kunstmatigen vogel sla ik in duizend stukken.»«Doe dat niet!» zei de nachtegaal. «Hij heeft immers het goede gedaan, zoo lang als hij kon. Behoud hem, evenals tot hiertoe! Ik kan in het paleis mijn nest niet bouwen en daar wonen; maar laat mij komen, als ik zelf lust heb; dan zal ik ’s avonds op den tak daar bij het raam zitten en iets voor u zingen, opdat ge vroolijk kunt worden en tevens leert nadenken. Ik zal van de gelukkigen zingen en van hen, die in lijden zijn. Ik zal van het kwade en van het goede zingen, dat om u heen verborgen blijft. De kleine zangvogel vliegt ver in de rondte, naar den armen visscher, naar den nijveren landman, naar iedereen, die ver van u en uw hof verwijderd is. Ik heb uw hart liever dan uw kroon, en toch heeft die kroon een stralenkrans van heiligheid om zich heen!—Ik zal dus komen en iets voor u zingen!—Maar dan moet ge mij één ding beloven!»«Alles!» zei de keizer en stond daar in zijn keizerlijk gewaad, dat hij zelf aangetrokken had, en drukte de sabel, die zwaar van het goud was, aan zijn hart.«Om één ding smeek ik u! Vertel aan niemand, dat ge een kleinen vogel hebt, die u alles zegt; dan zal het nog beter gaan!»Nu vloog de vogel weg.De bedienden kwamen binnen, om naar hun dooden keizer te kijken,——ja, daar stonden zij, en de keizer zei: «Goeden morgen!»1Dit is in het oorspronkelijke dubbelzinnig, daar «gaal» in het Deensch «krankzinnig» beteekent.Een geschiedenis.In den tuin bloeiden al de appelboomen; zij hadden zich gehaast, bloesems te krijgen, voordat hun bladeren ontsproten; en in den tuin gingen al de eendjes wandelen, en ook de kat; zij bakerde zich in de zon en likte den zonneschijn van haar eigen poot af. En als men een blik op de velden sloeg, wat stond daar het koren heerlijk te prijken, en wat was alles onbeschrijfelijk prachtig, en wat was er een getjilp en een gekwinkeleer van al de kleine vogeltjes, alsof het een groot feest was, en dat was het ook, want het was Zondag. De klokken luidden en al de menschen gingen in hun beste kleeren naar de kerk en zagen er vergenoegd uit; ja, aan alles was iets vroolijks; het was een dag, zoo warm en gezegend, dat menwel zeggen kon: De goede God is toch onbeschrijfelijk goed voor ons menschen!Maar binnen in de kerk stond de dominee op den preekstoel en sprak heel luid en toornig; hij zei, dat de menschen allemaal goddeloos waren, God zou ze daarom straffen, en als ze stierven, dan zouden de boozen allemaal in de hel komen, om eeuwig te branden. Hij wees er met nadruk op, «dat hun worm niet zou sterven en hun vuur niet uitgebluscht worden, dat zij nimmer rust zouden vinden!»Dat was vreeselijk om aan te hooren, en hij zei dit op zulk een toon van overtuiging; hij beschreef hun de hel als een verpeste plaats, waarheen al het ontuig uit de geheele wereld samenvloeit,—daar was geen andere lucht, dan de heete brandende zwavelvlam, daar was geen grond, zij—de boozen—zonken en zonken al dieper en dieper bij een eeuwig stilzwijgen!—Het was reeds vreeselijk daarvan te hooren; want de dominee sprak het uit het volle hart, en al de menschen in de kerk waren daarover ontzet.Buiten intusschen zongen al de vogeltjes zoo vroolijk, en de zon scheen zoo warm, het was alsof ieder bloempje zei: «God! Gij zijt zoo onbeschrijfelijk goed voor ons allen!»—Ja, buiten was het volstrekt niet, zooals de dominee preekte.Dien zelfden avond bij het naar bed gaan keek de dominee zijn vrouw aan en zag, dat zij peinzend en in gedachten verdiept zat.«Wat scheelt er aan?» vroeg hij haar.«Ja, wat mij scheelt?» zeide zij. «Dit scheelt mij, dat ik mijn gedachten niet goed weet te verzamelen, dat ik datgene, wat je vandaag in de kerk gesproken hebt, niet goed kan begrijpen, «dat er zoovele goddelooze menschen zijn en dat zij eeuwig zullen branden!» Eeuwig! Ach, wat is dat lang!—Ik ben maar een mensch, een zondares voor God, maar ik zou het niet over mijn hart kunnen krijgen, zelfs den snoodsten zondaar eeuwig te laten branden, en hoe zou God dit dan kunnen, die zoo oneindig goed is, en die immers weet, hoe het booze van buiten en van binnen komt? Neen ik kan het mij zoo niet voorstellen, ofschoon gij het zegt!»Het was herfst, de boomen lieten hun bladeren vallen, de ernstige, strenge dominee zat aan de legerstede van een stervende; een vrome, geloovige vrouw sloot de oogen: het was de echtgenoote van den dominee.«Als er iemand rust in het graf en genade voor zijn God vindt, dan zal zij het wel zijn!» zei de dominee; hij vouwde haar handen en las een psalm voor de overledene.Men droeg haar ten grave; twee groote tranen biggelden er langs de wangen van den strengen man, en in de pastorie was het stil en ledig: de zon des huizes was uitgebluscht, zij was huiswaarts gegaan.Het was nu nacht, een kille wind blies over het hoofd van dendominee; hij sloeg de oogen op, en het was hem, alsof de maan in zijn kamer scheen, maar deze scheen niet. Een gestalte was het, die voor zijn bed stond, hij zag den geest van zijn overleden vrouw; zij keek hem zoo innig bedroefd aan; het was, alsof zij iets tegen hem wilde zeggen.De dominee richtte zich terstond in zijn bed op en strekte de armen naar haar uit. «Zoo is dan ook aan u de eeuwige rust niet vergund! Ge lijdt, gij, de beste, de vroomste!»De doode knikte bevestigend met het hoofd en legde de hand op de borst.«En ben ik bij machte om u de rust in het graf te schenken?»«Ja!» luidde het antwoord.«En op welke wijze?»«Geef mij een haar, maar een enkel haar van het hoofd van den zondaar, wiens vuur nimmer zal uitgebluscht worden; vandienzondaar, dien God tot eeuwige pijn in de hel zal werpen.»«Ja, zoo gemakkelijk moet gij verlost kunnen worden, gij reine en vrome!» zeide hij.«Volg mij dan!» zei de doode. «Het is ons vergund. Aan mijn zijde zweeft ge, waarheen uw gedachten maar willen: voor de menschen onzichtbaar, dringen wij hun geheimste vertrekken binnen,—maar met vaste hand moet ge hem opsporen, die tot eeuwige kwelling uitverkoren is, en voor het hanengekraai moet hij gevonden zijn!»Snel, als door de gevleugelde gedachten gedragen, bevonden zij zich in de groote stad, en van de muren der huizen straalden hun in vlammend schrift de namen der doodzonden tegen: hoogmoed, gierigheid, dronkenschap, wellust, in één woord de geheele zevenkleurige boog der zonde.«Ja, daarbinnen, zooals ik wel dacht, zooals ik wel wist,» zei de dominee, «daarbinnen wonen zij, die voor het eeuwige vuur bestemd zijn!»—En zij stonden voor het prachtig verlichte portaal, de breede trappen prijkten met tapijten en bloemen, en door de feestelijk versierde zalen ruischte de dansmuziek. De portier, in zijde en fluweel gekleed, stond met zijn grooten, met zilver beslagen stok aan den ingang.«Ons bal kan zich met dat van den koning meten!» zei hij en wendde zich verachtelijk tot de gapende menigte, die op de straat stond; wat hij dacht, bleek genoegzaam uit zijn gedragingen en bewegingen. «Schooiers, die daar alles staat aan te gapen, bij mij vergeleken ben je allemaal kanalje!»«Hoogmoed!» zei de doode, «ziet ge hem?»«Dien daar?» antwoordde de dominee. «Het is immers maar een arme gek, een dwaas, en niet voor de kwellingen van het eeuwige vuur bestemd.»«Maar een dwaas!» klonk het door het geheele huis van den hoogmoed; dat waren zij daar allen.Zij zweefden tot binnen de vier kale muren van den gierigaard.Mager als een geraamte, van koude sidderend, hongerig klampt de grijsaard zich met al zijn gedachten aan zijn geld vast; zij zagen hem koortsachtig van zijn ellendige legerstede opspringen en een lossen steen uit den muur nemen, daar lagen gouden munten in een oude kous; zij zagen hem zijn gescheurden rok, waarin de goudstukken genaaid waren, angstig betasten, en zijn vochtige vingers sidderden!«Die is ziek! Dat is waanzinnigheid, een droevige waanzinnigheid, door angst en booze droomen omgeven!»Zij verwijderden zich snel en kwamen voor de kribben der misdadigers; in lange rijen sliepen de ongelukkigen naast elkander. Als een wild dier sprong er een uit zijn slaap op en stiet een afschuwelijken gil uit, hij gaf zijn kameraad met den elleboog een duchtigen stoot in de ribben, en deze keerde zich slaperig om, zeggende:«Houd je mond, onmensch, en slaap!—Dat is hier iederen nacht!...»«Iederen nacht!» herhaalde de ander. «Ja, iederen nacht komt hij en kwelt mij!—In mijn drift heb ik dit en dat gedaan, met een boos hart ben ik geboren, dit heeft mij ten tweeden male hier gebracht; maar als ik kwaad gedaan heb, dan onderga ik daarvoor immers mijn straf.—Er is echter één ding, dat ik niet bekend heb. Toen ik de laatste maal hier uitkwam en het huis van mijn vroegeren heer voorbijging, toen kookte het in mij, omdat mij een en ander in de gedachten kwam,—en ik streek een lucifer zoo wat tegen den muur af; alles verbrandde, de hitte kwam daarover, zooals zij menigmaal over mij komt. Ik hielp zelf redden, vee en meubelen. Niets levends verbrandde er dan een troep duiven, die in het vuur vlogen, en de kettinghond, waaraan ik niet gedacht had. Men hoorde hem te midden van den brand huilen, en... dit huilen hoor ik nog altijd, als ik wil slapen, en als ik in slaap gevallen ben, dan komt de hond groot en ruw, en legt zich op mij neer, en huilt, en drukt mij, en kwelt mij!—Hoor dan toch, wat ik je vertel! Snorken kan je; den heelen nacht snork je, maar ik nog geen kwartier!»—En het bloed kwam den verhitten gevangene in de oogen, hij wierp zich op zijn kameraad en sloeg hem met zijn gebalde vuist in het gezicht.«De booze Matz is weer eens dol geworden!» heette het nu in de rondte, en de andere misdadigers grepen hem, worstelden met hem, drukten hem krom, zoodat zijn hoofd tusschen zijne knieën zat, en daar bonden zij dit vast, zoodat het bloed Matz bijna uit de oogen en uit alle poriën kwam.«Gij doodt hem, den ongelukkige!» riep de dominee uit, en terwijl hij zijn hand beschermend over dengene uitstrekte, die reeds te zwaar boette, veranderde het tooneel. Zij vlogen door rijke zalen en arme kamertjes; wellust en nijd, alle doodzonden liepen hun voorbij; een engel van het strafgericht las hun schuld, hun verdediging; deze was wel is waar niet schitterend, maar zij werd voor God gebracht, voor dien God, die in het harte leest en alles weeten kent, het booze, dat van binnen en van buiten komt, dien God, die de genade en de liefde zelf is.De hand van den dominee beefde, hij waagde het niet, haar uit te strekken, hij had den moed niet, een enkel haar uit het hoofd van den zondaar te trekken.—En de tranen vloeiden hem uit de oogen als een stroom der genade en der liefde, welks verkoelende wateren het eeuwige vuur der hel uitbluschten.Daar kraaide de haan.«Barmhartige God! Geef Gij haar den vrede, dien ik haar niet heb kunnen verschaffen!»«Dien heb ik nu!» zei de doode. «Het was een hard woord, uw wanhoop aan de menschheid, uw somber geloof aan God en Zijn schepping, dat mij naar u toe dreef! Leer de menschen kennen! Zelfs in de boozen leeft een deel van God, dat de vlam der hel uitbluscht en overwint!»De dominee voelde een kus op zijn lippen, er verspreidde zich een schemering om hem heen; de heldere zon van God scheen in de kamer, waar zijn vrouw, levend, vriendelijk en vol liefde, hem uit een droom wakker maakte, die hem door God gezonden was!Twaalf met de diligence.Het was snerpend koud; de sterren fonkelden aan den onbewolkten hemel; geen windje was er aan de lucht.«Bom!» daar werd een oude pot tegen de voordeur van den buurman geworpen. «Piefpafpoef!» daar knalde een pistool; men begroette het nieuwe jaar! Het was oudejaarsavond! Nu sloeg de torenklok twaalf slagen!«Ratatatatata!» De diligence kwam aanrijden en hield voor de stadspoort stil. Zij bracht twaalf personen mee; al de plaatsen waren bezet.«Hoera! Hoera!» riepen de menschen in de huizen der stad, waar de oudejaarsavond gevierd werd en men met klokslag van twaalven het gevulde glas omhoog hief, om het nieuwe jaar het welkom toe te roepen.«Een gelukkig nieuwjaar!» heette het. «Een mooie vrouw! Veel geld! Geen verdriet en geen smart!»Dat wenschte men elkaar van weerskanten toe, en daarop klonk men met de glazen, zoodat het een geducht gerinkel gaf,—en voor de stadspoort hield de diligence met de vreemde gasten, de twaalf reizigers, stil.En wie waren deze vreemdelingen? Ieder had zijn reispas en zijn bagage bij zich; ja, zij brachten zelfs geschenken mee voor mij envoor u en voor alle menschen, die er in het stadje woonden. Wie waren zij, wat wilden zij en wat brachten zij?«Goeden morgen!» riepen zij den schildwacht toe, die bij den ingang van de stadspoort stond.«Goeden morgen!» antwoordde deze, want de klok had immers twaalf uur geslagen.«Uw naam? Uw beroep?» vroeg de schildwacht aan hem, die het eerst uit de diligence stapte.«Kijk dat zelf maar in den pas na!» antwoordde de man. «Ik ben ik!» En het was ook een flinke kerel, die een berenpels en laarzen met bont gevoerd aanhad. «Ik ben de man, waarop zeer veel menschen hun hoop bouwen. Kom morgen bij mij, dan zal ik je een nieuwjaarsgeschenk geven! Ik werp penningen en daalders onder de menschen, ja, ik geef ook bals, een en dertig bals, want meer avonden kan ik daarvoor niet afstaan. Mijn schepen zijn vastgevroren, maar in mijn kantoor is het warm en gezellig. Ik ben koopman, heetJanuarienbrengslechts rekeningen met mij mee.»Nu stapte de tweede uit. Dit was een lustige kwant; hij was directeur van een komedie, directeur van gemaskerde bals en van alle vermakelijkheden, die men zich maar kan voorstellen. Zijn bagage bestond uit een groote ton.«Uit de ton,» zei hij, «zullen wij op vastenavond de kat jagen. Ik zal jelui het leven wel prettig maken en mij zelf ook; alle dagen vroolijk! Ik heb juist niet lang te leven, van den heelen troep den kortsten tijd: ik word namelijk maar acht-en-twintig dagen oud. Somtijdsvoegen zij er nog wel eens een dag aan toe,—maar dat kan mij weinig schelen. Hoera!»«Ge moogt niet zoo schreeuwen!» zei de schildwacht.«Och kom! Ik mag wel schreeuwen,» riep de man uit. «Ik ben prins Carnaval en reis onder den naamFebruari.»Nu stapte de derde uit de diligence; deze zag er als de verpersoonlijkte vasten uit, maar hij zette een hooge borst; want hij was familie van de «veertig ridders» en bovendien een weerprofeet. Maar dat is geen vet postje, en daarom roemde hij ook de vasten. In een knoopsgat droeg hij ook een ruikertje van viooltjes, maar deze waren zeer klein.«Maart!Maart!» riep de vierde hem achterna en klopte hem op den schouder; «ruik je niets? Gauw de wachtkamer in; daar drinken ze pons, je lievelingsdrank; ik kan het hier buiten al ruiken. Komaan, mijnheerMaart!»Maar het was niet waar; de vierde wilde hem slechts den invloed van zijn naam laten voelen en hem eens beetnemen, want daarmee begonAprilzijn levensloop in de stad. Hij zag er over ’t algemeen zeer vroolijk uit; werken deed hij maar heel weinig; maar des te meer maakte hij feestdagen. «Als het maar wat bestendiger in de wereld was,» zei hij; «maar nu eens is men goed, dan weer slecht geluimd, al naar het valt; nu eens regen, dan weer zonneschijn! Ik ben ook zoo’n soort van een agent van een verhuurkantoor, ook een aanspreker; ik kan lachen en huilen, al naar het te pas komt. In mijn koffer heb ik een zomertoilet, maar het zou heel dwaas zijn, dit aan te trekken. Hier ben ik nu!»Na hem stapte er een dame uit het rijtuig. JuffrouwMeinoemde zij zich. Zij droeg een zomertoilet en overschoenen, een lindebladgroene japon en anemonen in het haar, en daarbij rook zij zoo geducht naar de muskus, dat de schildwacht moest niezen. «Op uw gezondheid en Gods zegen!» zeide zij; dat was haar groet. Wat zag zij er allerliefst uit! En zangeres was zij, geen operazangeres, ook geen kermiszangeres, neen, zangeres van het bosch: zij doolde het frissche, groene bosch door en zong daar voor haar eigen plezier.«Nu komt de jonge vrouw!» riepen ze binnen in het rijtuig, en nu stapte de jonge vrouw, die er fijn, fier en lief uitzag, er uit. Men kon het haar, mevrouwJuni, wel aanzien, dat zij het gewoon was, door luie slaapkoppen bediend te worden. Op den langsten dag van het jaar gaf zij een groote partij, opdat de gasten tijd zouden hebben om de vele gerechten, die er op de tafel stonden, te nuttigen. Zij had wel is waar haar eigen equipage; maar zij reisde toch met diligence, evenals de anderen, omdat zij wilde toonen, dat zij niet hoogmoedig was. Maar zonder gezelschap was zij niet; haar jongere broederJuliwas bij haar.Dit was een welgedane jongeling, op zijn zomersch gekleed en met een stroohoed op. Hij had maar weinig bagage bij zich, omdat dit bij een hevige warmte te lastig is; daarom had hij zich slechts van een zwembroekje voorzien, en dat is niet veel.Daarop kwam de moeder zelf, mevrouwAugustus, fruitverkoopster in het groot, eigenares van een menigte vischvijvers, een landhuishoudkundige in een groote crinoline; zij was dik en had het warm, maar toch pakte zij alles aan en bracht de arbeiders op het land zelf bier. «In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten!» zeide zij, «dat staat in den bijbel. Later komen de pleziertochtjes, dans en spel in het groen en de oogstfeesten!» Zij was een knappe huishoudster.Na haar stapte er weer een man uit het rijtuig, een schilder van beroep, mijnheerSeptember; die moest naar het bosch; de bladeren moesten van kleur wisselen; maar hoe schoon werd alles, als hij het wilde; al spoedig prijkte het bosch in rood, geel of bruin. De schilder floot als een lijster, was een ervaren kunstenaar en slingerde de bruinachtig groene hopranken om zijn bierglas. Dat sierde het glas op, en van opsieren hield hij veel. Daar stond hij nu met zijn verfpot: dat was zijn heele bagage!Op hem volgde de landeigenaar, die aan het beploegen en bezaaien van den grond, maar ook aan het jachtvermaak dacht; mijnheerOctoberhad een hond en een geweer bij zich en noten in zijn weitasch. Hij had veel bagage bij zich, zelfs een Engelschen ploeg, hij sprak over landhuishoudkunde, maar door het hoesten van zijn buurman hoorde men daar niet veel van.MijnheerNovemberwas het, die zoo hoestte, terwijl hij uit het rijtuig stapte. Deze had heel veel last van verkoudheid; hij snoot zijn neus aldoor en toch, zeide hij, moest hij de dienstmeisjes vergezellen en ze in haar nieuwen dienst brengen; die verkoudheid,dacht hij, zou wel weer overgaan, als hij maar aan het houthakken ging, en hout moest hij zagen en hakken, want hij was meesterknecht bij een houtkooper. De avonden bracht hij met het snijden van hout voor schaatsen door; want hij wist wel, zei hij, dat men over eenige weken behoefte aan deze soort van schoenen zou hebben.Eindelijk kwam de laatste passagier te voorschijn, het oude moedertjeDecembermet een stoof onder den arm; de oude vrouw had het koud; maar haar oogen fonkelden als twee heldere sterren. Zij droeg een bloempot in de hand, waarin een kleine dennenboom geplant was. «Dien boom wil ik opkweeken, dan kan hij groeien en groot worden tegen den Kerstavond, van den vloer tot hoog aan de zoldering reiken en opschieten met vlammende lichten, gouden appelen en uitgesneden figuurtjes. De stoof geeft evenveel warmte als een kachel; ik haal het sprookjesboek uit mijn zak en lees daaruit overluid voor, zoodat alle kinderen in de kamer stil en de figuurtjes aan den boom vroolijk worden, en de kleine engel van was op de uiterste punt zijn gouden vleugelen uitspreidt, van zijn groenen zetel afvliegt en kleinen en grooten in de kamer kust, ja, ook de arme kinderen, die buiten op de straat staan en het Kerstlied van de ster van Bethlehem zingen.»«Ziezoo! Nu kan de diligence wegrijden,» zei de schildwacht. «Wij hebben ze alle twaalf. De bijwagen kan voorkomen.»«Laat de twaalf eerst bij mij binnenkomen!» zei de kapitein, die de wacht had, «de een na den ander! De passen houd ik hier; zij zijn ieder voor een maand geldig; als deze verstreken is, zal ik het gedrag op den pas aanteekenen. MijnheerJanuari! mag ik u maar verzoeken, nader te komen?»En mijnheer Januari kwam nader.Als er een jaar verloopen is, zal ik u eens zeggen, wat die twaalf u, mij en ons allen gebracht hebben. Nu weet ik het nog niet, en misschien weten zij het zelf niet eens,—want het is een zonderlinge tijd, waarin wij leven.Domme Hans.Diep in het binnenste van het land stond een oud ridderkasteel; daarin woonde een oude grondeigenaar, die twee zonen had, die zich zoo knap en geleerd waanden, dat de helft al voldoende geweest zou zijn. Dezen wilden nu naar de hand van de koningsdochter dingen, want de prinses had openlijk laten aankondigen, dat zij dengene tot echtgenoot zou kiezen, die zijn woorden het best klaar had.Beiden bereidden zich nu volle acht dagen daarop voor; dit was een lange, maar toch ook voldoende tijd, die hun vergund was; want zij waren in het bezit van voorloopige kundigheden, en hoezeer deze te stade komen, weet iedereen. De een kende het heele Latijnsche woordenboek en bovendien nog drie jaargangen van hetdagblad van het stadje van buiten, en wel zoo, dat hij alles van voren naar achteren en van achteren naar voren, al naar men het wilde, kon opzeggen. De ander had zich de gildewetten in het hoofd geprent en kende van buiten, wat iedere gildemeester moet weten, waarom hij dacht, dat hij over staatszaken mee kon spreken en daarover ook een duit in het zakje leggen. Bovendien had hij nog ergens verstand van: hij kon rozen en andere bloempjes en arabesken op wapenrustingen borduren, want hij was ook vindingrijk en kunstvaardig.«Ik krijg de koningsdochter!» riepen zij allebei, en zoo gaf hun oude vader ieder van hen een prachtig paard. Hij, die het woordenboek en het dagblad van buiten kende, kreeg een zwart paard; hij, die met de gildewetten bekend was, kreeg een wit paard, en daarop smeerden zij de hoekjes van hun mond met traan in, opdat deze heel buigzaam zou worden.Al de bedienden stonden beneden op het voorplein en waren er getuigen van, hoe zij te paard stegen, en als bij toeval kwam ook de derde broer er bij, want de oude grondeigenaar had eigenlijk drie zonen, maar niemand telde dezen derden broer bij de andere broers, omdat hij niet zoo geleerd als deze was, en men gaf hem dan ook gewoonlijk den naam van dommen Hans.«Wel zoo!» zei domme Hans, «waar moet je naar toe? Je hebt je Zondagskleeren immers aangetrokken.»«Naar het hof van den koning, om de koningsdochter door praten te krijgen. Weet je dan niet,water in het geheele land bekend gemaakt is?» En nu vertelden zij hem alles.«Wel drommels! Dan ben ik ook van de partij!» riep domme Hans; maar zijn broers lachten hem uit en reden weg.«Vader,» zei domme Hans, «ik moet ook een paard hebben. Wat krijg ik een lust in trouwen! Als zij mij neemt, dan neemt zij mij, en als zij mij niet neemt, dan neem ik haar,—krijgen zal ik haar toch!»«Houd met die dwaze praatjes op!» zei de grijsaard. «Jou geef ik geen paard. Je kunt immers niet spreken, je hebt je woorden immers niet klaar; neen, je broers zijn andere kerels!»«Welnu,» zei domme Hans, «als ik geen paard kan krijgen, dan neem ik den bok; die behoort mij zoo goed als toe, en dragen kan hij mij ook!»Zoo gezegd, zoo gedaan. Hij zette zich schrijlings op den bok, drukte zijn hakken in diens zijden, reed weg en vloog den grooten straatweg als een stormwind langs. Hei, hop, dat was een tocht. «Hier kom ik!» schreeuwde domme Hans en zong, zoodat het wijd en zijd in den omtrek weerklonk.Maar zijn broers reden hem langzaam vooruit; zij spraken geen woord, zij moesten eens over al de goede invallen nadenken, die zij voor den dag zouden brengen; want dat moest alles keurig uitgedacht zijn.«Heidaar!» schreeuwde domme Hans, «hier ben ik! Kijkt eens,wat ik op den straatweg gevonden heb!» En hij liet hun een doode kraai zien, die hij gevonden had.«Domoor!» zeiden de broers, «wat wil je daarmee beginnen?»«Met de kraai?—Die wil ik aan de koningsdochter geven!»«Ja, doe dat maar!» zeiden zij, lachten en reden verder.«Hei, hop! Hier ben ik! Zie eens, wat ik nu gevonden heb. Dat vindt men niet alle dagen op den straatweg!»En de broers keerden zich om, ten einde te zien, wat hij nu weer kon gevonden hebben. «Domoor!» zeiden zij, «dat is immers een oude klomp, waarvan het bovengedeelte nog wel ontbreekt; wil je dat ook aan de koningsdochter geven?»«Zeker wil ik dat!» antwoordde domme Hans, «het wordt al mooier en mooier! O, het is allerprachtigst!»«Wat heb je nu dan weer gevonden?» vroegen de broers.«O,» zei domme Hans, «dat is niet om te zeggen! Wat zal de koningsdochter blij zijn!»«Ba!» zeiden de broers, «dat is immers slijk, dat uit de sloot komt.»«Zeker is het dat!» sprak domme Hans, «en wel van het fijnste soort. Kijk maar, het loopt iemand tusschen de vingers door!» En daarbij vulde hij zijn zak met het slijk.Maar zijn broers reden voort, zoodat keisteentjes en vonken om hen heen sprongen, daardoor kwamen zij ook een uur vroeger dan domme Hans aan de stadspoort. Daar kregen al de vrijers nommers terstond na hun aankomst, en werden in het gelid geschaard, zes op iedere rij, en zoo dicht op elkaar gedrongen, dat zij hun armen niet konden bewegen; dat was wijselijk zoo ingericht, want anders zouden zij elkaar zeker wel het vel over de ooren getrokken hebben, alleen omdat de een voor den ander stond.De geheele volksmenigte stond rondom het koninklijk kasteel in dichte massa’s op elkaar gedrongen tot aan de ramen toe, om de vrijers door de koningsdochter te zien ontvangen; telkens wanneer er een van hen de zaal binnentrad, stond hij met zijn mond vol tanden.«Die past mij niet!» sprak de koningsdochter. «Voort! Weg met hem!»Eindelijk kwam de beurt aan dien van de broeders, die het woordenboek van buiten kende, maar hij wist het niet meer; hij had het heelemaal vergeten, terwijl hij daar in het gelid geschaard stond; en de planken van den vloer kraakten en de zoldering der zaal was van louter spiegelglas, zoodat hij zich zelf op het hoofd zag staan, en bij ieder raam stonden drie secretarissen en een oppersecretaris, en ieder van hen schreef alles op, wat er gesproken werd, opdat het terstond in de krant zou komen en voor een kleinigheid op de hoeken der straten verkocht worden. Het was ontzettend, en daarbij hadden zij de kachel zoo geducht opgestookt, dat het er gloeiend warm was.«Het is hier verschrikkelijk heet!» zei de vrijer.«Dat is ook zoo; maar mijn vader braadt vandaag ook jonge haantjes!» zei de koningsdochter.Op zulk een gesprek was hij niet voorbereid geweest; geen woord wist hij te zeggen, ofschoon hij iets geestigs had willen zeggen.«Die past mij niet!» zei de koningsdochter. «Voort! Weg met hem!» En hij moest de deur uit.Nu trad de andere broer binnen.«Wat is het hier ontzaglijk heet!» zeide hij.«Dat is ook zoo; maar wij braden vandaag jonge haantjes!» merkte de koningsdochter aan.«Wat? Bra....? Wat?» zeide hij, en de secretarissen schreven: «Wat? Bra....? Wat?»«Die past mij niet!» zei de koningsdochter. «Voort! Weg met hem!»Nu kwam domme Hans aan; hij reed op den bok regelrecht de zaal binnen. «Wat is het hier gloeiend heet!» zeide hij.«Dat is zoo; maar ik braad ook jonge haantjes!» antwoordde de koningsdochter.«Wel, dat treft goed!» hernam domme Hans, «dan kan ik wel een kraai mee braden.»«Met alle genoegen!» zei de koningsdochter; «maar hebt ge iets waarin ge kunt braden? Want ik heb geen pot of pan.»«O, dat heb ik wel!» zei domme Hans. «Hier is kookgereedschap met een tinnen beugel,» en nu haalde hij den klomp voor den dag en legde er de kraai in.«Dat is een deftige maaltijd,» zei de koningsdochter, «maar waar moeten wij de saus vandaan krijgen?»«Die heb ik in mijn zak!» zei domme Hans. «Ik heb zoo veel, dat ik er zelfs wel wat van kan weggooien!»—En nu goot hij wat slijk uit zijn zak.«Dat bevalt mij!» zei de koningsdochter. «Gij weet antwoord te geven, en gij weet te spreken, en u wil ik tot man hebben! Maar weet ge wel, dat ieder woord, dat wij spreken en gesproken hebben, opgeschreven wordt en morgen in de krant komt? Bij ieder raam staan, zooals ge ziet, drie secretarissen en een oppersecretaris, en deze oude oppersecretaris is nog de ergste, want hij kan niets begrijpen!» En dat zeide zij maar, om dommen Hans angst aan te jagen. En de secretarissen grinnikten en spatten daarbij ieder een inktvlek op den vloer.«Zoo! Dat is dus de voornaamste!» zei domme Hans. «Welnu dan zal ik aan den oppersecretaris het beste geven!» En dit zeggende keerde hij zijne zakken om en wierp hem het slijk vlak in het gezicht.«Dat was slim bedacht!» zei de koningsdochter. «Dat zou ik niet hebben kunnen doen; maar ik zal het wel leeren!»Domme Hans werd koning, kreeg een vrouw en een kroon en zat op een troon, en dat hebben wij versch uit de krant van den oppersecretaris en de secretarissen,—maar op hen valt geen staat te maken!
De nachtegaal.In China, moet je weten, is de keizer een Chinees en allen, die hij om zich heen heeft, zijn ook Chineezen. Het is nu al vele jaren geleden, maar juist daarom is het de moeite wel waard, de geschiedenis eens te hooren, voordat zij vergeten wordt. Het keizerlijk paleis was het prachtigste van de wereld, geheel en al van fijn porselein, zeer kostbaar, maar zoo broos, zoo gevaarlijk om er aan te raken, dat men zich zeer in acht moest nemen. In den tuin zag men de wonderlijkste bloemen, en aan de prachtigste waren zilveren klokjes vastgebonden, die altijd bengelden, opdat men niet zou voorbijgaan, zonder op de bloemen te letten. Ja, alles was in den tuin van den keizer keurig ingericht. En hij strekte zich zoo ver uit, dat de tuinman zelf het einde daarvan niet wist. Als men maar steeds verder ging, dan kwam men in het heerlijkste bosch met hooge boomen en diepe meren. Het bosch strekte zich tot aan de zee uit, die blauw en diep was; groote schepen konden tot onder de takken der boomen voortzeilen, en in deze boomen woonde een nachtegaal, die zoo prachtig zong, dat zelfs de arme visscher,die toch drukke bezigheden had, met werken ophield en luisterde, als hij ’s nachts uitgevaren was, om zijn net uit te werpen, en dan den nachtegaal hoorde. «Och, och! wat is dat mooi!» zei hij; maar hij moest op zijn zaken acht geven en vergat den vogel daardoor. Maar als deze den volgenden nacht weer zong en de visscher daarheen kwam, dan zei hij hetzelfde weer.Uit alle landen der wereld kwamen er reizigers naar de stad van den keizer en bewonderden deze, en vooral het paleis en den tuin. Maar als zij den nachtegaal hoorden, dan zeiden zij toch allen: «Dat is nog het mooiste van alles!»De reizigers vertelden daarvan, als zij weer thuis kwamen; en de geleerden schreven vele boeken over de stad, het paleis en den tuin. Maar ook den nachtegaal vergaten zij niet: deze werd het hoogst gesteld; en zij, die verzen konden maken, schreven de prachtigste gedichten over den nachtegaal in het bosch bij de diepe zee.Deze boeken werden door de geheele wereld verspreid, en enkele daarvan kwamen ook den keizer in handen. Deze zat op zijn gouden stoel en las; ieder oogenblik knikte hij met het hoofd, want het deed hem genoegen, de prachtige beschrijvingen van de stad, het paleis en den tuin te lezen. «Maar de nachtegaal is nog het mooiste van alles!» stond daar geschreven.«Wat is dat?» riep de keizer uit. «Den nachtegaal ken ik niet eens! Is er zulk een vogel in mijn keizerrijk en zelfs in mijn tuin? Dat heb ik nog nooit gehoord! Dat ik zoo iets eerst uit boeken moet vernemen!»En hierop riep hij zijn kamerheer. Deze was zoo voornaam, dat hij, als iemand, die minder dan hij was, tegen hem wilde spreken of hem naar iets vragen, niets anders ten antwoord gaf dan: «P!» en dat beteekent niets.«Er moet hier een uiterst merkwaardige vogel zijn, die nachtegaal genoemd wordt!» zei de keizer. «Men zegt, dat deze het mooiste van alles in mijn groot rijk is. Waarom heeft men mij daarvan nooit iets gezegd?»«Ik heb hem vroeger nooit hooren noemen!» zei de kamerheer. «Hij is nooit ten hove voorgesteld.»«Ik wil, dat hij heden avond in het paleis komt en voor mij zingt!» zei de keizer. «De heele wereld weet, wat ik heb, en ik weet het niet.»«Ik heb hem vroeger nooit hooren noemen!» zei de kamerheer. «Ik zal hem zoeken, ik zal hem vinden!»Maar waar zou hij te vinden zijn? De kamerheer liep alle trappen op en neer, door zalen en gangen, maar geen van allen, die hij ontmoette, had over den nachtegaal hooren spreken. Endekamerheer keerde naar den keizer terug en zei, dat het zeker een verzinseltje moest zijn van hen, die boeken schreven. «Uwe Keizerlijke Majesteit kan niet begrijpen, wat er al zoo geschreven wordt! Dat zijn verdichtselen en iets, wat men de zwarte kunst noemt.»«Maar het boek, waarin ik dit gelezen heb,» zei de keizer, «is mij door den grootmachtigen keizer van Japan gezonden; en hetkan dus geen onwaarheid zijn. Ik wil den nachtegaal hooren! Hij moet heden avond hier zijn. Hij bezit mijn hoogste genade! En als hij niet komt, dan moet het geheele hof met stokslagen gestraft worden, wanneer men den avondmaaltijd genuttigd heeft!»«Tsing pe!» zei de kamerheer en liep nogmaals alle trappen op en neer, door al de zalen en gangen; en het halve hof liep mee, want zij wilden niet graag stokslagen krijgen. Nu werd er aan ieder gevraagd naar den merkwaardigen nachtegaal, dien de heele wereld kende, maar aan het hof niemand.Eindelijk troffen zij een klein, arm meisje in de keuken aan, dat tegen hen zei: «Och, hemel! den nachtegaal ken ik heel goed! O, wat kan die zingen! Iederen avond mag ik de restjes van de tafel aan mijn arme, zieke moeder brengen; zij woont aan het strand, en als ik terugkom, moe ben en in het bosch uitrust, dan hoor ik den nachtegaal zingen! Daarbij komen mij de tranen in de oogen, en het is mij, alsof mijn moeder mij kuste!»«Beste meid!» zei de kamerheer, «ik zal je een post in de keuken bezorgen en de vergunning, den keizer te zien eten, als je ons naar den nachtegaal kunt brengen, want deze is tegen van avond aan het hof ontboden!»En zoo liepen zij met hun allen het bosch in, waar de nachtegaal placht te zingen; het halve hof was er bij. Toen zij een eindje geloopen hadden, begon er een koe te loeien.«Ziezoo!» zeiden de hovelingen, «daar hebben we hem! Wat zit er toch een stem in zoo’n klein beestje! Ik moet dit vroeger zeker als eens meer gehoord hebben.»«Neen, dat is een koe, die loeit!» zei het meisje. «We zijn nog ver van de plaats verwijderd.»Nu kwaakten de kikvorschen in het moeras.«Prachtig!» riep de Chineesche hofprediker. «Nu hoor ik hem; het klinkt precies als kleine kerkklokken.»«Neen, dat zijn kikvorschen!» zei het meisje. «Maar nu denk ik, dat we hem gauw zullen hooren.»Daar begon de nachtegaal te zingen.«Dat is hij!» zei het meisje. «Hoort! Hoort! Daar zit hij!» En hierbij wees zij naar een kleinen, grauwachtigen vogel boven in de takken.«Hoe is ’t mogelijk?» zei de kamerheer. «Zoo had ik hem mij niet voorgesteld! Wat ziet hij er eenvoudig uit! Hij heeft zeker zijn kleur verloren, doordat hij zoo vele deftige heeren om zich heen ziet!»«Lieve nachtegaal!»zeide het meisje overluid; «onze genadige keizer verlangt, dat ge voor hem zingt.»«Met het meeste genoegen!» antwoordde de nachtegaal en zong daarop, dat het een lust was om te hooren.«Het klinkt precies als glazen klokjes!» zei de kamerheer. «En kijk dat kleine keeltje eens, hoe het op en neer gaat!Het is zonderling, dat wij hem vroeger nooit gehoord hebben. Hij zal aan het hof zeker wel veel opgang maken!»«Moet ik nog eens voor den keizer zingen?» vroeg de nachtegaal, die dacht, dat de keizer er ook bij was.«Mijn voortreffelijke kleine nachtegaal!» zei de kamerheer, «ik heb het genoegen, u heden avond tot een feest ten hove uit te noodigen, waar ge Zijne Keizerlijke Majesteit door uw verrukkelijk gezang ongetwijfeld zult betooveren.»«Dit laat zich het best te midden van het geboomte hooren!» zei de nachtegaal; maar hij ging toch mee, toen hij hoorde, dat de keizer het wenschte.In het paleis was alles in orde gebracht. De wanden en de vloeren, die van porselein waren, fonkelden in den glans van vele duizenden gouden lampen; de prachtigste bloemen, die goed konden klingelen, waren in de gangen neergezet. Daar was een geloop en gedraaf, en alle klokjes klingelden zoo, dat men zijn eigen woorden niet kon verstaan.Midden in de groote zaal, waar de keizer zat, was een goudenstok geplaatst: daarop moest de nachtegaal zitten. Het geheele hof was er, en de kleine keukenmeid had vergunning verkregen, om achter de deur te staan, daar zij nu den titel van een werkelijkehofkeukenmeid gekregen had. Allen waren in feestgewaad gedost, en allen keken naar den kleinen, grauwachtigen vogel, dien de keizer toeknikte.De nachtegaal zong zoo prachtig, dat den keizer de tranen in de oogen kwamen en langs de wangen biggelden; en nu zong de nachtegaal nog mooier: het ging hem zoo recht van harte. De keizer was zoo verrukt, dat hij zei, dat de nachtegaal zijn gouden pantoffel om den hals moest dragen. Maar de nachtegaal bedankte hiervoor: hij was al genoeg beloond.«Ik heb tranen in ’s keizers oogen gezien, dat is voor mij de grootste schat! De tranen van een keizer hebben een bijzondere kracht! God weet het, ik ben genoeg beloond!» Daarop zong hij weer met zijn liefelijke, prachtige stem.«Dat is de beminnelijkste coquetterie, die ik ken!» zeiden de dames in de rondte, en toen namen zij water in den mond om daarmee te klokken, als iemand tegen haar sprak. Zij meenden, dat zij dan ook nachtegalen waren. Ja, de lakeien en de kameniers lieten berichten, dat ook zij tevreden waren; dat wil veel zeggen, want die zijn het moeilijkst te voldoen. In één woord, de nachtegaal vond algemeenen bijval.Hij zou nu aan het hof blijven, zijn eigen kooi hebben en de vergunning krijgen, er overdag tweemaal en ’s nachts eenmaal uit te komen. Hij kreeg daarop twaalf bedienden, die allen een zijden draadje om een van zijn pooten gebonden hadden, waaraan zij hem stevig vasthielden. Er was volstrekt geen plezier in zulk een wandeling.De geheele stad sprak over den merkwaardigen vogel, en als twee elkaar, ontmoetten, dan zei de een niets anders dan «Nacht!» en dan zei de ander: «Gaal»1. En dan zuchtten zij en begrepen elkaar. Ja, elf kinderen werden er naar hem genoemd; maar niet een van hen had eenig geluid in zijn keel.Op zekeren dag kreeg de keizer een groot pakket, waarop geschreven stond: «De nachtegaal.»«Daar hebben we nu een nieuw boek over onzen beroemden vogel!» zei de keizer. Maar het was geen boek, maar een klein kunstwerk, dat in een doosje lag: een kunstmatige nachtegaal, die op den levenden moest gelijken, maar overal met diamanten, robijnen en saffieren als bezaaid was. Zoodra men den kunstmatigen vogel opwond, kon hij een der stukken, die de werkelijke vogel zong, zingen: en dan bewoog zijn staart op en neer en fonkelde van zilver en goud. Om zijn hals hing een klein lint, en daarop stond geschreven: «De nachtegaal van den keizer van Japan is arm, bij dien van den keizer van China vergeleken.»«Dat is prachtig!» zeiden allen; en de persoon, die den kunstmatigenvogel gebracht had, kreeg dadelijk den titel van Keizerlijken Opper-Nachtegaalbrenger.«Nu moeten zij eens samen zingen. Wat zal dat een mooi duet worden!»En zoo moesten zij samen zingen; maar het eene gezang paste niet goed bij het andere, want de werkelijke nachtegaal zong op zijn wijze en de kunstmatige vogel bracht geluid voort door het ronddraaien van een cilinder. «Het is zijn schuld niet,» zei de muziekmeester; «hij blijft goed in de maat en zingt geheel volgens mijn methode!» Nu moest de kunstmatige vogel alleen zingen. Hij vond evenveel bijval als de werkelijke, en daarbij kwam nog, dat hij er veel mooier uitzag: hij fonkelde als armbanden en doekspelden.Drie-en-dertig maal zong hij één en hetzelfde stuk en was nog niet moe. De aanwezigen zouden hem graag nog eens gehoord hebben, maar de keizer beweerde, dat nu ook de levende nachtegaal eens iets moest zingen.—-Maar waar was die? Niemand had gemerkt, dat hij door het openstaande raam naar zijn groene bosschen weggevlogen was.«Wat is dat?» riep de keizer uit. En al de hovelingen waren geërgerd en beweerden, dat de nachtegaal een heel ondankbaar beest was. «Den besten nachtegaal hebben we toch!» zeiden zij; en zoo moest dan de kunstmatige vogel weer zingen, en dat was de vier-en-dertigste maal, dat zij hetzelfde stuk te hooren kregen. Zij kenden het met dat al toch niet van buiten; want het was veel te moeilijk. En de muziekmeester prees den vogel hemelhoog; ja, hij verzekerde, dat hij beter dan een levende nachtegaal was, niet alleen wat zijn veeren en de vele prachtige diamanten betreft, maar ook innerlijk.«Want ziet ge, Mijne Heeren! en bovenal gij, Uwe Majesteit! bij den werkelijken nachtegaal kan men nooit berekenen, wat er zal komen; maar bij den kunstmatigen vogel is alles bepaald! Men kan het verklaren, men kan hem opendoen en het aan de menschen begrijpelijk maken, hoe de cilinders zitten, hoe zij omdraaien, en hoe het een uit het ander volgt.»«Zoo denken wij er ook over!» zeiden allen, en de muziekmeester kreeg de vergunning, den vogel den volgenden Zondag aan het volk te laten zien. Het moest hem ook hooren zingen, beval de keizer. En het volk hoorde hem; en het werd zoo uitgelaten, alsof het zich aan thee bedronken had, want dat is Chineesch. Nu zeiden allen: «O!» en hielden hun wijsvinger in de hoogte en knikten daarbij. De arme visschers echter, die den werkelijken nachtegaal gehoord hadden, zeiden: «Dat klinkt niet onaardig; de zangwijzen gelijken ook op elkaar; maar er ontbreekt toch iets aan, ik weet niet wat.»De werkelijke nachtegaal werd uit het land verbannen.De kunstmatige vogel had zijn plaats op een zijden kussen dicht bij het bed van den keizer; al de geschenken, die hij gekregen had, lagen om hem heen, en in den titel was hij tot een «KeizerlijkenKamerzanger» geklommen, in den rang tot nummer één aan de linkerzijde. Want de keizer rekende die zijde voor de voornaamste, waar het hart zit, en het hart zit ook bij een keizer links. En de muziekmeester schreef een werk van vijf-en-twintig deelen over den kunstmatigen vogel; dit was zoo geleerd en zoo lang, vol van de allermoeilijkste Chineesche woorden, dat alle menschen zeiden, dat zij het gelezen en begrepen hadden; want anders zouden zij immers dom geweest zijn en stokslagen gekregen hebben.Zoo ging het een geheel jaar door. De keizer, het hof en al de andere Chineezen kenden het gezang van den kunstmatigen vogel nu heelemaal van buiten. Maar juist daarom beviel het hun ook het allerbest; zij konden zelf meezingen, en dat deden zij dan ook. De straatjongens zongen: «Tititi, tititi!» En de keizer zong het insgelijks. Ja, dat was allerprachtigst!Op zekeren avond echter, toen de kunstmatige vogel overheerlijk zong en de keizer te bed lag en daarnaar luisterde, ging het van binnen in den vogel «Knap!» Daar sprong iets! «Rrrrr!» alle raderen liepen in de rondte, en toen stond de muziek stil.De keizer sprong dadelijk uit zijn bed en liet zijn lijfarts roepen; maar wat kondieer aan doen? Toen lieten zij den horlogemaker halen, en na veel praten en bekijken kreeg hij den vogel een beetje in orde; maar hij zeide, dat hij ontzien moest worden, want de pennetjes waren afgesleten, en het was onmogelijk, er nieuwe zóó in te zetten, dat de muziek goed bleef gaan. Nu heerschte er een diepe treurigheid! Slechts eenmaal in het jaar mocht men den kunstmatigen vogel laten zingen, en dat was bijna nog te veel. Maar dan hield de muziekmeester een korte toespraak vol vreemde woorden en zeide, dat hij even goed was als vroeger; en toen was hij ook even goed als vroeger.Nu waren er vijf jaren verloopen, en het land werd in diepe treurigheid gedompeld. De Chineezen hielden in den grond allen veel van hun keizer, en nu was hij ziek en zou het wel niet lang meer maken, zei men. Er was al eennieuwekeizer gekozen, en het volk stond buiten op de straat en vroeg aan den kamerheer, hoe het met hun ouden keizer ging.«P!» zeide hij en schudde met het hoofd.Koud en bleek lag de keizer in zijn groot, prachtig ledekant; het geheele hof dacht, dat hij dood was, en ieder van hen liep weg, om den nieuwen keizer te begroeten. De kamerdienaars liepen naar buiten, om daarover te praten, en de kameniers hadden een groote koffievisite. In al de zalen en gangen was laken neergelegd, opdat men geen voetstap zou hooren, en daarom was het er stil! Maar de keizer was nog niet dood; stijf en bleek lag hij in het prachtige ledekant met de lange fluweelen gordijnen en de zware gouden kwasten; in de hoogte stond er een raam open, en de maan scheen daardoor heen op den keizer en den kunstmatigen vogel.De arme keizer kon tenauwernood ademhalen; het was, alsof eriets op zijn borst zat; hij deed de oogen open, en nu zag hij, dat het de dood was, die op zijn borst zat en zich zijn gouden kroon opgezet had en in de eene hand zijn gouden sabel, in de andere zijn prachtig vaandel hield. En uit de plooien van de groote, fluweelen bedgordijnen kwamen wonderlijke hoofden kijken: enkele leelijk, andere liefelijk en vriendelijk. Dat waren al ’s keizers booze en goede daden, die hem aanstaarden, terwijl de dood hem op het hart zat.«Herinnert ge u dit?» fluisterde de een na den ander. «Herinnert ge u dat?» En dan vertelden zij hem zoo veel, dat hem het zweet van het voorhoofd gutste.«Dat heb ik niet geweten!» zei de keizer. «Muziek! Muziek! De groote Chineesche trommel!» riep hij, «opdat ik niet alles behoef te hooren, wat zij zeggen!»En zij gingen voort, en de dood knikte als een Chinees bij alles, wat er gezegd werd.«Muziek! Muziek!» schreeuwde de keizer. «Och, kleine, prachtige gouden vogel! Zing toch, zing toch! Ik heb u immers goud en kostbaarheden gegeven; ik heb u zelfs mijn gouden pantoffel om den hals gehangen. Zing toch, zing toch!»Maar de vogel hield zich stil, er was niemand om hem op te winden, en anders zong hij niet; maar de dood ging voort, den keizer met zijn groote, holle oogen aan te staren; en stil was het, akelig stil.Daar deed zich op eens van den kant van het raam het heerlijkste gezang hooren: het was de kleine, levende nachtegaal, die buiten op een tak zat. Hij had van de ziekte van zijn keizer gehoord en was daarom gekomen, om hem troost en hoop toe te zingen. En terwijl hij zong, werden de spooksels gedurig bleeker en bleeker; het bloed begon gedurig sneller en sneller door ’s keizers zwakke leden te vloeien, en zelfs de dood luisterde en zei: «Zing door, kleine nachtegaal! Zing door!»«Wilt ge mij dan de prachtige gouden sabel geven? Wilt ge mij het mooie vaandel geven? Wilt ge mij de kroon van den keizer geven?»En de dood gaf ieder kleinood voor een lied; en de nachtegaal ging nog steeds met zingen voort; hij zong van den stillen akker Gods, waar de witte rozen groeien, waar de vlier geurt, en waar het frissche gras door de tranen der achterblijvenden bevochtigd wordt. Nu kreeg de dood verlangen naar zijn tuin en zweefde, als een koude, witte nevel, uit het raam.«Dank, dank!» zei de keizer. «Gij hemelsche, kleine vogel! Ik ken u wel! Ik heb u uit mijn land verjaagd! En toch hebt gij de booze gezichten van mijn bed weggezonden, den dood van mijn hart verdreven! Hoe kan ik u daarvoor beloonen?»«Ge hebt mij beloond!» zei de nachtegaal. «Ik heb aan uw oogen tranen ontlokt, toen ik de eerste maal zong: dat vergeet ik nimmer! Dat zijn juweelen, die een zangershart verheugen! Maar slaap nu en word weer frisch en sterk! Ik zal u iets voorzingen!»En hij zong,—en de keizer viel in een zoete sluimering. O, hoe mild en weldadig was die slaap!De zon scheen door het raam naar binnen, toen hij gesterkt en gezond ontwaakte. Geen van zijn bedienden was nog teruggekomen, want zij dachten, dat hij dood was; alleen de nachtegaal zat nog bij hem en zong.«Altijd moet ge bij mij blijven!» zei de keizer. «Ge moet nu maar zingen, als ge zelf wilt, en den kunstmatigen vogel sla ik in duizend stukken.»«Doe dat niet!» zei de nachtegaal. «Hij heeft immers het goede gedaan, zoo lang als hij kon. Behoud hem, evenals tot hiertoe! Ik kan in het paleis mijn nest niet bouwen en daar wonen; maar laat mij komen, als ik zelf lust heb; dan zal ik ’s avonds op den tak daar bij het raam zitten en iets voor u zingen, opdat ge vroolijk kunt worden en tevens leert nadenken. Ik zal van de gelukkigen zingen en van hen, die in lijden zijn. Ik zal van het kwade en van het goede zingen, dat om u heen verborgen blijft. De kleine zangvogel vliegt ver in de rondte, naar den armen visscher, naar den nijveren landman, naar iedereen, die ver van u en uw hof verwijderd is. Ik heb uw hart liever dan uw kroon, en toch heeft die kroon een stralenkrans van heiligheid om zich heen!—Ik zal dus komen en iets voor u zingen!—Maar dan moet ge mij één ding beloven!»«Alles!» zei de keizer en stond daar in zijn keizerlijk gewaad, dat hij zelf aangetrokken had, en drukte de sabel, die zwaar van het goud was, aan zijn hart.«Om één ding smeek ik u! Vertel aan niemand, dat ge een kleinen vogel hebt, die u alles zegt; dan zal het nog beter gaan!»Nu vloog de vogel weg.De bedienden kwamen binnen, om naar hun dooden keizer te kijken,——ja, daar stonden zij, en de keizer zei: «Goeden morgen!»1Dit is in het oorspronkelijke dubbelzinnig, daar «gaal» in het Deensch «krankzinnig» beteekent.
In China, moet je weten, is de keizer een Chinees en allen, die hij om zich heen heeft, zijn ook Chineezen. Het is nu al vele jaren geleden, maar juist daarom is het de moeite wel waard, de geschiedenis eens te hooren, voordat zij vergeten wordt. Het keizerlijk paleis was het prachtigste van de wereld, geheel en al van fijn porselein, zeer kostbaar, maar zoo broos, zoo gevaarlijk om er aan te raken, dat men zich zeer in acht moest nemen. In den tuin zag men de wonderlijkste bloemen, en aan de prachtigste waren zilveren klokjes vastgebonden, die altijd bengelden, opdat men niet zou voorbijgaan, zonder op de bloemen te letten. Ja, alles was in den tuin van den keizer keurig ingericht. En hij strekte zich zoo ver uit, dat de tuinman zelf het einde daarvan niet wist. Als men maar steeds verder ging, dan kwam men in het heerlijkste bosch met hooge boomen en diepe meren. Het bosch strekte zich tot aan de zee uit, die blauw en diep was; groote schepen konden tot onder de takken der boomen voortzeilen, en in deze boomen woonde een nachtegaal, die zoo prachtig zong, dat zelfs de arme visscher,die toch drukke bezigheden had, met werken ophield en luisterde, als hij ’s nachts uitgevaren was, om zijn net uit te werpen, en dan den nachtegaal hoorde. «Och, och! wat is dat mooi!» zei hij; maar hij moest op zijn zaken acht geven en vergat den vogel daardoor. Maar als deze den volgenden nacht weer zong en de visscher daarheen kwam, dan zei hij hetzelfde weer.
Uit alle landen der wereld kwamen er reizigers naar de stad van den keizer en bewonderden deze, en vooral het paleis en den tuin. Maar als zij den nachtegaal hoorden, dan zeiden zij toch allen: «Dat is nog het mooiste van alles!»
De reizigers vertelden daarvan, als zij weer thuis kwamen; en de geleerden schreven vele boeken over de stad, het paleis en den tuin. Maar ook den nachtegaal vergaten zij niet: deze werd het hoogst gesteld; en zij, die verzen konden maken, schreven de prachtigste gedichten over den nachtegaal in het bosch bij de diepe zee.
Deze boeken werden door de geheele wereld verspreid, en enkele daarvan kwamen ook den keizer in handen. Deze zat op zijn gouden stoel en las; ieder oogenblik knikte hij met het hoofd, want het deed hem genoegen, de prachtige beschrijvingen van de stad, het paleis en den tuin te lezen. «Maar de nachtegaal is nog het mooiste van alles!» stond daar geschreven.
«Wat is dat?» riep de keizer uit. «Den nachtegaal ken ik niet eens! Is er zulk een vogel in mijn keizerrijk en zelfs in mijn tuin? Dat heb ik nog nooit gehoord! Dat ik zoo iets eerst uit boeken moet vernemen!»
En hierop riep hij zijn kamerheer. Deze was zoo voornaam, dat hij, als iemand, die minder dan hij was, tegen hem wilde spreken of hem naar iets vragen, niets anders ten antwoord gaf dan: «P!» en dat beteekent niets.
«Er moet hier een uiterst merkwaardige vogel zijn, die nachtegaal genoemd wordt!» zei de keizer. «Men zegt, dat deze het mooiste van alles in mijn groot rijk is. Waarom heeft men mij daarvan nooit iets gezegd?»
«Ik heb hem vroeger nooit hooren noemen!» zei de kamerheer. «Hij is nooit ten hove voorgesteld.»
«Ik wil, dat hij heden avond in het paleis komt en voor mij zingt!» zei de keizer. «De heele wereld weet, wat ik heb, en ik weet het niet.»
«Ik heb hem vroeger nooit hooren noemen!» zei de kamerheer. «Ik zal hem zoeken, ik zal hem vinden!»
Maar waar zou hij te vinden zijn? De kamerheer liep alle trappen op en neer, door zalen en gangen, maar geen van allen, die hij ontmoette, had over den nachtegaal hooren spreken. Endekamerheer keerde naar den keizer terug en zei, dat het zeker een verzinseltje moest zijn van hen, die boeken schreven. «Uwe Keizerlijke Majesteit kan niet begrijpen, wat er al zoo geschreven wordt! Dat zijn verdichtselen en iets, wat men de zwarte kunst noemt.»
«Maar het boek, waarin ik dit gelezen heb,» zei de keizer, «is mij door den grootmachtigen keizer van Japan gezonden; en hetkan dus geen onwaarheid zijn. Ik wil den nachtegaal hooren! Hij moet heden avond hier zijn. Hij bezit mijn hoogste genade! En als hij niet komt, dan moet het geheele hof met stokslagen gestraft worden, wanneer men den avondmaaltijd genuttigd heeft!»
«Tsing pe!» zei de kamerheer en liep nogmaals alle trappen op en neer, door al de zalen en gangen; en het halve hof liep mee, want zij wilden niet graag stokslagen krijgen. Nu werd er aan ieder gevraagd naar den merkwaardigen nachtegaal, dien de heele wereld kende, maar aan het hof niemand.
Eindelijk troffen zij een klein, arm meisje in de keuken aan, dat tegen hen zei: «Och, hemel! den nachtegaal ken ik heel goed! O, wat kan die zingen! Iederen avond mag ik de restjes van de tafel aan mijn arme, zieke moeder brengen; zij woont aan het strand, en als ik terugkom, moe ben en in het bosch uitrust, dan hoor ik den nachtegaal zingen! Daarbij komen mij de tranen in de oogen, en het is mij, alsof mijn moeder mij kuste!»
«Beste meid!» zei de kamerheer, «ik zal je een post in de keuken bezorgen en de vergunning, den keizer te zien eten, als je ons naar den nachtegaal kunt brengen, want deze is tegen van avond aan het hof ontboden!»
En zoo liepen zij met hun allen het bosch in, waar de nachtegaal placht te zingen; het halve hof was er bij. Toen zij een eindje geloopen hadden, begon er een koe te loeien.
«Ziezoo!» zeiden de hovelingen, «daar hebben we hem! Wat zit er toch een stem in zoo’n klein beestje! Ik moet dit vroeger zeker als eens meer gehoord hebben.»
«Neen, dat is een koe, die loeit!» zei het meisje. «We zijn nog ver van de plaats verwijderd.»
Nu kwaakten de kikvorschen in het moeras.
«Prachtig!» riep de Chineesche hofprediker. «Nu hoor ik hem; het klinkt precies als kleine kerkklokken.»
«Neen, dat zijn kikvorschen!» zei het meisje. «Maar nu denk ik, dat we hem gauw zullen hooren.»
Daar begon de nachtegaal te zingen.
«Dat is hij!» zei het meisje. «Hoort! Hoort! Daar zit hij!» En hierbij wees zij naar een kleinen, grauwachtigen vogel boven in de takken.
«Hoe is ’t mogelijk?» zei de kamerheer. «Zoo had ik hem mij niet voorgesteld! Wat ziet hij er eenvoudig uit! Hij heeft zeker zijn kleur verloren, doordat hij zoo vele deftige heeren om zich heen ziet!»
«Lieve nachtegaal!»zeide het meisje overluid; «onze genadige keizer verlangt, dat ge voor hem zingt.»
«Met het meeste genoegen!» antwoordde de nachtegaal en zong daarop, dat het een lust was om te hooren.
«Het klinkt precies als glazen klokjes!» zei de kamerheer. «En kijk dat kleine keeltje eens, hoe het op en neer gaat!Het is zonderling, dat wij hem vroeger nooit gehoord hebben. Hij zal aan het hof zeker wel veel opgang maken!»
«Moet ik nog eens voor den keizer zingen?» vroeg de nachtegaal, die dacht, dat de keizer er ook bij was.
«Mijn voortreffelijke kleine nachtegaal!» zei de kamerheer, «ik heb het genoegen, u heden avond tot een feest ten hove uit te noodigen, waar ge Zijne Keizerlijke Majesteit door uw verrukkelijk gezang ongetwijfeld zult betooveren.»
«Dit laat zich het best te midden van het geboomte hooren!» zei de nachtegaal; maar hij ging toch mee, toen hij hoorde, dat de keizer het wenschte.
In het paleis was alles in orde gebracht. De wanden en de vloeren, die van porselein waren, fonkelden in den glans van vele duizenden gouden lampen; de prachtigste bloemen, die goed konden klingelen, waren in de gangen neergezet. Daar was een geloop en gedraaf, en alle klokjes klingelden zoo, dat men zijn eigen woorden niet kon verstaan.
Midden in de groote zaal, waar de keizer zat, was een goudenstok geplaatst: daarop moest de nachtegaal zitten. Het geheele hof was er, en de kleine keukenmeid had vergunning verkregen, om achter de deur te staan, daar zij nu den titel van een werkelijkehofkeukenmeid gekregen had. Allen waren in feestgewaad gedost, en allen keken naar den kleinen, grauwachtigen vogel, dien de keizer toeknikte.
De nachtegaal zong zoo prachtig, dat den keizer de tranen in de oogen kwamen en langs de wangen biggelden; en nu zong de nachtegaal nog mooier: het ging hem zoo recht van harte. De keizer was zoo verrukt, dat hij zei, dat de nachtegaal zijn gouden pantoffel om den hals moest dragen. Maar de nachtegaal bedankte hiervoor: hij was al genoeg beloond.
«Ik heb tranen in ’s keizers oogen gezien, dat is voor mij de grootste schat! De tranen van een keizer hebben een bijzondere kracht! God weet het, ik ben genoeg beloond!» Daarop zong hij weer met zijn liefelijke, prachtige stem.
«Dat is de beminnelijkste coquetterie, die ik ken!» zeiden de dames in de rondte, en toen namen zij water in den mond om daarmee te klokken, als iemand tegen haar sprak. Zij meenden, dat zij dan ook nachtegalen waren. Ja, de lakeien en de kameniers lieten berichten, dat ook zij tevreden waren; dat wil veel zeggen, want die zijn het moeilijkst te voldoen. In één woord, de nachtegaal vond algemeenen bijval.
Hij zou nu aan het hof blijven, zijn eigen kooi hebben en de vergunning krijgen, er overdag tweemaal en ’s nachts eenmaal uit te komen. Hij kreeg daarop twaalf bedienden, die allen een zijden draadje om een van zijn pooten gebonden hadden, waaraan zij hem stevig vasthielden. Er was volstrekt geen plezier in zulk een wandeling.
De geheele stad sprak over den merkwaardigen vogel, en als twee elkaar, ontmoetten, dan zei de een niets anders dan «Nacht!» en dan zei de ander: «Gaal»1. En dan zuchtten zij en begrepen elkaar. Ja, elf kinderen werden er naar hem genoemd; maar niet een van hen had eenig geluid in zijn keel.
Op zekeren dag kreeg de keizer een groot pakket, waarop geschreven stond: «De nachtegaal.»
«Daar hebben we nu een nieuw boek over onzen beroemden vogel!» zei de keizer. Maar het was geen boek, maar een klein kunstwerk, dat in een doosje lag: een kunstmatige nachtegaal, die op den levenden moest gelijken, maar overal met diamanten, robijnen en saffieren als bezaaid was. Zoodra men den kunstmatigen vogel opwond, kon hij een der stukken, die de werkelijke vogel zong, zingen: en dan bewoog zijn staart op en neer en fonkelde van zilver en goud. Om zijn hals hing een klein lint, en daarop stond geschreven: «De nachtegaal van den keizer van Japan is arm, bij dien van den keizer van China vergeleken.»
«Dat is prachtig!» zeiden allen; en de persoon, die den kunstmatigenvogel gebracht had, kreeg dadelijk den titel van Keizerlijken Opper-Nachtegaalbrenger.
«Nu moeten zij eens samen zingen. Wat zal dat een mooi duet worden!»
En zoo moesten zij samen zingen; maar het eene gezang paste niet goed bij het andere, want de werkelijke nachtegaal zong op zijn wijze en de kunstmatige vogel bracht geluid voort door het ronddraaien van een cilinder. «Het is zijn schuld niet,» zei de muziekmeester; «hij blijft goed in de maat en zingt geheel volgens mijn methode!» Nu moest de kunstmatige vogel alleen zingen. Hij vond evenveel bijval als de werkelijke, en daarbij kwam nog, dat hij er veel mooier uitzag: hij fonkelde als armbanden en doekspelden.
Drie-en-dertig maal zong hij één en hetzelfde stuk en was nog niet moe. De aanwezigen zouden hem graag nog eens gehoord hebben, maar de keizer beweerde, dat nu ook de levende nachtegaal eens iets moest zingen.—-Maar waar was die? Niemand had gemerkt, dat hij door het openstaande raam naar zijn groene bosschen weggevlogen was.
«Wat is dat?» riep de keizer uit. En al de hovelingen waren geërgerd en beweerden, dat de nachtegaal een heel ondankbaar beest was. «Den besten nachtegaal hebben we toch!» zeiden zij; en zoo moest dan de kunstmatige vogel weer zingen, en dat was de vier-en-dertigste maal, dat zij hetzelfde stuk te hooren kregen. Zij kenden het met dat al toch niet van buiten; want het was veel te moeilijk. En de muziekmeester prees den vogel hemelhoog; ja, hij verzekerde, dat hij beter dan een levende nachtegaal was, niet alleen wat zijn veeren en de vele prachtige diamanten betreft, maar ook innerlijk.
«Want ziet ge, Mijne Heeren! en bovenal gij, Uwe Majesteit! bij den werkelijken nachtegaal kan men nooit berekenen, wat er zal komen; maar bij den kunstmatigen vogel is alles bepaald! Men kan het verklaren, men kan hem opendoen en het aan de menschen begrijpelijk maken, hoe de cilinders zitten, hoe zij omdraaien, en hoe het een uit het ander volgt.»
«Zoo denken wij er ook over!» zeiden allen, en de muziekmeester kreeg de vergunning, den vogel den volgenden Zondag aan het volk te laten zien. Het moest hem ook hooren zingen, beval de keizer. En het volk hoorde hem; en het werd zoo uitgelaten, alsof het zich aan thee bedronken had, want dat is Chineesch. Nu zeiden allen: «O!» en hielden hun wijsvinger in de hoogte en knikten daarbij. De arme visschers echter, die den werkelijken nachtegaal gehoord hadden, zeiden: «Dat klinkt niet onaardig; de zangwijzen gelijken ook op elkaar; maar er ontbreekt toch iets aan, ik weet niet wat.»
De werkelijke nachtegaal werd uit het land verbannen.
De kunstmatige vogel had zijn plaats op een zijden kussen dicht bij het bed van den keizer; al de geschenken, die hij gekregen had, lagen om hem heen, en in den titel was hij tot een «KeizerlijkenKamerzanger» geklommen, in den rang tot nummer één aan de linkerzijde. Want de keizer rekende die zijde voor de voornaamste, waar het hart zit, en het hart zit ook bij een keizer links. En de muziekmeester schreef een werk van vijf-en-twintig deelen over den kunstmatigen vogel; dit was zoo geleerd en zoo lang, vol van de allermoeilijkste Chineesche woorden, dat alle menschen zeiden, dat zij het gelezen en begrepen hadden; want anders zouden zij immers dom geweest zijn en stokslagen gekregen hebben.
Zoo ging het een geheel jaar door. De keizer, het hof en al de andere Chineezen kenden het gezang van den kunstmatigen vogel nu heelemaal van buiten. Maar juist daarom beviel het hun ook het allerbest; zij konden zelf meezingen, en dat deden zij dan ook. De straatjongens zongen: «Tititi, tititi!» En de keizer zong het insgelijks. Ja, dat was allerprachtigst!
Op zekeren avond echter, toen de kunstmatige vogel overheerlijk zong en de keizer te bed lag en daarnaar luisterde, ging het van binnen in den vogel «Knap!» Daar sprong iets! «Rrrrr!» alle raderen liepen in de rondte, en toen stond de muziek stil.
De keizer sprong dadelijk uit zijn bed en liet zijn lijfarts roepen; maar wat kondieer aan doen? Toen lieten zij den horlogemaker halen, en na veel praten en bekijken kreeg hij den vogel een beetje in orde; maar hij zeide, dat hij ontzien moest worden, want de pennetjes waren afgesleten, en het was onmogelijk, er nieuwe zóó in te zetten, dat de muziek goed bleef gaan. Nu heerschte er een diepe treurigheid! Slechts eenmaal in het jaar mocht men den kunstmatigen vogel laten zingen, en dat was bijna nog te veel. Maar dan hield de muziekmeester een korte toespraak vol vreemde woorden en zeide, dat hij even goed was als vroeger; en toen was hij ook even goed als vroeger.
Nu waren er vijf jaren verloopen, en het land werd in diepe treurigheid gedompeld. De Chineezen hielden in den grond allen veel van hun keizer, en nu was hij ziek en zou het wel niet lang meer maken, zei men. Er was al eennieuwekeizer gekozen, en het volk stond buiten op de straat en vroeg aan den kamerheer, hoe het met hun ouden keizer ging.
«P!» zeide hij en schudde met het hoofd.
Koud en bleek lag de keizer in zijn groot, prachtig ledekant; het geheele hof dacht, dat hij dood was, en ieder van hen liep weg, om den nieuwen keizer te begroeten. De kamerdienaars liepen naar buiten, om daarover te praten, en de kameniers hadden een groote koffievisite. In al de zalen en gangen was laken neergelegd, opdat men geen voetstap zou hooren, en daarom was het er stil! Maar de keizer was nog niet dood; stijf en bleek lag hij in het prachtige ledekant met de lange fluweelen gordijnen en de zware gouden kwasten; in de hoogte stond er een raam open, en de maan scheen daardoor heen op den keizer en den kunstmatigen vogel.
De arme keizer kon tenauwernood ademhalen; het was, alsof eriets op zijn borst zat; hij deed de oogen open, en nu zag hij, dat het de dood was, die op zijn borst zat en zich zijn gouden kroon opgezet had en in de eene hand zijn gouden sabel, in de andere zijn prachtig vaandel hield. En uit de plooien van de groote, fluweelen bedgordijnen kwamen wonderlijke hoofden kijken: enkele leelijk, andere liefelijk en vriendelijk. Dat waren al ’s keizers booze en goede daden, die hem aanstaarden, terwijl de dood hem op het hart zat.
«Herinnert ge u dit?» fluisterde de een na den ander. «Herinnert ge u dat?» En dan vertelden zij hem zoo veel, dat hem het zweet van het voorhoofd gutste.
«Dat heb ik niet geweten!» zei de keizer. «Muziek! Muziek! De groote Chineesche trommel!» riep hij, «opdat ik niet alles behoef te hooren, wat zij zeggen!»
En zij gingen voort, en de dood knikte als een Chinees bij alles, wat er gezegd werd.
«Muziek! Muziek!» schreeuwde de keizer. «Och, kleine, prachtige gouden vogel! Zing toch, zing toch! Ik heb u immers goud en kostbaarheden gegeven; ik heb u zelfs mijn gouden pantoffel om den hals gehangen. Zing toch, zing toch!»
Maar de vogel hield zich stil, er was niemand om hem op te winden, en anders zong hij niet; maar de dood ging voort, den keizer met zijn groote, holle oogen aan te staren; en stil was het, akelig stil.
Daar deed zich op eens van den kant van het raam het heerlijkste gezang hooren: het was de kleine, levende nachtegaal, die buiten op een tak zat. Hij had van de ziekte van zijn keizer gehoord en was daarom gekomen, om hem troost en hoop toe te zingen. En terwijl hij zong, werden de spooksels gedurig bleeker en bleeker; het bloed begon gedurig sneller en sneller door ’s keizers zwakke leden te vloeien, en zelfs de dood luisterde en zei: «Zing door, kleine nachtegaal! Zing door!»
«Wilt ge mij dan de prachtige gouden sabel geven? Wilt ge mij het mooie vaandel geven? Wilt ge mij de kroon van den keizer geven?»
En de dood gaf ieder kleinood voor een lied; en de nachtegaal ging nog steeds met zingen voort; hij zong van den stillen akker Gods, waar de witte rozen groeien, waar de vlier geurt, en waar het frissche gras door de tranen der achterblijvenden bevochtigd wordt. Nu kreeg de dood verlangen naar zijn tuin en zweefde, als een koude, witte nevel, uit het raam.
«Dank, dank!» zei de keizer. «Gij hemelsche, kleine vogel! Ik ken u wel! Ik heb u uit mijn land verjaagd! En toch hebt gij de booze gezichten van mijn bed weggezonden, den dood van mijn hart verdreven! Hoe kan ik u daarvoor beloonen?»
«Ge hebt mij beloond!» zei de nachtegaal. «Ik heb aan uw oogen tranen ontlokt, toen ik de eerste maal zong: dat vergeet ik nimmer! Dat zijn juweelen, die een zangershart verheugen! Maar slaap nu en word weer frisch en sterk! Ik zal u iets voorzingen!»
En hij zong,—en de keizer viel in een zoete sluimering. O, hoe mild en weldadig was die slaap!
De zon scheen door het raam naar binnen, toen hij gesterkt en gezond ontwaakte. Geen van zijn bedienden was nog teruggekomen, want zij dachten, dat hij dood was; alleen de nachtegaal zat nog bij hem en zong.
«Altijd moet ge bij mij blijven!» zei de keizer. «Ge moet nu maar zingen, als ge zelf wilt, en den kunstmatigen vogel sla ik in duizend stukken.»
«Doe dat niet!» zei de nachtegaal. «Hij heeft immers het goede gedaan, zoo lang als hij kon. Behoud hem, evenals tot hiertoe! Ik kan in het paleis mijn nest niet bouwen en daar wonen; maar laat mij komen, als ik zelf lust heb; dan zal ik ’s avonds op den tak daar bij het raam zitten en iets voor u zingen, opdat ge vroolijk kunt worden en tevens leert nadenken. Ik zal van de gelukkigen zingen en van hen, die in lijden zijn. Ik zal van het kwade en van het goede zingen, dat om u heen verborgen blijft. De kleine zangvogel vliegt ver in de rondte, naar den armen visscher, naar den nijveren landman, naar iedereen, die ver van u en uw hof verwijderd is. Ik heb uw hart liever dan uw kroon, en toch heeft die kroon een stralenkrans van heiligheid om zich heen!—Ik zal dus komen en iets voor u zingen!—Maar dan moet ge mij één ding beloven!»
«Alles!» zei de keizer en stond daar in zijn keizerlijk gewaad, dat hij zelf aangetrokken had, en drukte de sabel, die zwaar van het goud was, aan zijn hart.
«Om één ding smeek ik u! Vertel aan niemand, dat ge een kleinen vogel hebt, die u alles zegt; dan zal het nog beter gaan!»
Nu vloog de vogel weg.
De bedienden kwamen binnen, om naar hun dooden keizer te kijken,——ja, daar stonden zij, en de keizer zei: «Goeden morgen!»
1Dit is in het oorspronkelijke dubbelzinnig, daar «gaal» in het Deensch «krankzinnig» beteekent.
1Dit is in het oorspronkelijke dubbelzinnig, daar «gaal» in het Deensch «krankzinnig» beteekent.
Een geschiedenis.In den tuin bloeiden al de appelboomen; zij hadden zich gehaast, bloesems te krijgen, voordat hun bladeren ontsproten; en in den tuin gingen al de eendjes wandelen, en ook de kat; zij bakerde zich in de zon en likte den zonneschijn van haar eigen poot af. En als men een blik op de velden sloeg, wat stond daar het koren heerlijk te prijken, en wat was alles onbeschrijfelijk prachtig, en wat was er een getjilp en een gekwinkeleer van al de kleine vogeltjes, alsof het een groot feest was, en dat was het ook, want het was Zondag. De klokken luidden en al de menschen gingen in hun beste kleeren naar de kerk en zagen er vergenoegd uit; ja, aan alles was iets vroolijks; het was een dag, zoo warm en gezegend, dat menwel zeggen kon: De goede God is toch onbeschrijfelijk goed voor ons menschen!Maar binnen in de kerk stond de dominee op den preekstoel en sprak heel luid en toornig; hij zei, dat de menschen allemaal goddeloos waren, God zou ze daarom straffen, en als ze stierven, dan zouden de boozen allemaal in de hel komen, om eeuwig te branden. Hij wees er met nadruk op, «dat hun worm niet zou sterven en hun vuur niet uitgebluscht worden, dat zij nimmer rust zouden vinden!»Dat was vreeselijk om aan te hooren, en hij zei dit op zulk een toon van overtuiging; hij beschreef hun de hel als een verpeste plaats, waarheen al het ontuig uit de geheele wereld samenvloeit,—daar was geen andere lucht, dan de heete brandende zwavelvlam, daar was geen grond, zij—de boozen—zonken en zonken al dieper en dieper bij een eeuwig stilzwijgen!—Het was reeds vreeselijk daarvan te hooren; want de dominee sprak het uit het volle hart, en al de menschen in de kerk waren daarover ontzet.Buiten intusschen zongen al de vogeltjes zoo vroolijk, en de zon scheen zoo warm, het was alsof ieder bloempje zei: «God! Gij zijt zoo onbeschrijfelijk goed voor ons allen!»—Ja, buiten was het volstrekt niet, zooals de dominee preekte.Dien zelfden avond bij het naar bed gaan keek de dominee zijn vrouw aan en zag, dat zij peinzend en in gedachten verdiept zat.«Wat scheelt er aan?» vroeg hij haar.«Ja, wat mij scheelt?» zeide zij. «Dit scheelt mij, dat ik mijn gedachten niet goed weet te verzamelen, dat ik datgene, wat je vandaag in de kerk gesproken hebt, niet goed kan begrijpen, «dat er zoovele goddelooze menschen zijn en dat zij eeuwig zullen branden!» Eeuwig! Ach, wat is dat lang!—Ik ben maar een mensch, een zondares voor God, maar ik zou het niet over mijn hart kunnen krijgen, zelfs den snoodsten zondaar eeuwig te laten branden, en hoe zou God dit dan kunnen, die zoo oneindig goed is, en die immers weet, hoe het booze van buiten en van binnen komt? Neen ik kan het mij zoo niet voorstellen, ofschoon gij het zegt!»Het was herfst, de boomen lieten hun bladeren vallen, de ernstige, strenge dominee zat aan de legerstede van een stervende; een vrome, geloovige vrouw sloot de oogen: het was de echtgenoote van den dominee.«Als er iemand rust in het graf en genade voor zijn God vindt, dan zal zij het wel zijn!» zei de dominee; hij vouwde haar handen en las een psalm voor de overledene.Men droeg haar ten grave; twee groote tranen biggelden er langs de wangen van den strengen man, en in de pastorie was het stil en ledig: de zon des huizes was uitgebluscht, zij was huiswaarts gegaan.Het was nu nacht, een kille wind blies over het hoofd van dendominee; hij sloeg de oogen op, en het was hem, alsof de maan in zijn kamer scheen, maar deze scheen niet. Een gestalte was het, die voor zijn bed stond, hij zag den geest van zijn overleden vrouw; zij keek hem zoo innig bedroefd aan; het was, alsof zij iets tegen hem wilde zeggen.De dominee richtte zich terstond in zijn bed op en strekte de armen naar haar uit. «Zoo is dan ook aan u de eeuwige rust niet vergund! Ge lijdt, gij, de beste, de vroomste!»De doode knikte bevestigend met het hoofd en legde de hand op de borst.«En ben ik bij machte om u de rust in het graf te schenken?»«Ja!» luidde het antwoord.«En op welke wijze?»«Geef mij een haar, maar een enkel haar van het hoofd van den zondaar, wiens vuur nimmer zal uitgebluscht worden; vandienzondaar, dien God tot eeuwige pijn in de hel zal werpen.»«Ja, zoo gemakkelijk moet gij verlost kunnen worden, gij reine en vrome!» zeide hij.«Volg mij dan!» zei de doode. «Het is ons vergund. Aan mijn zijde zweeft ge, waarheen uw gedachten maar willen: voor de menschen onzichtbaar, dringen wij hun geheimste vertrekken binnen,—maar met vaste hand moet ge hem opsporen, die tot eeuwige kwelling uitverkoren is, en voor het hanengekraai moet hij gevonden zijn!»Snel, als door de gevleugelde gedachten gedragen, bevonden zij zich in de groote stad, en van de muren der huizen straalden hun in vlammend schrift de namen der doodzonden tegen: hoogmoed, gierigheid, dronkenschap, wellust, in één woord de geheele zevenkleurige boog der zonde.«Ja, daarbinnen, zooals ik wel dacht, zooals ik wel wist,» zei de dominee, «daarbinnen wonen zij, die voor het eeuwige vuur bestemd zijn!»—En zij stonden voor het prachtig verlichte portaal, de breede trappen prijkten met tapijten en bloemen, en door de feestelijk versierde zalen ruischte de dansmuziek. De portier, in zijde en fluweel gekleed, stond met zijn grooten, met zilver beslagen stok aan den ingang.«Ons bal kan zich met dat van den koning meten!» zei hij en wendde zich verachtelijk tot de gapende menigte, die op de straat stond; wat hij dacht, bleek genoegzaam uit zijn gedragingen en bewegingen. «Schooiers, die daar alles staat aan te gapen, bij mij vergeleken ben je allemaal kanalje!»«Hoogmoed!» zei de doode, «ziet ge hem?»«Dien daar?» antwoordde de dominee. «Het is immers maar een arme gek, een dwaas, en niet voor de kwellingen van het eeuwige vuur bestemd.»«Maar een dwaas!» klonk het door het geheele huis van den hoogmoed; dat waren zij daar allen.Zij zweefden tot binnen de vier kale muren van den gierigaard.Mager als een geraamte, van koude sidderend, hongerig klampt de grijsaard zich met al zijn gedachten aan zijn geld vast; zij zagen hem koortsachtig van zijn ellendige legerstede opspringen en een lossen steen uit den muur nemen, daar lagen gouden munten in een oude kous; zij zagen hem zijn gescheurden rok, waarin de goudstukken genaaid waren, angstig betasten, en zijn vochtige vingers sidderden!«Die is ziek! Dat is waanzinnigheid, een droevige waanzinnigheid, door angst en booze droomen omgeven!»Zij verwijderden zich snel en kwamen voor de kribben der misdadigers; in lange rijen sliepen de ongelukkigen naast elkander. Als een wild dier sprong er een uit zijn slaap op en stiet een afschuwelijken gil uit, hij gaf zijn kameraad met den elleboog een duchtigen stoot in de ribben, en deze keerde zich slaperig om, zeggende:«Houd je mond, onmensch, en slaap!—Dat is hier iederen nacht!...»«Iederen nacht!» herhaalde de ander. «Ja, iederen nacht komt hij en kwelt mij!—In mijn drift heb ik dit en dat gedaan, met een boos hart ben ik geboren, dit heeft mij ten tweeden male hier gebracht; maar als ik kwaad gedaan heb, dan onderga ik daarvoor immers mijn straf.—Er is echter één ding, dat ik niet bekend heb. Toen ik de laatste maal hier uitkwam en het huis van mijn vroegeren heer voorbijging, toen kookte het in mij, omdat mij een en ander in de gedachten kwam,—en ik streek een lucifer zoo wat tegen den muur af; alles verbrandde, de hitte kwam daarover, zooals zij menigmaal over mij komt. Ik hielp zelf redden, vee en meubelen. Niets levends verbrandde er dan een troep duiven, die in het vuur vlogen, en de kettinghond, waaraan ik niet gedacht had. Men hoorde hem te midden van den brand huilen, en... dit huilen hoor ik nog altijd, als ik wil slapen, en als ik in slaap gevallen ben, dan komt de hond groot en ruw, en legt zich op mij neer, en huilt, en drukt mij, en kwelt mij!—Hoor dan toch, wat ik je vertel! Snorken kan je; den heelen nacht snork je, maar ik nog geen kwartier!»—En het bloed kwam den verhitten gevangene in de oogen, hij wierp zich op zijn kameraad en sloeg hem met zijn gebalde vuist in het gezicht.«De booze Matz is weer eens dol geworden!» heette het nu in de rondte, en de andere misdadigers grepen hem, worstelden met hem, drukten hem krom, zoodat zijn hoofd tusschen zijne knieën zat, en daar bonden zij dit vast, zoodat het bloed Matz bijna uit de oogen en uit alle poriën kwam.«Gij doodt hem, den ongelukkige!» riep de dominee uit, en terwijl hij zijn hand beschermend over dengene uitstrekte, die reeds te zwaar boette, veranderde het tooneel. Zij vlogen door rijke zalen en arme kamertjes; wellust en nijd, alle doodzonden liepen hun voorbij; een engel van het strafgericht las hun schuld, hun verdediging; deze was wel is waar niet schitterend, maar zij werd voor God gebracht, voor dien God, die in het harte leest en alles weeten kent, het booze, dat van binnen en van buiten komt, dien God, die de genade en de liefde zelf is.De hand van den dominee beefde, hij waagde het niet, haar uit te strekken, hij had den moed niet, een enkel haar uit het hoofd van den zondaar te trekken.—En de tranen vloeiden hem uit de oogen als een stroom der genade en der liefde, welks verkoelende wateren het eeuwige vuur der hel uitbluschten.Daar kraaide de haan.«Barmhartige God! Geef Gij haar den vrede, dien ik haar niet heb kunnen verschaffen!»«Dien heb ik nu!» zei de doode. «Het was een hard woord, uw wanhoop aan de menschheid, uw somber geloof aan God en Zijn schepping, dat mij naar u toe dreef! Leer de menschen kennen! Zelfs in de boozen leeft een deel van God, dat de vlam der hel uitbluscht en overwint!»De dominee voelde een kus op zijn lippen, er verspreidde zich een schemering om hem heen; de heldere zon van God scheen in de kamer, waar zijn vrouw, levend, vriendelijk en vol liefde, hem uit een droom wakker maakte, die hem door God gezonden was!
In den tuin bloeiden al de appelboomen; zij hadden zich gehaast, bloesems te krijgen, voordat hun bladeren ontsproten; en in den tuin gingen al de eendjes wandelen, en ook de kat; zij bakerde zich in de zon en likte den zonneschijn van haar eigen poot af. En als men een blik op de velden sloeg, wat stond daar het koren heerlijk te prijken, en wat was alles onbeschrijfelijk prachtig, en wat was er een getjilp en een gekwinkeleer van al de kleine vogeltjes, alsof het een groot feest was, en dat was het ook, want het was Zondag. De klokken luidden en al de menschen gingen in hun beste kleeren naar de kerk en zagen er vergenoegd uit; ja, aan alles was iets vroolijks; het was een dag, zoo warm en gezegend, dat menwel zeggen kon: De goede God is toch onbeschrijfelijk goed voor ons menschen!
Maar binnen in de kerk stond de dominee op den preekstoel en sprak heel luid en toornig; hij zei, dat de menschen allemaal goddeloos waren, God zou ze daarom straffen, en als ze stierven, dan zouden de boozen allemaal in de hel komen, om eeuwig te branden. Hij wees er met nadruk op, «dat hun worm niet zou sterven en hun vuur niet uitgebluscht worden, dat zij nimmer rust zouden vinden!»
Dat was vreeselijk om aan te hooren, en hij zei dit op zulk een toon van overtuiging; hij beschreef hun de hel als een verpeste plaats, waarheen al het ontuig uit de geheele wereld samenvloeit,—daar was geen andere lucht, dan de heete brandende zwavelvlam, daar was geen grond, zij—de boozen—zonken en zonken al dieper en dieper bij een eeuwig stilzwijgen!—Het was reeds vreeselijk daarvan te hooren; want de dominee sprak het uit het volle hart, en al de menschen in de kerk waren daarover ontzet.
Buiten intusschen zongen al de vogeltjes zoo vroolijk, en de zon scheen zoo warm, het was alsof ieder bloempje zei: «God! Gij zijt zoo onbeschrijfelijk goed voor ons allen!»—Ja, buiten was het volstrekt niet, zooals de dominee preekte.
Dien zelfden avond bij het naar bed gaan keek de dominee zijn vrouw aan en zag, dat zij peinzend en in gedachten verdiept zat.
«Wat scheelt er aan?» vroeg hij haar.
«Ja, wat mij scheelt?» zeide zij. «Dit scheelt mij, dat ik mijn gedachten niet goed weet te verzamelen, dat ik datgene, wat je vandaag in de kerk gesproken hebt, niet goed kan begrijpen, «dat er zoovele goddelooze menschen zijn en dat zij eeuwig zullen branden!» Eeuwig! Ach, wat is dat lang!—Ik ben maar een mensch, een zondares voor God, maar ik zou het niet over mijn hart kunnen krijgen, zelfs den snoodsten zondaar eeuwig te laten branden, en hoe zou God dit dan kunnen, die zoo oneindig goed is, en die immers weet, hoe het booze van buiten en van binnen komt? Neen ik kan het mij zoo niet voorstellen, ofschoon gij het zegt!»
Het was herfst, de boomen lieten hun bladeren vallen, de ernstige, strenge dominee zat aan de legerstede van een stervende; een vrome, geloovige vrouw sloot de oogen: het was de echtgenoote van den dominee.
«Als er iemand rust in het graf en genade voor zijn God vindt, dan zal zij het wel zijn!» zei de dominee; hij vouwde haar handen en las een psalm voor de overledene.
Men droeg haar ten grave; twee groote tranen biggelden er langs de wangen van den strengen man, en in de pastorie was het stil en ledig: de zon des huizes was uitgebluscht, zij was huiswaarts gegaan.
Het was nu nacht, een kille wind blies over het hoofd van dendominee; hij sloeg de oogen op, en het was hem, alsof de maan in zijn kamer scheen, maar deze scheen niet. Een gestalte was het, die voor zijn bed stond, hij zag den geest van zijn overleden vrouw; zij keek hem zoo innig bedroefd aan; het was, alsof zij iets tegen hem wilde zeggen.
De dominee richtte zich terstond in zijn bed op en strekte de armen naar haar uit. «Zoo is dan ook aan u de eeuwige rust niet vergund! Ge lijdt, gij, de beste, de vroomste!»
De doode knikte bevestigend met het hoofd en legde de hand op de borst.
«En ben ik bij machte om u de rust in het graf te schenken?»
«Ja!» luidde het antwoord.
«En op welke wijze?»
«Geef mij een haar, maar een enkel haar van het hoofd van den zondaar, wiens vuur nimmer zal uitgebluscht worden; vandienzondaar, dien God tot eeuwige pijn in de hel zal werpen.»
«Ja, zoo gemakkelijk moet gij verlost kunnen worden, gij reine en vrome!» zeide hij.
«Volg mij dan!» zei de doode. «Het is ons vergund. Aan mijn zijde zweeft ge, waarheen uw gedachten maar willen: voor de menschen onzichtbaar, dringen wij hun geheimste vertrekken binnen,—maar met vaste hand moet ge hem opsporen, die tot eeuwige kwelling uitverkoren is, en voor het hanengekraai moet hij gevonden zijn!»
Snel, als door de gevleugelde gedachten gedragen, bevonden zij zich in de groote stad, en van de muren der huizen straalden hun in vlammend schrift de namen der doodzonden tegen: hoogmoed, gierigheid, dronkenschap, wellust, in één woord de geheele zevenkleurige boog der zonde.
«Ja, daarbinnen, zooals ik wel dacht, zooals ik wel wist,» zei de dominee, «daarbinnen wonen zij, die voor het eeuwige vuur bestemd zijn!»—En zij stonden voor het prachtig verlichte portaal, de breede trappen prijkten met tapijten en bloemen, en door de feestelijk versierde zalen ruischte de dansmuziek. De portier, in zijde en fluweel gekleed, stond met zijn grooten, met zilver beslagen stok aan den ingang.
«Ons bal kan zich met dat van den koning meten!» zei hij en wendde zich verachtelijk tot de gapende menigte, die op de straat stond; wat hij dacht, bleek genoegzaam uit zijn gedragingen en bewegingen. «Schooiers, die daar alles staat aan te gapen, bij mij vergeleken ben je allemaal kanalje!»
«Hoogmoed!» zei de doode, «ziet ge hem?»
«Dien daar?» antwoordde de dominee. «Het is immers maar een arme gek, een dwaas, en niet voor de kwellingen van het eeuwige vuur bestemd.»
«Maar een dwaas!» klonk het door het geheele huis van den hoogmoed; dat waren zij daar allen.
Zij zweefden tot binnen de vier kale muren van den gierigaard.Mager als een geraamte, van koude sidderend, hongerig klampt de grijsaard zich met al zijn gedachten aan zijn geld vast; zij zagen hem koortsachtig van zijn ellendige legerstede opspringen en een lossen steen uit den muur nemen, daar lagen gouden munten in een oude kous; zij zagen hem zijn gescheurden rok, waarin de goudstukken genaaid waren, angstig betasten, en zijn vochtige vingers sidderden!
«Die is ziek! Dat is waanzinnigheid, een droevige waanzinnigheid, door angst en booze droomen omgeven!»
Zij verwijderden zich snel en kwamen voor de kribben der misdadigers; in lange rijen sliepen de ongelukkigen naast elkander. Als een wild dier sprong er een uit zijn slaap op en stiet een afschuwelijken gil uit, hij gaf zijn kameraad met den elleboog een duchtigen stoot in de ribben, en deze keerde zich slaperig om, zeggende:
«Houd je mond, onmensch, en slaap!—Dat is hier iederen nacht!...»
«Iederen nacht!» herhaalde de ander. «Ja, iederen nacht komt hij en kwelt mij!—In mijn drift heb ik dit en dat gedaan, met een boos hart ben ik geboren, dit heeft mij ten tweeden male hier gebracht; maar als ik kwaad gedaan heb, dan onderga ik daarvoor immers mijn straf.—Er is echter één ding, dat ik niet bekend heb. Toen ik de laatste maal hier uitkwam en het huis van mijn vroegeren heer voorbijging, toen kookte het in mij, omdat mij een en ander in de gedachten kwam,—en ik streek een lucifer zoo wat tegen den muur af; alles verbrandde, de hitte kwam daarover, zooals zij menigmaal over mij komt. Ik hielp zelf redden, vee en meubelen. Niets levends verbrandde er dan een troep duiven, die in het vuur vlogen, en de kettinghond, waaraan ik niet gedacht had. Men hoorde hem te midden van den brand huilen, en... dit huilen hoor ik nog altijd, als ik wil slapen, en als ik in slaap gevallen ben, dan komt de hond groot en ruw, en legt zich op mij neer, en huilt, en drukt mij, en kwelt mij!—Hoor dan toch, wat ik je vertel! Snorken kan je; den heelen nacht snork je, maar ik nog geen kwartier!»—En het bloed kwam den verhitten gevangene in de oogen, hij wierp zich op zijn kameraad en sloeg hem met zijn gebalde vuist in het gezicht.
«De booze Matz is weer eens dol geworden!» heette het nu in de rondte, en de andere misdadigers grepen hem, worstelden met hem, drukten hem krom, zoodat zijn hoofd tusschen zijne knieën zat, en daar bonden zij dit vast, zoodat het bloed Matz bijna uit de oogen en uit alle poriën kwam.
«Gij doodt hem, den ongelukkige!» riep de dominee uit, en terwijl hij zijn hand beschermend over dengene uitstrekte, die reeds te zwaar boette, veranderde het tooneel. Zij vlogen door rijke zalen en arme kamertjes; wellust en nijd, alle doodzonden liepen hun voorbij; een engel van het strafgericht las hun schuld, hun verdediging; deze was wel is waar niet schitterend, maar zij werd voor God gebracht, voor dien God, die in het harte leest en alles weeten kent, het booze, dat van binnen en van buiten komt, dien God, die de genade en de liefde zelf is.
De hand van den dominee beefde, hij waagde het niet, haar uit te strekken, hij had den moed niet, een enkel haar uit het hoofd van den zondaar te trekken.—En de tranen vloeiden hem uit de oogen als een stroom der genade en der liefde, welks verkoelende wateren het eeuwige vuur der hel uitbluschten.
Daar kraaide de haan.
«Barmhartige God! Geef Gij haar den vrede, dien ik haar niet heb kunnen verschaffen!»
«Dien heb ik nu!» zei de doode. «Het was een hard woord, uw wanhoop aan de menschheid, uw somber geloof aan God en Zijn schepping, dat mij naar u toe dreef! Leer de menschen kennen! Zelfs in de boozen leeft een deel van God, dat de vlam der hel uitbluscht en overwint!»
De dominee voelde een kus op zijn lippen, er verspreidde zich een schemering om hem heen; de heldere zon van God scheen in de kamer, waar zijn vrouw, levend, vriendelijk en vol liefde, hem uit een droom wakker maakte, die hem door God gezonden was!
Twaalf met de diligence.Het was snerpend koud; de sterren fonkelden aan den onbewolkten hemel; geen windje was er aan de lucht.«Bom!» daar werd een oude pot tegen de voordeur van den buurman geworpen. «Piefpafpoef!» daar knalde een pistool; men begroette het nieuwe jaar! Het was oudejaarsavond! Nu sloeg de torenklok twaalf slagen!«Ratatatatata!» De diligence kwam aanrijden en hield voor de stadspoort stil. Zij bracht twaalf personen mee; al de plaatsen waren bezet.«Hoera! Hoera!» riepen de menschen in de huizen der stad, waar de oudejaarsavond gevierd werd en men met klokslag van twaalven het gevulde glas omhoog hief, om het nieuwe jaar het welkom toe te roepen.«Een gelukkig nieuwjaar!» heette het. «Een mooie vrouw! Veel geld! Geen verdriet en geen smart!»Dat wenschte men elkaar van weerskanten toe, en daarop klonk men met de glazen, zoodat het een geducht gerinkel gaf,—en voor de stadspoort hield de diligence met de vreemde gasten, de twaalf reizigers, stil.En wie waren deze vreemdelingen? Ieder had zijn reispas en zijn bagage bij zich; ja, zij brachten zelfs geschenken mee voor mij envoor u en voor alle menschen, die er in het stadje woonden. Wie waren zij, wat wilden zij en wat brachten zij?«Goeden morgen!» riepen zij den schildwacht toe, die bij den ingang van de stadspoort stond.«Goeden morgen!» antwoordde deze, want de klok had immers twaalf uur geslagen.«Uw naam? Uw beroep?» vroeg de schildwacht aan hem, die het eerst uit de diligence stapte.«Kijk dat zelf maar in den pas na!» antwoordde de man. «Ik ben ik!» En het was ook een flinke kerel, die een berenpels en laarzen met bont gevoerd aanhad. «Ik ben de man, waarop zeer veel menschen hun hoop bouwen. Kom morgen bij mij, dan zal ik je een nieuwjaarsgeschenk geven! Ik werp penningen en daalders onder de menschen, ja, ik geef ook bals, een en dertig bals, want meer avonden kan ik daarvoor niet afstaan. Mijn schepen zijn vastgevroren, maar in mijn kantoor is het warm en gezellig. Ik ben koopman, heetJanuarienbrengslechts rekeningen met mij mee.»Nu stapte de tweede uit. Dit was een lustige kwant; hij was directeur van een komedie, directeur van gemaskerde bals en van alle vermakelijkheden, die men zich maar kan voorstellen. Zijn bagage bestond uit een groote ton.«Uit de ton,» zei hij, «zullen wij op vastenavond de kat jagen. Ik zal jelui het leven wel prettig maken en mij zelf ook; alle dagen vroolijk! Ik heb juist niet lang te leven, van den heelen troep den kortsten tijd: ik word namelijk maar acht-en-twintig dagen oud. Somtijdsvoegen zij er nog wel eens een dag aan toe,—maar dat kan mij weinig schelen. Hoera!»«Ge moogt niet zoo schreeuwen!» zei de schildwacht.«Och kom! Ik mag wel schreeuwen,» riep de man uit. «Ik ben prins Carnaval en reis onder den naamFebruari.»Nu stapte de derde uit de diligence; deze zag er als de verpersoonlijkte vasten uit, maar hij zette een hooge borst; want hij was familie van de «veertig ridders» en bovendien een weerprofeet. Maar dat is geen vet postje, en daarom roemde hij ook de vasten. In een knoopsgat droeg hij ook een ruikertje van viooltjes, maar deze waren zeer klein.«Maart!Maart!» riep de vierde hem achterna en klopte hem op den schouder; «ruik je niets? Gauw de wachtkamer in; daar drinken ze pons, je lievelingsdrank; ik kan het hier buiten al ruiken. Komaan, mijnheerMaart!»Maar het was niet waar; de vierde wilde hem slechts den invloed van zijn naam laten voelen en hem eens beetnemen, want daarmee begonAprilzijn levensloop in de stad. Hij zag er over ’t algemeen zeer vroolijk uit; werken deed hij maar heel weinig; maar des te meer maakte hij feestdagen. «Als het maar wat bestendiger in de wereld was,» zei hij; «maar nu eens is men goed, dan weer slecht geluimd, al naar het valt; nu eens regen, dan weer zonneschijn! Ik ben ook zoo’n soort van een agent van een verhuurkantoor, ook een aanspreker; ik kan lachen en huilen, al naar het te pas komt. In mijn koffer heb ik een zomertoilet, maar het zou heel dwaas zijn, dit aan te trekken. Hier ben ik nu!»Na hem stapte er een dame uit het rijtuig. JuffrouwMeinoemde zij zich. Zij droeg een zomertoilet en overschoenen, een lindebladgroene japon en anemonen in het haar, en daarbij rook zij zoo geducht naar de muskus, dat de schildwacht moest niezen. «Op uw gezondheid en Gods zegen!» zeide zij; dat was haar groet. Wat zag zij er allerliefst uit! En zangeres was zij, geen operazangeres, ook geen kermiszangeres, neen, zangeres van het bosch: zij doolde het frissche, groene bosch door en zong daar voor haar eigen plezier.«Nu komt de jonge vrouw!» riepen ze binnen in het rijtuig, en nu stapte de jonge vrouw, die er fijn, fier en lief uitzag, er uit. Men kon het haar, mevrouwJuni, wel aanzien, dat zij het gewoon was, door luie slaapkoppen bediend te worden. Op den langsten dag van het jaar gaf zij een groote partij, opdat de gasten tijd zouden hebben om de vele gerechten, die er op de tafel stonden, te nuttigen. Zij had wel is waar haar eigen equipage; maar zij reisde toch met diligence, evenals de anderen, omdat zij wilde toonen, dat zij niet hoogmoedig was. Maar zonder gezelschap was zij niet; haar jongere broederJuliwas bij haar.Dit was een welgedane jongeling, op zijn zomersch gekleed en met een stroohoed op. Hij had maar weinig bagage bij zich, omdat dit bij een hevige warmte te lastig is; daarom had hij zich slechts van een zwembroekje voorzien, en dat is niet veel.Daarop kwam de moeder zelf, mevrouwAugustus, fruitverkoopster in het groot, eigenares van een menigte vischvijvers, een landhuishoudkundige in een groote crinoline; zij was dik en had het warm, maar toch pakte zij alles aan en bracht de arbeiders op het land zelf bier. «In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten!» zeide zij, «dat staat in den bijbel. Later komen de pleziertochtjes, dans en spel in het groen en de oogstfeesten!» Zij was een knappe huishoudster.Na haar stapte er weer een man uit het rijtuig, een schilder van beroep, mijnheerSeptember; die moest naar het bosch; de bladeren moesten van kleur wisselen; maar hoe schoon werd alles, als hij het wilde; al spoedig prijkte het bosch in rood, geel of bruin. De schilder floot als een lijster, was een ervaren kunstenaar en slingerde de bruinachtig groene hopranken om zijn bierglas. Dat sierde het glas op, en van opsieren hield hij veel. Daar stond hij nu met zijn verfpot: dat was zijn heele bagage!Op hem volgde de landeigenaar, die aan het beploegen en bezaaien van den grond, maar ook aan het jachtvermaak dacht; mijnheerOctoberhad een hond en een geweer bij zich en noten in zijn weitasch. Hij had veel bagage bij zich, zelfs een Engelschen ploeg, hij sprak over landhuishoudkunde, maar door het hoesten van zijn buurman hoorde men daar niet veel van.MijnheerNovemberwas het, die zoo hoestte, terwijl hij uit het rijtuig stapte. Deze had heel veel last van verkoudheid; hij snoot zijn neus aldoor en toch, zeide hij, moest hij de dienstmeisjes vergezellen en ze in haar nieuwen dienst brengen; die verkoudheid,dacht hij, zou wel weer overgaan, als hij maar aan het houthakken ging, en hout moest hij zagen en hakken, want hij was meesterknecht bij een houtkooper. De avonden bracht hij met het snijden van hout voor schaatsen door; want hij wist wel, zei hij, dat men over eenige weken behoefte aan deze soort van schoenen zou hebben.Eindelijk kwam de laatste passagier te voorschijn, het oude moedertjeDecembermet een stoof onder den arm; de oude vrouw had het koud; maar haar oogen fonkelden als twee heldere sterren. Zij droeg een bloempot in de hand, waarin een kleine dennenboom geplant was. «Dien boom wil ik opkweeken, dan kan hij groeien en groot worden tegen den Kerstavond, van den vloer tot hoog aan de zoldering reiken en opschieten met vlammende lichten, gouden appelen en uitgesneden figuurtjes. De stoof geeft evenveel warmte als een kachel; ik haal het sprookjesboek uit mijn zak en lees daaruit overluid voor, zoodat alle kinderen in de kamer stil en de figuurtjes aan den boom vroolijk worden, en de kleine engel van was op de uiterste punt zijn gouden vleugelen uitspreidt, van zijn groenen zetel afvliegt en kleinen en grooten in de kamer kust, ja, ook de arme kinderen, die buiten op de straat staan en het Kerstlied van de ster van Bethlehem zingen.»«Ziezoo! Nu kan de diligence wegrijden,» zei de schildwacht. «Wij hebben ze alle twaalf. De bijwagen kan voorkomen.»«Laat de twaalf eerst bij mij binnenkomen!» zei de kapitein, die de wacht had, «de een na den ander! De passen houd ik hier; zij zijn ieder voor een maand geldig; als deze verstreken is, zal ik het gedrag op den pas aanteekenen. MijnheerJanuari! mag ik u maar verzoeken, nader te komen?»En mijnheer Januari kwam nader.Als er een jaar verloopen is, zal ik u eens zeggen, wat die twaalf u, mij en ons allen gebracht hebben. Nu weet ik het nog niet, en misschien weten zij het zelf niet eens,—want het is een zonderlinge tijd, waarin wij leven.
Het was snerpend koud; de sterren fonkelden aan den onbewolkten hemel; geen windje was er aan de lucht.
«Bom!» daar werd een oude pot tegen de voordeur van den buurman geworpen. «Piefpafpoef!» daar knalde een pistool; men begroette het nieuwe jaar! Het was oudejaarsavond! Nu sloeg de torenklok twaalf slagen!
«Ratatatatata!» De diligence kwam aanrijden en hield voor de stadspoort stil. Zij bracht twaalf personen mee; al de plaatsen waren bezet.
«Hoera! Hoera!» riepen de menschen in de huizen der stad, waar de oudejaarsavond gevierd werd en men met klokslag van twaalven het gevulde glas omhoog hief, om het nieuwe jaar het welkom toe te roepen.
«Een gelukkig nieuwjaar!» heette het. «Een mooie vrouw! Veel geld! Geen verdriet en geen smart!»
Dat wenschte men elkaar van weerskanten toe, en daarop klonk men met de glazen, zoodat het een geducht gerinkel gaf,—en voor de stadspoort hield de diligence met de vreemde gasten, de twaalf reizigers, stil.
En wie waren deze vreemdelingen? Ieder had zijn reispas en zijn bagage bij zich; ja, zij brachten zelfs geschenken mee voor mij envoor u en voor alle menschen, die er in het stadje woonden. Wie waren zij, wat wilden zij en wat brachten zij?
«Goeden morgen!» riepen zij den schildwacht toe, die bij den ingang van de stadspoort stond.
«Goeden morgen!» antwoordde deze, want de klok had immers twaalf uur geslagen.
«Uw naam? Uw beroep?» vroeg de schildwacht aan hem, die het eerst uit de diligence stapte.
«Kijk dat zelf maar in den pas na!» antwoordde de man. «Ik ben ik!» En het was ook een flinke kerel, die een berenpels en laarzen met bont gevoerd aanhad. «Ik ben de man, waarop zeer veel menschen hun hoop bouwen. Kom morgen bij mij, dan zal ik je een nieuwjaarsgeschenk geven! Ik werp penningen en daalders onder de menschen, ja, ik geef ook bals, een en dertig bals, want meer avonden kan ik daarvoor niet afstaan. Mijn schepen zijn vastgevroren, maar in mijn kantoor is het warm en gezellig. Ik ben koopman, heetJanuarienbrengslechts rekeningen met mij mee.»
Nu stapte de tweede uit. Dit was een lustige kwant; hij was directeur van een komedie, directeur van gemaskerde bals en van alle vermakelijkheden, die men zich maar kan voorstellen. Zijn bagage bestond uit een groote ton.
«Uit de ton,» zei hij, «zullen wij op vastenavond de kat jagen. Ik zal jelui het leven wel prettig maken en mij zelf ook; alle dagen vroolijk! Ik heb juist niet lang te leven, van den heelen troep den kortsten tijd: ik word namelijk maar acht-en-twintig dagen oud. Somtijdsvoegen zij er nog wel eens een dag aan toe,—maar dat kan mij weinig schelen. Hoera!»
«Ge moogt niet zoo schreeuwen!» zei de schildwacht.
«Och kom! Ik mag wel schreeuwen,» riep de man uit. «Ik ben prins Carnaval en reis onder den naamFebruari.»
Nu stapte de derde uit de diligence; deze zag er als de verpersoonlijkte vasten uit, maar hij zette een hooge borst; want hij was familie van de «veertig ridders» en bovendien een weerprofeet. Maar dat is geen vet postje, en daarom roemde hij ook de vasten. In een knoopsgat droeg hij ook een ruikertje van viooltjes, maar deze waren zeer klein.
«Maart!Maart!» riep de vierde hem achterna en klopte hem op den schouder; «ruik je niets? Gauw de wachtkamer in; daar drinken ze pons, je lievelingsdrank; ik kan het hier buiten al ruiken. Komaan, mijnheerMaart!»
Maar het was niet waar; de vierde wilde hem slechts den invloed van zijn naam laten voelen en hem eens beetnemen, want daarmee begonAprilzijn levensloop in de stad. Hij zag er over ’t algemeen zeer vroolijk uit; werken deed hij maar heel weinig; maar des te meer maakte hij feestdagen. «Als het maar wat bestendiger in de wereld was,» zei hij; «maar nu eens is men goed, dan weer slecht geluimd, al naar het valt; nu eens regen, dan weer zonneschijn! Ik ben ook zoo’n soort van een agent van een verhuurkantoor, ook een aanspreker; ik kan lachen en huilen, al naar het te pas komt. In mijn koffer heb ik een zomertoilet, maar het zou heel dwaas zijn, dit aan te trekken. Hier ben ik nu!»
Na hem stapte er een dame uit het rijtuig. JuffrouwMeinoemde zij zich. Zij droeg een zomertoilet en overschoenen, een lindebladgroene japon en anemonen in het haar, en daarbij rook zij zoo geducht naar de muskus, dat de schildwacht moest niezen. «Op uw gezondheid en Gods zegen!» zeide zij; dat was haar groet. Wat zag zij er allerliefst uit! En zangeres was zij, geen operazangeres, ook geen kermiszangeres, neen, zangeres van het bosch: zij doolde het frissche, groene bosch door en zong daar voor haar eigen plezier.
«Nu komt de jonge vrouw!» riepen ze binnen in het rijtuig, en nu stapte de jonge vrouw, die er fijn, fier en lief uitzag, er uit. Men kon het haar, mevrouwJuni, wel aanzien, dat zij het gewoon was, door luie slaapkoppen bediend te worden. Op den langsten dag van het jaar gaf zij een groote partij, opdat de gasten tijd zouden hebben om de vele gerechten, die er op de tafel stonden, te nuttigen. Zij had wel is waar haar eigen equipage; maar zij reisde toch met diligence, evenals de anderen, omdat zij wilde toonen, dat zij niet hoogmoedig was. Maar zonder gezelschap was zij niet; haar jongere broederJuliwas bij haar.
Dit was een welgedane jongeling, op zijn zomersch gekleed en met een stroohoed op. Hij had maar weinig bagage bij zich, omdat dit bij een hevige warmte te lastig is; daarom had hij zich slechts van een zwembroekje voorzien, en dat is niet veel.
Daarop kwam de moeder zelf, mevrouwAugustus, fruitverkoopster in het groot, eigenares van een menigte vischvijvers, een landhuishoudkundige in een groote crinoline; zij was dik en had het warm, maar toch pakte zij alles aan en bracht de arbeiders op het land zelf bier. «In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten!» zeide zij, «dat staat in den bijbel. Later komen de pleziertochtjes, dans en spel in het groen en de oogstfeesten!» Zij was een knappe huishoudster.
Na haar stapte er weer een man uit het rijtuig, een schilder van beroep, mijnheerSeptember; die moest naar het bosch; de bladeren moesten van kleur wisselen; maar hoe schoon werd alles, als hij het wilde; al spoedig prijkte het bosch in rood, geel of bruin. De schilder floot als een lijster, was een ervaren kunstenaar en slingerde de bruinachtig groene hopranken om zijn bierglas. Dat sierde het glas op, en van opsieren hield hij veel. Daar stond hij nu met zijn verfpot: dat was zijn heele bagage!
Op hem volgde de landeigenaar, die aan het beploegen en bezaaien van den grond, maar ook aan het jachtvermaak dacht; mijnheerOctoberhad een hond en een geweer bij zich en noten in zijn weitasch. Hij had veel bagage bij zich, zelfs een Engelschen ploeg, hij sprak over landhuishoudkunde, maar door het hoesten van zijn buurman hoorde men daar niet veel van.
MijnheerNovemberwas het, die zoo hoestte, terwijl hij uit het rijtuig stapte. Deze had heel veel last van verkoudheid; hij snoot zijn neus aldoor en toch, zeide hij, moest hij de dienstmeisjes vergezellen en ze in haar nieuwen dienst brengen; die verkoudheid,dacht hij, zou wel weer overgaan, als hij maar aan het houthakken ging, en hout moest hij zagen en hakken, want hij was meesterknecht bij een houtkooper. De avonden bracht hij met het snijden van hout voor schaatsen door; want hij wist wel, zei hij, dat men over eenige weken behoefte aan deze soort van schoenen zou hebben.
Eindelijk kwam de laatste passagier te voorschijn, het oude moedertjeDecembermet een stoof onder den arm; de oude vrouw had het koud; maar haar oogen fonkelden als twee heldere sterren. Zij droeg een bloempot in de hand, waarin een kleine dennenboom geplant was. «Dien boom wil ik opkweeken, dan kan hij groeien en groot worden tegen den Kerstavond, van den vloer tot hoog aan de zoldering reiken en opschieten met vlammende lichten, gouden appelen en uitgesneden figuurtjes. De stoof geeft evenveel warmte als een kachel; ik haal het sprookjesboek uit mijn zak en lees daaruit overluid voor, zoodat alle kinderen in de kamer stil en de figuurtjes aan den boom vroolijk worden, en de kleine engel van was op de uiterste punt zijn gouden vleugelen uitspreidt, van zijn groenen zetel afvliegt en kleinen en grooten in de kamer kust, ja, ook de arme kinderen, die buiten op de straat staan en het Kerstlied van de ster van Bethlehem zingen.»
«Ziezoo! Nu kan de diligence wegrijden,» zei de schildwacht. «Wij hebben ze alle twaalf. De bijwagen kan voorkomen.»
«Laat de twaalf eerst bij mij binnenkomen!» zei de kapitein, die de wacht had, «de een na den ander! De passen houd ik hier; zij zijn ieder voor een maand geldig; als deze verstreken is, zal ik het gedrag op den pas aanteekenen. MijnheerJanuari! mag ik u maar verzoeken, nader te komen?»
En mijnheer Januari kwam nader.
Als er een jaar verloopen is, zal ik u eens zeggen, wat die twaalf u, mij en ons allen gebracht hebben. Nu weet ik het nog niet, en misschien weten zij het zelf niet eens,—want het is een zonderlinge tijd, waarin wij leven.
Domme Hans.Diep in het binnenste van het land stond een oud ridderkasteel; daarin woonde een oude grondeigenaar, die twee zonen had, die zich zoo knap en geleerd waanden, dat de helft al voldoende geweest zou zijn. Dezen wilden nu naar de hand van de koningsdochter dingen, want de prinses had openlijk laten aankondigen, dat zij dengene tot echtgenoot zou kiezen, die zijn woorden het best klaar had.Beiden bereidden zich nu volle acht dagen daarop voor; dit was een lange, maar toch ook voldoende tijd, die hun vergund was; want zij waren in het bezit van voorloopige kundigheden, en hoezeer deze te stade komen, weet iedereen. De een kende het heele Latijnsche woordenboek en bovendien nog drie jaargangen van hetdagblad van het stadje van buiten, en wel zoo, dat hij alles van voren naar achteren en van achteren naar voren, al naar men het wilde, kon opzeggen. De ander had zich de gildewetten in het hoofd geprent en kende van buiten, wat iedere gildemeester moet weten, waarom hij dacht, dat hij over staatszaken mee kon spreken en daarover ook een duit in het zakje leggen. Bovendien had hij nog ergens verstand van: hij kon rozen en andere bloempjes en arabesken op wapenrustingen borduren, want hij was ook vindingrijk en kunstvaardig.«Ik krijg de koningsdochter!» riepen zij allebei, en zoo gaf hun oude vader ieder van hen een prachtig paard. Hij, die het woordenboek en het dagblad van buiten kende, kreeg een zwart paard; hij, die met de gildewetten bekend was, kreeg een wit paard, en daarop smeerden zij de hoekjes van hun mond met traan in, opdat deze heel buigzaam zou worden.Al de bedienden stonden beneden op het voorplein en waren er getuigen van, hoe zij te paard stegen, en als bij toeval kwam ook de derde broer er bij, want de oude grondeigenaar had eigenlijk drie zonen, maar niemand telde dezen derden broer bij de andere broers, omdat hij niet zoo geleerd als deze was, en men gaf hem dan ook gewoonlijk den naam van dommen Hans.«Wel zoo!» zei domme Hans, «waar moet je naar toe? Je hebt je Zondagskleeren immers aangetrokken.»«Naar het hof van den koning, om de koningsdochter door praten te krijgen. Weet je dan niet,water in het geheele land bekend gemaakt is?» En nu vertelden zij hem alles.«Wel drommels! Dan ben ik ook van de partij!» riep domme Hans; maar zijn broers lachten hem uit en reden weg.«Vader,» zei domme Hans, «ik moet ook een paard hebben. Wat krijg ik een lust in trouwen! Als zij mij neemt, dan neemt zij mij, en als zij mij niet neemt, dan neem ik haar,—krijgen zal ik haar toch!»«Houd met die dwaze praatjes op!» zei de grijsaard. «Jou geef ik geen paard. Je kunt immers niet spreken, je hebt je woorden immers niet klaar; neen, je broers zijn andere kerels!»«Welnu,» zei domme Hans, «als ik geen paard kan krijgen, dan neem ik den bok; die behoort mij zoo goed als toe, en dragen kan hij mij ook!»Zoo gezegd, zoo gedaan. Hij zette zich schrijlings op den bok, drukte zijn hakken in diens zijden, reed weg en vloog den grooten straatweg als een stormwind langs. Hei, hop, dat was een tocht. «Hier kom ik!» schreeuwde domme Hans en zong, zoodat het wijd en zijd in den omtrek weerklonk.Maar zijn broers reden hem langzaam vooruit; zij spraken geen woord, zij moesten eens over al de goede invallen nadenken, die zij voor den dag zouden brengen; want dat moest alles keurig uitgedacht zijn.«Heidaar!» schreeuwde domme Hans, «hier ben ik! Kijkt eens,wat ik op den straatweg gevonden heb!» En hij liet hun een doode kraai zien, die hij gevonden had.«Domoor!» zeiden de broers, «wat wil je daarmee beginnen?»«Met de kraai?—Die wil ik aan de koningsdochter geven!»«Ja, doe dat maar!» zeiden zij, lachten en reden verder.«Hei, hop! Hier ben ik! Zie eens, wat ik nu gevonden heb. Dat vindt men niet alle dagen op den straatweg!»En de broers keerden zich om, ten einde te zien, wat hij nu weer kon gevonden hebben. «Domoor!» zeiden zij, «dat is immers een oude klomp, waarvan het bovengedeelte nog wel ontbreekt; wil je dat ook aan de koningsdochter geven?»«Zeker wil ik dat!» antwoordde domme Hans, «het wordt al mooier en mooier! O, het is allerprachtigst!»«Wat heb je nu dan weer gevonden?» vroegen de broers.«O,» zei domme Hans, «dat is niet om te zeggen! Wat zal de koningsdochter blij zijn!»«Ba!» zeiden de broers, «dat is immers slijk, dat uit de sloot komt.»«Zeker is het dat!» sprak domme Hans, «en wel van het fijnste soort. Kijk maar, het loopt iemand tusschen de vingers door!» En daarbij vulde hij zijn zak met het slijk.Maar zijn broers reden voort, zoodat keisteentjes en vonken om hen heen sprongen, daardoor kwamen zij ook een uur vroeger dan domme Hans aan de stadspoort. Daar kregen al de vrijers nommers terstond na hun aankomst, en werden in het gelid geschaard, zes op iedere rij, en zoo dicht op elkaar gedrongen, dat zij hun armen niet konden bewegen; dat was wijselijk zoo ingericht, want anders zouden zij elkaar zeker wel het vel over de ooren getrokken hebben, alleen omdat de een voor den ander stond.De geheele volksmenigte stond rondom het koninklijk kasteel in dichte massa’s op elkaar gedrongen tot aan de ramen toe, om de vrijers door de koningsdochter te zien ontvangen; telkens wanneer er een van hen de zaal binnentrad, stond hij met zijn mond vol tanden.«Die past mij niet!» sprak de koningsdochter. «Voort! Weg met hem!»Eindelijk kwam de beurt aan dien van de broeders, die het woordenboek van buiten kende, maar hij wist het niet meer; hij had het heelemaal vergeten, terwijl hij daar in het gelid geschaard stond; en de planken van den vloer kraakten en de zoldering der zaal was van louter spiegelglas, zoodat hij zich zelf op het hoofd zag staan, en bij ieder raam stonden drie secretarissen en een oppersecretaris, en ieder van hen schreef alles op, wat er gesproken werd, opdat het terstond in de krant zou komen en voor een kleinigheid op de hoeken der straten verkocht worden. Het was ontzettend, en daarbij hadden zij de kachel zoo geducht opgestookt, dat het er gloeiend warm was.«Het is hier verschrikkelijk heet!» zei de vrijer.«Dat is ook zoo; maar mijn vader braadt vandaag ook jonge haantjes!» zei de koningsdochter.Op zulk een gesprek was hij niet voorbereid geweest; geen woord wist hij te zeggen, ofschoon hij iets geestigs had willen zeggen.«Die past mij niet!» zei de koningsdochter. «Voort! Weg met hem!» En hij moest de deur uit.Nu trad de andere broer binnen.«Wat is het hier ontzaglijk heet!» zeide hij.«Dat is ook zoo; maar wij braden vandaag jonge haantjes!» merkte de koningsdochter aan.«Wat? Bra....? Wat?» zeide hij, en de secretarissen schreven: «Wat? Bra....? Wat?»«Die past mij niet!» zei de koningsdochter. «Voort! Weg met hem!»Nu kwam domme Hans aan; hij reed op den bok regelrecht de zaal binnen. «Wat is het hier gloeiend heet!» zeide hij.«Dat is zoo; maar ik braad ook jonge haantjes!» antwoordde de koningsdochter.«Wel, dat treft goed!» hernam domme Hans, «dan kan ik wel een kraai mee braden.»«Met alle genoegen!» zei de koningsdochter; «maar hebt ge iets waarin ge kunt braden? Want ik heb geen pot of pan.»«O, dat heb ik wel!» zei domme Hans. «Hier is kookgereedschap met een tinnen beugel,» en nu haalde hij den klomp voor den dag en legde er de kraai in.«Dat is een deftige maaltijd,» zei de koningsdochter, «maar waar moeten wij de saus vandaan krijgen?»«Die heb ik in mijn zak!» zei domme Hans. «Ik heb zoo veel, dat ik er zelfs wel wat van kan weggooien!»—En nu goot hij wat slijk uit zijn zak.«Dat bevalt mij!» zei de koningsdochter. «Gij weet antwoord te geven, en gij weet te spreken, en u wil ik tot man hebben! Maar weet ge wel, dat ieder woord, dat wij spreken en gesproken hebben, opgeschreven wordt en morgen in de krant komt? Bij ieder raam staan, zooals ge ziet, drie secretarissen en een oppersecretaris, en deze oude oppersecretaris is nog de ergste, want hij kan niets begrijpen!» En dat zeide zij maar, om dommen Hans angst aan te jagen. En de secretarissen grinnikten en spatten daarbij ieder een inktvlek op den vloer.«Zoo! Dat is dus de voornaamste!» zei domme Hans. «Welnu dan zal ik aan den oppersecretaris het beste geven!» En dit zeggende keerde hij zijne zakken om en wierp hem het slijk vlak in het gezicht.«Dat was slim bedacht!» zei de koningsdochter. «Dat zou ik niet hebben kunnen doen; maar ik zal het wel leeren!»Domme Hans werd koning, kreeg een vrouw en een kroon en zat op een troon, en dat hebben wij versch uit de krant van den oppersecretaris en de secretarissen,—maar op hen valt geen staat te maken!
Diep in het binnenste van het land stond een oud ridderkasteel; daarin woonde een oude grondeigenaar, die twee zonen had, die zich zoo knap en geleerd waanden, dat de helft al voldoende geweest zou zijn. Dezen wilden nu naar de hand van de koningsdochter dingen, want de prinses had openlijk laten aankondigen, dat zij dengene tot echtgenoot zou kiezen, die zijn woorden het best klaar had.
Beiden bereidden zich nu volle acht dagen daarop voor; dit was een lange, maar toch ook voldoende tijd, die hun vergund was; want zij waren in het bezit van voorloopige kundigheden, en hoezeer deze te stade komen, weet iedereen. De een kende het heele Latijnsche woordenboek en bovendien nog drie jaargangen van hetdagblad van het stadje van buiten, en wel zoo, dat hij alles van voren naar achteren en van achteren naar voren, al naar men het wilde, kon opzeggen. De ander had zich de gildewetten in het hoofd geprent en kende van buiten, wat iedere gildemeester moet weten, waarom hij dacht, dat hij over staatszaken mee kon spreken en daarover ook een duit in het zakje leggen. Bovendien had hij nog ergens verstand van: hij kon rozen en andere bloempjes en arabesken op wapenrustingen borduren, want hij was ook vindingrijk en kunstvaardig.
«Ik krijg de koningsdochter!» riepen zij allebei, en zoo gaf hun oude vader ieder van hen een prachtig paard. Hij, die het woordenboek en het dagblad van buiten kende, kreeg een zwart paard; hij, die met de gildewetten bekend was, kreeg een wit paard, en daarop smeerden zij de hoekjes van hun mond met traan in, opdat deze heel buigzaam zou worden.
Al de bedienden stonden beneden op het voorplein en waren er getuigen van, hoe zij te paard stegen, en als bij toeval kwam ook de derde broer er bij, want de oude grondeigenaar had eigenlijk drie zonen, maar niemand telde dezen derden broer bij de andere broers, omdat hij niet zoo geleerd als deze was, en men gaf hem dan ook gewoonlijk den naam van dommen Hans.
«Wel zoo!» zei domme Hans, «waar moet je naar toe? Je hebt je Zondagskleeren immers aangetrokken.»
«Naar het hof van den koning, om de koningsdochter door praten te krijgen. Weet je dan niet,water in het geheele land bekend gemaakt is?» En nu vertelden zij hem alles.
«Wel drommels! Dan ben ik ook van de partij!» riep domme Hans; maar zijn broers lachten hem uit en reden weg.
«Vader,» zei domme Hans, «ik moet ook een paard hebben. Wat krijg ik een lust in trouwen! Als zij mij neemt, dan neemt zij mij, en als zij mij niet neemt, dan neem ik haar,—krijgen zal ik haar toch!»
«Houd met die dwaze praatjes op!» zei de grijsaard. «Jou geef ik geen paard. Je kunt immers niet spreken, je hebt je woorden immers niet klaar; neen, je broers zijn andere kerels!»
«Welnu,» zei domme Hans, «als ik geen paard kan krijgen, dan neem ik den bok; die behoort mij zoo goed als toe, en dragen kan hij mij ook!»
Zoo gezegd, zoo gedaan. Hij zette zich schrijlings op den bok, drukte zijn hakken in diens zijden, reed weg en vloog den grooten straatweg als een stormwind langs. Hei, hop, dat was een tocht. «Hier kom ik!» schreeuwde domme Hans en zong, zoodat het wijd en zijd in den omtrek weerklonk.
Maar zijn broers reden hem langzaam vooruit; zij spraken geen woord, zij moesten eens over al de goede invallen nadenken, die zij voor den dag zouden brengen; want dat moest alles keurig uitgedacht zijn.
«Heidaar!» schreeuwde domme Hans, «hier ben ik! Kijkt eens,wat ik op den straatweg gevonden heb!» En hij liet hun een doode kraai zien, die hij gevonden had.
«Domoor!» zeiden de broers, «wat wil je daarmee beginnen?»
«Met de kraai?—Die wil ik aan de koningsdochter geven!»
«Ja, doe dat maar!» zeiden zij, lachten en reden verder.
«Hei, hop! Hier ben ik! Zie eens, wat ik nu gevonden heb. Dat vindt men niet alle dagen op den straatweg!»
En de broers keerden zich om, ten einde te zien, wat hij nu weer kon gevonden hebben. «Domoor!» zeiden zij, «dat is immers een oude klomp, waarvan het bovengedeelte nog wel ontbreekt; wil je dat ook aan de koningsdochter geven?»
«Zeker wil ik dat!» antwoordde domme Hans, «het wordt al mooier en mooier! O, het is allerprachtigst!»
«Wat heb je nu dan weer gevonden?» vroegen de broers.
«O,» zei domme Hans, «dat is niet om te zeggen! Wat zal de koningsdochter blij zijn!»
«Ba!» zeiden de broers, «dat is immers slijk, dat uit de sloot komt.»
«Zeker is het dat!» sprak domme Hans, «en wel van het fijnste soort. Kijk maar, het loopt iemand tusschen de vingers door!» En daarbij vulde hij zijn zak met het slijk.
Maar zijn broers reden voort, zoodat keisteentjes en vonken om hen heen sprongen, daardoor kwamen zij ook een uur vroeger dan domme Hans aan de stadspoort. Daar kregen al de vrijers nommers terstond na hun aankomst, en werden in het gelid geschaard, zes op iedere rij, en zoo dicht op elkaar gedrongen, dat zij hun armen niet konden bewegen; dat was wijselijk zoo ingericht, want anders zouden zij elkaar zeker wel het vel over de ooren getrokken hebben, alleen omdat de een voor den ander stond.
De geheele volksmenigte stond rondom het koninklijk kasteel in dichte massa’s op elkaar gedrongen tot aan de ramen toe, om de vrijers door de koningsdochter te zien ontvangen; telkens wanneer er een van hen de zaal binnentrad, stond hij met zijn mond vol tanden.
«Die past mij niet!» sprak de koningsdochter. «Voort! Weg met hem!»
Eindelijk kwam de beurt aan dien van de broeders, die het woordenboek van buiten kende, maar hij wist het niet meer; hij had het heelemaal vergeten, terwijl hij daar in het gelid geschaard stond; en de planken van den vloer kraakten en de zoldering der zaal was van louter spiegelglas, zoodat hij zich zelf op het hoofd zag staan, en bij ieder raam stonden drie secretarissen en een oppersecretaris, en ieder van hen schreef alles op, wat er gesproken werd, opdat het terstond in de krant zou komen en voor een kleinigheid op de hoeken der straten verkocht worden. Het was ontzettend, en daarbij hadden zij de kachel zoo geducht opgestookt, dat het er gloeiend warm was.
«Het is hier verschrikkelijk heet!» zei de vrijer.
«Dat is ook zoo; maar mijn vader braadt vandaag ook jonge haantjes!» zei de koningsdochter.
Op zulk een gesprek was hij niet voorbereid geweest; geen woord wist hij te zeggen, ofschoon hij iets geestigs had willen zeggen.
«Die past mij niet!» zei de koningsdochter. «Voort! Weg met hem!» En hij moest de deur uit.
Nu trad de andere broer binnen.
«Wat is het hier ontzaglijk heet!» zeide hij.
«Dat is ook zoo; maar wij braden vandaag jonge haantjes!» merkte de koningsdochter aan.
«Wat? Bra....? Wat?» zeide hij, en de secretarissen schreven: «Wat? Bra....? Wat?»
«Die past mij niet!» zei de koningsdochter. «Voort! Weg met hem!»
Nu kwam domme Hans aan; hij reed op den bok regelrecht de zaal binnen. «Wat is het hier gloeiend heet!» zeide hij.
«Dat is zoo; maar ik braad ook jonge haantjes!» antwoordde de koningsdochter.
«Wel, dat treft goed!» hernam domme Hans, «dan kan ik wel een kraai mee braden.»
«Met alle genoegen!» zei de koningsdochter; «maar hebt ge iets waarin ge kunt braden? Want ik heb geen pot of pan.»
«O, dat heb ik wel!» zei domme Hans. «Hier is kookgereedschap met een tinnen beugel,» en nu haalde hij den klomp voor den dag en legde er de kraai in.
«Dat is een deftige maaltijd,» zei de koningsdochter, «maar waar moeten wij de saus vandaan krijgen?»
«Die heb ik in mijn zak!» zei domme Hans. «Ik heb zoo veel, dat ik er zelfs wel wat van kan weggooien!»—En nu goot hij wat slijk uit zijn zak.
«Dat bevalt mij!» zei de koningsdochter. «Gij weet antwoord te geven, en gij weet te spreken, en u wil ik tot man hebben! Maar weet ge wel, dat ieder woord, dat wij spreken en gesproken hebben, opgeschreven wordt en morgen in de krant komt? Bij ieder raam staan, zooals ge ziet, drie secretarissen en een oppersecretaris, en deze oude oppersecretaris is nog de ergste, want hij kan niets begrijpen!» En dat zeide zij maar, om dommen Hans angst aan te jagen. En de secretarissen grinnikten en spatten daarbij ieder een inktvlek op den vloer.
«Zoo! Dat is dus de voornaamste!» zei domme Hans. «Welnu dan zal ik aan den oppersecretaris het beste geven!» En dit zeggende keerde hij zijne zakken om en wierp hem het slijk vlak in het gezicht.
«Dat was slim bedacht!» zei de koningsdochter. «Dat zou ik niet hebben kunnen doen; maar ik zal het wel leeren!»
Domme Hans werd koning, kreeg een vrouw en een kroon en zat op een troon, en dat hebben wij versch uit de krant van den oppersecretaris en de secretarissen,—maar op hen valt geen staat te maken!