DE RECLAME-ACTEUR.

DE RECLAME-ACTEUR.«’t Is ’n toestand», verzuchtte Van der Stuyf.«’n Toestand», beaamde ten volle Daan.Weer zwegen beiden ’n heele poos. Buiten speelde ’t herfstzonnetje animeerend door ’t gelende loover.Daan, met z’n wat logge, onbehouwen lichaam, verrees van de punt van den stoel, waarop-ie visite-achtig plaats genomen had en begon met beren-beenen door ’t niet onruime vertrek te sjouwen. Van der Stuyf, op z’n divan, meesterstukvan zelfvervaardiging—’t meubel bestond uit twee schragen, ’n baar en ’n los daarheen geworpen draperie—werd er tureluursch van. Maar daar de tijden toch al zoo hard waren, liet-ie ’m begaan.Met weer ’n zucht, welke ongetwijfeld van dramatisch talent getuigde, wierp de divan-bewoner zich met veronachtzaming van ’t eigen brooze lichaam, van den rechter- op den linker elleboog en z’n stem klonk stalles-door-huiverend van vlijmend sarcasme, toen-ie zei:«We moeten vandaag aan de kat beginnen».Heel ’t gevaarte van den rug-gekromden, zak-gevuisten Daan hield stil. Naar ’t uiterlijk ’n «kwaaie», ’n jongen van sta-vast, die enkel voor ’t uitdeelenvan aankomende opstoppers voelde, was-ie van binnen ’n kind. Hij schrikte voor Van der Stuyf.«Paardelever is óók goedkoop», merkte-ie basstemmig op.Van der Stuyf lachte, hóóg, als ’n «graef», die zich «vermaekt». Dan zei-ie droog:«Niet te krijgen. Alle paarden gemobiliseerd.»Deze geestigheid beapplaudisseerde Daan met woest gegrinnik. Ja, Van der Stuyf was toch maar de man van den fijnen kwinkslag! Daar kon hij niet bij. Daarop zette-ie zich weer op z’n stoel, als altijd op den rand. Dat had-ie zich op ’t tooneel zoo aangewend. Aangewezen voor knechtsrollen en typen uit de volksklas, voelde-iezich in elke kamer slechts «tijdelijk», nooit recht op z’n gemak, al woonde-ie er, zooals hier, al maanden. Neen, hij bewoog zich niet gemakkelijk. Stelde daartegenover eens ’n Stuyf, zooals-ie daar làg, in ’n pose.... ’n schilderij! Dat zóó’n man over katten-pastei moest piekeren!«Waarom ga je niet naar Verkade?» vroeg Daan. «Die wil juistheeren.»«Ik spéél te sterk», antwoordde Stuyf en hij blikte grimmig vóór zich.«Heijermans?» wierp Daan nog op.«Beniknu ’n man voor ’t bùrgerlijk drama?» hoon-lachte Stuyf, terwijl-ie zich op den rug wierp. Z’n elleboog hield ’t niet uit. De divan was geen Oostersche.Daan zweeg. Hij wist, hoe Stuyfoveral was teleurgesteld. Hij begreep er niets van, want z’n eerbied voor den kamergenoot was onbegrensd. Och, je zag ’t meer! Echt talent.... ’t Tooneel was tegenwoordig soep.«De kat!» siste Stuyf weer door de tanden.Daan voelde ’n rilling over z’n rug. Dat werd ’nidée fixevan Stuyf. Meer lui waren op die manier gek geworden. Welk ’n talent zou hier verloren gaan!«Probeer ’t nog eens alsconférencier.»Stuyf maakte ’n beweging, dat de draperie onder ’m tot ’n vaatdoekige verwrongenheid samenkrimpte.«Nooit!» blies-ie bleek.Hij wàs als zoodanig in ’n zooveelste-rangs-theatertjewerkzaam geweest. Hij zag zich nog opkomen met de hem eigen ongedwongenheid. Hij maakte z’n bekende, lossegestes, z’n haar zat in aangenaamsten polka-stijl en ’t aanmoedigenderougeop z’n wangen had-ie niet gespaard. Hij sprak. De eerste twee zinnen haddenSchwung(die had-ie van te voren bedacht), de derde wou niet goed meer, de vierde en vijfde kwamen heelemáál niet. In de zaal was tumult ontstaan, gelach, gefluit. En de directeur had ’m verzocht, z’n inrichting niet langer te blameeren.Dat was z’n debuut geweest als «pratend» tooneelist. Daarop had-ie ’t als moppen-verteller geprobeerd in ’n café-met-strijkje. ’t Publiek zag ’m echtervoor ’n dronken student aan en verzocht den chef, meneer er uit te gooien. Voor dien drang was Stuyf gezwicht. Nu zàt-ie, met Daan, dien ze op ’t oogenblik ook nergens konden gebruiken. ’n Toestand!’t Herfst-zonnetje zette ’t stervende loover in gulden schijn. Helaas was dit goud niet inwisselbaar.«Ze bèllen niet eens meer», sprak Daan dof.«Nee»,flootStuyf nu tusschen de lippen. «Ze hebben ons opgegeven. Zelfs die vent met z’n schoenrekening heeft gestaakt. Kolendamp! ’t Eenige wat er voor ons overblijft.»Daan zweeg.«Als we kolen hàdden», ging Stuyf voort, wiens sarcasme vandaag onuitputtelijkleek. «Veel te duur! Met gas ben je goedkooper uit. Maar dat is afgesneeën. Je moet tegenwoordig in goeien doen zijn, om er tusschenuit te kunnen gaan.»Daan knorde onrustig. Straks kwam Stuyf weer met z’n kat. En dat wou-ie vermijden.Hij stond op.«Kom», bromde-ie goeiig. «Hier hebben we toch niks. Laten we gaan wandelen.»Bij uitzondering verzette Stuyf, die anders altijd z’n eigen idee had, zich eens niet. Ach ja, frissche lucht! Dat hield je wakker èn.... ’t kostte niets. Alleen maakte ’t je hongerig.Stuyfwiptevan z’n stellage. Daar kwam balanceerkunst aan te pas, want’t ding stond wankel. Daan leverde ’t tenminste nooit zonder dat schraag of baar ’n onrustbarenden hoek beschreef. Doch Stuyf, met z’n élégance!«De borstel!» zocht Stuyf. Daan vònd ’t gehavende haar-hout, gaf ’t aan. Helaas, de ander kon niet in den spiegel zien. Oome Jan eischte in deze tijden zware offers!«Hoe zie ’k er uit?» vroeg Stuyf, afhankelijk. Daan, die z’n vereerden vriend kènde, verwonderde zich niet over die vraag. Stuyf wàs nu eenmaal erg op z’n kleeren. «Dat moèt ’k wel», zei-ie dikwijls met iets van beklag. «Directies zijn en blijven stommeriken. Ze kijken alleen naar ’t uiterlijk. En waar ze mij altijd de salon-rollen geven....!»«Uitstekend!» forceerde Daan zich.Maar Stuyf wist, dat z’n collega ditmaal onoprecht was. ’t Pak, dat-ie droeg, was vóór jaren misschien correct geweest, ’t zat nu als ’n rimpel. De plooi uit z’n pantalon was weg en de snit van vest en colbert leek wel heelemaal zoek. Als de dalles je eenmaal te pakken had!«Vooruit!» zette Stuyf zich heldhaftig over z’n wrakkige verschijning heen. «Ja, als Bolman nog beren wou! Maar kom daar op ’t oogenblik eens mee aan!—Nee, sluiten hoeft niet. We hebben den boel zelf al leeggehaald. Ze kunnen hier alleen maar brèngen.»Lusteloos zeulden ze de krakerige trap af van de étage, welke ze broederlijkdeelden. ’t Leven zonder engagement was ’n doodkist.Ze hadden de halve stad doorgestapt. ’n Enkele maal groette Stuyf met z’n «graeflijk» handgebaar ’n collega, die voorbijkwam. Doch meest zag-ie ’m maar niet, te veel geknakt door z’n verfrommeldjeune premier-tenue. Daan, practisch man, die alle idealen verre van zich hield, bleef telkens staan voor ’n spekslagerij. Preskop en zure zult waren nu eenmaal dingen, waar-ie z’n zaligheid voor gaf. «Kom!» fluisterde Stuyf dan verwoed. Hoe kon men z’n hongerigheid zoo ten toon stellen! Ookzijnmaag rammelde als kar-gedaver. Dochhijgedroeg zich als man van den salon!In de Utrechtschestraat echter bleef ook Stuyf staan. Ze stonden voor Bolman.Stuyf kneepéénoog dicht, deed ’n stap achteruit en keurde als ’n kenner. Hij genóót, wist niets meer van de platte, alledaagsche wereld, bevond zich in den hemel. O, die étalage van Bolman! Welk ’n keur van costuums, welk ’n verscheidenheid, welk ’n verrassende vondsten! Z’n gestreelde tooneelspelers-fantasie deed de gedurfdste sprongen. Hij zag zichzelf, dàn in jaquet, dàn in smoking, dàn in jachtbroek. Alle rollen, welke-ie wel eens gespeeld had of hoopte te zùllen spelen, trokken z’n geest voorbij, in ’t pak gestoken door Bolman,le roi de la confection! En die dassen,die vesten, die souspieds, ah! O, als Bolman wilde! De kleer-kunstenaar kon ’n groot man van ’m maken.«Ga mee», drong Daan, wien ’t begon te vervelen. Verderop wist-ie nog ’n spekslagerij.Maar Stuyf schudde van nee. Hoe kon-ie z’n dag beter besteden dan hier voor die aanschouwelijke les? Dan werd-ie weer cynisch, grijnsde:«Die etalage-poppen schijnen ’t beter te hebben dan wij. Kijk ze eens ’n kleur hebben!»Inderdaad, de poppen zagen er uit als kool. Hun wassen wangen hadden ’n verlokkenden jonge-rols-blos en heel hun figuur was aangenaam gevuld. Dat begon Stuyf te tergen. Ze waren ’n beleediging zooals ze daar een vooreen stonden in Bolman’s allerlaatste creaties. En hìj, de man voor ’t salonwerk, liep er bij als ’n klerk van ’t jaar nul. Hij kon ’t niet langer aanzien.«Vooruit!» zei-ie gehaast en de onafscheidelijken stapten ’t Rembrandtplein op, waar ze ’n kwartiertje bleven paradeeren. ’t Was altijd goed, dat je je eens vertoonde, vond Stuyf. Dan wisten ze tenminste, dat je nog bestond.Daarop echter verzeilden ze weer in de Utrechtschestraat. En telkens en telkens keerde Stuyf terug tot Bolman.«Wat hèb je?» vroeg Daan, die iets bijzonders aan z’n vriend merkte.«’n Idee!» zei die geheimzinnig. «Komaan, ’k waag ’t er op. Als ’t lùkt!»En vóór de ander wist, wat ’moverkwam, bevonden beiden zich in de groote confectiezaak.«Meneer Bolman zèlf!» ordonneerde Stuyf met al z’n graeflijk aplomb.De chef werd met veel moeite ergens achter uit ’t magazijn opgediept. Zoodra zag-ie echter niet z’n klanten, of hij zei:«Pardon, heeren. In deze tijden geen crediet. ’t Spijt me wel, maar....»«Pardon», gaf Stuyf dadelijk hoog terug met ’nair, alsof-ie de grootescènespeelde uit een of andere derdeacte. «Ik kom zaken met u doen.»Bolman keekperplex. Hij kènde den acteur, had ’m, uit liefde tot de kunst, wel eens ’n costuum verkocht op zeer langen termijn. Doch als zakenman had-ie ’m nog niet ontmoet.«Was ’t maar waar!» verzuchtte Bolman. «D’r gaat niets om. Zoo slapjes heb ik ’t nog nooit meegemaakt.»«Dat komikveranderen!» annonceerde Stuyf breed en maakte met den rechterwijsvinger ’n prikbeweging naar z’n borst.Bolman glimlachte. Komedianten waren wel vermakelijke lui!«U luistert?» vroeg Stuyf, alsof-ie ’t tegen den pachter van een zijner aanzienlijke landgoederen had.«Wel zeker», glimlachte Bolman opnieuw.«Kijk eens», legde Stuyf uit met ’n losheid van beweging, welke Daan ten zooveelste maal met bewondering sloeg. «Die etalage van u! Daar deugtniets van, meneer! Dat is geen arrangement, geen regie. Dat zegt me absoluut niets, meneer! Geen diepte, geen atmosfeer, geen massabeweging, geen verdeeling van eerste en tweede plan. Dat is dood, als ’n pier.»Stuyf haalde adem, zooals-ie dat op de Tooneelschool geleerd had. Daan wilde bijna applaudisseeren. Bolman begreep nog steeds niet, waar z’n «klant» heen wou.«Herinnert u zich mij als Lord Foxhall in «De slapende Wintertuin»?» vroeg Stuyf.Le roi de la confectionherinnerde zich niet.«Ik heb toen ’n jaquet van u gedragen, dat enorm de aandacht trok», sprak Stuyf met nadruk. «Enfin, maaru zag me als Baron Du Sablé in «De listige ontvoering»?»Bolman betwijfelde, of-ie die zeer zeker merkwaardige creatie aanschouwd had.«Ik bracht u toch vrijkaarten!» riep Stuyf uit metfausset.«O, jawel, toch! Dat is waar ook», deed Bolman welwillend.«Nu dan, meneer», vervolgde Stuyf, geheel in actie. «Zooals ik diesmokingvan u droeg! Dàt is etaleeren, ’t publiek boeien. Als ik m’n pantalon optrek, ziet men de plooi, den snit. Die poppen, ze leven niet, meneer!»Er ging Bolman ’n licht op.«Wou ù in de étalage gaan staan?» vroeg-ie snel.«Pardon, ik figureer niet», vlijmdeStuyf met ’n gebaar, dat ’t ’m dééd. «Maar ’k weet beter. U draagt mij de regie op van uw vitrine. Die poppen, daar breng ’k leven in. Ik arrangeer, groepeer ze, tweede en derde plan, los, wààr. Dat is de figuratie.Reinhardt, meneer! Alleen wordt ’t ’n salonstuk, natuurlijk. Eniktreed er in op, als ’n soort film-acteur. ’k Steek de handen in m’n piqué-vest, ’k ga zitten, ’k loop, leun achteloos achterover, steek ’n sigaret op, strek me op ’nchaise longue(heeft u die? Requisiet, meneer!), enfin, ’k breng licht en schaduw aan, doe uw pantalons, uw jaquets, uw colbertsspreken. En om ’t kwartier verwissel ’k van costuum—achter de schermen, dat spreekt. M’n vriend, hier, meneer Klops, die meerin ’n, h’m, andergenreuitblinkt, vult m’n actie aan als livrei-knecht, als jager, chauffeur,groom. Dat zal ’n geheel geven, magnifique! ’n Reclame voor uw zaak, meneer, niet te vertellen! ’t Zal stroomen, geloof me.»Stuyf was uitgepraat. Hij verzamelde opnieuw ’n enormen voorraad adem en wachtte af.Bolman peinsde. Gekker voorstel hadden ze ’m z’n leven niet gedaan. Maar toch, er zat iets in. In deze dagen van algemeene dépressie kon alleen iets heel bijzonders er den loop weer in brengen. Als-ie ’t eens probeerde?Stuyf stamp-teende ongeduldig.«U belooft me, geen grappen te zullen maken?» conditionneerde de confectie-man nog voorzichtig.«’k Ben ’n sérieus artist, meneer», verklaarde Stuyf met grooten eenvoud.«Toegeslagen dan!» besloot Bolman opeens. «God geef, dat ’t helpt!»En ze spraken af, dat morgen reeds de voorstellingen begonnen.’t Succes was verbazend. De Utrechtschestraat werd bestormd. Geen enkele winkel werd meer aangezien. Alleen de zaak van Bolman had publiek. En in welk ’n aantal!Stuyf jongejande onvermoeibaar met deélégance, welke z’n specialiteit was. Hij was onuitputtelijk in lossegestesen hij trok alle broeken op, dat men ’t eind van z’n sokken zag. Daan stond ’m stevig ter zijde.Als knecht was die onovertrefbaar.Den tweeden dag van den groeienden bijval zat ’t ingénieuse artistenpaar ’s avonds bij «Mast» achter ’n sterkend souper. Stuyf spaarde spijs- nog wijnkaart. De kellner vloog. Collega’s maakten Stuyf hun compliment. Zóó vol hadden zìj ’t nog niet gehad. De Utrechtschestraat was uitverkocht geweest.Juist toen Stuyf ’n extra dure Havana opstak, naderde ’m ’n zeer correct heer. Hij stelde zich voor. «Van Prützen, in bedartikelen en meubels.»«Meneer», stak die dadelijk van wal. «M’n affaire is schuin over Bolman. U ruïneert me. Geen sterveling komt meer m’n deur binnen. Ik wil ukoopen. Wat kost u? ’k Heb er alles voor over. M’n eenige voorwaarde is: ’n algeheel nieuwe en schitterende attractie.»Stuyf brandde zich aan z’n Havana. ’t Lang verwachte fortuin! En hij noemde ’n prijs, waarvan Daan schrikte. Van Prützen accepteerde.Bolman werd smadelijk verlaten. Stuyf «engageerde» ’n actrice—hij was nu directèur, droeg ringen, ’n vergulden wandelstok en ’n vest met halve maantjes—en zette met behulp van ’n zeer vlug journalist ’n alleraardigstenouveautéin elkaar. «Niet te gewaagd!» had Van Prützen nog geconditionneerd. «U begrijpt, bedden zijn ’n delicaat artikel!»Weldra kondigden de groote bladen de eerste voorstelling aan vanDE LIT-JUMEAU,vroolijk spel van étalage.’t Ding maakte gewoon furor.Hélène Silva (eigenlijk heette ze Antje Bakhuis) trad er in op in ’n verrukkelijk déshabillé, dat door ’t straatpubliek ten zeerste gewaardeerd werd. Van der Stuyf vertoonde z’n meest hemelsblauwe slaapkamer-dressen Daan Klops als politie-agent tuimelde over alle stoelen heen van ’t wel voorziene meubel-magazijn. De schoonste dagen van Prot schenen te herleven. De toeschouwers drongen elkaar plat, vochten om ’n plaatsje. ’tStond zwart tot op ’t Rembrandtplein en dequeueslierde ver voorbij de Munt. Ieder moest ’t étalage-spel zien. Heel Amsterdam was er vol van.Drie dagen ging ’t goed. Toen kwamen de autoriteiten er aan te pas. Er waren al ongelukken gebeurd. En ’t tramverkeer was absoluut gestaakt. Stuyf trok z’n haren uit z’n hoofd. «M’n fortuin, m’n fortuin!» krijschte-ie als in ’n draak van zeer ouden stempel. Doch ’t geluk was nog mèt ’m. Dienzelfden avond kreeg-ie bezoek van een van Amsterdam’s tooneeldirecteuren, die blijkbaar nog niet wist van ’t verbod, dat de «Lit jumeau» voorgoed van Stuyf’s repertoire verdrongen had.«Meneer!» sprak de man van salarissen, boeten en contracten. «U knaktonze mooie tonneelspeelkunst! Meneer, wij moeten, door den drang der tijden, al voorstellingen geven ad 62½ cent de plaats éérste rang! En nu geeft u ze gratis! Meneer, denk om ons tonneel! Ik engageer u! Ik engageer u, voor drie jaar. U krijgt 250 gulden in de maand. Teeken, meneer!»Stuyf teekende, met spoed. Ook Daan kreeg z’n deel van den voorspoed, teekende. De directeur, in z’n nopjes—in zooverre ’n tooneeldirectie dat ooit kan zijn—vertrok per snorrenden automobiel.Stuyfs eerste optreden bij ’t gezelschap werd geannonceerd als:Début van Van der Stuyf,den geliefden étalage-acteur.’t Fiasco, dat-ie maakte (zonder weerga in de geschiedenis van ’t «tonneel») bezorgde ’m ’n nieuwe vermaardheid.

DE RECLAME-ACTEUR.«’t Is ’n toestand», verzuchtte Van der Stuyf.«’n Toestand», beaamde ten volle Daan.Weer zwegen beiden ’n heele poos. Buiten speelde ’t herfstzonnetje animeerend door ’t gelende loover.Daan, met z’n wat logge, onbehouwen lichaam, verrees van de punt van den stoel, waarop-ie visite-achtig plaats genomen had en begon met beren-beenen door ’t niet onruime vertrek te sjouwen. Van der Stuyf, op z’n divan, meesterstukvan zelfvervaardiging—’t meubel bestond uit twee schragen, ’n baar en ’n los daarheen geworpen draperie—werd er tureluursch van. Maar daar de tijden toch al zoo hard waren, liet-ie ’m begaan.Met weer ’n zucht, welke ongetwijfeld van dramatisch talent getuigde, wierp de divan-bewoner zich met veronachtzaming van ’t eigen brooze lichaam, van den rechter- op den linker elleboog en z’n stem klonk stalles-door-huiverend van vlijmend sarcasme, toen-ie zei:«We moeten vandaag aan de kat beginnen».Heel ’t gevaarte van den rug-gekromden, zak-gevuisten Daan hield stil. Naar ’t uiterlijk ’n «kwaaie», ’n jongen van sta-vast, die enkel voor ’t uitdeelenvan aankomende opstoppers voelde, was-ie van binnen ’n kind. Hij schrikte voor Van der Stuyf.«Paardelever is óók goedkoop», merkte-ie basstemmig op.Van der Stuyf lachte, hóóg, als ’n «graef», die zich «vermaekt». Dan zei-ie droog:«Niet te krijgen. Alle paarden gemobiliseerd.»Deze geestigheid beapplaudisseerde Daan met woest gegrinnik. Ja, Van der Stuyf was toch maar de man van den fijnen kwinkslag! Daar kon hij niet bij. Daarop zette-ie zich weer op z’n stoel, als altijd op den rand. Dat had-ie zich op ’t tooneel zoo aangewend. Aangewezen voor knechtsrollen en typen uit de volksklas, voelde-iezich in elke kamer slechts «tijdelijk», nooit recht op z’n gemak, al woonde-ie er, zooals hier, al maanden. Neen, hij bewoog zich niet gemakkelijk. Stelde daartegenover eens ’n Stuyf, zooals-ie daar làg, in ’n pose.... ’n schilderij! Dat zóó’n man over katten-pastei moest piekeren!«Waarom ga je niet naar Verkade?» vroeg Daan. «Die wil juistheeren.»«Ik spéél te sterk», antwoordde Stuyf en hij blikte grimmig vóór zich.«Heijermans?» wierp Daan nog op.«Beniknu ’n man voor ’t bùrgerlijk drama?» hoon-lachte Stuyf, terwijl-ie zich op den rug wierp. Z’n elleboog hield ’t niet uit. De divan was geen Oostersche.Daan zweeg. Hij wist, hoe Stuyfoveral was teleurgesteld. Hij begreep er niets van, want z’n eerbied voor den kamergenoot was onbegrensd. Och, je zag ’t meer! Echt talent.... ’t Tooneel was tegenwoordig soep.«De kat!» siste Stuyf weer door de tanden.Daan voelde ’n rilling over z’n rug. Dat werd ’nidée fixevan Stuyf. Meer lui waren op die manier gek geworden. Welk ’n talent zou hier verloren gaan!«Probeer ’t nog eens alsconférencier.»Stuyf maakte ’n beweging, dat de draperie onder ’m tot ’n vaatdoekige verwrongenheid samenkrimpte.«Nooit!» blies-ie bleek.Hij wàs als zoodanig in ’n zooveelste-rangs-theatertjewerkzaam geweest. Hij zag zich nog opkomen met de hem eigen ongedwongenheid. Hij maakte z’n bekende, lossegestes, z’n haar zat in aangenaamsten polka-stijl en ’t aanmoedigenderougeop z’n wangen had-ie niet gespaard. Hij sprak. De eerste twee zinnen haddenSchwung(die had-ie van te voren bedacht), de derde wou niet goed meer, de vierde en vijfde kwamen heelemáál niet. In de zaal was tumult ontstaan, gelach, gefluit. En de directeur had ’m verzocht, z’n inrichting niet langer te blameeren.Dat was z’n debuut geweest als «pratend» tooneelist. Daarop had-ie ’t als moppen-verteller geprobeerd in ’n café-met-strijkje. ’t Publiek zag ’m echtervoor ’n dronken student aan en verzocht den chef, meneer er uit te gooien. Voor dien drang was Stuyf gezwicht. Nu zàt-ie, met Daan, dien ze op ’t oogenblik ook nergens konden gebruiken. ’n Toestand!’t Herfst-zonnetje zette ’t stervende loover in gulden schijn. Helaas was dit goud niet inwisselbaar.«Ze bèllen niet eens meer», sprak Daan dof.«Nee»,flootStuyf nu tusschen de lippen. «Ze hebben ons opgegeven. Zelfs die vent met z’n schoenrekening heeft gestaakt. Kolendamp! ’t Eenige wat er voor ons overblijft.»Daan zweeg.«Als we kolen hàdden», ging Stuyf voort, wiens sarcasme vandaag onuitputtelijkleek. «Veel te duur! Met gas ben je goedkooper uit. Maar dat is afgesneeën. Je moet tegenwoordig in goeien doen zijn, om er tusschenuit te kunnen gaan.»Daan knorde onrustig. Straks kwam Stuyf weer met z’n kat. En dat wou-ie vermijden.Hij stond op.«Kom», bromde-ie goeiig. «Hier hebben we toch niks. Laten we gaan wandelen.»Bij uitzondering verzette Stuyf, die anders altijd z’n eigen idee had, zich eens niet. Ach ja, frissche lucht! Dat hield je wakker èn.... ’t kostte niets. Alleen maakte ’t je hongerig.Stuyfwiptevan z’n stellage. Daar kwam balanceerkunst aan te pas, want’t ding stond wankel. Daan leverde ’t tenminste nooit zonder dat schraag of baar ’n onrustbarenden hoek beschreef. Doch Stuyf, met z’n élégance!«De borstel!» zocht Stuyf. Daan vònd ’t gehavende haar-hout, gaf ’t aan. Helaas, de ander kon niet in den spiegel zien. Oome Jan eischte in deze tijden zware offers!«Hoe zie ’k er uit?» vroeg Stuyf, afhankelijk. Daan, die z’n vereerden vriend kènde, verwonderde zich niet over die vraag. Stuyf wàs nu eenmaal erg op z’n kleeren. «Dat moèt ’k wel», zei-ie dikwijls met iets van beklag. «Directies zijn en blijven stommeriken. Ze kijken alleen naar ’t uiterlijk. En waar ze mij altijd de salon-rollen geven....!»«Uitstekend!» forceerde Daan zich.Maar Stuyf wist, dat z’n collega ditmaal onoprecht was. ’t Pak, dat-ie droeg, was vóór jaren misschien correct geweest, ’t zat nu als ’n rimpel. De plooi uit z’n pantalon was weg en de snit van vest en colbert leek wel heelemaal zoek. Als de dalles je eenmaal te pakken had!«Vooruit!» zette Stuyf zich heldhaftig over z’n wrakkige verschijning heen. «Ja, als Bolman nog beren wou! Maar kom daar op ’t oogenblik eens mee aan!—Nee, sluiten hoeft niet. We hebben den boel zelf al leeggehaald. Ze kunnen hier alleen maar brèngen.»Lusteloos zeulden ze de krakerige trap af van de étage, welke ze broederlijkdeelden. ’t Leven zonder engagement was ’n doodkist.Ze hadden de halve stad doorgestapt. ’n Enkele maal groette Stuyf met z’n «graeflijk» handgebaar ’n collega, die voorbijkwam. Doch meest zag-ie ’m maar niet, te veel geknakt door z’n verfrommeldjeune premier-tenue. Daan, practisch man, die alle idealen verre van zich hield, bleef telkens staan voor ’n spekslagerij. Preskop en zure zult waren nu eenmaal dingen, waar-ie z’n zaligheid voor gaf. «Kom!» fluisterde Stuyf dan verwoed. Hoe kon men z’n hongerigheid zoo ten toon stellen! Ookzijnmaag rammelde als kar-gedaver. Dochhijgedroeg zich als man van den salon!In de Utrechtschestraat echter bleef ook Stuyf staan. Ze stonden voor Bolman.Stuyf kneepéénoog dicht, deed ’n stap achteruit en keurde als ’n kenner. Hij genóót, wist niets meer van de platte, alledaagsche wereld, bevond zich in den hemel. O, die étalage van Bolman! Welk ’n keur van costuums, welk ’n verscheidenheid, welk ’n verrassende vondsten! Z’n gestreelde tooneelspelers-fantasie deed de gedurfdste sprongen. Hij zag zichzelf, dàn in jaquet, dàn in smoking, dàn in jachtbroek. Alle rollen, welke-ie wel eens gespeeld had of hoopte te zùllen spelen, trokken z’n geest voorbij, in ’t pak gestoken door Bolman,le roi de la confection! En die dassen,die vesten, die souspieds, ah! O, als Bolman wilde! De kleer-kunstenaar kon ’n groot man van ’m maken.«Ga mee», drong Daan, wien ’t begon te vervelen. Verderop wist-ie nog ’n spekslagerij.Maar Stuyf schudde van nee. Hoe kon-ie z’n dag beter besteden dan hier voor die aanschouwelijke les? Dan werd-ie weer cynisch, grijnsde:«Die etalage-poppen schijnen ’t beter te hebben dan wij. Kijk ze eens ’n kleur hebben!»Inderdaad, de poppen zagen er uit als kool. Hun wassen wangen hadden ’n verlokkenden jonge-rols-blos en heel hun figuur was aangenaam gevuld. Dat begon Stuyf te tergen. Ze waren ’n beleediging zooals ze daar een vooreen stonden in Bolman’s allerlaatste creaties. En hìj, de man voor ’t salonwerk, liep er bij als ’n klerk van ’t jaar nul. Hij kon ’t niet langer aanzien.«Vooruit!» zei-ie gehaast en de onafscheidelijken stapten ’t Rembrandtplein op, waar ze ’n kwartiertje bleven paradeeren. ’t Was altijd goed, dat je je eens vertoonde, vond Stuyf. Dan wisten ze tenminste, dat je nog bestond.Daarop echter verzeilden ze weer in de Utrechtschestraat. En telkens en telkens keerde Stuyf terug tot Bolman.«Wat hèb je?» vroeg Daan, die iets bijzonders aan z’n vriend merkte.«’n Idee!» zei die geheimzinnig. «Komaan, ’k waag ’t er op. Als ’t lùkt!»En vóór de ander wist, wat ’moverkwam, bevonden beiden zich in de groote confectiezaak.«Meneer Bolman zèlf!» ordonneerde Stuyf met al z’n graeflijk aplomb.De chef werd met veel moeite ergens achter uit ’t magazijn opgediept. Zoodra zag-ie echter niet z’n klanten, of hij zei:«Pardon, heeren. In deze tijden geen crediet. ’t Spijt me wel, maar....»«Pardon», gaf Stuyf dadelijk hoog terug met ’nair, alsof-ie de grootescènespeelde uit een of andere derdeacte. «Ik kom zaken met u doen.»Bolman keekperplex. Hij kènde den acteur, had ’m, uit liefde tot de kunst, wel eens ’n costuum verkocht op zeer langen termijn. Doch als zakenman had-ie ’m nog niet ontmoet.«Was ’t maar waar!» verzuchtte Bolman. «D’r gaat niets om. Zoo slapjes heb ik ’t nog nooit meegemaakt.»«Dat komikveranderen!» annonceerde Stuyf breed en maakte met den rechterwijsvinger ’n prikbeweging naar z’n borst.Bolman glimlachte. Komedianten waren wel vermakelijke lui!«U luistert?» vroeg Stuyf, alsof-ie ’t tegen den pachter van een zijner aanzienlijke landgoederen had.«Wel zeker», glimlachte Bolman opnieuw.«Kijk eens», legde Stuyf uit met ’n losheid van beweging, welke Daan ten zooveelste maal met bewondering sloeg. «Die etalage van u! Daar deugtniets van, meneer! Dat is geen arrangement, geen regie. Dat zegt me absoluut niets, meneer! Geen diepte, geen atmosfeer, geen massabeweging, geen verdeeling van eerste en tweede plan. Dat is dood, als ’n pier.»Stuyf haalde adem, zooals-ie dat op de Tooneelschool geleerd had. Daan wilde bijna applaudisseeren. Bolman begreep nog steeds niet, waar z’n «klant» heen wou.«Herinnert u zich mij als Lord Foxhall in «De slapende Wintertuin»?» vroeg Stuyf.Le roi de la confectionherinnerde zich niet.«Ik heb toen ’n jaquet van u gedragen, dat enorm de aandacht trok», sprak Stuyf met nadruk. «Enfin, maaru zag me als Baron Du Sablé in «De listige ontvoering»?»Bolman betwijfelde, of-ie die zeer zeker merkwaardige creatie aanschouwd had.«Ik bracht u toch vrijkaarten!» riep Stuyf uit metfausset.«O, jawel, toch! Dat is waar ook», deed Bolman welwillend.«Nu dan, meneer», vervolgde Stuyf, geheel in actie. «Zooals ik diesmokingvan u droeg! Dàt is etaleeren, ’t publiek boeien. Als ik m’n pantalon optrek, ziet men de plooi, den snit. Die poppen, ze leven niet, meneer!»Er ging Bolman ’n licht op.«Wou ù in de étalage gaan staan?» vroeg-ie snel.«Pardon, ik figureer niet», vlijmdeStuyf met ’n gebaar, dat ’t ’m dééd. «Maar ’k weet beter. U draagt mij de regie op van uw vitrine. Die poppen, daar breng ’k leven in. Ik arrangeer, groepeer ze, tweede en derde plan, los, wààr. Dat is de figuratie.Reinhardt, meneer! Alleen wordt ’t ’n salonstuk, natuurlijk. Eniktreed er in op, als ’n soort film-acteur. ’k Steek de handen in m’n piqué-vest, ’k ga zitten, ’k loop, leun achteloos achterover, steek ’n sigaret op, strek me op ’nchaise longue(heeft u die? Requisiet, meneer!), enfin, ’k breng licht en schaduw aan, doe uw pantalons, uw jaquets, uw colbertsspreken. En om ’t kwartier verwissel ’k van costuum—achter de schermen, dat spreekt. M’n vriend, hier, meneer Klops, die meerin ’n, h’m, andergenreuitblinkt, vult m’n actie aan als livrei-knecht, als jager, chauffeur,groom. Dat zal ’n geheel geven, magnifique! ’n Reclame voor uw zaak, meneer, niet te vertellen! ’t Zal stroomen, geloof me.»Stuyf was uitgepraat. Hij verzamelde opnieuw ’n enormen voorraad adem en wachtte af.Bolman peinsde. Gekker voorstel hadden ze ’m z’n leven niet gedaan. Maar toch, er zat iets in. In deze dagen van algemeene dépressie kon alleen iets heel bijzonders er den loop weer in brengen. Als-ie ’t eens probeerde?Stuyf stamp-teende ongeduldig.«U belooft me, geen grappen te zullen maken?» conditionneerde de confectie-man nog voorzichtig.«’k Ben ’n sérieus artist, meneer», verklaarde Stuyf met grooten eenvoud.«Toegeslagen dan!» besloot Bolman opeens. «God geef, dat ’t helpt!»En ze spraken af, dat morgen reeds de voorstellingen begonnen.’t Succes was verbazend. De Utrechtschestraat werd bestormd. Geen enkele winkel werd meer aangezien. Alleen de zaak van Bolman had publiek. En in welk ’n aantal!Stuyf jongejande onvermoeibaar met deélégance, welke z’n specialiteit was. Hij was onuitputtelijk in lossegestesen hij trok alle broeken op, dat men ’t eind van z’n sokken zag. Daan stond ’m stevig ter zijde.Als knecht was die onovertrefbaar.Den tweeden dag van den groeienden bijval zat ’t ingénieuse artistenpaar ’s avonds bij «Mast» achter ’n sterkend souper. Stuyf spaarde spijs- nog wijnkaart. De kellner vloog. Collega’s maakten Stuyf hun compliment. Zóó vol hadden zìj ’t nog niet gehad. De Utrechtschestraat was uitverkocht geweest.Juist toen Stuyf ’n extra dure Havana opstak, naderde ’m ’n zeer correct heer. Hij stelde zich voor. «Van Prützen, in bedartikelen en meubels.»«Meneer», stak die dadelijk van wal. «M’n affaire is schuin over Bolman. U ruïneert me. Geen sterveling komt meer m’n deur binnen. Ik wil ukoopen. Wat kost u? ’k Heb er alles voor over. M’n eenige voorwaarde is: ’n algeheel nieuwe en schitterende attractie.»Stuyf brandde zich aan z’n Havana. ’t Lang verwachte fortuin! En hij noemde ’n prijs, waarvan Daan schrikte. Van Prützen accepteerde.Bolman werd smadelijk verlaten. Stuyf «engageerde» ’n actrice—hij was nu directèur, droeg ringen, ’n vergulden wandelstok en ’n vest met halve maantjes—en zette met behulp van ’n zeer vlug journalist ’n alleraardigstenouveautéin elkaar. «Niet te gewaagd!» had Van Prützen nog geconditionneerd. «U begrijpt, bedden zijn ’n delicaat artikel!»Weldra kondigden de groote bladen de eerste voorstelling aan vanDE LIT-JUMEAU,vroolijk spel van étalage.’t Ding maakte gewoon furor.Hélène Silva (eigenlijk heette ze Antje Bakhuis) trad er in op in ’n verrukkelijk déshabillé, dat door ’t straatpubliek ten zeerste gewaardeerd werd. Van der Stuyf vertoonde z’n meest hemelsblauwe slaapkamer-dressen Daan Klops als politie-agent tuimelde over alle stoelen heen van ’t wel voorziene meubel-magazijn. De schoonste dagen van Prot schenen te herleven. De toeschouwers drongen elkaar plat, vochten om ’n plaatsje. ’tStond zwart tot op ’t Rembrandtplein en dequeueslierde ver voorbij de Munt. Ieder moest ’t étalage-spel zien. Heel Amsterdam was er vol van.Drie dagen ging ’t goed. Toen kwamen de autoriteiten er aan te pas. Er waren al ongelukken gebeurd. En ’t tramverkeer was absoluut gestaakt. Stuyf trok z’n haren uit z’n hoofd. «M’n fortuin, m’n fortuin!» krijschte-ie als in ’n draak van zeer ouden stempel. Doch ’t geluk was nog mèt ’m. Dienzelfden avond kreeg-ie bezoek van een van Amsterdam’s tooneeldirecteuren, die blijkbaar nog niet wist van ’t verbod, dat de «Lit jumeau» voorgoed van Stuyf’s repertoire verdrongen had.«Meneer!» sprak de man van salarissen, boeten en contracten. «U knaktonze mooie tonneelspeelkunst! Meneer, wij moeten, door den drang der tijden, al voorstellingen geven ad 62½ cent de plaats éérste rang! En nu geeft u ze gratis! Meneer, denk om ons tonneel! Ik engageer u! Ik engageer u, voor drie jaar. U krijgt 250 gulden in de maand. Teeken, meneer!»Stuyf teekende, met spoed. Ook Daan kreeg z’n deel van den voorspoed, teekende. De directeur, in z’n nopjes—in zooverre ’n tooneeldirectie dat ooit kan zijn—vertrok per snorrenden automobiel.Stuyfs eerste optreden bij ’t gezelschap werd geannonceerd als:Début van Van der Stuyf,den geliefden étalage-acteur.’t Fiasco, dat-ie maakte (zonder weerga in de geschiedenis van ’t «tonneel») bezorgde ’m ’n nieuwe vermaardheid.

DE RECLAME-ACTEUR.

«’t Is ’n toestand», verzuchtte Van der Stuyf.«’n Toestand», beaamde ten volle Daan.Weer zwegen beiden ’n heele poos. Buiten speelde ’t herfstzonnetje animeerend door ’t gelende loover.Daan, met z’n wat logge, onbehouwen lichaam, verrees van de punt van den stoel, waarop-ie visite-achtig plaats genomen had en begon met beren-beenen door ’t niet onruime vertrek te sjouwen. Van der Stuyf, op z’n divan, meesterstukvan zelfvervaardiging—’t meubel bestond uit twee schragen, ’n baar en ’n los daarheen geworpen draperie—werd er tureluursch van. Maar daar de tijden toch al zoo hard waren, liet-ie ’m begaan.Met weer ’n zucht, welke ongetwijfeld van dramatisch talent getuigde, wierp de divan-bewoner zich met veronachtzaming van ’t eigen brooze lichaam, van den rechter- op den linker elleboog en z’n stem klonk stalles-door-huiverend van vlijmend sarcasme, toen-ie zei:«We moeten vandaag aan de kat beginnen».Heel ’t gevaarte van den rug-gekromden, zak-gevuisten Daan hield stil. Naar ’t uiterlijk ’n «kwaaie», ’n jongen van sta-vast, die enkel voor ’t uitdeelenvan aankomende opstoppers voelde, was-ie van binnen ’n kind. Hij schrikte voor Van der Stuyf.«Paardelever is óók goedkoop», merkte-ie basstemmig op.Van der Stuyf lachte, hóóg, als ’n «graef», die zich «vermaekt». Dan zei-ie droog:«Niet te krijgen. Alle paarden gemobiliseerd.»Deze geestigheid beapplaudisseerde Daan met woest gegrinnik. Ja, Van der Stuyf was toch maar de man van den fijnen kwinkslag! Daar kon hij niet bij. Daarop zette-ie zich weer op z’n stoel, als altijd op den rand. Dat had-ie zich op ’t tooneel zoo aangewend. Aangewezen voor knechtsrollen en typen uit de volksklas, voelde-iezich in elke kamer slechts «tijdelijk», nooit recht op z’n gemak, al woonde-ie er, zooals hier, al maanden. Neen, hij bewoog zich niet gemakkelijk. Stelde daartegenover eens ’n Stuyf, zooals-ie daar làg, in ’n pose.... ’n schilderij! Dat zóó’n man over katten-pastei moest piekeren!«Waarom ga je niet naar Verkade?» vroeg Daan. «Die wil juistheeren.»«Ik spéél te sterk», antwoordde Stuyf en hij blikte grimmig vóór zich.«Heijermans?» wierp Daan nog op.«Beniknu ’n man voor ’t bùrgerlijk drama?» hoon-lachte Stuyf, terwijl-ie zich op den rug wierp. Z’n elleboog hield ’t niet uit. De divan was geen Oostersche.Daan zweeg. Hij wist, hoe Stuyfoveral was teleurgesteld. Hij begreep er niets van, want z’n eerbied voor den kamergenoot was onbegrensd. Och, je zag ’t meer! Echt talent.... ’t Tooneel was tegenwoordig soep.«De kat!» siste Stuyf weer door de tanden.Daan voelde ’n rilling over z’n rug. Dat werd ’nidée fixevan Stuyf. Meer lui waren op die manier gek geworden. Welk ’n talent zou hier verloren gaan!«Probeer ’t nog eens alsconférencier.»Stuyf maakte ’n beweging, dat de draperie onder ’m tot ’n vaatdoekige verwrongenheid samenkrimpte.«Nooit!» blies-ie bleek.Hij wàs als zoodanig in ’n zooveelste-rangs-theatertjewerkzaam geweest. Hij zag zich nog opkomen met de hem eigen ongedwongenheid. Hij maakte z’n bekende, lossegestes, z’n haar zat in aangenaamsten polka-stijl en ’t aanmoedigenderougeop z’n wangen had-ie niet gespaard. Hij sprak. De eerste twee zinnen haddenSchwung(die had-ie van te voren bedacht), de derde wou niet goed meer, de vierde en vijfde kwamen heelemáál niet. In de zaal was tumult ontstaan, gelach, gefluit. En de directeur had ’m verzocht, z’n inrichting niet langer te blameeren.Dat was z’n debuut geweest als «pratend» tooneelist. Daarop had-ie ’t als moppen-verteller geprobeerd in ’n café-met-strijkje. ’t Publiek zag ’m echtervoor ’n dronken student aan en verzocht den chef, meneer er uit te gooien. Voor dien drang was Stuyf gezwicht. Nu zàt-ie, met Daan, dien ze op ’t oogenblik ook nergens konden gebruiken. ’n Toestand!’t Herfst-zonnetje zette ’t stervende loover in gulden schijn. Helaas was dit goud niet inwisselbaar.«Ze bèllen niet eens meer», sprak Daan dof.«Nee»,flootStuyf nu tusschen de lippen. «Ze hebben ons opgegeven. Zelfs die vent met z’n schoenrekening heeft gestaakt. Kolendamp! ’t Eenige wat er voor ons overblijft.»Daan zweeg.«Als we kolen hàdden», ging Stuyf voort, wiens sarcasme vandaag onuitputtelijkleek. «Veel te duur! Met gas ben je goedkooper uit. Maar dat is afgesneeën. Je moet tegenwoordig in goeien doen zijn, om er tusschenuit te kunnen gaan.»Daan knorde onrustig. Straks kwam Stuyf weer met z’n kat. En dat wou-ie vermijden.Hij stond op.«Kom», bromde-ie goeiig. «Hier hebben we toch niks. Laten we gaan wandelen.»Bij uitzondering verzette Stuyf, die anders altijd z’n eigen idee had, zich eens niet. Ach ja, frissche lucht! Dat hield je wakker èn.... ’t kostte niets. Alleen maakte ’t je hongerig.Stuyfwiptevan z’n stellage. Daar kwam balanceerkunst aan te pas, want’t ding stond wankel. Daan leverde ’t tenminste nooit zonder dat schraag of baar ’n onrustbarenden hoek beschreef. Doch Stuyf, met z’n élégance!«De borstel!» zocht Stuyf. Daan vònd ’t gehavende haar-hout, gaf ’t aan. Helaas, de ander kon niet in den spiegel zien. Oome Jan eischte in deze tijden zware offers!«Hoe zie ’k er uit?» vroeg Stuyf, afhankelijk. Daan, die z’n vereerden vriend kènde, verwonderde zich niet over die vraag. Stuyf wàs nu eenmaal erg op z’n kleeren. «Dat moèt ’k wel», zei-ie dikwijls met iets van beklag. «Directies zijn en blijven stommeriken. Ze kijken alleen naar ’t uiterlijk. En waar ze mij altijd de salon-rollen geven....!»«Uitstekend!» forceerde Daan zich.Maar Stuyf wist, dat z’n collega ditmaal onoprecht was. ’t Pak, dat-ie droeg, was vóór jaren misschien correct geweest, ’t zat nu als ’n rimpel. De plooi uit z’n pantalon was weg en de snit van vest en colbert leek wel heelemaal zoek. Als de dalles je eenmaal te pakken had!«Vooruit!» zette Stuyf zich heldhaftig over z’n wrakkige verschijning heen. «Ja, als Bolman nog beren wou! Maar kom daar op ’t oogenblik eens mee aan!—Nee, sluiten hoeft niet. We hebben den boel zelf al leeggehaald. Ze kunnen hier alleen maar brèngen.»Lusteloos zeulden ze de krakerige trap af van de étage, welke ze broederlijkdeelden. ’t Leven zonder engagement was ’n doodkist.Ze hadden de halve stad doorgestapt. ’n Enkele maal groette Stuyf met z’n «graeflijk» handgebaar ’n collega, die voorbijkwam. Doch meest zag-ie ’m maar niet, te veel geknakt door z’n verfrommeldjeune premier-tenue. Daan, practisch man, die alle idealen verre van zich hield, bleef telkens staan voor ’n spekslagerij. Preskop en zure zult waren nu eenmaal dingen, waar-ie z’n zaligheid voor gaf. «Kom!» fluisterde Stuyf dan verwoed. Hoe kon men z’n hongerigheid zoo ten toon stellen! Ookzijnmaag rammelde als kar-gedaver. Dochhijgedroeg zich als man van den salon!In de Utrechtschestraat echter bleef ook Stuyf staan. Ze stonden voor Bolman.Stuyf kneepéénoog dicht, deed ’n stap achteruit en keurde als ’n kenner. Hij genóót, wist niets meer van de platte, alledaagsche wereld, bevond zich in den hemel. O, die étalage van Bolman! Welk ’n keur van costuums, welk ’n verscheidenheid, welk ’n verrassende vondsten! Z’n gestreelde tooneelspelers-fantasie deed de gedurfdste sprongen. Hij zag zichzelf, dàn in jaquet, dàn in smoking, dàn in jachtbroek. Alle rollen, welke-ie wel eens gespeeld had of hoopte te zùllen spelen, trokken z’n geest voorbij, in ’t pak gestoken door Bolman,le roi de la confection! En die dassen,die vesten, die souspieds, ah! O, als Bolman wilde! De kleer-kunstenaar kon ’n groot man van ’m maken.«Ga mee», drong Daan, wien ’t begon te vervelen. Verderop wist-ie nog ’n spekslagerij.Maar Stuyf schudde van nee. Hoe kon-ie z’n dag beter besteden dan hier voor die aanschouwelijke les? Dan werd-ie weer cynisch, grijnsde:«Die etalage-poppen schijnen ’t beter te hebben dan wij. Kijk ze eens ’n kleur hebben!»Inderdaad, de poppen zagen er uit als kool. Hun wassen wangen hadden ’n verlokkenden jonge-rols-blos en heel hun figuur was aangenaam gevuld. Dat begon Stuyf te tergen. Ze waren ’n beleediging zooals ze daar een vooreen stonden in Bolman’s allerlaatste creaties. En hìj, de man voor ’t salonwerk, liep er bij als ’n klerk van ’t jaar nul. Hij kon ’t niet langer aanzien.«Vooruit!» zei-ie gehaast en de onafscheidelijken stapten ’t Rembrandtplein op, waar ze ’n kwartiertje bleven paradeeren. ’t Was altijd goed, dat je je eens vertoonde, vond Stuyf. Dan wisten ze tenminste, dat je nog bestond.Daarop echter verzeilden ze weer in de Utrechtschestraat. En telkens en telkens keerde Stuyf terug tot Bolman.«Wat hèb je?» vroeg Daan, die iets bijzonders aan z’n vriend merkte.«’n Idee!» zei die geheimzinnig. «Komaan, ’k waag ’t er op. Als ’t lùkt!»En vóór de ander wist, wat ’moverkwam, bevonden beiden zich in de groote confectiezaak.«Meneer Bolman zèlf!» ordonneerde Stuyf met al z’n graeflijk aplomb.De chef werd met veel moeite ergens achter uit ’t magazijn opgediept. Zoodra zag-ie echter niet z’n klanten, of hij zei:«Pardon, heeren. In deze tijden geen crediet. ’t Spijt me wel, maar....»«Pardon», gaf Stuyf dadelijk hoog terug met ’nair, alsof-ie de grootescènespeelde uit een of andere derdeacte. «Ik kom zaken met u doen.»Bolman keekperplex. Hij kènde den acteur, had ’m, uit liefde tot de kunst, wel eens ’n costuum verkocht op zeer langen termijn. Doch als zakenman had-ie ’m nog niet ontmoet.«Was ’t maar waar!» verzuchtte Bolman. «D’r gaat niets om. Zoo slapjes heb ik ’t nog nooit meegemaakt.»«Dat komikveranderen!» annonceerde Stuyf breed en maakte met den rechterwijsvinger ’n prikbeweging naar z’n borst.Bolman glimlachte. Komedianten waren wel vermakelijke lui!«U luistert?» vroeg Stuyf, alsof-ie ’t tegen den pachter van een zijner aanzienlijke landgoederen had.«Wel zeker», glimlachte Bolman opnieuw.«Kijk eens», legde Stuyf uit met ’n losheid van beweging, welke Daan ten zooveelste maal met bewondering sloeg. «Die etalage van u! Daar deugtniets van, meneer! Dat is geen arrangement, geen regie. Dat zegt me absoluut niets, meneer! Geen diepte, geen atmosfeer, geen massabeweging, geen verdeeling van eerste en tweede plan. Dat is dood, als ’n pier.»Stuyf haalde adem, zooals-ie dat op de Tooneelschool geleerd had. Daan wilde bijna applaudisseeren. Bolman begreep nog steeds niet, waar z’n «klant» heen wou.«Herinnert u zich mij als Lord Foxhall in «De slapende Wintertuin»?» vroeg Stuyf.Le roi de la confectionherinnerde zich niet.«Ik heb toen ’n jaquet van u gedragen, dat enorm de aandacht trok», sprak Stuyf met nadruk. «Enfin, maaru zag me als Baron Du Sablé in «De listige ontvoering»?»Bolman betwijfelde, of-ie die zeer zeker merkwaardige creatie aanschouwd had.«Ik bracht u toch vrijkaarten!» riep Stuyf uit metfausset.«O, jawel, toch! Dat is waar ook», deed Bolman welwillend.«Nu dan, meneer», vervolgde Stuyf, geheel in actie. «Zooals ik diesmokingvan u droeg! Dàt is etaleeren, ’t publiek boeien. Als ik m’n pantalon optrek, ziet men de plooi, den snit. Die poppen, ze leven niet, meneer!»Er ging Bolman ’n licht op.«Wou ù in de étalage gaan staan?» vroeg-ie snel.«Pardon, ik figureer niet», vlijmdeStuyf met ’n gebaar, dat ’t ’m dééd. «Maar ’k weet beter. U draagt mij de regie op van uw vitrine. Die poppen, daar breng ’k leven in. Ik arrangeer, groepeer ze, tweede en derde plan, los, wààr. Dat is de figuratie.Reinhardt, meneer! Alleen wordt ’t ’n salonstuk, natuurlijk. Eniktreed er in op, als ’n soort film-acteur. ’k Steek de handen in m’n piqué-vest, ’k ga zitten, ’k loop, leun achteloos achterover, steek ’n sigaret op, strek me op ’nchaise longue(heeft u die? Requisiet, meneer!), enfin, ’k breng licht en schaduw aan, doe uw pantalons, uw jaquets, uw colbertsspreken. En om ’t kwartier verwissel ’k van costuum—achter de schermen, dat spreekt. M’n vriend, hier, meneer Klops, die meerin ’n, h’m, andergenreuitblinkt, vult m’n actie aan als livrei-knecht, als jager, chauffeur,groom. Dat zal ’n geheel geven, magnifique! ’n Reclame voor uw zaak, meneer, niet te vertellen! ’t Zal stroomen, geloof me.»Stuyf was uitgepraat. Hij verzamelde opnieuw ’n enormen voorraad adem en wachtte af.Bolman peinsde. Gekker voorstel hadden ze ’m z’n leven niet gedaan. Maar toch, er zat iets in. In deze dagen van algemeene dépressie kon alleen iets heel bijzonders er den loop weer in brengen. Als-ie ’t eens probeerde?Stuyf stamp-teende ongeduldig.«U belooft me, geen grappen te zullen maken?» conditionneerde de confectie-man nog voorzichtig.«’k Ben ’n sérieus artist, meneer», verklaarde Stuyf met grooten eenvoud.«Toegeslagen dan!» besloot Bolman opeens. «God geef, dat ’t helpt!»En ze spraken af, dat morgen reeds de voorstellingen begonnen.’t Succes was verbazend. De Utrechtschestraat werd bestormd. Geen enkele winkel werd meer aangezien. Alleen de zaak van Bolman had publiek. En in welk ’n aantal!Stuyf jongejande onvermoeibaar met deélégance, welke z’n specialiteit was. Hij was onuitputtelijk in lossegestesen hij trok alle broeken op, dat men ’t eind van z’n sokken zag. Daan stond ’m stevig ter zijde.Als knecht was die onovertrefbaar.Den tweeden dag van den groeienden bijval zat ’t ingénieuse artistenpaar ’s avonds bij «Mast» achter ’n sterkend souper. Stuyf spaarde spijs- nog wijnkaart. De kellner vloog. Collega’s maakten Stuyf hun compliment. Zóó vol hadden zìj ’t nog niet gehad. De Utrechtschestraat was uitverkocht geweest.Juist toen Stuyf ’n extra dure Havana opstak, naderde ’m ’n zeer correct heer. Hij stelde zich voor. «Van Prützen, in bedartikelen en meubels.»«Meneer», stak die dadelijk van wal. «M’n affaire is schuin over Bolman. U ruïneert me. Geen sterveling komt meer m’n deur binnen. Ik wil ukoopen. Wat kost u? ’k Heb er alles voor over. M’n eenige voorwaarde is: ’n algeheel nieuwe en schitterende attractie.»Stuyf brandde zich aan z’n Havana. ’t Lang verwachte fortuin! En hij noemde ’n prijs, waarvan Daan schrikte. Van Prützen accepteerde.Bolman werd smadelijk verlaten. Stuyf «engageerde» ’n actrice—hij was nu directèur, droeg ringen, ’n vergulden wandelstok en ’n vest met halve maantjes—en zette met behulp van ’n zeer vlug journalist ’n alleraardigstenouveautéin elkaar. «Niet te gewaagd!» had Van Prützen nog geconditionneerd. «U begrijpt, bedden zijn ’n delicaat artikel!»Weldra kondigden de groote bladen de eerste voorstelling aan vanDE LIT-JUMEAU,vroolijk spel van étalage.’t Ding maakte gewoon furor.Hélène Silva (eigenlijk heette ze Antje Bakhuis) trad er in op in ’n verrukkelijk déshabillé, dat door ’t straatpubliek ten zeerste gewaardeerd werd. Van der Stuyf vertoonde z’n meest hemelsblauwe slaapkamer-dressen Daan Klops als politie-agent tuimelde over alle stoelen heen van ’t wel voorziene meubel-magazijn. De schoonste dagen van Prot schenen te herleven. De toeschouwers drongen elkaar plat, vochten om ’n plaatsje. ’tStond zwart tot op ’t Rembrandtplein en dequeueslierde ver voorbij de Munt. Ieder moest ’t étalage-spel zien. Heel Amsterdam was er vol van.Drie dagen ging ’t goed. Toen kwamen de autoriteiten er aan te pas. Er waren al ongelukken gebeurd. En ’t tramverkeer was absoluut gestaakt. Stuyf trok z’n haren uit z’n hoofd. «M’n fortuin, m’n fortuin!» krijschte-ie als in ’n draak van zeer ouden stempel. Doch ’t geluk was nog mèt ’m. Dienzelfden avond kreeg-ie bezoek van een van Amsterdam’s tooneeldirecteuren, die blijkbaar nog niet wist van ’t verbod, dat de «Lit jumeau» voorgoed van Stuyf’s repertoire verdrongen had.«Meneer!» sprak de man van salarissen, boeten en contracten. «U knaktonze mooie tonneelspeelkunst! Meneer, wij moeten, door den drang der tijden, al voorstellingen geven ad 62½ cent de plaats éérste rang! En nu geeft u ze gratis! Meneer, denk om ons tonneel! Ik engageer u! Ik engageer u, voor drie jaar. U krijgt 250 gulden in de maand. Teeken, meneer!»Stuyf teekende, met spoed. Ook Daan kreeg z’n deel van den voorspoed, teekende. De directeur, in z’n nopjes—in zooverre ’n tooneeldirectie dat ooit kan zijn—vertrok per snorrenden automobiel.Stuyfs eerste optreden bij ’t gezelschap werd geannonceerd als:Début van Van der Stuyf,den geliefden étalage-acteur.’t Fiasco, dat-ie maakte (zonder weerga in de geschiedenis van ’t «tonneel») bezorgde ’m ’n nieuwe vermaardheid.

«’t Is ’n toestand», verzuchtte Van der Stuyf.

«’n Toestand», beaamde ten volle Daan.

Weer zwegen beiden ’n heele poos. Buiten speelde ’t herfstzonnetje animeerend door ’t gelende loover.

Daan, met z’n wat logge, onbehouwen lichaam, verrees van de punt van den stoel, waarop-ie visite-achtig plaats genomen had en begon met beren-beenen door ’t niet onruime vertrek te sjouwen. Van der Stuyf, op z’n divan, meesterstukvan zelfvervaardiging—’t meubel bestond uit twee schragen, ’n baar en ’n los daarheen geworpen draperie—werd er tureluursch van. Maar daar de tijden toch al zoo hard waren, liet-ie ’m begaan.

Met weer ’n zucht, welke ongetwijfeld van dramatisch talent getuigde, wierp de divan-bewoner zich met veronachtzaming van ’t eigen brooze lichaam, van den rechter- op den linker elleboog en z’n stem klonk stalles-door-huiverend van vlijmend sarcasme, toen-ie zei:

«We moeten vandaag aan de kat beginnen».

Heel ’t gevaarte van den rug-gekromden, zak-gevuisten Daan hield stil. Naar ’t uiterlijk ’n «kwaaie», ’n jongen van sta-vast, die enkel voor ’t uitdeelenvan aankomende opstoppers voelde, was-ie van binnen ’n kind. Hij schrikte voor Van der Stuyf.

«Paardelever is óók goedkoop», merkte-ie basstemmig op.

Van der Stuyf lachte, hóóg, als ’n «graef», die zich «vermaekt». Dan zei-ie droog:

«Niet te krijgen. Alle paarden gemobiliseerd.»

Deze geestigheid beapplaudisseerde Daan met woest gegrinnik. Ja, Van der Stuyf was toch maar de man van den fijnen kwinkslag! Daar kon hij niet bij. Daarop zette-ie zich weer op z’n stoel, als altijd op den rand. Dat had-ie zich op ’t tooneel zoo aangewend. Aangewezen voor knechtsrollen en typen uit de volksklas, voelde-iezich in elke kamer slechts «tijdelijk», nooit recht op z’n gemak, al woonde-ie er, zooals hier, al maanden. Neen, hij bewoog zich niet gemakkelijk. Stelde daartegenover eens ’n Stuyf, zooals-ie daar làg, in ’n pose.... ’n schilderij! Dat zóó’n man over katten-pastei moest piekeren!

«Waarom ga je niet naar Verkade?» vroeg Daan. «Die wil juistheeren.»

«Ik spéél te sterk», antwoordde Stuyf en hij blikte grimmig vóór zich.

«Heijermans?» wierp Daan nog op.

«Beniknu ’n man voor ’t bùrgerlijk drama?» hoon-lachte Stuyf, terwijl-ie zich op den rug wierp. Z’n elleboog hield ’t niet uit. De divan was geen Oostersche.

Daan zweeg. Hij wist, hoe Stuyfoveral was teleurgesteld. Hij begreep er niets van, want z’n eerbied voor den kamergenoot was onbegrensd. Och, je zag ’t meer! Echt talent.... ’t Tooneel was tegenwoordig soep.

«De kat!» siste Stuyf weer door de tanden.

Daan voelde ’n rilling over z’n rug. Dat werd ’nidée fixevan Stuyf. Meer lui waren op die manier gek geworden. Welk ’n talent zou hier verloren gaan!

«Probeer ’t nog eens alsconférencier.»

Stuyf maakte ’n beweging, dat de draperie onder ’m tot ’n vaatdoekige verwrongenheid samenkrimpte.

«Nooit!» blies-ie bleek.

Hij wàs als zoodanig in ’n zooveelste-rangs-theatertjewerkzaam geweest. Hij zag zich nog opkomen met de hem eigen ongedwongenheid. Hij maakte z’n bekende, lossegestes, z’n haar zat in aangenaamsten polka-stijl en ’t aanmoedigenderougeop z’n wangen had-ie niet gespaard. Hij sprak. De eerste twee zinnen haddenSchwung(die had-ie van te voren bedacht), de derde wou niet goed meer, de vierde en vijfde kwamen heelemáál niet. In de zaal was tumult ontstaan, gelach, gefluit. En de directeur had ’m verzocht, z’n inrichting niet langer te blameeren.

Dat was z’n debuut geweest als «pratend» tooneelist. Daarop had-ie ’t als moppen-verteller geprobeerd in ’n café-met-strijkje. ’t Publiek zag ’m echtervoor ’n dronken student aan en verzocht den chef, meneer er uit te gooien. Voor dien drang was Stuyf gezwicht. Nu zàt-ie, met Daan, dien ze op ’t oogenblik ook nergens konden gebruiken. ’n Toestand!

’t Herfst-zonnetje zette ’t stervende loover in gulden schijn. Helaas was dit goud niet inwisselbaar.

«Ze bèllen niet eens meer», sprak Daan dof.

«Nee»,flootStuyf nu tusschen de lippen. «Ze hebben ons opgegeven. Zelfs die vent met z’n schoenrekening heeft gestaakt. Kolendamp! ’t Eenige wat er voor ons overblijft.»

Daan zweeg.

«Als we kolen hàdden», ging Stuyf voort, wiens sarcasme vandaag onuitputtelijkleek. «Veel te duur! Met gas ben je goedkooper uit. Maar dat is afgesneeën. Je moet tegenwoordig in goeien doen zijn, om er tusschenuit te kunnen gaan.»

Daan knorde onrustig. Straks kwam Stuyf weer met z’n kat. En dat wou-ie vermijden.

Hij stond op.

«Kom», bromde-ie goeiig. «Hier hebben we toch niks. Laten we gaan wandelen.»

Bij uitzondering verzette Stuyf, die anders altijd z’n eigen idee had, zich eens niet. Ach ja, frissche lucht! Dat hield je wakker èn.... ’t kostte niets. Alleen maakte ’t je hongerig.

Stuyfwiptevan z’n stellage. Daar kwam balanceerkunst aan te pas, want’t ding stond wankel. Daan leverde ’t tenminste nooit zonder dat schraag of baar ’n onrustbarenden hoek beschreef. Doch Stuyf, met z’n élégance!

«De borstel!» zocht Stuyf. Daan vònd ’t gehavende haar-hout, gaf ’t aan. Helaas, de ander kon niet in den spiegel zien. Oome Jan eischte in deze tijden zware offers!

«Hoe zie ’k er uit?» vroeg Stuyf, afhankelijk. Daan, die z’n vereerden vriend kènde, verwonderde zich niet over die vraag. Stuyf wàs nu eenmaal erg op z’n kleeren. «Dat moèt ’k wel», zei-ie dikwijls met iets van beklag. «Directies zijn en blijven stommeriken. Ze kijken alleen naar ’t uiterlijk. En waar ze mij altijd de salon-rollen geven....!»

«Uitstekend!» forceerde Daan zich.

Maar Stuyf wist, dat z’n collega ditmaal onoprecht was. ’t Pak, dat-ie droeg, was vóór jaren misschien correct geweest, ’t zat nu als ’n rimpel. De plooi uit z’n pantalon was weg en de snit van vest en colbert leek wel heelemaal zoek. Als de dalles je eenmaal te pakken had!

«Vooruit!» zette Stuyf zich heldhaftig over z’n wrakkige verschijning heen. «Ja, als Bolman nog beren wou! Maar kom daar op ’t oogenblik eens mee aan!—Nee, sluiten hoeft niet. We hebben den boel zelf al leeggehaald. Ze kunnen hier alleen maar brèngen.»

Lusteloos zeulden ze de krakerige trap af van de étage, welke ze broederlijkdeelden. ’t Leven zonder engagement was ’n doodkist.

Ze hadden de halve stad doorgestapt. ’n Enkele maal groette Stuyf met z’n «graeflijk» handgebaar ’n collega, die voorbijkwam. Doch meest zag-ie ’m maar niet, te veel geknakt door z’n verfrommeldjeune premier-tenue. Daan, practisch man, die alle idealen verre van zich hield, bleef telkens staan voor ’n spekslagerij. Preskop en zure zult waren nu eenmaal dingen, waar-ie z’n zaligheid voor gaf. «Kom!» fluisterde Stuyf dan verwoed. Hoe kon men z’n hongerigheid zoo ten toon stellen! Ookzijnmaag rammelde als kar-gedaver. Dochhijgedroeg zich als man van den salon!

In de Utrechtschestraat echter bleef ook Stuyf staan. Ze stonden voor Bolman.

Stuyf kneepéénoog dicht, deed ’n stap achteruit en keurde als ’n kenner. Hij genóót, wist niets meer van de platte, alledaagsche wereld, bevond zich in den hemel. O, die étalage van Bolman! Welk ’n keur van costuums, welk ’n verscheidenheid, welk ’n verrassende vondsten! Z’n gestreelde tooneelspelers-fantasie deed de gedurfdste sprongen. Hij zag zichzelf, dàn in jaquet, dàn in smoking, dàn in jachtbroek. Alle rollen, welke-ie wel eens gespeeld had of hoopte te zùllen spelen, trokken z’n geest voorbij, in ’t pak gestoken door Bolman,le roi de la confection! En die dassen,die vesten, die souspieds, ah! O, als Bolman wilde! De kleer-kunstenaar kon ’n groot man van ’m maken.

«Ga mee», drong Daan, wien ’t begon te vervelen. Verderop wist-ie nog ’n spekslagerij.

Maar Stuyf schudde van nee. Hoe kon-ie z’n dag beter besteden dan hier voor die aanschouwelijke les? Dan werd-ie weer cynisch, grijnsde:

«Die etalage-poppen schijnen ’t beter te hebben dan wij. Kijk ze eens ’n kleur hebben!»

Inderdaad, de poppen zagen er uit als kool. Hun wassen wangen hadden ’n verlokkenden jonge-rols-blos en heel hun figuur was aangenaam gevuld. Dat begon Stuyf te tergen. Ze waren ’n beleediging zooals ze daar een vooreen stonden in Bolman’s allerlaatste creaties. En hìj, de man voor ’t salonwerk, liep er bij als ’n klerk van ’t jaar nul. Hij kon ’t niet langer aanzien.

«Vooruit!» zei-ie gehaast en de onafscheidelijken stapten ’t Rembrandtplein op, waar ze ’n kwartiertje bleven paradeeren. ’t Was altijd goed, dat je je eens vertoonde, vond Stuyf. Dan wisten ze tenminste, dat je nog bestond.

Daarop echter verzeilden ze weer in de Utrechtschestraat. En telkens en telkens keerde Stuyf terug tot Bolman.

«Wat hèb je?» vroeg Daan, die iets bijzonders aan z’n vriend merkte.

«’n Idee!» zei die geheimzinnig. «Komaan, ’k waag ’t er op. Als ’t lùkt!»

En vóór de ander wist, wat ’moverkwam, bevonden beiden zich in de groote confectiezaak.

«Meneer Bolman zèlf!» ordonneerde Stuyf met al z’n graeflijk aplomb.

De chef werd met veel moeite ergens achter uit ’t magazijn opgediept. Zoodra zag-ie echter niet z’n klanten, of hij zei:

«Pardon, heeren. In deze tijden geen crediet. ’t Spijt me wel, maar....»

«Pardon», gaf Stuyf dadelijk hoog terug met ’nair, alsof-ie de grootescènespeelde uit een of andere derdeacte. «Ik kom zaken met u doen.»

Bolman keekperplex. Hij kènde den acteur, had ’m, uit liefde tot de kunst, wel eens ’n costuum verkocht op zeer langen termijn. Doch als zakenman had-ie ’m nog niet ontmoet.

«Was ’t maar waar!» verzuchtte Bolman. «D’r gaat niets om. Zoo slapjes heb ik ’t nog nooit meegemaakt.»

«Dat komikveranderen!» annonceerde Stuyf breed en maakte met den rechterwijsvinger ’n prikbeweging naar z’n borst.

Bolman glimlachte. Komedianten waren wel vermakelijke lui!

«U luistert?» vroeg Stuyf, alsof-ie ’t tegen den pachter van een zijner aanzienlijke landgoederen had.

«Wel zeker», glimlachte Bolman opnieuw.

«Kijk eens», legde Stuyf uit met ’n losheid van beweging, welke Daan ten zooveelste maal met bewondering sloeg. «Die etalage van u! Daar deugtniets van, meneer! Dat is geen arrangement, geen regie. Dat zegt me absoluut niets, meneer! Geen diepte, geen atmosfeer, geen massabeweging, geen verdeeling van eerste en tweede plan. Dat is dood, als ’n pier.»

Stuyf haalde adem, zooals-ie dat op de Tooneelschool geleerd had. Daan wilde bijna applaudisseeren. Bolman begreep nog steeds niet, waar z’n «klant» heen wou.

«Herinnert u zich mij als Lord Foxhall in «De slapende Wintertuin»?» vroeg Stuyf.

Le roi de la confectionherinnerde zich niet.

«Ik heb toen ’n jaquet van u gedragen, dat enorm de aandacht trok», sprak Stuyf met nadruk. «Enfin, maaru zag me als Baron Du Sablé in «De listige ontvoering»?»

Bolman betwijfelde, of-ie die zeer zeker merkwaardige creatie aanschouwd had.

«Ik bracht u toch vrijkaarten!» riep Stuyf uit metfausset.

«O, jawel, toch! Dat is waar ook», deed Bolman welwillend.

«Nu dan, meneer», vervolgde Stuyf, geheel in actie. «Zooals ik diesmokingvan u droeg! Dàt is etaleeren, ’t publiek boeien. Als ik m’n pantalon optrek, ziet men de plooi, den snit. Die poppen, ze leven niet, meneer!»

Er ging Bolman ’n licht op.

«Wou ù in de étalage gaan staan?» vroeg-ie snel.

«Pardon, ik figureer niet», vlijmdeStuyf met ’n gebaar, dat ’t ’m dééd. «Maar ’k weet beter. U draagt mij de regie op van uw vitrine. Die poppen, daar breng ’k leven in. Ik arrangeer, groepeer ze, tweede en derde plan, los, wààr. Dat is de figuratie.Reinhardt, meneer! Alleen wordt ’t ’n salonstuk, natuurlijk. Eniktreed er in op, als ’n soort film-acteur. ’k Steek de handen in m’n piqué-vest, ’k ga zitten, ’k loop, leun achteloos achterover, steek ’n sigaret op, strek me op ’nchaise longue(heeft u die? Requisiet, meneer!), enfin, ’k breng licht en schaduw aan, doe uw pantalons, uw jaquets, uw colbertsspreken. En om ’t kwartier verwissel ’k van costuum—achter de schermen, dat spreekt. M’n vriend, hier, meneer Klops, die meerin ’n, h’m, andergenreuitblinkt, vult m’n actie aan als livrei-knecht, als jager, chauffeur,groom. Dat zal ’n geheel geven, magnifique! ’n Reclame voor uw zaak, meneer, niet te vertellen! ’t Zal stroomen, geloof me.»

Stuyf was uitgepraat. Hij verzamelde opnieuw ’n enormen voorraad adem en wachtte af.

Bolman peinsde. Gekker voorstel hadden ze ’m z’n leven niet gedaan. Maar toch, er zat iets in. In deze dagen van algemeene dépressie kon alleen iets heel bijzonders er den loop weer in brengen. Als-ie ’t eens probeerde?

Stuyf stamp-teende ongeduldig.

«U belooft me, geen grappen te zullen maken?» conditionneerde de confectie-man nog voorzichtig.

«’k Ben ’n sérieus artist, meneer», verklaarde Stuyf met grooten eenvoud.

«Toegeslagen dan!» besloot Bolman opeens. «God geef, dat ’t helpt!»

En ze spraken af, dat morgen reeds de voorstellingen begonnen.

’t Succes was verbazend. De Utrechtschestraat werd bestormd. Geen enkele winkel werd meer aangezien. Alleen de zaak van Bolman had publiek. En in welk ’n aantal!

Stuyf jongejande onvermoeibaar met deélégance, welke z’n specialiteit was. Hij was onuitputtelijk in lossegestesen hij trok alle broeken op, dat men ’t eind van z’n sokken zag. Daan stond ’m stevig ter zijde.Als knecht was die onovertrefbaar.

Den tweeden dag van den groeienden bijval zat ’t ingénieuse artistenpaar ’s avonds bij «Mast» achter ’n sterkend souper. Stuyf spaarde spijs- nog wijnkaart. De kellner vloog. Collega’s maakten Stuyf hun compliment. Zóó vol hadden zìj ’t nog niet gehad. De Utrechtschestraat was uitverkocht geweest.

Juist toen Stuyf ’n extra dure Havana opstak, naderde ’m ’n zeer correct heer. Hij stelde zich voor. «Van Prützen, in bedartikelen en meubels.»

«Meneer», stak die dadelijk van wal. «M’n affaire is schuin over Bolman. U ruïneert me. Geen sterveling komt meer m’n deur binnen. Ik wil ukoopen. Wat kost u? ’k Heb er alles voor over. M’n eenige voorwaarde is: ’n algeheel nieuwe en schitterende attractie.»

Stuyf brandde zich aan z’n Havana. ’t Lang verwachte fortuin! En hij noemde ’n prijs, waarvan Daan schrikte. Van Prützen accepteerde.

Bolman werd smadelijk verlaten. Stuyf «engageerde» ’n actrice—hij was nu directèur, droeg ringen, ’n vergulden wandelstok en ’n vest met halve maantjes—en zette met behulp van ’n zeer vlug journalist ’n alleraardigstenouveautéin elkaar. «Niet te gewaagd!» had Van Prützen nog geconditionneerd. «U begrijpt, bedden zijn ’n delicaat artikel!»

Weldra kondigden de groote bladen de eerste voorstelling aan van

DE LIT-JUMEAU,vroolijk spel van étalage.

DE LIT-JUMEAU,vroolijk spel van étalage.

’t Ding maakte gewoon furor.

Hélène Silva (eigenlijk heette ze Antje Bakhuis) trad er in op in ’n verrukkelijk déshabillé, dat door ’t straatpubliek ten zeerste gewaardeerd werd. Van der Stuyf vertoonde z’n meest hemelsblauwe slaapkamer-dressen Daan Klops als politie-agent tuimelde over alle stoelen heen van ’t wel voorziene meubel-magazijn. De schoonste dagen van Prot schenen te herleven. De toeschouwers drongen elkaar plat, vochten om ’n plaatsje. ’tStond zwart tot op ’t Rembrandtplein en dequeueslierde ver voorbij de Munt. Ieder moest ’t étalage-spel zien. Heel Amsterdam was er vol van.

Drie dagen ging ’t goed. Toen kwamen de autoriteiten er aan te pas. Er waren al ongelukken gebeurd. En ’t tramverkeer was absoluut gestaakt. Stuyf trok z’n haren uit z’n hoofd. «M’n fortuin, m’n fortuin!» krijschte-ie als in ’n draak van zeer ouden stempel. Doch ’t geluk was nog mèt ’m. Dienzelfden avond kreeg-ie bezoek van een van Amsterdam’s tooneeldirecteuren, die blijkbaar nog niet wist van ’t verbod, dat de «Lit jumeau» voorgoed van Stuyf’s repertoire verdrongen had.

«Meneer!» sprak de man van salarissen, boeten en contracten. «U knaktonze mooie tonneelspeelkunst! Meneer, wij moeten, door den drang der tijden, al voorstellingen geven ad 62½ cent de plaats éérste rang! En nu geeft u ze gratis! Meneer, denk om ons tonneel! Ik engageer u! Ik engageer u, voor drie jaar. U krijgt 250 gulden in de maand. Teeken, meneer!»

Stuyf teekende, met spoed. Ook Daan kreeg z’n deel van den voorspoed, teekende. De directeur, in z’n nopjes—in zooverre ’n tooneeldirectie dat ooit kan zijn—vertrok per snorrenden automobiel.

Stuyfs eerste optreden bij ’t gezelschap werd geannonceerd als:

Début van Van der Stuyf,den geliefden étalage-acteur.

Début van Van der Stuyf,den geliefden étalage-acteur.

’t Fiasco, dat-ie maakte (zonder weerga in de geschiedenis van ’t «tonneel») bezorgde ’m ’n nieuwe vermaardheid.


Back to IndexNext