Het oude huis.

Het oude huis.In zekere straat stond een oud, overoud huis. Het was bijna driehonderd jaren oud; zoo stond er op den gevel te lezen, waarop het jaartal met tulpen en hopranken aangebracht was. Daar las men geheele verzen in den schrijftrant van den ouden tijd, en boven ieder raam was in het kozijn een gezicht uitgesneden, dat allerlei grimassen maakte. De eene verdieping stak een heel eind buiten de andere uit, en vlak onder het dak was een looden goot met een drakenkop. Het regenwater moest uit den bek komen, maar het liep uit den buik, want er was een lek in de pijp.Al de andere huizen in de straat waren nog nieuw en mooi, met groote ruiten en gladde muren. Men kon het wel aan hen merken, dat zij niets met het oude huis te doen wilden hebben. Zij dachten misschien wel: «Hoe lang zal dat kavalje nog tot algemeene ergernis in de straat staan? De kroonlijst steekt zoo ver vooruit, dat niemand uit onze ramen kan zien, wat er aan den overkant voorvalt. De trap is zoo breed als die van een kasteel en zoo hoog, alsof zij naar een kerktoren voerde. Het ijzeren hek ziet er uit, als de ingang tot een familiegraf, en koperen knoppen staan er op,—het is waarlijk al te gek!»Aan den overkant stonden ook nieuwe en nette huizen, en deze dachten er evenals de andere over; maar voor het raam van een daarvan zat een kleine jongen met frissche roode wangen en heldere blauwe kijkers, en dien beviel het oude huis bijzonder goed, zoowel bij zonne- als bij maneschijn. En als hij naar den muur aan den overkant keek, waar de kalk afgevallen was, dan zag hij er de zonderlingste beelden op, juist zooals de straat er vroeger uitgezien had, met bordessen, kroonlijsten en spitse gevels; hij kon soldaten zien met hellebaarden, en dakgoten, die als draken en griffioenen om het huis heenliepen.—Dat was nu juist zoo’n huis om naar te kijken, en daarin woonde een oud man, die een korte leeren broek droeg en een rok met groote koperen knoopen en een pruik, waarvanmen wel kon zien, dat het een echte pruik was. Alle ochtenden kwam er een oud man bij hem, die den boel opknapte en boodschappen voor hem deed. Overigens woonde de grijsaard met zijn korte broek geheel alleen in het oude huis. Somtijds vertoonde hij zich voor de ramen en keek naar buiten, en dan knikte de kleine jongen hem toe, en dan knikte de grijsaard terug, en zoo raakten zij met elkaar bekend, en zoo werden zij vrienden, ofschoon zij elkaar nooit gesproken hadden. Maar dat was immers ook volstrekt niet noodig.De kleine jongen hoorde zijn ouders zeggen: «De oude man daar aan den overkant heeft het heel goed, maar hij is alleen.»Den volgenden Zondag wikkelde de kleine jongen iets in een stuk papier, ging daarmee voor de huisdeur staan en zei tegen den persoon, die de boodschappen voor den grijsaard deed: «Hoor eens! Wilt ge dit voor mij aan den ouden man aan den overkant geven? Ik heb twee tinnen soldaten; dit is er een van; hij moet dien hebben; want ik weet, dat hij heelemaal alleen is.»En de oude oppasser zag er vergenoegd uit, knikte en bracht den tinnen soldaat naar het oude huis. Later werd er een boodschap naar den overkant gezonden, of de jongeheer ook lust had, zelf eens een bezoek te komen brengen. En daartoe gaven zijn ouders hem vergunning; en zoo kwam hij in het oude huis.En de koperen knoppen op de leuning van het bordes blonken veel helderder dan anders: men zou haast gezegd hebben, dat zij om het verwachte bezoek geschuurd waren. En het was precies, alsof de uitgesnedene trompetters,—want op de deur waren trompetters uitgesneden, die in tulpen stonden,—uit al hun macht bliezen; hun wangen zagen er veel boller uit dan vroeger. Ja, zij bliezen: Ratata, ratata! De kleine jongen komt! Ratata, ratata!»—En toen ging de deur open. Het geheele voorhuis was met oude portretten behangen, met ridders in harnassen en vrouwen in zijden kleeren; en de harnassen rammelden en de zijden kleeren ruischten!—En toen kwam er een trap; deze liep eerst naar boven en dan weer een klein eindje naar beneden, en dan kwam men op een balkon, dat echter zeer bouwvallig was, met groote gaten en breede reten; hieruit kwam gras te voorschijn; want het geheele balkon, de binnenplaats en de muur waren met zoo veel groen begroeid, dat het er uitzag als een tuin; maar het was slechts een balkon. Hier stonden oude bloempotten, die gezichten en ezelsooren hadden; maar de bloemen groeiden, zooals het haar goeddacht. In den eenen pot hingen er aan alle kanten anjelieren over, namelijk de bladeren daarvan; en deze zeiden duidelijk verstaanbaar: «De lucht heeft ons gestreeld, de zon heeft ons gekust en ons tegen den Zondag een kleine bloem beloofd, een kleine bloem tegen den Zondag!»En toen kwamen zij in een kamer, waar de muren met varkensleer behangen waren, en op het varkensleer waren gouden bloemen gedrukt.«’t Verguldsel moge ras vergaan,Het varkensleer blijft steeds bestaan!»zeiden de muren.En daar stonden stoelen met hooge ruggen, met snijwerk en met armen aan de beide kanten. «Ga zitten!» zeiden zij. «Och, wat kraakt het in mij! Nu zal ik zeker ook jicht krijgen, evenals de oude kast. Jicht in den rug! Foei!»En toen kwam de kleine jongen in de kamer, waar de oude man zat.«Dank voor den tinnen soldaat, mijn kleine vriend!» zei de oude man. «En dank daarvoor, dat je eens naar mij toe gekomen bent!»«Dank, dank!» of «Knap, knap!» zeiden alle meubelen. Er waren er zoo vele, dat zij elkaar bijna in den weg stonden, om den kleinen jongen te zien.En midden aan den muur hing een schilderij, een mooie dame, die er jeugdig en vroolijk uitzag, maar zoo gekleed was als in den ouden tijd, met poeder in het haar en met kleeren, die stijf uitstonden. Deze zeide noch «dank!» noch «knap!» maar keek met haar vriendelijke oogen op den kleinen jongen neer, die dadelijk aan den ouden man vroeg: «Waar hebt ge die vandaan?»«Van den uitdrager,» zei de oude man. «Daar hangen altijd vele schilderijen, maar niemand kende ze of bekommerde er zich over, want ze zijn allemaal begraven. Maar vele jaren geleden heb ik haar gekend, en nu is zij al sedert een halve eeuw dood en weg!»En onder het schilderij hing achter glas een ruiker verwelkte bloemen; deze waren zeker ook een halve eeuw oud, zoo zagen zij er ten minste uit. En de slinger der groote klok ging heen en weer, en de wijzers draaiden in de rondte, en alles in de kamer werd nog ouder; maar niemand merkte het.«Ze zeggen thuis,» begon de kleine jongen, «dat ge altijd alleen zijt.»«O,» zeide hij, «de oude gedachten met alles, wat zij met zich mee kunnen voeren, komen en bezoeken mij, en nu kom jij immers ook eens!—Het gaat heel goed met mij!»En daarop nam hij van een plank tegen den muur een prentenboek; daarin stonden lange optochten, de wonderlijkste rijtuigen, zooals men ze heden ten dage niet meer ziet; soldaten als klaverenboer, en burgers met wapperende vaandels. De kleermakers hadden een vaandel met een schaar, die door twee leeuwen vastgehouden werd, en de schoenmakers een vaandel zonder laars, maar met een arend, die twee koppen had; want bij de schoenmakers moet alles zoo zijn, opdat zij kunnen zeggen: «Dat is een paar!»—Dat was eerst een mooi prentenboek!De oude man ging naar de andere kamer, om wat ingelegde vruchten, appelen en noten te halen. Het was werkelijk heerlijk in het oude huis.«Ik kan het hier niet uithouden!» zei de tinnen soldaat, die op de kist stond. «Het is hier veel te eenzaam en te somber. Och, als men het huiselijk leven eenmaal heeft leeren kennen, dan kan men aan het leven hier niet gewennen. Ik kan het niet uithouden! Dedag duurt mij te lang, maar de avond nog langer; hier is het volstrekt niet zooals bij u aan den overkant, waar uw vader en moeder altijd vergenoegd met elkaar praten, en waar gij en de andere kinderen een oorverdoovend geraas maken. Och! wat is het bij den ouden man eenzaam! Denkt ge, dat hij zoenen krijgt? Denkt ge, dat hij vriendelijke blikken of een Kerstboom krijgt? Hij krijgt niets dan een graf.—Ik kan het hier niet uithouden.»«Je moet het niet zoo van de sombere zijde beschouwen!» zei de kleine jongen. «Mij komt dat alles bijzonder prettig voor, en al de oude gedachten met datgene, wat zij met zich mee kunnen voeren, komen hier immers een bezoek brengen.»«Ja, maar die zie ik niet en die ken ik niet!» zei de tinnen soldaat. «Ik kan het hier niet uithouden.»«Dat moet je toch!» zei de kleine jongen.De oude man kwam met het vergenoegdste gezicht en met de heerlijkste ingelegde vruchten en appelen en noten; nu dacht de knaap niet meer aan den tinnen soldaat.Gelukkig en vergenoegd kwam de kleine jongen thuis; en er verliepen dagen en weken; er werd naar het oude huis toe en van het oude huis teruggeknikt; nu ging de kleine jongen weer naar den overkant.De uitgesneden trompetters bliezen: «Ratata, ratata! Daar is de kleine jongen! Ratata, ratata!» De zwaarden en de wapenrustingen op de oude ridderportretten rammelden en de zijden kleeren ruischten; het varkensleer vertelde, en de oude stoelen hadden jicht in den rug. Dat was alles, evenals de eerste maal, want aan den overkant was de eene dag en het eene uur precies als de andere.«Ik kan het hier niet langer uithouden!» zei de tinnen soldaat. «Ik heb tin gehuild. Het is hier te somber! Laat mij liever ten strijde trekken en armen en beenen verliezen! Dit is ten minste eens wat anders. Ik kan het hier niet uithouden!—Nu weet ik wat het wil zeggen, bezoek te krijgen van zijn oude gedachten en van alles, wat zij met zich mee kunnen voeren. Ik heb een bezoek van de mijne gehad, en ge kunt er zeker van zijn, dat dit op den langen duur niet plezierig is. Het heeft niet veel gescheeld, of ik was van de kist naar beneden gesprongen. Ik zag u allen in het huis aan den overkant zoo duidelijk, alsof ge werkelijk hier waart. Het was weer Zondagmorgen, wanneer gij, kinderen, allen voor de tafel stondt en den psalm zongt, zooals ge iederen morgen doet. Ge stondt met gevouwen handen, en uw vader en moeder waren even ernstig gestemd; daar ging de deur open, en uw kleine zusje Marie, die nog geen twee jaar oud is en altijd danst, als zij muziek of gezang hoort, van welken aard dit ook wezen moge, werd in de kamer neergezet.—Zij mocht wel is waar niet, maar zij begon toch te dansen; zij kon echter niet goed op haar dreef komen, want de tonen waren te lang uitgerekt, en daarom stond ze eerst op haar ene been en hield haar hoofd voorover; maar het ging niet. Ge bleeft allen heel ernstig, ofschoon ge werk hadt om u goed tehouden; maar ik moest bij mij zelf lachen, en daarom viel ik van de tafel naar beneden en kreeg een bult, waarmee ik nog loop; want het was niet goed van mij, dat ik lachte. Maar dit alles, en alles wat ik verder beleefd heb, komt mij nu weer voor den geest, en dat zijn zeker de oude gedachten met alles, wat zij met zich meevoeren. Zeg mij eens, of ge des Zondags nog zingt? Vertel mij iets van Marie! En hoe gaat het met mijn kameraad, den anderen tinnen soldaat? Ja, die is zeker heel gelukkig!—Ik kan het hier niet meer uithouden!»«Je bent present gegeven,» zei de knaap, «en je moet hier dus blijven. Zie je dat zelf niet in?»En de oude man kwam met een kistje, waarin allerlei te zien was: blanketdoosjes en pommadefleschjes, oude kaarten, zoo groot en verguld, als men ze nu niet meer te zien krijgt. Er werden meer kastjes opengedaan, ook het klavier; daarin waren van binnen op het deksel landschappen geschilderd; maar het was schor, toen deoude man er op speelde; toen knikte hij tegen het portret, dat hij bij den uitdrager gekocht had, en de oogen vandenouden man fonkelden daarbij helder.«Ik wil ten strijde trekken! Ik wil ten strijde trekken!» riep de tinnen soldaat zoo hard, als hij maar kon, en sprong op den vloer neer.Waar was hij gebleven? De oude man zocht, de kleine jongen zocht: weg was hij en weg bleef hij. «Ik zal hem wel vinden,» zei de oude man; maar hij vond hem niet; de vloer was te open en vol gaten. De tinnen soldaat was door een reet gevallen; daar lag hij nu, als in een open graf.De dag verliep, en de kleine jongen kwam thuis; en er verliepen verscheidene weken. De ruiten waren heelemaal bevroren, en de kleine jongen moest er op ademen, om een gat te maken, ten einde naar het oude huis te kunnen kijken. Er was sneeuw in alle hoeken gewaaid, en deze bedekte de heele trap, alsof er niemand in huis was. En er was ook niemand in huis: de oude man was gestorven!’s Avonds hield er een lijkkoets voor de deur stil, en daar zette men zijn doodkist in: hij zou buiten op het land in zijn familiegraf rusten. Daar werd hij nu naar toe gereden; maar niemand volgde zijn lijk; al zijn vrienden waren dood. De kleine jongen wierp de doodkist, toen deze voorbijreed, kushandjes toe.Eenige dagen daarna werd er verkooping in het oude huis gehouden, en de kleine jongen keek uit zijn raam, hoe men de oude ridders en de oude dames, de bloempotten met de lange ooren, de stoelen en de oude kasten wegdroeg. Het eene ging hierheen, het andere daarheen;haarportret, dat van den uitdrager gekocht was, kwam weer bij den uitdrager te land, en daar bleef het hangen; want niemand bekommerde zich om het oude schilderij.In het voorjaar brak men het huis af; het was een kavalje, zeiden de menschen. Men kon van de straat vlak in de kamer op het varkensleeren behangsel zien, dat aan stukken gesneden en van den muur afgehaald werd, en het groen van het balkon hing verwilderd om de balken, die met instorting bedreigd werden.—En nu werd er opruiming gehouden.«Dat helpt!» zeiden de naburige huizen.Er werd een prachtig huis gebouwd met groote ramen en witte, gladde muren; maar voor de plaats, waar het oude huis gestaan had, werd een klein tuintje aangelegd, en tegen den muur van den buurman klommen wilde wijngaardranken op, voor het tuintje kwam een groot ijzeren hek met een ijzeren deur; dat zag er deftig uit. De menschen bleven er voor staan en keken er doorheen. En de musschen zetten zich bij dozijnen op de wijngaardranken neer en praatten door elkaar, zoo hard als zij maar konden, doch niet over het oude huis, want dat konden zij zich niet meer herinneren; er waren al vele jaren verloopen,—zoo veel, dat de kleine jongen tot een man, ja, tot een degelijk man opgegroeid was, waarvan zijn ouders plezier hadden. Hij was pas getrouwd en had met zijn vrouwhet huis betrokken, waarvoor het tuintje zich bevond; en hier stond hij nu naast haar, terwijl zij een veldbloem, die zij heel mooi vond, in een pot zette; zij plantte haar met haar kleine hand en drukte de aarde met haar vingers vast aan.—«Ai! Wat was dat?»—Zij prikte zich. Boven de weeke aarde stak een zeker puntig voorwerp uit. Dat was—begrijp eens!—dat was de tinnen soldaat, dezelfde, die bij den ouden man verloren geraakt was, die een geruimen tijd tusschen timmerhout en puin rondgedwaald en nu reeds vele jaren in de aarde gelegen had.De jonge vrouw veegde den soldaat eerst met een groen blad en toen met haar fijnen zakdoek af; deze gaf een heerlijken geur van zich! En het was den tinnen soldaat juist zoo te moede, alsof hij uit een bezwijming ontwaakte.«Laat mij hem eens zien!» zei de jonge man, glimlachte en schudde daarop het hoofd. «Die kan het toch wel niet zijn; maar hij doet mij denken aan een geschiedenis met een tinnen soldaat, dien ik gehad heb, toen ik nog een kleine jongen was.» En daarop vertelde hij aan zijn vrouw van het oude huis en den ouden man, en van den tinnen soldaat, die hij hem toegezonden had, omdat hij zoo alleen was, zoodat de tranen de jonge vrouw in de oogen kwamen over het oude huis en den ouden man.«Het is toch wel mogelijk, dat dit dezelfde tinnen soldaat is!» zeide zij. «Ik zal hem bewaren en denken aan hetgeen je mij verteld hebt; maar het graf van den ouden man moet je mij eens wijzen.»«Ik weet niet, waar het is,» antwoordde hij, «en dat weet niemand. Al zijn vrienden waren dood; niemand plantte er bloemen op, en ik was destijds immers nog maar een kleine jongen!»«Ach! Wat zal hij het hier eenzaam gehad hebben!» zeide zij.«Ja, eenzaam!» zei de tinnen soldaat; «maar heerlijk is het, niet vergeten te worden!»«Heerlijk!» riep een stem dicht in de nabijheid; maar niemand anders dan de tinnen soldaat zag, dat dit van een stuk van het varkensleeren behangsel kwam, dat nu zonder eenig verguldsel was. Het zag er uit als natte aarde; maar een overtuiging had het toch, en deze sprak het uit:«’t Verguldsel moge ras vergaan,Het varkensleer blijft steeds bestaan!»Maar de tinnen soldaat geloofde dat niet.De gelukkige familie.Het grootste groene blad in Denemarken is zeker wel dat van het kliskruid; houdt men er een voor zijn lijf, dan is het als een schort, en legt men het op zijn hoofd, dan is het bij regenachtig weer bijna even goed als een paraplu, want het is buitengewoongroot! Nooit groeit een klis alleen; waar er een groeit, daar groeien er ook meer; het is een pracht om te zien! En al deze pracht is slakkenkost.De groote, witte slakken, waarvan de deftige lui in oude dagen fricassée lieten klaarmaken en, als zij het gegeten hadden, zeiden: «Hé! wat smaakt dat!»—want zij geloofden nu eenmaal, dat het overheerlijk smaakte, zij leefden van klisbladeren. En daarom werd er kliskruid gezaaid.Nu was er een oud ridderkasteel, waar men geen slakken meer at. De slakken waren uitgestorven, maar de klissen niet. Deze groeiden en groeiden in alle paden, op alle bedden; men kon ze niet meer keeren; het was een echt klissenbosch. Hier en daar stonden appel- of pruimeboomen, anders zou men zeker nooit op de gedachte gekomen zijn, dat het hier een tuin was. Alles was kliskruid, en daarin woonden de beide laatste stokoude slakken, een mannetje en een wijfje.Zij wisten zelf niet, hoe oud zij waren; maar zij konden zich zeer goed herinneren, dat zij veel grooter in getal geweest waren, dat zij van een familie uit vreemde landen afstamden, en dat het bosch voor hen en de hunnen geplant was. Zij waren er nooit buiten geweest, maar het was hun bekend, dat er nog iets in de wereld was, dat het ridderkasteel heette; daar werd men gekookt, dan werd men zwart en op een zilveren schotel gelegd;—wat er later nog meer gebeurde, dat wisten zij niet. Hoe dat overigens is, wanneer men gekookt en op een zilveren schotel gelegd wordt, konden zij zich niet voorstellen, maar heerlijk moest het zijn, en vooral moest het heel deftig staan. Noch de meikever, noch de pad, noch de regenworm, die zij daarnaar vroegen, konden hun daaromtrent inlichtingen geven; want geen van hun soort was ooit gekookt of op een zilveren schotel gelegd.De oude, witte slakken waren de voornaamsten in de wereld: dat wisten zij! Het bosch was er ter wille van hen, en het ridderkasteel ook, opdat zij gekookt en op een zilveren schotel gelegd zouden kunnen worden.Zij leefden nu zeer ingetogen, en daar zij zelf kinderloos waren, hadden zij een kleine gemeene slak, een jongetje, tot zich genomen, dat zij als hun eigen kind opvoedden. Maar de kleine wilde niet groeien, want het was maar een gemeene slak; doch de oudjes, inzonderheid de pleegmoeder, meenden wel te merken, dat hij toch grooter werd. En zij verzocht den pleegvader, als hij dit niet kon zien, toch eens aan het kleine slakkehuisje te willen voelen; nu betastte hij dit en vond, dat zijn vrouw gelijk had.Op zekeren, dag regende het geducht.«Hoor eens, hoe het op de klisbladeren trommelt!» zei de pleegvader.«Dat noem ik droppels!» zei de pleegmoeder. «Het loopt immers bij den steel neer! Je zult eens zien, dat het hier nat zal worden. Ik ben maar blij, dat wij onze goede huisjes hebben, en dat dekleine er ook een heeft! Er is toch werkelijk meer voor ons gedaan, dan voor alle andere schepselen; men kan het toch duidelijk zien, dat wij de hoogste plaats in de wereld bekleeden! Wij hebben van onze geboorte af huisjes, en het klissenbosch is ter wille van ons gezaaid! Ik zou wel eens willen weten hoe ver dit zich uitstrekt en wat er buiten ligt.»«Daar is niets,» zei de pleegvader, «dat beter zou kunnen zijn, dan bij ons: ik heb volstrekt niets te wenschen.»«Ja,» zei de pleegmoeder. «Ik zou wel naar het ridderkasteel gebracht, gekookt en op een zilveren schotel gelegd willen worden; dat is met al onze voorvaderen gebeurd, en je kunt gelooven: daar is een bedoeling bij.»«Misschien is het ridderkasteel wel ingestort,» zei de pleegvader, «of is het klissenbosch er overheen gegroeid, zoodat de menschen er niet meer uit konden komen. En bovendien is daarbij toch ook geen haast. Maar je haast je altijd te veel, en de kleine begint dat ook al te doen. Kruipt hij niet reeds sedert drie dagen tegen den steel op? Ik krijg er waarlijk hoofdpijn van, als ik naar hem opkijk.»«Je moet niet op hem knorren!» zei de pleegmoeder. «Hij kruipt immers heel voorzichtig; wij zullen zeker veel vreugde aan hem beleven; en wij oudjes hebben immers niets anders, waarvoor wij leven. Maar heb je er wel eens over nagedacht, waar wij een vrouw voor hem vandaan zullen krijgen! Denk je niet, dat er zich verder in het klissenbosch nog zulke van onze soort ophouden?»«Zwarte slakken zullen daar wel zijn, denk ik,» zei de pleegvader, «zwarte slakken zonder huisje! Maar die zijn te gemeen en toch verbeelden zij zich heel wat. Maar wij zouden aan de mieren wel eens last kunnen geven om naar een vrouw voor hem uit te kijken;die loopen toch heen en weer, alsof zij heel wat zaken aan de hand hadden; die zullen zeker wel een vrouw voor onzen kleine weten.»«Ik zou er wel een weten,» zeide een der mieren; «maar ik vrees, dat dit niet zal gaan, want het is een koningin.»«Dat doet er niet toe!» zeiden de oudjes. «Heeft zij een huis?»«Zij heeft een kasteel!»antwoordde de mier; «het mooiste mierenkasteel met zevenhonderd gangen.»«Hartelijk bedankt!» zei de pleegmoeder. «Onze pleegzoon zal niet naar een mierennest toe. Als je niets beters weet, dan zullen we aan de muggen maar eens last geven, die vliegen overal rond in regen en zonneschijn, die kennen het klissenbosch van haver tot gort.»«Wij weten een vrouw voor hem!» zeiden de muggen. «Honderd menschenstappen hiervandaanzit op een kruisbessenboom een kleine slak met een huisje; die woont heelemaal alleen en is oud genoeg om te trouwen. Het is maar honderd menschenstappen hier vandaan.»«Ja, laat haar maar eens bij hem komen!» zeiden de oudjes. «Hij heeft een klissenbosch, zij maar een boom.»En nu haalden zij het kleine dametje. Het duurde acht dagen voordat zij kwam; maar dat stond juist deftig, en daaraan kon men zien, dat zij van de rechte soort was.Daarop hielden zij bruiloft. Zes glimwormpjes gaven licht, zoo goed als zij konden; overigens ging alles heel stil in zijn werk, want de oude slakken konden geen geraas en getier velen. Maar er werd een heerlijke toespraak door de pleegmoeder gehouden.De pleegvader kon niet spreken: hij was te geroerd. Daarop gaven zij hun als erfenis het geheele klissenbosch en zeiden, wat zij altijd gezegd hadden: dat het het beste van de wereld was, en dat zij, als zij rechtschapen en eerbaar leefden en zich vermenigvuldigden, eenmaal benevens hun kinderen op het ridderkasteel zouden komen, en zwart gekookt en op een zilveren schotel gelegd worden. En nadat deze toespraak geëindigd was, kropen de oudjes in hun huisje en kwamen er nooit meer uit: zij sliepen. Het jonge slakkenpaar regeerde nu in het bosch en kreeg een talrijke nakomelingschap. Daar zij echter nooit gekookt op den zilveren schotel kwamen, maakten zij daaruit op, dat het ridderkasteel ingestort en dat alle menschen op de wereld uitgestorven waren. En daar niemand hen tegensprak, moest het immers wel waar zijn. De regen viel op de klissenbladeren neer, om voor hen trommelmuziek te maken, de zon scheen, om het klissenbosch voor hen te verven; en zij waren zeer gelukkig, en de heele familie was gelukkig, overgelukkig.Twee juffers.Hebt ge wel eens een juffer gezien?—dat is te zeggen, wat de straatmakers een juffer noemen, een ding, waarmee zij de straatsteenen vaststampen. Zulk een juffer is geheel en al van hout, onderaanbreed en van ijzeren handen voorzien, bovenaan smal met een stok er door heen,—en dezen stok heeft de juffer voor armen.In de schuur stonden twee zulke juffers; zij hadden haar plaats tusschen straathamers, handwagens en kruiwagens, en tot deze allen was het geruchtdoorgedrongen, dat de juffers voortaan niet meer «juffers,» maar «straatstampers» zouden heeten, hetgeen in de straatmakerstaal de eenige en alleen juiste benaming is voor het ding, dat men in vroegere tijden altijd een juffer noemde.De twee juffers in de bergplaats dachten er volstrekt niet aan, haar ouden naam zoo maar op te geven en zich «straatstampers» te laten noemen.«Juffer is een menschennaam,» zeiden zij, «maar straatstamper is een ding, en wij laten ons niet zoo maar een ding noemen; dat zou een smaad voor ons zijn!»«Mijn minnaar zou in staat zijn, het engagement te verbreken!» zei de jongste, die met een heiblok verloofd was; en een heiblok is een ding, dat groote palen in den grond drijft en dus in het grove datgene verricht, wat de juffer in het fijne doet. «Hij wil mij als juffer tot vrouw nemen, maar of hij dit zou doen, als ik een straatstamper werd, is de vraag nog, en daarom laat ik mij ook niet herdoopen.»«En ik,» zei de oudste, «laat liever mijn beide armen afhouwen!»De kruiwagen was echter van een ander gevoelen, en de kruiwagen was nog al iemand van beteekenis; hij beschouwde zich als het vierde gedeelte van een koets, omdat hij op één wiel liep.«Ik moet u echter doen opmerken,» sprak deze, «dat juffer vrij alledaagsch en op verre na niet zoo deftig klinkt, als straatstamper of stempel, welke naam ook voorgesteld is, en waardoor ge b. v. in de klasse der cachetten zoudt treden, en denkt maar eens aan het groote staatscachet, waarmee men het staatszegel opdrukt en aan de wet eerst kracht verleent. Neen, als ik in uw plaats was, dan zou ik dat «juffer» maar opgeven.»«Neen, dat nimmer! Daar ben ik te oud voor!» zei de oudste.«Ge hebt waarschijnlijk nog nooit hooren spreken over het ding, dat men de «Europeesche noodzakelijkheid» noemt,» bracht de eerlijke wisse in het midden. «Men moet zich in tijd en omstandigheden weten te schikken, en is er eenmaal een wet uitgevaardigd, dat de juffers straatstampers moeten heeten, welnu, dan moeten zij ook straatstampers heeten, en dan helpt het niet, of men er al tegen moppert.»«Neen,» zei de jongste, «dan zou ik mij, als er dan toch een verandering moet plaats hebben, nog liever jonkvrouw laten noemen: jonkvrouw klinkt toch nog altijd wat deftiger dan juffer!»«Maar dan laat ik mij liever tot brandhout hakken!» zei de oudste juffer.Eindelijk ging men aan het werk; de juffers reden, zij werden op den kruiwagen gelegd, dat was wel een goede behandeling, maar met dat al noemde men ze toch straatstampers.«Juf...!» zeiden zij, terwijl zij de straatsteenenvaststampten. «Juf...!» En het scheelde niet veel, of zij hadden het geheele woord «juffer» uitgesproken, maar zij braken plotseling af en slikten de laatste lettergreep in, want na rijp beraad achtten zij het beneden haar waardigheid om er zich tegen te verzetten. Maar onder elkaar noemden zij zich altijd «juffer» en prezen den goeden, ouden tijd, toen men ieder ding bij zijn waren naam noemde en men juffer genoemd werd, als men juffer was; en dat bleven zij allebei; want het heiblok verbrak inderdaad het engagement met de jongste: hij wilde slechts een juffer tot vrouw hebben.De wilde zwanen.Ver van hier, daar, waarheen de zwaluwen vliegen, wanneer wij winter krijgen, woonde eens een koning. Deze had elf zonen en één dochter, Elize genaamd.De elf broeders waren prinsen. Zij gingen met de ster op de borst en de sabel op zijde naar school toe, zij schreven met diamanten griften op gouden leien en leerden even goed van buiten, als zij lazen; men kon dadelijk hooren, dat het prinsen waren. Hun zuster Elize zat op een klein bankje van spiegelglas en had een prentenboek, dat voor het halve koninkrijk gekocht was.O, die kinderen hadden het zoo goed, als het maar kon; doch zoo zou het niet altijd blijven!Hun vader, die koning over het geheele land was, trouwde met een booze koningin, die de arme kinderen volstrekt niet mocht lijden. Op den eersten dag konden zij dit al merken. Op het kasteel heerschte groote pracht, en nu speelden de kinderen, dat zij visite hadden; maar in plaats dat zij, evenals vroeger, zooveel koek en gebraden appels kregen, als er maar te vinden waren, gaf zij hunslechts zand in een theekopje en zeide, dat zij nu maar net moesten doen, alsof dit iets was.In de daarop volgende week bracht zij de kleine Elize naar het platteland naar een boer en een boerin toe, en lang duurde het niet, of zij loog den koning zooveel van de arme prinsen voor, dat deze zich volstrekt niet meer om hen bekommerde.«Vliegt de wijde wereld in en helpt u zelf!» zei de booze koningin. «Vliegt, evenals de groote vogels zonder stem!» Maar zij kon het toch niet zoo erg maken, als zij graag wilde; het werden elf prachtige wilde zwanen. Met een zonderling geschreeuw vlogen zij uit de ramen van het kasteel, over het park heen en het bosch in.Het was nog vroeg in den morgen, toen zij daar voorbijkwamen, waar hun zuster Elize in de kamer van den boer lag te slapen. Hier zweefden zij boven het dak, draaiden met hun lange halzen heen en weer en sloegen toen met hun vleugels; maar niemand hoorde of zag het. Zij moesten weer verder, hoog naar de wolken op, de wijde wereld in; nu vlogen zij naar een groot, donker bosch, dat zich tot aan het strand der zee uitstrekte.De arme, kleine Elize stond in de kamer van den boer en speelde met een groen blad: want ander speelgoed had zij niet. Zij stak een gat in dit blad, keek er doorheen naar de zon, en nu was het, alsof zij de heldere oogen van hare broeders zag; telkens wanneer de warme zonnestralen op haar wangen vielen, dacht zij aan al hun kussen.De eene dag verliep evenals de andere. Als de wind door de groote rozenheggen buiten voor het huis gierde, dan fluisterde hij de rozen toe: «Wie kan schooner zijn dan gij?» Maar de rozen schudden het hoofd en zeiden: «Elize is schooner!» En als de oude vrouw des Zondags voor de deur zat en in haar gezangboek las, dan keerde de wind de bladeren om en zeide tegen het boek: «Wie kan vromer zijn dan gij?» En dan antwoordde het gezangboek: «Elize is vromer!» En het was de volle waarheid, wat de rozen en het gezangboek zeiden.Toen zij vijftien jaar oud was, zou zij naar huis terugkeeren; maar toen de koningin zag, hoe schoon zij was, werd zij toornig op haar. Gaarne zou zij haar in een wilden zwaan veranderd hebben, evenals haar broeders; maar dat waagde zij niet dadelijk, omdat de koning zijn dochter wilde zien.’s Morgens vroeg ging de koningin in het bad, dat van marmer gebouwd en met zachte kussens en de prachtigste dekens versierd was; zij nam drie padden, kuste ze en zei tegen de eene: «Ga op het hoofd van Elize zitten, als zij in het bad komt, opdat zij even dom moge worden, als jij bent!»—«Zet je op haar voorhoofd neer,» zeide zij tegen de tweede, «opdat zij even leelijk moge worden, als jij bent, zoodat haar vader haar niet herkent!»—«Rust aan haar hart!» fluisterde zij de derde toe; «laat haar een boos karakter krijgen, opdat zij daarvan verdriet moge hebben!» Daarop zette zij de padden in het heldere water, dat terstond een groene kleur aannam,riep Elize, kleedde haar uit en liet haar in het water neerdalen. En terwijl Elize onder water dook, zette de eene pad zich in haar haar, de andere op haar voorhoofd en de derde op haar borst neer. Maar Elize scheen dit niet te bemerken; zoodra zij zich oprichtte, dreven er drie roode papavers op het water. Als de dieren niet vergiftig geweest waren en een kus van de heks gekregen hadden, dan zouden zij in roode rozen veranderd zijn. Maar bloemen werden zij toch, omdat zij op haar hoofd, haar voorhoofd en haar hart gezeten hadden. Zij was te vroom en te onschuldig, dan dat de tooverij macht over haar zou kunnen hebben!Toen de booze koningin dit zag, wreef zij Elize met het sap van een walnoot in, zoodat zij donkerbruin werd, bestreek haar schoon gelaat met een stinkende zalf en liet haar prachtig haar in de war raken. Het was onmogelijk, de schoone Elize nu te herkennen.Toen haar vader haar zag, verschrikte hij en zeide, dat het zijn dochter niet was. Geen anderen dan de hond en de zwaluwen konden haar herkennen; maar dat waren arme dieren, die niets te zeggen hadden.Nu weende de arme Elize en dacht aan haar elf broeders, die allemaal weg waren. Bedroefd sloop zij het kasteel uit en liep den geheelen dag over veld en moeras, totdat zij in het groote bosch kwam. Zij wist niet, waar zij naar toe zou gaan, maar gevoelde zich diep bedroefd en verlangde naar haar broers; dezen waren zeker ook, evenals zij, de wijde wereld ingejaagd; en nu wilde zij hen zoeken en vinden.Slechts korten tijd was zij in het bosch geweest, toen de nacht aanbrak; zij wist nu weg noch steg meer; daarom ging zij op het zachte mos liggen, deed haar avondgebed en leunde met haar hoofd tegen een boomtronk aan. Er heerschte een diepe stilte; de lucht was zacht, en om haar heen in het gras en in het mos gaven honderden glimwormpjes, als een groen vuur, gloed van zich; toen zij een der takken zachtjes met haar hand aanraakte, vielen de lichtgevende insecten als verschietende sterren naast haar neer.Den geheelen nacht droomde zij van haar broers; zij speelden weer als kinderen, schreven met de diamanten griften op de gouden leien en keken in het prachtige prentenboek, dat het halve koninkrijk gekost had. Maar op hun leien schreven zij niet, evenals vroeger, cijfers, maar de moedige daden, die zij volbracht, alles, wat zij ondervonden en gezien hadden; en in het prentenboek leefde alles; de vogels zongen en de menschen kwamen het boek uit en spraken met Elize en haar broers. Maar als dezen het blad omkeerden, sprongen zij er dadelijk weer in, opdat de prenten niet in de war zouden raken.Toen zij wakker werd, stond de zon al hoog aan den hemel; Elize kon haar echter niet zien; want de hooge boomen spreidden hun takken dicht boven haar uit. Maar de stralen speelden daarboven als een gouden lint; er was een geur van het groen, en de vogels zetten zich bijna op haar schouders neer. Zij hoorde waterplassen: dat waren groote bronnen, die alle in een meer uitliepen, met den heerlijksten zandgrond. Het was omringd door dichte struiken; maar op één plaats hadden de herten een groote opening gemaakt, en hier ging Elize naar het water toe. Dit was zoo helder, dat men, als de wind de takken en de struiken niet had aangeraakt, zoodat zij zich bewogen, zou gedacht hebben, dat zij op den bodem van het water afgeteekend waren; zoo duidelijk spiegelde ieder blad zich daarin af, zoowel dat, hetwelk door de zon beschenen werd, als dat, hetwelk in de schaduw was.Zoodra Elize haar eigen gezicht zag, verschrikte zij, zoo bruin en leelijk was het; maar toen zij haar kleine hand nat maakte en daarmee over haar oogen en haar voorhoofd wreef, kwam haar blanke huid weer te voorschijn. Nu kleedde zij zich uit en daalde in het frissche water neer! Een schooner koningskind, dan zij was, werd er in de wereld niet gevonden!Toen zij zich weer aangekleed en haar lange lokken gevlochten had, ging zij naar de springbron toe, dronk uit het holle van haar hand en liep het bosch dieper in, zonder zelf te weten waarheen. Zij dacht aan haar broeders, dacht aan den goeden God, die haar zeker niet zou verlaten. God liet de wilde appelen in het bosch groeien, om de hongerigen te verzadigen. Hij wees haar zulk een boom aan; de takken daarvan bogen zich onder den last der vruchten. Hier hield zij haar middagmaal, zette stutten onder de takken en ging toen het donkerste gedeelte van het bosch in. Daar was het zoo stil, dat zij haar eigen voetstappen hoorde, alsmede het ritselen van ieder dor blad, dat zich onder haar voet boog. Geen enkele vogel was er te zien, geen enkele zonnestraal kon door de groote, donkere takken heendringen; de hooge stammen stonden zoo dicht bij elkaar, dat het, wanneer zij voor zich uitkeek, den schijn had, alsof zij door een hek van balken omgeven was. O, hier heerschte een eenzaamheid, zooals zij vroeger nooit gekend had.De nacht werd stikdonker; geen enkel glimwormpje gaf meer licht in het mos. Bedroefd legde zij zich ter neer om te slapen. Nu scheen het haar, alsof de takken der boomen boven haar ter zijde weken en de goede God met milde blikken op haar neerzag; en de kleine engelen keken boven Zijn hoofd en onder Zijn armen uit.Toen zij ’s morgens wakker werd, wist zij niet, of zij het gedroomd had, dan of het werkelijk zoo geweest was.Zij deed eenige schreden voorwaarts. Nu ontmoette zij een oude vrouw met bessen in haar mand; de oude vrouw gaf haar daarvan wat. Elize vroeg haar, of zij niet elf prinsen door het bosch had zien rijden.«Neen,» zei de oude vrouw; «maar ik heb gisteren elf zwanen, ieder met een gouden kroon op den kop, hier in de nabijheid over de rivier zien zwemmen.»En zij bracht Elize een eindje verder tot aan een helling; aan den voet daarvan kronkelde zich een riviertje; de boomen op de oevers strekten hun lange, lommerrijke takken naar elkander uit,en waar zij, tengevolge van hun natuurlijken groei, niet aan elkander konden raken, daar waren de wortels uit den grond losgerukt en hingen, met de takken in elkaar gestrengeld, over het water heen.Elize zei de oude vrouw vaarwel en liep langs het riviertje tot aan de plaats, waar dit naar den grooten, open oceaan vloeide.De geheele heerlijke zee lag voor het jonge meisje, maar geen enkel zeil vertoonde zich daarop, geen enkel schip was er op te zien. Hoe zou zij nu verder komen? Zij bekeek de tallooze kleine steentjes, die er op het strand lagen: het water had ze allemaal rond gemaakt. Glas, ijzer, steenen, alles, wat daar aangespoeld was, had zijn vorm gekregen door het water, dat toch veel zachter dan haar fijne hand was.«Dat rolt onvermoeid voort, en zoo wordt het harde glad; ik zal ook zoo onvermoeid zijn. Dank voor uw les, gij heldere, rollende golven! Eenmaal, dat zegt mij mijn hart, zult ge mij naar mijn broeders toe brengen!»Op het aangespoelde zeegras lagen elf witte zwaneveeren; zij bond ze bij elkaar. Er lagen waterdroppels op: of het dauwdroppels of tranen waren, kon niemand zien. Eenzaam was het daar aan het strand, maar zij gevoelde het niet; want de zee bood een eeuwige afwisseling aan, ja, meer in slechts weinige uren, dan de zoete landwateren in een jaar kunnen opleveren. Als er een groote, zwarte wolk kwam, dan was het, alsof de zee wilde zeggen: «Ik kan er ook donker uitzien,» en dan blies de wind en keerden de golven den witten kant naar buiten. Maar als de wolken rood schenen en de winden sliepen, dan was de zee als een rozeblad; nu eens werd zij groen, dan weer wit. Maar hoe stil zij ook was, aan den oever was toch altijd een zachte beweging; het water verhief zich slechts even, gelijk de borst van een slapend kind.Toen de zon zou ondergaan, zag Elize elf witte zwanen metgouden kronen op hun koppen naar het land toe komen; zij vlogen vlak achter elkaar, zoodat ze een lang wit lint schenen. Nu klom Elize de helling op en verborg zich achter een kreupelboschje; de zwanen zetten zich dicht bij haar neer en sloegen met hun groote witte vleugels.Zoodra de zon in het water verdwenen was, vielen de zwaneveeren plotseling af, en nu stonden daar elf schoone prinsen, de broeders van Elize. Zij gaf een luiden gil; ofschoon zij heel wat veranderdwaren, wist zij toch, dat zij het waren, gevoelde zij, dat zij het zijn moesten. En zij vloog hun in de armen en noemde hen bij name; en de prinsen voelden zich hoogst gelukkig, toen zij hun kleine zuster zagen en herkenden ook haar, die nu groot en schoon was. Zij lachten en weenden, en al spoedig hadden zij begrepen, hoe slecht hun stiefmoeder voor hen allen geweest was.«Wij broeders,» zei de oudste, «wij vliegen als wilde zwanen, zoolang de zon aan den hemel staat; zoodra zij ondergegaan is, krijgen wij onze menschelijke gedaante terug. Daarom moeten wij altijd oppassen, dat wij bij den ondergang der zon een rustplaats voor onze voeten hebben; want als wij op dien tijd naar de wolken opvliegen, dan moeten wij als menschen in de diepte neerstorten. Hier wonen wij niet; er ligt een even schoon land als dit aan gene zijde der zee. Maar de weg daarheen is ver: wij moeten over de groote zee heen, en er bevindt zich geen eiland op onzen weg, waar wij kunnen overnachten: alleen een kleine klip steekt er in het midden daarvan uit; deze is slechts zoo groot, dat wij, dicht naast elkander liggende, daarop kunnen slapen. Is de zee in hevige beweging, dan spat het water hoog boven ons uit; maar toch danken wij God voor die klip. Daar overnachten wij in onze menschelijke gedaante; zonder deze zouden wij ons lieve vaderland nimmer kunnen bezoeken, want twee van de langste dagen des jaars hebben wij voor onzen tocht noodig. Slechts eenmaal in het jaar is het ons vergund, een bezoek aan ons vaderland te brengen; elf dagen mogen wij hier blijven en over het groote bosch heenvliegen, vanwaar wij het kasteel waarin wij geboren zijn en waar onze vader woont, en de hooge kerktorens, waar onze moeder begraven is, kunnen zien. Hier komt het ons voor, alsof boomen en planten aan ons verwant waren; hier loopen de wilde paarden over de steppen heen, zooals wij dit in onze kindsheid gezien hebben; hier zingt de kolenbrander zijn oude liederen, waarop wij als kinderen dansten; hier is ons vaderland; hierheen gevoelen wij ons aangetrokken, en hier hebben wij u, o lieve, kleine zuster, gevonden! Twee dagen kunnen wij hier nog blijven, dan moeten wij over de zee naar een heerlijk land, dat ons vaderland echter niet is. Hoe zullen wij je daar naar toe brengen? Wij hebben geen schip en geen boot!»«Op welke wijze kan ik je verlossen?» vroeg hun zuster. En zij spraken bijna den geheelen nacht met elkaar: zij sliepen slechts eenige uren.Elize ontwaakte door het geklep der zwanevleugels, die over haar heen bruisten: haar broeders waren weer veranderd en vlogen in groote kringen en eindelijk ver weg; maar een hunner, de jongste, bleef achter; en de zwaan legde zijn kop in haar schoot en zij streelde zijn vleugels; den geheelen dag waren zij bij elkaar. Tegen den avond kwamen de anderen terug, en toen de zon ondergegaan was, stonden zij daar weer in hun natuurlijke gedaante.«Morgen vliegen wij van hier weg en kunnen voor het einde vaneen geheel jaar niet terugkeeren. Maar wij kunnen je zoo niet verlaten. Heb je moed om mee te gaan? Ik ben sterk genoeg om je door het bosch te dragen. Zouden wij met ons allen niet zulke sterke vleugels hebben, om met je over de zee te vliegen?»«Ja, neemt mij mee!» zei Elize.Den heelen nacht waren zij bezig van buigzame wilgenschors en taaie biezen een net te vlechten, en dit werd groot en stevig. Op dit net legde Elize zich neer, en toen de zon te voorschijn kwam en haar broeders in wilde zwanen veranderd werden, pakten zij het net met hun snavels beet en vlogen met hun lieve zuster, die nog sliep, hoog naar de wolken op.De zonnestralen vielen vlak op haar gezicht, daarom ging een der zwanen boven haar hoofd vliegen, opdat zijn breede vleugels haar zouden beschutten.Zij waren al ver van het land verwijderd, toen Elize wakker werd; zij dacht, dat zij nog droomde, zoo zonderling kwam het haar voor, hoog door de lucht over de zee gedragen te worden. Naast haar lag een tak met heerlijke, rijpe bessen en een bosje smakelijke wortelen; deze had de jongste der broeders voor haar verzameld en bij haar neergelegd. Zij glimlachte hem toe, want zij herkende hem; hij was het, die boven haar vloog en haar met zijn vleugels beschaduwde.Zij waren zoo hoog, dat het grootste schip, dat zij onder zich zagen, een witte meeuw scheen te zijn, die op het water dreef. Een groote wolk stond achter hen; dat was een berg. En op dezen zag Elize haar eigene schaduw en die der elf zwanen; zoo reusachtig groot vlogen zij daar. Dat was een tooneel, prachtiger dan zij er vroeger ooit een gezien had. Maar toen de zon hooger steeg en de wolk verder achterbleef, verdween ook het zwevende schaduwbeeld.Den geheelen dag vlogen zij voort, als een snorrende pijl door de lucht; maar het ging toch langzamer dan anders, want nu hadden zij hun zuster te dragen. Er was ruw weer ophanden; de avond viel; angstig zag Elize de zon al meer en meer dalen, en nog was de eenzame klip in zee niet te zien. Het kwam haar voor, alsof de zwanen krachtiger slagen met hun vleugels deden. Ach! zij was er de schuld van, dat zij niet vlug genoeg konden voortkomen. Als de zon ondergegaan was, dan moesten zij menschen worden, in de zee neerstorten en verdrinken. Nu zond zij uit het binnenste haars harten een gebed tot God op; maar nog zag zij geen klip. De zwarte wolk kwam naderbij; de wolken schenen een enkele, groote, dreigende massa te zijn, die er bijna als lood uitzag en al meer en meer voorwaarts dreef; bliksemstralen doorkliefden de lucht.Nu was de zon juist aan den rand der zee. Het hart van Elize beefde; nu daalden de zwanen naar beneden, zoo snel, dat zij meende te vallen. Maar nu vlogen zij weer verder. De zon was half onder het water; nu zag zij eerst de kleine klip onder zich. Deze zag er niet grooter uit, dan of het een zeehond was, die met zijn kop boven het water uitstak. De zon daalde zeer snel; nuscheen zij nog slechts als een ster; daar raakte haar voet den vasten grond aan. De zon doofde uit, evenals de laatste vonk in brandend papier: arm in arm zag zij haar broeders om zich heen staan; maar meer plaats dan juist voor dezen en voor haar was er ook niet. De golven sloegen tegen de klip aan en spatten als een stofregen over haar heen; de lucht stond als in vuur, en de eene donderslag na den anderen ratelde; maar zuster en broeders grepen elkaar bij de hand en zongen psalmen, waaruit zij troost en moed putten.Toen het den volgenden morgen begon te schemeren, was de lucht helder en stil; zoodra de zon opging, vlogen de zwanen met Elize van het eiland weg. De golven gingen nog hoog; het had, terwijl zij zoo hoog in de lucht waren, den schijn, alsof het witte schuim op de zwartachtig groene zee millioenen zwanen waren, die op het water zwommen.Toen de zon hooger steeg, zag Elize voor zich, half in de lucht drijvend, een bergachtig land met schitterende ijsmassa’s op de rotsen; en in het midden daarvan verhief zich een kasteel van wel een mijl lang, met de eene kolossale zuilengang boven de andere; beneden golfden palmbosschen en prachtige bloemen. Zij vroeg, of dit het land was, waar zij naar toe wilden; maar de zwanen schudden met hun kop, want datgene, wat zij zag, was het heerlijke, aldoor afwisselende wolkenkasteel der Fata Morgana; daarin konden zij geen menschen brengen. Elize staarde het aan; daar stortten bergen, bosschen en kasteel ineen, en twintig trotsche kerken, alle aan elkaar gelijk, met hooge torens en spitsboogvensters stonden voor hen. Zij meende een orgel te hooren spelen, maar het was de zee, die zij hoorde. Nu was zij zeer dicht bij de kerken, en eensklaps werden deze tot een geheele vloot, die onder haar voortzeilde; maar toen zij naar beneden keek, waren het slechts nevelen, die over het water heen dreven. Zoo had zij een voortdurende afwisseling voor oogen, totdat zij eindelijk het werkelijke land zag, waar zij naar toe wilden; daar verhieven zich de heerlijkste blauwe bergen met cederbosschen, steden en kasteelen. Lang voordat de zon onderging, zat zij op de rotsen voor een groote grot, die met fijne groene slingerplanten begroeid was; het zag er uit, alsof het geweven tapijten waren.«Nu zullen we eens zien, wat je hier van nacht droomt!» zei de jongste broer en wees haar haar slaapkamer.«Moge de Hemel geven, dat ik droom, hoe ik je kan verlossen!» zeide zij. En deze gedachte hield haar geheel en al bezig; zij bad innig tot God om Zijn hulp; ja, zelfs in den slaap ging zij met bidden voort. Daar kwam het haar voor, alsof zij hoog in de lucht vloog, naar het wolkenkasteel der Fata Morgana; en de toovergodin kwam haar te gemoet, schoon en van licht stralende; en toch geleek zij precies op de oude vrouw, die haar in het bosch bessen gegeven en haar van de zwanen met gouden kronen op den kop verteld had.«Uw broeders kunnen verlost worden,» zeide zij; «maar bezit gemoed en volharding? Wel is het water zachter dan uw fijne handen, maar toch rondt het de steenen af; doch het voelt de smarten niet, die uw vingers zullen voelen; het heeft geen hart en lijdt den angst en de kwelling niet, die gij zult moeten doorstaan. Ziet ge die brandnetel, die ik in mijn hand houd? Van die zelfde soort groeien er verscheidene rondom de grot, waarin ge slaapt; alleen die daar en die, welke op de graven van het kerkhof groeien, zijn bruikbaar: let daar wel op! Die moet ge plukken, ofschoon zij uw hand vol blaren zullen branden. Braak deze brandnetels met uw voeten, dan krijgt ge vlas; daarvan moet ge elf hemden met lange mouwen vlechten en naaien; werp deze over de elf zwanen heen, dan is de betoovering geweken. Maar bedenk wel, dat ge van het oogenblik, waarop ge met dezen arbeid begint, totdat deze voltooid is, al mochten er ook jaren mee verloopen, niet moogt spreken; het eerste woord, dat ge spreekt, dringt als een doodende dolk in de harten van uw broeders door! Aan uw tong hangt hun leven! Neem dat alles wel ter harte!»En zij raakte met haar hand tegelijkertijd de brandnetel aan; deze was als een brandend vuur; Elize werd er wakker van. Het was klaarlichte dag, en dicht bij de plaats, waar zij geslapen had, lag een brandnetel evenals die, welke zij in den droom gezien had. Nu viel zij op haar knieën, dankte God en ging de grot uit, om een begin met haren arbeid te maken.Met haar fijne handen greep zij in de leelijke brandnetels; deze waren als vuur; zij brandden groote blaren op haar handen en armen: maar gaarne wilde zij dit lijden doorstaan, als zij er haar geliefde broeders maar door kon verlossen. Zij braakte iedere brandnetel met haar bloote voeten en vlocht het groene vlas.Toen de zon ondergegaan was, kwamen haar broeders en verschrikten, toen zij merkten, dat zij stom was; zij dachten, dat dit een nieuwe betoovering van hun booze stiefmoeder was. Maar toen zij haar handen zagen, begrepen zij, wat zij om hunnentwil deed. De jongste broeder weende; en waar zijn tranen vielen, daar voelde zij geen pijn meer; daar verdwenen de brandende blaren.Den heelen nacht bracht zij met haar arbeid door; want zij had geen rust, voordat zij haar broeders verlost had. Den volgenden dag, terwijl de zwanen weg waren, zal zij in haar eenzaamheid; maar nog nooit was de tijd haar zoo gauw voorbijgegaan als thans. Één hemd was reeds klaar, nu begon zij aan het tweede.Eensklaps weerklonk er een jachthoorn tusschen de bergen; zij werd door vrees aangegrepen. Het geschal kwam gedurig naderbij; zij hoorde honden blaffen; verschrikt vluchtte zij in de grot, bond de brandnetels, die zij verzameld en gebraakt had, in een bosje samen en zette zich daarop neer.Terstond kwam er een groote hond uit de kloof te voorschijn, en al spoedig daarop weer een, en nog een; zij blaften luide, liepen terug en kwamen andermaal weer. Het duurde slechts weinige minuten, en nu stonden al de jagers voor de grot, en de schoonste vanhen was de koning des lands. Hij ging naar Elize toe; nooit had hij een schooner meisje gezien.«Hoe zijt ge hier zoo gekomen, beste meid?» vroeg hij. Elize schudde met het hoofd: zij mocht immers niet spreken; het gold de verlossing en het leven van haar broers. En zij verborg haar handen onder haar schort, opdat de koning niet zou zien, wat zij moest lijden.«Ga met mij mee!» zeide hij. «Hier kunt ge niet blijven. Als ge even goed zijt als schoon, dan zal ik u in zijde en fluweel kleeden, een gouden kroon op uw hoofd zetten, en dan zult ge in mijn prachtigste kasteel wonen en heerschen!»—Daarop tilde hij haar op zijn paard. Zij weende en wrong zich de handen; maar de koning zei: «Ik wil slechts uw geluk. Eenmaal zult ge mij daarvoor danken.» Met deze woorden reed hij door het gebergte heen en zette haar voor zich op het paard neer, en de jagers reden achter hen.Toen de zon onderging, lag de schoone koningstad met kerken en koepels voor hen. En de koning bracht haar in het kasteel, waar groote fonteinen in de marmeren zalen sprongen, en waar schilderijen aan de muren prijkten. Maar zij had daarvoor geen oogen: zij weende en treurde slechts. Gewillig liet zij zich door de vrouwen koninklijke kleeren aandoen, paarlen in de haren vlechten en fijne handschoenen over haar verbrande vingers aantrekken.Toen zij daar in al haar pracht stond, was zij verblindend schoon, zoodat het hof diep voor haar boog. En de koning verkoos haar tot zijn bruid, ofschoon de aartsbisschop het hoofd schudde en fluisterde, dat het schoone meisje uit het bosch zeker een heks was: zij verblindde de oogen des konings en maakte zijn hart verdwaasd.Maar de koning luisterde daar niet naar, liet de muziek weerklinken, de kostelijkste gerechten opdragen en de bekoorlijkste meisjes om haar heen dansen. En zij werd door geurende tuinen in prachtige zalen gebracht, maar geen enkel glimlachje kwam er op haar lippen of uit haar oogen: als een beeld der treurigheid stond zij daar. Nu deed de koning een kleine kamer daarnaast open, waar zij zou slapen; deze was met kostbare groene tapijten versierd en geleek op de grot, waarin zij geweest was; op den vloer lag een bosje vlas, dat zij uit de brandnetels vervaardigd had, en onder een gordijn hing het hemd, dat geheel gereed was. Dit alles had een der jagers als een curiositeit meegenomen.«Hier kunt ge u in uw vroegere woonplaats terugdroomen!» zei de koning. «Hier is de arbeid, die u daar bezighield; thans, midden in al uw pracht, zal het u een genoegen zijn, aan dien tijd terug te denken.»Toen Elize zag, wat haar zoo na aan het hart lag, speelde er een glimlach om haar lippen en keerde het bloed naar haar wangen terug. Zij dacht aan de verlossing van haar broeders, kuste den koning de hand, en hij drukte haar aan zijn hart en liet door al de kerkklokken het bruiloftsfeest verkondigen. Het schoone, stomme meisje uit het bosch werd de koningin van het land.Nu fluisterde de aartsbisschop booze woorden in de ooren van den koning, maar deze drongen niet tot zijn hart door. De bruiloft zou plaats hebben; de aartsbisschop zelf moest haar de kroon op het hoofd zetten, en hij drukte met kwaadwilligheid den nauwen diadeem vast op haar voorhoofd, zoodat het haar pijn deed. Maar een heviger pijn gevoelde zij in haar hart: de smart over haar broeders. Zij voelde het lichamelijk lijden niet. Haar mond was stom; een enkel woord zou immers aan haar broeders het leven kosten; maar in haar oogen verried zich innige liefde jegens den goeden, schoonen koning, die alles deed om haar genoegen te geven. Van ganscher harte kreeg zij hem van dag tot dagmeer lief. O, mocht zij haar hart slechts voor hem kunnen uitstorten en hem haar lijden klagen! Doch stom moest zij zijn, stom moest zij haar werk volbrengen. Daarom sloop zij des nachts van zijn zijde weg, ging naar de kleine kamer, die evenals de grot ingericht was, en maakte het eene hemd na het andere gereed. Maar toen zij aan het zevende zou beginnen; had zij geen vlas meer.Zij wist, dat de brandnetels, die zij moest hebben, op het kerkhof groeiden; maar deze moest zij zelf plukken. Hoe zou zij daar naar toe kunnen gaan?«O, wat is de pijn in mijn vingers bij de foltering, die mijn hart doorstaat!» dacht zij. «Ik moet het wagen! Het zal mij stellig aan hulp niet ontbreken!» Met een angst, alsof het een booze daad was, die zij in den zin had, sloop zij in den nachtelijken maneschijn naar den tuin en liep door de lanen en door de eenzame straten naar het kerkhof. Daar zag zij op een der grootste grafsteenen een troep heksen zitten. Deze leelijke heksen trokken haar lompen uit, alsof zij zich wilden baden, en daarop dolven zij met haar lange, magere vingers de versche graven op, haalden er met duivelsche begeerigheid de lijken uit en aten van hun vleesch. Elize moest er op een kleinen afstand voorbij, en zij vestigden haar booze blikken op haar; maar zij bad in stilte, verzamelde de brandnetels en bracht ze naar het kasteel toe.Slechts een enkel mensch had haar gezien, en wel de aartsbisschop; hij was wakker, wanneer de anderen sliepen. Nu had hij toch gelijk, dat het met de koningin niet was, zooals het wezen moest; zij was een heks, daarom had zij den koning en het volk verblind.In den biechtstoel zeide hij tegen den koning, wat hij gezien had en wat hij vreesde. En toen de harde woorden van zijn lippen vloeiden, schudden de heiligenbeelden met hun hoofden, alsof zij wilden zeggen: «Het is zoo niet! Elize is onschuldig!» Maar de aartsbisschop gaf er een andere uitlegging aan; hij dacht, dat zij tegen haar getuigden, en dat zij om haar zonde het hoofd schudden. Nu biggelden den koning twee tranen langs de wangen; hij ging naar huis met twijfel in zijn hart en hield zich ’s nachts, alsof hij sliep. Maar er kwam geen geruste slaap in zijn oogen: hij merkte, dat Elize opstond. Iederen nacht herhaalde zij dit, en telkensachtervolgde hij haar stilletjes en zag, hoe zij in haar kamer verdween.Van dag tot dag werd zijn voorkomen somberder; Elize zag dit, maar begreep niet, hoe het kwam; het maakte haar echter ongerust, en wat leed zij niet in haar hart voor haar broeders! Op het koninklijk fluweel en purper vloeiden haar heete tranen; deze lagen daar als fonkelende diamanten en allen, die deze schitterende pracht zagen, wenschten koningin te zijn. Intusschen was zij al spoedig met haar arbeid gereed; slechts één hemd ontbrak er nog aan; maar vlas had zij ook niet meer en geen enkele brandnetel. Nog eenmaal, en wel voor den laatsten keer, moest zij daarom naar het kerkhof, om eenige handenvol te plukken. Zij dacht met angst aan dezen eenzamen tocht en aan de verschrikkelijke heksen; maar haar wil stond vast, alsmede haar vertrouwen op den Heer.Elize ging er heen; maar de koning en de aartsbisschop volgden haar. Zij zagen haar het hek van het kerkhof doorgaan, en toen zij daar dichter bij kwamen, zaten de heksen op den grafsteen, evenals Elize ze gezien had; en de koning wendde zich af, want hij meende ook haar daar te zien, wier hoofd nog dien zelfden avond aan zijn borst gerust had.«Het volk moet haar vonnissen!» zeide hij. En het volk veroordeelde haar tot den dood op den brandstapel.Uit de prachtige koninklijke zalen werd zij naar een donkeren, vochtigen kerker overgebracht, waar de wind door de tralies heenfloot; in plaats van fluweel en zijde gaf men haar het bosje brandnetels, dat zij verzameld had: daar kon zij haar hoofd op neerleggen: de harde, brandende hemden, die zij vervaardigd had, zouden haar dekens zijn.Maar men had haar niets kunnen geven, wat haar aangenamer was; zij vatte haar werk weer op en bad tot God. Buiten zongen de jongens spotliederen op haar; niemand troostte haar met een vriendelijk woord.Daar klapten er tegen den avond dicht voor het getraliede raam zwanevleugels; dat was de jongste der broeders. Hij had zijn zuster gevonden; en zij snikte luid van vreugde, ofschoon zij wist, dat de nacht, die aanstaande was, waarschijnlijk de laatste zou zijn, dien zij te leven had. Maar nu was het werk ook bijna geëindigd, en haar broeders waren hier.De aartsbisschop kwam nu, om in haar laatste uren bij haar te zijn: dat had hij den koning beloofd. Maar zij schudde het hoofd en smeekte met blikken en gebaren, dat hij heen zou gaan. Dezen nacht moest zij haar arbeid immers voltooien, anders was alles vruchteloos, alles: smart, tranen en slapelooze nachten. De aartsbisschop verwijderde zich, terwijl hij haar toornige woorden toevoegde; maar de arme Elize wist, dat zij onschuldig was en ging met haar werk voort.De kleine muizen liepen over den vloer; zij sleepten brandnetels naar haar toe, om toch ook wat te helpen; en de lijster zette zich voor het raam neer en zong den heelen nacht zoo vroolijk, als zij maar kon, opdat Elize den moed niet zou verliezen.Het was nog schemerachtig; eerst na verloop van een uur ging de zon op. En daar stonden de elf broeders voor de poort van het kasteel en verlangden tot den koning toegelaten te worden. Dat kon niet gebeuren, werd hun ten antwoordgegeven; het was immers nog nacht: de koning sliep en mocht niet wakker gemaakt worden. Zij smeekten en dreigden, de wacht kwam, ja, zelfs de koning ging naar buiten en vroeg, wat dat moest beteekenen? Daar ging de zon op, en nu waren er geen broeders te zien; maar boven het kasteel vlogen er elf wilde zwanen.Het geheele volk stroomde de stadspoort uit: het wilde de heks zien verbranden. Een oud paard trok de kar, waarop zij zat, voort; men had haar een kiel van grof zaklinnen aangetrokken; haar prachtig haar hing verward om haar hoofd; haar wangen waren doodsbleek, haar lippen bewogen zich zachtjes, terwijl haar vingers het groene vlas vlochten. Zelfs op haar doodsweg hield zij niet met het begonnen werk op; de tien hemden lagen aan haar voeten, aan het elfde werkte zij nog. Het gepeupel bespotte haar.«Kijk die leelijke heks eens! Geen gezangboek heeft zij in de hand; neen, met haar afschuwelijke tooverij zit zij daar! Scheurt haar in duizend stukken!»En zij snelden allen op haar los en wilden de hemden verscheuren, toen er elf wilde zwanen kwamen aanvliegen, die zich rondom haar op de kar neerzetten en met hun groote vleugels klapten. Nu week de menigte verschrikt op zijde.«Dat is een teeken van den hemel! Zij is zeker onschuldig!» fluisterden velen. Maar zij waagden het niet, dit overluid te zeggen.Nu greep de beul haar bij de hand, waarop zij de elf hemden haastig over de zwanen heenwierp. En onmiddellijk stonden daar elf schoone prinsen. Maar de jongste had een zwanevleugel in plaats van zijn eenen arm, want er ontbrak een mouw aan zijn hemd: deze had zij niet klaargekregen.«Nu mag ik spreken!» zeide zij. «Ik ben onschuldig!»En het volk, dat zag, wat er gebeurd was, boog zich voor haar als voor een heilige; maar zij zonk levenloos in de armen van haar broeders: zoozeer hadden overspanning, angst en smart haar aangegrepen.«Ja, onschuldig is zij,» zei de oudste broeder, en nu vertelde hij alles, wat er gebeurd was. En terwijl hij sprak, verspreidde zich een geur, als van millioenen rozen, want ieder stuk brandhout van den brandstapel had wortelen geschoten en kreeg takken; er stond daar een geurende heg, hoog en groot, met roode rozen; bovenaan prijkte een bloem, wit en schitterend; deze fonkelde als een ster. De koning plukte haar af en stak haar op de borst van Elize: nu ontwaakte zij met vrede en gelukzaligheid in het hart.En alle kerkklokken luidden van zelf, en de vogels kwamen bij groote scharen aan. Het werd eenbruidsstoetnaar het kasteel terug zooals geen koning nog ooit gezien had!

Het oude huis.In zekere straat stond een oud, overoud huis. Het was bijna driehonderd jaren oud; zoo stond er op den gevel te lezen, waarop het jaartal met tulpen en hopranken aangebracht was. Daar las men geheele verzen in den schrijftrant van den ouden tijd, en boven ieder raam was in het kozijn een gezicht uitgesneden, dat allerlei grimassen maakte. De eene verdieping stak een heel eind buiten de andere uit, en vlak onder het dak was een looden goot met een drakenkop. Het regenwater moest uit den bek komen, maar het liep uit den buik, want er was een lek in de pijp.Al de andere huizen in de straat waren nog nieuw en mooi, met groote ruiten en gladde muren. Men kon het wel aan hen merken, dat zij niets met het oude huis te doen wilden hebben. Zij dachten misschien wel: «Hoe lang zal dat kavalje nog tot algemeene ergernis in de straat staan? De kroonlijst steekt zoo ver vooruit, dat niemand uit onze ramen kan zien, wat er aan den overkant voorvalt. De trap is zoo breed als die van een kasteel en zoo hoog, alsof zij naar een kerktoren voerde. Het ijzeren hek ziet er uit, als de ingang tot een familiegraf, en koperen knoppen staan er op,—het is waarlijk al te gek!»Aan den overkant stonden ook nieuwe en nette huizen, en deze dachten er evenals de andere over; maar voor het raam van een daarvan zat een kleine jongen met frissche roode wangen en heldere blauwe kijkers, en dien beviel het oude huis bijzonder goed, zoowel bij zonne- als bij maneschijn. En als hij naar den muur aan den overkant keek, waar de kalk afgevallen was, dan zag hij er de zonderlingste beelden op, juist zooals de straat er vroeger uitgezien had, met bordessen, kroonlijsten en spitse gevels; hij kon soldaten zien met hellebaarden, en dakgoten, die als draken en griffioenen om het huis heenliepen.—Dat was nu juist zoo’n huis om naar te kijken, en daarin woonde een oud man, die een korte leeren broek droeg en een rok met groote koperen knoopen en een pruik, waarvanmen wel kon zien, dat het een echte pruik was. Alle ochtenden kwam er een oud man bij hem, die den boel opknapte en boodschappen voor hem deed. Overigens woonde de grijsaard met zijn korte broek geheel alleen in het oude huis. Somtijds vertoonde hij zich voor de ramen en keek naar buiten, en dan knikte de kleine jongen hem toe, en dan knikte de grijsaard terug, en zoo raakten zij met elkaar bekend, en zoo werden zij vrienden, ofschoon zij elkaar nooit gesproken hadden. Maar dat was immers ook volstrekt niet noodig.De kleine jongen hoorde zijn ouders zeggen: «De oude man daar aan den overkant heeft het heel goed, maar hij is alleen.»Den volgenden Zondag wikkelde de kleine jongen iets in een stuk papier, ging daarmee voor de huisdeur staan en zei tegen den persoon, die de boodschappen voor den grijsaard deed: «Hoor eens! Wilt ge dit voor mij aan den ouden man aan den overkant geven? Ik heb twee tinnen soldaten; dit is er een van; hij moet dien hebben; want ik weet, dat hij heelemaal alleen is.»En de oude oppasser zag er vergenoegd uit, knikte en bracht den tinnen soldaat naar het oude huis. Later werd er een boodschap naar den overkant gezonden, of de jongeheer ook lust had, zelf eens een bezoek te komen brengen. En daartoe gaven zijn ouders hem vergunning; en zoo kwam hij in het oude huis.En de koperen knoppen op de leuning van het bordes blonken veel helderder dan anders: men zou haast gezegd hebben, dat zij om het verwachte bezoek geschuurd waren. En het was precies, alsof de uitgesnedene trompetters,—want op de deur waren trompetters uitgesneden, die in tulpen stonden,—uit al hun macht bliezen; hun wangen zagen er veel boller uit dan vroeger. Ja, zij bliezen: Ratata, ratata! De kleine jongen komt! Ratata, ratata!»—En toen ging de deur open. Het geheele voorhuis was met oude portretten behangen, met ridders in harnassen en vrouwen in zijden kleeren; en de harnassen rammelden en de zijden kleeren ruischten!—En toen kwam er een trap; deze liep eerst naar boven en dan weer een klein eindje naar beneden, en dan kwam men op een balkon, dat echter zeer bouwvallig was, met groote gaten en breede reten; hieruit kwam gras te voorschijn; want het geheele balkon, de binnenplaats en de muur waren met zoo veel groen begroeid, dat het er uitzag als een tuin; maar het was slechts een balkon. Hier stonden oude bloempotten, die gezichten en ezelsooren hadden; maar de bloemen groeiden, zooals het haar goeddacht. In den eenen pot hingen er aan alle kanten anjelieren over, namelijk de bladeren daarvan; en deze zeiden duidelijk verstaanbaar: «De lucht heeft ons gestreeld, de zon heeft ons gekust en ons tegen den Zondag een kleine bloem beloofd, een kleine bloem tegen den Zondag!»En toen kwamen zij in een kamer, waar de muren met varkensleer behangen waren, en op het varkensleer waren gouden bloemen gedrukt.«’t Verguldsel moge ras vergaan,Het varkensleer blijft steeds bestaan!»zeiden de muren.En daar stonden stoelen met hooge ruggen, met snijwerk en met armen aan de beide kanten. «Ga zitten!» zeiden zij. «Och, wat kraakt het in mij! Nu zal ik zeker ook jicht krijgen, evenals de oude kast. Jicht in den rug! Foei!»En toen kwam de kleine jongen in de kamer, waar de oude man zat.«Dank voor den tinnen soldaat, mijn kleine vriend!» zei de oude man. «En dank daarvoor, dat je eens naar mij toe gekomen bent!»«Dank, dank!» of «Knap, knap!» zeiden alle meubelen. Er waren er zoo vele, dat zij elkaar bijna in den weg stonden, om den kleinen jongen te zien.En midden aan den muur hing een schilderij, een mooie dame, die er jeugdig en vroolijk uitzag, maar zoo gekleed was als in den ouden tijd, met poeder in het haar en met kleeren, die stijf uitstonden. Deze zeide noch «dank!» noch «knap!» maar keek met haar vriendelijke oogen op den kleinen jongen neer, die dadelijk aan den ouden man vroeg: «Waar hebt ge die vandaan?»«Van den uitdrager,» zei de oude man. «Daar hangen altijd vele schilderijen, maar niemand kende ze of bekommerde er zich over, want ze zijn allemaal begraven. Maar vele jaren geleden heb ik haar gekend, en nu is zij al sedert een halve eeuw dood en weg!»En onder het schilderij hing achter glas een ruiker verwelkte bloemen; deze waren zeker ook een halve eeuw oud, zoo zagen zij er ten minste uit. En de slinger der groote klok ging heen en weer, en de wijzers draaiden in de rondte, en alles in de kamer werd nog ouder; maar niemand merkte het.«Ze zeggen thuis,» begon de kleine jongen, «dat ge altijd alleen zijt.»«O,» zeide hij, «de oude gedachten met alles, wat zij met zich mee kunnen voeren, komen en bezoeken mij, en nu kom jij immers ook eens!—Het gaat heel goed met mij!»En daarop nam hij van een plank tegen den muur een prentenboek; daarin stonden lange optochten, de wonderlijkste rijtuigen, zooals men ze heden ten dage niet meer ziet; soldaten als klaverenboer, en burgers met wapperende vaandels. De kleermakers hadden een vaandel met een schaar, die door twee leeuwen vastgehouden werd, en de schoenmakers een vaandel zonder laars, maar met een arend, die twee koppen had; want bij de schoenmakers moet alles zoo zijn, opdat zij kunnen zeggen: «Dat is een paar!»—Dat was eerst een mooi prentenboek!De oude man ging naar de andere kamer, om wat ingelegde vruchten, appelen en noten te halen. Het was werkelijk heerlijk in het oude huis.«Ik kan het hier niet uithouden!» zei de tinnen soldaat, die op de kist stond. «Het is hier veel te eenzaam en te somber. Och, als men het huiselijk leven eenmaal heeft leeren kennen, dan kan men aan het leven hier niet gewennen. Ik kan het niet uithouden! Dedag duurt mij te lang, maar de avond nog langer; hier is het volstrekt niet zooals bij u aan den overkant, waar uw vader en moeder altijd vergenoegd met elkaar praten, en waar gij en de andere kinderen een oorverdoovend geraas maken. Och! wat is het bij den ouden man eenzaam! Denkt ge, dat hij zoenen krijgt? Denkt ge, dat hij vriendelijke blikken of een Kerstboom krijgt? Hij krijgt niets dan een graf.—Ik kan het hier niet uithouden.»«Je moet het niet zoo van de sombere zijde beschouwen!» zei de kleine jongen. «Mij komt dat alles bijzonder prettig voor, en al de oude gedachten met datgene, wat zij met zich mee kunnen voeren, komen hier immers een bezoek brengen.»«Ja, maar die zie ik niet en die ken ik niet!» zei de tinnen soldaat. «Ik kan het hier niet uithouden.»«Dat moet je toch!» zei de kleine jongen.De oude man kwam met het vergenoegdste gezicht en met de heerlijkste ingelegde vruchten en appelen en noten; nu dacht de knaap niet meer aan den tinnen soldaat.Gelukkig en vergenoegd kwam de kleine jongen thuis; en er verliepen dagen en weken; er werd naar het oude huis toe en van het oude huis teruggeknikt; nu ging de kleine jongen weer naar den overkant.De uitgesneden trompetters bliezen: «Ratata, ratata! Daar is de kleine jongen! Ratata, ratata!» De zwaarden en de wapenrustingen op de oude ridderportretten rammelden en de zijden kleeren ruischten; het varkensleer vertelde, en de oude stoelen hadden jicht in den rug. Dat was alles, evenals de eerste maal, want aan den overkant was de eene dag en het eene uur precies als de andere.«Ik kan het hier niet langer uithouden!» zei de tinnen soldaat. «Ik heb tin gehuild. Het is hier te somber! Laat mij liever ten strijde trekken en armen en beenen verliezen! Dit is ten minste eens wat anders. Ik kan het hier niet uithouden!—Nu weet ik wat het wil zeggen, bezoek te krijgen van zijn oude gedachten en van alles, wat zij met zich mee kunnen voeren. Ik heb een bezoek van de mijne gehad, en ge kunt er zeker van zijn, dat dit op den langen duur niet plezierig is. Het heeft niet veel gescheeld, of ik was van de kist naar beneden gesprongen. Ik zag u allen in het huis aan den overkant zoo duidelijk, alsof ge werkelijk hier waart. Het was weer Zondagmorgen, wanneer gij, kinderen, allen voor de tafel stondt en den psalm zongt, zooals ge iederen morgen doet. Ge stondt met gevouwen handen, en uw vader en moeder waren even ernstig gestemd; daar ging de deur open, en uw kleine zusje Marie, die nog geen twee jaar oud is en altijd danst, als zij muziek of gezang hoort, van welken aard dit ook wezen moge, werd in de kamer neergezet.—Zij mocht wel is waar niet, maar zij begon toch te dansen; zij kon echter niet goed op haar dreef komen, want de tonen waren te lang uitgerekt, en daarom stond ze eerst op haar ene been en hield haar hoofd voorover; maar het ging niet. Ge bleeft allen heel ernstig, ofschoon ge werk hadt om u goed tehouden; maar ik moest bij mij zelf lachen, en daarom viel ik van de tafel naar beneden en kreeg een bult, waarmee ik nog loop; want het was niet goed van mij, dat ik lachte. Maar dit alles, en alles wat ik verder beleefd heb, komt mij nu weer voor den geest, en dat zijn zeker de oude gedachten met alles, wat zij met zich meevoeren. Zeg mij eens, of ge des Zondags nog zingt? Vertel mij iets van Marie! En hoe gaat het met mijn kameraad, den anderen tinnen soldaat? Ja, die is zeker heel gelukkig!—Ik kan het hier niet meer uithouden!»«Je bent present gegeven,» zei de knaap, «en je moet hier dus blijven. Zie je dat zelf niet in?»En de oude man kwam met een kistje, waarin allerlei te zien was: blanketdoosjes en pommadefleschjes, oude kaarten, zoo groot en verguld, als men ze nu niet meer te zien krijgt. Er werden meer kastjes opengedaan, ook het klavier; daarin waren van binnen op het deksel landschappen geschilderd; maar het was schor, toen deoude man er op speelde; toen knikte hij tegen het portret, dat hij bij den uitdrager gekocht had, en de oogen vandenouden man fonkelden daarbij helder.«Ik wil ten strijde trekken! Ik wil ten strijde trekken!» riep de tinnen soldaat zoo hard, als hij maar kon, en sprong op den vloer neer.Waar was hij gebleven? De oude man zocht, de kleine jongen zocht: weg was hij en weg bleef hij. «Ik zal hem wel vinden,» zei de oude man; maar hij vond hem niet; de vloer was te open en vol gaten. De tinnen soldaat was door een reet gevallen; daar lag hij nu, als in een open graf.De dag verliep, en de kleine jongen kwam thuis; en er verliepen verscheidene weken. De ruiten waren heelemaal bevroren, en de kleine jongen moest er op ademen, om een gat te maken, ten einde naar het oude huis te kunnen kijken. Er was sneeuw in alle hoeken gewaaid, en deze bedekte de heele trap, alsof er niemand in huis was. En er was ook niemand in huis: de oude man was gestorven!’s Avonds hield er een lijkkoets voor de deur stil, en daar zette men zijn doodkist in: hij zou buiten op het land in zijn familiegraf rusten. Daar werd hij nu naar toe gereden; maar niemand volgde zijn lijk; al zijn vrienden waren dood. De kleine jongen wierp de doodkist, toen deze voorbijreed, kushandjes toe.Eenige dagen daarna werd er verkooping in het oude huis gehouden, en de kleine jongen keek uit zijn raam, hoe men de oude ridders en de oude dames, de bloempotten met de lange ooren, de stoelen en de oude kasten wegdroeg. Het eene ging hierheen, het andere daarheen;haarportret, dat van den uitdrager gekocht was, kwam weer bij den uitdrager te land, en daar bleef het hangen; want niemand bekommerde zich om het oude schilderij.In het voorjaar brak men het huis af; het was een kavalje, zeiden de menschen. Men kon van de straat vlak in de kamer op het varkensleeren behangsel zien, dat aan stukken gesneden en van den muur afgehaald werd, en het groen van het balkon hing verwilderd om de balken, die met instorting bedreigd werden.—En nu werd er opruiming gehouden.«Dat helpt!» zeiden de naburige huizen.Er werd een prachtig huis gebouwd met groote ramen en witte, gladde muren; maar voor de plaats, waar het oude huis gestaan had, werd een klein tuintje aangelegd, en tegen den muur van den buurman klommen wilde wijngaardranken op, voor het tuintje kwam een groot ijzeren hek met een ijzeren deur; dat zag er deftig uit. De menschen bleven er voor staan en keken er doorheen. En de musschen zetten zich bij dozijnen op de wijngaardranken neer en praatten door elkaar, zoo hard als zij maar konden, doch niet over het oude huis, want dat konden zij zich niet meer herinneren; er waren al vele jaren verloopen,—zoo veel, dat de kleine jongen tot een man, ja, tot een degelijk man opgegroeid was, waarvan zijn ouders plezier hadden. Hij was pas getrouwd en had met zijn vrouwhet huis betrokken, waarvoor het tuintje zich bevond; en hier stond hij nu naast haar, terwijl zij een veldbloem, die zij heel mooi vond, in een pot zette; zij plantte haar met haar kleine hand en drukte de aarde met haar vingers vast aan.—«Ai! Wat was dat?»—Zij prikte zich. Boven de weeke aarde stak een zeker puntig voorwerp uit. Dat was—begrijp eens!—dat was de tinnen soldaat, dezelfde, die bij den ouden man verloren geraakt was, die een geruimen tijd tusschen timmerhout en puin rondgedwaald en nu reeds vele jaren in de aarde gelegen had.De jonge vrouw veegde den soldaat eerst met een groen blad en toen met haar fijnen zakdoek af; deze gaf een heerlijken geur van zich! En het was den tinnen soldaat juist zoo te moede, alsof hij uit een bezwijming ontwaakte.«Laat mij hem eens zien!» zei de jonge man, glimlachte en schudde daarop het hoofd. «Die kan het toch wel niet zijn; maar hij doet mij denken aan een geschiedenis met een tinnen soldaat, dien ik gehad heb, toen ik nog een kleine jongen was.» En daarop vertelde hij aan zijn vrouw van het oude huis en den ouden man, en van den tinnen soldaat, die hij hem toegezonden had, omdat hij zoo alleen was, zoodat de tranen de jonge vrouw in de oogen kwamen over het oude huis en den ouden man.«Het is toch wel mogelijk, dat dit dezelfde tinnen soldaat is!» zeide zij. «Ik zal hem bewaren en denken aan hetgeen je mij verteld hebt; maar het graf van den ouden man moet je mij eens wijzen.»«Ik weet niet, waar het is,» antwoordde hij, «en dat weet niemand. Al zijn vrienden waren dood; niemand plantte er bloemen op, en ik was destijds immers nog maar een kleine jongen!»«Ach! Wat zal hij het hier eenzaam gehad hebben!» zeide zij.«Ja, eenzaam!» zei de tinnen soldaat; «maar heerlijk is het, niet vergeten te worden!»«Heerlijk!» riep een stem dicht in de nabijheid; maar niemand anders dan de tinnen soldaat zag, dat dit van een stuk van het varkensleeren behangsel kwam, dat nu zonder eenig verguldsel was. Het zag er uit als natte aarde; maar een overtuiging had het toch, en deze sprak het uit:«’t Verguldsel moge ras vergaan,Het varkensleer blijft steeds bestaan!»Maar de tinnen soldaat geloofde dat niet.

In zekere straat stond een oud, overoud huis. Het was bijna driehonderd jaren oud; zoo stond er op den gevel te lezen, waarop het jaartal met tulpen en hopranken aangebracht was. Daar las men geheele verzen in den schrijftrant van den ouden tijd, en boven ieder raam was in het kozijn een gezicht uitgesneden, dat allerlei grimassen maakte. De eene verdieping stak een heel eind buiten de andere uit, en vlak onder het dak was een looden goot met een drakenkop. Het regenwater moest uit den bek komen, maar het liep uit den buik, want er was een lek in de pijp.

Al de andere huizen in de straat waren nog nieuw en mooi, met groote ruiten en gladde muren. Men kon het wel aan hen merken, dat zij niets met het oude huis te doen wilden hebben. Zij dachten misschien wel: «Hoe lang zal dat kavalje nog tot algemeene ergernis in de straat staan? De kroonlijst steekt zoo ver vooruit, dat niemand uit onze ramen kan zien, wat er aan den overkant voorvalt. De trap is zoo breed als die van een kasteel en zoo hoog, alsof zij naar een kerktoren voerde. Het ijzeren hek ziet er uit, als de ingang tot een familiegraf, en koperen knoppen staan er op,—het is waarlijk al te gek!»

Aan den overkant stonden ook nieuwe en nette huizen, en deze dachten er evenals de andere over; maar voor het raam van een daarvan zat een kleine jongen met frissche roode wangen en heldere blauwe kijkers, en dien beviel het oude huis bijzonder goed, zoowel bij zonne- als bij maneschijn. En als hij naar den muur aan den overkant keek, waar de kalk afgevallen was, dan zag hij er de zonderlingste beelden op, juist zooals de straat er vroeger uitgezien had, met bordessen, kroonlijsten en spitse gevels; hij kon soldaten zien met hellebaarden, en dakgoten, die als draken en griffioenen om het huis heenliepen.—Dat was nu juist zoo’n huis om naar te kijken, en daarin woonde een oud man, die een korte leeren broek droeg en een rok met groote koperen knoopen en een pruik, waarvanmen wel kon zien, dat het een echte pruik was. Alle ochtenden kwam er een oud man bij hem, die den boel opknapte en boodschappen voor hem deed. Overigens woonde de grijsaard met zijn korte broek geheel alleen in het oude huis. Somtijds vertoonde hij zich voor de ramen en keek naar buiten, en dan knikte de kleine jongen hem toe, en dan knikte de grijsaard terug, en zoo raakten zij met elkaar bekend, en zoo werden zij vrienden, ofschoon zij elkaar nooit gesproken hadden. Maar dat was immers ook volstrekt niet noodig.

De kleine jongen hoorde zijn ouders zeggen: «De oude man daar aan den overkant heeft het heel goed, maar hij is alleen.»

Den volgenden Zondag wikkelde de kleine jongen iets in een stuk papier, ging daarmee voor de huisdeur staan en zei tegen den persoon, die de boodschappen voor den grijsaard deed: «Hoor eens! Wilt ge dit voor mij aan den ouden man aan den overkant geven? Ik heb twee tinnen soldaten; dit is er een van; hij moet dien hebben; want ik weet, dat hij heelemaal alleen is.»

En de oude oppasser zag er vergenoegd uit, knikte en bracht den tinnen soldaat naar het oude huis. Later werd er een boodschap naar den overkant gezonden, of de jongeheer ook lust had, zelf eens een bezoek te komen brengen. En daartoe gaven zijn ouders hem vergunning; en zoo kwam hij in het oude huis.

En de koperen knoppen op de leuning van het bordes blonken veel helderder dan anders: men zou haast gezegd hebben, dat zij om het verwachte bezoek geschuurd waren. En het was precies, alsof de uitgesnedene trompetters,—want op de deur waren trompetters uitgesneden, die in tulpen stonden,—uit al hun macht bliezen; hun wangen zagen er veel boller uit dan vroeger. Ja, zij bliezen: Ratata, ratata! De kleine jongen komt! Ratata, ratata!»—En toen ging de deur open. Het geheele voorhuis was met oude portretten behangen, met ridders in harnassen en vrouwen in zijden kleeren; en de harnassen rammelden en de zijden kleeren ruischten!—En toen kwam er een trap; deze liep eerst naar boven en dan weer een klein eindje naar beneden, en dan kwam men op een balkon, dat echter zeer bouwvallig was, met groote gaten en breede reten; hieruit kwam gras te voorschijn; want het geheele balkon, de binnenplaats en de muur waren met zoo veel groen begroeid, dat het er uitzag als een tuin; maar het was slechts een balkon. Hier stonden oude bloempotten, die gezichten en ezelsooren hadden; maar de bloemen groeiden, zooals het haar goeddacht. In den eenen pot hingen er aan alle kanten anjelieren over, namelijk de bladeren daarvan; en deze zeiden duidelijk verstaanbaar: «De lucht heeft ons gestreeld, de zon heeft ons gekust en ons tegen den Zondag een kleine bloem beloofd, een kleine bloem tegen den Zondag!»

En toen kwamen zij in een kamer, waar de muren met varkensleer behangen waren, en op het varkensleer waren gouden bloemen gedrukt.

«’t Verguldsel moge ras vergaan,Het varkensleer blijft steeds bestaan!»

«’t Verguldsel moge ras vergaan,

Het varkensleer blijft steeds bestaan!»

zeiden de muren.

En daar stonden stoelen met hooge ruggen, met snijwerk en met armen aan de beide kanten. «Ga zitten!» zeiden zij. «Och, wat kraakt het in mij! Nu zal ik zeker ook jicht krijgen, evenals de oude kast. Jicht in den rug! Foei!»

En toen kwam de kleine jongen in de kamer, waar de oude man zat.

«Dank voor den tinnen soldaat, mijn kleine vriend!» zei de oude man. «En dank daarvoor, dat je eens naar mij toe gekomen bent!»

«Dank, dank!» of «Knap, knap!» zeiden alle meubelen. Er waren er zoo vele, dat zij elkaar bijna in den weg stonden, om den kleinen jongen te zien.

En midden aan den muur hing een schilderij, een mooie dame, die er jeugdig en vroolijk uitzag, maar zoo gekleed was als in den ouden tijd, met poeder in het haar en met kleeren, die stijf uitstonden. Deze zeide noch «dank!» noch «knap!» maar keek met haar vriendelijke oogen op den kleinen jongen neer, die dadelijk aan den ouden man vroeg: «Waar hebt ge die vandaan?»

«Van den uitdrager,» zei de oude man. «Daar hangen altijd vele schilderijen, maar niemand kende ze of bekommerde er zich over, want ze zijn allemaal begraven. Maar vele jaren geleden heb ik haar gekend, en nu is zij al sedert een halve eeuw dood en weg!»

En onder het schilderij hing achter glas een ruiker verwelkte bloemen; deze waren zeker ook een halve eeuw oud, zoo zagen zij er ten minste uit. En de slinger der groote klok ging heen en weer, en de wijzers draaiden in de rondte, en alles in de kamer werd nog ouder; maar niemand merkte het.

«Ze zeggen thuis,» begon de kleine jongen, «dat ge altijd alleen zijt.»

«O,» zeide hij, «de oude gedachten met alles, wat zij met zich mee kunnen voeren, komen en bezoeken mij, en nu kom jij immers ook eens!—Het gaat heel goed met mij!»

En daarop nam hij van een plank tegen den muur een prentenboek; daarin stonden lange optochten, de wonderlijkste rijtuigen, zooals men ze heden ten dage niet meer ziet; soldaten als klaverenboer, en burgers met wapperende vaandels. De kleermakers hadden een vaandel met een schaar, die door twee leeuwen vastgehouden werd, en de schoenmakers een vaandel zonder laars, maar met een arend, die twee koppen had; want bij de schoenmakers moet alles zoo zijn, opdat zij kunnen zeggen: «Dat is een paar!»—Dat was eerst een mooi prentenboek!

De oude man ging naar de andere kamer, om wat ingelegde vruchten, appelen en noten te halen. Het was werkelijk heerlijk in het oude huis.

«Ik kan het hier niet uithouden!» zei de tinnen soldaat, die op de kist stond. «Het is hier veel te eenzaam en te somber. Och, als men het huiselijk leven eenmaal heeft leeren kennen, dan kan men aan het leven hier niet gewennen. Ik kan het niet uithouden! Dedag duurt mij te lang, maar de avond nog langer; hier is het volstrekt niet zooals bij u aan den overkant, waar uw vader en moeder altijd vergenoegd met elkaar praten, en waar gij en de andere kinderen een oorverdoovend geraas maken. Och! wat is het bij den ouden man eenzaam! Denkt ge, dat hij zoenen krijgt? Denkt ge, dat hij vriendelijke blikken of een Kerstboom krijgt? Hij krijgt niets dan een graf.—Ik kan het hier niet uithouden.»

«Je moet het niet zoo van de sombere zijde beschouwen!» zei de kleine jongen. «Mij komt dat alles bijzonder prettig voor, en al de oude gedachten met datgene, wat zij met zich mee kunnen voeren, komen hier immers een bezoek brengen.»

«Ja, maar die zie ik niet en die ken ik niet!» zei de tinnen soldaat. «Ik kan het hier niet uithouden.»

«Dat moet je toch!» zei de kleine jongen.

De oude man kwam met het vergenoegdste gezicht en met de heerlijkste ingelegde vruchten en appelen en noten; nu dacht de knaap niet meer aan den tinnen soldaat.

Gelukkig en vergenoegd kwam de kleine jongen thuis; en er verliepen dagen en weken; er werd naar het oude huis toe en van het oude huis teruggeknikt; nu ging de kleine jongen weer naar den overkant.

De uitgesneden trompetters bliezen: «Ratata, ratata! Daar is de kleine jongen! Ratata, ratata!» De zwaarden en de wapenrustingen op de oude ridderportretten rammelden en de zijden kleeren ruischten; het varkensleer vertelde, en de oude stoelen hadden jicht in den rug. Dat was alles, evenals de eerste maal, want aan den overkant was de eene dag en het eene uur precies als de andere.

«Ik kan het hier niet langer uithouden!» zei de tinnen soldaat. «Ik heb tin gehuild. Het is hier te somber! Laat mij liever ten strijde trekken en armen en beenen verliezen! Dit is ten minste eens wat anders. Ik kan het hier niet uithouden!—Nu weet ik wat het wil zeggen, bezoek te krijgen van zijn oude gedachten en van alles, wat zij met zich mee kunnen voeren. Ik heb een bezoek van de mijne gehad, en ge kunt er zeker van zijn, dat dit op den langen duur niet plezierig is. Het heeft niet veel gescheeld, of ik was van de kist naar beneden gesprongen. Ik zag u allen in het huis aan den overkant zoo duidelijk, alsof ge werkelijk hier waart. Het was weer Zondagmorgen, wanneer gij, kinderen, allen voor de tafel stondt en den psalm zongt, zooals ge iederen morgen doet. Ge stondt met gevouwen handen, en uw vader en moeder waren even ernstig gestemd; daar ging de deur open, en uw kleine zusje Marie, die nog geen twee jaar oud is en altijd danst, als zij muziek of gezang hoort, van welken aard dit ook wezen moge, werd in de kamer neergezet.—Zij mocht wel is waar niet, maar zij begon toch te dansen; zij kon echter niet goed op haar dreef komen, want de tonen waren te lang uitgerekt, en daarom stond ze eerst op haar ene been en hield haar hoofd voorover; maar het ging niet. Ge bleeft allen heel ernstig, ofschoon ge werk hadt om u goed tehouden; maar ik moest bij mij zelf lachen, en daarom viel ik van de tafel naar beneden en kreeg een bult, waarmee ik nog loop; want het was niet goed van mij, dat ik lachte. Maar dit alles, en alles wat ik verder beleefd heb, komt mij nu weer voor den geest, en dat zijn zeker de oude gedachten met alles, wat zij met zich meevoeren. Zeg mij eens, of ge des Zondags nog zingt? Vertel mij iets van Marie! En hoe gaat het met mijn kameraad, den anderen tinnen soldaat? Ja, die is zeker heel gelukkig!—Ik kan het hier niet meer uithouden!»

«Je bent present gegeven,» zei de knaap, «en je moet hier dus blijven. Zie je dat zelf niet in?»

En de oude man kwam met een kistje, waarin allerlei te zien was: blanketdoosjes en pommadefleschjes, oude kaarten, zoo groot en verguld, als men ze nu niet meer te zien krijgt. Er werden meer kastjes opengedaan, ook het klavier; daarin waren van binnen op het deksel landschappen geschilderd; maar het was schor, toen deoude man er op speelde; toen knikte hij tegen het portret, dat hij bij den uitdrager gekocht had, en de oogen vandenouden man fonkelden daarbij helder.

«Ik wil ten strijde trekken! Ik wil ten strijde trekken!» riep de tinnen soldaat zoo hard, als hij maar kon, en sprong op den vloer neer.

Waar was hij gebleven? De oude man zocht, de kleine jongen zocht: weg was hij en weg bleef hij. «Ik zal hem wel vinden,» zei de oude man; maar hij vond hem niet; de vloer was te open en vol gaten. De tinnen soldaat was door een reet gevallen; daar lag hij nu, als in een open graf.

De dag verliep, en de kleine jongen kwam thuis; en er verliepen verscheidene weken. De ruiten waren heelemaal bevroren, en de kleine jongen moest er op ademen, om een gat te maken, ten einde naar het oude huis te kunnen kijken. Er was sneeuw in alle hoeken gewaaid, en deze bedekte de heele trap, alsof er niemand in huis was. En er was ook niemand in huis: de oude man was gestorven!

’s Avonds hield er een lijkkoets voor de deur stil, en daar zette men zijn doodkist in: hij zou buiten op het land in zijn familiegraf rusten. Daar werd hij nu naar toe gereden; maar niemand volgde zijn lijk; al zijn vrienden waren dood. De kleine jongen wierp de doodkist, toen deze voorbijreed, kushandjes toe.

Eenige dagen daarna werd er verkooping in het oude huis gehouden, en de kleine jongen keek uit zijn raam, hoe men de oude ridders en de oude dames, de bloempotten met de lange ooren, de stoelen en de oude kasten wegdroeg. Het eene ging hierheen, het andere daarheen;haarportret, dat van den uitdrager gekocht was, kwam weer bij den uitdrager te land, en daar bleef het hangen; want niemand bekommerde zich om het oude schilderij.

In het voorjaar brak men het huis af; het was een kavalje, zeiden de menschen. Men kon van de straat vlak in de kamer op het varkensleeren behangsel zien, dat aan stukken gesneden en van den muur afgehaald werd, en het groen van het balkon hing verwilderd om de balken, die met instorting bedreigd werden.—En nu werd er opruiming gehouden.

«Dat helpt!» zeiden de naburige huizen.

Er werd een prachtig huis gebouwd met groote ramen en witte, gladde muren; maar voor de plaats, waar het oude huis gestaan had, werd een klein tuintje aangelegd, en tegen den muur van den buurman klommen wilde wijngaardranken op, voor het tuintje kwam een groot ijzeren hek met een ijzeren deur; dat zag er deftig uit. De menschen bleven er voor staan en keken er doorheen. En de musschen zetten zich bij dozijnen op de wijngaardranken neer en praatten door elkaar, zoo hard als zij maar konden, doch niet over het oude huis, want dat konden zij zich niet meer herinneren; er waren al vele jaren verloopen,—zoo veel, dat de kleine jongen tot een man, ja, tot een degelijk man opgegroeid was, waarvan zijn ouders plezier hadden. Hij was pas getrouwd en had met zijn vrouwhet huis betrokken, waarvoor het tuintje zich bevond; en hier stond hij nu naast haar, terwijl zij een veldbloem, die zij heel mooi vond, in een pot zette; zij plantte haar met haar kleine hand en drukte de aarde met haar vingers vast aan.—«Ai! Wat was dat?»—Zij prikte zich. Boven de weeke aarde stak een zeker puntig voorwerp uit. Dat was—begrijp eens!—dat was de tinnen soldaat, dezelfde, die bij den ouden man verloren geraakt was, die een geruimen tijd tusschen timmerhout en puin rondgedwaald en nu reeds vele jaren in de aarde gelegen had.

De jonge vrouw veegde den soldaat eerst met een groen blad en toen met haar fijnen zakdoek af; deze gaf een heerlijken geur van zich! En het was den tinnen soldaat juist zoo te moede, alsof hij uit een bezwijming ontwaakte.

«Laat mij hem eens zien!» zei de jonge man, glimlachte en schudde daarop het hoofd. «Die kan het toch wel niet zijn; maar hij doet mij denken aan een geschiedenis met een tinnen soldaat, dien ik gehad heb, toen ik nog een kleine jongen was.» En daarop vertelde hij aan zijn vrouw van het oude huis en den ouden man, en van den tinnen soldaat, die hij hem toegezonden had, omdat hij zoo alleen was, zoodat de tranen de jonge vrouw in de oogen kwamen over het oude huis en den ouden man.

«Het is toch wel mogelijk, dat dit dezelfde tinnen soldaat is!» zeide zij. «Ik zal hem bewaren en denken aan hetgeen je mij verteld hebt; maar het graf van den ouden man moet je mij eens wijzen.»

«Ik weet niet, waar het is,» antwoordde hij, «en dat weet niemand. Al zijn vrienden waren dood; niemand plantte er bloemen op, en ik was destijds immers nog maar een kleine jongen!»

«Ach! Wat zal hij het hier eenzaam gehad hebben!» zeide zij.

«Ja, eenzaam!» zei de tinnen soldaat; «maar heerlijk is het, niet vergeten te worden!»

«Heerlijk!» riep een stem dicht in de nabijheid; maar niemand anders dan de tinnen soldaat zag, dat dit van een stuk van het varkensleeren behangsel kwam, dat nu zonder eenig verguldsel was. Het zag er uit als natte aarde; maar een overtuiging had het toch, en deze sprak het uit:

«’t Verguldsel moge ras vergaan,Het varkensleer blijft steeds bestaan!»

«’t Verguldsel moge ras vergaan,

Het varkensleer blijft steeds bestaan!»

Maar de tinnen soldaat geloofde dat niet.

De gelukkige familie.Het grootste groene blad in Denemarken is zeker wel dat van het kliskruid; houdt men er een voor zijn lijf, dan is het als een schort, en legt men het op zijn hoofd, dan is het bij regenachtig weer bijna even goed als een paraplu, want het is buitengewoongroot! Nooit groeit een klis alleen; waar er een groeit, daar groeien er ook meer; het is een pracht om te zien! En al deze pracht is slakkenkost.De groote, witte slakken, waarvan de deftige lui in oude dagen fricassée lieten klaarmaken en, als zij het gegeten hadden, zeiden: «Hé! wat smaakt dat!»—want zij geloofden nu eenmaal, dat het overheerlijk smaakte, zij leefden van klisbladeren. En daarom werd er kliskruid gezaaid.Nu was er een oud ridderkasteel, waar men geen slakken meer at. De slakken waren uitgestorven, maar de klissen niet. Deze groeiden en groeiden in alle paden, op alle bedden; men kon ze niet meer keeren; het was een echt klissenbosch. Hier en daar stonden appel- of pruimeboomen, anders zou men zeker nooit op de gedachte gekomen zijn, dat het hier een tuin was. Alles was kliskruid, en daarin woonden de beide laatste stokoude slakken, een mannetje en een wijfje.Zij wisten zelf niet, hoe oud zij waren; maar zij konden zich zeer goed herinneren, dat zij veel grooter in getal geweest waren, dat zij van een familie uit vreemde landen afstamden, en dat het bosch voor hen en de hunnen geplant was. Zij waren er nooit buiten geweest, maar het was hun bekend, dat er nog iets in de wereld was, dat het ridderkasteel heette; daar werd men gekookt, dan werd men zwart en op een zilveren schotel gelegd;—wat er later nog meer gebeurde, dat wisten zij niet. Hoe dat overigens is, wanneer men gekookt en op een zilveren schotel gelegd wordt, konden zij zich niet voorstellen, maar heerlijk moest het zijn, en vooral moest het heel deftig staan. Noch de meikever, noch de pad, noch de regenworm, die zij daarnaar vroegen, konden hun daaromtrent inlichtingen geven; want geen van hun soort was ooit gekookt of op een zilveren schotel gelegd.De oude, witte slakken waren de voornaamsten in de wereld: dat wisten zij! Het bosch was er ter wille van hen, en het ridderkasteel ook, opdat zij gekookt en op een zilveren schotel gelegd zouden kunnen worden.Zij leefden nu zeer ingetogen, en daar zij zelf kinderloos waren, hadden zij een kleine gemeene slak, een jongetje, tot zich genomen, dat zij als hun eigen kind opvoedden. Maar de kleine wilde niet groeien, want het was maar een gemeene slak; doch de oudjes, inzonderheid de pleegmoeder, meenden wel te merken, dat hij toch grooter werd. En zij verzocht den pleegvader, als hij dit niet kon zien, toch eens aan het kleine slakkehuisje te willen voelen; nu betastte hij dit en vond, dat zijn vrouw gelijk had.Op zekeren, dag regende het geducht.«Hoor eens, hoe het op de klisbladeren trommelt!» zei de pleegvader.«Dat noem ik droppels!» zei de pleegmoeder. «Het loopt immers bij den steel neer! Je zult eens zien, dat het hier nat zal worden. Ik ben maar blij, dat wij onze goede huisjes hebben, en dat dekleine er ook een heeft! Er is toch werkelijk meer voor ons gedaan, dan voor alle andere schepselen; men kan het toch duidelijk zien, dat wij de hoogste plaats in de wereld bekleeden! Wij hebben van onze geboorte af huisjes, en het klissenbosch is ter wille van ons gezaaid! Ik zou wel eens willen weten hoe ver dit zich uitstrekt en wat er buiten ligt.»«Daar is niets,» zei de pleegvader, «dat beter zou kunnen zijn, dan bij ons: ik heb volstrekt niets te wenschen.»«Ja,» zei de pleegmoeder. «Ik zou wel naar het ridderkasteel gebracht, gekookt en op een zilveren schotel gelegd willen worden; dat is met al onze voorvaderen gebeurd, en je kunt gelooven: daar is een bedoeling bij.»«Misschien is het ridderkasteel wel ingestort,» zei de pleegvader, «of is het klissenbosch er overheen gegroeid, zoodat de menschen er niet meer uit konden komen. En bovendien is daarbij toch ook geen haast. Maar je haast je altijd te veel, en de kleine begint dat ook al te doen. Kruipt hij niet reeds sedert drie dagen tegen den steel op? Ik krijg er waarlijk hoofdpijn van, als ik naar hem opkijk.»«Je moet niet op hem knorren!» zei de pleegmoeder. «Hij kruipt immers heel voorzichtig; wij zullen zeker veel vreugde aan hem beleven; en wij oudjes hebben immers niets anders, waarvoor wij leven. Maar heb je er wel eens over nagedacht, waar wij een vrouw voor hem vandaan zullen krijgen! Denk je niet, dat er zich verder in het klissenbosch nog zulke van onze soort ophouden?»«Zwarte slakken zullen daar wel zijn, denk ik,» zei de pleegvader, «zwarte slakken zonder huisje! Maar die zijn te gemeen en toch verbeelden zij zich heel wat. Maar wij zouden aan de mieren wel eens last kunnen geven om naar een vrouw voor hem uit te kijken;die loopen toch heen en weer, alsof zij heel wat zaken aan de hand hadden; die zullen zeker wel een vrouw voor onzen kleine weten.»«Ik zou er wel een weten,» zeide een der mieren; «maar ik vrees, dat dit niet zal gaan, want het is een koningin.»«Dat doet er niet toe!» zeiden de oudjes. «Heeft zij een huis?»«Zij heeft een kasteel!»antwoordde de mier; «het mooiste mierenkasteel met zevenhonderd gangen.»«Hartelijk bedankt!» zei de pleegmoeder. «Onze pleegzoon zal niet naar een mierennest toe. Als je niets beters weet, dan zullen we aan de muggen maar eens last geven, die vliegen overal rond in regen en zonneschijn, die kennen het klissenbosch van haver tot gort.»«Wij weten een vrouw voor hem!» zeiden de muggen. «Honderd menschenstappen hiervandaanzit op een kruisbessenboom een kleine slak met een huisje; die woont heelemaal alleen en is oud genoeg om te trouwen. Het is maar honderd menschenstappen hier vandaan.»«Ja, laat haar maar eens bij hem komen!» zeiden de oudjes. «Hij heeft een klissenbosch, zij maar een boom.»En nu haalden zij het kleine dametje. Het duurde acht dagen voordat zij kwam; maar dat stond juist deftig, en daaraan kon men zien, dat zij van de rechte soort was.Daarop hielden zij bruiloft. Zes glimwormpjes gaven licht, zoo goed als zij konden; overigens ging alles heel stil in zijn werk, want de oude slakken konden geen geraas en getier velen. Maar er werd een heerlijke toespraak door de pleegmoeder gehouden.De pleegvader kon niet spreken: hij was te geroerd. Daarop gaven zij hun als erfenis het geheele klissenbosch en zeiden, wat zij altijd gezegd hadden: dat het het beste van de wereld was, en dat zij, als zij rechtschapen en eerbaar leefden en zich vermenigvuldigden, eenmaal benevens hun kinderen op het ridderkasteel zouden komen, en zwart gekookt en op een zilveren schotel gelegd worden. En nadat deze toespraak geëindigd was, kropen de oudjes in hun huisje en kwamen er nooit meer uit: zij sliepen. Het jonge slakkenpaar regeerde nu in het bosch en kreeg een talrijke nakomelingschap. Daar zij echter nooit gekookt op den zilveren schotel kwamen, maakten zij daaruit op, dat het ridderkasteel ingestort en dat alle menschen op de wereld uitgestorven waren. En daar niemand hen tegensprak, moest het immers wel waar zijn. De regen viel op de klissenbladeren neer, om voor hen trommelmuziek te maken, de zon scheen, om het klissenbosch voor hen te verven; en zij waren zeer gelukkig, en de heele familie was gelukkig, overgelukkig.

Het grootste groene blad in Denemarken is zeker wel dat van het kliskruid; houdt men er een voor zijn lijf, dan is het als een schort, en legt men het op zijn hoofd, dan is het bij regenachtig weer bijna even goed als een paraplu, want het is buitengewoongroot! Nooit groeit een klis alleen; waar er een groeit, daar groeien er ook meer; het is een pracht om te zien! En al deze pracht is slakkenkost.

De groote, witte slakken, waarvan de deftige lui in oude dagen fricassée lieten klaarmaken en, als zij het gegeten hadden, zeiden: «Hé! wat smaakt dat!»—want zij geloofden nu eenmaal, dat het overheerlijk smaakte, zij leefden van klisbladeren. En daarom werd er kliskruid gezaaid.

Nu was er een oud ridderkasteel, waar men geen slakken meer at. De slakken waren uitgestorven, maar de klissen niet. Deze groeiden en groeiden in alle paden, op alle bedden; men kon ze niet meer keeren; het was een echt klissenbosch. Hier en daar stonden appel- of pruimeboomen, anders zou men zeker nooit op de gedachte gekomen zijn, dat het hier een tuin was. Alles was kliskruid, en daarin woonden de beide laatste stokoude slakken, een mannetje en een wijfje.

Zij wisten zelf niet, hoe oud zij waren; maar zij konden zich zeer goed herinneren, dat zij veel grooter in getal geweest waren, dat zij van een familie uit vreemde landen afstamden, en dat het bosch voor hen en de hunnen geplant was. Zij waren er nooit buiten geweest, maar het was hun bekend, dat er nog iets in de wereld was, dat het ridderkasteel heette; daar werd men gekookt, dan werd men zwart en op een zilveren schotel gelegd;—wat er later nog meer gebeurde, dat wisten zij niet. Hoe dat overigens is, wanneer men gekookt en op een zilveren schotel gelegd wordt, konden zij zich niet voorstellen, maar heerlijk moest het zijn, en vooral moest het heel deftig staan. Noch de meikever, noch de pad, noch de regenworm, die zij daarnaar vroegen, konden hun daaromtrent inlichtingen geven; want geen van hun soort was ooit gekookt of op een zilveren schotel gelegd.

De oude, witte slakken waren de voornaamsten in de wereld: dat wisten zij! Het bosch was er ter wille van hen, en het ridderkasteel ook, opdat zij gekookt en op een zilveren schotel gelegd zouden kunnen worden.

Zij leefden nu zeer ingetogen, en daar zij zelf kinderloos waren, hadden zij een kleine gemeene slak, een jongetje, tot zich genomen, dat zij als hun eigen kind opvoedden. Maar de kleine wilde niet groeien, want het was maar een gemeene slak; doch de oudjes, inzonderheid de pleegmoeder, meenden wel te merken, dat hij toch grooter werd. En zij verzocht den pleegvader, als hij dit niet kon zien, toch eens aan het kleine slakkehuisje te willen voelen; nu betastte hij dit en vond, dat zijn vrouw gelijk had.

Op zekeren, dag regende het geducht.

«Hoor eens, hoe het op de klisbladeren trommelt!» zei de pleegvader.

«Dat noem ik droppels!» zei de pleegmoeder. «Het loopt immers bij den steel neer! Je zult eens zien, dat het hier nat zal worden. Ik ben maar blij, dat wij onze goede huisjes hebben, en dat dekleine er ook een heeft! Er is toch werkelijk meer voor ons gedaan, dan voor alle andere schepselen; men kan het toch duidelijk zien, dat wij de hoogste plaats in de wereld bekleeden! Wij hebben van onze geboorte af huisjes, en het klissenbosch is ter wille van ons gezaaid! Ik zou wel eens willen weten hoe ver dit zich uitstrekt en wat er buiten ligt.»

«Daar is niets,» zei de pleegvader, «dat beter zou kunnen zijn, dan bij ons: ik heb volstrekt niets te wenschen.»

«Ja,» zei de pleegmoeder. «Ik zou wel naar het ridderkasteel gebracht, gekookt en op een zilveren schotel gelegd willen worden; dat is met al onze voorvaderen gebeurd, en je kunt gelooven: daar is een bedoeling bij.»

«Misschien is het ridderkasteel wel ingestort,» zei de pleegvader, «of is het klissenbosch er overheen gegroeid, zoodat de menschen er niet meer uit konden komen. En bovendien is daarbij toch ook geen haast. Maar je haast je altijd te veel, en de kleine begint dat ook al te doen. Kruipt hij niet reeds sedert drie dagen tegen den steel op? Ik krijg er waarlijk hoofdpijn van, als ik naar hem opkijk.»

«Je moet niet op hem knorren!» zei de pleegmoeder. «Hij kruipt immers heel voorzichtig; wij zullen zeker veel vreugde aan hem beleven; en wij oudjes hebben immers niets anders, waarvoor wij leven. Maar heb je er wel eens over nagedacht, waar wij een vrouw voor hem vandaan zullen krijgen! Denk je niet, dat er zich verder in het klissenbosch nog zulke van onze soort ophouden?»

«Zwarte slakken zullen daar wel zijn, denk ik,» zei de pleegvader, «zwarte slakken zonder huisje! Maar die zijn te gemeen en toch verbeelden zij zich heel wat. Maar wij zouden aan de mieren wel eens last kunnen geven om naar een vrouw voor hem uit te kijken;die loopen toch heen en weer, alsof zij heel wat zaken aan de hand hadden; die zullen zeker wel een vrouw voor onzen kleine weten.»

«Ik zou er wel een weten,» zeide een der mieren; «maar ik vrees, dat dit niet zal gaan, want het is een koningin.»

«Dat doet er niet toe!» zeiden de oudjes. «Heeft zij een huis?»

«Zij heeft een kasteel!»antwoordde de mier; «het mooiste mierenkasteel met zevenhonderd gangen.»

«Hartelijk bedankt!» zei de pleegmoeder. «Onze pleegzoon zal niet naar een mierennest toe. Als je niets beters weet, dan zullen we aan de muggen maar eens last geven, die vliegen overal rond in regen en zonneschijn, die kennen het klissenbosch van haver tot gort.»

«Wij weten een vrouw voor hem!» zeiden de muggen. «Honderd menschenstappen hiervandaanzit op een kruisbessenboom een kleine slak met een huisje; die woont heelemaal alleen en is oud genoeg om te trouwen. Het is maar honderd menschenstappen hier vandaan.»

«Ja, laat haar maar eens bij hem komen!» zeiden de oudjes. «Hij heeft een klissenbosch, zij maar een boom.»

En nu haalden zij het kleine dametje. Het duurde acht dagen voordat zij kwam; maar dat stond juist deftig, en daaraan kon men zien, dat zij van de rechte soort was.

Daarop hielden zij bruiloft. Zes glimwormpjes gaven licht, zoo goed als zij konden; overigens ging alles heel stil in zijn werk, want de oude slakken konden geen geraas en getier velen. Maar er werd een heerlijke toespraak door de pleegmoeder gehouden.

De pleegvader kon niet spreken: hij was te geroerd. Daarop gaven zij hun als erfenis het geheele klissenbosch en zeiden, wat zij altijd gezegd hadden: dat het het beste van de wereld was, en dat zij, als zij rechtschapen en eerbaar leefden en zich vermenigvuldigden, eenmaal benevens hun kinderen op het ridderkasteel zouden komen, en zwart gekookt en op een zilveren schotel gelegd worden. En nadat deze toespraak geëindigd was, kropen de oudjes in hun huisje en kwamen er nooit meer uit: zij sliepen. Het jonge slakkenpaar regeerde nu in het bosch en kreeg een talrijke nakomelingschap. Daar zij echter nooit gekookt op den zilveren schotel kwamen, maakten zij daaruit op, dat het ridderkasteel ingestort en dat alle menschen op de wereld uitgestorven waren. En daar niemand hen tegensprak, moest het immers wel waar zijn. De regen viel op de klissenbladeren neer, om voor hen trommelmuziek te maken, de zon scheen, om het klissenbosch voor hen te verven; en zij waren zeer gelukkig, en de heele familie was gelukkig, overgelukkig.

Twee juffers.Hebt ge wel eens een juffer gezien?—dat is te zeggen, wat de straatmakers een juffer noemen, een ding, waarmee zij de straatsteenen vaststampen. Zulk een juffer is geheel en al van hout, onderaanbreed en van ijzeren handen voorzien, bovenaan smal met een stok er door heen,—en dezen stok heeft de juffer voor armen.In de schuur stonden twee zulke juffers; zij hadden haar plaats tusschen straathamers, handwagens en kruiwagens, en tot deze allen was het geruchtdoorgedrongen, dat de juffers voortaan niet meer «juffers,» maar «straatstampers» zouden heeten, hetgeen in de straatmakerstaal de eenige en alleen juiste benaming is voor het ding, dat men in vroegere tijden altijd een juffer noemde.De twee juffers in de bergplaats dachten er volstrekt niet aan, haar ouden naam zoo maar op te geven en zich «straatstampers» te laten noemen.«Juffer is een menschennaam,» zeiden zij, «maar straatstamper is een ding, en wij laten ons niet zoo maar een ding noemen; dat zou een smaad voor ons zijn!»«Mijn minnaar zou in staat zijn, het engagement te verbreken!» zei de jongste, die met een heiblok verloofd was; en een heiblok is een ding, dat groote palen in den grond drijft en dus in het grove datgene verricht, wat de juffer in het fijne doet. «Hij wil mij als juffer tot vrouw nemen, maar of hij dit zou doen, als ik een straatstamper werd, is de vraag nog, en daarom laat ik mij ook niet herdoopen.»«En ik,» zei de oudste, «laat liever mijn beide armen afhouwen!»De kruiwagen was echter van een ander gevoelen, en de kruiwagen was nog al iemand van beteekenis; hij beschouwde zich als het vierde gedeelte van een koets, omdat hij op één wiel liep.«Ik moet u echter doen opmerken,» sprak deze, «dat juffer vrij alledaagsch en op verre na niet zoo deftig klinkt, als straatstamper of stempel, welke naam ook voorgesteld is, en waardoor ge b. v. in de klasse der cachetten zoudt treden, en denkt maar eens aan het groote staatscachet, waarmee men het staatszegel opdrukt en aan de wet eerst kracht verleent. Neen, als ik in uw plaats was, dan zou ik dat «juffer» maar opgeven.»«Neen, dat nimmer! Daar ben ik te oud voor!» zei de oudste.«Ge hebt waarschijnlijk nog nooit hooren spreken over het ding, dat men de «Europeesche noodzakelijkheid» noemt,» bracht de eerlijke wisse in het midden. «Men moet zich in tijd en omstandigheden weten te schikken, en is er eenmaal een wet uitgevaardigd, dat de juffers straatstampers moeten heeten, welnu, dan moeten zij ook straatstampers heeten, en dan helpt het niet, of men er al tegen moppert.»«Neen,» zei de jongste, «dan zou ik mij, als er dan toch een verandering moet plaats hebben, nog liever jonkvrouw laten noemen: jonkvrouw klinkt toch nog altijd wat deftiger dan juffer!»«Maar dan laat ik mij liever tot brandhout hakken!» zei de oudste juffer.Eindelijk ging men aan het werk; de juffers reden, zij werden op den kruiwagen gelegd, dat was wel een goede behandeling, maar met dat al noemde men ze toch straatstampers.«Juf...!» zeiden zij, terwijl zij de straatsteenenvaststampten. «Juf...!» En het scheelde niet veel, of zij hadden het geheele woord «juffer» uitgesproken, maar zij braken plotseling af en slikten de laatste lettergreep in, want na rijp beraad achtten zij het beneden haar waardigheid om er zich tegen te verzetten. Maar onder elkaar noemden zij zich altijd «juffer» en prezen den goeden, ouden tijd, toen men ieder ding bij zijn waren naam noemde en men juffer genoemd werd, als men juffer was; en dat bleven zij allebei; want het heiblok verbrak inderdaad het engagement met de jongste: hij wilde slechts een juffer tot vrouw hebben.

Hebt ge wel eens een juffer gezien?—dat is te zeggen, wat de straatmakers een juffer noemen, een ding, waarmee zij de straatsteenen vaststampen. Zulk een juffer is geheel en al van hout, onderaanbreed en van ijzeren handen voorzien, bovenaan smal met een stok er door heen,—en dezen stok heeft de juffer voor armen.

In de schuur stonden twee zulke juffers; zij hadden haar plaats tusschen straathamers, handwagens en kruiwagens, en tot deze allen was het geruchtdoorgedrongen, dat de juffers voortaan niet meer «juffers,» maar «straatstampers» zouden heeten, hetgeen in de straatmakerstaal de eenige en alleen juiste benaming is voor het ding, dat men in vroegere tijden altijd een juffer noemde.

De twee juffers in de bergplaats dachten er volstrekt niet aan, haar ouden naam zoo maar op te geven en zich «straatstampers» te laten noemen.

«Juffer is een menschennaam,» zeiden zij, «maar straatstamper is een ding, en wij laten ons niet zoo maar een ding noemen; dat zou een smaad voor ons zijn!»

«Mijn minnaar zou in staat zijn, het engagement te verbreken!» zei de jongste, die met een heiblok verloofd was; en een heiblok is een ding, dat groote palen in den grond drijft en dus in het grove datgene verricht, wat de juffer in het fijne doet. «Hij wil mij als juffer tot vrouw nemen, maar of hij dit zou doen, als ik een straatstamper werd, is de vraag nog, en daarom laat ik mij ook niet herdoopen.»

«En ik,» zei de oudste, «laat liever mijn beide armen afhouwen!»

De kruiwagen was echter van een ander gevoelen, en de kruiwagen was nog al iemand van beteekenis; hij beschouwde zich als het vierde gedeelte van een koets, omdat hij op één wiel liep.

«Ik moet u echter doen opmerken,» sprak deze, «dat juffer vrij alledaagsch en op verre na niet zoo deftig klinkt, als straatstamper of stempel, welke naam ook voorgesteld is, en waardoor ge b. v. in de klasse der cachetten zoudt treden, en denkt maar eens aan het groote staatscachet, waarmee men het staatszegel opdrukt en aan de wet eerst kracht verleent. Neen, als ik in uw plaats was, dan zou ik dat «juffer» maar opgeven.»

«Neen, dat nimmer! Daar ben ik te oud voor!» zei de oudste.

«Ge hebt waarschijnlijk nog nooit hooren spreken over het ding, dat men de «Europeesche noodzakelijkheid» noemt,» bracht de eerlijke wisse in het midden. «Men moet zich in tijd en omstandigheden weten te schikken, en is er eenmaal een wet uitgevaardigd, dat de juffers straatstampers moeten heeten, welnu, dan moeten zij ook straatstampers heeten, en dan helpt het niet, of men er al tegen moppert.»

«Neen,» zei de jongste, «dan zou ik mij, als er dan toch een verandering moet plaats hebben, nog liever jonkvrouw laten noemen: jonkvrouw klinkt toch nog altijd wat deftiger dan juffer!»

«Maar dan laat ik mij liever tot brandhout hakken!» zei de oudste juffer.

Eindelijk ging men aan het werk; de juffers reden, zij werden op den kruiwagen gelegd, dat was wel een goede behandeling, maar met dat al noemde men ze toch straatstampers.

«Juf...!» zeiden zij, terwijl zij de straatsteenenvaststampten. «Juf...!» En het scheelde niet veel, of zij hadden het geheele woord «juffer» uitgesproken, maar zij braken plotseling af en slikten de laatste lettergreep in, want na rijp beraad achtten zij het beneden haar waardigheid om er zich tegen te verzetten. Maar onder elkaar noemden zij zich altijd «juffer» en prezen den goeden, ouden tijd, toen men ieder ding bij zijn waren naam noemde en men juffer genoemd werd, als men juffer was; en dat bleven zij allebei; want het heiblok verbrak inderdaad het engagement met de jongste: hij wilde slechts een juffer tot vrouw hebben.

De wilde zwanen.Ver van hier, daar, waarheen de zwaluwen vliegen, wanneer wij winter krijgen, woonde eens een koning. Deze had elf zonen en één dochter, Elize genaamd.De elf broeders waren prinsen. Zij gingen met de ster op de borst en de sabel op zijde naar school toe, zij schreven met diamanten griften op gouden leien en leerden even goed van buiten, als zij lazen; men kon dadelijk hooren, dat het prinsen waren. Hun zuster Elize zat op een klein bankje van spiegelglas en had een prentenboek, dat voor het halve koninkrijk gekocht was.O, die kinderen hadden het zoo goed, als het maar kon; doch zoo zou het niet altijd blijven!Hun vader, die koning over het geheele land was, trouwde met een booze koningin, die de arme kinderen volstrekt niet mocht lijden. Op den eersten dag konden zij dit al merken. Op het kasteel heerschte groote pracht, en nu speelden de kinderen, dat zij visite hadden; maar in plaats dat zij, evenals vroeger, zooveel koek en gebraden appels kregen, als er maar te vinden waren, gaf zij hunslechts zand in een theekopje en zeide, dat zij nu maar net moesten doen, alsof dit iets was.In de daarop volgende week bracht zij de kleine Elize naar het platteland naar een boer en een boerin toe, en lang duurde het niet, of zij loog den koning zooveel van de arme prinsen voor, dat deze zich volstrekt niet meer om hen bekommerde.«Vliegt de wijde wereld in en helpt u zelf!» zei de booze koningin. «Vliegt, evenals de groote vogels zonder stem!» Maar zij kon het toch niet zoo erg maken, als zij graag wilde; het werden elf prachtige wilde zwanen. Met een zonderling geschreeuw vlogen zij uit de ramen van het kasteel, over het park heen en het bosch in.Het was nog vroeg in den morgen, toen zij daar voorbijkwamen, waar hun zuster Elize in de kamer van den boer lag te slapen. Hier zweefden zij boven het dak, draaiden met hun lange halzen heen en weer en sloegen toen met hun vleugels; maar niemand hoorde of zag het. Zij moesten weer verder, hoog naar de wolken op, de wijde wereld in; nu vlogen zij naar een groot, donker bosch, dat zich tot aan het strand der zee uitstrekte.De arme, kleine Elize stond in de kamer van den boer en speelde met een groen blad: want ander speelgoed had zij niet. Zij stak een gat in dit blad, keek er doorheen naar de zon, en nu was het, alsof zij de heldere oogen van hare broeders zag; telkens wanneer de warme zonnestralen op haar wangen vielen, dacht zij aan al hun kussen.De eene dag verliep evenals de andere. Als de wind door de groote rozenheggen buiten voor het huis gierde, dan fluisterde hij de rozen toe: «Wie kan schooner zijn dan gij?» Maar de rozen schudden het hoofd en zeiden: «Elize is schooner!» En als de oude vrouw des Zondags voor de deur zat en in haar gezangboek las, dan keerde de wind de bladeren om en zeide tegen het boek: «Wie kan vromer zijn dan gij?» En dan antwoordde het gezangboek: «Elize is vromer!» En het was de volle waarheid, wat de rozen en het gezangboek zeiden.Toen zij vijftien jaar oud was, zou zij naar huis terugkeeren; maar toen de koningin zag, hoe schoon zij was, werd zij toornig op haar. Gaarne zou zij haar in een wilden zwaan veranderd hebben, evenals haar broeders; maar dat waagde zij niet dadelijk, omdat de koning zijn dochter wilde zien.’s Morgens vroeg ging de koningin in het bad, dat van marmer gebouwd en met zachte kussens en de prachtigste dekens versierd was; zij nam drie padden, kuste ze en zei tegen de eene: «Ga op het hoofd van Elize zitten, als zij in het bad komt, opdat zij even dom moge worden, als jij bent!»—«Zet je op haar voorhoofd neer,» zeide zij tegen de tweede, «opdat zij even leelijk moge worden, als jij bent, zoodat haar vader haar niet herkent!»—«Rust aan haar hart!» fluisterde zij de derde toe; «laat haar een boos karakter krijgen, opdat zij daarvan verdriet moge hebben!» Daarop zette zij de padden in het heldere water, dat terstond een groene kleur aannam,riep Elize, kleedde haar uit en liet haar in het water neerdalen. En terwijl Elize onder water dook, zette de eene pad zich in haar haar, de andere op haar voorhoofd en de derde op haar borst neer. Maar Elize scheen dit niet te bemerken; zoodra zij zich oprichtte, dreven er drie roode papavers op het water. Als de dieren niet vergiftig geweest waren en een kus van de heks gekregen hadden, dan zouden zij in roode rozen veranderd zijn. Maar bloemen werden zij toch, omdat zij op haar hoofd, haar voorhoofd en haar hart gezeten hadden. Zij was te vroom en te onschuldig, dan dat de tooverij macht over haar zou kunnen hebben!Toen de booze koningin dit zag, wreef zij Elize met het sap van een walnoot in, zoodat zij donkerbruin werd, bestreek haar schoon gelaat met een stinkende zalf en liet haar prachtig haar in de war raken. Het was onmogelijk, de schoone Elize nu te herkennen.Toen haar vader haar zag, verschrikte hij en zeide, dat het zijn dochter niet was. Geen anderen dan de hond en de zwaluwen konden haar herkennen; maar dat waren arme dieren, die niets te zeggen hadden.Nu weende de arme Elize en dacht aan haar elf broeders, die allemaal weg waren. Bedroefd sloop zij het kasteel uit en liep den geheelen dag over veld en moeras, totdat zij in het groote bosch kwam. Zij wist niet, waar zij naar toe zou gaan, maar gevoelde zich diep bedroefd en verlangde naar haar broers; dezen waren zeker ook, evenals zij, de wijde wereld ingejaagd; en nu wilde zij hen zoeken en vinden.Slechts korten tijd was zij in het bosch geweest, toen de nacht aanbrak; zij wist nu weg noch steg meer; daarom ging zij op het zachte mos liggen, deed haar avondgebed en leunde met haar hoofd tegen een boomtronk aan. Er heerschte een diepe stilte; de lucht was zacht, en om haar heen in het gras en in het mos gaven honderden glimwormpjes, als een groen vuur, gloed van zich; toen zij een der takken zachtjes met haar hand aanraakte, vielen de lichtgevende insecten als verschietende sterren naast haar neer.Den geheelen nacht droomde zij van haar broers; zij speelden weer als kinderen, schreven met de diamanten griften op de gouden leien en keken in het prachtige prentenboek, dat het halve koninkrijk gekost had. Maar op hun leien schreven zij niet, evenals vroeger, cijfers, maar de moedige daden, die zij volbracht, alles, wat zij ondervonden en gezien hadden; en in het prentenboek leefde alles; de vogels zongen en de menschen kwamen het boek uit en spraken met Elize en haar broers. Maar als dezen het blad omkeerden, sprongen zij er dadelijk weer in, opdat de prenten niet in de war zouden raken.Toen zij wakker werd, stond de zon al hoog aan den hemel; Elize kon haar echter niet zien; want de hooge boomen spreidden hun takken dicht boven haar uit. Maar de stralen speelden daarboven als een gouden lint; er was een geur van het groen, en de vogels zetten zich bijna op haar schouders neer. Zij hoorde waterplassen: dat waren groote bronnen, die alle in een meer uitliepen, met den heerlijksten zandgrond. Het was omringd door dichte struiken; maar op één plaats hadden de herten een groote opening gemaakt, en hier ging Elize naar het water toe. Dit was zoo helder, dat men, als de wind de takken en de struiken niet had aangeraakt, zoodat zij zich bewogen, zou gedacht hebben, dat zij op den bodem van het water afgeteekend waren; zoo duidelijk spiegelde ieder blad zich daarin af, zoowel dat, hetwelk door de zon beschenen werd, als dat, hetwelk in de schaduw was.Zoodra Elize haar eigen gezicht zag, verschrikte zij, zoo bruin en leelijk was het; maar toen zij haar kleine hand nat maakte en daarmee over haar oogen en haar voorhoofd wreef, kwam haar blanke huid weer te voorschijn. Nu kleedde zij zich uit en daalde in het frissche water neer! Een schooner koningskind, dan zij was, werd er in de wereld niet gevonden!Toen zij zich weer aangekleed en haar lange lokken gevlochten had, ging zij naar de springbron toe, dronk uit het holle van haar hand en liep het bosch dieper in, zonder zelf te weten waarheen. Zij dacht aan haar broeders, dacht aan den goeden God, die haar zeker niet zou verlaten. God liet de wilde appelen in het bosch groeien, om de hongerigen te verzadigen. Hij wees haar zulk een boom aan; de takken daarvan bogen zich onder den last der vruchten. Hier hield zij haar middagmaal, zette stutten onder de takken en ging toen het donkerste gedeelte van het bosch in. Daar was het zoo stil, dat zij haar eigen voetstappen hoorde, alsmede het ritselen van ieder dor blad, dat zich onder haar voet boog. Geen enkele vogel was er te zien, geen enkele zonnestraal kon door de groote, donkere takken heendringen; de hooge stammen stonden zoo dicht bij elkaar, dat het, wanneer zij voor zich uitkeek, den schijn had, alsof zij door een hek van balken omgeven was. O, hier heerschte een eenzaamheid, zooals zij vroeger nooit gekend had.De nacht werd stikdonker; geen enkel glimwormpje gaf meer licht in het mos. Bedroefd legde zij zich ter neer om te slapen. Nu scheen het haar, alsof de takken der boomen boven haar ter zijde weken en de goede God met milde blikken op haar neerzag; en de kleine engelen keken boven Zijn hoofd en onder Zijn armen uit.Toen zij ’s morgens wakker werd, wist zij niet, of zij het gedroomd had, dan of het werkelijk zoo geweest was.Zij deed eenige schreden voorwaarts. Nu ontmoette zij een oude vrouw met bessen in haar mand; de oude vrouw gaf haar daarvan wat. Elize vroeg haar, of zij niet elf prinsen door het bosch had zien rijden.«Neen,» zei de oude vrouw; «maar ik heb gisteren elf zwanen, ieder met een gouden kroon op den kop, hier in de nabijheid over de rivier zien zwemmen.»En zij bracht Elize een eindje verder tot aan een helling; aan den voet daarvan kronkelde zich een riviertje; de boomen op de oevers strekten hun lange, lommerrijke takken naar elkander uit,en waar zij, tengevolge van hun natuurlijken groei, niet aan elkander konden raken, daar waren de wortels uit den grond losgerukt en hingen, met de takken in elkaar gestrengeld, over het water heen.Elize zei de oude vrouw vaarwel en liep langs het riviertje tot aan de plaats, waar dit naar den grooten, open oceaan vloeide.De geheele heerlijke zee lag voor het jonge meisje, maar geen enkel zeil vertoonde zich daarop, geen enkel schip was er op te zien. Hoe zou zij nu verder komen? Zij bekeek de tallooze kleine steentjes, die er op het strand lagen: het water had ze allemaal rond gemaakt. Glas, ijzer, steenen, alles, wat daar aangespoeld was, had zijn vorm gekregen door het water, dat toch veel zachter dan haar fijne hand was.«Dat rolt onvermoeid voort, en zoo wordt het harde glad; ik zal ook zoo onvermoeid zijn. Dank voor uw les, gij heldere, rollende golven! Eenmaal, dat zegt mij mijn hart, zult ge mij naar mijn broeders toe brengen!»Op het aangespoelde zeegras lagen elf witte zwaneveeren; zij bond ze bij elkaar. Er lagen waterdroppels op: of het dauwdroppels of tranen waren, kon niemand zien. Eenzaam was het daar aan het strand, maar zij gevoelde het niet; want de zee bood een eeuwige afwisseling aan, ja, meer in slechts weinige uren, dan de zoete landwateren in een jaar kunnen opleveren. Als er een groote, zwarte wolk kwam, dan was het, alsof de zee wilde zeggen: «Ik kan er ook donker uitzien,» en dan blies de wind en keerden de golven den witten kant naar buiten. Maar als de wolken rood schenen en de winden sliepen, dan was de zee als een rozeblad; nu eens werd zij groen, dan weer wit. Maar hoe stil zij ook was, aan den oever was toch altijd een zachte beweging; het water verhief zich slechts even, gelijk de borst van een slapend kind.Toen de zon zou ondergaan, zag Elize elf witte zwanen metgouden kronen op hun koppen naar het land toe komen; zij vlogen vlak achter elkaar, zoodat ze een lang wit lint schenen. Nu klom Elize de helling op en verborg zich achter een kreupelboschje; de zwanen zetten zich dicht bij haar neer en sloegen met hun groote witte vleugels.Zoodra de zon in het water verdwenen was, vielen de zwaneveeren plotseling af, en nu stonden daar elf schoone prinsen, de broeders van Elize. Zij gaf een luiden gil; ofschoon zij heel wat veranderdwaren, wist zij toch, dat zij het waren, gevoelde zij, dat zij het zijn moesten. En zij vloog hun in de armen en noemde hen bij name; en de prinsen voelden zich hoogst gelukkig, toen zij hun kleine zuster zagen en herkenden ook haar, die nu groot en schoon was. Zij lachten en weenden, en al spoedig hadden zij begrepen, hoe slecht hun stiefmoeder voor hen allen geweest was.«Wij broeders,» zei de oudste, «wij vliegen als wilde zwanen, zoolang de zon aan den hemel staat; zoodra zij ondergegaan is, krijgen wij onze menschelijke gedaante terug. Daarom moeten wij altijd oppassen, dat wij bij den ondergang der zon een rustplaats voor onze voeten hebben; want als wij op dien tijd naar de wolken opvliegen, dan moeten wij als menschen in de diepte neerstorten. Hier wonen wij niet; er ligt een even schoon land als dit aan gene zijde der zee. Maar de weg daarheen is ver: wij moeten over de groote zee heen, en er bevindt zich geen eiland op onzen weg, waar wij kunnen overnachten: alleen een kleine klip steekt er in het midden daarvan uit; deze is slechts zoo groot, dat wij, dicht naast elkander liggende, daarop kunnen slapen. Is de zee in hevige beweging, dan spat het water hoog boven ons uit; maar toch danken wij God voor die klip. Daar overnachten wij in onze menschelijke gedaante; zonder deze zouden wij ons lieve vaderland nimmer kunnen bezoeken, want twee van de langste dagen des jaars hebben wij voor onzen tocht noodig. Slechts eenmaal in het jaar is het ons vergund, een bezoek aan ons vaderland te brengen; elf dagen mogen wij hier blijven en over het groote bosch heenvliegen, vanwaar wij het kasteel waarin wij geboren zijn en waar onze vader woont, en de hooge kerktorens, waar onze moeder begraven is, kunnen zien. Hier komt het ons voor, alsof boomen en planten aan ons verwant waren; hier loopen de wilde paarden over de steppen heen, zooals wij dit in onze kindsheid gezien hebben; hier zingt de kolenbrander zijn oude liederen, waarop wij als kinderen dansten; hier is ons vaderland; hierheen gevoelen wij ons aangetrokken, en hier hebben wij u, o lieve, kleine zuster, gevonden! Twee dagen kunnen wij hier nog blijven, dan moeten wij over de zee naar een heerlijk land, dat ons vaderland echter niet is. Hoe zullen wij je daar naar toe brengen? Wij hebben geen schip en geen boot!»«Op welke wijze kan ik je verlossen?» vroeg hun zuster. En zij spraken bijna den geheelen nacht met elkaar: zij sliepen slechts eenige uren.Elize ontwaakte door het geklep der zwanevleugels, die over haar heen bruisten: haar broeders waren weer veranderd en vlogen in groote kringen en eindelijk ver weg; maar een hunner, de jongste, bleef achter; en de zwaan legde zijn kop in haar schoot en zij streelde zijn vleugels; den geheelen dag waren zij bij elkaar. Tegen den avond kwamen de anderen terug, en toen de zon ondergegaan was, stonden zij daar weer in hun natuurlijke gedaante.«Morgen vliegen wij van hier weg en kunnen voor het einde vaneen geheel jaar niet terugkeeren. Maar wij kunnen je zoo niet verlaten. Heb je moed om mee te gaan? Ik ben sterk genoeg om je door het bosch te dragen. Zouden wij met ons allen niet zulke sterke vleugels hebben, om met je over de zee te vliegen?»«Ja, neemt mij mee!» zei Elize.Den heelen nacht waren zij bezig van buigzame wilgenschors en taaie biezen een net te vlechten, en dit werd groot en stevig. Op dit net legde Elize zich neer, en toen de zon te voorschijn kwam en haar broeders in wilde zwanen veranderd werden, pakten zij het net met hun snavels beet en vlogen met hun lieve zuster, die nog sliep, hoog naar de wolken op.De zonnestralen vielen vlak op haar gezicht, daarom ging een der zwanen boven haar hoofd vliegen, opdat zijn breede vleugels haar zouden beschutten.Zij waren al ver van het land verwijderd, toen Elize wakker werd; zij dacht, dat zij nog droomde, zoo zonderling kwam het haar voor, hoog door de lucht over de zee gedragen te worden. Naast haar lag een tak met heerlijke, rijpe bessen en een bosje smakelijke wortelen; deze had de jongste der broeders voor haar verzameld en bij haar neergelegd. Zij glimlachte hem toe, want zij herkende hem; hij was het, die boven haar vloog en haar met zijn vleugels beschaduwde.Zij waren zoo hoog, dat het grootste schip, dat zij onder zich zagen, een witte meeuw scheen te zijn, die op het water dreef. Een groote wolk stond achter hen; dat was een berg. En op dezen zag Elize haar eigene schaduw en die der elf zwanen; zoo reusachtig groot vlogen zij daar. Dat was een tooneel, prachtiger dan zij er vroeger ooit een gezien had. Maar toen de zon hooger steeg en de wolk verder achterbleef, verdween ook het zwevende schaduwbeeld.Den geheelen dag vlogen zij voort, als een snorrende pijl door de lucht; maar het ging toch langzamer dan anders, want nu hadden zij hun zuster te dragen. Er was ruw weer ophanden; de avond viel; angstig zag Elize de zon al meer en meer dalen, en nog was de eenzame klip in zee niet te zien. Het kwam haar voor, alsof de zwanen krachtiger slagen met hun vleugels deden. Ach! zij was er de schuld van, dat zij niet vlug genoeg konden voortkomen. Als de zon ondergegaan was, dan moesten zij menschen worden, in de zee neerstorten en verdrinken. Nu zond zij uit het binnenste haars harten een gebed tot God op; maar nog zag zij geen klip. De zwarte wolk kwam naderbij; de wolken schenen een enkele, groote, dreigende massa te zijn, die er bijna als lood uitzag en al meer en meer voorwaarts dreef; bliksemstralen doorkliefden de lucht.Nu was de zon juist aan den rand der zee. Het hart van Elize beefde; nu daalden de zwanen naar beneden, zoo snel, dat zij meende te vallen. Maar nu vlogen zij weer verder. De zon was half onder het water; nu zag zij eerst de kleine klip onder zich. Deze zag er niet grooter uit, dan of het een zeehond was, die met zijn kop boven het water uitstak. De zon daalde zeer snel; nuscheen zij nog slechts als een ster; daar raakte haar voet den vasten grond aan. De zon doofde uit, evenals de laatste vonk in brandend papier: arm in arm zag zij haar broeders om zich heen staan; maar meer plaats dan juist voor dezen en voor haar was er ook niet. De golven sloegen tegen de klip aan en spatten als een stofregen over haar heen; de lucht stond als in vuur, en de eene donderslag na den anderen ratelde; maar zuster en broeders grepen elkaar bij de hand en zongen psalmen, waaruit zij troost en moed putten.Toen het den volgenden morgen begon te schemeren, was de lucht helder en stil; zoodra de zon opging, vlogen de zwanen met Elize van het eiland weg. De golven gingen nog hoog; het had, terwijl zij zoo hoog in de lucht waren, den schijn, alsof het witte schuim op de zwartachtig groene zee millioenen zwanen waren, die op het water zwommen.Toen de zon hooger steeg, zag Elize voor zich, half in de lucht drijvend, een bergachtig land met schitterende ijsmassa’s op de rotsen; en in het midden daarvan verhief zich een kasteel van wel een mijl lang, met de eene kolossale zuilengang boven de andere; beneden golfden palmbosschen en prachtige bloemen. Zij vroeg, of dit het land was, waar zij naar toe wilden; maar de zwanen schudden met hun kop, want datgene, wat zij zag, was het heerlijke, aldoor afwisselende wolkenkasteel der Fata Morgana; daarin konden zij geen menschen brengen. Elize staarde het aan; daar stortten bergen, bosschen en kasteel ineen, en twintig trotsche kerken, alle aan elkaar gelijk, met hooge torens en spitsboogvensters stonden voor hen. Zij meende een orgel te hooren spelen, maar het was de zee, die zij hoorde. Nu was zij zeer dicht bij de kerken, en eensklaps werden deze tot een geheele vloot, die onder haar voortzeilde; maar toen zij naar beneden keek, waren het slechts nevelen, die over het water heen dreven. Zoo had zij een voortdurende afwisseling voor oogen, totdat zij eindelijk het werkelijke land zag, waar zij naar toe wilden; daar verhieven zich de heerlijkste blauwe bergen met cederbosschen, steden en kasteelen. Lang voordat de zon onderging, zat zij op de rotsen voor een groote grot, die met fijne groene slingerplanten begroeid was; het zag er uit, alsof het geweven tapijten waren.«Nu zullen we eens zien, wat je hier van nacht droomt!» zei de jongste broer en wees haar haar slaapkamer.«Moge de Hemel geven, dat ik droom, hoe ik je kan verlossen!» zeide zij. En deze gedachte hield haar geheel en al bezig; zij bad innig tot God om Zijn hulp; ja, zelfs in den slaap ging zij met bidden voort. Daar kwam het haar voor, alsof zij hoog in de lucht vloog, naar het wolkenkasteel der Fata Morgana; en de toovergodin kwam haar te gemoet, schoon en van licht stralende; en toch geleek zij precies op de oude vrouw, die haar in het bosch bessen gegeven en haar van de zwanen met gouden kronen op den kop verteld had.«Uw broeders kunnen verlost worden,» zeide zij; «maar bezit gemoed en volharding? Wel is het water zachter dan uw fijne handen, maar toch rondt het de steenen af; doch het voelt de smarten niet, die uw vingers zullen voelen; het heeft geen hart en lijdt den angst en de kwelling niet, die gij zult moeten doorstaan. Ziet ge die brandnetel, die ik in mijn hand houd? Van die zelfde soort groeien er verscheidene rondom de grot, waarin ge slaapt; alleen die daar en die, welke op de graven van het kerkhof groeien, zijn bruikbaar: let daar wel op! Die moet ge plukken, ofschoon zij uw hand vol blaren zullen branden. Braak deze brandnetels met uw voeten, dan krijgt ge vlas; daarvan moet ge elf hemden met lange mouwen vlechten en naaien; werp deze over de elf zwanen heen, dan is de betoovering geweken. Maar bedenk wel, dat ge van het oogenblik, waarop ge met dezen arbeid begint, totdat deze voltooid is, al mochten er ook jaren mee verloopen, niet moogt spreken; het eerste woord, dat ge spreekt, dringt als een doodende dolk in de harten van uw broeders door! Aan uw tong hangt hun leven! Neem dat alles wel ter harte!»En zij raakte met haar hand tegelijkertijd de brandnetel aan; deze was als een brandend vuur; Elize werd er wakker van. Het was klaarlichte dag, en dicht bij de plaats, waar zij geslapen had, lag een brandnetel evenals die, welke zij in den droom gezien had. Nu viel zij op haar knieën, dankte God en ging de grot uit, om een begin met haren arbeid te maken.Met haar fijne handen greep zij in de leelijke brandnetels; deze waren als vuur; zij brandden groote blaren op haar handen en armen: maar gaarne wilde zij dit lijden doorstaan, als zij er haar geliefde broeders maar door kon verlossen. Zij braakte iedere brandnetel met haar bloote voeten en vlocht het groene vlas.Toen de zon ondergegaan was, kwamen haar broeders en verschrikten, toen zij merkten, dat zij stom was; zij dachten, dat dit een nieuwe betoovering van hun booze stiefmoeder was. Maar toen zij haar handen zagen, begrepen zij, wat zij om hunnentwil deed. De jongste broeder weende; en waar zijn tranen vielen, daar voelde zij geen pijn meer; daar verdwenen de brandende blaren.Den heelen nacht bracht zij met haar arbeid door; want zij had geen rust, voordat zij haar broeders verlost had. Den volgenden dag, terwijl de zwanen weg waren, zal zij in haar eenzaamheid; maar nog nooit was de tijd haar zoo gauw voorbijgegaan als thans. Één hemd was reeds klaar, nu begon zij aan het tweede.Eensklaps weerklonk er een jachthoorn tusschen de bergen; zij werd door vrees aangegrepen. Het geschal kwam gedurig naderbij; zij hoorde honden blaffen; verschrikt vluchtte zij in de grot, bond de brandnetels, die zij verzameld en gebraakt had, in een bosje samen en zette zich daarop neer.Terstond kwam er een groote hond uit de kloof te voorschijn, en al spoedig daarop weer een, en nog een; zij blaften luide, liepen terug en kwamen andermaal weer. Het duurde slechts weinige minuten, en nu stonden al de jagers voor de grot, en de schoonste vanhen was de koning des lands. Hij ging naar Elize toe; nooit had hij een schooner meisje gezien.«Hoe zijt ge hier zoo gekomen, beste meid?» vroeg hij. Elize schudde met het hoofd: zij mocht immers niet spreken; het gold de verlossing en het leven van haar broers. En zij verborg haar handen onder haar schort, opdat de koning niet zou zien, wat zij moest lijden.«Ga met mij mee!» zeide hij. «Hier kunt ge niet blijven. Als ge even goed zijt als schoon, dan zal ik u in zijde en fluweel kleeden, een gouden kroon op uw hoofd zetten, en dan zult ge in mijn prachtigste kasteel wonen en heerschen!»—Daarop tilde hij haar op zijn paard. Zij weende en wrong zich de handen; maar de koning zei: «Ik wil slechts uw geluk. Eenmaal zult ge mij daarvoor danken.» Met deze woorden reed hij door het gebergte heen en zette haar voor zich op het paard neer, en de jagers reden achter hen.Toen de zon onderging, lag de schoone koningstad met kerken en koepels voor hen. En de koning bracht haar in het kasteel, waar groote fonteinen in de marmeren zalen sprongen, en waar schilderijen aan de muren prijkten. Maar zij had daarvoor geen oogen: zij weende en treurde slechts. Gewillig liet zij zich door de vrouwen koninklijke kleeren aandoen, paarlen in de haren vlechten en fijne handschoenen over haar verbrande vingers aantrekken.Toen zij daar in al haar pracht stond, was zij verblindend schoon, zoodat het hof diep voor haar boog. En de koning verkoos haar tot zijn bruid, ofschoon de aartsbisschop het hoofd schudde en fluisterde, dat het schoone meisje uit het bosch zeker een heks was: zij verblindde de oogen des konings en maakte zijn hart verdwaasd.Maar de koning luisterde daar niet naar, liet de muziek weerklinken, de kostelijkste gerechten opdragen en de bekoorlijkste meisjes om haar heen dansen. En zij werd door geurende tuinen in prachtige zalen gebracht, maar geen enkel glimlachje kwam er op haar lippen of uit haar oogen: als een beeld der treurigheid stond zij daar. Nu deed de koning een kleine kamer daarnaast open, waar zij zou slapen; deze was met kostbare groene tapijten versierd en geleek op de grot, waarin zij geweest was; op den vloer lag een bosje vlas, dat zij uit de brandnetels vervaardigd had, en onder een gordijn hing het hemd, dat geheel gereed was. Dit alles had een der jagers als een curiositeit meegenomen.«Hier kunt ge u in uw vroegere woonplaats terugdroomen!» zei de koning. «Hier is de arbeid, die u daar bezighield; thans, midden in al uw pracht, zal het u een genoegen zijn, aan dien tijd terug te denken.»Toen Elize zag, wat haar zoo na aan het hart lag, speelde er een glimlach om haar lippen en keerde het bloed naar haar wangen terug. Zij dacht aan de verlossing van haar broeders, kuste den koning de hand, en hij drukte haar aan zijn hart en liet door al de kerkklokken het bruiloftsfeest verkondigen. Het schoone, stomme meisje uit het bosch werd de koningin van het land.Nu fluisterde de aartsbisschop booze woorden in de ooren van den koning, maar deze drongen niet tot zijn hart door. De bruiloft zou plaats hebben; de aartsbisschop zelf moest haar de kroon op het hoofd zetten, en hij drukte met kwaadwilligheid den nauwen diadeem vast op haar voorhoofd, zoodat het haar pijn deed. Maar een heviger pijn gevoelde zij in haar hart: de smart over haar broeders. Zij voelde het lichamelijk lijden niet. Haar mond was stom; een enkel woord zou immers aan haar broeders het leven kosten; maar in haar oogen verried zich innige liefde jegens den goeden, schoonen koning, die alles deed om haar genoegen te geven. Van ganscher harte kreeg zij hem van dag tot dagmeer lief. O, mocht zij haar hart slechts voor hem kunnen uitstorten en hem haar lijden klagen! Doch stom moest zij zijn, stom moest zij haar werk volbrengen. Daarom sloop zij des nachts van zijn zijde weg, ging naar de kleine kamer, die evenals de grot ingericht was, en maakte het eene hemd na het andere gereed. Maar toen zij aan het zevende zou beginnen; had zij geen vlas meer.Zij wist, dat de brandnetels, die zij moest hebben, op het kerkhof groeiden; maar deze moest zij zelf plukken. Hoe zou zij daar naar toe kunnen gaan?«O, wat is de pijn in mijn vingers bij de foltering, die mijn hart doorstaat!» dacht zij. «Ik moet het wagen! Het zal mij stellig aan hulp niet ontbreken!» Met een angst, alsof het een booze daad was, die zij in den zin had, sloop zij in den nachtelijken maneschijn naar den tuin en liep door de lanen en door de eenzame straten naar het kerkhof. Daar zag zij op een der grootste grafsteenen een troep heksen zitten. Deze leelijke heksen trokken haar lompen uit, alsof zij zich wilden baden, en daarop dolven zij met haar lange, magere vingers de versche graven op, haalden er met duivelsche begeerigheid de lijken uit en aten van hun vleesch. Elize moest er op een kleinen afstand voorbij, en zij vestigden haar booze blikken op haar; maar zij bad in stilte, verzamelde de brandnetels en bracht ze naar het kasteel toe.Slechts een enkel mensch had haar gezien, en wel de aartsbisschop; hij was wakker, wanneer de anderen sliepen. Nu had hij toch gelijk, dat het met de koningin niet was, zooals het wezen moest; zij was een heks, daarom had zij den koning en het volk verblind.In den biechtstoel zeide hij tegen den koning, wat hij gezien had en wat hij vreesde. En toen de harde woorden van zijn lippen vloeiden, schudden de heiligenbeelden met hun hoofden, alsof zij wilden zeggen: «Het is zoo niet! Elize is onschuldig!» Maar de aartsbisschop gaf er een andere uitlegging aan; hij dacht, dat zij tegen haar getuigden, en dat zij om haar zonde het hoofd schudden. Nu biggelden den koning twee tranen langs de wangen; hij ging naar huis met twijfel in zijn hart en hield zich ’s nachts, alsof hij sliep. Maar er kwam geen geruste slaap in zijn oogen: hij merkte, dat Elize opstond. Iederen nacht herhaalde zij dit, en telkensachtervolgde hij haar stilletjes en zag, hoe zij in haar kamer verdween.Van dag tot dag werd zijn voorkomen somberder; Elize zag dit, maar begreep niet, hoe het kwam; het maakte haar echter ongerust, en wat leed zij niet in haar hart voor haar broeders! Op het koninklijk fluweel en purper vloeiden haar heete tranen; deze lagen daar als fonkelende diamanten en allen, die deze schitterende pracht zagen, wenschten koningin te zijn. Intusschen was zij al spoedig met haar arbeid gereed; slechts één hemd ontbrak er nog aan; maar vlas had zij ook niet meer en geen enkele brandnetel. Nog eenmaal, en wel voor den laatsten keer, moest zij daarom naar het kerkhof, om eenige handenvol te plukken. Zij dacht met angst aan dezen eenzamen tocht en aan de verschrikkelijke heksen; maar haar wil stond vast, alsmede haar vertrouwen op den Heer.Elize ging er heen; maar de koning en de aartsbisschop volgden haar. Zij zagen haar het hek van het kerkhof doorgaan, en toen zij daar dichter bij kwamen, zaten de heksen op den grafsteen, evenals Elize ze gezien had; en de koning wendde zich af, want hij meende ook haar daar te zien, wier hoofd nog dien zelfden avond aan zijn borst gerust had.«Het volk moet haar vonnissen!» zeide hij. En het volk veroordeelde haar tot den dood op den brandstapel.Uit de prachtige koninklijke zalen werd zij naar een donkeren, vochtigen kerker overgebracht, waar de wind door de tralies heenfloot; in plaats van fluweel en zijde gaf men haar het bosje brandnetels, dat zij verzameld had: daar kon zij haar hoofd op neerleggen: de harde, brandende hemden, die zij vervaardigd had, zouden haar dekens zijn.Maar men had haar niets kunnen geven, wat haar aangenamer was; zij vatte haar werk weer op en bad tot God. Buiten zongen de jongens spotliederen op haar; niemand troostte haar met een vriendelijk woord.Daar klapten er tegen den avond dicht voor het getraliede raam zwanevleugels; dat was de jongste der broeders. Hij had zijn zuster gevonden; en zij snikte luid van vreugde, ofschoon zij wist, dat de nacht, die aanstaande was, waarschijnlijk de laatste zou zijn, dien zij te leven had. Maar nu was het werk ook bijna geëindigd, en haar broeders waren hier.De aartsbisschop kwam nu, om in haar laatste uren bij haar te zijn: dat had hij den koning beloofd. Maar zij schudde het hoofd en smeekte met blikken en gebaren, dat hij heen zou gaan. Dezen nacht moest zij haar arbeid immers voltooien, anders was alles vruchteloos, alles: smart, tranen en slapelooze nachten. De aartsbisschop verwijderde zich, terwijl hij haar toornige woorden toevoegde; maar de arme Elize wist, dat zij onschuldig was en ging met haar werk voort.De kleine muizen liepen over den vloer; zij sleepten brandnetels naar haar toe, om toch ook wat te helpen; en de lijster zette zich voor het raam neer en zong den heelen nacht zoo vroolijk, als zij maar kon, opdat Elize den moed niet zou verliezen.Het was nog schemerachtig; eerst na verloop van een uur ging de zon op. En daar stonden de elf broeders voor de poort van het kasteel en verlangden tot den koning toegelaten te worden. Dat kon niet gebeuren, werd hun ten antwoordgegeven; het was immers nog nacht: de koning sliep en mocht niet wakker gemaakt worden. Zij smeekten en dreigden, de wacht kwam, ja, zelfs de koning ging naar buiten en vroeg, wat dat moest beteekenen? Daar ging de zon op, en nu waren er geen broeders te zien; maar boven het kasteel vlogen er elf wilde zwanen.Het geheele volk stroomde de stadspoort uit: het wilde de heks zien verbranden. Een oud paard trok de kar, waarop zij zat, voort; men had haar een kiel van grof zaklinnen aangetrokken; haar prachtig haar hing verward om haar hoofd; haar wangen waren doodsbleek, haar lippen bewogen zich zachtjes, terwijl haar vingers het groene vlas vlochten. Zelfs op haar doodsweg hield zij niet met het begonnen werk op; de tien hemden lagen aan haar voeten, aan het elfde werkte zij nog. Het gepeupel bespotte haar.«Kijk die leelijke heks eens! Geen gezangboek heeft zij in de hand; neen, met haar afschuwelijke tooverij zit zij daar! Scheurt haar in duizend stukken!»En zij snelden allen op haar los en wilden de hemden verscheuren, toen er elf wilde zwanen kwamen aanvliegen, die zich rondom haar op de kar neerzetten en met hun groote vleugels klapten. Nu week de menigte verschrikt op zijde.«Dat is een teeken van den hemel! Zij is zeker onschuldig!» fluisterden velen. Maar zij waagden het niet, dit overluid te zeggen.Nu greep de beul haar bij de hand, waarop zij de elf hemden haastig over de zwanen heenwierp. En onmiddellijk stonden daar elf schoone prinsen. Maar de jongste had een zwanevleugel in plaats van zijn eenen arm, want er ontbrak een mouw aan zijn hemd: deze had zij niet klaargekregen.«Nu mag ik spreken!» zeide zij. «Ik ben onschuldig!»En het volk, dat zag, wat er gebeurd was, boog zich voor haar als voor een heilige; maar zij zonk levenloos in de armen van haar broeders: zoozeer hadden overspanning, angst en smart haar aangegrepen.«Ja, onschuldig is zij,» zei de oudste broeder, en nu vertelde hij alles, wat er gebeurd was. En terwijl hij sprak, verspreidde zich een geur, als van millioenen rozen, want ieder stuk brandhout van den brandstapel had wortelen geschoten en kreeg takken; er stond daar een geurende heg, hoog en groot, met roode rozen; bovenaan prijkte een bloem, wit en schitterend; deze fonkelde als een ster. De koning plukte haar af en stak haar op de borst van Elize: nu ontwaakte zij met vrede en gelukzaligheid in het hart.En alle kerkklokken luidden van zelf, en de vogels kwamen bij groote scharen aan. Het werd eenbruidsstoetnaar het kasteel terug zooals geen koning nog ooit gezien had!

Ver van hier, daar, waarheen de zwaluwen vliegen, wanneer wij winter krijgen, woonde eens een koning. Deze had elf zonen en één dochter, Elize genaamd.De elf broeders waren prinsen. Zij gingen met de ster op de borst en de sabel op zijde naar school toe, zij schreven met diamanten griften op gouden leien en leerden even goed van buiten, als zij lazen; men kon dadelijk hooren, dat het prinsen waren. Hun zuster Elize zat op een klein bankje van spiegelglas en had een prentenboek, dat voor het halve koninkrijk gekocht was.

O, die kinderen hadden het zoo goed, als het maar kon; doch zoo zou het niet altijd blijven!

Hun vader, die koning over het geheele land was, trouwde met een booze koningin, die de arme kinderen volstrekt niet mocht lijden. Op den eersten dag konden zij dit al merken. Op het kasteel heerschte groote pracht, en nu speelden de kinderen, dat zij visite hadden; maar in plaats dat zij, evenals vroeger, zooveel koek en gebraden appels kregen, als er maar te vinden waren, gaf zij hunslechts zand in een theekopje en zeide, dat zij nu maar net moesten doen, alsof dit iets was.

In de daarop volgende week bracht zij de kleine Elize naar het platteland naar een boer en een boerin toe, en lang duurde het niet, of zij loog den koning zooveel van de arme prinsen voor, dat deze zich volstrekt niet meer om hen bekommerde.

«Vliegt de wijde wereld in en helpt u zelf!» zei de booze koningin. «Vliegt, evenals de groote vogels zonder stem!» Maar zij kon het toch niet zoo erg maken, als zij graag wilde; het werden elf prachtige wilde zwanen. Met een zonderling geschreeuw vlogen zij uit de ramen van het kasteel, over het park heen en het bosch in.

Het was nog vroeg in den morgen, toen zij daar voorbijkwamen, waar hun zuster Elize in de kamer van den boer lag te slapen. Hier zweefden zij boven het dak, draaiden met hun lange halzen heen en weer en sloegen toen met hun vleugels; maar niemand hoorde of zag het. Zij moesten weer verder, hoog naar de wolken op, de wijde wereld in; nu vlogen zij naar een groot, donker bosch, dat zich tot aan het strand der zee uitstrekte.

De arme, kleine Elize stond in de kamer van den boer en speelde met een groen blad: want ander speelgoed had zij niet. Zij stak een gat in dit blad, keek er doorheen naar de zon, en nu was het, alsof zij de heldere oogen van hare broeders zag; telkens wanneer de warme zonnestralen op haar wangen vielen, dacht zij aan al hun kussen.

De eene dag verliep evenals de andere. Als de wind door de groote rozenheggen buiten voor het huis gierde, dan fluisterde hij de rozen toe: «Wie kan schooner zijn dan gij?» Maar de rozen schudden het hoofd en zeiden: «Elize is schooner!» En als de oude vrouw des Zondags voor de deur zat en in haar gezangboek las, dan keerde de wind de bladeren om en zeide tegen het boek: «Wie kan vromer zijn dan gij?» En dan antwoordde het gezangboek: «Elize is vromer!» En het was de volle waarheid, wat de rozen en het gezangboek zeiden.

Toen zij vijftien jaar oud was, zou zij naar huis terugkeeren; maar toen de koningin zag, hoe schoon zij was, werd zij toornig op haar. Gaarne zou zij haar in een wilden zwaan veranderd hebben, evenals haar broeders; maar dat waagde zij niet dadelijk, omdat de koning zijn dochter wilde zien.

’s Morgens vroeg ging de koningin in het bad, dat van marmer gebouwd en met zachte kussens en de prachtigste dekens versierd was; zij nam drie padden, kuste ze en zei tegen de eene: «Ga op het hoofd van Elize zitten, als zij in het bad komt, opdat zij even dom moge worden, als jij bent!»—«Zet je op haar voorhoofd neer,» zeide zij tegen de tweede, «opdat zij even leelijk moge worden, als jij bent, zoodat haar vader haar niet herkent!»—«Rust aan haar hart!» fluisterde zij de derde toe; «laat haar een boos karakter krijgen, opdat zij daarvan verdriet moge hebben!» Daarop zette zij de padden in het heldere water, dat terstond een groene kleur aannam,riep Elize, kleedde haar uit en liet haar in het water neerdalen. En terwijl Elize onder water dook, zette de eene pad zich in haar haar, de andere op haar voorhoofd en de derde op haar borst neer. Maar Elize scheen dit niet te bemerken; zoodra zij zich oprichtte, dreven er drie roode papavers op het water. Als de dieren niet vergiftig geweest waren en een kus van de heks gekregen hadden, dan zouden zij in roode rozen veranderd zijn. Maar bloemen werden zij toch, omdat zij op haar hoofd, haar voorhoofd en haar hart gezeten hadden. Zij was te vroom en te onschuldig, dan dat de tooverij macht over haar zou kunnen hebben!

Toen de booze koningin dit zag, wreef zij Elize met het sap van een walnoot in, zoodat zij donkerbruin werd, bestreek haar schoon gelaat met een stinkende zalf en liet haar prachtig haar in de war raken. Het was onmogelijk, de schoone Elize nu te herkennen.

Toen haar vader haar zag, verschrikte hij en zeide, dat het zijn dochter niet was. Geen anderen dan de hond en de zwaluwen konden haar herkennen; maar dat waren arme dieren, die niets te zeggen hadden.

Nu weende de arme Elize en dacht aan haar elf broeders, die allemaal weg waren. Bedroefd sloop zij het kasteel uit en liep den geheelen dag over veld en moeras, totdat zij in het groote bosch kwam. Zij wist niet, waar zij naar toe zou gaan, maar gevoelde zich diep bedroefd en verlangde naar haar broers; dezen waren zeker ook, evenals zij, de wijde wereld ingejaagd; en nu wilde zij hen zoeken en vinden.

Slechts korten tijd was zij in het bosch geweest, toen de nacht aanbrak; zij wist nu weg noch steg meer; daarom ging zij op het zachte mos liggen, deed haar avondgebed en leunde met haar hoofd tegen een boomtronk aan. Er heerschte een diepe stilte; de lucht was zacht, en om haar heen in het gras en in het mos gaven honderden glimwormpjes, als een groen vuur, gloed van zich; toen zij een der takken zachtjes met haar hand aanraakte, vielen de lichtgevende insecten als verschietende sterren naast haar neer.

Den geheelen nacht droomde zij van haar broers; zij speelden weer als kinderen, schreven met de diamanten griften op de gouden leien en keken in het prachtige prentenboek, dat het halve koninkrijk gekost had. Maar op hun leien schreven zij niet, evenals vroeger, cijfers, maar de moedige daden, die zij volbracht, alles, wat zij ondervonden en gezien hadden; en in het prentenboek leefde alles; de vogels zongen en de menschen kwamen het boek uit en spraken met Elize en haar broers. Maar als dezen het blad omkeerden, sprongen zij er dadelijk weer in, opdat de prenten niet in de war zouden raken.

Toen zij wakker werd, stond de zon al hoog aan den hemel; Elize kon haar echter niet zien; want de hooge boomen spreidden hun takken dicht boven haar uit. Maar de stralen speelden daarboven als een gouden lint; er was een geur van het groen, en de vogels zetten zich bijna op haar schouders neer. Zij hoorde waterplassen: dat waren groote bronnen, die alle in een meer uitliepen, met den heerlijksten zandgrond. Het was omringd door dichte struiken; maar op één plaats hadden de herten een groote opening gemaakt, en hier ging Elize naar het water toe. Dit was zoo helder, dat men, als de wind de takken en de struiken niet had aangeraakt, zoodat zij zich bewogen, zou gedacht hebben, dat zij op den bodem van het water afgeteekend waren; zoo duidelijk spiegelde ieder blad zich daarin af, zoowel dat, hetwelk door de zon beschenen werd, als dat, hetwelk in de schaduw was.

Zoodra Elize haar eigen gezicht zag, verschrikte zij, zoo bruin en leelijk was het; maar toen zij haar kleine hand nat maakte en daarmee over haar oogen en haar voorhoofd wreef, kwam haar blanke huid weer te voorschijn. Nu kleedde zij zich uit en daalde in het frissche water neer! Een schooner koningskind, dan zij was, werd er in de wereld niet gevonden!

Toen zij zich weer aangekleed en haar lange lokken gevlochten had, ging zij naar de springbron toe, dronk uit het holle van haar hand en liep het bosch dieper in, zonder zelf te weten waarheen. Zij dacht aan haar broeders, dacht aan den goeden God, die haar zeker niet zou verlaten. God liet de wilde appelen in het bosch groeien, om de hongerigen te verzadigen. Hij wees haar zulk een boom aan; de takken daarvan bogen zich onder den last der vruchten. Hier hield zij haar middagmaal, zette stutten onder de takken en ging toen het donkerste gedeelte van het bosch in. Daar was het zoo stil, dat zij haar eigen voetstappen hoorde, alsmede het ritselen van ieder dor blad, dat zich onder haar voet boog. Geen enkele vogel was er te zien, geen enkele zonnestraal kon door de groote, donkere takken heendringen; de hooge stammen stonden zoo dicht bij elkaar, dat het, wanneer zij voor zich uitkeek, den schijn had, alsof zij door een hek van balken omgeven was. O, hier heerschte een eenzaamheid, zooals zij vroeger nooit gekend had.

De nacht werd stikdonker; geen enkel glimwormpje gaf meer licht in het mos. Bedroefd legde zij zich ter neer om te slapen. Nu scheen het haar, alsof de takken der boomen boven haar ter zijde weken en de goede God met milde blikken op haar neerzag; en de kleine engelen keken boven Zijn hoofd en onder Zijn armen uit.

Toen zij ’s morgens wakker werd, wist zij niet, of zij het gedroomd had, dan of het werkelijk zoo geweest was.

Zij deed eenige schreden voorwaarts. Nu ontmoette zij een oude vrouw met bessen in haar mand; de oude vrouw gaf haar daarvan wat. Elize vroeg haar, of zij niet elf prinsen door het bosch had zien rijden.

«Neen,» zei de oude vrouw; «maar ik heb gisteren elf zwanen, ieder met een gouden kroon op den kop, hier in de nabijheid over de rivier zien zwemmen.»

En zij bracht Elize een eindje verder tot aan een helling; aan den voet daarvan kronkelde zich een riviertje; de boomen op de oevers strekten hun lange, lommerrijke takken naar elkander uit,en waar zij, tengevolge van hun natuurlijken groei, niet aan elkander konden raken, daar waren de wortels uit den grond losgerukt en hingen, met de takken in elkaar gestrengeld, over het water heen.

Elize zei de oude vrouw vaarwel en liep langs het riviertje tot aan de plaats, waar dit naar den grooten, open oceaan vloeide.

De geheele heerlijke zee lag voor het jonge meisje, maar geen enkel zeil vertoonde zich daarop, geen enkel schip was er op te zien. Hoe zou zij nu verder komen? Zij bekeek de tallooze kleine steentjes, die er op het strand lagen: het water had ze allemaal rond gemaakt. Glas, ijzer, steenen, alles, wat daar aangespoeld was, had zijn vorm gekregen door het water, dat toch veel zachter dan haar fijne hand was.«Dat rolt onvermoeid voort, en zoo wordt het harde glad; ik zal ook zoo onvermoeid zijn. Dank voor uw les, gij heldere, rollende golven! Eenmaal, dat zegt mij mijn hart, zult ge mij naar mijn broeders toe brengen!»

Op het aangespoelde zeegras lagen elf witte zwaneveeren; zij bond ze bij elkaar. Er lagen waterdroppels op: of het dauwdroppels of tranen waren, kon niemand zien. Eenzaam was het daar aan het strand, maar zij gevoelde het niet; want de zee bood een eeuwige afwisseling aan, ja, meer in slechts weinige uren, dan de zoete landwateren in een jaar kunnen opleveren. Als er een groote, zwarte wolk kwam, dan was het, alsof de zee wilde zeggen: «Ik kan er ook donker uitzien,» en dan blies de wind en keerden de golven den witten kant naar buiten. Maar als de wolken rood schenen en de winden sliepen, dan was de zee als een rozeblad; nu eens werd zij groen, dan weer wit. Maar hoe stil zij ook was, aan den oever was toch altijd een zachte beweging; het water verhief zich slechts even, gelijk de borst van een slapend kind.

Toen de zon zou ondergaan, zag Elize elf witte zwanen metgouden kronen op hun koppen naar het land toe komen; zij vlogen vlak achter elkaar, zoodat ze een lang wit lint schenen. Nu klom Elize de helling op en verborg zich achter een kreupelboschje; de zwanen zetten zich dicht bij haar neer en sloegen met hun groote witte vleugels.

Zoodra de zon in het water verdwenen was, vielen de zwaneveeren plotseling af, en nu stonden daar elf schoone prinsen, de broeders van Elize. Zij gaf een luiden gil; ofschoon zij heel wat veranderdwaren, wist zij toch, dat zij het waren, gevoelde zij, dat zij het zijn moesten. En zij vloog hun in de armen en noemde hen bij name; en de prinsen voelden zich hoogst gelukkig, toen zij hun kleine zuster zagen en herkenden ook haar, die nu groot en schoon was. Zij lachten en weenden, en al spoedig hadden zij begrepen, hoe slecht hun stiefmoeder voor hen allen geweest was.

«Wij broeders,» zei de oudste, «wij vliegen als wilde zwanen, zoolang de zon aan den hemel staat; zoodra zij ondergegaan is, krijgen wij onze menschelijke gedaante terug. Daarom moeten wij altijd oppassen, dat wij bij den ondergang der zon een rustplaats voor onze voeten hebben; want als wij op dien tijd naar de wolken opvliegen, dan moeten wij als menschen in de diepte neerstorten. Hier wonen wij niet; er ligt een even schoon land als dit aan gene zijde der zee. Maar de weg daarheen is ver: wij moeten over de groote zee heen, en er bevindt zich geen eiland op onzen weg, waar wij kunnen overnachten: alleen een kleine klip steekt er in het midden daarvan uit; deze is slechts zoo groot, dat wij, dicht naast elkander liggende, daarop kunnen slapen. Is de zee in hevige beweging, dan spat het water hoog boven ons uit; maar toch danken wij God voor die klip. Daar overnachten wij in onze menschelijke gedaante; zonder deze zouden wij ons lieve vaderland nimmer kunnen bezoeken, want twee van de langste dagen des jaars hebben wij voor onzen tocht noodig. Slechts eenmaal in het jaar is het ons vergund, een bezoek aan ons vaderland te brengen; elf dagen mogen wij hier blijven en over het groote bosch heenvliegen, vanwaar wij het kasteel waarin wij geboren zijn en waar onze vader woont, en de hooge kerktorens, waar onze moeder begraven is, kunnen zien. Hier komt het ons voor, alsof boomen en planten aan ons verwant waren; hier loopen de wilde paarden over de steppen heen, zooals wij dit in onze kindsheid gezien hebben; hier zingt de kolenbrander zijn oude liederen, waarop wij als kinderen dansten; hier is ons vaderland; hierheen gevoelen wij ons aangetrokken, en hier hebben wij u, o lieve, kleine zuster, gevonden! Twee dagen kunnen wij hier nog blijven, dan moeten wij over de zee naar een heerlijk land, dat ons vaderland echter niet is. Hoe zullen wij je daar naar toe brengen? Wij hebben geen schip en geen boot!»

«Op welke wijze kan ik je verlossen?» vroeg hun zuster. En zij spraken bijna den geheelen nacht met elkaar: zij sliepen slechts eenige uren.

Elize ontwaakte door het geklep der zwanevleugels, die over haar heen bruisten: haar broeders waren weer veranderd en vlogen in groote kringen en eindelijk ver weg; maar een hunner, de jongste, bleef achter; en de zwaan legde zijn kop in haar schoot en zij streelde zijn vleugels; den geheelen dag waren zij bij elkaar. Tegen den avond kwamen de anderen terug, en toen de zon ondergegaan was, stonden zij daar weer in hun natuurlijke gedaante.

«Morgen vliegen wij van hier weg en kunnen voor het einde vaneen geheel jaar niet terugkeeren. Maar wij kunnen je zoo niet verlaten. Heb je moed om mee te gaan? Ik ben sterk genoeg om je door het bosch te dragen. Zouden wij met ons allen niet zulke sterke vleugels hebben, om met je over de zee te vliegen?»

«Ja, neemt mij mee!» zei Elize.

Den heelen nacht waren zij bezig van buigzame wilgenschors en taaie biezen een net te vlechten, en dit werd groot en stevig. Op dit net legde Elize zich neer, en toen de zon te voorschijn kwam en haar broeders in wilde zwanen veranderd werden, pakten zij het net met hun snavels beet en vlogen met hun lieve zuster, die nog sliep, hoog naar de wolken op.De zonnestralen vielen vlak op haar gezicht, daarom ging een der zwanen boven haar hoofd vliegen, opdat zijn breede vleugels haar zouden beschutten.

Zij waren al ver van het land verwijderd, toen Elize wakker werd; zij dacht, dat zij nog droomde, zoo zonderling kwam het haar voor, hoog door de lucht over de zee gedragen te worden. Naast haar lag een tak met heerlijke, rijpe bessen en een bosje smakelijke wortelen; deze had de jongste der broeders voor haar verzameld en bij haar neergelegd. Zij glimlachte hem toe, want zij herkende hem; hij was het, die boven haar vloog en haar met zijn vleugels beschaduwde.

Zij waren zoo hoog, dat het grootste schip, dat zij onder zich zagen, een witte meeuw scheen te zijn, die op het water dreef. Een groote wolk stond achter hen; dat was een berg. En op dezen zag Elize haar eigene schaduw en die der elf zwanen; zoo reusachtig groot vlogen zij daar. Dat was een tooneel, prachtiger dan zij er vroeger ooit een gezien had. Maar toen de zon hooger steeg en de wolk verder achterbleef, verdween ook het zwevende schaduwbeeld.

Den geheelen dag vlogen zij voort, als een snorrende pijl door de lucht; maar het ging toch langzamer dan anders, want nu hadden zij hun zuster te dragen. Er was ruw weer ophanden; de avond viel; angstig zag Elize de zon al meer en meer dalen, en nog was de eenzame klip in zee niet te zien. Het kwam haar voor, alsof de zwanen krachtiger slagen met hun vleugels deden. Ach! zij was er de schuld van, dat zij niet vlug genoeg konden voortkomen. Als de zon ondergegaan was, dan moesten zij menschen worden, in de zee neerstorten en verdrinken. Nu zond zij uit het binnenste haars harten een gebed tot God op; maar nog zag zij geen klip. De zwarte wolk kwam naderbij; de wolken schenen een enkele, groote, dreigende massa te zijn, die er bijna als lood uitzag en al meer en meer voorwaarts dreef; bliksemstralen doorkliefden de lucht.

Nu was de zon juist aan den rand der zee. Het hart van Elize beefde; nu daalden de zwanen naar beneden, zoo snel, dat zij meende te vallen. Maar nu vlogen zij weer verder. De zon was half onder het water; nu zag zij eerst de kleine klip onder zich. Deze zag er niet grooter uit, dan of het een zeehond was, die met zijn kop boven het water uitstak. De zon daalde zeer snel; nuscheen zij nog slechts als een ster; daar raakte haar voet den vasten grond aan. De zon doofde uit, evenals de laatste vonk in brandend papier: arm in arm zag zij haar broeders om zich heen staan; maar meer plaats dan juist voor dezen en voor haar was er ook niet. De golven sloegen tegen de klip aan en spatten als een stofregen over haar heen; de lucht stond als in vuur, en de eene donderslag na den anderen ratelde; maar zuster en broeders grepen elkaar bij de hand en zongen psalmen, waaruit zij troost en moed putten.

Toen het den volgenden morgen begon te schemeren, was de lucht helder en stil; zoodra de zon opging, vlogen de zwanen met Elize van het eiland weg. De golven gingen nog hoog; het had, terwijl zij zoo hoog in de lucht waren, den schijn, alsof het witte schuim op de zwartachtig groene zee millioenen zwanen waren, die op het water zwommen.

Toen de zon hooger steeg, zag Elize voor zich, half in de lucht drijvend, een bergachtig land met schitterende ijsmassa’s op de rotsen; en in het midden daarvan verhief zich een kasteel van wel een mijl lang, met de eene kolossale zuilengang boven de andere; beneden golfden palmbosschen en prachtige bloemen. Zij vroeg, of dit het land was, waar zij naar toe wilden; maar de zwanen schudden met hun kop, want datgene, wat zij zag, was het heerlijke, aldoor afwisselende wolkenkasteel der Fata Morgana; daarin konden zij geen menschen brengen. Elize staarde het aan; daar stortten bergen, bosschen en kasteel ineen, en twintig trotsche kerken, alle aan elkaar gelijk, met hooge torens en spitsboogvensters stonden voor hen. Zij meende een orgel te hooren spelen, maar het was de zee, die zij hoorde. Nu was zij zeer dicht bij de kerken, en eensklaps werden deze tot een geheele vloot, die onder haar voortzeilde; maar toen zij naar beneden keek, waren het slechts nevelen, die over het water heen dreven. Zoo had zij een voortdurende afwisseling voor oogen, totdat zij eindelijk het werkelijke land zag, waar zij naar toe wilden; daar verhieven zich de heerlijkste blauwe bergen met cederbosschen, steden en kasteelen. Lang voordat de zon onderging, zat zij op de rotsen voor een groote grot, die met fijne groene slingerplanten begroeid was; het zag er uit, alsof het geweven tapijten waren.

«Nu zullen we eens zien, wat je hier van nacht droomt!» zei de jongste broer en wees haar haar slaapkamer.

«Moge de Hemel geven, dat ik droom, hoe ik je kan verlossen!» zeide zij. En deze gedachte hield haar geheel en al bezig; zij bad innig tot God om Zijn hulp; ja, zelfs in den slaap ging zij met bidden voort. Daar kwam het haar voor, alsof zij hoog in de lucht vloog, naar het wolkenkasteel der Fata Morgana; en de toovergodin kwam haar te gemoet, schoon en van licht stralende; en toch geleek zij precies op de oude vrouw, die haar in het bosch bessen gegeven en haar van de zwanen met gouden kronen op den kop verteld had.

«Uw broeders kunnen verlost worden,» zeide zij; «maar bezit gemoed en volharding? Wel is het water zachter dan uw fijne handen, maar toch rondt het de steenen af; doch het voelt de smarten niet, die uw vingers zullen voelen; het heeft geen hart en lijdt den angst en de kwelling niet, die gij zult moeten doorstaan. Ziet ge die brandnetel, die ik in mijn hand houd? Van die zelfde soort groeien er verscheidene rondom de grot, waarin ge slaapt; alleen die daar en die, welke op de graven van het kerkhof groeien, zijn bruikbaar: let daar wel op! Die moet ge plukken, ofschoon zij uw hand vol blaren zullen branden. Braak deze brandnetels met uw voeten, dan krijgt ge vlas; daarvan moet ge elf hemden met lange mouwen vlechten en naaien; werp deze over de elf zwanen heen, dan is de betoovering geweken. Maar bedenk wel, dat ge van het oogenblik, waarop ge met dezen arbeid begint, totdat deze voltooid is, al mochten er ook jaren mee verloopen, niet moogt spreken; het eerste woord, dat ge spreekt, dringt als een doodende dolk in de harten van uw broeders door! Aan uw tong hangt hun leven! Neem dat alles wel ter harte!»

En zij raakte met haar hand tegelijkertijd de brandnetel aan; deze was als een brandend vuur; Elize werd er wakker van. Het was klaarlichte dag, en dicht bij de plaats, waar zij geslapen had, lag een brandnetel evenals die, welke zij in den droom gezien had. Nu viel zij op haar knieën, dankte God en ging de grot uit, om een begin met haren arbeid te maken.

Met haar fijne handen greep zij in de leelijke brandnetels; deze waren als vuur; zij brandden groote blaren op haar handen en armen: maar gaarne wilde zij dit lijden doorstaan, als zij er haar geliefde broeders maar door kon verlossen. Zij braakte iedere brandnetel met haar bloote voeten en vlocht het groene vlas.

Toen de zon ondergegaan was, kwamen haar broeders en verschrikten, toen zij merkten, dat zij stom was; zij dachten, dat dit een nieuwe betoovering van hun booze stiefmoeder was. Maar toen zij haar handen zagen, begrepen zij, wat zij om hunnentwil deed. De jongste broeder weende; en waar zijn tranen vielen, daar voelde zij geen pijn meer; daar verdwenen de brandende blaren.

Den heelen nacht bracht zij met haar arbeid door; want zij had geen rust, voordat zij haar broeders verlost had. Den volgenden dag, terwijl de zwanen weg waren, zal zij in haar eenzaamheid; maar nog nooit was de tijd haar zoo gauw voorbijgegaan als thans. Één hemd was reeds klaar, nu begon zij aan het tweede.

Eensklaps weerklonk er een jachthoorn tusschen de bergen; zij werd door vrees aangegrepen. Het geschal kwam gedurig naderbij; zij hoorde honden blaffen; verschrikt vluchtte zij in de grot, bond de brandnetels, die zij verzameld en gebraakt had, in een bosje samen en zette zich daarop neer.

Terstond kwam er een groote hond uit de kloof te voorschijn, en al spoedig daarop weer een, en nog een; zij blaften luide, liepen terug en kwamen andermaal weer. Het duurde slechts weinige minuten, en nu stonden al de jagers voor de grot, en de schoonste vanhen was de koning des lands. Hij ging naar Elize toe; nooit had hij een schooner meisje gezien.

«Hoe zijt ge hier zoo gekomen, beste meid?» vroeg hij. Elize schudde met het hoofd: zij mocht immers niet spreken; het gold de verlossing en het leven van haar broers. En zij verborg haar handen onder haar schort, opdat de koning niet zou zien, wat zij moest lijden.

«Ga met mij mee!» zeide hij. «Hier kunt ge niet blijven. Als ge even goed zijt als schoon, dan zal ik u in zijde en fluweel kleeden, een gouden kroon op uw hoofd zetten, en dan zult ge in mijn prachtigste kasteel wonen en heerschen!»—Daarop tilde hij haar op zijn paard. Zij weende en wrong zich de handen; maar de koning zei: «Ik wil slechts uw geluk. Eenmaal zult ge mij daarvoor danken.» Met deze woorden reed hij door het gebergte heen en zette haar voor zich op het paard neer, en de jagers reden achter hen.

Toen de zon onderging, lag de schoone koningstad met kerken en koepels voor hen. En de koning bracht haar in het kasteel, waar groote fonteinen in de marmeren zalen sprongen, en waar schilderijen aan de muren prijkten. Maar zij had daarvoor geen oogen: zij weende en treurde slechts. Gewillig liet zij zich door de vrouwen koninklijke kleeren aandoen, paarlen in de haren vlechten en fijne handschoenen over haar verbrande vingers aantrekken.

Toen zij daar in al haar pracht stond, was zij verblindend schoon, zoodat het hof diep voor haar boog. En de koning verkoos haar tot zijn bruid, ofschoon de aartsbisschop het hoofd schudde en fluisterde, dat het schoone meisje uit het bosch zeker een heks was: zij verblindde de oogen des konings en maakte zijn hart verdwaasd.

Maar de koning luisterde daar niet naar, liet de muziek weerklinken, de kostelijkste gerechten opdragen en de bekoorlijkste meisjes om haar heen dansen. En zij werd door geurende tuinen in prachtige zalen gebracht, maar geen enkel glimlachje kwam er op haar lippen of uit haar oogen: als een beeld der treurigheid stond zij daar. Nu deed de koning een kleine kamer daarnaast open, waar zij zou slapen; deze was met kostbare groene tapijten versierd en geleek op de grot, waarin zij geweest was; op den vloer lag een bosje vlas, dat zij uit de brandnetels vervaardigd had, en onder een gordijn hing het hemd, dat geheel gereed was. Dit alles had een der jagers als een curiositeit meegenomen.

«Hier kunt ge u in uw vroegere woonplaats terugdroomen!» zei de koning. «Hier is de arbeid, die u daar bezighield; thans, midden in al uw pracht, zal het u een genoegen zijn, aan dien tijd terug te denken.»

Toen Elize zag, wat haar zoo na aan het hart lag, speelde er een glimlach om haar lippen en keerde het bloed naar haar wangen terug. Zij dacht aan de verlossing van haar broeders, kuste den koning de hand, en hij drukte haar aan zijn hart en liet door al de kerkklokken het bruiloftsfeest verkondigen. Het schoone, stomme meisje uit het bosch werd de koningin van het land.

Nu fluisterde de aartsbisschop booze woorden in de ooren van den koning, maar deze drongen niet tot zijn hart door. De bruiloft zou plaats hebben; de aartsbisschop zelf moest haar de kroon op het hoofd zetten, en hij drukte met kwaadwilligheid den nauwen diadeem vast op haar voorhoofd, zoodat het haar pijn deed. Maar een heviger pijn gevoelde zij in haar hart: de smart over haar broeders. Zij voelde het lichamelijk lijden niet. Haar mond was stom; een enkel woord zou immers aan haar broeders het leven kosten; maar in haar oogen verried zich innige liefde jegens den goeden, schoonen koning, die alles deed om haar genoegen te geven. Van ganscher harte kreeg zij hem van dag tot dagmeer lief. O, mocht zij haar hart slechts voor hem kunnen uitstorten en hem haar lijden klagen! Doch stom moest zij zijn, stom moest zij haar werk volbrengen. Daarom sloop zij des nachts van zijn zijde weg, ging naar de kleine kamer, die evenals de grot ingericht was, en maakte het eene hemd na het andere gereed. Maar toen zij aan het zevende zou beginnen; had zij geen vlas meer.

Zij wist, dat de brandnetels, die zij moest hebben, op het kerkhof groeiden; maar deze moest zij zelf plukken. Hoe zou zij daar naar toe kunnen gaan?

«O, wat is de pijn in mijn vingers bij de foltering, die mijn hart doorstaat!» dacht zij. «Ik moet het wagen! Het zal mij stellig aan hulp niet ontbreken!» Met een angst, alsof het een booze daad was, die zij in den zin had, sloop zij in den nachtelijken maneschijn naar den tuin en liep door de lanen en door de eenzame straten naar het kerkhof. Daar zag zij op een der grootste grafsteenen een troep heksen zitten. Deze leelijke heksen trokken haar lompen uit, alsof zij zich wilden baden, en daarop dolven zij met haar lange, magere vingers de versche graven op, haalden er met duivelsche begeerigheid de lijken uit en aten van hun vleesch. Elize moest er op een kleinen afstand voorbij, en zij vestigden haar booze blikken op haar; maar zij bad in stilte, verzamelde de brandnetels en bracht ze naar het kasteel toe.

Slechts een enkel mensch had haar gezien, en wel de aartsbisschop; hij was wakker, wanneer de anderen sliepen. Nu had hij toch gelijk, dat het met de koningin niet was, zooals het wezen moest; zij was een heks, daarom had zij den koning en het volk verblind.

In den biechtstoel zeide hij tegen den koning, wat hij gezien had en wat hij vreesde. En toen de harde woorden van zijn lippen vloeiden, schudden de heiligenbeelden met hun hoofden, alsof zij wilden zeggen: «Het is zoo niet! Elize is onschuldig!» Maar de aartsbisschop gaf er een andere uitlegging aan; hij dacht, dat zij tegen haar getuigden, en dat zij om haar zonde het hoofd schudden. Nu biggelden den koning twee tranen langs de wangen; hij ging naar huis met twijfel in zijn hart en hield zich ’s nachts, alsof hij sliep. Maar er kwam geen geruste slaap in zijn oogen: hij merkte, dat Elize opstond. Iederen nacht herhaalde zij dit, en telkensachtervolgde hij haar stilletjes en zag, hoe zij in haar kamer verdween.

Van dag tot dag werd zijn voorkomen somberder; Elize zag dit, maar begreep niet, hoe het kwam; het maakte haar echter ongerust, en wat leed zij niet in haar hart voor haar broeders! Op het koninklijk fluweel en purper vloeiden haar heete tranen; deze lagen daar als fonkelende diamanten en allen, die deze schitterende pracht zagen, wenschten koningin te zijn. Intusschen was zij al spoedig met haar arbeid gereed; slechts één hemd ontbrak er nog aan; maar vlas had zij ook niet meer en geen enkele brandnetel. Nog eenmaal, en wel voor den laatsten keer, moest zij daarom naar het kerkhof, om eenige handenvol te plukken. Zij dacht met angst aan dezen eenzamen tocht en aan de verschrikkelijke heksen; maar haar wil stond vast, alsmede haar vertrouwen op den Heer.

Elize ging er heen; maar de koning en de aartsbisschop volgden haar. Zij zagen haar het hek van het kerkhof doorgaan, en toen zij daar dichter bij kwamen, zaten de heksen op den grafsteen, evenals Elize ze gezien had; en de koning wendde zich af, want hij meende ook haar daar te zien, wier hoofd nog dien zelfden avond aan zijn borst gerust had.

«Het volk moet haar vonnissen!» zeide hij. En het volk veroordeelde haar tot den dood op den brandstapel.

Uit de prachtige koninklijke zalen werd zij naar een donkeren, vochtigen kerker overgebracht, waar de wind door de tralies heenfloot; in plaats van fluweel en zijde gaf men haar het bosje brandnetels, dat zij verzameld had: daar kon zij haar hoofd op neerleggen: de harde, brandende hemden, die zij vervaardigd had, zouden haar dekens zijn.Maar men had haar niets kunnen geven, wat haar aangenamer was; zij vatte haar werk weer op en bad tot God. Buiten zongen de jongens spotliederen op haar; niemand troostte haar met een vriendelijk woord.

Daar klapten er tegen den avond dicht voor het getraliede raam zwanevleugels; dat was de jongste der broeders. Hij had zijn zuster gevonden; en zij snikte luid van vreugde, ofschoon zij wist, dat de nacht, die aanstaande was, waarschijnlijk de laatste zou zijn, dien zij te leven had. Maar nu was het werk ook bijna geëindigd, en haar broeders waren hier.

De aartsbisschop kwam nu, om in haar laatste uren bij haar te zijn: dat had hij den koning beloofd. Maar zij schudde het hoofd en smeekte met blikken en gebaren, dat hij heen zou gaan. Dezen nacht moest zij haar arbeid immers voltooien, anders was alles vruchteloos, alles: smart, tranen en slapelooze nachten. De aartsbisschop verwijderde zich, terwijl hij haar toornige woorden toevoegde; maar de arme Elize wist, dat zij onschuldig was en ging met haar werk voort.

De kleine muizen liepen over den vloer; zij sleepten brandnetels naar haar toe, om toch ook wat te helpen; en de lijster zette zich voor het raam neer en zong den heelen nacht zoo vroolijk, als zij maar kon, opdat Elize den moed niet zou verliezen.

Het was nog schemerachtig; eerst na verloop van een uur ging de zon op. En daar stonden de elf broeders voor de poort van het kasteel en verlangden tot den koning toegelaten te worden. Dat kon niet gebeuren, werd hun ten antwoordgegeven; het was immers nog nacht: de koning sliep en mocht niet wakker gemaakt worden. Zij smeekten en dreigden, de wacht kwam, ja, zelfs de koning ging naar buiten en vroeg, wat dat moest beteekenen? Daar ging de zon op, en nu waren er geen broeders te zien; maar boven het kasteel vlogen er elf wilde zwanen.

Het geheele volk stroomde de stadspoort uit: het wilde de heks zien verbranden. Een oud paard trok de kar, waarop zij zat, voort; men had haar een kiel van grof zaklinnen aangetrokken; haar prachtig haar hing verward om haar hoofd; haar wangen waren doodsbleek, haar lippen bewogen zich zachtjes, terwijl haar vingers het groene vlas vlochten. Zelfs op haar doodsweg hield zij niet met het begonnen werk op; de tien hemden lagen aan haar voeten, aan het elfde werkte zij nog. Het gepeupel bespotte haar.

«Kijk die leelijke heks eens! Geen gezangboek heeft zij in de hand; neen, met haar afschuwelijke tooverij zit zij daar! Scheurt haar in duizend stukken!»

En zij snelden allen op haar los en wilden de hemden verscheuren, toen er elf wilde zwanen kwamen aanvliegen, die zich rondom haar op de kar neerzetten en met hun groote vleugels klapten. Nu week de menigte verschrikt op zijde.

«Dat is een teeken van den hemel! Zij is zeker onschuldig!» fluisterden velen. Maar zij waagden het niet, dit overluid te zeggen.

Nu greep de beul haar bij de hand, waarop zij de elf hemden haastig over de zwanen heenwierp. En onmiddellijk stonden daar elf schoone prinsen. Maar de jongste had een zwanevleugel in plaats van zijn eenen arm, want er ontbrak een mouw aan zijn hemd: deze had zij niet klaargekregen.

«Nu mag ik spreken!» zeide zij. «Ik ben onschuldig!»

En het volk, dat zag, wat er gebeurd was, boog zich voor haar als voor een heilige; maar zij zonk levenloos in de armen van haar broeders: zoozeer hadden overspanning, angst en smart haar aangegrepen.

«Ja, onschuldig is zij,» zei de oudste broeder, en nu vertelde hij alles, wat er gebeurd was. En terwijl hij sprak, verspreidde zich een geur, als van millioenen rozen, want ieder stuk brandhout van den brandstapel had wortelen geschoten en kreeg takken; er stond daar een geurende heg, hoog en groot, met roode rozen; bovenaan prijkte een bloem, wit en schitterend; deze fonkelde als een ster. De koning plukte haar af en stak haar op de borst van Elize: nu ontwaakte zij met vrede en gelukzaligheid in het hart.

En alle kerkklokken luidden van zelf, en de vogels kwamen bij groote scharen aan. Het werd eenbruidsstoetnaar het kasteel terug zooals geen koning nog ooit gezien had!


Back to IndexNext