Het vlas.Het vlas stond in bloei; het had allerliefste, blauwe bloempjes, even teer als de vleugeltjes van een mug, en nog fijner! De zon scheen op het vlas, en de regenwolken begoten het; en dat deed daaraan evenveel goed, als het aan kleine kinderen doet, als zij gewasschen worden en dan een kus van hun moeder krijgen; zij worden daardoor veel schooner, en dat werd het vlas ook.«De menschen zeggen, dat ik bijzonder goed sta,» zei het vlas, «en dat ik heel lang ben; er zal een prachtig stuk linnen van mij komen. O, hoe gelukkig ben ik toch! Ik ben zeker de gelukkigste van alle wezens. Wat heb ik het goed! En er zal zeker wel wat van mij worden. Wat maakt de zonneschijn blij en wat smaakt de regen goed en wat verfrischt hij! Ik ben overgelukkig, ik ben de allergelukkigste!»«Ja, ja!» zei een paal van de heining. «Je kent de wereld niet,maar wij wel, want er zitten kwasten in ons,» en daarop maakte hij een jammerlijk geluid:«Snip, snap, snor,Basselor,Uit is het lied!»«Neen! het is niet uit!» zei het vlas. «Morgen schijnt de zon of doet de regen goed. Ik gevoel, hoe ik groei; ik gevoel, dat ik in bloei sta! Ik ben de allergelukkigste!»Maar op zekeren dag kwamen er menschen; deze pakten het vlas van boven beet en trokken het met den wortel uit; dat deed zeer; het werd in het water gelegd, alsof het verdronken moest worden, en toen kwam het over het vuur, alsof men het wilde braden,—dat was ontzettend!«Men kan het niet altijd goed hebben!» zei het vlas. «Men moet iets ondervinden, dan weet men wat!»Maar het liep slecht af; het vlas werd nat gemaakt en gedroogd, gebraakt en gehekeld,—ja, wat wist het, hoe het heette, wat men er al zoo mee deed. Het kwam op het spinnewiel: snor, snor!—Nu was het niet mogelijk, zijn gedachten bij elkaar te houden.«Ik ben buitengewoon gelukkig geweest!» dacht het bij al zijn pijn; «men moet tevreden zijn met het goede, dat men genoten heeft!—Tevreden! Tevreden! O!» En dat zei het nog, toen het op het weefgetouw kwam;—en zoo werd het een mooi, groot stuk linnen. Al het vlas, tot op den laatsten stengel, ging aan dat ééne stuk op.«Maar dat is toch zonderling! Dat had ik nooit gedacht! O, wat is het geluk mij toch gunstig! De paal wist werkelijk niet, wat hij bedoelde met zijn:«Snip, snap, snor,Basselor!Het lied is nog volstrekt niet uit! Nu begint het eigenlijk eerst recht! Dat is werkelijk zonderling! Al moge ik ook iets geleden hebben, er is toch ook iets van mij geworden! Ik ben de gelukkigste van alle! Wat ben ik sterk en fijn, wat ben ik wit en lang! Dat is wat anders dan slechts een plant te zijn, al draagt men ook bloemen; men wordt niet verpleegd; en water krijgt men alleen dan, als het regent. Nu word ik verzorgd en verpleegd, de meid keert mij alle morgens om, en uit den gieter krijg ik iederen avond een regenbad; ja, de domineesvrouw heeft zelfs een lofrede op mij gehouden en gezegd, dat ik het beste stuk uit het kerspel ben. Ik kan niet gelukkiger worden!»Nu kwam het linnen in huis en toen onder de schaar; o, wat sneed en rukte men er aan, wat stak men er met naalden in!—Dat was waarlijk geen plezier; maar van het linnen kwamen twaalf stukken van die soort, welke men niet graag noemt, maar die alle menschen moeten hebben: een geheel dozijn werd daarvan vervaardigd.«O, kijk eens! Nu ben ik eerst wat gewichtigs geworden. Dat was dus mijn bestemming! Dat is immers een ware zegen! Nu doe iknut in de wereld, en dat moet men immers, dat is eerst het ware genoegen! Wij zijn twaalf stukken geworden, maar wij zijn toch allemaal een en hetzelfde: wij zijn juist een dozijn! Wat is dat voor een bijzonder geluk!»Jaren verliepen er,—en nu waren zij heelemaal versleten.«Eenmaal moet het immers gedaan zijn,» zei ieder stuk. «Ik zou graag wat langer geduurd hebben, maar men moet niets onmogelijks verlangen!»Nu werden zij in stukken en flarden gescheurd. Zij dachten, dat het nu met hen gedaan was, want zij werden fijngehakt, geweekt en gekookt, ja, zij wisten zelf niet, wat er al zoo met hen gebeurde ... en toen werden zij schoon, wit papier.«Nu, dat is een verrassing, een heerlijke verrassing!» zei het papier. «Nu ben ik fijner dan vroeger, en nu zal ik beschreven worden. Dat is toch een buitengewoon geluk!»En er werden werkelijk de mooiste geschiedenissen en verzen op geschreven. De menschen hoorden, wat er op stond; en dat was wijs en goed, het maakte hen veel wijzer en beter; er lag een groote zegen in de woorden op dit papier.«Dat is meer, dan ik ooit gedacht had, toen ik nog een klein blauw bloempje op het veld was! Hoe kon het mij in de gedachten komen, dat ik eenmaal vreugde en kennis onder de menschen zou verspreiden? Ik kan het zelf nog niet begrijpen, maar het is toch werkelijk zoo! Onze God weet, dat ik daartoe zelf niets gedaan heb, dan wat ik overeenkomstig mijn zwakke krachten voor mijn bestaan doen moest; en toch brengt Hij mij van de eene vreugde en eer tot de andere. Telkens wanneer ik denk: «Uit is het lied!» dan ga ik weer tot iets hoogers en beters over. Nu moet ik zeker op reis gaan en de heele wereld rondgezonden worden, opdat alle menschen mij kunnen lezen. Dat kan niet anders zijn! Dat is het waarschijnlijkste! Ik heb kostelijke gedachten, even vele als ik vroeger blauwe bloemen had! Ik ben het gelukkigste schepsel!»Doch het papier ging niet op reis, maar het ging naar den boekdrukker toe; en daar werd alles, wat er op geschreven stond, om te drukken gezet tot één boek, ja tot vele honderden boeken, want op deze wijze konden oneindig velen er meer nut en genoegen van hebben, dan wanneer het eenige papier, waarop het geschreven stond, de heele wereld had moeten rondgaan en halverwege versleten was.«Ja, dat is zeker het verstandigste!» dacht het beschreven papier. «Dat is mij niet ingevallen. Ik blijf te huis en word in eere gehouden als een oude grootvader, en dat ben ik immers ook van al deze nieuwe boeken. Nu kan er iets uitgericht worden. Zoo zou ik niet hebben kunnen rondreizen. Op mij heeft diegene neergezien, die het geheel schreef. Ieder woord vloeide regelrecht uit de pen op mij! Ik ben de gelukkigste!»Daarop werd het papier in een pakje samengebonden en in een ton geworpen, die in het wachthuis stond.«Na volbrachten arbeid is het goed rusten!» zei het papier. «Het is zeer verstandig, dat men zijn gedachten verzamelt en omtrent datgene, wat er in iemand woont, tot nadenken komt. Nu weet ik eerst zoo recht, wat er op mij staat! En zich zelf te kennen, dat is eerst de ware vooruitgang. Wat zal er nu wel met mij gebeuren? Voorwaarts zal het in allen gevalle gaan; het gaat altijd voorwaarts; dat heb ik ondervonden.»Nu werd op zekeren dag al het papier op den haard gelegd; het zou verbrand worden; want het mocht niet aan den kruidenier verkocht en voor het inpakken van boter en suiker gebruikt worden: zoo zeide men. En al de kinderen in het huis stonden er om heen, want zij mochten graag papier zien branden; dat vlamde prachtig in de hoogte, en later kon men in de asch de vele roode vonken zien, die heen en weer gingen. De eene na de andere ging uit. Dat noemde men: «De kinderen uit de school zien komen,» en de laatste vonk was de schoolmeester; dikwijls dachten zij, dat deze heengegaan was; maar dan kwam er op hetzelfde oogenblik nog een vonk. «Daar ging de schoolmeester!» zeiden zij. Nu, die weten het wel. Zij hadden maar moeten weten, wie daar ging; wij zullen het te weten komen; maar zij wisten het niet. Al het oude papier, het geheele pakje, werd op het vuur gelegd, en dit ontvlamde al spoedig. «Hu!» zeide het en flikkerde in heldere vlammen op. Nu, dat was juist niet zeer aangenaam; maar toen het geheel in heldere vlammen stond, sloegen deze zoo in de hoogte, als het vlas nooit zijn kleine, blauwe bloemen had kunnen verheffen, en fonkelden, zooals het witte linnen nooit had kunnen fonkelen. Alle geschrevene letters werden voor een oogenblik rood, en alle woorden en gedachten gingen in vlammen op. «Nu stijg ik regelrecht naar de zon op!» sprak het in de vlam, en het was, alsof duizenden stemmen dit eenparig zeiden; en de vlammen sloegen door den schoorsteen en er boven uit. En fijner dan de vlammen, onzichtbaar voor het menschelijk oog, zweefden daar kleine wezens, even groot in getal, als er bloemen aan het vlas gezeten hadden. Zij waren nog lichter dan de vlam, die ze had doen ontstaan; en toen deze uitging en er van het papier slechts de zwarte asch over was, dansten zij nog eenmaal boven deze heen, en waar zij ze aanraakten, daar liepen de roode vonken. «De kinderen kwamen uit de school en de schoolmeester was de laatste!» Dat was een pret, en de kinderen zongen bij de doode asch:«Snip, snap, snor,Basselor,Uit is het lied!»Maar de kleine onzichtbare wezens zeiden allemaal: «Het lied is nooit uit! Dat is het mooiste van alles. Ik weet het, en daarom ben ik de gelukkigste!»Maar dat konden de kinderen niet hooren of verstaan, en dat behoefden zij ook niet; want kinderen mogen niet alles weten.Kinderpraat.Er was in het huis van zeker rijk koopman een kinderpartij; het waren allemaal kinderen van rijke en aanzienlijke lieden; de koopman was een geleerd man; hij had eenmaal het studentenexamen afgelegd; daartoe spoorde zijn brave vader hem aan, die van den beginne af slechts veehandelaar, maar altijd eerlijk en vlijtig geweest was; de handel had geld opgebracht, en dit geld had de koopman weten te vermeerderen. Verstandig was hij, en een hart had hij ook, maar over zijn hart werd minder gesproken dan over al zijn geld. Bij den koopman gingen de deftige lieden in en uit, zoowel menschen van adellijk bloed, gelijk het heet, als van verstand, maar ook lieden, die beide bezaten, en ook geen van beide. Ditmaal was er daar een kinderpartij, en kinderen zeggen alles, wat hun maar voor den mond komt. Onder anderen was daar een verwonderlijk schoon, klein meisje, maar dit meisje was ontzettend trotsch; dat hadden de dienstboden haar geleerd, en niet haar ouders, want daarvoor waren dit veel te verstandige lieden; haar vader was kamerheer, en dat is iets heel deftigs, dat wist zij wel.«Ik ben een kamerkind!» zeide zij. Zij had even goed een kelderkind kunnen zijn, want daar kan niemand zelf iets aan doen. Verder vertelde zij, dat zij «geboren» was, en zeide, dat men, als men niet geboren was, ook niets kon worden; het baatte niets, of men al wilde lezen en vlijtig zijn; als men niet geboren was, dan kon men ook niets worden.«En diegenen, wier namen op «sen» eindigen,» zeide zij, «van die kan volstrekt niets komen! Men moet de handen in de zijden zetten en ze ver van zich houden, die «sens!» en dit zeggende, zette zij haar handen in de zijden en maakte haar ellebogen spits, om te toonen, hoe men dat moest doen; en haar armpjes waren heel poezelig. Het was een allersnoepigst meisje. Maar het dochtertje van den koopman werd over deze taal heel boos; haar vader heette Petersen, en van dezen naam wist zij, dat hij op «sen» eindigde, en daarom zeide zij zoo trotsch, als zij maar kon:«Maar mijn vader kan voor honderd thalers bonbons koopen en deze midden onder de kinderen werpen! Kan jouw vader dat?»«Ja, maar mijn vader,» zei het dochtertje van een schrijver, «kan jouw vader en jouw vader en al jelui vaders in de krant zetten! Alle menschen zijn bang voor hem, zegt moeder, want mijn vader is het, die in de krant regeert.»En het dochtertje zag er daarbij trotsch uit, alsof het een wezenlijke prinses geweest was, die er wel trotsch moest uitzien.Maar buiten voor de deur, die slechts op een kier stond, bevond zich een arme jongen en keek door de reet. Hij was zoo gering, dat hij niet eens in de kamer mocht komen. Hij had het braadspit voor de keukenmeid omgedraaid, en deze had hem nu vergund, achter de deur te staan en naar de keurig uitgedoste kinderen te kijken, die zulk een plezierigen dag hadden, en dat was al veel voor hem.«Welk een geluk, een van hen te zijn!» dacht hij, en daarbij hoorde hij, wat er gesproken werd, en dat was wel geschikt, om hem erg mismoedig te maken. Geen enkelen penning hadden zijn ouders te huis, dien zij konden overleggen, om daarvoor een krant te lezen, laat staan dan er een te schrijven!—en wat nog het allerergste was: de naam van zijn vader en ook de zijne eindigden op «sen» van hem kon dus ook niets komen. Dat was treurig!—Maar geboren was hij toch, dat kon onmogelijk anders zijn.Dat was nu op dezen avond.Sedert verliepen er vele jaren, en ondertusschen worden kinderen volwassen menschen.In de stad stond een prachtig huis, het was opgevuld met louter mooie voorwerpen en schatten; alle menschen wilden het zien, zelfs menschen, die buiten de stad woonden, kwamen naar de stad toe, om het te zien. Wie van de kinderen, waarvan wij verteld hebben, zou dit huis nu wel het zijne noemen? Ja, dat te weten, is natuurlijk heel gemakkelijk! Neen, neen! het is toch niet zoo heel gemakkelijk. Het huis behoorde aan den kleinen, armen jongen, die op den bewusten avond achter de deur gestaan had; van hem kwam toch iets, ofschoon zijn naam op «sen» eindigde,—het was Thorwaldsen.En die drie andere kinderen?—de kinderen van het adellijk bloed, van het geld en van den hoogmoed?—Ja, het eene heeft het andere niets te verwijten, het zijn gelijke kinderen,—van hen kwam alles goeds, de natuur had hen rijkelijk bedeeld; wat zij indertijd gedacht en gesproken hadden, was niets anders dan kinderpraat.De stopnaald.Er was eens eenstopnaald, die zich zoo fijn waande, dat zij zich inbeeldde, een naainaald te zijn.«Past maar goed op, dat ge mij vasthoudt!» zei de stopnaald tegen de vingers, die haar voor den dag haalden. «Laat mij niet vallen! Als ik op den grond rol, dan vindt ge mij stellig niet meer terug, zoo fijn ben ik.»«Dat zal wel schikken,» zeiden de vingers en pakten haar om het lijf beet.«Ziet ge, ik kom met gevolg!» zei de stopnaald en trok een langen draad achter zich mee; maar er lag een knoop in dezen draad.De vingers richtten de stopnaald vlak op de pantoffel der keukenmeid. Daarvan was het bovenleer doormidden gescheurd, en dat moest weer aan elkaar vastgenaaid worden.«Dat is gemeen werk!» zei de stopnaald. «Ik kom er nooit van mijn leven doorheen. Ik breek, ik breek!» En waarlijk, zij brak. «Heb ik het niet gezegd?» riep de stopnaald uit. «Ik ben te fijn!»«Nu deugt zij volstrekt niet meer!» zeiden de vingers; maar zij moesten haar toch vasthouden; de keukenmeid liet lak op de naald droppelen en stak daarmee haar doekje van voren vast.«Ziezoo, nu ben ik een doekspeld!» zei de stopnaald. «Ik wist wel, dat ik in eere zou komen; is men wat, dan wordt men wat!» En daarbij lachte zij in zich zelf; want men kan het een stopnaald nooit aanzien, als zij lacht. Daar zat zij nu zoo trotsch, alsof zij in een staatsiekoets reed, en keek naar alle kanten.«Mag ik u ook vragen, of ge van goud zijt?» vroeg de speld, die haar buurvrouw was. «Ge ziet er prachtig uit en hebt een eigenaardig hoofd; doch het is maar klein! Ge moet uw best doen om het te laten groeien, want niet iedereen wordt met lak bedroppeld!»En nu richtte de stopnaald zich zoo trotsch op, dat zij van het doekje afviel en vlak in den gootsteen te land kwam, dien de keukenmeid juist doorspoelde.«Nu gaan wij op reis!» zei de stopnaald. «Als ik er maar niet bij verloren ga!» En zij ging werkelijk verloren.«Ik ben te fijn voor deze wereld!» zeide zij, toen zij in de goot lag. «Maar ik weet, wie ik ben, en dat is altijd een klein genoegen!» En de stopnaald behield haar trotsche houding en verloor haar goede luim niet.Er zwommen allerlei voorwerpen over haar heen, spaanders en strookjes van oude kranten. «Kijk eens, hoe zij zeilen!» zei de stopnaald. «Zij weten niet, wat er onder hen ligt! Ik lig hier, ik zit hier vast! Kijk, daar gaat een spaander; die denkt aan niets anders in de wereld dan aan zich zelf. Daar drijft een strootje! O, wat draait en keert het zich naar alle kanten! Denkt toch niet alleen aan u zelf, want dan zoudt ge u licht aan een steen kunnen stooten! Daar zwemt een stukje krant! Wat daarin staat, is al lang vergeten, en toch spreidt het zich uit! Ik zit geduldig en stil! Ik weet, wat ik ben, en dat blijf ik ook!»Op zekeren dag lag er iets dicht naast haar; dat glinsterde zoo prachtig, en nu dacht de stopnaald, dat het een diamant was, maar het was een glasscherf, en omdat deze glinsterde, sprak de stopnaald haar aan en gaf zich voor een doekspeld uit.«Ge zijt zeker een diamant?»«Ja, ik ben zoo iets van dien aard!» En zoo dacht de eene van de andere, dat het iets heel kostbaars was; en zij spraken er over, hoe hoogmoedig de wereld toch was.«Ik ben bij een juffrouw in den koker geweest,» zei de stopnaald, «en deze juffrouw was keukenmeid; aan iedere hand had zij vijf vingers; maar iets, dat zoo veel verbeelding had, als deze vingers, heb ik nog nooit van mijn leven gezien, en zij waren er toch maar om mij uit den koker te nemen en er weer in te doen.»«Waren zij dan zoo deftig?» vroeg de glasscherf.«Deftig?» zei de stopnaald. «Neen, maar hoogmoedig! Er waren vijf broeders, allen geborene «vingers». Zij stonden trotsch naast elkaar, ofschoon zij van verschillende lengte waren. De eerste, Duimelot, was kort en dik, deze had maar één gewricht in den rug en kon maar één buiging maken; maar hij zeide, dat, als hij iemand afgehakt werd, deze niet meer voor den krijgsdienst deugde. Likkepoot, de tweede vinger, kwam zoowel in zoet als in zuur, wees naar de zon en de maan en gaf den druk, als zij schreven. Langeliereboom, de derde, keek al de anderen over het hoofd heen. Ringeling, de vierde, ging met een gouden gordel om het lijf, en Pinkeling, deed volstrekt niets, en daarop was hij trotsch. Pralerij was het en pralerij bleef het, en daarom ging ik heen!»«En nu zitten we hier en glinsteren!» zei de glasscherf.Op hetzelfde oogenblik kwam er meer water in de goot; het stroomde over den kant heen en voerde de glasscherf met zich mee.«Ziezoo, nu wordt zij bevorderd!» zei de stopnaald. «Ik blijf zitten, ik ben te fijn; maar dat is mijn trots, en die is achtenswaardig!» En trotsch zat zij daar en had vele verhevene gedachten.«Ik zou haast denken, dat ik uit een zonnestraal geboren ben, zoo fijn ben ik! Het komt mij toch ook voor, alsof de zonnestralen mij altijd onder het water zoeken. Ach, ik ben zoo fijn, dat mijn moeder mij niet kan vinden. Als ik mijn oude oog had, dat afgebroken is, dan geloof ik, dat ik zou kunnen schreien; maar ik zou het toch niet doen,—want schreien staat niet deftig!»Op zekeren dag lagen er een paar straatjongens op den grond en wroetten in de goot, waarin zij oude spijkers, penningen en dergelijke dingen vonden. Het was een smerig werk; maar zij hadden er nu eenmaal schik in.«Ai!» schreeuwde de een, die zich aan de stopnaald stak, «dat is ook een kerel!»«Ik ben geen kerel, ik ben een dame!» zei de stopnaald; maar niemand hoorde het. Het lak was er afgegaan en zij was ook zwart geworden, maar zwart maakt slanker, en nu dacht zij, dat zij fijner dan vroeger was.«Daar komt een eierschaal!» zeiden de jongens, en nu staken zij de stopnaald in de eierschaal vast.«Witte muren en zelf zwart,» zei de stopnaald, «dat kleedt goed; nu kan men mij toch zien! Als ik maar niet zeeziek word, want dan moet ik braken!»Maar zij werd niet zeeziek en braakte ook niet.«Het is een goed middel tegen zeeziekte, als men een maag van staal heeft en dan ook niet vergeet, dat men iets meer is dan een mensch. Nu is de vrees voor zeeziekte geweken. Hoe fijner men is, des te meer kan men verdragen.»«Krak!» zei de eierschaal; er ging een kruiwagen over haar heen.«Hemel! Wat drukt dat!» zei de stopnaald; «nu word ik tochzeeziek! Ik moet braken!» Maar zij braakte niet, ofschoon er een kruiwagen over haar heen ging; zij lag zoo lang als zij was op den grond, en zoo moet zij maar blijven liggen.De oude torenklok.In het Duitsche land Wurtemberg, waar de acacia’s aan den straatweg groeien, waar de appel- en de pereboomen zich in den herfst ter aarde buigen onder den zegen van rijpe vruchten, ligt het stadje Marbach. Al moge dit ook slechts onder het getal der kleine steden behooren, toch ligt het allerbekoorlijkst aan den Neckarstroom, die voorbij dorpen, ridderkasteelen en wijnbergen vloeit, om zijn wateren eindelijk met die van den trotschen Rijn te vermengen.Het was in den naherfst, het wingerdloof hing wel is waar nog aan den wijnstok; maar de bladeren hadden zich reeds roodachtig gekleurd; geweldige regens vielen er in deze streken, de koude herfstwinden namen in kracht en scherpte toe,—het was juist geen aangename tijd voor arme lieden.De dagen werden gedurig korter en somberder, en het was donker zelfs buiten onder den vrijen hemel; nog donkerder was het binnen de oude, kleine huizen.—Een van deze huizen keerde zijn gevel naar de straat toe en stond daar met zijn kleine, lage ramen, armoedig en gering; arm was ook de familie, die in het huisje woonde, maar zij was braaf en vlijtig en droeg een schat van godsvrucht in het diepst van het hart. Nog een kind zou de goede God haar schenken; de ure was daar, de moeder lag in wee en smarte. Daar drong het vroolijke, feestelijke klokgelui van den kerktoren tot haar ooren door; het was een plechtige ure, en de tonen der klok vervulden de biddende met geloof; uit het diepst haars harten stegen haar gedachten tot God op, en ter zelfder ure werd haar een zoontje geboren. Zij was van oneindige blijdschap vervuld, en de klok boven in den toren luidde als ’t ware haar vreugde over stad en land uit. Twee heldere kinderoogen staarden haar aan, en het haar van den kleine straalde als van goud. Het kind werd op de aarde met klokgelui op den somberen Novemberdag ontvangen; moeder en vader kusten het, en in hun bijbel schreven zij: «Op den tienden November 1759 schonk God ons een zoon.» Later werd er nog bijgevoegd, dat deze bij den doop de namen:Johann Christoph Friedrichgekregen had.En wat werd er nu van het arme knaapje uit het geringe Marbach? Ja, destijds wist niemand dat nog, zelfs de oude torenklok niet, hoe hoog zij ook hing en ofschoon zij het eerst over hem geklonken had,—over hem, die eenmaal het schoone lied van de «Klok» zou zingen.Welnu, de knaap groeide op, en de wereld groeide met hem op; zijn ouders verhuisden later wel is waar naar een andere stad; maar goede vrienden lieten zij in het kleine Marbach achter, en daarom begaven de moeder en haar zoontje zich op zekeren dagop weg en reden naar Marbach, om er een bezoek af te leggen. De knaap was nog maar zes jaren oud, doch hij wist reeds veel uit den bijbel en vooral uit de psalmen; hij had reeds menigen avond, als hij daar op zijn kleine stoeltje zat, naar zijn vader geluisterd, wanneer deze overluid uit Gellerts fabelen of uit Klopstocks verheven gedicht «De Messias» voorlas; hij en zijn twee jaren ouder zusje hadden heete tranen gestort over Hem, die voor ons allen den dood aan het kruis gestorven is.Bij dit eerste bezoek te Marbach was het stadje niet veel veranderd; het was immers ook niet lang geleden, dat zij het verlaten hadden; de huizen stonden daar, evenals vroeger, met hun spitse gevels, vooruitspringende muren, de eene verdieping boven de andere uitstekend, en hun lage ramen; alleen op het kerkhof waren er nieuwe graven bijgekomen, en daar, in het gras, dicht bij den muur, stond nu de oude klok; zij was van haar hoogte neergestort, had een barst gekregen en kon niet meer luiden; er was dan ook een nieuwe klok in haar plaats gekomen.Moeder en zoon hadden het kerkhof betreden. Zij bleven voor de oude klok staan, en de moeder vertelde aan haar zoontje, hoe juist deze klok eeuwen lang een zeer nuttige klok geweest was, hoe zij voor den doop, voor de bruiloft en voor de begrafenis geluid had; zij had van feesten en vreugde en van de verschrikkingen des vuurs gesproken, ja, geheele menschenlevens had deklok uitgezongen. En nooit vergat de knaap, wat zijn moeder hem vertelde; het klonk en zong en weerklonk in zijn borst, totdat hij het er als man moest uitzingen. Ook dat vertelde zijn moeder hem, dat de oude torenklok haar troost en vreugde in haar nooden had toegezongen, en dat zij gezongen en geklonken had, toen hij, het zoontje, haar gegeven werd; en bijna met eerbied beschouwde de knaap de groote, oude klok, hij boog zich over haar heen en kuste haar, hoe oud, gebarsten en verworpen zij daar ook tusschen gras en brandnetels stond.In aandenken bleef de oude klok bij den knaap, die in armoede opgroeide, lang en mager met roodachtig haar en een gezicht vol zomersproeten: ja, zoo zag hij er uit, maar daarbij had hij een paar oogen, zoo helder en diep als het diepste water. En hoe ging het wel met hem?—Goed ging het met hem, benijdenswaardig goed! Wij vinden hem in de hoogste gunst aan de militaire school opgenomen, zelfs in de afdeeling, waar de zonen der deftige lieden zaten, en dat was immers een eer, heette immers een geluk! Slobkousen droeg hij, een stijve das en een gepoederde pruik; en kundigheden bracht men hem aan, en wel onder het kommando van «Marsch! Halt! Front!»De oude torenklok had men ondertusschen bijna vergeten; dat zij nog eenmaal naar den smeltoven zou moeten gaan, was vooruit te zien, en wat zou er dan wel van haar worden?—Ja, dat kon men onmogelijk voorspellen, en even onmogelijk was het dan ook, te zeggen, wat van de klok zou klinken, die in de borst van den knaap van Marbach weerklonk; maar een klinkend metaal was zij, en klinken deed zij, zoodat dit geluid zich in de wijde wereld moest verspreiden, en hoe enger het achter de schoolmuren werd en hoe bedwelmender het «Marsch! Halt! Front!» klonk,—des te luider klonk het in de borst van den jongeling, en hij zong het uit in den kring van zijn schoolmakkers, en deze tonen klonken over de grenzen van het land. Maar daarvoor had men hem geen vrijplaats aan de militaire school en ook geen kleederen en voedsel gegeven; hij had immers hier reeds het nummer gekregen voor het pennetje, dat hij zijn zou in het groote uurwerk, waarin wij allen behooren.—Hoe weinig begrijpen wij ons zelf! Hoe zouden dan de anderen, zelfs de besten, ons altijd kunnen begrijpen? Maar juist door de wrijving wordt het edelgesteente geschapen. De wrijving had hier plaats,—zou de wereld het edelgesteente eenmaal erkennen?In de hoofdstad van den landsheer werd een groot feest gegeven. Duizenden lampen en lichten straalden daar, vuurpijlen stegen er ten hemel op;—die glans leeft nog in de herinnering der menschen, en wel door hem, den kweekeling der militaire school, die indertijd in tranen en in smarte onbemerkt de poging waagde, een vreemden grond te bereiken; hijmoestze verlaten, vaderland, moeder, al zijn dierbaren, of—in den stroom der algemeenheid ondergaan.—De oude torenklok had het goed; zij stond tegen den muur derkerk te Marbach, goed bewaard, bijna vergeten. De wind bruiste over haar heen en had reeds kunnen vertellen van hem, bij wiens geboorte de klok geluid had, vertellen, hoe koud hij zelf over hem heengewaaid had in het bosch van het naburige land, toen hij, van vermoeienis uitgeput, neergezegen was met zijn geheelen rijkdom, de hoop zijner toekomst: slechts geschreven bladen van «Fiesko;» de wind had van zijn enkele beschermers kunnen vertellen, allen kunstenaars, die bij het voorlezen dezer bladen evenwel wegslopen en zich met het kegelspel vermaakten; de wind had kunnen vertellen van den bleeken vluchteling, die weken, maanden lang in de ellendige herberg doorbracht, waar ruwe vreugde heerschte, terwijl hij van idealen zong.—Het waren moeilijke dagen! Zelf moet het hart lijden en de beproevingen doorstaan, waarvan het wil zingen.Donkere dagen, koude nachten trokken er ook over de oude klok heen; zij had daar geen hinder van; maar de klok in des menschen borst, zij gevoelt haar treurigen tijd. Hoe ging het met den jonkman? Hoe ging het met de oude klok?—De klok werd ver weggebracht, verder dan men haar van haar vroegeren hoogen toren af ooit had kunnen hooren; en de jonkman?—Ja, de klok in zijn borst klonk verder dan zijn voet ooit zou wandelen, zijn oog ooit zou zien; zij luidde en luidt nog aldoor over den oceaan, over de gansche aarde heen.—Maar bepalen wij ons voorloopig tot de torenklok! Ook zij verliet Marbach: zij werd voor oud koper verkocht en voor den smeltoven in Beieren bestemd. Maar hoe en wanneer gebeurde dat?—In Beierens koningsstad, vele jaren nadat zij van den toren neergestort was, heette het, dat zij gesmolten was, om gebruikt te worden bij de vervaardiging van een gedenkteeken voor een der verhevenste gestalten van het Duitsche volk en het Duitsche land.En zie, hoe dit nu toeging;—zonderling en heerlijk gaat het toch in de wereld toe! In Denemarken, op een van die groene eilanden, waar de beukenwouden ruischen en de vele hunebedden onsaanstaren, was een arme knaap geboren; op klompen was hij de deur uitgegaan; aan zijn vader, die op de marinewerven werkte, had hij het middagmaal in een ouden, verschoten omslagdoek gebracht;—dit arme kind was echter de trots van zijn land geworden, hij wist uit marmer voorwerpen te houwen, waarover de geheele wereld verbaasd stond1, en juist aan dezen was de eervolle taak opgedragen, uit klei een heerlijk, schoon beeld, voor het gieten in metaal te vormen, het standbeeld van hem, wiens naam zijn vader eenmaal alsJohann Christoph Friedrichin zijn bijbel schreef.Het metaal vloeide gloeiend in den vorm; de oude torenklok, aan wier afkomst en verstomde geluiden niemand dacht,—deze klok vloeide insgelijks in den vorm, en vormde het hoofd en de borst van het standbeeld, zooals het daar nu onthuld staat te Stuttgart voor het oude kasteel, waar hij, dien het voorstelt, eenmaal levend rondwandelde, te midden van strijd en streven, gedrukt door de buitenwereld, hij, de knaap van Marbach, de kweekeling der Karlsschule, de vluchteling, Duitschlands groote, onsterfelijke dichter, die gezongen heeft van den bevrijder van Zwitserland en de door Gods geest aangeblazen maagd van Orleans.Het was een schoone, zonnige dag; vlaggen wapperden er van torens en daken in het koninklijke Stuttgart; de torenklokken luidden tot feestelijkheid en vreugde;slechtséén klok zweeg, maar zij fonkelde dan ook in den helderen zonneschijn, straalde van het gelaat en van de borst der roemrijke gestalte; er waren op dezen dag juist honderd jaren verloopen sedert dien dag, waarop de torenklok te Marbach aan de lijdende moeder troost en vreugde had verkondigd, toen zij het kind ter wereld bracht, arm in het arme huis,—later echter de rijke man, wiens schatten de wereld zegent, hem, den dichter van het edele vrouwenhart, den zanger van het verhevene, van het heerlijke:Johann Christoph Friedrich Schiller.1De Deensche beeldhouwer Thorwaldsen.Het metalen varken.In de stad Florence, niet ver van dePiazzo del Granduca, heeft men een kleine dwarsstraat, die, geloof ik,Porta Rosagenoemd wordt. In deze straat, voor een soort van hal, waar groenten verkocht worden, staat een van metaal kunstig bewerkt varken. Het frissche, heldere water vloeit uit den bek van dit dier, dat door ouderdom zwartachtig groen geworden is; alleen de snuit blinkt, alsof hij gepolijst was, en dat is hij ook door vele honderden kinderen enlazzaroni(bedelaars), die hem met hun handen aanpakken en hun mond aan den snuit van het dier zetten, om te drinken.Het is een schilderachtig tooneel, het welgevormde dier door een aardigen, halfnaakten knaap te zien omvatten, die de lippen aan zijn snuit zet.Iedereen, die te Florence komt, kan de plaats gemakkelijk vinden; hij moet den eersten den besten bedelaar maar naar hetmetalen varkenvragen, en hij zal het vinden.Het was op een winteravond; de bergen waren met sneeuw bedekt, maar het was maneschijn, en de maan geeft in Italië evenveel licht, als de zon op een somberen winterdag in het noorden, ja, nog meer; want de lucht verruimt ons daar, terwijl in het noorden het koude, grauwe zwerk ons ter neer drukt naar de koude, vochtige aarde, die eenmaal ook op onze doodkist zal drukken.In den slottuin van den groothertog, onder een dak van pijnhout, waar duizenden rozen in den wintertijd bloeien, had een kleine, in lompen gehulde knaap den geheelen dag gezeten, een knaap, dien men als een beeld van Italië zou kunnen beschouwen, bevallig, glimlachend en daarbij toch lijdend. Hij had honger en dorst; maar niemand gaf hem een aalmoes, en toen het donker werd en de tuin zou gesloten worden, joeg de portier hem er uit. Een geruimen tijd stond hij droomend op de brug, die over den Arno ligt, en keek naar de sterren, die zich tusschen de plaats, waar hij stond, en de prachtige marmeren brugdella Trinitàin het water afspiegelden.Hij sloeg den weg naar het metalen varken in, knielde halverwege neer, sloeg er zijn armen omheen, zette zijn mond aan den blinkenden snuit en dronk met lange teugen van het frissche water. Dicht daarnaast lagen eenige slabladen en een paar kastanjes, deze werden zijn avondmaaltijd. Niemand anders dan hij was er op de straat; deze behoorde hem alleen toe, en onbeschroomd zette hijzich op den rug van het metalen varken neer, boog zich voorover, zoodat zijne weelderige lokken op den kop van het beest rustten, en voordat hij zich daarvan bewust was, overviel hem de slaap.Het was middernacht, het metalen varken bewoog zich; hij hoorde het duidelijk zeggen: «Klein kereltje! houd je vast, want nu ga ik loopen,» en weg liep het met hem. Het was een zonderlinge rit. Eerst kwamen zij op dePiazza del Granduca, en het metalen paard, dat het standbeeld van den groothertog draagt, begon luid tehinniken, de bonte wapens op het oude raadhuis schenen doorzichtige beelden te zijn, en de David van Michaele Angelo zwaaide met zijn slinger. Overal heerschten leven en beweging. De metalen groepen, die Perseus en den Sabijnschen maagdenroof voorstellen, stonden daar, alsof zij levend waren; een gil van doodsangst ontsnapte er aan hun lippen en deed zich over het prachtige plein hooren.Bij denPalazzo degli Uffiziin de zuilengang, waar de adel zich tot de vastenavondsvreugd verzamelt, bleef het metalen varken staan.«Houd je goed vast!» zei het dier, «houd je goed vast, want nu gaan we de trap op!» De knaap sprak nog geen woord; half sidderde hij, half was hij gelukkig.Zij betraden een lange galerij, waar hij vroeger nog al eens geweest was; de muren waren met schilderijen behangen; hier stonden standbeelden en bustes, alles in het helderste licht, alsof het midden op den dag was; maar het prachtigst was het, toen de deur van een der zijvertrekken openging; ja, de heerlijkheid aldaar herinnerde de knaap zich; maar in dezen nacht was alles in zijn hoogsten glans.Hier stond een naakte, schoone vrouw, zoo schoon, als slechts de natuur en de grootste meester over het marmer haar kunnen vormen; zij bewoog de schoon gevormde ledematen, dolfijnen sprongen aan haar voeten, onsterfelijkheid straalde er uit haar oogen. De wereld noemt dit de Venus di Medici. Aan haar zijden prijkten marmeren beelden, bij welke het leven des geestes den steen doordrongen had; het zijn naakte, schoone mannen; de een wette zijn zwaard: deze werd de slijper genoemd; de worstelende gladiatoren vormden een andere groep; het zwaard werd gewet, en er werd gestreden voor de godin der schoonheid.De knaap was door dezen glans als verblind; de muren straalden van kleuren; alles was daar leven en beweging. Het beeld van Venus vertoonde zich dubbel; de aardsche Venus was zoo opofferend, zoo vurig, als Titiaan haar aan zijn hart gedrukt heeft. Het was wonderbaar om aan te zien. Het waren twee schoone vrouwen; haar welgevormde, onomsluierde leden strekten zich op de mollige kussens uit, haar borsten verhieven en haar hoofden bewogen zich, zoodat haar weelderige lokken op haar poezelige schouders neergolfden, terwijl haar donkere oogen haar gloeiende gedachten uitspraken; maar geen der beelden waagde het toch, geheel uit de lijst te voorschijn te treden. De godin der schoonheid zelve, de gladiatoren en de slijper bleven op hun plaats; want de glans, die er van de Madonna, Jezus en Johannes afstraalde, boeide ze daaraanvast. De heiligenbeelden waren geen beelden meer: het waren de heiligen zelf.Welk een glans en welk een schoonheid van zaal tot zaal! De knaap zag ze allemaal; het metalen varken liep immers stapvoets door al deze pracht en heerlijkheid heen. Het eene beeld verdrong het andere; slechts één schilderij prentte zich diep in zijn ziel, en wel inzonderheid door de vroolijke, gelukkige kinderen, die er op stonden,—de knaap had ze eens bij het daglicht begroet.Velen gaan dit schilderij zeker achteloos voorbij, en toch bevat het een schat van poëzie. Het is Christus, die in de onderwereld neerdaalt; maar het zijn niet de verdoemden, die men om hem heen ziet, neen, het zijn heidenen. De Florentijner Angiolo Bronzino heeft dit schilderij vervaardigd. Het heerlijkst is de uitdrukking van de gezichten der kinderen, het volle vertrouwen, dat zij in den hemel zullen komen; twee kleinen omhelzen elkaar al, een kind strekt de hand naar een ander, dat lager staat, uit en wijst op zich zelf, als wilde het zeggen: «Ik zal wel in den hemel komen!» De ouderen staan onzeker, hopende, maar buigen zich in ootmoedige aanbidding voor den Heer Jezus. Langer dan op een der andere schilderijen rustte de blik van den knaap hierop, het metalen varken stond er voor stil, er werd een nauw hoorbare zucht geslaakt; ontsnapte deze aan het schilderij of aan de borst van het varken? De knaap hief zijn handen naar de glimlachende kinderen op;—daar liep het varken met hem weg, weg door de openstaande voorzaal. «Dank zij je toegebracht, lief beest!» zei de kleine jongen en liefkoosde het metalen varken, dat de trappen met hem afliep.«Dank zij u toegebracht!» zei het metalen varken. «Ik heb u, en gij hebt mij geholpen, want als ik een onschuldig kind op mijn rug heb, krijg ik de kracht om te loopen! Ja, ziet ge, ik mag zelfs onder de stralen der lantaarn voor het Madonnabeeld komen, maar niet in de kerk. Maar als gij bij mij zijt, kan ik er van buiten door de geopende deur in zien. Klim niet van mijn rug af; want als ge dat doet, dan blijf ik doodliggen, evenals ge mij overdag in dePorta Rosaziet.»«Ik blijf bij je, trouw beest!» zei de knaap, en zoo ging het in volle vaart door de straten van Florence tot op het plein voor de kerkSanta Croce.De vleugeldeuren sprongen open; lichten straalden er van het altaar door de kerk tot op het eenzame plein.Een wonderbare lichtglans stroomde van het eene grafmonument in de linkerzijgang af, duizenden beweegbare sterren vormden als het ware een stralenkrans daaromheen. Een wapenbord prijkt er op het graf, een roode ladder op een blauwen grond schijnt als vuur te gloeien; dit was het graf van Galilei. Het monument is eenvoudig; maar de roode ladder op den blauwen grond is een veelbeteekenend zinnebeeld: het is, alsof het dat der kunst is, want hier voert de weg altijd langs een gloeiende ladder naar den hemel. Alle profeten des geestes snellen naar den hemel, evenals de profeet Elia.Rechts in de gang der kerk scheen iedere beeldzuil op de rijke sarcophagen leven gekregen te hebben. Hier stond Michaele Angelo, daar Dante met den lauwerkrans om de slapen, Alfieri, Macchiavelli: naast elkaar rusten hier de groote mannen, die de trots van Italië zijn1. Het is een prachtige kerk, veel schooner, al moge zij ook niet zoo groot zijn, dan de marmeren dom te Florence.Het was, alsof de marmeren kleederen zich bewogen, alsof de forsche gestalten haar hoofden hooger verhieven en, te midden van gezang en muziek, opkeken naar het bonte, schitterende altaar, waar in het wit gekleede knapen gouden wierookvaten zwaaiden; de sterke geur stroomde uit de kerk op het plein.De knaap strekte zijn hand naar den lichtglans uit, en terstond snelde het metalen varken weg, hij moest er zich stevig aan vasthouden, de wind suisde hem om de ooren, hij hoorde de kerkdeur op haar hengsels knarsen, terwijl zij dichtging, maar in een oogenblik scheen het bewustzijn hem te begeven, hij gevoelde een snerpende koude en—sloeg de oogen op.Het was morgen; hij zat, half afgegleden van het metalen varken, dat daar stond zooals het altijd in de straatPorta Rosaplacht te staan, nog op den rug van het beest.Angst en vrees vervulden den knaap bij de gedachte aan haar, die hij moeder noemde, en die hem den vorigen dag uitgezonden had, om geld op te loopen; hij had niets; hij had honger en dorst. Nog eenmaal omvatte hij den hals van het metalen varken, gaf het een kus op den snuit, knikte het toe en wandelde toen voort naar een der nauwste straten, tenauwernood breed genoeg voor een beladen ezel. Een groote, met ijzer beslagen deur stond op een kier; hier klom hij een steenen trap met smerige muren en een touw, dat voor leuning diende, op en kwam in een open galerij, die met lompen behangen was; van hier voerde een trap naar de binnenplaats, waar van den waterput groote ijzerdraden naar alle verdiepingen van het huis gespannen waren en de eene emmer na den anderen zweefde, terwijl de katrol knarste en de emmer in de lucht danste, zoodat het water op de plaats naar beneden plaste. Weder voerde een vervallen steenen trap naar boven. Twee matrozen,—het waren Russen,—kwamen vroolijk naar beneden en hadden den armen knaap bijna omvergeloopen. Zij kwamen van hun nachtelijke bacchanaliën terug. Een niet meer jeugdige, maar toch weelderige vrouwengestalte, met prachtig zwart haar, volgde hen. «Wat breng je thuis?» zeide zij tegen den knaap.«Wees niet boos!» smeekte deze, «ik heb niets, niets hoegenaamd gekregen!»—En dit zeggende, greep hij zijn moeder bij haar japon vast, alsof hij daarop een kus wilde drukken. Zij traden het kamertje binnen; dat zal ik niet beschrijven; slechts zooveel zij daarvan gezegd, dat daarin een pot met een kolenvuur stond, eenmarito, zooals het genoemd wordt. Dezen pot nam zij in den arm, warmde zich de handen en gaf den knaap een duw met haar elleboog. «Ja, zeker heb je wel geld!» zeide zij.De knaap schreide; zij gaf hem een schop met den voet; nu begon hij nog erger te schreien. «Wil je je wel eens stilhouden, of anders zal ik je een slag op je kop geven!» en zij zwaaide met den vuurpot, dien zij in de hand hield. Het kind viel met een schreeuw op den grond neer. Daar trad een buurvrouw de kamer binnen; ook zij had harenmaritoin den arm. «Felicita! Wat doe je toch met het kind?»«Het kind is van mij!» antwoordde Felicita. «Ik kan het vermoorden, als ik wil, maar jij niet, Giannina!» en zij zwaaide met haar vuurpot; de andere vrouw hief den haren op om zich te verdedigen, en nu stieten de beide potten zoo geducht tegen elkaar aan, dat scherven, vuur en asch in de kamer rondvlogen;—maar op hetzelfde oogenblik was de knaap de deur uit, de binnenplaats over en het huis uit. De arme jongen liep zoo hard, dat hij eindelijk heelemaal buiten adem was; hij hield bij de kerk, waarvan de groote deur zich des nachts voor hem geopend had, stil, en trad deze binnen. Alles straalde hem toe, de knaap knielde bij het eerste graf aan den rechterkant neer; het was het graf van Michaele Angelo, en al spoedig snikte hij luid. Er kwamen en gingen menschen, de mis werd gelezen, niemand bemerkte den knaap; slechts een achtbare grijsaard bleef staan, keek hem aan—en ging toen verder, evenals de anderen.Honger en dorst kwelden den kleine, hij was geheel uitgeput en ziek; hij kroop in een hoek tusschen de marmeren monumenten en viel in slaap. Het was tegen den avond, toen hij door iemand wakker gemaakt werd; hij stond op, en dezelfde waardige grijsaard stond voor hem.«Ben je ziek? Waar hoor je thuis? Ben je hier den heelen dag geweest?» waren enkele der vele vragen, die de grijsaard tot hem richtte. Zij werden beantwoord, en de oude man nam hem met zich mee naar zijn huisje, dat dicht in de nabijheid in een zijstraatje stond. Zij traden een handschoenmakerswerkplaats binnen; een vrouw zat ijverig te naaien. Een klein wit Deensch hondje, zoo kaal geschoren, dat men zijn rooskleurige huid kon zien, sprong op de tafel en maakte voor den kleinen knaap allerlei kunstjes.«De onschuldige zielen kennen elkaar,» zei de vrouw en liefkoosde den hond en den knaap. De laatstgenoemde kreeg van de goede lieden spijs en drank, en zij zeiden, dat het hem vergund was, den nacht bij hen door te brengen; den volgenden dag zou vader Giuseppe eens met zijn moeder gaan spreken. Hij kreeg eenklein, armoedig bed; maar voor hem, die dikwijls op den harden, steenen vloer had moeten slapen, was dit een koninklijke legerstede. Hoe heerlijk sliep hij en hoe droomde hij van de prachtige schilderijen en van het metalen varken!Vader Giuseppe ging den volgenden morgen uit; de arme jongen was daarover niet blij, want hij wist wel, dat het doel van dit uitgaan was, hem weer naar zijn moeder terug te brengen. De knaap kuste den kleinen vroolijken hond, en de vrouw knikte beiden toe.En welk antwoord bracht vader Giuseppe nu terug? Hij sprak druk met zijn vrouw, en deze knikte en liefkoosde den knaap. «Het is een ferme jongen!» zeide zij. «Hij kan een ervaren handschoenmaker worden, zooals jij geweest bent, en wat zijn zijn vingers fijn en buigzaam! De Madonna heeft hem tot handschoenmaker bestemd!»En de knaap bleef in dit huis; de vrouw leerde hem zelf naaien; hij at goed, hij sliep goed, hij werd vroolijk en begon Bellissima—zoo heette het hondje—te plagen; de vrouw hief den vinger dreigend naar hem op, beknorde hem en werd boos.—Dat ging den knaap aan het hart: in gedachten verdiept, zat hij in zijn kamertje. Van daar had men het uitzicht op de straat, waarin huiden gedroogd werden; dikke ijzeren spijlen waren er voor de ramen; hij kon niet slapen; het metalen varken vertoonde zich aldoor aan hem in zijn gedachten, en eensklaps hoorde hij buiten: Knor, knor! Dat was zeker een varken! Hij snelde naar het raam toe, maar er was niets te zien; het was al voorbij.«Help den signor zijn verfdoos dragen!» zei de signora den volgenden morgen tegen den knaap, toen de jonge buurman, een schilder, vooorbijliep en een schilderdoos benevens een groot, opgerold stuk doek droeg. De knaap nam de doos over en volgde den schilder; zij sloegen den weg naar de galerij in en liepen dezelfde trap op, die hem sedert dien nacht, toen hij op het metalen varken reed, wel bekend was. Hij kende de standbeelden en de bustes, de schoone marmeren Venus en die, welke in kleuren leefde; hij zag de Moeder Gods, Jezus en Johannes weder.Nu bleven zij voor het schilderij van Bronzino staan, waarop Christus in de onderwereld neerdaalt en de kinderen om hem heen glimlachen in blijde verwachting van den hemel,—het arme kind glimlachte ook, want hier was het inzijnhemel!«Ga nu maar weer naar huis terug!» zei de schilder, toen de knaap al zoo lang was blijven staan, totdat deze ondertusschen zijn ezel opgezet had.«Mag ik u eens zien schilderen?» vroeg de knaap. «Mag ik er eens naar kijken, hoe ge het schilderij op dit doek overbrengt?»«Ik begin nog niet te schilderen!» antwoordde de man en kreeg zijn zwart krijt voor den dag. Snel bewoog zich de hand, het oog mat het groote schilderij, en ofschoon er slechts eenige fijne lijnen zichtbaar werden, stond Christus daar toch reeds zwevend, evenals op het groote schilderij.«Ga nu toch heen!» zei de schilder, en zwijgend keerde deknaap naar huis terug, zette zich op de tafel neer en—leerde handschoenen naaien.Maar den heelen dag waren zijn gedachten in de schilderijenzaal, en daardoor prikte hij zich in de vingers, gedroeg zich links, maar plaagde Bellissima toch niet. Toen het avond werd en de huisdeur juist open stond, sloop hij naar buiten; het was nog koud; maar de lucht was helder en als met sterren bezaaid.Hij wandelde door de straten, die reeds leeg geworden waren, en stond al spoedig voor het metalen varken; hij boog er zich over heen, gaf het een kus op zijn blanken snuit en zette zich op zijn rug neer.—«Gezegend beest!» zeide hij, «wat heb ik naar je verlangd! Wij moeten van nacht nog eens een ritje doen!»Het metalen varken lag onbeweeglijk, en het frissche water vloeide hem uit den snuit. De knaap zat schrijlings op hem, daar werd er aan zijn kleeren getrokken; hij keek op: Bellissima, de kleine, kaalgeschoren Bellissima blafte, als wilde zij zeggen: «Ziet ge wel? Ik ben er ook! Waarom zet ge u hier neer?»—Geen vurige draak had den knaap zulk een schrik op het lijf kunnen jagen, als de kleine hond op deze plaats. Bellissima op straat, en wel zonder aangekleed te zijn, zooals de oude vrouw het noemde! Wat moest daarvan komen? De hond kwam in den winter slechts buiten de deur, nadat hem vooraf een klein lamsvel aangetrokken was, dat uitsluitend voor hem genaaid was. Dit vel, dat met lintjes en schelletjes versierd was, kon met een rood bandje om zijn hals en onder zijn buik vastgebonden worden. De hond zag er dan uit als een geitje, wanneer het hem in den wintertijd vergund werd, in dit gewaad met de signora te gaan wandelen. Bellissima was buiten en niet aangekleed! Wat moest daarvan komen? Alle phantasieën waren verdwenen, maar toch kuste de knaap het metalen varken en nam Bellissima op den arm; het beest trilde van de kou, daarom liep de knaap zoo hard, als hij maar kon.«Waar loop je daar mee?» vroegen twee politiesoldaten, die hij tegenkwam en waartegen Bellissima begon te blaffen. «Waar heb je dat hondje gestolen?» vroegen zij en namen het hem af.«O, geeft het mij terug!» smeekte de knaap.«Als je het beest niet gestolen hebt, dan moet je thuis maar zeggen, dat het op de wacht kan afgehaald worden!» Zij noemden de plaats en gingen met Bellissima heen.Dat was een verschrikkelijk geval. De knaap wist niet, of hij in den Arno zou springen of naar huis gaan en alles bekennen; ze zouden hem dan zeker doodslaan, dacht hij.—«Maar ik wil graag doodgeslagen worden, ik wil graag sterven, dan kom ik bij Jezus en bij de Madonna!» En hij ging naar huis, hoofdzakelijk om doodgeslagen te worden.De deur was gesloten, en hij kon niet aan den klopper raken. Er was niemand op de straat, maar er lag een steen, en daarmee gooide hij tegen de deur aan. «Wie is daar?» werd er van binnen geroepen.«Ik ben het!» zeide hij. «Bellissima is weg! Doe mij open en sla mij dan dood!»Er verspreidde zich een algemeene schrik door het huis, inzonderheid bij de signora, over de arme Bellissima. Zij keek terstond naar den muur, waar het gewaad van den hond placht te hangen; het kleine lamsvel hing er nog.«Bellissima op de wacht!» riep zij luide uit. «Jou ondeugende jongen! Hoe heb je haar de deur uitgelokt? Wat zal zij koud zijn! Dat teere diertje bij die ruwe soldaten!»De man moest er dadelijk naar toe, de vrouw jammerde, de knaap weende.—Al de huisgenooten kwamen bij elkaar, en onder dezen bevond zich ook de schilder; hij nam den knaap op zijn schoot, hoorde hem uit, en bij brokstukken kreeg hij nu de heele geschiedenis van het metalen varken en de galerij te hooren,—deze was vrij onbegrijpelijk. De schilder troostte den knaap, trachtte de oude vrouw tot bedaren te brengen, maar zij was niet tot bedaren te krijgen, voordat haar man met Bellissima, die onder de soldaten geweest was, aankwam. Dat was een blijdschap! De schilder liefkoosde den knaap en teekende wat voor hem.O, dat waren heerlijke stukken, kluchtige koppen! En waarlijk, het metalen varken was er ook bij. O, niets kon heerlijker zijn! Met een paar streken prijkte het op het papier, en zelfs het huis, dat er achter stond, was er op afgebeeld.Wie toch kon teekenen en schilderen, die kon de heele wereld om zich heen verzamelen!Zoodra de knaap den volgenden dag een oogenblik alleen was, nam hij een potlood in handen, en op den achterkant van een der prenten trachtte hij de teekening van het metalen varken weer te geven. Dit gelukte;—wel was het wat scheef, de eene poot was te dik en de andere te dun, maar het was er toch goed uit te kennen. Hij stond er zelf over verwonderd.—Het potlood wilde nietzoo gaan, als hij wilde; dat merkte hij wel; den volgenden dag stond er weer een metalen varken naast het andere, en dat was honderdmaal beter; het derde was al zoo goed, dat iedereen het er wel uit kon kennen.Maar het ging slecht met het handschoenen naaien, langzaam met de boodschappen in de stad; want het metalen varken had hem geleerd, dat alles op het papier gebracht kon worden, en de stad Florence is een prentenboek, als men daarin maar wil bladeren. Op dePiazza della Trinitàstaat een slanke zuil en daar bovenop de godin der gerechtigheid met een blinddoek voor de oogen en een weegschaal in de hand. Al spoedig stond zij op het papier, en het was de kleine leerling van den handschoenmaker, die haar daarop geplaatst had. De verzameling van teekeningen groeide aan, maar nogbevattezij slechts teekeningen van levenlooze voorwerpen; nu liep Bellissima op zekeren dag voor hem heen en weer. «Blijf eens stilstaan!» zeide hij, «dan zal je mooi worden en in mijn verzameling van prenten komen!» Maar Bellissima wilde niet stilstaan, zij moest vast gebonden worden; kop en staart werden nu vastgebonden, zij blafte en maakte sprongen, het touw moest strak aangehaald worden; daar kwam de signora binnen.«Jou ondeugende jongen! Dat arme beest!» was alles, wat zij kon uitbrengen. Zij duwde den knaap van zich af, gaf hem een schop, joeg hem haar huis uit, hem, die de ondankbaarste deugniet, het ondeugendste kind was, en weenend kuste zij haar kleine, half verworgde Bellissima.Op hetzelfde oogenblik kwam de schilder de trap op en—hier is het keerpunt in de geschiedenis.In het jaar 1834 werd er te Florence in deAccademia delle Artieen tentoonstelling gehouden. Twee schilderijen, die naast elkander opgehangen waren, lokten een menigte toeschouwers tot zich. Op het kleinste was een kleine, vroolijke knaap voorgesteld, die zat te teekenen; voor model had hij een klein, wit, gladgeschoren Deensch hondje; maar het beestje wilde niet stilstaan en was daarom zoowel aan den kop als aan den staart met touw vastgebonden; er was daarin leven en een waarheid, die op iedereen indruk moest maken. De schilder, vertelde men, was een jonge Florentijn, die als kind op de straat gevonden en door een ouden handschoenmaker opgevoed was, en zich zelf het teekenen geleerd had. Een thans beroemde schilder had dit talent in hem ontdekt, toen de knaap bij zekere gelegenheid uit het huis gejaagd werd, omdat hij de lievelinge der signora, het kleine hondje, vastgebonden en voor model gebruikt had.De handschoenmakersleerling was een uitstekend schilder geworden; dat bewees dit schilderij, dat bewees inzonderheid het grootere, dat er naast hing. Hierop was slechts een enkele levende figuur, een in lompen gekleede, maar mooie knaap, die slapend op de straat zat; hij leunde tegen het metalen varken in de straatPorta Rosaaan. Alle toeschouwers kenden deze plaats. De armen van hetkind rustten op den kop van het varken; de kleine sliep gerust, en de lantaarn voor het Madonnabeeld wierp een sterk licht op het bleeke, schoone gezicht van het kind.—Het was een allerprachtigst schilderij; een groote, vergulde lijst omgaf het, aan een der hoeken was een lauwerkrans opgehangen; maar tusschen de groene bladeren slingerde zich een zwart lint, en een lang rouwfloers hing er aan.—De jonge kunstenaar was juist in die dagen—gestorven!1Tegenover het graf van Galilei bevindt zich dat van Michaele Angelo. Op het monument is zijn buste aangebracht en bovendien drie figuren: de beeldhouwkunst, de schilderkunst en de bouwkunst; dicht daarnaast is het grafteeken van Dante (zijn lijk bevindt zich te Ravenna); op het monument ziet men Italië, dat wijst op het kolossale standbeeld van Dante; de poëzie weent over zijn verlies. Eenige schreden verder ziet men het monument van Alfieri, dat met lauweren versierd is; Italië weent boven zijn graf. Macchiavelli besluit hier de rij der beroemde mannen.
Het vlas.Het vlas stond in bloei; het had allerliefste, blauwe bloempjes, even teer als de vleugeltjes van een mug, en nog fijner! De zon scheen op het vlas, en de regenwolken begoten het; en dat deed daaraan evenveel goed, als het aan kleine kinderen doet, als zij gewasschen worden en dan een kus van hun moeder krijgen; zij worden daardoor veel schooner, en dat werd het vlas ook.«De menschen zeggen, dat ik bijzonder goed sta,» zei het vlas, «en dat ik heel lang ben; er zal een prachtig stuk linnen van mij komen. O, hoe gelukkig ben ik toch! Ik ben zeker de gelukkigste van alle wezens. Wat heb ik het goed! En er zal zeker wel wat van mij worden. Wat maakt de zonneschijn blij en wat smaakt de regen goed en wat verfrischt hij! Ik ben overgelukkig, ik ben de allergelukkigste!»«Ja, ja!» zei een paal van de heining. «Je kent de wereld niet,maar wij wel, want er zitten kwasten in ons,» en daarop maakte hij een jammerlijk geluid:«Snip, snap, snor,Basselor,Uit is het lied!»«Neen! het is niet uit!» zei het vlas. «Morgen schijnt de zon of doet de regen goed. Ik gevoel, hoe ik groei; ik gevoel, dat ik in bloei sta! Ik ben de allergelukkigste!»Maar op zekeren dag kwamen er menschen; deze pakten het vlas van boven beet en trokken het met den wortel uit; dat deed zeer; het werd in het water gelegd, alsof het verdronken moest worden, en toen kwam het over het vuur, alsof men het wilde braden,—dat was ontzettend!«Men kan het niet altijd goed hebben!» zei het vlas. «Men moet iets ondervinden, dan weet men wat!»Maar het liep slecht af; het vlas werd nat gemaakt en gedroogd, gebraakt en gehekeld,—ja, wat wist het, hoe het heette, wat men er al zoo mee deed. Het kwam op het spinnewiel: snor, snor!—Nu was het niet mogelijk, zijn gedachten bij elkaar te houden.«Ik ben buitengewoon gelukkig geweest!» dacht het bij al zijn pijn; «men moet tevreden zijn met het goede, dat men genoten heeft!—Tevreden! Tevreden! O!» En dat zei het nog, toen het op het weefgetouw kwam;—en zoo werd het een mooi, groot stuk linnen. Al het vlas, tot op den laatsten stengel, ging aan dat ééne stuk op.«Maar dat is toch zonderling! Dat had ik nooit gedacht! O, wat is het geluk mij toch gunstig! De paal wist werkelijk niet, wat hij bedoelde met zijn:«Snip, snap, snor,Basselor!Het lied is nog volstrekt niet uit! Nu begint het eigenlijk eerst recht! Dat is werkelijk zonderling! Al moge ik ook iets geleden hebben, er is toch ook iets van mij geworden! Ik ben de gelukkigste van alle! Wat ben ik sterk en fijn, wat ben ik wit en lang! Dat is wat anders dan slechts een plant te zijn, al draagt men ook bloemen; men wordt niet verpleegd; en water krijgt men alleen dan, als het regent. Nu word ik verzorgd en verpleegd, de meid keert mij alle morgens om, en uit den gieter krijg ik iederen avond een regenbad; ja, de domineesvrouw heeft zelfs een lofrede op mij gehouden en gezegd, dat ik het beste stuk uit het kerspel ben. Ik kan niet gelukkiger worden!»Nu kwam het linnen in huis en toen onder de schaar; o, wat sneed en rukte men er aan, wat stak men er met naalden in!—Dat was waarlijk geen plezier; maar van het linnen kwamen twaalf stukken van die soort, welke men niet graag noemt, maar die alle menschen moeten hebben: een geheel dozijn werd daarvan vervaardigd.«O, kijk eens! Nu ben ik eerst wat gewichtigs geworden. Dat was dus mijn bestemming! Dat is immers een ware zegen! Nu doe iknut in de wereld, en dat moet men immers, dat is eerst het ware genoegen! Wij zijn twaalf stukken geworden, maar wij zijn toch allemaal een en hetzelfde: wij zijn juist een dozijn! Wat is dat voor een bijzonder geluk!»Jaren verliepen er,—en nu waren zij heelemaal versleten.«Eenmaal moet het immers gedaan zijn,» zei ieder stuk. «Ik zou graag wat langer geduurd hebben, maar men moet niets onmogelijks verlangen!»Nu werden zij in stukken en flarden gescheurd. Zij dachten, dat het nu met hen gedaan was, want zij werden fijngehakt, geweekt en gekookt, ja, zij wisten zelf niet, wat er al zoo met hen gebeurde ... en toen werden zij schoon, wit papier.«Nu, dat is een verrassing, een heerlijke verrassing!» zei het papier. «Nu ben ik fijner dan vroeger, en nu zal ik beschreven worden. Dat is toch een buitengewoon geluk!»En er werden werkelijk de mooiste geschiedenissen en verzen op geschreven. De menschen hoorden, wat er op stond; en dat was wijs en goed, het maakte hen veel wijzer en beter; er lag een groote zegen in de woorden op dit papier.«Dat is meer, dan ik ooit gedacht had, toen ik nog een klein blauw bloempje op het veld was! Hoe kon het mij in de gedachten komen, dat ik eenmaal vreugde en kennis onder de menschen zou verspreiden? Ik kan het zelf nog niet begrijpen, maar het is toch werkelijk zoo! Onze God weet, dat ik daartoe zelf niets gedaan heb, dan wat ik overeenkomstig mijn zwakke krachten voor mijn bestaan doen moest; en toch brengt Hij mij van de eene vreugde en eer tot de andere. Telkens wanneer ik denk: «Uit is het lied!» dan ga ik weer tot iets hoogers en beters over. Nu moet ik zeker op reis gaan en de heele wereld rondgezonden worden, opdat alle menschen mij kunnen lezen. Dat kan niet anders zijn! Dat is het waarschijnlijkste! Ik heb kostelijke gedachten, even vele als ik vroeger blauwe bloemen had! Ik ben het gelukkigste schepsel!»Doch het papier ging niet op reis, maar het ging naar den boekdrukker toe; en daar werd alles, wat er op geschreven stond, om te drukken gezet tot één boek, ja tot vele honderden boeken, want op deze wijze konden oneindig velen er meer nut en genoegen van hebben, dan wanneer het eenige papier, waarop het geschreven stond, de heele wereld had moeten rondgaan en halverwege versleten was.«Ja, dat is zeker het verstandigste!» dacht het beschreven papier. «Dat is mij niet ingevallen. Ik blijf te huis en word in eere gehouden als een oude grootvader, en dat ben ik immers ook van al deze nieuwe boeken. Nu kan er iets uitgericht worden. Zoo zou ik niet hebben kunnen rondreizen. Op mij heeft diegene neergezien, die het geheel schreef. Ieder woord vloeide regelrecht uit de pen op mij! Ik ben de gelukkigste!»Daarop werd het papier in een pakje samengebonden en in een ton geworpen, die in het wachthuis stond.«Na volbrachten arbeid is het goed rusten!» zei het papier. «Het is zeer verstandig, dat men zijn gedachten verzamelt en omtrent datgene, wat er in iemand woont, tot nadenken komt. Nu weet ik eerst zoo recht, wat er op mij staat! En zich zelf te kennen, dat is eerst de ware vooruitgang. Wat zal er nu wel met mij gebeuren? Voorwaarts zal het in allen gevalle gaan; het gaat altijd voorwaarts; dat heb ik ondervonden.»Nu werd op zekeren dag al het papier op den haard gelegd; het zou verbrand worden; want het mocht niet aan den kruidenier verkocht en voor het inpakken van boter en suiker gebruikt worden: zoo zeide men. En al de kinderen in het huis stonden er om heen, want zij mochten graag papier zien branden; dat vlamde prachtig in de hoogte, en later kon men in de asch de vele roode vonken zien, die heen en weer gingen. De eene na de andere ging uit. Dat noemde men: «De kinderen uit de school zien komen,» en de laatste vonk was de schoolmeester; dikwijls dachten zij, dat deze heengegaan was; maar dan kwam er op hetzelfde oogenblik nog een vonk. «Daar ging de schoolmeester!» zeiden zij. Nu, die weten het wel. Zij hadden maar moeten weten, wie daar ging; wij zullen het te weten komen; maar zij wisten het niet. Al het oude papier, het geheele pakje, werd op het vuur gelegd, en dit ontvlamde al spoedig. «Hu!» zeide het en flikkerde in heldere vlammen op. Nu, dat was juist niet zeer aangenaam; maar toen het geheel in heldere vlammen stond, sloegen deze zoo in de hoogte, als het vlas nooit zijn kleine, blauwe bloemen had kunnen verheffen, en fonkelden, zooals het witte linnen nooit had kunnen fonkelen. Alle geschrevene letters werden voor een oogenblik rood, en alle woorden en gedachten gingen in vlammen op. «Nu stijg ik regelrecht naar de zon op!» sprak het in de vlam, en het was, alsof duizenden stemmen dit eenparig zeiden; en de vlammen sloegen door den schoorsteen en er boven uit. En fijner dan de vlammen, onzichtbaar voor het menschelijk oog, zweefden daar kleine wezens, even groot in getal, als er bloemen aan het vlas gezeten hadden. Zij waren nog lichter dan de vlam, die ze had doen ontstaan; en toen deze uitging en er van het papier slechts de zwarte asch over was, dansten zij nog eenmaal boven deze heen, en waar zij ze aanraakten, daar liepen de roode vonken. «De kinderen kwamen uit de school en de schoolmeester was de laatste!» Dat was een pret, en de kinderen zongen bij de doode asch:«Snip, snap, snor,Basselor,Uit is het lied!»Maar de kleine onzichtbare wezens zeiden allemaal: «Het lied is nooit uit! Dat is het mooiste van alles. Ik weet het, en daarom ben ik de gelukkigste!»Maar dat konden de kinderen niet hooren of verstaan, en dat behoefden zij ook niet; want kinderen mogen niet alles weten.
Het vlas stond in bloei; het had allerliefste, blauwe bloempjes, even teer als de vleugeltjes van een mug, en nog fijner! De zon scheen op het vlas, en de regenwolken begoten het; en dat deed daaraan evenveel goed, als het aan kleine kinderen doet, als zij gewasschen worden en dan een kus van hun moeder krijgen; zij worden daardoor veel schooner, en dat werd het vlas ook.
«De menschen zeggen, dat ik bijzonder goed sta,» zei het vlas, «en dat ik heel lang ben; er zal een prachtig stuk linnen van mij komen. O, hoe gelukkig ben ik toch! Ik ben zeker de gelukkigste van alle wezens. Wat heb ik het goed! En er zal zeker wel wat van mij worden. Wat maakt de zonneschijn blij en wat smaakt de regen goed en wat verfrischt hij! Ik ben overgelukkig, ik ben de allergelukkigste!»
«Ja, ja!» zei een paal van de heining. «Je kent de wereld niet,maar wij wel, want er zitten kwasten in ons,» en daarop maakte hij een jammerlijk geluid:
«Snip, snap, snor,Basselor,Uit is het lied!»
«Snip, snap, snor,
Basselor,
Uit is het lied!»
«Neen! het is niet uit!» zei het vlas. «Morgen schijnt de zon of doet de regen goed. Ik gevoel, hoe ik groei; ik gevoel, dat ik in bloei sta! Ik ben de allergelukkigste!»
Maar op zekeren dag kwamen er menschen; deze pakten het vlas van boven beet en trokken het met den wortel uit; dat deed zeer; het werd in het water gelegd, alsof het verdronken moest worden, en toen kwam het over het vuur, alsof men het wilde braden,—dat was ontzettend!
«Men kan het niet altijd goed hebben!» zei het vlas. «Men moet iets ondervinden, dan weet men wat!»
Maar het liep slecht af; het vlas werd nat gemaakt en gedroogd, gebraakt en gehekeld,—ja, wat wist het, hoe het heette, wat men er al zoo mee deed. Het kwam op het spinnewiel: snor, snor!—Nu was het niet mogelijk, zijn gedachten bij elkaar te houden.
«Ik ben buitengewoon gelukkig geweest!» dacht het bij al zijn pijn; «men moet tevreden zijn met het goede, dat men genoten heeft!—Tevreden! Tevreden! O!» En dat zei het nog, toen het op het weefgetouw kwam;—en zoo werd het een mooi, groot stuk linnen. Al het vlas, tot op den laatsten stengel, ging aan dat ééne stuk op.
«Maar dat is toch zonderling! Dat had ik nooit gedacht! O, wat is het geluk mij toch gunstig! De paal wist werkelijk niet, wat hij bedoelde met zijn:
«Snip, snap, snor,Basselor!
«Snip, snap, snor,
Basselor!
Het lied is nog volstrekt niet uit! Nu begint het eigenlijk eerst recht! Dat is werkelijk zonderling! Al moge ik ook iets geleden hebben, er is toch ook iets van mij geworden! Ik ben de gelukkigste van alle! Wat ben ik sterk en fijn, wat ben ik wit en lang! Dat is wat anders dan slechts een plant te zijn, al draagt men ook bloemen; men wordt niet verpleegd; en water krijgt men alleen dan, als het regent. Nu word ik verzorgd en verpleegd, de meid keert mij alle morgens om, en uit den gieter krijg ik iederen avond een regenbad; ja, de domineesvrouw heeft zelfs een lofrede op mij gehouden en gezegd, dat ik het beste stuk uit het kerspel ben. Ik kan niet gelukkiger worden!»
Nu kwam het linnen in huis en toen onder de schaar; o, wat sneed en rukte men er aan, wat stak men er met naalden in!—Dat was waarlijk geen plezier; maar van het linnen kwamen twaalf stukken van die soort, welke men niet graag noemt, maar die alle menschen moeten hebben: een geheel dozijn werd daarvan vervaardigd.
«O, kijk eens! Nu ben ik eerst wat gewichtigs geworden. Dat was dus mijn bestemming! Dat is immers een ware zegen! Nu doe iknut in de wereld, en dat moet men immers, dat is eerst het ware genoegen! Wij zijn twaalf stukken geworden, maar wij zijn toch allemaal een en hetzelfde: wij zijn juist een dozijn! Wat is dat voor een bijzonder geluk!»
Jaren verliepen er,—en nu waren zij heelemaal versleten.
«Eenmaal moet het immers gedaan zijn,» zei ieder stuk. «Ik zou graag wat langer geduurd hebben, maar men moet niets onmogelijks verlangen!»
Nu werden zij in stukken en flarden gescheurd. Zij dachten, dat het nu met hen gedaan was, want zij werden fijngehakt, geweekt en gekookt, ja, zij wisten zelf niet, wat er al zoo met hen gebeurde ... en toen werden zij schoon, wit papier.
«Nu, dat is een verrassing, een heerlijke verrassing!» zei het papier. «Nu ben ik fijner dan vroeger, en nu zal ik beschreven worden. Dat is toch een buitengewoon geluk!»
En er werden werkelijk de mooiste geschiedenissen en verzen op geschreven. De menschen hoorden, wat er op stond; en dat was wijs en goed, het maakte hen veel wijzer en beter; er lag een groote zegen in de woorden op dit papier.
«Dat is meer, dan ik ooit gedacht had, toen ik nog een klein blauw bloempje op het veld was! Hoe kon het mij in de gedachten komen, dat ik eenmaal vreugde en kennis onder de menschen zou verspreiden? Ik kan het zelf nog niet begrijpen, maar het is toch werkelijk zoo! Onze God weet, dat ik daartoe zelf niets gedaan heb, dan wat ik overeenkomstig mijn zwakke krachten voor mijn bestaan doen moest; en toch brengt Hij mij van de eene vreugde en eer tot de andere. Telkens wanneer ik denk: «Uit is het lied!» dan ga ik weer tot iets hoogers en beters over. Nu moet ik zeker op reis gaan en de heele wereld rondgezonden worden, opdat alle menschen mij kunnen lezen. Dat kan niet anders zijn! Dat is het waarschijnlijkste! Ik heb kostelijke gedachten, even vele als ik vroeger blauwe bloemen had! Ik ben het gelukkigste schepsel!»
Doch het papier ging niet op reis, maar het ging naar den boekdrukker toe; en daar werd alles, wat er op geschreven stond, om te drukken gezet tot één boek, ja tot vele honderden boeken, want op deze wijze konden oneindig velen er meer nut en genoegen van hebben, dan wanneer het eenige papier, waarop het geschreven stond, de heele wereld had moeten rondgaan en halverwege versleten was.
«Ja, dat is zeker het verstandigste!» dacht het beschreven papier. «Dat is mij niet ingevallen. Ik blijf te huis en word in eere gehouden als een oude grootvader, en dat ben ik immers ook van al deze nieuwe boeken. Nu kan er iets uitgericht worden. Zoo zou ik niet hebben kunnen rondreizen. Op mij heeft diegene neergezien, die het geheel schreef. Ieder woord vloeide regelrecht uit de pen op mij! Ik ben de gelukkigste!»
Daarop werd het papier in een pakje samengebonden en in een ton geworpen, die in het wachthuis stond.
«Na volbrachten arbeid is het goed rusten!» zei het papier. «Het is zeer verstandig, dat men zijn gedachten verzamelt en omtrent datgene, wat er in iemand woont, tot nadenken komt. Nu weet ik eerst zoo recht, wat er op mij staat! En zich zelf te kennen, dat is eerst de ware vooruitgang. Wat zal er nu wel met mij gebeuren? Voorwaarts zal het in allen gevalle gaan; het gaat altijd voorwaarts; dat heb ik ondervonden.»
Nu werd op zekeren dag al het papier op den haard gelegd; het zou verbrand worden; want het mocht niet aan den kruidenier verkocht en voor het inpakken van boter en suiker gebruikt worden: zoo zeide men. En al de kinderen in het huis stonden er om heen, want zij mochten graag papier zien branden; dat vlamde prachtig in de hoogte, en later kon men in de asch de vele roode vonken zien, die heen en weer gingen. De eene na de andere ging uit. Dat noemde men: «De kinderen uit de school zien komen,» en de laatste vonk was de schoolmeester; dikwijls dachten zij, dat deze heengegaan was; maar dan kwam er op hetzelfde oogenblik nog een vonk. «Daar ging de schoolmeester!» zeiden zij. Nu, die weten het wel. Zij hadden maar moeten weten, wie daar ging; wij zullen het te weten komen; maar zij wisten het niet. Al het oude papier, het geheele pakje, werd op het vuur gelegd, en dit ontvlamde al spoedig. «Hu!» zeide het en flikkerde in heldere vlammen op. Nu, dat was juist niet zeer aangenaam; maar toen het geheel in heldere vlammen stond, sloegen deze zoo in de hoogte, als het vlas nooit zijn kleine, blauwe bloemen had kunnen verheffen, en fonkelden, zooals het witte linnen nooit had kunnen fonkelen. Alle geschrevene letters werden voor een oogenblik rood, en alle woorden en gedachten gingen in vlammen op. «Nu stijg ik regelrecht naar de zon op!» sprak het in de vlam, en het was, alsof duizenden stemmen dit eenparig zeiden; en de vlammen sloegen door den schoorsteen en er boven uit. En fijner dan de vlammen, onzichtbaar voor het menschelijk oog, zweefden daar kleine wezens, even groot in getal, als er bloemen aan het vlas gezeten hadden. Zij waren nog lichter dan de vlam, die ze had doen ontstaan; en toen deze uitging en er van het papier slechts de zwarte asch over was, dansten zij nog eenmaal boven deze heen, en waar zij ze aanraakten, daar liepen de roode vonken. «De kinderen kwamen uit de school en de schoolmeester was de laatste!» Dat was een pret, en de kinderen zongen bij de doode asch:
«Snip, snap, snor,Basselor,Uit is het lied!»
«Snip, snap, snor,
Basselor,
Uit is het lied!»
Maar de kleine onzichtbare wezens zeiden allemaal: «Het lied is nooit uit! Dat is het mooiste van alles. Ik weet het, en daarom ben ik de gelukkigste!»
Maar dat konden de kinderen niet hooren of verstaan, en dat behoefden zij ook niet; want kinderen mogen niet alles weten.
Kinderpraat.Er was in het huis van zeker rijk koopman een kinderpartij; het waren allemaal kinderen van rijke en aanzienlijke lieden; de koopman was een geleerd man; hij had eenmaal het studentenexamen afgelegd; daartoe spoorde zijn brave vader hem aan, die van den beginne af slechts veehandelaar, maar altijd eerlijk en vlijtig geweest was; de handel had geld opgebracht, en dit geld had de koopman weten te vermeerderen. Verstandig was hij, en een hart had hij ook, maar over zijn hart werd minder gesproken dan over al zijn geld. Bij den koopman gingen de deftige lieden in en uit, zoowel menschen van adellijk bloed, gelijk het heet, als van verstand, maar ook lieden, die beide bezaten, en ook geen van beide. Ditmaal was er daar een kinderpartij, en kinderen zeggen alles, wat hun maar voor den mond komt. Onder anderen was daar een verwonderlijk schoon, klein meisje, maar dit meisje was ontzettend trotsch; dat hadden de dienstboden haar geleerd, en niet haar ouders, want daarvoor waren dit veel te verstandige lieden; haar vader was kamerheer, en dat is iets heel deftigs, dat wist zij wel.«Ik ben een kamerkind!» zeide zij. Zij had even goed een kelderkind kunnen zijn, want daar kan niemand zelf iets aan doen. Verder vertelde zij, dat zij «geboren» was, en zeide, dat men, als men niet geboren was, ook niets kon worden; het baatte niets, of men al wilde lezen en vlijtig zijn; als men niet geboren was, dan kon men ook niets worden.«En diegenen, wier namen op «sen» eindigen,» zeide zij, «van die kan volstrekt niets komen! Men moet de handen in de zijden zetten en ze ver van zich houden, die «sens!» en dit zeggende, zette zij haar handen in de zijden en maakte haar ellebogen spits, om te toonen, hoe men dat moest doen; en haar armpjes waren heel poezelig. Het was een allersnoepigst meisje. Maar het dochtertje van den koopman werd over deze taal heel boos; haar vader heette Petersen, en van dezen naam wist zij, dat hij op «sen» eindigde, en daarom zeide zij zoo trotsch, als zij maar kon:«Maar mijn vader kan voor honderd thalers bonbons koopen en deze midden onder de kinderen werpen! Kan jouw vader dat?»«Ja, maar mijn vader,» zei het dochtertje van een schrijver, «kan jouw vader en jouw vader en al jelui vaders in de krant zetten! Alle menschen zijn bang voor hem, zegt moeder, want mijn vader is het, die in de krant regeert.»En het dochtertje zag er daarbij trotsch uit, alsof het een wezenlijke prinses geweest was, die er wel trotsch moest uitzien.Maar buiten voor de deur, die slechts op een kier stond, bevond zich een arme jongen en keek door de reet. Hij was zoo gering, dat hij niet eens in de kamer mocht komen. Hij had het braadspit voor de keukenmeid omgedraaid, en deze had hem nu vergund, achter de deur te staan en naar de keurig uitgedoste kinderen te kijken, die zulk een plezierigen dag hadden, en dat was al veel voor hem.«Welk een geluk, een van hen te zijn!» dacht hij, en daarbij hoorde hij, wat er gesproken werd, en dat was wel geschikt, om hem erg mismoedig te maken. Geen enkelen penning hadden zijn ouders te huis, dien zij konden overleggen, om daarvoor een krant te lezen, laat staan dan er een te schrijven!—en wat nog het allerergste was: de naam van zijn vader en ook de zijne eindigden op «sen» van hem kon dus ook niets komen. Dat was treurig!—Maar geboren was hij toch, dat kon onmogelijk anders zijn.Dat was nu op dezen avond.Sedert verliepen er vele jaren, en ondertusschen worden kinderen volwassen menschen.In de stad stond een prachtig huis, het was opgevuld met louter mooie voorwerpen en schatten; alle menschen wilden het zien, zelfs menschen, die buiten de stad woonden, kwamen naar de stad toe, om het te zien. Wie van de kinderen, waarvan wij verteld hebben, zou dit huis nu wel het zijne noemen? Ja, dat te weten, is natuurlijk heel gemakkelijk! Neen, neen! het is toch niet zoo heel gemakkelijk. Het huis behoorde aan den kleinen, armen jongen, die op den bewusten avond achter de deur gestaan had; van hem kwam toch iets, ofschoon zijn naam op «sen» eindigde,—het was Thorwaldsen.En die drie andere kinderen?—de kinderen van het adellijk bloed, van het geld en van den hoogmoed?—Ja, het eene heeft het andere niets te verwijten, het zijn gelijke kinderen,—van hen kwam alles goeds, de natuur had hen rijkelijk bedeeld; wat zij indertijd gedacht en gesproken hadden, was niets anders dan kinderpraat.
Er was in het huis van zeker rijk koopman een kinderpartij; het waren allemaal kinderen van rijke en aanzienlijke lieden; de koopman was een geleerd man; hij had eenmaal het studentenexamen afgelegd; daartoe spoorde zijn brave vader hem aan, die van den beginne af slechts veehandelaar, maar altijd eerlijk en vlijtig geweest was; de handel had geld opgebracht, en dit geld had de koopman weten te vermeerderen. Verstandig was hij, en een hart had hij ook, maar over zijn hart werd minder gesproken dan over al zijn geld. Bij den koopman gingen de deftige lieden in en uit, zoowel menschen van adellijk bloed, gelijk het heet, als van verstand, maar ook lieden, die beide bezaten, en ook geen van beide. Ditmaal was er daar een kinderpartij, en kinderen zeggen alles, wat hun maar voor den mond komt. Onder anderen was daar een verwonderlijk schoon, klein meisje, maar dit meisje was ontzettend trotsch; dat hadden de dienstboden haar geleerd, en niet haar ouders, want daarvoor waren dit veel te verstandige lieden; haar vader was kamerheer, en dat is iets heel deftigs, dat wist zij wel.
«Ik ben een kamerkind!» zeide zij. Zij had even goed een kelderkind kunnen zijn, want daar kan niemand zelf iets aan doen. Verder vertelde zij, dat zij «geboren» was, en zeide, dat men, als men niet geboren was, ook niets kon worden; het baatte niets, of men al wilde lezen en vlijtig zijn; als men niet geboren was, dan kon men ook niets worden.
«En diegenen, wier namen op «sen» eindigen,» zeide zij, «van die kan volstrekt niets komen! Men moet de handen in de zijden zetten en ze ver van zich houden, die «sens!» en dit zeggende, zette zij haar handen in de zijden en maakte haar ellebogen spits, om te toonen, hoe men dat moest doen; en haar armpjes waren heel poezelig. Het was een allersnoepigst meisje. Maar het dochtertje van den koopman werd over deze taal heel boos; haar vader heette Petersen, en van dezen naam wist zij, dat hij op «sen» eindigde, en daarom zeide zij zoo trotsch, als zij maar kon:
«Maar mijn vader kan voor honderd thalers bonbons koopen en deze midden onder de kinderen werpen! Kan jouw vader dat?»
«Ja, maar mijn vader,» zei het dochtertje van een schrijver, «kan jouw vader en jouw vader en al jelui vaders in de krant zetten! Alle menschen zijn bang voor hem, zegt moeder, want mijn vader is het, die in de krant regeert.»
En het dochtertje zag er daarbij trotsch uit, alsof het een wezenlijke prinses geweest was, die er wel trotsch moest uitzien.
Maar buiten voor de deur, die slechts op een kier stond, bevond zich een arme jongen en keek door de reet. Hij was zoo gering, dat hij niet eens in de kamer mocht komen. Hij had het braadspit voor de keukenmeid omgedraaid, en deze had hem nu vergund, achter de deur te staan en naar de keurig uitgedoste kinderen te kijken, die zulk een plezierigen dag hadden, en dat was al veel voor hem.
«Welk een geluk, een van hen te zijn!» dacht hij, en daarbij hoorde hij, wat er gesproken werd, en dat was wel geschikt, om hem erg mismoedig te maken. Geen enkelen penning hadden zijn ouders te huis, dien zij konden overleggen, om daarvoor een krant te lezen, laat staan dan er een te schrijven!—en wat nog het allerergste was: de naam van zijn vader en ook de zijne eindigden op «sen» van hem kon dus ook niets komen. Dat was treurig!—Maar geboren was hij toch, dat kon onmogelijk anders zijn.
Dat was nu op dezen avond.
Sedert verliepen er vele jaren, en ondertusschen worden kinderen volwassen menschen.
In de stad stond een prachtig huis, het was opgevuld met louter mooie voorwerpen en schatten; alle menschen wilden het zien, zelfs menschen, die buiten de stad woonden, kwamen naar de stad toe, om het te zien. Wie van de kinderen, waarvan wij verteld hebben, zou dit huis nu wel het zijne noemen? Ja, dat te weten, is natuurlijk heel gemakkelijk! Neen, neen! het is toch niet zoo heel gemakkelijk. Het huis behoorde aan den kleinen, armen jongen, die op den bewusten avond achter de deur gestaan had; van hem kwam toch iets, ofschoon zijn naam op «sen» eindigde,—het was Thorwaldsen.
En die drie andere kinderen?—de kinderen van het adellijk bloed, van het geld en van den hoogmoed?—Ja, het eene heeft het andere niets te verwijten, het zijn gelijke kinderen,—van hen kwam alles goeds, de natuur had hen rijkelijk bedeeld; wat zij indertijd gedacht en gesproken hadden, was niets anders dan kinderpraat.
De stopnaald.Er was eens eenstopnaald, die zich zoo fijn waande, dat zij zich inbeeldde, een naainaald te zijn.«Past maar goed op, dat ge mij vasthoudt!» zei de stopnaald tegen de vingers, die haar voor den dag haalden. «Laat mij niet vallen! Als ik op den grond rol, dan vindt ge mij stellig niet meer terug, zoo fijn ben ik.»«Dat zal wel schikken,» zeiden de vingers en pakten haar om het lijf beet.«Ziet ge, ik kom met gevolg!» zei de stopnaald en trok een langen draad achter zich mee; maar er lag een knoop in dezen draad.De vingers richtten de stopnaald vlak op de pantoffel der keukenmeid. Daarvan was het bovenleer doormidden gescheurd, en dat moest weer aan elkaar vastgenaaid worden.«Dat is gemeen werk!» zei de stopnaald. «Ik kom er nooit van mijn leven doorheen. Ik breek, ik breek!» En waarlijk, zij brak. «Heb ik het niet gezegd?» riep de stopnaald uit. «Ik ben te fijn!»«Nu deugt zij volstrekt niet meer!» zeiden de vingers; maar zij moesten haar toch vasthouden; de keukenmeid liet lak op de naald droppelen en stak daarmee haar doekje van voren vast.«Ziezoo, nu ben ik een doekspeld!» zei de stopnaald. «Ik wist wel, dat ik in eere zou komen; is men wat, dan wordt men wat!» En daarbij lachte zij in zich zelf; want men kan het een stopnaald nooit aanzien, als zij lacht. Daar zat zij nu zoo trotsch, alsof zij in een staatsiekoets reed, en keek naar alle kanten.«Mag ik u ook vragen, of ge van goud zijt?» vroeg de speld, die haar buurvrouw was. «Ge ziet er prachtig uit en hebt een eigenaardig hoofd; doch het is maar klein! Ge moet uw best doen om het te laten groeien, want niet iedereen wordt met lak bedroppeld!»En nu richtte de stopnaald zich zoo trotsch op, dat zij van het doekje afviel en vlak in den gootsteen te land kwam, dien de keukenmeid juist doorspoelde.«Nu gaan wij op reis!» zei de stopnaald. «Als ik er maar niet bij verloren ga!» En zij ging werkelijk verloren.«Ik ben te fijn voor deze wereld!» zeide zij, toen zij in de goot lag. «Maar ik weet, wie ik ben, en dat is altijd een klein genoegen!» En de stopnaald behield haar trotsche houding en verloor haar goede luim niet.Er zwommen allerlei voorwerpen over haar heen, spaanders en strookjes van oude kranten. «Kijk eens, hoe zij zeilen!» zei de stopnaald. «Zij weten niet, wat er onder hen ligt! Ik lig hier, ik zit hier vast! Kijk, daar gaat een spaander; die denkt aan niets anders in de wereld dan aan zich zelf. Daar drijft een strootje! O, wat draait en keert het zich naar alle kanten! Denkt toch niet alleen aan u zelf, want dan zoudt ge u licht aan een steen kunnen stooten! Daar zwemt een stukje krant! Wat daarin staat, is al lang vergeten, en toch spreidt het zich uit! Ik zit geduldig en stil! Ik weet, wat ik ben, en dat blijf ik ook!»Op zekeren dag lag er iets dicht naast haar; dat glinsterde zoo prachtig, en nu dacht de stopnaald, dat het een diamant was, maar het was een glasscherf, en omdat deze glinsterde, sprak de stopnaald haar aan en gaf zich voor een doekspeld uit.«Ge zijt zeker een diamant?»«Ja, ik ben zoo iets van dien aard!» En zoo dacht de eene van de andere, dat het iets heel kostbaars was; en zij spraken er over, hoe hoogmoedig de wereld toch was.«Ik ben bij een juffrouw in den koker geweest,» zei de stopnaald, «en deze juffrouw was keukenmeid; aan iedere hand had zij vijf vingers; maar iets, dat zoo veel verbeelding had, als deze vingers, heb ik nog nooit van mijn leven gezien, en zij waren er toch maar om mij uit den koker te nemen en er weer in te doen.»«Waren zij dan zoo deftig?» vroeg de glasscherf.«Deftig?» zei de stopnaald. «Neen, maar hoogmoedig! Er waren vijf broeders, allen geborene «vingers». Zij stonden trotsch naast elkaar, ofschoon zij van verschillende lengte waren. De eerste, Duimelot, was kort en dik, deze had maar één gewricht in den rug en kon maar één buiging maken; maar hij zeide, dat, als hij iemand afgehakt werd, deze niet meer voor den krijgsdienst deugde. Likkepoot, de tweede vinger, kwam zoowel in zoet als in zuur, wees naar de zon en de maan en gaf den druk, als zij schreven. Langeliereboom, de derde, keek al de anderen over het hoofd heen. Ringeling, de vierde, ging met een gouden gordel om het lijf, en Pinkeling, deed volstrekt niets, en daarop was hij trotsch. Pralerij was het en pralerij bleef het, en daarom ging ik heen!»«En nu zitten we hier en glinsteren!» zei de glasscherf.Op hetzelfde oogenblik kwam er meer water in de goot; het stroomde over den kant heen en voerde de glasscherf met zich mee.«Ziezoo, nu wordt zij bevorderd!» zei de stopnaald. «Ik blijf zitten, ik ben te fijn; maar dat is mijn trots, en die is achtenswaardig!» En trotsch zat zij daar en had vele verhevene gedachten.«Ik zou haast denken, dat ik uit een zonnestraal geboren ben, zoo fijn ben ik! Het komt mij toch ook voor, alsof de zonnestralen mij altijd onder het water zoeken. Ach, ik ben zoo fijn, dat mijn moeder mij niet kan vinden. Als ik mijn oude oog had, dat afgebroken is, dan geloof ik, dat ik zou kunnen schreien; maar ik zou het toch niet doen,—want schreien staat niet deftig!»Op zekeren dag lagen er een paar straatjongens op den grond en wroetten in de goot, waarin zij oude spijkers, penningen en dergelijke dingen vonden. Het was een smerig werk; maar zij hadden er nu eenmaal schik in.«Ai!» schreeuwde de een, die zich aan de stopnaald stak, «dat is ook een kerel!»«Ik ben geen kerel, ik ben een dame!» zei de stopnaald; maar niemand hoorde het. Het lak was er afgegaan en zij was ook zwart geworden, maar zwart maakt slanker, en nu dacht zij, dat zij fijner dan vroeger was.«Daar komt een eierschaal!» zeiden de jongens, en nu staken zij de stopnaald in de eierschaal vast.«Witte muren en zelf zwart,» zei de stopnaald, «dat kleedt goed; nu kan men mij toch zien! Als ik maar niet zeeziek word, want dan moet ik braken!»Maar zij werd niet zeeziek en braakte ook niet.«Het is een goed middel tegen zeeziekte, als men een maag van staal heeft en dan ook niet vergeet, dat men iets meer is dan een mensch. Nu is de vrees voor zeeziekte geweken. Hoe fijner men is, des te meer kan men verdragen.»«Krak!» zei de eierschaal; er ging een kruiwagen over haar heen.«Hemel! Wat drukt dat!» zei de stopnaald; «nu word ik tochzeeziek! Ik moet braken!» Maar zij braakte niet, ofschoon er een kruiwagen over haar heen ging; zij lag zoo lang als zij was op den grond, en zoo moet zij maar blijven liggen.
Er was eens eenstopnaald, die zich zoo fijn waande, dat zij zich inbeeldde, een naainaald te zijn.
«Past maar goed op, dat ge mij vasthoudt!» zei de stopnaald tegen de vingers, die haar voor den dag haalden. «Laat mij niet vallen! Als ik op den grond rol, dan vindt ge mij stellig niet meer terug, zoo fijn ben ik.»
«Dat zal wel schikken,» zeiden de vingers en pakten haar om het lijf beet.
«Ziet ge, ik kom met gevolg!» zei de stopnaald en trok een langen draad achter zich mee; maar er lag een knoop in dezen draad.
De vingers richtten de stopnaald vlak op de pantoffel der keukenmeid. Daarvan was het bovenleer doormidden gescheurd, en dat moest weer aan elkaar vastgenaaid worden.
«Dat is gemeen werk!» zei de stopnaald. «Ik kom er nooit van mijn leven doorheen. Ik breek, ik breek!» En waarlijk, zij brak. «Heb ik het niet gezegd?» riep de stopnaald uit. «Ik ben te fijn!»
«Nu deugt zij volstrekt niet meer!» zeiden de vingers; maar zij moesten haar toch vasthouden; de keukenmeid liet lak op de naald droppelen en stak daarmee haar doekje van voren vast.
«Ziezoo, nu ben ik een doekspeld!» zei de stopnaald. «Ik wist wel, dat ik in eere zou komen; is men wat, dan wordt men wat!» En daarbij lachte zij in zich zelf; want men kan het een stopnaald nooit aanzien, als zij lacht. Daar zat zij nu zoo trotsch, alsof zij in een staatsiekoets reed, en keek naar alle kanten.
«Mag ik u ook vragen, of ge van goud zijt?» vroeg de speld, die haar buurvrouw was. «Ge ziet er prachtig uit en hebt een eigenaardig hoofd; doch het is maar klein! Ge moet uw best doen om het te laten groeien, want niet iedereen wordt met lak bedroppeld!»
En nu richtte de stopnaald zich zoo trotsch op, dat zij van het doekje afviel en vlak in den gootsteen te land kwam, dien de keukenmeid juist doorspoelde.
«Nu gaan wij op reis!» zei de stopnaald. «Als ik er maar niet bij verloren ga!» En zij ging werkelijk verloren.
«Ik ben te fijn voor deze wereld!» zeide zij, toen zij in de goot lag. «Maar ik weet, wie ik ben, en dat is altijd een klein genoegen!» En de stopnaald behield haar trotsche houding en verloor haar goede luim niet.
Er zwommen allerlei voorwerpen over haar heen, spaanders en strookjes van oude kranten. «Kijk eens, hoe zij zeilen!» zei de stopnaald. «Zij weten niet, wat er onder hen ligt! Ik lig hier, ik zit hier vast! Kijk, daar gaat een spaander; die denkt aan niets anders in de wereld dan aan zich zelf. Daar drijft een strootje! O, wat draait en keert het zich naar alle kanten! Denkt toch niet alleen aan u zelf, want dan zoudt ge u licht aan een steen kunnen stooten! Daar zwemt een stukje krant! Wat daarin staat, is al lang vergeten, en toch spreidt het zich uit! Ik zit geduldig en stil! Ik weet, wat ik ben, en dat blijf ik ook!»
Op zekeren dag lag er iets dicht naast haar; dat glinsterde zoo prachtig, en nu dacht de stopnaald, dat het een diamant was, maar het was een glasscherf, en omdat deze glinsterde, sprak de stopnaald haar aan en gaf zich voor een doekspeld uit.
«Ge zijt zeker een diamant?»
«Ja, ik ben zoo iets van dien aard!» En zoo dacht de eene van de andere, dat het iets heel kostbaars was; en zij spraken er over, hoe hoogmoedig de wereld toch was.
«Ik ben bij een juffrouw in den koker geweest,» zei de stopnaald, «en deze juffrouw was keukenmeid; aan iedere hand had zij vijf vingers; maar iets, dat zoo veel verbeelding had, als deze vingers, heb ik nog nooit van mijn leven gezien, en zij waren er toch maar om mij uit den koker te nemen en er weer in te doen.»
«Waren zij dan zoo deftig?» vroeg de glasscherf.
«Deftig?» zei de stopnaald. «Neen, maar hoogmoedig! Er waren vijf broeders, allen geborene «vingers». Zij stonden trotsch naast elkaar, ofschoon zij van verschillende lengte waren. De eerste, Duimelot, was kort en dik, deze had maar één gewricht in den rug en kon maar één buiging maken; maar hij zeide, dat, als hij iemand afgehakt werd, deze niet meer voor den krijgsdienst deugde. Likkepoot, de tweede vinger, kwam zoowel in zoet als in zuur, wees naar de zon en de maan en gaf den druk, als zij schreven. Langeliereboom, de derde, keek al de anderen over het hoofd heen. Ringeling, de vierde, ging met een gouden gordel om het lijf, en Pinkeling, deed volstrekt niets, en daarop was hij trotsch. Pralerij was het en pralerij bleef het, en daarom ging ik heen!»
«En nu zitten we hier en glinsteren!» zei de glasscherf.
Op hetzelfde oogenblik kwam er meer water in de goot; het stroomde over den kant heen en voerde de glasscherf met zich mee.
«Ziezoo, nu wordt zij bevorderd!» zei de stopnaald. «Ik blijf zitten, ik ben te fijn; maar dat is mijn trots, en die is achtenswaardig!» En trotsch zat zij daar en had vele verhevene gedachten.
«Ik zou haast denken, dat ik uit een zonnestraal geboren ben, zoo fijn ben ik! Het komt mij toch ook voor, alsof de zonnestralen mij altijd onder het water zoeken. Ach, ik ben zoo fijn, dat mijn moeder mij niet kan vinden. Als ik mijn oude oog had, dat afgebroken is, dan geloof ik, dat ik zou kunnen schreien; maar ik zou het toch niet doen,—want schreien staat niet deftig!»
Op zekeren dag lagen er een paar straatjongens op den grond en wroetten in de goot, waarin zij oude spijkers, penningen en dergelijke dingen vonden. Het was een smerig werk; maar zij hadden er nu eenmaal schik in.
«Ai!» schreeuwde de een, die zich aan de stopnaald stak, «dat is ook een kerel!»
«Ik ben geen kerel, ik ben een dame!» zei de stopnaald; maar niemand hoorde het. Het lak was er afgegaan en zij was ook zwart geworden, maar zwart maakt slanker, en nu dacht zij, dat zij fijner dan vroeger was.
«Daar komt een eierschaal!» zeiden de jongens, en nu staken zij de stopnaald in de eierschaal vast.
«Witte muren en zelf zwart,» zei de stopnaald, «dat kleedt goed; nu kan men mij toch zien! Als ik maar niet zeeziek word, want dan moet ik braken!»
Maar zij werd niet zeeziek en braakte ook niet.
«Het is een goed middel tegen zeeziekte, als men een maag van staal heeft en dan ook niet vergeet, dat men iets meer is dan een mensch. Nu is de vrees voor zeeziekte geweken. Hoe fijner men is, des te meer kan men verdragen.»
«Krak!» zei de eierschaal; er ging een kruiwagen over haar heen.
«Hemel! Wat drukt dat!» zei de stopnaald; «nu word ik tochzeeziek! Ik moet braken!» Maar zij braakte niet, ofschoon er een kruiwagen over haar heen ging; zij lag zoo lang als zij was op den grond, en zoo moet zij maar blijven liggen.
De oude torenklok.In het Duitsche land Wurtemberg, waar de acacia’s aan den straatweg groeien, waar de appel- en de pereboomen zich in den herfst ter aarde buigen onder den zegen van rijpe vruchten, ligt het stadje Marbach. Al moge dit ook slechts onder het getal der kleine steden behooren, toch ligt het allerbekoorlijkst aan den Neckarstroom, die voorbij dorpen, ridderkasteelen en wijnbergen vloeit, om zijn wateren eindelijk met die van den trotschen Rijn te vermengen.Het was in den naherfst, het wingerdloof hing wel is waar nog aan den wijnstok; maar de bladeren hadden zich reeds roodachtig gekleurd; geweldige regens vielen er in deze streken, de koude herfstwinden namen in kracht en scherpte toe,—het was juist geen aangename tijd voor arme lieden.De dagen werden gedurig korter en somberder, en het was donker zelfs buiten onder den vrijen hemel; nog donkerder was het binnen de oude, kleine huizen.—Een van deze huizen keerde zijn gevel naar de straat toe en stond daar met zijn kleine, lage ramen, armoedig en gering; arm was ook de familie, die in het huisje woonde, maar zij was braaf en vlijtig en droeg een schat van godsvrucht in het diepst van het hart. Nog een kind zou de goede God haar schenken; de ure was daar, de moeder lag in wee en smarte. Daar drong het vroolijke, feestelijke klokgelui van den kerktoren tot haar ooren door; het was een plechtige ure, en de tonen der klok vervulden de biddende met geloof; uit het diepst haars harten stegen haar gedachten tot God op, en ter zelfder ure werd haar een zoontje geboren. Zij was van oneindige blijdschap vervuld, en de klok boven in den toren luidde als ’t ware haar vreugde over stad en land uit. Twee heldere kinderoogen staarden haar aan, en het haar van den kleine straalde als van goud. Het kind werd op de aarde met klokgelui op den somberen Novemberdag ontvangen; moeder en vader kusten het, en in hun bijbel schreven zij: «Op den tienden November 1759 schonk God ons een zoon.» Later werd er nog bijgevoegd, dat deze bij den doop de namen:Johann Christoph Friedrichgekregen had.En wat werd er nu van het arme knaapje uit het geringe Marbach? Ja, destijds wist niemand dat nog, zelfs de oude torenklok niet, hoe hoog zij ook hing en ofschoon zij het eerst over hem geklonken had,—over hem, die eenmaal het schoone lied van de «Klok» zou zingen.Welnu, de knaap groeide op, en de wereld groeide met hem op; zijn ouders verhuisden later wel is waar naar een andere stad; maar goede vrienden lieten zij in het kleine Marbach achter, en daarom begaven de moeder en haar zoontje zich op zekeren dagop weg en reden naar Marbach, om er een bezoek af te leggen. De knaap was nog maar zes jaren oud, doch hij wist reeds veel uit den bijbel en vooral uit de psalmen; hij had reeds menigen avond, als hij daar op zijn kleine stoeltje zat, naar zijn vader geluisterd, wanneer deze overluid uit Gellerts fabelen of uit Klopstocks verheven gedicht «De Messias» voorlas; hij en zijn twee jaren ouder zusje hadden heete tranen gestort over Hem, die voor ons allen den dood aan het kruis gestorven is.Bij dit eerste bezoek te Marbach was het stadje niet veel veranderd; het was immers ook niet lang geleden, dat zij het verlaten hadden; de huizen stonden daar, evenals vroeger, met hun spitse gevels, vooruitspringende muren, de eene verdieping boven de andere uitstekend, en hun lage ramen; alleen op het kerkhof waren er nieuwe graven bijgekomen, en daar, in het gras, dicht bij den muur, stond nu de oude klok; zij was van haar hoogte neergestort, had een barst gekregen en kon niet meer luiden; er was dan ook een nieuwe klok in haar plaats gekomen.Moeder en zoon hadden het kerkhof betreden. Zij bleven voor de oude klok staan, en de moeder vertelde aan haar zoontje, hoe juist deze klok eeuwen lang een zeer nuttige klok geweest was, hoe zij voor den doop, voor de bruiloft en voor de begrafenis geluid had; zij had van feesten en vreugde en van de verschrikkingen des vuurs gesproken, ja, geheele menschenlevens had deklok uitgezongen. En nooit vergat de knaap, wat zijn moeder hem vertelde; het klonk en zong en weerklonk in zijn borst, totdat hij het er als man moest uitzingen. Ook dat vertelde zijn moeder hem, dat de oude torenklok haar troost en vreugde in haar nooden had toegezongen, en dat zij gezongen en geklonken had, toen hij, het zoontje, haar gegeven werd; en bijna met eerbied beschouwde de knaap de groote, oude klok, hij boog zich over haar heen en kuste haar, hoe oud, gebarsten en verworpen zij daar ook tusschen gras en brandnetels stond.In aandenken bleef de oude klok bij den knaap, die in armoede opgroeide, lang en mager met roodachtig haar en een gezicht vol zomersproeten: ja, zoo zag hij er uit, maar daarbij had hij een paar oogen, zoo helder en diep als het diepste water. En hoe ging het wel met hem?—Goed ging het met hem, benijdenswaardig goed! Wij vinden hem in de hoogste gunst aan de militaire school opgenomen, zelfs in de afdeeling, waar de zonen der deftige lieden zaten, en dat was immers een eer, heette immers een geluk! Slobkousen droeg hij, een stijve das en een gepoederde pruik; en kundigheden bracht men hem aan, en wel onder het kommando van «Marsch! Halt! Front!»De oude torenklok had men ondertusschen bijna vergeten; dat zij nog eenmaal naar den smeltoven zou moeten gaan, was vooruit te zien, en wat zou er dan wel van haar worden?—Ja, dat kon men onmogelijk voorspellen, en even onmogelijk was het dan ook, te zeggen, wat van de klok zou klinken, die in de borst van den knaap van Marbach weerklonk; maar een klinkend metaal was zij, en klinken deed zij, zoodat dit geluid zich in de wijde wereld moest verspreiden, en hoe enger het achter de schoolmuren werd en hoe bedwelmender het «Marsch! Halt! Front!» klonk,—des te luider klonk het in de borst van den jongeling, en hij zong het uit in den kring van zijn schoolmakkers, en deze tonen klonken over de grenzen van het land. Maar daarvoor had men hem geen vrijplaats aan de militaire school en ook geen kleederen en voedsel gegeven; hij had immers hier reeds het nummer gekregen voor het pennetje, dat hij zijn zou in het groote uurwerk, waarin wij allen behooren.—Hoe weinig begrijpen wij ons zelf! Hoe zouden dan de anderen, zelfs de besten, ons altijd kunnen begrijpen? Maar juist door de wrijving wordt het edelgesteente geschapen. De wrijving had hier plaats,—zou de wereld het edelgesteente eenmaal erkennen?In de hoofdstad van den landsheer werd een groot feest gegeven. Duizenden lampen en lichten straalden daar, vuurpijlen stegen er ten hemel op;—die glans leeft nog in de herinnering der menschen, en wel door hem, den kweekeling der militaire school, die indertijd in tranen en in smarte onbemerkt de poging waagde, een vreemden grond te bereiken; hijmoestze verlaten, vaderland, moeder, al zijn dierbaren, of—in den stroom der algemeenheid ondergaan.—De oude torenklok had het goed; zij stond tegen den muur derkerk te Marbach, goed bewaard, bijna vergeten. De wind bruiste over haar heen en had reeds kunnen vertellen van hem, bij wiens geboorte de klok geluid had, vertellen, hoe koud hij zelf over hem heengewaaid had in het bosch van het naburige land, toen hij, van vermoeienis uitgeput, neergezegen was met zijn geheelen rijkdom, de hoop zijner toekomst: slechts geschreven bladen van «Fiesko;» de wind had van zijn enkele beschermers kunnen vertellen, allen kunstenaars, die bij het voorlezen dezer bladen evenwel wegslopen en zich met het kegelspel vermaakten; de wind had kunnen vertellen van den bleeken vluchteling, die weken, maanden lang in de ellendige herberg doorbracht, waar ruwe vreugde heerschte, terwijl hij van idealen zong.—Het waren moeilijke dagen! Zelf moet het hart lijden en de beproevingen doorstaan, waarvan het wil zingen.Donkere dagen, koude nachten trokken er ook over de oude klok heen; zij had daar geen hinder van; maar de klok in des menschen borst, zij gevoelt haar treurigen tijd. Hoe ging het met den jonkman? Hoe ging het met de oude klok?—De klok werd ver weggebracht, verder dan men haar van haar vroegeren hoogen toren af ooit had kunnen hooren; en de jonkman?—Ja, de klok in zijn borst klonk verder dan zijn voet ooit zou wandelen, zijn oog ooit zou zien; zij luidde en luidt nog aldoor over den oceaan, over de gansche aarde heen.—Maar bepalen wij ons voorloopig tot de torenklok! Ook zij verliet Marbach: zij werd voor oud koper verkocht en voor den smeltoven in Beieren bestemd. Maar hoe en wanneer gebeurde dat?—In Beierens koningsstad, vele jaren nadat zij van den toren neergestort was, heette het, dat zij gesmolten was, om gebruikt te worden bij de vervaardiging van een gedenkteeken voor een der verhevenste gestalten van het Duitsche volk en het Duitsche land.En zie, hoe dit nu toeging;—zonderling en heerlijk gaat het toch in de wereld toe! In Denemarken, op een van die groene eilanden, waar de beukenwouden ruischen en de vele hunebedden onsaanstaren, was een arme knaap geboren; op klompen was hij de deur uitgegaan; aan zijn vader, die op de marinewerven werkte, had hij het middagmaal in een ouden, verschoten omslagdoek gebracht;—dit arme kind was echter de trots van zijn land geworden, hij wist uit marmer voorwerpen te houwen, waarover de geheele wereld verbaasd stond1, en juist aan dezen was de eervolle taak opgedragen, uit klei een heerlijk, schoon beeld, voor het gieten in metaal te vormen, het standbeeld van hem, wiens naam zijn vader eenmaal alsJohann Christoph Friedrichin zijn bijbel schreef.Het metaal vloeide gloeiend in den vorm; de oude torenklok, aan wier afkomst en verstomde geluiden niemand dacht,—deze klok vloeide insgelijks in den vorm, en vormde het hoofd en de borst van het standbeeld, zooals het daar nu onthuld staat te Stuttgart voor het oude kasteel, waar hij, dien het voorstelt, eenmaal levend rondwandelde, te midden van strijd en streven, gedrukt door de buitenwereld, hij, de knaap van Marbach, de kweekeling der Karlsschule, de vluchteling, Duitschlands groote, onsterfelijke dichter, die gezongen heeft van den bevrijder van Zwitserland en de door Gods geest aangeblazen maagd van Orleans.Het was een schoone, zonnige dag; vlaggen wapperden er van torens en daken in het koninklijke Stuttgart; de torenklokken luidden tot feestelijkheid en vreugde;slechtséén klok zweeg, maar zij fonkelde dan ook in den helderen zonneschijn, straalde van het gelaat en van de borst der roemrijke gestalte; er waren op dezen dag juist honderd jaren verloopen sedert dien dag, waarop de torenklok te Marbach aan de lijdende moeder troost en vreugde had verkondigd, toen zij het kind ter wereld bracht, arm in het arme huis,—later echter de rijke man, wiens schatten de wereld zegent, hem, den dichter van het edele vrouwenhart, den zanger van het verhevene, van het heerlijke:Johann Christoph Friedrich Schiller.1De Deensche beeldhouwer Thorwaldsen.
In het Duitsche land Wurtemberg, waar de acacia’s aan den straatweg groeien, waar de appel- en de pereboomen zich in den herfst ter aarde buigen onder den zegen van rijpe vruchten, ligt het stadje Marbach. Al moge dit ook slechts onder het getal der kleine steden behooren, toch ligt het allerbekoorlijkst aan den Neckarstroom, die voorbij dorpen, ridderkasteelen en wijnbergen vloeit, om zijn wateren eindelijk met die van den trotschen Rijn te vermengen.
Het was in den naherfst, het wingerdloof hing wel is waar nog aan den wijnstok; maar de bladeren hadden zich reeds roodachtig gekleurd; geweldige regens vielen er in deze streken, de koude herfstwinden namen in kracht en scherpte toe,—het was juist geen aangename tijd voor arme lieden.
De dagen werden gedurig korter en somberder, en het was donker zelfs buiten onder den vrijen hemel; nog donkerder was het binnen de oude, kleine huizen.—Een van deze huizen keerde zijn gevel naar de straat toe en stond daar met zijn kleine, lage ramen, armoedig en gering; arm was ook de familie, die in het huisje woonde, maar zij was braaf en vlijtig en droeg een schat van godsvrucht in het diepst van het hart. Nog een kind zou de goede God haar schenken; de ure was daar, de moeder lag in wee en smarte. Daar drong het vroolijke, feestelijke klokgelui van den kerktoren tot haar ooren door; het was een plechtige ure, en de tonen der klok vervulden de biddende met geloof; uit het diepst haars harten stegen haar gedachten tot God op, en ter zelfder ure werd haar een zoontje geboren. Zij was van oneindige blijdschap vervuld, en de klok boven in den toren luidde als ’t ware haar vreugde over stad en land uit. Twee heldere kinderoogen staarden haar aan, en het haar van den kleine straalde als van goud. Het kind werd op de aarde met klokgelui op den somberen Novemberdag ontvangen; moeder en vader kusten het, en in hun bijbel schreven zij: «Op den tienden November 1759 schonk God ons een zoon.» Later werd er nog bijgevoegd, dat deze bij den doop de namen:Johann Christoph Friedrichgekregen had.
En wat werd er nu van het arme knaapje uit het geringe Marbach? Ja, destijds wist niemand dat nog, zelfs de oude torenklok niet, hoe hoog zij ook hing en ofschoon zij het eerst over hem geklonken had,—over hem, die eenmaal het schoone lied van de «Klok» zou zingen.
Welnu, de knaap groeide op, en de wereld groeide met hem op; zijn ouders verhuisden later wel is waar naar een andere stad; maar goede vrienden lieten zij in het kleine Marbach achter, en daarom begaven de moeder en haar zoontje zich op zekeren dagop weg en reden naar Marbach, om er een bezoek af te leggen. De knaap was nog maar zes jaren oud, doch hij wist reeds veel uit den bijbel en vooral uit de psalmen; hij had reeds menigen avond, als hij daar op zijn kleine stoeltje zat, naar zijn vader geluisterd, wanneer deze overluid uit Gellerts fabelen of uit Klopstocks verheven gedicht «De Messias» voorlas; hij en zijn twee jaren ouder zusje hadden heete tranen gestort over Hem, die voor ons allen den dood aan het kruis gestorven is.
Bij dit eerste bezoek te Marbach was het stadje niet veel veranderd; het was immers ook niet lang geleden, dat zij het verlaten hadden; de huizen stonden daar, evenals vroeger, met hun spitse gevels, vooruitspringende muren, de eene verdieping boven de andere uitstekend, en hun lage ramen; alleen op het kerkhof waren er nieuwe graven bijgekomen, en daar, in het gras, dicht bij den muur, stond nu de oude klok; zij was van haar hoogte neergestort, had een barst gekregen en kon niet meer luiden; er was dan ook een nieuwe klok in haar plaats gekomen.
Moeder en zoon hadden het kerkhof betreden. Zij bleven voor de oude klok staan, en de moeder vertelde aan haar zoontje, hoe juist deze klok eeuwen lang een zeer nuttige klok geweest was, hoe zij voor den doop, voor de bruiloft en voor de begrafenis geluid had; zij had van feesten en vreugde en van de verschrikkingen des vuurs gesproken, ja, geheele menschenlevens had deklok uitgezongen. En nooit vergat de knaap, wat zijn moeder hem vertelde; het klonk en zong en weerklonk in zijn borst, totdat hij het er als man moest uitzingen. Ook dat vertelde zijn moeder hem, dat de oude torenklok haar troost en vreugde in haar nooden had toegezongen, en dat zij gezongen en geklonken had, toen hij, het zoontje, haar gegeven werd; en bijna met eerbied beschouwde de knaap de groote, oude klok, hij boog zich over haar heen en kuste haar, hoe oud, gebarsten en verworpen zij daar ook tusschen gras en brandnetels stond.
In aandenken bleef de oude klok bij den knaap, die in armoede opgroeide, lang en mager met roodachtig haar en een gezicht vol zomersproeten: ja, zoo zag hij er uit, maar daarbij had hij een paar oogen, zoo helder en diep als het diepste water. En hoe ging het wel met hem?—Goed ging het met hem, benijdenswaardig goed! Wij vinden hem in de hoogste gunst aan de militaire school opgenomen, zelfs in de afdeeling, waar de zonen der deftige lieden zaten, en dat was immers een eer, heette immers een geluk! Slobkousen droeg hij, een stijve das en een gepoederde pruik; en kundigheden bracht men hem aan, en wel onder het kommando van «Marsch! Halt! Front!»
De oude torenklok had men ondertusschen bijna vergeten; dat zij nog eenmaal naar den smeltoven zou moeten gaan, was vooruit te zien, en wat zou er dan wel van haar worden?—Ja, dat kon men onmogelijk voorspellen, en even onmogelijk was het dan ook, te zeggen, wat van de klok zou klinken, die in de borst van den knaap van Marbach weerklonk; maar een klinkend metaal was zij, en klinken deed zij, zoodat dit geluid zich in de wijde wereld moest verspreiden, en hoe enger het achter de schoolmuren werd en hoe bedwelmender het «Marsch! Halt! Front!» klonk,—des te luider klonk het in de borst van den jongeling, en hij zong het uit in den kring van zijn schoolmakkers, en deze tonen klonken over de grenzen van het land. Maar daarvoor had men hem geen vrijplaats aan de militaire school en ook geen kleederen en voedsel gegeven; hij had immers hier reeds het nummer gekregen voor het pennetje, dat hij zijn zou in het groote uurwerk, waarin wij allen behooren.—Hoe weinig begrijpen wij ons zelf! Hoe zouden dan de anderen, zelfs de besten, ons altijd kunnen begrijpen? Maar juist door de wrijving wordt het edelgesteente geschapen. De wrijving had hier plaats,—zou de wereld het edelgesteente eenmaal erkennen?
In de hoofdstad van den landsheer werd een groot feest gegeven. Duizenden lampen en lichten straalden daar, vuurpijlen stegen er ten hemel op;—die glans leeft nog in de herinnering der menschen, en wel door hem, den kweekeling der militaire school, die indertijd in tranen en in smarte onbemerkt de poging waagde, een vreemden grond te bereiken; hijmoestze verlaten, vaderland, moeder, al zijn dierbaren, of—in den stroom der algemeenheid ondergaan.—
De oude torenklok had het goed; zij stond tegen den muur derkerk te Marbach, goed bewaard, bijna vergeten. De wind bruiste over haar heen en had reeds kunnen vertellen van hem, bij wiens geboorte de klok geluid had, vertellen, hoe koud hij zelf over hem heengewaaid had in het bosch van het naburige land, toen hij, van vermoeienis uitgeput, neergezegen was met zijn geheelen rijkdom, de hoop zijner toekomst: slechts geschreven bladen van «Fiesko;» de wind had van zijn enkele beschermers kunnen vertellen, allen kunstenaars, die bij het voorlezen dezer bladen evenwel wegslopen en zich met het kegelspel vermaakten; de wind had kunnen vertellen van den bleeken vluchteling, die weken, maanden lang in de ellendige herberg doorbracht, waar ruwe vreugde heerschte, terwijl hij van idealen zong.—Het waren moeilijke dagen! Zelf moet het hart lijden en de beproevingen doorstaan, waarvan het wil zingen.
Donkere dagen, koude nachten trokken er ook over de oude klok heen; zij had daar geen hinder van; maar de klok in des menschen borst, zij gevoelt haar treurigen tijd. Hoe ging het met den jonkman? Hoe ging het met de oude klok?—De klok werd ver weggebracht, verder dan men haar van haar vroegeren hoogen toren af ooit had kunnen hooren; en de jonkman?—Ja, de klok in zijn borst klonk verder dan zijn voet ooit zou wandelen, zijn oog ooit zou zien; zij luidde en luidt nog aldoor over den oceaan, over de gansche aarde heen.—Maar bepalen wij ons voorloopig tot de torenklok! Ook zij verliet Marbach: zij werd voor oud koper verkocht en voor den smeltoven in Beieren bestemd. Maar hoe en wanneer gebeurde dat?—In Beierens koningsstad, vele jaren nadat zij van den toren neergestort was, heette het, dat zij gesmolten was, om gebruikt te worden bij de vervaardiging van een gedenkteeken voor een der verhevenste gestalten van het Duitsche volk en het Duitsche land.
En zie, hoe dit nu toeging;—zonderling en heerlijk gaat het toch in de wereld toe! In Denemarken, op een van die groene eilanden, waar de beukenwouden ruischen en de vele hunebedden onsaanstaren, was een arme knaap geboren; op klompen was hij de deur uitgegaan; aan zijn vader, die op de marinewerven werkte, had hij het middagmaal in een ouden, verschoten omslagdoek gebracht;—dit arme kind was echter de trots van zijn land geworden, hij wist uit marmer voorwerpen te houwen, waarover de geheele wereld verbaasd stond1, en juist aan dezen was de eervolle taak opgedragen, uit klei een heerlijk, schoon beeld, voor het gieten in metaal te vormen, het standbeeld van hem, wiens naam zijn vader eenmaal alsJohann Christoph Friedrichin zijn bijbel schreef.
Het metaal vloeide gloeiend in den vorm; de oude torenklok, aan wier afkomst en verstomde geluiden niemand dacht,—deze klok vloeide insgelijks in den vorm, en vormde het hoofd en de borst van het standbeeld, zooals het daar nu onthuld staat te Stuttgart voor het oude kasteel, waar hij, dien het voorstelt, eenmaal levend rondwandelde, te midden van strijd en streven, gedrukt door de buitenwereld, hij, de knaap van Marbach, de kweekeling der Karlsschule, de vluchteling, Duitschlands groote, onsterfelijke dichter, die gezongen heeft van den bevrijder van Zwitserland en de door Gods geest aangeblazen maagd van Orleans.
Het was een schoone, zonnige dag; vlaggen wapperden er van torens en daken in het koninklijke Stuttgart; de torenklokken luidden tot feestelijkheid en vreugde;slechtséén klok zweeg, maar zij fonkelde dan ook in den helderen zonneschijn, straalde van het gelaat en van de borst der roemrijke gestalte; er waren op dezen dag juist honderd jaren verloopen sedert dien dag, waarop de torenklok te Marbach aan de lijdende moeder troost en vreugde had verkondigd, toen zij het kind ter wereld bracht, arm in het arme huis,—later echter de rijke man, wiens schatten de wereld zegent, hem, den dichter van het edele vrouwenhart, den zanger van het verhevene, van het heerlijke:Johann Christoph Friedrich Schiller.
1De Deensche beeldhouwer Thorwaldsen.
1De Deensche beeldhouwer Thorwaldsen.
Het metalen varken.In de stad Florence, niet ver van dePiazzo del Granduca, heeft men een kleine dwarsstraat, die, geloof ik,Porta Rosagenoemd wordt. In deze straat, voor een soort van hal, waar groenten verkocht worden, staat een van metaal kunstig bewerkt varken. Het frissche, heldere water vloeit uit den bek van dit dier, dat door ouderdom zwartachtig groen geworden is; alleen de snuit blinkt, alsof hij gepolijst was, en dat is hij ook door vele honderden kinderen enlazzaroni(bedelaars), die hem met hun handen aanpakken en hun mond aan den snuit van het dier zetten, om te drinken.Het is een schilderachtig tooneel, het welgevormde dier door een aardigen, halfnaakten knaap te zien omvatten, die de lippen aan zijn snuit zet.Iedereen, die te Florence komt, kan de plaats gemakkelijk vinden; hij moet den eersten den besten bedelaar maar naar hetmetalen varkenvragen, en hij zal het vinden.Het was op een winteravond; de bergen waren met sneeuw bedekt, maar het was maneschijn, en de maan geeft in Italië evenveel licht, als de zon op een somberen winterdag in het noorden, ja, nog meer; want de lucht verruimt ons daar, terwijl in het noorden het koude, grauwe zwerk ons ter neer drukt naar de koude, vochtige aarde, die eenmaal ook op onze doodkist zal drukken.In den slottuin van den groothertog, onder een dak van pijnhout, waar duizenden rozen in den wintertijd bloeien, had een kleine, in lompen gehulde knaap den geheelen dag gezeten, een knaap, dien men als een beeld van Italië zou kunnen beschouwen, bevallig, glimlachend en daarbij toch lijdend. Hij had honger en dorst; maar niemand gaf hem een aalmoes, en toen het donker werd en de tuin zou gesloten worden, joeg de portier hem er uit. Een geruimen tijd stond hij droomend op de brug, die over den Arno ligt, en keek naar de sterren, die zich tusschen de plaats, waar hij stond, en de prachtige marmeren brugdella Trinitàin het water afspiegelden.Hij sloeg den weg naar het metalen varken in, knielde halverwege neer, sloeg er zijn armen omheen, zette zijn mond aan den blinkenden snuit en dronk met lange teugen van het frissche water. Dicht daarnaast lagen eenige slabladen en een paar kastanjes, deze werden zijn avondmaaltijd. Niemand anders dan hij was er op de straat; deze behoorde hem alleen toe, en onbeschroomd zette hijzich op den rug van het metalen varken neer, boog zich voorover, zoodat zijne weelderige lokken op den kop van het beest rustten, en voordat hij zich daarvan bewust was, overviel hem de slaap.Het was middernacht, het metalen varken bewoog zich; hij hoorde het duidelijk zeggen: «Klein kereltje! houd je vast, want nu ga ik loopen,» en weg liep het met hem. Het was een zonderlinge rit. Eerst kwamen zij op dePiazza del Granduca, en het metalen paard, dat het standbeeld van den groothertog draagt, begon luid tehinniken, de bonte wapens op het oude raadhuis schenen doorzichtige beelden te zijn, en de David van Michaele Angelo zwaaide met zijn slinger. Overal heerschten leven en beweging. De metalen groepen, die Perseus en den Sabijnschen maagdenroof voorstellen, stonden daar, alsof zij levend waren; een gil van doodsangst ontsnapte er aan hun lippen en deed zich over het prachtige plein hooren.Bij denPalazzo degli Uffiziin de zuilengang, waar de adel zich tot de vastenavondsvreugd verzamelt, bleef het metalen varken staan.«Houd je goed vast!» zei het dier, «houd je goed vast, want nu gaan we de trap op!» De knaap sprak nog geen woord; half sidderde hij, half was hij gelukkig.Zij betraden een lange galerij, waar hij vroeger nog al eens geweest was; de muren waren met schilderijen behangen; hier stonden standbeelden en bustes, alles in het helderste licht, alsof het midden op den dag was; maar het prachtigst was het, toen de deur van een der zijvertrekken openging; ja, de heerlijkheid aldaar herinnerde de knaap zich; maar in dezen nacht was alles in zijn hoogsten glans.Hier stond een naakte, schoone vrouw, zoo schoon, als slechts de natuur en de grootste meester over het marmer haar kunnen vormen; zij bewoog de schoon gevormde ledematen, dolfijnen sprongen aan haar voeten, onsterfelijkheid straalde er uit haar oogen. De wereld noemt dit de Venus di Medici. Aan haar zijden prijkten marmeren beelden, bij welke het leven des geestes den steen doordrongen had; het zijn naakte, schoone mannen; de een wette zijn zwaard: deze werd de slijper genoemd; de worstelende gladiatoren vormden een andere groep; het zwaard werd gewet, en er werd gestreden voor de godin der schoonheid.De knaap was door dezen glans als verblind; de muren straalden van kleuren; alles was daar leven en beweging. Het beeld van Venus vertoonde zich dubbel; de aardsche Venus was zoo opofferend, zoo vurig, als Titiaan haar aan zijn hart gedrukt heeft. Het was wonderbaar om aan te zien. Het waren twee schoone vrouwen; haar welgevormde, onomsluierde leden strekten zich op de mollige kussens uit, haar borsten verhieven en haar hoofden bewogen zich, zoodat haar weelderige lokken op haar poezelige schouders neergolfden, terwijl haar donkere oogen haar gloeiende gedachten uitspraken; maar geen der beelden waagde het toch, geheel uit de lijst te voorschijn te treden. De godin der schoonheid zelve, de gladiatoren en de slijper bleven op hun plaats; want de glans, die er van de Madonna, Jezus en Johannes afstraalde, boeide ze daaraanvast. De heiligenbeelden waren geen beelden meer: het waren de heiligen zelf.Welk een glans en welk een schoonheid van zaal tot zaal! De knaap zag ze allemaal; het metalen varken liep immers stapvoets door al deze pracht en heerlijkheid heen. Het eene beeld verdrong het andere; slechts één schilderij prentte zich diep in zijn ziel, en wel inzonderheid door de vroolijke, gelukkige kinderen, die er op stonden,—de knaap had ze eens bij het daglicht begroet.Velen gaan dit schilderij zeker achteloos voorbij, en toch bevat het een schat van poëzie. Het is Christus, die in de onderwereld neerdaalt; maar het zijn niet de verdoemden, die men om hem heen ziet, neen, het zijn heidenen. De Florentijner Angiolo Bronzino heeft dit schilderij vervaardigd. Het heerlijkst is de uitdrukking van de gezichten der kinderen, het volle vertrouwen, dat zij in den hemel zullen komen; twee kleinen omhelzen elkaar al, een kind strekt de hand naar een ander, dat lager staat, uit en wijst op zich zelf, als wilde het zeggen: «Ik zal wel in den hemel komen!» De ouderen staan onzeker, hopende, maar buigen zich in ootmoedige aanbidding voor den Heer Jezus. Langer dan op een der andere schilderijen rustte de blik van den knaap hierop, het metalen varken stond er voor stil, er werd een nauw hoorbare zucht geslaakt; ontsnapte deze aan het schilderij of aan de borst van het varken? De knaap hief zijn handen naar de glimlachende kinderen op;—daar liep het varken met hem weg, weg door de openstaande voorzaal. «Dank zij je toegebracht, lief beest!» zei de kleine jongen en liefkoosde het metalen varken, dat de trappen met hem afliep.«Dank zij u toegebracht!» zei het metalen varken. «Ik heb u, en gij hebt mij geholpen, want als ik een onschuldig kind op mijn rug heb, krijg ik de kracht om te loopen! Ja, ziet ge, ik mag zelfs onder de stralen der lantaarn voor het Madonnabeeld komen, maar niet in de kerk. Maar als gij bij mij zijt, kan ik er van buiten door de geopende deur in zien. Klim niet van mijn rug af; want als ge dat doet, dan blijf ik doodliggen, evenals ge mij overdag in dePorta Rosaziet.»«Ik blijf bij je, trouw beest!» zei de knaap, en zoo ging het in volle vaart door de straten van Florence tot op het plein voor de kerkSanta Croce.De vleugeldeuren sprongen open; lichten straalden er van het altaar door de kerk tot op het eenzame plein.Een wonderbare lichtglans stroomde van het eene grafmonument in de linkerzijgang af, duizenden beweegbare sterren vormden als het ware een stralenkrans daaromheen. Een wapenbord prijkt er op het graf, een roode ladder op een blauwen grond schijnt als vuur te gloeien; dit was het graf van Galilei. Het monument is eenvoudig; maar de roode ladder op den blauwen grond is een veelbeteekenend zinnebeeld: het is, alsof het dat der kunst is, want hier voert de weg altijd langs een gloeiende ladder naar den hemel. Alle profeten des geestes snellen naar den hemel, evenals de profeet Elia.Rechts in de gang der kerk scheen iedere beeldzuil op de rijke sarcophagen leven gekregen te hebben. Hier stond Michaele Angelo, daar Dante met den lauwerkrans om de slapen, Alfieri, Macchiavelli: naast elkaar rusten hier de groote mannen, die de trots van Italië zijn1. Het is een prachtige kerk, veel schooner, al moge zij ook niet zoo groot zijn, dan de marmeren dom te Florence.Het was, alsof de marmeren kleederen zich bewogen, alsof de forsche gestalten haar hoofden hooger verhieven en, te midden van gezang en muziek, opkeken naar het bonte, schitterende altaar, waar in het wit gekleede knapen gouden wierookvaten zwaaiden; de sterke geur stroomde uit de kerk op het plein.De knaap strekte zijn hand naar den lichtglans uit, en terstond snelde het metalen varken weg, hij moest er zich stevig aan vasthouden, de wind suisde hem om de ooren, hij hoorde de kerkdeur op haar hengsels knarsen, terwijl zij dichtging, maar in een oogenblik scheen het bewustzijn hem te begeven, hij gevoelde een snerpende koude en—sloeg de oogen op.Het was morgen; hij zat, half afgegleden van het metalen varken, dat daar stond zooals het altijd in de straatPorta Rosaplacht te staan, nog op den rug van het beest.Angst en vrees vervulden den knaap bij de gedachte aan haar, die hij moeder noemde, en die hem den vorigen dag uitgezonden had, om geld op te loopen; hij had niets; hij had honger en dorst. Nog eenmaal omvatte hij den hals van het metalen varken, gaf het een kus op den snuit, knikte het toe en wandelde toen voort naar een der nauwste straten, tenauwernood breed genoeg voor een beladen ezel. Een groote, met ijzer beslagen deur stond op een kier; hier klom hij een steenen trap met smerige muren en een touw, dat voor leuning diende, op en kwam in een open galerij, die met lompen behangen was; van hier voerde een trap naar de binnenplaats, waar van den waterput groote ijzerdraden naar alle verdiepingen van het huis gespannen waren en de eene emmer na den anderen zweefde, terwijl de katrol knarste en de emmer in de lucht danste, zoodat het water op de plaats naar beneden plaste. Weder voerde een vervallen steenen trap naar boven. Twee matrozen,—het waren Russen,—kwamen vroolijk naar beneden en hadden den armen knaap bijna omvergeloopen. Zij kwamen van hun nachtelijke bacchanaliën terug. Een niet meer jeugdige, maar toch weelderige vrouwengestalte, met prachtig zwart haar, volgde hen. «Wat breng je thuis?» zeide zij tegen den knaap.«Wees niet boos!» smeekte deze, «ik heb niets, niets hoegenaamd gekregen!»—En dit zeggende, greep hij zijn moeder bij haar japon vast, alsof hij daarop een kus wilde drukken. Zij traden het kamertje binnen; dat zal ik niet beschrijven; slechts zooveel zij daarvan gezegd, dat daarin een pot met een kolenvuur stond, eenmarito, zooals het genoemd wordt. Dezen pot nam zij in den arm, warmde zich de handen en gaf den knaap een duw met haar elleboog. «Ja, zeker heb je wel geld!» zeide zij.De knaap schreide; zij gaf hem een schop met den voet; nu begon hij nog erger te schreien. «Wil je je wel eens stilhouden, of anders zal ik je een slag op je kop geven!» en zij zwaaide met den vuurpot, dien zij in de hand hield. Het kind viel met een schreeuw op den grond neer. Daar trad een buurvrouw de kamer binnen; ook zij had harenmaritoin den arm. «Felicita! Wat doe je toch met het kind?»«Het kind is van mij!» antwoordde Felicita. «Ik kan het vermoorden, als ik wil, maar jij niet, Giannina!» en zij zwaaide met haar vuurpot; de andere vrouw hief den haren op om zich te verdedigen, en nu stieten de beide potten zoo geducht tegen elkaar aan, dat scherven, vuur en asch in de kamer rondvlogen;—maar op hetzelfde oogenblik was de knaap de deur uit, de binnenplaats over en het huis uit. De arme jongen liep zoo hard, dat hij eindelijk heelemaal buiten adem was; hij hield bij de kerk, waarvan de groote deur zich des nachts voor hem geopend had, stil, en trad deze binnen. Alles straalde hem toe, de knaap knielde bij het eerste graf aan den rechterkant neer; het was het graf van Michaele Angelo, en al spoedig snikte hij luid. Er kwamen en gingen menschen, de mis werd gelezen, niemand bemerkte den knaap; slechts een achtbare grijsaard bleef staan, keek hem aan—en ging toen verder, evenals de anderen.Honger en dorst kwelden den kleine, hij was geheel uitgeput en ziek; hij kroop in een hoek tusschen de marmeren monumenten en viel in slaap. Het was tegen den avond, toen hij door iemand wakker gemaakt werd; hij stond op, en dezelfde waardige grijsaard stond voor hem.«Ben je ziek? Waar hoor je thuis? Ben je hier den heelen dag geweest?» waren enkele der vele vragen, die de grijsaard tot hem richtte. Zij werden beantwoord, en de oude man nam hem met zich mee naar zijn huisje, dat dicht in de nabijheid in een zijstraatje stond. Zij traden een handschoenmakerswerkplaats binnen; een vrouw zat ijverig te naaien. Een klein wit Deensch hondje, zoo kaal geschoren, dat men zijn rooskleurige huid kon zien, sprong op de tafel en maakte voor den kleinen knaap allerlei kunstjes.«De onschuldige zielen kennen elkaar,» zei de vrouw en liefkoosde den hond en den knaap. De laatstgenoemde kreeg van de goede lieden spijs en drank, en zij zeiden, dat het hem vergund was, den nacht bij hen door te brengen; den volgenden dag zou vader Giuseppe eens met zijn moeder gaan spreken. Hij kreeg eenklein, armoedig bed; maar voor hem, die dikwijls op den harden, steenen vloer had moeten slapen, was dit een koninklijke legerstede. Hoe heerlijk sliep hij en hoe droomde hij van de prachtige schilderijen en van het metalen varken!Vader Giuseppe ging den volgenden morgen uit; de arme jongen was daarover niet blij, want hij wist wel, dat het doel van dit uitgaan was, hem weer naar zijn moeder terug te brengen. De knaap kuste den kleinen vroolijken hond, en de vrouw knikte beiden toe.En welk antwoord bracht vader Giuseppe nu terug? Hij sprak druk met zijn vrouw, en deze knikte en liefkoosde den knaap. «Het is een ferme jongen!» zeide zij. «Hij kan een ervaren handschoenmaker worden, zooals jij geweest bent, en wat zijn zijn vingers fijn en buigzaam! De Madonna heeft hem tot handschoenmaker bestemd!»En de knaap bleef in dit huis; de vrouw leerde hem zelf naaien; hij at goed, hij sliep goed, hij werd vroolijk en begon Bellissima—zoo heette het hondje—te plagen; de vrouw hief den vinger dreigend naar hem op, beknorde hem en werd boos.—Dat ging den knaap aan het hart: in gedachten verdiept, zat hij in zijn kamertje. Van daar had men het uitzicht op de straat, waarin huiden gedroogd werden; dikke ijzeren spijlen waren er voor de ramen; hij kon niet slapen; het metalen varken vertoonde zich aldoor aan hem in zijn gedachten, en eensklaps hoorde hij buiten: Knor, knor! Dat was zeker een varken! Hij snelde naar het raam toe, maar er was niets te zien; het was al voorbij.«Help den signor zijn verfdoos dragen!» zei de signora den volgenden morgen tegen den knaap, toen de jonge buurman, een schilder, vooorbijliep en een schilderdoos benevens een groot, opgerold stuk doek droeg. De knaap nam de doos over en volgde den schilder; zij sloegen den weg naar de galerij in en liepen dezelfde trap op, die hem sedert dien nacht, toen hij op het metalen varken reed, wel bekend was. Hij kende de standbeelden en de bustes, de schoone marmeren Venus en die, welke in kleuren leefde; hij zag de Moeder Gods, Jezus en Johannes weder.Nu bleven zij voor het schilderij van Bronzino staan, waarop Christus in de onderwereld neerdaalt en de kinderen om hem heen glimlachen in blijde verwachting van den hemel,—het arme kind glimlachte ook, want hier was het inzijnhemel!«Ga nu maar weer naar huis terug!» zei de schilder, toen de knaap al zoo lang was blijven staan, totdat deze ondertusschen zijn ezel opgezet had.«Mag ik u eens zien schilderen?» vroeg de knaap. «Mag ik er eens naar kijken, hoe ge het schilderij op dit doek overbrengt?»«Ik begin nog niet te schilderen!» antwoordde de man en kreeg zijn zwart krijt voor den dag. Snel bewoog zich de hand, het oog mat het groote schilderij, en ofschoon er slechts eenige fijne lijnen zichtbaar werden, stond Christus daar toch reeds zwevend, evenals op het groote schilderij.«Ga nu toch heen!» zei de schilder, en zwijgend keerde deknaap naar huis terug, zette zich op de tafel neer en—leerde handschoenen naaien.Maar den heelen dag waren zijn gedachten in de schilderijenzaal, en daardoor prikte hij zich in de vingers, gedroeg zich links, maar plaagde Bellissima toch niet. Toen het avond werd en de huisdeur juist open stond, sloop hij naar buiten; het was nog koud; maar de lucht was helder en als met sterren bezaaid.Hij wandelde door de straten, die reeds leeg geworden waren, en stond al spoedig voor het metalen varken; hij boog er zich over heen, gaf het een kus op zijn blanken snuit en zette zich op zijn rug neer.—«Gezegend beest!» zeide hij, «wat heb ik naar je verlangd! Wij moeten van nacht nog eens een ritje doen!»Het metalen varken lag onbeweeglijk, en het frissche water vloeide hem uit den snuit. De knaap zat schrijlings op hem, daar werd er aan zijn kleeren getrokken; hij keek op: Bellissima, de kleine, kaalgeschoren Bellissima blafte, als wilde zij zeggen: «Ziet ge wel? Ik ben er ook! Waarom zet ge u hier neer?»—Geen vurige draak had den knaap zulk een schrik op het lijf kunnen jagen, als de kleine hond op deze plaats. Bellissima op straat, en wel zonder aangekleed te zijn, zooals de oude vrouw het noemde! Wat moest daarvan komen? De hond kwam in den winter slechts buiten de deur, nadat hem vooraf een klein lamsvel aangetrokken was, dat uitsluitend voor hem genaaid was. Dit vel, dat met lintjes en schelletjes versierd was, kon met een rood bandje om zijn hals en onder zijn buik vastgebonden worden. De hond zag er dan uit als een geitje, wanneer het hem in den wintertijd vergund werd, in dit gewaad met de signora te gaan wandelen. Bellissima was buiten en niet aangekleed! Wat moest daarvan komen? Alle phantasieën waren verdwenen, maar toch kuste de knaap het metalen varken en nam Bellissima op den arm; het beest trilde van de kou, daarom liep de knaap zoo hard, als hij maar kon.«Waar loop je daar mee?» vroegen twee politiesoldaten, die hij tegenkwam en waartegen Bellissima begon te blaffen. «Waar heb je dat hondje gestolen?» vroegen zij en namen het hem af.«O, geeft het mij terug!» smeekte de knaap.«Als je het beest niet gestolen hebt, dan moet je thuis maar zeggen, dat het op de wacht kan afgehaald worden!» Zij noemden de plaats en gingen met Bellissima heen.Dat was een verschrikkelijk geval. De knaap wist niet, of hij in den Arno zou springen of naar huis gaan en alles bekennen; ze zouden hem dan zeker doodslaan, dacht hij.—«Maar ik wil graag doodgeslagen worden, ik wil graag sterven, dan kom ik bij Jezus en bij de Madonna!» En hij ging naar huis, hoofdzakelijk om doodgeslagen te worden.De deur was gesloten, en hij kon niet aan den klopper raken. Er was niemand op de straat, maar er lag een steen, en daarmee gooide hij tegen de deur aan. «Wie is daar?» werd er van binnen geroepen.«Ik ben het!» zeide hij. «Bellissima is weg! Doe mij open en sla mij dan dood!»Er verspreidde zich een algemeene schrik door het huis, inzonderheid bij de signora, over de arme Bellissima. Zij keek terstond naar den muur, waar het gewaad van den hond placht te hangen; het kleine lamsvel hing er nog.«Bellissima op de wacht!» riep zij luide uit. «Jou ondeugende jongen! Hoe heb je haar de deur uitgelokt? Wat zal zij koud zijn! Dat teere diertje bij die ruwe soldaten!»De man moest er dadelijk naar toe, de vrouw jammerde, de knaap weende.—Al de huisgenooten kwamen bij elkaar, en onder dezen bevond zich ook de schilder; hij nam den knaap op zijn schoot, hoorde hem uit, en bij brokstukken kreeg hij nu de heele geschiedenis van het metalen varken en de galerij te hooren,—deze was vrij onbegrijpelijk. De schilder troostte den knaap, trachtte de oude vrouw tot bedaren te brengen, maar zij was niet tot bedaren te krijgen, voordat haar man met Bellissima, die onder de soldaten geweest was, aankwam. Dat was een blijdschap! De schilder liefkoosde den knaap en teekende wat voor hem.O, dat waren heerlijke stukken, kluchtige koppen! En waarlijk, het metalen varken was er ook bij. O, niets kon heerlijker zijn! Met een paar streken prijkte het op het papier, en zelfs het huis, dat er achter stond, was er op afgebeeld.Wie toch kon teekenen en schilderen, die kon de heele wereld om zich heen verzamelen!Zoodra de knaap den volgenden dag een oogenblik alleen was, nam hij een potlood in handen, en op den achterkant van een der prenten trachtte hij de teekening van het metalen varken weer te geven. Dit gelukte;—wel was het wat scheef, de eene poot was te dik en de andere te dun, maar het was er toch goed uit te kennen. Hij stond er zelf over verwonderd.—Het potlood wilde nietzoo gaan, als hij wilde; dat merkte hij wel; den volgenden dag stond er weer een metalen varken naast het andere, en dat was honderdmaal beter; het derde was al zoo goed, dat iedereen het er wel uit kon kennen.Maar het ging slecht met het handschoenen naaien, langzaam met de boodschappen in de stad; want het metalen varken had hem geleerd, dat alles op het papier gebracht kon worden, en de stad Florence is een prentenboek, als men daarin maar wil bladeren. Op dePiazza della Trinitàstaat een slanke zuil en daar bovenop de godin der gerechtigheid met een blinddoek voor de oogen en een weegschaal in de hand. Al spoedig stond zij op het papier, en het was de kleine leerling van den handschoenmaker, die haar daarop geplaatst had. De verzameling van teekeningen groeide aan, maar nogbevattezij slechts teekeningen van levenlooze voorwerpen; nu liep Bellissima op zekeren dag voor hem heen en weer. «Blijf eens stilstaan!» zeide hij, «dan zal je mooi worden en in mijn verzameling van prenten komen!» Maar Bellissima wilde niet stilstaan, zij moest vast gebonden worden; kop en staart werden nu vastgebonden, zij blafte en maakte sprongen, het touw moest strak aangehaald worden; daar kwam de signora binnen.«Jou ondeugende jongen! Dat arme beest!» was alles, wat zij kon uitbrengen. Zij duwde den knaap van zich af, gaf hem een schop, joeg hem haar huis uit, hem, die de ondankbaarste deugniet, het ondeugendste kind was, en weenend kuste zij haar kleine, half verworgde Bellissima.Op hetzelfde oogenblik kwam de schilder de trap op en—hier is het keerpunt in de geschiedenis.In het jaar 1834 werd er te Florence in deAccademia delle Artieen tentoonstelling gehouden. Twee schilderijen, die naast elkander opgehangen waren, lokten een menigte toeschouwers tot zich. Op het kleinste was een kleine, vroolijke knaap voorgesteld, die zat te teekenen; voor model had hij een klein, wit, gladgeschoren Deensch hondje; maar het beestje wilde niet stilstaan en was daarom zoowel aan den kop als aan den staart met touw vastgebonden; er was daarin leven en een waarheid, die op iedereen indruk moest maken. De schilder, vertelde men, was een jonge Florentijn, die als kind op de straat gevonden en door een ouden handschoenmaker opgevoed was, en zich zelf het teekenen geleerd had. Een thans beroemde schilder had dit talent in hem ontdekt, toen de knaap bij zekere gelegenheid uit het huis gejaagd werd, omdat hij de lievelinge der signora, het kleine hondje, vastgebonden en voor model gebruikt had.De handschoenmakersleerling was een uitstekend schilder geworden; dat bewees dit schilderij, dat bewees inzonderheid het grootere, dat er naast hing. Hierop was slechts een enkele levende figuur, een in lompen gekleede, maar mooie knaap, die slapend op de straat zat; hij leunde tegen het metalen varken in de straatPorta Rosaaan. Alle toeschouwers kenden deze plaats. De armen van hetkind rustten op den kop van het varken; de kleine sliep gerust, en de lantaarn voor het Madonnabeeld wierp een sterk licht op het bleeke, schoone gezicht van het kind.—Het was een allerprachtigst schilderij; een groote, vergulde lijst omgaf het, aan een der hoeken was een lauwerkrans opgehangen; maar tusschen de groene bladeren slingerde zich een zwart lint, en een lang rouwfloers hing er aan.—De jonge kunstenaar was juist in die dagen—gestorven!1Tegenover het graf van Galilei bevindt zich dat van Michaele Angelo. Op het monument is zijn buste aangebracht en bovendien drie figuren: de beeldhouwkunst, de schilderkunst en de bouwkunst; dicht daarnaast is het grafteeken van Dante (zijn lijk bevindt zich te Ravenna); op het monument ziet men Italië, dat wijst op het kolossale standbeeld van Dante; de poëzie weent over zijn verlies. Eenige schreden verder ziet men het monument van Alfieri, dat met lauweren versierd is; Italië weent boven zijn graf. Macchiavelli besluit hier de rij der beroemde mannen.
In de stad Florence, niet ver van dePiazzo del Granduca, heeft men een kleine dwarsstraat, die, geloof ik,Porta Rosagenoemd wordt. In deze straat, voor een soort van hal, waar groenten verkocht worden, staat een van metaal kunstig bewerkt varken. Het frissche, heldere water vloeit uit den bek van dit dier, dat door ouderdom zwartachtig groen geworden is; alleen de snuit blinkt, alsof hij gepolijst was, en dat is hij ook door vele honderden kinderen enlazzaroni(bedelaars), die hem met hun handen aanpakken en hun mond aan den snuit van het dier zetten, om te drinken.Het is een schilderachtig tooneel, het welgevormde dier door een aardigen, halfnaakten knaap te zien omvatten, die de lippen aan zijn snuit zet.
Iedereen, die te Florence komt, kan de plaats gemakkelijk vinden; hij moet den eersten den besten bedelaar maar naar hetmetalen varkenvragen, en hij zal het vinden.
Het was op een winteravond; de bergen waren met sneeuw bedekt, maar het was maneschijn, en de maan geeft in Italië evenveel licht, als de zon op een somberen winterdag in het noorden, ja, nog meer; want de lucht verruimt ons daar, terwijl in het noorden het koude, grauwe zwerk ons ter neer drukt naar de koude, vochtige aarde, die eenmaal ook op onze doodkist zal drukken.
In den slottuin van den groothertog, onder een dak van pijnhout, waar duizenden rozen in den wintertijd bloeien, had een kleine, in lompen gehulde knaap den geheelen dag gezeten, een knaap, dien men als een beeld van Italië zou kunnen beschouwen, bevallig, glimlachend en daarbij toch lijdend. Hij had honger en dorst; maar niemand gaf hem een aalmoes, en toen het donker werd en de tuin zou gesloten worden, joeg de portier hem er uit. Een geruimen tijd stond hij droomend op de brug, die over den Arno ligt, en keek naar de sterren, die zich tusschen de plaats, waar hij stond, en de prachtige marmeren brugdella Trinitàin het water afspiegelden.
Hij sloeg den weg naar het metalen varken in, knielde halverwege neer, sloeg er zijn armen omheen, zette zijn mond aan den blinkenden snuit en dronk met lange teugen van het frissche water. Dicht daarnaast lagen eenige slabladen en een paar kastanjes, deze werden zijn avondmaaltijd. Niemand anders dan hij was er op de straat; deze behoorde hem alleen toe, en onbeschroomd zette hijzich op den rug van het metalen varken neer, boog zich voorover, zoodat zijne weelderige lokken op den kop van het beest rustten, en voordat hij zich daarvan bewust was, overviel hem de slaap.
Het was middernacht, het metalen varken bewoog zich; hij hoorde het duidelijk zeggen: «Klein kereltje! houd je vast, want nu ga ik loopen,» en weg liep het met hem. Het was een zonderlinge rit. Eerst kwamen zij op dePiazza del Granduca, en het metalen paard, dat het standbeeld van den groothertog draagt, begon luid tehinniken, de bonte wapens op het oude raadhuis schenen doorzichtige beelden te zijn, en de David van Michaele Angelo zwaaide met zijn slinger. Overal heerschten leven en beweging. De metalen groepen, die Perseus en den Sabijnschen maagdenroof voorstellen, stonden daar, alsof zij levend waren; een gil van doodsangst ontsnapte er aan hun lippen en deed zich over het prachtige plein hooren.
Bij denPalazzo degli Uffiziin de zuilengang, waar de adel zich tot de vastenavondsvreugd verzamelt, bleef het metalen varken staan.
«Houd je goed vast!» zei het dier, «houd je goed vast, want nu gaan we de trap op!» De knaap sprak nog geen woord; half sidderde hij, half was hij gelukkig.
Zij betraden een lange galerij, waar hij vroeger nog al eens geweest was; de muren waren met schilderijen behangen; hier stonden standbeelden en bustes, alles in het helderste licht, alsof het midden op den dag was; maar het prachtigst was het, toen de deur van een der zijvertrekken openging; ja, de heerlijkheid aldaar herinnerde de knaap zich; maar in dezen nacht was alles in zijn hoogsten glans.
Hier stond een naakte, schoone vrouw, zoo schoon, als slechts de natuur en de grootste meester over het marmer haar kunnen vormen; zij bewoog de schoon gevormde ledematen, dolfijnen sprongen aan haar voeten, onsterfelijkheid straalde er uit haar oogen. De wereld noemt dit de Venus di Medici. Aan haar zijden prijkten marmeren beelden, bij welke het leven des geestes den steen doordrongen had; het zijn naakte, schoone mannen; de een wette zijn zwaard: deze werd de slijper genoemd; de worstelende gladiatoren vormden een andere groep; het zwaard werd gewet, en er werd gestreden voor de godin der schoonheid.
De knaap was door dezen glans als verblind; de muren straalden van kleuren; alles was daar leven en beweging. Het beeld van Venus vertoonde zich dubbel; de aardsche Venus was zoo opofferend, zoo vurig, als Titiaan haar aan zijn hart gedrukt heeft. Het was wonderbaar om aan te zien. Het waren twee schoone vrouwen; haar welgevormde, onomsluierde leden strekten zich op de mollige kussens uit, haar borsten verhieven en haar hoofden bewogen zich, zoodat haar weelderige lokken op haar poezelige schouders neergolfden, terwijl haar donkere oogen haar gloeiende gedachten uitspraken; maar geen der beelden waagde het toch, geheel uit de lijst te voorschijn te treden. De godin der schoonheid zelve, de gladiatoren en de slijper bleven op hun plaats; want de glans, die er van de Madonna, Jezus en Johannes afstraalde, boeide ze daaraanvast. De heiligenbeelden waren geen beelden meer: het waren de heiligen zelf.
Welk een glans en welk een schoonheid van zaal tot zaal! De knaap zag ze allemaal; het metalen varken liep immers stapvoets door al deze pracht en heerlijkheid heen. Het eene beeld verdrong het andere; slechts één schilderij prentte zich diep in zijn ziel, en wel inzonderheid door de vroolijke, gelukkige kinderen, die er op stonden,—de knaap had ze eens bij het daglicht begroet.
Velen gaan dit schilderij zeker achteloos voorbij, en toch bevat het een schat van poëzie. Het is Christus, die in de onderwereld neerdaalt; maar het zijn niet de verdoemden, die men om hem heen ziet, neen, het zijn heidenen. De Florentijner Angiolo Bronzino heeft dit schilderij vervaardigd. Het heerlijkst is de uitdrukking van de gezichten der kinderen, het volle vertrouwen, dat zij in den hemel zullen komen; twee kleinen omhelzen elkaar al, een kind strekt de hand naar een ander, dat lager staat, uit en wijst op zich zelf, als wilde het zeggen: «Ik zal wel in den hemel komen!» De ouderen staan onzeker, hopende, maar buigen zich in ootmoedige aanbidding voor den Heer Jezus. Langer dan op een der andere schilderijen rustte de blik van den knaap hierop, het metalen varken stond er voor stil, er werd een nauw hoorbare zucht geslaakt; ontsnapte deze aan het schilderij of aan de borst van het varken? De knaap hief zijn handen naar de glimlachende kinderen op;—daar liep het varken met hem weg, weg door de openstaande voorzaal. «Dank zij je toegebracht, lief beest!» zei de kleine jongen en liefkoosde het metalen varken, dat de trappen met hem afliep.
«Dank zij u toegebracht!» zei het metalen varken. «Ik heb u, en gij hebt mij geholpen, want als ik een onschuldig kind op mijn rug heb, krijg ik de kracht om te loopen! Ja, ziet ge, ik mag zelfs onder de stralen der lantaarn voor het Madonnabeeld komen, maar niet in de kerk. Maar als gij bij mij zijt, kan ik er van buiten door de geopende deur in zien. Klim niet van mijn rug af; want als ge dat doet, dan blijf ik doodliggen, evenals ge mij overdag in dePorta Rosaziet.»
«Ik blijf bij je, trouw beest!» zei de knaap, en zoo ging het in volle vaart door de straten van Florence tot op het plein voor de kerkSanta Croce.
De vleugeldeuren sprongen open; lichten straalden er van het altaar door de kerk tot op het eenzame plein.
Een wonderbare lichtglans stroomde van het eene grafmonument in de linkerzijgang af, duizenden beweegbare sterren vormden als het ware een stralenkrans daaromheen. Een wapenbord prijkt er op het graf, een roode ladder op een blauwen grond schijnt als vuur te gloeien; dit was het graf van Galilei. Het monument is eenvoudig; maar de roode ladder op den blauwen grond is een veelbeteekenend zinnebeeld: het is, alsof het dat der kunst is, want hier voert de weg altijd langs een gloeiende ladder naar den hemel. Alle profeten des geestes snellen naar den hemel, evenals de profeet Elia.
Rechts in de gang der kerk scheen iedere beeldzuil op de rijke sarcophagen leven gekregen te hebben. Hier stond Michaele Angelo, daar Dante met den lauwerkrans om de slapen, Alfieri, Macchiavelli: naast elkaar rusten hier de groote mannen, die de trots van Italië zijn1. Het is een prachtige kerk, veel schooner, al moge zij ook niet zoo groot zijn, dan de marmeren dom te Florence.
Het was, alsof de marmeren kleederen zich bewogen, alsof de forsche gestalten haar hoofden hooger verhieven en, te midden van gezang en muziek, opkeken naar het bonte, schitterende altaar, waar in het wit gekleede knapen gouden wierookvaten zwaaiden; de sterke geur stroomde uit de kerk op het plein.
De knaap strekte zijn hand naar den lichtglans uit, en terstond snelde het metalen varken weg, hij moest er zich stevig aan vasthouden, de wind suisde hem om de ooren, hij hoorde de kerkdeur op haar hengsels knarsen, terwijl zij dichtging, maar in een oogenblik scheen het bewustzijn hem te begeven, hij gevoelde een snerpende koude en—sloeg de oogen op.
Het was morgen; hij zat, half afgegleden van het metalen varken, dat daar stond zooals het altijd in de straatPorta Rosaplacht te staan, nog op den rug van het beest.
Angst en vrees vervulden den knaap bij de gedachte aan haar, die hij moeder noemde, en die hem den vorigen dag uitgezonden had, om geld op te loopen; hij had niets; hij had honger en dorst. Nog eenmaal omvatte hij den hals van het metalen varken, gaf het een kus op den snuit, knikte het toe en wandelde toen voort naar een der nauwste straten, tenauwernood breed genoeg voor een beladen ezel. Een groote, met ijzer beslagen deur stond op een kier; hier klom hij een steenen trap met smerige muren en een touw, dat voor leuning diende, op en kwam in een open galerij, die met lompen behangen was; van hier voerde een trap naar de binnenplaats, waar van den waterput groote ijzerdraden naar alle verdiepingen van het huis gespannen waren en de eene emmer na den anderen zweefde, terwijl de katrol knarste en de emmer in de lucht danste, zoodat het water op de plaats naar beneden plaste. Weder voerde een vervallen steenen trap naar boven. Twee matrozen,—het waren Russen,—kwamen vroolijk naar beneden en hadden den armen knaap bijna omvergeloopen. Zij kwamen van hun nachtelijke bacchanaliën terug. Een niet meer jeugdige, maar toch weelderige vrouwengestalte, met prachtig zwart haar, volgde hen. «Wat breng je thuis?» zeide zij tegen den knaap.
«Wees niet boos!» smeekte deze, «ik heb niets, niets hoegenaamd gekregen!»—En dit zeggende, greep hij zijn moeder bij haar japon vast, alsof hij daarop een kus wilde drukken. Zij traden het kamertje binnen; dat zal ik niet beschrijven; slechts zooveel zij daarvan gezegd, dat daarin een pot met een kolenvuur stond, eenmarito, zooals het genoemd wordt. Dezen pot nam zij in den arm, warmde zich de handen en gaf den knaap een duw met haar elleboog. «Ja, zeker heb je wel geld!» zeide zij.
De knaap schreide; zij gaf hem een schop met den voet; nu begon hij nog erger te schreien. «Wil je je wel eens stilhouden, of anders zal ik je een slag op je kop geven!» en zij zwaaide met den vuurpot, dien zij in de hand hield. Het kind viel met een schreeuw op den grond neer. Daar trad een buurvrouw de kamer binnen; ook zij had harenmaritoin den arm. «Felicita! Wat doe je toch met het kind?»
«Het kind is van mij!» antwoordde Felicita. «Ik kan het vermoorden, als ik wil, maar jij niet, Giannina!» en zij zwaaide met haar vuurpot; de andere vrouw hief den haren op om zich te verdedigen, en nu stieten de beide potten zoo geducht tegen elkaar aan, dat scherven, vuur en asch in de kamer rondvlogen;—maar op hetzelfde oogenblik was de knaap de deur uit, de binnenplaats over en het huis uit. De arme jongen liep zoo hard, dat hij eindelijk heelemaal buiten adem was; hij hield bij de kerk, waarvan de groote deur zich des nachts voor hem geopend had, stil, en trad deze binnen. Alles straalde hem toe, de knaap knielde bij het eerste graf aan den rechterkant neer; het was het graf van Michaele Angelo, en al spoedig snikte hij luid. Er kwamen en gingen menschen, de mis werd gelezen, niemand bemerkte den knaap; slechts een achtbare grijsaard bleef staan, keek hem aan—en ging toen verder, evenals de anderen.
Honger en dorst kwelden den kleine, hij was geheel uitgeput en ziek; hij kroop in een hoek tusschen de marmeren monumenten en viel in slaap. Het was tegen den avond, toen hij door iemand wakker gemaakt werd; hij stond op, en dezelfde waardige grijsaard stond voor hem.
«Ben je ziek? Waar hoor je thuis? Ben je hier den heelen dag geweest?» waren enkele der vele vragen, die de grijsaard tot hem richtte. Zij werden beantwoord, en de oude man nam hem met zich mee naar zijn huisje, dat dicht in de nabijheid in een zijstraatje stond. Zij traden een handschoenmakerswerkplaats binnen; een vrouw zat ijverig te naaien. Een klein wit Deensch hondje, zoo kaal geschoren, dat men zijn rooskleurige huid kon zien, sprong op de tafel en maakte voor den kleinen knaap allerlei kunstjes.
«De onschuldige zielen kennen elkaar,» zei de vrouw en liefkoosde den hond en den knaap. De laatstgenoemde kreeg van de goede lieden spijs en drank, en zij zeiden, dat het hem vergund was, den nacht bij hen door te brengen; den volgenden dag zou vader Giuseppe eens met zijn moeder gaan spreken. Hij kreeg eenklein, armoedig bed; maar voor hem, die dikwijls op den harden, steenen vloer had moeten slapen, was dit een koninklijke legerstede. Hoe heerlijk sliep hij en hoe droomde hij van de prachtige schilderijen en van het metalen varken!
Vader Giuseppe ging den volgenden morgen uit; de arme jongen was daarover niet blij, want hij wist wel, dat het doel van dit uitgaan was, hem weer naar zijn moeder terug te brengen. De knaap kuste den kleinen vroolijken hond, en de vrouw knikte beiden toe.
En welk antwoord bracht vader Giuseppe nu terug? Hij sprak druk met zijn vrouw, en deze knikte en liefkoosde den knaap. «Het is een ferme jongen!» zeide zij. «Hij kan een ervaren handschoenmaker worden, zooals jij geweest bent, en wat zijn zijn vingers fijn en buigzaam! De Madonna heeft hem tot handschoenmaker bestemd!»
En de knaap bleef in dit huis; de vrouw leerde hem zelf naaien; hij at goed, hij sliep goed, hij werd vroolijk en begon Bellissima—zoo heette het hondje—te plagen; de vrouw hief den vinger dreigend naar hem op, beknorde hem en werd boos.—Dat ging den knaap aan het hart: in gedachten verdiept, zat hij in zijn kamertje. Van daar had men het uitzicht op de straat, waarin huiden gedroogd werden; dikke ijzeren spijlen waren er voor de ramen; hij kon niet slapen; het metalen varken vertoonde zich aldoor aan hem in zijn gedachten, en eensklaps hoorde hij buiten: Knor, knor! Dat was zeker een varken! Hij snelde naar het raam toe, maar er was niets te zien; het was al voorbij.
«Help den signor zijn verfdoos dragen!» zei de signora den volgenden morgen tegen den knaap, toen de jonge buurman, een schilder, vooorbijliep en een schilderdoos benevens een groot, opgerold stuk doek droeg. De knaap nam de doos over en volgde den schilder; zij sloegen den weg naar de galerij in en liepen dezelfde trap op, die hem sedert dien nacht, toen hij op het metalen varken reed, wel bekend was. Hij kende de standbeelden en de bustes, de schoone marmeren Venus en die, welke in kleuren leefde; hij zag de Moeder Gods, Jezus en Johannes weder.
Nu bleven zij voor het schilderij van Bronzino staan, waarop Christus in de onderwereld neerdaalt en de kinderen om hem heen glimlachen in blijde verwachting van den hemel,—het arme kind glimlachte ook, want hier was het inzijnhemel!
«Ga nu maar weer naar huis terug!» zei de schilder, toen de knaap al zoo lang was blijven staan, totdat deze ondertusschen zijn ezel opgezet had.
«Mag ik u eens zien schilderen?» vroeg de knaap. «Mag ik er eens naar kijken, hoe ge het schilderij op dit doek overbrengt?»
«Ik begin nog niet te schilderen!» antwoordde de man en kreeg zijn zwart krijt voor den dag. Snel bewoog zich de hand, het oog mat het groote schilderij, en ofschoon er slechts eenige fijne lijnen zichtbaar werden, stond Christus daar toch reeds zwevend, evenals op het groote schilderij.
«Ga nu toch heen!» zei de schilder, en zwijgend keerde deknaap naar huis terug, zette zich op de tafel neer en—leerde handschoenen naaien.
Maar den heelen dag waren zijn gedachten in de schilderijenzaal, en daardoor prikte hij zich in de vingers, gedroeg zich links, maar plaagde Bellissima toch niet. Toen het avond werd en de huisdeur juist open stond, sloop hij naar buiten; het was nog koud; maar de lucht was helder en als met sterren bezaaid.
Hij wandelde door de straten, die reeds leeg geworden waren, en stond al spoedig voor het metalen varken; hij boog er zich over heen, gaf het een kus op zijn blanken snuit en zette zich op zijn rug neer.—«Gezegend beest!» zeide hij, «wat heb ik naar je verlangd! Wij moeten van nacht nog eens een ritje doen!»
Het metalen varken lag onbeweeglijk, en het frissche water vloeide hem uit den snuit. De knaap zat schrijlings op hem, daar werd er aan zijn kleeren getrokken; hij keek op: Bellissima, de kleine, kaalgeschoren Bellissima blafte, als wilde zij zeggen: «Ziet ge wel? Ik ben er ook! Waarom zet ge u hier neer?»—Geen vurige draak had den knaap zulk een schrik op het lijf kunnen jagen, als de kleine hond op deze plaats. Bellissima op straat, en wel zonder aangekleed te zijn, zooals de oude vrouw het noemde! Wat moest daarvan komen? De hond kwam in den winter slechts buiten de deur, nadat hem vooraf een klein lamsvel aangetrokken was, dat uitsluitend voor hem genaaid was. Dit vel, dat met lintjes en schelletjes versierd was, kon met een rood bandje om zijn hals en onder zijn buik vastgebonden worden. De hond zag er dan uit als een geitje, wanneer het hem in den wintertijd vergund werd, in dit gewaad met de signora te gaan wandelen. Bellissima was buiten en niet aangekleed! Wat moest daarvan komen? Alle phantasieën waren verdwenen, maar toch kuste de knaap het metalen varken en nam Bellissima op den arm; het beest trilde van de kou, daarom liep de knaap zoo hard, als hij maar kon.
«Waar loop je daar mee?» vroegen twee politiesoldaten, die hij tegenkwam en waartegen Bellissima begon te blaffen. «Waar heb je dat hondje gestolen?» vroegen zij en namen het hem af.
«O, geeft het mij terug!» smeekte de knaap.
«Als je het beest niet gestolen hebt, dan moet je thuis maar zeggen, dat het op de wacht kan afgehaald worden!» Zij noemden de plaats en gingen met Bellissima heen.
Dat was een verschrikkelijk geval. De knaap wist niet, of hij in den Arno zou springen of naar huis gaan en alles bekennen; ze zouden hem dan zeker doodslaan, dacht hij.—«Maar ik wil graag doodgeslagen worden, ik wil graag sterven, dan kom ik bij Jezus en bij de Madonna!» En hij ging naar huis, hoofdzakelijk om doodgeslagen te worden.
De deur was gesloten, en hij kon niet aan den klopper raken. Er was niemand op de straat, maar er lag een steen, en daarmee gooide hij tegen de deur aan. «Wie is daar?» werd er van binnen geroepen.
«Ik ben het!» zeide hij. «Bellissima is weg! Doe mij open en sla mij dan dood!»
Er verspreidde zich een algemeene schrik door het huis, inzonderheid bij de signora, over de arme Bellissima. Zij keek terstond naar den muur, waar het gewaad van den hond placht te hangen; het kleine lamsvel hing er nog.
«Bellissima op de wacht!» riep zij luide uit. «Jou ondeugende jongen! Hoe heb je haar de deur uitgelokt? Wat zal zij koud zijn! Dat teere diertje bij die ruwe soldaten!»
De man moest er dadelijk naar toe, de vrouw jammerde, de knaap weende.—Al de huisgenooten kwamen bij elkaar, en onder dezen bevond zich ook de schilder; hij nam den knaap op zijn schoot, hoorde hem uit, en bij brokstukken kreeg hij nu de heele geschiedenis van het metalen varken en de galerij te hooren,—deze was vrij onbegrijpelijk. De schilder troostte den knaap, trachtte de oude vrouw tot bedaren te brengen, maar zij was niet tot bedaren te krijgen, voordat haar man met Bellissima, die onder de soldaten geweest was, aankwam. Dat was een blijdschap! De schilder liefkoosde den knaap en teekende wat voor hem.
O, dat waren heerlijke stukken, kluchtige koppen! En waarlijk, het metalen varken was er ook bij. O, niets kon heerlijker zijn! Met een paar streken prijkte het op het papier, en zelfs het huis, dat er achter stond, was er op afgebeeld.
Wie toch kon teekenen en schilderen, die kon de heele wereld om zich heen verzamelen!
Zoodra de knaap den volgenden dag een oogenblik alleen was, nam hij een potlood in handen, en op den achterkant van een der prenten trachtte hij de teekening van het metalen varken weer te geven. Dit gelukte;—wel was het wat scheef, de eene poot was te dik en de andere te dun, maar het was er toch goed uit te kennen. Hij stond er zelf over verwonderd.—Het potlood wilde nietzoo gaan, als hij wilde; dat merkte hij wel; den volgenden dag stond er weer een metalen varken naast het andere, en dat was honderdmaal beter; het derde was al zoo goed, dat iedereen het er wel uit kon kennen.
Maar het ging slecht met het handschoenen naaien, langzaam met de boodschappen in de stad; want het metalen varken had hem geleerd, dat alles op het papier gebracht kon worden, en de stad Florence is een prentenboek, als men daarin maar wil bladeren. Op dePiazza della Trinitàstaat een slanke zuil en daar bovenop de godin der gerechtigheid met een blinddoek voor de oogen en een weegschaal in de hand. Al spoedig stond zij op het papier, en het was de kleine leerling van den handschoenmaker, die haar daarop geplaatst had. De verzameling van teekeningen groeide aan, maar nogbevattezij slechts teekeningen van levenlooze voorwerpen; nu liep Bellissima op zekeren dag voor hem heen en weer. «Blijf eens stilstaan!» zeide hij, «dan zal je mooi worden en in mijn verzameling van prenten komen!» Maar Bellissima wilde niet stilstaan, zij moest vast gebonden worden; kop en staart werden nu vastgebonden, zij blafte en maakte sprongen, het touw moest strak aangehaald worden; daar kwam de signora binnen.
«Jou ondeugende jongen! Dat arme beest!» was alles, wat zij kon uitbrengen. Zij duwde den knaap van zich af, gaf hem een schop, joeg hem haar huis uit, hem, die de ondankbaarste deugniet, het ondeugendste kind was, en weenend kuste zij haar kleine, half verworgde Bellissima.
Op hetzelfde oogenblik kwam de schilder de trap op en—hier is het keerpunt in de geschiedenis.
In het jaar 1834 werd er te Florence in deAccademia delle Artieen tentoonstelling gehouden. Twee schilderijen, die naast elkander opgehangen waren, lokten een menigte toeschouwers tot zich. Op het kleinste was een kleine, vroolijke knaap voorgesteld, die zat te teekenen; voor model had hij een klein, wit, gladgeschoren Deensch hondje; maar het beestje wilde niet stilstaan en was daarom zoowel aan den kop als aan den staart met touw vastgebonden; er was daarin leven en een waarheid, die op iedereen indruk moest maken. De schilder, vertelde men, was een jonge Florentijn, die als kind op de straat gevonden en door een ouden handschoenmaker opgevoed was, en zich zelf het teekenen geleerd had. Een thans beroemde schilder had dit talent in hem ontdekt, toen de knaap bij zekere gelegenheid uit het huis gejaagd werd, omdat hij de lievelinge der signora, het kleine hondje, vastgebonden en voor model gebruikt had.
De handschoenmakersleerling was een uitstekend schilder geworden; dat bewees dit schilderij, dat bewees inzonderheid het grootere, dat er naast hing. Hierop was slechts een enkele levende figuur, een in lompen gekleede, maar mooie knaap, die slapend op de straat zat; hij leunde tegen het metalen varken in de straatPorta Rosaaan. Alle toeschouwers kenden deze plaats. De armen van hetkind rustten op den kop van het varken; de kleine sliep gerust, en de lantaarn voor het Madonnabeeld wierp een sterk licht op het bleeke, schoone gezicht van het kind.—Het was een allerprachtigst schilderij; een groote, vergulde lijst omgaf het, aan een der hoeken was een lauwerkrans opgehangen; maar tusschen de groene bladeren slingerde zich een zwart lint, en een lang rouwfloers hing er aan.—De jonge kunstenaar was juist in die dagen—gestorven!
1Tegenover het graf van Galilei bevindt zich dat van Michaele Angelo. Op het monument is zijn buste aangebracht en bovendien drie figuren: de beeldhouwkunst, de schilderkunst en de bouwkunst; dicht daarnaast is het grafteeken van Dante (zijn lijk bevindt zich te Ravenna); op het monument ziet men Italië, dat wijst op het kolossale standbeeld van Dante; de poëzie weent over zijn verlies. Eenige schreden verder ziet men het monument van Alfieri, dat met lauweren versierd is; Italië weent boven zijn graf. Macchiavelli besluit hier de rij der beroemde mannen.
1Tegenover het graf van Galilei bevindt zich dat van Michaele Angelo. Op het monument is zijn buste aangebracht en bovendien drie figuren: de beeldhouwkunst, de schilderkunst en de bouwkunst; dicht daarnaast is het grafteeken van Dante (zijn lijk bevindt zich te Ravenna); op het monument ziet men Italië, dat wijst op het kolossale standbeeld van Dante; de poëzie weent over zijn verlies. Eenige schreden verder ziet men het monument van Alfieri, dat met lauweren versierd is; Italië weent boven zijn graf. Macchiavelli besluit hier de rij der beroemde mannen.