Chapter 7

„Zagt, myn Zangnimf, wil bedaaren!’t Is geen winter in ’t vernuft,Dat, na vijf en tachtig Jaaren,Altydt arbeydt onversuft.Hoe zou ’t winter weezen konnen,In het brein des grooten mans,Dat, door zoo veel glaaze zonnen,Staag met warmte, licht en glans,Wordt gekoestert en beschenen?” enz.Hij beschrijft dan verder in vloeiende regelen de verschillende[114]waarnemingen en ontdekkingen door hem in dier en plant met zijn microscoop gedaan, waardoor in het schijnbaar kleinste en nietigste schepsel de grootste wonderen worden ontdekt. Dit opmerkende, zegt hij, zal men:Aanstonts, vol verbaastheit zeggen,Dit’s gedaan door de eige handt,Die den bliksem maakte en donder,Die de hemelkringen slootWant het onbegrijplijk wonderIs zoowel in ’t kleyne als ’t groot.Ontbrak het Leeuwenhoek niet aan bewijzen, dat men zijne verdiensten waardeerde en op prijs stelde, zoo schijnt men die echter, wat ons land betreft, niet door bijzondere erkenning te hebben beloond; zoo men daaronder ten minste niet rekenen wil, de douceurs, die het bestuur van Delft, wegens het ten geschenke ontvangen van eenige zijner gedrukte brieven aan de „Royal Society” hem gegeven heeft. Men vindt namelijk in het „6de lopende memoriaal” van H.H. Burgemeester van Delft, de volgende aanteekening:„Den 4 April 1693, per cassa, aan Antony van Leeuwenhoek de somma van 36 gld., over de „presentatie” zijner brieven, zijnde: „Brieven, geschreven aan de Koninkl. Societeyt te Londen.””Voor het 5deen 6devervolg dier Brieven, ontving de groote natuurvorscher,respectievelijk30 en 24 gld. Dergelijke vereeringen of douceurs (zoo schreef mij Mr. Soutendam) waren toen zeer gebruikelijk. O. a. ontving ’s mans tijdgenoot Dr. Abrahamus Berkel, Rector der Latijnsche scholen,voor de „dedicatie” van: „Enchiridion Epicteti,” hetwelk hij met zijn noten heeft doen drukken en uitgeven, de som van 63 gld.Dat zoodanige erkenning echter, ten minsten later, al ware die geschied, in zijn smaak zou gevallen zijn, mag men uit enkele uitdrukkingen in zijn correspondentie betwijfelen. Leibnitz schijnt dit punt in eene briefwisseling met Leeuwenhoek te hebben aangeroerd; althans zegt hij, in een antwoord aan Leibnitz[115]d.d. 13 Maart 1716197. „Die geene die in onzen landen, om haar kennisse en wetenschappen, vergelding krygen, dat syn Heeren Professoren, Predicanten, en de Meesters in de Latynze schoolen, die soo veel Latyn konnen, dat ze de jonge luyden in die taal konnen onderwijsen. De groote hemelbeschouwer, wylen Christiaan Huygens, heeft mij verhaalt, dat sekere persoon in eene andere provinsie twee duysent guldens heeft bekomen, over syn dienst in ’t maken van tafels. Waar over de selve misnoegt was, seggende, men behoorde hem beter uyt het lant te bannen, als dat gelt te geven; want hy heeft eerlyke luyden beledigt. In ’t kort” zegt L. ten slotte „ik weyger giften om niet verpligt te syn.”Intusschen was men toch in het buitenland er op bedacht den ijverigen natuuronderzoeker geschenken aan te bieden, als blijken van de waardeering zijner werkzaamheden.Zoo vereerde hem de Landgraaf van Hessen-Cassel, op zijn reis door Holland, waarbij hij Leeuwenhoek in Delft bezocht en vele belangrijke zaken uit zijne verzameling bezichtigd had, uit erkentelijkheid, twee gedenkpenningen met diens beeltenis voorzien.Toen Leeuwenhoek den Landgraaf daarover zijn dankbaarheid in een brief betuigde, antwoordde deze hem, zoo als Leeuwenhoek dit in hetzelfde schrijven aan Leibnitz vermeldt198. „Uwe gift is grooter als de mijne.”Eene groote onderscheiding viel hem den 24sten Mei 1716 te beurt, van wege de Hoogeschool te Leuven. Hij was al sedert geruimen tijd met Antoni Cink, Narrez en Rega, Hoogleeraren in de Natuur- en Geneeskunde aldaar in correspondentie. Deze briefwisseling geschiedde veelal door tusschenkomst van Mr. Gerard van Loon, den bekenden schrijver der Nederlandsche Historiepenningen, en werd in de jaren 1713–1715 gevoerd.Deze Hoogleeraren, leden van het Collegie van „’t Wilde Swijn” te Leuven, voelden zich gedrongen aan Leeuwenhoek een schitterend blijk hunner achting en warme belangstelling[116]aan te bieden. Op hun last namelijk werd een zilveren gedenkpenning vervaardigd, die op de voorzijde het borstbeeld van Leeuwenhoek vertoonde, met het omschrift: „Antonius Leeuwenhoek Regiae Societatis angliae membrum.”Gedenkpenning.Op de andere zijde ziet men in het verschiet de stad Delft, en op den voorgrond een bijen-korf, met eenige daarom rondvliegende[117]bijen, benevens eene bloeiende plant, terwijl de spreuk uit Virgilius er op voorkomt (Georgia IV. v. 6.)In tenui labor, at tenuis non gloria199.Gerard van Loon werd persoonlijk belast hem dit eereblijk, met een begeleidend, vereerend schrijven, op plechtige wijze te overhandigen. Leeuwenhoek betuigde in een brief aan genoemde Professoren zijn grooten dank, ook voor het Latijnsch lofdicht, dat bij wijze van opdracht er aan was toegevoegd. Van dit gedicht zegt hij, dat het was: „Vol van vloeijende aardigheden”.Als een bewijs hoe gevoelig Leeuwenhoek was wegens de groote eer hem aangedaan, diene hetgeen hij laat volgen: „En als ik gedenk aan de loftuytingen, die in UEd. brief, ende in het lofdigt, werden gemelt, soo werde ik niet alleen schaamroot, maar myn oogen tranen meermalen; te meer omdat myn arbeyt, dien ik veel jaren agter een gedaan hebbe, niet is geweest om den lof dien ik nu geniet, daardoor te behalen, maar meest uyt een drift van weetgierigheyt, die in my meer woont, gelijk ik merk, dan in veel andere menschen.” (Het blijkt uit een brief aan Leeuwenhoek, d.d. 22 Juni 1716, dat dit gedicht was vervaardigd door J. G. Kerkherdere „synen Keyserlyke en Koninglyke Majesteits-Historicus.”) In dezen brief geeft hij nogmaals lucht aan zijn dankbaar gevoel, in bewoordingen, die als eene bijdrage te meer mogen gelden van de waardeering van Leeuwenhoek’s karakter. Hij drukt zich aldus uit: „.… ende dat ingesien hebbende, stond ik verbaast, met ontsteltenisse van myn ligchaam, over de menigvuldige uitdruksels van hooge agtinge, die UE. Hooggeleerde ende wydvermaarde Heere, in uw noyt volpresen vers komt te doen. Ik ken immers my selven tot soo verre, dat ik op het honderste deel niet waardig ben de uytdrukselen, die gy over myn geringen arbeyt komt te doen: want die komt alleen voort uyt een neyginge, die ik hebbe om de beginselen van de geschapene saaken te ondersoeken, tot soo verre als het my mogelyk was.”[118]De dichter Poot maakte op dezen gedenkpenning het volgende bijschrift:De Rotte duik’ daer de oven,Erasmus in metael verkeert,Wij loven ’t kunstig Loven (Leuven)Dat d’ eer van Delf met zilver eert.’t Zent Leeuwenhoek naar ’t leven,Aan Leeuwenhoek, door munt herteelt,Wat kon men grooter geven?Dees helt verdient een zinnebeelt.Doch wort de magt niet kranker,Zoo glinstert hy van gout op ’t lest;Maar ’t zilver is vry blanker,En dat gelykt zyn inborst best.Dus pryst de School ’s mans grysheit,De wysheit kroont de wijsheit!De grootste eer nogtans, waarop Leeuwenhoek zelf den hoogsten prijs stelde en waarop hij met verschoonbare verheffing dikwijls roemde, was zijne benoeming tot „Lid der Royal Society te Londen.” Deze onderscheiding viel hem te beurt toen hij nog in de kracht van zijn leven was, namelijk op 46jarigen leeftijd. Ik spreek er het laatst van omdat ik de bijzonderheden, die deze benoeming voorafgingen en vergezelden, eenigszins uitvoeriger wilde mededeelen; daarbij heb ik gebruik gemaakt van de aanteekeningen, die men bij Birch, „the History of the Royal Society of London,” 1757, vol. IV vindt, omtrent het verhandelde in de vergaderingen van dit geleerd genootschap, welke aanteekeningen men als het Notulenboek der Sociëteit kan aanmerken.Nadat Leeuwenhoek, sedert zijn eerste aanraking met dit geleerd genootschap in 1673, in eene immer levendiger correspondentie was getreden en hij zijne onderzoekingen, over onderscheiden onderwerpen, voornamelijk die van de bloedlichaampjes en de circulatie van het bloed had bestudeerd, waarvan de resultaten zoo belangrijk waren voor de physiologie en hij kort daarna de niet minder belangrijke ontdekking deed van de infusoria, welke ontdekkingen wij boven gezien hebben, dat[119]zoo zeer de verbazing en bewondering van de leden der „Royal Society” hadden opgewekt, had zijne benoeming tot Lid van dit Collegie in de vergadering van 29 Januari 1680 plaats200. Birch teekende van dit besluit der vergadering het volgende aan: „Dr. Heusch, Mr. Firmin,Mr. Houghton worden gekozen;evenzoo ook Mr. Leeuwenhoek, op voorstel van Dr. Croune.”In dezelfde vergadering werd aan Dr. Gale, Secretaris van het Collegie, opgedragen, om een diploma voor hem gereed te maken. Aan genoemden geleerde werd in de vergadering van 12 Februari201, gevraagd of het diploma reeds gereed was en bevolen dat het zegel der Sociëteit er aan gehecht zou worden. Men schijnt Leeuwenhoek echter nog eene extra onderscheiding waardig gekeurd te hebben, zoo als ik dit bij geen der benoemingen in dit Collegie bij Birch vermeld gevonden heb, namelijk: „er werd bevolen dat er tevens een zilveren doos voor moest gemaakt worden, waarin dit diploma zou worden besloten, en op welke doos de „wapens der Sociëteit” zouden worden gegraveerd202.”In de vergadering van den 23sten Februari werd de vervaardiging daarvan aan zekeren Mr. Hunt opgedragen. Het diploma werd vervolgens, toen alles gereed was, met een begeleidend schrijven, namens de Sociëteit, door den Engelschen[120]gezant bij de Hollandsche regeering aan Leeuwenhoek overhandigd203.Zoo was dan het ideaal van den grooten natuuronderzoeker verwezenlijkt en zijn vurigste wensch vervuld. Voortaan zal hij medegerekend worden onder deillustereleden van het hoogste wetenschappelijk collegie van Europa, dat, hoewel reeds in 1645 opgericht, ten tijde van Leeuwenhoek nog slechts kort geleden op vaste grondslagen was gevestigd en deberoemdstegeleerden der beschaafde wereld van dien tijd in zijn gelederen telde204.[121]Dat hij niet naliet, zoo spoedig doenlijk zijne dankbaarheid voor de ontvangen onderscheiding kenbaar te maken, zal wel geen verwondering baren. Reeds in de vergadering van den 13den Maart 1680 rapporteerde Robert Hooke, dat hij drie brieven van Leeuwenhoek ontvangen had, waarvan de eerste betuigingen bevatte van zijn warmen dank aan den President en de leden der Sociëteit, voor de eer hem aangedaan. De tweede brief behelsde het bericht van ontvangst van het diploma en vernieuwde betuigingen van zijn dank, en tevens de verzekering van zijn voortdurenden ijver om de Sociëteit te dienen, zoo veel hij kon en dat hij dit zou blijven doen, zoo lang hij leefde; terwijl de derde weder eenige waarnemingen van hem behelsde.En Leeuwenhoek heeft woord gehouden. Niet alleen, dat hij, zoo als ik boven aanstipte, tot op 85jarigen leeftijd in geregelde briefwisseling met de Sociëteit verkeerde, toen hij (20 November 1717) zoo het scheen voor goed afscheid er van nam, maar het blijkt ook uit hetgeen ik in de „Philosophical Transactions” van na den bovengenoemden datum, tot op het jaar 1723, zijn sterfjaar, gevonden heb, dat zijn werkzame geest zich geen rust gunde, vooral daar zijn verstand en oog ook nog in dat tijdsverloop helder bleef, hoewel zijne handen „swak werden, ende een weynig bevinge ondervonden” zoo als hij zich in dien brief uitdrukte.In het 31ste en 32ste deel namelijk der „Transactions” worden nog een achttal brieven gevonden van de jaren 1720 tot 1723 (waaruit blijkt, dat hij dus gedurende een halve eeuw met de „Royal Society” briefwisseling gevoerd heeft), terwijl hij nog op zijn sterfbed aan zijn vriend Johannes Hoogvliet205opdroeg, twee brieven, die hij in den laatsten tijd geschreven had, in het Latijn te vertalen en in zijn naam aan de Sociëteit toe te zenden.[122]De treffende bijzonderheden van deze laatste opdracht mag ik niet achterhouden; ze zijn ons bewaard gebleven in het 32ste deel der „Philosophical Transactions”, pag. 435, waarin bericht wordt „dat een brief ontvangen is van Johannes Hoogvliet, d.d. 1 September 1723, aan den Secretaris der „Royal Society” Jacobus Jurin, overleggende twee brieven, die op verzoek van den stervenden Leeuwenhoek werden toegezonden.” Deze missive van Hoogvliet was van den volgenden inhoud en in ’t Latijn geschreven:„Onze eerwaardige grijsaard Leeuwenhoek liet mij, toen hij reeds met den dood kampte, maar desniettemin nog aan zijn geliefde studie dacht, tot zich roepen en vroeg, mij met reeds half gebroken oogen aanstarende en in afgebroken woorden, of ik deze beide brieven in het Latijn wilde overzetten en aan u, zeer geleerde Heer toezenden. Daar ik het verzoek van zulk een man, zoo als ik dat reeds sedert eenige jaren gewoon was, niet kon weigeren, zoo zend ik u, zeer geleerde Heer, het laatst geschenk van mijnen stervenden vriend, hopende dat deze zijne laatste werkzaamheden u aangenaam zullen zijn.”De inhoud dezer twee brieven was:1o.Over de globulen in het bloed en in den moer van den wijn.2o.Over de voortteeling der dieren en over de klopping van het middenrif.Uit den inhoud dezer twee brieven ziet men, dat de twee belangrijkste onderwerpen, die zoo zeer bijgedragen hadden om zijn naam onsterfelijk te maken en waaraan hij schier zijn geheele leven gewijd had, hem zelfs op zijn sterfbed voor den geest zweefden en tot op het laatst zijns levens het gewichtig onderwerp zijner onderzoekingen uitmaakten.Men meene echter niet dat zijn eenigste gedachten op de stoffelijke dingen der aarde gevestigd waren, zoodat hij zelfs met den dood voor oogen zijn geest daarmede uitsluitend zou hebben bezig gehouden. Neen, wij kunnen uit onderscheidene plaatsen in zijne brieven zien, dat een innig godvruchtige geest in hem woonde en hij in alles wat hij verwonderlijks zag en opmerkte Gods grootheid en almacht roemde. Hoor onder anderen wat[123]hij zegt in een brief aan Nicolaas Witsen206, „Want wy en konnen den Heere en maker van het geheel-Al, niet meer verheerlyken, als dat wy in alle zaken, hoe klein die ook in onse bloote oogen mogen zijn, als ze maar leven en wasdom hebben ontfangen, zyn Al-wysheit en volmaaktheit, met de uiterste verwondering sien uitsteken.”Of zijn ontboezeming in een brief aan Frederik Adriaan207over het ontstaan van de oneindig kleine diertjes. „O diepte der Wysheyt, hoe ondoorgrondelijk zyn uwe werken, zullender nu nog menschen gevonden werden, die seggen datter geen God is?”Ik zou deze voorbeelden nog met een aantal anderen kunnen vermeerderen, doch het aangevoerde zal, vertrouw ik, voldoende zijn om zijn vromen geest te kenschetsen.Nadat de eerbiedwaardige grijsaard deze zijne laatste beschikkingen gemaakt had, kon hij gerust het hoofd nederleggen, omringd door zijne geliefde dochter, betrekkingen en trouwe vrienden, en met recht kan van hem gezegd worden, dat hij gewerkt had, zoo lang het voor hem dag was.Leeuwenhoek overleed den 26sten Augustus 1723 en had alzoo den ouderdom van bijna 91 jaren bereikt, waarvan hij er met zekerheid meer dan 60 onafgebroken aan zijne geliefkoosde natuurstudiën had gewijd.Hij werd in de St. Hippolitus- of Oude Kerk te Delft begraven, alwaar een gedenkteeken nog in goed onderhouden toestand gevonden wordt, dat zijne dochter Maria, 17 jaren na het overlijden van haren vader, ter zijner nagedachtenis en eere heeft doen oprichten. Dit gedenkteeken bestaat uit een spits toeloopende naald van hardsteen, door eene vaas gedekt, al waar in het bovengedeelte de buste van Leeuwenhoek in wit marmer is aangebracht, en waaronder men de volgende inscriptie leest:„Piae et aet. (ernae) Memor. (iae) Antonii a Leeuwenhoek, reg. (iae) angl. (icae) Societ. (atis) membr. (o), qui naturae penetralia et physices arcana microscopiis ab ipso[124]inventis et mirabili arte fabricatis assiduo studio et perscrutatione detegendo et idiomate belgico describendo de toto terrarum orbe optime meruit.”Nat. Delphi XXIV Oct. An. MVICXXXII.Ibique denat. XXVI Aug. An. MVIICXXIII.Onder den breed uitloopenden voet der grafnaald, welke op vier bollen rust, in het midden waarvan een wit marmeren doodshoofd op kruiselings gelegde doodsbeenderen, leest men de volgende inscriptie:„Patri charissimo hoc monumentum filia Maria”A. Leeuwenhoek Moerens P. (osuit).Het geheele monument is omgeven door een sierlijk bewerkt ijzeren hek, terwijl vóór dit hek zich het familiegraf bevindt, gedekt door eene zware zerk, waarop het volgende opschrift is uitgehouwen:„Hier rust Antony van Leeuwenhoek, oudste lid van de Koninklyke Sosyteyt in Londe, gebooren binnen de Stadt Delft op den 24sten October 1632 en overleden op den 26sten Augustus 1723, out synde 90 jaren 10 maanden en 2 dagen.„Heeft elk, o wandelaar, alomOntzagh voor hoogen ouderdomEn wonderbare gaven,Zoo zet eerbiedigh hier uw stap:Hier legt de grijse wetenschapIn Leeuwenhoek begraven”208.En eindelijk is, geheel aan het onderste gedeelte der zerk nog uitgehouwen:„en Maria van Leeuwenhoek desselfs dogter, geboren te Delft den 22sten September 1656 en overleden den 25sten April 1745.”Verder is op de zerk uitmuntend uitgehouwen een schoon[125]bewerkte vliegende arend, met den kop hemelwaarts gericht, terwijl hij met de klauwen een schild vastklemt, waarop zijn familiewapen209zal gegrift geweest zijn, doch dat er in den Franschen tijd is uitgehouwen, zoo als dit met al de wapenschilden in ons land, op oude monumenten, waar deze vroeger bestonden, het geval is geweest. Het is een schild van goud, beladen met een klimmenden leeuw van azuur, getongd en geklauwd van keel. Het schild gedekt door eenschuinstaanden helm, waarop als helmteeken een vogelvlucht van goud en azuur, gedekt met helmdekken van goud en azuur. Onderaan ligt eene sphynx; dezelfde figuur, die ook voorkomt op de allegorische titelplaat voor het eerste deel van de brieven van Leeuwenhoek, en waarvan de beteekenis is, volgens de uitlegging van deze titelplaat door den dichter T. van der Wilt:„Scherpzinnigheid, waarmede’t Verborge wert ontdekt, en ’t duistere verklaart”…De dichter Poot maakte nog een ander gedicht „ter eeuwige gedachtenisse” van zijn vriend Leeuwenhoek, waarvan de laatste regelen dus luiden:„O Leeuwenhoek, zoo blank van hart als hair,Ter quader uur door ’t straffe lot bemagtigt,Ziet uit uw graf, zie eens na hondert jaer,Hoe door de faem uw glori wort bekrachtigt.Wy zullen, als de lente weligh bloeit,En ’t kille sneeu komt op ’t gebergt ontdoien,Uw stil vertrek, uw rustplaets onvermoeit,Met geurigh loof en versch gebloemt bestroien,Terwyl zult ge u vermaken in den reiDer zaligen, daer andre starren lichten.Vergeef my nu, dat ik weemoedighschrei’k Zal in myn ziel voor u een eerzuil stichten.—En gy, die hier uws Vaders lyk betreurt,Marye, eilaas! hoe schynt het heil verdweenen!Bewys uw rou: ’t valt schaers een kint te beurt,Zoo groot een’ Helt en Vader te beweenen.”[126]Zoo als uit al het bovenvermelde blijkt, zijn de bijzonderheden omtrent de waarnemingen van Leeuwenhoek alle ontleend aan brieven door hem aan de „Royal Society” te Londen en aan particulieren geschreven en beslaan dus ook zijne geschriften uit eene verzameling dezer brieven, die allen op verschillende tijden, aanvankelijk ieder afzonderlijk of enkelen te samen, schijnen gedrukt en uitgegeven te zijn, blijkens de pagineering, die in het eerste deel niet doorloopend is, maar voor iederen brief afzonderlijk, en ook door de verschillende titels, waaronder zij bij onderscheidene boekverkoopers te Delft en te Leiden zijn gedrukt en uitgegeven.Er bestaan van deze zelfde brieven twee uitgaven, namelijk de Hollandsche en de Latijnsche; beiden in vijf 4odeelen, waarvan het vijfde deel de zoogenaamde „Sendbrieven” bevat.De Hollandsche verzameling, die in mijn bezit is, dateert van 1685–1718. Daarin zijn de brieven van Leeuwenhoek opgenomen, deels onder den titel van „Ontleedingen en Ontdekkingen” enz., deels onder dien van „Ondervindingen en Beschouwingen” enz., deels onder dien van „Vervolg der brieven”, waarvan er zeven zijn.Deel I vangt aan met den 28sten brief en loopt tot no. 52, bevattende de brieven van de jaren 1679 tot 1686, terwijl daarin ook het Eerste Vervolg van no. 53 tot 60, loopende van April 1687 tot November van dat zelfde jaar gevonden worden.Deel II bevat het Tweede tot Vierde Vervolg van no. 61 tot no. 83, loopende van 1688 tot 1694.Deel III bevat het Vijfde en Zesde Vervolg van no. 84 tot no. 107, loopende van 1694 tot 1696.Deel IV bevat het Zevende Vervolg van no. 108 tot no. 146, loopende van 1697 tot 1702.Deel V eindelijk bevat de „Sendbrieven” vervat in 46 brieven, loopende van 1712 tot 1716. Na aftrek dus van de 28 niet uitgegevene zijn er in deze verzameling in het geheel 165 brieven opgenomen.De reden waarom deze brieven eerst met den 28sten aanvangen schijnt niet met zekerheid bekend te zijn. De drukker van de brieven, die in het eerste deel voorkomen, zegt aan het begin[127]van het „Register” op den 28sten tot den 52sten brief: „De voorgaande 27 brieven by den Auteur geschreven, en heeft hij tot noch toe niet konnen resolveren, die met den druk gemeen te maken; dus hier de 28ste Brief de eerste is die gedrukt is.”Van Haastert210oppert het vermoeden, als of hij den inhoud dezer 26 brieven uit kieschheid niet geschikt voor de publiciteit zou gekeurd hebben, doelende op een postscriptum onder een brief van Leeuwenhoek, handelende over de zaaddiertjes, waar hij zegt:„Ik heb nog eenige afzonderlijke waarnemingen over de vrouwen en de bevrugting enz., doch ik houde die terug om geen aanstoot te geven.”En in een anderen brief aan Petrus Rabus211, „Myne stellingen omtrent de versamelinge, bevrugtwerdinge en voorttelinge van onze vrouwen enz., hebbe ik sedert dat ze UE. onlangs tot mijnent gelezen had, nog aan een zeer geleerd en voornaam Heer laten zien en daarby gezeid, dat UE. my hadde aangeboden om het in ’t Latyn over te zetten, en in die taal wereltkundig te maken. Doch die Heer is, nevens my, van gevoelen, dat wy zulks best mogten laten; eensdeels enz.… en ten anderen, uit vreze dat de werelt, die dog boos en bot genoeg is, de Natuerkennis tot haar verderf mogt gebruiken en meer en meer in ongebondenheid uitspatten.”Ik kan mij echter met deze opgegeven reden niet vereenigen, dewijl ik in de brieven, die ik van Leeuwenhoek in de „Philosophical Transactions”aan de „Royal Society” van vóór 1679 geschreven, gevonden heb, die een zestiental bedragen, er slechts eene gevonden heb die over de spermatozoïden handelt.Het is zeker te verwonderen, dat juist de brieven van 1673, waarin hij zijn eerste brief aan bovengenoemd Collegie schreef, tot 1679, waarin de 28ste of eerste brief der Verzameling is geschreven, in deze verzameling gemist worden. Deze toch vertegenwoordigen een tijdvak, waarin zijne waarnemingen, zoo zeer de[128]bewondering en verbazing van de leden der „Royal Society” opwekten, dat daardoor niet alleen de aandacht op hem gevestigd werd, maar hem de hooge onderscheiding werd waardig gekeurd als Lid van dat beroemd genootschap te worden aangenomen en dat onder omstandigheden zoo vereerend voor hem als wellicht zelden aan een ander zijn te beurt gevallen. Zijne in het IXde, Xde en XIde deel der „Philosophical Transactions” opgenomene brieven hebben betrekking op zijne microscopische onderzoekingen van „bloed, melk, beenderen, de hersens, het haar, het kristallynvocht, de gezichtszenuw, de textuur van het hout, de kleine diertjes in regen-, wel-, zee-, ensneeuwwater, alsmede in water, waarin men peper had laten trekken; de structuur der tanden, beenderen, ivoor.”Ik vermoed eer dat Leeuwenhoek geen afschriften van deze eerste brieven zal gehouden hebben, zoo als hij dit van de anderen deed en mij uit enkele perioden in sommige zijner brieven gebleken is, en hij daarom buiten de gelegenheid was, toen men bij hem op de uitgave zijner brieven begon aan te dringen, daaraan, wat deze 27 eerste betreft, gevolg te geven. Dat Leeuwenhoek aanvankelijk tot die uitgave niet uit eigen beweging, maar op aandrang van anderen is overgegaan, blijkt uit een brief van zijn eersten uitgever Daniel van Gaesbeek te Leiden van 1 Januari 1684, bij wijze van opdracht voor het eerste deel geplaatst, waarin hij dus aanvangt: „Als alle de werelt seer verwondert sprak, van de uitvindinge tot beschouwinge der onsienelyke verborgenheidswaarheden, door UE. opgelost; ende dat veele boeken in andere landen en taalen daar af gewaagden, brande myn lust, om meede een oog-getuige daar in te zijn; soo heeft my den geleerden Medicyn-meester de Heer Cornelis van ’s Gravesande, Raad en Scheepen der stad Delft, bij UE. geleid: waar ik door UE. konstige en niet min loflyke uitvindinge, die verwonderlyke verborgentheden Gods, door UE. beleefde goeddadigheid komende te beschouwen, soo bevond ik, dat de vreemde boeken die daar af door de wereld sweeven, in den zin, afteekening en waardigheid niet weinig verschilden, en ook dat onse eige ingeboorne landsaten in haar taal niet kosten genieten die wetenschappen, die reeds eenige naburige volkeren in haar eygen[129]taal en sprake waren bekend geworden. Derhalve niet rustende, ofte ik had bekoomen yets van ’t gene UE. selfs de weerelt meede gedeelt had, so wierden my ter hand besteld (door een Heer, die ik en de wereld daar voor moet danken) deese UE. nevensgaande brieven, by UE. „meede Broeders van dat Hoogloflijke Collegie des Koninklijke Sociëteits in Engeland”. Deese (waarin soo bysondere wonderheden waren aan te schouwen) dagten my te waardig, om niet aan alle onse Landsgenooten in haar eigen taal (door hulp van den voornoemden Heer, en myn druk-pers, mitsgaders de konstige hand des plaat-snyders, Abraham de Blois te Delft) sigtbaar voor te stellen, als zijnde een grondsteen, waar op alle wijsgeerige en doordringende verstanden voort bouwen en haare wetenschappen verder verklaren. Soo leg ik deese myne daad en sorge wederom voor UE. neder; in hoope, dat dit myn stout bestaan by UE. over ’t hoofd gesien, ende ten besten geduid sal werden; dat ook UE. deese uwe eerstelingen (die dan een Engels, dan een Frans, en dan wederom een Oud-Rooms hulsel syn opgeset en daardoor veel van haar eygen wesen en luyster hebben verloren, en nu eerst het ligt in haar eygen vaderland komen te aanschouwen) niet en sult afwijsen; maar als UE. eygene vrugten en maaksels uwes verstands erkennen en aannemen; ende daardoor nog meer en meer bewogen werden, omme niet alleen UE. verdere ondervindingen,maar ook die gene, die UE. (zoo ik onderrigt ben) omtrent thien jaren herwaards aan het Hoogloffelijk Collegie in Engeland heb opgedist, tot voldoeninge van onse ingesetene wijsgeerders meede te deelen, en dien kostelijken schat onse ingeboorne niet langer te onthouden, waartoe ik hoope God de Heere UE. ondersoekingen meerder en altoos sal zeegenen”.Deze laatste periode doelt blijkbaar op de eerste 27 brieven, die Leeuwenhoek aan de „Royal Society” geschreven had.Nog op eene andere gaping in de bekendmaking zijner brieven in de Hollandsche en Latijnsche verzameling wil ik wijzen.De laatste brief namelijk van het „Zevende vervolg” (DeelIV) eindigt met den 146sten brief, gedateerd 10 April 1702, terwijl de eerste der 46 „Sendbrieven” de dagteekening draagt van 8[130]November 1712. Er is dus weder een tijdvak van 10 jaren, waarin geen brieven van Leeuwenhoek in onze taal of in het Latijn afzonderlijk zijn gedrukt. Mogelijk zijn het deze brieven, waarop gedoeld wordt aan het slot van den Catalogus der verkooping der microscopen in de volgende noot: „N.B. In den boedel van wijle Jufvrouw Maria van Leeuwenhoek zijn gevonden eenige nagelaten manuscripten of brieven van haar vader, den Heer Antoni van Leeuwenhoek, dewelke door Z.E. in deszelfs leven geschreven en in eene nette en goede orde geschikt zijn, om als een vervolg op zijne voorgaande uitgegeven brieven gedrukt te kunnen worden;allede Platen daartoe behoorende, zijn daarbij en reeds in ’t koper gegraveert, zoo als de Latijnsche vertaling van voorzeide brieven. Iemand genegen zijnde dit werk te laten drukken, kan zich addresseren aan de Executeurs van de voorz. boedel.” Wat er van die brieven geworden is ben ik niet te weten kunnen komen.Eene andere verklaring, die mij, in verband met het boven vermelde, niet onwaarschijnlijk voorkomt, vond ik in hetgeen zijne dochter aan von Uffenbach, tijdens zijn bezoek aan Leeuwenhoek mededeelde. „Sie erzählte uns,” zegt hij, „dass ihr Vater seit einigen Jahren viel neues durch seine Microscopia entdekt hätte, er wolte aber in seinen leben nichts mehr von seinen Observationen herausgeben, weil ihne einiger Schimpf, vermuthlich in Schriften, wiederfahren, da man sich über seine sonderliche Meinungen in seinen Schriften hin und wieder spottisch aufgehalten, und ihm schuld gegeben, er habe mehr durch seine Einbildung gesehen, als durch seine Gläser.”212Dit bezoek nu had juist plaats in 1710, en de door zijne dochter bedoelde „nieuwe waarnemingen” kunnen dus zeer goed slaan op die, welke hij sedert 1702 ondernomen en aan de Royal Society had medegedeeld. Ik heb deze brieven in de „Philosophical Transactions” van de jaren 1702–1712, deel XXIII–XXVII, gevonden, de volgende waarnemingen worden er in vermeld: „Over het groen kroos in het water groeiende, en eenige diertjes daarin gevonden; de zaden van verschillende Oost-Indische planten;[131]den kinabast; het beslag der tong bij koortsen; de bloedvaten; de circulatie van het bloed bij de visschen; candysuiker; de zaadvaten;spiervezels en bloed van den walvisch; de huid van den olifant; de voortteeling der mossels; de milt; roodkoraal; samenstelling van diamanten.”Eindelijk heb ik nog, na de laatste der „Sendbrieven” d.d. 20 Nov. 1717, waar hij, om zijne hooge jaren, afscheid neemt van de Royal Society, in het XXXIste en XXXIIste deel der „Transactions” een achttal brieven gevonden, van de jaren 1720 tot 1723, hetzelfde jaar, waarin hij gestorven is, handelende: „Over beenderen; het middenrif; de spiervezels der visschen; de vaten in sommige soorten van hout, en over spiervezels in verschillende dieren; de membranen die de vaatbundels omsluiten, waarin een spier verdeeld is; de spiraalvaten van de bladeren; het wollige bekleedsel der persikken en kweeappels;” waarbij eindelijk nog gevoegd moeten worden de beide brieven, die Leeuwenhoek op zijn sterfbed aan zijn vriend Johannes Hoogvlied verzocht in het Latijn over te zetten en aan de Royal Society toe te zenden, welke brieven ik reeds uitvoeriger besproken heb.De Latijnsche verzameling bestaat eveneens uit vijf deelen in 4o. onder de volgende titels:Deel I onder dien van: „Anatomia et contemplatio nonnullorum naturae invisibilium secretorum, comprehensorum Epistolis quibusdam scriptis” etc. Lugd. Bat. 1685.Deel II: „Epistolae ad Societatem Regiam Londinensium et alios viros illustros datur.” Lugd. Bat. 1689.Deel III:„Anatomia, hoc de interioribus rerum, cum animatarum, tum inanimatarum, ope et beneficio exquisitissimorum microscopiorum detectis.” Lugd. Bat. 1689.Deel IV: „Arcana naturae ope microscopiorum detecta.”Delphi 1695–1697.Deel V: „Epistolae physiologicae super compluribus naturae arcanis, hactenus nunquam editae,” Delphi 1709.Later heeft men ze nog gezamenlijk uitgegeven onder den titel: „Opera omnia seu Arcana naturae ope exactissimorum microscopiorum detecta;” doch men heeft er een nieuw titelblad voor geplaatst met de jaartallen 1715–1722.[132]A. J. van der Aa213vermeldt eveneens de bovengenoemde Hollandsche en Latijnsche uitgaven in vijf deelen, waarin de brieven van Leeuwenhoek zijn vervat, en bevestigt, door de vermelding der afzonderlijke titels, waaronder zij zijn uitgekomen, dat enkele dezer brieven bij een-, twee-, drie- en meertallen te samen afzonderlijk zijn uitgegeven en, zoo als ik boven opmerkte, betrekking hebben op de 52 eerste brieven, altijd daarvan afgetrokken de 27 eerste niet gedrukte, terwijl hij zoowel van de Hollandsche als de Latijnsche uitgave de geheele uitvoerige titels mededeelt. Men vindt verder nog bij van der Aa zijne correspondentie met Petrus Rabus, de uitgever van de „Boekzaal van Europa,” welk tijdschrift tot op onzen tijd onder den naam van „Boekzaal der geleerde wereld” is bekend gebleven.In de Hollandsche en Latijnsche verzamelingen zijner brieven vindt men er echter slechts één aan genoemden schrijver, die een bijzonder vriend van Leeuwenhoek moet geweest zijn.Deze correspondentie heeft Rabus in zijn „Boekzaal” bekend gemaakt; ze is de volgende:1. „Korte inhoud van een brief, geschreven uit Kolmar, behelzende een overzeldzame ziekte van eene vrouw, die rijpen (rupsen) uit haar regter oor loosde”, en brief van Leeuwenhoek aan den schrijver van de Boekzaal over de vorenstaande historie.2. „Uittreksel uit een brief van den grooten onderzoeker der Natuurgeheimen den Heere Antoni van Leeuwenhoek, geschreven aan den schrijver van de Boekzaal, waarin gehandeld wordt van de vis, Roch genaamd, deszelfs eijeren, bloedvaten enz.” Delft den 21 Mei 1695, (In de P. R. Boekzaal van Europa, Mei en Junij 1695, blz. 322).3. „Brief van den grooten natuur-beschouwer den Heere Antoni van Leeuwenhoek, geschreven aan P. Rabus, zoo als ze van woorde tot woorde luid (een vervolg van ’s Mans ontdekkingen, wegens het hoornvlies en d’ oogen van een Rombout (Korebout of Puistebijter); ontleding van ’t gemelde vlies. Beschouwing door ’t zelve. Uit hoevele schubachtige opeenleggende deelen het bestaat. Volmaaktheid van ’t oog. Reden waarom het vliegend dier[133]met zoo veel duizende gezigten voorzien is; Krabbe-, kreeften- en garnaals-oogen. Eijernesten der vorensgezeide Rombouten, Groot getal eijeren. Oorzaken waarom uit die eijeren niet meer voortgekomene dieren gezien worden. Besluit van de voortteelinge” in P. Rabus. Boekzaal, Nov. en Dec. 1694. blz. 511.4. „Brief van den Heere Antoni van Leeuwenhoek aan den schrijver van de Boekzaal (P. Rabus) gezonden, als een vervolg van zijn gevoelen over de historie van de vrouw van Kolmar, in de naast voorgaande twee maanden verhandeld en onderzogt. Bij Rabus, Boekzaal van Europa,” Julij en Aug, 1695, blz. 92; Sept. en Oct. blz. 258.5. „Brief van Antoni van Leeuwenhoek aan P. Rabus, waarin gehandeld word van den zoogenaamden Honigdauw. Wat de boeren en het algemeene volk daardoor verstaan. Waarneming van zeker glimpend vocht op lindebladen. Zoutdeelen in dezelve. Deze vocht in ’t oog als een olyachtige stoffe voorkomende, valt geenszins uit de lucht. Ze wordt uit de bladeren uitgestooten. Beschouwing van meer boomen en hare bladen, bijzonderlijk den Wijngaert. Bevestiging van het voorgestelde.Nog iets van de wigchelroede”; in P. Rabus, Boekzaal van Europa, Julij en Aug. 1696, blz. 144.6. „Uittreksel uit zekeren brief van den Heere Antoni van Leeuwenhoek, den vijfden van Grasmaand 1697 aan de Koninklijke Maatschappij te Londen geschreven, wegens den zeilsteen en het ijzer”, in Rabus, Boekzaal van Europa, Mei en Junij 1697, blz. 459.7. „P. Rabus, Brief aan den grooten uitvinder der Natuurgeheimen, den Heer Ant. van Leeuwenhoek”; in Boekzaal van Europa, 1693, blz. 159.8. „Uittreksel uit een brief van den Heere Antoni van Leeuwenhoek, geschreven aan den schrijver der Boekzaal. Over de vloo-teelt”; in Boekzaal van Europa, 1633, blz. 554.9. „Brief van den schrijver des Boekzaals aan Antoni van Leeuwenhoek afgevaardigt, over een zonderlinge historie van goud, zilver of andere bergstoffen, met een tweesprankelig takje van een boom te ontdekken”; in Boekzaal van Europa, Mei en Junij 1696, blz. 495 en Antwoord van Ant. van Leeuwenhoek, blz. 522.[134]Van deze brieven zijn No. 1, 2, 4, 7 en 9 niet in de verzameling zijner brieven te vinden, terwijl over den inhoud van No. 3 gehandeld wordt in het IIIde deel, 5de vervolg, 85ste brief, blz. 5; van No. 5 in het IIIde deel, 6de vervolg;104de brief, blz. 293 en IVde deel, 7de vervolg 109de brief;van No. 6, in het IVde deel, 7de vervolg, 108ste brief, blz. 3; van No. 8 in het IIde deel, 4de vervolg, 76ste brief, blz. 561.Men vindt nog bij van der Aa vermeld, dat de brieven van Leeuwenhoek in de „Giornale Litteratite Modena” zijn opgenomen.Ook zijn de Microscopische beschouwingen, vervat in de „Philos. Transact.”No. 3, pag. 51; No. 94, pag. 6037; No. 97, pag. 6116; No. 102, 106, 108, 117, 136, 143, door Leske in het Hoogduitsch overgezet en uitgegeven, 2 deelen in één band.Verder: „De generatione Hominis, liber Petri Gercke, Med. Dr. Chymiae, Theoriae, et Materiei Med. Profess. P. O. in Academia Julia Serenissimi Ducis Brunsvic. et Luneb. à consiliis Aulae et Archiatri ac Regiae Societatis Scientiarum Berol. Membri. Helmst. 1744.”Een uittreksel van Leeuwenhoek’s brieven verscheen achter „Cours de Physique, accompagné de plusieurs Pièces concernant la Physique, qui ont déja paru et d’un Extrait critique des Lettres de Mr. Leeuwenhoek, par feu Mr. Hartsoeker, A la Haye, 1730 4o.”’t welkaanwezig is op de Academische Bibliotheek te Leiden.Eene uitvoerige lijst van de brieven van Leeuwenhoek kan men ook vinden bij L. Theod. Gronovius,Bibliotheca Regni animali atque lapidi.L. B. 1760, pag. 159.Verder vermeldt Dr. Herman August Hagen in zijn „Bibliotheca entomologica,” Leipzig 1862, een 15tal brieven, allen van entomologischen inhoud.Prof. Louis Agassiz heeft de brieven van Zoölogischen inhoud van Leeuwenhoek opgenomen in zijn „Bibliographiazoologiae et geologiae,” London 1852.J. Victor Carus en Wilhelm Engelmann hebben dit gedaan in hun „Bibliotheca Zoölogica,” Leipzig 1861, voor een aanzienlijk aantal zijner brieven, die zij onder de desbetreffende rubrieken hebben vermeld.[135]Eindelijk volgt hier de korte inhoud van de acht manuscripten van Leeuwenhoek, die ik geraadpleegd heb, waarvan er twee berusten in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool, Cat. XVIII, Huygens, No. 26 en 30, en de overigen in de verzameling waren van Mr. L. C. Luzac, doch na diens overlijden verkocht zijn214, als: I. vijf aan Constantijn Huygens; II. twee aan Christiaan Huygens; III. een aan N. Oldenburg, Secretaris der Royal Society te Londen, terwijl er zich nog één eigenhandig geschreven brief van Christiaan Huygens aan Leeuwenhoek bij bevindt, waarbij gevoegd is een door Leeuwenhoek geschreven en uitgewerkte berekening, ten betooge, dat er meer dan tienmaal zoo veel levende dieren uit de hom van een cabeljau voortkomen als er menschen op de aarde leven. Dezelfde berekening wordt gevonden in een „postscriptum” onder een brief van Leeuwenhoek aan Nehemias Grew, Secretaris der Royal Society te Londen (28ste brief, blz. 14).Al deze brieven zijn geteekend Antoni Leeuwenhoeck, de voornaam met een lange i zonder „van” en met „ck.”De inhoud dezer manuscripten is de volgende:I. 1o. d.d. 5 April 1674: Over de globulen in melk, het haar, de nagels; de vorming van melk in de vrouwen-borsten uit bloed.2o. d.d. 24 April 1674: Over de bloedbolletjes; de beenderen; waaraan de witte kleur aan fijngestoten gekleurde stoffen is toe te schrijven; de bolletjes in de kuit van cabeljauw.3o. d.d. 7 November 1676: Over de diertjes in gekruide wateren, en in regen- en andere wateren, waarin hij zes verschillende diertjes beschrijft; de aaltjes in azijn; Leeuwenhoek bedankt in deze brief aan het slot, voor het aanbod van zijn zoon, Christiaan Huygens, om zijne observatiën in de Fransche taal over te zetten en ze in die taal wereldkundig te maken.4o. d.d. 26 December 1678: Opmerkingen over de door Christiaan Huygens waargenomen en afgebeelde diertjes in verschillende[136]wateren; over het zoogenaamde stof op de vleugels der kapellen en afbeelding dezer schoone schubjes.5o. d.d. 21 Mei 1679: Speculatien over de kleine vatjes en zenuwen in de kleine diertjes in het water enz.; calculatie omtrent de grootte dezer diertjes.II. 1o. d.d.15 Februarij 1677: Dankzegging voor de vertaling in het Fransch zijner observatiën.2od.d. 15 Mei 1679: Medegegeven aan zijn zusters zoon Antoni Molyn of du Molyn. (Zie mijn familieregister). Over de beweging der kleine diertjes met een lange staart. Aanbeveling aan Chr. Huygens om, vóór hij zijn „Dioptrica” uitgeeft, het boekje van Robert Hooke, „Lectures and collections” te lezen.III. d.d. 1 Junij 1674. Dankzegging voor ontvangen nommers der „Philosophical Transactions” en voor de aanmoediging van Boyle, om voort te gaan in het onderzoeken van de „bloeijende couleur”, die het bloed uit de aderen ondergaat, als het aan lucht is blootgesteld; observatie over het nederzakken der bloedbolletjes naar den bodem; over de wijze hoe hij bloed en melk in dunne glazen pijpjes observeert, en beschrijving en afbeelding dezer fijne haarbuisjes; over de drukking die de lichamen door de lucht ondervinden (hij zond er eenige der boven beschreven haarbuisjes om het bloed in waar te nemen bij); over de structuur van beenderen en tanden; over de lever; de hersenen en het ruggemerg eener koe; het vleesch en de dunne striempjes daarin; speeksel; de menschelijke opperhuid.IV. d.d. 6 Maart 1690. Minute van een brief van Christiaan Huygens aan Leeuwenhoek. Over eene verbeterde wijze om de glazen bol in te richten, ten einde de ronddraaiende beweging der aarde aan te toonen (zie bl. 66 en zesde vervolg 101ste brief, blz. 263).Verder handelt een eigenhandig geschreven brief van Leeuwenhoek aan den Heer L. van Velthuysen, in het bezit geweest van wijlen den Heer van Dam van Noordeloos te Rotterdam, van 11 Mei 1679: Over de figuur van een plant in zaaden te zien; de spiraalvaten in de zaden, het hout en andere deelen der planten; de schimmel op oud leder en hoe het gevormd wordt; over de witte vloed.[137]Later is mij nog door Dr.du Rieu bericht, dat door hem in een bundel nog niet op den catalogus gebrachte brieven, gevonden zijn vier brieven van Leeuwenhoek:1o. Een afschrift van een eigenhandigen brief van Leeuwenhoek, waarvan het oorspronkelijke berust bij den Heer Mazel, Oud-Secretaris-Generaal van Buitenlandsche Zaken te ’s Hage „Over de zoogenaamde zaaddiertjes”; de aaltjes in den azijn, waaromtrent Leeuwenhoek vermeldt, dat er 8á10 in een glazen pijp te zien waren, welk getal, na verloop van 3 maal 24 uren, tot meer dan 80 was vermenigvuldigd, en dat hij zich niet kan begrijpen hoe deze zonder voortteeling kunnen ontstaan. Dit bracht hij over op de vermenigvuldiging van de diertjes in het regenwater, waarbij het hem eveneens onbegrijpelijk is, hoe zij voortteelen. Hij verdiept zich verder in dezen brief over de vraag, waar het zaad van daan komt, waaruit de diertjes voortkomen, die in het sperma van menschen en dieren gevonden wordt.2o. De eigenhandige brief in Halbertsma’s dissertatie, pag. 70 vermeld als No. VIII der „Philos. Transact.”3o. De eigenhandige brief, eveneens in genoemde dissertatie op pag. 69 vermeld, en in het Engelsch vertaald te vinden in de „Philos. Transact.” Vol. XXIV, pag. 1614.Aan het hoofd van dezen brief teekent Prof. Halbertsma aan,dat deze geschreven is in een tijd, dat Leeuwenhoek boos was en in het Hollandsch althans niets uitgaf. Deze brief handelt over de cochenilje en bevat eene wederlegging van de bewering, dat deze stof geen diertjes zouden zijn. Hij haalt daarbij aan de verklaring van een ooggetuige, namelijk een oud Spanjaard van Jamaica, en beschrijft de wijze hoe deze op de bladeren en takjes van zeker gewas „prikle-pear”of Indische vijg, met dikke ronde bladeren en scherpe stekels voorzien, voortplanten, en hoe zij eindelijk door den rook van brandende stoffen gedood en verzameld worden op onder de planten uitgespreide kleeden enz. Deze bijzonderheden zegt Leeuwenhoek ontleend te hebben uit de „Philos. Transact.” van de maanden Maart, April, Mei en Juni 1691, waarvan hij zich eene vertaling had doen maken.4o. Twee eigenhandige brieven aan den dichter van verzen op zijn afbeeldsel gemaakt, namelijk H. K. Poot, terwijl het tweede[138]gedicht te vinden is vóór de „Sendbrieven” van Leeuwenhoek. Deze brieven zijn van 10 Mei 1716. Hij handelt daarin: „over de diertjes in het water,”en voegt er eene uitvoerige berekening bij van hunne grootte, terwijl de tweede handelt: „over de maagdepalm,”waarvan men beweerde, dat de bloem, die het droeg, geen zaad zou voortbrengen, welke bewering hij door zijne onderzoekingen logenstrafte.Deze aan Poot geschreven brieven waren bezegeld met een cachet, waarin het vrij goed bewaarde portret van Leeuwenhoek gegraveerd was, zooals blijkt uit de goede gelijkenis met het gegraveerde portret, uitgegeven bij zijn „Ontledingen en ontdekkingen.” Leiden 1686.Eindelijk werd mij nog niet lang geleden door Dr. du Rieu medegedeeld, dat door hem in den „Navorscher” van 1864, blz. 351, een afschrift is gevonden van een brief van Leeuwenhoek, d.d. 9 Febr. 1701, aan Frederik Adriaan van Rhede en handelende over verfstoffen en turfgraving.Ook van al deze brieven zijn mij, door de welwillende zorg van Dr. du Rieu, nauwkeurige afschriften toegezonden.De bronnen die ik bij de samenstelling dezer levensbeschrijving heb geraadpleegd, zijn, behalve de boven genoemde manuscripten, enz. de volgende:D. Hoogstraten, Algemeen woordenboek voor kunsten en wetenschappen, 1729.H. Baker, Nuttig gebruik van het Mikroskoop enz., uit het Engelsch door M. Houttuyn 1755.H. Baker, Het mikroskoop gemakkelijk gemaakt enz., uit het Engelsch door M. Houttuyn 1778.G. Stoll,Anleitung zur Historie der medicinischen Gelahrheit.1731.Z. C. von Uffenbach,Merkwürdige Reisen durch Nieder Sachsen, Holland, und Engelland, 1754.[139]A. v. Haller,Bibliotheca anatomica,Tom. I. 1774.G. van Loon, Beschrijving der Nederl. historiepenningen. Bd. III. 1723.Collot d’Escury, Holland’s Roem in kunsten en wetenschappen. Deel 7. 1844.G. Nieuwenhuis, Woordenboek van kunsten en wetenschappen. Deel 5. 1859.Isaac van Haastert, Antoni van Leeuwenhoek vereerend herdacht enz. 1823.Tijdschrift voor natuurlijke geschiedenis- en physiologie, uitgegeven door Prof. I. van der Hoeven, en W. H. de Vriese 1834. 1e deel, bevattende: Eene verhandeling van H. C. van Hall over Antony van Leeuwenhoek en zijne verdiensten voor de plantkunde.N. G. van Kampen, Beknopte geschiedenis der letteren en wetenschappen 2e deel.H. Halbertsma I. fil.,Dissertatio historico-medica inauguralis de Antonii Leeuwenhoekii meritis in quasdam partes anatomiae microscopiae 1843. Inhoud: De vita Leeuwenhoekii; de sanguine; de vasis et circulatione; de ossibus; de dentibus.F. Le Sueur Fleck, Dissertatie onder denzelfden titel 1843. Inhoud:De musculis; de lente crystallina.N. H. van Charante, Dissertatie onder denzelfden titel 1843. Inhoud:De nervis; de epidermide; de pilis; de materie ad dentes haerente.A. van der Boon Cs., Geschiedenis der ontdekkingen in de ontleedkunde van den mensch, gedaan in de Noordelijke Nederlanden, 1851.G. Cuvier,Histoire des sciences naturelles. Tom. 2. 1841.[140]P. Harting, Het mikroskoop, deszelfs gebruik, geschiedenis en tegenwoordigen toestand. 3e deel 1850.Émile Blanchard,Les premières observations au microscope, in „Revue des deux mondes 15 Juill. 1868.”Boitet, Beschrijving der stad Delft 1729.Birch,the History of the Royal Society of London 1757.Biographie Universelle etc. Paris 1819 T. XXIV.Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Academie van Wetenschappen, Afdeeling Natuurkunde, deel 13. 3e stuk. 1862, waarin eene verhandeling voorkomt van Prof. H. Halbertsma over Johan Ham van Arnhem.

„Zagt, myn Zangnimf, wil bedaaren!’t Is geen winter in ’t vernuft,Dat, na vijf en tachtig Jaaren,Altydt arbeydt onversuft.Hoe zou ’t winter weezen konnen,In het brein des grooten mans,Dat, door zoo veel glaaze zonnen,Staag met warmte, licht en glans,Wordt gekoestert en beschenen?” enz.Hij beschrijft dan verder in vloeiende regelen de verschillende[114]waarnemingen en ontdekkingen door hem in dier en plant met zijn microscoop gedaan, waardoor in het schijnbaar kleinste en nietigste schepsel de grootste wonderen worden ontdekt. Dit opmerkende, zegt hij, zal men:Aanstonts, vol verbaastheit zeggen,Dit’s gedaan door de eige handt,Die den bliksem maakte en donder,Die de hemelkringen slootWant het onbegrijplijk wonderIs zoowel in ’t kleyne als ’t groot.Ontbrak het Leeuwenhoek niet aan bewijzen, dat men zijne verdiensten waardeerde en op prijs stelde, zoo schijnt men die echter, wat ons land betreft, niet door bijzondere erkenning te hebben beloond; zoo men daaronder ten minste niet rekenen wil, de douceurs, die het bestuur van Delft, wegens het ten geschenke ontvangen van eenige zijner gedrukte brieven aan de „Royal Society” hem gegeven heeft. Men vindt namelijk in het „6de lopende memoriaal” van H.H. Burgemeester van Delft, de volgende aanteekening:„Den 4 April 1693, per cassa, aan Antony van Leeuwenhoek de somma van 36 gld., over de „presentatie” zijner brieven, zijnde: „Brieven, geschreven aan de Koninkl. Societeyt te Londen.””Voor het 5deen 6devervolg dier Brieven, ontving de groote natuurvorscher,respectievelijk30 en 24 gld. Dergelijke vereeringen of douceurs (zoo schreef mij Mr. Soutendam) waren toen zeer gebruikelijk. O. a. ontving ’s mans tijdgenoot Dr. Abrahamus Berkel, Rector der Latijnsche scholen,voor de „dedicatie” van: „Enchiridion Epicteti,” hetwelk hij met zijn noten heeft doen drukken en uitgeven, de som van 63 gld.Dat zoodanige erkenning echter, ten minsten later, al ware die geschied, in zijn smaak zou gevallen zijn, mag men uit enkele uitdrukkingen in zijn correspondentie betwijfelen. Leibnitz schijnt dit punt in eene briefwisseling met Leeuwenhoek te hebben aangeroerd; althans zegt hij, in een antwoord aan Leibnitz[115]d.d. 13 Maart 1716197. „Die geene die in onzen landen, om haar kennisse en wetenschappen, vergelding krygen, dat syn Heeren Professoren, Predicanten, en de Meesters in de Latynze schoolen, die soo veel Latyn konnen, dat ze de jonge luyden in die taal konnen onderwijsen. De groote hemelbeschouwer, wylen Christiaan Huygens, heeft mij verhaalt, dat sekere persoon in eene andere provinsie twee duysent guldens heeft bekomen, over syn dienst in ’t maken van tafels. Waar over de selve misnoegt was, seggende, men behoorde hem beter uyt het lant te bannen, als dat gelt te geven; want hy heeft eerlyke luyden beledigt. In ’t kort” zegt L. ten slotte „ik weyger giften om niet verpligt te syn.”Intusschen was men toch in het buitenland er op bedacht den ijverigen natuuronderzoeker geschenken aan te bieden, als blijken van de waardeering zijner werkzaamheden.Zoo vereerde hem de Landgraaf van Hessen-Cassel, op zijn reis door Holland, waarbij hij Leeuwenhoek in Delft bezocht en vele belangrijke zaken uit zijne verzameling bezichtigd had, uit erkentelijkheid, twee gedenkpenningen met diens beeltenis voorzien.Toen Leeuwenhoek den Landgraaf daarover zijn dankbaarheid in een brief betuigde, antwoordde deze hem, zoo als Leeuwenhoek dit in hetzelfde schrijven aan Leibnitz vermeldt198. „Uwe gift is grooter als de mijne.”Eene groote onderscheiding viel hem den 24sten Mei 1716 te beurt, van wege de Hoogeschool te Leuven. Hij was al sedert geruimen tijd met Antoni Cink, Narrez en Rega, Hoogleeraren in de Natuur- en Geneeskunde aldaar in correspondentie. Deze briefwisseling geschiedde veelal door tusschenkomst van Mr. Gerard van Loon, den bekenden schrijver der Nederlandsche Historiepenningen, en werd in de jaren 1713–1715 gevoerd.Deze Hoogleeraren, leden van het Collegie van „’t Wilde Swijn” te Leuven, voelden zich gedrongen aan Leeuwenhoek een schitterend blijk hunner achting en warme belangstelling[116]aan te bieden. Op hun last namelijk werd een zilveren gedenkpenning vervaardigd, die op de voorzijde het borstbeeld van Leeuwenhoek vertoonde, met het omschrift: „Antonius Leeuwenhoek Regiae Societatis angliae membrum.”Gedenkpenning.Op de andere zijde ziet men in het verschiet de stad Delft, en op den voorgrond een bijen-korf, met eenige daarom rondvliegende[117]bijen, benevens eene bloeiende plant, terwijl de spreuk uit Virgilius er op voorkomt (Georgia IV. v. 6.)In tenui labor, at tenuis non gloria199.Gerard van Loon werd persoonlijk belast hem dit eereblijk, met een begeleidend, vereerend schrijven, op plechtige wijze te overhandigen. Leeuwenhoek betuigde in een brief aan genoemde Professoren zijn grooten dank, ook voor het Latijnsch lofdicht, dat bij wijze van opdracht er aan was toegevoegd. Van dit gedicht zegt hij, dat het was: „Vol van vloeijende aardigheden”.Als een bewijs hoe gevoelig Leeuwenhoek was wegens de groote eer hem aangedaan, diene hetgeen hij laat volgen: „En als ik gedenk aan de loftuytingen, die in UEd. brief, ende in het lofdigt, werden gemelt, soo werde ik niet alleen schaamroot, maar myn oogen tranen meermalen; te meer omdat myn arbeyt, dien ik veel jaren agter een gedaan hebbe, niet is geweest om den lof dien ik nu geniet, daardoor te behalen, maar meest uyt een drift van weetgierigheyt, die in my meer woont, gelijk ik merk, dan in veel andere menschen.” (Het blijkt uit een brief aan Leeuwenhoek, d.d. 22 Juni 1716, dat dit gedicht was vervaardigd door J. G. Kerkherdere „synen Keyserlyke en Koninglyke Majesteits-Historicus.”) In dezen brief geeft hij nogmaals lucht aan zijn dankbaar gevoel, in bewoordingen, die als eene bijdrage te meer mogen gelden van de waardeering van Leeuwenhoek’s karakter. Hij drukt zich aldus uit: „.… ende dat ingesien hebbende, stond ik verbaast, met ontsteltenisse van myn ligchaam, over de menigvuldige uitdruksels van hooge agtinge, die UE. Hooggeleerde ende wydvermaarde Heere, in uw noyt volpresen vers komt te doen. Ik ken immers my selven tot soo verre, dat ik op het honderste deel niet waardig ben de uytdrukselen, die gy over myn geringen arbeyt komt te doen: want die komt alleen voort uyt een neyginge, die ik hebbe om de beginselen van de geschapene saaken te ondersoeken, tot soo verre als het my mogelyk was.”[118]De dichter Poot maakte op dezen gedenkpenning het volgende bijschrift:De Rotte duik’ daer de oven,Erasmus in metael verkeert,Wij loven ’t kunstig Loven (Leuven)Dat d’ eer van Delf met zilver eert.’t Zent Leeuwenhoek naar ’t leven,Aan Leeuwenhoek, door munt herteelt,Wat kon men grooter geven?Dees helt verdient een zinnebeelt.Doch wort de magt niet kranker,Zoo glinstert hy van gout op ’t lest;Maar ’t zilver is vry blanker,En dat gelykt zyn inborst best.Dus pryst de School ’s mans grysheit,De wysheit kroont de wijsheit!De grootste eer nogtans, waarop Leeuwenhoek zelf den hoogsten prijs stelde en waarop hij met verschoonbare verheffing dikwijls roemde, was zijne benoeming tot „Lid der Royal Society te Londen.” Deze onderscheiding viel hem te beurt toen hij nog in de kracht van zijn leven was, namelijk op 46jarigen leeftijd. Ik spreek er het laatst van omdat ik de bijzonderheden, die deze benoeming voorafgingen en vergezelden, eenigszins uitvoeriger wilde mededeelen; daarbij heb ik gebruik gemaakt van de aanteekeningen, die men bij Birch, „the History of the Royal Society of London,” 1757, vol. IV vindt, omtrent het verhandelde in de vergaderingen van dit geleerd genootschap, welke aanteekeningen men als het Notulenboek der Sociëteit kan aanmerken.Nadat Leeuwenhoek, sedert zijn eerste aanraking met dit geleerd genootschap in 1673, in eene immer levendiger correspondentie was getreden en hij zijne onderzoekingen, over onderscheiden onderwerpen, voornamelijk die van de bloedlichaampjes en de circulatie van het bloed had bestudeerd, waarvan de resultaten zoo belangrijk waren voor de physiologie en hij kort daarna de niet minder belangrijke ontdekking deed van de infusoria, welke ontdekkingen wij boven gezien hebben, dat[119]zoo zeer de verbazing en bewondering van de leden der „Royal Society” hadden opgewekt, had zijne benoeming tot Lid van dit Collegie in de vergadering van 29 Januari 1680 plaats200. Birch teekende van dit besluit der vergadering het volgende aan: „Dr. Heusch, Mr. Firmin,Mr. Houghton worden gekozen;evenzoo ook Mr. Leeuwenhoek, op voorstel van Dr. Croune.”In dezelfde vergadering werd aan Dr. Gale, Secretaris van het Collegie, opgedragen, om een diploma voor hem gereed te maken. Aan genoemden geleerde werd in de vergadering van 12 Februari201, gevraagd of het diploma reeds gereed was en bevolen dat het zegel der Sociëteit er aan gehecht zou worden. Men schijnt Leeuwenhoek echter nog eene extra onderscheiding waardig gekeurd te hebben, zoo als ik dit bij geen der benoemingen in dit Collegie bij Birch vermeld gevonden heb, namelijk: „er werd bevolen dat er tevens een zilveren doos voor moest gemaakt worden, waarin dit diploma zou worden besloten, en op welke doos de „wapens der Sociëteit” zouden worden gegraveerd202.”In de vergadering van den 23sten Februari werd de vervaardiging daarvan aan zekeren Mr. Hunt opgedragen. Het diploma werd vervolgens, toen alles gereed was, met een begeleidend schrijven, namens de Sociëteit, door den Engelschen[120]gezant bij de Hollandsche regeering aan Leeuwenhoek overhandigd203.Zoo was dan het ideaal van den grooten natuuronderzoeker verwezenlijkt en zijn vurigste wensch vervuld. Voortaan zal hij medegerekend worden onder deillustereleden van het hoogste wetenschappelijk collegie van Europa, dat, hoewel reeds in 1645 opgericht, ten tijde van Leeuwenhoek nog slechts kort geleden op vaste grondslagen was gevestigd en deberoemdstegeleerden der beschaafde wereld van dien tijd in zijn gelederen telde204.[121]Dat hij niet naliet, zoo spoedig doenlijk zijne dankbaarheid voor de ontvangen onderscheiding kenbaar te maken, zal wel geen verwondering baren. Reeds in de vergadering van den 13den Maart 1680 rapporteerde Robert Hooke, dat hij drie brieven van Leeuwenhoek ontvangen had, waarvan de eerste betuigingen bevatte van zijn warmen dank aan den President en de leden der Sociëteit, voor de eer hem aangedaan. De tweede brief behelsde het bericht van ontvangst van het diploma en vernieuwde betuigingen van zijn dank, en tevens de verzekering van zijn voortdurenden ijver om de Sociëteit te dienen, zoo veel hij kon en dat hij dit zou blijven doen, zoo lang hij leefde; terwijl de derde weder eenige waarnemingen van hem behelsde.En Leeuwenhoek heeft woord gehouden. Niet alleen, dat hij, zoo als ik boven aanstipte, tot op 85jarigen leeftijd in geregelde briefwisseling met de Sociëteit verkeerde, toen hij (20 November 1717) zoo het scheen voor goed afscheid er van nam, maar het blijkt ook uit hetgeen ik in de „Philosophical Transactions” van na den bovengenoemden datum, tot op het jaar 1723, zijn sterfjaar, gevonden heb, dat zijn werkzame geest zich geen rust gunde, vooral daar zijn verstand en oog ook nog in dat tijdsverloop helder bleef, hoewel zijne handen „swak werden, ende een weynig bevinge ondervonden” zoo als hij zich in dien brief uitdrukte.In het 31ste en 32ste deel namelijk der „Transactions” worden nog een achttal brieven gevonden van de jaren 1720 tot 1723 (waaruit blijkt, dat hij dus gedurende een halve eeuw met de „Royal Society” briefwisseling gevoerd heeft), terwijl hij nog op zijn sterfbed aan zijn vriend Johannes Hoogvliet205opdroeg, twee brieven, die hij in den laatsten tijd geschreven had, in het Latijn te vertalen en in zijn naam aan de Sociëteit toe te zenden.[122]De treffende bijzonderheden van deze laatste opdracht mag ik niet achterhouden; ze zijn ons bewaard gebleven in het 32ste deel der „Philosophical Transactions”, pag. 435, waarin bericht wordt „dat een brief ontvangen is van Johannes Hoogvliet, d.d. 1 September 1723, aan den Secretaris der „Royal Society” Jacobus Jurin, overleggende twee brieven, die op verzoek van den stervenden Leeuwenhoek werden toegezonden.” Deze missive van Hoogvliet was van den volgenden inhoud en in ’t Latijn geschreven:„Onze eerwaardige grijsaard Leeuwenhoek liet mij, toen hij reeds met den dood kampte, maar desniettemin nog aan zijn geliefde studie dacht, tot zich roepen en vroeg, mij met reeds half gebroken oogen aanstarende en in afgebroken woorden, of ik deze beide brieven in het Latijn wilde overzetten en aan u, zeer geleerde Heer toezenden. Daar ik het verzoek van zulk een man, zoo als ik dat reeds sedert eenige jaren gewoon was, niet kon weigeren, zoo zend ik u, zeer geleerde Heer, het laatst geschenk van mijnen stervenden vriend, hopende dat deze zijne laatste werkzaamheden u aangenaam zullen zijn.”De inhoud dezer twee brieven was:1o.Over de globulen in het bloed en in den moer van den wijn.2o.Over de voortteeling der dieren en over de klopping van het middenrif.Uit den inhoud dezer twee brieven ziet men, dat de twee belangrijkste onderwerpen, die zoo zeer bijgedragen hadden om zijn naam onsterfelijk te maken en waaraan hij schier zijn geheele leven gewijd had, hem zelfs op zijn sterfbed voor den geest zweefden en tot op het laatst zijns levens het gewichtig onderwerp zijner onderzoekingen uitmaakten.Men meene echter niet dat zijn eenigste gedachten op de stoffelijke dingen der aarde gevestigd waren, zoodat hij zelfs met den dood voor oogen zijn geest daarmede uitsluitend zou hebben bezig gehouden. Neen, wij kunnen uit onderscheidene plaatsen in zijne brieven zien, dat een innig godvruchtige geest in hem woonde en hij in alles wat hij verwonderlijks zag en opmerkte Gods grootheid en almacht roemde. Hoor onder anderen wat[123]hij zegt in een brief aan Nicolaas Witsen206, „Want wy en konnen den Heere en maker van het geheel-Al, niet meer verheerlyken, als dat wy in alle zaken, hoe klein die ook in onse bloote oogen mogen zijn, als ze maar leven en wasdom hebben ontfangen, zyn Al-wysheit en volmaaktheit, met de uiterste verwondering sien uitsteken.”Of zijn ontboezeming in een brief aan Frederik Adriaan207over het ontstaan van de oneindig kleine diertjes. „O diepte der Wysheyt, hoe ondoorgrondelijk zyn uwe werken, zullender nu nog menschen gevonden werden, die seggen datter geen God is?”Ik zou deze voorbeelden nog met een aantal anderen kunnen vermeerderen, doch het aangevoerde zal, vertrouw ik, voldoende zijn om zijn vromen geest te kenschetsen.Nadat de eerbiedwaardige grijsaard deze zijne laatste beschikkingen gemaakt had, kon hij gerust het hoofd nederleggen, omringd door zijne geliefde dochter, betrekkingen en trouwe vrienden, en met recht kan van hem gezegd worden, dat hij gewerkt had, zoo lang het voor hem dag was.Leeuwenhoek overleed den 26sten Augustus 1723 en had alzoo den ouderdom van bijna 91 jaren bereikt, waarvan hij er met zekerheid meer dan 60 onafgebroken aan zijne geliefkoosde natuurstudiën had gewijd.Hij werd in de St. Hippolitus- of Oude Kerk te Delft begraven, alwaar een gedenkteeken nog in goed onderhouden toestand gevonden wordt, dat zijne dochter Maria, 17 jaren na het overlijden van haren vader, ter zijner nagedachtenis en eere heeft doen oprichten. Dit gedenkteeken bestaat uit een spits toeloopende naald van hardsteen, door eene vaas gedekt, al waar in het bovengedeelte de buste van Leeuwenhoek in wit marmer is aangebracht, en waaronder men de volgende inscriptie leest:„Piae et aet. (ernae) Memor. (iae) Antonii a Leeuwenhoek, reg. (iae) angl. (icae) Societ. (atis) membr. (o), qui naturae penetralia et physices arcana microscopiis ab ipso[124]inventis et mirabili arte fabricatis assiduo studio et perscrutatione detegendo et idiomate belgico describendo de toto terrarum orbe optime meruit.”Nat. Delphi XXIV Oct. An. MVICXXXII.Ibique denat. XXVI Aug. An. MVIICXXIII.Onder den breed uitloopenden voet der grafnaald, welke op vier bollen rust, in het midden waarvan een wit marmeren doodshoofd op kruiselings gelegde doodsbeenderen, leest men de volgende inscriptie:„Patri charissimo hoc monumentum filia Maria”A. Leeuwenhoek Moerens P. (osuit).Het geheele monument is omgeven door een sierlijk bewerkt ijzeren hek, terwijl vóór dit hek zich het familiegraf bevindt, gedekt door eene zware zerk, waarop het volgende opschrift is uitgehouwen:„Hier rust Antony van Leeuwenhoek, oudste lid van de Koninklyke Sosyteyt in Londe, gebooren binnen de Stadt Delft op den 24sten October 1632 en overleden op den 26sten Augustus 1723, out synde 90 jaren 10 maanden en 2 dagen.„Heeft elk, o wandelaar, alomOntzagh voor hoogen ouderdomEn wonderbare gaven,Zoo zet eerbiedigh hier uw stap:Hier legt de grijse wetenschapIn Leeuwenhoek begraven”208.En eindelijk is, geheel aan het onderste gedeelte der zerk nog uitgehouwen:„en Maria van Leeuwenhoek desselfs dogter, geboren te Delft den 22sten September 1656 en overleden den 25sten April 1745.”Verder is op de zerk uitmuntend uitgehouwen een schoon[125]bewerkte vliegende arend, met den kop hemelwaarts gericht, terwijl hij met de klauwen een schild vastklemt, waarop zijn familiewapen209zal gegrift geweest zijn, doch dat er in den Franschen tijd is uitgehouwen, zoo als dit met al de wapenschilden in ons land, op oude monumenten, waar deze vroeger bestonden, het geval is geweest. Het is een schild van goud, beladen met een klimmenden leeuw van azuur, getongd en geklauwd van keel. Het schild gedekt door eenschuinstaanden helm, waarop als helmteeken een vogelvlucht van goud en azuur, gedekt met helmdekken van goud en azuur. Onderaan ligt eene sphynx; dezelfde figuur, die ook voorkomt op de allegorische titelplaat voor het eerste deel van de brieven van Leeuwenhoek, en waarvan de beteekenis is, volgens de uitlegging van deze titelplaat door den dichter T. van der Wilt:„Scherpzinnigheid, waarmede’t Verborge wert ontdekt, en ’t duistere verklaart”…De dichter Poot maakte nog een ander gedicht „ter eeuwige gedachtenisse” van zijn vriend Leeuwenhoek, waarvan de laatste regelen dus luiden:„O Leeuwenhoek, zoo blank van hart als hair,Ter quader uur door ’t straffe lot bemagtigt,Ziet uit uw graf, zie eens na hondert jaer,Hoe door de faem uw glori wort bekrachtigt.Wy zullen, als de lente weligh bloeit,En ’t kille sneeu komt op ’t gebergt ontdoien,Uw stil vertrek, uw rustplaets onvermoeit,Met geurigh loof en versch gebloemt bestroien,Terwyl zult ge u vermaken in den reiDer zaligen, daer andre starren lichten.Vergeef my nu, dat ik weemoedighschrei’k Zal in myn ziel voor u een eerzuil stichten.—En gy, die hier uws Vaders lyk betreurt,Marye, eilaas! hoe schynt het heil verdweenen!Bewys uw rou: ’t valt schaers een kint te beurt,Zoo groot een’ Helt en Vader te beweenen.”[126]Zoo als uit al het bovenvermelde blijkt, zijn de bijzonderheden omtrent de waarnemingen van Leeuwenhoek alle ontleend aan brieven door hem aan de „Royal Society” te Londen en aan particulieren geschreven en beslaan dus ook zijne geschriften uit eene verzameling dezer brieven, die allen op verschillende tijden, aanvankelijk ieder afzonderlijk of enkelen te samen, schijnen gedrukt en uitgegeven te zijn, blijkens de pagineering, die in het eerste deel niet doorloopend is, maar voor iederen brief afzonderlijk, en ook door de verschillende titels, waaronder zij bij onderscheidene boekverkoopers te Delft en te Leiden zijn gedrukt en uitgegeven.Er bestaan van deze zelfde brieven twee uitgaven, namelijk de Hollandsche en de Latijnsche; beiden in vijf 4odeelen, waarvan het vijfde deel de zoogenaamde „Sendbrieven” bevat.De Hollandsche verzameling, die in mijn bezit is, dateert van 1685–1718. Daarin zijn de brieven van Leeuwenhoek opgenomen, deels onder den titel van „Ontleedingen en Ontdekkingen” enz., deels onder dien van „Ondervindingen en Beschouwingen” enz., deels onder dien van „Vervolg der brieven”, waarvan er zeven zijn.Deel I vangt aan met den 28sten brief en loopt tot no. 52, bevattende de brieven van de jaren 1679 tot 1686, terwijl daarin ook het Eerste Vervolg van no. 53 tot 60, loopende van April 1687 tot November van dat zelfde jaar gevonden worden.Deel II bevat het Tweede tot Vierde Vervolg van no. 61 tot no. 83, loopende van 1688 tot 1694.Deel III bevat het Vijfde en Zesde Vervolg van no. 84 tot no. 107, loopende van 1694 tot 1696.Deel IV bevat het Zevende Vervolg van no. 108 tot no. 146, loopende van 1697 tot 1702.Deel V eindelijk bevat de „Sendbrieven” vervat in 46 brieven, loopende van 1712 tot 1716. Na aftrek dus van de 28 niet uitgegevene zijn er in deze verzameling in het geheel 165 brieven opgenomen.De reden waarom deze brieven eerst met den 28sten aanvangen schijnt niet met zekerheid bekend te zijn. De drukker van de brieven, die in het eerste deel voorkomen, zegt aan het begin[127]van het „Register” op den 28sten tot den 52sten brief: „De voorgaande 27 brieven by den Auteur geschreven, en heeft hij tot noch toe niet konnen resolveren, die met den druk gemeen te maken; dus hier de 28ste Brief de eerste is die gedrukt is.”Van Haastert210oppert het vermoeden, als of hij den inhoud dezer 26 brieven uit kieschheid niet geschikt voor de publiciteit zou gekeurd hebben, doelende op een postscriptum onder een brief van Leeuwenhoek, handelende over de zaaddiertjes, waar hij zegt:„Ik heb nog eenige afzonderlijke waarnemingen over de vrouwen en de bevrugting enz., doch ik houde die terug om geen aanstoot te geven.”En in een anderen brief aan Petrus Rabus211, „Myne stellingen omtrent de versamelinge, bevrugtwerdinge en voorttelinge van onze vrouwen enz., hebbe ik sedert dat ze UE. onlangs tot mijnent gelezen had, nog aan een zeer geleerd en voornaam Heer laten zien en daarby gezeid, dat UE. my hadde aangeboden om het in ’t Latyn over te zetten, en in die taal wereltkundig te maken. Doch die Heer is, nevens my, van gevoelen, dat wy zulks best mogten laten; eensdeels enz.… en ten anderen, uit vreze dat de werelt, die dog boos en bot genoeg is, de Natuerkennis tot haar verderf mogt gebruiken en meer en meer in ongebondenheid uitspatten.”Ik kan mij echter met deze opgegeven reden niet vereenigen, dewijl ik in de brieven, die ik van Leeuwenhoek in de „Philosophical Transactions”aan de „Royal Society” van vóór 1679 geschreven, gevonden heb, die een zestiental bedragen, er slechts eene gevonden heb die over de spermatozoïden handelt.Het is zeker te verwonderen, dat juist de brieven van 1673, waarin hij zijn eerste brief aan bovengenoemd Collegie schreef, tot 1679, waarin de 28ste of eerste brief der Verzameling is geschreven, in deze verzameling gemist worden. Deze toch vertegenwoordigen een tijdvak, waarin zijne waarnemingen, zoo zeer de[128]bewondering en verbazing van de leden der „Royal Society” opwekten, dat daardoor niet alleen de aandacht op hem gevestigd werd, maar hem de hooge onderscheiding werd waardig gekeurd als Lid van dat beroemd genootschap te worden aangenomen en dat onder omstandigheden zoo vereerend voor hem als wellicht zelden aan een ander zijn te beurt gevallen. Zijne in het IXde, Xde en XIde deel der „Philosophical Transactions” opgenomene brieven hebben betrekking op zijne microscopische onderzoekingen van „bloed, melk, beenderen, de hersens, het haar, het kristallynvocht, de gezichtszenuw, de textuur van het hout, de kleine diertjes in regen-, wel-, zee-, ensneeuwwater, alsmede in water, waarin men peper had laten trekken; de structuur der tanden, beenderen, ivoor.”Ik vermoed eer dat Leeuwenhoek geen afschriften van deze eerste brieven zal gehouden hebben, zoo als hij dit van de anderen deed en mij uit enkele perioden in sommige zijner brieven gebleken is, en hij daarom buiten de gelegenheid was, toen men bij hem op de uitgave zijner brieven begon aan te dringen, daaraan, wat deze 27 eerste betreft, gevolg te geven. Dat Leeuwenhoek aanvankelijk tot die uitgave niet uit eigen beweging, maar op aandrang van anderen is overgegaan, blijkt uit een brief van zijn eersten uitgever Daniel van Gaesbeek te Leiden van 1 Januari 1684, bij wijze van opdracht voor het eerste deel geplaatst, waarin hij dus aanvangt: „Als alle de werelt seer verwondert sprak, van de uitvindinge tot beschouwinge der onsienelyke verborgenheidswaarheden, door UE. opgelost; ende dat veele boeken in andere landen en taalen daar af gewaagden, brande myn lust, om meede een oog-getuige daar in te zijn; soo heeft my den geleerden Medicyn-meester de Heer Cornelis van ’s Gravesande, Raad en Scheepen der stad Delft, bij UE. geleid: waar ik door UE. konstige en niet min loflyke uitvindinge, die verwonderlyke verborgentheden Gods, door UE. beleefde goeddadigheid komende te beschouwen, soo bevond ik, dat de vreemde boeken die daar af door de wereld sweeven, in den zin, afteekening en waardigheid niet weinig verschilden, en ook dat onse eige ingeboorne landsaten in haar taal niet kosten genieten die wetenschappen, die reeds eenige naburige volkeren in haar eygen[129]taal en sprake waren bekend geworden. Derhalve niet rustende, ofte ik had bekoomen yets van ’t gene UE. selfs de weerelt meede gedeelt had, so wierden my ter hand besteld (door een Heer, die ik en de wereld daar voor moet danken) deese UE. nevensgaande brieven, by UE. „meede Broeders van dat Hoogloflijke Collegie des Koninklijke Sociëteits in Engeland”. Deese (waarin soo bysondere wonderheden waren aan te schouwen) dagten my te waardig, om niet aan alle onse Landsgenooten in haar eigen taal (door hulp van den voornoemden Heer, en myn druk-pers, mitsgaders de konstige hand des plaat-snyders, Abraham de Blois te Delft) sigtbaar voor te stellen, als zijnde een grondsteen, waar op alle wijsgeerige en doordringende verstanden voort bouwen en haare wetenschappen verder verklaren. Soo leg ik deese myne daad en sorge wederom voor UE. neder; in hoope, dat dit myn stout bestaan by UE. over ’t hoofd gesien, ende ten besten geduid sal werden; dat ook UE. deese uwe eerstelingen (die dan een Engels, dan een Frans, en dan wederom een Oud-Rooms hulsel syn opgeset en daardoor veel van haar eygen wesen en luyster hebben verloren, en nu eerst het ligt in haar eygen vaderland komen te aanschouwen) niet en sult afwijsen; maar als UE. eygene vrugten en maaksels uwes verstands erkennen en aannemen; ende daardoor nog meer en meer bewogen werden, omme niet alleen UE. verdere ondervindingen,maar ook die gene, die UE. (zoo ik onderrigt ben) omtrent thien jaren herwaards aan het Hoogloffelijk Collegie in Engeland heb opgedist, tot voldoeninge van onse ingesetene wijsgeerders meede te deelen, en dien kostelijken schat onse ingeboorne niet langer te onthouden, waartoe ik hoope God de Heere UE. ondersoekingen meerder en altoos sal zeegenen”.Deze laatste periode doelt blijkbaar op de eerste 27 brieven, die Leeuwenhoek aan de „Royal Society” geschreven had.Nog op eene andere gaping in de bekendmaking zijner brieven in de Hollandsche en Latijnsche verzameling wil ik wijzen.De laatste brief namelijk van het „Zevende vervolg” (DeelIV) eindigt met den 146sten brief, gedateerd 10 April 1702, terwijl de eerste der 46 „Sendbrieven” de dagteekening draagt van 8[130]November 1712. Er is dus weder een tijdvak van 10 jaren, waarin geen brieven van Leeuwenhoek in onze taal of in het Latijn afzonderlijk zijn gedrukt. Mogelijk zijn het deze brieven, waarop gedoeld wordt aan het slot van den Catalogus der verkooping der microscopen in de volgende noot: „N.B. In den boedel van wijle Jufvrouw Maria van Leeuwenhoek zijn gevonden eenige nagelaten manuscripten of brieven van haar vader, den Heer Antoni van Leeuwenhoek, dewelke door Z.E. in deszelfs leven geschreven en in eene nette en goede orde geschikt zijn, om als een vervolg op zijne voorgaande uitgegeven brieven gedrukt te kunnen worden;allede Platen daartoe behoorende, zijn daarbij en reeds in ’t koper gegraveert, zoo als de Latijnsche vertaling van voorzeide brieven. Iemand genegen zijnde dit werk te laten drukken, kan zich addresseren aan de Executeurs van de voorz. boedel.” Wat er van die brieven geworden is ben ik niet te weten kunnen komen.Eene andere verklaring, die mij, in verband met het boven vermelde, niet onwaarschijnlijk voorkomt, vond ik in hetgeen zijne dochter aan von Uffenbach, tijdens zijn bezoek aan Leeuwenhoek mededeelde. „Sie erzählte uns,” zegt hij, „dass ihr Vater seit einigen Jahren viel neues durch seine Microscopia entdekt hätte, er wolte aber in seinen leben nichts mehr von seinen Observationen herausgeben, weil ihne einiger Schimpf, vermuthlich in Schriften, wiederfahren, da man sich über seine sonderliche Meinungen in seinen Schriften hin und wieder spottisch aufgehalten, und ihm schuld gegeben, er habe mehr durch seine Einbildung gesehen, als durch seine Gläser.”212Dit bezoek nu had juist plaats in 1710, en de door zijne dochter bedoelde „nieuwe waarnemingen” kunnen dus zeer goed slaan op die, welke hij sedert 1702 ondernomen en aan de Royal Society had medegedeeld. Ik heb deze brieven in de „Philosophical Transactions” van de jaren 1702–1712, deel XXIII–XXVII, gevonden, de volgende waarnemingen worden er in vermeld: „Over het groen kroos in het water groeiende, en eenige diertjes daarin gevonden; de zaden van verschillende Oost-Indische planten;[131]den kinabast; het beslag der tong bij koortsen; de bloedvaten; de circulatie van het bloed bij de visschen; candysuiker; de zaadvaten;spiervezels en bloed van den walvisch; de huid van den olifant; de voortteeling der mossels; de milt; roodkoraal; samenstelling van diamanten.”Eindelijk heb ik nog, na de laatste der „Sendbrieven” d.d. 20 Nov. 1717, waar hij, om zijne hooge jaren, afscheid neemt van de Royal Society, in het XXXIste en XXXIIste deel der „Transactions” een achttal brieven gevonden, van de jaren 1720 tot 1723, hetzelfde jaar, waarin hij gestorven is, handelende: „Over beenderen; het middenrif; de spiervezels der visschen; de vaten in sommige soorten van hout, en over spiervezels in verschillende dieren; de membranen die de vaatbundels omsluiten, waarin een spier verdeeld is; de spiraalvaten van de bladeren; het wollige bekleedsel der persikken en kweeappels;” waarbij eindelijk nog gevoegd moeten worden de beide brieven, die Leeuwenhoek op zijn sterfbed aan zijn vriend Johannes Hoogvlied verzocht in het Latijn over te zetten en aan de Royal Society toe te zenden, welke brieven ik reeds uitvoeriger besproken heb.De Latijnsche verzameling bestaat eveneens uit vijf deelen in 4o. onder de volgende titels:Deel I onder dien van: „Anatomia et contemplatio nonnullorum naturae invisibilium secretorum, comprehensorum Epistolis quibusdam scriptis” etc. Lugd. Bat. 1685.Deel II: „Epistolae ad Societatem Regiam Londinensium et alios viros illustros datur.” Lugd. Bat. 1689.Deel III:„Anatomia, hoc de interioribus rerum, cum animatarum, tum inanimatarum, ope et beneficio exquisitissimorum microscopiorum detectis.” Lugd. Bat. 1689.Deel IV: „Arcana naturae ope microscopiorum detecta.”Delphi 1695–1697.Deel V: „Epistolae physiologicae super compluribus naturae arcanis, hactenus nunquam editae,” Delphi 1709.Later heeft men ze nog gezamenlijk uitgegeven onder den titel: „Opera omnia seu Arcana naturae ope exactissimorum microscopiorum detecta;” doch men heeft er een nieuw titelblad voor geplaatst met de jaartallen 1715–1722.[132]A. J. van der Aa213vermeldt eveneens de bovengenoemde Hollandsche en Latijnsche uitgaven in vijf deelen, waarin de brieven van Leeuwenhoek zijn vervat, en bevestigt, door de vermelding der afzonderlijke titels, waaronder zij zijn uitgekomen, dat enkele dezer brieven bij een-, twee-, drie- en meertallen te samen afzonderlijk zijn uitgegeven en, zoo als ik boven opmerkte, betrekking hebben op de 52 eerste brieven, altijd daarvan afgetrokken de 27 eerste niet gedrukte, terwijl hij zoowel van de Hollandsche als de Latijnsche uitgave de geheele uitvoerige titels mededeelt. Men vindt verder nog bij van der Aa zijne correspondentie met Petrus Rabus, de uitgever van de „Boekzaal van Europa,” welk tijdschrift tot op onzen tijd onder den naam van „Boekzaal der geleerde wereld” is bekend gebleven.In de Hollandsche en Latijnsche verzamelingen zijner brieven vindt men er echter slechts één aan genoemden schrijver, die een bijzonder vriend van Leeuwenhoek moet geweest zijn.Deze correspondentie heeft Rabus in zijn „Boekzaal” bekend gemaakt; ze is de volgende:1. „Korte inhoud van een brief, geschreven uit Kolmar, behelzende een overzeldzame ziekte van eene vrouw, die rijpen (rupsen) uit haar regter oor loosde”, en brief van Leeuwenhoek aan den schrijver van de Boekzaal over de vorenstaande historie.2. „Uittreksel uit een brief van den grooten onderzoeker der Natuurgeheimen den Heere Antoni van Leeuwenhoek, geschreven aan den schrijver van de Boekzaal, waarin gehandeld wordt van de vis, Roch genaamd, deszelfs eijeren, bloedvaten enz.” Delft den 21 Mei 1695, (In de P. R. Boekzaal van Europa, Mei en Junij 1695, blz. 322).3. „Brief van den grooten natuur-beschouwer den Heere Antoni van Leeuwenhoek, geschreven aan P. Rabus, zoo als ze van woorde tot woorde luid (een vervolg van ’s Mans ontdekkingen, wegens het hoornvlies en d’ oogen van een Rombout (Korebout of Puistebijter); ontleding van ’t gemelde vlies. Beschouwing door ’t zelve. Uit hoevele schubachtige opeenleggende deelen het bestaat. Volmaaktheid van ’t oog. Reden waarom het vliegend dier[133]met zoo veel duizende gezigten voorzien is; Krabbe-, kreeften- en garnaals-oogen. Eijernesten der vorensgezeide Rombouten, Groot getal eijeren. Oorzaken waarom uit die eijeren niet meer voortgekomene dieren gezien worden. Besluit van de voortteelinge” in P. Rabus. Boekzaal, Nov. en Dec. 1694. blz. 511.4. „Brief van den Heere Antoni van Leeuwenhoek aan den schrijver van de Boekzaal (P. Rabus) gezonden, als een vervolg van zijn gevoelen over de historie van de vrouw van Kolmar, in de naast voorgaande twee maanden verhandeld en onderzogt. Bij Rabus, Boekzaal van Europa,” Julij en Aug, 1695, blz. 92; Sept. en Oct. blz. 258.5. „Brief van Antoni van Leeuwenhoek aan P. Rabus, waarin gehandeld word van den zoogenaamden Honigdauw. Wat de boeren en het algemeene volk daardoor verstaan. Waarneming van zeker glimpend vocht op lindebladen. Zoutdeelen in dezelve. Deze vocht in ’t oog als een olyachtige stoffe voorkomende, valt geenszins uit de lucht. Ze wordt uit de bladeren uitgestooten. Beschouwing van meer boomen en hare bladen, bijzonderlijk den Wijngaert. Bevestiging van het voorgestelde.Nog iets van de wigchelroede”; in P. Rabus, Boekzaal van Europa, Julij en Aug. 1696, blz. 144.6. „Uittreksel uit zekeren brief van den Heere Antoni van Leeuwenhoek, den vijfden van Grasmaand 1697 aan de Koninklijke Maatschappij te Londen geschreven, wegens den zeilsteen en het ijzer”, in Rabus, Boekzaal van Europa, Mei en Junij 1697, blz. 459.7. „P. Rabus, Brief aan den grooten uitvinder der Natuurgeheimen, den Heer Ant. van Leeuwenhoek”; in Boekzaal van Europa, 1693, blz. 159.8. „Uittreksel uit een brief van den Heere Antoni van Leeuwenhoek, geschreven aan den schrijver der Boekzaal. Over de vloo-teelt”; in Boekzaal van Europa, 1633, blz. 554.9. „Brief van den schrijver des Boekzaals aan Antoni van Leeuwenhoek afgevaardigt, over een zonderlinge historie van goud, zilver of andere bergstoffen, met een tweesprankelig takje van een boom te ontdekken”; in Boekzaal van Europa, Mei en Junij 1696, blz. 495 en Antwoord van Ant. van Leeuwenhoek, blz. 522.[134]Van deze brieven zijn No. 1, 2, 4, 7 en 9 niet in de verzameling zijner brieven te vinden, terwijl over den inhoud van No. 3 gehandeld wordt in het IIIde deel, 5de vervolg, 85ste brief, blz. 5; van No. 5 in het IIIde deel, 6de vervolg;104de brief, blz. 293 en IVde deel, 7de vervolg 109de brief;van No. 6, in het IVde deel, 7de vervolg, 108ste brief, blz. 3; van No. 8 in het IIde deel, 4de vervolg, 76ste brief, blz. 561.Men vindt nog bij van der Aa vermeld, dat de brieven van Leeuwenhoek in de „Giornale Litteratite Modena” zijn opgenomen.Ook zijn de Microscopische beschouwingen, vervat in de „Philos. Transact.”No. 3, pag. 51; No. 94, pag. 6037; No. 97, pag. 6116; No. 102, 106, 108, 117, 136, 143, door Leske in het Hoogduitsch overgezet en uitgegeven, 2 deelen in één band.Verder: „De generatione Hominis, liber Petri Gercke, Med. Dr. Chymiae, Theoriae, et Materiei Med. Profess. P. O. in Academia Julia Serenissimi Ducis Brunsvic. et Luneb. à consiliis Aulae et Archiatri ac Regiae Societatis Scientiarum Berol. Membri. Helmst. 1744.”Een uittreksel van Leeuwenhoek’s brieven verscheen achter „Cours de Physique, accompagné de plusieurs Pièces concernant la Physique, qui ont déja paru et d’un Extrait critique des Lettres de Mr. Leeuwenhoek, par feu Mr. Hartsoeker, A la Haye, 1730 4o.”’t welkaanwezig is op de Academische Bibliotheek te Leiden.Eene uitvoerige lijst van de brieven van Leeuwenhoek kan men ook vinden bij L. Theod. Gronovius,Bibliotheca Regni animali atque lapidi.L. B. 1760, pag. 159.Verder vermeldt Dr. Herman August Hagen in zijn „Bibliotheca entomologica,” Leipzig 1862, een 15tal brieven, allen van entomologischen inhoud.Prof. Louis Agassiz heeft de brieven van Zoölogischen inhoud van Leeuwenhoek opgenomen in zijn „Bibliographiazoologiae et geologiae,” London 1852.J. Victor Carus en Wilhelm Engelmann hebben dit gedaan in hun „Bibliotheca Zoölogica,” Leipzig 1861, voor een aanzienlijk aantal zijner brieven, die zij onder de desbetreffende rubrieken hebben vermeld.[135]Eindelijk volgt hier de korte inhoud van de acht manuscripten van Leeuwenhoek, die ik geraadpleegd heb, waarvan er twee berusten in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool, Cat. XVIII, Huygens, No. 26 en 30, en de overigen in de verzameling waren van Mr. L. C. Luzac, doch na diens overlijden verkocht zijn214, als: I. vijf aan Constantijn Huygens; II. twee aan Christiaan Huygens; III. een aan N. Oldenburg, Secretaris der Royal Society te Londen, terwijl er zich nog één eigenhandig geschreven brief van Christiaan Huygens aan Leeuwenhoek bij bevindt, waarbij gevoegd is een door Leeuwenhoek geschreven en uitgewerkte berekening, ten betooge, dat er meer dan tienmaal zoo veel levende dieren uit de hom van een cabeljau voortkomen als er menschen op de aarde leven. Dezelfde berekening wordt gevonden in een „postscriptum” onder een brief van Leeuwenhoek aan Nehemias Grew, Secretaris der Royal Society te Londen (28ste brief, blz. 14).Al deze brieven zijn geteekend Antoni Leeuwenhoeck, de voornaam met een lange i zonder „van” en met „ck.”De inhoud dezer manuscripten is de volgende:I. 1o. d.d. 5 April 1674: Over de globulen in melk, het haar, de nagels; de vorming van melk in de vrouwen-borsten uit bloed.2o. d.d. 24 April 1674: Over de bloedbolletjes; de beenderen; waaraan de witte kleur aan fijngestoten gekleurde stoffen is toe te schrijven; de bolletjes in de kuit van cabeljauw.3o. d.d. 7 November 1676: Over de diertjes in gekruide wateren, en in regen- en andere wateren, waarin hij zes verschillende diertjes beschrijft; de aaltjes in azijn; Leeuwenhoek bedankt in deze brief aan het slot, voor het aanbod van zijn zoon, Christiaan Huygens, om zijne observatiën in de Fransche taal over te zetten en ze in die taal wereldkundig te maken.4o. d.d. 26 December 1678: Opmerkingen over de door Christiaan Huygens waargenomen en afgebeelde diertjes in verschillende[136]wateren; over het zoogenaamde stof op de vleugels der kapellen en afbeelding dezer schoone schubjes.5o. d.d. 21 Mei 1679: Speculatien over de kleine vatjes en zenuwen in de kleine diertjes in het water enz.; calculatie omtrent de grootte dezer diertjes.II. 1o. d.d.15 Februarij 1677: Dankzegging voor de vertaling in het Fransch zijner observatiën.2od.d. 15 Mei 1679: Medegegeven aan zijn zusters zoon Antoni Molyn of du Molyn. (Zie mijn familieregister). Over de beweging der kleine diertjes met een lange staart. Aanbeveling aan Chr. Huygens om, vóór hij zijn „Dioptrica” uitgeeft, het boekje van Robert Hooke, „Lectures and collections” te lezen.III. d.d. 1 Junij 1674. Dankzegging voor ontvangen nommers der „Philosophical Transactions” en voor de aanmoediging van Boyle, om voort te gaan in het onderzoeken van de „bloeijende couleur”, die het bloed uit de aderen ondergaat, als het aan lucht is blootgesteld; observatie over het nederzakken der bloedbolletjes naar den bodem; over de wijze hoe hij bloed en melk in dunne glazen pijpjes observeert, en beschrijving en afbeelding dezer fijne haarbuisjes; over de drukking die de lichamen door de lucht ondervinden (hij zond er eenige der boven beschreven haarbuisjes om het bloed in waar te nemen bij); over de structuur van beenderen en tanden; over de lever; de hersenen en het ruggemerg eener koe; het vleesch en de dunne striempjes daarin; speeksel; de menschelijke opperhuid.IV. d.d. 6 Maart 1690. Minute van een brief van Christiaan Huygens aan Leeuwenhoek. Over eene verbeterde wijze om de glazen bol in te richten, ten einde de ronddraaiende beweging der aarde aan te toonen (zie bl. 66 en zesde vervolg 101ste brief, blz. 263).Verder handelt een eigenhandig geschreven brief van Leeuwenhoek aan den Heer L. van Velthuysen, in het bezit geweest van wijlen den Heer van Dam van Noordeloos te Rotterdam, van 11 Mei 1679: Over de figuur van een plant in zaaden te zien; de spiraalvaten in de zaden, het hout en andere deelen der planten; de schimmel op oud leder en hoe het gevormd wordt; over de witte vloed.[137]Later is mij nog door Dr.du Rieu bericht, dat door hem in een bundel nog niet op den catalogus gebrachte brieven, gevonden zijn vier brieven van Leeuwenhoek:1o. Een afschrift van een eigenhandigen brief van Leeuwenhoek, waarvan het oorspronkelijke berust bij den Heer Mazel, Oud-Secretaris-Generaal van Buitenlandsche Zaken te ’s Hage „Over de zoogenaamde zaaddiertjes”; de aaltjes in den azijn, waaromtrent Leeuwenhoek vermeldt, dat er 8á10 in een glazen pijp te zien waren, welk getal, na verloop van 3 maal 24 uren, tot meer dan 80 was vermenigvuldigd, en dat hij zich niet kan begrijpen hoe deze zonder voortteeling kunnen ontstaan. Dit bracht hij over op de vermenigvuldiging van de diertjes in het regenwater, waarbij het hem eveneens onbegrijpelijk is, hoe zij voortteelen. Hij verdiept zich verder in dezen brief over de vraag, waar het zaad van daan komt, waaruit de diertjes voortkomen, die in het sperma van menschen en dieren gevonden wordt.2o. De eigenhandige brief in Halbertsma’s dissertatie, pag. 70 vermeld als No. VIII der „Philos. Transact.”3o. De eigenhandige brief, eveneens in genoemde dissertatie op pag. 69 vermeld, en in het Engelsch vertaald te vinden in de „Philos. Transact.” Vol. XXIV, pag. 1614.Aan het hoofd van dezen brief teekent Prof. Halbertsma aan,dat deze geschreven is in een tijd, dat Leeuwenhoek boos was en in het Hollandsch althans niets uitgaf. Deze brief handelt over de cochenilje en bevat eene wederlegging van de bewering, dat deze stof geen diertjes zouden zijn. Hij haalt daarbij aan de verklaring van een ooggetuige, namelijk een oud Spanjaard van Jamaica, en beschrijft de wijze hoe deze op de bladeren en takjes van zeker gewas „prikle-pear”of Indische vijg, met dikke ronde bladeren en scherpe stekels voorzien, voortplanten, en hoe zij eindelijk door den rook van brandende stoffen gedood en verzameld worden op onder de planten uitgespreide kleeden enz. Deze bijzonderheden zegt Leeuwenhoek ontleend te hebben uit de „Philos. Transact.” van de maanden Maart, April, Mei en Juni 1691, waarvan hij zich eene vertaling had doen maken.4o. Twee eigenhandige brieven aan den dichter van verzen op zijn afbeeldsel gemaakt, namelijk H. K. Poot, terwijl het tweede[138]gedicht te vinden is vóór de „Sendbrieven” van Leeuwenhoek. Deze brieven zijn van 10 Mei 1716. Hij handelt daarin: „over de diertjes in het water,”en voegt er eene uitvoerige berekening bij van hunne grootte, terwijl de tweede handelt: „over de maagdepalm,”waarvan men beweerde, dat de bloem, die het droeg, geen zaad zou voortbrengen, welke bewering hij door zijne onderzoekingen logenstrafte.Deze aan Poot geschreven brieven waren bezegeld met een cachet, waarin het vrij goed bewaarde portret van Leeuwenhoek gegraveerd was, zooals blijkt uit de goede gelijkenis met het gegraveerde portret, uitgegeven bij zijn „Ontledingen en ontdekkingen.” Leiden 1686.Eindelijk werd mij nog niet lang geleden door Dr. du Rieu medegedeeld, dat door hem in den „Navorscher” van 1864, blz. 351, een afschrift is gevonden van een brief van Leeuwenhoek, d.d. 9 Febr. 1701, aan Frederik Adriaan van Rhede en handelende over verfstoffen en turfgraving.Ook van al deze brieven zijn mij, door de welwillende zorg van Dr. du Rieu, nauwkeurige afschriften toegezonden.De bronnen die ik bij de samenstelling dezer levensbeschrijving heb geraadpleegd, zijn, behalve de boven genoemde manuscripten, enz. de volgende:D. Hoogstraten, Algemeen woordenboek voor kunsten en wetenschappen, 1729.H. Baker, Nuttig gebruik van het Mikroskoop enz., uit het Engelsch door M. Houttuyn 1755.H. Baker, Het mikroskoop gemakkelijk gemaakt enz., uit het Engelsch door M. Houttuyn 1778.G. Stoll,Anleitung zur Historie der medicinischen Gelahrheit.1731.Z. C. von Uffenbach,Merkwürdige Reisen durch Nieder Sachsen, Holland, und Engelland, 1754.[139]A. v. Haller,Bibliotheca anatomica,Tom. I. 1774.G. van Loon, Beschrijving der Nederl. historiepenningen. Bd. III. 1723.Collot d’Escury, Holland’s Roem in kunsten en wetenschappen. Deel 7. 1844.G. Nieuwenhuis, Woordenboek van kunsten en wetenschappen. Deel 5. 1859.Isaac van Haastert, Antoni van Leeuwenhoek vereerend herdacht enz. 1823.Tijdschrift voor natuurlijke geschiedenis- en physiologie, uitgegeven door Prof. I. van der Hoeven, en W. H. de Vriese 1834. 1e deel, bevattende: Eene verhandeling van H. C. van Hall over Antony van Leeuwenhoek en zijne verdiensten voor de plantkunde.N. G. van Kampen, Beknopte geschiedenis der letteren en wetenschappen 2e deel.H. Halbertsma I. fil.,Dissertatio historico-medica inauguralis de Antonii Leeuwenhoekii meritis in quasdam partes anatomiae microscopiae 1843. Inhoud: De vita Leeuwenhoekii; de sanguine; de vasis et circulatione; de ossibus; de dentibus.F. Le Sueur Fleck, Dissertatie onder denzelfden titel 1843. Inhoud:De musculis; de lente crystallina.N. H. van Charante, Dissertatie onder denzelfden titel 1843. Inhoud:De nervis; de epidermide; de pilis; de materie ad dentes haerente.A. van der Boon Cs., Geschiedenis der ontdekkingen in de ontleedkunde van den mensch, gedaan in de Noordelijke Nederlanden, 1851.G. Cuvier,Histoire des sciences naturelles. Tom. 2. 1841.[140]P. Harting, Het mikroskoop, deszelfs gebruik, geschiedenis en tegenwoordigen toestand. 3e deel 1850.Émile Blanchard,Les premières observations au microscope, in „Revue des deux mondes 15 Juill. 1868.”Boitet, Beschrijving der stad Delft 1729.Birch,the History of the Royal Society of London 1757.Biographie Universelle etc. Paris 1819 T. XXIV.Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Academie van Wetenschappen, Afdeeling Natuurkunde, deel 13. 3e stuk. 1862, waarin eene verhandeling voorkomt van Prof. H. Halbertsma over Johan Ham van Arnhem.

„Zagt, myn Zangnimf, wil bedaaren!’t Is geen winter in ’t vernuft,Dat, na vijf en tachtig Jaaren,Altydt arbeydt onversuft.Hoe zou ’t winter weezen konnen,In het brein des grooten mans,Dat, door zoo veel glaaze zonnen,Staag met warmte, licht en glans,Wordt gekoestert en beschenen?” enz.Hij beschrijft dan verder in vloeiende regelen de verschillende[114]waarnemingen en ontdekkingen door hem in dier en plant met zijn microscoop gedaan, waardoor in het schijnbaar kleinste en nietigste schepsel de grootste wonderen worden ontdekt. Dit opmerkende, zegt hij, zal men:Aanstonts, vol verbaastheit zeggen,Dit’s gedaan door de eige handt,Die den bliksem maakte en donder,Die de hemelkringen slootWant het onbegrijplijk wonderIs zoowel in ’t kleyne als ’t groot.Ontbrak het Leeuwenhoek niet aan bewijzen, dat men zijne verdiensten waardeerde en op prijs stelde, zoo schijnt men die echter, wat ons land betreft, niet door bijzondere erkenning te hebben beloond; zoo men daaronder ten minste niet rekenen wil, de douceurs, die het bestuur van Delft, wegens het ten geschenke ontvangen van eenige zijner gedrukte brieven aan de „Royal Society” hem gegeven heeft. Men vindt namelijk in het „6de lopende memoriaal” van H.H. Burgemeester van Delft, de volgende aanteekening:„Den 4 April 1693, per cassa, aan Antony van Leeuwenhoek de somma van 36 gld., over de „presentatie” zijner brieven, zijnde: „Brieven, geschreven aan de Koninkl. Societeyt te Londen.””Voor het 5deen 6devervolg dier Brieven, ontving de groote natuurvorscher,respectievelijk30 en 24 gld. Dergelijke vereeringen of douceurs (zoo schreef mij Mr. Soutendam) waren toen zeer gebruikelijk. O. a. ontving ’s mans tijdgenoot Dr. Abrahamus Berkel, Rector der Latijnsche scholen,voor de „dedicatie” van: „Enchiridion Epicteti,” hetwelk hij met zijn noten heeft doen drukken en uitgeven, de som van 63 gld.Dat zoodanige erkenning echter, ten minsten later, al ware die geschied, in zijn smaak zou gevallen zijn, mag men uit enkele uitdrukkingen in zijn correspondentie betwijfelen. Leibnitz schijnt dit punt in eene briefwisseling met Leeuwenhoek te hebben aangeroerd; althans zegt hij, in een antwoord aan Leibnitz[115]d.d. 13 Maart 1716197. „Die geene die in onzen landen, om haar kennisse en wetenschappen, vergelding krygen, dat syn Heeren Professoren, Predicanten, en de Meesters in de Latynze schoolen, die soo veel Latyn konnen, dat ze de jonge luyden in die taal konnen onderwijsen. De groote hemelbeschouwer, wylen Christiaan Huygens, heeft mij verhaalt, dat sekere persoon in eene andere provinsie twee duysent guldens heeft bekomen, over syn dienst in ’t maken van tafels. Waar over de selve misnoegt was, seggende, men behoorde hem beter uyt het lant te bannen, als dat gelt te geven; want hy heeft eerlyke luyden beledigt. In ’t kort” zegt L. ten slotte „ik weyger giften om niet verpligt te syn.”Intusschen was men toch in het buitenland er op bedacht den ijverigen natuuronderzoeker geschenken aan te bieden, als blijken van de waardeering zijner werkzaamheden.Zoo vereerde hem de Landgraaf van Hessen-Cassel, op zijn reis door Holland, waarbij hij Leeuwenhoek in Delft bezocht en vele belangrijke zaken uit zijne verzameling bezichtigd had, uit erkentelijkheid, twee gedenkpenningen met diens beeltenis voorzien.Toen Leeuwenhoek den Landgraaf daarover zijn dankbaarheid in een brief betuigde, antwoordde deze hem, zoo als Leeuwenhoek dit in hetzelfde schrijven aan Leibnitz vermeldt198. „Uwe gift is grooter als de mijne.”Eene groote onderscheiding viel hem den 24sten Mei 1716 te beurt, van wege de Hoogeschool te Leuven. Hij was al sedert geruimen tijd met Antoni Cink, Narrez en Rega, Hoogleeraren in de Natuur- en Geneeskunde aldaar in correspondentie. Deze briefwisseling geschiedde veelal door tusschenkomst van Mr. Gerard van Loon, den bekenden schrijver der Nederlandsche Historiepenningen, en werd in de jaren 1713–1715 gevoerd.Deze Hoogleeraren, leden van het Collegie van „’t Wilde Swijn” te Leuven, voelden zich gedrongen aan Leeuwenhoek een schitterend blijk hunner achting en warme belangstelling[116]aan te bieden. Op hun last namelijk werd een zilveren gedenkpenning vervaardigd, die op de voorzijde het borstbeeld van Leeuwenhoek vertoonde, met het omschrift: „Antonius Leeuwenhoek Regiae Societatis angliae membrum.”Gedenkpenning.Op de andere zijde ziet men in het verschiet de stad Delft, en op den voorgrond een bijen-korf, met eenige daarom rondvliegende[117]bijen, benevens eene bloeiende plant, terwijl de spreuk uit Virgilius er op voorkomt (Georgia IV. v. 6.)In tenui labor, at tenuis non gloria199.Gerard van Loon werd persoonlijk belast hem dit eereblijk, met een begeleidend, vereerend schrijven, op plechtige wijze te overhandigen. Leeuwenhoek betuigde in een brief aan genoemde Professoren zijn grooten dank, ook voor het Latijnsch lofdicht, dat bij wijze van opdracht er aan was toegevoegd. Van dit gedicht zegt hij, dat het was: „Vol van vloeijende aardigheden”.Als een bewijs hoe gevoelig Leeuwenhoek was wegens de groote eer hem aangedaan, diene hetgeen hij laat volgen: „En als ik gedenk aan de loftuytingen, die in UEd. brief, ende in het lofdigt, werden gemelt, soo werde ik niet alleen schaamroot, maar myn oogen tranen meermalen; te meer omdat myn arbeyt, dien ik veel jaren agter een gedaan hebbe, niet is geweest om den lof dien ik nu geniet, daardoor te behalen, maar meest uyt een drift van weetgierigheyt, die in my meer woont, gelijk ik merk, dan in veel andere menschen.” (Het blijkt uit een brief aan Leeuwenhoek, d.d. 22 Juni 1716, dat dit gedicht was vervaardigd door J. G. Kerkherdere „synen Keyserlyke en Koninglyke Majesteits-Historicus.”) In dezen brief geeft hij nogmaals lucht aan zijn dankbaar gevoel, in bewoordingen, die als eene bijdrage te meer mogen gelden van de waardeering van Leeuwenhoek’s karakter. Hij drukt zich aldus uit: „.… ende dat ingesien hebbende, stond ik verbaast, met ontsteltenisse van myn ligchaam, over de menigvuldige uitdruksels van hooge agtinge, die UE. Hooggeleerde ende wydvermaarde Heere, in uw noyt volpresen vers komt te doen. Ik ken immers my selven tot soo verre, dat ik op het honderste deel niet waardig ben de uytdrukselen, die gy over myn geringen arbeyt komt te doen: want die komt alleen voort uyt een neyginge, die ik hebbe om de beginselen van de geschapene saaken te ondersoeken, tot soo verre als het my mogelyk was.”[118]De dichter Poot maakte op dezen gedenkpenning het volgende bijschrift:De Rotte duik’ daer de oven,Erasmus in metael verkeert,Wij loven ’t kunstig Loven (Leuven)Dat d’ eer van Delf met zilver eert.’t Zent Leeuwenhoek naar ’t leven,Aan Leeuwenhoek, door munt herteelt,Wat kon men grooter geven?Dees helt verdient een zinnebeelt.Doch wort de magt niet kranker,Zoo glinstert hy van gout op ’t lest;Maar ’t zilver is vry blanker,En dat gelykt zyn inborst best.Dus pryst de School ’s mans grysheit,De wysheit kroont de wijsheit!De grootste eer nogtans, waarop Leeuwenhoek zelf den hoogsten prijs stelde en waarop hij met verschoonbare verheffing dikwijls roemde, was zijne benoeming tot „Lid der Royal Society te Londen.” Deze onderscheiding viel hem te beurt toen hij nog in de kracht van zijn leven was, namelijk op 46jarigen leeftijd. Ik spreek er het laatst van omdat ik de bijzonderheden, die deze benoeming voorafgingen en vergezelden, eenigszins uitvoeriger wilde mededeelen; daarbij heb ik gebruik gemaakt van de aanteekeningen, die men bij Birch, „the History of the Royal Society of London,” 1757, vol. IV vindt, omtrent het verhandelde in de vergaderingen van dit geleerd genootschap, welke aanteekeningen men als het Notulenboek der Sociëteit kan aanmerken.Nadat Leeuwenhoek, sedert zijn eerste aanraking met dit geleerd genootschap in 1673, in eene immer levendiger correspondentie was getreden en hij zijne onderzoekingen, over onderscheiden onderwerpen, voornamelijk die van de bloedlichaampjes en de circulatie van het bloed had bestudeerd, waarvan de resultaten zoo belangrijk waren voor de physiologie en hij kort daarna de niet minder belangrijke ontdekking deed van de infusoria, welke ontdekkingen wij boven gezien hebben, dat[119]zoo zeer de verbazing en bewondering van de leden der „Royal Society” hadden opgewekt, had zijne benoeming tot Lid van dit Collegie in de vergadering van 29 Januari 1680 plaats200. Birch teekende van dit besluit der vergadering het volgende aan: „Dr. Heusch, Mr. Firmin,Mr. Houghton worden gekozen;evenzoo ook Mr. Leeuwenhoek, op voorstel van Dr. Croune.”In dezelfde vergadering werd aan Dr. Gale, Secretaris van het Collegie, opgedragen, om een diploma voor hem gereed te maken. Aan genoemden geleerde werd in de vergadering van 12 Februari201, gevraagd of het diploma reeds gereed was en bevolen dat het zegel der Sociëteit er aan gehecht zou worden. Men schijnt Leeuwenhoek echter nog eene extra onderscheiding waardig gekeurd te hebben, zoo als ik dit bij geen der benoemingen in dit Collegie bij Birch vermeld gevonden heb, namelijk: „er werd bevolen dat er tevens een zilveren doos voor moest gemaakt worden, waarin dit diploma zou worden besloten, en op welke doos de „wapens der Sociëteit” zouden worden gegraveerd202.”In de vergadering van den 23sten Februari werd de vervaardiging daarvan aan zekeren Mr. Hunt opgedragen. Het diploma werd vervolgens, toen alles gereed was, met een begeleidend schrijven, namens de Sociëteit, door den Engelschen[120]gezant bij de Hollandsche regeering aan Leeuwenhoek overhandigd203.Zoo was dan het ideaal van den grooten natuuronderzoeker verwezenlijkt en zijn vurigste wensch vervuld. Voortaan zal hij medegerekend worden onder deillustereleden van het hoogste wetenschappelijk collegie van Europa, dat, hoewel reeds in 1645 opgericht, ten tijde van Leeuwenhoek nog slechts kort geleden op vaste grondslagen was gevestigd en deberoemdstegeleerden der beschaafde wereld van dien tijd in zijn gelederen telde204.[121]Dat hij niet naliet, zoo spoedig doenlijk zijne dankbaarheid voor de ontvangen onderscheiding kenbaar te maken, zal wel geen verwondering baren. Reeds in de vergadering van den 13den Maart 1680 rapporteerde Robert Hooke, dat hij drie brieven van Leeuwenhoek ontvangen had, waarvan de eerste betuigingen bevatte van zijn warmen dank aan den President en de leden der Sociëteit, voor de eer hem aangedaan. De tweede brief behelsde het bericht van ontvangst van het diploma en vernieuwde betuigingen van zijn dank, en tevens de verzekering van zijn voortdurenden ijver om de Sociëteit te dienen, zoo veel hij kon en dat hij dit zou blijven doen, zoo lang hij leefde; terwijl de derde weder eenige waarnemingen van hem behelsde.En Leeuwenhoek heeft woord gehouden. Niet alleen, dat hij, zoo als ik boven aanstipte, tot op 85jarigen leeftijd in geregelde briefwisseling met de Sociëteit verkeerde, toen hij (20 November 1717) zoo het scheen voor goed afscheid er van nam, maar het blijkt ook uit hetgeen ik in de „Philosophical Transactions” van na den bovengenoemden datum, tot op het jaar 1723, zijn sterfjaar, gevonden heb, dat zijn werkzame geest zich geen rust gunde, vooral daar zijn verstand en oog ook nog in dat tijdsverloop helder bleef, hoewel zijne handen „swak werden, ende een weynig bevinge ondervonden” zoo als hij zich in dien brief uitdrukte.In het 31ste en 32ste deel namelijk der „Transactions” worden nog een achttal brieven gevonden van de jaren 1720 tot 1723 (waaruit blijkt, dat hij dus gedurende een halve eeuw met de „Royal Society” briefwisseling gevoerd heeft), terwijl hij nog op zijn sterfbed aan zijn vriend Johannes Hoogvliet205opdroeg, twee brieven, die hij in den laatsten tijd geschreven had, in het Latijn te vertalen en in zijn naam aan de Sociëteit toe te zenden.[122]De treffende bijzonderheden van deze laatste opdracht mag ik niet achterhouden; ze zijn ons bewaard gebleven in het 32ste deel der „Philosophical Transactions”, pag. 435, waarin bericht wordt „dat een brief ontvangen is van Johannes Hoogvliet, d.d. 1 September 1723, aan den Secretaris der „Royal Society” Jacobus Jurin, overleggende twee brieven, die op verzoek van den stervenden Leeuwenhoek werden toegezonden.” Deze missive van Hoogvliet was van den volgenden inhoud en in ’t Latijn geschreven:„Onze eerwaardige grijsaard Leeuwenhoek liet mij, toen hij reeds met den dood kampte, maar desniettemin nog aan zijn geliefde studie dacht, tot zich roepen en vroeg, mij met reeds half gebroken oogen aanstarende en in afgebroken woorden, of ik deze beide brieven in het Latijn wilde overzetten en aan u, zeer geleerde Heer toezenden. Daar ik het verzoek van zulk een man, zoo als ik dat reeds sedert eenige jaren gewoon was, niet kon weigeren, zoo zend ik u, zeer geleerde Heer, het laatst geschenk van mijnen stervenden vriend, hopende dat deze zijne laatste werkzaamheden u aangenaam zullen zijn.”De inhoud dezer twee brieven was:1o.Over de globulen in het bloed en in den moer van den wijn.2o.Over de voortteeling der dieren en over de klopping van het middenrif.Uit den inhoud dezer twee brieven ziet men, dat de twee belangrijkste onderwerpen, die zoo zeer bijgedragen hadden om zijn naam onsterfelijk te maken en waaraan hij schier zijn geheele leven gewijd had, hem zelfs op zijn sterfbed voor den geest zweefden en tot op het laatst zijns levens het gewichtig onderwerp zijner onderzoekingen uitmaakten.Men meene echter niet dat zijn eenigste gedachten op de stoffelijke dingen der aarde gevestigd waren, zoodat hij zelfs met den dood voor oogen zijn geest daarmede uitsluitend zou hebben bezig gehouden. Neen, wij kunnen uit onderscheidene plaatsen in zijne brieven zien, dat een innig godvruchtige geest in hem woonde en hij in alles wat hij verwonderlijks zag en opmerkte Gods grootheid en almacht roemde. Hoor onder anderen wat[123]hij zegt in een brief aan Nicolaas Witsen206, „Want wy en konnen den Heere en maker van het geheel-Al, niet meer verheerlyken, als dat wy in alle zaken, hoe klein die ook in onse bloote oogen mogen zijn, als ze maar leven en wasdom hebben ontfangen, zyn Al-wysheit en volmaaktheit, met de uiterste verwondering sien uitsteken.”Of zijn ontboezeming in een brief aan Frederik Adriaan207over het ontstaan van de oneindig kleine diertjes. „O diepte der Wysheyt, hoe ondoorgrondelijk zyn uwe werken, zullender nu nog menschen gevonden werden, die seggen datter geen God is?”Ik zou deze voorbeelden nog met een aantal anderen kunnen vermeerderen, doch het aangevoerde zal, vertrouw ik, voldoende zijn om zijn vromen geest te kenschetsen.Nadat de eerbiedwaardige grijsaard deze zijne laatste beschikkingen gemaakt had, kon hij gerust het hoofd nederleggen, omringd door zijne geliefde dochter, betrekkingen en trouwe vrienden, en met recht kan van hem gezegd worden, dat hij gewerkt had, zoo lang het voor hem dag was.Leeuwenhoek overleed den 26sten Augustus 1723 en had alzoo den ouderdom van bijna 91 jaren bereikt, waarvan hij er met zekerheid meer dan 60 onafgebroken aan zijne geliefkoosde natuurstudiën had gewijd.Hij werd in de St. Hippolitus- of Oude Kerk te Delft begraven, alwaar een gedenkteeken nog in goed onderhouden toestand gevonden wordt, dat zijne dochter Maria, 17 jaren na het overlijden van haren vader, ter zijner nagedachtenis en eere heeft doen oprichten. Dit gedenkteeken bestaat uit een spits toeloopende naald van hardsteen, door eene vaas gedekt, al waar in het bovengedeelte de buste van Leeuwenhoek in wit marmer is aangebracht, en waaronder men de volgende inscriptie leest:„Piae et aet. (ernae) Memor. (iae) Antonii a Leeuwenhoek, reg. (iae) angl. (icae) Societ. (atis) membr. (o), qui naturae penetralia et physices arcana microscopiis ab ipso[124]inventis et mirabili arte fabricatis assiduo studio et perscrutatione detegendo et idiomate belgico describendo de toto terrarum orbe optime meruit.”Nat. Delphi XXIV Oct. An. MVICXXXII.Ibique denat. XXVI Aug. An. MVIICXXIII.Onder den breed uitloopenden voet der grafnaald, welke op vier bollen rust, in het midden waarvan een wit marmeren doodshoofd op kruiselings gelegde doodsbeenderen, leest men de volgende inscriptie:„Patri charissimo hoc monumentum filia Maria”A. Leeuwenhoek Moerens P. (osuit).Het geheele monument is omgeven door een sierlijk bewerkt ijzeren hek, terwijl vóór dit hek zich het familiegraf bevindt, gedekt door eene zware zerk, waarop het volgende opschrift is uitgehouwen:„Hier rust Antony van Leeuwenhoek, oudste lid van de Koninklyke Sosyteyt in Londe, gebooren binnen de Stadt Delft op den 24sten October 1632 en overleden op den 26sten Augustus 1723, out synde 90 jaren 10 maanden en 2 dagen.„Heeft elk, o wandelaar, alomOntzagh voor hoogen ouderdomEn wonderbare gaven,Zoo zet eerbiedigh hier uw stap:Hier legt de grijse wetenschapIn Leeuwenhoek begraven”208.En eindelijk is, geheel aan het onderste gedeelte der zerk nog uitgehouwen:„en Maria van Leeuwenhoek desselfs dogter, geboren te Delft den 22sten September 1656 en overleden den 25sten April 1745.”Verder is op de zerk uitmuntend uitgehouwen een schoon[125]bewerkte vliegende arend, met den kop hemelwaarts gericht, terwijl hij met de klauwen een schild vastklemt, waarop zijn familiewapen209zal gegrift geweest zijn, doch dat er in den Franschen tijd is uitgehouwen, zoo als dit met al de wapenschilden in ons land, op oude monumenten, waar deze vroeger bestonden, het geval is geweest. Het is een schild van goud, beladen met een klimmenden leeuw van azuur, getongd en geklauwd van keel. Het schild gedekt door eenschuinstaanden helm, waarop als helmteeken een vogelvlucht van goud en azuur, gedekt met helmdekken van goud en azuur. Onderaan ligt eene sphynx; dezelfde figuur, die ook voorkomt op de allegorische titelplaat voor het eerste deel van de brieven van Leeuwenhoek, en waarvan de beteekenis is, volgens de uitlegging van deze titelplaat door den dichter T. van der Wilt:„Scherpzinnigheid, waarmede’t Verborge wert ontdekt, en ’t duistere verklaart”…De dichter Poot maakte nog een ander gedicht „ter eeuwige gedachtenisse” van zijn vriend Leeuwenhoek, waarvan de laatste regelen dus luiden:„O Leeuwenhoek, zoo blank van hart als hair,Ter quader uur door ’t straffe lot bemagtigt,Ziet uit uw graf, zie eens na hondert jaer,Hoe door de faem uw glori wort bekrachtigt.Wy zullen, als de lente weligh bloeit,En ’t kille sneeu komt op ’t gebergt ontdoien,Uw stil vertrek, uw rustplaets onvermoeit,Met geurigh loof en versch gebloemt bestroien,Terwyl zult ge u vermaken in den reiDer zaligen, daer andre starren lichten.Vergeef my nu, dat ik weemoedighschrei’k Zal in myn ziel voor u een eerzuil stichten.—En gy, die hier uws Vaders lyk betreurt,Marye, eilaas! hoe schynt het heil verdweenen!Bewys uw rou: ’t valt schaers een kint te beurt,Zoo groot een’ Helt en Vader te beweenen.”[126]Zoo als uit al het bovenvermelde blijkt, zijn de bijzonderheden omtrent de waarnemingen van Leeuwenhoek alle ontleend aan brieven door hem aan de „Royal Society” te Londen en aan particulieren geschreven en beslaan dus ook zijne geschriften uit eene verzameling dezer brieven, die allen op verschillende tijden, aanvankelijk ieder afzonderlijk of enkelen te samen, schijnen gedrukt en uitgegeven te zijn, blijkens de pagineering, die in het eerste deel niet doorloopend is, maar voor iederen brief afzonderlijk, en ook door de verschillende titels, waaronder zij bij onderscheidene boekverkoopers te Delft en te Leiden zijn gedrukt en uitgegeven.Er bestaan van deze zelfde brieven twee uitgaven, namelijk de Hollandsche en de Latijnsche; beiden in vijf 4odeelen, waarvan het vijfde deel de zoogenaamde „Sendbrieven” bevat.De Hollandsche verzameling, die in mijn bezit is, dateert van 1685–1718. Daarin zijn de brieven van Leeuwenhoek opgenomen, deels onder den titel van „Ontleedingen en Ontdekkingen” enz., deels onder dien van „Ondervindingen en Beschouwingen” enz., deels onder dien van „Vervolg der brieven”, waarvan er zeven zijn.Deel I vangt aan met den 28sten brief en loopt tot no. 52, bevattende de brieven van de jaren 1679 tot 1686, terwijl daarin ook het Eerste Vervolg van no. 53 tot 60, loopende van April 1687 tot November van dat zelfde jaar gevonden worden.Deel II bevat het Tweede tot Vierde Vervolg van no. 61 tot no. 83, loopende van 1688 tot 1694.Deel III bevat het Vijfde en Zesde Vervolg van no. 84 tot no. 107, loopende van 1694 tot 1696.Deel IV bevat het Zevende Vervolg van no. 108 tot no. 146, loopende van 1697 tot 1702.Deel V eindelijk bevat de „Sendbrieven” vervat in 46 brieven, loopende van 1712 tot 1716. Na aftrek dus van de 28 niet uitgegevene zijn er in deze verzameling in het geheel 165 brieven opgenomen.De reden waarom deze brieven eerst met den 28sten aanvangen schijnt niet met zekerheid bekend te zijn. De drukker van de brieven, die in het eerste deel voorkomen, zegt aan het begin[127]van het „Register” op den 28sten tot den 52sten brief: „De voorgaande 27 brieven by den Auteur geschreven, en heeft hij tot noch toe niet konnen resolveren, die met den druk gemeen te maken; dus hier de 28ste Brief de eerste is die gedrukt is.”Van Haastert210oppert het vermoeden, als of hij den inhoud dezer 26 brieven uit kieschheid niet geschikt voor de publiciteit zou gekeurd hebben, doelende op een postscriptum onder een brief van Leeuwenhoek, handelende over de zaaddiertjes, waar hij zegt:„Ik heb nog eenige afzonderlijke waarnemingen over de vrouwen en de bevrugting enz., doch ik houde die terug om geen aanstoot te geven.”En in een anderen brief aan Petrus Rabus211, „Myne stellingen omtrent de versamelinge, bevrugtwerdinge en voorttelinge van onze vrouwen enz., hebbe ik sedert dat ze UE. onlangs tot mijnent gelezen had, nog aan een zeer geleerd en voornaam Heer laten zien en daarby gezeid, dat UE. my hadde aangeboden om het in ’t Latyn over te zetten, en in die taal wereltkundig te maken. Doch die Heer is, nevens my, van gevoelen, dat wy zulks best mogten laten; eensdeels enz.… en ten anderen, uit vreze dat de werelt, die dog boos en bot genoeg is, de Natuerkennis tot haar verderf mogt gebruiken en meer en meer in ongebondenheid uitspatten.”Ik kan mij echter met deze opgegeven reden niet vereenigen, dewijl ik in de brieven, die ik van Leeuwenhoek in de „Philosophical Transactions”aan de „Royal Society” van vóór 1679 geschreven, gevonden heb, die een zestiental bedragen, er slechts eene gevonden heb die over de spermatozoïden handelt.Het is zeker te verwonderen, dat juist de brieven van 1673, waarin hij zijn eerste brief aan bovengenoemd Collegie schreef, tot 1679, waarin de 28ste of eerste brief der Verzameling is geschreven, in deze verzameling gemist worden. Deze toch vertegenwoordigen een tijdvak, waarin zijne waarnemingen, zoo zeer de[128]bewondering en verbazing van de leden der „Royal Society” opwekten, dat daardoor niet alleen de aandacht op hem gevestigd werd, maar hem de hooge onderscheiding werd waardig gekeurd als Lid van dat beroemd genootschap te worden aangenomen en dat onder omstandigheden zoo vereerend voor hem als wellicht zelden aan een ander zijn te beurt gevallen. Zijne in het IXde, Xde en XIde deel der „Philosophical Transactions” opgenomene brieven hebben betrekking op zijne microscopische onderzoekingen van „bloed, melk, beenderen, de hersens, het haar, het kristallynvocht, de gezichtszenuw, de textuur van het hout, de kleine diertjes in regen-, wel-, zee-, ensneeuwwater, alsmede in water, waarin men peper had laten trekken; de structuur der tanden, beenderen, ivoor.”Ik vermoed eer dat Leeuwenhoek geen afschriften van deze eerste brieven zal gehouden hebben, zoo als hij dit van de anderen deed en mij uit enkele perioden in sommige zijner brieven gebleken is, en hij daarom buiten de gelegenheid was, toen men bij hem op de uitgave zijner brieven begon aan te dringen, daaraan, wat deze 27 eerste betreft, gevolg te geven. Dat Leeuwenhoek aanvankelijk tot die uitgave niet uit eigen beweging, maar op aandrang van anderen is overgegaan, blijkt uit een brief van zijn eersten uitgever Daniel van Gaesbeek te Leiden van 1 Januari 1684, bij wijze van opdracht voor het eerste deel geplaatst, waarin hij dus aanvangt: „Als alle de werelt seer verwondert sprak, van de uitvindinge tot beschouwinge der onsienelyke verborgenheidswaarheden, door UE. opgelost; ende dat veele boeken in andere landen en taalen daar af gewaagden, brande myn lust, om meede een oog-getuige daar in te zijn; soo heeft my den geleerden Medicyn-meester de Heer Cornelis van ’s Gravesande, Raad en Scheepen der stad Delft, bij UE. geleid: waar ik door UE. konstige en niet min loflyke uitvindinge, die verwonderlyke verborgentheden Gods, door UE. beleefde goeddadigheid komende te beschouwen, soo bevond ik, dat de vreemde boeken die daar af door de wereld sweeven, in den zin, afteekening en waardigheid niet weinig verschilden, en ook dat onse eige ingeboorne landsaten in haar taal niet kosten genieten die wetenschappen, die reeds eenige naburige volkeren in haar eygen[129]taal en sprake waren bekend geworden. Derhalve niet rustende, ofte ik had bekoomen yets van ’t gene UE. selfs de weerelt meede gedeelt had, so wierden my ter hand besteld (door een Heer, die ik en de wereld daar voor moet danken) deese UE. nevensgaande brieven, by UE. „meede Broeders van dat Hoogloflijke Collegie des Koninklijke Sociëteits in Engeland”. Deese (waarin soo bysondere wonderheden waren aan te schouwen) dagten my te waardig, om niet aan alle onse Landsgenooten in haar eigen taal (door hulp van den voornoemden Heer, en myn druk-pers, mitsgaders de konstige hand des plaat-snyders, Abraham de Blois te Delft) sigtbaar voor te stellen, als zijnde een grondsteen, waar op alle wijsgeerige en doordringende verstanden voort bouwen en haare wetenschappen verder verklaren. Soo leg ik deese myne daad en sorge wederom voor UE. neder; in hoope, dat dit myn stout bestaan by UE. over ’t hoofd gesien, ende ten besten geduid sal werden; dat ook UE. deese uwe eerstelingen (die dan een Engels, dan een Frans, en dan wederom een Oud-Rooms hulsel syn opgeset en daardoor veel van haar eygen wesen en luyster hebben verloren, en nu eerst het ligt in haar eygen vaderland komen te aanschouwen) niet en sult afwijsen; maar als UE. eygene vrugten en maaksels uwes verstands erkennen en aannemen; ende daardoor nog meer en meer bewogen werden, omme niet alleen UE. verdere ondervindingen,maar ook die gene, die UE. (zoo ik onderrigt ben) omtrent thien jaren herwaards aan het Hoogloffelijk Collegie in Engeland heb opgedist, tot voldoeninge van onse ingesetene wijsgeerders meede te deelen, en dien kostelijken schat onse ingeboorne niet langer te onthouden, waartoe ik hoope God de Heere UE. ondersoekingen meerder en altoos sal zeegenen”.Deze laatste periode doelt blijkbaar op de eerste 27 brieven, die Leeuwenhoek aan de „Royal Society” geschreven had.Nog op eene andere gaping in de bekendmaking zijner brieven in de Hollandsche en Latijnsche verzameling wil ik wijzen.De laatste brief namelijk van het „Zevende vervolg” (DeelIV) eindigt met den 146sten brief, gedateerd 10 April 1702, terwijl de eerste der 46 „Sendbrieven” de dagteekening draagt van 8[130]November 1712. Er is dus weder een tijdvak van 10 jaren, waarin geen brieven van Leeuwenhoek in onze taal of in het Latijn afzonderlijk zijn gedrukt. Mogelijk zijn het deze brieven, waarop gedoeld wordt aan het slot van den Catalogus der verkooping der microscopen in de volgende noot: „N.B. In den boedel van wijle Jufvrouw Maria van Leeuwenhoek zijn gevonden eenige nagelaten manuscripten of brieven van haar vader, den Heer Antoni van Leeuwenhoek, dewelke door Z.E. in deszelfs leven geschreven en in eene nette en goede orde geschikt zijn, om als een vervolg op zijne voorgaande uitgegeven brieven gedrukt te kunnen worden;allede Platen daartoe behoorende, zijn daarbij en reeds in ’t koper gegraveert, zoo als de Latijnsche vertaling van voorzeide brieven. Iemand genegen zijnde dit werk te laten drukken, kan zich addresseren aan de Executeurs van de voorz. boedel.” Wat er van die brieven geworden is ben ik niet te weten kunnen komen.Eene andere verklaring, die mij, in verband met het boven vermelde, niet onwaarschijnlijk voorkomt, vond ik in hetgeen zijne dochter aan von Uffenbach, tijdens zijn bezoek aan Leeuwenhoek mededeelde. „Sie erzählte uns,” zegt hij, „dass ihr Vater seit einigen Jahren viel neues durch seine Microscopia entdekt hätte, er wolte aber in seinen leben nichts mehr von seinen Observationen herausgeben, weil ihne einiger Schimpf, vermuthlich in Schriften, wiederfahren, da man sich über seine sonderliche Meinungen in seinen Schriften hin und wieder spottisch aufgehalten, und ihm schuld gegeben, er habe mehr durch seine Einbildung gesehen, als durch seine Gläser.”212Dit bezoek nu had juist plaats in 1710, en de door zijne dochter bedoelde „nieuwe waarnemingen” kunnen dus zeer goed slaan op die, welke hij sedert 1702 ondernomen en aan de Royal Society had medegedeeld. Ik heb deze brieven in de „Philosophical Transactions” van de jaren 1702–1712, deel XXIII–XXVII, gevonden, de volgende waarnemingen worden er in vermeld: „Over het groen kroos in het water groeiende, en eenige diertjes daarin gevonden; de zaden van verschillende Oost-Indische planten;[131]den kinabast; het beslag der tong bij koortsen; de bloedvaten; de circulatie van het bloed bij de visschen; candysuiker; de zaadvaten;spiervezels en bloed van den walvisch; de huid van den olifant; de voortteeling der mossels; de milt; roodkoraal; samenstelling van diamanten.”Eindelijk heb ik nog, na de laatste der „Sendbrieven” d.d. 20 Nov. 1717, waar hij, om zijne hooge jaren, afscheid neemt van de Royal Society, in het XXXIste en XXXIIste deel der „Transactions” een achttal brieven gevonden, van de jaren 1720 tot 1723, hetzelfde jaar, waarin hij gestorven is, handelende: „Over beenderen; het middenrif; de spiervezels der visschen; de vaten in sommige soorten van hout, en over spiervezels in verschillende dieren; de membranen die de vaatbundels omsluiten, waarin een spier verdeeld is; de spiraalvaten van de bladeren; het wollige bekleedsel der persikken en kweeappels;” waarbij eindelijk nog gevoegd moeten worden de beide brieven, die Leeuwenhoek op zijn sterfbed aan zijn vriend Johannes Hoogvlied verzocht in het Latijn over te zetten en aan de Royal Society toe te zenden, welke brieven ik reeds uitvoeriger besproken heb.De Latijnsche verzameling bestaat eveneens uit vijf deelen in 4o. onder de volgende titels:Deel I onder dien van: „Anatomia et contemplatio nonnullorum naturae invisibilium secretorum, comprehensorum Epistolis quibusdam scriptis” etc. Lugd. Bat. 1685.Deel II: „Epistolae ad Societatem Regiam Londinensium et alios viros illustros datur.” Lugd. Bat. 1689.Deel III:„Anatomia, hoc de interioribus rerum, cum animatarum, tum inanimatarum, ope et beneficio exquisitissimorum microscopiorum detectis.” Lugd. Bat. 1689.Deel IV: „Arcana naturae ope microscopiorum detecta.”Delphi 1695–1697.Deel V: „Epistolae physiologicae super compluribus naturae arcanis, hactenus nunquam editae,” Delphi 1709.Later heeft men ze nog gezamenlijk uitgegeven onder den titel: „Opera omnia seu Arcana naturae ope exactissimorum microscopiorum detecta;” doch men heeft er een nieuw titelblad voor geplaatst met de jaartallen 1715–1722.[132]A. J. van der Aa213vermeldt eveneens de bovengenoemde Hollandsche en Latijnsche uitgaven in vijf deelen, waarin de brieven van Leeuwenhoek zijn vervat, en bevestigt, door de vermelding der afzonderlijke titels, waaronder zij zijn uitgekomen, dat enkele dezer brieven bij een-, twee-, drie- en meertallen te samen afzonderlijk zijn uitgegeven en, zoo als ik boven opmerkte, betrekking hebben op de 52 eerste brieven, altijd daarvan afgetrokken de 27 eerste niet gedrukte, terwijl hij zoowel van de Hollandsche als de Latijnsche uitgave de geheele uitvoerige titels mededeelt. Men vindt verder nog bij van der Aa zijne correspondentie met Petrus Rabus, de uitgever van de „Boekzaal van Europa,” welk tijdschrift tot op onzen tijd onder den naam van „Boekzaal der geleerde wereld” is bekend gebleven.In de Hollandsche en Latijnsche verzamelingen zijner brieven vindt men er echter slechts één aan genoemden schrijver, die een bijzonder vriend van Leeuwenhoek moet geweest zijn.Deze correspondentie heeft Rabus in zijn „Boekzaal” bekend gemaakt; ze is de volgende:1. „Korte inhoud van een brief, geschreven uit Kolmar, behelzende een overzeldzame ziekte van eene vrouw, die rijpen (rupsen) uit haar regter oor loosde”, en brief van Leeuwenhoek aan den schrijver van de Boekzaal over de vorenstaande historie.2. „Uittreksel uit een brief van den grooten onderzoeker der Natuurgeheimen den Heere Antoni van Leeuwenhoek, geschreven aan den schrijver van de Boekzaal, waarin gehandeld wordt van de vis, Roch genaamd, deszelfs eijeren, bloedvaten enz.” Delft den 21 Mei 1695, (In de P. R. Boekzaal van Europa, Mei en Junij 1695, blz. 322).3. „Brief van den grooten natuur-beschouwer den Heere Antoni van Leeuwenhoek, geschreven aan P. Rabus, zoo als ze van woorde tot woorde luid (een vervolg van ’s Mans ontdekkingen, wegens het hoornvlies en d’ oogen van een Rombout (Korebout of Puistebijter); ontleding van ’t gemelde vlies. Beschouwing door ’t zelve. Uit hoevele schubachtige opeenleggende deelen het bestaat. Volmaaktheid van ’t oog. Reden waarom het vliegend dier[133]met zoo veel duizende gezigten voorzien is; Krabbe-, kreeften- en garnaals-oogen. Eijernesten der vorensgezeide Rombouten, Groot getal eijeren. Oorzaken waarom uit die eijeren niet meer voortgekomene dieren gezien worden. Besluit van de voortteelinge” in P. Rabus. Boekzaal, Nov. en Dec. 1694. blz. 511.4. „Brief van den Heere Antoni van Leeuwenhoek aan den schrijver van de Boekzaal (P. Rabus) gezonden, als een vervolg van zijn gevoelen over de historie van de vrouw van Kolmar, in de naast voorgaande twee maanden verhandeld en onderzogt. Bij Rabus, Boekzaal van Europa,” Julij en Aug, 1695, blz. 92; Sept. en Oct. blz. 258.5. „Brief van Antoni van Leeuwenhoek aan P. Rabus, waarin gehandeld word van den zoogenaamden Honigdauw. Wat de boeren en het algemeene volk daardoor verstaan. Waarneming van zeker glimpend vocht op lindebladen. Zoutdeelen in dezelve. Deze vocht in ’t oog als een olyachtige stoffe voorkomende, valt geenszins uit de lucht. Ze wordt uit de bladeren uitgestooten. Beschouwing van meer boomen en hare bladen, bijzonderlijk den Wijngaert. Bevestiging van het voorgestelde.Nog iets van de wigchelroede”; in P. Rabus, Boekzaal van Europa, Julij en Aug. 1696, blz. 144.6. „Uittreksel uit zekeren brief van den Heere Antoni van Leeuwenhoek, den vijfden van Grasmaand 1697 aan de Koninklijke Maatschappij te Londen geschreven, wegens den zeilsteen en het ijzer”, in Rabus, Boekzaal van Europa, Mei en Junij 1697, blz. 459.7. „P. Rabus, Brief aan den grooten uitvinder der Natuurgeheimen, den Heer Ant. van Leeuwenhoek”; in Boekzaal van Europa, 1693, blz. 159.8. „Uittreksel uit een brief van den Heere Antoni van Leeuwenhoek, geschreven aan den schrijver der Boekzaal. Over de vloo-teelt”; in Boekzaal van Europa, 1633, blz. 554.9. „Brief van den schrijver des Boekzaals aan Antoni van Leeuwenhoek afgevaardigt, over een zonderlinge historie van goud, zilver of andere bergstoffen, met een tweesprankelig takje van een boom te ontdekken”; in Boekzaal van Europa, Mei en Junij 1696, blz. 495 en Antwoord van Ant. van Leeuwenhoek, blz. 522.[134]Van deze brieven zijn No. 1, 2, 4, 7 en 9 niet in de verzameling zijner brieven te vinden, terwijl over den inhoud van No. 3 gehandeld wordt in het IIIde deel, 5de vervolg, 85ste brief, blz. 5; van No. 5 in het IIIde deel, 6de vervolg;104de brief, blz. 293 en IVde deel, 7de vervolg 109de brief;van No. 6, in het IVde deel, 7de vervolg, 108ste brief, blz. 3; van No. 8 in het IIde deel, 4de vervolg, 76ste brief, blz. 561.Men vindt nog bij van der Aa vermeld, dat de brieven van Leeuwenhoek in de „Giornale Litteratite Modena” zijn opgenomen.Ook zijn de Microscopische beschouwingen, vervat in de „Philos. Transact.”No. 3, pag. 51; No. 94, pag. 6037; No. 97, pag. 6116; No. 102, 106, 108, 117, 136, 143, door Leske in het Hoogduitsch overgezet en uitgegeven, 2 deelen in één band.Verder: „De generatione Hominis, liber Petri Gercke, Med. Dr. Chymiae, Theoriae, et Materiei Med. Profess. P. O. in Academia Julia Serenissimi Ducis Brunsvic. et Luneb. à consiliis Aulae et Archiatri ac Regiae Societatis Scientiarum Berol. Membri. Helmst. 1744.”Een uittreksel van Leeuwenhoek’s brieven verscheen achter „Cours de Physique, accompagné de plusieurs Pièces concernant la Physique, qui ont déja paru et d’un Extrait critique des Lettres de Mr. Leeuwenhoek, par feu Mr. Hartsoeker, A la Haye, 1730 4o.”’t welkaanwezig is op de Academische Bibliotheek te Leiden.Eene uitvoerige lijst van de brieven van Leeuwenhoek kan men ook vinden bij L. Theod. Gronovius,Bibliotheca Regni animali atque lapidi.L. B. 1760, pag. 159.Verder vermeldt Dr. Herman August Hagen in zijn „Bibliotheca entomologica,” Leipzig 1862, een 15tal brieven, allen van entomologischen inhoud.Prof. Louis Agassiz heeft de brieven van Zoölogischen inhoud van Leeuwenhoek opgenomen in zijn „Bibliographiazoologiae et geologiae,” London 1852.J. Victor Carus en Wilhelm Engelmann hebben dit gedaan in hun „Bibliotheca Zoölogica,” Leipzig 1861, voor een aanzienlijk aantal zijner brieven, die zij onder de desbetreffende rubrieken hebben vermeld.[135]Eindelijk volgt hier de korte inhoud van de acht manuscripten van Leeuwenhoek, die ik geraadpleegd heb, waarvan er twee berusten in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool, Cat. XVIII, Huygens, No. 26 en 30, en de overigen in de verzameling waren van Mr. L. C. Luzac, doch na diens overlijden verkocht zijn214, als: I. vijf aan Constantijn Huygens; II. twee aan Christiaan Huygens; III. een aan N. Oldenburg, Secretaris der Royal Society te Londen, terwijl er zich nog één eigenhandig geschreven brief van Christiaan Huygens aan Leeuwenhoek bij bevindt, waarbij gevoegd is een door Leeuwenhoek geschreven en uitgewerkte berekening, ten betooge, dat er meer dan tienmaal zoo veel levende dieren uit de hom van een cabeljau voortkomen als er menschen op de aarde leven. Dezelfde berekening wordt gevonden in een „postscriptum” onder een brief van Leeuwenhoek aan Nehemias Grew, Secretaris der Royal Society te Londen (28ste brief, blz. 14).Al deze brieven zijn geteekend Antoni Leeuwenhoeck, de voornaam met een lange i zonder „van” en met „ck.”De inhoud dezer manuscripten is de volgende:I. 1o. d.d. 5 April 1674: Over de globulen in melk, het haar, de nagels; de vorming van melk in de vrouwen-borsten uit bloed.2o. d.d. 24 April 1674: Over de bloedbolletjes; de beenderen; waaraan de witte kleur aan fijngestoten gekleurde stoffen is toe te schrijven; de bolletjes in de kuit van cabeljauw.3o. d.d. 7 November 1676: Over de diertjes in gekruide wateren, en in regen- en andere wateren, waarin hij zes verschillende diertjes beschrijft; de aaltjes in azijn; Leeuwenhoek bedankt in deze brief aan het slot, voor het aanbod van zijn zoon, Christiaan Huygens, om zijne observatiën in de Fransche taal over te zetten en ze in die taal wereldkundig te maken.4o. d.d. 26 December 1678: Opmerkingen over de door Christiaan Huygens waargenomen en afgebeelde diertjes in verschillende[136]wateren; over het zoogenaamde stof op de vleugels der kapellen en afbeelding dezer schoone schubjes.5o. d.d. 21 Mei 1679: Speculatien over de kleine vatjes en zenuwen in de kleine diertjes in het water enz.; calculatie omtrent de grootte dezer diertjes.II. 1o. d.d.15 Februarij 1677: Dankzegging voor de vertaling in het Fransch zijner observatiën.2od.d. 15 Mei 1679: Medegegeven aan zijn zusters zoon Antoni Molyn of du Molyn. (Zie mijn familieregister). Over de beweging der kleine diertjes met een lange staart. Aanbeveling aan Chr. Huygens om, vóór hij zijn „Dioptrica” uitgeeft, het boekje van Robert Hooke, „Lectures and collections” te lezen.III. d.d. 1 Junij 1674. Dankzegging voor ontvangen nommers der „Philosophical Transactions” en voor de aanmoediging van Boyle, om voort te gaan in het onderzoeken van de „bloeijende couleur”, die het bloed uit de aderen ondergaat, als het aan lucht is blootgesteld; observatie over het nederzakken der bloedbolletjes naar den bodem; over de wijze hoe hij bloed en melk in dunne glazen pijpjes observeert, en beschrijving en afbeelding dezer fijne haarbuisjes; over de drukking die de lichamen door de lucht ondervinden (hij zond er eenige der boven beschreven haarbuisjes om het bloed in waar te nemen bij); over de structuur van beenderen en tanden; over de lever; de hersenen en het ruggemerg eener koe; het vleesch en de dunne striempjes daarin; speeksel; de menschelijke opperhuid.IV. d.d. 6 Maart 1690. Minute van een brief van Christiaan Huygens aan Leeuwenhoek. Over eene verbeterde wijze om de glazen bol in te richten, ten einde de ronddraaiende beweging der aarde aan te toonen (zie bl. 66 en zesde vervolg 101ste brief, blz. 263).Verder handelt een eigenhandig geschreven brief van Leeuwenhoek aan den Heer L. van Velthuysen, in het bezit geweest van wijlen den Heer van Dam van Noordeloos te Rotterdam, van 11 Mei 1679: Over de figuur van een plant in zaaden te zien; de spiraalvaten in de zaden, het hout en andere deelen der planten; de schimmel op oud leder en hoe het gevormd wordt; over de witte vloed.[137]Later is mij nog door Dr.du Rieu bericht, dat door hem in een bundel nog niet op den catalogus gebrachte brieven, gevonden zijn vier brieven van Leeuwenhoek:1o. Een afschrift van een eigenhandigen brief van Leeuwenhoek, waarvan het oorspronkelijke berust bij den Heer Mazel, Oud-Secretaris-Generaal van Buitenlandsche Zaken te ’s Hage „Over de zoogenaamde zaaddiertjes”; de aaltjes in den azijn, waaromtrent Leeuwenhoek vermeldt, dat er 8á10 in een glazen pijp te zien waren, welk getal, na verloop van 3 maal 24 uren, tot meer dan 80 was vermenigvuldigd, en dat hij zich niet kan begrijpen hoe deze zonder voortteeling kunnen ontstaan. Dit bracht hij over op de vermenigvuldiging van de diertjes in het regenwater, waarbij het hem eveneens onbegrijpelijk is, hoe zij voortteelen. Hij verdiept zich verder in dezen brief over de vraag, waar het zaad van daan komt, waaruit de diertjes voortkomen, die in het sperma van menschen en dieren gevonden wordt.2o. De eigenhandige brief in Halbertsma’s dissertatie, pag. 70 vermeld als No. VIII der „Philos. Transact.”3o. De eigenhandige brief, eveneens in genoemde dissertatie op pag. 69 vermeld, en in het Engelsch vertaald te vinden in de „Philos. Transact.” Vol. XXIV, pag. 1614.Aan het hoofd van dezen brief teekent Prof. Halbertsma aan,dat deze geschreven is in een tijd, dat Leeuwenhoek boos was en in het Hollandsch althans niets uitgaf. Deze brief handelt over de cochenilje en bevat eene wederlegging van de bewering, dat deze stof geen diertjes zouden zijn. Hij haalt daarbij aan de verklaring van een ooggetuige, namelijk een oud Spanjaard van Jamaica, en beschrijft de wijze hoe deze op de bladeren en takjes van zeker gewas „prikle-pear”of Indische vijg, met dikke ronde bladeren en scherpe stekels voorzien, voortplanten, en hoe zij eindelijk door den rook van brandende stoffen gedood en verzameld worden op onder de planten uitgespreide kleeden enz. Deze bijzonderheden zegt Leeuwenhoek ontleend te hebben uit de „Philos. Transact.” van de maanden Maart, April, Mei en Juni 1691, waarvan hij zich eene vertaling had doen maken.4o. Twee eigenhandige brieven aan den dichter van verzen op zijn afbeeldsel gemaakt, namelijk H. K. Poot, terwijl het tweede[138]gedicht te vinden is vóór de „Sendbrieven” van Leeuwenhoek. Deze brieven zijn van 10 Mei 1716. Hij handelt daarin: „over de diertjes in het water,”en voegt er eene uitvoerige berekening bij van hunne grootte, terwijl de tweede handelt: „over de maagdepalm,”waarvan men beweerde, dat de bloem, die het droeg, geen zaad zou voortbrengen, welke bewering hij door zijne onderzoekingen logenstrafte.Deze aan Poot geschreven brieven waren bezegeld met een cachet, waarin het vrij goed bewaarde portret van Leeuwenhoek gegraveerd was, zooals blijkt uit de goede gelijkenis met het gegraveerde portret, uitgegeven bij zijn „Ontledingen en ontdekkingen.” Leiden 1686.Eindelijk werd mij nog niet lang geleden door Dr. du Rieu medegedeeld, dat door hem in den „Navorscher” van 1864, blz. 351, een afschrift is gevonden van een brief van Leeuwenhoek, d.d. 9 Febr. 1701, aan Frederik Adriaan van Rhede en handelende over verfstoffen en turfgraving.Ook van al deze brieven zijn mij, door de welwillende zorg van Dr. du Rieu, nauwkeurige afschriften toegezonden.De bronnen die ik bij de samenstelling dezer levensbeschrijving heb geraadpleegd, zijn, behalve de boven genoemde manuscripten, enz. de volgende:D. Hoogstraten, Algemeen woordenboek voor kunsten en wetenschappen, 1729.H. Baker, Nuttig gebruik van het Mikroskoop enz., uit het Engelsch door M. Houttuyn 1755.H. Baker, Het mikroskoop gemakkelijk gemaakt enz., uit het Engelsch door M. Houttuyn 1778.G. Stoll,Anleitung zur Historie der medicinischen Gelahrheit.1731.Z. C. von Uffenbach,Merkwürdige Reisen durch Nieder Sachsen, Holland, und Engelland, 1754.[139]A. v. Haller,Bibliotheca anatomica,Tom. I. 1774.G. van Loon, Beschrijving der Nederl. historiepenningen. Bd. III. 1723.Collot d’Escury, Holland’s Roem in kunsten en wetenschappen. Deel 7. 1844.G. Nieuwenhuis, Woordenboek van kunsten en wetenschappen. Deel 5. 1859.Isaac van Haastert, Antoni van Leeuwenhoek vereerend herdacht enz. 1823.Tijdschrift voor natuurlijke geschiedenis- en physiologie, uitgegeven door Prof. I. van der Hoeven, en W. H. de Vriese 1834. 1e deel, bevattende: Eene verhandeling van H. C. van Hall over Antony van Leeuwenhoek en zijne verdiensten voor de plantkunde.N. G. van Kampen, Beknopte geschiedenis der letteren en wetenschappen 2e deel.H. Halbertsma I. fil.,Dissertatio historico-medica inauguralis de Antonii Leeuwenhoekii meritis in quasdam partes anatomiae microscopiae 1843. Inhoud: De vita Leeuwenhoekii; de sanguine; de vasis et circulatione; de ossibus; de dentibus.F. Le Sueur Fleck, Dissertatie onder denzelfden titel 1843. Inhoud:De musculis; de lente crystallina.N. H. van Charante, Dissertatie onder denzelfden titel 1843. Inhoud:De nervis; de epidermide; de pilis; de materie ad dentes haerente.A. van der Boon Cs., Geschiedenis der ontdekkingen in de ontleedkunde van den mensch, gedaan in de Noordelijke Nederlanden, 1851.G. Cuvier,Histoire des sciences naturelles. Tom. 2. 1841.[140]P. Harting, Het mikroskoop, deszelfs gebruik, geschiedenis en tegenwoordigen toestand. 3e deel 1850.Émile Blanchard,Les premières observations au microscope, in „Revue des deux mondes 15 Juill. 1868.”Boitet, Beschrijving der stad Delft 1729.Birch,the History of the Royal Society of London 1757.Biographie Universelle etc. Paris 1819 T. XXIV.Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Academie van Wetenschappen, Afdeeling Natuurkunde, deel 13. 3e stuk. 1862, waarin eene verhandeling voorkomt van Prof. H. Halbertsma over Johan Ham van Arnhem.

„Zagt, myn Zangnimf, wil bedaaren!’t Is geen winter in ’t vernuft,Dat, na vijf en tachtig Jaaren,Altydt arbeydt onversuft.Hoe zou ’t winter weezen konnen,In het brein des grooten mans,Dat, door zoo veel glaaze zonnen,Staag met warmte, licht en glans,Wordt gekoestert en beschenen?” enz.

„Zagt, myn Zangnimf, wil bedaaren!

’t Is geen winter in ’t vernuft,

Dat, na vijf en tachtig Jaaren,

Altydt arbeydt onversuft.

Hoe zou ’t winter weezen konnen,

In het brein des grooten mans,

Dat, door zoo veel glaaze zonnen,

Staag met warmte, licht en glans,

Wordt gekoestert en beschenen?” enz.

Hij beschrijft dan verder in vloeiende regelen de verschillende[114]waarnemingen en ontdekkingen door hem in dier en plant met zijn microscoop gedaan, waardoor in het schijnbaar kleinste en nietigste schepsel de grootste wonderen worden ontdekt. Dit opmerkende, zegt hij, zal men:

Aanstonts, vol verbaastheit zeggen,Dit’s gedaan door de eige handt,Die den bliksem maakte en donder,Die de hemelkringen slootWant het onbegrijplijk wonderIs zoowel in ’t kleyne als ’t groot.

Aanstonts, vol verbaastheit zeggen,

Dit’s gedaan door de eige handt,

Die den bliksem maakte en donder,

Die de hemelkringen sloot

Want het onbegrijplijk wonder

Is zoowel in ’t kleyne als ’t groot.

Ontbrak het Leeuwenhoek niet aan bewijzen, dat men zijne verdiensten waardeerde en op prijs stelde, zoo schijnt men die echter, wat ons land betreft, niet door bijzondere erkenning te hebben beloond; zoo men daaronder ten minste niet rekenen wil, de douceurs, die het bestuur van Delft, wegens het ten geschenke ontvangen van eenige zijner gedrukte brieven aan de „Royal Society” hem gegeven heeft. Men vindt namelijk in het „6de lopende memoriaal” van H.H. Burgemeester van Delft, de volgende aanteekening:

„Den 4 April 1693, per cassa, aan Antony van Leeuwenhoek de somma van 36 gld., over de „presentatie” zijner brieven, zijnde: „Brieven, geschreven aan de Koninkl. Societeyt te Londen.””

Voor het 5deen 6devervolg dier Brieven, ontving de groote natuurvorscher,respectievelijk30 en 24 gld. Dergelijke vereeringen of douceurs (zoo schreef mij Mr. Soutendam) waren toen zeer gebruikelijk. O. a. ontving ’s mans tijdgenoot Dr. Abrahamus Berkel, Rector der Latijnsche scholen,voor de „dedicatie” van: „Enchiridion Epicteti,” hetwelk hij met zijn noten heeft doen drukken en uitgeven, de som van 63 gld.

Dat zoodanige erkenning echter, ten minsten later, al ware die geschied, in zijn smaak zou gevallen zijn, mag men uit enkele uitdrukkingen in zijn correspondentie betwijfelen. Leibnitz schijnt dit punt in eene briefwisseling met Leeuwenhoek te hebben aangeroerd; althans zegt hij, in een antwoord aan Leibnitz[115]d.d. 13 Maart 1716197. „Die geene die in onzen landen, om haar kennisse en wetenschappen, vergelding krygen, dat syn Heeren Professoren, Predicanten, en de Meesters in de Latynze schoolen, die soo veel Latyn konnen, dat ze de jonge luyden in die taal konnen onderwijsen. De groote hemelbeschouwer, wylen Christiaan Huygens, heeft mij verhaalt, dat sekere persoon in eene andere provinsie twee duysent guldens heeft bekomen, over syn dienst in ’t maken van tafels. Waar over de selve misnoegt was, seggende, men behoorde hem beter uyt het lant te bannen, als dat gelt te geven; want hy heeft eerlyke luyden beledigt. In ’t kort” zegt L. ten slotte „ik weyger giften om niet verpligt te syn.”

Intusschen was men toch in het buitenland er op bedacht den ijverigen natuuronderzoeker geschenken aan te bieden, als blijken van de waardeering zijner werkzaamheden.

Zoo vereerde hem de Landgraaf van Hessen-Cassel, op zijn reis door Holland, waarbij hij Leeuwenhoek in Delft bezocht en vele belangrijke zaken uit zijne verzameling bezichtigd had, uit erkentelijkheid, twee gedenkpenningen met diens beeltenis voorzien.

Toen Leeuwenhoek den Landgraaf daarover zijn dankbaarheid in een brief betuigde, antwoordde deze hem, zoo als Leeuwenhoek dit in hetzelfde schrijven aan Leibnitz vermeldt198. „Uwe gift is grooter als de mijne.”

Eene groote onderscheiding viel hem den 24sten Mei 1716 te beurt, van wege de Hoogeschool te Leuven. Hij was al sedert geruimen tijd met Antoni Cink, Narrez en Rega, Hoogleeraren in de Natuur- en Geneeskunde aldaar in correspondentie. Deze briefwisseling geschiedde veelal door tusschenkomst van Mr. Gerard van Loon, den bekenden schrijver der Nederlandsche Historiepenningen, en werd in de jaren 1713–1715 gevoerd.

Deze Hoogleeraren, leden van het Collegie van „’t Wilde Swijn” te Leuven, voelden zich gedrongen aan Leeuwenhoek een schitterend blijk hunner achting en warme belangstelling[116]aan te bieden. Op hun last namelijk werd een zilveren gedenkpenning vervaardigd, die op de voorzijde het borstbeeld van Leeuwenhoek vertoonde, met het omschrift: „Antonius Leeuwenhoek Regiae Societatis angliae membrum.”

Gedenkpenning.

Op de andere zijde ziet men in het verschiet de stad Delft, en op den voorgrond een bijen-korf, met eenige daarom rondvliegende[117]bijen, benevens eene bloeiende plant, terwijl de spreuk uit Virgilius er op voorkomt (Georgia IV. v. 6.)

In tenui labor, at tenuis non gloria199.

In tenui labor, at tenuis non gloria199.

Gerard van Loon werd persoonlijk belast hem dit eereblijk, met een begeleidend, vereerend schrijven, op plechtige wijze te overhandigen. Leeuwenhoek betuigde in een brief aan genoemde Professoren zijn grooten dank, ook voor het Latijnsch lofdicht, dat bij wijze van opdracht er aan was toegevoegd. Van dit gedicht zegt hij, dat het was: „Vol van vloeijende aardigheden”.

Als een bewijs hoe gevoelig Leeuwenhoek was wegens de groote eer hem aangedaan, diene hetgeen hij laat volgen: „En als ik gedenk aan de loftuytingen, die in UEd. brief, ende in het lofdigt, werden gemelt, soo werde ik niet alleen schaamroot, maar myn oogen tranen meermalen; te meer omdat myn arbeyt, dien ik veel jaren agter een gedaan hebbe, niet is geweest om den lof dien ik nu geniet, daardoor te behalen, maar meest uyt een drift van weetgierigheyt, die in my meer woont, gelijk ik merk, dan in veel andere menschen.” (Het blijkt uit een brief aan Leeuwenhoek, d.d. 22 Juni 1716, dat dit gedicht was vervaardigd door J. G. Kerkherdere „synen Keyserlyke en Koninglyke Majesteits-Historicus.”) In dezen brief geeft hij nogmaals lucht aan zijn dankbaar gevoel, in bewoordingen, die als eene bijdrage te meer mogen gelden van de waardeering van Leeuwenhoek’s karakter. Hij drukt zich aldus uit: „.… ende dat ingesien hebbende, stond ik verbaast, met ontsteltenisse van myn ligchaam, over de menigvuldige uitdruksels van hooge agtinge, die UE. Hooggeleerde ende wydvermaarde Heere, in uw noyt volpresen vers komt te doen. Ik ken immers my selven tot soo verre, dat ik op het honderste deel niet waardig ben de uytdrukselen, die gy over myn geringen arbeyt komt te doen: want die komt alleen voort uyt een neyginge, die ik hebbe om de beginselen van de geschapene saaken te ondersoeken, tot soo verre als het my mogelyk was.”[118]

De dichter Poot maakte op dezen gedenkpenning het volgende bijschrift:

De Rotte duik’ daer de oven,Erasmus in metael verkeert,Wij loven ’t kunstig Loven (Leuven)Dat d’ eer van Delf met zilver eert.’t Zent Leeuwenhoek naar ’t leven,Aan Leeuwenhoek, door munt herteelt,Wat kon men grooter geven?Dees helt verdient een zinnebeelt.Doch wort de magt niet kranker,Zoo glinstert hy van gout op ’t lest;Maar ’t zilver is vry blanker,En dat gelykt zyn inborst best.Dus pryst de School ’s mans grysheit,De wysheit kroont de wijsheit!

De Rotte duik’ daer de oven,

Erasmus in metael verkeert,

Wij loven ’t kunstig Loven (Leuven)

Dat d’ eer van Delf met zilver eert.

’t Zent Leeuwenhoek naar ’t leven,

Aan Leeuwenhoek, door munt herteelt,

Wat kon men grooter geven?

Dees helt verdient een zinnebeelt.

Doch wort de magt niet kranker,

Zoo glinstert hy van gout op ’t lest;

Maar ’t zilver is vry blanker,

En dat gelykt zyn inborst best.

Dus pryst de School ’s mans grysheit,

De wysheit kroont de wijsheit!

De grootste eer nogtans, waarop Leeuwenhoek zelf den hoogsten prijs stelde en waarop hij met verschoonbare verheffing dikwijls roemde, was zijne benoeming tot „Lid der Royal Society te Londen.” Deze onderscheiding viel hem te beurt toen hij nog in de kracht van zijn leven was, namelijk op 46jarigen leeftijd. Ik spreek er het laatst van omdat ik de bijzonderheden, die deze benoeming voorafgingen en vergezelden, eenigszins uitvoeriger wilde mededeelen; daarbij heb ik gebruik gemaakt van de aanteekeningen, die men bij Birch, „the History of the Royal Society of London,” 1757, vol. IV vindt, omtrent het verhandelde in de vergaderingen van dit geleerd genootschap, welke aanteekeningen men als het Notulenboek der Sociëteit kan aanmerken.

Nadat Leeuwenhoek, sedert zijn eerste aanraking met dit geleerd genootschap in 1673, in eene immer levendiger correspondentie was getreden en hij zijne onderzoekingen, over onderscheiden onderwerpen, voornamelijk die van de bloedlichaampjes en de circulatie van het bloed had bestudeerd, waarvan de resultaten zoo belangrijk waren voor de physiologie en hij kort daarna de niet minder belangrijke ontdekking deed van de infusoria, welke ontdekkingen wij boven gezien hebben, dat[119]zoo zeer de verbazing en bewondering van de leden der „Royal Society” hadden opgewekt, had zijne benoeming tot Lid van dit Collegie in de vergadering van 29 Januari 1680 plaats200. Birch teekende van dit besluit der vergadering het volgende aan: „Dr. Heusch, Mr. Firmin,Mr. Houghton worden gekozen;evenzoo ook Mr. Leeuwenhoek, op voorstel van Dr. Croune.”

In dezelfde vergadering werd aan Dr. Gale, Secretaris van het Collegie, opgedragen, om een diploma voor hem gereed te maken. Aan genoemden geleerde werd in de vergadering van 12 Februari201, gevraagd of het diploma reeds gereed was en bevolen dat het zegel der Sociëteit er aan gehecht zou worden. Men schijnt Leeuwenhoek echter nog eene extra onderscheiding waardig gekeurd te hebben, zoo als ik dit bij geen der benoemingen in dit Collegie bij Birch vermeld gevonden heb, namelijk: „er werd bevolen dat er tevens een zilveren doos voor moest gemaakt worden, waarin dit diploma zou worden besloten, en op welke doos de „wapens der Sociëteit” zouden worden gegraveerd202.”

In de vergadering van den 23sten Februari werd de vervaardiging daarvan aan zekeren Mr. Hunt opgedragen. Het diploma werd vervolgens, toen alles gereed was, met een begeleidend schrijven, namens de Sociëteit, door den Engelschen[120]gezant bij de Hollandsche regeering aan Leeuwenhoek overhandigd203.

Zoo was dan het ideaal van den grooten natuuronderzoeker verwezenlijkt en zijn vurigste wensch vervuld. Voortaan zal hij medegerekend worden onder deillustereleden van het hoogste wetenschappelijk collegie van Europa, dat, hoewel reeds in 1645 opgericht, ten tijde van Leeuwenhoek nog slechts kort geleden op vaste grondslagen was gevestigd en deberoemdstegeleerden der beschaafde wereld van dien tijd in zijn gelederen telde204.[121]

Dat hij niet naliet, zoo spoedig doenlijk zijne dankbaarheid voor de ontvangen onderscheiding kenbaar te maken, zal wel geen verwondering baren. Reeds in de vergadering van den 13den Maart 1680 rapporteerde Robert Hooke, dat hij drie brieven van Leeuwenhoek ontvangen had, waarvan de eerste betuigingen bevatte van zijn warmen dank aan den President en de leden der Sociëteit, voor de eer hem aangedaan. De tweede brief behelsde het bericht van ontvangst van het diploma en vernieuwde betuigingen van zijn dank, en tevens de verzekering van zijn voortdurenden ijver om de Sociëteit te dienen, zoo veel hij kon en dat hij dit zou blijven doen, zoo lang hij leefde; terwijl de derde weder eenige waarnemingen van hem behelsde.

En Leeuwenhoek heeft woord gehouden. Niet alleen, dat hij, zoo als ik boven aanstipte, tot op 85jarigen leeftijd in geregelde briefwisseling met de Sociëteit verkeerde, toen hij (20 November 1717) zoo het scheen voor goed afscheid er van nam, maar het blijkt ook uit hetgeen ik in de „Philosophical Transactions” van na den bovengenoemden datum, tot op het jaar 1723, zijn sterfjaar, gevonden heb, dat zijn werkzame geest zich geen rust gunde, vooral daar zijn verstand en oog ook nog in dat tijdsverloop helder bleef, hoewel zijne handen „swak werden, ende een weynig bevinge ondervonden” zoo als hij zich in dien brief uitdrukte.

In het 31ste en 32ste deel namelijk der „Transactions” worden nog een achttal brieven gevonden van de jaren 1720 tot 1723 (waaruit blijkt, dat hij dus gedurende een halve eeuw met de „Royal Society” briefwisseling gevoerd heeft), terwijl hij nog op zijn sterfbed aan zijn vriend Johannes Hoogvliet205opdroeg, twee brieven, die hij in den laatsten tijd geschreven had, in het Latijn te vertalen en in zijn naam aan de Sociëteit toe te zenden.[122]

De treffende bijzonderheden van deze laatste opdracht mag ik niet achterhouden; ze zijn ons bewaard gebleven in het 32ste deel der „Philosophical Transactions”, pag. 435, waarin bericht wordt „dat een brief ontvangen is van Johannes Hoogvliet, d.d. 1 September 1723, aan den Secretaris der „Royal Society” Jacobus Jurin, overleggende twee brieven, die op verzoek van den stervenden Leeuwenhoek werden toegezonden.” Deze missive van Hoogvliet was van den volgenden inhoud en in ’t Latijn geschreven:

„Onze eerwaardige grijsaard Leeuwenhoek liet mij, toen hij reeds met den dood kampte, maar desniettemin nog aan zijn geliefde studie dacht, tot zich roepen en vroeg, mij met reeds half gebroken oogen aanstarende en in afgebroken woorden, of ik deze beide brieven in het Latijn wilde overzetten en aan u, zeer geleerde Heer toezenden. Daar ik het verzoek van zulk een man, zoo als ik dat reeds sedert eenige jaren gewoon was, niet kon weigeren, zoo zend ik u, zeer geleerde Heer, het laatst geschenk van mijnen stervenden vriend, hopende dat deze zijne laatste werkzaamheden u aangenaam zullen zijn.”

De inhoud dezer twee brieven was:

Uit den inhoud dezer twee brieven ziet men, dat de twee belangrijkste onderwerpen, die zoo zeer bijgedragen hadden om zijn naam onsterfelijk te maken en waaraan hij schier zijn geheele leven gewijd had, hem zelfs op zijn sterfbed voor den geest zweefden en tot op het laatst zijns levens het gewichtig onderwerp zijner onderzoekingen uitmaakten.

Men meene echter niet dat zijn eenigste gedachten op de stoffelijke dingen der aarde gevestigd waren, zoodat hij zelfs met den dood voor oogen zijn geest daarmede uitsluitend zou hebben bezig gehouden. Neen, wij kunnen uit onderscheidene plaatsen in zijne brieven zien, dat een innig godvruchtige geest in hem woonde en hij in alles wat hij verwonderlijks zag en opmerkte Gods grootheid en almacht roemde. Hoor onder anderen wat[123]hij zegt in een brief aan Nicolaas Witsen206, „Want wy en konnen den Heere en maker van het geheel-Al, niet meer verheerlyken, als dat wy in alle zaken, hoe klein die ook in onse bloote oogen mogen zijn, als ze maar leven en wasdom hebben ontfangen, zyn Al-wysheit en volmaaktheit, met de uiterste verwondering sien uitsteken.”

Of zijn ontboezeming in een brief aan Frederik Adriaan207over het ontstaan van de oneindig kleine diertjes. „O diepte der Wysheyt, hoe ondoorgrondelijk zyn uwe werken, zullender nu nog menschen gevonden werden, die seggen datter geen God is?”

Ik zou deze voorbeelden nog met een aantal anderen kunnen vermeerderen, doch het aangevoerde zal, vertrouw ik, voldoende zijn om zijn vromen geest te kenschetsen.

Nadat de eerbiedwaardige grijsaard deze zijne laatste beschikkingen gemaakt had, kon hij gerust het hoofd nederleggen, omringd door zijne geliefde dochter, betrekkingen en trouwe vrienden, en met recht kan van hem gezegd worden, dat hij gewerkt had, zoo lang het voor hem dag was.

Leeuwenhoek overleed den 26sten Augustus 1723 en had alzoo den ouderdom van bijna 91 jaren bereikt, waarvan hij er met zekerheid meer dan 60 onafgebroken aan zijne geliefkoosde natuurstudiën had gewijd.

Hij werd in de St. Hippolitus- of Oude Kerk te Delft begraven, alwaar een gedenkteeken nog in goed onderhouden toestand gevonden wordt, dat zijne dochter Maria, 17 jaren na het overlijden van haren vader, ter zijner nagedachtenis en eere heeft doen oprichten. Dit gedenkteeken bestaat uit een spits toeloopende naald van hardsteen, door eene vaas gedekt, al waar in het bovengedeelte de buste van Leeuwenhoek in wit marmer is aangebracht, en waaronder men de volgende inscriptie leest:

„Piae et aet. (ernae) Memor. (iae) Antonii a Leeuwenhoek, reg. (iae) angl. (icae) Societ. (atis) membr. (o), qui naturae penetralia et physices arcana microscopiis ab ipso[124]inventis et mirabili arte fabricatis assiduo studio et perscrutatione detegendo et idiomate belgico describendo de toto terrarum orbe optime meruit.”Nat. Delphi XXIV Oct. An. MVICXXXII.Ibique denat. XXVI Aug. An. MVIICXXIII.

„Piae et aet. (ernae) Memor. (iae) Antonii a Leeuwenhoek, reg. (iae) angl. (icae) Societ. (atis) membr. (o), qui naturae penetralia et physices arcana microscopiis ab ipso[124]inventis et mirabili arte fabricatis assiduo studio et perscrutatione detegendo et idiomate belgico describendo de toto terrarum orbe optime meruit.”

Nat. Delphi XXIV Oct. An. MVICXXXII.Ibique denat. XXVI Aug. An. MVIICXXIII.

Onder den breed uitloopenden voet der grafnaald, welke op vier bollen rust, in het midden waarvan een wit marmeren doodshoofd op kruiselings gelegde doodsbeenderen, leest men de volgende inscriptie:

„Patri charissimo hoc monumentum filia Maria”A. Leeuwenhoek Moerens P. (osuit).

Het geheele monument is omgeven door een sierlijk bewerkt ijzeren hek, terwijl vóór dit hek zich het familiegraf bevindt, gedekt door eene zware zerk, waarop het volgende opschrift is uitgehouwen:

„Hier rust Antony van Leeuwenhoek, oudste lid van de Koninklyke Sosyteyt in Londe, gebooren binnen de Stadt Delft op den 24sten October 1632 en overleden op den 26sten Augustus 1723, out synde 90 jaren 10 maanden en 2 dagen.„Heeft elk, o wandelaar, alomOntzagh voor hoogen ouderdomEn wonderbare gaven,Zoo zet eerbiedigh hier uw stap:Hier legt de grijse wetenschapIn Leeuwenhoek begraven”208.

„Hier rust Antony van Leeuwenhoek, oudste lid van de Koninklyke Sosyteyt in Londe, gebooren binnen de Stadt Delft op den 24sten October 1632 en overleden op den 26sten Augustus 1723, out synde 90 jaren 10 maanden en 2 dagen.

„Heeft elk, o wandelaar, alomOntzagh voor hoogen ouderdomEn wonderbare gaven,Zoo zet eerbiedigh hier uw stap:Hier legt de grijse wetenschapIn Leeuwenhoek begraven”208.

„Heeft elk, o wandelaar, alom

Ontzagh voor hoogen ouderdom

En wonderbare gaven,

Zoo zet eerbiedigh hier uw stap:

Hier legt de grijse wetenschap

In Leeuwenhoek begraven”208.

En eindelijk is, geheel aan het onderste gedeelte der zerk nog uitgehouwen:

„en Maria van Leeuwenhoek desselfs dogter, geboren te Delft den 22sten September 1656 en overleden den 25sten April 1745.”

„en Maria van Leeuwenhoek desselfs dogter, geboren te Delft den 22sten September 1656 en overleden den 25sten April 1745.”

Verder is op de zerk uitmuntend uitgehouwen een schoon[125]bewerkte vliegende arend, met den kop hemelwaarts gericht, terwijl hij met de klauwen een schild vastklemt, waarop zijn familiewapen209zal gegrift geweest zijn, doch dat er in den Franschen tijd is uitgehouwen, zoo als dit met al de wapenschilden in ons land, op oude monumenten, waar deze vroeger bestonden, het geval is geweest. Het is een schild van goud, beladen met een klimmenden leeuw van azuur, getongd en geklauwd van keel. Het schild gedekt door eenschuinstaanden helm, waarop als helmteeken een vogelvlucht van goud en azuur, gedekt met helmdekken van goud en azuur. Onderaan ligt eene sphynx; dezelfde figuur, die ook voorkomt op de allegorische titelplaat voor het eerste deel van de brieven van Leeuwenhoek, en waarvan de beteekenis is, volgens de uitlegging van deze titelplaat door den dichter T. van der Wilt:

„Scherpzinnigheid, waarmede’t Verborge wert ontdekt, en ’t duistere verklaart”…

„Scherpzinnigheid, waarmede

’t Verborge wert ontdekt, en ’t duistere verklaart”…

De dichter Poot maakte nog een ander gedicht „ter eeuwige gedachtenisse” van zijn vriend Leeuwenhoek, waarvan de laatste regelen dus luiden:

„O Leeuwenhoek, zoo blank van hart als hair,Ter quader uur door ’t straffe lot bemagtigt,Ziet uit uw graf, zie eens na hondert jaer,Hoe door de faem uw glori wort bekrachtigt.Wy zullen, als de lente weligh bloeit,En ’t kille sneeu komt op ’t gebergt ontdoien,Uw stil vertrek, uw rustplaets onvermoeit,Met geurigh loof en versch gebloemt bestroien,Terwyl zult ge u vermaken in den reiDer zaligen, daer andre starren lichten.Vergeef my nu, dat ik weemoedighschrei’k Zal in myn ziel voor u een eerzuil stichten.—En gy, die hier uws Vaders lyk betreurt,Marye, eilaas! hoe schynt het heil verdweenen!Bewys uw rou: ’t valt schaers een kint te beurt,Zoo groot een’ Helt en Vader te beweenen.”

„O Leeuwenhoek, zoo blank van hart als hair,

Ter quader uur door ’t straffe lot bemagtigt,

Ziet uit uw graf, zie eens na hondert jaer,

Hoe door de faem uw glori wort bekrachtigt.

Wy zullen, als de lente weligh bloeit,

En ’t kille sneeu komt op ’t gebergt ontdoien,

Uw stil vertrek, uw rustplaets onvermoeit,

Met geurigh loof en versch gebloemt bestroien,

Terwyl zult ge u vermaken in den rei

Der zaligen, daer andre starren lichten.

Vergeef my nu, dat ik weemoedighschrei

’k Zal in myn ziel voor u een eerzuil stichten.—

En gy, die hier uws Vaders lyk betreurt,

Marye, eilaas! hoe schynt het heil verdweenen!

Bewys uw rou: ’t valt schaers een kint te beurt,

Zoo groot een’ Helt en Vader te beweenen.”

[126]

Zoo als uit al het bovenvermelde blijkt, zijn de bijzonderheden omtrent de waarnemingen van Leeuwenhoek alle ontleend aan brieven door hem aan de „Royal Society” te Londen en aan particulieren geschreven en beslaan dus ook zijne geschriften uit eene verzameling dezer brieven, die allen op verschillende tijden, aanvankelijk ieder afzonderlijk of enkelen te samen, schijnen gedrukt en uitgegeven te zijn, blijkens de pagineering, die in het eerste deel niet doorloopend is, maar voor iederen brief afzonderlijk, en ook door de verschillende titels, waaronder zij bij onderscheidene boekverkoopers te Delft en te Leiden zijn gedrukt en uitgegeven.

Er bestaan van deze zelfde brieven twee uitgaven, namelijk de Hollandsche en de Latijnsche; beiden in vijf 4odeelen, waarvan het vijfde deel de zoogenaamde „Sendbrieven” bevat.

De Hollandsche verzameling, die in mijn bezit is, dateert van 1685–1718. Daarin zijn de brieven van Leeuwenhoek opgenomen, deels onder den titel van „Ontleedingen en Ontdekkingen” enz., deels onder dien van „Ondervindingen en Beschouwingen” enz., deels onder dien van „Vervolg der brieven”, waarvan er zeven zijn.

Deel I vangt aan met den 28sten brief en loopt tot no. 52, bevattende de brieven van de jaren 1679 tot 1686, terwijl daarin ook het Eerste Vervolg van no. 53 tot 60, loopende van April 1687 tot November van dat zelfde jaar gevonden worden.

Deel II bevat het Tweede tot Vierde Vervolg van no. 61 tot no. 83, loopende van 1688 tot 1694.

Deel III bevat het Vijfde en Zesde Vervolg van no. 84 tot no. 107, loopende van 1694 tot 1696.

Deel IV bevat het Zevende Vervolg van no. 108 tot no. 146, loopende van 1697 tot 1702.

Deel V eindelijk bevat de „Sendbrieven” vervat in 46 brieven, loopende van 1712 tot 1716. Na aftrek dus van de 28 niet uitgegevene zijn er in deze verzameling in het geheel 165 brieven opgenomen.

De reden waarom deze brieven eerst met den 28sten aanvangen schijnt niet met zekerheid bekend te zijn. De drukker van de brieven, die in het eerste deel voorkomen, zegt aan het begin[127]van het „Register” op den 28sten tot den 52sten brief: „De voorgaande 27 brieven by den Auteur geschreven, en heeft hij tot noch toe niet konnen resolveren, die met den druk gemeen te maken; dus hier de 28ste Brief de eerste is die gedrukt is.”

Van Haastert210oppert het vermoeden, als of hij den inhoud dezer 26 brieven uit kieschheid niet geschikt voor de publiciteit zou gekeurd hebben, doelende op een postscriptum onder een brief van Leeuwenhoek, handelende over de zaaddiertjes, waar hij zegt:

„Ik heb nog eenige afzonderlijke waarnemingen over de vrouwen en de bevrugting enz., doch ik houde die terug om geen aanstoot te geven.”En in een anderen brief aan Petrus Rabus211, „Myne stellingen omtrent de versamelinge, bevrugtwerdinge en voorttelinge van onze vrouwen enz., hebbe ik sedert dat ze UE. onlangs tot mijnent gelezen had, nog aan een zeer geleerd en voornaam Heer laten zien en daarby gezeid, dat UE. my hadde aangeboden om het in ’t Latyn over te zetten, en in die taal wereltkundig te maken. Doch die Heer is, nevens my, van gevoelen, dat wy zulks best mogten laten; eensdeels enz.… en ten anderen, uit vreze dat de werelt, die dog boos en bot genoeg is, de Natuerkennis tot haar verderf mogt gebruiken en meer en meer in ongebondenheid uitspatten.”

Ik kan mij echter met deze opgegeven reden niet vereenigen, dewijl ik in de brieven, die ik van Leeuwenhoek in de „Philosophical Transactions”aan de „Royal Society” van vóór 1679 geschreven, gevonden heb, die een zestiental bedragen, er slechts eene gevonden heb die over de spermatozoïden handelt.

Het is zeker te verwonderen, dat juist de brieven van 1673, waarin hij zijn eerste brief aan bovengenoemd Collegie schreef, tot 1679, waarin de 28ste of eerste brief der Verzameling is geschreven, in deze verzameling gemist worden. Deze toch vertegenwoordigen een tijdvak, waarin zijne waarnemingen, zoo zeer de[128]bewondering en verbazing van de leden der „Royal Society” opwekten, dat daardoor niet alleen de aandacht op hem gevestigd werd, maar hem de hooge onderscheiding werd waardig gekeurd als Lid van dat beroemd genootschap te worden aangenomen en dat onder omstandigheden zoo vereerend voor hem als wellicht zelden aan een ander zijn te beurt gevallen. Zijne in het IXde, Xde en XIde deel der „Philosophical Transactions” opgenomene brieven hebben betrekking op zijne microscopische onderzoekingen van „bloed, melk, beenderen, de hersens, het haar, het kristallynvocht, de gezichtszenuw, de textuur van het hout, de kleine diertjes in regen-, wel-, zee-, ensneeuwwater, alsmede in water, waarin men peper had laten trekken; de structuur der tanden, beenderen, ivoor.”

Ik vermoed eer dat Leeuwenhoek geen afschriften van deze eerste brieven zal gehouden hebben, zoo als hij dit van de anderen deed en mij uit enkele perioden in sommige zijner brieven gebleken is, en hij daarom buiten de gelegenheid was, toen men bij hem op de uitgave zijner brieven begon aan te dringen, daaraan, wat deze 27 eerste betreft, gevolg te geven. Dat Leeuwenhoek aanvankelijk tot die uitgave niet uit eigen beweging, maar op aandrang van anderen is overgegaan, blijkt uit een brief van zijn eersten uitgever Daniel van Gaesbeek te Leiden van 1 Januari 1684, bij wijze van opdracht voor het eerste deel geplaatst, waarin hij dus aanvangt: „Als alle de werelt seer verwondert sprak, van de uitvindinge tot beschouwinge der onsienelyke verborgenheidswaarheden, door UE. opgelost; ende dat veele boeken in andere landen en taalen daar af gewaagden, brande myn lust, om meede een oog-getuige daar in te zijn; soo heeft my den geleerden Medicyn-meester de Heer Cornelis van ’s Gravesande, Raad en Scheepen der stad Delft, bij UE. geleid: waar ik door UE. konstige en niet min loflyke uitvindinge, die verwonderlyke verborgentheden Gods, door UE. beleefde goeddadigheid komende te beschouwen, soo bevond ik, dat de vreemde boeken die daar af door de wereld sweeven, in den zin, afteekening en waardigheid niet weinig verschilden, en ook dat onse eige ingeboorne landsaten in haar taal niet kosten genieten die wetenschappen, die reeds eenige naburige volkeren in haar eygen[129]taal en sprake waren bekend geworden. Derhalve niet rustende, ofte ik had bekoomen yets van ’t gene UE. selfs de weerelt meede gedeelt had, so wierden my ter hand besteld (door een Heer, die ik en de wereld daar voor moet danken) deese UE. nevensgaande brieven, by UE. „meede Broeders van dat Hoogloflijke Collegie des Koninklijke Sociëteits in Engeland”. Deese (waarin soo bysondere wonderheden waren aan te schouwen) dagten my te waardig, om niet aan alle onse Landsgenooten in haar eigen taal (door hulp van den voornoemden Heer, en myn druk-pers, mitsgaders de konstige hand des plaat-snyders, Abraham de Blois te Delft) sigtbaar voor te stellen, als zijnde een grondsteen, waar op alle wijsgeerige en doordringende verstanden voort bouwen en haare wetenschappen verder verklaren. Soo leg ik deese myne daad en sorge wederom voor UE. neder; in hoope, dat dit myn stout bestaan by UE. over ’t hoofd gesien, ende ten besten geduid sal werden; dat ook UE. deese uwe eerstelingen (die dan een Engels, dan een Frans, en dan wederom een Oud-Rooms hulsel syn opgeset en daardoor veel van haar eygen wesen en luyster hebben verloren, en nu eerst het ligt in haar eygen vaderland komen te aanschouwen) niet en sult afwijsen; maar als UE. eygene vrugten en maaksels uwes verstands erkennen en aannemen; ende daardoor nog meer en meer bewogen werden, omme niet alleen UE. verdere ondervindingen,maar ook die gene, die UE. (zoo ik onderrigt ben) omtrent thien jaren herwaards aan het Hoogloffelijk Collegie in Engeland heb opgedist, tot voldoeninge van onse ingesetene wijsgeerders meede te deelen, en dien kostelijken schat onse ingeboorne niet langer te onthouden, waartoe ik hoope God de Heere UE. ondersoekingen meerder en altoos sal zeegenen”.

Deze laatste periode doelt blijkbaar op de eerste 27 brieven, die Leeuwenhoek aan de „Royal Society” geschreven had.

Nog op eene andere gaping in de bekendmaking zijner brieven in de Hollandsche en Latijnsche verzameling wil ik wijzen.

De laatste brief namelijk van het „Zevende vervolg” (DeelIV) eindigt met den 146sten brief, gedateerd 10 April 1702, terwijl de eerste der 46 „Sendbrieven” de dagteekening draagt van 8[130]November 1712. Er is dus weder een tijdvak van 10 jaren, waarin geen brieven van Leeuwenhoek in onze taal of in het Latijn afzonderlijk zijn gedrukt. Mogelijk zijn het deze brieven, waarop gedoeld wordt aan het slot van den Catalogus der verkooping der microscopen in de volgende noot: „N.B. In den boedel van wijle Jufvrouw Maria van Leeuwenhoek zijn gevonden eenige nagelaten manuscripten of brieven van haar vader, den Heer Antoni van Leeuwenhoek, dewelke door Z.E. in deszelfs leven geschreven en in eene nette en goede orde geschikt zijn, om als een vervolg op zijne voorgaande uitgegeven brieven gedrukt te kunnen worden;allede Platen daartoe behoorende, zijn daarbij en reeds in ’t koper gegraveert, zoo als de Latijnsche vertaling van voorzeide brieven. Iemand genegen zijnde dit werk te laten drukken, kan zich addresseren aan de Executeurs van de voorz. boedel.” Wat er van die brieven geworden is ben ik niet te weten kunnen komen.

Eene andere verklaring, die mij, in verband met het boven vermelde, niet onwaarschijnlijk voorkomt, vond ik in hetgeen zijne dochter aan von Uffenbach, tijdens zijn bezoek aan Leeuwenhoek mededeelde. „Sie erzählte uns,” zegt hij, „dass ihr Vater seit einigen Jahren viel neues durch seine Microscopia entdekt hätte, er wolte aber in seinen leben nichts mehr von seinen Observationen herausgeben, weil ihne einiger Schimpf, vermuthlich in Schriften, wiederfahren, da man sich über seine sonderliche Meinungen in seinen Schriften hin und wieder spottisch aufgehalten, und ihm schuld gegeben, er habe mehr durch seine Einbildung gesehen, als durch seine Gläser.”212Dit bezoek nu had juist plaats in 1710, en de door zijne dochter bedoelde „nieuwe waarnemingen” kunnen dus zeer goed slaan op die, welke hij sedert 1702 ondernomen en aan de Royal Society had medegedeeld. Ik heb deze brieven in de „Philosophical Transactions” van de jaren 1702–1712, deel XXIII–XXVII, gevonden, de volgende waarnemingen worden er in vermeld: „Over het groen kroos in het water groeiende, en eenige diertjes daarin gevonden; de zaden van verschillende Oost-Indische planten;[131]den kinabast; het beslag der tong bij koortsen; de bloedvaten; de circulatie van het bloed bij de visschen; candysuiker; de zaadvaten;spiervezels en bloed van den walvisch; de huid van den olifant; de voortteeling der mossels; de milt; roodkoraal; samenstelling van diamanten.”

Eindelijk heb ik nog, na de laatste der „Sendbrieven” d.d. 20 Nov. 1717, waar hij, om zijne hooge jaren, afscheid neemt van de Royal Society, in het XXXIste en XXXIIste deel der „Transactions” een achttal brieven gevonden, van de jaren 1720 tot 1723, hetzelfde jaar, waarin hij gestorven is, handelende: „Over beenderen; het middenrif; de spiervezels der visschen; de vaten in sommige soorten van hout, en over spiervezels in verschillende dieren; de membranen die de vaatbundels omsluiten, waarin een spier verdeeld is; de spiraalvaten van de bladeren; het wollige bekleedsel der persikken en kweeappels;” waarbij eindelijk nog gevoegd moeten worden de beide brieven, die Leeuwenhoek op zijn sterfbed aan zijn vriend Johannes Hoogvlied verzocht in het Latijn over te zetten en aan de Royal Society toe te zenden, welke brieven ik reeds uitvoeriger besproken heb.

De Latijnsche verzameling bestaat eveneens uit vijf deelen in 4o. onder de volgende titels:

Deel I onder dien van: „Anatomia et contemplatio nonnullorum naturae invisibilium secretorum, comprehensorum Epistolis quibusdam scriptis” etc. Lugd. Bat. 1685.

Deel II: „Epistolae ad Societatem Regiam Londinensium et alios viros illustros datur.” Lugd. Bat. 1689.

Deel III:„Anatomia, hoc de interioribus rerum, cum animatarum, tum inanimatarum, ope et beneficio exquisitissimorum microscopiorum detectis.” Lugd. Bat. 1689.

Deel IV: „Arcana naturae ope microscopiorum detecta.”Delphi 1695–1697.

Deel V: „Epistolae physiologicae super compluribus naturae arcanis, hactenus nunquam editae,” Delphi 1709.

Later heeft men ze nog gezamenlijk uitgegeven onder den titel: „Opera omnia seu Arcana naturae ope exactissimorum microscopiorum detecta;” doch men heeft er een nieuw titelblad voor geplaatst met de jaartallen 1715–1722.[132]

A. J. van der Aa213vermeldt eveneens de bovengenoemde Hollandsche en Latijnsche uitgaven in vijf deelen, waarin de brieven van Leeuwenhoek zijn vervat, en bevestigt, door de vermelding der afzonderlijke titels, waaronder zij zijn uitgekomen, dat enkele dezer brieven bij een-, twee-, drie- en meertallen te samen afzonderlijk zijn uitgegeven en, zoo als ik boven opmerkte, betrekking hebben op de 52 eerste brieven, altijd daarvan afgetrokken de 27 eerste niet gedrukte, terwijl hij zoowel van de Hollandsche als de Latijnsche uitgave de geheele uitvoerige titels mededeelt. Men vindt verder nog bij van der Aa zijne correspondentie met Petrus Rabus, de uitgever van de „Boekzaal van Europa,” welk tijdschrift tot op onzen tijd onder den naam van „Boekzaal der geleerde wereld” is bekend gebleven.

In de Hollandsche en Latijnsche verzamelingen zijner brieven vindt men er echter slechts één aan genoemden schrijver, die een bijzonder vriend van Leeuwenhoek moet geweest zijn.

Deze correspondentie heeft Rabus in zijn „Boekzaal” bekend gemaakt; ze is de volgende:

1. „Korte inhoud van een brief, geschreven uit Kolmar, behelzende een overzeldzame ziekte van eene vrouw, die rijpen (rupsen) uit haar regter oor loosde”, en brief van Leeuwenhoek aan den schrijver van de Boekzaal over de vorenstaande historie.

2. „Uittreksel uit een brief van den grooten onderzoeker der Natuurgeheimen den Heere Antoni van Leeuwenhoek, geschreven aan den schrijver van de Boekzaal, waarin gehandeld wordt van de vis, Roch genaamd, deszelfs eijeren, bloedvaten enz.” Delft den 21 Mei 1695, (In de P. R. Boekzaal van Europa, Mei en Junij 1695, blz. 322).

3. „Brief van den grooten natuur-beschouwer den Heere Antoni van Leeuwenhoek, geschreven aan P. Rabus, zoo als ze van woorde tot woorde luid (een vervolg van ’s Mans ontdekkingen, wegens het hoornvlies en d’ oogen van een Rombout (Korebout of Puistebijter); ontleding van ’t gemelde vlies. Beschouwing door ’t zelve. Uit hoevele schubachtige opeenleggende deelen het bestaat. Volmaaktheid van ’t oog. Reden waarom het vliegend dier[133]met zoo veel duizende gezigten voorzien is; Krabbe-, kreeften- en garnaals-oogen. Eijernesten der vorensgezeide Rombouten, Groot getal eijeren. Oorzaken waarom uit die eijeren niet meer voortgekomene dieren gezien worden. Besluit van de voortteelinge” in P. Rabus. Boekzaal, Nov. en Dec. 1694. blz. 511.

4. „Brief van den Heere Antoni van Leeuwenhoek aan den schrijver van de Boekzaal (P. Rabus) gezonden, als een vervolg van zijn gevoelen over de historie van de vrouw van Kolmar, in de naast voorgaande twee maanden verhandeld en onderzogt. Bij Rabus, Boekzaal van Europa,” Julij en Aug, 1695, blz. 92; Sept. en Oct. blz. 258.

5. „Brief van Antoni van Leeuwenhoek aan P. Rabus, waarin gehandeld word van den zoogenaamden Honigdauw. Wat de boeren en het algemeene volk daardoor verstaan. Waarneming van zeker glimpend vocht op lindebladen. Zoutdeelen in dezelve. Deze vocht in ’t oog als een olyachtige stoffe voorkomende, valt geenszins uit de lucht. Ze wordt uit de bladeren uitgestooten. Beschouwing van meer boomen en hare bladen, bijzonderlijk den Wijngaert. Bevestiging van het voorgestelde.Nog iets van de wigchelroede”; in P. Rabus, Boekzaal van Europa, Julij en Aug. 1696, blz. 144.

6. „Uittreksel uit zekeren brief van den Heere Antoni van Leeuwenhoek, den vijfden van Grasmaand 1697 aan de Koninklijke Maatschappij te Londen geschreven, wegens den zeilsteen en het ijzer”, in Rabus, Boekzaal van Europa, Mei en Junij 1697, blz. 459.

7. „P. Rabus, Brief aan den grooten uitvinder der Natuurgeheimen, den Heer Ant. van Leeuwenhoek”; in Boekzaal van Europa, 1693, blz. 159.

8. „Uittreksel uit een brief van den Heere Antoni van Leeuwenhoek, geschreven aan den schrijver der Boekzaal. Over de vloo-teelt”; in Boekzaal van Europa, 1633, blz. 554.

9. „Brief van den schrijver des Boekzaals aan Antoni van Leeuwenhoek afgevaardigt, over een zonderlinge historie van goud, zilver of andere bergstoffen, met een tweesprankelig takje van een boom te ontdekken”; in Boekzaal van Europa, Mei en Junij 1696, blz. 495 en Antwoord van Ant. van Leeuwenhoek, blz. 522.[134]

Van deze brieven zijn No. 1, 2, 4, 7 en 9 niet in de verzameling zijner brieven te vinden, terwijl over den inhoud van No. 3 gehandeld wordt in het IIIde deel, 5de vervolg, 85ste brief, blz. 5; van No. 5 in het IIIde deel, 6de vervolg;104de brief, blz. 293 en IVde deel, 7de vervolg 109de brief;van No. 6, in het IVde deel, 7de vervolg, 108ste brief, blz. 3; van No. 8 in het IIde deel, 4de vervolg, 76ste brief, blz. 561.

Men vindt nog bij van der Aa vermeld, dat de brieven van Leeuwenhoek in de „Giornale Litteratite Modena” zijn opgenomen.

Ook zijn de Microscopische beschouwingen, vervat in de „Philos. Transact.”No. 3, pag. 51; No. 94, pag. 6037; No. 97, pag. 6116; No. 102, 106, 108, 117, 136, 143, door Leske in het Hoogduitsch overgezet en uitgegeven, 2 deelen in één band.

Verder: „De generatione Hominis, liber Petri Gercke, Med. Dr. Chymiae, Theoriae, et Materiei Med. Profess. P. O. in Academia Julia Serenissimi Ducis Brunsvic. et Luneb. à consiliis Aulae et Archiatri ac Regiae Societatis Scientiarum Berol. Membri. Helmst. 1744.”

Een uittreksel van Leeuwenhoek’s brieven verscheen achter „Cours de Physique, accompagné de plusieurs Pièces concernant la Physique, qui ont déja paru et d’un Extrait critique des Lettres de Mr. Leeuwenhoek, par feu Mr. Hartsoeker, A la Haye, 1730 4o.”’t welkaanwezig is op de Academische Bibliotheek te Leiden.

Eene uitvoerige lijst van de brieven van Leeuwenhoek kan men ook vinden bij L. Theod. Gronovius,Bibliotheca Regni animali atque lapidi.L. B. 1760, pag. 159.

Verder vermeldt Dr. Herman August Hagen in zijn „Bibliotheca entomologica,” Leipzig 1862, een 15tal brieven, allen van entomologischen inhoud.

Prof. Louis Agassiz heeft de brieven van Zoölogischen inhoud van Leeuwenhoek opgenomen in zijn „Bibliographiazoologiae et geologiae,” London 1852.

J. Victor Carus en Wilhelm Engelmann hebben dit gedaan in hun „Bibliotheca Zoölogica,” Leipzig 1861, voor een aanzienlijk aantal zijner brieven, die zij onder de desbetreffende rubrieken hebben vermeld.[135]

Eindelijk volgt hier de korte inhoud van de acht manuscripten van Leeuwenhoek, die ik geraadpleegd heb, waarvan er twee berusten in de Bibliotheek der Leidsche Hoogeschool, Cat. XVIII, Huygens, No. 26 en 30, en de overigen in de verzameling waren van Mr. L. C. Luzac, doch na diens overlijden verkocht zijn214, als: I. vijf aan Constantijn Huygens; II. twee aan Christiaan Huygens; III. een aan N. Oldenburg, Secretaris der Royal Society te Londen, terwijl er zich nog één eigenhandig geschreven brief van Christiaan Huygens aan Leeuwenhoek bij bevindt, waarbij gevoegd is een door Leeuwenhoek geschreven en uitgewerkte berekening, ten betooge, dat er meer dan tienmaal zoo veel levende dieren uit de hom van een cabeljau voortkomen als er menschen op de aarde leven. Dezelfde berekening wordt gevonden in een „postscriptum” onder een brief van Leeuwenhoek aan Nehemias Grew, Secretaris der Royal Society te Londen (28ste brief, blz. 14).

Al deze brieven zijn geteekend Antoni Leeuwenhoeck, de voornaam met een lange i zonder „van” en met „ck.”

De inhoud dezer manuscripten is de volgende:

I. 1o. d.d. 5 April 1674: Over de globulen in melk, het haar, de nagels; de vorming van melk in de vrouwen-borsten uit bloed.

2o. d.d. 24 April 1674: Over de bloedbolletjes; de beenderen; waaraan de witte kleur aan fijngestoten gekleurde stoffen is toe te schrijven; de bolletjes in de kuit van cabeljauw.

3o. d.d. 7 November 1676: Over de diertjes in gekruide wateren, en in regen- en andere wateren, waarin hij zes verschillende diertjes beschrijft; de aaltjes in azijn; Leeuwenhoek bedankt in deze brief aan het slot, voor het aanbod van zijn zoon, Christiaan Huygens, om zijne observatiën in de Fransche taal over te zetten en ze in die taal wereldkundig te maken.

4o. d.d. 26 December 1678: Opmerkingen over de door Christiaan Huygens waargenomen en afgebeelde diertjes in verschillende[136]wateren; over het zoogenaamde stof op de vleugels der kapellen en afbeelding dezer schoone schubjes.

5o. d.d. 21 Mei 1679: Speculatien over de kleine vatjes en zenuwen in de kleine diertjes in het water enz.; calculatie omtrent de grootte dezer diertjes.

II. 1o. d.d.15 Februarij 1677: Dankzegging voor de vertaling in het Fransch zijner observatiën.

2od.d. 15 Mei 1679: Medegegeven aan zijn zusters zoon Antoni Molyn of du Molyn. (Zie mijn familieregister). Over de beweging der kleine diertjes met een lange staart. Aanbeveling aan Chr. Huygens om, vóór hij zijn „Dioptrica” uitgeeft, het boekje van Robert Hooke, „Lectures and collections” te lezen.

III. d.d. 1 Junij 1674. Dankzegging voor ontvangen nommers der „Philosophical Transactions” en voor de aanmoediging van Boyle, om voort te gaan in het onderzoeken van de „bloeijende couleur”, die het bloed uit de aderen ondergaat, als het aan lucht is blootgesteld; observatie over het nederzakken der bloedbolletjes naar den bodem; over de wijze hoe hij bloed en melk in dunne glazen pijpjes observeert, en beschrijving en afbeelding dezer fijne haarbuisjes; over de drukking die de lichamen door de lucht ondervinden (hij zond er eenige der boven beschreven haarbuisjes om het bloed in waar te nemen bij); over de structuur van beenderen en tanden; over de lever; de hersenen en het ruggemerg eener koe; het vleesch en de dunne striempjes daarin; speeksel; de menschelijke opperhuid.

IV. d.d. 6 Maart 1690. Minute van een brief van Christiaan Huygens aan Leeuwenhoek. Over eene verbeterde wijze om de glazen bol in te richten, ten einde de ronddraaiende beweging der aarde aan te toonen (zie bl. 66 en zesde vervolg 101ste brief, blz. 263).

Verder handelt een eigenhandig geschreven brief van Leeuwenhoek aan den Heer L. van Velthuysen, in het bezit geweest van wijlen den Heer van Dam van Noordeloos te Rotterdam, van 11 Mei 1679: Over de figuur van een plant in zaaden te zien; de spiraalvaten in de zaden, het hout en andere deelen der planten; de schimmel op oud leder en hoe het gevormd wordt; over de witte vloed.[137]

Later is mij nog door Dr.du Rieu bericht, dat door hem in een bundel nog niet op den catalogus gebrachte brieven, gevonden zijn vier brieven van Leeuwenhoek:

1o. Een afschrift van een eigenhandigen brief van Leeuwenhoek, waarvan het oorspronkelijke berust bij den Heer Mazel, Oud-Secretaris-Generaal van Buitenlandsche Zaken te ’s Hage „Over de zoogenaamde zaaddiertjes”; de aaltjes in den azijn, waaromtrent Leeuwenhoek vermeldt, dat er 8á10 in een glazen pijp te zien waren, welk getal, na verloop van 3 maal 24 uren, tot meer dan 80 was vermenigvuldigd, en dat hij zich niet kan begrijpen hoe deze zonder voortteeling kunnen ontstaan. Dit bracht hij over op de vermenigvuldiging van de diertjes in het regenwater, waarbij het hem eveneens onbegrijpelijk is, hoe zij voortteelen. Hij verdiept zich verder in dezen brief over de vraag, waar het zaad van daan komt, waaruit de diertjes voortkomen, die in het sperma van menschen en dieren gevonden wordt.

2o. De eigenhandige brief in Halbertsma’s dissertatie, pag. 70 vermeld als No. VIII der „Philos. Transact.”

3o. De eigenhandige brief, eveneens in genoemde dissertatie op pag. 69 vermeld, en in het Engelsch vertaald te vinden in de „Philos. Transact.” Vol. XXIV, pag. 1614.

Aan het hoofd van dezen brief teekent Prof. Halbertsma aan,dat deze geschreven is in een tijd, dat Leeuwenhoek boos was en in het Hollandsch althans niets uitgaf. Deze brief handelt over de cochenilje en bevat eene wederlegging van de bewering, dat deze stof geen diertjes zouden zijn. Hij haalt daarbij aan de verklaring van een ooggetuige, namelijk een oud Spanjaard van Jamaica, en beschrijft de wijze hoe deze op de bladeren en takjes van zeker gewas „prikle-pear”of Indische vijg, met dikke ronde bladeren en scherpe stekels voorzien, voortplanten, en hoe zij eindelijk door den rook van brandende stoffen gedood en verzameld worden op onder de planten uitgespreide kleeden enz. Deze bijzonderheden zegt Leeuwenhoek ontleend te hebben uit de „Philos. Transact.” van de maanden Maart, April, Mei en Juni 1691, waarvan hij zich eene vertaling had doen maken.

4o. Twee eigenhandige brieven aan den dichter van verzen op zijn afbeeldsel gemaakt, namelijk H. K. Poot, terwijl het tweede[138]gedicht te vinden is vóór de „Sendbrieven” van Leeuwenhoek. Deze brieven zijn van 10 Mei 1716. Hij handelt daarin: „over de diertjes in het water,”en voegt er eene uitvoerige berekening bij van hunne grootte, terwijl de tweede handelt: „over de maagdepalm,”waarvan men beweerde, dat de bloem, die het droeg, geen zaad zou voortbrengen, welke bewering hij door zijne onderzoekingen logenstrafte.

Deze aan Poot geschreven brieven waren bezegeld met een cachet, waarin het vrij goed bewaarde portret van Leeuwenhoek gegraveerd was, zooals blijkt uit de goede gelijkenis met het gegraveerde portret, uitgegeven bij zijn „Ontledingen en ontdekkingen.” Leiden 1686.

Eindelijk werd mij nog niet lang geleden door Dr. du Rieu medegedeeld, dat door hem in den „Navorscher” van 1864, blz. 351, een afschrift is gevonden van een brief van Leeuwenhoek, d.d. 9 Febr. 1701, aan Frederik Adriaan van Rhede en handelende over verfstoffen en turfgraving.

Ook van al deze brieven zijn mij, door de welwillende zorg van Dr. du Rieu, nauwkeurige afschriften toegezonden.

De bronnen die ik bij de samenstelling dezer levensbeschrijving heb geraadpleegd, zijn, behalve de boven genoemde manuscripten, enz. de volgende:

D. Hoogstraten, Algemeen woordenboek voor kunsten en wetenschappen, 1729.

H. Baker, Nuttig gebruik van het Mikroskoop enz., uit het Engelsch door M. Houttuyn 1755.

H. Baker, Het mikroskoop gemakkelijk gemaakt enz., uit het Engelsch door M. Houttuyn 1778.

G. Stoll,Anleitung zur Historie der medicinischen Gelahrheit.1731.

Z. C. von Uffenbach,Merkwürdige Reisen durch Nieder Sachsen, Holland, und Engelland, 1754.[139]

A. v. Haller,Bibliotheca anatomica,Tom. I. 1774.

G. van Loon, Beschrijving der Nederl. historiepenningen. Bd. III. 1723.

Collot d’Escury, Holland’s Roem in kunsten en wetenschappen. Deel 7. 1844.

G. Nieuwenhuis, Woordenboek van kunsten en wetenschappen. Deel 5. 1859.

Isaac van Haastert, Antoni van Leeuwenhoek vereerend herdacht enz. 1823.

Tijdschrift voor natuurlijke geschiedenis- en physiologie, uitgegeven door Prof. I. van der Hoeven, en W. H. de Vriese 1834. 1e deel, bevattende: Eene verhandeling van H. C. van Hall over Antony van Leeuwenhoek en zijne verdiensten voor de plantkunde.

N. G. van Kampen, Beknopte geschiedenis der letteren en wetenschappen 2e deel.

H. Halbertsma I. fil.,Dissertatio historico-medica inauguralis de Antonii Leeuwenhoekii meritis in quasdam partes anatomiae microscopiae 1843. Inhoud: De vita Leeuwenhoekii; de sanguine; de vasis et circulatione; de ossibus; de dentibus.

F. Le Sueur Fleck, Dissertatie onder denzelfden titel 1843. Inhoud:De musculis; de lente crystallina.

N. H. van Charante, Dissertatie onder denzelfden titel 1843. Inhoud:De nervis; de epidermide; de pilis; de materie ad dentes haerente.

A. van der Boon Cs., Geschiedenis der ontdekkingen in de ontleedkunde van den mensch, gedaan in de Noordelijke Nederlanden, 1851.

G. Cuvier,Histoire des sciences naturelles. Tom. 2. 1841.[140]

P. Harting, Het mikroskoop, deszelfs gebruik, geschiedenis en tegenwoordigen toestand. 3e deel 1850.

Émile Blanchard,Les premières observations au microscope, in „Revue des deux mondes 15 Juill. 1868.”

Boitet, Beschrijving der stad Delft 1729.

Birch,the History of the Royal Society of London 1757.

Biographie Universelle etc. Paris 1819 T. XXIV.

Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Academie van Wetenschappen, Afdeeling Natuurkunde, deel 13. 3e stuk. 1862, waarin eene verhandeling voorkomt van Prof. H. Halbertsma over Johan Ham van Arnhem.


Back to IndexNext