1Inleiding No. 7.↑2B.v. die der meetkundige figuren.↑3Afleiding als in de meetkunde; ontleding naar geslacht soort en het enkele, als in Plato’s Sophista en Politicus.↑4Bij de behandeling der getallen gaat men uit van de eenheid, het gescheidene; bij de vlakken van de lijn, het samenhangende.↑5Inl. No. 6.↑6Inl. No. 9.↑7Naar ’t Grieksche idioomἤ τις ἢ οὐδείς(„bijna niemand”) vertaal ik zoo hierἤτοι οὐθέν ἐστιν ἢ ὕστερον.↑8„Evenzoo ook bij de andere (vermogens)” zegt A. uitvoeriger, hier en elders.↑9Bewijs (ἀπόδειξις) gaat uit van het begrip en brengt het tot stand (Zeller die Phil. der Gr. II 2 p. 233 3e dr.).↑10Het rechte op zichzelf komt niet voor; als ’t raken zal, moet het voorkomen d.i. aan een lichaam verschijnen. De dan mogelijke verhouding van het belichaamde rechte tegenover denkoperenbol, is als raakverhouding op zichzelf genomen—d.i. afgezien van de stof van lichaam en bol—eigenschap van het rechte op zichzelf. Zoo kan de ziel, ooknietgescheiden van het lichaam, toch eigenschappen op zich zelf hebben.↑11Zie 432b29 vlg.↑12Inl. No. 4.↑13De geheel bizondere eigenschappen van een enkel voorwerp, die niet als algemeenheden te behandelen zijn.↑14Hierachter staat in de handschriften: „hij noemt de bolvormige vuur en ziel”, verkeerd uit een aan ’t volgende ontleende randaanteekening ingevoegd. In ’t volgende moet uit Cod. V „vuur” opgenomen worden.↑15Hermotimus van Clazomenae (Metaph. 984b19).↑16Moet zijn: buiten waarneming; bedwelmd door den slag.↑17Zie beneden.↑18D.i. de wereld als denkbaarheid, die „het overige”—dus de ziel ook—omvat. Zóó in de mondelinge voordrachten van Plato.↑19Dit alles naar ’t laatste stadium van het Platonisme, waarin idee en getal vereenzelvigd werd en van het getal de eenheid en de onbepaalde 2(veelheid) de elementen zijn.↑20Anaxagoras.↑21Slaat misschien op ’t einde van p. 403bof eerder op de Physica (256b23 vlg.)↑22D.i. vernietigd worden, volgens Philoponus.↑23Plato Tim. p. 34 B enz.↑24Oneigenlijke naamgeving duidt A. vaak aan door bijvoeging van het tegenwoordig deelwoord „καλούμενος” „genoemd wordend”.↑25Beter zin krijgt men door voorvoeging der ontkenning (οὐ): „Het blijkt niet ook éénmaal mogelijk” (nl. hetzelfde te denken).↑26Misschien worden de laatste twee zinnen, beter omgezet.↑27Inl. 4.↑28Slaat waarschijnlijk op den Eudemus, een verloren dialoog van Aristoteles (Zeller III p. 112 n. 3).↑29Of: bewustzijn.↑30Tegen Xenokrates’ bepaling van de ziel als een zelfbewegend getal voert A. aan:1. het getal, als eenheid (monade) is ononderscheiden: de zielsmonade moet onderscheiding hebben van bewegen en bewogen worden.2. Zielsmonadeinhet lichaam is als een punt: bij beweging alzoo dus lijn, vlak enz.3. Getal verandert bij bewerking; ziel bij bewerking van het zielige niet steeds b.v. bij planten en lagere diersoorten.4. De Demokritische molekels worden bewogen en hierin ligt niet haar verschil met monaden; die dus ook onderscheiden zouden moeten zijn.5. Zijn lichaamspunten en monaden onderscheidden dan zullen toch steeds 1 punt en 1 monade samen zijn, dus twee (of dan ook wel eindeloos velen) op één plaats zijn.6. Volgens X. zou alles bezield moeten zijn.7. Scheiding van ziel en lichaam is volgens hem onbegrijpelijk.↑31Uit 2 deelen aarde 2 water en 4 vuur.↑32Liefde (φιλία) en Strijd (νεῖκος) zijn bij Empedokles de krachten die het Al (de Sphaira) vereenigen en scheiden.↑33Elk van beide theorieën is gebrekkig en de beiden omvattende betreft niet alle ziel.↑34Woorden van Plato (Phaedo 80C).↑35Inl. 9.↑36Plato. Tim. 69D.↑37Beneden dezelfde zin bij de ziel als doel, waarbij de persoon voorop staat; hier de zaak: de eeuwigheid.↑38Bestaan niet meer van Aristoteles.↑39Slaat op het geschrift ‘Over worden en vergaan,’ 323b18 vlg.↑40Bij de afzonderlijke momenten der beweging.↑41Ik leesἐπιστήμηi. pl. v. den 4o. naamval.↑42De zichtbaarheid is niet het wezen van het ding, noch kenmerk, noch grond van de definitie.↑43De aether.↑44Beneden: „dezelfde natuur is nu eens duisternis dan weer licht” (418b31).↑45Leesκαὶ ἅμα.↑46Hiervoor zegt het grieksch: het scherpe en ’t zware.↑47„Niet elk” moet ingelast worden (beneden 29).↑48N.l. droog.↑49nl. lucht en water.↑50Zie „over worden en vergaan” II c. 2 en 3.↑51Lees het lidwoord vóórσυμφωνία.↑52Ik leesᾗ δὲ(ἕν)ἑνὶ καὶ ἅμα.↑53Odyss.σ136 sq. „… als de dag, dien Zeus aanbrengt”.↑54Lees: (ἡ φαντασία)αὐτή.↑55Omtrent de grootte van de zon is voorstelling met meening in strijd. Waren zij identiek, dan zou men zijn ware meening[118]verloren moeten hebben of (voorstelling en) meening tegelijk waar en onwaar moeten zijn. Maar als ’t voorwerpongemerktverandert, dan wordt alleen de meening onwaar, niet de gewaarwording tevens. Voorstelling is dus niet vereeniging van gewaarwording en meening.↑56Iets uitgelaten als onecht.↑57Deze zin over de centraliteit van waarneming is defect vgl. 426b12 etc. Het volgende is onduidelijk. „Verhouding” (ἀνάλογον) staat voor overeenkomstigheid.↑58Slaat op Plato.↑59In de zoogen.Parva naturalia.↑60Bij Plato.↑61Lees:ἀνθέλκει, κελεύει δ’ ἡ ἐπιθυμία.↑62Ingevoegd:ὅτε δὲvóórὥσπερ σφαῖραvgl. 419 b 27.↑63Leesἔχῃmet enkele H S S. en Bekker.↑64Vgl. 420b18–20.↑
1Inleiding No. 7.↑2B.v. die der meetkundige figuren.↑3Afleiding als in de meetkunde; ontleding naar geslacht soort en het enkele, als in Plato’s Sophista en Politicus.↑4Bij de behandeling der getallen gaat men uit van de eenheid, het gescheidene; bij de vlakken van de lijn, het samenhangende.↑5Inl. No. 6.↑6Inl. No. 9.↑7Naar ’t Grieksche idioomἤ τις ἢ οὐδείς(„bijna niemand”) vertaal ik zoo hierἤτοι οὐθέν ἐστιν ἢ ὕστερον.↑8„Evenzoo ook bij de andere (vermogens)” zegt A. uitvoeriger, hier en elders.↑9Bewijs (ἀπόδειξις) gaat uit van het begrip en brengt het tot stand (Zeller die Phil. der Gr. II 2 p. 233 3e dr.).↑10Het rechte op zichzelf komt niet voor; als ’t raken zal, moet het voorkomen d.i. aan een lichaam verschijnen. De dan mogelijke verhouding van het belichaamde rechte tegenover denkoperenbol, is als raakverhouding op zichzelf genomen—d.i. afgezien van de stof van lichaam en bol—eigenschap van het rechte op zichzelf. Zoo kan de ziel, ooknietgescheiden van het lichaam, toch eigenschappen op zich zelf hebben.↑11Zie 432b29 vlg.↑12Inl. No. 4.↑13De geheel bizondere eigenschappen van een enkel voorwerp, die niet als algemeenheden te behandelen zijn.↑14Hierachter staat in de handschriften: „hij noemt de bolvormige vuur en ziel”, verkeerd uit een aan ’t volgende ontleende randaanteekening ingevoegd. In ’t volgende moet uit Cod. V „vuur” opgenomen worden.↑15Hermotimus van Clazomenae (Metaph. 984b19).↑16Moet zijn: buiten waarneming; bedwelmd door den slag.↑17Zie beneden.↑18D.i. de wereld als denkbaarheid, die „het overige”—dus de ziel ook—omvat. Zóó in de mondelinge voordrachten van Plato.↑19Dit alles naar ’t laatste stadium van het Platonisme, waarin idee en getal vereenzelvigd werd en van het getal de eenheid en de onbepaalde 2(veelheid) de elementen zijn.↑20Anaxagoras.↑21Slaat misschien op ’t einde van p. 403bof eerder op de Physica (256b23 vlg.)↑22D.i. vernietigd worden, volgens Philoponus.↑23Plato Tim. p. 34 B enz.↑24Oneigenlijke naamgeving duidt A. vaak aan door bijvoeging van het tegenwoordig deelwoord „καλούμενος” „genoemd wordend”.↑25Beter zin krijgt men door voorvoeging der ontkenning (οὐ): „Het blijkt niet ook éénmaal mogelijk” (nl. hetzelfde te denken).↑26Misschien worden de laatste twee zinnen, beter omgezet.↑27Inl. 4.↑28Slaat waarschijnlijk op den Eudemus, een verloren dialoog van Aristoteles (Zeller III p. 112 n. 3).↑29Of: bewustzijn.↑30Tegen Xenokrates’ bepaling van de ziel als een zelfbewegend getal voert A. aan:1. het getal, als eenheid (monade) is ononderscheiden: de zielsmonade moet onderscheiding hebben van bewegen en bewogen worden.2. Zielsmonadeinhet lichaam is als een punt: bij beweging alzoo dus lijn, vlak enz.3. Getal verandert bij bewerking; ziel bij bewerking van het zielige niet steeds b.v. bij planten en lagere diersoorten.4. De Demokritische molekels worden bewogen en hierin ligt niet haar verschil met monaden; die dus ook onderscheiden zouden moeten zijn.5. Zijn lichaamspunten en monaden onderscheidden dan zullen toch steeds 1 punt en 1 monade samen zijn, dus twee (of dan ook wel eindeloos velen) op één plaats zijn.6. Volgens X. zou alles bezield moeten zijn.7. Scheiding van ziel en lichaam is volgens hem onbegrijpelijk.↑31Uit 2 deelen aarde 2 water en 4 vuur.↑32Liefde (φιλία) en Strijd (νεῖκος) zijn bij Empedokles de krachten die het Al (de Sphaira) vereenigen en scheiden.↑33Elk van beide theorieën is gebrekkig en de beiden omvattende betreft niet alle ziel.↑34Woorden van Plato (Phaedo 80C).↑35Inl. 9.↑36Plato. Tim. 69D.↑37Beneden dezelfde zin bij de ziel als doel, waarbij de persoon voorop staat; hier de zaak: de eeuwigheid.↑38Bestaan niet meer van Aristoteles.↑39Slaat op het geschrift ‘Over worden en vergaan,’ 323b18 vlg.↑40Bij de afzonderlijke momenten der beweging.↑41Ik leesἐπιστήμηi. pl. v. den 4o. naamval.↑42De zichtbaarheid is niet het wezen van het ding, noch kenmerk, noch grond van de definitie.↑43De aether.↑44Beneden: „dezelfde natuur is nu eens duisternis dan weer licht” (418b31).↑45Leesκαὶ ἅμα.↑46Hiervoor zegt het grieksch: het scherpe en ’t zware.↑47„Niet elk” moet ingelast worden (beneden 29).↑48N.l. droog.↑49nl. lucht en water.↑50Zie „over worden en vergaan” II c. 2 en 3.↑51Lees het lidwoord vóórσυμφωνία.↑52Ik leesᾗ δὲ(ἕν)ἑνὶ καὶ ἅμα.↑53Odyss.σ136 sq. „… als de dag, dien Zeus aanbrengt”.↑54Lees: (ἡ φαντασία)αὐτή.↑55Omtrent de grootte van de zon is voorstelling met meening in strijd. Waren zij identiek, dan zou men zijn ware meening[118]verloren moeten hebben of (voorstelling en) meening tegelijk waar en onwaar moeten zijn. Maar als ’t voorwerpongemerktverandert, dan wordt alleen de meening onwaar, niet de gewaarwording tevens. Voorstelling is dus niet vereeniging van gewaarwording en meening.↑56Iets uitgelaten als onecht.↑57Deze zin over de centraliteit van waarneming is defect vgl. 426b12 etc. Het volgende is onduidelijk. „Verhouding” (ἀνάλογον) staat voor overeenkomstigheid.↑58Slaat op Plato.↑59In de zoogen.Parva naturalia.↑60Bij Plato.↑61Lees:ἀνθέλκει, κελεύει δ’ ἡ ἐπιθυμία.↑62Ingevoegd:ὅτε δὲvóórὥσπερ σφαῖραvgl. 419 b 27.↑63Leesἔχῃmet enkele H S S. en Bekker.↑64Vgl. 420b18–20.↑
1Inleiding No. 7.↑2B.v. die der meetkundige figuren.↑3Afleiding als in de meetkunde; ontleding naar geslacht soort en het enkele, als in Plato’s Sophista en Politicus.↑4Bij de behandeling der getallen gaat men uit van de eenheid, het gescheidene; bij de vlakken van de lijn, het samenhangende.↑5Inl. No. 6.↑6Inl. No. 9.↑7Naar ’t Grieksche idioomἤ τις ἢ οὐδείς(„bijna niemand”) vertaal ik zoo hierἤτοι οὐθέν ἐστιν ἢ ὕστερον.↑8„Evenzoo ook bij de andere (vermogens)” zegt A. uitvoeriger, hier en elders.↑9Bewijs (ἀπόδειξις) gaat uit van het begrip en brengt het tot stand (Zeller die Phil. der Gr. II 2 p. 233 3e dr.).↑10Het rechte op zichzelf komt niet voor; als ’t raken zal, moet het voorkomen d.i. aan een lichaam verschijnen. De dan mogelijke verhouding van het belichaamde rechte tegenover denkoperenbol, is als raakverhouding op zichzelf genomen—d.i. afgezien van de stof van lichaam en bol—eigenschap van het rechte op zichzelf. Zoo kan de ziel, ooknietgescheiden van het lichaam, toch eigenschappen op zich zelf hebben.↑11Zie 432b29 vlg.↑12Inl. No. 4.↑13De geheel bizondere eigenschappen van een enkel voorwerp, die niet als algemeenheden te behandelen zijn.↑14Hierachter staat in de handschriften: „hij noemt de bolvormige vuur en ziel”, verkeerd uit een aan ’t volgende ontleende randaanteekening ingevoegd. In ’t volgende moet uit Cod. V „vuur” opgenomen worden.↑15Hermotimus van Clazomenae (Metaph. 984b19).↑16Moet zijn: buiten waarneming; bedwelmd door den slag.↑17Zie beneden.↑18D.i. de wereld als denkbaarheid, die „het overige”—dus de ziel ook—omvat. Zóó in de mondelinge voordrachten van Plato.↑19Dit alles naar ’t laatste stadium van het Platonisme, waarin idee en getal vereenzelvigd werd en van het getal de eenheid en de onbepaalde 2(veelheid) de elementen zijn.↑20Anaxagoras.↑21Slaat misschien op ’t einde van p. 403bof eerder op de Physica (256b23 vlg.)↑22D.i. vernietigd worden, volgens Philoponus.↑23Plato Tim. p. 34 B enz.↑24Oneigenlijke naamgeving duidt A. vaak aan door bijvoeging van het tegenwoordig deelwoord „καλούμενος” „genoemd wordend”.↑25Beter zin krijgt men door voorvoeging der ontkenning (οὐ): „Het blijkt niet ook éénmaal mogelijk” (nl. hetzelfde te denken).↑26Misschien worden de laatste twee zinnen, beter omgezet.↑27Inl. 4.↑28Slaat waarschijnlijk op den Eudemus, een verloren dialoog van Aristoteles (Zeller III p. 112 n. 3).↑29Of: bewustzijn.↑30Tegen Xenokrates’ bepaling van de ziel als een zelfbewegend getal voert A. aan:1. het getal, als eenheid (monade) is ononderscheiden: de zielsmonade moet onderscheiding hebben van bewegen en bewogen worden.2. Zielsmonadeinhet lichaam is als een punt: bij beweging alzoo dus lijn, vlak enz.3. Getal verandert bij bewerking; ziel bij bewerking van het zielige niet steeds b.v. bij planten en lagere diersoorten.4. De Demokritische molekels worden bewogen en hierin ligt niet haar verschil met monaden; die dus ook onderscheiden zouden moeten zijn.5. Zijn lichaamspunten en monaden onderscheidden dan zullen toch steeds 1 punt en 1 monade samen zijn, dus twee (of dan ook wel eindeloos velen) op één plaats zijn.6. Volgens X. zou alles bezield moeten zijn.7. Scheiding van ziel en lichaam is volgens hem onbegrijpelijk.↑31Uit 2 deelen aarde 2 water en 4 vuur.↑32Liefde (φιλία) en Strijd (νεῖκος) zijn bij Empedokles de krachten die het Al (de Sphaira) vereenigen en scheiden.↑33Elk van beide theorieën is gebrekkig en de beiden omvattende betreft niet alle ziel.↑34Woorden van Plato (Phaedo 80C).↑35Inl. 9.↑36Plato. Tim. 69D.↑37Beneden dezelfde zin bij de ziel als doel, waarbij de persoon voorop staat; hier de zaak: de eeuwigheid.↑38Bestaan niet meer van Aristoteles.↑39Slaat op het geschrift ‘Over worden en vergaan,’ 323b18 vlg.↑40Bij de afzonderlijke momenten der beweging.↑41Ik leesἐπιστήμηi. pl. v. den 4o. naamval.↑42De zichtbaarheid is niet het wezen van het ding, noch kenmerk, noch grond van de definitie.↑43De aether.↑44Beneden: „dezelfde natuur is nu eens duisternis dan weer licht” (418b31).↑45Leesκαὶ ἅμα.↑46Hiervoor zegt het grieksch: het scherpe en ’t zware.↑47„Niet elk” moet ingelast worden (beneden 29).↑48N.l. droog.↑49nl. lucht en water.↑50Zie „over worden en vergaan” II c. 2 en 3.↑51Lees het lidwoord vóórσυμφωνία.↑52Ik leesᾗ δὲ(ἕν)ἑνὶ καὶ ἅμα.↑53Odyss.σ136 sq. „… als de dag, dien Zeus aanbrengt”.↑54Lees: (ἡ φαντασία)αὐτή.↑55Omtrent de grootte van de zon is voorstelling met meening in strijd. Waren zij identiek, dan zou men zijn ware meening[118]verloren moeten hebben of (voorstelling en) meening tegelijk waar en onwaar moeten zijn. Maar als ’t voorwerpongemerktverandert, dan wordt alleen de meening onwaar, niet de gewaarwording tevens. Voorstelling is dus niet vereeniging van gewaarwording en meening.↑56Iets uitgelaten als onecht.↑57Deze zin over de centraliteit van waarneming is defect vgl. 426b12 etc. Het volgende is onduidelijk. „Verhouding” (ἀνάλογον) staat voor overeenkomstigheid.↑58Slaat op Plato.↑59In de zoogen.Parva naturalia.↑60Bij Plato.↑61Lees:ἀνθέλκει, κελεύει δ’ ἡ ἐπιθυμία.↑62Ingevoegd:ὅτε δὲvóórὥσπερ σφαῖραvgl. 419 b 27.↑63Leesἔχῃmet enkele H S S. en Bekker.↑64Vgl. 420b18–20.↑
1Inleiding No. 7.↑2B.v. die der meetkundige figuren.↑3Afleiding als in de meetkunde; ontleding naar geslacht soort en het enkele, als in Plato’s Sophista en Politicus.↑4Bij de behandeling der getallen gaat men uit van de eenheid, het gescheidene; bij de vlakken van de lijn, het samenhangende.↑5Inl. No. 6.↑6Inl. No. 9.↑7Naar ’t Grieksche idioomἤ τις ἢ οὐδείς(„bijna niemand”) vertaal ik zoo hierἤτοι οὐθέν ἐστιν ἢ ὕστερον.↑8„Evenzoo ook bij de andere (vermogens)” zegt A. uitvoeriger, hier en elders.↑9Bewijs (ἀπόδειξις) gaat uit van het begrip en brengt het tot stand (Zeller die Phil. der Gr. II 2 p. 233 3e dr.).↑10Het rechte op zichzelf komt niet voor; als ’t raken zal, moet het voorkomen d.i. aan een lichaam verschijnen. De dan mogelijke verhouding van het belichaamde rechte tegenover denkoperenbol, is als raakverhouding op zichzelf genomen—d.i. afgezien van de stof van lichaam en bol—eigenschap van het rechte op zichzelf. Zoo kan de ziel, ooknietgescheiden van het lichaam, toch eigenschappen op zich zelf hebben.↑11Zie 432b29 vlg.↑12Inl. No. 4.↑13De geheel bizondere eigenschappen van een enkel voorwerp, die niet als algemeenheden te behandelen zijn.↑14Hierachter staat in de handschriften: „hij noemt de bolvormige vuur en ziel”, verkeerd uit een aan ’t volgende ontleende randaanteekening ingevoegd. In ’t volgende moet uit Cod. V „vuur” opgenomen worden.↑15Hermotimus van Clazomenae (Metaph. 984b19).↑16Moet zijn: buiten waarneming; bedwelmd door den slag.↑17Zie beneden.↑18D.i. de wereld als denkbaarheid, die „het overige”—dus de ziel ook—omvat. Zóó in de mondelinge voordrachten van Plato.↑19Dit alles naar ’t laatste stadium van het Platonisme, waarin idee en getal vereenzelvigd werd en van het getal de eenheid en de onbepaalde 2(veelheid) de elementen zijn.↑20Anaxagoras.↑21Slaat misschien op ’t einde van p. 403bof eerder op de Physica (256b23 vlg.)↑22D.i. vernietigd worden, volgens Philoponus.↑23Plato Tim. p. 34 B enz.↑24Oneigenlijke naamgeving duidt A. vaak aan door bijvoeging van het tegenwoordig deelwoord „καλούμενος” „genoemd wordend”.↑25Beter zin krijgt men door voorvoeging der ontkenning (οὐ): „Het blijkt niet ook éénmaal mogelijk” (nl. hetzelfde te denken).↑26Misschien worden de laatste twee zinnen, beter omgezet.↑27Inl. 4.↑28Slaat waarschijnlijk op den Eudemus, een verloren dialoog van Aristoteles (Zeller III p. 112 n. 3).↑29Of: bewustzijn.↑30Tegen Xenokrates’ bepaling van de ziel als een zelfbewegend getal voert A. aan:1. het getal, als eenheid (monade) is ononderscheiden: de zielsmonade moet onderscheiding hebben van bewegen en bewogen worden.2. Zielsmonadeinhet lichaam is als een punt: bij beweging alzoo dus lijn, vlak enz.3. Getal verandert bij bewerking; ziel bij bewerking van het zielige niet steeds b.v. bij planten en lagere diersoorten.4. De Demokritische molekels worden bewogen en hierin ligt niet haar verschil met monaden; die dus ook onderscheiden zouden moeten zijn.5. Zijn lichaamspunten en monaden onderscheidden dan zullen toch steeds 1 punt en 1 monade samen zijn, dus twee (of dan ook wel eindeloos velen) op één plaats zijn.6. Volgens X. zou alles bezield moeten zijn.7. Scheiding van ziel en lichaam is volgens hem onbegrijpelijk.↑31Uit 2 deelen aarde 2 water en 4 vuur.↑32Liefde (φιλία) en Strijd (νεῖκος) zijn bij Empedokles de krachten die het Al (de Sphaira) vereenigen en scheiden.↑33Elk van beide theorieën is gebrekkig en de beiden omvattende betreft niet alle ziel.↑34Woorden van Plato (Phaedo 80C).↑35Inl. 9.↑36Plato. Tim. 69D.↑37Beneden dezelfde zin bij de ziel als doel, waarbij de persoon voorop staat; hier de zaak: de eeuwigheid.↑38Bestaan niet meer van Aristoteles.↑39Slaat op het geschrift ‘Over worden en vergaan,’ 323b18 vlg.↑40Bij de afzonderlijke momenten der beweging.↑41Ik leesἐπιστήμηi. pl. v. den 4o. naamval.↑42De zichtbaarheid is niet het wezen van het ding, noch kenmerk, noch grond van de definitie.↑43De aether.↑44Beneden: „dezelfde natuur is nu eens duisternis dan weer licht” (418b31).↑45Leesκαὶ ἅμα.↑46Hiervoor zegt het grieksch: het scherpe en ’t zware.↑47„Niet elk” moet ingelast worden (beneden 29).↑48N.l. droog.↑49nl. lucht en water.↑50Zie „over worden en vergaan” II c. 2 en 3.↑51Lees het lidwoord vóórσυμφωνία.↑52Ik leesᾗ δὲ(ἕν)ἑνὶ καὶ ἅμα.↑53Odyss.σ136 sq. „… als de dag, dien Zeus aanbrengt”.↑54Lees: (ἡ φαντασία)αὐτή.↑55Omtrent de grootte van de zon is voorstelling met meening in strijd. Waren zij identiek, dan zou men zijn ware meening[118]verloren moeten hebben of (voorstelling en) meening tegelijk waar en onwaar moeten zijn. Maar als ’t voorwerpongemerktverandert, dan wordt alleen de meening onwaar, niet de gewaarwording tevens. Voorstelling is dus niet vereeniging van gewaarwording en meening.↑56Iets uitgelaten als onecht.↑57Deze zin over de centraliteit van waarneming is defect vgl. 426b12 etc. Het volgende is onduidelijk. „Verhouding” (ἀνάλογον) staat voor overeenkomstigheid.↑58Slaat op Plato.↑59In de zoogen.Parva naturalia.↑60Bij Plato.↑61Lees:ἀνθέλκει, κελεύει δ’ ἡ ἐπιθυμία.↑62Ingevoegd:ὅτε δὲvóórὥσπερ σφαῖραvgl. 419 b 27.↑63Leesἔχῃmet enkele H S S. en Bekker.↑64Vgl. 420b18–20.↑
1Inleiding No. 7.↑
1Inleiding No. 7.↑
2B.v. die der meetkundige figuren.↑
2B.v. die der meetkundige figuren.↑
3Afleiding als in de meetkunde; ontleding naar geslacht soort en het enkele, als in Plato’s Sophista en Politicus.↑
3Afleiding als in de meetkunde; ontleding naar geslacht soort en het enkele, als in Plato’s Sophista en Politicus.↑
4Bij de behandeling der getallen gaat men uit van de eenheid, het gescheidene; bij de vlakken van de lijn, het samenhangende.↑
4Bij de behandeling der getallen gaat men uit van de eenheid, het gescheidene; bij de vlakken van de lijn, het samenhangende.↑
5Inl. No. 6.↑
5Inl. No. 6.↑
6Inl. No. 9.↑
6Inl. No. 9.↑
7Naar ’t Grieksche idioomἤ τις ἢ οὐδείς(„bijna niemand”) vertaal ik zoo hierἤτοι οὐθέν ἐστιν ἢ ὕστερον.↑
7Naar ’t Grieksche idioomἤ τις ἢ οὐδείς(„bijna niemand”) vertaal ik zoo hierἤτοι οὐθέν ἐστιν ἢ ὕστερον.↑
8„Evenzoo ook bij de andere (vermogens)” zegt A. uitvoeriger, hier en elders.↑
8„Evenzoo ook bij de andere (vermogens)” zegt A. uitvoeriger, hier en elders.↑
9Bewijs (ἀπόδειξις) gaat uit van het begrip en brengt het tot stand (Zeller die Phil. der Gr. II 2 p. 233 3e dr.).↑
9Bewijs (ἀπόδειξις) gaat uit van het begrip en brengt het tot stand (Zeller die Phil. der Gr. II 2 p. 233 3e dr.).↑
10Het rechte op zichzelf komt niet voor; als ’t raken zal, moet het voorkomen d.i. aan een lichaam verschijnen. De dan mogelijke verhouding van het belichaamde rechte tegenover denkoperenbol, is als raakverhouding op zichzelf genomen—d.i. afgezien van de stof van lichaam en bol—eigenschap van het rechte op zichzelf. Zoo kan de ziel, ooknietgescheiden van het lichaam, toch eigenschappen op zich zelf hebben.↑
10Het rechte op zichzelf komt niet voor; als ’t raken zal, moet het voorkomen d.i. aan een lichaam verschijnen. De dan mogelijke verhouding van het belichaamde rechte tegenover denkoperenbol, is als raakverhouding op zichzelf genomen—d.i. afgezien van de stof van lichaam en bol—eigenschap van het rechte op zichzelf. Zoo kan de ziel, ooknietgescheiden van het lichaam, toch eigenschappen op zich zelf hebben.↑
11Zie 432b29 vlg.↑
11Zie 432b29 vlg.↑
12Inl. No. 4.↑
12Inl. No. 4.↑
13De geheel bizondere eigenschappen van een enkel voorwerp, die niet als algemeenheden te behandelen zijn.↑
13De geheel bizondere eigenschappen van een enkel voorwerp, die niet als algemeenheden te behandelen zijn.↑
14Hierachter staat in de handschriften: „hij noemt de bolvormige vuur en ziel”, verkeerd uit een aan ’t volgende ontleende randaanteekening ingevoegd. In ’t volgende moet uit Cod. V „vuur” opgenomen worden.↑
14Hierachter staat in de handschriften: „hij noemt de bolvormige vuur en ziel”, verkeerd uit een aan ’t volgende ontleende randaanteekening ingevoegd. In ’t volgende moet uit Cod. V „vuur” opgenomen worden.↑
15Hermotimus van Clazomenae (Metaph. 984b19).↑
15Hermotimus van Clazomenae (Metaph. 984b19).↑
16Moet zijn: buiten waarneming; bedwelmd door den slag.↑
16Moet zijn: buiten waarneming; bedwelmd door den slag.↑
17Zie beneden.↑
17Zie beneden.↑
18D.i. de wereld als denkbaarheid, die „het overige”—dus de ziel ook—omvat. Zóó in de mondelinge voordrachten van Plato.↑
18D.i. de wereld als denkbaarheid, die „het overige”—dus de ziel ook—omvat. Zóó in de mondelinge voordrachten van Plato.↑
19Dit alles naar ’t laatste stadium van het Platonisme, waarin idee en getal vereenzelvigd werd en van het getal de eenheid en de onbepaalde 2(veelheid) de elementen zijn.↑
19Dit alles naar ’t laatste stadium van het Platonisme, waarin idee en getal vereenzelvigd werd en van het getal de eenheid en de onbepaalde 2(veelheid) de elementen zijn.↑
20Anaxagoras.↑
20Anaxagoras.↑
21Slaat misschien op ’t einde van p. 403bof eerder op de Physica (256b23 vlg.)↑
21Slaat misschien op ’t einde van p. 403bof eerder op de Physica (256b23 vlg.)↑
22D.i. vernietigd worden, volgens Philoponus.↑
22D.i. vernietigd worden, volgens Philoponus.↑
23Plato Tim. p. 34 B enz.↑
23Plato Tim. p. 34 B enz.↑
24Oneigenlijke naamgeving duidt A. vaak aan door bijvoeging van het tegenwoordig deelwoord „καλούμενος” „genoemd wordend”.↑
24Oneigenlijke naamgeving duidt A. vaak aan door bijvoeging van het tegenwoordig deelwoord „καλούμενος” „genoemd wordend”.↑
25Beter zin krijgt men door voorvoeging der ontkenning (οὐ): „Het blijkt niet ook éénmaal mogelijk” (nl. hetzelfde te denken).↑
25Beter zin krijgt men door voorvoeging der ontkenning (οὐ): „Het blijkt niet ook éénmaal mogelijk” (nl. hetzelfde te denken).↑
26Misschien worden de laatste twee zinnen, beter omgezet.↑
26Misschien worden de laatste twee zinnen, beter omgezet.↑
27Inl. 4.↑
27Inl. 4.↑
28Slaat waarschijnlijk op den Eudemus, een verloren dialoog van Aristoteles (Zeller III p. 112 n. 3).↑
28Slaat waarschijnlijk op den Eudemus, een verloren dialoog van Aristoteles (Zeller III p. 112 n. 3).↑
29Of: bewustzijn.↑
29Of: bewustzijn.↑
30Tegen Xenokrates’ bepaling van de ziel als een zelfbewegend getal voert A. aan:1. het getal, als eenheid (monade) is ononderscheiden: de zielsmonade moet onderscheiding hebben van bewegen en bewogen worden.2. Zielsmonadeinhet lichaam is als een punt: bij beweging alzoo dus lijn, vlak enz.3. Getal verandert bij bewerking; ziel bij bewerking van het zielige niet steeds b.v. bij planten en lagere diersoorten.4. De Demokritische molekels worden bewogen en hierin ligt niet haar verschil met monaden; die dus ook onderscheiden zouden moeten zijn.5. Zijn lichaamspunten en monaden onderscheidden dan zullen toch steeds 1 punt en 1 monade samen zijn, dus twee (of dan ook wel eindeloos velen) op één plaats zijn.6. Volgens X. zou alles bezield moeten zijn.7. Scheiding van ziel en lichaam is volgens hem onbegrijpelijk.↑
30Tegen Xenokrates’ bepaling van de ziel als een zelfbewegend getal voert A. aan:
1. het getal, als eenheid (monade) is ononderscheiden: de zielsmonade moet onderscheiding hebben van bewegen en bewogen worden.
2. Zielsmonadeinhet lichaam is als een punt: bij beweging alzoo dus lijn, vlak enz.
3. Getal verandert bij bewerking; ziel bij bewerking van het zielige niet steeds b.v. bij planten en lagere diersoorten.
4. De Demokritische molekels worden bewogen en hierin ligt niet haar verschil met monaden; die dus ook onderscheiden zouden moeten zijn.
5. Zijn lichaamspunten en monaden onderscheidden dan zullen toch steeds 1 punt en 1 monade samen zijn, dus twee (of dan ook wel eindeloos velen) op één plaats zijn.
6. Volgens X. zou alles bezield moeten zijn.
7. Scheiding van ziel en lichaam is volgens hem onbegrijpelijk.↑
31Uit 2 deelen aarde 2 water en 4 vuur.↑
31Uit 2 deelen aarde 2 water en 4 vuur.↑
32Liefde (φιλία) en Strijd (νεῖκος) zijn bij Empedokles de krachten die het Al (de Sphaira) vereenigen en scheiden.↑
32Liefde (φιλία) en Strijd (νεῖκος) zijn bij Empedokles de krachten die het Al (de Sphaira) vereenigen en scheiden.↑
33Elk van beide theorieën is gebrekkig en de beiden omvattende betreft niet alle ziel.↑
33Elk van beide theorieën is gebrekkig en de beiden omvattende betreft niet alle ziel.↑
34Woorden van Plato (Phaedo 80C).↑
34Woorden van Plato (Phaedo 80C).↑
35Inl. 9.↑
35Inl. 9.↑
36Plato. Tim. 69D.↑
36Plato. Tim. 69D.↑
37Beneden dezelfde zin bij de ziel als doel, waarbij de persoon voorop staat; hier de zaak: de eeuwigheid.↑
37Beneden dezelfde zin bij de ziel als doel, waarbij de persoon voorop staat; hier de zaak: de eeuwigheid.↑
38Bestaan niet meer van Aristoteles.↑
38Bestaan niet meer van Aristoteles.↑
39Slaat op het geschrift ‘Over worden en vergaan,’ 323b18 vlg.↑
39Slaat op het geschrift ‘Over worden en vergaan,’ 323b18 vlg.↑
40Bij de afzonderlijke momenten der beweging.↑
40Bij de afzonderlijke momenten der beweging.↑
41Ik leesἐπιστήμηi. pl. v. den 4o. naamval.↑
41Ik leesἐπιστήμηi. pl. v. den 4o. naamval.↑
42De zichtbaarheid is niet het wezen van het ding, noch kenmerk, noch grond van de definitie.↑
42De zichtbaarheid is niet het wezen van het ding, noch kenmerk, noch grond van de definitie.↑
43De aether.↑
43De aether.↑
44Beneden: „dezelfde natuur is nu eens duisternis dan weer licht” (418b31).↑
44Beneden: „dezelfde natuur is nu eens duisternis dan weer licht” (418b31).↑
45Leesκαὶ ἅμα.↑
45Leesκαὶ ἅμα.↑
46Hiervoor zegt het grieksch: het scherpe en ’t zware.↑
46Hiervoor zegt het grieksch: het scherpe en ’t zware.↑
47„Niet elk” moet ingelast worden (beneden 29).↑
47„Niet elk” moet ingelast worden (beneden 29).↑
48N.l. droog.↑
48N.l. droog.↑
49nl. lucht en water.↑
49nl. lucht en water.↑
50Zie „over worden en vergaan” II c. 2 en 3.↑
50Zie „over worden en vergaan” II c. 2 en 3.↑
51Lees het lidwoord vóórσυμφωνία.↑
51Lees het lidwoord vóórσυμφωνία.↑
52Ik leesᾗ δὲ(ἕν)ἑνὶ καὶ ἅμα.↑
52Ik leesᾗ δὲ(ἕν)ἑνὶ καὶ ἅμα.↑
53Odyss.σ136 sq. „… als de dag, dien Zeus aanbrengt”.↑
53Odyss.σ136 sq. „… als de dag, dien Zeus aanbrengt”.↑
54Lees: (ἡ φαντασία)αὐτή.↑
54Lees: (ἡ φαντασία)αὐτή.↑
55Omtrent de grootte van de zon is voorstelling met meening in strijd. Waren zij identiek, dan zou men zijn ware meening[118]verloren moeten hebben of (voorstelling en) meening tegelijk waar en onwaar moeten zijn. Maar als ’t voorwerpongemerktverandert, dan wordt alleen de meening onwaar, niet de gewaarwording tevens. Voorstelling is dus niet vereeniging van gewaarwording en meening.↑
55Omtrent de grootte van de zon is voorstelling met meening in strijd. Waren zij identiek, dan zou men zijn ware meening[118]verloren moeten hebben of (voorstelling en) meening tegelijk waar en onwaar moeten zijn. Maar als ’t voorwerpongemerktverandert, dan wordt alleen de meening onwaar, niet de gewaarwording tevens. Voorstelling is dus niet vereeniging van gewaarwording en meening.↑
56Iets uitgelaten als onecht.↑
56Iets uitgelaten als onecht.↑
57Deze zin over de centraliteit van waarneming is defect vgl. 426b12 etc. Het volgende is onduidelijk. „Verhouding” (ἀνάλογον) staat voor overeenkomstigheid.↑
57Deze zin over de centraliteit van waarneming is defect vgl. 426b12 etc. Het volgende is onduidelijk. „Verhouding” (ἀνάλογον) staat voor overeenkomstigheid.↑
58Slaat op Plato.↑
58Slaat op Plato.↑
59In de zoogen.Parva naturalia.↑
59In de zoogen.Parva naturalia.↑
60Bij Plato.↑
60Bij Plato.↑
61Lees:ἀνθέλκει, κελεύει δ’ ἡ ἐπιθυμία.↑
61Lees:ἀνθέλκει, κελεύει δ’ ἡ ἐπιθυμία.↑
62Ingevoegd:ὅτε δὲvóórὥσπερ σφαῖραvgl. 419 b 27.↑
62Ingevoegd:ὅτε δὲvóórὥσπερ σφαῖραvgl. 419 b 27.↑
63Leesἔχῃmet enkele H S S. en Bekker.↑
63Leesἔχῃmet enkele H S S. en Bekker.↑
64Vgl. 420b18–20.↑
64Vgl. 420b18–20.↑