Chapter 4

Onze schets heeft in de laatst voorafgaande bladzijden de kleine Atheners, hetzij alleen hetzij met anderen, laten rondzwerven op eene vrij ongeregelde wijze. De lezer meene echter niet dat zulk een vagebondeeren in overeenstemming is met de opvoedingsbeginselen der Atheensche vaders. Dit kan genoegzaam blijken uit de nauwlettende zorg waarmee op zijn geheele doen en laten wordt toegezien, zoodra hij—op zijn zevende jaar—naar school gaat. Als zijn ouders het eenigszins ruim hebben volgt hem op zijn’ weg een vertrouwde slaaf van middelbaren of hoogeren leeftijd; dat is depaedagoog. Zijne figuur is voor ons zoo vreemd, en van zijne verhouding tot den knaap, die tegelijk zijn meester en zijn pupil is, zoo onmodern, dat het de moeite waard is iets langer bij dezen slaaf stil te staan dan zulk een lakei oppervlakkig beschouwd het schijnt te verdienen.De naam van dezen ouden dienaar heeft een voornameren klank dan men voor eenen slaaf die een’ jongen naar school brengt zou verwachten, en dank zij een merkwaardige speling van het lot is eerst in lateren tijd, toen de eigenlijke slavenfunctie van den paidagogos min of meer uit de mode was geraakt, de oude beteekenis van het woord door het overdrachtelijke gebruik dat de philosophen er van maakten weer op den voorgrond gekomen. Immersagogebeteekent niet slechts „geleide”, maar ook „leiding”, en in de oude tijden was dan ook—vooral in vorstelijke kringen—de paedagoog behalve de geleider tevens de leidsman van denjongen edele geweest, dien men aan zijne zorg toevertrouwde. Het zijn de heroïsche, de ongeletterde tijden, waarvan dit geldt; maar de latere Grieken hebben het nooit vergeten. De tragici vooral bewaren aan die oudere periode opzettelijk en met onloochenbare sympathie de herinnering. Zij beijveren zich om hunne paedagogentypen ernstig en eerbiedwaardig te maken; aan niemand hunner is dat beter gelukt dan aan Sophocles toen hij zijn Electra schreef: de getrouwe dienaar die aan den aanvang van dit treurspel den jongen koningszoon geleidt naar het paleis van zijnen Vader, de dienaar dien Sophocles de eer van de aanvangswoorden heeft waardig gekeurd:Agamemnons zoon, nu moogt gij eindlijk alles zienmet eigen oogen, waar ge altijd naar hebt verlangd,die dienaar is in de plannen en de plichten van den jongen Orestes geheel ingewijd; meer dan dat: zijn ernst, vertrouwd met het verleden van het Atridengeslacht, heeft inderdaad Orestes gevormd: die edele aard, dat besef van adel, die aanhankelijkheid zijn zijn werk. Wij staan dan ook geen oogenblik verbaasd over het feit dat deze slaaf alles bestiert, dat hij Orestes aanspoort en leidt, op een toon van beproefd en erkend gezag. Eerst na eenig nadenken komen wij er toe te vragen: wie geeft aan dezen slaaf zoo groote autoriteit?Intusschen, de paedagogentype uit de Electra staat niet alleen. Telkens vindt men haar weer in de tragedie, niet vaak met zooveel noblesse geteekend, maar wel telkens bekleed met dezelfde autoriteit. Blijkbaar hebben de treurspeldichters willen doen uitkomen dat zij zich de verhouding van den paedagoog tot zijn jongen beschermeling in haren oorsprong geheel anders denken dan die in hun eigen tijd geworden was. Er was reden voor hen om zich de vraag te stellen, of eigenlijk de heroëntijd dien zij in hunne tragediën beschrijven, wel paedagogen had gekend; wantde Ilias en de Odyssee zijn ook hier weer karig in duidelijke en onmiddellijk beslissende getuigenissen. Aan het hof van Peleus, den vader van Achilles heeft Phoinix, zelf man van adel, doch wegens manslag balling uit zijn land, eenigermate tegenover Achilles, den jongen prins, de rol van paedagoog vervuld. Peleus heeft hem huis en hof geschonken en vertrouwt hem zijn zoon toe. En Phoinix verzorgt eerst Achilles, en daarna zorgt hij voor hem: eerst gewent hij hem behoorlijk te eten en drinken zonder te morsen—maar straks leert hij hem ook:èn een spreker van woorden te zijn, en wrochter van daden.Achilles is in den tijd dien Phoinix hier beschrijft nog een knaap. Maar als Telemachus op reis gaat, die toch al een jonge man is en op Ithaka reeds min of meer aan het hoofd van de huishouding staat, heeft hij toch op zijnen tocht naar Pylos een leidsman bij zich, om hem te raden en te helpen. Immers Godin Athena zelve gaat mee in de gedaante van Mentor, en in haren naam is de zorg van den idealen paedagoog vereeuwigd.Ook buiten den kring van de ridderpoëzie en het drama vinden wij dezelfde verhouding geteekend: toezicht en leiding in dagelijkschen omgang, gezelschap als van een gouverneur, maar dan zonder te scherpe aanduiding van het standsverschil; en een sprekend voorbeeld van zulk eene verhouding is door Herodotus gegeven in de door somber fatalisme zoo aangrijpende geschiedenis van dien voortvluchtigen vorstenzoon Adrastus, wien, als hij aan Croesus’ hof opname en reiniging van schuld heeft gevonden, de leiding van Croesus’ zoon wordt toevertrouwd.Ofschoon dus in die oudere tijden—tijden van voortdurenden onderlingen roof—het aantal slaven talrijker en hunne beschaving niet zelden aan die van hunne meesters gelijk was, eenen slaaf als paedagoog geeft ons hetepos niet te zien. Wel leeft ook daar de voorstelling, dat de ridderjeugd niet opgroeit zonder paedagogische leiding en toezicht.In de Dorische staten, met name te Sparta, werd deze zorg voor de leiding en tucht der knapen door de regeering geheel aan zich getrokken, en hierin lag een van die kenmerken van den Dorischen geest, die altijd weer opnieuw stof tot debat gaven tusschen de voor- en tegenstanders van het „Laconisme”. Het is de moeite waard te hooren, met hoe groote ingenomenheid bijv. Xenophon, natuurlijk in oppositie tegen de Atheensche politiek en praktijk, deze zijde van het Spartaansche leven roemt. Hij wijst er op hoe te Sparta de regeering, wel verre van toe te laten dat ieder maar aan een slaaf zijne kinderen in handen geeft, een van de voornaamste burgers aanwijst om als paidonomos op de jongens boven zeven jaar toe te zien. Hij heeft de bevoegdheid om—onafhankelijk van het oordeel der ouders—de knapen bijeen te roepen en in al hunne oefeningen te controleeren. Vat een of ander zijn werk wat luchtig op, dan is hij de man die straft. Zoo alleen wordt een ideaal bereikt dat als leuze heeft „allen weerbaar”. Zoo wordt een jongen een kerel. Geen sandalen dus, die de voeten week maken: ongeschoeid leert een knaap, hoe een soldaat naar boven klautert op een steil en steenachtig pad. Geen wisseling van zomer en winterkleeren, geene voeding tot verzadigens toe. Bovenal geen omhangen in de eigene woning bij eene toegeeflijke moeder; geen spelen zonder toezicht. Is de paidonomosafwezig, dan is te Sparta de eerste de beste respectabele burger bevoegd om in zijne plaats te commandeeren en te straffen; en zoo behoort het.Onze kennis van Spartaansche toestanden is te onvolledig om ons te zeggen hoe nu eigenlijk in de praktijk van alle dagen die militaire tucht en die collectieve opleiding der jeugd tot een staatsleger werden toegepast.Er is zondertwijfel tusschen Spartaansch en Atheensch jongensleven een groot onderscheid geweest; toch staat het vast dat in beide staten de vrijheid der knapen zeer veel geringer moet zijn geweest dan in onze moderne maatschappij; vooral met betrekking tot hun uiterlijk optreden.Er is een Grieksch woord,eukosmia, dat door het Hollandsche „fatsoen” of „ordentelijkheid” slechts gebrekkig wordt weergegeven, en op die eukosmia te letten, dat is de taak van den Atheenschen paedagoog. Den mantel omgeslagen in die plooi van deftige sierlijkheid, die aan de Atheensche knapen zoo eigenaardige distinctie verleent, maar hun veel van de eenvoudige kinderlijkheid ontneemt, zoo wandelt de kleine Athener zelfbewust voor zijnen paedagoog uit. De oogen slaat hij neer, want de sophrosyne, de zedige bescheidenheid, eischt zulks; hij schreeuwt niet op straat en gaat van de kleine steentjes als hem een voornaam burger tegenkomt: hij voelt zich den jongen meester, doch tevens den gehoorzamen leerling van den welgeschoren, goedgekamden paedagoog, die—met de schoolboeken en de lier van den „jongenheer” in de hand—achter hem aanwandelt.Verder dan tot deze algemeene schets brengt onze wetenschap ons niet. Alleen bijzonderheden uit den omgang van een man als Euripides of Plato met zijnen paedagoog zouden dit beeld kunnen verlevendigen. Maar die bijzonderheden ontbreken. Wel kunnen wij met zekerheid zeggen dat de paedagoog ook in het latere Hellas eene steeds aanwezige figuur blijft in het dagelijksch leven van een knaap van goeden huize, en—al geeft hij meer den indruk van tot den „staf” des jongen deftigen Atheners te behooren—blijft zorgen voor hetgeen hem in den ouden tijd was opgedragen, nl. te waken voor de correctheid en er op toe te zien dat de jongeheer den naasten weg neemt naar school. Want straatslijpen is uit den booze.Groote sympathie kunnen wij moeilijk voor zulke beperking der vrijheid van ronddolen hebben. De uren waarin we onze stad leerden kennen in hare intiemste hoekjes, of alleen rondzwierven aan den Buitenkant zijn ons daartoe te lief. En daarbij kunnen we ook niet laten de vraag hier weer te herhalen, die telkens bij ons opkomt, wanneer we nadenken over het Grieksche knapenleven: „waar is bij dit alles de vader?” Wandelde dan een Atheensch vader niet met zijn zoon den Kerameikos door, om hem de namen te doen lezen van hen—zijn eigen voorvaders misschien—daar begraven waren, eervol en van staatswege, omdat zij in den krijg voor ’t vaderland waren gesneuveld? Toonde hij hem niet de plek waar, half begraven onder de nieuwe woningen ten westen van den burchtheuvel, de resten nog te zien waren van het oude kleine Athene? En beklom hij niet daarna met hem den burcht zelf, om hem eerst te wijzen hoe van een nog oudere nederzetting daar de sporen waren te zien in den ouden muur, doch daarna hem de heerlijkheid van het Parthenon te doen verstaan?Wie die vragen stelt, beantwoordt ze daardoor meteen. Het zou ondenkbaar zijn dat het anders geweest ware. Zoo goed als een Atheensch vader zijn’ jongen de geschiedenis van zijn stad leerde, hem soms bij zich aan tafel liet eten, ook als hij vrienden had, hem meenam naar sommige van de plechtige vergaderingen van zijnen Demos en hem aan zijne zijde liet zitten in het theater, zoo goed moet hij met hem naar de Piraeushavens zijn gewandeld, op den Lycabettus zijn geklommen, en met hem gestaan hebben voor het opengewerkte hek van het raadhuis. Maar dat is iets anders dan den jongen alleen te laten gaan. Op dit punt is er stellig een tijd geweest dat men te Athene streng was, en dat men van een jongen, die over de Markt heen moest gaan, verwachtte dat hij „zediglijk en ingetogen” schuin overstak over het plein, en een eventueele boodschap aanzijn vader, die daar „over staatsbelangen” delibereerde, maar liefst in een der aangrenzende winkels afgaf. Ja, de spreker in eene van Lysias’ redevoeringen gaat zoover, dat zijne woorden ons, indien het feit zelf niet zoo vast stond, bijna als eene parodie zouden klinken. In vollen ernst schildert daar de pleiter zijne eigene deugdzaamheid aldus: „Wat mij aangaat, ik ben nu dertig jaar; en nog nooit heb ik mijnen vader tegengesproken of heeft mij een burger van eenig kwaad aangeklaagd. Ik woon vlak bij de markt, maar nooit heeft men mij op de markt zelve of bij de gerechtshoven zien ronddolen vóór de ramp van dit proces mij trof.”Er is geen twijfel aan, of deze jonge man is eene uitzondering. In de dagen van Pericles veranderde in allerlei opzichten zoowel door de uiterlijke omstandigheden als door wijziging van inzichten de leefwijze der Atheners, en daarmee de positie van den paedagoog. De staatkundige bemoeiingen der meeregeerende burgers moesten wel, naast de toenemende uithuizigheid der vaders, de persoonlijke vrijheid van beweging der zoons bevorderen en het aanzien der paedagogen verminderen. Waar was de paedagoog van Alcibiades, toen deze jonge geweldenaar, in een nauw straatje met zijn vrienden aan ’t bikkelen, een vrachtkar dwong stil te staan tot het eind der partij, door zich lang-uit vóór het span op den grond te werpen?In dit verhaal zijn we misschien dicht bij het huis van Alcibiades. Maar de gevallen zijn niet zeldzaam, waarin we knapen van den schooljongensleeftijd zoo met elkaar zien omgaan, dat we ons nauwelijks de aanwezigheid van den paedagoog daarbij denken. Nog eens: troepen jonge knapen van goeden huize, vrij uittrekkend voor de poorten der stad om te spelen wat ze willen en te gaan waar zij kunnen,—ja, dat is zeer zeker een schouwspel dat men te Athene in den ouderwetschen tijd zelden zal hebben gezien en in de vierde eeuw, toen het dien weg uitging, spoedig dooreen zeer nauwkeurig gereglementeerde regeling van de sloteducatie heeft trachten te keeren. Maar wij moeten ons toch die Atheensche jongens niet al te zeer als fatsoenlijke gedetineerden voorstellen. In eene der redevoeringen van Isocrates zegt een jong man aangaande zijne eigene jeugd: „Mijn vriend en ik zijn van onze jongste jaren af door eene zoo innige vriendschap verbonden geweest, dat wij nooit anders dan te zamen naar de godenfeesten of de offers plachten te gaan”. Het zal dunkt me niet noodig zijn, dit jonge vriendenpaar in onze verbeelding steeds te doen vergezeld gaan van een onafscheidelijk tweetal paedagogen.Trouwens, de aanleidingen om de knapen zonder hun paedagogen te laten, waren talrijk genoeg. Voor vele der feestelijke zanguitvoeringen of gymnastische wedstrijden, aan welke knapen deelnemen, is zooveel voorbereiding en werkelijke training noodig dat de „choreeg”, d.i. de vermogende Athener aan wien de verzorging van zulk een wedstrijd op zijn eigen kosten wordt opgedragen, eenvoudig-weg, om zoo zeker mogelijk van zijn succes te zijn, de jongens die voor het koor bestemd zijn eenige weken bij zich in huis neemt, of onder zijn toezicht ergens inkwartiert, opdat ze beter kunnen studeeren en ook juist datgene te eten en te drinken krijgen wat goed voor hen is. Niemand denkt er toch aan om zich de zaak zoo voor te stellen, dat zulk een „choreeg” behalve aan de jongens ook aan hunne paedagogen al dien tijd logies gaf?Het is niet zonder belang dit alles in het oog te houden. Innige, zeer vertrouwelijke jongensvriendschap duldt geene argwanende paedagogen-ooren en -oogen. Wanneer bij ieder fluisterend geuit woord de goeverneur, voor ergerlijk of onbehoorlijk samenspreken beducht, zijn neus tusschen beide steekt, kan niet anders dan een officieele relatie ontstaan, niet die aan liefde verwante, zeer innige verhouding, die ons telkens roert in Grieksche verhalen en treft op Attischevazen. Niet alleen de oudste mythologie had haren Orestes en Pylades.Bovendien: over de geheele instelling der paedagogie veranderde de meening gaandeweg. Het wil in dit opzicht niet zooveel zeggen dat Xenophon er zich scherp over uitliet, dat de Atheensche vaders hunne zoons overlieten aan gehuurde leidslieden; want hij wilde een nog scherper toezicht naar Spartaanschen trant. Maar wie eenigszins in Plato’s dialogen tehuis is, heeft niet veel moeite ook daar een afkeurend oordeel te vinden. Zeer duidelijk is dit in de slotscène van zijn Lysis. De wijsgeer heeft in dezen dialoog een zeer verzorgde en uiterst aantrekkelijke teekening gegeven van een paar Atheensche jongens van goeden stand. Hun gratie, een vermenging van levendige, door opmerkzaam luisteren opgewekte vrijmoedigheid met bescheiden vrees om door vrijpostig spreken te mishagen, hun frissche belangstelling en hun ongerepte jongensachtigheid bekoren den tegenwoordigen lezer niet minder dan ze Socrates bekoorden. En wat doet nu Plato? Als het dispuut tusschen Socrates en de beide knapen juist op een bijzonder moeilijk punt is gekomen, en de onderzoekers zich in eene verlegenheid bevinden die Plato zelf inderdaad, naar zijne methode in deze soort van gesprekken, bedoelt als eind van den dialoog, dan komen plotseling „als twee daemonen” de paedagogen van Lysis en Menexenus met de jongere broertjes dier beide knapen en bevelen hen terstond mee te gaan. Socrates en de anderen trachten de paedagogen te bewegen om de jongens nog een oogenblik bij hen te laten. Maar dan slaan de beide geleiders een hoogen toon aan, en „in een taal die nu juist niet het zuiverst Attisch was” staan ze Socrates te woord op eene wijze, die duidelijk toont dat ze samen het feest van den dag met een extra beker hebben gevierd.Plato’s kritiek komt eerst dan in hare scherpte uit, wanneermen bedenkt, tegenover hoedanige knapen hij deze ruwe paedagogen, nauwlijks beter dan livreiknechten, plaatst. Men zou den geheelen dialoog moeten aanhalen, wilde men de beminlijkheid van den jongen Lysis zelf doen gevoelen, of den lezers een vluchtigen blik gunnen in het gezin waaruit hij stamt. Maar vooral belangrijk is voor ons op dit oogenblik, wat Socrates, in dien toon van liefdevolle ironie tot hen sprekende die hem voor de jongens zoo aantrekkelijk maakte, over hunne vriendschap zegt. „Menexenos”, zoo zegt hij, „er is één ding waarnaar ik al van jongs af een buitengemeen verlangen koester. Andere menschen hebben ook dergelijke verlangens wel; de een begeert een paard te bezitten, een ander jachthonden, een derde geld of eer of iets dergelijks, doch al die dingen laten mij koel. Maar wat ik daarentegen met hartstocht begeer te bezitten, dat is een vriend... En nu zie ik u en Lysis, en terwijl ik u zie, sta ik verslagen doch prijs u gelukkig, dat gijlieden te zamen den schat, dien ik zoo lang vergeefs heb gezocht, reeds op uw leeftijd hebt kunnen vinden. Daarom zeg ik tot u: wijs mij den weg, langs welken menschen elkanders vrienden worden.”De vraag door Socrates hier gesteld omvat een veel ruimer terrein dan bij eene oppervlakkige lezing schijnt. Zij roert het vraagstuk aan van de mogelijkheid eener reine vriendschap, die te Athene met gevaren werd bedreigd, van welke onze maatschappij zich nauwlijks een denkbeeld kan maken. Het kan dan ook in Plato niet zijn opgekomen, om de leer te prediken, dat men goed zou doen eenvoudig de knapen alleen te laten gaan, waar zij maar wilden. Maar niet te min is het uit zijne voorstelling wel met zekerheid af te leiden, dat de waardeering van den paedagoog in de vierde eeuw te Athene aan het dalen was. Al is het gebruik, om aan de zoons van goeden huize een zoodanigen leidsman op straat mee te geven, niet uitgesleten,vermoedelijk is zijne rol wat veranderd en zijn macht over de knapen verminderd. Maar zoo de Atheensche vaders toen meer dan te voren hunne zoons vrij lieten en minder nauwlettend toezagen wie zij kozen als hunne paedagogen, de staat heeft dat niet met onverschillige oogen aangezien. Allerwege komt omstreeks het einde der vierde eeuw een drang naar staatstoezicht op de opleiding naar voren. Te Athene wordt door den staat de tucht en militaire voorbereiding der achttienjarige jongelieden geheel in eigen handen genomen, en in allerlei steden van Hellas en van het Grieksch sprekend Klein-Azië blijkt omstreeks dienzelfden tijd het Dorische instituut van paedonomen veld te winnen. Allerwege vinden wij in die periode tuchtmeesters, van staatswege aangesteld, die het oppertoezicht houden over het welvoegelijke gedrag, deeukosmia, der schoolgaande knapen—en ook der meisjes—die de offers voor hun welzijn bezorgen en waken voor de belangen der veelal op aristocratischen grondslag gevestigde onderwijsstichtingen.Dit laatste woord vooral brengt ons ver buiten het terrein, dat op dit oogenblik het onderwerp is onzer beschrijving. Ofschoon toch de staatsidee voor de Atheners een fundamenteele beteekenis in leven en opvoeding beide heeft, zoodat als onomstootelijke leer de stelling wordt gehuldigd, dat in de allereerste plaats de mensch burger is, en ofschoon dus in ieders oog dit de taak des opvoeders moet zijn, in den geest van het kind de neiging te wekken vrijwillig en uit eigen begeerte datgene te doen, waartoe hem als hij volwassen is de burgerwetten zullen verplichten, heeft desniettemin de Atheensche staat in het eerste tijdperk van zijn’ bloeitijd zelden in die opvoeding ingegrepen: het oude Athene kent leerplicht noch staatsprogram, staatsonderwijs noch subsidie. Eigenlijk laat zich niet eens met onweerlegbare zekerheid bewijzen, dat destijds de Atheenschestaat den ouders imperatief den plicht oplegde hunne kinderen te doen onderwijzen. In de treffende scène van Plato’s Crito, waar de jonge rijke Crito bij Socrates in de gevangenis komt en dezen tracht te overreden om verkleed te ontvluchten, wijst Socrates hem op het contract, stilzwijgend tusschen hem zelf en de wetten van zijn vaderland gesloten, en hij voert die wetten aldus sprekend in: „Socrates”, zoo zeggen zij, „hebben wij niet het huwelijk tusschen uwe ouders, en daardoor uwe wettige geboorte mogelijk gemaakt? Hebt gij eenige aanmerking op onze huwelijksregeling of waart ge ooit ontevreden met onze bepalingen aangaande de voeding en opleiding der kinderen? Is door ons niet op de juiste wijze aan uw vader de opdracht gegeven u in de musische en gymnastische kunsten te doen onderrichten?”— Inderdaad, het betoog door de Wetten van Athene hier gehouden, zou alle bewijskracht ontberen, indien op het stuk van onderrichtsverplichting in die stad geenerlei wettelijke bepalingen hadden bestaan; maar uitvoerig of streng poenaal kunnen die regelingen dan toch niet zijn geweest. En dat was ook nauwlijks noodig. Het lag immers niet in den Atheenschen aard, de familie-eer te verwaarloozen door veronachtzaming van de zorg voor de zonen des geslachts: zelfs de schooier Agorakritos, de braadworstjeskoopman die in de „Ridders” van Aristophanes aan Kleon de loef afsteekt door zijne nog grootere schaamtelooze doortraptheid, de „man of the street” die er zich op beroemt „op de markt te zijn opgegroeid”, moet bekennen dat hij „helaas” een beetje lezen heeft geleerd.Ook door subsidiën schijnt Athene in zijnen bloeitijd de zaak van het onderwijs niet te hebben gesteund. In die periode zal zich trouwens de behoefte daaraan niet sterk hebben doen gevoelen. De kosten van het onderwijs waren gering, en in een stad waar man en vrouw met twee kinderen zonder armoe leven kunnen, als ze een gulden ofzeven inkomen in de week hebben, is niet licht een gezin buiten staat de kinderen wat te laten leeren. Bovendien, de vader kan lid van den raad worden (op zijne beurt!) en dan verdient hij een drachme per dag, of hij kan als lid van de volksrechtbank zijn halve drachme verdienen. In ieder geval heeft hij zijn presentiegeld als lid van de volksvergadering.Was dus in dezen tijd naast het uitgebreide systeem van staatsuitkeeringen en vacatiegelden kosteloos staatsonderwijs niet noodig, op den duur is dat veranderd. Het begint met indirecte inmenging van den staat door het instellen van wedstrijden. Inscripties bewaren ons de namen van knapen, die bij openlijke schoolexamens den prijs voor schoonschrift, voorlezen of citherspel behaalden; weldra worden openlijke eerbewijzen toegekend aan enkele magistraten wegens hun bijzondere verdiensten ten opzichte van de opvoeding der jeugd. En dan—in de derde eeuw—vindt men op verschillende plaatsen inrichtingen die aan staatsonderricht zeer nabij komen. Zoo legateerde een burger van Teos—niet ver van Ephesus—aan zijne stad een kapitaal van 34000 drachmen, om uit de renten daarvan een zeker aantal onderwijzers in bepaalde leervakken te salarieeren; eveneens stichtte Eudemus, een rijk burger van Milete, een fonds van tien talenten zilver (ruim zeven-en-twintig duizend gulden) uit welks renten, tegen 10% berekend, de verbetering van het schoolonderwijs aan de kinderen der vrije burgers in dier voege zou kunnen geschieden, dat deze in het vervolg door openlijk geëxamineerde en van staatswege bezoldigde leeraren zouden worden onderwezen. Eene Delphische inscriptie verhaalt uitvoerig hoe het bestuur der heilige stad, in geldnood verkeerend, zich had gewend tot Koning Attalus II van Pergamum om bijstand voor het onderwijs der Delphische jongens en van den Pergameenschen koning 18000 Attische drachmen had ontvangenter bestrijding van de onderwijskosten, benevens 3000 voor de eereprijzen en de offers, gelijk ook koning Eumenes II aan den staat der Rhodiërs eene schenking deed van 280000 medimnen graan, opdat uit de op rente gezette opbrengst van dat geschenk de salarissen der onderwijzers zouden kunnen worden verbeterd. Het is niet gewaagd aan te nemen, dat hetgeen deze toevallige vondsten ons omtrent enkele steden leeren, in de laatste eeuwen vóór Christus, bij het stijgen van de eischen van ’t onderwijs en het verslappen van het persoonlijk plichtgevoel, min of meer regel was geworden. Maar dat in Athene’s bloeitijd de staat den burgers dezen plicht uit de hand nam, is niet waarschijnlijk. Men heeft wel eens een bewijs voor het tegendeel willen vinden in het volgende verhaal van Plutarchus. Toen, zoo verhaalt nl. deze schrijver, de Atheners in 480 bij de nadering van Xerxes’ leger hunne stad ontruimden, zelf met de gansche strijdbare manschap op de schepen gingen en hun vrouwen en kinderen aan de hoede der burgers van Troezen, Aeginae en Salamis toevertrouwden, namen de Troezeniërs het besluit, die kinderen van staatswege te onderhouden en aan de onderwijzers het schoolgeld uit te betalen.—Is nu hier eenige sprake van staatsverplichting of het besef daarvan? Immers het tegendeel! Het feit zelf dat voor de Atheensche jongens schoolgeld werd betaald, spreekt duidelijk genoeg: de Troezeniërs namen de voedings- en onderrichtingstaak eenvoudig van de Atheensche ouders over.Zoo is er dus alle aanleiding om te gelooven dat—met uitzondering wellicht van de allerarmste dagloonersbevolking—het aantal burgerzoons die, zonder eenig onderwijs te ontvangen, als straatjongens rondzwierven niet zoo heel groot was. Zelfs de „gealimenteerden”, de burgers die wegens lichamelijke invaliditeit van staatswege eene subsidie genoten, zullen meestal nog wel voor het luttele schoolgeld eene kleinigheid hebben kunnen besteden. Natuurlijk isdaarmee niet gezegd, dat er te Athene geen straatjongens waren! Reeds het groote aantal slaven moest daartoe wel een contingent leveren; de massa vreemden die langer of korteren tijd daar den kost kwamen zoeken, brachten ook hunne kinderen mede, en eindelijk moedigde menige eigenaardigheid van het zeer openbare samenleven der Atheensche maatschappij niet slechts het „straatslijpen” maar ook de straatrooverij in groote variëteit van vormen aan. Ofschoon dus de „manteldieven” en de „beurzensnijders”, die ’s nachts en in de avondschemering werkten, grootendeels uit volwassenen bestonden, hebben toch zeker in de uitgebreide dievenbrigade dergenen die in de openbare badhuizen rondgluren, om terwijl de goede burgers in het zwembassin zijn met hunne kleeren uit wandelen te gaan, ook de knapen wel vaak als leerlingen dienst gedaan. Niet zonder reden had Athene eene talrijke politie.Maar dezen achtergrond van het Atheensche volksleven behoeven wij voor onze schets niet te betreden. Wat de burgers aangaat denken we er aan, dat zelfs de venter in warme worstjes, die „zoon der markt op straat gewonnen en geronnen”, lezen had geleerd, al was ’t ook maar „een beetje en heel slecht”.Van het zesde of zevende jaar af gaan de Atheensche jongens naar school. De zoons van goeden huize waarschijnlijk wat vroeger dan de „armelui’s kinderen”, gelijk zij er ook langer blijven. De democratie heft het standsverschil niet op, en zonder twijfel was er groot onderscheid tusschen de zoons van Pericles of Nicias en den boer in Aristophanes’ Wolken die nog nooit eene landkaart had gezien. Ook zijn allicht de localiteiten zeer verschillend geweest. ’t Goedkoopst komt men zeker terecht bij een schoolmeester die, bij gebrek aan een eigen lokaal, een stil hoekje op straat heeft uitgezocht om—voor een paar dubbeltjes—dekinderen van het dorp of van de wijk lezen te leeren, zooals de legende dat Dionysius den Tweede laat doen, nadat hij, uit Syracuse ontvlucht, zijn ouderdom te Corinthe was komen doorbrengen, en gelijk—naar een meer betrouwbare overlevering—Epicurus het als jongen deed „ter assistentie van zijn vader”.—Maar vermogende Atheners stellen andere eischen. Wij behoeven ons daarom nog niet voor te stellen dat al die jongens school gaan in lokalen met beelden georneerd en gelegen aan een koele binnenplaats met eene fontein. Maar reeds hierin was eene zekere weelde, dat men de scholen niet graag te bevolkt had en liefst dicht bij huis, om de jongens niet te veel op straat te laten. Zoo heeft iedere buurt haar school, en voor de vereerders van de oude tucht, gelijk Aristophanes, was het een lust er naar te staan kijken hoe na de morgenuren de jongens uit één district samen van de leesles naar den muziekmeester marcheerden:„in de maat en zonder mantel, valt de sneeuw ook dicht als meel”.Maar de scholen voor minder betalenden zullen wel grooter zijn geweest. Als Herodotus verhaalt, hoe omstreeks 494 te Chios, tijdens den schooltijd het dak der school instortte, zoodat op één na al de kinderen, honderdtwintig in getal, omkwamen, dan vindt hij blijkbaar in dat aantal niets ongewoons.Omtrent de ligging en de inrichting der scholen, waar de kleine jongens van het oude Athene toch zoovele uren doorbrachten, zijn wij al heel slecht ingelicht. Het kleine aantal zeer beroemde en gracieus geteekende vazen met schoolafbeeldingen, dat reeds dikwijls door ons is genoemd, geeft dienaangaande niet veel zekerheid. Wij zien er den schoolmeester op een gemakkelijken leunstoel zitten; de jongens zitten in school meestal niet op banken maar op kleine klapstoeltjes, die ze mee kunnen dragen als ze „voorhet front” moeten komen. EenPompejaanschfresco, bij jong en oud bekend om de levendige afstraffingsscène die er op is afgebeeld, geeft ons zelfs een les in een zuilengalerij te zien. Maar uit dergelijke schilderingen kan niet veel met zekerheid worden besloten. Als b.v. de schilder, om de ledige ruimte tusschen zijne figuurtjes te vullen, allerlei schoolattributen, een boekrol, eene lei of een lier daarin schildert, mag men dan zeggen: „zoo was blijkbaar de wandversiering in de scholen”? De grens tusschen werkelijkheid en verdichting is hier niet te bepalen. Ook zal b.v. de „fatsoenlijke” school, waar Demosthenes lezen leerde, wel een ander voorkomen hebben gehad dan het schooltje waar Aeschines—zooals Demosthenes hem met krenkende woorden herinnert—als kweekeling van zijn vader Atrometus zijne rampzalige jongensjaren doorbracht, „de zitplaatsen afsponsend en inkt wrijvend”.Omtrent den tijd na Alexander, toen, zooals reeds gezegd is, het onderwijs staatszorg begon te worden, en in ’t bijzonder door de instelling van de zoogenaamde ephebie veel meer dan vroeger werd gedaan voor het „voortgezet onderwijs”, lichten inscripties en monumenten ons veel vollediger in. Schenkingsacten op steenen tafels bewaard, getuigen van de vrijgevigheid van rijke burgers, die of alleen of in vereeniging met anderen gelden voor een Gymnasium met al de noodige bijgebouwen beschikbaar stelden, soms ook de kosten van onderhoud van een door de stad gebouwd gymnasium op zich namen. En wat zulk een munificentie zeggen wilde, toonen ons zeer duidelijk de opgravingen, met name die te Pergamum. Het gymnasium—oorspronkelijk slechts eene openbare worstelschool voor jongelieden en mannen, doch te Pergamum overeenkomstig de eischen aan de staatsopleiding der epheben gesteld een geheel gebouwencomplex—is aldaar een schoolgebouw, over drie terrassen zich verdeelend. Ook op Delos kan men nog zeer duidelijkzien, hoe zich om den eigenlijken oefeningshof een reeks van vrij ruime leerlokalen heeft gegroepeerd; en te Priene heeft men enkele jaren geleden eene leerkamer van het Gymnasium teruggevonden, welker muren nog overeind stonden. Maar het zou een verkeerde methode zijn uit deze hellenistische Gymnasiën eenige gevolgtrekking te maken aangaande de lagere scholen van het Athene der vijfde eeuw.Misschien is onze onwetendheid op dat gebied licht te dragen: tenminste als wij vragen naar het leven der knapen, niet naar de eischen der ouders. Het zal den Atheenschen jongens wel niet zoo heel veel hebben kunnen schelen, of hun school fraai geschilderd of gemeubeld was. Zeker is de intimiteit van jongens uit zoo goede families als Lysis en Menexenus, in een goed gebouwde en zorgvuldig geventileerde school ontwikkeld. Hoe zou dat anders kunnen zijn, in den aristocratischen kring uit welken Plato de helden voor zijne dialogen kiest. Maar schoolkameraden wordt men ook in eenvoudiger lokalen. En wie herinnert zich niet door Xenophon’s Hellenica, welke magische kracht er uitging van het woord „schoolkameraden”, waarmee in 404 na het gevecht in den Piraeus de hierophant Kleokritos de burgers van de tegenpartij opwekte tot verzoening?Schoolkameraden—dikwijls beteekent het bovenal kwelgeesten van den zelfden schoolmeester. Vóór de scholieren vraagt deze onze aandacht. Hoe is de financieele positie van zulk een onderwijzer? Ook hier geeft de hellenistische tijd een meer bevredigend antwoord dan de Attische periode. De schenkingen der hierboven vermelde staatsweldoeners kwamen hun ten goede, mits ze regelmatig solliciteerden en boven anderen welbehagen vonden in de oogen der machtige volksvergadering. In Teos kon men na de hiervoor besproken schenking van Polythrus de onderwijzers een salaris van 600 drachmen betalen, te Milete uit hetfonds van Eudemus 30 drachmen in de maand. Die honoraria wijzen op eenig aanzien, al verdient opmerking dat te Teos voor den muziekmeester 100 drachmen meer wordt uitgetrokken dan voor den gewonen onderwijzer. Maar in de klassieke periode was het aanzien der schoolmeesters niet hoog. Lucianus bewaart daarvan nog de herinnering, als hij den cynischen wijsgeer Menippus laat verhalen van zijnen tocht naar de onderwereld. In den Hades, waar alle aardsche ongelijkheid wordt vereffend, zag Menippus koning Philippus van Macedonië als schoenlapper, Xerxes als bedelaar en de hoogste satrapen van het Perzische rijk als stokvisch-verkoopers en schoolmeesters. Zulk eene voorstelling stemt inderdaad overeen met den smalenden toon van Demosthenes’ woord tegen Aeschines: „Terwijl ik als leerling een behoorlijke school bezocht, was jij een schoolmeestertje”. En wij kunnen er zeker van zijn dat Aeschines’ vader, een man van zeker niet mindere afkomst dan Demosthenes, alleen omdat de Peloponnesische oorlog hem had geruïneerd aan ’t schoolmeesteren was gegaan, d. i. was gaan concurreeren met die menigte halfburgers en slaven, die te Athene het gilde der Grammatisten (lagere onderwijzers) vormden.Oneervol bleef die positie natuurlijk zoolang de Atheensche ouders met zeer elementaire vervulling der behoeften aan onderwijs tevreden waren, en onvoordeelig zoolang de schoolmeester uitsluitend afhing van het karige schoolgeld.Karig was dat loon zeker. En wat moet de man beginnen, als op den „zuren dertigsten” van de maand een of andere jongen ter school komt zonder de poovere schoolpenningen, of wanneer de menschen zich gedragen zooals de trouwelooze voogden van Demosthenes, die wel aan hunnen pupil het Minerval in rekening brachten, maar het zelf in hun zak staken. Aan een gerechtelijke vervolging kan de arme schoolmeester zich niet wagen. En een proces zal hem zeker niet baten tegenover een burger zooals Theophrastuser een in zijn geestig boekje teekent als type van schrieligheid. Deze beminlijke Athener, dezelfde gulle vader die zijn zoontje als een pretje beloofd heeft hem mee te nemen naar de comedie, maar dan zóó laat gaat, dat hij zeker is zonder entree binnen te worden gelaten, weigert het volle maandgeld te betalen, als een van zijne kinderen een paar dagen ziek is geweest, en in Februari stuurt hij zijne jongens in ’t geheel niet naar school. „Er is met al de feesten in die maand zooveel te zien, dat er van schoolgaan toch niet komt”. Zoo klinkt zijne boodschap; maar hij bedoelt natuurlijk: „zoo spaar ik eene maand schoolgeld uit en behoef meteen niet mee te doen aan dat malle gebruik om op het Choënfeest den meester door de jongens een cadeautje te laten geven”.Men vraagt zich onwillekeurig af: hoe moet zoo’n Atheensch knaapje zijn leermeester hebben aangezien? Alcibiades sloeg zijn onderwijzer om de ooren, omdat de man er niet eens een eigen Homerus op nahield. Maar Alcibiades is nu eenmaal de Steerforth van het Atheensche jongensleven. In den toon waarop de schrijvers over den schoolmeester spreken is meer dat ons aanmoedigt om—met matiging van de rhetorische charge—geloof te schenken aan de schildering die Libanius—zij het dan ook voor een veel lateren tijd—van den schoolmeester geeft: „Als een rechter zit hij daar op zijn troon, als een voorwerp van schrik en angst, de wenkbrauwen samengetrokken, toornig en onvermurwbaar.—Nu moet de jongen bij hem komen. Deze nadert sidderend en in elkaar gebogen, want hij moet laten kijken wat hij gevonden, gesteld, onthouden heeft. Wee hem, zoo hij het niet goed heeft gedaan!”De charge hieraan te ontnemen, daartoe helpen ons wederom de vaasteekeningen. De vriendelijke rustige mannen die op de oud-Attische vazen zijn afgebeeld, zien er niet zoo bar uit, en de aardige jongens op Duris’ vazen staanniet krom van angst, maar bevallig en rechtop voor hunnen meester.Het knaapje dat wij op Duris’ scholen voor zijnen grammatist zien staan, zal wel evenmin als een gewone schooljongen van onzen tijd geweten hebben dat zijn vader met diens vrienden heftig placht te debatteeren over de ware methode van onderwijs en de juiste keus der leerstof. Omdat wij zijn leven en niet dat van de schoolmeesters schrijven, behoeven ook wij ons in dien strijd niet te zeer te verdiepen. Wij kunnen volstaan met te luisteren naar hetgeen Plato Protagoras laat zeggen over het algemeene doel der schoolopvoeding, al doet de sofist dat, dank zij Plato’s ironische teekening, wat heel deftig. „Van kindsbeen af, het heele leven door—zoo zegt Protagoras—leeren en vermanen de ouders hunne kinderen. Zoodra een jongen begrijpen kan wat men tot hem zegt, wedijveren zijne moeder en zijne voedster en zijn vader zelf in de zorg om hem zoo voortreffelijk mogelijk te maken, bij elk woord en bij elke handeling hem leerend en aanwijzend „dat is rechtvaardig en dat is niet rechtvaardig” en „dit is mooi en dat is leelijk”, en „dit is vroom en dat is goddeloos”, en eindelijk „dit moet je doen, en dat moet je niet doen”. En volgt hij nu deze wenken gewillig, des te beter; zoo niet, dan wordt hij als een tak die aan ’t scheef groeien is en krom wordt, recht gebogen met bedreigingen en slagen. Na dit tijdperk zenden de ouders hem naar school, en daarbij dringen ze meestal bij de schoolmeesters er veel meer op aan, dat de jongens goed fatsoen leeren, dan dat ze lezen en schrijven of citherspel bij hen leeren. En de onderwijzers houden vooreerst daarop het oog, en vervolgens, als de jongen lezen heeft geleerd en den zin der woorden verstaat, laten ze hem op zijn schoolbankje gezeten de gedichten van goede dichters voorlezen en van buiten leeren, in welke allerlei goede lessen staan en uitweidingen en lofprijzingen van edele mannenvan het voorgeslacht, opdat de jongen die met ijver navolgt en streeft hun gelijk te worden. En de kitharisten doen desgelijks. Zij letten vooreerst op des jongens ingetogen houding en gedrag en waken er voor, dat ze geen kwaad doen, en vervolgens, als ze hen geleerd hebben de cither te bespelen, geven ze hun weer van andere dichters de liederen te leeren, terwijl ze hen de melodie daarvan op de cither leeren, en zoo maken ze dat rhythme en harmonie eigen wordt aan hun ziel en zij zelf zachter van aard worden en meer geëvenredigd en harmonisch van gemoedsstemming. En opdat een kloek lichaam hun aldus goed geworden geest diene, en zij in oorlogen of andere bemoeiingen niet behoeven te vreezen uit hoofde van onvoldoende lichaamskracht, zenden ze hem naar den gymnastiekmeester”.Naast deze algemeene beschouwing is de verzekering niet onvolledig, dat de oude leer dat „veelweterij geen verstand geeft”, in de dagen van welke wij spreken te Athene als ouderwetsch begon te gelden en het woord van Isocrates: „niet wat men den leerling kan meegeven, maar hoe men zijne ooren opent, is de vraag” naar de meening van vele zijner tijdgenooten de taal van een droomer was, blind voor de gebiedende eischen derpraktijk. Voorshands echter zal de kleine beoefenaar van ’t alfabet van dien strijd nog niet veel bemerken. Gewichtiger is voor hem een ander theoretisch dilemma—al zal hij het niet formuleeren zooals wij dat doen. De vraag is deze: zal men hem onderwijzen volgens de leer door Plato bij oudere leerlingen proefhoudend bevonden, de methode van het zachtzinnig en geduldig voorbeeld? Of zal men de methode van den dwang volgen? Voor het laatste is de kans het grootst. De praktijk van het Grieksche onderwijs eischt gestrengheid van den kant des leermeesters en stipte onderworpenheid van den leerling. Het is teekenend voor het gezag van den schoolmeester, dat Xenophon—sprekend over de discipline der Spartaansche troependie hij op hun tocht naar Azië vergezelde—om recht duidelijk te doen gevoelen, welk een ijzeren tucht daar heerschte, zegt: „de troep had tegenover hun commandant hetzelfde gevoel als schoolknapen tegenover hun meester.”—Zoo is de meester de autoriteit, en met het versje van Menander: „des leerlinge eerste les ishoud-je-mond” zijn de Grieken het eens. De belangstellende vraagal, dien de moderne paedagogiek zoo gaarne doet optreden met zijn van nadenken getuigend „meester, waarom?” zou—vrees ik—op een Grieksche school niet veel succes hebben gehad. Een Atheensch scholier heeft niet te vragen, hij heeft te luisteren en te gehoorzamen; doet hij dat niet ... dan is er een stok.Hoe lang nu de schooldagen van den kleinen Athener zijn geweest, is ons alweer niet bekend. Maar wel weten we dat, zooals van zelf spreekt, zijne aandacht wordt verdeeld tusschen den grammatist en den kitharist. Eerst komt natuurlijk het spellen en lezen. Juist onze eigene meer en meer geperfectionneerde methodes van leesonderricht maken het voor ons belangrijk te weten hoe de Atheners hun jongens het begrip van de leeskunst en haar praktijk hebben bijgebracht.In den aanvang van onze tijdrekening was bij de Grieksche meesters te Rome dit de gewone weg: eerst leeren de kinderen het alfabet opzeggen, dan wordt hun de vorm en de klank der letters geleerd, dan de syllaben en de verschillende wijzen waarop die ontstaan, en ten slotte de woorden uit die syllaben gevormd; feitelijk dus deSpa-a-methode. Dezelfde was reeds door Plato, en zeker wel in overeenstemming met de praktijk aanbevolen: „Eerst”—zegt deze—„moet de knaap de letters kennen naar hun vorm en naam”.—Zouden niet ook de Grieken speelmiddelen hebben gehad om de kinderen die te leeren? De rijke Herodes Atticus, die een tijdgenoot van M. Aurelius was, had een hardleerschen enonwilligen zoon, zijn onuitputtelijke rijkdom veroorloofde hem—en bij zijn ongeëvenaarde mildheid kon hij zulks doen zonder den schijn van parvenu’s-bluf—aan dien zoon vier-en-twintig slaafjes cadeau te doen, die ieder eene letter vertegenwoordigden. Mij dunkt, dit zal wel een weelderige imitatie zijn geweest van een ouder gebruik; losse ivoren lettertjes kende ook Quinctilianus; terracottascherven met syllaben-oefeningen:ar,bar,ger,er ber,ger, enz. zijn in Attica in den grond gevonden, en eindelijk dat de Atheensche kinderen inderdaad „B met een A = BA” leerden, weten wij uit literaire overlevering.Zoowel bij het spellen als straks bij ’t latere lezen heeft de schoolmeester alle gelegenheid om scherp toe te luisteren, of het knaapje dat voor hem staat zuiver uitspreekt. Daargelaten nog dat hij misschien lispelt, ’t zij van nature, ’t zij door ’t voorbeeld van een ouderen broer, die brauwt omdat Alcibiades brauwt of lispelt omdat een ander voornaamlionmet slappe lippen spreekt, kan hij ook van elders de vocalen minder keurig hebben meegebracht. Athene is sinds de Perzische oorlogen een internationaal middelpunt, en de stad is vol halfburgers, zoogenaamde metoiken: op 35.000 burgers 10.000 metoiken. De zoontjes van deze naar Athene overgekomen vreemdelingen hooren thuis de heldere Atheenscheawellicht op zijn Ionisch alsè, of, als ze van Dorischen huize zijn, lachen meester en scholieren hen uit, zoo dikwijls als ze „plat pratend”, met een breedeDorischeavoor den dag komen, waar een Athenereezou zeggen. En een menigte andere eigenaardigheden moet in hun spreken te gelijker tijd verdreven worden. Hellas heeft over zijn kleine oppervlakte een ongemeen groote verscheidenheid van vervormingen derzelfde woorduitgangen; zoo vroeg mogelijk—en zeker vóór men den jongen leerde zich te verdiepen in de geheimen der pas „ontdekte” grammatica—moest de meester hem oefenen innauwkeurigheid van uitspraak. Die nauwkeurigheid wordt trouwens door de Grieksche taal zelve bijna geëischt. Het werk van een goed deel onzer voorzetsels, voegwoorden en hulpwerkwoorden wordt immers in het Grieksch verricht door fijne vocaalwisselingen en door een lenig en rijk samenstel van buigingsuitgangen. Die bevallige vormen door slordig afkappen of onzuiver articuleeren te verminken, is het werk van een „barbaar”. Juist op het feit dat in een jarenlang verkeer geen der buurtgenooten hem op zoo iets had betrapt grondt een van Demosthenes’ klienten zijn recht tot erkenning van zijn Atheensche afkomst!—En aan die spreekoefeningen knoopt zeker de meester telkens het wèl bekende „dat zegt men zoo niet” vast. Want ook in het woordgebruik moet de kleine metoikenzoon op zijn tellen passen. Het is een van de treffendste bewijzen voor de groote begaafdheid van den redenaar Lysias, dat hij, zoon van een metoik en leerling der Sicilische rhetoren, die zoovele talen kent als menschen, wel elk zijner klienten laat spreken, klagen, schertsen naar zijnen aard, maar in geene zijner oraties een duimbreed afwijkt van het zuiverste Attische idioom. Zoo iets leert meestal een jongen alleen in zijn vroege jeugd. En doet hij dat niet, dan zal het hem gaan als dien Stephanus, van wien Demosthenes zegt: „Rechters, aan zijne soloecismen hebt gij zelf allang gehoord dat deze man een barbaar is; uit zijne schurkenstreken zal ik het u ten overvloede thans nog bewijzen.”Wie lezen zegt, zegt schrijven, althans in oud-Hellas, waar men beide vakken van onderwijs met één zelfden naam „Grammata” (letters) aanduidde, en waar verder gewoonlijk, ten minste in den ouderen tijd, voor boekschrift en gewoon handschrift in brieven en acten, een zelfde lettervorm dienst deed. Er is dan ook—dit spreekt van zelf—geen enkele redelijke grond om aan te nemen dat, zoolang het oude Athene scholen heeft gekend—en dit is zekersinds Solons dagen het geval—in die scholen niet naast het lezen van den aanvang af het schrijven zou zijn gedoceerd.Bewijzen laat zich zoo iets niet. Reeds de schaarschte van schrijfmateriaal moet oorzaak zijn geweest dat de kunst van ’t schrijven zelf, ofschoon ongetwijfeld duizend jaar vóór onze jaartelling in Griekenland bekend, niet ijverig werd beoefend: de soldaten van klein-Aziatischen huize die Psammetichus I (654–617) op zijn tocht naar ’t Nijleiland Elephantine begeleidden, waren niet allen de schrijfkunst meester, en de kameraden wier vaardige hand aller namen insneed in de beenen der colossale standbeelden te Aboe-simbel in Nubië, voegen er met trots aan toe: „Onze namen zijn geschreven door Archon, zoon van Amoibichos, en Pelekos, zoon van Eudamos”, welke verklaring dan door een paar van de vrienden met zeer gering succes is nagekrast.—Maar wie wandelt over de rotsen van Thera (Santorin), die vindt daar de bewijzen dat in de zevende eeuw de Theraeïsche mannen—jongere en oudere—over het algemeen vrij vaardig met de stift moeten zijn geweest, en bovendien, dat blijkens den vorm hunner letters ook toegeeflijker materiaal dan de harde steen hun bekend was.Ook de vazenscherven, o.a. die van Naucratis in Egypte, waar sinds het laatst van de zevende eeuw een Grieksche nederzetting was, en die van Corinthe, waarschuwen ons om aangaande de uitgebreidheid der schrijfkunst onder de Grieken ons niet al te ongunstige voorstellingen te maken. Natuurlijk: indien we op een vaas een opschrift vinden, netjes gepenseeld vóór de vaas werd geglazuurd, dan bewijst dit alleen dat de geestige teekenaar ook schrijven kon, evenals eene oude inscriptie op het voetstuk eener statue veelal slechts de schrijfvaardigheid van den beeldhouwer of diens werkman aantoont; doch als men scherven van kruiken vindt waarin met ruwe hand bij de wijdingeen godennaam is gekrast, dan weet men: hier is de schenker aan ’t werk geweest; hier heeft de koopvaarder dankend voor redding en winst op zijn wijgeschenk aan den havengod de herkomst vermeld met eigen hand, zij het dan ook met eene handdiede roerpin vaster bestierde dan de schrijfstift.En na Solons dagen zijn voortdurend de Atheners meer gewend geraakt geregeld gebruik te maken van het schrift. Dit werd reeds door de uitbreiding van hun handel en door de klimmende verkiesbaarheid van alle burgers tot ambten die de schrijfkunst stilzwijgend onderstellen, noodzakelijk. In Perikles’ dagen moet wel het aantal analfabeten te Athene gering zijn geweest: stemmende leden eener volksvergadering, die niet kunnen lezen en schrijven zijn ondenkbaar, en de welbekende boer, die aan Aristides verzocht om den naam „Aristides” op zijn verbanningstafeltje te schrijven, daar hij zelf niet schrijven kon, zal zelfs toenmaals—in ’t begin der vijfde eeuw—wel eene uitzondering zijn geweest.Daarmee is niet gezegd dat de Grieken schoonschrijvers waren. Terwijl ze namelijk in de opschriften van hunne tempels en statuën buitengewone zorg besteedden aan voortdurende verfraaiing der reeds van ’t eerst af zeer ornamenteele lettervormen, schijnt hunne gewoonte om in het dagelijksche leven allen handenarbeid aan slaven over te laten, te hebben veroorzaakt, dat hun eischen voor leeken ten opzichte van het schoonschrift over het algemeen op bescheiden hoogte zijn gebleven. Gelijk in allerlei andere takken van onderwijs, heeft men ook op dit gebied in de eeuw na Alexanders dood gehoopt verbetering te brengen door examens en prijsuitdeelingen;—van weldoeners, prijzen en overwinnaars in declamatie en calligrafie doen ons, zooals wij reeds hierboven vermeldden, de opgravingen der laatste jaren mededeeling uit Milete en Priene, uit Samos en Naxos, en de Anthologie bewaart in een aardig kleinepigram de herinnering aan een jongen, die bij den wedstrijd in het schoonschrijven als derden prijs niet minder dan tachtig bikkels won. Maar als wij de proeven van schooljongensschrift raadplegen, die in Aegypte voor den dag komen, hetzij op wastafeltjes of op perkament en papyrus, en zelfs als we er daaronder een uitzoeken dat de meester niet „heel goed” heeft gewaarmerkt, dan zien wij wel in dat voor de Grieken, die niet als calligrafen hun vak van het schrift maakten, langen tijd het woord van Plato heeft gegolden: „ommooite schrijven hebben wij onze slaven”.En toch—al zijn de resultaten gering—hoe doen ze hun best, meester en leerlingen, op de geestige schaal van Duris. De meester heeft het wastafeltje ter hand genomen en terwijl ’t knaapje—in eerbiedige houding en den ernst des oogenbliks beseffend—staat te wachten, trekt hij zijn hulplijnen, horizontaal, opdat de letters goed naast elkaar, verticaal opdat ze ook—naar Attischen schoonheidseisch—goed onder elkaar komen te staan. Voor de kleintjes zal hij nu ook schets-letters trekken om over te teekenen, straks om aan te vullen, voor de grooteren schrijft hij klanken, woorden, complexen van moeilijke letters die ze copieeren, en tenslotte zal de jongen zelfs een blad papyrus van hem krijgen, waarop hij niet meer kan uitvegen en waarop hij schrijft met inkt.Hoe Atheensche schoolmeesters hun’ jongens schrijven hebben geleerd verhaalt ons begrijpelijkerwijze geen schrijver. Maar van het Atheensche schoolschrift—mag men aannemen—is de afstand niet al te groot tot de Alexandrijnsche praktijk. Een deel van de oefeningen waarmee de scherven en papyri uit Aegypte ons hebben vertrouwd gemaakt, hebben de Atheensche jongens ook wel doorgemaakt: zij hebben ook het alfabet van voren naar achteren zoowel als van achteren naar voren geschreven, straks sylben òf nageschrevenòf, ter oefening in de woordvoering meteen, zelf bedacht. Een poos later kwam dan het schoonschrift naar copij. Hoe steken soms op de wastafeltjes, in Aegypte gevonden, bij het fraaie vaste schrift van den onderwijzer de beverige hanepooten af dier jongenshanden, meer bekwaam tot mikken van een „zeilsteen” dan tot correct overschrijven! De smaak der onderwijzers is in de keus der exempels al even wisselend als in onzen tijd. Sommigen verwachten blijkbaar paedagogisch voordeel uit de keus van wijze lessen, korte puntige dichterspreuken, vermaningen voor ’t leven. Anderen meenen dat de jongens liever een fabeltje, een anecdote, misschien wel een grappig spreekwoord zullen naschrijven. Ook ontbreken de aanteekeningen niet die zulk werk levendig maken. Zelfs wie zijn leven lang met Grieksche boeken omgaat voelt een geheel nieuwe gewaarwording, als hij op zulk een wastafeltje naast elkaar ziet staan eene opwekking van den schoolmeester: „Je best doen!” en een ongevraagd antwoord van den jongen „Hangen zal-ie”. En zou iemand zonder aarzeling een houten tafeltje in de hand kunnen nemen, waarop viermaal onder elkaar geschreven staat: „Doe je best, kereltje, anders krijg je klappen”. Viermaal! Hoeveel regels zou het strafwerk hebben bedragen waarvan dit het restant was?De Aegyptische vondsten, waaraan deze laatste feiten zijn ontleend, spreken van een veel uitgebreider lagere-school-onderricht dan het Atheensche. Conjugeeren, declineeren, ontleden, zijn dingen die in de Atheensche scholen—althans in de lagere—nog niet thuis behooren. Daarom rijst de vraag: kan lezen en schrijven den geheelen dag van de kleine schooljongens hebben gevuld? En was er den geheelen dag school? In eene oude wet van Solon was bepaald, dat de scholen noch vóór zonsopgang geopend mochten worden, noch na zonsondergang open mochtenblijven. Dat zou van een geweldigen schooldag getuigen, een schooldag echter, voor de kleine jongens reeds hierom niet waarschijnlijk, omdat zij niet zooals de grooteren afwisseling in hun dagtaak hebben door het beurtelings bezoek van den grammatist, den citharist, en den gymnastiekleeraar. Wij moeten daarom, dunkt me—zonder één algemeen geldenden regel te zoeken of zelfs te onderstellen—vooreerst bedenken dat de school van de allerkleinste jongens wel dikwijls in haar karakter bewaarschool zal zijn nabijgekomen, en daarnaast, dat de methode van onderricht vanzelf de lessen tot een soort van privaat onderricht maakte, waardoor de voortdurende aanwezigheid van alle knapen te gelijkertijd nauwlijks noodig was en door een stelsel van groep-onderwijs kon worden vervangen. Het laatste komt allicht waarschijnlijk voor aan ieder die bedenkt dat er toch zoo iets als klassenindeeling moet hebben bestaan. Ook maakt die onderstelling de aanwezigheid van de paedagogen in het bijvertrek eener aanzienlijke school begrijpelijker. Zij konden zorgen dat de jongens in die talrijke tusschenkwartiertjes elkaar niet te vlug de eukosmia afleerden, hun met zooveel moeite bijgebracht.Ten opzichte van de vragen betreffende opklimming van klas tot klas, en in verband daarmee de verdeeling der leerstof over bepaalde termijnen, hetzij in vrije afwisseling, hetzij naar een vasten rooster, tasten wij geheel in het duister; ja, zooals het meer gaat, heeft hier ’t geen nieuw ontdekt is de vragen vermenigvuldigd. Ook mogen wij wat te Milete of te Teos in de tweede eeuw vóór Christus gebeurde niet tot regel in het Athene der vierde eeuw verheffen, veel minder nog de bewijzen dat het grammaticale onderricht op de scholen der derde eeuw na Christus uitvoerig en systematisch was, toepasselijk verklaren op den bloeitijd der Atheensche republiek, dus op eene periode van acht eeuwen vroeger. Wel blijkt uit die latere schoolvondstenhet conservatisme der Grieken. De spelmethoden zijn dezelfde gebleven: de jongetjes in de Aegyptische dorpen hebben twee eeuwen na het begin onzer jaartelling denzelfden weg bewandeld als de kleine Atheners: in één zelfde schoolschrift van houten tafeltjes, in een Aegyptisch graf gevonden, staan eerst de monosylben die ’t jongetje zelf in alfabetische volgorde heeft moeten vinden—bij dex, die in ’t Grieksch op denvolgt, heeft zijne vindingrijkheid hem even in den steek gelaten,—dan de woorden van twee en drie lettergrepen, straks de spreukzinnen en de spreukmatige verzen, en eindelijk, na deversus memoriales, geheele stukken fabel op verzen. Dat laatste is een vingerwijzing naar een gewoonte, die ook in de oude Atheensche school bekend was. De fabel is èn in dat schrijfboek en op andere tafeltjes die wij bezitten uit het hoofd opgeschreven. De jongens moeten nl. verzen van buiten kennen, hoe eer en hoe meer hoe liever; in de Grieksche school werd oneindig veel meer op het geheugen gebouwd dan in onzen tijd, die van geheugensbelasting oordeelsverstomping verwacht. Men kan er zeker van zijn dat de kleine jongens die we op de vazen zoo braaf vóór hun leermeesters zien staan, klaarblijkelijk aan ’t opzeggen van hun pensum, thuis als hun vader gasten heeft, hunne kunst zullen hebben te vertoonen, en ook dat zij in hun gewillig en door oefening versterkt geheugen heele stukken Ilias en Odyssee, als een goeden schat voor het leven, bewaren. Het zal niet zoo moeilijk gevallen zijn een clubje Atheensche jongens bij elkaar te brengen die samen de geheele Ilias naar rhapsodentrant kunnen declameeren. Zegt niet een van de aanliggenden in Xenophons Symposion, dat zijn vader hem de beide gedichten van Homerus heeft laten van buiten leeren?Men heeft dikwijls Homerus den Bijbel der Grieken genoemd, en natuurlijk gaat die vergelijking mank. Maarzij kan toch worden gebruikt om twee dingen duidelijk te doen uitkomen. De eigenaardige voortreflijkheid van de oud-hollandsche bijbelvastheid heeft haar parallel in de Homerus-vastheid der Grieksche jeugd. Zij voedt eene levendige overeenstemming in het beeldenrijke en van vlugge toespelingen vervulde gebruik eener gemeenschappelijke taal, die niet zonder meer de taal van heden of gisteren is. Zoo goed als er verschil van voorstelling en waardeering is in de beide uitdrukkingen: „rijk als Salomo” en„rijk als Carnegie”, zoo goed als het iets anders is iemand een Phariseeër te schelden dan hem eenvoudig een huichelaar te noemen, zoo goed opent het voor den Atheenschen knaap eene andere wereld wanneer men hem zegt dat iemand een Thersites is, dan dat men hem Cleon wijst. En het tweede is dit: de vraag of het Oude Testament stichtelijk en het Nieuwe begrijpelijk voor kinderen is, placht men in veleNederlandschegezinnen eertijds eenvoudigweg te beantwoorden door de gansche Schrift in hun bijzijn voor te lezen. Zoo plaagden zich—als men Plato in zijne polemiek mag gelooven—vele ouders of voogden te Athene ook niet met de quaestie of inderdaad de wrok van Achilles en de aanleiding daartoe bijzonder geschikt was om onder de aandacht te worden gebracht van achtjarige jongens. Welke intusschen de schaduwzijde dezer methode zij geweest, zij had één groot voordeel. Homerus is voor Athene altijd gebleven een nationaal dichter in den vollen zin. Zijn taal, zijn frischheid, zijne nooit uitgeputte verbeelding werken door in het gedachtenleven van alle Atheners. Van hoevele Nederlanders die een „completen” Vondel bezitten geldt iets dergelijks? Bij Homerus bleef het niet. In Plato’s dialogen althans, zoowel als in toespelingen bij de comediedichters, zijn bewijzen genoeg te vinden dat gaandeweg die schoollectuur een groot deel der poëzie omvatte welke ons bewaard bleef. Ons treft in dit alles naast demoralizeerende strekking het feit, dat bijna alles wat men den knapen voorlegde mannenkost is. Niet alleen de ernstige bezwaren door Plato herhaaldelijk tegen de mythologische gedichten te berde gebracht deelen wij, maar vooral een ander bezwaar: hoe—vragen wij—konden deze knapen, zelfs al waren het geen jongens van acht, maar van tien of twaalf, Solons Elegieën of Hesiodus’ Vermaningen of—erger nog—Theognis’ bedenkelijke politieke moraal begrijpen?De vraag blijft onopgelost, vooral omdat wij zoo weinig weten van de indeeling der onderwijsstof. Intusschen, naast deze lectuur zal wel spoedig het rekenonderwijs zijn gevolgd. Een goed Athener is noodzakelijkerwijs een goed rekenaar, want de groothandel is voor de voornamere burgers, de kleine venterij voor de eenvoudiger lieden de voorname bron van inkomsten. Het behoeft dus niet eerst Plato te zijn geweest, wiens invloed de arithmetiek en dan de geometrie onder de schoolvakken verhief. Zeker, bij hem vindt men het eerst den eisch gesteld dat naast de zoogenaamde musische ontwikkeling, d.i. naast het literaire onderricht en de straks te bespreken muziek, die het gemoed en den smaak vormen, de strenge studie der mathematische vakken als kostelijk middel om de knapen te voeren tot zelfstandige geestesontwikkeling, in de scholen zou worden opgenomen; doch aan dezen theoretischen eisch is de practische voorafgegaan. De jongen moet kunnen rekenen, om als man straks zijn kasboek te kunnen houden.Het rekenen is voor den Griekschen jongen zeer zeker eene ingewikkelde zaak geweest. Ze zullen wel begonnen zijn met de mechanisch en half zingend geleerde wetten van het eenmaal een en tweemaal twee; doch hoever ze op onze moderne manier geholpen zijn door tafels van vermenigvuldiging, is onbekend. Het eigenlijke rekenen leeren zij natuurlijk uit het hoofd. Reeds de karigheid zelve waarmeede Griek in ’t algemeen gebruik maakt van het hulpmiddel van het schrift, maakt dit waarschijnlijk. Maar zij hebben een ander hulpmiddel, en wel een heel oud. Is niet het tientallig stelsel een gevolg van het feit dat de mensch tien vingers heeft? In de Odyssee reeds zien we hoe men van die vingers, de tweemaal vijf, tot aftellen gebruik maakte. God Proteus telt, als hij over zijne robben inspectie houdt op zijne vingers na, of ’t vereischte aantal aanwezig is, en de dichter noemt dat aftellen: „afvijven.” Zoo doet ook in een bekend verhaal bij Herodotus koning Aristo van Sparta, die, nagaande hoevele maanden hij getrouwd is, „op zijne vingers de maanden narekent.” Maar bij zoo eenvoudig op de toppen tellen—hoogstens tot tien—blijft de rekenkunst der Grieken niet staan. Door buigen en strekken der geledingen, door aan den halven vinger een andere waarde dan aan den geheelen toe te kennen, en door allerlei wendingen die wij niet meer kennen, hebben de Grieken het er toe gebracht, zoo noodig alle getallen tot tienduizend toe uit te drukken. Althans zoo verhalen latere schrijvers; bij de oude Atheners geschiedt wellicht zulk „op de vingers narekenen” alleen bij zeer globale berekeningen. In de Wespen van Aristophanes wil een zoon zijn kortzichtigen vader aan ’t verstand brengen, dat de inkomsten van Athene voor een groot gedeelte worden verdonkeremaand door hen die aan ’t laadje zitten en dat ’t Volk in alle gevalle er niet genoeg van geniet. „Reken maar eens op je vingers na”, zoo zegt hij, „globaal genomen zijn onze staatsinkomsten 2000 talenten.—Trek daar nu eens de jaarlijksche rechtersoldij voor zesduizend rechters van af... dat is dus notabene maar honderd vijftig talenten.” De berekening die de vader heeft moeten doen—niet met rekenschijfjes, maar op zijn vingers—bestaat dus vooreerst in eene vermenigvuldiging. Hij weet dat een rechter een halve drachme presentiegeld geniet en dat men op ongeveer driehonderdzittingdagen in het jaar kan rekenen. Dus rekenen zoon en vader „op de vingers” de vermenigvuldigingssom uit ½ × 300 × 6000 = 900.000 drachmen, en zij deelen dit product door 6000 omdat er zooveel drachmen gaan in een talent. Zoo komen zij tot 150.Met dit al is het een eenvoudige rekensom met ronde getallen, die de proceshatende zoon in de Wespen aan zijnen vader opgeeft. Bij uitvoeriger berekeningen moest onvermijdelijk dit vingerrekenen tot verwarring leiden; bovendien dwingt de minste aarzeling over eigen juist tellen, ja iedere stoornis, den rekenaar zijn geheele manipulatie op nieuw te beginnen. Heeft dus bij den kleinhandel en bij den inkoop van vruchten en groenten op de markt deze computatie op de vingers groot practisch nut, toch grijpt de Athener, zoodra de verrekening gecompliceerder wordt, ongetwijfeld graag naar zijn rekenbord,abakos, zooals in eene comedie van den blijspel-dichter Alexis een kok zelfs doet als hij, thuis gekomen van de markt, al zijn kleine en groote inkoopen nauwkeurig bij elkaar wil oprekenen. Dit rekenbord is een uitermate eenvoudig ingericht hulpmiddel. Het is verdeeld in een aantal kolommen, voor de eenheden, de tientallen, de honderdtallen en de duizendtallen, met beweegbare schijfjes voor het noteeren. Men schuift bij iedere notitie zooveel schijfjes naar de andere zij der kolom, als men eenheden, en tientallen, wil noteeren. Wordt in de eerste kolom daarbij het tiental bereikt, dan zet men in de kolom der tientallen een schijfje aan, en schuift de tien eenheden naar hun eerste plaats terug. Of anders—wat nog eenvoudiger is—men werkt met losse steentjes. Dan is de bak zoo verdeeld dat in iedere kolom een steentje aan de rechterzij neergelegd één, tien, honderd enz. telt, doch aan de linkerzij vijf maal zoo veel. Dat intusschen alle vermenigvuldiging (behalve dan die met vijf) bij het gebruik van het bord toch weer,zoo goed als de deeling, uit het hoofd of op andere wijze moet geschieden, valt licht te begrijpen. Amusant zijn allicht deze oefeningen niet geweest. En dat de Atheensche jeugd er zoo over dacht kan men uit Plato’s woorden opmaken. De jongens kunnen, zoo zegt hij ongeveer—in zijneLeges—ons zelf den weg wijzen om het rekenonderricht boeiender te maken, door de manier van aftellen bij hun spelen. En de Aegyptenaars—zoo fantazeert hij verder—wisten het rekenen tot een spel te maken. De meester nam b.v. een mand met zestig appels en droeg de knapen op, die eerst onder twee, dan onder drie, dan onder vier, onder vijf, en zes jongens te verdeelen. Of hij fingeerde een jongenswedstrijd b.v. van negen jongens en stelde de vraag: „als nu ieder van u negenen met de andere acht moet vechten—hoeveel wedstrijden krijgen we dan?”—Men ziet, geleidelijk voert Plato’s Egyptenaar de jongens van de gewone deeling naar de ontbinding in factoren, ja zelfs naar de geheimen der combinaties en permutaties.Maar het is heel wat moeilijker taak die onderwijzer en leerlingen wacht, wanneer straks de jongens—nadat ze de verschillende manieren hebben geleerd waarop de Grieken hunne letters gebruiken om getalwaarde aan te geven—op schrift moeten leeren vermenigvuldigen en deelen. Voor ons is het niet zoo héél moeilijk, een kind duidelijk te maken, dat men, om b.v. 35 met 4 te vermenigvuldigen, eenvoudig weg mag zeggen: 4 × 5 = 20; 0, ’k onthoud er 2, 4 × 3 = 12, + 2 = 14. Som 140.—Maar voor den Athener, die geene afzonderlijke cijfers heeft, en zijn letter-cijferschrift niet met het decimale stelsel in overeenstemming heeft gebracht, is dat onmogelijk. Heeft een Griek 265 te schrijven dan schrijft hij dat in drie letterteekens sigma (= 200), ksi (= 60),e (= 5); moet hij nu 265 met 265 vermenigvuldigen dan dient hij den volgenden langen weg te gaan: 200 × 200 = 40000, 200 × 60 = 12000,200 × 5 = 1000; 60 × 200 = 12000, 60 × 60 = 3600, 60 × 5 = 300; 5 × 200 = 1000, 5 × 60 = 300, 5 × 5 = 25, om ten slotte met of zonder abacus al deze producten te arrangeeren en op te tellen en daarna met de daartoe bestemde letters aan te duiden.—Dat eindelijk, bij het deelen dezelfde weg andersom moet worden afgelegd, spreekt van zelf. Om bijv. het hier boven verkregen product (70.225) weer te deelen door 265 moet de knaap eerst, juist zooals bij ons geschiedt, tastenderwijze vragen hoeveel maal een getal dat dichter bij de drie honderd dan bij de tweehonderd staat in de zeventig duizend zou zijn begrepen; hij maakt daarna zijn eerste multiplicatie, trekt het verkregen veelvoud van 265 af van de zeventig duizend en voegt het restant bij de nog niet behandelde 225. Die bewerkingen zijn dor, doch niet moeilijk; en al moeten zij dikwijls herhaald worden, de onderwijzer kan ze varieeren. Want tegelijkertijd met deze grootere rekensommen moet de practische oefening den jongens de voor het dagelijksche leven onmisbare zekerheid geven in de toepassing der stelsels van munten, maten en gewichten. Slechts onze oudere tijdgenooten herinneren zich nog de pijnlijke kwelling eener rekensom, die òf met een valschen schijn van gezelligen anecdotischen verhaaltrant begon: „een boer kocht op de markt drie last, vijftien mud en vier kop graan tegen...” òf eenvoudig norsch beval: „Herleid in cijfers van het decimale muntstelselxdaalders,yschellingen,zstooters.” Wij zijn aan die kwellingen ontkomen; de Atheensche jongens nooit. Zij hebben moeten leeren en practisch ervaren, dat er zes obolen in een drachme gaan, dat een mina honderd drachmen geldt en zestig mina’s een talent heeten. Maar daarmee is de Atheensche jongen nog niet klaar. Hij dient ook te begrijpen dat de muntwaarde in de naburige staten niet steeds aan die van zijne moederstad gelijk is. Want van de verafgelegen landen kan hijdat terloops vernemen. Als hij uit de Anabasis van Xenophon hoort voorlezen, dat Cyrus, de Perzische kroonpretendent, zeer ingenomen was met den Spartaanschen commandant Clearchus en dezen eene schenking deed van duizend dareiken, dan kan hij volstaan met de wetenschap,—en die heeft hij voor het vragen—dat een dareikos gelijkstaat met twintig attische drachmen en dus het geschenk aan Clearchus 200 mina’s (c. ƒ 9000) bedroeg. Maar hoeveel ingewikkelder wordt de zaak, wanneer hij de vraag onder de oogen moet zien, met welke talenten, met Euboeïsche of met Aeginetische, hij in een bepaald geval te doen heeft. Hier kan de onderwijzer—of de vader—de theorie door de aanschouwing te hulp komen. Allereerst laat hij hem een Attisch tetradrachmon zien en leert hem meteen zich te verlustigen in den fijnen omtrek van den welgesneden, ofschoon archaïsch gehouden Athena-kop bekroond met den Attischen helm en versierd met oorring en halsband. Dan legt hij een drachme daarnaast, gelijk in beeld maar kleiner en fijner, en hij keert de munten om, opdat de jongen ze onderkenne ook door den stadsuil met den olijfkrans, den maansikkel en de zuiver gesneden Atheensche letters. Maar naast die fijne muntjes—rechtmatige trots der stempelkunst—geeft hij dan den knaap een Aeginetisch dedrachmon of stater in de hand, gestempeld met de zwaar gesneden Aegina-schildpad, plomp van vorm en op de keerzij weinig gracieus versierd door een ingeslagen quadraat, dat door diagonalen in driehoeken is verdeeld. Laat hij nu den jongen kiezen, welke drachme hij begeeren zou, tien tegen een dat een jong Athenertje gretig grijpt naar het fijne Athena-kopje. Dan legt de schoolmeester, om hem de harde les te leeren dat in financieele operaties het mooiste niet altijd het voordeeligste is, beide muntjes op de weegschaal en wijst hem dat de Attische drachmen slechts 4¼ gram wegen en de Aeginetische didrachmen12¼. En als dan de jongen tot het inzicht is gekomen dat in het muntwezen de zwaarte hoofdzakelijk de waarde bepaalt, dan is hij niet ver meer af van de beantwoording dezer vraag: „Indien inderdaad Solon de schuldenlast van de arme debiteurs uwer overgrootvaders heeft verlicht door te bepalen dat de schulden in Aeginetische drachmen aangegaan, zouden worden afbetaald in Euboeïsch-Attische drachmen, onder tijdelijke gelijkstelling van de Aeginetische en de Attische drachme, hoeveel ten honderd hebben dan uwe overgrootvaders daarbij verloren?—En wanneer zijn vader hem vertelt, dat een vet schaap 15 drachmen doet, terwijl in Solons dagen een schaap voor ééne drachme te krijgen was, dan zal hij thans met inzicht kunnen vragen: „dan toch zeker een Aeginetische drachme?”

Onze schets heeft in de laatst voorafgaande bladzijden de kleine Atheners, hetzij alleen hetzij met anderen, laten rondzwerven op eene vrij ongeregelde wijze. De lezer meene echter niet dat zulk een vagebondeeren in overeenstemming is met de opvoedingsbeginselen der Atheensche vaders. Dit kan genoegzaam blijken uit de nauwlettende zorg waarmee op zijn geheele doen en laten wordt toegezien, zoodra hij—op zijn zevende jaar—naar school gaat. Als zijn ouders het eenigszins ruim hebben volgt hem op zijn’ weg een vertrouwde slaaf van middelbaren of hoogeren leeftijd; dat is depaedagoog. Zijne figuur is voor ons zoo vreemd, en van zijne verhouding tot den knaap, die tegelijk zijn meester en zijn pupil is, zoo onmodern, dat het de moeite waard is iets langer bij dezen slaaf stil te staan dan zulk een lakei oppervlakkig beschouwd het schijnt te verdienen.De naam van dezen ouden dienaar heeft een voornameren klank dan men voor eenen slaaf die een’ jongen naar school brengt zou verwachten, en dank zij een merkwaardige speling van het lot is eerst in lateren tijd, toen de eigenlijke slavenfunctie van den paidagogos min of meer uit de mode was geraakt, de oude beteekenis van het woord door het overdrachtelijke gebruik dat de philosophen er van maakten weer op den voorgrond gekomen. Immersagogebeteekent niet slechts „geleide”, maar ook „leiding”, en in de oude tijden was dan ook—vooral in vorstelijke kringen—de paedagoog behalve de geleider tevens de leidsman van denjongen edele geweest, dien men aan zijne zorg toevertrouwde. Het zijn de heroïsche, de ongeletterde tijden, waarvan dit geldt; maar de latere Grieken hebben het nooit vergeten. De tragici vooral bewaren aan die oudere periode opzettelijk en met onloochenbare sympathie de herinnering. Zij beijveren zich om hunne paedagogentypen ernstig en eerbiedwaardig te maken; aan niemand hunner is dat beter gelukt dan aan Sophocles toen hij zijn Electra schreef: de getrouwe dienaar die aan den aanvang van dit treurspel den jongen koningszoon geleidt naar het paleis van zijnen Vader, de dienaar dien Sophocles de eer van de aanvangswoorden heeft waardig gekeurd:Agamemnons zoon, nu moogt gij eindlijk alles zienmet eigen oogen, waar ge altijd naar hebt verlangd,die dienaar is in de plannen en de plichten van den jongen Orestes geheel ingewijd; meer dan dat: zijn ernst, vertrouwd met het verleden van het Atridengeslacht, heeft inderdaad Orestes gevormd: die edele aard, dat besef van adel, die aanhankelijkheid zijn zijn werk. Wij staan dan ook geen oogenblik verbaasd over het feit dat deze slaaf alles bestiert, dat hij Orestes aanspoort en leidt, op een toon van beproefd en erkend gezag. Eerst na eenig nadenken komen wij er toe te vragen: wie geeft aan dezen slaaf zoo groote autoriteit?Intusschen, de paedagogentype uit de Electra staat niet alleen. Telkens vindt men haar weer in de tragedie, niet vaak met zooveel noblesse geteekend, maar wel telkens bekleed met dezelfde autoriteit. Blijkbaar hebben de treurspeldichters willen doen uitkomen dat zij zich de verhouding van den paedagoog tot zijn jongen beschermeling in haren oorsprong geheel anders denken dan die in hun eigen tijd geworden was. Er was reden voor hen om zich de vraag te stellen, of eigenlijk de heroëntijd dien zij in hunne tragediën beschrijven, wel paedagogen had gekend; wantde Ilias en de Odyssee zijn ook hier weer karig in duidelijke en onmiddellijk beslissende getuigenissen. Aan het hof van Peleus, den vader van Achilles heeft Phoinix, zelf man van adel, doch wegens manslag balling uit zijn land, eenigermate tegenover Achilles, den jongen prins, de rol van paedagoog vervuld. Peleus heeft hem huis en hof geschonken en vertrouwt hem zijn zoon toe. En Phoinix verzorgt eerst Achilles, en daarna zorgt hij voor hem: eerst gewent hij hem behoorlijk te eten en drinken zonder te morsen—maar straks leert hij hem ook:èn een spreker van woorden te zijn, en wrochter van daden.Achilles is in den tijd dien Phoinix hier beschrijft nog een knaap. Maar als Telemachus op reis gaat, die toch al een jonge man is en op Ithaka reeds min of meer aan het hoofd van de huishouding staat, heeft hij toch op zijnen tocht naar Pylos een leidsman bij zich, om hem te raden en te helpen. Immers Godin Athena zelve gaat mee in de gedaante van Mentor, en in haren naam is de zorg van den idealen paedagoog vereeuwigd.Ook buiten den kring van de ridderpoëzie en het drama vinden wij dezelfde verhouding geteekend: toezicht en leiding in dagelijkschen omgang, gezelschap als van een gouverneur, maar dan zonder te scherpe aanduiding van het standsverschil; en een sprekend voorbeeld van zulk eene verhouding is door Herodotus gegeven in de door somber fatalisme zoo aangrijpende geschiedenis van dien voortvluchtigen vorstenzoon Adrastus, wien, als hij aan Croesus’ hof opname en reiniging van schuld heeft gevonden, de leiding van Croesus’ zoon wordt toevertrouwd.Ofschoon dus in die oudere tijden—tijden van voortdurenden onderlingen roof—het aantal slaven talrijker en hunne beschaving niet zelden aan die van hunne meesters gelijk was, eenen slaaf als paedagoog geeft ons hetepos niet te zien. Wel leeft ook daar de voorstelling, dat de ridderjeugd niet opgroeit zonder paedagogische leiding en toezicht.In de Dorische staten, met name te Sparta, werd deze zorg voor de leiding en tucht der knapen door de regeering geheel aan zich getrokken, en hierin lag een van die kenmerken van den Dorischen geest, die altijd weer opnieuw stof tot debat gaven tusschen de voor- en tegenstanders van het „Laconisme”. Het is de moeite waard te hooren, met hoe groote ingenomenheid bijv. Xenophon, natuurlijk in oppositie tegen de Atheensche politiek en praktijk, deze zijde van het Spartaansche leven roemt. Hij wijst er op hoe te Sparta de regeering, wel verre van toe te laten dat ieder maar aan een slaaf zijne kinderen in handen geeft, een van de voornaamste burgers aanwijst om als paidonomos op de jongens boven zeven jaar toe te zien. Hij heeft de bevoegdheid om—onafhankelijk van het oordeel der ouders—de knapen bijeen te roepen en in al hunne oefeningen te controleeren. Vat een of ander zijn werk wat luchtig op, dan is hij de man die straft. Zoo alleen wordt een ideaal bereikt dat als leuze heeft „allen weerbaar”. Zoo wordt een jongen een kerel. Geen sandalen dus, die de voeten week maken: ongeschoeid leert een knaap, hoe een soldaat naar boven klautert op een steil en steenachtig pad. Geen wisseling van zomer en winterkleeren, geene voeding tot verzadigens toe. Bovenal geen omhangen in de eigene woning bij eene toegeeflijke moeder; geen spelen zonder toezicht. Is de paidonomosafwezig, dan is te Sparta de eerste de beste respectabele burger bevoegd om in zijne plaats te commandeeren en te straffen; en zoo behoort het.Onze kennis van Spartaansche toestanden is te onvolledig om ons te zeggen hoe nu eigenlijk in de praktijk van alle dagen die militaire tucht en die collectieve opleiding der jeugd tot een staatsleger werden toegepast.Er is zondertwijfel tusschen Spartaansch en Atheensch jongensleven een groot onderscheid geweest; toch staat het vast dat in beide staten de vrijheid der knapen zeer veel geringer moet zijn geweest dan in onze moderne maatschappij; vooral met betrekking tot hun uiterlijk optreden.Er is een Grieksch woord,eukosmia, dat door het Hollandsche „fatsoen” of „ordentelijkheid” slechts gebrekkig wordt weergegeven, en op die eukosmia te letten, dat is de taak van den Atheenschen paedagoog. Den mantel omgeslagen in die plooi van deftige sierlijkheid, die aan de Atheensche knapen zoo eigenaardige distinctie verleent, maar hun veel van de eenvoudige kinderlijkheid ontneemt, zoo wandelt de kleine Athener zelfbewust voor zijnen paedagoog uit. De oogen slaat hij neer, want de sophrosyne, de zedige bescheidenheid, eischt zulks; hij schreeuwt niet op straat en gaat van de kleine steentjes als hem een voornaam burger tegenkomt: hij voelt zich den jongen meester, doch tevens den gehoorzamen leerling van den welgeschoren, goedgekamden paedagoog, die—met de schoolboeken en de lier van den „jongenheer” in de hand—achter hem aanwandelt.Verder dan tot deze algemeene schets brengt onze wetenschap ons niet. Alleen bijzonderheden uit den omgang van een man als Euripides of Plato met zijnen paedagoog zouden dit beeld kunnen verlevendigen. Maar die bijzonderheden ontbreken. Wel kunnen wij met zekerheid zeggen dat de paedagoog ook in het latere Hellas eene steeds aanwezige figuur blijft in het dagelijksch leven van een knaap van goeden huize, en—al geeft hij meer den indruk van tot den „staf” des jongen deftigen Atheners te behooren—blijft zorgen voor hetgeen hem in den ouden tijd was opgedragen, nl. te waken voor de correctheid en er op toe te zien dat de jongeheer den naasten weg neemt naar school. Want straatslijpen is uit den booze.Groote sympathie kunnen wij moeilijk voor zulke beperking der vrijheid van ronddolen hebben. De uren waarin we onze stad leerden kennen in hare intiemste hoekjes, of alleen rondzwierven aan den Buitenkant zijn ons daartoe te lief. En daarbij kunnen we ook niet laten de vraag hier weer te herhalen, die telkens bij ons opkomt, wanneer we nadenken over het Grieksche knapenleven: „waar is bij dit alles de vader?” Wandelde dan een Atheensch vader niet met zijn zoon den Kerameikos door, om hem de namen te doen lezen van hen—zijn eigen voorvaders misschien—daar begraven waren, eervol en van staatswege, omdat zij in den krijg voor ’t vaderland waren gesneuveld? Toonde hij hem niet de plek waar, half begraven onder de nieuwe woningen ten westen van den burchtheuvel, de resten nog te zien waren van het oude kleine Athene? En beklom hij niet daarna met hem den burcht zelf, om hem eerst te wijzen hoe van een nog oudere nederzetting daar de sporen waren te zien in den ouden muur, doch daarna hem de heerlijkheid van het Parthenon te doen verstaan?Wie die vragen stelt, beantwoordt ze daardoor meteen. Het zou ondenkbaar zijn dat het anders geweest ware. Zoo goed als een Atheensch vader zijn’ jongen de geschiedenis van zijn stad leerde, hem soms bij zich aan tafel liet eten, ook als hij vrienden had, hem meenam naar sommige van de plechtige vergaderingen van zijnen Demos en hem aan zijne zijde liet zitten in het theater, zoo goed moet hij met hem naar de Piraeushavens zijn gewandeld, op den Lycabettus zijn geklommen, en met hem gestaan hebben voor het opengewerkte hek van het raadhuis. Maar dat is iets anders dan den jongen alleen te laten gaan. Op dit punt is er stellig een tijd geweest dat men te Athene streng was, en dat men van een jongen, die over de Markt heen moest gaan, verwachtte dat hij „zediglijk en ingetogen” schuin overstak over het plein, en een eventueele boodschap aanzijn vader, die daar „over staatsbelangen” delibereerde, maar liefst in een der aangrenzende winkels afgaf. Ja, de spreker in eene van Lysias’ redevoeringen gaat zoover, dat zijne woorden ons, indien het feit zelf niet zoo vast stond, bijna als eene parodie zouden klinken. In vollen ernst schildert daar de pleiter zijne eigene deugdzaamheid aldus: „Wat mij aangaat, ik ben nu dertig jaar; en nog nooit heb ik mijnen vader tegengesproken of heeft mij een burger van eenig kwaad aangeklaagd. Ik woon vlak bij de markt, maar nooit heeft men mij op de markt zelve of bij de gerechtshoven zien ronddolen vóór de ramp van dit proces mij trof.”Er is geen twijfel aan, of deze jonge man is eene uitzondering. In de dagen van Pericles veranderde in allerlei opzichten zoowel door de uiterlijke omstandigheden als door wijziging van inzichten de leefwijze der Atheners, en daarmee de positie van den paedagoog. De staatkundige bemoeiingen der meeregeerende burgers moesten wel, naast de toenemende uithuizigheid der vaders, de persoonlijke vrijheid van beweging der zoons bevorderen en het aanzien der paedagogen verminderen. Waar was de paedagoog van Alcibiades, toen deze jonge geweldenaar, in een nauw straatje met zijn vrienden aan ’t bikkelen, een vrachtkar dwong stil te staan tot het eind der partij, door zich lang-uit vóór het span op den grond te werpen?In dit verhaal zijn we misschien dicht bij het huis van Alcibiades. Maar de gevallen zijn niet zeldzaam, waarin we knapen van den schooljongensleeftijd zoo met elkaar zien omgaan, dat we ons nauwelijks de aanwezigheid van den paedagoog daarbij denken. Nog eens: troepen jonge knapen van goeden huize, vrij uittrekkend voor de poorten der stad om te spelen wat ze willen en te gaan waar zij kunnen,—ja, dat is zeer zeker een schouwspel dat men te Athene in den ouderwetschen tijd zelden zal hebben gezien en in de vierde eeuw, toen het dien weg uitging, spoedig dooreen zeer nauwkeurig gereglementeerde regeling van de sloteducatie heeft trachten te keeren. Maar wij moeten ons toch die Atheensche jongens niet al te zeer als fatsoenlijke gedetineerden voorstellen. In eene der redevoeringen van Isocrates zegt een jong man aangaande zijne eigene jeugd: „Mijn vriend en ik zijn van onze jongste jaren af door eene zoo innige vriendschap verbonden geweest, dat wij nooit anders dan te zamen naar de godenfeesten of de offers plachten te gaan”. Het zal dunkt me niet noodig zijn, dit jonge vriendenpaar in onze verbeelding steeds te doen vergezeld gaan van een onafscheidelijk tweetal paedagogen.Trouwens, de aanleidingen om de knapen zonder hun paedagogen te laten, waren talrijk genoeg. Voor vele der feestelijke zanguitvoeringen of gymnastische wedstrijden, aan welke knapen deelnemen, is zooveel voorbereiding en werkelijke training noodig dat de „choreeg”, d.i. de vermogende Athener aan wien de verzorging van zulk een wedstrijd op zijn eigen kosten wordt opgedragen, eenvoudig-weg, om zoo zeker mogelijk van zijn succes te zijn, de jongens die voor het koor bestemd zijn eenige weken bij zich in huis neemt, of onder zijn toezicht ergens inkwartiert, opdat ze beter kunnen studeeren en ook juist datgene te eten en te drinken krijgen wat goed voor hen is. Niemand denkt er toch aan om zich de zaak zoo voor te stellen, dat zulk een „choreeg” behalve aan de jongens ook aan hunne paedagogen al dien tijd logies gaf?Het is niet zonder belang dit alles in het oog te houden. Innige, zeer vertrouwelijke jongensvriendschap duldt geene argwanende paedagogen-ooren en -oogen. Wanneer bij ieder fluisterend geuit woord de goeverneur, voor ergerlijk of onbehoorlijk samenspreken beducht, zijn neus tusschen beide steekt, kan niet anders dan een officieele relatie ontstaan, niet die aan liefde verwante, zeer innige verhouding, die ons telkens roert in Grieksche verhalen en treft op Attischevazen. Niet alleen de oudste mythologie had haren Orestes en Pylades.Bovendien: over de geheele instelling der paedagogie veranderde de meening gaandeweg. Het wil in dit opzicht niet zooveel zeggen dat Xenophon er zich scherp over uitliet, dat de Atheensche vaders hunne zoons overlieten aan gehuurde leidslieden; want hij wilde een nog scherper toezicht naar Spartaanschen trant. Maar wie eenigszins in Plato’s dialogen tehuis is, heeft niet veel moeite ook daar een afkeurend oordeel te vinden. Zeer duidelijk is dit in de slotscène van zijn Lysis. De wijsgeer heeft in dezen dialoog een zeer verzorgde en uiterst aantrekkelijke teekening gegeven van een paar Atheensche jongens van goeden stand. Hun gratie, een vermenging van levendige, door opmerkzaam luisteren opgewekte vrijmoedigheid met bescheiden vrees om door vrijpostig spreken te mishagen, hun frissche belangstelling en hun ongerepte jongensachtigheid bekoren den tegenwoordigen lezer niet minder dan ze Socrates bekoorden. En wat doet nu Plato? Als het dispuut tusschen Socrates en de beide knapen juist op een bijzonder moeilijk punt is gekomen, en de onderzoekers zich in eene verlegenheid bevinden die Plato zelf inderdaad, naar zijne methode in deze soort van gesprekken, bedoelt als eind van den dialoog, dan komen plotseling „als twee daemonen” de paedagogen van Lysis en Menexenus met de jongere broertjes dier beide knapen en bevelen hen terstond mee te gaan. Socrates en de anderen trachten de paedagogen te bewegen om de jongens nog een oogenblik bij hen te laten. Maar dan slaan de beide geleiders een hoogen toon aan, en „in een taal die nu juist niet het zuiverst Attisch was” staan ze Socrates te woord op eene wijze, die duidelijk toont dat ze samen het feest van den dag met een extra beker hebben gevierd.Plato’s kritiek komt eerst dan in hare scherpte uit, wanneermen bedenkt, tegenover hoedanige knapen hij deze ruwe paedagogen, nauwlijks beter dan livreiknechten, plaatst. Men zou den geheelen dialoog moeten aanhalen, wilde men de beminlijkheid van den jongen Lysis zelf doen gevoelen, of den lezers een vluchtigen blik gunnen in het gezin waaruit hij stamt. Maar vooral belangrijk is voor ons op dit oogenblik, wat Socrates, in dien toon van liefdevolle ironie tot hen sprekende die hem voor de jongens zoo aantrekkelijk maakte, over hunne vriendschap zegt. „Menexenos”, zoo zegt hij, „er is één ding waarnaar ik al van jongs af een buitengemeen verlangen koester. Andere menschen hebben ook dergelijke verlangens wel; de een begeert een paard te bezitten, een ander jachthonden, een derde geld of eer of iets dergelijks, doch al die dingen laten mij koel. Maar wat ik daarentegen met hartstocht begeer te bezitten, dat is een vriend... En nu zie ik u en Lysis, en terwijl ik u zie, sta ik verslagen doch prijs u gelukkig, dat gijlieden te zamen den schat, dien ik zoo lang vergeefs heb gezocht, reeds op uw leeftijd hebt kunnen vinden. Daarom zeg ik tot u: wijs mij den weg, langs welken menschen elkanders vrienden worden.”De vraag door Socrates hier gesteld omvat een veel ruimer terrein dan bij eene oppervlakkige lezing schijnt. Zij roert het vraagstuk aan van de mogelijkheid eener reine vriendschap, die te Athene met gevaren werd bedreigd, van welke onze maatschappij zich nauwlijks een denkbeeld kan maken. Het kan dan ook in Plato niet zijn opgekomen, om de leer te prediken, dat men goed zou doen eenvoudig de knapen alleen te laten gaan, waar zij maar wilden. Maar niet te min is het uit zijne voorstelling wel met zekerheid af te leiden, dat de waardeering van den paedagoog in de vierde eeuw te Athene aan het dalen was. Al is het gebruik, om aan de zoons van goeden huize een zoodanigen leidsman op straat mee te geven, niet uitgesleten,vermoedelijk is zijne rol wat veranderd en zijn macht over de knapen verminderd. Maar zoo de Atheensche vaders toen meer dan te voren hunne zoons vrij lieten en minder nauwlettend toezagen wie zij kozen als hunne paedagogen, de staat heeft dat niet met onverschillige oogen aangezien. Allerwege komt omstreeks het einde der vierde eeuw een drang naar staatstoezicht op de opleiding naar voren. Te Athene wordt door den staat de tucht en militaire voorbereiding der achttienjarige jongelieden geheel in eigen handen genomen, en in allerlei steden van Hellas en van het Grieksch sprekend Klein-Azië blijkt omstreeks dienzelfden tijd het Dorische instituut van paedonomen veld te winnen. Allerwege vinden wij in die periode tuchtmeesters, van staatswege aangesteld, die het oppertoezicht houden over het welvoegelijke gedrag, deeukosmia, der schoolgaande knapen—en ook der meisjes—die de offers voor hun welzijn bezorgen en waken voor de belangen der veelal op aristocratischen grondslag gevestigde onderwijsstichtingen.Dit laatste woord vooral brengt ons ver buiten het terrein, dat op dit oogenblik het onderwerp is onzer beschrijving. Ofschoon toch de staatsidee voor de Atheners een fundamenteele beteekenis in leven en opvoeding beide heeft, zoodat als onomstootelijke leer de stelling wordt gehuldigd, dat in de allereerste plaats de mensch burger is, en ofschoon dus in ieders oog dit de taak des opvoeders moet zijn, in den geest van het kind de neiging te wekken vrijwillig en uit eigen begeerte datgene te doen, waartoe hem als hij volwassen is de burgerwetten zullen verplichten, heeft desniettemin de Atheensche staat in het eerste tijdperk van zijn’ bloeitijd zelden in die opvoeding ingegrepen: het oude Athene kent leerplicht noch staatsprogram, staatsonderwijs noch subsidie. Eigenlijk laat zich niet eens met onweerlegbare zekerheid bewijzen, dat destijds de Atheenschestaat den ouders imperatief den plicht oplegde hunne kinderen te doen onderwijzen. In de treffende scène van Plato’s Crito, waar de jonge rijke Crito bij Socrates in de gevangenis komt en dezen tracht te overreden om verkleed te ontvluchten, wijst Socrates hem op het contract, stilzwijgend tusschen hem zelf en de wetten van zijn vaderland gesloten, en hij voert die wetten aldus sprekend in: „Socrates”, zoo zeggen zij, „hebben wij niet het huwelijk tusschen uwe ouders, en daardoor uwe wettige geboorte mogelijk gemaakt? Hebt gij eenige aanmerking op onze huwelijksregeling of waart ge ooit ontevreden met onze bepalingen aangaande de voeding en opleiding der kinderen? Is door ons niet op de juiste wijze aan uw vader de opdracht gegeven u in de musische en gymnastische kunsten te doen onderrichten?”— Inderdaad, het betoog door de Wetten van Athene hier gehouden, zou alle bewijskracht ontberen, indien op het stuk van onderrichtsverplichting in die stad geenerlei wettelijke bepalingen hadden bestaan; maar uitvoerig of streng poenaal kunnen die regelingen dan toch niet zijn geweest. En dat was ook nauwlijks noodig. Het lag immers niet in den Atheenschen aard, de familie-eer te verwaarloozen door veronachtzaming van de zorg voor de zonen des geslachts: zelfs de schooier Agorakritos, de braadworstjeskoopman die in de „Ridders” van Aristophanes aan Kleon de loef afsteekt door zijne nog grootere schaamtelooze doortraptheid, de „man of the street” die er zich op beroemt „op de markt te zijn opgegroeid”, moet bekennen dat hij „helaas” een beetje lezen heeft geleerd.Ook door subsidiën schijnt Athene in zijnen bloeitijd de zaak van het onderwijs niet te hebben gesteund. In die periode zal zich trouwens de behoefte daaraan niet sterk hebben doen gevoelen. De kosten van het onderwijs waren gering, en in een stad waar man en vrouw met twee kinderen zonder armoe leven kunnen, als ze een gulden ofzeven inkomen in de week hebben, is niet licht een gezin buiten staat de kinderen wat te laten leeren. Bovendien, de vader kan lid van den raad worden (op zijne beurt!) en dan verdient hij een drachme per dag, of hij kan als lid van de volksrechtbank zijn halve drachme verdienen. In ieder geval heeft hij zijn presentiegeld als lid van de volksvergadering.Was dus in dezen tijd naast het uitgebreide systeem van staatsuitkeeringen en vacatiegelden kosteloos staatsonderwijs niet noodig, op den duur is dat veranderd. Het begint met indirecte inmenging van den staat door het instellen van wedstrijden. Inscripties bewaren ons de namen van knapen, die bij openlijke schoolexamens den prijs voor schoonschrift, voorlezen of citherspel behaalden; weldra worden openlijke eerbewijzen toegekend aan enkele magistraten wegens hun bijzondere verdiensten ten opzichte van de opvoeding der jeugd. En dan—in de derde eeuw—vindt men op verschillende plaatsen inrichtingen die aan staatsonderricht zeer nabij komen. Zoo legateerde een burger van Teos—niet ver van Ephesus—aan zijne stad een kapitaal van 34000 drachmen, om uit de renten daarvan een zeker aantal onderwijzers in bepaalde leervakken te salarieeren; eveneens stichtte Eudemus, een rijk burger van Milete, een fonds van tien talenten zilver (ruim zeven-en-twintig duizend gulden) uit welks renten, tegen 10% berekend, de verbetering van het schoolonderwijs aan de kinderen der vrije burgers in dier voege zou kunnen geschieden, dat deze in het vervolg door openlijk geëxamineerde en van staatswege bezoldigde leeraren zouden worden onderwezen. Eene Delphische inscriptie verhaalt uitvoerig hoe het bestuur der heilige stad, in geldnood verkeerend, zich had gewend tot Koning Attalus II van Pergamum om bijstand voor het onderwijs der Delphische jongens en van den Pergameenschen koning 18000 Attische drachmen had ontvangenter bestrijding van de onderwijskosten, benevens 3000 voor de eereprijzen en de offers, gelijk ook koning Eumenes II aan den staat der Rhodiërs eene schenking deed van 280000 medimnen graan, opdat uit de op rente gezette opbrengst van dat geschenk de salarissen der onderwijzers zouden kunnen worden verbeterd. Het is niet gewaagd aan te nemen, dat hetgeen deze toevallige vondsten ons omtrent enkele steden leeren, in de laatste eeuwen vóór Christus, bij het stijgen van de eischen van ’t onderwijs en het verslappen van het persoonlijk plichtgevoel, min of meer regel was geworden. Maar dat in Athene’s bloeitijd de staat den burgers dezen plicht uit de hand nam, is niet waarschijnlijk. Men heeft wel eens een bewijs voor het tegendeel willen vinden in het volgende verhaal van Plutarchus. Toen, zoo verhaalt nl. deze schrijver, de Atheners in 480 bij de nadering van Xerxes’ leger hunne stad ontruimden, zelf met de gansche strijdbare manschap op de schepen gingen en hun vrouwen en kinderen aan de hoede der burgers van Troezen, Aeginae en Salamis toevertrouwden, namen de Troezeniërs het besluit, die kinderen van staatswege te onderhouden en aan de onderwijzers het schoolgeld uit te betalen.—Is nu hier eenige sprake van staatsverplichting of het besef daarvan? Immers het tegendeel! Het feit zelf dat voor de Atheensche jongens schoolgeld werd betaald, spreekt duidelijk genoeg: de Troezeniërs namen de voedings- en onderrichtingstaak eenvoudig van de Atheensche ouders over.Zoo is er dus alle aanleiding om te gelooven dat—met uitzondering wellicht van de allerarmste dagloonersbevolking—het aantal burgerzoons die, zonder eenig onderwijs te ontvangen, als straatjongens rondzwierven niet zoo heel groot was. Zelfs de „gealimenteerden”, de burgers die wegens lichamelijke invaliditeit van staatswege eene subsidie genoten, zullen meestal nog wel voor het luttele schoolgeld eene kleinigheid hebben kunnen besteden. Natuurlijk isdaarmee niet gezegd, dat er te Athene geen straatjongens waren! Reeds het groote aantal slaven moest daartoe wel een contingent leveren; de massa vreemden die langer of korteren tijd daar den kost kwamen zoeken, brachten ook hunne kinderen mede, en eindelijk moedigde menige eigenaardigheid van het zeer openbare samenleven der Atheensche maatschappij niet slechts het „straatslijpen” maar ook de straatrooverij in groote variëteit van vormen aan. Ofschoon dus de „manteldieven” en de „beurzensnijders”, die ’s nachts en in de avondschemering werkten, grootendeels uit volwassenen bestonden, hebben toch zeker in de uitgebreide dievenbrigade dergenen die in de openbare badhuizen rondgluren, om terwijl de goede burgers in het zwembassin zijn met hunne kleeren uit wandelen te gaan, ook de knapen wel vaak als leerlingen dienst gedaan. Niet zonder reden had Athene eene talrijke politie.Maar dezen achtergrond van het Atheensche volksleven behoeven wij voor onze schets niet te betreden. Wat de burgers aangaat denken we er aan, dat zelfs de venter in warme worstjes, die „zoon der markt op straat gewonnen en geronnen”, lezen had geleerd, al was ’t ook maar „een beetje en heel slecht”.Van het zesde of zevende jaar af gaan de Atheensche jongens naar school. De zoons van goeden huize waarschijnlijk wat vroeger dan de „armelui’s kinderen”, gelijk zij er ook langer blijven. De democratie heft het standsverschil niet op, en zonder twijfel was er groot onderscheid tusschen de zoons van Pericles of Nicias en den boer in Aristophanes’ Wolken die nog nooit eene landkaart had gezien. Ook zijn allicht de localiteiten zeer verschillend geweest. ’t Goedkoopst komt men zeker terecht bij een schoolmeester die, bij gebrek aan een eigen lokaal, een stil hoekje op straat heeft uitgezocht om—voor een paar dubbeltjes—dekinderen van het dorp of van de wijk lezen te leeren, zooals de legende dat Dionysius den Tweede laat doen, nadat hij, uit Syracuse ontvlucht, zijn ouderdom te Corinthe was komen doorbrengen, en gelijk—naar een meer betrouwbare overlevering—Epicurus het als jongen deed „ter assistentie van zijn vader”.—Maar vermogende Atheners stellen andere eischen. Wij behoeven ons daarom nog niet voor te stellen dat al die jongens school gaan in lokalen met beelden georneerd en gelegen aan een koele binnenplaats met eene fontein. Maar reeds hierin was eene zekere weelde, dat men de scholen niet graag te bevolkt had en liefst dicht bij huis, om de jongens niet te veel op straat te laten. Zoo heeft iedere buurt haar school, en voor de vereerders van de oude tucht, gelijk Aristophanes, was het een lust er naar te staan kijken hoe na de morgenuren de jongens uit één district samen van de leesles naar den muziekmeester marcheerden:„in de maat en zonder mantel, valt de sneeuw ook dicht als meel”.Maar de scholen voor minder betalenden zullen wel grooter zijn geweest. Als Herodotus verhaalt, hoe omstreeks 494 te Chios, tijdens den schooltijd het dak der school instortte, zoodat op één na al de kinderen, honderdtwintig in getal, omkwamen, dan vindt hij blijkbaar in dat aantal niets ongewoons.Omtrent de ligging en de inrichting der scholen, waar de kleine jongens van het oude Athene toch zoovele uren doorbrachten, zijn wij al heel slecht ingelicht. Het kleine aantal zeer beroemde en gracieus geteekende vazen met schoolafbeeldingen, dat reeds dikwijls door ons is genoemd, geeft dienaangaande niet veel zekerheid. Wij zien er den schoolmeester op een gemakkelijken leunstoel zitten; de jongens zitten in school meestal niet op banken maar op kleine klapstoeltjes, die ze mee kunnen dragen als ze „voorhet front” moeten komen. EenPompejaanschfresco, bij jong en oud bekend om de levendige afstraffingsscène die er op is afgebeeld, geeft ons zelfs een les in een zuilengalerij te zien. Maar uit dergelijke schilderingen kan niet veel met zekerheid worden besloten. Als b.v. de schilder, om de ledige ruimte tusschen zijne figuurtjes te vullen, allerlei schoolattributen, een boekrol, eene lei of een lier daarin schildert, mag men dan zeggen: „zoo was blijkbaar de wandversiering in de scholen”? De grens tusschen werkelijkheid en verdichting is hier niet te bepalen. Ook zal b.v. de „fatsoenlijke” school, waar Demosthenes lezen leerde, wel een ander voorkomen hebben gehad dan het schooltje waar Aeschines—zooals Demosthenes hem met krenkende woorden herinnert—als kweekeling van zijn vader Atrometus zijne rampzalige jongensjaren doorbracht, „de zitplaatsen afsponsend en inkt wrijvend”.Omtrent den tijd na Alexander, toen, zooals reeds gezegd is, het onderwijs staatszorg begon te worden, en in ’t bijzonder door de instelling van de zoogenaamde ephebie veel meer dan vroeger werd gedaan voor het „voortgezet onderwijs”, lichten inscripties en monumenten ons veel vollediger in. Schenkingsacten op steenen tafels bewaard, getuigen van de vrijgevigheid van rijke burgers, die of alleen of in vereeniging met anderen gelden voor een Gymnasium met al de noodige bijgebouwen beschikbaar stelden, soms ook de kosten van onderhoud van een door de stad gebouwd gymnasium op zich namen. En wat zulk een munificentie zeggen wilde, toonen ons zeer duidelijk de opgravingen, met name die te Pergamum. Het gymnasium—oorspronkelijk slechts eene openbare worstelschool voor jongelieden en mannen, doch te Pergamum overeenkomstig de eischen aan de staatsopleiding der epheben gesteld een geheel gebouwencomplex—is aldaar een schoolgebouw, over drie terrassen zich verdeelend. Ook op Delos kan men nog zeer duidelijkzien, hoe zich om den eigenlijken oefeningshof een reeks van vrij ruime leerlokalen heeft gegroepeerd; en te Priene heeft men enkele jaren geleden eene leerkamer van het Gymnasium teruggevonden, welker muren nog overeind stonden. Maar het zou een verkeerde methode zijn uit deze hellenistische Gymnasiën eenige gevolgtrekking te maken aangaande de lagere scholen van het Athene der vijfde eeuw.Misschien is onze onwetendheid op dat gebied licht te dragen: tenminste als wij vragen naar het leven der knapen, niet naar de eischen der ouders. Het zal den Atheenschen jongens wel niet zoo heel veel hebben kunnen schelen, of hun school fraai geschilderd of gemeubeld was. Zeker is de intimiteit van jongens uit zoo goede families als Lysis en Menexenus, in een goed gebouwde en zorgvuldig geventileerde school ontwikkeld. Hoe zou dat anders kunnen zijn, in den aristocratischen kring uit welken Plato de helden voor zijne dialogen kiest. Maar schoolkameraden wordt men ook in eenvoudiger lokalen. En wie herinnert zich niet door Xenophon’s Hellenica, welke magische kracht er uitging van het woord „schoolkameraden”, waarmee in 404 na het gevecht in den Piraeus de hierophant Kleokritos de burgers van de tegenpartij opwekte tot verzoening?Schoolkameraden—dikwijls beteekent het bovenal kwelgeesten van den zelfden schoolmeester. Vóór de scholieren vraagt deze onze aandacht. Hoe is de financieele positie van zulk een onderwijzer? Ook hier geeft de hellenistische tijd een meer bevredigend antwoord dan de Attische periode. De schenkingen der hierboven vermelde staatsweldoeners kwamen hun ten goede, mits ze regelmatig solliciteerden en boven anderen welbehagen vonden in de oogen der machtige volksvergadering. In Teos kon men na de hiervoor besproken schenking van Polythrus de onderwijzers een salaris van 600 drachmen betalen, te Milete uit hetfonds van Eudemus 30 drachmen in de maand. Die honoraria wijzen op eenig aanzien, al verdient opmerking dat te Teos voor den muziekmeester 100 drachmen meer wordt uitgetrokken dan voor den gewonen onderwijzer. Maar in de klassieke periode was het aanzien der schoolmeesters niet hoog. Lucianus bewaart daarvan nog de herinnering, als hij den cynischen wijsgeer Menippus laat verhalen van zijnen tocht naar de onderwereld. In den Hades, waar alle aardsche ongelijkheid wordt vereffend, zag Menippus koning Philippus van Macedonië als schoenlapper, Xerxes als bedelaar en de hoogste satrapen van het Perzische rijk als stokvisch-verkoopers en schoolmeesters. Zulk eene voorstelling stemt inderdaad overeen met den smalenden toon van Demosthenes’ woord tegen Aeschines: „Terwijl ik als leerling een behoorlijke school bezocht, was jij een schoolmeestertje”. En wij kunnen er zeker van zijn dat Aeschines’ vader, een man van zeker niet mindere afkomst dan Demosthenes, alleen omdat de Peloponnesische oorlog hem had geruïneerd aan ’t schoolmeesteren was gegaan, d. i. was gaan concurreeren met die menigte halfburgers en slaven, die te Athene het gilde der Grammatisten (lagere onderwijzers) vormden.Oneervol bleef die positie natuurlijk zoolang de Atheensche ouders met zeer elementaire vervulling der behoeften aan onderwijs tevreden waren, en onvoordeelig zoolang de schoolmeester uitsluitend afhing van het karige schoolgeld.Karig was dat loon zeker. En wat moet de man beginnen, als op den „zuren dertigsten” van de maand een of andere jongen ter school komt zonder de poovere schoolpenningen, of wanneer de menschen zich gedragen zooals de trouwelooze voogden van Demosthenes, die wel aan hunnen pupil het Minerval in rekening brachten, maar het zelf in hun zak staken. Aan een gerechtelijke vervolging kan de arme schoolmeester zich niet wagen. En een proces zal hem zeker niet baten tegenover een burger zooals Theophrastuser een in zijn geestig boekje teekent als type van schrieligheid. Deze beminlijke Athener, dezelfde gulle vader die zijn zoontje als een pretje beloofd heeft hem mee te nemen naar de comedie, maar dan zóó laat gaat, dat hij zeker is zonder entree binnen te worden gelaten, weigert het volle maandgeld te betalen, als een van zijne kinderen een paar dagen ziek is geweest, en in Februari stuurt hij zijne jongens in ’t geheel niet naar school. „Er is met al de feesten in die maand zooveel te zien, dat er van schoolgaan toch niet komt”. Zoo klinkt zijne boodschap; maar hij bedoelt natuurlijk: „zoo spaar ik eene maand schoolgeld uit en behoef meteen niet mee te doen aan dat malle gebruik om op het Choënfeest den meester door de jongens een cadeautje te laten geven”.Men vraagt zich onwillekeurig af: hoe moet zoo’n Atheensch knaapje zijn leermeester hebben aangezien? Alcibiades sloeg zijn onderwijzer om de ooren, omdat de man er niet eens een eigen Homerus op nahield. Maar Alcibiades is nu eenmaal de Steerforth van het Atheensche jongensleven. In den toon waarop de schrijvers over den schoolmeester spreken is meer dat ons aanmoedigt om—met matiging van de rhetorische charge—geloof te schenken aan de schildering die Libanius—zij het dan ook voor een veel lateren tijd—van den schoolmeester geeft: „Als een rechter zit hij daar op zijn troon, als een voorwerp van schrik en angst, de wenkbrauwen samengetrokken, toornig en onvermurwbaar.—Nu moet de jongen bij hem komen. Deze nadert sidderend en in elkaar gebogen, want hij moet laten kijken wat hij gevonden, gesteld, onthouden heeft. Wee hem, zoo hij het niet goed heeft gedaan!”De charge hieraan te ontnemen, daartoe helpen ons wederom de vaasteekeningen. De vriendelijke rustige mannen die op de oud-Attische vazen zijn afgebeeld, zien er niet zoo bar uit, en de aardige jongens op Duris’ vazen staanniet krom van angst, maar bevallig en rechtop voor hunnen meester.Het knaapje dat wij op Duris’ scholen voor zijnen grammatist zien staan, zal wel evenmin als een gewone schooljongen van onzen tijd geweten hebben dat zijn vader met diens vrienden heftig placht te debatteeren over de ware methode van onderwijs en de juiste keus der leerstof. Omdat wij zijn leven en niet dat van de schoolmeesters schrijven, behoeven ook wij ons in dien strijd niet te zeer te verdiepen. Wij kunnen volstaan met te luisteren naar hetgeen Plato Protagoras laat zeggen over het algemeene doel der schoolopvoeding, al doet de sofist dat, dank zij Plato’s ironische teekening, wat heel deftig. „Van kindsbeen af, het heele leven door—zoo zegt Protagoras—leeren en vermanen de ouders hunne kinderen. Zoodra een jongen begrijpen kan wat men tot hem zegt, wedijveren zijne moeder en zijne voedster en zijn vader zelf in de zorg om hem zoo voortreffelijk mogelijk te maken, bij elk woord en bij elke handeling hem leerend en aanwijzend „dat is rechtvaardig en dat is niet rechtvaardig” en „dit is mooi en dat is leelijk”, en „dit is vroom en dat is goddeloos”, en eindelijk „dit moet je doen, en dat moet je niet doen”. En volgt hij nu deze wenken gewillig, des te beter; zoo niet, dan wordt hij als een tak die aan ’t scheef groeien is en krom wordt, recht gebogen met bedreigingen en slagen. Na dit tijdperk zenden de ouders hem naar school, en daarbij dringen ze meestal bij de schoolmeesters er veel meer op aan, dat de jongens goed fatsoen leeren, dan dat ze lezen en schrijven of citherspel bij hen leeren. En de onderwijzers houden vooreerst daarop het oog, en vervolgens, als de jongen lezen heeft geleerd en den zin der woorden verstaat, laten ze hem op zijn schoolbankje gezeten de gedichten van goede dichters voorlezen en van buiten leeren, in welke allerlei goede lessen staan en uitweidingen en lofprijzingen van edele mannenvan het voorgeslacht, opdat de jongen die met ijver navolgt en streeft hun gelijk te worden. En de kitharisten doen desgelijks. Zij letten vooreerst op des jongens ingetogen houding en gedrag en waken er voor, dat ze geen kwaad doen, en vervolgens, als ze hen geleerd hebben de cither te bespelen, geven ze hun weer van andere dichters de liederen te leeren, terwijl ze hen de melodie daarvan op de cither leeren, en zoo maken ze dat rhythme en harmonie eigen wordt aan hun ziel en zij zelf zachter van aard worden en meer geëvenredigd en harmonisch van gemoedsstemming. En opdat een kloek lichaam hun aldus goed geworden geest diene, en zij in oorlogen of andere bemoeiingen niet behoeven te vreezen uit hoofde van onvoldoende lichaamskracht, zenden ze hem naar den gymnastiekmeester”.Naast deze algemeene beschouwing is de verzekering niet onvolledig, dat de oude leer dat „veelweterij geen verstand geeft”, in de dagen van welke wij spreken te Athene als ouderwetsch begon te gelden en het woord van Isocrates: „niet wat men den leerling kan meegeven, maar hoe men zijne ooren opent, is de vraag” naar de meening van vele zijner tijdgenooten de taal van een droomer was, blind voor de gebiedende eischen derpraktijk. Voorshands echter zal de kleine beoefenaar van ’t alfabet van dien strijd nog niet veel bemerken. Gewichtiger is voor hem een ander theoretisch dilemma—al zal hij het niet formuleeren zooals wij dat doen. De vraag is deze: zal men hem onderwijzen volgens de leer door Plato bij oudere leerlingen proefhoudend bevonden, de methode van het zachtzinnig en geduldig voorbeeld? Of zal men de methode van den dwang volgen? Voor het laatste is de kans het grootst. De praktijk van het Grieksche onderwijs eischt gestrengheid van den kant des leermeesters en stipte onderworpenheid van den leerling. Het is teekenend voor het gezag van den schoolmeester, dat Xenophon—sprekend over de discipline der Spartaansche troependie hij op hun tocht naar Azië vergezelde—om recht duidelijk te doen gevoelen, welk een ijzeren tucht daar heerschte, zegt: „de troep had tegenover hun commandant hetzelfde gevoel als schoolknapen tegenover hun meester.”—Zoo is de meester de autoriteit, en met het versje van Menander: „des leerlinge eerste les ishoud-je-mond” zijn de Grieken het eens. De belangstellende vraagal, dien de moderne paedagogiek zoo gaarne doet optreden met zijn van nadenken getuigend „meester, waarom?” zou—vrees ik—op een Grieksche school niet veel succes hebben gehad. Een Atheensch scholier heeft niet te vragen, hij heeft te luisteren en te gehoorzamen; doet hij dat niet ... dan is er een stok.Hoe lang nu de schooldagen van den kleinen Athener zijn geweest, is ons alweer niet bekend. Maar wel weten we dat, zooals van zelf spreekt, zijne aandacht wordt verdeeld tusschen den grammatist en den kitharist. Eerst komt natuurlijk het spellen en lezen. Juist onze eigene meer en meer geperfectionneerde methodes van leesonderricht maken het voor ons belangrijk te weten hoe de Atheners hun jongens het begrip van de leeskunst en haar praktijk hebben bijgebracht.In den aanvang van onze tijdrekening was bij de Grieksche meesters te Rome dit de gewone weg: eerst leeren de kinderen het alfabet opzeggen, dan wordt hun de vorm en de klank der letters geleerd, dan de syllaben en de verschillende wijzen waarop die ontstaan, en ten slotte de woorden uit die syllaben gevormd; feitelijk dus deSpa-a-methode. Dezelfde was reeds door Plato, en zeker wel in overeenstemming met de praktijk aanbevolen: „Eerst”—zegt deze—„moet de knaap de letters kennen naar hun vorm en naam”.—Zouden niet ook de Grieken speelmiddelen hebben gehad om de kinderen die te leeren? De rijke Herodes Atticus, die een tijdgenoot van M. Aurelius was, had een hardleerschen enonwilligen zoon, zijn onuitputtelijke rijkdom veroorloofde hem—en bij zijn ongeëvenaarde mildheid kon hij zulks doen zonder den schijn van parvenu’s-bluf—aan dien zoon vier-en-twintig slaafjes cadeau te doen, die ieder eene letter vertegenwoordigden. Mij dunkt, dit zal wel een weelderige imitatie zijn geweest van een ouder gebruik; losse ivoren lettertjes kende ook Quinctilianus; terracottascherven met syllaben-oefeningen:ar,bar,ger,er ber,ger, enz. zijn in Attica in den grond gevonden, en eindelijk dat de Atheensche kinderen inderdaad „B met een A = BA” leerden, weten wij uit literaire overlevering.Zoowel bij het spellen als straks bij ’t latere lezen heeft de schoolmeester alle gelegenheid om scherp toe te luisteren, of het knaapje dat voor hem staat zuiver uitspreekt. Daargelaten nog dat hij misschien lispelt, ’t zij van nature, ’t zij door ’t voorbeeld van een ouderen broer, die brauwt omdat Alcibiades brauwt of lispelt omdat een ander voornaamlionmet slappe lippen spreekt, kan hij ook van elders de vocalen minder keurig hebben meegebracht. Athene is sinds de Perzische oorlogen een internationaal middelpunt, en de stad is vol halfburgers, zoogenaamde metoiken: op 35.000 burgers 10.000 metoiken. De zoontjes van deze naar Athene overgekomen vreemdelingen hooren thuis de heldere Atheenscheawellicht op zijn Ionisch alsè, of, als ze van Dorischen huize zijn, lachen meester en scholieren hen uit, zoo dikwijls als ze „plat pratend”, met een breedeDorischeavoor den dag komen, waar een Athenereezou zeggen. En een menigte andere eigenaardigheden moet in hun spreken te gelijker tijd verdreven worden. Hellas heeft over zijn kleine oppervlakte een ongemeen groote verscheidenheid van vervormingen derzelfde woorduitgangen; zoo vroeg mogelijk—en zeker vóór men den jongen leerde zich te verdiepen in de geheimen der pas „ontdekte” grammatica—moest de meester hem oefenen innauwkeurigheid van uitspraak. Die nauwkeurigheid wordt trouwens door de Grieksche taal zelve bijna geëischt. Het werk van een goed deel onzer voorzetsels, voegwoorden en hulpwerkwoorden wordt immers in het Grieksch verricht door fijne vocaalwisselingen en door een lenig en rijk samenstel van buigingsuitgangen. Die bevallige vormen door slordig afkappen of onzuiver articuleeren te verminken, is het werk van een „barbaar”. Juist op het feit dat in een jarenlang verkeer geen der buurtgenooten hem op zoo iets had betrapt grondt een van Demosthenes’ klienten zijn recht tot erkenning van zijn Atheensche afkomst!—En aan die spreekoefeningen knoopt zeker de meester telkens het wèl bekende „dat zegt men zoo niet” vast. Want ook in het woordgebruik moet de kleine metoikenzoon op zijn tellen passen. Het is een van de treffendste bewijzen voor de groote begaafdheid van den redenaar Lysias, dat hij, zoon van een metoik en leerling der Sicilische rhetoren, die zoovele talen kent als menschen, wel elk zijner klienten laat spreken, klagen, schertsen naar zijnen aard, maar in geene zijner oraties een duimbreed afwijkt van het zuiverste Attische idioom. Zoo iets leert meestal een jongen alleen in zijn vroege jeugd. En doet hij dat niet, dan zal het hem gaan als dien Stephanus, van wien Demosthenes zegt: „Rechters, aan zijne soloecismen hebt gij zelf allang gehoord dat deze man een barbaar is; uit zijne schurkenstreken zal ik het u ten overvloede thans nog bewijzen.”Wie lezen zegt, zegt schrijven, althans in oud-Hellas, waar men beide vakken van onderwijs met één zelfden naam „Grammata” (letters) aanduidde, en waar verder gewoonlijk, ten minste in den ouderen tijd, voor boekschrift en gewoon handschrift in brieven en acten, een zelfde lettervorm dienst deed. Er is dan ook—dit spreekt van zelf—geen enkele redelijke grond om aan te nemen dat, zoolang het oude Athene scholen heeft gekend—en dit is zekersinds Solons dagen het geval—in die scholen niet naast het lezen van den aanvang af het schrijven zou zijn gedoceerd.Bewijzen laat zich zoo iets niet. Reeds de schaarschte van schrijfmateriaal moet oorzaak zijn geweest dat de kunst van ’t schrijven zelf, ofschoon ongetwijfeld duizend jaar vóór onze jaartelling in Griekenland bekend, niet ijverig werd beoefend: de soldaten van klein-Aziatischen huize die Psammetichus I (654–617) op zijn tocht naar ’t Nijleiland Elephantine begeleidden, waren niet allen de schrijfkunst meester, en de kameraden wier vaardige hand aller namen insneed in de beenen der colossale standbeelden te Aboe-simbel in Nubië, voegen er met trots aan toe: „Onze namen zijn geschreven door Archon, zoon van Amoibichos, en Pelekos, zoon van Eudamos”, welke verklaring dan door een paar van de vrienden met zeer gering succes is nagekrast.—Maar wie wandelt over de rotsen van Thera (Santorin), die vindt daar de bewijzen dat in de zevende eeuw de Theraeïsche mannen—jongere en oudere—over het algemeen vrij vaardig met de stift moeten zijn geweest, en bovendien, dat blijkens den vorm hunner letters ook toegeeflijker materiaal dan de harde steen hun bekend was.Ook de vazenscherven, o.a. die van Naucratis in Egypte, waar sinds het laatst van de zevende eeuw een Grieksche nederzetting was, en die van Corinthe, waarschuwen ons om aangaande de uitgebreidheid der schrijfkunst onder de Grieken ons niet al te ongunstige voorstellingen te maken. Natuurlijk: indien we op een vaas een opschrift vinden, netjes gepenseeld vóór de vaas werd geglazuurd, dan bewijst dit alleen dat de geestige teekenaar ook schrijven kon, evenals eene oude inscriptie op het voetstuk eener statue veelal slechts de schrijfvaardigheid van den beeldhouwer of diens werkman aantoont; doch als men scherven van kruiken vindt waarin met ruwe hand bij de wijdingeen godennaam is gekrast, dan weet men: hier is de schenker aan ’t werk geweest; hier heeft de koopvaarder dankend voor redding en winst op zijn wijgeschenk aan den havengod de herkomst vermeld met eigen hand, zij het dan ook met eene handdiede roerpin vaster bestierde dan de schrijfstift.En na Solons dagen zijn voortdurend de Atheners meer gewend geraakt geregeld gebruik te maken van het schrift. Dit werd reeds door de uitbreiding van hun handel en door de klimmende verkiesbaarheid van alle burgers tot ambten die de schrijfkunst stilzwijgend onderstellen, noodzakelijk. In Perikles’ dagen moet wel het aantal analfabeten te Athene gering zijn geweest: stemmende leden eener volksvergadering, die niet kunnen lezen en schrijven zijn ondenkbaar, en de welbekende boer, die aan Aristides verzocht om den naam „Aristides” op zijn verbanningstafeltje te schrijven, daar hij zelf niet schrijven kon, zal zelfs toenmaals—in ’t begin der vijfde eeuw—wel eene uitzondering zijn geweest.Daarmee is niet gezegd dat de Grieken schoonschrijvers waren. Terwijl ze namelijk in de opschriften van hunne tempels en statuën buitengewone zorg besteedden aan voortdurende verfraaiing der reeds van ’t eerst af zeer ornamenteele lettervormen, schijnt hunne gewoonte om in het dagelijksche leven allen handenarbeid aan slaven over te laten, te hebben veroorzaakt, dat hun eischen voor leeken ten opzichte van het schoonschrift over het algemeen op bescheiden hoogte zijn gebleven. Gelijk in allerlei andere takken van onderwijs, heeft men ook op dit gebied in de eeuw na Alexanders dood gehoopt verbetering te brengen door examens en prijsuitdeelingen;—van weldoeners, prijzen en overwinnaars in declamatie en calligrafie doen ons, zooals wij reeds hierboven vermeldden, de opgravingen der laatste jaren mededeeling uit Milete en Priene, uit Samos en Naxos, en de Anthologie bewaart in een aardig kleinepigram de herinnering aan een jongen, die bij den wedstrijd in het schoonschrijven als derden prijs niet minder dan tachtig bikkels won. Maar als wij de proeven van schooljongensschrift raadplegen, die in Aegypte voor den dag komen, hetzij op wastafeltjes of op perkament en papyrus, en zelfs als we er daaronder een uitzoeken dat de meester niet „heel goed” heeft gewaarmerkt, dan zien wij wel in dat voor de Grieken, die niet als calligrafen hun vak van het schrift maakten, langen tijd het woord van Plato heeft gegolden: „ommooite schrijven hebben wij onze slaven”.En toch—al zijn de resultaten gering—hoe doen ze hun best, meester en leerlingen, op de geestige schaal van Duris. De meester heeft het wastafeltje ter hand genomen en terwijl ’t knaapje—in eerbiedige houding en den ernst des oogenbliks beseffend—staat te wachten, trekt hij zijn hulplijnen, horizontaal, opdat de letters goed naast elkaar, verticaal opdat ze ook—naar Attischen schoonheidseisch—goed onder elkaar komen te staan. Voor de kleintjes zal hij nu ook schets-letters trekken om over te teekenen, straks om aan te vullen, voor de grooteren schrijft hij klanken, woorden, complexen van moeilijke letters die ze copieeren, en tenslotte zal de jongen zelfs een blad papyrus van hem krijgen, waarop hij niet meer kan uitvegen en waarop hij schrijft met inkt.Hoe Atheensche schoolmeesters hun’ jongens schrijven hebben geleerd verhaalt ons begrijpelijkerwijze geen schrijver. Maar van het Atheensche schoolschrift—mag men aannemen—is de afstand niet al te groot tot de Alexandrijnsche praktijk. Een deel van de oefeningen waarmee de scherven en papyri uit Aegypte ons hebben vertrouwd gemaakt, hebben de Atheensche jongens ook wel doorgemaakt: zij hebben ook het alfabet van voren naar achteren zoowel als van achteren naar voren geschreven, straks sylben òf nageschrevenòf, ter oefening in de woordvoering meteen, zelf bedacht. Een poos later kwam dan het schoonschrift naar copij. Hoe steken soms op de wastafeltjes, in Aegypte gevonden, bij het fraaie vaste schrift van den onderwijzer de beverige hanepooten af dier jongenshanden, meer bekwaam tot mikken van een „zeilsteen” dan tot correct overschrijven! De smaak der onderwijzers is in de keus der exempels al even wisselend als in onzen tijd. Sommigen verwachten blijkbaar paedagogisch voordeel uit de keus van wijze lessen, korte puntige dichterspreuken, vermaningen voor ’t leven. Anderen meenen dat de jongens liever een fabeltje, een anecdote, misschien wel een grappig spreekwoord zullen naschrijven. Ook ontbreken de aanteekeningen niet die zulk werk levendig maken. Zelfs wie zijn leven lang met Grieksche boeken omgaat voelt een geheel nieuwe gewaarwording, als hij op zulk een wastafeltje naast elkaar ziet staan eene opwekking van den schoolmeester: „Je best doen!” en een ongevraagd antwoord van den jongen „Hangen zal-ie”. En zou iemand zonder aarzeling een houten tafeltje in de hand kunnen nemen, waarop viermaal onder elkaar geschreven staat: „Doe je best, kereltje, anders krijg je klappen”. Viermaal! Hoeveel regels zou het strafwerk hebben bedragen waarvan dit het restant was?De Aegyptische vondsten, waaraan deze laatste feiten zijn ontleend, spreken van een veel uitgebreider lagere-school-onderricht dan het Atheensche. Conjugeeren, declineeren, ontleden, zijn dingen die in de Atheensche scholen—althans in de lagere—nog niet thuis behooren. Daarom rijst de vraag: kan lezen en schrijven den geheelen dag van de kleine schooljongens hebben gevuld? En was er den geheelen dag school? In eene oude wet van Solon was bepaald, dat de scholen noch vóór zonsopgang geopend mochten worden, noch na zonsondergang open mochtenblijven. Dat zou van een geweldigen schooldag getuigen, een schooldag echter, voor de kleine jongens reeds hierom niet waarschijnlijk, omdat zij niet zooals de grooteren afwisseling in hun dagtaak hebben door het beurtelings bezoek van den grammatist, den citharist, en den gymnastiekleeraar. Wij moeten daarom, dunkt me—zonder één algemeen geldenden regel te zoeken of zelfs te onderstellen—vooreerst bedenken dat de school van de allerkleinste jongens wel dikwijls in haar karakter bewaarschool zal zijn nabijgekomen, en daarnaast, dat de methode van onderricht vanzelf de lessen tot een soort van privaat onderricht maakte, waardoor de voortdurende aanwezigheid van alle knapen te gelijkertijd nauwlijks noodig was en door een stelsel van groep-onderwijs kon worden vervangen. Het laatste komt allicht waarschijnlijk voor aan ieder die bedenkt dat er toch zoo iets als klassenindeeling moet hebben bestaan. Ook maakt die onderstelling de aanwezigheid van de paedagogen in het bijvertrek eener aanzienlijke school begrijpelijker. Zij konden zorgen dat de jongens in die talrijke tusschenkwartiertjes elkaar niet te vlug de eukosmia afleerden, hun met zooveel moeite bijgebracht.Ten opzichte van de vragen betreffende opklimming van klas tot klas, en in verband daarmee de verdeeling der leerstof over bepaalde termijnen, hetzij in vrije afwisseling, hetzij naar een vasten rooster, tasten wij geheel in het duister; ja, zooals het meer gaat, heeft hier ’t geen nieuw ontdekt is de vragen vermenigvuldigd. Ook mogen wij wat te Milete of te Teos in de tweede eeuw vóór Christus gebeurde niet tot regel in het Athene der vierde eeuw verheffen, veel minder nog de bewijzen dat het grammaticale onderricht op de scholen der derde eeuw na Christus uitvoerig en systematisch was, toepasselijk verklaren op den bloeitijd der Atheensche republiek, dus op eene periode van acht eeuwen vroeger. Wel blijkt uit die latere schoolvondstenhet conservatisme der Grieken. De spelmethoden zijn dezelfde gebleven: de jongetjes in de Aegyptische dorpen hebben twee eeuwen na het begin onzer jaartelling denzelfden weg bewandeld als de kleine Atheners: in één zelfde schoolschrift van houten tafeltjes, in een Aegyptisch graf gevonden, staan eerst de monosylben die ’t jongetje zelf in alfabetische volgorde heeft moeten vinden—bij dex, die in ’t Grieksch op denvolgt, heeft zijne vindingrijkheid hem even in den steek gelaten,—dan de woorden van twee en drie lettergrepen, straks de spreukzinnen en de spreukmatige verzen, en eindelijk, na deversus memoriales, geheele stukken fabel op verzen. Dat laatste is een vingerwijzing naar een gewoonte, die ook in de oude Atheensche school bekend was. De fabel is èn in dat schrijfboek en op andere tafeltjes die wij bezitten uit het hoofd opgeschreven. De jongens moeten nl. verzen van buiten kennen, hoe eer en hoe meer hoe liever; in de Grieksche school werd oneindig veel meer op het geheugen gebouwd dan in onzen tijd, die van geheugensbelasting oordeelsverstomping verwacht. Men kan er zeker van zijn dat de kleine jongens die we op de vazen zoo braaf vóór hun leermeesters zien staan, klaarblijkelijk aan ’t opzeggen van hun pensum, thuis als hun vader gasten heeft, hunne kunst zullen hebben te vertoonen, en ook dat zij in hun gewillig en door oefening versterkt geheugen heele stukken Ilias en Odyssee, als een goeden schat voor het leven, bewaren. Het zal niet zoo moeilijk gevallen zijn een clubje Atheensche jongens bij elkaar te brengen die samen de geheele Ilias naar rhapsodentrant kunnen declameeren. Zegt niet een van de aanliggenden in Xenophons Symposion, dat zijn vader hem de beide gedichten van Homerus heeft laten van buiten leeren?Men heeft dikwijls Homerus den Bijbel der Grieken genoemd, en natuurlijk gaat die vergelijking mank. Maarzij kan toch worden gebruikt om twee dingen duidelijk te doen uitkomen. De eigenaardige voortreflijkheid van de oud-hollandsche bijbelvastheid heeft haar parallel in de Homerus-vastheid der Grieksche jeugd. Zij voedt eene levendige overeenstemming in het beeldenrijke en van vlugge toespelingen vervulde gebruik eener gemeenschappelijke taal, die niet zonder meer de taal van heden of gisteren is. Zoo goed als er verschil van voorstelling en waardeering is in de beide uitdrukkingen: „rijk als Salomo” en„rijk als Carnegie”, zoo goed als het iets anders is iemand een Phariseeër te schelden dan hem eenvoudig een huichelaar te noemen, zoo goed opent het voor den Atheenschen knaap eene andere wereld wanneer men hem zegt dat iemand een Thersites is, dan dat men hem Cleon wijst. En het tweede is dit: de vraag of het Oude Testament stichtelijk en het Nieuwe begrijpelijk voor kinderen is, placht men in veleNederlandschegezinnen eertijds eenvoudigweg te beantwoorden door de gansche Schrift in hun bijzijn voor te lezen. Zoo plaagden zich—als men Plato in zijne polemiek mag gelooven—vele ouders of voogden te Athene ook niet met de quaestie of inderdaad de wrok van Achilles en de aanleiding daartoe bijzonder geschikt was om onder de aandacht te worden gebracht van achtjarige jongens. Welke intusschen de schaduwzijde dezer methode zij geweest, zij had één groot voordeel. Homerus is voor Athene altijd gebleven een nationaal dichter in den vollen zin. Zijn taal, zijn frischheid, zijne nooit uitgeputte verbeelding werken door in het gedachtenleven van alle Atheners. Van hoevele Nederlanders die een „completen” Vondel bezitten geldt iets dergelijks? Bij Homerus bleef het niet. In Plato’s dialogen althans, zoowel als in toespelingen bij de comediedichters, zijn bewijzen genoeg te vinden dat gaandeweg die schoollectuur een groot deel der poëzie omvatte welke ons bewaard bleef. Ons treft in dit alles naast demoralizeerende strekking het feit, dat bijna alles wat men den knapen voorlegde mannenkost is. Niet alleen de ernstige bezwaren door Plato herhaaldelijk tegen de mythologische gedichten te berde gebracht deelen wij, maar vooral een ander bezwaar: hoe—vragen wij—konden deze knapen, zelfs al waren het geen jongens van acht, maar van tien of twaalf, Solons Elegieën of Hesiodus’ Vermaningen of—erger nog—Theognis’ bedenkelijke politieke moraal begrijpen?De vraag blijft onopgelost, vooral omdat wij zoo weinig weten van de indeeling der onderwijsstof. Intusschen, naast deze lectuur zal wel spoedig het rekenonderwijs zijn gevolgd. Een goed Athener is noodzakelijkerwijs een goed rekenaar, want de groothandel is voor de voornamere burgers, de kleine venterij voor de eenvoudiger lieden de voorname bron van inkomsten. Het behoeft dus niet eerst Plato te zijn geweest, wiens invloed de arithmetiek en dan de geometrie onder de schoolvakken verhief. Zeker, bij hem vindt men het eerst den eisch gesteld dat naast de zoogenaamde musische ontwikkeling, d.i. naast het literaire onderricht en de straks te bespreken muziek, die het gemoed en den smaak vormen, de strenge studie der mathematische vakken als kostelijk middel om de knapen te voeren tot zelfstandige geestesontwikkeling, in de scholen zou worden opgenomen; doch aan dezen theoretischen eisch is de practische voorafgegaan. De jongen moet kunnen rekenen, om als man straks zijn kasboek te kunnen houden.Het rekenen is voor den Griekschen jongen zeer zeker eene ingewikkelde zaak geweest. Ze zullen wel begonnen zijn met de mechanisch en half zingend geleerde wetten van het eenmaal een en tweemaal twee; doch hoever ze op onze moderne manier geholpen zijn door tafels van vermenigvuldiging, is onbekend. Het eigenlijke rekenen leeren zij natuurlijk uit het hoofd. Reeds de karigheid zelve waarmeede Griek in ’t algemeen gebruik maakt van het hulpmiddel van het schrift, maakt dit waarschijnlijk. Maar zij hebben een ander hulpmiddel, en wel een heel oud. Is niet het tientallig stelsel een gevolg van het feit dat de mensch tien vingers heeft? In de Odyssee reeds zien we hoe men van die vingers, de tweemaal vijf, tot aftellen gebruik maakte. God Proteus telt, als hij over zijne robben inspectie houdt op zijne vingers na, of ’t vereischte aantal aanwezig is, en de dichter noemt dat aftellen: „afvijven.” Zoo doet ook in een bekend verhaal bij Herodotus koning Aristo van Sparta, die, nagaande hoevele maanden hij getrouwd is, „op zijne vingers de maanden narekent.” Maar bij zoo eenvoudig op de toppen tellen—hoogstens tot tien—blijft de rekenkunst der Grieken niet staan. Door buigen en strekken der geledingen, door aan den halven vinger een andere waarde dan aan den geheelen toe te kennen, en door allerlei wendingen die wij niet meer kennen, hebben de Grieken het er toe gebracht, zoo noodig alle getallen tot tienduizend toe uit te drukken. Althans zoo verhalen latere schrijvers; bij de oude Atheners geschiedt wellicht zulk „op de vingers narekenen” alleen bij zeer globale berekeningen. In de Wespen van Aristophanes wil een zoon zijn kortzichtigen vader aan ’t verstand brengen, dat de inkomsten van Athene voor een groot gedeelte worden verdonkeremaand door hen die aan ’t laadje zitten en dat ’t Volk in alle gevalle er niet genoeg van geniet. „Reken maar eens op je vingers na”, zoo zegt hij, „globaal genomen zijn onze staatsinkomsten 2000 talenten.—Trek daar nu eens de jaarlijksche rechtersoldij voor zesduizend rechters van af... dat is dus notabene maar honderd vijftig talenten.” De berekening die de vader heeft moeten doen—niet met rekenschijfjes, maar op zijn vingers—bestaat dus vooreerst in eene vermenigvuldiging. Hij weet dat een rechter een halve drachme presentiegeld geniet en dat men op ongeveer driehonderdzittingdagen in het jaar kan rekenen. Dus rekenen zoon en vader „op de vingers” de vermenigvuldigingssom uit ½ × 300 × 6000 = 900.000 drachmen, en zij deelen dit product door 6000 omdat er zooveel drachmen gaan in een talent. Zoo komen zij tot 150.Met dit al is het een eenvoudige rekensom met ronde getallen, die de proceshatende zoon in de Wespen aan zijnen vader opgeeft. Bij uitvoeriger berekeningen moest onvermijdelijk dit vingerrekenen tot verwarring leiden; bovendien dwingt de minste aarzeling over eigen juist tellen, ja iedere stoornis, den rekenaar zijn geheele manipulatie op nieuw te beginnen. Heeft dus bij den kleinhandel en bij den inkoop van vruchten en groenten op de markt deze computatie op de vingers groot practisch nut, toch grijpt de Athener, zoodra de verrekening gecompliceerder wordt, ongetwijfeld graag naar zijn rekenbord,abakos, zooals in eene comedie van den blijspel-dichter Alexis een kok zelfs doet als hij, thuis gekomen van de markt, al zijn kleine en groote inkoopen nauwkeurig bij elkaar wil oprekenen. Dit rekenbord is een uitermate eenvoudig ingericht hulpmiddel. Het is verdeeld in een aantal kolommen, voor de eenheden, de tientallen, de honderdtallen en de duizendtallen, met beweegbare schijfjes voor het noteeren. Men schuift bij iedere notitie zooveel schijfjes naar de andere zij der kolom, als men eenheden, en tientallen, wil noteeren. Wordt in de eerste kolom daarbij het tiental bereikt, dan zet men in de kolom der tientallen een schijfje aan, en schuift de tien eenheden naar hun eerste plaats terug. Of anders—wat nog eenvoudiger is—men werkt met losse steentjes. Dan is de bak zoo verdeeld dat in iedere kolom een steentje aan de rechterzij neergelegd één, tien, honderd enz. telt, doch aan de linkerzij vijf maal zoo veel. Dat intusschen alle vermenigvuldiging (behalve dan die met vijf) bij het gebruik van het bord toch weer,zoo goed als de deeling, uit het hoofd of op andere wijze moet geschieden, valt licht te begrijpen. Amusant zijn allicht deze oefeningen niet geweest. En dat de Atheensche jeugd er zoo over dacht kan men uit Plato’s woorden opmaken. De jongens kunnen, zoo zegt hij ongeveer—in zijneLeges—ons zelf den weg wijzen om het rekenonderricht boeiender te maken, door de manier van aftellen bij hun spelen. En de Aegyptenaars—zoo fantazeert hij verder—wisten het rekenen tot een spel te maken. De meester nam b.v. een mand met zestig appels en droeg de knapen op, die eerst onder twee, dan onder drie, dan onder vier, onder vijf, en zes jongens te verdeelen. Of hij fingeerde een jongenswedstrijd b.v. van negen jongens en stelde de vraag: „als nu ieder van u negenen met de andere acht moet vechten—hoeveel wedstrijden krijgen we dan?”—Men ziet, geleidelijk voert Plato’s Egyptenaar de jongens van de gewone deeling naar de ontbinding in factoren, ja zelfs naar de geheimen der combinaties en permutaties.Maar het is heel wat moeilijker taak die onderwijzer en leerlingen wacht, wanneer straks de jongens—nadat ze de verschillende manieren hebben geleerd waarop de Grieken hunne letters gebruiken om getalwaarde aan te geven—op schrift moeten leeren vermenigvuldigen en deelen. Voor ons is het niet zoo héél moeilijk, een kind duidelijk te maken, dat men, om b.v. 35 met 4 te vermenigvuldigen, eenvoudig weg mag zeggen: 4 × 5 = 20; 0, ’k onthoud er 2, 4 × 3 = 12, + 2 = 14. Som 140.—Maar voor den Athener, die geene afzonderlijke cijfers heeft, en zijn letter-cijferschrift niet met het decimale stelsel in overeenstemming heeft gebracht, is dat onmogelijk. Heeft een Griek 265 te schrijven dan schrijft hij dat in drie letterteekens sigma (= 200), ksi (= 60),e (= 5); moet hij nu 265 met 265 vermenigvuldigen dan dient hij den volgenden langen weg te gaan: 200 × 200 = 40000, 200 × 60 = 12000,200 × 5 = 1000; 60 × 200 = 12000, 60 × 60 = 3600, 60 × 5 = 300; 5 × 200 = 1000, 5 × 60 = 300, 5 × 5 = 25, om ten slotte met of zonder abacus al deze producten te arrangeeren en op te tellen en daarna met de daartoe bestemde letters aan te duiden.—Dat eindelijk, bij het deelen dezelfde weg andersom moet worden afgelegd, spreekt van zelf. Om bijv. het hier boven verkregen product (70.225) weer te deelen door 265 moet de knaap eerst, juist zooals bij ons geschiedt, tastenderwijze vragen hoeveel maal een getal dat dichter bij de drie honderd dan bij de tweehonderd staat in de zeventig duizend zou zijn begrepen; hij maakt daarna zijn eerste multiplicatie, trekt het verkregen veelvoud van 265 af van de zeventig duizend en voegt het restant bij de nog niet behandelde 225. Die bewerkingen zijn dor, doch niet moeilijk; en al moeten zij dikwijls herhaald worden, de onderwijzer kan ze varieeren. Want tegelijkertijd met deze grootere rekensommen moet de practische oefening den jongens de voor het dagelijksche leven onmisbare zekerheid geven in de toepassing der stelsels van munten, maten en gewichten. Slechts onze oudere tijdgenooten herinneren zich nog de pijnlijke kwelling eener rekensom, die òf met een valschen schijn van gezelligen anecdotischen verhaaltrant begon: „een boer kocht op de markt drie last, vijftien mud en vier kop graan tegen...” òf eenvoudig norsch beval: „Herleid in cijfers van het decimale muntstelselxdaalders,yschellingen,zstooters.” Wij zijn aan die kwellingen ontkomen; de Atheensche jongens nooit. Zij hebben moeten leeren en practisch ervaren, dat er zes obolen in een drachme gaan, dat een mina honderd drachmen geldt en zestig mina’s een talent heeten. Maar daarmee is de Atheensche jongen nog niet klaar. Hij dient ook te begrijpen dat de muntwaarde in de naburige staten niet steeds aan die van zijne moederstad gelijk is. Want van de verafgelegen landen kan hijdat terloops vernemen. Als hij uit de Anabasis van Xenophon hoort voorlezen, dat Cyrus, de Perzische kroonpretendent, zeer ingenomen was met den Spartaanschen commandant Clearchus en dezen eene schenking deed van duizend dareiken, dan kan hij volstaan met de wetenschap,—en die heeft hij voor het vragen—dat een dareikos gelijkstaat met twintig attische drachmen en dus het geschenk aan Clearchus 200 mina’s (c. ƒ 9000) bedroeg. Maar hoeveel ingewikkelder wordt de zaak, wanneer hij de vraag onder de oogen moet zien, met welke talenten, met Euboeïsche of met Aeginetische, hij in een bepaald geval te doen heeft. Hier kan de onderwijzer—of de vader—de theorie door de aanschouwing te hulp komen. Allereerst laat hij hem een Attisch tetradrachmon zien en leert hem meteen zich te verlustigen in den fijnen omtrek van den welgesneden, ofschoon archaïsch gehouden Athena-kop bekroond met den Attischen helm en versierd met oorring en halsband. Dan legt hij een drachme daarnaast, gelijk in beeld maar kleiner en fijner, en hij keert de munten om, opdat de jongen ze onderkenne ook door den stadsuil met den olijfkrans, den maansikkel en de zuiver gesneden Atheensche letters. Maar naast die fijne muntjes—rechtmatige trots der stempelkunst—geeft hij dan den knaap een Aeginetisch dedrachmon of stater in de hand, gestempeld met de zwaar gesneden Aegina-schildpad, plomp van vorm en op de keerzij weinig gracieus versierd door een ingeslagen quadraat, dat door diagonalen in driehoeken is verdeeld. Laat hij nu den jongen kiezen, welke drachme hij begeeren zou, tien tegen een dat een jong Athenertje gretig grijpt naar het fijne Athena-kopje. Dan legt de schoolmeester, om hem de harde les te leeren dat in financieele operaties het mooiste niet altijd het voordeeligste is, beide muntjes op de weegschaal en wijst hem dat de Attische drachmen slechts 4¼ gram wegen en de Aeginetische didrachmen12¼. En als dan de jongen tot het inzicht is gekomen dat in het muntwezen de zwaarte hoofdzakelijk de waarde bepaalt, dan is hij niet ver meer af van de beantwoording dezer vraag: „Indien inderdaad Solon de schuldenlast van de arme debiteurs uwer overgrootvaders heeft verlicht door te bepalen dat de schulden in Aeginetische drachmen aangegaan, zouden worden afbetaald in Euboeïsch-Attische drachmen, onder tijdelijke gelijkstelling van de Aeginetische en de Attische drachme, hoeveel ten honderd hebben dan uwe overgrootvaders daarbij verloren?—En wanneer zijn vader hem vertelt, dat een vet schaap 15 drachmen doet, terwijl in Solons dagen een schaap voor ééne drachme te krijgen was, dan zal hij thans met inzicht kunnen vragen: „dan toch zeker een Aeginetische drachme?”

Onze schets heeft in de laatst voorafgaande bladzijden de kleine Atheners, hetzij alleen hetzij met anderen, laten rondzwerven op eene vrij ongeregelde wijze. De lezer meene echter niet dat zulk een vagebondeeren in overeenstemming is met de opvoedingsbeginselen der Atheensche vaders. Dit kan genoegzaam blijken uit de nauwlettende zorg waarmee op zijn geheele doen en laten wordt toegezien, zoodra hij—op zijn zevende jaar—naar school gaat. Als zijn ouders het eenigszins ruim hebben volgt hem op zijn’ weg een vertrouwde slaaf van middelbaren of hoogeren leeftijd; dat is depaedagoog. Zijne figuur is voor ons zoo vreemd, en van zijne verhouding tot den knaap, die tegelijk zijn meester en zijn pupil is, zoo onmodern, dat het de moeite waard is iets langer bij dezen slaaf stil te staan dan zulk een lakei oppervlakkig beschouwd het schijnt te verdienen.De naam van dezen ouden dienaar heeft een voornameren klank dan men voor eenen slaaf die een’ jongen naar school brengt zou verwachten, en dank zij een merkwaardige speling van het lot is eerst in lateren tijd, toen de eigenlijke slavenfunctie van den paidagogos min of meer uit de mode was geraakt, de oude beteekenis van het woord door het overdrachtelijke gebruik dat de philosophen er van maakten weer op den voorgrond gekomen. Immersagogebeteekent niet slechts „geleide”, maar ook „leiding”, en in de oude tijden was dan ook—vooral in vorstelijke kringen—de paedagoog behalve de geleider tevens de leidsman van denjongen edele geweest, dien men aan zijne zorg toevertrouwde. Het zijn de heroïsche, de ongeletterde tijden, waarvan dit geldt; maar de latere Grieken hebben het nooit vergeten. De tragici vooral bewaren aan die oudere periode opzettelijk en met onloochenbare sympathie de herinnering. Zij beijveren zich om hunne paedagogentypen ernstig en eerbiedwaardig te maken; aan niemand hunner is dat beter gelukt dan aan Sophocles toen hij zijn Electra schreef: de getrouwe dienaar die aan den aanvang van dit treurspel den jongen koningszoon geleidt naar het paleis van zijnen Vader, de dienaar dien Sophocles de eer van de aanvangswoorden heeft waardig gekeurd:Agamemnons zoon, nu moogt gij eindlijk alles zienmet eigen oogen, waar ge altijd naar hebt verlangd,die dienaar is in de plannen en de plichten van den jongen Orestes geheel ingewijd; meer dan dat: zijn ernst, vertrouwd met het verleden van het Atridengeslacht, heeft inderdaad Orestes gevormd: die edele aard, dat besef van adel, die aanhankelijkheid zijn zijn werk. Wij staan dan ook geen oogenblik verbaasd over het feit dat deze slaaf alles bestiert, dat hij Orestes aanspoort en leidt, op een toon van beproefd en erkend gezag. Eerst na eenig nadenken komen wij er toe te vragen: wie geeft aan dezen slaaf zoo groote autoriteit?Intusschen, de paedagogentype uit de Electra staat niet alleen. Telkens vindt men haar weer in de tragedie, niet vaak met zooveel noblesse geteekend, maar wel telkens bekleed met dezelfde autoriteit. Blijkbaar hebben de treurspeldichters willen doen uitkomen dat zij zich de verhouding van den paedagoog tot zijn jongen beschermeling in haren oorsprong geheel anders denken dan die in hun eigen tijd geworden was. Er was reden voor hen om zich de vraag te stellen, of eigenlijk de heroëntijd dien zij in hunne tragediën beschrijven, wel paedagogen had gekend; wantde Ilias en de Odyssee zijn ook hier weer karig in duidelijke en onmiddellijk beslissende getuigenissen. Aan het hof van Peleus, den vader van Achilles heeft Phoinix, zelf man van adel, doch wegens manslag balling uit zijn land, eenigermate tegenover Achilles, den jongen prins, de rol van paedagoog vervuld. Peleus heeft hem huis en hof geschonken en vertrouwt hem zijn zoon toe. En Phoinix verzorgt eerst Achilles, en daarna zorgt hij voor hem: eerst gewent hij hem behoorlijk te eten en drinken zonder te morsen—maar straks leert hij hem ook:èn een spreker van woorden te zijn, en wrochter van daden.Achilles is in den tijd dien Phoinix hier beschrijft nog een knaap. Maar als Telemachus op reis gaat, die toch al een jonge man is en op Ithaka reeds min of meer aan het hoofd van de huishouding staat, heeft hij toch op zijnen tocht naar Pylos een leidsman bij zich, om hem te raden en te helpen. Immers Godin Athena zelve gaat mee in de gedaante van Mentor, en in haren naam is de zorg van den idealen paedagoog vereeuwigd.Ook buiten den kring van de ridderpoëzie en het drama vinden wij dezelfde verhouding geteekend: toezicht en leiding in dagelijkschen omgang, gezelschap als van een gouverneur, maar dan zonder te scherpe aanduiding van het standsverschil; en een sprekend voorbeeld van zulk eene verhouding is door Herodotus gegeven in de door somber fatalisme zoo aangrijpende geschiedenis van dien voortvluchtigen vorstenzoon Adrastus, wien, als hij aan Croesus’ hof opname en reiniging van schuld heeft gevonden, de leiding van Croesus’ zoon wordt toevertrouwd.Ofschoon dus in die oudere tijden—tijden van voortdurenden onderlingen roof—het aantal slaven talrijker en hunne beschaving niet zelden aan die van hunne meesters gelijk was, eenen slaaf als paedagoog geeft ons hetepos niet te zien. Wel leeft ook daar de voorstelling, dat de ridderjeugd niet opgroeit zonder paedagogische leiding en toezicht.In de Dorische staten, met name te Sparta, werd deze zorg voor de leiding en tucht der knapen door de regeering geheel aan zich getrokken, en hierin lag een van die kenmerken van den Dorischen geest, die altijd weer opnieuw stof tot debat gaven tusschen de voor- en tegenstanders van het „Laconisme”. Het is de moeite waard te hooren, met hoe groote ingenomenheid bijv. Xenophon, natuurlijk in oppositie tegen de Atheensche politiek en praktijk, deze zijde van het Spartaansche leven roemt. Hij wijst er op hoe te Sparta de regeering, wel verre van toe te laten dat ieder maar aan een slaaf zijne kinderen in handen geeft, een van de voornaamste burgers aanwijst om als paidonomos op de jongens boven zeven jaar toe te zien. Hij heeft de bevoegdheid om—onafhankelijk van het oordeel der ouders—de knapen bijeen te roepen en in al hunne oefeningen te controleeren. Vat een of ander zijn werk wat luchtig op, dan is hij de man die straft. Zoo alleen wordt een ideaal bereikt dat als leuze heeft „allen weerbaar”. Zoo wordt een jongen een kerel. Geen sandalen dus, die de voeten week maken: ongeschoeid leert een knaap, hoe een soldaat naar boven klautert op een steil en steenachtig pad. Geen wisseling van zomer en winterkleeren, geene voeding tot verzadigens toe. Bovenal geen omhangen in de eigene woning bij eene toegeeflijke moeder; geen spelen zonder toezicht. Is de paidonomosafwezig, dan is te Sparta de eerste de beste respectabele burger bevoegd om in zijne plaats te commandeeren en te straffen; en zoo behoort het.Onze kennis van Spartaansche toestanden is te onvolledig om ons te zeggen hoe nu eigenlijk in de praktijk van alle dagen die militaire tucht en die collectieve opleiding der jeugd tot een staatsleger werden toegepast.Er is zondertwijfel tusschen Spartaansch en Atheensch jongensleven een groot onderscheid geweest; toch staat het vast dat in beide staten de vrijheid der knapen zeer veel geringer moet zijn geweest dan in onze moderne maatschappij; vooral met betrekking tot hun uiterlijk optreden.Er is een Grieksch woord,eukosmia, dat door het Hollandsche „fatsoen” of „ordentelijkheid” slechts gebrekkig wordt weergegeven, en op die eukosmia te letten, dat is de taak van den Atheenschen paedagoog. Den mantel omgeslagen in die plooi van deftige sierlijkheid, die aan de Atheensche knapen zoo eigenaardige distinctie verleent, maar hun veel van de eenvoudige kinderlijkheid ontneemt, zoo wandelt de kleine Athener zelfbewust voor zijnen paedagoog uit. De oogen slaat hij neer, want de sophrosyne, de zedige bescheidenheid, eischt zulks; hij schreeuwt niet op straat en gaat van de kleine steentjes als hem een voornaam burger tegenkomt: hij voelt zich den jongen meester, doch tevens den gehoorzamen leerling van den welgeschoren, goedgekamden paedagoog, die—met de schoolboeken en de lier van den „jongenheer” in de hand—achter hem aanwandelt.Verder dan tot deze algemeene schets brengt onze wetenschap ons niet. Alleen bijzonderheden uit den omgang van een man als Euripides of Plato met zijnen paedagoog zouden dit beeld kunnen verlevendigen. Maar die bijzonderheden ontbreken. Wel kunnen wij met zekerheid zeggen dat de paedagoog ook in het latere Hellas eene steeds aanwezige figuur blijft in het dagelijksch leven van een knaap van goeden huize, en—al geeft hij meer den indruk van tot den „staf” des jongen deftigen Atheners te behooren—blijft zorgen voor hetgeen hem in den ouden tijd was opgedragen, nl. te waken voor de correctheid en er op toe te zien dat de jongeheer den naasten weg neemt naar school. Want straatslijpen is uit den booze.Groote sympathie kunnen wij moeilijk voor zulke beperking der vrijheid van ronddolen hebben. De uren waarin we onze stad leerden kennen in hare intiemste hoekjes, of alleen rondzwierven aan den Buitenkant zijn ons daartoe te lief. En daarbij kunnen we ook niet laten de vraag hier weer te herhalen, die telkens bij ons opkomt, wanneer we nadenken over het Grieksche knapenleven: „waar is bij dit alles de vader?” Wandelde dan een Atheensch vader niet met zijn zoon den Kerameikos door, om hem de namen te doen lezen van hen—zijn eigen voorvaders misschien—daar begraven waren, eervol en van staatswege, omdat zij in den krijg voor ’t vaderland waren gesneuveld? Toonde hij hem niet de plek waar, half begraven onder de nieuwe woningen ten westen van den burchtheuvel, de resten nog te zien waren van het oude kleine Athene? En beklom hij niet daarna met hem den burcht zelf, om hem eerst te wijzen hoe van een nog oudere nederzetting daar de sporen waren te zien in den ouden muur, doch daarna hem de heerlijkheid van het Parthenon te doen verstaan?Wie die vragen stelt, beantwoordt ze daardoor meteen. Het zou ondenkbaar zijn dat het anders geweest ware. Zoo goed als een Atheensch vader zijn’ jongen de geschiedenis van zijn stad leerde, hem soms bij zich aan tafel liet eten, ook als hij vrienden had, hem meenam naar sommige van de plechtige vergaderingen van zijnen Demos en hem aan zijne zijde liet zitten in het theater, zoo goed moet hij met hem naar de Piraeushavens zijn gewandeld, op den Lycabettus zijn geklommen, en met hem gestaan hebben voor het opengewerkte hek van het raadhuis. Maar dat is iets anders dan den jongen alleen te laten gaan. Op dit punt is er stellig een tijd geweest dat men te Athene streng was, en dat men van een jongen, die over de Markt heen moest gaan, verwachtte dat hij „zediglijk en ingetogen” schuin overstak over het plein, en een eventueele boodschap aanzijn vader, die daar „over staatsbelangen” delibereerde, maar liefst in een der aangrenzende winkels afgaf. Ja, de spreker in eene van Lysias’ redevoeringen gaat zoover, dat zijne woorden ons, indien het feit zelf niet zoo vast stond, bijna als eene parodie zouden klinken. In vollen ernst schildert daar de pleiter zijne eigene deugdzaamheid aldus: „Wat mij aangaat, ik ben nu dertig jaar; en nog nooit heb ik mijnen vader tegengesproken of heeft mij een burger van eenig kwaad aangeklaagd. Ik woon vlak bij de markt, maar nooit heeft men mij op de markt zelve of bij de gerechtshoven zien ronddolen vóór de ramp van dit proces mij trof.”Er is geen twijfel aan, of deze jonge man is eene uitzondering. In de dagen van Pericles veranderde in allerlei opzichten zoowel door de uiterlijke omstandigheden als door wijziging van inzichten de leefwijze der Atheners, en daarmee de positie van den paedagoog. De staatkundige bemoeiingen der meeregeerende burgers moesten wel, naast de toenemende uithuizigheid der vaders, de persoonlijke vrijheid van beweging der zoons bevorderen en het aanzien der paedagogen verminderen. Waar was de paedagoog van Alcibiades, toen deze jonge geweldenaar, in een nauw straatje met zijn vrienden aan ’t bikkelen, een vrachtkar dwong stil te staan tot het eind der partij, door zich lang-uit vóór het span op den grond te werpen?In dit verhaal zijn we misschien dicht bij het huis van Alcibiades. Maar de gevallen zijn niet zeldzaam, waarin we knapen van den schooljongensleeftijd zoo met elkaar zien omgaan, dat we ons nauwelijks de aanwezigheid van den paedagoog daarbij denken. Nog eens: troepen jonge knapen van goeden huize, vrij uittrekkend voor de poorten der stad om te spelen wat ze willen en te gaan waar zij kunnen,—ja, dat is zeer zeker een schouwspel dat men te Athene in den ouderwetschen tijd zelden zal hebben gezien en in de vierde eeuw, toen het dien weg uitging, spoedig dooreen zeer nauwkeurig gereglementeerde regeling van de sloteducatie heeft trachten te keeren. Maar wij moeten ons toch die Atheensche jongens niet al te zeer als fatsoenlijke gedetineerden voorstellen. In eene der redevoeringen van Isocrates zegt een jong man aangaande zijne eigene jeugd: „Mijn vriend en ik zijn van onze jongste jaren af door eene zoo innige vriendschap verbonden geweest, dat wij nooit anders dan te zamen naar de godenfeesten of de offers plachten te gaan”. Het zal dunkt me niet noodig zijn, dit jonge vriendenpaar in onze verbeelding steeds te doen vergezeld gaan van een onafscheidelijk tweetal paedagogen.Trouwens, de aanleidingen om de knapen zonder hun paedagogen te laten, waren talrijk genoeg. Voor vele der feestelijke zanguitvoeringen of gymnastische wedstrijden, aan welke knapen deelnemen, is zooveel voorbereiding en werkelijke training noodig dat de „choreeg”, d.i. de vermogende Athener aan wien de verzorging van zulk een wedstrijd op zijn eigen kosten wordt opgedragen, eenvoudig-weg, om zoo zeker mogelijk van zijn succes te zijn, de jongens die voor het koor bestemd zijn eenige weken bij zich in huis neemt, of onder zijn toezicht ergens inkwartiert, opdat ze beter kunnen studeeren en ook juist datgene te eten en te drinken krijgen wat goed voor hen is. Niemand denkt er toch aan om zich de zaak zoo voor te stellen, dat zulk een „choreeg” behalve aan de jongens ook aan hunne paedagogen al dien tijd logies gaf?Het is niet zonder belang dit alles in het oog te houden. Innige, zeer vertrouwelijke jongensvriendschap duldt geene argwanende paedagogen-ooren en -oogen. Wanneer bij ieder fluisterend geuit woord de goeverneur, voor ergerlijk of onbehoorlijk samenspreken beducht, zijn neus tusschen beide steekt, kan niet anders dan een officieele relatie ontstaan, niet die aan liefde verwante, zeer innige verhouding, die ons telkens roert in Grieksche verhalen en treft op Attischevazen. Niet alleen de oudste mythologie had haren Orestes en Pylades.Bovendien: over de geheele instelling der paedagogie veranderde de meening gaandeweg. Het wil in dit opzicht niet zooveel zeggen dat Xenophon er zich scherp over uitliet, dat de Atheensche vaders hunne zoons overlieten aan gehuurde leidslieden; want hij wilde een nog scherper toezicht naar Spartaanschen trant. Maar wie eenigszins in Plato’s dialogen tehuis is, heeft niet veel moeite ook daar een afkeurend oordeel te vinden. Zeer duidelijk is dit in de slotscène van zijn Lysis. De wijsgeer heeft in dezen dialoog een zeer verzorgde en uiterst aantrekkelijke teekening gegeven van een paar Atheensche jongens van goeden stand. Hun gratie, een vermenging van levendige, door opmerkzaam luisteren opgewekte vrijmoedigheid met bescheiden vrees om door vrijpostig spreken te mishagen, hun frissche belangstelling en hun ongerepte jongensachtigheid bekoren den tegenwoordigen lezer niet minder dan ze Socrates bekoorden. En wat doet nu Plato? Als het dispuut tusschen Socrates en de beide knapen juist op een bijzonder moeilijk punt is gekomen, en de onderzoekers zich in eene verlegenheid bevinden die Plato zelf inderdaad, naar zijne methode in deze soort van gesprekken, bedoelt als eind van den dialoog, dan komen plotseling „als twee daemonen” de paedagogen van Lysis en Menexenus met de jongere broertjes dier beide knapen en bevelen hen terstond mee te gaan. Socrates en de anderen trachten de paedagogen te bewegen om de jongens nog een oogenblik bij hen te laten. Maar dan slaan de beide geleiders een hoogen toon aan, en „in een taal die nu juist niet het zuiverst Attisch was” staan ze Socrates te woord op eene wijze, die duidelijk toont dat ze samen het feest van den dag met een extra beker hebben gevierd.Plato’s kritiek komt eerst dan in hare scherpte uit, wanneermen bedenkt, tegenover hoedanige knapen hij deze ruwe paedagogen, nauwlijks beter dan livreiknechten, plaatst. Men zou den geheelen dialoog moeten aanhalen, wilde men de beminlijkheid van den jongen Lysis zelf doen gevoelen, of den lezers een vluchtigen blik gunnen in het gezin waaruit hij stamt. Maar vooral belangrijk is voor ons op dit oogenblik, wat Socrates, in dien toon van liefdevolle ironie tot hen sprekende die hem voor de jongens zoo aantrekkelijk maakte, over hunne vriendschap zegt. „Menexenos”, zoo zegt hij, „er is één ding waarnaar ik al van jongs af een buitengemeen verlangen koester. Andere menschen hebben ook dergelijke verlangens wel; de een begeert een paard te bezitten, een ander jachthonden, een derde geld of eer of iets dergelijks, doch al die dingen laten mij koel. Maar wat ik daarentegen met hartstocht begeer te bezitten, dat is een vriend... En nu zie ik u en Lysis, en terwijl ik u zie, sta ik verslagen doch prijs u gelukkig, dat gijlieden te zamen den schat, dien ik zoo lang vergeefs heb gezocht, reeds op uw leeftijd hebt kunnen vinden. Daarom zeg ik tot u: wijs mij den weg, langs welken menschen elkanders vrienden worden.”De vraag door Socrates hier gesteld omvat een veel ruimer terrein dan bij eene oppervlakkige lezing schijnt. Zij roert het vraagstuk aan van de mogelijkheid eener reine vriendschap, die te Athene met gevaren werd bedreigd, van welke onze maatschappij zich nauwlijks een denkbeeld kan maken. Het kan dan ook in Plato niet zijn opgekomen, om de leer te prediken, dat men goed zou doen eenvoudig de knapen alleen te laten gaan, waar zij maar wilden. Maar niet te min is het uit zijne voorstelling wel met zekerheid af te leiden, dat de waardeering van den paedagoog in de vierde eeuw te Athene aan het dalen was. Al is het gebruik, om aan de zoons van goeden huize een zoodanigen leidsman op straat mee te geven, niet uitgesleten,vermoedelijk is zijne rol wat veranderd en zijn macht over de knapen verminderd. Maar zoo de Atheensche vaders toen meer dan te voren hunne zoons vrij lieten en minder nauwlettend toezagen wie zij kozen als hunne paedagogen, de staat heeft dat niet met onverschillige oogen aangezien. Allerwege komt omstreeks het einde der vierde eeuw een drang naar staatstoezicht op de opleiding naar voren. Te Athene wordt door den staat de tucht en militaire voorbereiding der achttienjarige jongelieden geheel in eigen handen genomen, en in allerlei steden van Hellas en van het Grieksch sprekend Klein-Azië blijkt omstreeks dienzelfden tijd het Dorische instituut van paedonomen veld te winnen. Allerwege vinden wij in die periode tuchtmeesters, van staatswege aangesteld, die het oppertoezicht houden over het welvoegelijke gedrag, deeukosmia, der schoolgaande knapen—en ook der meisjes—die de offers voor hun welzijn bezorgen en waken voor de belangen der veelal op aristocratischen grondslag gevestigde onderwijsstichtingen.Dit laatste woord vooral brengt ons ver buiten het terrein, dat op dit oogenblik het onderwerp is onzer beschrijving. Ofschoon toch de staatsidee voor de Atheners een fundamenteele beteekenis in leven en opvoeding beide heeft, zoodat als onomstootelijke leer de stelling wordt gehuldigd, dat in de allereerste plaats de mensch burger is, en ofschoon dus in ieders oog dit de taak des opvoeders moet zijn, in den geest van het kind de neiging te wekken vrijwillig en uit eigen begeerte datgene te doen, waartoe hem als hij volwassen is de burgerwetten zullen verplichten, heeft desniettemin de Atheensche staat in het eerste tijdperk van zijn’ bloeitijd zelden in die opvoeding ingegrepen: het oude Athene kent leerplicht noch staatsprogram, staatsonderwijs noch subsidie. Eigenlijk laat zich niet eens met onweerlegbare zekerheid bewijzen, dat destijds de Atheenschestaat den ouders imperatief den plicht oplegde hunne kinderen te doen onderwijzen. In de treffende scène van Plato’s Crito, waar de jonge rijke Crito bij Socrates in de gevangenis komt en dezen tracht te overreden om verkleed te ontvluchten, wijst Socrates hem op het contract, stilzwijgend tusschen hem zelf en de wetten van zijn vaderland gesloten, en hij voert die wetten aldus sprekend in: „Socrates”, zoo zeggen zij, „hebben wij niet het huwelijk tusschen uwe ouders, en daardoor uwe wettige geboorte mogelijk gemaakt? Hebt gij eenige aanmerking op onze huwelijksregeling of waart ge ooit ontevreden met onze bepalingen aangaande de voeding en opleiding der kinderen? Is door ons niet op de juiste wijze aan uw vader de opdracht gegeven u in de musische en gymnastische kunsten te doen onderrichten?”— Inderdaad, het betoog door de Wetten van Athene hier gehouden, zou alle bewijskracht ontberen, indien op het stuk van onderrichtsverplichting in die stad geenerlei wettelijke bepalingen hadden bestaan; maar uitvoerig of streng poenaal kunnen die regelingen dan toch niet zijn geweest. En dat was ook nauwlijks noodig. Het lag immers niet in den Atheenschen aard, de familie-eer te verwaarloozen door veronachtzaming van de zorg voor de zonen des geslachts: zelfs de schooier Agorakritos, de braadworstjeskoopman die in de „Ridders” van Aristophanes aan Kleon de loef afsteekt door zijne nog grootere schaamtelooze doortraptheid, de „man of the street” die er zich op beroemt „op de markt te zijn opgegroeid”, moet bekennen dat hij „helaas” een beetje lezen heeft geleerd.Ook door subsidiën schijnt Athene in zijnen bloeitijd de zaak van het onderwijs niet te hebben gesteund. In die periode zal zich trouwens de behoefte daaraan niet sterk hebben doen gevoelen. De kosten van het onderwijs waren gering, en in een stad waar man en vrouw met twee kinderen zonder armoe leven kunnen, als ze een gulden ofzeven inkomen in de week hebben, is niet licht een gezin buiten staat de kinderen wat te laten leeren. Bovendien, de vader kan lid van den raad worden (op zijne beurt!) en dan verdient hij een drachme per dag, of hij kan als lid van de volksrechtbank zijn halve drachme verdienen. In ieder geval heeft hij zijn presentiegeld als lid van de volksvergadering.Was dus in dezen tijd naast het uitgebreide systeem van staatsuitkeeringen en vacatiegelden kosteloos staatsonderwijs niet noodig, op den duur is dat veranderd. Het begint met indirecte inmenging van den staat door het instellen van wedstrijden. Inscripties bewaren ons de namen van knapen, die bij openlijke schoolexamens den prijs voor schoonschrift, voorlezen of citherspel behaalden; weldra worden openlijke eerbewijzen toegekend aan enkele magistraten wegens hun bijzondere verdiensten ten opzichte van de opvoeding der jeugd. En dan—in de derde eeuw—vindt men op verschillende plaatsen inrichtingen die aan staatsonderricht zeer nabij komen. Zoo legateerde een burger van Teos—niet ver van Ephesus—aan zijne stad een kapitaal van 34000 drachmen, om uit de renten daarvan een zeker aantal onderwijzers in bepaalde leervakken te salarieeren; eveneens stichtte Eudemus, een rijk burger van Milete, een fonds van tien talenten zilver (ruim zeven-en-twintig duizend gulden) uit welks renten, tegen 10% berekend, de verbetering van het schoolonderwijs aan de kinderen der vrije burgers in dier voege zou kunnen geschieden, dat deze in het vervolg door openlijk geëxamineerde en van staatswege bezoldigde leeraren zouden worden onderwezen. Eene Delphische inscriptie verhaalt uitvoerig hoe het bestuur der heilige stad, in geldnood verkeerend, zich had gewend tot Koning Attalus II van Pergamum om bijstand voor het onderwijs der Delphische jongens en van den Pergameenschen koning 18000 Attische drachmen had ontvangenter bestrijding van de onderwijskosten, benevens 3000 voor de eereprijzen en de offers, gelijk ook koning Eumenes II aan den staat der Rhodiërs eene schenking deed van 280000 medimnen graan, opdat uit de op rente gezette opbrengst van dat geschenk de salarissen der onderwijzers zouden kunnen worden verbeterd. Het is niet gewaagd aan te nemen, dat hetgeen deze toevallige vondsten ons omtrent enkele steden leeren, in de laatste eeuwen vóór Christus, bij het stijgen van de eischen van ’t onderwijs en het verslappen van het persoonlijk plichtgevoel, min of meer regel was geworden. Maar dat in Athene’s bloeitijd de staat den burgers dezen plicht uit de hand nam, is niet waarschijnlijk. Men heeft wel eens een bewijs voor het tegendeel willen vinden in het volgende verhaal van Plutarchus. Toen, zoo verhaalt nl. deze schrijver, de Atheners in 480 bij de nadering van Xerxes’ leger hunne stad ontruimden, zelf met de gansche strijdbare manschap op de schepen gingen en hun vrouwen en kinderen aan de hoede der burgers van Troezen, Aeginae en Salamis toevertrouwden, namen de Troezeniërs het besluit, die kinderen van staatswege te onderhouden en aan de onderwijzers het schoolgeld uit te betalen.—Is nu hier eenige sprake van staatsverplichting of het besef daarvan? Immers het tegendeel! Het feit zelf dat voor de Atheensche jongens schoolgeld werd betaald, spreekt duidelijk genoeg: de Troezeniërs namen de voedings- en onderrichtingstaak eenvoudig van de Atheensche ouders over.Zoo is er dus alle aanleiding om te gelooven dat—met uitzondering wellicht van de allerarmste dagloonersbevolking—het aantal burgerzoons die, zonder eenig onderwijs te ontvangen, als straatjongens rondzwierven niet zoo heel groot was. Zelfs de „gealimenteerden”, de burgers die wegens lichamelijke invaliditeit van staatswege eene subsidie genoten, zullen meestal nog wel voor het luttele schoolgeld eene kleinigheid hebben kunnen besteden. Natuurlijk isdaarmee niet gezegd, dat er te Athene geen straatjongens waren! Reeds het groote aantal slaven moest daartoe wel een contingent leveren; de massa vreemden die langer of korteren tijd daar den kost kwamen zoeken, brachten ook hunne kinderen mede, en eindelijk moedigde menige eigenaardigheid van het zeer openbare samenleven der Atheensche maatschappij niet slechts het „straatslijpen” maar ook de straatrooverij in groote variëteit van vormen aan. Ofschoon dus de „manteldieven” en de „beurzensnijders”, die ’s nachts en in de avondschemering werkten, grootendeels uit volwassenen bestonden, hebben toch zeker in de uitgebreide dievenbrigade dergenen die in de openbare badhuizen rondgluren, om terwijl de goede burgers in het zwembassin zijn met hunne kleeren uit wandelen te gaan, ook de knapen wel vaak als leerlingen dienst gedaan. Niet zonder reden had Athene eene talrijke politie.Maar dezen achtergrond van het Atheensche volksleven behoeven wij voor onze schets niet te betreden. Wat de burgers aangaat denken we er aan, dat zelfs de venter in warme worstjes, die „zoon der markt op straat gewonnen en geronnen”, lezen had geleerd, al was ’t ook maar „een beetje en heel slecht”.Van het zesde of zevende jaar af gaan de Atheensche jongens naar school. De zoons van goeden huize waarschijnlijk wat vroeger dan de „armelui’s kinderen”, gelijk zij er ook langer blijven. De democratie heft het standsverschil niet op, en zonder twijfel was er groot onderscheid tusschen de zoons van Pericles of Nicias en den boer in Aristophanes’ Wolken die nog nooit eene landkaart had gezien. Ook zijn allicht de localiteiten zeer verschillend geweest. ’t Goedkoopst komt men zeker terecht bij een schoolmeester die, bij gebrek aan een eigen lokaal, een stil hoekje op straat heeft uitgezocht om—voor een paar dubbeltjes—dekinderen van het dorp of van de wijk lezen te leeren, zooals de legende dat Dionysius den Tweede laat doen, nadat hij, uit Syracuse ontvlucht, zijn ouderdom te Corinthe was komen doorbrengen, en gelijk—naar een meer betrouwbare overlevering—Epicurus het als jongen deed „ter assistentie van zijn vader”.—Maar vermogende Atheners stellen andere eischen. Wij behoeven ons daarom nog niet voor te stellen dat al die jongens school gaan in lokalen met beelden georneerd en gelegen aan een koele binnenplaats met eene fontein. Maar reeds hierin was eene zekere weelde, dat men de scholen niet graag te bevolkt had en liefst dicht bij huis, om de jongens niet te veel op straat te laten. Zoo heeft iedere buurt haar school, en voor de vereerders van de oude tucht, gelijk Aristophanes, was het een lust er naar te staan kijken hoe na de morgenuren de jongens uit één district samen van de leesles naar den muziekmeester marcheerden:„in de maat en zonder mantel, valt de sneeuw ook dicht als meel”.Maar de scholen voor minder betalenden zullen wel grooter zijn geweest. Als Herodotus verhaalt, hoe omstreeks 494 te Chios, tijdens den schooltijd het dak der school instortte, zoodat op één na al de kinderen, honderdtwintig in getal, omkwamen, dan vindt hij blijkbaar in dat aantal niets ongewoons.Omtrent de ligging en de inrichting der scholen, waar de kleine jongens van het oude Athene toch zoovele uren doorbrachten, zijn wij al heel slecht ingelicht. Het kleine aantal zeer beroemde en gracieus geteekende vazen met schoolafbeeldingen, dat reeds dikwijls door ons is genoemd, geeft dienaangaande niet veel zekerheid. Wij zien er den schoolmeester op een gemakkelijken leunstoel zitten; de jongens zitten in school meestal niet op banken maar op kleine klapstoeltjes, die ze mee kunnen dragen als ze „voorhet front” moeten komen. EenPompejaanschfresco, bij jong en oud bekend om de levendige afstraffingsscène die er op is afgebeeld, geeft ons zelfs een les in een zuilengalerij te zien. Maar uit dergelijke schilderingen kan niet veel met zekerheid worden besloten. Als b.v. de schilder, om de ledige ruimte tusschen zijne figuurtjes te vullen, allerlei schoolattributen, een boekrol, eene lei of een lier daarin schildert, mag men dan zeggen: „zoo was blijkbaar de wandversiering in de scholen”? De grens tusschen werkelijkheid en verdichting is hier niet te bepalen. Ook zal b.v. de „fatsoenlijke” school, waar Demosthenes lezen leerde, wel een ander voorkomen hebben gehad dan het schooltje waar Aeschines—zooals Demosthenes hem met krenkende woorden herinnert—als kweekeling van zijn vader Atrometus zijne rampzalige jongensjaren doorbracht, „de zitplaatsen afsponsend en inkt wrijvend”.Omtrent den tijd na Alexander, toen, zooals reeds gezegd is, het onderwijs staatszorg begon te worden, en in ’t bijzonder door de instelling van de zoogenaamde ephebie veel meer dan vroeger werd gedaan voor het „voortgezet onderwijs”, lichten inscripties en monumenten ons veel vollediger in. Schenkingsacten op steenen tafels bewaard, getuigen van de vrijgevigheid van rijke burgers, die of alleen of in vereeniging met anderen gelden voor een Gymnasium met al de noodige bijgebouwen beschikbaar stelden, soms ook de kosten van onderhoud van een door de stad gebouwd gymnasium op zich namen. En wat zulk een munificentie zeggen wilde, toonen ons zeer duidelijk de opgravingen, met name die te Pergamum. Het gymnasium—oorspronkelijk slechts eene openbare worstelschool voor jongelieden en mannen, doch te Pergamum overeenkomstig de eischen aan de staatsopleiding der epheben gesteld een geheel gebouwencomplex—is aldaar een schoolgebouw, over drie terrassen zich verdeelend. Ook op Delos kan men nog zeer duidelijkzien, hoe zich om den eigenlijken oefeningshof een reeks van vrij ruime leerlokalen heeft gegroepeerd; en te Priene heeft men enkele jaren geleden eene leerkamer van het Gymnasium teruggevonden, welker muren nog overeind stonden. Maar het zou een verkeerde methode zijn uit deze hellenistische Gymnasiën eenige gevolgtrekking te maken aangaande de lagere scholen van het Athene der vijfde eeuw.Misschien is onze onwetendheid op dat gebied licht te dragen: tenminste als wij vragen naar het leven der knapen, niet naar de eischen der ouders. Het zal den Atheenschen jongens wel niet zoo heel veel hebben kunnen schelen, of hun school fraai geschilderd of gemeubeld was. Zeker is de intimiteit van jongens uit zoo goede families als Lysis en Menexenus, in een goed gebouwde en zorgvuldig geventileerde school ontwikkeld. Hoe zou dat anders kunnen zijn, in den aristocratischen kring uit welken Plato de helden voor zijne dialogen kiest. Maar schoolkameraden wordt men ook in eenvoudiger lokalen. En wie herinnert zich niet door Xenophon’s Hellenica, welke magische kracht er uitging van het woord „schoolkameraden”, waarmee in 404 na het gevecht in den Piraeus de hierophant Kleokritos de burgers van de tegenpartij opwekte tot verzoening?Schoolkameraden—dikwijls beteekent het bovenal kwelgeesten van den zelfden schoolmeester. Vóór de scholieren vraagt deze onze aandacht. Hoe is de financieele positie van zulk een onderwijzer? Ook hier geeft de hellenistische tijd een meer bevredigend antwoord dan de Attische periode. De schenkingen der hierboven vermelde staatsweldoeners kwamen hun ten goede, mits ze regelmatig solliciteerden en boven anderen welbehagen vonden in de oogen der machtige volksvergadering. In Teos kon men na de hiervoor besproken schenking van Polythrus de onderwijzers een salaris van 600 drachmen betalen, te Milete uit hetfonds van Eudemus 30 drachmen in de maand. Die honoraria wijzen op eenig aanzien, al verdient opmerking dat te Teos voor den muziekmeester 100 drachmen meer wordt uitgetrokken dan voor den gewonen onderwijzer. Maar in de klassieke periode was het aanzien der schoolmeesters niet hoog. Lucianus bewaart daarvan nog de herinnering, als hij den cynischen wijsgeer Menippus laat verhalen van zijnen tocht naar de onderwereld. In den Hades, waar alle aardsche ongelijkheid wordt vereffend, zag Menippus koning Philippus van Macedonië als schoenlapper, Xerxes als bedelaar en de hoogste satrapen van het Perzische rijk als stokvisch-verkoopers en schoolmeesters. Zulk eene voorstelling stemt inderdaad overeen met den smalenden toon van Demosthenes’ woord tegen Aeschines: „Terwijl ik als leerling een behoorlijke school bezocht, was jij een schoolmeestertje”. En wij kunnen er zeker van zijn dat Aeschines’ vader, een man van zeker niet mindere afkomst dan Demosthenes, alleen omdat de Peloponnesische oorlog hem had geruïneerd aan ’t schoolmeesteren was gegaan, d. i. was gaan concurreeren met die menigte halfburgers en slaven, die te Athene het gilde der Grammatisten (lagere onderwijzers) vormden.Oneervol bleef die positie natuurlijk zoolang de Atheensche ouders met zeer elementaire vervulling der behoeften aan onderwijs tevreden waren, en onvoordeelig zoolang de schoolmeester uitsluitend afhing van het karige schoolgeld.Karig was dat loon zeker. En wat moet de man beginnen, als op den „zuren dertigsten” van de maand een of andere jongen ter school komt zonder de poovere schoolpenningen, of wanneer de menschen zich gedragen zooals de trouwelooze voogden van Demosthenes, die wel aan hunnen pupil het Minerval in rekening brachten, maar het zelf in hun zak staken. Aan een gerechtelijke vervolging kan de arme schoolmeester zich niet wagen. En een proces zal hem zeker niet baten tegenover een burger zooals Theophrastuser een in zijn geestig boekje teekent als type van schrieligheid. Deze beminlijke Athener, dezelfde gulle vader die zijn zoontje als een pretje beloofd heeft hem mee te nemen naar de comedie, maar dan zóó laat gaat, dat hij zeker is zonder entree binnen te worden gelaten, weigert het volle maandgeld te betalen, als een van zijne kinderen een paar dagen ziek is geweest, en in Februari stuurt hij zijne jongens in ’t geheel niet naar school. „Er is met al de feesten in die maand zooveel te zien, dat er van schoolgaan toch niet komt”. Zoo klinkt zijne boodschap; maar hij bedoelt natuurlijk: „zoo spaar ik eene maand schoolgeld uit en behoef meteen niet mee te doen aan dat malle gebruik om op het Choënfeest den meester door de jongens een cadeautje te laten geven”.Men vraagt zich onwillekeurig af: hoe moet zoo’n Atheensch knaapje zijn leermeester hebben aangezien? Alcibiades sloeg zijn onderwijzer om de ooren, omdat de man er niet eens een eigen Homerus op nahield. Maar Alcibiades is nu eenmaal de Steerforth van het Atheensche jongensleven. In den toon waarop de schrijvers over den schoolmeester spreken is meer dat ons aanmoedigt om—met matiging van de rhetorische charge—geloof te schenken aan de schildering die Libanius—zij het dan ook voor een veel lateren tijd—van den schoolmeester geeft: „Als een rechter zit hij daar op zijn troon, als een voorwerp van schrik en angst, de wenkbrauwen samengetrokken, toornig en onvermurwbaar.—Nu moet de jongen bij hem komen. Deze nadert sidderend en in elkaar gebogen, want hij moet laten kijken wat hij gevonden, gesteld, onthouden heeft. Wee hem, zoo hij het niet goed heeft gedaan!”De charge hieraan te ontnemen, daartoe helpen ons wederom de vaasteekeningen. De vriendelijke rustige mannen die op de oud-Attische vazen zijn afgebeeld, zien er niet zoo bar uit, en de aardige jongens op Duris’ vazen staanniet krom van angst, maar bevallig en rechtop voor hunnen meester.Het knaapje dat wij op Duris’ scholen voor zijnen grammatist zien staan, zal wel evenmin als een gewone schooljongen van onzen tijd geweten hebben dat zijn vader met diens vrienden heftig placht te debatteeren over de ware methode van onderwijs en de juiste keus der leerstof. Omdat wij zijn leven en niet dat van de schoolmeesters schrijven, behoeven ook wij ons in dien strijd niet te zeer te verdiepen. Wij kunnen volstaan met te luisteren naar hetgeen Plato Protagoras laat zeggen over het algemeene doel der schoolopvoeding, al doet de sofist dat, dank zij Plato’s ironische teekening, wat heel deftig. „Van kindsbeen af, het heele leven door—zoo zegt Protagoras—leeren en vermanen de ouders hunne kinderen. Zoodra een jongen begrijpen kan wat men tot hem zegt, wedijveren zijne moeder en zijne voedster en zijn vader zelf in de zorg om hem zoo voortreffelijk mogelijk te maken, bij elk woord en bij elke handeling hem leerend en aanwijzend „dat is rechtvaardig en dat is niet rechtvaardig” en „dit is mooi en dat is leelijk”, en „dit is vroom en dat is goddeloos”, en eindelijk „dit moet je doen, en dat moet je niet doen”. En volgt hij nu deze wenken gewillig, des te beter; zoo niet, dan wordt hij als een tak die aan ’t scheef groeien is en krom wordt, recht gebogen met bedreigingen en slagen. Na dit tijdperk zenden de ouders hem naar school, en daarbij dringen ze meestal bij de schoolmeesters er veel meer op aan, dat de jongens goed fatsoen leeren, dan dat ze lezen en schrijven of citherspel bij hen leeren. En de onderwijzers houden vooreerst daarop het oog, en vervolgens, als de jongen lezen heeft geleerd en den zin der woorden verstaat, laten ze hem op zijn schoolbankje gezeten de gedichten van goede dichters voorlezen en van buiten leeren, in welke allerlei goede lessen staan en uitweidingen en lofprijzingen van edele mannenvan het voorgeslacht, opdat de jongen die met ijver navolgt en streeft hun gelijk te worden. En de kitharisten doen desgelijks. Zij letten vooreerst op des jongens ingetogen houding en gedrag en waken er voor, dat ze geen kwaad doen, en vervolgens, als ze hen geleerd hebben de cither te bespelen, geven ze hun weer van andere dichters de liederen te leeren, terwijl ze hen de melodie daarvan op de cither leeren, en zoo maken ze dat rhythme en harmonie eigen wordt aan hun ziel en zij zelf zachter van aard worden en meer geëvenredigd en harmonisch van gemoedsstemming. En opdat een kloek lichaam hun aldus goed geworden geest diene, en zij in oorlogen of andere bemoeiingen niet behoeven te vreezen uit hoofde van onvoldoende lichaamskracht, zenden ze hem naar den gymnastiekmeester”.Naast deze algemeene beschouwing is de verzekering niet onvolledig, dat de oude leer dat „veelweterij geen verstand geeft”, in de dagen van welke wij spreken te Athene als ouderwetsch begon te gelden en het woord van Isocrates: „niet wat men den leerling kan meegeven, maar hoe men zijne ooren opent, is de vraag” naar de meening van vele zijner tijdgenooten de taal van een droomer was, blind voor de gebiedende eischen derpraktijk. Voorshands echter zal de kleine beoefenaar van ’t alfabet van dien strijd nog niet veel bemerken. Gewichtiger is voor hem een ander theoretisch dilemma—al zal hij het niet formuleeren zooals wij dat doen. De vraag is deze: zal men hem onderwijzen volgens de leer door Plato bij oudere leerlingen proefhoudend bevonden, de methode van het zachtzinnig en geduldig voorbeeld? Of zal men de methode van den dwang volgen? Voor het laatste is de kans het grootst. De praktijk van het Grieksche onderwijs eischt gestrengheid van den kant des leermeesters en stipte onderworpenheid van den leerling. Het is teekenend voor het gezag van den schoolmeester, dat Xenophon—sprekend over de discipline der Spartaansche troependie hij op hun tocht naar Azië vergezelde—om recht duidelijk te doen gevoelen, welk een ijzeren tucht daar heerschte, zegt: „de troep had tegenover hun commandant hetzelfde gevoel als schoolknapen tegenover hun meester.”—Zoo is de meester de autoriteit, en met het versje van Menander: „des leerlinge eerste les ishoud-je-mond” zijn de Grieken het eens. De belangstellende vraagal, dien de moderne paedagogiek zoo gaarne doet optreden met zijn van nadenken getuigend „meester, waarom?” zou—vrees ik—op een Grieksche school niet veel succes hebben gehad. Een Atheensch scholier heeft niet te vragen, hij heeft te luisteren en te gehoorzamen; doet hij dat niet ... dan is er een stok.Hoe lang nu de schooldagen van den kleinen Athener zijn geweest, is ons alweer niet bekend. Maar wel weten we dat, zooals van zelf spreekt, zijne aandacht wordt verdeeld tusschen den grammatist en den kitharist. Eerst komt natuurlijk het spellen en lezen. Juist onze eigene meer en meer geperfectionneerde methodes van leesonderricht maken het voor ons belangrijk te weten hoe de Atheners hun jongens het begrip van de leeskunst en haar praktijk hebben bijgebracht.In den aanvang van onze tijdrekening was bij de Grieksche meesters te Rome dit de gewone weg: eerst leeren de kinderen het alfabet opzeggen, dan wordt hun de vorm en de klank der letters geleerd, dan de syllaben en de verschillende wijzen waarop die ontstaan, en ten slotte de woorden uit die syllaben gevormd; feitelijk dus deSpa-a-methode. Dezelfde was reeds door Plato, en zeker wel in overeenstemming met de praktijk aanbevolen: „Eerst”—zegt deze—„moet de knaap de letters kennen naar hun vorm en naam”.—Zouden niet ook de Grieken speelmiddelen hebben gehad om de kinderen die te leeren? De rijke Herodes Atticus, die een tijdgenoot van M. Aurelius was, had een hardleerschen enonwilligen zoon, zijn onuitputtelijke rijkdom veroorloofde hem—en bij zijn ongeëvenaarde mildheid kon hij zulks doen zonder den schijn van parvenu’s-bluf—aan dien zoon vier-en-twintig slaafjes cadeau te doen, die ieder eene letter vertegenwoordigden. Mij dunkt, dit zal wel een weelderige imitatie zijn geweest van een ouder gebruik; losse ivoren lettertjes kende ook Quinctilianus; terracottascherven met syllaben-oefeningen:ar,bar,ger,er ber,ger, enz. zijn in Attica in den grond gevonden, en eindelijk dat de Atheensche kinderen inderdaad „B met een A = BA” leerden, weten wij uit literaire overlevering.Zoowel bij het spellen als straks bij ’t latere lezen heeft de schoolmeester alle gelegenheid om scherp toe te luisteren, of het knaapje dat voor hem staat zuiver uitspreekt. Daargelaten nog dat hij misschien lispelt, ’t zij van nature, ’t zij door ’t voorbeeld van een ouderen broer, die brauwt omdat Alcibiades brauwt of lispelt omdat een ander voornaamlionmet slappe lippen spreekt, kan hij ook van elders de vocalen minder keurig hebben meegebracht. Athene is sinds de Perzische oorlogen een internationaal middelpunt, en de stad is vol halfburgers, zoogenaamde metoiken: op 35.000 burgers 10.000 metoiken. De zoontjes van deze naar Athene overgekomen vreemdelingen hooren thuis de heldere Atheenscheawellicht op zijn Ionisch alsè, of, als ze van Dorischen huize zijn, lachen meester en scholieren hen uit, zoo dikwijls als ze „plat pratend”, met een breedeDorischeavoor den dag komen, waar een Athenereezou zeggen. En een menigte andere eigenaardigheden moet in hun spreken te gelijker tijd verdreven worden. Hellas heeft over zijn kleine oppervlakte een ongemeen groote verscheidenheid van vervormingen derzelfde woorduitgangen; zoo vroeg mogelijk—en zeker vóór men den jongen leerde zich te verdiepen in de geheimen der pas „ontdekte” grammatica—moest de meester hem oefenen innauwkeurigheid van uitspraak. Die nauwkeurigheid wordt trouwens door de Grieksche taal zelve bijna geëischt. Het werk van een goed deel onzer voorzetsels, voegwoorden en hulpwerkwoorden wordt immers in het Grieksch verricht door fijne vocaalwisselingen en door een lenig en rijk samenstel van buigingsuitgangen. Die bevallige vormen door slordig afkappen of onzuiver articuleeren te verminken, is het werk van een „barbaar”. Juist op het feit dat in een jarenlang verkeer geen der buurtgenooten hem op zoo iets had betrapt grondt een van Demosthenes’ klienten zijn recht tot erkenning van zijn Atheensche afkomst!—En aan die spreekoefeningen knoopt zeker de meester telkens het wèl bekende „dat zegt men zoo niet” vast. Want ook in het woordgebruik moet de kleine metoikenzoon op zijn tellen passen. Het is een van de treffendste bewijzen voor de groote begaafdheid van den redenaar Lysias, dat hij, zoon van een metoik en leerling der Sicilische rhetoren, die zoovele talen kent als menschen, wel elk zijner klienten laat spreken, klagen, schertsen naar zijnen aard, maar in geene zijner oraties een duimbreed afwijkt van het zuiverste Attische idioom. Zoo iets leert meestal een jongen alleen in zijn vroege jeugd. En doet hij dat niet, dan zal het hem gaan als dien Stephanus, van wien Demosthenes zegt: „Rechters, aan zijne soloecismen hebt gij zelf allang gehoord dat deze man een barbaar is; uit zijne schurkenstreken zal ik het u ten overvloede thans nog bewijzen.”Wie lezen zegt, zegt schrijven, althans in oud-Hellas, waar men beide vakken van onderwijs met één zelfden naam „Grammata” (letters) aanduidde, en waar verder gewoonlijk, ten minste in den ouderen tijd, voor boekschrift en gewoon handschrift in brieven en acten, een zelfde lettervorm dienst deed. Er is dan ook—dit spreekt van zelf—geen enkele redelijke grond om aan te nemen dat, zoolang het oude Athene scholen heeft gekend—en dit is zekersinds Solons dagen het geval—in die scholen niet naast het lezen van den aanvang af het schrijven zou zijn gedoceerd.Bewijzen laat zich zoo iets niet. Reeds de schaarschte van schrijfmateriaal moet oorzaak zijn geweest dat de kunst van ’t schrijven zelf, ofschoon ongetwijfeld duizend jaar vóór onze jaartelling in Griekenland bekend, niet ijverig werd beoefend: de soldaten van klein-Aziatischen huize die Psammetichus I (654–617) op zijn tocht naar ’t Nijleiland Elephantine begeleidden, waren niet allen de schrijfkunst meester, en de kameraden wier vaardige hand aller namen insneed in de beenen der colossale standbeelden te Aboe-simbel in Nubië, voegen er met trots aan toe: „Onze namen zijn geschreven door Archon, zoon van Amoibichos, en Pelekos, zoon van Eudamos”, welke verklaring dan door een paar van de vrienden met zeer gering succes is nagekrast.—Maar wie wandelt over de rotsen van Thera (Santorin), die vindt daar de bewijzen dat in de zevende eeuw de Theraeïsche mannen—jongere en oudere—over het algemeen vrij vaardig met de stift moeten zijn geweest, en bovendien, dat blijkens den vorm hunner letters ook toegeeflijker materiaal dan de harde steen hun bekend was.Ook de vazenscherven, o.a. die van Naucratis in Egypte, waar sinds het laatst van de zevende eeuw een Grieksche nederzetting was, en die van Corinthe, waarschuwen ons om aangaande de uitgebreidheid der schrijfkunst onder de Grieken ons niet al te ongunstige voorstellingen te maken. Natuurlijk: indien we op een vaas een opschrift vinden, netjes gepenseeld vóór de vaas werd geglazuurd, dan bewijst dit alleen dat de geestige teekenaar ook schrijven kon, evenals eene oude inscriptie op het voetstuk eener statue veelal slechts de schrijfvaardigheid van den beeldhouwer of diens werkman aantoont; doch als men scherven van kruiken vindt waarin met ruwe hand bij de wijdingeen godennaam is gekrast, dan weet men: hier is de schenker aan ’t werk geweest; hier heeft de koopvaarder dankend voor redding en winst op zijn wijgeschenk aan den havengod de herkomst vermeld met eigen hand, zij het dan ook met eene handdiede roerpin vaster bestierde dan de schrijfstift.En na Solons dagen zijn voortdurend de Atheners meer gewend geraakt geregeld gebruik te maken van het schrift. Dit werd reeds door de uitbreiding van hun handel en door de klimmende verkiesbaarheid van alle burgers tot ambten die de schrijfkunst stilzwijgend onderstellen, noodzakelijk. In Perikles’ dagen moet wel het aantal analfabeten te Athene gering zijn geweest: stemmende leden eener volksvergadering, die niet kunnen lezen en schrijven zijn ondenkbaar, en de welbekende boer, die aan Aristides verzocht om den naam „Aristides” op zijn verbanningstafeltje te schrijven, daar hij zelf niet schrijven kon, zal zelfs toenmaals—in ’t begin der vijfde eeuw—wel eene uitzondering zijn geweest.Daarmee is niet gezegd dat de Grieken schoonschrijvers waren. Terwijl ze namelijk in de opschriften van hunne tempels en statuën buitengewone zorg besteedden aan voortdurende verfraaiing der reeds van ’t eerst af zeer ornamenteele lettervormen, schijnt hunne gewoonte om in het dagelijksche leven allen handenarbeid aan slaven over te laten, te hebben veroorzaakt, dat hun eischen voor leeken ten opzichte van het schoonschrift over het algemeen op bescheiden hoogte zijn gebleven. Gelijk in allerlei andere takken van onderwijs, heeft men ook op dit gebied in de eeuw na Alexanders dood gehoopt verbetering te brengen door examens en prijsuitdeelingen;—van weldoeners, prijzen en overwinnaars in declamatie en calligrafie doen ons, zooals wij reeds hierboven vermeldden, de opgravingen der laatste jaren mededeeling uit Milete en Priene, uit Samos en Naxos, en de Anthologie bewaart in een aardig kleinepigram de herinnering aan een jongen, die bij den wedstrijd in het schoonschrijven als derden prijs niet minder dan tachtig bikkels won. Maar als wij de proeven van schooljongensschrift raadplegen, die in Aegypte voor den dag komen, hetzij op wastafeltjes of op perkament en papyrus, en zelfs als we er daaronder een uitzoeken dat de meester niet „heel goed” heeft gewaarmerkt, dan zien wij wel in dat voor de Grieken, die niet als calligrafen hun vak van het schrift maakten, langen tijd het woord van Plato heeft gegolden: „ommooite schrijven hebben wij onze slaven”.En toch—al zijn de resultaten gering—hoe doen ze hun best, meester en leerlingen, op de geestige schaal van Duris. De meester heeft het wastafeltje ter hand genomen en terwijl ’t knaapje—in eerbiedige houding en den ernst des oogenbliks beseffend—staat te wachten, trekt hij zijn hulplijnen, horizontaal, opdat de letters goed naast elkaar, verticaal opdat ze ook—naar Attischen schoonheidseisch—goed onder elkaar komen te staan. Voor de kleintjes zal hij nu ook schets-letters trekken om over te teekenen, straks om aan te vullen, voor de grooteren schrijft hij klanken, woorden, complexen van moeilijke letters die ze copieeren, en tenslotte zal de jongen zelfs een blad papyrus van hem krijgen, waarop hij niet meer kan uitvegen en waarop hij schrijft met inkt.Hoe Atheensche schoolmeesters hun’ jongens schrijven hebben geleerd verhaalt ons begrijpelijkerwijze geen schrijver. Maar van het Atheensche schoolschrift—mag men aannemen—is de afstand niet al te groot tot de Alexandrijnsche praktijk. Een deel van de oefeningen waarmee de scherven en papyri uit Aegypte ons hebben vertrouwd gemaakt, hebben de Atheensche jongens ook wel doorgemaakt: zij hebben ook het alfabet van voren naar achteren zoowel als van achteren naar voren geschreven, straks sylben òf nageschrevenòf, ter oefening in de woordvoering meteen, zelf bedacht. Een poos later kwam dan het schoonschrift naar copij. Hoe steken soms op de wastafeltjes, in Aegypte gevonden, bij het fraaie vaste schrift van den onderwijzer de beverige hanepooten af dier jongenshanden, meer bekwaam tot mikken van een „zeilsteen” dan tot correct overschrijven! De smaak der onderwijzers is in de keus der exempels al even wisselend als in onzen tijd. Sommigen verwachten blijkbaar paedagogisch voordeel uit de keus van wijze lessen, korte puntige dichterspreuken, vermaningen voor ’t leven. Anderen meenen dat de jongens liever een fabeltje, een anecdote, misschien wel een grappig spreekwoord zullen naschrijven. Ook ontbreken de aanteekeningen niet die zulk werk levendig maken. Zelfs wie zijn leven lang met Grieksche boeken omgaat voelt een geheel nieuwe gewaarwording, als hij op zulk een wastafeltje naast elkaar ziet staan eene opwekking van den schoolmeester: „Je best doen!” en een ongevraagd antwoord van den jongen „Hangen zal-ie”. En zou iemand zonder aarzeling een houten tafeltje in de hand kunnen nemen, waarop viermaal onder elkaar geschreven staat: „Doe je best, kereltje, anders krijg je klappen”. Viermaal! Hoeveel regels zou het strafwerk hebben bedragen waarvan dit het restant was?De Aegyptische vondsten, waaraan deze laatste feiten zijn ontleend, spreken van een veel uitgebreider lagere-school-onderricht dan het Atheensche. Conjugeeren, declineeren, ontleden, zijn dingen die in de Atheensche scholen—althans in de lagere—nog niet thuis behooren. Daarom rijst de vraag: kan lezen en schrijven den geheelen dag van de kleine schooljongens hebben gevuld? En was er den geheelen dag school? In eene oude wet van Solon was bepaald, dat de scholen noch vóór zonsopgang geopend mochten worden, noch na zonsondergang open mochtenblijven. Dat zou van een geweldigen schooldag getuigen, een schooldag echter, voor de kleine jongens reeds hierom niet waarschijnlijk, omdat zij niet zooals de grooteren afwisseling in hun dagtaak hebben door het beurtelings bezoek van den grammatist, den citharist, en den gymnastiekleeraar. Wij moeten daarom, dunkt me—zonder één algemeen geldenden regel te zoeken of zelfs te onderstellen—vooreerst bedenken dat de school van de allerkleinste jongens wel dikwijls in haar karakter bewaarschool zal zijn nabijgekomen, en daarnaast, dat de methode van onderricht vanzelf de lessen tot een soort van privaat onderricht maakte, waardoor de voortdurende aanwezigheid van alle knapen te gelijkertijd nauwlijks noodig was en door een stelsel van groep-onderwijs kon worden vervangen. Het laatste komt allicht waarschijnlijk voor aan ieder die bedenkt dat er toch zoo iets als klassenindeeling moet hebben bestaan. Ook maakt die onderstelling de aanwezigheid van de paedagogen in het bijvertrek eener aanzienlijke school begrijpelijker. Zij konden zorgen dat de jongens in die talrijke tusschenkwartiertjes elkaar niet te vlug de eukosmia afleerden, hun met zooveel moeite bijgebracht.Ten opzichte van de vragen betreffende opklimming van klas tot klas, en in verband daarmee de verdeeling der leerstof over bepaalde termijnen, hetzij in vrije afwisseling, hetzij naar een vasten rooster, tasten wij geheel in het duister; ja, zooals het meer gaat, heeft hier ’t geen nieuw ontdekt is de vragen vermenigvuldigd. Ook mogen wij wat te Milete of te Teos in de tweede eeuw vóór Christus gebeurde niet tot regel in het Athene der vierde eeuw verheffen, veel minder nog de bewijzen dat het grammaticale onderricht op de scholen der derde eeuw na Christus uitvoerig en systematisch was, toepasselijk verklaren op den bloeitijd der Atheensche republiek, dus op eene periode van acht eeuwen vroeger. Wel blijkt uit die latere schoolvondstenhet conservatisme der Grieken. De spelmethoden zijn dezelfde gebleven: de jongetjes in de Aegyptische dorpen hebben twee eeuwen na het begin onzer jaartelling denzelfden weg bewandeld als de kleine Atheners: in één zelfde schoolschrift van houten tafeltjes, in een Aegyptisch graf gevonden, staan eerst de monosylben die ’t jongetje zelf in alfabetische volgorde heeft moeten vinden—bij dex, die in ’t Grieksch op denvolgt, heeft zijne vindingrijkheid hem even in den steek gelaten,—dan de woorden van twee en drie lettergrepen, straks de spreukzinnen en de spreukmatige verzen, en eindelijk, na deversus memoriales, geheele stukken fabel op verzen. Dat laatste is een vingerwijzing naar een gewoonte, die ook in de oude Atheensche school bekend was. De fabel is èn in dat schrijfboek en op andere tafeltjes die wij bezitten uit het hoofd opgeschreven. De jongens moeten nl. verzen van buiten kennen, hoe eer en hoe meer hoe liever; in de Grieksche school werd oneindig veel meer op het geheugen gebouwd dan in onzen tijd, die van geheugensbelasting oordeelsverstomping verwacht. Men kan er zeker van zijn dat de kleine jongens die we op de vazen zoo braaf vóór hun leermeesters zien staan, klaarblijkelijk aan ’t opzeggen van hun pensum, thuis als hun vader gasten heeft, hunne kunst zullen hebben te vertoonen, en ook dat zij in hun gewillig en door oefening versterkt geheugen heele stukken Ilias en Odyssee, als een goeden schat voor het leven, bewaren. Het zal niet zoo moeilijk gevallen zijn een clubje Atheensche jongens bij elkaar te brengen die samen de geheele Ilias naar rhapsodentrant kunnen declameeren. Zegt niet een van de aanliggenden in Xenophons Symposion, dat zijn vader hem de beide gedichten van Homerus heeft laten van buiten leeren?Men heeft dikwijls Homerus den Bijbel der Grieken genoemd, en natuurlijk gaat die vergelijking mank. Maarzij kan toch worden gebruikt om twee dingen duidelijk te doen uitkomen. De eigenaardige voortreflijkheid van de oud-hollandsche bijbelvastheid heeft haar parallel in de Homerus-vastheid der Grieksche jeugd. Zij voedt eene levendige overeenstemming in het beeldenrijke en van vlugge toespelingen vervulde gebruik eener gemeenschappelijke taal, die niet zonder meer de taal van heden of gisteren is. Zoo goed als er verschil van voorstelling en waardeering is in de beide uitdrukkingen: „rijk als Salomo” en„rijk als Carnegie”, zoo goed als het iets anders is iemand een Phariseeër te schelden dan hem eenvoudig een huichelaar te noemen, zoo goed opent het voor den Atheenschen knaap eene andere wereld wanneer men hem zegt dat iemand een Thersites is, dan dat men hem Cleon wijst. En het tweede is dit: de vraag of het Oude Testament stichtelijk en het Nieuwe begrijpelijk voor kinderen is, placht men in veleNederlandschegezinnen eertijds eenvoudigweg te beantwoorden door de gansche Schrift in hun bijzijn voor te lezen. Zoo plaagden zich—als men Plato in zijne polemiek mag gelooven—vele ouders of voogden te Athene ook niet met de quaestie of inderdaad de wrok van Achilles en de aanleiding daartoe bijzonder geschikt was om onder de aandacht te worden gebracht van achtjarige jongens. Welke intusschen de schaduwzijde dezer methode zij geweest, zij had één groot voordeel. Homerus is voor Athene altijd gebleven een nationaal dichter in den vollen zin. Zijn taal, zijn frischheid, zijne nooit uitgeputte verbeelding werken door in het gedachtenleven van alle Atheners. Van hoevele Nederlanders die een „completen” Vondel bezitten geldt iets dergelijks? Bij Homerus bleef het niet. In Plato’s dialogen althans, zoowel als in toespelingen bij de comediedichters, zijn bewijzen genoeg te vinden dat gaandeweg die schoollectuur een groot deel der poëzie omvatte welke ons bewaard bleef. Ons treft in dit alles naast demoralizeerende strekking het feit, dat bijna alles wat men den knapen voorlegde mannenkost is. Niet alleen de ernstige bezwaren door Plato herhaaldelijk tegen de mythologische gedichten te berde gebracht deelen wij, maar vooral een ander bezwaar: hoe—vragen wij—konden deze knapen, zelfs al waren het geen jongens van acht, maar van tien of twaalf, Solons Elegieën of Hesiodus’ Vermaningen of—erger nog—Theognis’ bedenkelijke politieke moraal begrijpen?De vraag blijft onopgelost, vooral omdat wij zoo weinig weten van de indeeling der onderwijsstof. Intusschen, naast deze lectuur zal wel spoedig het rekenonderwijs zijn gevolgd. Een goed Athener is noodzakelijkerwijs een goed rekenaar, want de groothandel is voor de voornamere burgers, de kleine venterij voor de eenvoudiger lieden de voorname bron van inkomsten. Het behoeft dus niet eerst Plato te zijn geweest, wiens invloed de arithmetiek en dan de geometrie onder de schoolvakken verhief. Zeker, bij hem vindt men het eerst den eisch gesteld dat naast de zoogenaamde musische ontwikkeling, d.i. naast het literaire onderricht en de straks te bespreken muziek, die het gemoed en den smaak vormen, de strenge studie der mathematische vakken als kostelijk middel om de knapen te voeren tot zelfstandige geestesontwikkeling, in de scholen zou worden opgenomen; doch aan dezen theoretischen eisch is de practische voorafgegaan. De jongen moet kunnen rekenen, om als man straks zijn kasboek te kunnen houden.Het rekenen is voor den Griekschen jongen zeer zeker eene ingewikkelde zaak geweest. Ze zullen wel begonnen zijn met de mechanisch en half zingend geleerde wetten van het eenmaal een en tweemaal twee; doch hoever ze op onze moderne manier geholpen zijn door tafels van vermenigvuldiging, is onbekend. Het eigenlijke rekenen leeren zij natuurlijk uit het hoofd. Reeds de karigheid zelve waarmeede Griek in ’t algemeen gebruik maakt van het hulpmiddel van het schrift, maakt dit waarschijnlijk. Maar zij hebben een ander hulpmiddel, en wel een heel oud. Is niet het tientallig stelsel een gevolg van het feit dat de mensch tien vingers heeft? In de Odyssee reeds zien we hoe men van die vingers, de tweemaal vijf, tot aftellen gebruik maakte. God Proteus telt, als hij over zijne robben inspectie houdt op zijne vingers na, of ’t vereischte aantal aanwezig is, en de dichter noemt dat aftellen: „afvijven.” Zoo doet ook in een bekend verhaal bij Herodotus koning Aristo van Sparta, die, nagaande hoevele maanden hij getrouwd is, „op zijne vingers de maanden narekent.” Maar bij zoo eenvoudig op de toppen tellen—hoogstens tot tien—blijft de rekenkunst der Grieken niet staan. Door buigen en strekken der geledingen, door aan den halven vinger een andere waarde dan aan den geheelen toe te kennen, en door allerlei wendingen die wij niet meer kennen, hebben de Grieken het er toe gebracht, zoo noodig alle getallen tot tienduizend toe uit te drukken. Althans zoo verhalen latere schrijvers; bij de oude Atheners geschiedt wellicht zulk „op de vingers narekenen” alleen bij zeer globale berekeningen. In de Wespen van Aristophanes wil een zoon zijn kortzichtigen vader aan ’t verstand brengen, dat de inkomsten van Athene voor een groot gedeelte worden verdonkeremaand door hen die aan ’t laadje zitten en dat ’t Volk in alle gevalle er niet genoeg van geniet. „Reken maar eens op je vingers na”, zoo zegt hij, „globaal genomen zijn onze staatsinkomsten 2000 talenten.—Trek daar nu eens de jaarlijksche rechtersoldij voor zesduizend rechters van af... dat is dus notabene maar honderd vijftig talenten.” De berekening die de vader heeft moeten doen—niet met rekenschijfjes, maar op zijn vingers—bestaat dus vooreerst in eene vermenigvuldiging. Hij weet dat een rechter een halve drachme presentiegeld geniet en dat men op ongeveer driehonderdzittingdagen in het jaar kan rekenen. Dus rekenen zoon en vader „op de vingers” de vermenigvuldigingssom uit ½ × 300 × 6000 = 900.000 drachmen, en zij deelen dit product door 6000 omdat er zooveel drachmen gaan in een talent. Zoo komen zij tot 150.Met dit al is het een eenvoudige rekensom met ronde getallen, die de proceshatende zoon in de Wespen aan zijnen vader opgeeft. Bij uitvoeriger berekeningen moest onvermijdelijk dit vingerrekenen tot verwarring leiden; bovendien dwingt de minste aarzeling over eigen juist tellen, ja iedere stoornis, den rekenaar zijn geheele manipulatie op nieuw te beginnen. Heeft dus bij den kleinhandel en bij den inkoop van vruchten en groenten op de markt deze computatie op de vingers groot practisch nut, toch grijpt de Athener, zoodra de verrekening gecompliceerder wordt, ongetwijfeld graag naar zijn rekenbord,abakos, zooals in eene comedie van den blijspel-dichter Alexis een kok zelfs doet als hij, thuis gekomen van de markt, al zijn kleine en groote inkoopen nauwkeurig bij elkaar wil oprekenen. Dit rekenbord is een uitermate eenvoudig ingericht hulpmiddel. Het is verdeeld in een aantal kolommen, voor de eenheden, de tientallen, de honderdtallen en de duizendtallen, met beweegbare schijfjes voor het noteeren. Men schuift bij iedere notitie zooveel schijfjes naar de andere zij der kolom, als men eenheden, en tientallen, wil noteeren. Wordt in de eerste kolom daarbij het tiental bereikt, dan zet men in de kolom der tientallen een schijfje aan, en schuift de tien eenheden naar hun eerste plaats terug. Of anders—wat nog eenvoudiger is—men werkt met losse steentjes. Dan is de bak zoo verdeeld dat in iedere kolom een steentje aan de rechterzij neergelegd één, tien, honderd enz. telt, doch aan de linkerzij vijf maal zoo veel. Dat intusschen alle vermenigvuldiging (behalve dan die met vijf) bij het gebruik van het bord toch weer,zoo goed als de deeling, uit het hoofd of op andere wijze moet geschieden, valt licht te begrijpen. Amusant zijn allicht deze oefeningen niet geweest. En dat de Atheensche jeugd er zoo over dacht kan men uit Plato’s woorden opmaken. De jongens kunnen, zoo zegt hij ongeveer—in zijneLeges—ons zelf den weg wijzen om het rekenonderricht boeiender te maken, door de manier van aftellen bij hun spelen. En de Aegyptenaars—zoo fantazeert hij verder—wisten het rekenen tot een spel te maken. De meester nam b.v. een mand met zestig appels en droeg de knapen op, die eerst onder twee, dan onder drie, dan onder vier, onder vijf, en zes jongens te verdeelen. Of hij fingeerde een jongenswedstrijd b.v. van negen jongens en stelde de vraag: „als nu ieder van u negenen met de andere acht moet vechten—hoeveel wedstrijden krijgen we dan?”—Men ziet, geleidelijk voert Plato’s Egyptenaar de jongens van de gewone deeling naar de ontbinding in factoren, ja zelfs naar de geheimen der combinaties en permutaties.Maar het is heel wat moeilijker taak die onderwijzer en leerlingen wacht, wanneer straks de jongens—nadat ze de verschillende manieren hebben geleerd waarop de Grieken hunne letters gebruiken om getalwaarde aan te geven—op schrift moeten leeren vermenigvuldigen en deelen. Voor ons is het niet zoo héél moeilijk, een kind duidelijk te maken, dat men, om b.v. 35 met 4 te vermenigvuldigen, eenvoudig weg mag zeggen: 4 × 5 = 20; 0, ’k onthoud er 2, 4 × 3 = 12, + 2 = 14. Som 140.—Maar voor den Athener, die geene afzonderlijke cijfers heeft, en zijn letter-cijferschrift niet met het decimale stelsel in overeenstemming heeft gebracht, is dat onmogelijk. Heeft een Griek 265 te schrijven dan schrijft hij dat in drie letterteekens sigma (= 200), ksi (= 60),e (= 5); moet hij nu 265 met 265 vermenigvuldigen dan dient hij den volgenden langen weg te gaan: 200 × 200 = 40000, 200 × 60 = 12000,200 × 5 = 1000; 60 × 200 = 12000, 60 × 60 = 3600, 60 × 5 = 300; 5 × 200 = 1000, 5 × 60 = 300, 5 × 5 = 25, om ten slotte met of zonder abacus al deze producten te arrangeeren en op te tellen en daarna met de daartoe bestemde letters aan te duiden.—Dat eindelijk, bij het deelen dezelfde weg andersom moet worden afgelegd, spreekt van zelf. Om bijv. het hier boven verkregen product (70.225) weer te deelen door 265 moet de knaap eerst, juist zooals bij ons geschiedt, tastenderwijze vragen hoeveel maal een getal dat dichter bij de drie honderd dan bij de tweehonderd staat in de zeventig duizend zou zijn begrepen; hij maakt daarna zijn eerste multiplicatie, trekt het verkregen veelvoud van 265 af van de zeventig duizend en voegt het restant bij de nog niet behandelde 225. Die bewerkingen zijn dor, doch niet moeilijk; en al moeten zij dikwijls herhaald worden, de onderwijzer kan ze varieeren. Want tegelijkertijd met deze grootere rekensommen moet de practische oefening den jongens de voor het dagelijksche leven onmisbare zekerheid geven in de toepassing der stelsels van munten, maten en gewichten. Slechts onze oudere tijdgenooten herinneren zich nog de pijnlijke kwelling eener rekensom, die òf met een valschen schijn van gezelligen anecdotischen verhaaltrant begon: „een boer kocht op de markt drie last, vijftien mud en vier kop graan tegen...” òf eenvoudig norsch beval: „Herleid in cijfers van het decimale muntstelselxdaalders,yschellingen,zstooters.” Wij zijn aan die kwellingen ontkomen; de Atheensche jongens nooit. Zij hebben moeten leeren en practisch ervaren, dat er zes obolen in een drachme gaan, dat een mina honderd drachmen geldt en zestig mina’s een talent heeten. Maar daarmee is de Atheensche jongen nog niet klaar. Hij dient ook te begrijpen dat de muntwaarde in de naburige staten niet steeds aan die van zijne moederstad gelijk is. Want van de verafgelegen landen kan hijdat terloops vernemen. Als hij uit de Anabasis van Xenophon hoort voorlezen, dat Cyrus, de Perzische kroonpretendent, zeer ingenomen was met den Spartaanschen commandant Clearchus en dezen eene schenking deed van duizend dareiken, dan kan hij volstaan met de wetenschap,—en die heeft hij voor het vragen—dat een dareikos gelijkstaat met twintig attische drachmen en dus het geschenk aan Clearchus 200 mina’s (c. ƒ 9000) bedroeg. Maar hoeveel ingewikkelder wordt de zaak, wanneer hij de vraag onder de oogen moet zien, met welke talenten, met Euboeïsche of met Aeginetische, hij in een bepaald geval te doen heeft. Hier kan de onderwijzer—of de vader—de theorie door de aanschouwing te hulp komen. Allereerst laat hij hem een Attisch tetradrachmon zien en leert hem meteen zich te verlustigen in den fijnen omtrek van den welgesneden, ofschoon archaïsch gehouden Athena-kop bekroond met den Attischen helm en versierd met oorring en halsband. Dan legt hij een drachme daarnaast, gelijk in beeld maar kleiner en fijner, en hij keert de munten om, opdat de jongen ze onderkenne ook door den stadsuil met den olijfkrans, den maansikkel en de zuiver gesneden Atheensche letters. Maar naast die fijne muntjes—rechtmatige trots der stempelkunst—geeft hij dan den knaap een Aeginetisch dedrachmon of stater in de hand, gestempeld met de zwaar gesneden Aegina-schildpad, plomp van vorm en op de keerzij weinig gracieus versierd door een ingeslagen quadraat, dat door diagonalen in driehoeken is verdeeld. Laat hij nu den jongen kiezen, welke drachme hij begeeren zou, tien tegen een dat een jong Athenertje gretig grijpt naar het fijne Athena-kopje. Dan legt de schoolmeester, om hem de harde les te leeren dat in financieele operaties het mooiste niet altijd het voordeeligste is, beide muntjes op de weegschaal en wijst hem dat de Attische drachmen slechts 4¼ gram wegen en de Aeginetische didrachmen12¼. En als dan de jongen tot het inzicht is gekomen dat in het muntwezen de zwaarte hoofdzakelijk de waarde bepaalt, dan is hij niet ver meer af van de beantwoording dezer vraag: „Indien inderdaad Solon de schuldenlast van de arme debiteurs uwer overgrootvaders heeft verlicht door te bepalen dat de schulden in Aeginetische drachmen aangegaan, zouden worden afbetaald in Euboeïsch-Attische drachmen, onder tijdelijke gelijkstelling van de Aeginetische en de Attische drachme, hoeveel ten honderd hebben dan uwe overgrootvaders daarbij verloren?—En wanneer zijn vader hem vertelt, dat een vet schaap 15 drachmen doet, terwijl in Solons dagen een schaap voor ééne drachme te krijgen was, dan zal hij thans met inzicht kunnen vragen: „dan toch zeker een Aeginetische drachme?”

Onze schets heeft in de laatst voorafgaande bladzijden de kleine Atheners, hetzij alleen hetzij met anderen, laten rondzwerven op eene vrij ongeregelde wijze. De lezer meene echter niet dat zulk een vagebondeeren in overeenstemming is met de opvoedingsbeginselen der Atheensche vaders. Dit kan genoegzaam blijken uit de nauwlettende zorg waarmee op zijn geheele doen en laten wordt toegezien, zoodra hij—op zijn zevende jaar—naar school gaat. Als zijn ouders het eenigszins ruim hebben volgt hem op zijn’ weg een vertrouwde slaaf van middelbaren of hoogeren leeftijd; dat is depaedagoog. Zijne figuur is voor ons zoo vreemd, en van zijne verhouding tot den knaap, die tegelijk zijn meester en zijn pupil is, zoo onmodern, dat het de moeite waard is iets langer bij dezen slaaf stil te staan dan zulk een lakei oppervlakkig beschouwd het schijnt te verdienen.

De naam van dezen ouden dienaar heeft een voornameren klank dan men voor eenen slaaf die een’ jongen naar school brengt zou verwachten, en dank zij een merkwaardige speling van het lot is eerst in lateren tijd, toen de eigenlijke slavenfunctie van den paidagogos min of meer uit de mode was geraakt, de oude beteekenis van het woord door het overdrachtelijke gebruik dat de philosophen er van maakten weer op den voorgrond gekomen. Immersagogebeteekent niet slechts „geleide”, maar ook „leiding”, en in de oude tijden was dan ook—vooral in vorstelijke kringen—de paedagoog behalve de geleider tevens de leidsman van denjongen edele geweest, dien men aan zijne zorg toevertrouwde. Het zijn de heroïsche, de ongeletterde tijden, waarvan dit geldt; maar de latere Grieken hebben het nooit vergeten. De tragici vooral bewaren aan die oudere periode opzettelijk en met onloochenbare sympathie de herinnering. Zij beijveren zich om hunne paedagogentypen ernstig en eerbiedwaardig te maken; aan niemand hunner is dat beter gelukt dan aan Sophocles toen hij zijn Electra schreef: de getrouwe dienaar die aan den aanvang van dit treurspel den jongen koningszoon geleidt naar het paleis van zijnen Vader, de dienaar dien Sophocles de eer van de aanvangswoorden heeft waardig gekeurd:

Agamemnons zoon, nu moogt gij eindlijk alles zienmet eigen oogen, waar ge altijd naar hebt verlangd,

Agamemnons zoon, nu moogt gij eindlijk alles zien

met eigen oogen, waar ge altijd naar hebt verlangd,

die dienaar is in de plannen en de plichten van den jongen Orestes geheel ingewijd; meer dan dat: zijn ernst, vertrouwd met het verleden van het Atridengeslacht, heeft inderdaad Orestes gevormd: die edele aard, dat besef van adel, die aanhankelijkheid zijn zijn werk. Wij staan dan ook geen oogenblik verbaasd over het feit dat deze slaaf alles bestiert, dat hij Orestes aanspoort en leidt, op een toon van beproefd en erkend gezag. Eerst na eenig nadenken komen wij er toe te vragen: wie geeft aan dezen slaaf zoo groote autoriteit?

Intusschen, de paedagogentype uit de Electra staat niet alleen. Telkens vindt men haar weer in de tragedie, niet vaak met zooveel noblesse geteekend, maar wel telkens bekleed met dezelfde autoriteit. Blijkbaar hebben de treurspeldichters willen doen uitkomen dat zij zich de verhouding van den paedagoog tot zijn jongen beschermeling in haren oorsprong geheel anders denken dan die in hun eigen tijd geworden was. Er was reden voor hen om zich de vraag te stellen, of eigenlijk de heroëntijd dien zij in hunne tragediën beschrijven, wel paedagogen had gekend; wantde Ilias en de Odyssee zijn ook hier weer karig in duidelijke en onmiddellijk beslissende getuigenissen. Aan het hof van Peleus, den vader van Achilles heeft Phoinix, zelf man van adel, doch wegens manslag balling uit zijn land, eenigermate tegenover Achilles, den jongen prins, de rol van paedagoog vervuld. Peleus heeft hem huis en hof geschonken en vertrouwt hem zijn zoon toe. En Phoinix verzorgt eerst Achilles, en daarna zorgt hij voor hem: eerst gewent hij hem behoorlijk te eten en drinken zonder te morsen—maar straks leert hij hem ook:

èn een spreker van woorden te zijn, en wrochter van daden.

èn een spreker van woorden te zijn, en wrochter van daden.

Achilles is in den tijd dien Phoinix hier beschrijft nog een knaap. Maar als Telemachus op reis gaat, die toch al een jonge man is en op Ithaka reeds min of meer aan het hoofd van de huishouding staat, heeft hij toch op zijnen tocht naar Pylos een leidsman bij zich, om hem te raden en te helpen. Immers Godin Athena zelve gaat mee in de gedaante van Mentor, en in haren naam is de zorg van den idealen paedagoog vereeuwigd.

Ook buiten den kring van de ridderpoëzie en het drama vinden wij dezelfde verhouding geteekend: toezicht en leiding in dagelijkschen omgang, gezelschap als van een gouverneur, maar dan zonder te scherpe aanduiding van het standsverschil; en een sprekend voorbeeld van zulk eene verhouding is door Herodotus gegeven in de door somber fatalisme zoo aangrijpende geschiedenis van dien voortvluchtigen vorstenzoon Adrastus, wien, als hij aan Croesus’ hof opname en reiniging van schuld heeft gevonden, de leiding van Croesus’ zoon wordt toevertrouwd.

Ofschoon dus in die oudere tijden—tijden van voortdurenden onderlingen roof—het aantal slaven talrijker en hunne beschaving niet zelden aan die van hunne meesters gelijk was, eenen slaaf als paedagoog geeft ons hetepos niet te zien. Wel leeft ook daar de voorstelling, dat de ridderjeugd niet opgroeit zonder paedagogische leiding en toezicht.

In de Dorische staten, met name te Sparta, werd deze zorg voor de leiding en tucht der knapen door de regeering geheel aan zich getrokken, en hierin lag een van die kenmerken van den Dorischen geest, die altijd weer opnieuw stof tot debat gaven tusschen de voor- en tegenstanders van het „Laconisme”. Het is de moeite waard te hooren, met hoe groote ingenomenheid bijv. Xenophon, natuurlijk in oppositie tegen de Atheensche politiek en praktijk, deze zijde van het Spartaansche leven roemt. Hij wijst er op hoe te Sparta de regeering, wel verre van toe te laten dat ieder maar aan een slaaf zijne kinderen in handen geeft, een van de voornaamste burgers aanwijst om als paidonomos op de jongens boven zeven jaar toe te zien. Hij heeft de bevoegdheid om—onafhankelijk van het oordeel der ouders—de knapen bijeen te roepen en in al hunne oefeningen te controleeren. Vat een of ander zijn werk wat luchtig op, dan is hij de man die straft. Zoo alleen wordt een ideaal bereikt dat als leuze heeft „allen weerbaar”. Zoo wordt een jongen een kerel. Geen sandalen dus, die de voeten week maken: ongeschoeid leert een knaap, hoe een soldaat naar boven klautert op een steil en steenachtig pad. Geen wisseling van zomer en winterkleeren, geene voeding tot verzadigens toe. Bovenal geen omhangen in de eigene woning bij eene toegeeflijke moeder; geen spelen zonder toezicht. Is de paidonomosafwezig, dan is te Sparta de eerste de beste respectabele burger bevoegd om in zijne plaats te commandeeren en te straffen; en zoo behoort het.

Onze kennis van Spartaansche toestanden is te onvolledig om ons te zeggen hoe nu eigenlijk in de praktijk van alle dagen die militaire tucht en die collectieve opleiding der jeugd tot een staatsleger werden toegepast.Er is zondertwijfel tusschen Spartaansch en Atheensch jongensleven een groot onderscheid geweest; toch staat het vast dat in beide staten de vrijheid der knapen zeer veel geringer moet zijn geweest dan in onze moderne maatschappij; vooral met betrekking tot hun uiterlijk optreden.

Er is een Grieksch woord,eukosmia, dat door het Hollandsche „fatsoen” of „ordentelijkheid” slechts gebrekkig wordt weergegeven, en op die eukosmia te letten, dat is de taak van den Atheenschen paedagoog. Den mantel omgeslagen in die plooi van deftige sierlijkheid, die aan de Atheensche knapen zoo eigenaardige distinctie verleent, maar hun veel van de eenvoudige kinderlijkheid ontneemt, zoo wandelt de kleine Athener zelfbewust voor zijnen paedagoog uit. De oogen slaat hij neer, want de sophrosyne, de zedige bescheidenheid, eischt zulks; hij schreeuwt niet op straat en gaat van de kleine steentjes als hem een voornaam burger tegenkomt: hij voelt zich den jongen meester, doch tevens den gehoorzamen leerling van den welgeschoren, goedgekamden paedagoog, die—met de schoolboeken en de lier van den „jongenheer” in de hand—achter hem aanwandelt.

Verder dan tot deze algemeene schets brengt onze wetenschap ons niet. Alleen bijzonderheden uit den omgang van een man als Euripides of Plato met zijnen paedagoog zouden dit beeld kunnen verlevendigen. Maar die bijzonderheden ontbreken. Wel kunnen wij met zekerheid zeggen dat de paedagoog ook in het latere Hellas eene steeds aanwezige figuur blijft in het dagelijksch leven van een knaap van goeden huize, en—al geeft hij meer den indruk van tot den „staf” des jongen deftigen Atheners te behooren—blijft zorgen voor hetgeen hem in den ouden tijd was opgedragen, nl. te waken voor de correctheid en er op toe te zien dat de jongeheer den naasten weg neemt naar school. Want straatslijpen is uit den booze.

Groote sympathie kunnen wij moeilijk voor zulke beperking der vrijheid van ronddolen hebben. De uren waarin we onze stad leerden kennen in hare intiemste hoekjes, of alleen rondzwierven aan den Buitenkant zijn ons daartoe te lief. En daarbij kunnen we ook niet laten de vraag hier weer te herhalen, die telkens bij ons opkomt, wanneer we nadenken over het Grieksche knapenleven: „waar is bij dit alles de vader?” Wandelde dan een Atheensch vader niet met zijn zoon den Kerameikos door, om hem de namen te doen lezen van hen—zijn eigen voorvaders misschien—daar begraven waren, eervol en van staatswege, omdat zij in den krijg voor ’t vaderland waren gesneuveld? Toonde hij hem niet de plek waar, half begraven onder de nieuwe woningen ten westen van den burchtheuvel, de resten nog te zien waren van het oude kleine Athene? En beklom hij niet daarna met hem den burcht zelf, om hem eerst te wijzen hoe van een nog oudere nederzetting daar de sporen waren te zien in den ouden muur, doch daarna hem de heerlijkheid van het Parthenon te doen verstaan?

Wie die vragen stelt, beantwoordt ze daardoor meteen. Het zou ondenkbaar zijn dat het anders geweest ware. Zoo goed als een Atheensch vader zijn’ jongen de geschiedenis van zijn stad leerde, hem soms bij zich aan tafel liet eten, ook als hij vrienden had, hem meenam naar sommige van de plechtige vergaderingen van zijnen Demos en hem aan zijne zijde liet zitten in het theater, zoo goed moet hij met hem naar de Piraeushavens zijn gewandeld, op den Lycabettus zijn geklommen, en met hem gestaan hebben voor het opengewerkte hek van het raadhuis. Maar dat is iets anders dan den jongen alleen te laten gaan. Op dit punt is er stellig een tijd geweest dat men te Athene streng was, en dat men van een jongen, die over de Markt heen moest gaan, verwachtte dat hij „zediglijk en ingetogen” schuin overstak over het plein, en een eventueele boodschap aanzijn vader, die daar „over staatsbelangen” delibereerde, maar liefst in een der aangrenzende winkels afgaf. Ja, de spreker in eene van Lysias’ redevoeringen gaat zoover, dat zijne woorden ons, indien het feit zelf niet zoo vast stond, bijna als eene parodie zouden klinken. In vollen ernst schildert daar de pleiter zijne eigene deugdzaamheid aldus: „Wat mij aangaat, ik ben nu dertig jaar; en nog nooit heb ik mijnen vader tegengesproken of heeft mij een burger van eenig kwaad aangeklaagd. Ik woon vlak bij de markt, maar nooit heeft men mij op de markt zelve of bij de gerechtshoven zien ronddolen vóór de ramp van dit proces mij trof.”

Er is geen twijfel aan, of deze jonge man is eene uitzondering. In de dagen van Pericles veranderde in allerlei opzichten zoowel door de uiterlijke omstandigheden als door wijziging van inzichten de leefwijze der Atheners, en daarmee de positie van den paedagoog. De staatkundige bemoeiingen der meeregeerende burgers moesten wel, naast de toenemende uithuizigheid der vaders, de persoonlijke vrijheid van beweging der zoons bevorderen en het aanzien der paedagogen verminderen. Waar was de paedagoog van Alcibiades, toen deze jonge geweldenaar, in een nauw straatje met zijn vrienden aan ’t bikkelen, een vrachtkar dwong stil te staan tot het eind der partij, door zich lang-uit vóór het span op den grond te werpen?

In dit verhaal zijn we misschien dicht bij het huis van Alcibiades. Maar de gevallen zijn niet zeldzaam, waarin we knapen van den schooljongensleeftijd zoo met elkaar zien omgaan, dat we ons nauwelijks de aanwezigheid van den paedagoog daarbij denken. Nog eens: troepen jonge knapen van goeden huize, vrij uittrekkend voor de poorten der stad om te spelen wat ze willen en te gaan waar zij kunnen,—ja, dat is zeer zeker een schouwspel dat men te Athene in den ouderwetschen tijd zelden zal hebben gezien en in de vierde eeuw, toen het dien weg uitging, spoedig dooreen zeer nauwkeurig gereglementeerde regeling van de sloteducatie heeft trachten te keeren. Maar wij moeten ons toch die Atheensche jongens niet al te zeer als fatsoenlijke gedetineerden voorstellen. In eene der redevoeringen van Isocrates zegt een jong man aangaande zijne eigene jeugd: „Mijn vriend en ik zijn van onze jongste jaren af door eene zoo innige vriendschap verbonden geweest, dat wij nooit anders dan te zamen naar de godenfeesten of de offers plachten te gaan”. Het zal dunkt me niet noodig zijn, dit jonge vriendenpaar in onze verbeelding steeds te doen vergezeld gaan van een onafscheidelijk tweetal paedagogen.

Trouwens, de aanleidingen om de knapen zonder hun paedagogen te laten, waren talrijk genoeg. Voor vele der feestelijke zanguitvoeringen of gymnastische wedstrijden, aan welke knapen deelnemen, is zooveel voorbereiding en werkelijke training noodig dat de „choreeg”, d.i. de vermogende Athener aan wien de verzorging van zulk een wedstrijd op zijn eigen kosten wordt opgedragen, eenvoudig-weg, om zoo zeker mogelijk van zijn succes te zijn, de jongens die voor het koor bestemd zijn eenige weken bij zich in huis neemt, of onder zijn toezicht ergens inkwartiert, opdat ze beter kunnen studeeren en ook juist datgene te eten en te drinken krijgen wat goed voor hen is. Niemand denkt er toch aan om zich de zaak zoo voor te stellen, dat zulk een „choreeg” behalve aan de jongens ook aan hunne paedagogen al dien tijd logies gaf?

Het is niet zonder belang dit alles in het oog te houden. Innige, zeer vertrouwelijke jongensvriendschap duldt geene argwanende paedagogen-ooren en -oogen. Wanneer bij ieder fluisterend geuit woord de goeverneur, voor ergerlijk of onbehoorlijk samenspreken beducht, zijn neus tusschen beide steekt, kan niet anders dan een officieele relatie ontstaan, niet die aan liefde verwante, zeer innige verhouding, die ons telkens roert in Grieksche verhalen en treft op Attischevazen. Niet alleen de oudste mythologie had haren Orestes en Pylades.

Bovendien: over de geheele instelling der paedagogie veranderde de meening gaandeweg. Het wil in dit opzicht niet zooveel zeggen dat Xenophon er zich scherp over uitliet, dat de Atheensche vaders hunne zoons overlieten aan gehuurde leidslieden; want hij wilde een nog scherper toezicht naar Spartaanschen trant. Maar wie eenigszins in Plato’s dialogen tehuis is, heeft niet veel moeite ook daar een afkeurend oordeel te vinden. Zeer duidelijk is dit in de slotscène van zijn Lysis. De wijsgeer heeft in dezen dialoog een zeer verzorgde en uiterst aantrekkelijke teekening gegeven van een paar Atheensche jongens van goeden stand. Hun gratie, een vermenging van levendige, door opmerkzaam luisteren opgewekte vrijmoedigheid met bescheiden vrees om door vrijpostig spreken te mishagen, hun frissche belangstelling en hun ongerepte jongensachtigheid bekoren den tegenwoordigen lezer niet minder dan ze Socrates bekoorden. En wat doet nu Plato? Als het dispuut tusschen Socrates en de beide knapen juist op een bijzonder moeilijk punt is gekomen, en de onderzoekers zich in eene verlegenheid bevinden die Plato zelf inderdaad, naar zijne methode in deze soort van gesprekken, bedoelt als eind van den dialoog, dan komen plotseling „als twee daemonen” de paedagogen van Lysis en Menexenus met de jongere broertjes dier beide knapen en bevelen hen terstond mee te gaan. Socrates en de anderen trachten de paedagogen te bewegen om de jongens nog een oogenblik bij hen te laten. Maar dan slaan de beide geleiders een hoogen toon aan, en „in een taal die nu juist niet het zuiverst Attisch was” staan ze Socrates te woord op eene wijze, die duidelijk toont dat ze samen het feest van den dag met een extra beker hebben gevierd.

Plato’s kritiek komt eerst dan in hare scherpte uit, wanneermen bedenkt, tegenover hoedanige knapen hij deze ruwe paedagogen, nauwlijks beter dan livreiknechten, plaatst. Men zou den geheelen dialoog moeten aanhalen, wilde men de beminlijkheid van den jongen Lysis zelf doen gevoelen, of den lezers een vluchtigen blik gunnen in het gezin waaruit hij stamt. Maar vooral belangrijk is voor ons op dit oogenblik, wat Socrates, in dien toon van liefdevolle ironie tot hen sprekende die hem voor de jongens zoo aantrekkelijk maakte, over hunne vriendschap zegt. „Menexenos”, zoo zegt hij, „er is één ding waarnaar ik al van jongs af een buitengemeen verlangen koester. Andere menschen hebben ook dergelijke verlangens wel; de een begeert een paard te bezitten, een ander jachthonden, een derde geld of eer of iets dergelijks, doch al die dingen laten mij koel. Maar wat ik daarentegen met hartstocht begeer te bezitten, dat is een vriend... En nu zie ik u en Lysis, en terwijl ik u zie, sta ik verslagen doch prijs u gelukkig, dat gijlieden te zamen den schat, dien ik zoo lang vergeefs heb gezocht, reeds op uw leeftijd hebt kunnen vinden. Daarom zeg ik tot u: wijs mij den weg, langs welken menschen elkanders vrienden worden.”

De vraag door Socrates hier gesteld omvat een veel ruimer terrein dan bij eene oppervlakkige lezing schijnt. Zij roert het vraagstuk aan van de mogelijkheid eener reine vriendschap, die te Athene met gevaren werd bedreigd, van welke onze maatschappij zich nauwlijks een denkbeeld kan maken. Het kan dan ook in Plato niet zijn opgekomen, om de leer te prediken, dat men goed zou doen eenvoudig de knapen alleen te laten gaan, waar zij maar wilden. Maar niet te min is het uit zijne voorstelling wel met zekerheid af te leiden, dat de waardeering van den paedagoog in de vierde eeuw te Athene aan het dalen was. Al is het gebruik, om aan de zoons van goeden huize een zoodanigen leidsman op straat mee te geven, niet uitgesleten,vermoedelijk is zijne rol wat veranderd en zijn macht over de knapen verminderd. Maar zoo de Atheensche vaders toen meer dan te voren hunne zoons vrij lieten en minder nauwlettend toezagen wie zij kozen als hunne paedagogen, de staat heeft dat niet met onverschillige oogen aangezien. Allerwege komt omstreeks het einde der vierde eeuw een drang naar staatstoezicht op de opleiding naar voren. Te Athene wordt door den staat de tucht en militaire voorbereiding der achttienjarige jongelieden geheel in eigen handen genomen, en in allerlei steden van Hellas en van het Grieksch sprekend Klein-Azië blijkt omstreeks dienzelfden tijd het Dorische instituut van paedonomen veld te winnen. Allerwege vinden wij in die periode tuchtmeesters, van staatswege aangesteld, die het oppertoezicht houden over het welvoegelijke gedrag, deeukosmia, der schoolgaande knapen—en ook der meisjes—die de offers voor hun welzijn bezorgen en waken voor de belangen der veelal op aristocratischen grondslag gevestigde onderwijsstichtingen.

Dit laatste woord vooral brengt ons ver buiten het terrein, dat op dit oogenblik het onderwerp is onzer beschrijving. Ofschoon toch de staatsidee voor de Atheners een fundamenteele beteekenis in leven en opvoeding beide heeft, zoodat als onomstootelijke leer de stelling wordt gehuldigd, dat in de allereerste plaats de mensch burger is, en ofschoon dus in ieders oog dit de taak des opvoeders moet zijn, in den geest van het kind de neiging te wekken vrijwillig en uit eigen begeerte datgene te doen, waartoe hem als hij volwassen is de burgerwetten zullen verplichten, heeft desniettemin de Atheensche staat in het eerste tijdperk van zijn’ bloeitijd zelden in die opvoeding ingegrepen: het oude Athene kent leerplicht noch staatsprogram, staatsonderwijs noch subsidie. Eigenlijk laat zich niet eens met onweerlegbare zekerheid bewijzen, dat destijds de Atheenschestaat den ouders imperatief den plicht oplegde hunne kinderen te doen onderwijzen. In de treffende scène van Plato’s Crito, waar de jonge rijke Crito bij Socrates in de gevangenis komt en dezen tracht te overreden om verkleed te ontvluchten, wijst Socrates hem op het contract, stilzwijgend tusschen hem zelf en de wetten van zijn vaderland gesloten, en hij voert die wetten aldus sprekend in: „Socrates”, zoo zeggen zij, „hebben wij niet het huwelijk tusschen uwe ouders, en daardoor uwe wettige geboorte mogelijk gemaakt? Hebt gij eenige aanmerking op onze huwelijksregeling of waart ge ooit ontevreden met onze bepalingen aangaande de voeding en opleiding der kinderen? Is door ons niet op de juiste wijze aan uw vader de opdracht gegeven u in de musische en gymnastische kunsten te doen onderrichten?”— Inderdaad, het betoog door de Wetten van Athene hier gehouden, zou alle bewijskracht ontberen, indien op het stuk van onderrichtsverplichting in die stad geenerlei wettelijke bepalingen hadden bestaan; maar uitvoerig of streng poenaal kunnen die regelingen dan toch niet zijn geweest. En dat was ook nauwlijks noodig. Het lag immers niet in den Atheenschen aard, de familie-eer te verwaarloozen door veronachtzaming van de zorg voor de zonen des geslachts: zelfs de schooier Agorakritos, de braadworstjeskoopman die in de „Ridders” van Aristophanes aan Kleon de loef afsteekt door zijne nog grootere schaamtelooze doortraptheid, de „man of the street” die er zich op beroemt „op de markt te zijn opgegroeid”, moet bekennen dat hij „helaas” een beetje lezen heeft geleerd.

Ook door subsidiën schijnt Athene in zijnen bloeitijd de zaak van het onderwijs niet te hebben gesteund. In die periode zal zich trouwens de behoefte daaraan niet sterk hebben doen gevoelen. De kosten van het onderwijs waren gering, en in een stad waar man en vrouw met twee kinderen zonder armoe leven kunnen, als ze een gulden ofzeven inkomen in de week hebben, is niet licht een gezin buiten staat de kinderen wat te laten leeren. Bovendien, de vader kan lid van den raad worden (op zijne beurt!) en dan verdient hij een drachme per dag, of hij kan als lid van de volksrechtbank zijn halve drachme verdienen. In ieder geval heeft hij zijn presentiegeld als lid van de volksvergadering.

Was dus in dezen tijd naast het uitgebreide systeem van staatsuitkeeringen en vacatiegelden kosteloos staatsonderwijs niet noodig, op den duur is dat veranderd. Het begint met indirecte inmenging van den staat door het instellen van wedstrijden. Inscripties bewaren ons de namen van knapen, die bij openlijke schoolexamens den prijs voor schoonschrift, voorlezen of citherspel behaalden; weldra worden openlijke eerbewijzen toegekend aan enkele magistraten wegens hun bijzondere verdiensten ten opzichte van de opvoeding der jeugd. En dan—in de derde eeuw—vindt men op verschillende plaatsen inrichtingen die aan staatsonderricht zeer nabij komen. Zoo legateerde een burger van Teos—niet ver van Ephesus—aan zijne stad een kapitaal van 34000 drachmen, om uit de renten daarvan een zeker aantal onderwijzers in bepaalde leervakken te salarieeren; eveneens stichtte Eudemus, een rijk burger van Milete, een fonds van tien talenten zilver (ruim zeven-en-twintig duizend gulden) uit welks renten, tegen 10% berekend, de verbetering van het schoolonderwijs aan de kinderen der vrije burgers in dier voege zou kunnen geschieden, dat deze in het vervolg door openlijk geëxamineerde en van staatswege bezoldigde leeraren zouden worden onderwezen. Eene Delphische inscriptie verhaalt uitvoerig hoe het bestuur der heilige stad, in geldnood verkeerend, zich had gewend tot Koning Attalus II van Pergamum om bijstand voor het onderwijs der Delphische jongens en van den Pergameenschen koning 18000 Attische drachmen had ontvangenter bestrijding van de onderwijskosten, benevens 3000 voor de eereprijzen en de offers, gelijk ook koning Eumenes II aan den staat der Rhodiërs eene schenking deed van 280000 medimnen graan, opdat uit de op rente gezette opbrengst van dat geschenk de salarissen der onderwijzers zouden kunnen worden verbeterd. Het is niet gewaagd aan te nemen, dat hetgeen deze toevallige vondsten ons omtrent enkele steden leeren, in de laatste eeuwen vóór Christus, bij het stijgen van de eischen van ’t onderwijs en het verslappen van het persoonlijk plichtgevoel, min of meer regel was geworden. Maar dat in Athene’s bloeitijd de staat den burgers dezen plicht uit de hand nam, is niet waarschijnlijk. Men heeft wel eens een bewijs voor het tegendeel willen vinden in het volgende verhaal van Plutarchus. Toen, zoo verhaalt nl. deze schrijver, de Atheners in 480 bij de nadering van Xerxes’ leger hunne stad ontruimden, zelf met de gansche strijdbare manschap op de schepen gingen en hun vrouwen en kinderen aan de hoede der burgers van Troezen, Aeginae en Salamis toevertrouwden, namen de Troezeniërs het besluit, die kinderen van staatswege te onderhouden en aan de onderwijzers het schoolgeld uit te betalen.—Is nu hier eenige sprake van staatsverplichting of het besef daarvan? Immers het tegendeel! Het feit zelf dat voor de Atheensche jongens schoolgeld werd betaald, spreekt duidelijk genoeg: de Troezeniërs namen de voedings- en onderrichtingstaak eenvoudig van de Atheensche ouders over.

Zoo is er dus alle aanleiding om te gelooven dat—met uitzondering wellicht van de allerarmste dagloonersbevolking—het aantal burgerzoons die, zonder eenig onderwijs te ontvangen, als straatjongens rondzwierven niet zoo heel groot was. Zelfs de „gealimenteerden”, de burgers die wegens lichamelijke invaliditeit van staatswege eene subsidie genoten, zullen meestal nog wel voor het luttele schoolgeld eene kleinigheid hebben kunnen besteden. Natuurlijk isdaarmee niet gezegd, dat er te Athene geen straatjongens waren! Reeds het groote aantal slaven moest daartoe wel een contingent leveren; de massa vreemden die langer of korteren tijd daar den kost kwamen zoeken, brachten ook hunne kinderen mede, en eindelijk moedigde menige eigenaardigheid van het zeer openbare samenleven der Atheensche maatschappij niet slechts het „straatslijpen” maar ook de straatrooverij in groote variëteit van vormen aan. Ofschoon dus de „manteldieven” en de „beurzensnijders”, die ’s nachts en in de avondschemering werkten, grootendeels uit volwassenen bestonden, hebben toch zeker in de uitgebreide dievenbrigade dergenen die in de openbare badhuizen rondgluren, om terwijl de goede burgers in het zwembassin zijn met hunne kleeren uit wandelen te gaan, ook de knapen wel vaak als leerlingen dienst gedaan. Niet zonder reden had Athene eene talrijke politie.

Maar dezen achtergrond van het Atheensche volksleven behoeven wij voor onze schets niet te betreden. Wat de burgers aangaat denken we er aan, dat zelfs de venter in warme worstjes, die „zoon der markt op straat gewonnen en geronnen”, lezen had geleerd, al was ’t ook maar „een beetje en heel slecht”.

Van het zesde of zevende jaar af gaan de Atheensche jongens naar school. De zoons van goeden huize waarschijnlijk wat vroeger dan de „armelui’s kinderen”, gelijk zij er ook langer blijven. De democratie heft het standsverschil niet op, en zonder twijfel was er groot onderscheid tusschen de zoons van Pericles of Nicias en den boer in Aristophanes’ Wolken die nog nooit eene landkaart had gezien. Ook zijn allicht de localiteiten zeer verschillend geweest. ’t Goedkoopst komt men zeker terecht bij een schoolmeester die, bij gebrek aan een eigen lokaal, een stil hoekje op straat heeft uitgezocht om—voor een paar dubbeltjes—dekinderen van het dorp of van de wijk lezen te leeren, zooals de legende dat Dionysius den Tweede laat doen, nadat hij, uit Syracuse ontvlucht, zijn ouderdom te Corinthe was komen doorbrengen, en gelijk—naar een meer betrouwbare overlevering—Epicurus het als jongen deed „ter assistentie van zijn vader”.—Maar vermogende Atheners stellen andere eischen. Wij behoeven ons daarom nog niet voor te stellen dat al die jongens school gaan in lokalen met beelden georneerd en gelegen aan een koele binnenplaats met eene fontein. Maar reeds hierin was eene zekere weelde, dat men de scholen niet graag te bevolkt had en liefst dicht bij huis, om de jongens niet te veel op straat te laten. Zoo heeft iedere buurt haar school, en voor de vereerders van de oude tucht, gelijk Aristophanes, was het een lust er naar te staan kijken hoe na de morgenuren de jongens uit één district samen van de leesles naar den muziekmeester marcheerden:

„in de maat en zonder mantel, valt de sneeuw ook dicht als meel”.

„in de maat en zonder mantel, valt de sneeuw ook dicht als meel”.

Maar de scholen voor minder betalenden zullen wel grooter zijn geweest. Als Herodotus verhaalt, hoe omstreeks 494 te Chios, tijdens den schooltijd het dak der school instortte, zoodat op één na al de kinderen, honderdtwintig in getal, omkwamen, dan vindt hij blijkbaar in dat aantal niets ongewoons.

Omtrent de ligging en de inrichting der scholen, waar de kleine jongens van het oude Athene toch zoovele uren doorbrachten, zijn wij al heel slecht ingelicht. Het kleine aantal zeer beroemde en gracieus geteekende vazen met schoolafbeeldingen, dat reeds dikwijls door ons is genoemd, geeft dienaangaande niet veel zekerheid. Wij zien er den schoolmeester op een gemakkelijken leunstoel zitten; de jongens zitten in school meestal niet op banken maar op kleine klapstoeltjes, die ze mee kunnen dragen als ze „voorhet front” moeten komen. EenPompejaanschfresco, bij jong en oud bekend om de levendige afstraffingsscène die er op is afgebeeld, geeft ons zelfs een les in een zuilengalerij te zien. Maar uit dergelijke schilderingen kan niet veel met zekerheid worden besloten. Als b.v. de schilder, om de ledige ruimte tusschen zijne figuurtjes te vullen, allerlei schoolattributen, een boekrol, eene lei of een lier daarin schildert, mag men dan zeggen: „zoo was blijkbaar de wandversiering in de scholen”? De grens tusschen werkelijkheid en verdichting is hier niet te bepalen. Ook zal b.v. de „fatsoenlijke” school, waar Demosthenes lezen leerde, wel een ander voorkomen hebben gehad dan het schooltje waar Aeschines—zooals Demosthenes hem met krenkende woorden herinnert—als kweekeling van zijn vader Atrometus zijne rampzalige jongensjaren doorbracht, „de zitplaatsen afsponsend en inkt wrijvend”.

Omtrent den tijd na Alexander, toen, zooals reeds gezegd is, het onderwijs staatszorg begon te worden, en in ’t bijzonder door de instelling van de zoogenaamde ephebie veel meer dan vroeger werd gedaan voor het „voortgezet onderwijs”, lichten inscripties en monumenten ons veel vollediger in. Schenkingsacten op steenen tafels bewaard, getuigen van de vrijgevigheid van rijke burgers, die of alleen of in vereeniging met anderen gelden voor een Gymnasium met al de noodige bijgebouwen beschikbaar stelden, soms ook de kosten van onderhoud van een door de stad gebouwd gymnasium op zich namen. En wat zulk een munificentie zeggen wilde, toonen ons zeer duidelijk de opgravingen, met name die te Pergamum. Het gymnasium—oorspronkelijk slechts eene openbare worstelschool voor jongelieden en mannen, doch te Pergamum overeenkomstig de eischen aan de staatsopleiding der epheben gesteld een geheel gebouwencomplex—is aldaar een schoolgebouw, over drie terrassen zich verdeelend. Ook op Delos kan men nog zeer duidelijkzien, hoe zich om den eigenlijken oefeningshof een reeks van vrij ruime leerlokalen heeft gegroepeerd; en te Priene heeft men enkele jaren geleden eene leerkamer van het Gymnasium teruggevonden, welker muren nog overeind stonden. Maar het zou een verkeerde methode zijn uit deze hellenistische Gymnasiën eenige gevolgtrekking te maken aangaande de lagere scholen van het Athene der vijfde eeuw.

Misschien is onze onwetendheid op dat gebied licht te dragen: tenminste als wij vragen naar het leven der knapen, niet naar de eischen der ouders. Het zal den Atheenschen jongens wel niet zoo heel veel hebben kunnen schelen, of hun school fraai geschilderd of gemeubeld was. Zeker is de intimiteit van jongens uit zoo goede families als Lysis en Menexenus, in een goed gebouwde en zorgvuldig geventileerde school ontwikkeld. Hoe zou dat anders kunnen zijn, in den aristocratischen kring uit welken Plato de helden voor zijne dialogen kiest. Maar schoolkameraden wordt men ook in eenvoudiger lokalen. En wie herinnert zich niet door Xenophon’s Hellenica, welke magische kracht er uitging van het woord „schoolkameraden”, waarmee in 404 na het gevecht in den Piraeus de hierophant Kleokritos de burgers van de tegenpartij opwekte tot verzoening?

Schoolkameraden—dikwijls beteekent het bovenal kwelgeesten van den zelfden schoolmeester. Vóór de scholieren vraagt deze onze aandacht. Hoe is de financieele positie van zulk een onderwijzer? Ook hier geeft de hellenistische tijd een meer bevredigend antwoord dan de Attische periode. De schenkingen der hierboven vermelde staatsweldoeners kwamen hun ten goede, mits ze regelmatig solliciteerden en boven anderen welbehagen vonden in de oogen der machtige volksvergadering. In Teos kon men na de hiervoor besproken schenking van Polythrus de onderwijzers een salaris van 600 drachmen betalen, te Milete uit hetfonds van Eudemus 30 drachmen in de maand. Die honoraria wijzen op eenig aanzien, al verdient opmerking dat te Teos voor den muziekmeester 100 drachmen meer wordt uitgetrokken dan voor den gewonen onderwijzer. Maar in de klassieke periode was het aanzien der schoolmeesters niet hoog. Lucianus bewaart daarvan nog de herinnering, als hij den cynischen wijsgeer Menippus laat verhalen van zijnen tocht naar de onderwereld. In den Hades, waar alle aardsche ongelijkheid wordt vereffend, zag Menippus koning Philippus van Macedonië als schoenlapper, Xerxes als bedelaar en de hoogste satrapen van het Perzische rijk als stokvisch-verkoopers en schoolmeesters. Zulk eene voorstelling stemt inderdaad overeen met den smalenden toon van Demosthenes’ woord tegen Aeschines: „Terwijl ik als leerling een behoorlijke school bezocht, was jij een schoolmeestertje”. En wij kunnen er zeker van zijn dat Aeschines’ vader, een man van zeker niet mindere afkomst dan Demosthenes, alleen omdat de Peloponnesische oorlog hem had geruïneerd aan ’t schoolmeesteren was gegaan, d. i. was gaan concurreeren met die menigte halfburgers en slaven, die te Athene het gilde der Grammatisten (lagere onderwijzers) vormden.

Oneervol bleef die positie natuurlijk zoolang de Atheensche ouders met zeer elementaire vervulling der behoeften aan onderwijs tevreden waren, en onvoordeelig zoolang de schoolmeester uitsluitend afhing van het karige schoolgeld.

Karig was dat loon zeker. En wat moet de man beginnen, als op den „zuren dertigsten” van de maand een of andere jongen ter school komt zonder de poovere schoolpenningen, of wanneer de menschen zich gedragen zooals de trouwelooze voogden van Demosthenes, die wel aan hunnen pupil het Minerval in rekening brachten, maar het zelf in hun zak staken. Aan een gerechtelijke vervolging kan de arme schoolmeester zich niet wagen. En een proces zal hem zeker niet baten tegenover een burger zooals Theophrastuser een in zijn geestig boekje teekent als type van schrieligheid. Deze beminlijke Athener, dezelfde gulle vader die zijn zoontje als een pretje beloofd heeft hem mee te nemen naar de comedie, maar dan zóó laat gaat, dat hij zeker is zonder entree binnen te worden gelaten, weigert het volle maandgeld te betalen, als een van zijne kinderen een paar dagen ziek is geweest, en in Februari stuurt hij zijne jongens in ’t geheel niet naar school. „Er is met al de feesten in die maand zooveel te zien, dat er van schoolgaan toch niet komt”. Zoo klinkt zijne boodschap; maar hij bedoelt natuurlijk: „zoo spaar ik eene maand schoolgeld uit en behoef meteen niet mee te doen aan dat malle gebruik om op het Choënfeest den meester door de jongens een cadeautje te laten geven”.

Men vraagt zich onwillekeurig af: hoe moet zoo’n Atheensch knaapje zijn leermeester hebben aangezien? Alcibiades sloeg zijn onderwijzer om de ooren, omdat de man er niet eens een eigen Homerus op nahield. Maar Alcibiades is nu eenmaal de Steerforth van het Atheensche jongensleven. In den toon waarop de schrijvers over den schoolmeester spreken is meer dat ons aanmoedigt om—met matiging van de rhetorische charge—geloof te schenken aan de schildering die Libanius—zij het dan ook voor een veel lateren tijd—van den schoolmeester geeft: „Als een rechter zit hij daar op zijn troon, als een voorwerp van schrik en angst, de wenkbrauwen samengetrokken, toornig en onvermurwbaar.—Nu moet de jongen bij hem komen. Deze nadert sidderend en in elkaar gebogen, want hij moet laten kijken wat hij gevonden, gesteld, onthouden heeft. Wee hem, zoo hij het niet goed heeft gedaan!”

De charge hieraan te ontnemen, daartoe helpen ons wederom de vaasteekeningen. De vriendelijke rustige mannen die op de oud-Attische vazen zijn afgebeeld, zien er niet zoo bar uit, en de aardige jongens op Duris’ vazen staanniet krom van angst, maar bevallig en rechtop voor hunnen meester.

Het knaapje dat wij op Duris’ scholen voor zijnen grammatist zien staan, zal wel evenmin als een gewone schooljongen van onzen tijd geweten hebben dat zijn vader met diens vrienden heftig placht te debatteeren over de ware methode van onderwijs en de juiste keus der leerstof. Omdat wij zijn leven en niet dat van de schoolmeesters schrijven, behoeven ook wij ons in dien strijd niet te zeer te verdiepen. Wij kunnen volstaan met te luisteren naar hetgeen Plato Protagoras laat zeggen over het algemeene doel der schoolopvoeding, al doet de sofist dat, dank zij Plato’s ironische teekening, wat heel deftig. „Van kindsbeen af, het heele leven door—zoo zegt Protagoras—leeren en vermanen de ouders hunne kinderen. Zoodra een jongen begrijpen kan wat men tot hem zegt, wedijveren zijne moeder en zijne voedster en zijn vader zelf in de zorg om hem zoo voortreffelijk mogelijk te maken, bij elk woord en bij elke handeling hem leerend en aanwijzend „dat is rechtvaardig en dat is niet rechtvaardig” en „dit is mooi en dat is leelijk”, en „dit is vroom en dat is goddeloos”, en eindelijk „dit moet je doen, en dat moet je niet doen”. En volgt hij nu deze wenken gewillig, des te beter; zoo niet, dan wordt hij als een tak die aan ’t scheef groeien is en krom wordt, recht gebogen met bedreigingen en slagen. Na dit tijdperk zenden de ouders hem naar school, en daarbij dringen ze meestal bij de schoolmeesters er veel meer op aan, dat de jongens goed fatsoen leeren, dan dat ze lezen en schrijven of citherspel bij hen leeren. En de onderwijzers houden vooreerst daarop het oog, en vervolgens, als de jongen lezen heeft geleerd en den zin der woorden verstaat, laten ze hem op zijn schoolbankje gezeten de gedichten van goede dichters voorlezen en van buiten leeren, in welke allerlei goede lessen staan en uitweidingen en lofprijzingen van edele mannenvan het voorgeslacht, opdat de jongen die met ijver navolgt en streeft hun gelijk te worden. En de kitharisten doen desgelijks. Zij letten vooreerst op des jongens ingetogen houding en gedrag en waken er voor, dat ze geen kwaad doen, en vervolgens, als ze hen geleerd hebben de cither te bespelen, geven ze hun weer van andere dichters de liederen te leeren, terwijl ze hen de melodie daarvan op de cither leeren, en zoo maken ze dat rhythme en harmonie eigen wordt aan hun ziel en zij zelf zachter van aard worden en meer geëvenredigd en harmonisch van gemoedsstemming. En opdat een kloek lichaam hun aldus goed geworden geest diene, en zij in oorlogen of andere bemoeiingen niet behoeven te vreezen uit hoofde van onvoldoende lichaamskracht, zenden ze hem naar den gymnastiekmeester”.

Naast deze algemeene beschouwing is de verzekering niet onvolledig, dat de oude leer dat „veelweterij geen verstand geeft”, in de dagen van welke wij spreken te Athene als ouderwetsch begon te gelden en het woord van Isocrates: „niet wat men den leerling kan meegeven, maar hoe men zijne ooren opent, is de vraag” naar de meening van vele zijner tijdgenooten de taal van een droomer was, blind voor de gebiedende eischen derpraktijk. Voorshands echter zal de kleine beoefenaar van ’t alfabet van dien strijd nog niet veel bemerken. Gewichtiger is voor hem een ander theoretisch dilemma—al zal hij het niet formuleeren zooals wij dat doen. De vraag is deze: zal men hem onderwijzen volgens de leer door Plato bij oudere leerlingen proefhoudend bevonden, de methode van het zachtzinnig en geduldig voorbeeld? Of zal men de methode van den dwang volgen? Voor het laatste is de kans het grootst. De praktijk van het Grieksche onderwijs eischt gestrengheid van den kant des leermeesters en stipte onderworpenheid van den leerling. Het is teekenend voor het gezag van den schoolmeester, dat Xenophon—sprekend over de discipline der Spartaansche troependie hij op hun tocht naar Azië vergezelde—om recht duidelijk te doen gevoelen, welk een ijzeren tucht daar heerschte, zegt: „de troep had tegenover hun commandant hetzelfde gevoel als schoolknapen tegenover hun meester.”—Zoo is de meester de autoriteit, en met het versje van Menander: „des leerlinge eerste les ishoud-je-mond” zijn de Grieken het eens. De belangstellende vraagal, dien de moderne paedagogiek zoo gaarne doet optreden met zijn van nadenken getuigend „meester, waarom?” zou—vrees ik—op een Grieksche school niet veel succes hebben gehad. Een Atheensch scholier heeft niet te vragen, hij heeft te luisteren en te gehoorzamen; doet hij dat niet ... dan is er een stok.

Hoe lang nu de schooldagen van den kleinen Athener zijn geweest, is ons alweer niet bekend. Maar wel weten we dat, zooals van zelf spreekt, zijne aandacht wordt verdeeld tusschen den grammatist en den kitharist. Eerst komt natuurlijk het spellen en lezen. Juist onze eigene meer en meer geperfectionneerde methodes van leesonderricht maken het voor ons belangrijk te weten hoe de Atheners hun jongens het begrip van de leeskunst en haar praktijk hebben bijgebracht.

In den aanvang van onze tijdrekening was bij de Grieksche meesters te Rome dit de gewone weg: eerst leeren de kinderen het alfabet opzeggen, dan wordt hun de vorm en de klank der letters geleerd, dan de syllaben en de verschillende wijzen waarop die ontstaan, en ten slotte de woorden uit die syllaben gevormd; feitelijk dus deSpa-a-methode. Dezelfde was reeds door Plato, en zeker wel in overeenstemming met de praktijk aanbevolen: „Eerst”—zegt deze—„moet de knaap de letters kennen naar hun vorm en naam”.—Zouden niet ook de Grieken speelmiddelen hebben gehad om de kinderen die te leeren? De rijke Herodes Atticus, die een tijdgenoot van M. Aurelius was, had een hardleerschen enonwilligen zoon, zijn onuitputtelijke rijkdom veroorloofde hem—en bij zijn ongeëvenaarde mildheid kon hij zulks doen zonder den schijn van parvenu’s-bluf—aan dien zoon vier-en-twintig slaafjes cadeau te doen, die ieder eene letter vertegenwoordigden. Mij dunkt, dit zal wel een weelderige imitatie zijn geweest van een ouder gebruik; losse ivoren lettertjes kende ook Quinctilianus; terracottascherven met syllaben-oefeningen:ar,bar,ger,er ber,ger, enz. zijn in Attica in den grond gevonden, en eindelijk dat de Atheensche kinderen inderdaad „B met een A = BA” leerden, weten wij uit literaire overlevering.

Zoowel bij het spellen als straks bij ’t latere lezen heeft de schoolmeester alle gelegenheid om scherp toe te luisteren, of het knaapje dat voor hem staat zuiver uitspreekt. Daargelaten nog dat hij misschien lispelt, ’t zij van nature, ’t zij door ’t voorbeeld van een ouderen broer, die brauwt omdat Alcibiades brauwt of lispelt omdat een ander voornaamlionmet slappe lippen spreekt, kan hij ook van elders de vocalen minder keurig hebben meegebracht. Athene is sinds de Perzische oorlogen een internationaal middelpunt, en de stad is vol halfburgers, zoogenaamde metoiken: op 35.000 burgers 10.000 metoiken. De zoontjes van deze naar Athene overgekomen vreemdelingen hooren thuis de heldere Atheenscheawellicht op zijn Ionisch alsè, of, als ze van Dorischen huize zijn, lachen meester en scholieren hen uit, zoo dikwijls als ze „plat pratend”, met een breedeDorischeavoor den dag komen, waar een Athenereezou zeggen. En een menigte andere eigenaardigheden moet in hun spreken te gelijker tijd verdreven worden. Hellas heeft over zijn kleine oppervlakte een ongemeen groote verscheidenheid van vervormingen derzelfde woorduitgangen; zoo vroeg mogelijk—en zeker vóór men den jongen leerde zich te verdiepen in de geheimen der pas „ontdekte” grammatica—moest de meester hem oefenen innauwkeurigheid van uitspraak. Die nauwkeurigheid wordt trouwens door de Grieksche taal zelve bijna geëischt. Het werk van een goed deel onzer voorzetsels, voegwoorden en hulpwerkwoorden wordt immers in het Grieksch verricht door fijne vocaalwisselingen en door een lenig en rijk samenstel van buigingsuitgangen. Die bevallige vormen door slordig afkappen of onzuiver articuleeren te verminken, is het werk van een „barbaar”. Juist op het feit dat in een jarenlang verkeer geen der buurtgenooten hem op zoo iets had betrapt grondt een van Demosthenes’ klienten zijn recht tot erkenning van zijn Atheensche afkomst!—En aan die spreekoefeningen knoopt zeker de meester telkens het wèl bekende „dat zegt men zoo niet” vast. Want ook in het woordgebruik moet de kleine metoikenzoon op zijn tellen passen. Het is een van de treffendste bewijzen voor de groote begaafdheid van den redenaar Lysias, dat hij, zoon van een metoik en leerling der Sicilische rhetoren, die zoovele talen kent als menschen, wel elk zijner klienten laat spreken, klagen, schertsen naar zijnen aard, maar in geene zijner oraties een duimbreed afwijkt van het zuiverste Attische idioom. Zoo iets leert meestal een jongen alleen in zijn vroege jeugd. En doet hij dat niet, dan zal het hem gaan als dien Stephanus, van wien Demosthenes zegt: „Rechters, aan zijne soloecismen hebt gij zelf allang gehoord dat deze man een barbaar is; uit zijne schurkenstreken zal ik het u ten overvloede thans nog bewijzen.”

Wie lezen zegt, zegt schrijven, althans in oud-Hellas, waar men beide vakken van onderwijs met één zelfden naam „Grammata” (letters) aanduidde, en waar verder gewoonlijk, ten minste in den ouderen tijd, voor boekschrift en gewoon handschrift in brieven en acten, een zelfde lettervorm dienst deed. Er is dan ook—dit spreekt van zelf—geen enkele redelijke grond om aan te nemen dat, zoolang het oude Athene scholen heeft gekend—en dit is zekersinds Solons dagen het geval—in die scholen niet naast het lezen van den aanvang af het schrijven zou zijn gedoceerd.Bewijzen laat zich zoo iets niet. Reeds de schaarschte van schrijfmateriaal moet oorzaak zijn geweest dat de kunst van ’t schrijven zelf, ofschoon ongetwijfeld duizend jaar vóór onze jaartelling in Griekenland bekend, niet ijverig werd beoefend: de soldaten van klein-Aziatischen huize die Psammetichus I (654–617) op zijn tocht naar ’t Nijleiland Elephantine begeleidden, waren niet allen de schrijfkunst meester, en de kameraden wier vaardige hand aller namen insneed in de beenen der colossale standbeelden te Aboe-simbel in Nubië, voegen er met trots aan toe: „Onze namen zijn geschreven door Archon, zoon van Amoibichos, en Pelekos, zoon van Eudamos”, welke verklaring dan door een paar van de vrienden met zeer gering succes is nagekrast.—Maar wie wandelt over de rotsen van Thera (Santorin), die vindt daar de bewijzen dat in de zevende eeuw de Theraeïsche mannen—jongere en oudere—over het algemeen vrij vaardig met de stift moeten zijn geweest, en bovendien, dat blijkens den vorm hunner letters ook toegeeflijker materiaal dan de harde steen hun bekend was.

Ook de vazenscherven, o.a. die van Naucratis in Egypte, waar sinds het laatst van de zevende eeuw een Grieksche nederzetting was, en die van Corinthe, waarschuwen ons om aangaande de uitgebreidheid der schrijfkunst onder de Grieken ons niet al te ongunstige voorstellingen te maken. Natuurlijk: indien we op een vaas een opschrift vinden, netjes gepenseeld vóór de vaas werd geglazuurd, dan bewijst dit alleen dat de geestige teekenaar ook schrijven kon, evenals eene oude inscriptie op het voetstuk eener statue veelal slechts de schrijfvaardigheid van den beeldhouwer of diens werkman aantoont; doch als men scherven van kruiken vindt waarin met ruwe hand bij de wijdingeen godennaam is gekrast, dan weet men: hier is de schenker aan ’t werk geweest; hier heeft de koopvaarder dankend voor redding en winst op zijn wijgeschenk aan den havengod de herkomst vermeld met eigen hand, zij het dan ook met eene handdiede roerpin vaster bestierde dan de schrijfstift.

En na Solons dagen zijn voortdurend de Atheners meer gewend geraakt geregeld gebruik te maken van het schrift. Dit werd reeds door de uitbreiding van hun handel en door de klimmende verkiesbaarheid van alle burgers tot ambten die de schrijfkunst stilzwijgend onderstellen, noodzakelijk. In Perikles’ dagen moet wel het aantal analfabeten te Athene gering zijn geweest: stemmende leden eener volksvergadering, die niet kunnen lezen en schrijven zijn ondenkbaar, en de welbekende boer, die aan Aristides verzocht om den naam „Aristides” op zijn verbanningstafeltje te schrijven, daar hij zelf niet schrijven kon, zal zelfs toenmaals—in ’t begin der vijfde eeuw—wel eene uitzondering zijn geweest.

Daarmee is niet gezegd dat de Grieken schoonschrijvers waren. Terwijl ze namelijk in de opschriften van hunne tempels en statuën buitengewone zorg besteedden aan voortdurende verfraaiing der reeds van ’t eerst af zeer ornamenteele lettervormen, schijnt hunne gewoonte om in het dagelijksche leven allen handenarbeid aan slaven over te laten, te hebben veroorzaakt, dat hun eischen voor leeken ten opzichte van het schoonschrift over het algemeen op bescheiden hoogte zijn gebleven. Gelijk in allerlei andere takken van onderwijs, heeft men ook op dit gebied in de eeuw na Alexanders dood gehoopt verbetering te brengen door examens en prijsuitdeelingen;—van weldoeners, prijzen en overwinnaars in declamatie en calligrafie doen ons, zooals wij reeds hierboven vermeldden, de opgravingen der laatste jaren mededeeling uit Milete en Priene, uit Samos en Naxos, en de Anthologie bewaart in een aardig kleinepigram de herinnering aan een jongen, die bij den wedstrijd in het schoonschrijven als derden prijs niet minder dan tachtig bikkels won. Maar als wij de proeven van schooljongensschrift raadplegen, die in Aegypte voor den dag komen, hetzij op wastafeltjes of op perkament en papyrus, en zelfs als we er daaronder een uitzoeken dat de meester niet „heel goed” heeft gewaarmerkt, dan zien wij wel in dat voor de Grieken, die niet als calligrafen hun vak van het schrift maakten, langen tijd het woord van Plato heeft gegolden: „ommooite schrijven hebben wij onze slaven”.

En toch—al zijn de resultaten gering—hoe doen ze hun best, meester en leerlingen, op de geestige schaal van Duris. De meester heeft het wastafeltje ter hand genomen en terwijl ’t knaapje—in eerbiedige houding en den ernst des oogenbliks beseffend—staat te wachten, trekt hij zijn hulplijnen, horizontaal, opdat de letters goed naast elkaar, verticaal opdat ze ook—naar Attischen schoonheidseisch—goed onder elkaar komen te staan. Voor de kleintjes zal hij nu ook schets-letters trekken om over te teekenen, straks om aan te vullen, voor de grooteren schrijft hij klanken, woorden, complexen van moeilijke letters die ze copieeren, en tenslotte zal de jongen zelfs een blad papyrus van hem krijgen, waarop hij niet meer kan uitvegen en waarop hij schrijft met inkt.

Hoe Atheensche schoolmeesters hun’ jongens schrijven hebben geleerd verhaalt ons begrijpelijkerwijze geen schrijver. Maar van het Atheensche schoolschrift—mag men aannemen—is de afstand niet al te groot tot de Alexandrijnsche praktijk. Een deel van de oefeningen waarmee de scherven en papyri uit Aegypte ons hebben vertrouwd gemaakt, hebben de Atheensche jongens ook wel doorgemaakt: zij hebben ook het alfabet van voren naar achteren zoowel als van achteren naar voren geschreven, straks sylben òf nageschrevenòf, ter oefening in de woordvoering meteen, zelf bedacht. Een poos later kwam dan het schoonschrift naar copij. Hoe steken soms op de wastafeltjes, in Aegypte gevonden, bij het fraaie vaste schrift van den onderwijzer de beverige hanepooten af dier jongenshanden, meer bekwaam tot mikken van een „zeilsteen” dan tot correct overschrijven! De smaak der onderwijzers is in de keus der exempels al even wisselend als in onzen tijd. Sommigen verwachten blijkbaar paedagogisch voordeel uit de keus van wijze lessen, korte puntige dichterspreuken, vermaningen voor ’t leven. Anderen meenen dat de jongens liever een fabeltje, een anecdote, misschien wel een grappig spreekwoord zullen naschrijven. Ook ontbreken de aanteekeningen niet die zulk werk levendig maken. Zelfs wie zijn leven lang met Grieksche boeken omgaat voelt een geheel nieuwe gewaarwording, als hij op zulk een wastafeltje naast elkaar ziet staan eene opwekking van den schoolmeester: „Je best doen!” en een ongevraagd antwoord van den jongen „Hangen zal-ie”. En zou iemand zonder aarzeling een houten tafeltje in de hand kunnen nemen, waarop viermaal onder elkaar geschreven staat: „Doe je best, kereltje, anders krijg je klappen”. Viermaal! Hoeveel regels zou het strafwerk hebben bedragen waarvan dit het restant was?

De Aegyptische vondsten, waaraan deze laatste feiten zijn ontleend, spreken van een veel uitgebreider lagere-school-onderricht dan het Atheensche. Conjugeeren, declineeren, ontleden, zijn dingen die in de Atheensche scholen—althans in de lagere—nog niet thuis behooren. Daarom rijst de vraag: kan lezen en schrijven den geheelen dag van de kleine schooljongens hebben gevuld? En was er den geheelen dag school? In eene oude wet van Solon was bepaald, dat de scholen noch vóór zonsopgang geopend mochten worden, noch na zonsondergang open mochtenblijven. Dat zou van een geweldigen schooldag getuigen, een schooldag echter, voor de kleine jongens reeds hierom niet waarschijnlijk, omdat zij niet zooals de grooteren afwisseling in hun dagtaak hebben door het beurtelings bezoek van den grammatist, den citharist, en den gymnastiekleeraar. Wij moeten daarom, dunkt me—zonder één algemeen geldenden regel te zoeken of zelfs te onderstellen—vooreerst bedenken dat de school van de allerkleinste jongens wel dikwijls in haar karakter bewaarschool zal zijn nabijgekomen, en daarnaast, dat de methode van onderricht vanzelf de lessen tot een soort van privaat onderricht maakte, waardoor de voortdurende aanwezigheid van alle knapen te gelijkertijd nauwlijks noodig was en door een stelsel van groep-onderwijs kon worden vervangen. Het laatste komt allicht waarschijnlijk voor aan ieder die bedenkt dat er toch zoo iets als klassenindeeling moet hebben bestaan. Ook maakt die onderstelling de aanwezigheid van de paedagogen in het bijvertrek eener aanzienlijke school begrijpelijker. Zij konden zorgen dat de jongens in die talrijke tusschenkwartiertjes elkaar niet te vlug de eukosmia afleerden, hun met zooveel moeite bijgebracht.

Ten opzichte van de vragen betreffende opklimming van klas tot klas, en in verband daarmee de verdeeling der leerstof over bepaalde termijnen, hetzij in vrije afwisseling, hetzij naar een vasten rooster, tasten wij geheel in het duister; ja, zooals het meer gaat, heeft hier ’t geen nieuw ontdekt is de vragen vermenigvuldigd. Ook mogen wij wat te Milete of te Teos in de tweede eeuw vóór Christus gebeurde niet tot regel in het Athene der vierde eeuw verheffen, veel minder nog de bewijzen dat het grammaticale onderricht op de scholen der derde eeuw na Christus uitvoerig en systematisch was, toepasselijk verklaren op den bloeitijd der Atheensche republiek, dus op eene periode van acht eeuwen vroeger. Wel blijkt uit die latere schoolvondstenhet conservatisme der Grieken. De spelmethoden zijn dezelfde gebleven: de jongetjes in de Aegyptische dorpen hebben twee eeuwen na het begin onzer jaartelling denzelfden weg bewandeld als de kleine Atheners: in één zelfde schoolschrift van houten tafeltjes, in een Aegyptisch graf gevonden, staan eerst de monosylben die ’t jongetje zelf in alfabetische volgorde heeft moeten vinden—bij dex, die in ’t Grieksch op denvolgt, heeft zijne vindingrijkheid hem even in den steek gelaten,—dan de woorden van twee en drie lettergrepen, straks de spreukzinnen en de spreukmatige verzen, en eindelijk, na deversus memoriales, geheele stukken fabel op verzen. Dat laatste is een vingerwijzing naar een gewoonte, die ook in de oude Atheensche school bekend was. De fabel is èn in dat schrijfboek en op andere tafeltjes die wij bezitten uit het hoofd opgeschreven. De jongens moeten nl. verzen van buiten kennen, hoe eer en hoe meer hoe liever; in de Grieksche school werd oneindig veel meer op het geheugen gebouwd dan in onzen tijd, die van geheugensbelasting oordeelsverstomping verwacht. Men kan er zeker van zijn dat de kleine jongens die we op de vazen zoo braaf vóór hun leermeesters zien staan, klaarblijkelijk aan ’t opzeggen van hun pensum, thuis als hun vader gasten heeft, hunne kunst zullen hebben te vertoonen, en ook dat zij in hun gewillig en door oefening versterkt geheugen heele stukken Ilias en Odyssee, als een goeden schat voor het leven, bewaren. Het zal niet zoo moeilijk gevallen zijn een clubje Atheensche jongens bij elkaar te brengen die samen de geheele Ilias naar rhapsodentrant kunnen declameeren. Zegt niet een van de aanliggenden in Xenophons Symposion, dat zijn vader hem de beide gedichten van Homerus heeft laten van buiten leeren?

Men heeft dikwijls Homerus den Bijbel der Grieken genoemd, en natuurlijk gaat die vergelijking mank. Maarzij kan toch worden gebruikt om twee dingen duidelijk te doen uitkomen. De eigenaardige voortreflijkheid van de oud-hollandsche bijbelvastheid heeft haar parallel in de Homerus-vastheid der Grieksche jeugd. Zij voedt eene levendige overeenstemming in het beeldenrijke en van vlugge toespelingen vervulde gebruik eener gemeenschappelijke taal, die niet zonder meer de taal van heden of gisteren is. Zoo goed als er verschil van voorstelling en waardeering is in de beide uitdrukkingen: „rijk als Salomo” en„rijk als Carnegie”, zoo goed als het iets anders is iemand een Phariseeër te schelden dan hem eenvoudig een huichelaar te noemen, zoo goed opent het voor den Atheenschen knaap eene andere wereld wanneer men hem zegt dat iemand een Thersites is, dan dat men hem Cleon wijst. En het tweede is dit: de vraag of het Oude Testament stichtelijk en het Nieuwe begrijpelijk voor kinderen is, placht men in veleNederlandschegezinnen eertijds eenvoudigweg te beantwoorden door de gansche Schrift in hun bijzijn voor te lezen. Zoo plaagden zich—als men Plato in zijne polemiek mag gelooven—vele ouders of voogden te Athene ook niet met de quaestie of inderdaad de wrok van Achilles en de aanleiding daartoe bijzonder geschikt was om onder de aandacht te worden gebracht van achtjarige jongens. Welke intusschen de schaduwzijde dezer methode zij geweest, zij had één groot voordeel. Homerus is voor Athene altijd gebleven een nationaal dichter in den vollen zin. Zijn taal, zijn frischheid, zijne nooit uitgeputte verbeelding werken door in het gedachtenleven van alle Atheners. Van hoevele Nederlanders die een „completen” Vondel bezitten geldt iets dergelijks? Bij Homerus bleef het niet. In Plato’s dialogen althans, zoowel als in toespelingen bij de comediedichters, zijn bewijzen genoeg te vinden dat gaandeweg die schoollectuur een groot deel der poëzie omvatte welke ons bewaard bleef. Ons treft in dit alles naast demoralizeerende strekking het feit, dat bijna alles wat men den knapen voorlegde mannenkost is. Niet alleen de ernstige bezwaren door Plato herhaaldelijk tegen de mythologische gedichten te berde gebracht deelen wij, maar vooral een ander bezwaar: hoe—vragen wij—konden deze knapen, zelfs al waren het geen jongens van acht, maar van tien of twaalf, Solons Elegieën of Hesiodus’ Vermaningen of—erger nog—Theognis’ bedenkelijke politieke moraal begrijpen?

De vraag blijft onopgelost, vooral omdat wij zoo weinig weten van de indeeling der onderwijsstof. Intusschen, naast deze lectuur zal wel spoedig het rekenonderwijs zijn gevolgd. Een goed Athener is noodzakelijkerwijs een goed rekenaar, want de groothandel is voor de voornamere burgers, de kleine venterij voor de eenvoudiger lieden de voorname bron van inkomsten. Het behoeft dus niet eerst Plato te zijn geweest, wiens invloed de arithmetiek en dan de geometrie onder de schoolvakken verhief. Zeker, bij hem vindt men het eerst den eisch gesteld dat naast de zoogenaamde musische ontwikkeling, d.i. naast het literaire onderricht en de straks te bespreken muziek, die het gemoed en den smaak vormen, de strenge studie der mathematische vakken als kostelijk middel om de knapen te voeren tot zelfstandige geestesontwikkeling, in de scholen zou worden opgenomen; doch aan dezen theoretischen eisch is de practische voorafgegaan. De jongen moet kunnen rekenen, om als man straks zijn kasboek te kunnen houden.

Het rekenen is voor den Griekschen jongen zeer zeker eene ingewikkelde zaak geweest. Ze zullen wel begonnen zijn met de mechanisch en half zingend geleerde wetten van het eenmaal een en tweemaal twee; doch hoever ze op onze moderne manier geholpen zijn door tafels van vermenigvuldiging, is onbekend. Het eigenlijke rekenen leeren zij natuurlijk uit het hoofd. Reeds de karigheid zelve waarmeede Griek in ’t algemeen gebruik maakt van het hulpmiddel van het schrift, maakt dit waarschijnlijk. Maar zij hebben een ander hulpmiddel, en wel een heel oud. Is niet het tientallig stelsel een gevolg van het feit dat de mensch tien vingers heeft? In de Odyssee reeds zien we hoe men van die vingers, de tweemaal vijf, tot aftellen gebruik maakte. God Proteus telt, als hij over zijne robben inspectie houdt op zijne vingers na, of ’t vereischte aantal aanwezig is, en de dichter noemt dat aftellen: „afvijven.” Zoo doet ook in een bekend verhaal bij Herodotus koning Aristo van Sparta, die, nagaande hoevele maanden hij getrouwd is, „op zijne vingers de maanden narekent.” Maar bij zoo eenvoudig op de toppen tellen—hoogstens tot tien—blijft de rekenkunst der Grieken niet staan. Door buigen en strekken der geledingen, door aan den halven vinger een andere waarde dan aan den geheelen toe te kennen, en door allerlei wendingen die wij niet meer kennen, hebben de Grieken het er toe gebracht, zoo noodig alle getallen tot tienduizend toe uit te drukken. Althans zoo verhalen latere schrijvers; bij de oude Atheners geschiedt wellicht zulk „op de vingers narekenen” alleen bij zeer globale berekeningen. In de Wespen van Aristophanes wil een zoon zijn kortzichtigen vader aan ’t verstand brengen, dat de inkomsten van Athene voor een groot gedeelte worden verdonkeremaand door hen die aan ’t laadje zitten en dat ’t Volk in alle gevalle er niet genoeg van geniet. „Reken maar eens op je vingers na”, zoo zegt hij, „globaal genomen zijn onze staatsinkomsten 2000 talenten.—Trek daar nu eens de jaarlijksche rechtersoldij voor zesduizend rechters van af... dat is dus notabene maar honderd vijftig talenten.” De berekening die de vader heeft moeten doen—niet met rekenschijfjes, maar op zijn vingers—bestaat dus vooreerst in eene vermenigvuldiging. Hij weet dat een rechter een halve drachme presentiegeld geniet en dat men op ongeveer driehonderdzittingdagen in het jaar kan rekenen. Dus rekenen zoon en vader „op de vingers” de vermenigvuldigingssom uit ½ × 300 × 6000 = 900.000 drachmen, en zij deelen dit product door 6000 omdat er zooveel drachmen gaan in een talent. Zoo komen zij tot 150.

Met dit al is het een eenvoudige rekensom met ronde getallen, die de proceshatende zoon in de Wespen aan zijnen vader opgeeft. Bij uitvoeriger berekeningen moest onvermijdelijk dit vingerrekenen tot verwarring leiden; bovendien dwingt de minste aarzeling over eigen juist tellen, ja iedere stoornis, den rekenaar zijn geheele manipulatie op nieuw te beginnen. Heeft dus bij den kleinhandel en bij den inkoop van vruchten en groenten op de markt deze computatie op de vingers groot practisch nut, toch grijpt de Athener, zoodra de verrekening gecompliceerder wordt, ongetwijfeld graag naar zijn rekenbord,abakos, zooals in eene comedie van den blijspel-dichter Alexis een kok zelfs doet als hij, thuis gekomen van de markt, al zijn kleine en groote inkoopen nauwkeurig bij elkaar wil oprekenen. Dit rekenbord is een uitermate eenvoudig ingericht hulpmiddel. Het is verdeeld in een aantal kolommen, voor de eenheden, de tientallen, de honderdtallen en de duizendtallen, met beweegbare schijfjes voor het noteeren. Men schuift bij iedere notitie zooveel schijfjes naar de andere zij der kolom, als men eenheden, en tientallen, wil noteeren. Wordt in de eerste kolom daarbij het tiental bereikt, dan zet men in de kolom der tientallen een schijfje aan, en schuift de tien eenheden naar hun eerste plaats terug. Of anders—wat nog eenvoudiger is—men werkt met losse steentjes. Dan is de bak zoo verdeeld dat in iedere kolom een steentje aan de rechterzij neergelegd één, tien, honderd enz. telt, doch aan de linkerzij vijf maal zoo veel. Dat intusschen alle vermenigvuldiging (behalve dan die met vijf) bij het gebruik van het bord toch weer,zoo goed als de deeling, uit het hoofd of op andere wijze moet geschieden, valt licht te begrijpen. Amusant zijn allicht deze oefeningen niet geweest. En dat de Atheensche jeugd er zoo over dacht kan men uit Plato’s woorden opmaken. De jongens kunnen, zoo zegt hij ongeveer—in zijneLeges—ons zelf den weg wijzen om het rekenonderricht boeiender te maken, door de manier van aftellen bij hun spelen. En de Aegyptenaars—zoo fantazeert hij verder—wisten het rekenen tot een spel te maken. De meester nam b.v. een mand met zestig appels en droeg de knapen op, die eerst onder twee, dan onder drie, dan onder vier, onder vijf, en zes jongens te verdeelen. Of hij fingeerde een jongenswedstrijd b.v. van negen jongens en stelde de vraag: „als nu ieder van u negenen met de andere acht moet vechten—hoeveel wedstrijden krijgen we dan?”—Men ziet, geleidelijk voert Plato’s Egyptenaar de jongens van de gewone deeling naar de ontbinding in factoren, ja zelfs naar de geheimen der combinaties en permutaties.

Maar het is heel wat moeilijker taak die onderwijzer en leerlingen wacht, wanneer straks de jongens—nadat ze de verschillende manieren hebben geleerd waarop de Grieken hunne letters gebruiken om getalwaarde aan te geven—op schrift moeten leeren vermenigvuldigen en deelen. Voor ons is het niet zoo héél moeilijk, een kind duidelijk te maken, dat men, om b.v. 35 met 4 te vermenigvuldigen, eenvoudig weg mag zeggen: 4 × 5 = 20; 0, ’k onthoud er 2, 4 × 3 = 12, + 2 = 14. Som 140.—Maar voor den Athener, die geene afzonderlijke cijfers heeft, en zijn letter-cijferschrift niet met het decimale stelsel in overeenstemming heeft gebracht, is dat onmogelijk. Heeft een Griek 265 te schrijven dan schrijft hij dat in drie letterteekens sigma (= 200), ksi (= 60),e (= 5); moet hij nu 265 met 265 vermenigvuldigen dan dient hij den volgenden langen weg te gaan: 200 × 200 = 40000, 200 × 60 = 12000,200 × 5 = 1000; 60 × 200 = 12000, 60 × 60 = 3600, 60 × 5 = 300; 5 × 200 = 1000, 5 × 60 = 300, 5 × 5 = 25, om ten slotte met of zonder abacus al deze producten te arrangeeren en op te tellen en daarna met de daartoe bestemde letters aan te duiden.—Dat eindelijk, bij het deelen dezelfde weg andersom moet worden afgelegd, spreekt van zelf. Om bijv. het hier boven verkregen product (70.225) weer te deelen door 265 moet de knaap eerst, juist zooals bij ons geschiedt, tastenderwijze vragen hoeveel maal een getal dat dichter bij de drie honderd dan bij de tweehonderd staat in de zeventig duizend zou zijn begrepen; hij maakt daarna zijn eerste multiplicatie, trekt het verkregen veelvoud van 265 af van de zeventig duizend en voegt het restant bij de nog niet behandelde 225. Die bewerkingen zijn dor, doch niet moeilijk; en al moeten zij dikwijls herhaald worden, de onderwijzer kan ze varieeren. Want tegelijkertijd met deze grootere rekensommen moet de practische oefening den jongens de voor het dagelijksche leven onmisbare zekerheid geven in de toepassing der stelsels van munten, maten en gewichten. Slechts onze oudere tijdgenooten herinneren zich nog de pijnlijke kwelling eener rekensom, die òf met een valschen schijn van gezelligen anecdotischen verhaaltrant begon: „een boer kocht op de markt drie last, vijftien mud en vier kop graan tegen...” òf eenvoudig norsch beval: „Herleid in cijfers van het decimale muntstelselxdaalders,yschellingen,zstooters.” Wij zijn aan die kwellingen ontkomen; de Atheensche jongens nooit. Zij hebben moeten leeren en practisch ervaren, dat er zes obolen in een drachme gaan, dat een mina honderd drachmen geldt en zestig mina’s een talent heeten. Maar daarmee is de Atheensche jongen nog niet klaar. Hij dient ook te begrijpen dat de muntwaarde in de naburige staten niet steeds aan die van zijne moederstad gelijk is. Want van de verafgelegen landen kan hijdat terloops vernemen. Als hij uit de Anabasis van Xenophon hoort voorlezen, dat Cyrus, de Perzische kroonpretendent, zeer ingenomen was met den Spartaanschen commandant Clearchus en dezen eene schenking deed van duizend dareiken, dan kan hij volstaan met de wetenschap,—en die heeft hij voor het vragen—dat een dareikos gelijkstaat met twintig attische drachmen en dus het geschenk aan Clearchus 200 mina’s (c. ƒ 9000) bedroeg. Maar hoeveel ingewikkelder wordt de zaak, wanneer hij de vraag onder de oogen moet zien, met welke talenten, met Euboeïsche of met Aeginetische, hij in een bepaald geval te doen heeft. Hier kan de onderwijzer—of de vader—de theorie door de aanschouwing te hulp komen. Allereerst laat hij hem een Attisch tetradrachmon zien en leert hem meteen zich te verlustigen in den fijnen omtrek van den welgesneden, ofschoon archaïsch gehouden Athena-kop bekroond met den Attischen helm en versierd met oorring en halsband. Dan legt hij een drachme daarnaast, gelijk in beeld maar kleiner en fijner, en hij keert de munten om, opdat de jongen ze onderkenne ook door den stadsuil met den olijfkrans, den maansikkel en de zuiver gesneden Atheensche letters. Maar naast die fijne muntjes—rechtmatige trots der stempelkunst—geeft hij dan den knaap een Aeginetisch dedrachmon of stater in de hand, gestempeld met de zwaar gesneden Aegina-schildpad, plomp van vorm en op de keerzij weinig gracieus versierd door een ingeslagen quadraat, dat door diagonalen in driehoeken is verdeeld. Laat hij nu den jongen kiezen, welke drachme hij begeeren zou, tien tegen een dat een jong Athenertje gretig grijpt naar het fijne Athena-kopje. Dan legt de schoolmeester, om hem de harde les te leeren dat in financieele operaties het mooiste niet altijd het voordeeligste is, beide muntjes op de weegschaal en wijst hem dat de Attische drachmen slechts 4¼ gram wegen en de Aeginetische didrachmen12¼. En als dan de jongen tot het inzicht is gekomen dat in het muntwezen de zwaarte hoofdzakelijk de waarde bepaalt, dan is hij niet ver meer af van de beantwoording dezer vraag: „Indien inderdaad Solon de schuldenlast van de arme debiteurs uwer overgrootvaders heeft verlicht door te bepalen dat de schulden in Aeginetische drachmen aangegaan, zouden worden afbetaald in Euboeïsch-Attische drachmen, onder tijdelijke gelijkstelling van de Aeginetische en de Attische drachme, hoeveel ten honderd hebben dan uwe overgrootvaders daarbij verloren?—En wanneer zijn vader hem vertelt, dat een vet schaap 15 drachmen doet, terwijl in Solons dagen een schaap voor ééne drachme te krijgen was, dan zal hij thans met inzicht kunnen vragen: „dan toch zeker een Aeginetische drachme?”


Back to IndexNext