[Inhoud]VI.IN HET CEPHISSUS-DAL.Wanneer men in zuidelijke richting de oude stad Athene verliet en een weinig links zich wendende den buiten-Ceramicus doorliep en onder de tuinen en de lanen met platanen beplant van de Academie1zijn weg vervolgde, dan nog een eind weegs zuidelijk langs een zonnig pad aflegde, bereikte men het bekoorlijke, liefelijk omschaduwde Cephissus-dal.Zoodra men dit dal binnentrad, vertoonde zich aan den linker kant een ruischend, weelderig groen olijvenbosch. Het strekte zich als een groene wal langs den weg uit. Forsch wond daartusschen de kuischboom zijne takken, welks blauwe bloesem aangenaam tegen het zachte groen der smalle bladeren afstak. Klimopranken hingen van de takken neer; ook taxusboomen groeiden langs de helling en bedekten haar zoo, dat men niets dan een groen tapijt zag.Aan den anderen kant van den weg, ter rechterzijde klaterden de kristalheldere beekjes van den Cephissus, uit het dal over schitterend witte kiezelsteentjes den wandelaar te gemoet vlietend, hier en daar in de rozen-enlaurierboschjeszich verschuilend.Aan gene zijde van den Cephissus zag men op geen grooten afstand den niet minder liefelijk omgroeiden, door sagen en zangen beroemden heuvel Colonos.Ging men, als men het dal betreden had, een kort eind tusschen het olijvenbosch en het stroomend water, dan zag men aan genen oever van den Cephissus op grasrijken, zacht glooienden bodem[162]eene bekoorlijke landhoeve in de stralen der zon schitteren, door enkele overoude, hoog gekruinde cypressen, platanen en pijnboomen omgeven en een tuin, die bijna tot aan den Cephissus reikte. Maar niet alleen aan deze zijde strekte zich die tuin tot aan den oever van den Cephissus uit, deze toch zijn loop uit het diepst van het dal naar den ingang vervolgende, maakte eene kromming ter rechter zijde en besproeide dan ook de velden, waarin de vrucht- en bloemtuinen, rondom het landgoed, aan dien kant uitliepen. Daar verhief zich de bodem aan den tuin iets meer glooiend, en de beek vlood zacht kabbelend tusschen heestergewassen door, waarin de stralen der zon flikkerden en de nachtegalen kweelden.In het midden van de groote ruimte tusschen dezen glooienden Cephissus-oever en het woonhuis stond een tuinhuisje, door rozen omgeven. Aan de uiteinden van den tuin verschaften laurier, myrthen- en rozenboschjes, met hun dicht gebladerte, eene schaduwrijke plaats. Ook de donkerroode bloesem van den granaatboom ontbrak niet. Dubbele rijen van olijven-, vijgen- en andere vruchtboomen, van het eene priëel naar het andere voerende, omzoomden dezen tuin.Waar de grond naar den Colonos-heuvel zacht glooide, daar hingen de donkere druiventrossen, in de warme stralen der zon. De landelijke woning zelve was door wijnranken omslingerd, ja zelfs om de boomen wonden zij zich in weelderige volheid en kracht. Met hen wedijverde woekerend het klimop, welks groote, zwarte trossen van muren en boomstammen neerhingen en welks weelderig gebladerte zich voortslingerend, zelfs het bedauwde weiland omzoomde.Tusschen de bloeiende perken waren kleine bloembedden aangelegd. Weinig was er overgebleven van de schoon getroste narcissen, van den geurigen crocus, de leliën, irissen en viooltjes wegens het ver gevorderde jaargetijde, en de liefde der Atheners tot het vlechten van kransen, maar talloos[163]bloeide alom de rozen, door viooltjes omzoomd, in purperen bedden langs den grond zich uitstrekkende, of op hooge heesters prijkend, nooit door ruwe winden geteisterd en iederen morgen verfrischt door den reinsten hemeldauw.Gemakkelijk schijnt het van de voorwerpen, die hier te zien waren, de namen en het uiterlijk in woorden weder te geven; onmogelijk echter is het den blijmoedigen en gelukkigen vrede te schilderen, die over dit weelderig groene dal, door wouden omzoomd, door de wateren van den Cephissus besproeid, door nachtegalen bezocht, verspreid lag. Men was zoo nabij de woelige stad en toch gevoelde men zich ver van de drukke wereld. Het was, alsof de landelijke God Pan uit die schaduwrijke boschjes te voorschijn moest treden of eene Najade2uit de wateren van den Cephissus onder het schitterend loof zou opstijgen. Verder in de geheimzinnige diepten van het woud stoeiden zeker Satyrs met bokspooten en kon men het gelach van schoone, bevallige Hamadryaden3hooren, die rustten op het groene loof. Soms ging er eene ritseling door de kruinen der boomen, die in het zuiverste blauw van den Griekschen hemel trilden, als eene aangename koelte, die daar ruiste voor den tred van den God der vreugde, Dionysus.Maar ook de zang van de gezellen van Apollo, de vriendelijke Muzen, was niet vreemd aan dit heerlijk oord. Hier woonde toch de lieveling der Muzen, de groote dichter Sophocles. Dit was zijne geboorteplaats, die hij op de hoogte van de Acropolis geprezen had en aan Pericles en Aspasia uit de verte had getoond. Hier was hij geboren en hier leefde hij. Onder de witte zerken, met klimop begroeid, die hier en daar uit het groen van den tuin en der boschjes uitstaken, sliepen zijne vaderen den eeuwigen slaap.[164]Juist zat hij in een rozenpriëel, terwijl de aangename morgenlucht hem verkwikte, en had het wastafeltje op zijne knieën liggen, op welker oppervlakte hij van tijd tot tijd met eene scherpe stift eenige verzen griffelde; zeer dikwijls echter wischte hij het geschrevene met het stompe eind der stift weder uit, wanneer de eerste ingeving zijner Muze hem niet ten volle bevredigde.Terwijl hij een blik wierp op den weg in het dal, zag hij een statig man met lichten en vluggen tred door het dal aankomen.„Wie is die vroege wandelaar,” dacht hij bij zich zelf, „die daar schier gevleugeld als Hermes, de bode der Goden, nadert?”Weldra was de wandelaar naderbij gekomen en de dichter herkende den liefsten zijner vrienden. Verheugd ging hij hem te gemoet tot aan den ingang van den tuin.Pericles schudde hem de hand. „Ik voldoe aan uwe uitnoodiging,” zeide hij, „ik ben heden uw gast en heb het woelig en drukke stadsleven en alle staatsaangelegenheden ontvloden. Ook de citherspeler uit Milete—gij herinnert u dien ongetwijfeld—zal den dag met ons komen doorbrengen, als gij het goedvindt. Ik heb veel met hem te bespreken en weet geene plaats, waar ik het zoo ongestoord zou kunnen doen.”„Zal de schoone citherspeler uit Milete ook komen?” riep Sophocles verheugd uit. „Dacht ik het niet dat u iets heerlijks bezielde, toen ik u zoo vurig en opgewekt zag naderen. Daar was niet veel te zien van de rustige waardigheid van den redenaar op de Pnyx; ik herkende u ternauwernood, zoo schuddet ge het hoofd en de schouders heen en weder en deed mij denken aan dat edele krijgsros, waarvan Homerus zegt, dat het den halster in zijn stal heeft losgerukt en met fieren kop en vliegende manen naar buiten naar de weide rent…”4[165]„Stil,” zeide Pericles en lei zijne hand op den mond zijns vriends. „Het waren de geurige luchten van het Cephissus-dal, die zoo bezielend in de morgenkoelte op mij werkten.”„Waarom ook niet het verlangen, om de schoone Milesische te zien?” zeide Sophocles, „is zij niet de bekoorlijkste aller vrouwen?”„Zij is teeder als eene Lydische, waardig als eene Atheensche, sterk als eene Laconische,” hernam Pericles.„Gij behoeft Ion zijne blonde, lelieblanke Chrysilla niet meer te benijden,” merkte Sophocles op met een schalkschen lach.„Spreek niet van Chrysilla,” zeide Pericles. „Aspasia is onvergelijkelijk. Moeilijk is het te zeggen of zij meer van een Muze dan van eene Charis heeft.”„Wellicht is zij voor u eene Parce5,” zeide Sophocles, „zij kan u goeds en kwaads in uwe levensdraden spinnen.”„Waarom ook nietLamia6en Empusa?” riep Pericles uit. „En al ware het zoo—wij hebben bloed genoeg in de aderen en een zwaard aan onze zijde, om het evenals held Odysseus, tegenover ieder Circe7te rechter tijd uit de schede te kunnen trekken.”—„Ik kom tot u als een moede, opgejaagde vervolgde,” ging Pericles voort, terwijl hij zich het zweet van het verhitte voorhoofd wischte, „ik heb mij aan de tallooze zorgen en bemoeiingen mijner veelvuldige ambten en waardigheden onttrokken, om een dag aan de schoone Muze en haar liefste pleegkind, de liefde, te wijden.”—„Daar doet gij wèl aan,” hernam Sophocles, „wanneer gij de rust zoekt, om te beminnen. Op den[166]heeten zomerdag moet men òf niet beminnen òf niets anders doen dan beminnen.”„Ik geloof, dat gij zelf met deze uitspraak in strijd handelt,” merkte Pericles op; „die wastafeltjes daar in uwe hand bewijzen, dat gij ijverig vers aan vers rijgt. Dat verhindert u echter niet, naar men vertelt, uwe schoone Ephesische vriendin Philaenion in die stille myrthen- en rozengaarden te herbergen.”—„Is poëzie arbeid?” vroeg Sophocles; „dat wist ik niet. Wanneer het heete voorhoofd den dichter maakt, dan is wel de poëzie een welluidend uitademen van al het schoone licht en al het goddelijk vuur, dat men met zijn aardsche zinnen uit den hemelschen aether inzuigt. Licht gaat over in geluid. En zoo zou ik ook de liefde op een zomerdag niet gaarne willen missen, want daar is zij het vurigst en het zoetst en het goddelijkst. De eene gloed stroomt in den anderen; door het vuur van Apollo ontgloeid, zoekt gij verfrissching in den zaligen adem der liefde en keert gij met eene bevredigde, harmonisch gestemde ziel tot de Muze terug. Ten laatste verwisselen Eros en de Muze van rollen; de Muze wakkert den liefdegloed aan en de oogen of boezem van de geliefde overstelpen u met dichterlijke gedachten.”„Zoo moede is men, geloof ik, nooit,” hernam Pericles, „dat de liefde geen verkwikking zou zijn. Wij allen, die door den drang om te werken en te scheppen gedreven worden, weten dat.”Zoo onderhielden zich de vurige mannen, beiden in den rijpen bloei hunner jaren.Thans hield eene draagbaar voor het huis van Sophocles stil.Daaruit steeg Aspasia. Zij was in vrouwengewaad.Sophocles begroette haar en geleidde haar naar Pericles, in de lommerrijke, geurige boschjes.Voor onbescheiden blikken beveiligd, sloeg zij den sluier op, liet het himation, dat over haar hoofd geslagen was, van hoofd en schouders glijden en stond daar in een bonten chiton, met sierlijke[167]randen, het krullend, rosbruine haar in golvende lijnen langs de slapen en op het hoofd, als eenig sieraad een breeden, purperen haarband die van de kruin naar achteren rondom haar prachtige lokken gewoeld was. In de hand droeg zij een kleinen, bevalligen zonnescherm en in den gordel, die haar gewaad midden om haar lichaam omsloot, stak een niet minder bekoorlijke, bladvormige, bont beschilderde waaier.Sophocles zag Aspasia voor het eerst in vrouwengewaad. Een kreet van verwondering ontvoer hem. De Milesische was in de idylle van het Cephissus-dal schier als een verblindend wonder neergedaald. Hare verschijning stak af bij deze landelijke stilte. Een bedwelmende droom bracht zij met zich van schoonheid en jeugd, die alle heerlijke geuren van haag en bloemen verre overtrof.Sophocles voerde de schoone met haar vriend door dichte en lommerrijke lanen en zeide:„Moogt gij behagen vinden, Aspasia, in hetgeen de natuur voor dit oord heeft gedaan. Weinig reden zult gij hebben om de kunst der Atheners in het aanleggen van tuinen te bewonderen. Ik weet zeer goed, dat gij Aziatische Grieken dat veel beter verstaat: bekoorlijke lusttuinen aan te leggen, met doolhoven, hermitages en grotten, kunt gij voortreffelijk. Gij hebt immers daar de uitgestrekte, grootsch aangelegde paradijzen van den Pers tot voorbeeld. Wij Atheners, gelooven, dat de schoone natuur, evenals eene schoone vrouw, ook zonder opschik schoon is.”„Laat Aspasia slechts een korten tijd in deze oorden wandelen,” zeide Pericles, „en gij zult weldra met de onopgeschikte natuur niet meer tevreden zijn. Zij zal u weldra met uw tuin betooveren en veranderen. Dat is zoo hare manier. Waar zij gaat, daar ontspruiten bloemen onder hare voeten. Ongemerkt weet zij iemand te ontvonken en wanneer zij zich een paar woorden over uw tuin laat ontvallen, zult gij geen rust meer hebben, voor gij hem tot iets gemaakt hebt, dat zich kan meten[168]met den lusthof der Hesperiden8of met den tuin van Phoebus aan de uiterste einden der zee, of met den Cyrenaeïschen hof van Zeus en Aphrodite, of den tuin van Midas met haar honderdbladige rozen of ten minste met den lusthof van een Homerischen Alcinoös, den vorst der Phaeken op het eiland Scheria.”„Wel weet ik,” hernam Sophocles, „dat dit vrouwelijk wezen onrust zaait in de gemoederen der menschen. Heb medelijden, o schoone toovenares, en laat mij en mijn tuin onveranderd! Ik was tot nu toe hier zoo tevreden en gelukkig. Wanneer Phoebus aan het hemelgewelf schitterde dan verheugde ik mij, dat mijne olijven, vijgen en granaatappels door zijne stralen werden gestoofd; regende Zeus, dan dankte ik hem, dat mijne weilanden groen werden. Ik was tevreden, met hetgeen mijn hof mij opleverde; bloemen in de lente, schaduw in den zomer, rijpe vruchten in den herfst, verfrisschende koelte en stilte, door de Muzen zoo geliefd, in den winter. Boven alles echter, Aspasia, bezweer en verander toch niet door een tooverformulier datgene wat mij door de gewoonte het liefst is geworden, en wat voor minnaar en dichter beiden het meest gewenscht is: de vertrouwelijke gezelligheid dezer laurierboschjes, dezer myrthen- en rozenpriëelen.”„Zou werkelijk,” vroeg Aspasia, „die eenzaamheid, in de laurierboschjes voor den dichter zoo begeerlijk zijn? Moet hij niet veel liever, om tot volle rijpheid te geraken, de stille schaduw verlaten en in het heldere licht der wereld en des levens treden?”„Men gelooft zoo lang,” hernam Sophocles, „dat het de zon is en niets anders dan de zon, die de wijndruiven doet rijpen,totdatmen ontdekt, dat juist de grootste, de weelderigste, de donkerste druiven verborgen hangen onder de schaduw der dichtste[169]bladeren. En al mocht gij in twijfel trekken, dat deze eenzaamheid den dichter nuttig is, zeer zeker zult gij erkennen, dat zij den minnaar welkom is. Hier kunt gij, zoo ge wilt, u dagen lang verlustigen, alleen gestoord door het getjilp der vogels of het murmelen der beken. Geen slaaf betreedt ooit ongeroepen dezen tuin. Wilt ge echter het vertrouwelijkste en door de Muzen en Chariten het meest gezegende plekje leeren kennen, zoo komt met mij mede.”Pericles en Aspasia volgden den dichter. Hij voerde hen naar beneden, tot waar, zooals reeds vermeld is, de Cephissus een bocht maakt en den hof ook van den anderen kant omstroomde. De bodem glooide hier naar de beek af, die in eene ietwat diepere bedding vloeide. Evenwel liep deoeverniet steil naar beneden; integendeel tusschen de beek en de oploopende vlakte was eene bekoorlijke ruimte gelaten, die juist breed genoeg was, dat twee menschen, vertrouwelijk naast elkander, onder het groene loof, waar de stralen der zon heerlijk door speelden, konden wandelen.De dichter voerde zijne gasten langs dit bekoorlijke pad. Daar ruischte het geklater en gemurmel van de beek, daar kweelden en sloegen de vogels het liefelijkst,daar speelden als dartele geesten schaduw en licht op de golfjes en tusschen de takken. Hier en daar lag een weelderig grasperk, waar men zich op kon uitstrekken en de verfrisschende koeltjes van de schaduw rustig en droomend genieten. Hier trof men ook eene rotsgrot aan, van buiten schier omringd door bloemen en twijgen, van binnen met zitplaatsen en kussens versierd die tot binnentreden op de heetste uren van den dag noodden.Aspasia was bij het zien van deze bekoorlijke rustplaats verrukt en voldeed gaarne aan het verzoek van haar vriend zich hier neder te zetten. Pericles en de dichter zelf volgden haar voorbeeld. Men zag op de heldere wateren der beek neder, die hier in een natuurlijke kom uitliep. Bonte,[170]schitterende libellen zweefden en dansten in de stralen der zon over de bloemen aan den oever en een paar prachtige onschadelijke wateradders beschreef, zich onbespied wanende, in den kristalhelderen vloed zacht zich wendend, zijne vlugge, bevallige kringen. Weldra echter schoten zij, toen hunne beschouwers door een zacht geritsel zich deden hooren, onder de dichte planten, die weelderig woekerend van den oever in het water afhingen.„Een lief bruidspaartje,” zeide Sophocles; „ik beluister ze hier dikwijls. Zij zijn onafscheidelijk.”„Moeilijk is het,” begon Pericles na eene korte pauze, waarin allen zich aan de zaligheid der natuur hadden overgegeven—„moeilijk is het, uit deze vreedzame wereld zich in den geest wederom te verplaatsen bij die menschen en beslommeringen, die men zooeven ontvloden is. En toch zou het doel aan dezen tocht, Aspasia, slechts half bereikt zijn, wanneer wij niet over die menschen en zaken, die wij hier ontvlucht zijn, spraken. Integendeel, wij moeten in de eerste plaats ons daarmede bezighouden; want niet slechts gij hebt mij aangaande de gebeurtenissen der laatste dagen veel te vertellen, maar ook ik zelf heb u veel raadselachtigs op te helderen. Hier zweven over het water bekoorlijke libellen, en aalgladde, vlugge slangetjes trekken in den vloed hunne bekoorlijke kringen, maar niet daarover hebben we ons te onderhouden, maar van dieren van eene geheel andere soort heb ik u te spreken, van rampzalige vogels, die mij en u gisteren noodlottig zijn geworden: van de vervloekte pauwen van Pyrilampes. Door de ontrouw van Hipponicus werd een dier vogels, die tot een geschenk voor u bestemd was, in mijn huis gebracht en viel in de handen van mijne gebiedster Telesippe.”„En wat was het lot van den vreemdeling?” vroeg Aspasia.„O vraag mij niet naar mijn lot en het zijne op dien dag,” riep Pericles lachende uit. „Stel u den man voor, wien men, zooals de sage meldt,[171]zijne kinderen lekker toebereidt, als een maal voorzette; thans eerst kan ik mij de verwondering en ontzetting van mijn gemoed voorstellen, nu mij het wel is waar niet zoo afschuwelijke, maar toch haast even treffende wedervoer, den prachtigen vogel, die, naar ik geloofde, zijn prachtigen vederdos voor de verrukte Aspasia ontplooide, dien zij als een nieuwen Argus9beschouwde, haar door haar geliefde toegezonden, om als in zijne plaats met honderd liefdesoogen de wacht te houden—dat ik dien vogel dood, geplukt, tot eene vormelooze, gebraden massa op mijn bord heb gezien!”Vroolijk lachte Sophocles bij dit verhaal.„Gij hebt zwaar gezondigd,” zeide hij, „dat gij dezen vogel, aan Hera, de Godin van den echt, gewijd, in den dienst van hare vijandin, de gouden Aphrodite hebt gebruikt.”—„Veel erger dan over u en uw pauw, o Pericles,” zeide Aspasia, „is de toorn der Godin op denzelfden dag over mijn hoofd losgebroken. Weet, dat ik op denzelfden morgen verkleed u in uw huis opzocht, dat ik ook, evenals die pauw, in de handen van Telesippe ben gevallen en dat ik, zoo al niet geslacht, toch nauwelijks eene minder onaangename en wreede behandeling heb ondergaan. Bij de Goden, Telesippe wenschte slechts, dat ik evenals de pauw honderd oogen had gehad, om mij ze allen te kunnen uitkrabben! In gezelschap van uwe razende echtgenoote was eene bedaagde, belachelijke vrouw, Elpinice geheeten. Deze dame ontbrandde in warme liefde voor den jongen citherspeler en verviel in een onbeschrijfelijken toorn, toen zij ontdekte, dat het eene vrouw was. Ik werd door deze beide Harpyen10uitgescholden, met smaadwoorden overstelpt, uit het huis gejaagd. „Ik sta als meesteres aan den haard van dit huis,” riep Telesippe uit. „Gij echter zijt eene vreemdelinge, eene boeleerster,[172]ik beveel u van hier te gaan.” Zij voegde er bij dat zij van uw hart afstand wilde doen, maar dat zij nooit uw haard zou prijsgeven. Volgaarne gunde ik haar uw haard, Pericles; maar denkt gij de vrouw, die aan uw haard gebiedt, het recht toe te kennen, de vrouw, die uw hart bezit, met smaadwoorden en woeste bedreigingen lastig te vallen?”„Wat kan ik daaraan doen?” hernam Pericles. „De rechten der Atheensche vrouwen zijn gering. Diegene echter, welke zij hebben, moeten wij eerbiedigen. Zij reiken niet verder dan den drempel van het huis …”„Het schijnt derhalve,” hernam Aspasia, „dat gij Atheensche mannen geen heeren in huis zijt, maar alleen daarbuiten … Hoe zonderling! Gij maakt de vrouw tot uwe slavin en dan verklaart gij u zelven weder tot slaven van die slavinnen.”„Dat is het huwelijk!” zeide Pericles de schouders ophalend.„Wanneer dit het huwelijk is,” hervatte Aspasia, „dan ware het wellicht beter, dat er volstrekt geen huwelijken in de wereld bestonden.”—„Den zaligen band der harten sluit de liefde,” zeide Pericles; „echtgenoote echter en meesteres des huizes wordt de vrouw door de wet.”—„Door de wet?” vroeg Aspasia; „ik dacht altijd, dat het eigenlijk alleen het moederschap was, waardoor de geliefde vrouw gade werd en dat de echt, om zoo te zeggen, eerst met het kind begon.”—„Niet volgens de Atheensche burgerlijke wet,” wierp Pericles haar tegen.„Verander dan uwe burgerlijke wet,” riep Aspasia uit, „want zij deugt niets.”„Vrome lieveling der Goden, Sophocles,” sprak Pericles zich tot zijn vriend wendende, „help mij toch deze vertoornde schoone tot rede brengen, opdat zij niet met hare kleine blanke hand het geheele staatsgebouw der Atheners omver moge werpen.”„Hoe zou ik kunnen gelooven,” zei de dichter, „dat onze verstandige Aspasia het beste en heerlijkste[173]deel van den mensch, de rede, zou kunnen verliezen?—Zij weet het zoo goed en zou het ons, als wij het ooit vergaten, weder kunnen leeren, dat een leven zonder genot geen leven is, dat men echter, om het genot des levens in de hoogste mate te kunnen genieten, zich boven alles moet wachten, om de sombere Ate, de Godin der verblinding en der hartstochtelijke onberadenheid, tegen zich op te zetten; dat we ons nooit tot iets ten strijde, moetenaangorden, voordat we nauwkeurig onze krachten hebben gewogen, dat vroolijk genot onmogelijk is zonder zelfbeheersching, dat wij de menschen moeten liefhebben, want zij zijn de gezellen van ons genoegen, en de Goden eeren, want het zijn geen ijdele namen, maar zij wijzen ons de perken onzer kracht aan en staan machtig en gebiedend tusschen onzen eigen wil en het noodlot tusschen de vrijheid en de eeuwige noodzakelijkheid, dat wij …”—„Genoeg,” viel hier Aspasia lachende in de rede, „ik vrees anders, dat wij uit den helderen Aether van het reine denken, waarin ons uwe verstandige en schoone woorden hebben verplaatst, den weg niet zullen kunnen terugvinden, naar de onbeduidende, maar tastbare zaken, waarvan we in ons gesprek zijn uitgegaan. Wanneer het mij vrijstaat, het algemeene op het bijzondere toe te passen, dan komt het mij voor, Sophocles, dat gij hebt willen zeggen, dat de uitheemsche vrouwen en de uitheemsche vogels te Athene goed moeten vinden, geplukt en mishandeld te worden en dat ze zich, uit vromen eerbied, niet tegen de wetten van het land mogen verzetten, die haar geen rechten toekennen.”„Onze vriend hier,” voegde Pericles bij hetgeen Aspasia gesproken had, „valt het natuurlijk gemakkelijk, voor het menschelijk doen en laten, vooral met betrekking tot echtgenooten, wijze regels op te stellen en even gemakkelijk die op te volgen. Zijn leven vliedt zonder strijd daarheen, want hij is ongehuwd en geene Telesippe treed zijne[174]Aspasia dreigend met een brandhout te gemoet …”„Zoo gaat het altijd met de bemiddelaars,” hernam Sophocles lachend, „en met allen, die zelfs wanneer het hun verzocht wordt, zich in de aangelegenheden van minnenden te mengen. Ikwordnu bespot en bijna met verwijtingen overladen, omdat ik, de rede predikende zelf zoo onredelijk was, aan verliefden raad te willen geven. Daarvoor wil ik nu mij zelven straffen, daar ik u aanstonds aan uw eigen wijsheid overlaat. Voor een korten tijd neem ik van u afscheid, opdat gij uwe zaken alleen in het reine kunt brengen. Ik ga zorgen, dat gij niet den geheelen dag zonder lafenis van spijs en drank moogt doorbrengen. En wanneer ik soms, terwijl gij uwe zaken bespreekt, wat lang in gindsche laurierboschjes vertoef, weet dat mij daar geene Aspasia wacht, maar dat ik in die schaduwschemering, met mijne wastafeltjes op de knie en de stift in de hand, de klaagtonen van de edele dochter van Oedipus11beluister …”„Gij hebt dus dat dichterlijke plan, waarvan gij op de Acropolis spraakt, niet laten varen?” vroeg Aspasia.„De helft van het werk is reeds gereed,” hernam Sophocles, „en een slaaf zit dag aan dag met een zwart riet om het voltooide en afgewerkte van de wastafeltjes op de papyrus over te brengen.”„Zult gij ons daarvan geene voorproef geven?” vroeg Pericles.„Uw tijd is te kostbaar,” antwoordde de dichter en verwijderde zich.Toen dus Pericles en Aspasia alleen waren kwamen zij op hun onderhoud terug, dat zij in tegenwoordigheid van hun trouwen vriend reeds aangeroerd hadden.Maar het ging zooals bij gesprekken van minnenden gewoonlijk het geval is, zij dwaalden telkens van hun onderwerp af. Zij trachtten niet naar een gestrengen gedachtenloop, daar tal van andere denkbeelden[175]hunne ziel vervulden, die den draad der redeneering afbraken. Zij luisterden bovendien naar het gezang van een vogel in de takken, ademden de geurige lucht der weiden in met volle teugen,pluktenhier en daar een bekoorlijke druif van een zwaar beladen wijnwinde of een rozenroode, sappige vrucht van den boom.Aspasia beet in een appel en gaf hem toen aan Pericles. Deze bedankte haar met een gelukkig lachje, want het was hem niet onbekend, wat een aangebeten appel in de taal der liefde beteekende. Ook bleef de aangeboden gelegenheid liefdesorakelen te raadplegen niet ongebruikt. Aspasia vlocht onder het gesprek een krans, reikte hem toen aan Pericles over en lachte, toen daar bladeren afvielen; want dit was voor de ingewijden een teeken van den heftigen liefdegloed van hem, die den krans droeg. Pericles daarentegen plukte die bloemen wier kelken de eigenschap hadden met een kleine knal te barsten, zoo men ze tusschen de vingers plat drukte en hij achtte het zijner niet onwaardig uit de kracht van dien knal de innigheid van de liefde der beminde af te leiden.Maar hoezeer ook de liefdegloed van Pericles den krans, dien hij in de hand droeg, deed verwelken en ontbladerde en de vurige genegenheid in het hart van Aspasia het knallende bloemenorakel eer mocht aandoen, beidentrachttentoch telkens op een ernstig gesprek terug te komen. Vele vragen werden ter sprake gebracht, maar natuurlijk weinige ten volle beantwoord. Men overwoog, hoe Aspasia met behulp van Pericles haar nieuw huishouden het best zou inrichten, vervolgens hoe zij hun omgang het ongestoordst zouden voortzetten en, daar verliefden over niets liever keuvelen, dan over de geschiedenis hunner eerste ontmoeting, kwamen ook Pericles en Aspasia op de hunne in het huis van Phidias terug en Pericles verhaalde wat de gevolgen van die eerste kennismaking waren geweest, hoe sedert dien dag zoo menig grootsch plan was ontworpen, hoe hij sinds zich tegen[176]de verwijten zijner vrienden had moeten verdedigen, hoe ten laatste allen zich voldaan hadden verwijderd, behalven de zoon van Sophroniscus, de waarheidszoeker, die nog steeds de vraag beantwoord wilde zien of de beoefening van het schoone die van het zedelijke overbodig maakte. Die vraag had men toen laten rusten en was sedert in vergetelheid geraakt, nu Aspasia echter aan haar lievelingsdenkbeeld herinnerd werd, beweerde zij weder zeer beslist, dat de aankweeking van het schoone in de wereld evenveel recht van bestaan had, als de beoefening van het zedelijke en dat een pauw evenveel waard was, als een eend hoewel deze beter geschikt was om gemest te worden. Toen Pericles niet aanstonds wistofhij haar dit mocht toegeven, werd het minnende paar juist ter goeder ure door de komst van Sophocles in zijn gesprek gestoord.Hij kwam hen tot een eenvoudig ontbijt uitnoodigen. Hij geleidde hen naar het tuinhuisje, dat midden in den hof gelegen was. Zij vonden dat van binnen netjes versierd, bijkans weelderig ingericht voor weldadige ontspanning, en in eene sierlijke spijszaal herschapen. Aanligbedden voor twee personen stonden gereed, waarop men, het bovenlijf op de linkerhand gesteund, gewoon was het maal te gebruiken. Voor die aanligbedden stonden de tafels, met spijzen beladen en wel voor ieder aanligbed een afzonderlijke.Pericles en Aspasia namen op uitnoodiging van Sophocles plaats en strekten de handen uit naar de aangeboden ververschingen. Op tafel was aanwezig: gevogelte, koeken, Siciliaansche kaas, vijgen, amandelen, noten, druiven en bovendien kostelijke, vurige wijn van de eilanden12.„Ik hoop, vrome Sophocles,” sprak Aspasia schertsend, „dat gij ons geen gebraden nachtegalen voorzet, hoewel men in eene stad, waar men zich[177]niet ontziet pauwen op te zetten, evengoed nachtegalen zou kunnen braden.”„Smaal toch niet om ééne goddelooze op het geheele Atheensche volk,” smeekte Sophocles.„Eene vrouw,” riep Aspasia uit, op nieuw ziedend van toorn, „die in staat was een pauw te slachten, hem zijn schoonen vederdos uit te plukken en hem in eene pan te doen, verdiende met roeden uit Hellas gegeeseld te worden. Zoo ooit over iemand, moet over haar de toorn der Grieksche Goden losbarsten, want zij heeft zich vergrepen aan het heiligste wat er bestaat, aan het schoone!”„Als wij onze schoone en verstandige Aspasia mogen gelooven,” zeide Pericles tot Sophocles, „dan is schoonheid de hoogste wet des levens en daar zij ziel en lichaam doordringt, van alle deugden de eerste en de laatste.”„Die gedachte lacht mij zeer toe,” hervatte de dichter, „ofschoon ik niet weet, hoe Anaxagoras en die bekende steenhouwer van Phidias en de overige wijzen er over zouden oordeelen. Maar ook van hen zal niemand de geweldige macht der schoonheid en van datgene, dat zij in het hart der menschen verwekt, van de liefde durven bestrijden. Ik heb juist van morgen, geheel naar uw verlangen, Aspasia, om de onoverwinnelijke macht der liefde te toonen, in mijn drama een tooneel ingelascht, waarin ik de Haemon, de zoon van koning Creon13vrijwillig in den Hades14doe nederdalen, om zijne geliefde bruid Antigone daarheen te volgen …”„Dat is overdreven, Sophocles,” sprak Aspasia tot den dichter, die eenigermate verwonderd was, daar hij toch meende in haar geest te hebben gehandeld. „Van zulk eene treurige zijde moet de stift der dichters de liefde niet teekenen. De liefde is opgewekt en vroolijk en moet liever zich zelve prijs geven dan hare vroolijkheid. Zij moet eene menschelijke[178]ziel niet naar den Hades voeren. Zij moet de menschen alleen met het leven niet met den dood verzoenen. Sombere, dweepzieke hartstocht moet onder de Grieken niet met den naam van liefde bestempeld worden. Dat is ziekelijkheid, dat is slavernij …”„Gij hebt gelijk, Aspasia,” antwoordde Sophocles. „De leer, die gij daar verkondigt, is opwekkend en duidelijk; gij en Pericles en ik zullen voorzeker alleen de schoone, vrije, opgewekte liefde huldigen en wij willen, als het uwe goedkeuring wegdraagt, nog heden den Goden een offer brengen, opdat zij nooit in onzen boezem het vriendelijk liefdevuur tot een doodelijken en verderfelijken gloed mogen aanblazen. Maar in de dicht- en beeldende kunst drijft de geest de dichters en beeldhouwers, om datgene wat zij uit willen drukken op eene scherpe en overdreven wijze te doen. Ik wilde aantoonen, dat Eros een machtige God is; maar ik wensch van harte, dat hij zijne geheele macht nooit weder op eene dergelijke wijze de Grieken zal doen ondervinden. Mocht hij slechts boven alles de harten der schoonen zacht en goedgunstig stemmen, want wat anders dan de schoonheid is de schuld van al den jammer en ellende der liefde op de wereld? Inderdaad, de schoonheid is eene noodlottige, dikwerf beslissende macht in het leven der stervelingen. Zij zit, wanneer ik het zoo mag uitdrukken, mede besturend in den raad der hoogste machten.”„Schoonheid zit medebesturend in den raad der hoogste machten!” herhaalde Aspasia. „Deze uitspraak verdiende, mijns inziens, aan de spreuken van Hellas’ wijzen toegevoegd te worden.”„Wanneer die uitspraak u zoo bevalt,” hernam de dichter, „dan zal ik die luide voor geheel Hellas herhalen en haar in een reizang op Eros in mijn treurspel invlechten. Wanneer zou ik dien reizang op Eros onder gunstiger voorteekenen kunnen voltooien, dan zoolang uw voet nog in dezen lusthof wandelt? Gij moogt van hiernietgaan,[179]vóór ik den hymne opgeschreven en aan uw oordeel onderworpen heb.”„Geen schooner gastgeschenk kunt gij ons geven,” hernam Pericles.„Vergeeft mij thans,” ving Sophocles weder aan, „dat ik u niets aanbied, waarmede men anders een onthaal pleegt te kruiden. Ik vertoon u noch eene danseres noch eene fluitspeelster; want heden, dunkt mij, hebben mijne gasten aan zich zelven genoeg; en bovendien, wie zou zich op de cither durven meten met den schoonen „citherspeler uit Milete” en met zulk een kunstenaar een wedstrijd durven aangaan?”„In de eerste plaats—gij zelf,” riep Pericles; „gij zijt ons zelfs de wedstrijd schuldig, want gij hebt ons toch op de Acropolis iets dergelijks beloofd. Haal slechts uw snareninstrument, Sophocles, en breng er ook een voor Aspasia mede; en begint dan op de wijze van Siciliaansche herders in zang en spel te wedijveren, terwijl ik als onpartijdig scheidsrechter uitspraak zal doen—want dat gij mij tot kamprechter aanstelt, spreekt wel van zelf, daar gij buiten mij geen toehoorders meer hebt.”—„Het genoegen Aspasia’s gezang en snarenspel te hooren,” hernam Sophocles, „zal voor eene nederlaag niet te duur gekocht zijn.”Hij verwijderde zich en keerde weldra met twee schoon versierde cithers terug en verzocht Aspasia daar eene van te kiezen.Met kennersoog tokkelde de schoone de snaren en liefelijke tonen ontlokte zij aanstonds aan het bezielde instrument als vonken aan den vuursteen.En thans begonnen de dichter en de schoone Milesische, ontgloeid door den zoeten, vurigen wijn, bij den klank der snaren liederen van Anacreon en Sappho te zingen en gevleugelde disticha15en daaronder ook iets nieuws van eigen vinding.[180]Een der kleine liederen van Sophocles luidde als volgt:„Wat heet leven en lust, zonder Cypria’s lachenden aanblik?Dan toch wilde ik sterven, zoodra ’t zoete liefdegenotNimmer mij het hart meer verheugt met gloed en teedere omarming:Bloesems der jeugd, o, hoe snel maait u de zeis van den tijd!”Bezield antwoordde Aspasia:„Kort ja, is hij, de tijd, voor de sterv’lingen, maar toch noodigt onsBacchus, bekoort ons de dans en de bloeiende krans van de liefde!Dit, slechts dit, heet leven; slechts lust is leven.—Vliedt danGij zorgen! Geniet van het heden, want een sluier onthult ons het morgen!”Met een stralenden blik op Aspasia zong nu de dichter:„Zoet is, zoet ja, bij Pan, den Arcadische, wat gij bij uw luiteZingt, o Aspasia! zoet klinkt uw liefelijk gezang!Kon ik ontvlieden? Omlegert mij niet de macht der ErotenIn der Sirenen gestalt’, die mijne ziel houdt geboeid?”Met een betooverenden glimlach op de rozenroode lippen zong nu Aspasia:„Schertsend vermeide zich laatst met Neäera haar vriend. Om de heupenWond haar Cypris een band, bont en met bloemen doorweefd.Goud was het opschrift, dat luidde: bemin mij voor eeuwig,Maar geef niet toe aan uw smart, als mij een ander bezit!”[181]„Hoe lang draalt gij nog, Pericles, den krans der overwinning aan Aspasia toe te kennen,” zeide de dichter.„Geef hem den dichter, Pericles,” hernam Aspasia; „maar stelt hem vooraf nog ééne voorwaarde; hij moet ons nog een distichon op de schoone Philaenion zingen.”„Hoort gij, wat Aspasia verlangt?” zeide Pericles tot den dichter; „gij moet Philaenion bezingen, de schoone Ephesische, die thans, naar men verhaalt, de deelgenoote is uwer zaligste uren en welke wij, vreemde gasten, misschien van daag, tot uwe heimelijke smart uit dit bekoorlijk oord hebben verjaagd.”„De voorwaarde is niet zonder heimelijke boosheid en wreedheid,” hernam Sophocles glimlachend, „maar ik wil ze niet onvervuld laten.”En hij zong:„Klein ja is en donker Philaenion, echter niet slankerIs de klimop en niet molliger ’t bloempje des velds.Meer dan Cypria’s gordel bekoort haar lieflijk gesnap mij;Al wat zij schenkt, dat schenkt zij met vriendelijken glimlach.Waarlijk, Philaenion min ik, de heerlijke, tot de godlijke CyprisMij een andere schenkt, die nog bekoorlijker is!”„Gij zijt tevreden, Aspasia?” vroeg Pericles, en toen deze toestemmend knikte, wendde hij zich tot Sophocles en reikte hem den kampprijs met de woorden:„Ontvang den krans, vriendelijke zanger”.„Dat zou ik niet zijn,” hernam Sophocles, „zoo ik niet sloot met een loflied op de schoonste:[182]„Cypria’s schoonheid hebt ge, de lippen van Pitho, der HorenLentebloesem daarbij en Calliope’s stem,Themis’ wrekende maat, Pallas’ wijsheid en Charis’Vriendelijken lach met den ernst der strenge Muze vereend.”16„Dat noem ik ons verlegen maken,” zeide Aspasia, „en ons een plicht der dankbaarheid opleggen, die wij nooit vergelden kunnen.”Zoo eindigde de wedstrijd. De dichter en Milesische spraken toen nog veel over de toonkunst en Aspasia legde daarbij eene zoo groote kennis aan den dag van Dorische, Phrygische, Lydische, Hypodorische17en Hypophrygische melodieën, van fijne schakeeringen daartusschen en van de voortreffelijkheid van de eene boven de andere, dat Pericles in verbazing ten laatste uitriep:„Zeg mij toch, Aspasia, hoe heet de man, die zich beroemen mag u in uwe prille jeugd in die moeilijke kunst te hebben onderwezen en ingewijd?”„Dat zult ge vernemen,” hernam Aspasia, „wanneer ik u eens de geschiedenis mijner eerste jeugd vertel.”„Waarom hebt ge dat nog nooit gedaan?” vroeg Pericles. „Hoe lang zult gij het nog uitstellen? Doe het nog heden. De gelegenheid is gunstig en Sophocles is zulk een vertrouwd vriend en zoo gesloten, dat gij u niet behoeft te ontzien, hem mededeelgenoot van uw verhaal te maken.”„Neen,” zeide Sophocles, „hoe bekoorlijk ik mij ook de geschiedenis van Aspasia’s jeugd voorstel, moet ik toch vreezen, dat wanneer gij het genoegen ze te hooren met een ander moest deelen,[183]ze niet half zoo lang zal uitvallen, als wanneer gij alleen ze verneemt. Bovendien herinner ik mij de belofte, dat ik u niet eerder zou laten heengaan, vóór ik Aspasia door een reizang op Eros ten volle weder zal verzoend hebben en zoo moet ik wel andermaal de eenzaamheid opzoeken en aan de uwe, die gij wel niet minder wenscht, overlaten. Terwijl ik op denzelfden dag, waarop ik voor mijn treurspel een loflied op Eros dicht, een minnend paar als gij, in mijne afzondering heb ontvangen, geloof ik mij zoo verdienstelijk jegens den God te hebben gemaakt, dat het mij niet verwonderen zou, wanneer mij het schoonste lied, als dank daarvoor, van hem ten deel viel.”Met deze woorden verwijderde zich de dichter.Schertsend riep Aspasia hem achterna, dat hij niet moest terugkeeren zonder de bekoorlijke, schoon gelokte Philaenion.Pericles en Aspasia waren nu weder in de stille, kalme geurige lanen alleen aan zich zelven overgelaten.Nog opgewekt door het levendige gesprek onder het genot van den wijn en het snarenspel en toch in eene soort van zachte ontspanning, brachten zij, nu eens wandelend, dan weer rustend, den eersten tijd in dien zoeten, droomerigen toestand door, welke vooral in een bosch of in geurige, schaduwrijke tuinen in de uren van den middag zich van den geest meester maakt, wanneer Pan slaapt en zijne geesten, onbedwongen, in de eenzame dreven hun dartel spel drijven.—De vette olijf glinsterde in de middagzon. Geen leeuwerik, met weligen kuif, huppelde meer rond, de hagedissen lagen sluimerend in de weiden. Slechts de boomkrekel liet hier en daar zijn zacht en melodisch gepiep op de takken hooren.In zulke oogenblikken, bij eene bekoorlijke natuur is men zoo verhit, zoo opgewekt van den zonneschijn en de heerlijke geuren, geniet men zoo, dat, wanneer men zich ter ruste vleit op lommerrijke weiden onder ritselende boomen, de levensgeesten[184]niet weten of het eene zoete afmatting is, wat hen doortrilt, dan wel eene overbodige inspanning hunner veerkracht.De beiden gelieven vertoefden ten laatste bij dat oord, waar de klimop zich slingerde, waar de golven van den Cephissus onder de zonnige twijgen klaterden en waar in de zwoele middagstilte het onschadelijk paar wateradders in de kristallen gloed zijne kringen placht te beschrijven, terwijl gonzende libellen over de watervlakte zweefden.Uit dien half droomerigen toestand eener verrukkelijke siesta ontwakend, herhaalde Pericles zijn verzoek aan Aspasia, om hun vertrouwelijk te zamen zijn op dezen dag door het lang beloofde verhaal der lotgevallen van hare jeugd de kroon op te zetten.Doch het is een zonderling iets, wanneer de lippen der vertelster fijn en zacht en heerlijk zijn als Attische honig. Pericles bekende, dat hij niet wist of hij begeeriger was naar de kussen zijner vriendin dan naar haar verhaal.Eindelijk kwam zij aan het woord:„Gij weet,” zeide zij glimlachend, „ik ben niet oud genoeg om u op een lang, avontuurlijk en bont verhaal te kunnen vergasten. Maar gij hebt het recht, naar mijne afkomst te mogen vragen en te vernemen, van welken aard mijn lot geweest is, vóór het met het uwe was verbonden. Philammon heette de man, naar wien gij zooeven hebt gevraagd, aan wien ik mijne kennis in de toonkunst en andere kunsten en in één woord alles te danken heb, wat een mensch den anderen te danken kan hebben, en ’t geen eigenlijk, naar ik meen niet zoo heel veel is; want het meest beslist toch bij den mensch, vooral bij de vrouw, de grond, waarop hij is geboren, de lucht, die hij inademt en de gedaante der dingen, die hij van zijne jeugd af om zich heeft gezien, boven alles echter de ingeboren aanleg en het lot en het gesternte, waaronder hij het levenslicht heeft aanschouwd.„Die goede Philammon! Ik geloof niet, dat ik[185]ooit weder met een man in zoo’n gelukkigen vrede zal leven als met hem; want hij koesterde geene verwachtingen meer van mijne kunne en ik nog geene van de zijne. Hij telde tachtig jaar en ik tien. ’t Is waar, hij scheen wel een vierde jonger dan hij werkelijk was en ik een vierde ouder dan mijne jaren.„Na den dood van mijn vader Axiochus en van mijne moeder te Milete werd ik door hem als een vriend des huizes in zijn familiekring opgenomen. Hij was de geleerdste, verstandigste, spraakzaamste en tevens vroolijkste grijsaard in het levenslustige Milete, de beminnelijkste grijsaard misschien, die de aarde sinds Anacreon had gedragen. Ik weet niet, of er ergens een schooner liefdeband bestaat, dan dit van een jeugdig grijsaard en een vroegrijp meisje. De scherpste tegenstellingen des levens zoeken en vinden elkaar in die vereeniging.„Ik was schier hartstochtelijk verliefd op Philammon’s sneeuwwitten, lang afgolvenden baard, op zijne heldere oogen, waaruit mij al het licht der wetenschap scheen tegen te schitteren, op zijne lyren en cithers, op zijne boekrollen, op de bronzen en marmeren beelden van zijn huis en op het heerlijke bloemtapeet van zijn tuin. Wat hem betreft, hij scheen niet minder behagen in mij te scheppen; van het oogenblik af, waarop ik zijn huis betrad, speelde een glimlach om zijne lippen, zooals ik er nooit meer een heb gezien bij een gelukkig sterveling en dien ten laatste zelfs de dood niet geheel kon doen verdwijnen. Vijf jaren lang leefde ik in den geur der rozen, waarmede deze goddelijke grijsaard zijne bekers bekranste, dronk de wijsheid in uit zijne heldere oogen en zijne lippen, die overvloeiden van welsprekendheid, speelde op zijn lyren en cithers, ontrolde met gloeiende wangen zijne boekrollen, beschouwde zijne bronzen en marmeren beelden en verzorgde de bloemen van zijn tuin. De wereld derpoëzie, der tonen en der lente, was voor hem zelven op nieuw ontwaakt en bezield, toen hij ze nog eens met[186]het kind genoot. Hij zeide, dat hij tachtig jaar oud geworden was en nu eerst vele zijner boekrollen verstond, nu ik, het kind, ze hem had voorgelezen.„Toen hij gestorven was, noemden de Milesiërs mij het schoonste meisje van het Ionische strand en ik zag voor de eerste maal in den spiegel. Het leven der rijke stad, waar vroegtijdig de Grieksche geest in de Aziatische zon tot weelderige volheid zich ontwikkelde, begon mij met verleidelijke bekoorlijkheid aan te grijpen.„En toch was ik niet gelukkig.„Bij Philammon’s boekrollen en marmeren beelden was ik vroolijk geweest; in den bedwelmenden roes der vreugde, door hulde en wierook omgeven, werd ik ernstig, nadenkend, luimig, aanmatigend.„Ik miste iets.„De mannen van Milete schenen mij dwaas toe. Zij dongen om mijne gunst, ik verachtte hen.„Ik stond na den dood van Philammon als eene wees, jong, arm, onervaren in de wijde wereld.„Toen zag mij een Perzisch satraap18en aanstonds vatte hij het plan op het zoo geroemde Ionische meisje naar Persepolis19te voeren, naar den grooten koning20. Mijne dwaze meisjesziel werd ontvlamd. Ik dacht aan Rhodopis21, die den koning van Aegypte, aan mijne landgenoote Thargelia, die den koning der Thessaliërs tot echtgenooten hadden gekregen. De koning der Perzen echter, de machtigste der aarde, zweefde voor mijn geest als het ideaal van alle mannelijke schoonheid, al het verhevene, beminnelijke en geestkrachtige. Als kind bij Philammon was ik verstandig geweest voor mijne jaren thans als rijpende jonkvrouw werd ik gekkelijk. Te Persepolis aangekomen, werd ik[187]rijkelijk opgesierd en toen naar den koningsburg gevoerd, die in verblindende pracht prijkte. Te midden van deze heerlijkheid zat de koning der Perzen, niet minder schitterend uitgedost, maar met het uiterlijk van een gewoon mensch. Hij lonkte mij met zijn doffe, despotische oogen toe. Eindelijk begon hij slaperig de hand naar mij uit te strekken, als naar eene koopwaar, die hij betasten wilde. Dat prikkelde mij; tranen van spijt ontsprongen aan mijne oogen. Dat beviel den Pers echter en een lach plooide zijne matte trekken. Hij spaarde mij zelfs sedert dat oogenblik en zeide dat de fierheid der Grieksche vrouwen hem beter beviel, dan de slaafsche karakterloosheid der andere vrouwen. Na weinige weken was het hart van den despoot voor mij in liefde ontbrand. Mij echter overviel een angst; ik verzonk in zwaarmoedigheid. Vreemd, eentonig, koud scheen het leven om mij heen. De menschen waren niet vatbaar voor eenigen hartstocht. In zich zelven gekeerd leven zij voort in pronkvertrekken van bedwelmende aromen doortrokken. Zonderling en beangstigend scheen mij die pracht van het Oosten toe en snel was de betoovering geweken, waarmede zij in den beginne mijne verbeeldingskracht had verstrikt. Een koude huivering overviel mij, als ik de tempels en afgodsbeelden in den vreemde beschouwde; een heimwee greep mij aan naar de Goden van Hellas.„Ik ontvluchtte na korten tijd. Vrij ademde ik weder, toen ik het Ionische strand weder betrad, toen ik de Grieksche zee, voorbode van eene nieuwe en betere toekomst, tegen de kust zag aanklotsen. Onder begeleiding van eene enkele trouwe slavin zocht ik in de haven van Milete een schip, dat mij naar Griekenland zou voeren. Ik vond een koopvaarder uit Megara, die bereid was mij naar die stad te brengen. Van daar kon ik spoedig het naburige, fiere, bloeiende Athene bereiken, waarnaar mijne ziel zoo vurig had verlangd. Te Megara met mijne slavin aangekomen, stond ik voorloopig alleen en hulpeloos. De bedaagde[188]scheepskapitein, die mij van Milete had medegenomen, noodig mij in zijne woning en beloofde mij eerstdaags naar Athene te doen voeren. Ik nam zijne uitnoodiging aan. Hij echter vertraagde van dag tot dag de voorbereidselen tot mijn vertrek, totdat ik ten laatste bemerkte, dat hij voornemens was mij in zijn huis te houden. Weldra zag ik ook zijn opgeschoten zoon in hartstocht voor mij ontbrand en in huis, als eene gevangene bewaakt, werd ik door beider liefdesbetuigingen vervolgd. Voor hen, meenden die dwazen, zou ik ongerept den Perzischen koning zijn ontvloden en voor hen mij hebben gespaard. Toen ik nu koel bleef en alles deed, om de boeien, die men mij wreed had aangeslagen, te verbreken, barstte beider gramschap in hevige woede over mij los. De vrouw van den scheepskapitein had echter van den beginne afaan de jeugdige vreemdelinge met argwanenden blik beschouwd en toen zij nu, terwijl deze beide mannen op mij vertoornd waren en om mijnentwil geweldig met elkaar twisten, door eene razende ijverzucht werd aangegrepen, zag ik mij als door Furiën omringd en geweldig bedreigd door de hartstochten dezer razende menschen. De vrouw kwam op de gedachte de Megarensers tegen mij als eene vreemde toovenares en verstoorster van den huiselijken vrede op te hitsen en daar de beide mannen door mijne koelheid en de onmogelijkheid mij langer in huis te houden vreeselijk verbitterd waren, ondersteunden zij uit wraakzucht de pogingen der vrouw. Hun streven was niet zonder gevolg. Ik was toch in Megara, onder menschen van den Dorischen stam, onder menschen, die, losgerukt van hunne stamgenooten in de Peloponnesus, zoo dicht bij het machtige, dreigende Athene, daarom te sterker zich hunne Dorische afkomst bewust waren, en des te slaafscher de Spartaansche zeden meenden te moeten handhaven. Streng en mannelijk in hun doen willen zij schijnen, maar zij zijn dubbel teugelloos, wanneer de hartstocht zich van hen meester maakt;[189]want hun gemoed is ruw, hun geest gemeen. Hun heftig gevoel is vreemd aan elke zachte aandoening, die over de gemoederen van andere menschen door den adem der bekoorlijkheid en vriendelijkheid is uitgespreid.„Op mijn dringend verlangen deed men het eindelijk voorkomen, dat men mij rustig zou laten vertrekken. Een muildier stond gereed voor mijn goed, een draagstoel voor mij en mijne slavin. Toen ik echter uit het huis van den Megarenser trad, vond ik het tegen mij opgehitste volk op straat verzameld en werd ik met spottende en hoonende woorden begroet.„Voor het volk van Megara was het voldoende te hooren, dat ik eene Milesische was, om mij te haten en in blinde woede te vervolgen. Ik weet niet, wat mij met zulk een moed, met zulk een fierheid bezielde, toen ik dit Dorische gepeupel, grijnzend, schreeuwend, dreigend rondom mij gedrongen zag. Met opgerichten hoofde ging ik door de menigte, achter mij mijne sidderende slavin. De voorsten, die een weinig voor mij teruggeweken waren, werden door hen, die achter hen stonden, opnieuw tegen mij aangedrongen; ik zag mij in een maalstroom van verwarring vastgeklemd, gestomt en toen ik ziedend van toorn een woord tot de menigte sprak, grepen eenigen onder smadelijke bedreiging mij bij de armen en het gewaad.„Op dat oogenblik kwam een reiswagen met paarden bespannen den weg langs. In den wagen zat, naar het scheen, een aanzienlijk en rijk man, door slaven gevolgd.„Toen deze man mij zag, te midden van dat dreigend gevaar, daar de vermetelsten reeds de hand aan mij sloegen, liet hij den wagen stilhouden en gaf den zijnen last, mij en mijne slavin in den ruimen reiswagen te helpen en, toen dit geschied was, bracht het vurige span mij in weinige oogenblikken voor altijd uit het vervloekte Megara en onttrok mij aan de smadelijke bejegening, die mij dreigde.”[190]„Nu begrijp ik, Aspasia,” viel Pericles in, „waarom gij geheel in strijd met uw kalm karakter, zoo vijandig en hartstochtelijk opvliegt wanneer er sprake is van de Doriërs en het Dorische karakter.”„Ik ontken het niet,” hernam Aspasia, „ik heb sedert dien dag te Megara aan alle Doriërs onverzoenlijken haat en wraak gezworen.”„En de man, die u redde,” zeide Pericles, „was zeker niemand anders dan Hipponicus?”„Dezelfde,” antwoordde Aspasia.„Gij hebt,” vervolgde Pericles, „een weelderigsten bloei van Ionische karakter te Milete en de plompe overdrijving van het Dorische te Megara leeren kennen. Thans op den bodem van Athene gekomen, zult gij, hoop ik, u in dat schoone en gelukkige midden gevoelen, dat het gevolg is van de verzoening en de harmonie der uitersten.”„Het was mij aanstonds een goed teeken,” antwoordde Aspasia, „dat het toeval mij, zoodra ik den Atheenschen bodem had betreden, naar die plaats voerde, waar de levendigste vonken van den nieuwen Atheenschen geest rondspatten—naar de werkplaats van Phidias.”—„En daar,” viel Pericles in, „vondt gij de mannen, die gij aan het hof van den Perzischen koning miste, de gevoelige ontvankelijke mannen, waarop gij invloed kondt oefenen—daar vondt gij den krachtigen, vurigen Alcamenes …”„En den peinzenden, niet vurigen, niet innemenden zoon van Sophroniscus,” hernam Aspasia; „en ik trachtte aan beiden datgene te geven, ’t welk zij mij naar hun eigenaardig karakter schenen noodig te hebben. Den beeldhouwer toonde ik, dat hij niet alleen van den meester Phidias kan leeren en het gelukte mij de valsche bescheidenheid van den waarheidszoeker, die de geheele wereld met zijne vorschende vragen vervolgt, voor een deel althans in een ware te veranderen. Maar nogontbrakmij de man, wien ik niet alleen dit of dat, wien ik alles, wien ik mijn geheele persoonlijkheid niet zou[191]aarzelen toe te vertrouwen. Eindelijk vond ik hem. Sedert dien tijd ben ik der smidse, waar de echte vonken van den nieuwen Helleenschen geest opspatten, nog nader gekomen, dan in de werkplaats van Phidias.”„En waar was dat?” vroeg Pericles.„Aan het hart van den gemaal der pauwenslachtende Telesippe!” hernam Aspasia glimlachend en vlijde haar schoon gelokt hoofd met smeltenden blik aan de borst van den geliefden man.Hij boog zich over haar en drukte haar een kus op de lippen. Daarna sprak hij:„Menige van die levensvonken van den Helleenschen geest zou wellicht nog sluimeren in deze borst, Aspasia, wanneer gij uw schoon hoofd daar nooit tegen had gedrukt!”—Zoo verliep de dag voor het gelukkige paar in den tuin van Sophocles.De avond begon te vallen, de boschjes geurden sterker, de nachtegalen hieven hun lied aan in de twijgen en als wilden zij met hen wedijveren, lieten de krekels in het gras hunne schelle tonen hooren. Glimwormen glinsterden uit het donker der boschjes en Hesperus22spreidde zijn glans uit aan den hemel.Thans verscheen de dichter weder, om zijne gasten tot den maaltijd uit te noodigen. Hij voerde hen wederom naar dat gezellige, liefelijk versierde tuinhuis.„Gij hebt mij,” zeide Sophocles, zich tot Aspasia wendende, „toen ik van u heen ging, een bevel nagezonden. En wie zou het durven wagen u niet te gehoorzamen in alles wat gij zoudt kunnen wenschen?”Daarbij wees hij naar den achtergrond van het vertrek, waaruit Philaenion lachend te voorschijn trad.Pericles en Aspasia waren aangenaam verrast. Philaenion was klein, maar van een betooverende,[192]evenredige gestalte; daarbij was zij krachtig van leden en toch vol bekoorlijkheid in hare bewegingen. Zij had de zwartste oogen en boven het ietwat lage voorhoofd viel het donkerste haar in krullende lokken.Aspasia dankte den dichter in vriendelijke woorden voor zijne bereidwilligheid en kuste Philaenion op het voorhoofd. Vroolijk schaarde men zich om den disch. Vele heerlijke gaven werden er aangeboden en wederom stroomde de vurige Chiërwijn23onder opgeruimden, geestigen kout en gelach.Toen las Sophocles zijn gasten den beloofden lofzang op Eros voor, den onsterfelijken reizang op den „Alverwinnaar in den strijd.”In verrukking hieven Aspasia en de dichter aanstonds bij het getokkel der snaren het schoone lied aan. De melodie stroomde als van zelf van hunne lippen. Zij vonden ze gelijkelijk uit.—Philaenion in dezelfde geestverrukking viel in, en zoowel door het lied als door den gloeienden wijn bezield, begeleidde zij weldra den zang met de bekoorlijkste, innemendste dansen.Wie zou het geluk dezer gelukkige menschen vermogen te schilderen?Zij waren gelukzalig, als de Olympische Goden.Toen Pericles met Aspasia laat in den avond den lusthof doorwandelde, om naar huis terug te keeren, geurden de rozen bedwelmend; de scharlakenroode, geheimzinnig vlammende anjelierbloesem schitterde in de duisternis.En nooit kweelden de nachtegalen in het Cephissus-dal bekoorlijker dan in dien nacht.„Weet gij, wat zij zingen,” zeide Pericles tot Aspasia, die met een blijden glimlach aan zijne zijde wandelde. „Zij zingen allen den reizang van Sophocles op Eros; zij zingen allen:[193]„God der liefde, nooit bedwongen,Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed,Waar uw pijl is ingedrongen,Voor uw almagt buigen doet;Die uw zetel hebt gekozenOp het liefelijk gelaatVan de teedre maagd, wier bloozenWat haar harte wenscht verraadt!”24Zij zingen allen:„Alle wezens kunt gij dwingen,Land en zee is uw gebied;’t Broos geslacht der stervelingen,De eeuwige Goôn zelfs vreest gij niet.Ach, met onbegrensd vermogenHeerscht de teedre, zwakke maagd,Als de gloed der schitterende oogenZoete drift in ’t harte jaagt,Onverwinbaar neemt de minSpelend aller zielen in.”— —1De Academie was een gymnasium bij Athene, naar den heros Academus genoemd, waar Plato zijne lessen gaf. Vandaar, dat men ook onder Academie de school van Plato verstaat.↑2Eene bronnimf.↑3Hamadryaden zijn boomnimfen, in onderscheiding van Dryaden, dat in ’t algemeen woudnimfen, vooral der eiken (Drus, eik) zijn. Sommigen nemen tusschen beide nimfen geen onderscheid aan.↑4Iliad. VI, vs. 506 en vv., waar men deze heerlijke vergelijking in haar geheel kan lezen.↑5De Parcen (Moiren) waren de Godinnen van het noodlot. Gewoonlijk worden er drie genoemd: „Clotho”, die de levensdraden spint, „Lachesis” die den menschen hun lot toedeelt en „Atropos”, de onafwendbare, de noodzakelijkheid om te sterven.↑6Lamia, de dochter van Belos en Libya werd om hare schoonheid door Zeus bemind; uit wraak hierover roofde Hera hare kinderen. Lamia, van verdriet waanzinnig geworden ontvoerde en doodde de kinderen van andere moeders. Vandaar wordt zij als een schrikkelijk spook beschouwd. Later verstond men onder Lamia eene schoone vrouw, die de jonge mannen bekoorde en verleidde.↑7Circe was eene machtige toovenares, de dochter van Helios en Perseïs, op het eiland Aea, die Odysseus’ tochtgenooten in zwijnen veranderde.↑8De Hesperiden, gewoonlijk vier in getal, Aegle, Erythea, Histia en Arethusa, bewaakten met den honderdkoppigen draak Lado de gouden appelen van Hera op het Atlas-gebergte, in de uiterste streken der aarde.↑9Argus, bijgenaamd Panoptes, de alziende, was de zon van Agenor of Inachus, die vele monsters doodde. Hij was met honderd oogen voorzien. Later werd hij door Hermes gedood. Met zijne oogen tooide Hera den pauwenstaart.↑10Eene soort van roofvogels, met vrouwenaangezichten en groote klauwen. Bij Hesiodes heeten zij „Aello” en „Ocypete”.↑11Antigone, de dochter van Oedipus, koning van Thebe, en Iocaste.↑12Vooral de wijnen van Chios, Lesbos en Cyprus waren beroemd.↑13Creon was koning over Thebe, opvolger van Oedipus.↑14Hades is eigenlijk de God van de onderwereld, Pluto; vandaar ook de onderwereld zelve.↑15Distichos beteekent eigenlijk van „twee rijen” of „regels” v.d. distichon een vers, waarvan de eerste regel zesvoetig is (een hexameter) en de tweede vijfvoetig (een pentameter). De grondtoon dezer verzen is de dactylus, d.i. eene lange lettergreep, gevolgd door twee korte.↑16Tot recht verstand dezer verzen diene: het Grieksche woord Peithoo beteekent: overtuigende welsprekendheid, de gave der overreding, van daar ook: de Godin der welsprekendheid, en overreding. De Horen zijn de dienaressen van Aphrodite, de Godinnen van den bloei en de rijpheid; de eerste heet dan Thallo, (lente) de tweede Carpo (herfst). Zij komen dikwijls voor in verbinding met de Chariten (Gratiën). Over Calliope, eene der Muzen, zienoot 1 pag. 30. Wat Themis aangaat, vergelijknoot 1 pag. 46.↑17Het Grieksche voorzetsel hupo (onder), geeft in dergelijke samenstellingen dikwijls eene nabootsing in den trant van —. Zoo ook in Hypodorisch en Hypophrygisch: iets Dorisch, Phrygisch, wat naar dien stijl of melodie zweemt.↑18Landvoogd.↑19Persepolis, Pârsa („de stad der Perzen”) was eens de hoofdstad van Perzië en de begraafplaats der koningen, niet ver van den Araxes. Door Darius I werd het ongeveer in 515 v. C. tot residentie verheven.↑20Met den naam van groote koning werd in de oudheid de Perzische koning bestempeld, zoodat zelfs het Grieksche woord koning, basileus, zonder lidwoord, altijd de koning der Perzen aanduidde.↑21Men leze daaromtrent den roman van Georg Ebers, „eene Aegyptische koningsdochter”, ten onzent door Dr. H. C. Rogge en C. H. Pleyte vertaald.↑22De avondster.↑23Van Chios, een der schoonste en vruchtbaarste eilanden van deAegaeïschezee, thans Chios of Stankio, door de Turken Saki geheeten. Het eiland was vooral beroemd om zijn heerlijken wijn en vijgen.↑24Men leze dezen schoonen reizang in haar geheel bij Sophocles, in de Antigone, vs. 772, v.v. Ik bezig Opzoomer’s vertaling.↑
[Inhoud]VI.IN HET CEPHISSUS-DAL.Wanneer men in zuidelijke richting de oude stad Athene verliet en een weinig links zich wendende den buiten-Ceramicus doorliep en onder de tuinen en de lanen met platanen beplant van de Academie1zijn weg vervolgde, dan nog een eind weegs zuidelijk langs een zonnig pad aflegde, bereikte men het bekoorlijke, liefelijk omschaduwde Cephissus-dal.Zoodra men dit dal binnentrad, vertoonde zich aan den linker kant een ruischend, weelderig groen olijvenbosch. Het strekte zich als een groene wal langs den weg uit. Forsch wond daartusschen de kuischboom zijne takken, welks blauwe bloesem aangenaam tegen het zachte groen der smalle bladeren afstak. Klimopranken hingen van de takken neer; ook taxusboomen groeiden langs de helling en bedekten haar zoo, dat men niets dan een groen tapijt zag.Aan den anderen kant van den weg, ter rechterzijde klaterden de kristalheldere beekjes van den Cephissus, uit het dal over schitterend witte kiezelsteentjes den wandelaar te gemoet vlietend, hier en daar in de rozen-enlaurierboschjeszich verschuilend.Aan gene zijde van den Cephissus zag men op geen grooten afstand den niet minder liefelijk omgroeiden, door sagen en zangen beroemden heuvel Colonos.Ging men, als men het dal betreden had, een kort eind tusschen het olijvenbosch en het stroomend water, dan zag men aan genen oever van den Cephissus op grasrijken, zacht glooienden bodem[162]eene bekoorlijke landhoeve in de stralen der zon schitteren, door enkele overoude, hoog gekruinde cypressen, platanen en pijnboomen omgeven en een tuin, die bijna tot aan den Cephissus reikte. Maar niet alleen aan deze zijde strekte zich die tuin tot aan den oever van den Cephissus uit, deze toch zijn loop uit het diepst van het dal naar den ingang vervolgende, maakte eene kromming ter rechter zijde en besproeide dan ook de velden, waarin de vrucht- en bloemtuinen, rondom het landgoed, aan dien kant uitliepen. Daar verhief zich de bodem aan den tuin iets meer glooiend, en de beek vlood zacht kabbelend tusschen heestergewassen door, waarin de stralen der zon flikkerden en de nachtegalen kweelden.In het midden van de groote ruimte tusschen dezen glooienden Cephissus-oever en het woonhuis stond een tuinhuisje, door rozen omgeven. Aan de uiteinden van den tuin verschaften laurier, myrthen- en rozenboschjes, met hun dicht gebladerte, eene schaduwrijke plaats. Ook de donkerroode bloesem van den granaatboom ontbrak niet. Dubbele rijen van olijven-, vijgen- en andere vruchtboomen, van het eene priëel naar het andere voerende, omzoomden dezen tuin.Waar de grond naar den Colonos-heuvel zacht glooide, daar hingen de donkere druiventrossen, in de warme stralen der zon. De landelijke woning zelve was door wijnranken omslingerd, ja zelfs om de boomen wonden zij zich in weelderige volheid en kracht. Met hen wedijverde woekerend het klimop, welks groote, zwarte trossen van muren en boomstammen neerhingen en welks weelderig gebladerte zich voortslingerend, zelfs het bedauwde weiland omzoomde.Tusschen de bloeiende perken waren kleine bloembedden aangelegd. Weinig was er overgebleven van de schoon getroste narcissen, van den geurigen crocus, de leliën, irissen en viooltjes wegens het ver gevorderde jaargetijde, en de liefde der Atheners tot het vlechten van kransen, maar talloos[163]bloeide alom de rozen, door viooltjes omzoomd, in purperen bedden langs den grond zich uitstrekkende, of op hooge heesters prijkend, nooit door ruwe winden geteisterd en iederen morgen verfrischt door den reinsten hemeldauw.Gemakkelijk schijnt het van de voorwerpen, die hier te zien waren, de namen en het uiterlijk in woorden weder te geven; onmogelijk echter is het den blijmoedigen en gelukkigen vrede te schilderen, die over dit weelderig groene dal, door wouden omzoomd, door de wateren van den Cephissus besproeid, door nachtegalen bezocht, verspreid lag. Men was zoo nabij de woelige stad en toch gevoelde men zich ver van de drukke wereld. Het was, alsof de landelijke God Pan uit die schaduwrijke boschjes te voorschijn moest treden of eene Najade2uit de wateren van den Cephissus onder het schitterend loof zou opstijgen. Verder in de geheimzinnige diepten van het woud stoeiden zeker Satyrs met bokspooten en kon men het gelach van schoone, bevallige Hamadryaden3hooren, die rustten op het groene loof. Soms ging er eene ritseling door de kruinen der boomen, die in het zuiverste blauw van den Griekschen hemel trilden, als eene aangename koelte, die daar ruiste voor den tred van den God der vreugde, Dionysus.Maar ook de zang van de gezellen van Apollo, de vriendelijke Muzen, was niet vreemd aan dit heerlijk oord. Hier woonde toch de lieveling der Muzen, de groote dichter Sophocles. Dit was zijne geboorteplaats, die hij op de hoogte van de Acropolis geprezen had en aan Pericles en Aspasia uit de verte had getoond. Hier was hij geboren en hier leefde hij. Onder de witte zerken, met klimop begroeid, die hier en daar uit het groen van den tuin en der boschjes uitstaken, sliepen zijne vaderen den eeuwigen slaap.[164]Juist zat hij in een rozenpriëel, terwijl de aangename morgenlucht hem verkwikte, en had het wastafeltje op zijne knieën liggen, op welker oppervlakte hij van tijd tot tijd met eene scherpe stift eenige verzen griffelde; zeer dikwijls echter wischte hij het geschrevene met het stompe eind der stift weder uit, wanneer de eerste ingeving zijner Muze hem niet ten volle bevredigde.Terwijl hij een blik wierp op den weg in het dal, zag hij een statig man met lichten en vluggen tred door het dal aankomen.„Wie is die vroege wandelaar,” dacht hij bij zich zelf, „die daar schier gevleugeld als Hermes, de bode der Goden, nadert?”Weldra was de wandelaar naderbij gekomen en de dichter herkende den liefsten zijner vrienden. Verheugd ging hij hem te gemoet tot aan den ingang van den tuin.Pericles schudde hem de hand. „Ik voldoe aan uwe uitnoodiging,” zeide hij, „ik ben heden uw gast en heb het woelig en drukke stadsleven en alle staatsaangelegenheden ontvloden. Ook de citherspeler uit Milete—gij herinnert u dien ongetwijfeld—zal den dag met ons komen doorbrengen, als gij het goedvindt. Ik heb veel met hem te bespreken en weet geene plaats, waar ik het zoo ongestoord zou kunnen doen.”„Zal de schoone citherspeler uit Milete ook komen?” riep Sophocles verheugd uit. „Dacht ik het niet dat u iets heerlijks bezielde, toen ik u zoo vurig en opgewekt zag naderen. Daar was niet veel te zien van de rustige waardigheid van den redenaar op de Pnyx; ik herkende u ternauwernood, zoo schuddet ge het hoofd en de schouders heen en weder en deed mij denken aan dat edele krijgsros, waarvan Homerus zegt, dat het den halster in zijn stal heeft losgerukt en met fieren kop en vliegende manen naar buiten naar de weide rent…”4[165]„Stil,” zeide Pericles en lei zijne hand op den mond zijns vriends. „Het waren de geurige luchten van het Cephissus-dal, die zoo bezielend in de morgenkoelte op mij werkten.”„Waarom ook niet het verlangen, om de schoone Milesische te zien?” zeide Sophocles, „is zij niet de bekoorlijkste aller vrouwen?”„Zij is teeder als eene Lydische, waardig als eene Atheensche, sterk als eene Laconische,” hernam Pericles.„Gij behoeft Ion zijne blonde, lelieblanke Chrysilla niet meer te benijden,” merkte Sophocles op met een schalkschen lach.„Spreek niet van Chrysilla,” zeide Pericles. „Aspasia is onvergelijkelijk. Moeilijk is het te zeggen of zij meer van een Muze dan van eene Charis heeft.”„Wellicht is zij voor u eene Parce5,” zeide Sophocles, „zij kan u goeds en kwaads in uwe levensdraden spinnen.”„Waarom ook nietLamia6en Empusa?” riep Pericles uit. „En al ware het zoo—wij hebben bloed genoeg in de aderen en een zwaard aan onze zijde, om het evenals held Odysseus, tegenover ieder Circe7te rechter tijd uit de schede te kunnen trekken.”—„Ik kom tot u als een moede, opgejaagde vervolgde,” ging Pericles voort, terwijl hij zich het zweet van het verhitte voorhoofd wischte, „ik heb mij aan de tallooze zorgen en bemoeiingen mijner veelvuldige ambten en waardigheden onttrokken, om een dag aan de schoone Muze en haar liefste pleegkind, de liefde, te wijden.”—„Daar doet gij wèl aan,” hernam Sophocles, „wanneer gij de rust zoekt, om te beminnen. Op den[166]heeten zomerdag moet men òf niet beminnen òf niets anders doen dan beminnen.”„Ik geloof, dat gij zelf met deze uitspraak in strijd handelt,” merkte Pericles op; „die wastafeltjes daar in uwe hand bewijzen, dat gij ijverig vers aan vers rijgt. Dat verhindert u echter niet, naar men vertelt, uwe schoone Ephesische vriendin Philaenion in die stille myrthen- en rozengaarden te herbergen.”—„Is poëzie arbeid?” vroeg Sophocles; „dat wist ik niet. Wanneer het heete voorhoofd den dichter maakt, dan is wel de poëzie een welluidend uitademen van al het schoone licht en al het goddelijk vuur, dat men met zijn aardsche zinnen uit den hemelschen aether inzuigt. Licht gaat over in geluid. En zoo zou ik ook de liefde op een zomerdag niet gaarne willen missen, want daar is zij het vurigst en het zoetst en het goddelijkst. De eene gloed stroomt in den anderen; door het vuur van Apollo ontgloeid, zoekt gij verfrissching in den zaligen adem der liefde en keert gij met eene bevredigde, harmonisch gestemde ziel tot de Muze terug. Ten laatste verwisselen Eros en de Muze van rollen; de Muze wakkert den liefdegloed aan en de oogen of boezem van de geliefde overstelpen u met dichterlijke gedachten.”„Zoo moede is men, geloof ik, nooit,” hernam Pericles, „dat de liefde geen verkwikking zou zijn. Wij allen, die door den drang om te werken en te scheppen gedreven worden, weten dat.”Zoo onderhielden zich de vurige mannen, beiden in den rijpen bloei hunner jaren.Thans hield eene draagbaar voor het huis van Sophocles stil.Daaruit steeg Aspasia. Zij was in vrouwengewaad.Sophocles begroette haar en geleidde haar naar Pericles, in de lommerrijke, geurige boschjes.Voor onbescheiden blikken beveiligd, sloeg zij den sluier op, liet het himation, dat over haar hoofd geslagen was, van hoofd en schouders glijden en stond daar in een bonten chiton, met sierlijke[167]randen, het krullend, rosbruine haar in golvende lijnen langs de slapen en op het hoofd, als eenig sieraad een breeden, purperen haarband die van de kruin naar achteren rondom haar prachtige lokken gewoeld was. In de hand droeg zij een kleinen, bevalligen zonnescherm en in den gordel, die haar gewaad midden om haar lichaam omsloot, stak een niet minder bekoorlijke, bladvormige, bont beschilderde waaier.Sophocles zag Aspasia voor het eerst in vrouwengewaad. Een kreet van verwondering ontvoer hem. De Milesische was in de idylle van het Cephissus-dal schier als een verblindend wonder neergedaald. Hare verschijning stak af bij deze landelijke stilte. Een bedwelmende droom bracht zij met zich van schoonheid en jeugd, die alle heerlijke geuren van haag en bloemen verre overtrof.Sophocles voerde de schoone met haar vriend door dichte en lommerrijke lanen en zeide:„Moogt gij behagen vinden, Aspasia, in hetgeen de natuur voor dit oord heeft gedaan. Weinig reden zult gij hebben om de kunst der Atheners in het aanleggen van tuinen te bewonderen. Ik weet zeer goed, dat gij Aziatische Grieken dat veel beter verstaat: bekoorlijke lusttuinen aan te leggen, met doolhoven, hermitages en grotten, kunt gij voortreffelijk. Gij hebt immers daar de uitgestrekte, grootsch aangelegde paradijzen van den Pers tot voorbeeld. Wij Atheners, gelooven, dat de schoone natuur, evenals eene schoone vrouw, ook zonder opschik schoon is.”„Laat Aspasia slechts een korten tijd in deze oorden wandelen,” zeide Pericles, „en gij zult weldra met de onopgeschikte natuur niet meer tevreden zijn. Zij zal u weldra met uw tuin betooveren en veranderen. Dat is zoo hare manier. Waar zij gaat, daar ontspruiten bloemen onder hare voeten. Ongemerkt weet zij iemand te ontvonken en wanneer zij zich een paar woorden over uw tuin laat ontvallen, zult gij geen rust meer hebben, voor gij hem tot iets gemaakt hebt, dat zich kan meten[168]met den lusthof der Hesperiden8of met den tuin van Phoebus aan de uiterste einden der zee, of met den Cyrenaeïschen hof van Zeus en Aphrodite, of den tuin van Midas met haar honderdbladige rozen of ten minste met den lusthof van een Homerischen Alcinoös, den vorst der Phaeken op het eiland Scheria.”„Wel weet ik,” hernam Sophocles, „dat dit vrouwelijk wezen onrust zaait in de gemoederen der menschen. Heb medelijden, o schoone toovenares, en laat mij en mijn tuin onveranderd! Ik was tot nu toe hier zoo tevreden en gelukkig. Wanneer Phoebus aan het hemelgewelf schitterde dan verheugde ik mij, dat mijne olijven, vijgen en granaatappels door zijne stralen werden gestoofd; regende Zeus, dan dankte ik hem, dat mijne weilanden groen werden. Ik was tevreden, met hetgeen mijn hof mij opleverde; bloemen in de lente, schaduw in den zomer, rijpe vruchten in den herfst, verfrisschende koelte en stilte, door de Muzen zoo geliefd, in den winter. Boven alles echter, Aspasia, bezweer en verander toch niet door een tooverformulier datgene wat mij door de gewoonte het liefst is geworden, en wat voor minnaar en dichter beiden het meest gewenscht is: de vertrouwelijke gezelligheid dezer laurierboschjes, dezer myrthen- en rozenpriëelen.”„Zou werkelijk,” vroeg Aspasia, „die eenzaamheid, in de laurierboschjes voor den dichter zoo begeerlijk zijn? Moet hij niet veel liever, om tot volle rijpheid te geraken, de stille schaduw verlaten en in het heldere licht der wereld en des levens treden?”„Men gelooft zoo lang,” hernam Sophocles, „dat het de zon is en niets anders dan de zon, die de wijndruiven doet rijpen,totdatmen ontdekt, dat juist de grootste, de weelderigste, de donkerste druiven verborgen hangen onder de schaduw der dichtste[169]bladeren. En al mocht gij in twijfel trekken, dat deze eenzaamheid den dichter nuttig is, zeer zeker zult gij erkennen, dat zij den minnaar welkom is. Hier kunt gij, zoo ge wilt, u dagen lang verlustigen, alleen gestoord door het getjilp der vogels of het murmelen der beken. Geen slaaf betreedt ooit ongeroepen dezen tuin. Wilt ge echter het vertrouwelijkste en door de Muzen en Chariten het meest gezegende plekje leeren kennen, zoo komt met mij mede.”Pericles en Aspasia volgden den dichter. Hij voerde hen naar beneden, tot waar, zooals reeds vermeld is, de Cephissus een bocht maakt en den hof ook van den anderen kant omstroomde. De bodem glooide hier naar de beek af, die in eene ietwat diepere bedding vloeide. Evenwel liep deoeverniet steil naar beneden; integendeel tusschen de beek en de oploopende vlakte was eene bekoorlijke ruimte gelaten, die juist breed genoeg was, dat twee menschen, vertrouwelijk naast elkander, onder het groene loof, waar de stralen der zon heerlijk door speelden, konden wandelen.De dichter voerde zijne gasten langs dit bekoorlijke pad. Daar ruischte het geklater en gemurmel van de beek, daar kweelden en sloegen de vogels het liefelijkst,daar speelden als dartele geesten schaduw en licht op de golfjes en tusschen de takken. Hier en daar lag een weelderig grasperk, waar men zich op kon uitstrekken en de verfrisschende koeltjes van de schaduw rustig en droomend genieten. Hier trof men ook eene rotsgrot aan, van buiten schier omringd door bloemen en twijgen, van binnen met zitplaatsen en kussens versierd die tot binnentreden op de heetste uren van den dag noodden.Aspasia was bij het zien van deze bekoorlijke rustplaats verrukt en voldeed gaarne aan het verzoek van haar vriend zich hier neder te zetten. Pericles en de dichter zelf volgden haar voorbeeld. Men zag op de heldere wateren der beek neder, die hier in een natuurlijke kom uitliep. Bonte,[170]schitterende libellen zweefden en dansten in de stralen der zon over de bloemen aan den oever en een paar prachtige onschadelijke wateradders beschreef, zich onbespied wanende, in den kristalhelderen vloed zacht zich wendend, zijne vlugge, bevallige kringen. Weldra echter schoten zij, toen hunne beschouwers door een zacht geritsel zich deden hooren, onder de dichte planten, die weelderig woekerend van den oever in het water afhingen.„Een lief bruidspaartje,” zeide Sophocles; „ik beluister ze hier dikwijls. Zij zijn onafscheidelijk.”„Moeilijk is het,” begon Pericles na eene korte pauze, waarin allen zich aan de zaligheid der natuur hadden overgegeven—„moeilijk is het, uit deze vreedzame wereld zich in den geest wederom te verplaatsen bij die menschen en beslommeringen, die men zooeven ontvloden is. En toch zou het doel aan dezen tocht, Aspasia, slechts half bereikt zijn, wanneer wij niet over die menschen en zaken, die wij hier ontvlucht zijn, spraken. Integendeel, wij moeten in de eerste plaats ons daarmede bezighouden; want niet slechts gij hebt mij aangaande de gebeurtenissen der laatste dagen veel te vertellen, maar ook ik zelf heb u veel raadselachtigs op te helderen. Hier zweven over het water bekoorlijke libellen, en aalgladde, vlugge slangetjes trekken in den vloed hunne bekoorlijke kringen, maar niet daarover hebben we ons te onderhouden, maar van dieren van eene geheel andere soort heb ik u te spreken, van rampzalige vogels, die mij en u gisteren noodlottig zijn geworden: van de vervloekte pauwen van Pyrilampes. Door de ontrouw van Hipponicus werd een dier vogels, die tot een geschenk voor u bestemd was, in mijn huis gebracht en viel in de handen van mijne gebiedster Telesippe.”„En wat was het lot van den vreemdeling?” vroeg Aspasia.„O vraag mij niet naar mijn lot en het zijne op dien dag,” riep Pericles lachende uit. „Stel u den man voor, wien men, zooals de sage meldt,[171]zijne kinderen lekker toebereidt, als een maal voorzette; thans eerst kan ik mij de verwondering en ontzetting van mijn gemoed voorstellen, nu mij het wel is waar niet zoo afschuwelijke, maar toch haast even treffende wedervoer, den prachtigen vogel, die, naar ik geloofde, zijn prachtigen vederdos voor de verrukte Aspasia ontplooide, dien zij als een nieuwen Argus9beschouwde, haar door haar geliefde toegezonden, om als in zijne plaats met honderd liefdesoogen de wacht te houden—dat ik dien vogel dood, geplukt, tot eene vormelooze, gebraden massa op mijn bord heb gezien!”Vroolijk lachte Sophocles bij dit verhaal.„Gij hebt zwaar gezondigd,” zeide hij, „dat gij dezen vogel, aan Hera, de Godin van den echt, gewijd, in den dienst van hare vijandin, de gouden Aphrodite hebt gebruikt.”—„Veel erger dan over u en uw pauw, o Pericles,” zeide Aspasia, „is de toorn der Godin op denzelfden dag over mijn hoofd losgebroken. Weet, dat ik op denzelfden morgen verkleed u in uw huis opzocht, dat ik ook, evenals die pauw, in de handen van Telesippe ben gevallen en dat ik, zoo al niet geslacht, toch nauwelijks eene minder onaangename en wreede behandeling heb ondergaan. Bij de Goden, Telesippe wenschte slechts, dat ik evenals de pauw honderd oogen had gehad, om mij ze allen te kunnen uitkrabben! In gezelschap van uwe razende echtgenoote was eene bedaagde, belachelijke vrouw, Elpinice geheeten. Deze dame ontbrandde in warme liefde voor den jongen citherspeler en verviel in een onbeschrijfelijken toorn, toen zij ontdekte, dat het eene vrouw was. Ik werd door deze beide Harpyen10uitgescholden, met smaadwoorden overstelpt, uit het huis gejaagd. „Ik sta als meesteres aan den haard van dit huis,” riep Telesippe uit. „Gij echter zijt eene vreemdelinge, eene boeleerster,[172]ik beveel u van hier te gaan.” Zij voegde er bij dat zij van uw hart afstand wilde doen, maar dat zij nooit uw haard zou prijsgeven. Volgaarne gunde ik haar uw haard, Pericles; maar denkt gij de vrouw, die aan uw haard gebiedt, het recht toe te kennen, de vrouw, die uw hart bezit, met smaadwoorden en woeste bedreigingen lastig te vallen?”„Wat kan ik daaraan doen?” hernam Pericles. „De rechten der Atheensche vrouwen zijn gering. Diegene echter, welke zij hebben, moeten wij eerbiedigen. Zij reiken niet verder dan den drempel van het huis …”„Het schijnt derhalve,” hernam Aspasia, „dat gij Atheensche mannen geen heeren in huis zijt, maar alleen daarbuiten … Hoe zonderling! Gij maakt de vrouw tot uwe slavin en dan verklaart gij u zelven weder tot slaven van die slavinnen.”„Dat is het huwelijk!” zeide Pericles de schouders ophalend.„Wanneer dit het huwelijk is,” hervatte Aspasia, „dan ware het wellicht beter, dat er volstrekt geen huwelijken in de wereld bestonden.”—„Den zaligen band der harten sluit de liefde,” zeide Pericles; „echtgenoote echter en meesteres des huizes wordt de vrouw door de wet.”—„Door de wet?” vroeg Aspasia; „ik dacht altijd, dat het eigenlijk alleen het moederschap was, waardoor de geliefde vrouw gade werd en dat de echt, om zoo te zeggen, eerst met het kind begon.”—„Niet volgens de Atheensche burgerlijke wet,” wierp Pericles haar tegen.„Verander dan uwe burgerlijke wet,” riep Aspasia uit, „want zij deugt niets.”„Vrome lieveling der Goden, Sophocles,” sprak Pericles zich tot zijn vriend wendende, „help mij toch deze vertoornde schoone tot rede brengen, opdat zij niet met hare kleine blanke hand het geheele staatsgebouw der Atheners omver moge werpen.”„Hoe zou ik kunnen gelooven,” zei de dichter, „dat onze verstandige Aspasia het beste en heerlijkste[173]deel van den mensch, de rede, zou kunnen verliezen?—Zij weet het zoo goed en zou het ons, als wij het ooit vergaten, weder kunnen leeren, dat een leven zonder genot geen leven is, dat men echter, om het genot des levens in de hoogste mate te kunnen genieten, zich boven alles moet wachten, om de sombere Ate, de Godin der verblinding en der hartstochtelijke onberadenheid, tegen zich op te zetten; dat we ons nooit tot iets ten strijde, moetenaangorden, voordat we nauwkeurig onze krachten hebben gewogen, dat vroolijk genot onmogelijk is zonder zelfbeheersching, dat wij de menschen moeten liefhebben, want zij zijn de gezellen van ons genoegen, en de Goden eeren, want het zijn geen ijdele namen, maar zij wijzen ons de perken onzer kracht aan en staan machtig en gebiedend tusschen onzen eigen wil en het noodlot tusschen de vrijheid en de eeuwige noodzakelijkheid, dat wij …”—„Genoeg,” viel hier Aspasia lachende in de rede, „ik vrees anders, dat wij uit den helderen Aether van het reine denken, waarin ons uwe verstandige en schoone woorden hebben verplaatst, den weg niet zullen kunnen terugvinden, naar de onbeduidende, maar tastbare zaken, waarvan we in ons gesprek zijn uitgegaan. Wanneer het mij vrijstaat, het algemeene op het bijzondere toe te passen, dan komt het mij voor, Sophocles, dat gij hebt willen zeggen, dat de uitheemsche vrouwen en de uitheemsche vogels te Athene goed moeten vinden, geplukt en mishandeld te worden en dat ze zich, uit vromen eerbied, niet tegen de wetten van het land mogen verzetten, die haar geen rechten toekennen.”„Onze vriend hier,” voegde Pericles bij hetgeen Aspasia gesproken had, „valt het natuurlijk gemakkelijk, voor het menschelijk doen en laten, vooral met betrekking tot echtgenooten, wijze regels op te stellen en even gemakkelijk die op te volgen. Zijn leven vliedt zonder strijd daarheen, want hij is ongehuwd en geene Telesippe treed zijne[174]Aspasia dreigend met een brandhout te gemoet …”„Zoo gaat het altijd met de bemiddelaars,” hernam Sophocles lachend, „en met allen, die zelfs wanneer het hun verzocht wordt, zich in de aangelegenheden van minnenden te mengen. Ikwordnu bespot en bijna met verwijtingen overladen, omdat ik, de rede predikende zelf zoo onredelijk was, aan verliefden raad te willen geven. Daarvoor wil ik nu mij zelven straffen, daar ik u aanstonds aan uw eigen wijsheid overlaat. Voor een korten tijd neem ik van u afscheid, opdat gij uwe zaken alleen in het reine kunt brengen. Ik ga zorgen, dat gij niet den geheelen dag zonder lafenis van spijs en drank moogt doorbrengen. En wanneer ik soms, terwijl gij uwe zaken bespreekt, wat lang in gindsche laurierboschjes vertoef, weet dat mij daar geene Aspasia wacht, maar dat ik in die schaduwschemering, met mijne wastafeltjes op de knie en de stift in de hand, de klaagtonen van de edele dochter van Oedipus11beluister …”„Gij hebt dus dat dichterlijke plan, waarvan gij op de Acropolis spraakt, niet laten varen?” vroeg Aspasia.„De helft van het werk is reeds gereed,” hernam Sophocles, „en een slaaf zit dag aan dag met een zwart riet om het voltooide en afgewerkte van de wastafeltjes op de papyrus over te brengen.”„Zult gij ons daarvan geene voorproef geven?” vroeg Pericles.„Uw tijd is te kostbaar,” antwoordde de dichter en verwijderde zich.Toen dus Pericles en Aspasia alleen waren kwamen zij op hun onderhoud terug, dat zij in tegenwoordigheid van hun trouwen vriend reeds aangeroerd hadden.Maar het ging zooals bij gesprekken van minnenden gewoonlijk het geval is, zij dwaalden telkens van hun onderwerp af. Zij trachtten niet naar een gestrengen gedachtenloop, daar tal van andere denkbeelden[175]hunne ziel vervulden, die den draad der redeneering afbraken. Zij luisterden bovendien naar het gezang van een vogel in de takken, ademden de geurige lucht der weiden in met volle teugen,pluktenhier en daar een bekoorlijke druif van een zwaar beladen wijnwinde of een rozenroode, sappige vrucht van den boom.Aspasia beet in een appel en gaf hem toen aan Pericles. Deze bedankte haar met een gelukkig lachje, want het was hem niet onbekend, wat een aangebeten appel in de taal der liefde beteekende. Ook bleef de aangeboden gelegenheid liefdesorakelen te raadplegen niet ongebruikt. Aspasia vlocht onder het gesprek een krans, reikte hem toen aan Pericles over en lachte, toen daar bladeren afvielen; want dit was voor de ingewijden een teeken van den heftigen liefdegloed van hem, die den krans droeg. Pericles daarentegen plukte die bloemen wier kelken de eigenschap hadden met een kleine knal te barsten, zoo men ze tusschen de vingers plat drukte en hij achtte het zijner niet onwaardig uit de kracht van dien knal de innigheid van de liefde der beminde af te leiden.Maar hoezeer ook de liefdegloed van Pericles den krans, dien hij in de hand droeg, deed verwelken en ontbladerde en de vurige genegenheid in het hart van Aspasia het knallende bloemenorakel eer mocht aandoen, beidentrachttentoch telkens op een ernstig gesprek terug te komen. Vele vragen werden ter sprake gebracht, maar natuurlijk weinige ten volle beantwoord. Men overwoog, hoe Aspasia met behulp van Pericles haar nieuw huishouden het best zou inrichten, vervolgens hoe zij hun omgang het ongestoordst zouden voortzetten en, daar verliefden over niets liever keuvelen, dan over de geschiedenis hunner eerste ontmoeting, kwamen ook Pericles en Aspasia op de hunne in het huis van Phidias terug en Pericles verhaalde wat de gevolgen van die eerste kennismaking waren geweest, hoe sedert dien dag zoo menig grootsch plan was ontworpen, hoe hij sinds zich tegen[176]de verwijten zijner vrienden had moeten verdedigen, hoe ten laatste allen zich voldaan hadden verwijderd, behalven de zoon van Sophroniscus, de waarheidszoeker, die nog steeds de vraag beantwoord wilde zien of de beoefening van het schoone die van het zedelijke overbodig maakte. Die vraag had men toen laten rusten en was sedert in vergetelheid geraakt, nu Aspasia echter aan haar lievelingsdenkbeeld herinnerd werd, beweerde zij weder zeer beslist, dat de aankweeking van het schoone in de wereld evenveel recht van bestaan had, als de beoefening van het zedelijke en dat een pauw evenveel waard was, als een eend hoewel deze beter geschikt was om gemest te worden. Toen Pericles niet aanstonds wistofhij haar dit mocht toegeven, werd het minnende paar juist ter goeder ure door de komst van Sophocles in zijn gesprek gestoord.Hij kwam hen tot een eenvoudig ontbijt uitnoodigen. Hij geleidde hen naar het tuinhuisje, dat midden in den hof gelegen was. Zij vonden dat van binnen netjes versierd, bijkans weelderig ingericht voor weldadige ontspanning, en in eene sierlijke spijszaal herschapen. Aanligbedden voor twee personen stonden gereed, waarop men, het bovenlijf op de linkerhand gesteund, gewoon was het maal te gebruiken. Voor die aanligbedden stonden de tafels, met spijzen beladen en wel voor ieder aanligbed een afzonderlijke.Pericles en Aspasia namen op uitnoodiging van Sophocles plaats en strekten de handen uit naar de aangeboden ververschingen. Op tafel was aanwezig: gevogelte, koeken, Siciliaansche kaas, vijgen, amandelen, noten, druiven en bovendien kostelijke, vurige wijn van de eilanden12.„Ik hoop, vrome Sophocles,” sprak Aspasia schertsend, „dat gij ons geen gebraden nachtegalen voorzet, hoewel men in eene stad, waar men zich[177]niet ontziet pauwen op te zetten, evengoed nachtegalen zou kunnen braden.”„Smaal toch niet om ééne goddelooze op het geheele Atheensche volk,” smeekte Sophocles.„Eene vrouw,” riep Aspasia uit, op nieuw ziedend van toorn, „die in staat was een pauw te slachten, hem zijn schoonen vederdos uit te plukken en hem in eene pan te doen, verdiende met roeden uit Hellas gegeeseld te worden. Zoo ooit over iemand, moet over haar de toorn der Grieksche Goden losbarsten, want zij heeft zich vergrepen aan het heiligste wat er bestaat, aan het schoone!”„Als wij onze schoone en verstandige Aspasia mogen gelooven,” zeide Pericles tot Sophocles, „dan is schoonheid de hoogste wet des levens en daar zij ziel en lichaam doordringt, van alle deugden de eerste en de laatste.”„Die gedachte lacht mij zeer toe,” hervatte de dichter, „ofschoon ik niet weet, hoe Anaxagoras en die bekende steenhouwer van Phidias en de overige wijzen er over zouden oordeelen. Maar ook van hen zal niemand de geweldige macht der schoonheid en van datgene, dat zij in het hart der menschen verwekt, van de liefde durven bestrijden. Ik heb juist van morgen, geheel naar uw verlangen, Aspasia, om de onoverwinnelijke macht der liefde te toonen, in mijn drama een tooneel ingelascht, waarin ik de Haemon, de zoon van koning Creon13vrijwillig in den Hades14doe nederdalen, om zijne geliefde bruid Antigone daarheen te volgen …”„Dat is overdreven, Sophocles,” sprak Aspasia tot den dichter, die eenigermate verwonderd was, daar hij toch meende in haar geest te hebben gehandeld. „Van zulk eene treurige zijde moet de stift der dichters de liefde niet teekenen. De liefde is opgewekt en vroolijk en moet liever zich zelve prijs geven dan hare vroolijkheid. Zij moet eene menschelijke[178]ziel niet naar den Hades voeren. Zij moet de menschen alleen met het leven niet met den dood verzoenen. Sombere, dweepzieke hartstocht moet onder de Grieken niet met den naam van liefde bestempeld worden. Dat is ziekelijkheid, dat is slavernij …”„Gij hebt gelijk, Aspasia,” antwoordde Sophocles. „De leer, die gij daar verkondigt, is opwekkend en duidelijk; gij en Pericles en ik zullen voorzeker alleen de schoone, vrije, opgewekte liefde huldigen en wij willen, als het uwe goedkeuring wegdraagt, nog heden den Goden een offer brengen, opdat zij nooit in onzen boezem het vriendelijk liefdevuur tot een doodelijken en verderfelijken gloed mogen aanblazen. Maar in de dicht- en beeldende kunst drijft de geest de dichters en beeldhouwers, om datgene wat zij uit willen drukken op eene scherpe en overdreven wijze te doen. Ik wilde aantoonen, dat Eros een machtige God is; maar ik wensch van harte, dat hij zijne geheele macht nooit weder op eene dergelijke wijze de Grieken zal doen ondervinden. Mocht hij slechts boven alles de harten der schoonen zacht en goedgunstig stemmen, want wat anders dan de schoonheid is de schuld van al den jammer en ellende der liefde op de wereld? Inderdaad, de schoonheid is eene noodlottige, dikwerf beslissende macht in het leven der stervelingen. Zij zit, wanneer ik het zoo mag uitdrukken, mede besturend in den raad der hoogste machten.”„Schoonheid zit medebesturend in den raad der hoogste machten!” herhaalde Aspasia. „Deze uitspraak verdiende, mijns inziens, aan de spreuken van Hellas’ wijzen toegevoegd te worden.”„Wanneer die uitspraak u zoo bevalt,” hernam de dichter, „dan zal ik die luide voor geheel Hellas herhalen en haar in een reizang op Eros in mijn treurspel invlechten. Wanneer zou ik dien reizang op Eros onder gunstiger voorteekenen kunnen voltooien, dan zoolang uw voet nog in dezen lusthof wandelt? Gij moogt van hiernietgaan,[179]vóór ik den hymne opgeschreven en aan uw oordeel onderworpen heb.”„Geen schooner gastgeschenk kunt gij ons geven,” hernam Pericles.„Vergeeft mij thans,” ving Sophocles weder aan, „dat ik u niets aanbied, waarmede men anders een onthaal pleegt te kruiden. Ik vertoon u noch eene danseres noch eene fluitspeelster; want heden, dunkt mij, hebben mijne gasten aan zich zelven genoeg; en bovendien, wie zou zich op de cither durven meten met den schoonen „citherspeler uit Milete” en met zulk een kunstenaar een wedstrijd durven aangaan?”„In de eerste plaats—gij zelf,” riep Pericles; „gij zijt ons zelfs de wedstrijd schuldig, want gij hebt ons toch op de Acropolis iets dergelijks beloofd. Haal slechts uw snareninstrument, Sophocles, en breng er ook een voor Aspasia mede; en begint dan op de wijze van Siciliaansche herders in zang en spel te wedijveren, terwijl ik als onpartijdig scheidsrechter uitspraak zal doen—want dat gij mij tot kamprechter aanstelt, spreekt wel van zelf, daar gij buiten mij geen toehoorders meer hebt.”—„Het genoegen Aspasia’s gezang en snarenspel te hooren,” hernam Sophocles, „zal voor eene nederlaag niet te duur gekocht zijn.”Hij verwijderde zich en keerde weldra met twee schoon versierde cithers terug en verzocht Aspasia daar eene van te kiezen.Met kennersoog tokkelde de schoone de snaren en liefelijke tonen ontlokte zij aanstonds aan het bezielde instrument als vonken aan den vuursteen.En thans begonnen de dichter en de schoone Milesische, ontgloeid door den zoeten, vurigen wijn, bij den klank der snaren liederen van Anacreon en Sappho te zingen en gevleugelde disticha15en daaronder ook iets nieuws van eigen vinding.[180]Een der kleine liederen van Sophocles luidde als volgt:„Wat heet leven en lust, zonder Cypria’s lachenden aanblik?Dan toch wilde ik sterven, zoodra ’t zoete liefdegenotNimmer mij het hart meer verheugt met gloed en teedere omarming:Bloesems der jeugd, o, hoe snel maait u de zeis van den tijd!”Bezield antwoordde Aspasia:„Kort ja, is hij, de tijd, voor de sterv’lingen, maar toch noodigt onsBacchus, bekoort ons de dans en de bloeiende krans van de liefde!Dit, slechts dit, heet leven; slechts lust is leven.—Vliedt danGij zorgen! Geniet van het heden, want een sluier onthult ons het morgen!”Met een stralenden blik op Aspasia zong nu de dichter:„Zoet is, zoet ja, bij Pan, den Arcadische, wat gij bij uw luiteZingt, o Aspasia! zoet klinkt uw liefelijk gezang!Kon ik ontvlieden? Omlegert mij niet de macht der ErotenIn der Sirenen gestalt’, die mijne ziel houdt geboeid?”Met een betooverenden glimlach op de rozenroode lippen zong nu Aspasia:„Schertsend vermeide zich laatst met Neäera haar vriend. Om de heupenWond haar Cypris een band, bont en met bloemen doorweefd.Goud was het opschrift, dat luidde: bemin mij voor eeuwig,Maar geef niet toe aan uw smart, als mij een ander bezit!”[181]„Hoe lang draalt gij nog, Pericles, den krans der overwinning aan Aspasia toe te kennen,” zeide de dichter.„Geef hem den dichter, Pericles,” hernam Aspasia; „maar stelt hem vooraf nog ééne voorwaarde; hij moet ons nog een distichon op de schoone Philaenion zingen.”„Hoort gij, wat Aspasia verlangt?” zeide Pericles tot den dichter; „gij moet Philaenion bezingen, de schoone Ephesische, die thans, naar men verhaalt, de deelgenoote is uwer zaligste uren en welke wij, vreemde gasten, misschien van daag, tot uwe heimelijke smart uit dit bekoorlijk oord hebben verjaagd.”„De voorwaarde is niet zonder heimelijke boosheid en wreedheid,” hernam Sophocles glimlachend, „maar ik wil ze niet onvervuld laten.”En hij zong:„Klein ja is en donker Philaenion, echter niet slankerIs de klimop en niet molliger ’t bloempje des velds.Meer dan Cypria’s gordel bekoort haar lieflijk gesnap mij;Al wat zij schenkt, dat schenkt zij met vriendelijken glimlach.Waarlijk, Philaenion min ik, de heerlijke, tot de godlijke CyprisMij een andere schenkt, die nog bekoorlijker is!”„Gij zijt tevreden, Aspasia?” vroeg Pericles, en toen deze toestemmend knikte, wendde hij zich tot Sophocles en reikte hem den kampprijs met de woorden:„Ontvang den krans, vriendelijke zanger”.„Dat zou ik niet zijn,” hernam Sophocles, „zoo ik niet sloot met een loflied op de schoonste:[182]„Cypria’s schoonheid hebt ge, de lippen van Pitho, der HorenLentebloesem daarbij en Calliope’s stem,Themis’ wrekende maat, Pallas’ wijsheid en Charis’Vriendelijken lach met den ernst der strenge Muze vereend.”16„Dat noem ik ons verlegen maken,” zeide Aspasia, „en ons een plicht der dankbaarheid opleggen, die wij nooit vergelden kunnen.”Zoo eindigde de wedstrijd. De dichter en Milesische spraken toen nog veel over de toonkunst en Aspasia legde daarbij eene zoo groote kennis aan den dag van Dorische, Phrygische, Lydische, Hypodorische17en Hypophrygische melodieën, van fijne schakeeringen daartusschen en van de voortreffelijkheid van de eene boven de andere, dat Pericles in verbazing ten laatste uitriep:„Zeg mij toch, Aspasia, hoe heet de man, die zich beroemen mag u in uwe prille jeugd in die moeilijke kunst te hebben onderwezen en ingewijd?”„Dat zult ge vernemen,” hernam Aspasia, „wanneer ik u eens de geschiedenis mijner eerste jeugd vertel.”„Waarom hebt ge dat nog nooit gedaan?” vroeg Pericles. „Hoe lang zult gij het nog uitstellen? Doe het nog heden. De gelegenheid is gunstig en Sophocles is zulk een vertrouwd vriend en zoo gesloten, dat gij u niet behoeft te ontzien, hem mededeelgenoot van uw verhaal te maken.”„Neen,” zeide Sophocles, „hoe bekoorlijk ik mij ook de geschiedenis van Aspasia’s jeugd voorstel, moet ik toch vreezen, dat wanneer gij het genoegen ze te hooren met een ander moest deelen,[183]ze niet half zoo lang zal uitvallen, als wanneer gij alleen ze verneemt. Bovendien herinner ik mij de belofte, dat ik u niet eerder zou laten heengaan, vóór ik Aspasia door een reizang op Eros ten volle weder zal verzoend hebben en zoo moet ik wel andermaal de eenzaamheid opzoeken en aan de uwe, die gij wel niet minder wenscht, overlaten. Terwijl ik op denzelfden dag, waarop ik voor mijn treurspel een loflied op Eros dicht, een minnend paar als gij, in mijne afzondering heb ontvangen, geloof ik mij zoo verdienstelijk jegens den God te hebben gemaakt, dat het mij niet verwonderen zou, wanneer mij het schoonste lied, als dank daarvoor, van hem ten deel viel.”Met deze woorden verwijderde zich de dichter.Schertsend riep Aspasia hem achterna, dat hij niet moest terugkeeren zonder de bekoorlijke, schoon gelokte Philaenion.Pericles en Aspasia waren nu weder in de stille, kalme geurige lanen alleen aan zich zelven overgelaten.Nog opgewekt door het levendige gesprek onder het genot van den wijn en het snarenspel en toch in eene soort van zachte ontspanning, brachten zij, nu eens wandelend, dan weer rustend, den eersten tijd in dien zoeten, droomerigen toestand door, welke vooral in een bosch of in geurige, schaduwrijke tuinen in de uren van den middag zich van den geest meester maakt, wanneer Pan slaapt en zijne geesten, onbedwongen, in de eenzame dreven hun dartel spel drijven.—De vette olijf glinsterde in de middagzon. Geen leeuwerik, met weligen kuif, huppelde meer rond, de hagedissen lagen sluimerend in de weiden. Slechts de boomkrekel liet hier en daar zijn zacht en melodisch gepiep op de takken hooren.In zulke oogenblikken, bij eene bekoorlijke natuur is men zoo verhit, zoo opgewekt van den zonneschijn en de heerlijke geuren, geniet men zoo, dat, wanneer men zich ter ruste vleit op lommerrijke weiden onder ritselende boomen, de levensgeesten[184]niet weten of het eene zoete afmatting is, wat hen doortrilt, dan wel eene overbodige inspanning hunner veerkracht.De beiden gelieven vertoefden ten laatste bij dat oord, waar de klimop zich slingerde, waar de golven van den Cephissus onder de zonnige twijgen klaterden en waar in de zwoele middagstilte het onschadelijk paar wateradders in de kristallen gloed zijne kringen placht te beschrijven, terwijl gonzende libellen over de watervlakte zweefden.Uit dien half droomerigen toestand eener verrukkelijke siesta ontwakend, herhaalde Pericles zijn verzoek aan Aspasia, om hun vertrouwelijk te zamen zijn op dezen dag door het lang beloofde verhaal der lotgevallen van hare jeugd de kroon op te zetten.Doch het is een zonderling iets, wanneer de lippen der vertelster fijn en zacht en heerlijk zijn als Attische honig. Pericles bekende, dat hij niet wist of hij begeeriger was naar de kussen zijner vriendin dan naar haar verhaal.Eindelijk kwam zij aan het woord:„Gij weet,” zeide zij glimlachend, „ik ben niet oud genoeg om u op een lang, avontuurlijk en bont verhaal te kunnen vergasten. Maar gij hebt het recht, naar mijne afkomst te mogen vragen en te vernemen, van welken aard mijn lot geweest is, vóór het met het uwe was verbonden. Philammon heette de man, naar wien gij zooeven hebt gevraagd, aan wien ik mijne kennis in de toonkunst en andere kunsten en in één woord alles te danken heb, wat een mensch den anderen te danken kan hebben, en ’t geen eigenlijk, naar ik meen niet zoo heel veel is; want het meest beslist toch bij den mensch, vooral bij de vrouw, de grond, waarop hij is geboren, de lucht, die hij inademt en de gedaante der dingen, die hij van zijne jeugd af om zich heeft gezien, boven alles echter de ingeboren aanleg en het lot en het gesternte, waaronder hij het levenslicht heeft aanschouwd.„Die goede Philammon! Ik geloof niet, dat ik[185]ooit weder met een man in zoo’n gelukkigen vrede zal leven als met hem; want hij koesterde geene verwachtingen meer van mijne kunne en ik nog geene van de zijne. Hij telde tachtig jaar en ik tien. ’t Is waar, hij scheen wel een vierde jonger dan hij werkelijk was en ik een vierde ouder dan mijne jaren.„Na den dood van mijn vader Axiochus en van mijne moeder te Milete werd ik door hem als een vriend des huizes in zijn familiekring opgenomen. Hij was de geleerdste, verstandigste, spraakzaamste en tevens vroolijkste grijsaard in het levenslustige Milete, de beminnelijkste grijsaard misschien, die de aarde sinds Anacreon had gedragen. Ik weet niet, of er ergens een schooner liefdeband bestaat, dan dit van een jeugdig grijsaard en een vroegrijp meisje. De scherpste tegenstellingen des levens zoeken en vinden elkaar in die vereeniging.„Ik was schier hartstochtelijk verliefd op Philammon’s sneeuwwitten, lang afgolvenden baard, op zijne heldere oogen, waaruit mij al het licht der wetenschap scheen tegen te schitteren, op zijne lyren en cithers, op zijne boekrollen, op de bronzen en marmeren beelden van zijn huis en op het heerlijke bloemtapeet van zijn tuin. Wat hem betreft, hij scheen niet minder behagen in mij te scheppen; van het oogenblik af, waarop ik zijn huis betrad, speelde een glimlach om zijne lippen, zooals ik er nooit meer een heb gezien bij een gelukkig sterveling en dien ten laatste zelfs de dood niet geheel kon doen verdwijnen. Vijf jaren lang leefde ik in den geur der rozen, waarmede deze goddelijke grijsaard zijne bekers bekranste, dronk de wijsheid in uit zijne heldere oogen en zijne lippen, die overvloeiden van welsprekendheid, speelde op zijn lyren en cithers, ontrolde met gloeiende wangen zijne boekrollen, beschouwde zijne bronzen en marmeren beelden en verzorgde de bloemen van zijn tuin. De wereld derpoëzie, der tonen en der lente, was voor hem zelven op nieuw ontwaakt en bezield, toen hij ze nog eens met[186]het kind genoot. Hij zeide, dat hij tachtig jaar oud geworden was en nu eerst vele zijner boekrollen verstond, nu ik, het kind, ze hem had voorgelezen.„Toen hij gestorven was, noemden de Milesiërs mij het schoonste meisje van het Ionische strand en ik zag voor de eerste maal in den spiegel. Het leven der rijke stad, waar vroegtijdig de Grieksche geest in de Aziatische zon tot weelderige volheid zich ontwikkelde, begon mij met verleidelijke bekoorlijkheid aan te grijpen.„En toch was ik niet gelukkig.„Bij Philammon’s boekrollen en marmeren beelden was ik vroolijk geweest; in den bedwelmenden roes der vreugde, door hulde en wierook omgeven, werd ik ernstig, nadenkend, luimig, aanmatigend.„Ik miste iets.„De mannen van Milete schenen mij dwaas toe. Zij dongen om mijne gunst, ik verachtte hen.„Ik stond na den dood van Philammon als eene wees, jong, arm, onervaren in de wijde wereld.„Toen zag mij een Perzisch satraap18en aanstonds vatte hij het plan op het zoo geroemde Ionische meisje naar Persepolis19te voeren, naar den grooten koning20. Mijne dwaze meisjesziel werd ontvlamd. Ik dacht aan Rhodopis21, die den koning van Aegypte, aan mijne landgenoote Thargelia, die den koning der Thessaliërs tot echtgenooten hadden gekregen. De koning der Perzen echter, de machtigste der aarde, zweefde voor mijn geest als het ideaal van alle mannelijke schoonheid, al het verhevene, beminnelijke en geestkrachtige. Als kind bij Philammon was ik verstandig geweest voor mijne jaren thans als rijpende jonkvrouw werd ik gekkelijk. Te Persepolis aangekomen, werd ik[187]rijkelijk opgesierd en toen naar den koningsburg gevoerd, die in verblindende pracht prijkte. Te midden van deze heerlijkheid zat de koning der Perzen, niet minder schitterend uitgedost, maar met het uiterlijk van een gewoon mensch. Hij lonkte mij met zijn doffe, despotische oogen toe. Eindelijk begon hij slaperig de hand naar mij uit te strekken, als naar eene koopwaar, die hij betasten wilde. Dat prikkelde mij; tranen van spijt ontsprongen aan mijne oogen. Dat beviel den Pers echter en een lach plooide zijne matte trekken. Hij spaarde mij zelfs sedert dat oogenblik en zeide dat de fierheid der Grieksche vrouwen hem beter beviel, dan de slaafsche karakterloosheid der andere vrouwen. Na weinige weken was het hart van den despoot voor mij in liefde ontbrand. Mij echter overviel een angst; ik verzonk in zwaarmoedigheid. Vreemd, eentonig, koud scheen het leven om mij heen. De menschen waren niet vatbaar voor eenigen hartstocht. In zich zelven gekeerd leven zij voort in pronkvertrekken van bedwelmende aromen doortrokken. Zonderling en beangstigend scheen mij die pracht van het Oosten toe en snel was de betoovering geweken, waarmede zij in den beginne mijne verbeeldingskracht had verstrikt. Een koude huivering overviel mij, als ik de tempels en afgodsbeelden in den vreemde beschouwde; een heimwee greep mij aan naar de Goden van Hellas.„Ik ontvluchtte na korten tijd. Vrij ademde ik weder, toen ik het Ionische strand weder betrad, toen ik de Grieksche zee, voorbode van eene nieuwe en betere toekomst, tegen de kust zag aanklotsen. Onder begeleiding van eene enkele trouwe slavin zocht ik in de haven van Milete een schip, dat mij naar Griekenland zou voeren. Ik vond een koopvaarder uit Megara, die bereid was mij naar die stad te brengen. Van daar kon ik spoedig het naburige, fiere, bloeiende Athene bereiken, waarnaar mijne ziel zoo vurig had verlangd. Te Megara met mijne slavin aangekomen, stond ik voorloopig alleen en hulpeloos. De bedaagde[188]scheepskapitein, die mij van Milete had medegenomen, noodig mij in zijne woning en beloofde mij eerstdaags naar Athene te doen voeren. Ik nam zijne uitnoodiging aan. Hij echter vertraagde van dag tot dag de voorbereidselen tot mijn vertrek, totdat ik ten laatste bemerkte, dat hij voornemens was mij in zijn huis te houden. Weldra zag ik ook zijn opgeschoten zoon in hartstocht voor mij ontbrand en in huis, als eene gevangene bewaakt, werd ik door beider liefdesbetuigingen vervolgd. Voor hen, meenden die dwazen, zou ik ongerept den Perzischen koning zijn ontvloden en voor hen mij hebben gespaard. Toen ik nu koel bleef en alles deed, om de boeien, die men mij wreed had aangeslagen, te verbreken, barstte beider gramschap in hevige woede over mij los. De vrouw van den scheepskapitein had echter van den beginne afaan de jeugdige vreemdelinge met argwanenden blik beschouwd en toen zij nu, terwijl deze beide mannen op mij vertoornd waren en om mijnentwil geweldig met elkaar twisten, door eene razende ijverzucht werd aangegrepen, zag ik mij als door Furiën omringd en geweldig bedreigd door de hartstochten dezer razende menschen. De vrouw kwam op de gedachte de Megarensers tegen mij als eene vreemde toovenares en verstoorster van den huiselijken vrede op te hitsen en daar de beide mannen door mijne koelheid en de onmogelijkheid mij langer in huis te houden vreeselijk verbitterd waren, ondersteunden zij uit wraakzucht de pogingen der vrouw. Hun streven was niet zonder gevolg. Ik was toch in Megara, onder menschen van den Dorischen stam, onder menschen, die, losgerukt van hunne stamgenooten in de Peloponnesus, zoo dicht bij het machtige, dreigende Athene, daarom te sterker zich hunne Dorische afkomst bewust waren, en des te slaafscher de Spartaansche zeden meenden te moeten handhaven. Streng en mannelijk in hun doen willen zij schijnen, maar zij zijn dubbel teugelloos, wanneer de hartstocht zich van hen meester maakt;[189]want hun gemoed is ruw, hun geest gemeen. Hun heftig gevoel is vreemd aan elke zachte aandoening, die over de gemoederen van andere menschen door den adem der bekoorlijkheid en vriendelijkheid is uitgespreid.„Op mijn dringend verlangen deed men het eindelijk voorkomen, dat men mij rustig zou laten vertrekken. Een muildier stond gereed voor mijn goed, een draagstoel voor mij en mijne slavin. Toen ik echter uit het huis van den Megarenser trad, vond ik het tegen mij opgehitste volk op straat verzameld en werd ik met spottende en hoonende woorden begroet.„Voor het volk van Megara was het voldoende te hooren, dat ik eene Milesische was, om mij te haten en in blinde woede te vervolgen. Ik weet niet, wat mij met zulk een moed, met zulk een fierheid bezielde, toen ik dit Dorische gepeupel, grijnzend, schreeuwend, dreigend rondom mij gedrongen zag. Met opgerichten hoofde ging ik door de menigte, achter mij mijne sidderende slavin. De voorsten, die een weinig voor mij teruggeweken waren, werden door hen, die achter hen stonden, opnieuw tegen mij aangedrongen; ik zag mij in een maalstroom van verwarring vastgeklemd, gestomt en toen ik ziedend van toorn een woord tot de menigte sprak, grepen eenigen onder smadelijke bedreiging mij bij de armen en het gewaad.„Op dat oogenblik kwam een reiswagen met paarden bespannen den weg langs. In den wagen zat, naar het scheen, een aanzienlijk en rijk man, door slaven gevolgd.„Toen deze man mij zag, te midden van dat dreigend gevaar, daar de vermetelsten reeds de hand aan mij sloegen, liet hij den wagen stilhouden en gaf den zijnen last, mij en mijne slavin in den ruimen reiswagen te helpen en, toen dit geschied was, bracht het vurige span mij in weinige oogenblikken voor altijd uit het vervloekte Megara en onttrok mij aan de smadelijke bejegening, die mij dreigde.”[190]„Nu begrijp ik, Aspasia,” viel Pericles in, „waarom gij geheel in strijd met uw kalm karakter, zoo vijandig en hartstochtelijk opvliegt wanneer er sprake is van de Doriërs en het Dorische karakter.”„Ik ontken het niet,” hernam Aspasia, „ik heb sedert dien dag te Megara aan alle Doriërs onverzoenlijken haat en wraak gezworen.”„En de man, die u redde,” zeide Pericles, „was zeker niemand anders dan Hipponicus?”„Dezelfde,” antwoordde Aspasia.„Gij hebt,” vervolgde Pericles, „een weelderigsten bloei van Ionische karakter te Milete en de plompe overdrijving van het Dorische te Megara leeren kennen. Thans op den bodem van Athene gekomen, zult gij, hoop ik, u in dat schoone en gelukkige midden gevoelen, dat het gevolg is van de verzoening en de harmonie der uitersten.”„Het was mij aanstonds een goed teeken,” antwoordde Aspasia, „dat het toeval mij, zoodra ik den Atheenschen bodem had betreden, naar die plaats voerde, waar de levendigste vonken van den nieuwen Atheenschen geest rondspatten—naar de werkplaats van Phidias.”—„En daar,” viel Pericles in, „vondt gij de mannen, die gij aan het hof van den Perzischen koning miste, de gevoelige ontvankelijke mannen, waarop gij invloed kondt oefenen—daar vondt gij den krachtigen, vurigen Alcamenes …”„En den peinzenden, niet vurigen, niet innemenden zoon van Sophroniscus,” hernam Aspasia; „en ik trachtte aan beiden datgene te geven, ’t welk zij mij naar hun eigenaardig karakter schenen noodig te hebben. Den beeldhouwer toonde ik, dat hij niet alleen van den meester Phidias kan leeren en het gelukte mij de valsche bescheidenheid van den waarheidszoeker, die de geheele wereld met zijne vorschende vragen vervolgt, voor een deel althans in een ware te veranderen. Maar nogontbrakmij de man, wien ik niet alleen dit of dat, wien ik alles, wien ik mijn geheele persoonlijkheid niet zou[191]aarzelen toe te vertrouwen. Eindelijk vond ik hem. Sedert dien tijd ben ik der smidse, waar de echte vonken van den nieuwen Helleenschen geest opspatten, nog nader gekomen, dan in de werkplaats van Phidias.”„En waar was dat?” vroeg Pericles.„Aan het hart van den gemaal der pauwenslachtende Telesippe!” hernam Aspasia glimlachend en vlijde haar schoon gelokt hoofd met smeltenden blik aan de borst van den geliefden man.Hij boog zich over haar en drukte haar een kus op de lippen. Daarna sprak hij:„Menige van die levensvonken van den Helleenschen geest zou wellicht nog sluimeren in deze borst, Aspasia, wanneer gij uw schoon hoofd daar nooit tegen had gedrukt!”—Zoo verliep de dag voor het gelukkige paar in den tuin van Sophocles.De avond begon te vallen, de boschjes geurden sterker, de nachtegalen hieven hun lied aan in de twijgen en als wilden zij met hen wedijveren, lieten de krekels in het gras hunne schelle tonen hooren. Glimwormen glinsterden uit het donker der boschjes en Hesperus22spreidde zijn glans uit aan den hemel.Thans verscheen de dichter weder, om zijne gasten tot den maaltijd uit te noodigen. Hij voerde hen wederom naar dat gezellige, liefelijk versierde tuinhuis.„Gij hebt mij,” zeide Sophocles, zich tot Aspasia wendende, „toen ik van u heen ging, een bevel nagezonden. En wie zou het durven wagen u niet te gehoorzamen in alles wat gij zoudt kunnen wenschen?”Daarbij wees hij naar den achtergrond van het vertrek, waaruit Philaenion lachend te voorschijn trad.Pericles en Aspasia waren aangenaam verrast. Philaenion was klein, maar van een betooverende,[192]evenredige gestalte; daarbij was zij krachtig van leden en toch vol bekoorlijkheid in hare bewegingen. Zij had de zwartste oogen en boven het ietwat lage voorhoofd viel het donkerste haar in krullende lokken.Aspasia dankte den dichter in vriendelijke woorden voor zijne bereidwilligheid en kuste Philaenion op het voorhoofd. Vroolijk schaarde men zich om den disch. Vele heerlijke gaven werden er aangeboden en wederom stroomde de vurige Chiërwijn23onder opgeruimden, geestigen kout en gelach.Toen las Sophocles zijn gasten den beloofden lofzang op Eros voor, den onsterfelijken reizang op den „Alverwinnaar in den strijd.”In verrukking hieven Aspasia en de dichter aanstonds bij het getokkel der snaren het schoone lied aan. De melodie stroomde als van zelf van hunne lippen. Zij vonden ze gelijkelijk uit.—Philaenion in dezelfde geestverrukking viel in, en zoowel door het lied als door den gloeienden wijn bezield, begeleidde zij weldra den zang met de bekoorlijkste, innemendste dansen.Wie zou het geluk dezer gelukkige menschen vermogen te schilderen?Zij waren gelukzalig, als de Olympische Goden.Toen Pericles met Aspasia laat in den avond den lusthof doorwandelde, om naar huis terug te keeren, geurden de rozen bedwelmend; de scharlakenroode, geheimzinnig vlammende anjelierbloesem schitterde in de duisternis.En nooit kweelden de nachtegalen in het Cephissus-dal bekoorlijker dan in dien nacht.„Weet gij, wat zij zingen,” zeide Pericles tot Aspasia, die met een blijden glimlach aan zijne zijde wandelde. „Zij zingen allen den reizang van Sophocles op Eros; zij zingen allen:[193]„God der liefde, nooit bedwongen,Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed,Waar uw pijl is ingedrongen,Voor uw almagt buigen doet;Die uw zetel hebt gekozenOp het liefelijk gelaatVan de teedre maagd, wier bloozenWat haar harte wenscht verraadt!”24Zij zingen allen:„Alle wezens kunt gij dwingen,Land en zee is uw gebied;’t Broos geslacht der stervelingen,De eeuwige Goôn zelfs vreest gij niet.Ach, met onbegrensd vermogenHeerscht de teedre, zwakke maagd,Als de gloed der schitterende oogenZoete drift in ’t harte jaagt,Onverwinbaar neemt de minSpelend aller zielen in.”— —1De Academie was een gymnasium bij Athene, naar den heros Academus genoemd, waar Plato zijne lessen gaf. Vandaar, dat men ook onder Academie de school van Plato verstaat.↑2Eene bronnimf.↑3Hamadryaden zijn boomnimfen, in onderscheiding van Dryaden, dat in ’t algemeen woudnimfen, vooral der eiken (Drus, eik) zijn. Sommigen nemen tusschen beide nimfen geen onderscheid aan.↑4Iliad. VI, vs. 506 en vv., waar men deze heerlijke vergelijking in haar geheel kan lezen.↑5De Parcen (Moiren) waren de Godinnen van het noodlot. Gewoonlijk worden er drie genoemd: „Clotho”, die de levensdraden spint, „Lachesis” die den menschen hun lot toedeelt en „Atropos”, de onafwendbare, de noodzakelijkheid om te sterven.↑6Lamia, de dochter van Belos en Libya werd om hare schoonheid door Zeus bemind; uit wraak hierover roofde Hera hare kinderen. Lamia, van verdriet waanzinnig geworden ontvoerde en doodde de kinderen van andere moeders. Vandaar wordt zij als een schrikkelijk spook beschouwd. Later verstond men onder Lamia eene schoone vrouw, die de jonge mannen bekoorde en verleidde.↑7Circe was eene machtige toovenares, de dochter van Helios en Perseïs, op het eiland Aea, die Odysseus’ tochtgenooten in zwijnen veranderde.↑8De Hesperiden, gewoonlijk vier in getal, Aegle, Erythea, Histia en Arethusa, bewaakten met den honderdkoppigen draak Lado de gouden appelen van Hera op het Atlas-gebergte, in de uiterste streken der aarde.↑9Argus, bijgenaamd Panoptes, de alziende, was de zon van Agenor of Inachus, die vele monsters doodde. Hij was met honderd oogen voorzien. Later werd hij door Hermes gedood. Met zijne oogen tooide Hera den pauwenstaart.↑10Eene soort van roofvogels, met vrouwenaangezichten en groote klauwen. Bij Hesiodes heeten zij „Aello” en „Ocypete”.↑11Antigone, de dochter van Oedipus, koning van Thebe, en Iocaste.↑12Vooral de wijnen van Chios, Lesbos en Cyprus waren beroemd.↑13Creon was koning over Thebe, opvolger van Oedipus.↑14Hades is eigenlijk de God van de onderwereld, Pluto; vandaar ook de onderwereld zelve.↑15Distichos beteekent eigenlijk van „twee rijen” of „regels” v.d. distichon een vers, waarvan de eerste regel zesvoetig is (een hexameter) en de tweede vijfvoetig (een pentameter). De grondtoon dezer verzen is de dactylus, d.i. eene lange lettergreep, gevolgd door twee korte.↑16Tot recht verstand dezer verzen diene: het Grieksche woord Peithoo beteekent: overtuigende welsprekendheid, de gave der overreding, van daar ook: de Godin der welsprekendheid, en overreding. De Horen zijn de dienaressen van Aphrodite, de Godinnen van den bloei en de rijpheid; de eerste heet dan Thallo, (lente) de tweede Carpo (herfst). Zij komen dikwijls voor in verbinding met de Chariten (Gratiën). Over Calliope, eene der Muzen, zienoot 1 pag. 30. Wat Themis aangaat, vergelijknoot 1 pag. 46.↑17Het Grieksche voorzetsel hupo (onder), geeft in dergelijke samenstellingen dikwijls eene nabootsing in den trant van —. Zoo ook in Hypodorisch en Hypophrygisch: iets Dorisch, Phrygisch, wat naar dien stijl of melodie zweemt.↑18Landvoogd.↑19Persepolis, Pârsa („de stad der Perzen”) was eens de hoofdstad van Perzië en de begraafplaats der koningen, niet ver van den Araxes. Door Darius I werd het ongeveer in 515 v. C. tot residentie verheven.↑20Met den naam van groote koning werd in de oudheid de Perzische koning bestempeld, zoodat zelfs het Grieksche woord koning, basileus, zonder lidwoord, altijd de koning der Perzen aanduidde.↑21Men leze daaromtrent den roman van Georg Ebers, „eene Aegyptische koningsdochter”, ten onzent door Dr. H. C. Rogge en C. H. Pleyte vertaald.↑22De avondster.↑23Van Chios, een der schoonste en vruchtbaarste eilanden van deAegaeïschezee, thans Chios of Stankio, door de Turken Saki geheeten. Het eiland was vooral beroemd om zijn heerlijken wijn en vijgen.↑24Men leze dezen schoonen reizang in haar geheel bij Sophocles, in de Antigone, vs. 772, v.v. Ik bezig Opzoomer’s vertaling.↑
VI.IN HET CEPHISSUS-DAL.
Wanneer men in zuidelijke richting de oude stad Athene verliet en een weinig links zich wendende den buiten-Ceramicus doorliep en onder de tuinen en de lanen met platanen beplant van de Academie1zijn weg vervolgde, dan nog een eind weegs zuidelijk langs een zonnig pad aflegde, bereikte men het bekoorlijke, liefelijk omschaduwde Cephissus-dal.Zoodra men dit dal binnentrad, vertoonde zich aan den linker kant een ruischend, weelderig groen olijvenbosch. Het strekte zich als een groene wal langs den weg uit. Forsch wond daartusschen de kuischboom zijne takken, welks blauwe bloesem aangenaam tegen het zachte groen der smalle bladeren afstak. Klimopranken hingen van de takken neer; ook taxusboomen groeiden langs de helling en bedekten haar zoo, dat men niets dan een groen tapijt zag.Aan den anderen kant van den weg, ter rechterzijde klaterden de kristalheldere beekjes van den Cephissus, uit het dal over schitterend witte kiezelsteentjes den wandelaar te gemoet vlietend, hier en daar in de rozen-enlaurierboschjeszich verschuilend.Aan gene zijde van den Cephissus zag men op geen grooten afstand den niet minder liefelijk omgroeiden, door sagen en zangen beroemden heuvel Colonos.Ging men, als men het dal betreden had, een kort eind tusschen het olijvenbosch en het stroomend water, dan zag men aan genen oever van den Cephissus op grasrijken, zacht glooienden bodem[162]eene bekoorlijke landhoeve in de stralen der zon schitteren, door enkele overoude, hoog gekruinde cypressen, platanen en pijnboomen omgeven en een tuin, die bijna tot aan den Cephissus reikte. Maar niet alleen aan deze zijde strekte zich die tuin tot aan den oever van den Cephissus uit, deze toch zijn loop uit het diepst van het dal naar den ingang vervolgende, maakte eene kromming ter rechter zijde en besproeide dan ook de velden, waarin de vrucht- en bloemtuinen, rondom het landgoed, aan dien kant uitliepen. Daar verhief zich de bodem aan den tuin iets meer glooiend, en de beek vlood zacht kabbelend tusschen heestergewassen door, waarin de stralen der zon flikkerden en de nachtegalen kweelden.In het midden van de groote ruimte tusschen dezen glooienden Cephissus-oever en het woonhuis stond een tuinhuisje, door rozen omgeven. Aan de uiteinden van den tuin verschaften laurier, myrthen- en rozenboschjes, met hun dicht gebladerte, eene schaduwrijke plaats. Ook de donkerroode bloesem van den granaatboom ontbrak niet. Dubbele rijen van olijven-, vijgen- en andere vruchtboomen, van het eene priëel naar het andere voerende, omzoomden dezen tuin.Waar de grond naar den Colonos-heuvel zacht glooide, daar hingen de donkere druiventrossen, in de warme stralen der zon. De landelijke woning zelve was door wijnranken omslingerd, ja zelfs om de boomen wonden zij zich in weelderige volheid en kracht. Met hen wedijverde woekerend het klimop, welks groote, zwarte trossen van muren en boomstammen neerhingen en welks weelderig gebladerte zich voortslingerend, zelfs het bedauwde weiland omzoomde.Tusschen de bloeiende perken waren kleine bloembedden aangelegd. Weinig was er overgebleven van de schoon getroste narcissen, van den geurigen crocus, de leliën, irissen en viooltjes wegens het ver gevorderde jaargetijde, en de liefde der Atheners tot het vlechten van kransen, maar talloos[163]bloeide alom de rozen, door viooltjes omzoomd, in purperen bedden langs den grond zich uitstrekkende, of op hooge heesters prijkend, nooit door ruwe winden geteisterd en iederen morgen verfrischt door den reinsten hemeldauw.Gemakkelijk schijnt het van de voorwerpen, die hier te zien waren, de namen en het uiterlijk in woorden weder te geven; onmogelijk echter is het den blijmoedigen en gelukkigen vrede te schilderen, die over dit weelderig groene dal, door wouden omzoomd, door de wateren van den Cephissus besproeid, door nachtegalen bezocht, verspreid lag. Men was zoo nabij de woelige stad en toch gevoelde men zich ver van de drukke wereld. Het was, alsof de landelijke God Pan uit die schaduwrijke boschjes te voorschijn moest treden of eene Najade2uit de wateren van den Cephissus onder het schitterend loof zou opstijgen. Verder in de geheimzinnige diepten van het woud stoeiden zeker Satyrs met bokspooten en kon men het gelach van schoone, bevallige Hamadryaden3hooren, die rustten op het groene loof. Soms ging er eene ritseling door de kruinen der boomen, die in het zuiverste blauw van den Griekschen hemel trilden, als eene aangename koelte, die daar ruiste voor den tred van den God der vreugde, Dionysus.Maar ook de zang van de gezellen van Apollo, de vriendelijke Muzen, was niet vreemd aan dit heerlijk oord. Hier woonde toch de lieveling der Muzen, de groote dichter Sophocles. Dit was zijne geboorteplaats, die hij op de hoogte van de Acropolis geprezen had en aan Pericles en Aspasia uit de verte had getoond. Hier was hij geboren en hier leefde hij. Onder de witte zerken, met klimop begroeid, die hier en daar uit het groen van den tuin en der boschjes uitstaken, sliepen zijne vaderen den eeuwigen slaap.[164]Juist zat hij in een rozenpriëel, terwijl de aangename morgenlucht hem verkwikte, en had het wastafeltje op zijne knieën liggen, op welker oppervlakte hij van tijd tot tijd met eene scherpe stift eenige verzen griffelde; zeer dikwijls echter wischte hij het geschrevene met het stompe eind der stift weder uit, wanneer de eerste ingeving zijner Muze hem niet ten volle bevredigde.Terwijl hij een blik wierp op den weg in het dal, zag hij een statig man met lichten en vluggen tred door het dal aankomen.„Wie is die vroege wandelaar,” dacht hij bij zich zelf, „die daar schier gevleugeld als Hermes, de bode der Goden, nadert?”Weldra was de wandelaar naderbij gekomen en de dichter herkende den liefsten zijner vrienden. Verheugd ging hij hem te gemoet tot aan den ingang van den tuin.Pericles schudde hem de hand. „Ik voldoe aan uwe uitnoodiging,” zeide hij, „ik ben heden uw gast en heb het woelig en drukke stadsleven en alle staatsaangelegenheden ontvloden. Ook de citherspeler uit Milete—gij herinnert u dien ongetwijfeld—zal den dag met ons komen doorbrengen, als gij het goedvindt. Ik heb veel met hem te bespreken en weet geene plaats, waar ik het zoo ongestoord zou kunnen doen.”„Zal de schoone citherspeler uit Milete ook komen?” riep Sophocles verheugd uit. „Dacht ik het niet dat u iets heerlijks bezielde, toen ik u zoo vurig en opgewekt zag naderen. Daar was niet veel te zien van de rustige waardigheid van den redenaar op de Pnyx; ik herkende u ternauwernood, zoo schuddet ge het hoofd en de schouders heen en weder en deed mij denken aan dat edele krijgsros, waarvan Homerus zegt, dat het den halster in zijn stal heeft losgerukt en met fieren kop en vliegende manen naar buiten naar de weide rent…”4[165]„Stil,” zeide Pericles en lei zijne hand op den mond zijns vriends. „Het waren de geurige luchten van het Cephissus-dal, die zoo bezielend in de morgenkoelte op mij werkten.”„Waarom ook niet het verlangen, om de schoone Milesische te zien?” zeide Sophocles, „is zij niet de bekoorlijkste aller vrouwen?”„Zij is teeder als eene Lydische, waardig als eene Atheensche, sterk als eene Laconische,” hernam Pericles.„Gij behoeft Ion zijne blonde, lelieblanke Chrysilla niet meer te benijden,” merkte Sophocles op met een schalkschen lach.„Spreek niet van Chrysilla,” zeide Pericles. „Aspasia is onvergelijkelijk. Moeilijk is het te zeggen of zij meer van een Muze dan van eene Charis heeft.”„Wellicht is zij voor u eene Parce5,” zeide Sophocles, „zij kan u goeds en kwaads in uwe levensdraden spinnen.”„Waarom ook nietLamia6en Empusa?” riep Pericles uit. „En al ware het zoo—wij hebben bloed genoeg in de aderen en een zwaard aan onze zijde, om het evenals held Odysseus, tegenover ieder Circe7te rechter tijd uit de schede te kunnen trekken.”—„Ik kom tot u als een moede, opgejaagde vervolgde,” ging Pericles voort, terwijl hij zich het zweet van het verhitte voorhoofd wischte, „ik heb mij aan de tallooze zorgen en bemoeiingen mijner veelvuldige ambten en waardigheden onttrokken, om een dag aan de schoone Muze en haar liefste pleegkind, de liefde, te wijden.”—„Daar doet gij wèl aan,” hernam Sophocles, „wanneer gij de rust zoekt, om te beminnen. Op den[166]heeten zomerdag moet men òf niet beminnen òf niets anders doen dan beminnen.”„Ik geloof, dat gij zelf met deze uitspraak in strijd handelt,” merkte Pericles op; „die wastafeltjes daar in uwe hand bewijzen, dat gij ijverig vers aan vers rijgt. Dat verhindert u echter niet, naar men vertelt, uwe schoone Ephesische vriendin Philaenion in die stille myrthen- en rozengaarden te herbergen.”—„Is poëzie arbeid?” vroeg Sophocles; „dat wist ik niet. Wanneer het heete voorhoofd den dichter maakt, dan is wel de poëzie een welluidend uitademen van al het schoone licht en al het goddelijk vuur, dat men met zijn aardsche zinnen uit den hemelschen aether inzuigt. Licht gaat over in geluid. En zoo zou ik ook de liefde op een zomerdag niet gaarne willen missen, want daar is zij het vurigst en het zoetst en het goddelijkst. De eene gloed stroomt in den anderen; door het vuur van Apollo ontgloeid, zoekt gij verfrissching in den zaligen adem der liefde en keert gij met eene bevredigde, harmonisch gestemde ziel tot de Muze terug. Ten laatste verwisselen Eros en de Muze van rollen; de Muze wakkert den liefdegloed aan en de oogen of boezem van de geliefde overstelpen u met dichterlijke gedachten.”„Zoo moede is men, geloof ik, nooit,” hernam Pericles, „dat de liefde geen verkwikking zou zijn. Wij allen, die door den drang om te werken en te scheppen gedreven worden, weten dat.”Zoo onderhielden zich de vurige mannen, beiden in den rijpen bloei hunner jaren.Thans hield eene draagbaar voor het huis van Sophocles stil.Daaruit steeg Aspasia. Zij was in vrouwengewaad.Sophocles begroette haar en geleidde haar naar Pericles, in de lommerrijke, geurige boschjes.Voor onbescheiden blikken beveiligd, sloeg zij den sluier op, liet het himation, dat over haar hoofd geslagen was, van hoofd en schouders glijden en stond daar in een bonten chiton, met sierlijke[167]randen, het krullend, rosbruine haar in golvende lijnen langs de slapen en op het hoofd, als eenig sieraad een breeden, purperen haarband die van de kruin naar achteren rondom haar prachtige lokken gewoeld was. In de hand droeg zij een kleinen, bevalligen zonnescherm en in den gordel, die haar gewaad midden om haar lichaam omsloot, stak een niet minder bekoorlijke, bladvormige, bont beschilderde waaier.Sophocles zag Aspasia voor het eerst in vrouwengewaad. Een kreet van verwondering ontvoer hem. De Milesische was in de idylle van het Cephissus-dal schier als een verblindend wonder neergedaald. Hare verschijning stak af bij deze landelijke stilte. Een bedwelmende droom bracht zij met zich van schoonheid en jeugd, die alle heerlijke geuren van haag en bloemen verre overtrof.Sophocles voerde de schoone met haar vriend door dichte en lommerrijke lanen en zeide:„Moogt gij behagen vinden, Aspasia, in hetgeen de natuur voor dit oord heeft gedaan. Weinig reden zult gij hebben om de kunst der Atheners in het aanleggen van tuinen te bewonderen. Ik weet zeer goed, dat gij Aziatische Grieken dat veel beter verstaat: bekoorlijke lusttuinen aan te leggen, met doolhoven, hermitages en grotten, kunt gij voortreffelijk. Gij hebt immers daar de uitgestrekte, grootsch aangelegde paradijzen van den Pers tot voorbeeld. Wij Atheners, gelooven, dat de schoone natuur, evenals eene schoone vrouw, ook zonder opschik schoon is.”„Laat Aspasia slechts een korten tijd in deze oorden wandelen,” zeide Pericles, „en gij zult weldra met de onopgeschikte natuur niet meer tevreden zijn. Zij zal u weldra met uw tuin betooveren en veranderen. Dat is zoo hare manier. Waar zij gaat, daar ontspruiten bloemen onder hare voeten. Ongemerkt weet zij iemand te ontvonken en wanneer zij zich een paar woorden over uw tuin laat ontvallen, zult gij geen rust meer hebben, voor gij hem tot iets gemaakt hebt, dat zich kan meten[168]met den lusthof der Hesperiden8of met den tuin van Phoebus aan de uiterste einden der zee, of met den Cyrenaeïschen hof van Zeus en Aphrodite, of den tuin van Midas met haar honderdbladige rozen of ten minste met den lusthof van een Homerischen Alcinoös, den vorst der Phaeken op het eiland Scheria.”„Wel weet ik,” hernam Sophocles, „dat dit vrouwelijk wezen onrust zaait in de gemoederen der menschen. Heb medelijden, o schoone toovenares, en laat mij en mijn tuin onveranderd! Ik was tot nu toe hier zoo tevreden en gelukkig. Wanneer Phoebus aan het hemelgewelf schitterde dan verheugde ik mij, dat mijne olijven, vijgen en granaatappels door zijne stralen werden gestoofd; regende Zeus, dan dankte ik hem, dat mijne weilanden groen werden. Ik was tevreden, met hetgeen mijn hof mij opleverde; bloemen in de lente, schaduw in den zomer, rijpe vruchten in den herfst, verfrisschende koelte en stilte, door de Muzen zoo geliefd, in den winter. Boven alles echter, Aspasia, bezweer en verander toch niet door een tooverformulier datgene wat mij door de gewoonte het liefst is geworden, en wat voor minnaar en dichter beiden het meest gewenscht is: de vertrouwelijke gezelligheid dezer laurierboschjes, dezer myrthen- en rozenpriëelen.”„Zou werkelijk,” vroeg Aspasia, „die eenzaamheid, in de laurierboschjes voor den dichter zoo begeerlijk zijn? Moet hij niet veel liever, om tot volle rijpheid te geraken, de stille schaduw verlaten en in het heldere licht der wereld en des levens treden?”„Men gelooft zoo lang,” hernam Sophocles, „dat het de zon is en niets anders dan de zon, die de wijndruiven doet rijpen,totdatmen ontdekt, dat juist de grootste, de weelderigste, de donkerste druiven verborgen hangen onder de schaduw der dichtste[169]bladeren. En al mocht gij in twijfel trekken, dat deze eenzaamheid den dichter nuttig is, zeer zeker zult gij erkennen, dat zij den minnaar welkom is. Hier kunt gij, zoo ge wilt, u dagen lang verlustigen, alleen gestoord door het getjilp der vogels of het murmelen der beken. Geen slaaf betreedt ooit ongeroepen dezen tuin. Wilt ge echter het vertrouwelijkste en door de Muzen en Chariten het meest gezegende plekje leeren kennen, zoo komt met mij mede.”Pericles en Aspasia volgden den dichter. Hij voerde hen naar beneden, tot waar, zooals reeds vermeld is, de Cephissus een bocht maakt en den hof ook van den anderen kant omstroomde. De bodem glooide hier naar de beek af, die in eene ietwat diepere bedding vloeide. Evenwel liep deoeverniet steil naar beneden; integendeel tusschen de beek en de oploopende vlakte was eene bekoorlijke ruimte gelaten, die juist breed genoeg was, dat twee menschen, vertrouwelijk naast elkander, onder het groene loof, waar de stralen der zon heerlijk door speelden, konden wandelen.De dichter voerde zijne gasten langs dit bekoorlijke pad. Daar ruischte het geklater en gemurmel van de beek, daar kweelden en sloegen de vogels het liefelijkst,daar speelden als dartele geesten schaduw en licht op de golfjes en tusschen de takken. Hier en daar lag een weelderig grasperk, waar men zich op kon uitstrekken en de verfrisschende koeltjes van de schaduw rustig en droomend genieten. Hier trof men ook eene rotsgrot aan, van buiten schier omringd door bloemen en twijgen, van binnen met zitplaatsen en kussens versierd die tot binnentreden op de heetste uren van den dag noodden.Aspasia was bij het zien van deze bekoorlijke rustplaats verrukt en voldeed gaarne aan het verzoek van haar vriend zich hier neder te zetten. Pericles en de dichter zelf volgden haar voorbeeld. Men zag op de heldere wateren der beek neder, die hier in een natuurlijke kom uitliep. Bonte,[170]schitterende libellen zweefden en dansten in de stralen der zon over de bloemen aan den oever en een paar prachtige onschadelijke wateradders beschreef, zich onbespied wanende, in den kristalhelderen vloed zacht zich wendend, zijne vlugge, bevallige kringen. Weldra echter schoten zij, toen hunne beschouwers door een zacht geritsel zich deden hooren, onder de dichte planten, die weelderig woekerend van den oever in het water afhingen.„Een lief bruidspaartje,” zeide Sophocles; „ik beluister ze hier dikwijls. Zij zijn onafscheidelijk.”„Moeilijk is het,” begon Pericles na eene korte pauze, waarin allen zich aan de zaligheid der natuur hadden overgegeven—„moeilijk is het, uit deze vreedzame wereld zich in den geest wederom te verplaatsen bij die menschen en beslommeringen, die men zooeven ontvloden is. En toch zou het doel aan dezen tocht, Aspasia, slechts half bereikt zijn, wanneer wij niet over die menschen en zaken, die wij hier ontvlucht zijn, spraken. Integendeel, wij moeten in de eerste plaats ons daarmede bezighouden; want niet slechts gij hebt mij aangaande de gebeurtenissen der laatste dagen veel te vertellen, maar ook ik zelf heb u veel raadselachtigs op te helderen. Hier zweven over het water bekoorlijke libellen, en aalgladde, vlugge slangetjes trekken in den vloed hunne bekoorlijke kringen, maar niet daarover hebben we ons te onderhouden, maar van dieren van eene geheel andere soort heb ik u te spreken, van rampzalige vogels, die mij en u gisteren noodlottig zijn geworden: van de vervloekte pauwen van Pyrilampes. Door de ontrouw van Hipponicus werd een dier vogels, die tot een geschenk voor u bestemd was, in mijn huis gebracht en viel in de handen van mijne gebiedster Telesippe.”„En wat was het lot van den vreemdeling?” vroeg Aspasia.„O vraag mij niet naar mijn lot en het zijne op dien dag,” riep Pericles lachende uit. „Stel u den man voor, wien men, zooals de sage meldt,[171]zijne kinderen lekker toebereidt, als een maal voorzette; thans eerst kan ik mij de verwondering en ontzetting van mijn gemoed voorstellen, nu mij het wel is waar niet zoo afschuwelijke, maar toch haast even treffende wedervoer, den prachtigen vogel, die, naar ik geloofde, zijn prachtigen vederdos voor de verrukte Aspasia ontplooide, dien zij als een nieuwen Argus9beschouwde, haar door haar geliefde toegezonden, om als in zijne plaats met honderd liefdesoogen de wacht te houden—dat ik dien vogel dood, geplukt, tot eene vormelooze, gebraden massa op mijn bord heb gezien!”Vroolijk lachte Sophocles bij dit verhaal.„Gij hebt zwaar gezondigd,” zeide hij, „dat gij dezen vogel, aan Hera, de Godin van den echt, gewijd, in den dienst van hare vijandin, de gouden Aphrodite hebt gebruikt.”—„Veel erger dan over u en uw pauw, o Pericles,” zeide Aspasia, „is de toorn der Godin op denzelfden dag over mijn hoofd losgebroken. Weet, dat ik op denzelfden morgen verkleed u in uw huis opzocht, dat ik ook, evenals die pauw, in de handen van Telesippe ben gevallen en dat ik, zoo al niet geslacht, toch nauwelijks eene minder onaangename en wreede behandeling heb ondergaan. Bij de Goden, Telesippe wenschte slechts, dat ik evenals de pauw honderd oogen had gehad, om mij ze allen te kunnen uitkrabben! In gezelschap van uwe razende echtgenoote was eene bedaagde, belachelijke vrouw, Elpinice geheeten. Deze dame ontbrandde in warme liefde voor den jongen citherspeler en verviel in een onbeschrijfelijken toorn, toen zij ontdekte, dat het eene vrouw was. Ik werd door deze beide Harpyen10uitgescholden, met smaadwoorden overstelpt, uit het huis gejaagd. „Ik sta als meesteres aan den haard van dit huis,” riep Telesippe uit. „Gij echter zijt eene vreemdelinge, eene boeleerster,[172]ik beveel u van hier te gaan.” Zij voegde er bij dat zij van uw hart afstand wilde doen, maar dat zij nooit uw haard zou prijsgeven. Volgaarne gunde ik haar uw haard, Pericles; maar denkt gij de vrouw, die aan uw haard gebiedt, het recht toe te kennen, de vrouw, die uw hart bezit, met smaadwoorden en woeste bedreigingen lastig te vallen?”„Wat kan ik daaraan doen?” hernam Pericles. „De rechten der Atheensche vrouwen zijn gering. Diegene echter, welke zij hebben, moeten wij eerbiedigen. Zij reiken niet verder dan den drempel van het huis …”„Het schijnt derhalve,” hernam Aspasia, „dat gij Atheensche mannen geen heeren in huis zijt, maar alleen daarbuiten … Hoe zonderling! Gij maakt de vrouw tot uwe slavin en dan verklaart gij u zelven weder tot slaven van die slavinnen.”„Dat is het huwelijk!” zeide Pericles de schouders ophalend.„Wanneer dit het huwelijk is,” hervatte Aspasia, „dan ware het wellicht beter, dat er volstrekt geen huwelijken in de wereld bestonden.”—„Den zaligen band der harten sluit de liefde,” zeide Pericles; „echtgenoote echter en meesteres des huizes wordt de vrouw door de wet.”—„Door de wet?” vroeg Aspasia; „ik dacht altijd, dat het eigenlijk alleen het moederschap was, waardoor de geliefde vrouw gade werd en dat de echt, om zoo te zeggen, eerst met het kind begon.”—„Niet volgens de Atheensche burgerlijke wet,” wierp Pericles haar tegen.„Verander dan uwe burgerlijke wet,” riep Aspasia uit, „want zij deugt niets.”„Vrome lieveling der Goden, Sophocles,” sprak Pericles zich tot zijn vriend wendende, „help mij toch deze vertoornde schoone tot rede brengen, opdat zij niet met hare kleine blanke hand het geheele staatsgebouw der Atheners omver moge werpen.”„Hoe zou ik kunnen gelooven,” zei de dichter, „dat onze verstandige Aspasia het beste en heerlijkste[173]deel van den mensch, de rede, zou kunnen verliezen?—Zij weet het zoo goed en zou het ons, als wij het ooit vergaten, weder kunnen leeren, dat een leven zonder genot geen leven is, dat men echter, om het genot des levens in de hoogste mate te kunnen genieten, zich boven alles moet wachten, om de sombere Ate, de Godin der verblinding en der hartstochtelijke onberadenheid, tegen zich op te zetten; dat we ons nooit tot iets ten strijde, moetenaangorden, voordat we nauwkeurig onze krachten hebben gewogen, dat vroolijk genot onmogelijk is zonder zelfbeheersching, dat wij de menschen moeten liefhebben, want zij zijn de gezellen van ons genoegen, en de Goden eeren, want het zijn geen ijdele namen, maar zij wijzen ons de perken onzer kracht aan en staan machtig en gebiedend tusschen onzen eigen wil en het noodlot tusschen de vrijheid en de eeuwige noodzakelijkheid, dat wij …”—„Genoeg,” viel hier Aspasia lachende in de rede, „ik vrees anders, dat wij uit den helderen Aether van het reine denken, waarin ons uwe verstandige en schoone woorden hebben verplaatst, den weg niet zullen kunnen terugvinden, naar de onbeduidende, maar tastbare zaken, waarvan we in ons gesprek zijn uitgegaan. Wanneer het mij vrijstaat, het algemeene op het bijzondere toe te passen, dan komt het mij voor, Sophocles, dat gij hebt willen zeggen, dat de uitheemsche vrouwen en de uitheemsche vogels te Athene goed moeten vinden, geplukt en mishandeld te worden en dat ze zich, uit vromen eerbied, niet tegen de wetten van het land mogen verzetten, die haar geen rechten toekennen.”„Onze vriend hier,” voegde Pericles bij hetgeen Aspasia gesproken had, „valt het natuurlijk gemakkelijk, voor het menschelijk doen en laten, vooral met betrekking tot echtgenooten, wijze regels op te stellen en even gemakkelijk die op te volgen. Zijn leven vliedt zonder strijd daarheen, want hij is ongehuwd en geene Telesippe treed zijne[174]Aspasia dreigend met een brandhout te gemoet …”„Zoo gaat het altijd met de bemiddelaars,” hernam Sophocles lachend, „en met allen, die zelfs wanneer het hun verzocht wordt, zich in de aangelegenheden van minnenden te mengen. Ikwordnu bespot en bijna met verwijtingen overladen, omdat ik, de rede predikende zelf zoo onredelijk was, aan verliefden raad te willen geven. Daarvoor wil ik nu mij zelven straffen, daar ik u aanstonds aan uw eigen wijsheid overlaat. Voor een korten tijd neem ik van u afscheid, opdat gij uwe zaken alleen in het reine kunt brengen. Ik ga zorgen, dat gij niet den geheelen dag zonder lafenis van spijs en drank moogt doorbrengen. En wanneer ik soms, terwijl gij uwe zaken bespreekt, wat lang in gindsche laurierboschjes vertoef, weet dat mij daar geene Aspasia wacht, maar dat ik in die schaduwschemering, met mijne wastafeltjes op de knie en de stift in de hand, de klaagtonen van de edele dochter van Oedipus11beluister …”„Gij hebt dus dat dichterlijke plan, waarvan gij op de Acropolis spraakt, niet laten varen?” vroeg Aspasia.„De helft van het werk is reeds gereed,” hernam Sophocles, „en een slaaf zit dag aan dag met een zwart riet om het voltooide en afgewerkte van de wastafeltjes op de papyrus over te brengen.”„Zult gij ons daarvan geene voorproef geven?” vroeg Pericles.„Uw tijd is te kostbaar,” antwoordde de dichter en verwijderde zich.Toen dus Pericles en Aspasia alleen waren kwamen zij op hun onderhoud terug, dat zij in tegenwoordigheid van hun trouwen vriend reeds aangeroerd hadden.Maar het ging zooals bij gesprekken van minnenden gewoonlijk het geval is, zij dwaalden telkens van hun onderwerp af. Zij trachtten niet naar een gestrengen gedachtenloop, daar tal van andere denkbeelden[175]hunne ziel vervulden, die den draad der redeneering afbraken. Zij luisterden bovendien naar het gezang van een vogel in de takken, ademden de geurige lucht der weiden in met volle teugen,pluktenhier en daar een bekoorlijke druif van een zwaar beladen wijnwinde of een rozenroode, sappige vrucht van den boom.Aspasia beet in een appel en gaf hem toen aan Pericles. Deze bedankte haar met een gelukkig lachje, want het was hem niet onbekend, wat een aangebeten appel in de taal der liefde beteekende. Ook bleef de aangeboden gelegenheid liefdesorakelen te raadplegen niet ongebruikt. Aspasia vlocht onder het gesprek een krans, reikte hem toen aan Pericles over en lachte, toen daar bladeren afvielen; want dit was voor de ingewijden een teeken van den heftigen liefdegloed van hem, die den krans droeg. Pericles daarentegen plukte die bloemen wier kelken de eigenschap hadden met een kleine knal te barsten, zoo men ze tusschen de vingers plat drukte en hij achtte het zijner niet onwaardig uit de kracht van dien knal de innigheid van de liefde der beminde af te leiden.Maar hoezeer ook de liefdegloed van Pericles den krans, dien hij in de hand droeg, deed verwelken en ontbladerde en de vurige genegenheid in het hart van Aspasia het knallende bloemenorakel eer mocht aandoen, beidentrachttentoch telkens op een ernstig gesprek terug te komen. Vele vragen werden ter sprake gebracht, maar natuurlijk weinige ten volle beantwoord. Men overwoog, hoe Aspasia met behulp van Pericles haar nieuw huishouden het best zou inrichten, vervolgens hoe zij hun omgang het ongestoordst zouden voortzetten en, daar verliefden over niets liever keuvelen, dan over de geschiedenis hunner eerste ontmoeting, kwamen ook Pericles en Aspasia op de hunne in het huis van Phidias terug en Pericles verhaalde wat de gevolgen van die eerste kennismaking waren geweest, hoe sedert dien dag zoo menig grootsch plan was ontworpen, hoe hij sinds zich tegen[176]de verwijten zijner vrienden had moeten verdedigen, hoe ten laatste allen zich voldaan hadden verwijderd, behalven de zoon van Sophroniscus, de waarheidszoeker, die nog steeds de vraag beantwoord wilde zien of de beoefening van het schoone die van het zedelijke overbodig maakte. Die vraag had men toen laten rusten en was sedert in vergetelheid geraakt, nu Aspasia echter aan haar lievelingsdenkbeeld herinnerd werd, beweerde zij weder zeer beslist, dat de aankweeking van het schoone in de wereld evenveel recht van bestaan had, als de beoefening van het zedelijke en dat een pauw evenveel waard was, als een eend hoewel deze beter geschikt was om gemest te worden. Toen Pericles niet aanstonds wistofhij haar dit mocht toegeven, werd het minnende paar juist ter goeder ure door de komst van Sophocles in zijn gesprek gestoord.Hij kwam hen tot een eenvoudig ontbijt uitnoodigen. Hij geleidde hen naar het tuinhuisje, dat midden in den hof gelegen was. Zij vonden dat van binnen netjes versierd, bijkans weelderig ingericht voor weldadige ontspanning, en in eene sierlijke spijszaal herschapen. Aanligbedden voor twee personen stonden gereed, waarop men, het bovenlijf op de linkerhand gesteund, gewoon was het maal te gebruiken. Voor die aanligbedden stonden de tafels, met spijzen beladen en wel voor ieder aanligbed een afzonderlijke.Pericles en Aspasia namen op uitnoodiging van Sophocles plaats en strekten de handen uit naar de aangeboden ververschingen. Op tafel was aanwezig: gevogelte, koeken, Siciliaansche kaas, vijgen, amandelen, noten, druiven en bovendien kostelijke, vurige wijn van de eilanden12.„Ik hoop, vrome Sophocles,” sprak Aspasia schertsend, „dat gij ons geen gebraden nachtegalen voorzet, hoewel men in eene stad, waar men zich[177]niet ontziet pauwen op te zetten, evengoed nachtegalen zou kunnen braden.”„Smaal toch niet om ééne goddelooze op het geheele Atheensche volk,” smeekte Sophocles.„Eene vrouw,” riep Aspasia uit, op nieuw ziedend van toorn, „die in staat was een pauw te slachten, hem zijn schoonen vederdos uit te plukken en hem in eene pan te doen, verdiende met roeden uit Hellas gegeeseld te worden. Zoo ooit over iemand, moet over haar de toorn der Grieksche Goden losbarsten, want zij heeft zich vergrepen aan het heiligste wat er bestaat, aan het schoone!”„Als wij onze schoone en verstandige Aspasia mogen gelooven,” zeide Pericles tot Sophocles, „dan is schoonheid de hoogste wet des levens en daar zij ziel en lichaam doordringt, van alle deugden de eerste en de laatste.”„Die gedachte lacht mij zeer toe,” hervatte de dichter, „ofschoon ik niet weet, hoe Anaxagoras en die bekende steenhouwer van Phidias en de overige wijzen er over zouden oordeelen. Maar ook van hen zal niemand de geweldige macht der schoonheid en van datgene, dat zij in het hart der menschen verwekt, van de liefde durven bestrijden. Ik heb juist van morgen, geheel naar uw verlangen, Aspasia, om de onoverwinnelijke macht der liefde te toonen, in mijn drama een tooneel ingelascht, waarin ik de Haemon, de zoon van koning Creon13vrijwillig in den Hades14doe nederdalen, om zijne geliefde bruid Antigone daarheen te volgen …”„Dat is overdreven, Sophocles,” sprak Aspasia tot den dichter, die eenigermate verwonderd was, daar hij toch meende in haar geest te hebben gehandeld. „Van zulk eene treurige zijde moet de stift der dichters de liefde niet teekenen. De liefde is opgewekt en vroolijk en moet liever zich zelve prijs geven dan hare vroolijkheid. Zij moet eene menschelijke[178]ziel niet naar den Hades voeren. Zij moet de menschen alleen met het leven niet met den dood verzoenen. Sombere, dweepzieke hartstocht moet onder de Grieken niet met den naam van liefde bestempeld worden. Dat is ziekelijkheid, dat is slavernij …”„Gij hebt gelijk, Aspasia,” antwoordde Sophocles. „De leer, die gij daar verkondigt, is opwekkend en duidelijk; gij en Pericles en ik zullen voorzeker alleen de schoone, vrije, opgewekte liefde huldigen en wij willen, als het uwe goedkeuring wegdraagt, nog heden den Goden een offer brengen, opdat zij nooit in onzen boezem het vriendelijk liefdevuur tot een doodelijken en verderfelijken gloed mogen aanblazen. Maar in de dicht- en beeldende kunst drijft de geest de dichters en beeldhouwers, om datgene wat zij uit willen drukken op eene scherpe en overdreven wijze te doen. Ik wilde aantoonen, dat Eros een machtige God is; maar ik wensch van harte, dat hij zijne geheele macht nooit weder op eene dergelijke wijze de Grieken zal doen ondervinden. Mocht hij slechts boven alles de harten der schoonen zacht en goedgunstig stemmen, want wat anders dan de schoonheid is de schuld van al den jammer en ellende der liefde op de wereld? Inderdaad, de schoonheid is eene noodlottige, dikwerf beslissende macht in het leven der stervelingen. Zij zit, wanneer ik het zoo mag uitdrukken, mede besturend in den raad der hoogste machten.”„Schoonheid zit medebesturend in den raad der hoogste machten!” herhaalde Aspasia. „Deze uitspraak verdiende, mijns inziens, aan de spreuken van Hellas’ wijzen toegevoegd te worden.”„Wanneer die uitspraak u zoo bevalt,” hernam de dichter, „dan zal ik die luide voor geheel Hellas herhalen en haar in een reizang op Eros in mijn treurspel invlechten. Wanneer zou ik dien reizang op Eros onder gunstiger voorteekenen kunnen voltooien, dan zoolang uw voet nog in dezen lusthof wandelt? Gij moogt van hiernietgaan,[179]vóór ik den hymne opgeschreven en aan uw oordeel onderworpen heb.”„Geen schooner gastgeschenk kunt gij ons geven,” hernam Pericles.„Vergeeft mij thans,” ving Sophocles weder aan, „dat ik u niets aanbied, waarmede men anders een onthaal pleegt te kruiden. Ik vertoon u noch eene danseres noch eene fluitspeelster; want heden, dunkt mij, hebben mijne gasten aan zich zelven genoeg; en bovendien, wie zou zich op de cither durven meten met den schoonen „citherspeler uit Milete” en met zulk een kunstenaar een wedstrijd durven aangaan?”„In de eerste plaats—gij zelf,” riep Pericles; „gij zijt ons zelfs de wedstrijd schuldig, want gij hebt ons toch op de Acropolis iets dergelijks beloofd. Haal slechts uw snareninstrument, Sophocles, en breng er ook een voor Aspasia mede; en begint dan op de wijze van Siciliaansche herders in zang en spel te wedijveren, terwijl ik als onpartijdig scheidsrechter uitspraak zal doen—want dat gij mij tot kamprechter aanstelt, spreekt wel van zelf, daar gij buiten mij geen toehoorders meer hebt.”—„Het genoegen Aspasia’s gezang en snarenspel te hooren,” hernam Sophocles, „zal voor eene nederlaag niet te duur gekocht zijn.”Hij verwijderde zich en keerde weldra met twee schoon versierde cithers terug en verzocht Aspasia daar eene van te kiezen.Met kennersoog tokkelde de schoone de snaren en liefelijke tonen ontlokte zij aanstonds aan het bezielde instrument als vonken aan den vuursteen.En thans begonnen de dichter en de schoone Milesische, ontgloeid door den zoeten, vurigen wijn, bij den klank der snaren liederen van Anacreon en Sappho te zingen en gevleugelde disticha15en daaronder ook iets nieuws van eigen vinding.[180]Een der kleine liederen van Sophocles luidde als volgt:„Wat heet leven en lust, zonder Cypria’s lachenden aanblik?Dan toch wilde ik sterven, zoodra ’t zoete liefdegenotNimmer mij het hart meer verheugt met gloed en teedere omarming:Bloesems der jeugd, o, hoe snel maait u de zeis van den tijd!”Bezield antwoordde Aspasia:„Kort ja, is hij, de tijd, voor de sterv’lingen, maar toch noodigt onsBacchus, bekoort ons de dans en de bloeiende krans van de liefde!Dit, slechts dit, heet leven; slechts lust is leven.—Vliedt danGij zorgen! Geniet van het heden, want een sluier onthult ons het morgen!”Met een stralenden blik op Aspasia zong nu de dichter:„Zoet is, zoet ja, bij Pan, den Arcadische, wat gij bij uw luiteZingt, o Aspasia! zoet klinkt uw liefelijk gezang!Kon ik ontvlieden? Omlegert mij niet de macht der ErotenIn der Sirenen gestalt’, die mijne ziel houdt geboeid?”Met een betooverenden glimlach op de rozenroode lippen zong nu Aspasia:„Schertsend vermeide zich laatst met Neäera haar vriend. Om de heupenWond haar Cypris een band, bont en met bloemen doorweefd.Goud was het opschrift, dat luidde: bemin mij voor eeuwig,Maar geef niet toe aan uw smart, als mij een ander bezit!”[181]„Hoe lang draalt gij nog, Pericles, den krans der overwinning aan Aspasia toe te kennen,” zeide de dichter.„Geef hem den dichter, Pericles,” hernam Aspasia; „maar stelt hem vooraf nog ééne voorwaarde; hij moet ons nog een distichon op de schoone Philaenion zingen.”„Hoort gij, wat Aspasia verlangt?” zeide Pericles tot den dichter; „gij moet Philaenion bezingen, de schoone Ephesische, die thans, naar men verhaalt, de deelgenoote is uwer zaligste uren en welke wij, vreemde gasten, misschien van daag, tot uwe heimelijke smart uit dit bekoorlijk oord hebben verjaagd.”„De voorwaarde is niet zonder heimelijke boosheid en wreedheid,” hernam Sophocles glimlachend, „maar ik wil ze niet onvervuld laten.”En hij zong:„Klein ja is en donker Philaenion, echter niet slankerIs de klimop en niet molliger ’t bloempje des velds.Meer dan Cypria’s gordel bekoort haar lieflijk gesnap mij;Al wat zij schenkt, dat schenkt zij met vriendelijken glimlach.Waarlijk, Philaenion min ik, de heerlijke, tot de godlijke CyprisMij een andere schenkt, die nog bekoorlijker is!”„Gij zijt tevreden, Aspasia?” vroeg Pericles, en toen deze toestemmend knikte, wendde hij zich tot Sophocles en reikte hem den kampprijs met de woorden:„Ontvang den krans, vriendelijke zanger”.„Dat zou ik niet zijn,” hernam Sophocles, „zoo ik niet sloot met een loflied op de schoonste:[182]„Cypria’s schoonheid hebt ge, de lippen van Pitho, der HorenLentebloesem daarbij en Calliope’s stem,Themis’ wrekende maat, Pallas’ wijsheid en Charis’Vriendelijken lach met den ernst der strenge Muze vereend.”16„Dat noem ik ons verlegen maken,” zeide Aspasia, „en ons een plicht der dankbaarheid opleggen, die wij nooit vergelden kunnen.”Zoo eindigde de wedstrijd. De dichter en Milesische spraken toen nog veel over de toonkunst en Aspasia legde daarbij eene zoo groote kennis aan den dag van Dorische, Phrygische, Lydische, Hypodorische17en Hypophrygische melodieën, van fijne schakeeringen daartusschen en van de voortreffelijkheid van de eene boven de andere, dat Pericles in verbazing ten laatste uitriep:„Zeg mij toch, Aspasia, hoe heet de man, die zich beroemen mag u in uwe prille jeugd in die moeilijke kunst te hebben onderwezen en ingewijd?”„Dat zult ge vernemen,” hernam Aspasia, „wanneer ik u eens de geschiedenis mijner eerste jeugd vertel.”„Waarom hebt ge dat nog nooit gedaan?” vroeg Pericles. „Hoe lang zult gij het nog uitstellen? Doe het nog heden. De gelegenheid is gunstig en Sophocles is zulk een vertrouwd vriend en zoo gesloten, dat gij u niet behoeft te ontzien, hem mededeelgenoot van uw verhaal te maken.”„Neen,” zeide Sophocles, „hoe bekoorlijk ik mij ook de geschiedenis van Aspasia’s jeugd voorstel, moet ik toch vreezen, dat wanneer gij het genoegen ze te hooren met een ander moest deelen,[183]ze niet half zoo lang zal uitvallen, als wanneer gij alleen ze verneemt. Bovendien herinner ik mij de belofte, dat ik u niet eerder zou laten heengaan, vóór ik Aspasia door een reizang op Eros ten volle weder zal verzoend hebben en zoo moet ik wel andermaal de eenzaamheid opzoeken en aan de uwe, die gij wel niet minder wenscht, overlaten. Terwijl ik op denzelfden dag, waarop ik voor mijn treurspel een loflied op Eros dicht, een minnend paar als gij, in mijne afzondering heb ontvangen, geloof ik mij zoo verdienstelijk jegens den God te hebben gemaakt, dat het mij niet verwonderen zou, wanneer mij het schoonste lied, als dank daarvoor, van hem ten deel viel.”Met deze woorden verwijderde zich de dichter.Schertsend riep Aspasia hem achterna, dat hij niet moest terugkeeren zonder de bekoorlijke, schoon gelokte Philaenion.Pericles en Aspasia waren nu weder in de stille, kalme geurige lanen alleen aan zich zelven overgelaten.Nog opgewekt door het levendige gesprek onder het genot van den wijn en het snarenspel en toch in eene soort van zachte ontspanning, brachten zij, nu eens wandelend, dan weer rustend, den eersten tijd in dien zoeten, droomerigen toestand door, welke vooral in een bosch of in geurige, schaduwrijke tuinen in de uren van den middag zich van den geest meester maakt, wanneer Pan slaapt en zijne geesten, onbedwongen, in de eenzame dreven hun dartel spel drijven.—De vette olijf glinsterde in de middagzon. Geen leeuwerik, met weligen kuif, huppelde meer rond, de hagedissen lagen sluimerend in de weiden. Slechts de boomkrekel liet hier en daar zijn zacht en melodisch gepiep op de takken hooren.In zulke oogenblikken, bij eene bekoorlijke natuur is men zoo verhit, zoo opgewekt van den zonneschijn en de heerlijke geuren, geniet men zoo, dat, wanneer men zich ter ruste vleit op lommerrijke weiden onder ritselende boomen, de levensgeesten[184]niet weten of het eene zoete afmatting is, wat hen doortrilt, dan wel eene overbodige inspanning hunner veerkracht.De beiden gelieven vertoefden ten laatste bij dat oord, waar de klimop zich slingerde, waar de golven van den Cephissus onder de zonnige twijgen klaterden en waar in de zwoele middagstilte het onschadelijk paar wateradders in de kristallen gloed zijne kringen placht te beschrijven, terwijl gonzende libellen over de watervlakte zweefden.Uit dien half droomerigen toestand eener verrukkelijke siesta ontwakend, herhaalde Pericles zijn verzoek aan Aspasia, om hun vertrouwelijk te zamen zijn op dezen dag door het lang beloofde verhaal der lotgevallen van hare jeugd de kroon op te zetten.Doch het is een zonderling iets, wanneer de lippen der vertelster fijn en zacht en heerlijk zijn als Attische honig. Pericles bekende, dat hij niet wist of hij begeeriger was naar de kussen zijner vriendin dan naar haar verhaal.Eindelijk kwam zij aan het woord:„Gij weet,” zeide zij glimlachend, „ik ben niet oud genoeg om u op een lang, avontuurlijk en bont verhaal te kunnen vergasten. Maar gij hebt het recht, naar mijne afkomst te mogen vragen en te vernemen, van welken aard mijn lot geweest is, vóór het met het uwe was verbonden. Philammon heette de man, naar wien gij zooeven hebt gevraagd, aan wien ik mijne kennis in de toonkunst en andere kunsten en in één woord alles te danken heb, wat een mensch den anderen te danken kan hebben, en ’t geen eigenlijk, naar ik meen niet zoo heel veel is; want het meest beslist toch bij den mensch, vooral bij de vrouw, de grond, waarop hij is geboren, de lucht, die hij inademt en de gedaante der dingen, die hij van zijne jeugd af om zich heeft gezien, boven alles echter de ingeboren aanleg en het lot en het gesternte, waaronder hij het levenslicht heeft aanschouwd.„Die goede Philammon! Ik geloof niet, dat ik[185]ooit weder met een man in zoo’n gelukkigen vrede zal leven als met hem; want hij koesterde geene verwachtingen meer van mijne kunne en ik nog geene van de zijne. Hij telde tachtig jaar en ik tien. ’t Is waar, hij scheen wel een vierde jonger dan hij werkelijk was en ik een vierde ouder dan mijne jaren.„Na den dood van mijn vader Axiochus en van mijne moeder te Milete werd ik door hem als een vriend des huizes in zijn familiekring opgenomen. Hij was de geleerdste, verstandigste, spraakzaamste en tevens vroolijkste grijsaard in het levenslustige Milete, de beminnelijkste grijsaard misschien, die de aarde sinds Anacreon had gedragen. Ik weet niet, of er ergens een schooner liefdeband bestaat, dan dit van een jeugdig grijsaard en een vroegrijp meisje. De scherpste tegenstellingen des levens zoeken en vinden elkaar in die vereeniging.„Ik was schier hartstochtelijk verliefd op Philammon’s sneeuwwitten, lang afgolvenden baard, op zijne heldere oogen, waaruit mij al het licht der wetenschap scheen tegen te schitteren, op zijne lyren en cithers, op zijne boekrollen, op de bronzen en marmeren beelden van zijn huis en op het heerlijke bloemtapeet van zijn tuin. Wat hem betreft, hij scheen niet minder behagen in mij te scheppen; van het oogenblik af, waarop ik zijn huis betrad, speelde een glimlach om zijne lippen, zooals ik er nooit meer een heb gezien bij een gelukkig sterveling en dien ten laatste zelfs de dood niet geheel kon doen verdwijnen. Vijf jaren lang leefde ik in den geur der rozen, waarmede deze goddelijke grijsaard zijne bekers bekranste, dronk de wijsheid in uit zijne heldere oogen en zijne lippen, die overvloeiden van welsprekendheid, speelde op zijn lyren en cithers, ontrolde met gloeiende wangen zijne boekrollen, beschouwde zijne bronzen en marmeren beelden en verzorgde de bloemen van zijn tuin. De wereld derpoëzie, der tonen en der lente, was voor hem zelven op nieuw ontwaakt en bezield, toen hij ze nog eens met[186]het kind genoot. Hij zeide, dat hij tachtig jaar oud geworden was en nu eerst vele zijner boekrollen verstond, nu ik, het kind, ze hem had voorgelezen.„Toen hij gestorven was, noemden de Milesiërs mij het schoonste meisje van het Ionische strand en ik zag voor de eerste maal in den spiegel. Het leven der rijke stad, waar vroegtijdig de Grieksche geest in de Aziatische zon tot weelderige volheid zich ontwikkelde, begon mij met verleidelijke bekoorlijkheid aan te grijpen.„En toch was ik niet gelukkig.„Bij Philammon’s boekrollen en marmeren beelden was ik vroolijk geweest; in den bedwelmenden roes der vreugde, door hulde en wierook omgeven, werd ik ernstig, nadenkend, luimig, aanmatigend.„Ik miste iets.„De mannen van Milete schenen mij dwaas toe. Zij dongen om mijne gunst, ik verachtte hen.„Ik stond na den dood van Philammon als eene wees, jong, arm, onervaren in de wijde wereld.„Toen zag mij een Perzisch satraap18en aanstonds vatte hij het plan op het zoo geroemde Ionische meisje naar Persepolis19te voeren, naar den grooten koning20. Mijne dwaze meisjesziel werd ontvlamd. Ik dacht aan Rhodopis21, die den koning van Aegypte, aan mijne landgenoote Thargelia, die den koning der Thessaliërs tot echtgenooten hadden gekregen. De koning der Perzen echter, de machtigste der aarde, zweefde voor mijn geest als het ideaal van alle mannelijke schoonheid, al het verhevene, beminnelijke en geestkrachtige. Als kind bij Philammon was ik verstandig geweest voor mijne jaren thans als rijpende jonkvrouw werd ik gekkelijk. Te Persepolis aangekomen, werd ik[187]rijkelijk opgesierd en toen naar den koningsburg gevoerd, die in verblindende pracht prijkte. Te midden van deze heerlijkheid zat de koning der Perzen, niet minder schitterend uitgedost, maar met het uiterlijk van een gewoon mensch. Hij lonkte mij met zijn doffe, despotische oogen toe. Eindelijk begon hij slaperig de hand naar mij uit te strekken, als naar eene koopwaar, die hij betasten wilde. Dat prikkelde mij; tranen van spijt ontsprongen aan mijne oogen. Dat beviel den Pers echter en een lach plooide zijne matte trekken. Hij spaarde mij zelfs sedert dat oogenblik en zeide dat de fierheid der Grieksche vrouwen hem beter beviel, dan de slaafsche karakterloosheid der andere vrouwen. Na weinige weken was het hart van den despoot voor mij in liefde ontbrand. Mij echter overviel een angst; ik verzonk in zwaarmoedigheid. Vreemd, eentonig, koud scheen het leven om mij heen. De menschen waren niet vatbaar voor eenigen hartstocht. In zich zelven gekeerd leven zij voort in pronkvertrekken van bedwelmende aromen doortrokken. Zonderling en beangstigend scheen mij die pracht van het Oosten toe en snel was de betoovering geweken, waarmede zij in den beginne mijne verbeeldingskracht had verstrikt. Een koude huivering overviel mij, als ik de tempels en afgodsbeelden in den vreemde beschouwde; een heimwee greep mij aan naar de Goden van Hellas.„Ik ontvluchtte na korten tijd. Vrij ademde ik weder, toen ik het Ionische strand weder betrad, toen ik de Grieksche zee, voorbode van eene nieuwe en betere toekomst, tegen de kust zag aanklotsen. Onder begeleiding van eene enkele trouwe slavin zocht ik in de haven van Milete een schip, dat mij naar Griekenland zou voeren. Ik vond een koopvaarder uit Megara, die bereid was mij naar die stad te brengen. Van daar kon ik spoedig het naburige, fiere, bloeiende Athene bereiken, waarnaar mijne ziel zoo vurig had verlangd. Te Megara met mijne slavin aangekomen, stond ik voorloopig alleen en hulpeloos. De bedaagde[188]scheepskapitein, die mij van Milete had medegenomen, noodig mij in zijne woning en beloofde mij eerstdaags naar Athene te doen voeren. Ik nam zijne uitnoodiging aan. Hij echter vertraagde van dag tot dag de voorbereidselen tot mijn vertrek, totdat ik ten laatste bemerkte, dat hij voornemens was mij in zijn huis te houden. Weldra zag ik ook zijn opgeschoten zoon in hartstocht voor mij ontbrand en in huis, als eene gevangene bewaakt, werd ik door beider liefdesbetuigingen vervolgd. Voor hen, meenden die dwazen, zou ik ongerept den Perzischen koning zijn ontvloden en voor hen mij hebben gespaard. Toen ik nu koel bleef en alles deed, om de boeien, die men mij wreed had aangeslagen, te verbreken, barstte beider gramschap in hevige woede over mij los. De vrouw van den scheepskapitein had echter van den beginne afaan de jeugdige vreemdelinge met argwanenden blik beschouwd en toen zij nu, terwijl deze beide mannen op mij vertoornd waren en om mijnentwil geweldig met elkaar twisten, door eene razende ijverzucht werd aangegrepen, zag ik mij als door Furiën omringd en geweldig bedreigd door de hartstochten dezer razende menschen. De vrouw kwam op de gedachte de Megarensers tegen mij als eene vreemde toovenares en verstoorster van den huiselijken vrede op te hitsen en daar de beide mannen door mijne koelheid en de onmogelijkheid mij langer in huis te houden vreeselijk verbitterd waren, ondersteunden zij uit wraakzucht de pogingen der vrouw. Hun streven was niet zonder gevolg. Ik was toch in Megara, onder menschen van den Dorischen stam, onder menschen, die, losgerukt van hunne stamgenooten in de Peloponnesus, zoo dicht bij het machtige, dreigende Athene, daarom te sterker zich hunne Dorische afkomst bewust waren, en des te slaafscher de Spartaansche zeden meenden te moeten handhaven. Streng en mannelijk in hun doen willen zij schijnen, maar zij zijn dubbel teugelloos, wanneer de hartstocht zich van hen meester maakt;[189]want hun gemoed is ruw, hun geest gemeen. Hun heftig gevoel is vreemd aan elke zachte aandoening, die over de gemoederen van andere menschen door den adem der bekoorlijkheid en vriendelijkheid is uitgespreid.„Op mijn dringend verlangen deed men het eindelijk voorkomen, dat men mij rustig zou laten vertrekken. Een muildier stond gereed voor mijn goed, een draagstoel voor mij en mijne slavin. Toen ik echter uit het huis van den Megarenser trad, vond ik het tegen mij opgehitste volk op straat verzameld en werd ik met spottende en hoonende woorden begroet.„Voor het volk van Megara was het voldoende te hooren, dat ik eene Milesische was, om mij te haten en in blinde woede te vervolgen. Ik weet niet, wat mij met zulk een moed, met zulk een fierheid bezielde, toen ik dit Dorische gepeupel, grijnzend, schreeuwend, dreigend rondom mij gedrongen zag. Met opgerichten hoofde ging ik door de menigte, achter mij mijne sidderende slavin. De voorsten, die een weinig voor mij teruggeweken waren, werden door hen, die achter hen stonden, opnieuw tegen mij aangedrongen; ik zag mij in een maalstroom van verwarring vastgeklemd, gestomt en toen ik ziedend van toorn een woord tot de menigte sprak, grepen eenigen onder smadelijke bedreiging mij bij de armen en het gewaad.„Op dat oogenblik kwam een reiswagen met paarden bespannen den weg langs. In den wagen zat, naar het scheen, een aanzienlijk en rijk man, door slaven gevolgd.„Toen deze man mij zag, te midden van dat dreigend gevaar, daar de vermetelsten reeds de hand aan mij sloegen, liet hij den wagen stilhouden en gaf den zijnen last, mij en mijne slavin in den ruimen reiswagen te helpen en, toen dit geschied was, bracht het vurige span mij in weinige oogenblikken voor altijd uit het vervloekte Megara en onttrok mij aan de smadelijke bejegening, die mij dreigde.”[190]„Nu begrijp ik, Aspasia,” viel Pericles in, „waarom gij geheel in strijd met uw kalm karakter, zoo vijandig en hartstochtelijk opvliegt wanneer er sprake is van de Doriërs en het Dorische karakter.”„Ik ontken het niet,” hernam Aspasia, „ik heb sedert dien dag te Megara aan alle Doriërs onverzoenlijken haat en wraak gezworen.”„En de man, die u redde,” zeide Pericles, „was zeker niemand anders dan Hipponicus?”„Dezelfde,” antwoordde Aspasia.„Gij hebt,” vervolgde Pericles, „een weelderigsten bloei van Ionische karakter te Milete en de plompe overdrijving van het Dorische te Megara leeren kennen. Thans op den bodem van Athene gekomen, zult gij, hoop ik, u in dat schoone en gelukkige midden gevoelen, dat het gevolg is van de verzoening en de harmonie der uitersten.”„Het was mij aanstonds een goed teeken,” antwoordde Aspasia, „dat het toeval mij, zoodra ik den Atheenschen bodem had betreden, naar die plaats voerde, waar de levendigste vonken van den nieuwen Atheenschen geest rondspatten—naar de werkplaats van Phidias.”—„En daar,” viel Pericles in, „vondt gij de mannen, die gij aan het hof van den Perzischen koning miste, de gevoelige ontvankelijke mannen, waarop gij invloed kondt oefenen—daar vondt gij den krachtigen, vurigen Alcamenes …”„En den peinzenden, niet vurigen, niet innemenden zoon van Sophroniscus,” hernam Aspasia; „en ik trachtte aan beiden datgene te geven, ’t welk zij mij naar hun eigenaardig karakter schenen noodig te hebben. Den beeldhouwer toonde ik, dat hij niet alleen van den meester Phidias kan leeren en het gelukte mij de valsche bescheidenheid van den waarheidszoeker, die de geheele wereld met zijne vorschende vragen vervolgt, voor een deel althans in een ware te veranderen. Maar nogontbrakmij de man, wien ik niet alleen dit of dat, wien ik alles, wien ik mijn geheele persoonlijkheid niet zou[191]aarzelen toe te vertrouwen. Eindelijk vond ik hem. Sedert dien tijd ben ik der smidse, waar de echte vonken van den nieuwen Helleenschen geest opspatten, nog nader gekomen, dan in de werkplaats van Phidias.”„En waar was dat?” vroeg Pericles.„Aan het hart van den gemaal der pauwenslachtende Telesippe!” hernam Aspasia glimlachend en vlijde haar schoon gelokt hoofd met smeltenden blik aan de borst van den geliefden man.Hij boog zich over haar en drukte haar een kus op de lippen. Daarna sprak hij:„Menige van die levensvonken van den Helleenschen geest zou wellicht nog sluimeren in deze borst, Aspasia, wanneer gij uw schoon hoofd daar nooit tegen had gedrukt!”—Zoo verliep de dag voor het gelukkige paar in den tuin van Sophocles.De avond begon te vallen, de boschjes geurden sterker, de nachtegalen hieven hun lied aan in de twijgen en als wilden zij met hen wedijveren, lieten de krekels in het gras hunne schelle tonen hooren. Glimwormen glinsterden uit het donker der boschjes en Hesperus22spreidde zijn glans uit aan den hemel.Thans verscheen de dichter weder, om zijne gasten tot den maaltijd uit te noodigen. Hij voerde hen wederom naar dat gezellige, liefelijk versierde tuinhuis.„Gij hebt mij,” zeide Sophocles, zich tot Aspasia wendende, „toen ik van u heen ging, een bevel nagezonden. En wie zou het durven wagen u niet te gehoorzamen in alles wat gij zoudt kunnen wenschen?”Daarbij wees hij naar den achtergrond van het vertrek, waaruit Philaenion lachend te voorschijn trad.Pericles en Aspasia waren aangenaam verrast. Philaenion was klein, maar van een betooverende,[192]evenredige gestalte; daarbij was zij krachtig van leden en toch vol bekoorlijkheid in hare bewegingen. Zij had de zwartste oogen en boven het ietwat lage voorhoofd viel het donkerste haar in krullende lokken.Aspasia dankte den dichter in vriendelijke woorden voor zijne bereidwilligheid en kuste Philaenion op het voorhoofd. Vroolijk schaarde men zich om den disch. Vele heerlijke gaven werden er aangeboden en wederom stroomde de vurige Chiërwijn23onder opgeruimden, geestigen kout en gelach.Toen las Sophocles zijn gasten den beloofden lofzang op Eros voor, den onsterfelijken reizang op den „Alverwinnaar in den strijd.”In verrukking hieven Aspasia en de dichter aanstonds bij het getokkel der snaren het schoone lied aan. De melodie stroomde als van zelf van hunne lippen. Zij vonden ze gelijkelijk uit.—Philaenion in dezelfde geestverrukking viel in, en zoowel door het lied als door den gloeienden wijn bezield, begeleidde zij weldra den zang met de bekoorlijkste, innemendste dansen.Wie zou het geluk dezer gelukkige menschen vermogen te schilderen?Zij waren gelukzalig, als de Olympische Goden.Toen Pericles met Aspasia laat in den avond den lusthof doorwandelde, om naar huis terug te keeren, geurden de rozen bedwelmend; de scharlakenroode, geheimzinnig vlammende anjelierbloesem schitterde in de duisternis.En nooit kweelden de nachtegalen in het Cephissus-dal bekoorlijker dan in dien nacht.„Weet gij, wat zij zingen,” zeide Pericles tot Aspasia, die met een blijden glimlach aan zijne zijde wandelde. „Zij zingen allen den reizang van Sophocles op Eros; zij zingen allen:[193]„God der liefde, nooit bedwongen,Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed,Waar uw pijl is ingedrongen,Voor uw almagt buigen doet;Die uw zetel hebt gekozenOp het liefelijk gelaatVan de teedre maagd, wier bloozenWat haar harte wenscht verraadt!”24Zij zingen allen:„Alle wezens kunt gij dwingen,Land en zee is uw gebied;’t Broos geslacht der stervelingen,De eeuwige Goôn zelfs vreest gij niet.Ach, met onbegrensd vermogenHeerscht de teedre, zwakke maagd,Als de gloed der schitterende oogenZoete drift in ’t harte jaagt,Onverwinbaar neemt de minSpelend aller zielen in.”— —
Wanneer men in zuidelijke richting de oude stad Athene verliet en een weinig links zich wendende den buiten-Ceramicus doorliep en onder de tuinen en de lanen met platanen beplant van de Academie1zijn weg vervolgde, dan nog een eind weegs zuidelijk langs een zonnig pad aflegde, bereikte men het bekoorlijke, liefelijk omschaduwde Cephissus-dal.
Zoodra men dit dal binnentrad, vertoonde zich aan den linker kant een ruischend, weelderig groen olijvenbosch. Het strekte zich als een groene wal langs den weg uit. Forsch wond daartusschen de kuischboom zijne takken, welks blauwe bloesem aangenaam tegen het zachte groen der smalle bladeren afstak. Klimopranken hingen van de takken neer; ook taxusboomen groeiden langs de helling en bedekten haar zoo, dat men niets dan een groen tapijt zag.
Aan den anderen kant van den weg, ter rechterzijde klaterden de kristalheldere beekjes van den Cephissus, uit het dal over schitterend witte kiezelsteentjes den wandelaar te gemoet vlietend, hier en daar in de rozen-enlaurierboschjeszich verschuilend.
Aan gene zijde van den Cephissus zag men op geen grooten afstand den niet minder liefelijk omgroeiden, door sagen en zangen beroemden heuvel Colonos.
Ging men, als men het dal betreden had, een kort eind tusschen het olijvenbosch en het stroomend water, dan zag men aan genen oever van den Cephissus op grasrijken, zacht glooienden bodem[162]eene bekoorlijke landhoeve in de stralen der zon schitteren, door enkele overoude, hoog gekruinde cypressen, platanen en pijnboomen omgeven en een tuin, die bijna tot aan den Cephissus reikte. Maar niet alleen aan deze zijde strekte zich die tuin tot aan den oever van den Cephissus uit, deze toch zijn loop uit het diepst van het dal naar den ingang vervolgende, maakte eene kromming ter rechter zijde en besproeide dan ook de velden, waarin de vrucht- en bloemtuinen, rondom het landgoed, aan dien kant uitliepen. Daar verhief zich de bodem aan den tuin iets meer glooiend, en de beek vlood zacht kabbelend tusschen heestergewassen door, waarin de stralen der zon flikkerden en de nachtegalen kweelden.
In het midden van de groote ruimte tusschen dezen glooienden Cephissus-oever en het woonhuis stond een tuinhuisje, door rozen omgeven. Aan de uiteinden van den tuin verschaften laurier, myrthen- en rozenboschjes, met hun dicht gebladerte, eene schaduwrijke plaats. Ook de donkerroode bloesem van den granaatboom ontbrak niet. Dubbele rijen van olijven-, vijgen- en andere vruchtboomen, van het eene priëel naar het andere voerende, omzoomden dezen tuin.
Waar de grond naar den Colonos-heuvel zacht glooide, daar hingen de donkere druiventrossen, in de warme stralen der zon. De landelijke woning zelve was door wijnranken omslingerd, ja zelfs om de boomen wonden zij zich in weelderige volheid en kracht. Met hen wedijverde woekerend het klimop, welks groote, zwarte trossen van muren en boomstammen neerhingen en welks weelderig gebladerte zich voortslingerend, zelfs het bedauwde weiland omzoomde.
Tusschen de bloeiende perken waren kleine bloembedden aangelegd. Weinig was er overgebleven van de schoon getroste narcissen, van den geurigen crocus, de leliën, irissen en viooltjes wegens het ver gevorderde jaargetijde, en de liefde der Atheners tot het vlechten van kransen, maar talloos[163]bloeide alom de rozen, door viooltjes omzoomd, in purperen bedden langs den grond zich uitstrekkende, of op hooge heesters prijkend, nooit door ruwe winden geteisterd en iederen morgen verfrischt door den reinsten hemeldauw.
Gemakkelijk schijnt het van de voorwerpen, die hier te zien waren, de namen en het uiterlijk in woorden weder te geven; onmogelijk echter is het den blijmoedigen en gelukkigen vrede te schilderen, die over dit weelderig groene dal, door wouden omzoomd, door de wateren van den Cephissus besproeid, door nachtegalen bezocht, verspreid lag. Men was zoo nabij de woelige stad en toch gevoelde men zich ver van de drukke wereld. Het was, alsof de landelijke God Pan uit die schaduwrijke boschjes te voorschijn moest treden of eene Najade2uit de wateren van den Cephissus onder het schitterend loof zou opstijgen. Verder in de geheimzinnige diepten van het woud stoeiden zeker Satyrs met bokspooten en kon men het gelach van schoone, bevallige Hamadryaden3hooren, die rustten op het groene loof. Soms ging er eene ritseling door de kruinen der boomen, die in het zuiverste blauw van den Griekschen hemel trilden, als eene aangename koelte, die daar ruiste voor den tred van den God der vreugde, Dionysus.
Maar ook de zang van de gezellen van Apollo, de vriendelijke Muzen, was niet vreemd aan dit heerlijk oord. Hier woonde toch de lieveling der Muzen, de groote dichter Sophocles. Dit was zijne geboorteplaats, die hij op de hoogte van de Acropolis geprezen had en aan Pericles en Aspasia uit de verte had getoond. Hier was hij geboren en hier leefde hij. Onder de witte zerken, met klimop begroeid, die hier en daar uit het groen van den tuin en der boschjes uitstaken, sliepen zijne vaderen den eeuwigen slaap.[164]
Juist zat hij in een rozenpriëel, terwijl de aangename morgenlucht hem verkwikte, en had het wastafeltje op zijne knieën liggen, op welker oppervlakte hij van tijd tot tijd met eene scherpe stift eenige verzen griffelde; zeer dikwijls echter wischte hij het geschrevene met het stompe eind der stift weder uit, wanneer de eerste ingeving zijner Muze hem niet ten volle bevredigde.
Terwijl hij een blik wierp op den weg in het dal, zag hij een statig man met lichten en vluggen tred door het dal aankomen.
„Wie is die vroege wandelaar,” dacht hij bij zich zelf, „die daar schier gevleugeld als Hermes, de bode der Goden, nadert?”
Weldra was de wandelaar naderbij gekomen en de dichter herkende den liefsten zijner vrienden. Verheugd ging hij hem te gemoet tot aan den ingang van den tuin.
Pericles schudde hem de hand. „Ik voldoe aan uwe uitnoodiging,” zeide hij, „ik ben heden uw gast en heb het woelig en drukke stadsleven en alle staatsaangelegenheden ontvloden. Ook de citherspeler uit Milete—gij herinnert u dien ongetwijfeld—zal den dag met ons komen doorbrengen, als gij het goedvindt. Ik heb veel met hem te bespreken en weet geene plaats, waar ik het zoo ongestoord zou kunnen doen.”
„Zal de schoone citherspeler uit Milete ook komen?” riep Sophocles verheugd uit. „Dacht ik het niet dat u iets heerlijks bezielde, toen ik u zoo vurig en opgewekt zag naderen. Daar was niet veel te zien van de rustige waardigheid van den redenaar op de Pnyx; ik herkende u ternauwernood, zoo schuddet ge het hoofd en de schouders heen en weder en deed mij denken aan dat edele krijgsros, waarvan Homerus zegt, dat het den halster in zijn stal heeft losgerukt en met fieren kop en vliegende manen naar buiten naar de weide rent…”4[165]
„Stil,” zeide Pericles en lei zijne hand op den mond zijns vriends. „Het waren de geurige luchten van het Cephissus-dal, die zoo bezielend in de morgenkoelte op mij werkten.”
„Waarom ook niet het verlangen, om de schoone Milesische te zien?” zeide Sophocles, „is zij niet de bekoorlijkste aller vrouwen?”
„Zij is teeder als eene Lydische, waardig als eene Atheensche, sterk als eene Laconische,” hernam Pericles.
„Gij behoeft Ion zijne blonde, lelieblanke Chrysilla niet meer te benijden,” merkte Sophocles op met een schalkschen lach.
„Spreek niet van Chrysilla,” zeide Pericles. „Aspasia is onvergelijkelijk. Moeilijk is het te zeggen of zij meer van een Muze dan van eene Charis heeft.”
„Wellicht is zij voor u eene Parce5,” zeide Sophocles, „zij kan u goeds en kwaads in uwe levensdraden spinnen.”
„Waarom ook nietLamia6en Empusa?” riep Pericles uit. „En al ware het zoo—wij hebben bloed genoeg in de aderen en een zwaard aan onze zijde, om het evenals held Odysseus, tegenover ieder Circe7te rechter tijd uit de schede te kunnen trekken.”—
„Ik kom tot u als een moede, opgejaagde vervolgde,” ging Pericles voort, terwijl hij zich het zweet van het verhitte voorhoofd wischte, „ik heb mij aan de tallooze zorgen en bemoeiingen mijner veelvuldige ambten en waardigheden onttrokken, om een dag aan de schoone Muze en haar liefste pleegkind, de liefde, te wijden.”—
„Daar doet gij wèl aan,” hernam Sophocles, „wanneer gij de rust zoekt, om te beminnen. Op den[166]heeten zomerdag moet men òf niet beminnen òf niets anders doen dan beminnen.”
„Ik geloof, dat gij zelf met deze uitspraak in strijd handelt,” merkte Pericles op; „die wastafeltjes daar in uwe hand bewijzen, dat gij ijverig vers aan vers rijgt. Dat verhindert u echter niet, naar men vertelt, uwe schoone Ephesische vriendin Philaenion in die stille myrthen- en rozengaarden te herbergen.”—
„Is poëzie arbeid?” vroeg Sophocles; „dat wist ik niet. Wanneer het heete voorhoofd den dichter maakt, dan is wel de poëzie een welluidend uitademen van al het schoone licht en al het goddelijk vuur, dat men met zijn aardsche zinnen uit den hemelschen aether inzuigt. Licht gaat over in geluid. En zoo zou ik ook de liefde op een zomerdag niet gaarne willen missen, want daar is zij het vurigst en het zoetst en het goddelijkst. De eene gloed stroomt in den anderen; door het vuur van Apollo ontgloeid, zoekt gij verfrissching in den zaligen adem der liefde en keert gij met eene bevredigde, harmonisch gestemde ziel tot de Muze terug. Ten laatste verwisselen Eros en de Muze van rollen; de Muze wakkert den liefdegloed aan en de oogen of boezem van de geliefde overstelpen u met dichterlijke gedachten.”
„Zoo moede is men, geloof ik, nooit,” hernam Pericles, „dat de liefde geen verkwikking zou zijn. Wij allen, die door den drang om te werken en te scheppen gedreven worden, weten dat.”
Zoo onderhielden zich de vurige mannen, beiden in den rijpen bloei hunner jaren.
Thans hield eene draagbaar voor het huis van Sophocles stil.
Daaruit steeg Aspasia. Zij was in vrouwengewaad.
Sophocles begroette haar en geleidde haar naar Pericles, in de lommerrijke, geurige boschjes.
Voor onbescheiden blikken beveiligd, sloeg zij den sluier op, liet het himation, dat over haar hoofd geslagen was, van hoofd en schouders glijden en stond daar in een bonten chiton, met sierlijke[167]randen, het krullend, rosbruine haar in golvende lijnen langs de slapen en op het hoofd, als eenig sieraad een breeden, purperen haarband die van de kruin naar achteren rondom haar prachtige lokken gewoeld was. In de hand droeg zij een kleinen, bevalligen zonnescherm en in den gordel, die haar gewaad midden om haar lichaam omsloot, stak een niet minder bekoorlijke, bladvormige, bont beschilderde waaier.
Sophocles zag Aspasia voor het eerst in vrouwengewaad. Een kreet van verwondering ontvoer hem. De Milesische was in de idylle van het Cephissus-dal schier als een verblindend wonder neergedaald. Hare verschijning stak af bij deze landelijke stilte. Een bedwelmende droom bracht zij met zich van schoonheid en jeugd, die alle heerlijke geuren van haag en bloemen verre overtrof.
Sophocles voerde de schoone met haar vriend door dichte en lommerrijke lanen en zeide:
„Moogt gij behagen vinden, Aspasia, in hetgeen de natuur voor dit oord heeft gedaan. Weinig reden zult gij hebben om de kunst der Atheners in het aanleggen van tuinen te bewonderen. Ik weet zeer goed, dat gij Aziatische Grieken dat veel beter verstaat: bekoorlijke lusttuinen aan te leggen, met doolhoven, hermitages en grotten, kunt gij voortreffelijk. Gij hebt immers daar de uitgestrekte, grootsch aangelegde paradijzen van den Pers tot voorbeeld. Wij Atheners, gelooven, dat de schoone natuur, evenals eene schoone vrouw, ook zonder opschik schoon is.”
„Laat Aspasia slechts een korten tijd in deze oorden wandelen,” zeide Pericles, „en gij zult weldra met de onopgeschikte natuur niet meer tevreden zijn. Zij zal u weldra met uw tuin betooveren en veranderen. Dat is zoo hare manier. Waar zij gaat, daar ontspruiten bloemen onder hare voeten. Ongemerkt weet zij iemand te ontvonken en wanneer zij zich een paar woorden over uw tuin laat ontvallen, zult gij geen rust meer hebben, voor gij hem tot iets gemaakt hebt, dat zich kan meten[168]met den lusthof der Hesperiden8of met den tuin van Phoebus aan de uiterste einden der zee, of met den Cyrenaeïschen hof van Zeus en Aphrodite, of den tuin van Midas met haar honderdbladige rozen of ten minste met den lusthof van een Homerischen Alcinoös, den vorst der Phaeken op het eiland Scheria.”
„Wel weet ik,” hernam Sophocles, „dat dit vrouwelijk wezen onrust zaait in de gemoederen der menschen. Heb medelijden, o schoone toovenares, en laat mij en mijn tuin onveranderd! Ik was tot nu toe hier zoo tevreden en gelukkig. Wanneer Phoebus aan het hemelgewelf schitterde dan verheugde ik mij, dat mijne olijven, vijgen en granaatappels door zijne stralen werden gestoofd; regende Zeus, dan dankte ik hem, dat mijne weilanden groen werden. Ik was tevreden, met hetgeen mijn hof mij opleverde; bloemen in de lente, schaduw in den zomer, rijpe vruchten in den herfst, verfrisschende koelte en stilte, door de Muzen zoo geliefd, in den winter. Boven alles echter, Aspasia, bezweer en verander toch niet door een tooverformulier datgene wat mij door de gewoonte het liefst is geworden, en wat voor minnaar en dichter beiden het meest gewenscht is: de vertrouwelijke gezelligheid dezer laurierboschjes, dezer myrthen- en rozenpriëelen.”
„Zou werkelijk,” vroeg Aspasia, „die eenzaamheid, in de laurierboschjes voor den dichter zoo begeerlijk zijn? Moet hij niet veel liever, om tot volle rijpheid te geraken, de stille schaduw verlaten en in het heldere licht der wereld en des levens treden?”
„Men gelooft zoo lang,” hernam Sophocles, „dat het de zon is en niets anders dan de zon, die de wijndruiven doet rijpen,totdatmen ontdekt, dat juist de grootste, de weelderigste, de donkerste druiven verborgen hangen onder de schaduw der dichtste[169]bladeren. En al mocht gij in twijfel trekken, dat deze eenzaamheid den dichter nuttig is, zeer zeker zult gij erkennen, dat zij den minnaar welkom is. Hier kunt gij, zoo ge wilt, u dagen lang verlustigen, alleen gestoord door het getjilp der vogels of het murmelen der beken. Geen slaaf betreedt ooit ongeroepen dezen tuin. Wilt ge echter het vertrouwelijkste en door de Muzen en Chariten het meest gezegende plekje leeren kennen, zoo komt met mij mede.”
Pericles en Aspasia volgden den dichter. Hij voerde hen naar beneden, tot waar, zooals reeds vermeld is, de Cephissus een bocht maakt en den hof ook van den anderen kant omstroomde. De bodem glooide hier naar de beek af, die in eene ietwat diepere bedding vloeide. Evenwel liep deoeverniet steil naar beneden; integendeel tusschen de beek en de oploopende vlakte was eene bekoorlijke ruimte gelaten, die juist breed genoeg was, dat twee menschen, vertrouwelijk naast elkander, onder het groene loof, waar de stralen der zon heerlijk door speelden, konden wandelen.
De dichter voerde zijne gasten langs dit bekoorlijke pad. Daar ruischte het geklater en gemurmel van de beek, daar kweelden en sloegen de vogels het liefelijkst,daar speelden als dartele geesten schaduw en licht op de golfjes en tusschen de takken. Hier en daar lag een weelderig grasperk, waar men zich op kon uitstrekken en de verfrisschende koeltjes van de schaduw rustig en droomend genieten. Hier trof men ook eene rotsgrot aan, van buiten schier omringd door bloemen en twijgen, van binnen met zitplaatsen en kussens versierd die tot binnentreden op de heetste uren van den dag noodden.
Aspasia was bij het zien van deze bekoorlijke rustplaats verrukt en voldeed gaarne aan het verzoek van haar vriend zich hier neder te zetten. Pericles en de dichter zelf volgden haar voorbeeld. Men zag op de heldere wateren der beek neder, die hier in een natuurlijke kom uitliep. Bonte,[170]schitterende libellen zweefden en dansten in de stralen der zon over de bloemen aan den oever en een paar prachtige onschadelijke wateradders beschreef, zich onbespied wanende, in den kristalhelderen vloed zacht zich wendend, zijne vlugge, bevallige kringen. Weldra echter schoten zij, toen hunne beschouwers door een zacht geritsel zich deden hooren, onder de dichte planten, die weelderig woekerend van den oever in het water afhingen.
„Een lief bruidspaartje,” zeide Sophocles; „ik beluister ze hier dikwijls. Zij zijn onafscheidelijk.”
„Moeilijk is het,” begon Pericles na eene korte pauze, waarin allen zich aan de zaligheid der natuur hadden overgegeven—„moeilijk is het, uit deze vreedzame wereld zich in den geest wederom te verplaatsen bij die menschen en beslommeringen, die men zooeven ontvloden is. En toch zou het doel aan dezen tocht, Aspasia, slechts half bereikt zijn, wanneer wij niet over die menschen en zaken, die wij hier ontvlucht zijn, spraken. Integendeel, wij moeten in de eerste plaats ons daarmede bezighouden; want niet slechts gij hebt mij aangaande de gebeurtenissen der laatste dagen veel te vertellen, maar ook ik zelf heb u veel raadselachtigs op te helderen. Hier zweven over het water bekoorlijke libellen, en aalgladde, vlugge slangetjes trekken in den vloed hunne bekoorlijke kringen, maar niet daarover hebben we ons te onderhouden, maar van dieren van eene geheel andere soort heb ik u te spreken, van rampzalige vogels, die mij en u gisteren noodlottig zijn geworden: van de vervloekte pauwen van Pyrilampes. Door de ontrouw van Hipponicus werd een dier vogels, die tot een geschenk voor u bestemd was, in mijn huis gebracht en viel in de handen van mijne gebiedster Telesippe.”
„En wat was het lot van den vreemdeling?” vroeg Aspasia.
„O vraag mij niet naar mijn lot en het zijne op dien dag,” riep Pericles lachende uit. „Stel u den man voor, wien men, zooals de sage meldt,[171]zijne kinderen lekker toebereidt, als een maal voorzette; thans eerst kan ik mij de verwondering en ontzetting van mijn gemoed voorstellen, nu mij het wel is waar niet zoo afschuwelijke, maar toch haast even treffende wedervoer, den prachtigen vogel, die, naar ik geloofde, zijn prachtigen vederdos voor de verrukte Aspasia ontplooide, dien zij als een nieuwen Argus9beschouwde, haar door haar geliefde toegezonden, om als in zijne plaats met honderd liefdesoogen de wacht te houden—dat ik dien vogel dood, geplukt, tot eene vormelooze, gebraden massa op mijn bord heb gezien!”
Vroolijk lachte Sophocles bij dit verhaal.
„Gij hebt zwaar gezondigd,” zeide hij, „dat gij dezen vogel, aan Hera, de Godin van den echt, gewijd, in den dienst van hare vijandin, de gouden Aphrodite hebt gebruikt.”—
„Veel erger dan over u en uw pauw, o Pericles,” zeide Aspasia, „is de toorn der Godin op denzelfden dag over mijn hoofd losgebroken. Weet, dat ik op denzelfden morgen verkleed u in uw huis opzocht, dat ik ook, evenals die pauw, in de handen van Telesippe ben gevallen en dat ik, zoo al niet geslacht, toch nauwelijks eene minder onaangename en wreede behandeling heb ondergaan. Bij de Goden, Telesippe wenschte slechts, dat ik evenals de pauw honderd oogen had gehad, om mij ze allen te kunnen uitkrabben! In gezelschap van uwe razende echtgenoote was eene bedaagde, belachelijke vrouw, Elpinice geheeten. Deze dame ontbrandde in warme liefde voor den jongen citherspeler en verviel in een onbeschrijfelijken toorn, toen zij ontdekte, dat het eene vrouw was. Ik werd door deze beide Harpyen10uitgescholden, met smaadwoorden overstelpt, uit het huis gejaagd. „Ik sta als meesteres aan den haard van dit huis,” riep Telesippe uit. „Gij echter zijt eene vreemdelinge, eene boeleerster,[172]ik beveel u van hier te gaan.” Zij voegde er bij dat zij van uw hart afstand wilde doen, maar dat zij nooit uw haard zou prijsgeven. Volgaarne gunde ik haar uw haard, Pericles; maar denkt gij de vrouw, die aan uw haard gebiedt, het recht toe te kennen, de vrouw, die uw hart bezit, met smaadwoorden en woeste bedreigingen lastig te vallen?”
„Wat kan ik daaraan doen?” hernam Pericles. „De rechten der Atheensche vrouwen zijn gering. Diegene echter, welke zij hebben, moeten wij eerbiedigen. Zij reiken niet verder dan den drempel van het huis …”
„Het schijnt derhalve,” hernam Aspasia, „dat gij Atheensche mannen geen heeren in huis zijt, maar alleen daarbuiten … Hoe zonderling! Gij maakt de vrouw tot uwe slavin en dan verklaart gij u zelven weder tot slaven van die slavinnen.”
„Dat is het huwelijk!” zeide Pericles de schouders ophalend.
„Wanneer dit het huwelijk is,” hervatte Aspasia, „dan ware het wellicht beter, dat er volstrekt geen huwelijken in de wereld bestonden.”—
„Den zaligen band der harten sluit de liefde,” zeide Pericles; „echtgenoote echter en meesteres des huizes wordt de vrouw door de wet.”—
„Door de wet?” vroeg Aspasia; „ik dacht altijd, dat het eigenlijk alleen het moederschap was, waardoor de geliefde vrouw gade werd en dat de echt, om zoo te zeggen, eerst met het kind begon.”—
„Niet volgens de Atheensche burgerlijke wet,” wierp Pericles haar tegen.
„Verander dan uwe burgerlijke wet,” riep Aspasia uit, „want zij deugt niets.”
„Vrome lieveling der Goden, Sophocles,” sprak Pericles zich tot zijn vriend wendende, „help mij toch deze vertoornde schoone tot rede brengen, opdat zij niet met hare kleine blanke hand het geheele staatsgebouw der Atheners omver moge werpen.”
„Hoe zou ik kunnen gelooven,” zei de dichter, „dat onze verstandige Aspasia het beste en heerlijkste[173]deel van den mensch, de rede, zou kunnen verliezen?—Zij weet het zoo goed en zou het ons, als wij het ooit vergaten, weder kunnen leeren, dat een leven zonder genot geen leven is, dat men echter, om het genot des levens in de hoogste mate te kunnen genieten, zich boven alles moet wachten, om de sombere Ate, de Godin der verblinding en der hartstochtelijke onberadenheid, tegen zich op te zetten; dat we ons nooit tot iets ten strijde, moetenaangorden, voordat we nauwkeurig onze krachten hebben gewogen, dat vroolijk genot onmogelijk is zonder zelfbeheersching, dat wij de menschen moeten liefhebben, want zij zijn de gezellen van ons genoegen, en de Goden eeren, want het zijn geen ijdele namen, maar zij wijzen ons de perken onzer kracht aan en staan machtig en gebiedend tusschen onzen eigen wil en het noodlot tusschen de vrijheid en de eeuwige noodzakelijkheid, dat wij …”—
„Genoeg,” viel hier Aspasia lachende in de rede, „ik vrees anders, dat wij uit den helderen Aether van het reine denken, waarin ons uwe verstandige en schoone woorden hebben verplaatst, den weg niet zullen kunnen terugvinden, naar de onbeduidende, maar tastbare zaken, waarvan we in ons gesprek zijn uitgegaan. Wanneer het mij vrijstaat, het algemeene op het bijzondere toe te passen, dan komt het mij voor, Sophocles, dat gij hebt willen zeggen, dat de uitheemsche vrouwen en de uitheemsche vogels te Athene goed moeten vinden, geplukt en mishandeld te worden en dat ze zich, uit vromen eerbied, niet tegen de wetten van het land mogen verzetten, die haar geen rechten toekennen.”
„Onze vriend hier,” voegde Pericles bij hetgeen Aspasia gesproken had, „valt het natuurlijk gemakkelijk, voor het menschelijk doen en laten, vooral met betrekking tot echtgenooten, wijze regels op te stellen en even gemakkelijk die op te volgen. Zijn leven vliedt zonder strijd daarheen, want hij is ongehuwd en geene Telesippe treed zijne[174]Aspasia dreigend met een brandhout te gemoet …”
„Zoo gaat het altijd met de bemiddelaars,” hernam Sophocles lachend, „en met allen, die zelfs wanneer het hun verzocht wordt, zich in de aangelegenheden van minnenden te mengen. Ikwordnu bespot en bijna met verwijtingen overladen, omdat ik, de rede predikende zelf zoo onredelijk was, aan verliefden raad te willen geven. Daarvoor wil ik nu mij zelven straffen, daar ik u aanstonds aan uw eigen wijsheid overlaat. Voor een korten tijd neem ik van u afscheid, opdat gij uwe zaken alleen in het reine kunt brengen. Ik ga zorgen, dat gij niet den geheelen dag zonder lafenis van spijs en drank moogt doorbrengen. En wanneer ik soms, terwijl gij uwe zaken bespreekt, wat lang in gindsche laurierboschjes vertoef, weet dat mij daar geene Aspasia wacht, maar dat ik in die schaduwschemering, met mijne wastafeltjes op de knie en de stift in de hand, de klaagtonen van de edele dochter van Oedipus11beluister …”
„Gij hebt dus dat dichterlijke plan, waarvan gij op de Acropolis spraakt, niet laten varen?” vroeg Aspasia.
„De helft van het werk is reeds gereed,” hernam Sophocles, „en een slaaf zit dag aan dag met een zwart riet om het voltooide en afgewerkte van de wastafeltjes op de papyrus over te brengen.”
„Zult gij ons daarvan geene voorproef geven?” vroeg Pericles.
„Uw tijd is te kostbaar,” antwoordde de dichter en verwijderde zich.
Toen dus Pericles en Aspasia alleen waren kwamen zij op hun onderhoud terug, dat zij in tegenwoordigheid van hun trouwen vriend reeds aangeroerd hadden.
Maar het ging zooals bij gesprekken van minnenden gewoonlijk het geval is, zij dwaalden telkens van hun onderwerp af. Zij trachtten niet naar een gestrengen gedachtenloop, daar tal van andere denkbeelden[175]hunne ziel vervulden, die den draad der redeneering afbraken. Zij luisterden bovendien naar het gezang van een vogel in de takken, ademden de geurige lucht der weiden in met volle teugen,pluktenhier en daar een bekoorlijke druif van een zwaar beladen wijnwinde of een rozenroode, sappige vrucht van den boom.
Aspasia beet in een appel en gaf hem toen aan Pericles. Deze bedankte haar met een gelukkig lachje, want het was hem niet onbekend, wat een aangebeten appel in de taal der liefde beteekende. Ook bleef de aangeboden gelegenheid liefdesorakelen te raadplegen niet ongebruikt. Aspasia vlocht onder het gesprek een krans, reikte hem toen aan Pericles over en lachte, toen daar bladeren afvielen; want dit was voor de ingewijden een teeken van den heftigen liefdegloed van hem, die den krans droeg. Pericles daarentegen plukte die bloemen wier kelken de eigenschap hadden met een kleine knal te barsten, zoo men ze tusschen de vingers plat drukte en hij achtte het zijner niet onwaardig uit de kracht van dien knal de innigheid van de liefde der beminde af te leiden.
Maar hoezeer ook de liefdegloed van Pericles den krans, dien hij in de hand droeg, deed verwelken en ontbladerde en de vurige genegenheid in het hart van Aspasia het knallende bloemenorakel eer mocht aandoen, beidentrachttentoch telkens op een ernstig gesprek terug te komen. Vele vragen werden ter sprake gebracht, maar natuurlijk weinige ten volle beantwoord. Men overwoog, hoe Aspasia met behulp van Pericles haar nieuw huishouden het best zou inrichten, vervolgens hoe zij hun omgang het ongestoordst zouden voortzetten en, daar verliefden over niets liever keuvelen, dan over de geschiedenis hunner eerste ontmoeting, kwamen ook Pericles en Aspasia op de hunne in het huis van Phidias terug en Pericles verhaalde wat de gevolgen van die eerste kennismaking waren geweest, hoe sedert dien dag zoo menig grootsch plan was ontworpen, hoe hij sinds zich tegen[176]de verwijten zijner vrienden had moeten verdedigen, hoe ten laatste allen zich voldaan hadden verwijderd, behalven de zoon van Sophroniscus, de waarheidszoeker, die nog steeds de vraag beantwoord wilde zien of de beoefening van het schoone die van het zedelijke overbodig maakte. Die vraag had men toen laten rusten en was sedert in vergetelheid geraakt, nu Aspasia echter aan haar lievelingsdenkbeeld herinnerd werd, beweerde zij weder zeer beslist, dat de aankweeking van het schoone in de wereld evenveel recht van bestaan had, als de beoefening van het zedelijke en dat een pauw evenveel waard was, als een eend hoewel deze beter geschikt was om gemest te worden. Toen Pericles niet aanstonds wistofhij haar dit mocht toegeven, werd het minnende paar juist ter goeder ure door de komst van Sophocles in zijn gesprek gestoord.
Hij kwam hen tot een eenvoudig ontbijt uitnoodigen. Hij geleidde hen naar het tuinhuisje, dat midden in den hof gelegen was. Zij vonden dat van binnen netjes versierd, bijkans weelderig ingericht voor weldadige ontspanning, en in eene sierlijke spijszaal herschapen. Aanligbedden voor twee personen stonden gereed, waarop men, het bovenlijf op de linkerhand gesteund, gewoon was het maal te gebruiken. Voor die aanligbedden stonden de tafels, met spijzen beladen en wel voor ieder aanligbed een afzonderlijke.
Pericles en Aspasia namen op uitnoodiging van Sophocles plaats en strekten de handen uit naar de aangeboden ververschingen. Op tafel was aanwezig: gevogelte, koeken, Siciliaansche kaas, vijgen, amandelen, noten, druiven en bovendien kostelijke, vurige wijn van de eilanden12.
„Ik hoop, vrome Sophocles,” sprak Aspasia schertsend, „dat gij ons geen gebraden nachtegalen voorzet, hoewel men in eene stad, waar men zich[177]niet ontziet pauwen op te zetten, evengoed nachtegalen zou kunnen braden.”
„Smaal toch niet om ééne goddelooze op het geheele Atheensche volk,” smeekte Sophocles.
„Eene vrouw,” riep Aspasia uit, op nieuw ziedend van toorn, „die in staat was een pauw te slachten, hem zijn schoonen vederdos uit te plukken en hem in eene pan te doen, verdiende met roeden uit Hellas gegeeseld te worden. Zoo ooit over iemand, moet over haar de toorn der Grieksche Goden losbarsten, want zij heeft zich vergrepen aan het heiligste wat er bestaat, aan het schoone!”
„Als wij onze schoone en verstandige Aspasia mogen gelooven,” zeide Pericles tot Sophocles, „dan is schoonheid de hoogste wet des levens en daar zij ziel en lichaam doordringt, van alle deugden de eerste en de laatste.”
„Die gedachte lacht mij zeer toe,” hervatte de dichter, „ofschoon ik niet weet, hoe Anaxagoras en die bekende steenhouwer van Phidias en de overige wijzen er over zouden oordeelen. Maar ook van hen zal niemand de geweldige macht der schoonheid en van datgene, dat zij in het hart der menschen verwekt, van de liefde durven bestrijden. Ik heb juist van morgen, geheel naar uw verlangen, Aspasia, om de onoverwinnelijke macht der liefde te toonen, in mijn drama een tooneel ingelascht, waarin ik de Haemon, de zoon van koning Creon13vrijwillig in den Hades14doe nederdalen, om zijne geliefde bruid Antigone daarheen te volgen …”
„Dat is overdreven, Sophocles,” sprak Aspasia tot den dichter, die eenigermate verwonderd was, daar hij toch meende in haar geest te hebben gehandeld. „Van zulk eene treurige zijde moet de stift der dichters de liefde niet teekenen. De liefde is opgewekt en vroolijk en moet liever zich zelve prijs geven dan hare vroolijkheid. Zij moet eene menschelijke[178]ziel niet naar den Hades voeren. Zij moet de menschen alleen met het leven niet met den dood verzoenen. Sombere, dweepzieke hartstocht moet onder de Grieken niet met den naam van liefde bestempeld worden. Dat is ziekelijkheid, dat is slavernij …”
„Gij hebt gelijk, Aspasia,” antwoordde Sophocles. „De leer, die gij daar verkondigt, is opwekkend en duidelijk; gij en Pericles en ik zullen voorzeker alleen de schoone, vrije, opgewekte liefde huldigen en wij willen, als het uwe goedkeuring wegdraagt, nog heden den Goden een offer brengen, opdat zij nooit in onzen boezem het vriendelijk liefdevuur tot een doodelijken en verderfelijken gloed mogen aanblazen. Maar in de dicht- en beeldende kunst drijft de geest de dichters en beeldhouwers, om datgene wat zij uit willen drukken op eene scherpe en overdreven wijze te doen. Ik wilde aantoonen, dat Eros een machtige God is; maar ik wensch van harte, dat hij zijne geheele macht nooit weder op eene dergelijke wijze de Grieken zal doen ondervinden. Mocht hij slechts boven alles de harten der schoonen zacht en goedgunstig stemmen, want wat anders dan de schoonheid is de schuld van al den jammer en ellende der liefde op de wereld? Inderdaad, de schoonheid is eene noodlottige, dikwerf beslissende macht in het leven der stervelingen. Zij zit, wanneer ik het zoo mag uitdrukken, mede besturend in den raad der hoogste machten.”
„Schoonheid zit medebesturend in den raad der hoogste machten!” herhaalde Aspasia. „Deze uitspraak verdiende, mijns inziens, aan de spreuken van Hellas’ wijzen toegevoegd te worden.”
„Wanneer die uitspraak u zoo bevalt,” hernam de dichter, „dan zal ik die luide voor geheel Hellas herhalen en haar in een reizang op Eros in mijn treurspel invlechten. Wanneer zou ik dien reizang op Eros onder gunstiger voorteekenen kunnen voltooien, dan zoolang uw voet nog in dezen lusthof wandelt? Gij moogt van hiernietgaan,[179]vóór ik den hymne opgeschreven en aan uw oordeel onderworpen heb.”
„Geen schooner gastgeschenk kunt gij ons geven,” hernam Pericles.
„Vergeeft mij thans,” ving Sophocles weder aan, „dat ik u niets aanbied, waarmede men anders een onthaal pleegt te kruiden. Ik vertoon u noch eene danseres noch eene fluitspeelster; want heden, dunkt mij, hebben mijne gasten aan zich zelven genoeg; en bovendien, wie zou zich op de cither durven meten met den schoonen „citherspeler uit Milete” en met zulk een kunstenaar een wedstrijd durven aangaan?”
„In de eerste plaats—gij zelf,” riep Pericles; „gij zijt ons zelfs de wedstrijd schuldig, want gij hebt ons toch op de Acropolis iets dergelijks beloofd. Haal slechts uw snareninstrument, Sophocles, en breng er ook een voor Aspasia mede; en begint dan op de wijze van Siciliaansche herders in zang en spel te wedijveren, terwijl ik als onpartijdig scheidsrechter uitspraak zal doen—want dat gij mij tot kamprechter aanstelt, spreekt wel van zelf, daar gij buiten mij geen toehoorders meer hebt.”—
„Het genoegen Aspasia’s gezang en snarenspel te hooren,” hernam Sophocles, „zal voor eene nederlaag niet te duur gekocht zijn.”
Hij verwijderde zich en keerde weldra met twee schoon versierde cithers terug en verzocht Aspasia daar eene van te kiezen.
Met kennersoog tokkelde de schoone de snaren en liefelijke tonen ontlokte zij aanstonds aan het bezielde instrument als vonken aan den vuursteen.
En thans begonnen de dichter en de schoone Milesische, ontgloeid door den zoeten, vurigen wijn, bij den klank der snaren liederen van Anacreon en Sappho te zingen en gevleugelde disticha15en daaronder ook iets nieuws van eigen vinding.[180]
Een der kleine liederen van Sophocles luidde als volgt:
„Wat heet leven en lust, zonder Cypria’s lachenden aanblik?Dan toch wilde ik sterven, zoodra ’t zoete liefdegenotNimmer mij het hart meer verheugt met gloed en teedere omarming:Bloesems der jeugd, o, hoe snel maait u de zeis van den tijd!”
„Wat heet leven en lust, zonder Cypria’s lachenden aanblik?
Dan toch wilde ik sterven, zoodra ’t zoete liefdegenot
Nimmer mij het hart meer verheugt met gloed en teedere omarming:
Bloesems der jeugd, o, hoe snel maait u de zeis van den tijd!”
Bezield antwoordde Aspasia:
„Kort ja, is hij, de tijd, voor de sterv’lingen, maar toch noodigt onsBacchus, bekoort ons de dans en de bloeiende krans van de liefde!Dit, slechts dit, heet leven; slechts lust is leven.—Vliedt danGij zorgen! Geniet van het heden, want een sluier onthult ons het morgen!”
„Kort ja, is hij, de tijd, voor de sterv’lingen, maar toch noodigt ons
Bacchus, bekoort ons de dans en de bloeiende krans van de liefde!
Dit, slechts dit, heet leven; slechts lust is leven.—Vliedt dan
Gij zorgen! Geniet van het heden, want een sluier onthult ons het morgen!”
Met een stralenden blik op Aspasia zong nu de dichter:
„Zoet is, zoet ja, bij Pan, den Arcadische, wat gij bij uw luiteZingt, o Aspasia! zoet klinkt uw liefelijk gezang!Kon ik ontvlieden? Omlegert mij niet de macht der ErotenIn der Sirenen gestalt’, die mijne ziel houdt geboeid?”
„Zoet is, zoet ja, bij Pan, den Arcadische, wat gij bij uw luite
Zingt, o Aspasia! zoet klinkt uw liefelijk gezang!
Kon ik ontvlieden? Omlegert mij niet de macht der Eroten
In der Sirenen gestalt’, die mijne ziel houdt geboeid?”
Met een betooverenden glimlach op de rozenroode lippen zong nu Aspasia:
„Schertsend vermeide zich laatst met Neäera haar vriend. Om de heupenWond haar Cypris een band, bont en met bloemen doorweefd.Goud was het opschrift, dat luidde: bemin mij voor eeuwig,Maar geef niet toe aan uw smart, als mij een ander bezit!”
„Schertsend vermeide zich laatst met Neäera haar vriend. Om de heupen
Wond haar Cypris een band, bont en met bloemen doorweefd.
Goud was het opschrift, dat luidde: bemin mij voor eeuwig,
Maar geef niet toe aan uw smart, als mij een ander bezit!”
[181]
„Hoe lang draalt gij nog, Pericles, den krans der overwinning aan Aspasia toe te kennen,” zeide de dichter.
„Geef hem den dichter, Pericles,” hernam Aspasia; „maar stelt hem vooraf nog ééne voorwaarde; hij moet ons nog een distichon op de schoone Philaenion zingen.”
„Hoort gij, wat Aspasia verlangt?” zeide Pericles tot den dichter; „gij moet Philaenion bezingen, de schoone Ephesische, die thans, naar men verhaalt, de deelgenoote is uwer zaligste uren en welke wij, vreemde gasten, misschien van daag, tot uwe heimelijke smart uit dit bekoorlijk oord hebben verjaagd.”
„De voorwaarde is niet zonder heimelijke boosheid en wreedheid,” hernam Sophocles glimlachend, „maar ik wil ze niet onvervuld laten.”
En hij zong:
„Klein ja is en donker Philaenion, echter niet slankerIs de klimop en niet molliger ’t bloempje des velds.Meer dan Cypria’s gordel bekoort haar lieflijk gesnap mij;Al wat zij schenkt, dat schenkt zij met vriendelijken glimlach.Waarlijk, Philaenion min ik, de heerlijke, tot de godlijke CyprisMij een andere schenkt, die nog bekoorlijker is!”
„Klein ja is en donker Philaenion, echter niet slanker
Is de klimop en niet molliger ’t bloempje des velds.
Meer dan Cypria’s gordel bekoort haar lieflijk gesnap mij;
Al wat zij schenkt, dat schenkt zij met vriendelijken glimlach.
Waarlijk, Philaenion min ik, de heerlijke, tot de godlijke Cypris
Mij een andere schenkt, die nog bekoorlijker is!”
„Gij zijt tevreden, Aspasia?” vroeg Pericles, en toen deze toestemmend knikte, wendde hij zich tot Sophocles en reikte hem den kampprijs met de woorden:
„Ontvang den krans, vriendelijke zanger”.
„Dat zou ik niet zijn,” hernam Sophocles, „zoo ik niet sloot met een loflied op de schoonste:[182]
„Cypria’s schoonheid hebt ge, de lippen van Pitho, der HorenLentebloesem daarbij en Calliope’s stem,Themis’ wrekende maat, Pallas’ wijsheid en Charis’Vriendelijken lach met den ernst der strenge Muze vereend.”16
„Cypria’s schoonheid hebt ge, de lippen van Pitho, der Horen
Lentebloesem daarbij en Calliope’s stem,
Themis’ wrekende maat, Pallas’ wijsheid en Charis’
Vriendelijken lach met den ernst der strenge Muze vereend.”16
„Dat noem ik ons verlegen maken,” zeide Aspasia, „en ons een plicht der dankbaarheid opleggen, die wij nooit vergelden kunnen.”
Zoo eindigde de wedstrijd. De dichter en Milesische spraken toen nog veel over de toonkunst en Aspasia legde daarbij eene zoo groote kennis aan den dag van Dorische, Phrygische, Lydische, Hypodorische17en Hypophrygische melodieën, van fijne schakeeringen daartusschen en van de voortreffelijkheid van de eene boven de andere, dat Pericles in verbazing ten laatste uitriep:
„Zeg mij toch, Aspasia, hoe heet de man, die zich beroemen mag u in uwe prille jeugd in die moeilijke kunst te hebben onderwezen en ingewijd?”
„Dat zult ge vernemen,” hernam Aspasia, „wanneer ik u eens de geschiedenis mijner eerste jeugd vertel.”
„Waarom hebt ge dat nog nooit gedaan?” vroeg Pericles. „Hoe lang zult gij het nog uitstellen? Doe het nog heden. De gelegenheid is gunstig en Sophocles is zulk een vertrouwd vriend en zoo gesloten, dat gij u niet behoeft te ontzien, hem mededeelgenoot van uw verhaal te maken.”
„Neen,” zeide Sophocles, „hoe bekoorlijk ik mij ook de geschiedenis van Aspasia’s jeugd voorstel, moet ik toch vreezen, dat wanneer gij het genoegen ze te hooren met een ander moest deelen,[183]ze niet half zoo lang zal uitvallen, als wanneer gij alleen ze verneemt. Bovendien herinner ik mij de belofte, dat ik u niet eerder zou laten heengaan, vóór ik Aspasia door een reizang op Eros ten volle weder zal verzoend hebben en zoo moet ik wel andermaal de eenzaamheid opzoeken en aan de uwe, die gij wel niet minder wenscht, overlaten. Terwijl ik op denzelfden dag, waarop ik voor mijn treurspel een loflied op Eros dicht, een minnend paar als gij, in mijne afzondering heb ontvangen, geloof ik mij zoo verdienstelijk jegens den God te hebben gemaakt, dat het mij niet verwonderen zou, wanneer mij het schoonste lied, als dank daarvoor, van hem ten deel viel.”
Met deze woorden verwijderde zich de dichter.
Schertsend riep Aspasia hem achterna, dat hij niet moest terugkeeren zonder de bekoorlijke, schoon gelokte Philaenion.
Pericles en Aspasia waren nu weder in de stille, kalme geurige lanen alleen aan zich zelven overgelaten.
Nog opgewekt door het levendige gesprek onder het genot van den wijn en het snarenspel en toch in eene soort van zachte ontspanning, brachten zij, nu eens wandelend, dan weer rustend, den eersten tijd in dien zoeten, droomerigen toestand door, welke vooral in een bosch of in geurige, schaduwrijke tuinen in de uren van den middag zich van den geest meester maakt, wanneer Pan slaapt en zijne geesten, onbedwongen, in de eenzame dreven hun dartel spel drijven.—
De vette olijf glinsterde in de middagzon. Geen leeuwerik, met weligen kuif, huppelde meer rond, de hagedissen lagen sluimerend in de weiden. Slechts de boomkrekel liet hier en daar zijn zacht en melodisch gepiep op de takken hooren.
In zulke oogenblikken, bij eene bekoorlijke natuur is men zoo verhit, zoo opgewekt van den zonneschijn en de heerlijke geuren, geniet men zoo, dat, wanneer men zich ter ruste vleit op lommerrijke weiden onder ritselende boomen, de levensgeesten[184]niet weten of het eene zoete afmatting is, wat hen doortrilt, dan wel eene overbodige inspanning hunner veerkracht.
De beiden gelieven vertoefden ten laatste bij dat oord, waar de klimop zich slingerde, waar de golven van den Cephissus onder de zonnige twijgen klaterden en waar in de zwoele middagstilte het onschadelijk paar wateradders in de kristallen gloed zijne kringen placht te beschrijven, terwijl gonzende libellen over de watervlakte zweefden.
Uit dien half droomerigen toestand eener verrukkelijke siesta ontwakend, herhaalde Pericles zijn verzoek aan Aspasia, om hun vertrouwelijk te zamen zijn op dezen dag door het lang beloofde verhaal der lotgevallen van hare jeugd de kroon op te zetten.
Doch het is een zonderling iets, wanneer de lippen der vertelster fijn en zacht en heerlijk zijn als Attische honig. Pericles bekende, dat hij niet wist of hij begeeriger was naar de kussen zijner vriendin dan naar haar verhaal.
Eindelijk kwam zij aan het woord:
„Gij weet,” zeide zij glimlachend, „ik ben niet oud genoeg om u op een lang, avontuurlijk en bont verhaal te kunnen vergasten. Maar gij hebt het recht, naar mijne afkomst te mogen vragen en te vernemen, van welken aard mijn lot geweest is, vóór het met het uwe was verbonden. Philammon heette de man, naar wien gij zooeven hebt gevraagd, aan wien ik mijne kennis in de toonkunst en andere kunsten en in één woord alles te danken heb, wat een mensch den anderen te danken kan hebben, en ’t geen eigenlijk, naar ik meen niet zoo heel veel is; want het meest beslist toch bij den mensch, vooral bij de vrouw, de grond, waarop hij is geboren, de lucht, die hij inademt en de gedaante der dingen, die hij van zijne jeugd af om zich heeft gezien, boven alles echter de ingeboren aanleg en het lot en het gesternte, waaronder hij het levenslicht heeft aanschouwd.
„Die goede Philammon! Ik geloof niet, dat ik[185]ooit weder met een man in zoo’n gelukkigen vrede zal leven als met hem; want hij koesterde geene verwachtingen meer van mijne kunne en ik nog geene van de zijne. Hij telde tachtig jaar en ik tien. ’t Is waar, hij scheen wel een vierde jonger dan hij werkelijk was en ik een vierde ouder dan mijne jaren.
„Na den dood van mijn vader Axiochus en van mijne moeder te Milete werd ik door hem als een vriend des huizes in zijn familiekring opgenomen. Hij was de geleerdste, verstandigste, spraakzaamste en tevens vroolijkste grijsaard in het levenslustige Milete, de beminnelijkste grijsaard misschien, die de aarde sinds Anacreon had gedragen. Ik weet niet, of er ergens een schooner liefdeband bestaat, dan dit van een jeugdig grijsaard en een vroegrijp meisje. De scherpste tegenstellingen des levens zoeken en vinden elkaar in die vereeniging.
„Ik was schier hartstochtelijk verliefd op Philammon’s sneeuwwitten, lang afgolvenden baard, op zijne heldere oogen, waaruit mij al het licht der wetenschap scheen tegen te schitteren, op zijne lyren en cithers, op zijne boekrollen, op de bronzen en marmeren beelden van zijn huis en op het heerlijke bloemtapeet van zijn tuin. Wat hem betreft, hij scheen niet minder behagen in mij te scheppen; van het oogenblik af, waarop ik zijn huis betrad, speelde een glimlach om zijne lippen, zooals ik er nooit meer een heb gezien bij een gelukkig sterveling en dien ten laatste zelfs de dood niet geheel kon doen verdwijnen. Vijf jaren lang leefde ik in den geur der rozen, waarmede deze goddelijke grijsaard zijne bekers bekranste, dronk de wijsheid in uit zijne heldere oogen en zijne lippen, die overvloeiden van welsprekendheid, speelde op zijn lyren en cithers, ontrolde met gloeiende wangen zijne boekrollen, beschouwde zijne bronzen en marmeren beelden en verzorgde de bloemen van zijn tuin. De wereld derpoëzie, der tonen en der lente, was voor hem zelven op nieuw ontwaakt en bezield, toen hij ze nog eens met[186]het kind genoot. Hij zeide, dat hij tachtig jaar oud geworden was en nu eerst vele zijner boekrollen verstond, nu ik, het kind, ze hem had voorgelezen.
„Toen hij gestorven was, noemden de Milesiërs mij het schoonste meisje van het Ionische strand en ik zag voor de eerste maal in den spiegel. Het leven der rijke stad, waar vroegtijdig de Grieksche geest in de Aziatische zon tot weelderige volheid zich ontwikkelde, begon mij met verleidelijke bekoorlijkheid aan te grijpen.
„En toch was ik niet gelukkig.
„Bij Philammon’s boekrollen en marmeren beelden was ik vroolijk geweest; in den bedwelmenden roes der vreugde, door hulde en wierook omgeven, werd ik ernstig, nadenkend, luimig, aanmatigend.
„Ik miste iets.
„De mannen van Milete schenen mij dwaas toe. Zij dongen om mijne gunst, ik verachtte hen.
„Ik stond na den dood van Philammon als eene wees, jong, arm, onervaren in de wijde wereld.
„Toen zag mij een Perzisch satraap18en aanstonds vatte hij het plan op het zoo geroemde Ionische meisje naar Persepolis19te voeren, naar den grooten koning20. Mijne dwaze meisjesziel werd ontvlamd. Ik dacht aan Rhodopis21, die den koning van Aegypte, aan mijne landgenoote Thargelia, die den koning der Thessaliërs tot echtgenooten hadden gekregen. De koning der Perzen echter, de machtigste der aarde, zweefde voor mijn geest als het ideaal van alle mannelijke schoonheid, al het verhevene, beminnelijke en geestkrachtige. Als kind bij Philammon was ik verstandig geweest voor mijne jaren thans als rijpende jonkvrouw werd ik gekkelijk. Te Persepolis aangekomen, werd ik[187]rijkelijk opgesierd en toen naar den koningsburg gevoerd, die in verblindende pracht prijkte. Te midden van deze heerlijkheid zat de koning der Perzen, niet minder schitterend uitgedost, maar met het uiterlijk van een gewoon mensch. Hij lonkte mij met zijn doffe, despotische oogen toe. Eindelijk begon hij slaperig de hand naar mij uit te strekken, als naar eene koopwaar, die hij betasten wilde. Dat prikkelde mij; tranen van spijt ontsprongen aan mijne oogen. Dat beviel den Pers echter en een lach plooide zijne matte trekken. Hij spaarde mij zelfs sedert dat oogenblik en zeide dat de fierheid der Grieksche vrouwen hem beter beviel, dan de slaafsche karakterloosheid der andere vrouwen. Na weinige weken was het hart van den despoot voor mij in liefde ontbrand. Mij echter overviel een angst; ik verzonk in zwaarmoedigheid. Vreemd, eentonig, koud scheen het leven om mij heen. De menschen waren niet vatbaar voor eenigen hartstocht. In zich zelven gekeerd leven zij voort in pronkvertrekken van bedwelmende aromen doortrokken. Zonderling en beangstigend scheen mij die pracht van het Oosten toe en snel was de betoovering geweken, waarmede zij in den beginne mijne verbeeldingskracht had verstrikt. Een koude huivering overviel mij, als ik de tempels en afgodsbeelden in den vreemde beschouwde; een heimwee greep mij aan naar de Goden van Hellas.
„Ik ontvluchtte na korten tijd. Vrij ademde ik weder, toen ik het Ionische strand weder betrad, toen ik de Grieksche zee, voorbode van eene nieuwe en betere toekomst, tegen de kust zag aanklotsen. Onder begeleiding van eene enkele trouwe slavin zocht ik in de haven van Milete een schip, dat mij naar Griekenland zou voeren. Ik vond een koopvaarder uit Megara, die bereid was mij naar die stad te brengen. Van daar kon ik spoedig het naburige, fiere, bloeiende Athene bereiken, waarnaar mijne ziel zoo vurig had verlangd. Te Megara met mijne slavin aangekomen, stond ik voorloopig alleen en hulpeloos. De bedaagde[188]scheepskapitein, die mij van Milete had medegenomen, noodig mij in zijne woning en beloofde mij eerstdaags naar Athene te doen voeren. Ik nam zijne uitnoodiging aan. Hij echter vertraagde van dag tot dag de voorbereidselen tot mijn vertrek, totdat ik ten laatste bemerkte, dat hij voornemens was mij in zijn huis te houden. Weldra zag ik ook zijn opgeschoten zoon in hartstocht voor mij ontbrand en in huis, als eene gevangene bewaakt, werd ik door beider liefdesbetuigingen vervolgd. Voor hen, meenden die dwazen, zou ik ongerept den Perzischen koning zijn ontvloden en voor hen mij hebben gespaard. Toen ik nu koel bleef en alles deed, om de boeien, die men mij wreed had aangeslagen, te verbreken, barstte beider gramschap in hevige woede over mij los. De vrouw van den scheepskapitein had echter van den beginne afaan de jeugdige vreemdelinge met argwanenden blik beschouwd en toen zij nu, terwijl deze beide mannen op mij vertoornd waren en om mijnentwil geweldig met elkaar twisten, door eene razende ijverzucht werd aangegrepen, zag ik mij als door Furiën omringd en geweldig bedreigd door de hartstochten dezer razende menschen. De vrouw kwam op de gedachte de Megarensers tegen mij als eene vreemde toovenares en verstoorster van den huiselijken vrede op te hitsen en daar de beide mannen door mijne koelheid en de onmogelijkheid mij langer in huis te houden vreeselijk verbitterd waren, ondersteunden zij uit wraakzucht de pogingen der vrouw. Hun streven was niet zonder gevolg. Ik was toch in Megara, onder menschen van den Dorischen stam, onder menschen, die, losgerukt van hunne stamgenooten in de Peloponnesus, zoo dicht bij het machtige, dreigende Athene, daarom te sterker zich hunne Dorische afkomst bewust waren, en des te slaafscher de Spartaansche zeden meenden te moeten handhaven. Streng en mannelijk in hun doen willen zij schijnen, maar zij zijn dubbel teugelloos, wanneer de hartstocht zich van hen meester maakt;[189]want hun gemoed is ruw, hun geest gemeen. Hun heftig gevoel is vreemd aan elke zachte aandoening, die over de gemoederen van andere menschen door den adem der bekoorlijkheid en vriendelijkheid is uitgespreid.
„Op mijn dringend verlangen deed men het eindelijk voorkomen, dat men mij rustig zou laten vertrekken. Een muildier stond gereed voor mijn goed, een draagstoel voor mij en mijne slavin. Toen ik echter uit het huis van den Megarenser trad, vond ik het tegen mij opgehitste volk op straat verzameld en werd ik met spottende en hoonende woorden begroet.
„Voor het volk van Megara was het voldoende te hooren, dat ik eene Milesische was, om mij te haten en in blinde woede te vervolgen. Ik weet niet, wat mij met zulk een moed, met zulk een fierheid bezielde, toen ik dit Dorische gepeupel, grijnzend, schreeuwend, dreigend rondom mij gedrongen zag. Met opgerichten hoofde ging ik door de menigte, achter mij mijne sidderende slavin. De voorsten, die een weinig voor mij teruggeweken waren, werden door hen, die achter hen stonden, opnieuw tegen mij aangedrongen; ik zag mij in een maalstroom van verwarring vastgeklemd, gestomt en toen ik ziedend van toorn een woord tot de menigte sprak, grepen eenigen onder smadelijke bedreiging mij bij de armen en het gewaad.
„Op dat oogenblik kwam een reiswagen met paarden bespannen den weg langs. In den wagen zat, naar het scheen, een aanzienlijk en rijk man, door slaven gevolgd.
„Toen deze man mij zag, te midden van dat dreigend gevaar, daar de vermetelsten reeds de hand aan mij sloegen, liet hij den wagen stilhouden en gaf den zijnen last, mij en mijne slavin in den ruimen reiswagen te helpen en, toen dit geschied was, bracht het vurige span mij in weinige oogenblikken voor altijd uit het vervloekte Megara en onttrok mij aan de smadelijke bejegening, die mij dreigde.”[190]
„Nu begrijp ik, Aspasia,” viel Pericles in, „waarom gij geheel in strijd met uw kalm karakter, zoo vijandig en hartstochtelijk opvliegt wanneer er sprake is van de Doriërs en het Dorische karakter.”
„Ik ontken het niet,” hernam Aspasia, „ik heb sedert dien dag te Megara aan alle Doriërs onverzoenlijken haat en wraak gezworen.”
„En de man, die u redde,” zeide Pericles, „was zeker niemand anders dan Hipponicus?”
„Dezelfde,” antwoordde Aspasia.
„Gij hebt,” vervolgde Pericles, „een weelderigsten bloei van Ionische karakter te Milete en de plompe overdrijving van het Dorische te Megara leeren kennen. Thans op den bodem van Athene gekomen, zult gij, hoop ik, u in dat schoone en gelukkige midden gevoelen, dat het gevolg is van de verzoening en de harmonie der uitersten.”
„Het was mij aanstonds een goed teeken,” antwoordde Aspasia, „dat het toeval mij, zoodra ik den Atheenschen bodem had betreden, naar die plaats voerde, waar de levendigste vonken van den nieuwen Atheenschen geest rondspatten—naar de werkplaats van Phidias.”—
„En daar,” viel Pericles in, „vondt gij de mannen, die gij aan het hof van den Perzischen koning miste, de gevoelige ontvankelijke mannen, waarop gij invloed kondt oefenen—daar vondt gij den krachtigen, vurigen Alcamenes …”
„En den peinzenden, niet vurigen, niet innemenden zoon van Sophroniscus,” hernam Aspasia; „en ik trachtte aan beiden datgene te geven, ’t welk zij mij naar hun eigenaardig karakter schenen noodig te hebben. Den beeldhouwer toonde ik, dat hij niet alleen van den meester Phidias kan leeren en het gelukte mij de valsche bescheidenheid van den waarheidszoeker, die de geheele wereld met zijne vorschende vragen vervolgt, voor een deel althans in een ware te veranderen. Maar nogontbrakmij de man, wien ik niet alleen dit of dat, wien ik alles, wien ik mijn geheele persoonlijkheid niet zou[191]aarzelen toe te vertrouwen. Eindelijk vond ik hem. Sedert dien tijd ben ik der smidse, waar de echte vonken van den nieuwen Helleenschen geest opspatten, nog nader gekomen, dan in de werkplaats van Phidias.”
„En waar was dat?” vroeg Pericles.
„Aan het hart van den gemaal der pauwenslachtende Telesippe!” hernam Aspasia glimlachend en vlijde haar schoon gelokt hoofd met smeltenden blik aan de borst van den geliefden man.
Hij boog zich over haar en drukte haar een kus op de lippen. Daarna sprak hij:
„Menige van die levensvonken van den Helleenschen geest zou wellicht nog sluimeren in deze borst, Aspasia, wanneer gij uw schoon hoofd daar nooit tegen had gedrukt!”—
Zoo verliep de dag voor het gelukkige paar in den tuin van Sophocles.
De avond begon te vallen, de boschjes geurden sterker, de nachtegalen hieven hun lied aan in de twijgen en als wilden zij met hen wedijveren, lieten de krekels in het gras hunne schelle tonen hooren. Glimwormen glinsterden uit het donker der boschjes en Hesperus22spreidde zijn glans uit aan den hemel.
Thans verscheen de dichter weder, om zijne gasten tot den maaltijd uit te noodigen. Hij voerde hen wederom naar dat gezellige, liefelijk versierde tuinhuis.
„Gij hebt mij,” zeide Sophocles, zich tot Aspasia wendende, „toen ik van u heen ging, een bevel nagezonden. En wie zou het durven wagen u niet te gehoorzamen in alles wat gij zoudt kunnen wenschen?”
Daarbij wees hij naar den achtergrond van het vertrek, waaruit Philaenion lachend te voorschijn trad.
Pericles en Aspasia waren aangenaam verrast. Philaenion was klein, maar van een betooverende,[192]evenredige gestalte; daarbij was zij krachtig van leden en toch vol bekoorlijkheid in hare bewegingen. Zij had de zwartste oogen en boven het ietwat lage voorhoofd viel het donkerste haar in krullende lokken.
Aspasia dankte den dichter in vriendelijke woorden voor zijne bereidwilligheid en kuste Philaenion op het voorhoofd. Vroolijk schaarde men zich om den disch. Vele heerlijke gaven werden er aangeboden en wederom stroomde de vurige Chiërwijn23onder opgeruimden, geestigen kout en gelach.
Toen las Sophocles zijn gasten den beloofden lofzang op Eros voor, den onsterfelijken reizang op den „Alverwinnaar in den strijd.”
In verrukking hieven Aspasia en de dichter aanstonds bij het getokkel der snaren het schoone lied aan. De melodie stroomde als van zelf van hunne lippen. Zij vonden ze gelijkelijk uit.—
Philaenion in dezelfde geestverrukking viel in, en zoowel door het lied als door den gloeienden wijn bezield, begeleidde zij weldra den zang met de bekoorlijkste, innemendste dansen.
Wie zou het geluk dezer gelukkige menschen vermogen te schilderen?
Zij waren gelukzalig, als de Olympische Goden.
Toen Pericles met Aspasia laat in den avond den lusthof doorwandelde, om naar huis terug te keeren, geurden de rozen bedwelmend; de scharlakenroode, geheimzinnig vlammende anjelierbloesem schitterde in de duisternis.
En nooit kweelden de nachtegalen in het Cephissus-dal bekoorlijker dan in dien nacht.
„Weet gij, wat zij zingen,” zeide Pericles tot Aspasia, die met een blijden glimlach aan zijne zijde wandelde. „Zij zingen allen den reizang van Sophocles op Eros; zij zingen allen:[193]
„God der liefde, nooit bedwongen,Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed,Waar uw pijl is ingedrongen,Voor uw almagt buigen doet;Die uw zetel hebt gekozenOp het liefelijk gelaatVan de teedre maagd, wier bloozenWat haar harte wenscht verraadt!”24
„God der liefde, nooit bedwongen,
Eros, die zelfs ’t ruwst gemoed,
Waar uw pijl is ingedrongen,
Voor uw almagt buigen doet;
Die uw zetel hebt gekozen
Op het liefelijk gelaat
Van de teedre maagd, wier bloozen
Wat haar harte wenscht verraadt!”24
Zij zingen allen:
„Alle wezens kunt gij dwingen,Land en zee is uw gebied;’t Broos geslacht der stervelingen,De eeuwige Goôn zelfs vreest gij niet.Ach, met onbegrensd vermogenHeerscht de teedre, zwakke maagd,Als de gloed der schitterende oogenZoete drift in ’t harte jaagt,Onverwinbaar neemt de minSpelend aller zielen in.”— —
„Alle wezens kunt gij dwingen,
Land en zee is uw gebied;
’t Broos geslacht der stervelingen,
De eeuwige Goôn zelfs vreest gij niet.
Ach, met onbegrensd vermogen
Heerscht de teedre, zwakke maagd,
Als de gloed der schitterende oogen
Zoete drift in ’t harte jaagt,
Onverwinbaar neemt de min
Spelend aller zielen in.”— —
1De Academie was een gymnasium bij Athene, naar den heros Academus genoemd, waar Plato zijne lessen gaf. Vandaar, dat men ook onder Academie de school van Plato verstaat.↑2Eene bronnimf.↑3Hamadryaden zijn boomnimfen, in onderscheiding van Dryaden, dat in ’t algemeen woudnimfen, vooral der eiken (Drus, eik) zijn. Sommigen nemen tusschen beide nimfen geen onderscheid aan.↑4Iliad. VI, vs. 506 en vv., waar men deze heerlijke vergelijking in haar geheel kan lezen.↑5De Parcen (Moiren) waren de Godinnen van het noodlot. Gewoonlijk worden er drie genoemd: „Clotho”, die de levensdraden spint, „Lachesis” die den menschen hun lot toedeelt en „Atropos”, de onafwendbare, de noodzakelijkheid om te sterven.↑6Lamia, de dochter van Belos en Libya werd om hare schoonheid door Zeus bemind; uit wraak hierover roofde Hera hare kinderen. Lamia, van verdriet waanzinnig geworden ontvoerde en doodde de kinderen van andere moeders. Vandaar wordt zij als een schrikkelijk spook beschouwd. Later verstond men onder Lamia eene schoone vrouw, die de jonge mannen bekoorde en verleidde.↑7Circe was eene machtige toovenares, de dochter van Helios en Perseïs, op het eiland Aea, die Odysseus’ tochtgenooten in zwijnen veranderde.↑8De Hesperiden, gewoonlijk vier in getal, Aegle, Erythea, Histia en Arethusa, bewaakten met den honderdkoppigen draak Lado de gouden appelen van Hera op het Atlas-gebergte, in de uiterste streken der aarde.↑9Argus, bijgenaamd Panoptes, de alziende, was de zon van Agenor of Inachus, die vele monsters doodde. Hij was met honderd oogen voorzien. Later werd hij door Hermes gedood. Met zijne oogen tooide Hera den pauwenstaart.↑10Eene soort van roofvogels, met vrouwenaangezichten en groote klauwen. Bij Hesiodes heeten zij „Aello” en „Ocypete”.↑11Antigone, de dochter van Oedipus, koning van Thebe, en Iocaste.↑12Vooral de wijnen van Chios, Lesbos en Cyprus waren beroemd.↑13Creon was koning over Thebe, opvolger van Oedipus.↑14Hades is eigenlijk de God van de onderwereld, Pluto; vandaar ook de onderwereld zelve.↑15Distichos beteekent eigenlijk van „twee rijen” of „regels” v.d. distichon een vers, waarvan de eerste regel zesvoetig is (een hexameter) en de tweede vijfvoetig (een pentameter). De grondtoon dezer verzen is de dactylus, d.i. eene lange lettergreep, gevolgd door twee korte.↑16Tot recht verstand dezer verzen diene: het Grieksche woord Peithoo beteekent: overtuigende welsprekendheid, de gave der overreding, van daar ook: de Godin der welsprekendheid, en overreding. De Horen zijn de dienaressen van Aphrodite, de Godinnen van den bloei en de rijpheid; de eerste heet dan Thallo, (lente) de tweede Carpo (herfst). Zij komen dikwijls voor in verbinding met de Chariten (Gratiën). Over Calliope, eene der Muzen, zienoot 1 pag. 30. Wat Themis aangaat, vergelijknoot 1 pag. 46.↑17Het Grieksche voorzetsel hupo (onder), geeft in dergelijke samenstellingen dikwijls eene nabootsing in den trant van —. Zoo ook in Hypodorisch en Hypophrygisch: iets Dorisch, Phrygisch, wat naar dien stijl of melodie zweemt.↑18Landvoogd.↑19Persepolis, Pârsa („de stad der Perzen”) was eens de hoofdstad van Perzië en de begraafplaats der koningen, niet ver van den Araxes. Door Darius I werd het ongeveer in 515 v. C. tot residentie verheven.↑20Met den naam van groote koning werd in de oudheid de Perzische koning bestempeld, zoodat zelfs het Grieksche woord koning, basileus, zonder lidwoord, altijd de koning der Perzen aanduidde.↑21Men leze daaromtrent den roman van Georg Ebers, „eene Aegyptische koningsdochter”, ten onzent door Dr. H. C. Rogge en C. H. Pleyte vertaald.↑22De avondster.↑23Van Chios, een der schoonste en vruchtbaarste eilanden van deAegaeïschezee, thans Chios of Stankio, door de Turken Saki geheeten. Het eiland was vooral beroemd om zijn heerlijken wijn en vijgen.↑24Men leze dezen schoonen reizang in haar geheel bij Sophocles, in de Antigone, vs. 772, v.v. Ik bezig Opzoomer’s vertaling.↑
1De Academie was een gymnasium bij Athene, naar den heros Academus genoemd, waar Plato zijne lessen gaf. Vandaar, dat men ook onder Academie de school van Plato verstaat.↑2Eene bronnimf.↑3Hamadryaden zijn boomnimfen, in onderscheiding van Dryaden, dat in ’t algemeen woudnimfen, vooral der eiken (Drus, eik) zijn. Sommigen nemen tusschen beide nimfen geen onderscheid aan.↑4Iliad. VI, vs. 506 en vv., waar men deze heerlijke vergelijking in haar geheel kan lezen.↑5De Parcen (Moiren) waren de Godinnen van het noodlot. Gewoonlijk worden er drie genoemd: „Clotho”, die de levensdraden spint, „Lachesis” die den menschen hun lot toedeelt en „Atropos”, de onafwendbare, de noodzakelijkheid om te sterven.↑6Lamia, de dochter van Belos en Libya werd om hare schoonheid door Zeus bemind; uit wraak hierover roofde Hera hare kinderen. Lamia, van verdriet waanzinnig geworden ontvoerde en doodde de kinderen van andere moeders. Vandaar wordt zij als een schrikkelijk spook beschouwd. Later verstond men onder Lamia eene schoone vrouw, die de jonge mannen bekoorde en verleidde.↑7Circe was eene machtige toovenares, de dochter van Helios en Perseïs, op het eiland Aea, die Odysseus’ tochtgenooten in zwijnen veranderde.↑8De Hesperiden, gewoonlijk vier in getal, Aegle, Erythea, Histia en Arethusa, bewaakten met den honderdkoppigen draak Lado de gouden appelen van Hera op het Atlas-gebergte, in de uiterste streken der aarde.↑9Argus, bijgenaamd Panoptes, de alziende, was de zon van Agenor of Inachus, die vele monsters doodde. Hij was met honderd oogen voorzien. Later werd hij door Hermes gedood. Met zijne oogen tooide Hera den pauwenstaart.↑10Eene soort van roofvogels, met vrouwenaangezichten en groote klauwen. Bij Hesiodes heeten zij „Aello” en „Ocypete”.↑11Antigone, de dochter van Oedipus, koning van Thebe, en Iocaste.↑12Vooral de wijnen van Chios, Lesbos en Cyprus waren beroemd.↑13Creon was koning over Thebe, opvolger van Oedipus.↑14Hades is eigenlijk de God van de onderwereld, Pluto; vandaar ook de onderwereld zelve.↑15Distichos beteekent eigenlijk van „twee rijen” of „regels” v.d. distichon een vers, waarvan de eerste regel zesvoetig is (een hexameter) en de tweede vijfvoetig (een pentameter). De grondtoon dezer verzen is de dactylus, d.i. eene lange lettergreep, gevolgd door twee korte.↑16Tot recht verstand dezer verzen diene: het Grieksche woord Peithoo beteekent: overtuigende welsprekendheid, de gave der overreding, van daar ook: de Godin der welsprekendheid, en overreding. De Horen zijn de dienaressen van Aphrodite, de Godinnen van den bloei en de rijpheid; de eerste heet dan Thallo, (lente) de tweede Carpo (herfst). Zij komen dikwijls voor in verbinding met de Chariten (Gratiën). Over Calliope, eene der Muzen, zienoot 1 pag. 30. Wat Themis aangaat, vergelijknoot 1 pag. 46.↑17Het Grieksche voorzetsel hupo (onder), geeft in dergelijke samenstellingen dikwijls eene nabootsing in den trant van —. Zoo ook in Hypodorisch en Hypophrygisch: iets Dorisch, Phrygisch, wat naar dien stijl of melodie zweemt.↑18Landvoogd.↑19Persepolis, Pârsa („de stad der Perzen”) was eens de hoofdstad van Perzië en de begraafplaats der koningen, niet ver van den Araxes. Door Darius I werd het ongeveer in 515 v. C. tot residentie verheven.↑20Met den naam van groote koning werd in de oudheid de Perzische koning bestempeld, zoodat zelfs het Grieksche woord koning, basileus, zonder lidwoord, altijd de koning der Perzen aanduidde.↑21Men leze daaromtrent den roman van Georg Ebers, „eene Aegyptische koningsdochter”, ten onzent door Dr. H. C. Rogge en C. H. Pleyte vertaald.↑22De avondster.↑23Van Chios, een der schoonste en vruchtbaarste eilanden van deAegaeïschezee, thans Chios of Stankio, door de Turken Saki geheeten. Het eiland was vooral beroemd om zijn heerlijken wijn en vijgen.↑24Men leze dezen schoonen reizang in haar geheel bij Sophocles, in de Antigone, vs. 772, v.v. Ik bezig Opzoomer’s vertaling.↑
1De Academie was een gymnasium bij Athene, naar den heros Academus genoemd, waar Plato zijne lessen gaf. Vandaar, dat men ook onder Academie de school van Plato verstaat.↑
1De Academie was een gymnasium bij Athene, naar den heros Academus genoemd, waar Plato zijne lessen gaf. Vandaar, dat men ook onder Academie de school van Plato verstaat.↑
2Eene bronnimf.↑
2Eene bronnimf.↑
3Hamadryaden zijn boomnimfen, in onderscheiding van Dryaden, dat in ’t algemeen woudnimfen, vooral der eiken (Drus, eik) zijn. Sommigen nemen tusschen beide nimfen geen onderscheid aan.↑
3Hamadryaden zijn boomnimfen, in onderscheiding van Dryaden, dat in ’t algemeen woudnimfen, vooral der eiken (Drus, eik) zijn. Sommigen nemen tusschen beide nimfen geen onderscheid aan.↑
4Iliad. VI, vs. 506 en vv., waar men deze heerlijke vergelijking in haar geheel kan lezen.↑
4Iliad. VI, vs. 506 en vv., waar men deze heerlijke vergelijking in haar geheel kan lezen.↑
5De Parcen (Moiren) waren de Godinnen van het noodlot. Gewoonlijk worden er drie genoemd: „Clotho”, die de levensdraden spint, „Lachesis” die den menschen hun lot toedeelt en „Atropos”, de onafwendbare, de noodzakelijkheid om te sterven.↑
5De Parcen (Moiren) waren de Godinnen van het noodlot. Gewoonlijk worden er drie genoemd: „Clotho”, die de levensdraden spint, „Lachesis” die den menschen hun lot toedeelt en „Atropos”, de onafwendbare, de noodzakelijkheid om te sterven.↑
6Lamia, de dochter van Belos en Libya werd om hare schoonheid door Zeus bemind; uit wraak hierover roofde Hera hare kinderen. Lamia, van verdriet waanzinnig geworden ontvoerde en doodde de kinderen van andere moeders. Vandaar wordt zij als een schrikkelijk spook beschouwd. Later verstond men onder Lamia eene schoone vrouw, die de jonge mannen bekoorde en verleidde.↑
6Lamia, de dochter van Belos en Libya werd om hare schoonheid door Zeus bemind; uit wraak hierover roofde Hera hare kinderen. Lamia, van verdriet waanzinnig geworden ontvoerde en doodde de kinderen van andere moeders. Vandaar wordt zij als een schrikkelijk spook beschouwd. Later verstond men onder Lamia eene schoone vrouw, die de jonge mannen bekoorde en verleidde.↑
7Circe was eene machtige toovenares, de dochter van Helios en Perseïs, op het eiland Aea, die Odysseus’ tochtgenooten in zwijnen veranderde.↑
7Circe was eene machtige toovenares, de dochter van Helios en Perseïs, op het eiland Aea, die Odysseus’ tochtgenooten in zwijnen veranderde.↑
8De Hesperiden, gewoonlijk vier in getal, Aegle, Erythea, Histia en Arethusa, bewaakten met den honderdkoppigen draak Lado de gouden appelen van Hera op het Atlas-gebergte, in de uiterste streken der aarde.↑
8De Hesperiden, gewoonlijk vier in getal, Aegle, Erythea, Histia en Arethusa, bewaakten met den honderdkoppigen draak Lado de gouden appelen van Hera op het Atlas-gebergte, in de uiterste streken der aarde.↑
9Argus, bijgenaamd Panoptes, de alziende, was de zon van Agenor of Inachus, die vele monsters doodde. Hij was met honderd oogen voorzien. Later werd hij door Hermes gedood. Met zijne oogen tooide Hera den pauwenstaart.↑
9Argus, bijgenaamd Panoptes, de alziende, was de zon van Agenor of Inachus, die vele monsters doodde. Hij was met honderd oogen voorzien. Later werd hij door Hermes gedood. Met zijne oogen tooide Hera den pauwenstaart.↑
10Eene soort van roofvogels, met vrouwenaangezichten en groote klauwen. Bij Hesiodes heeten zij „Aello” en „Ocypete”.↑
10Eene soort van roofvogels, met vrouwenaangezichten en groote klauwen. Bij Hesiodes heeten zij „Aello” en „Ocypete”.↑
11Antigone, de dochter van Oedipus, koning van Thebe, en Iocaste.↑
11Antigone, de dochter van Oedipus, koning van Thebe, en Iocaste.↑
12Vooral de wijnen van Chios, Lesbos en Cyprus waren beroemd.↑
12Vooral de wijnen van Chios, Lesbos en Cyprus waren beroemd.↑
13Creon was koning over Thebe, opvolger van Oedipus.↑
13Creon was koning over Thebe, opvolger van Oedipus.↑
14Hades is eigenlijk de God van de onderwereld, Pluto; vandaar ook de onderwereld zelve.↑
14Hades is eigenlijk de God van de onderwereld, Pluto; vandaar ook de onderwereld zelve.↑
15Distichos beteekent eigenlijk van „twee rijen” of „regels” v.d. distichon een vers, waarvan de eerste regel zesvoetig is (een hexameter) en de tweede vijfvoetig (een pentameter). De grondtoon dezer verzen is de dactylus, d.i. eene lange lettergreep, gevolgd door twee korte.↑
15Distichos beteekent eigenlijk van „twee rijen” of „regels” v.d. distichon een vers, waarvan de eerste regel zesvoetig is (een hexameter) en de tweede vijfvoetig (een pentameter). De grondtoon dezer verzen is de dactylus, d.i. eene lange lettergreep, gevolgd door twee korte.↑
16Tot recht verstand dezer verzen diene: het Grieksche woord Peithoo beteekent: overtuigende welsprekendheid, de gave der overreding, van daar ook: de Godin der welsprekendheid, en overreding. De Horen zijn de dienaressen van Aphrodite, de Godinnen van den bloei en de rijpheid; de eerste heet dan Thallo, (lente) de tweede Carpo (herfst). Zij komen dikwijls voor in verbinding met de Chariten (Gratiën). Over Calliope, eene der Muzen, zienoot 1 pag. 30. Wat Themis aangaat, vergelijknoot 1 pag. 46.↑
16Tot recht verstand dezer verzen diene: het Grieksche woord Peithoo beteekent: overtuigende welsprekendheid, de gave der overreding, van daar ook: de Godin der welsprekendheid, en overreding. De Horen zijn de dienaressen van Aphrodite, de Godinnen van den bloei en de rijpheid; de eerste heet dan Thallo, (lente) de tweede Carpo (herfst). Zij komen dikwijls voor in verbinding met de Chariten (Gratiën). Over Calliope, eene der Muzen, zienoot 1 pag. 30. Wat Themis aangaat, vergelijknoot 1 pag. 46.↑
17Het Grieksche voorzetsel hupo (onder), geeft in dergelijke samenstellingen dikwijls eene nabootsing in den trant van —. Zoo ook in Hypodorisch en Hypophrygisch: iets Dorisch, Phrygisch, wat naar dien stijl of melodie zweemt.↑
17Het Grieksche voorzetsel hupo (onder), geeft in dergelijke samenstellingen dikwijls eene nabootsing in den trant van —. Zoo ook in Hypodorisch en Hypophrygisch: iets Dorisch, Phrygisch, wat naar dien stijl of melodie zweemt.↑
18Landvoogd.↑
18Landvoogd.↑
19Persepolis, Pârsa („de stad der Perzen”) was eens de hoofdstad van Perzië en de begraafplaats der koningen, niet ver van den Araxes. Door Darius I werd het ongeveer in 515 v. C. tot residentie verheven.↑
19Persepolis, Pârsa („de stad der Perzen”) was eens de hoofdstad van Perzië en de begraafplaats der koningen, niet ver van den Araxes. Door Darius I werd het ongeveer in 515 v. C. tot residentie verheven.↑
20Met den naam van groote koning werd in de oudheid de Perzische koning bestempeld, zoodat zelfs het Grieksche woord koning, basileus, zonder lidwoord, altijd de koning der Perzen aanduidde.↑
20Met den naam van groote koning werd in de oudheid de Perzische koning bestempeld, zoodat zelfs het Grieksche woord koning, basileus, zonder lidwoord, altijd de koning der Perzen aanduidde.↑
21Men leze daaromtrent den roman van Georg Ebers, „eene Aegyptische koningsdochter”, ten onzent door Dr. H. C. Rogge en C. H. Pleyte vertaald.↑
21Men leze daaromtrent den roman van Georg Ebers, „eene Aegyptische koningsdochter”, ten onzent door Dr. H. C. Rogge en C. H. Pleyte vertaald.↑
22De avondster.↑
22De avondster.↑
23Van Chios, een der schoonste en vruchtbaarste eilanden van deAegaeïschezee, thans Chios of Stankio, door de Turken Saki geheeten. Het eiland was vooral beroemd om zijn heerlijken wijn en vijgen.↑
23Van Chios, een der schoonste en vruchtbaarste eilanden van deAegaeïschezee, thans Chios of Stankio, door de Turken Saki geheeten. Het eiland was vooral beroemd om zijn heerlijken wijn en vijgen.↑
24Men leze dezen schoonen reizang in haar geheel bij Sophocles, in de Antigone, vs. 772, v.v. Ik bezig Opzoomer’s vertaling.↑
24Men leze dezen schoonen reizang in haar geheel bij Sophocles, in de Antigone, vs. 772, v.v. Ik bezig Opzoomer’s vertaling.↑