Chapter 3

* Te Lioran.* Te Lioran.

* Te Lioran.

* Te Lioran.

Over steeds terugkeerende kronkelingen ging de weg over den Col de Serres; altijd door regen, maar nu onbetwistbaren stortregen; door het gehucht Lauvegirie naar het dorp Dienne. Bij goed weder moet in deze boomrijke streek het landschap mooi zijn—nu droop alles. Te Dienne—ik was toen nog 10 K.M. van Murat—moest gemiddagmaald worden, en ik zocht daartoe de best uitziende herberg uit; maar de maat der tegenspoeden was nog niet volgemeten! Stellig kon men mij een warm dejeuner geven, er kwamen veel menschen en allen waren altijd tevreden! Nu, ik heb bij 't heengaan ook maar zoo gedaan, maar 't was een allerwonderlijkste maaltijd; de gerechten, die men mij voordiende, kende ik noch op 't uiterlijk noch naar den smaak.

Murat.Murat.

Murat.

Murat.

Eindelijk klaarde het weêr wat op en ik stapte door naar Murat; een mooie weg. Te Murat trof ik in het Hotel des Messageries een aangenaam onderkomen. De stad is tegen eene hoogte aan gebouwd, op den top waarvan vroeger een kasteel stond; in de plaats daarvan nu een reusachtig Mariabeeld, als kunst van geen waarde; de wandeling er heen loont echter zeer, omdat langs de hoogte weder zoo'n bazalt-orgel te zien is. Hoe dikwijls men die vreemde vormingen ook ziet, ze maken altijd denzelfden diepen indruk.

In de stad zelf—zij heeft 3000 inw.—heeft men de oude O.L. Vrouwekerk, uit de 15de eeuw, maar herhaaldelijk gerestaureerd en bijgebouwd, en een aantal mooie huizen in renaissance-stijl; de straten zijn meestal glooiend, en de stad maakt een aangenamen indruk. 's Morgens vroeg trof ik er de weekmarkt. Allerlei land- en tuinbouwproducten werden er door de boeren en boerinnen te koop aangeboden, en al de dames uit de stad schenen wel tegenwoordig te zijn, om hare inkoopen te doen. Onder dat gewoel en gedrang viel me een geestelijke op, die zelf zijne inkoopen deed; hij scheen een goede bekende van de buitenlui te zijn en was volstrekt niet verlegen om een kwinkslag met gelijke munt te betalen, die opgewekte oude heer! Op de kaasmarkt was niet anders aangevoerd dan de soort, genaamd St. Nectaire en kleine platte geitenkaasjes. Zooveel van die kaasBladzijde 198was mijn reukorgaan te machtig in die half natgeregende menschenmenigte; hun beider kracht vereenigd verdreef mij uit die overigens schilderachtige omgeving.

Dien namiddag trok ik per spoor naar Vic sur Cère, eene aardig gelegen en druk bezochte badplaats; het groote hotel der Orleans-spoorwegmaatschappij is aardig tusschen de heuvels gelegen en eene eerste-klasse inrichting. Vic bestaat uit een oud en een nieuw gedeelte; in het oude vindt men weêr enkele fraaie huizen, maar de doorgaande reiziger komt te Vic om den Pas de la Serre te zien. De weg er heen is overal door bordjes aangegeven; het is een alleraardigst pad, dat u na een half uur in een weideveld brengt, om dan spoedig in de kloof te komen. Het riviertje de Cère heeft zich daar door rotsmassa's heen een moeielijken weg gebaand. De rotsen zijn gedeeltelijk met mos bedekt en op de kammen weelderig begroeid. Het geheel is allerliefst, 't maakt geen woesten, maar, bij het kalm stroomen van 't riviertje door de eenmaal gevormde bedding, een indruk van bevalligheid; jammer dat men vlak bij de kloof den stroom afgedamd heeft ten behoeve van eene lichtfabriek. Men kan door de kloof heen klauteren en komt dan door een steeds aanvalliger wordend dal bij de kasteelen Tremoulet en Espinasse, beiden verrukkelijk gelegen.

Des namiddags maakte ik nog een wandeling naar de Mongudo, een klein bergvlak, vermaard om de planten-fossielen die men er vindt. Die overblijfselen der plantenwereld zijn uit een vroeger tijdperk der aardvorming; de meeste soorten zijn sinds dien terplaatse uitgestorven. Men vindt er prachtige afdruksels van beuken, van esschen en van wijngaardloof, en van verscheiden bamboes-rietsoorten; men vindt er zelfs veel afdrukken van pas ontloken knoppen, die recht geven tot de onderstelling dat de vernielende vulkanische uitbarsting in de lente plaats had; men ziet nog staande verkoolde stammen, die groeiend begraven werden; ook aardige brokken versteend hout komen voor. De wandeling terug naar Cère is weêr van zeldzame schoonheid; de lijnen der bergen loopen van alle zijden op naar het hoogste punt, den Plomb du Cantal, die den volgenden morgen beklommen zoude worden.

't Was weer regenachtig toen ik, voor dag en dauw, de wandeling begon; 't ging langs den straatweg naar Lioran, met verrukkelijke uitzichten op het dal der Cère; een heerlijke wandeling die eindigt in den tunnel van Lioran, een fraai bouwstuk van 1410 M. lengte, door den Puy van Lioran heen; vlak bij den uitgang is het Hôtel des Touristes, ook van de Orleans-spoorwegmaatschappij en een zeer aanbevelenswaardig verblijf.

Denzelfden dag beklom ik nog den Plomb de Cantal (1858 M.). Een keurig bergpad zonder bezwarend klimmen; aanvankelijk door fraaie dichte bosschen, met hier en daar open plaatsen, van waar men dan goede uitzichten heeft op den Puy de Griou en den Puy Mary. Tal van beekjes stroomen u te gemoet, en voortdurend hoort men onder 't loover het kabbelend geluid van de vele kleine watervallen. Op de hooger gelegen punten, die een ruimer uitzicht geven, zijn banken geplaatst. Men komt, al wandelend en al rustend, langs dat fraaie pad onder die prachtige boomen, ongemerkt op een uitgestrekt weidevlak, waar twee groote kaashutten staan. Van hier uit heeft men een bijzonder goed uitzicht op een ruim en diep bekken, begrensd door hoogere toppen en onregelmatig rond van omtrek; 't is een oude krater, waarover later meer. Voorbij de kaashutten, de burons van den Rambarter, gaat men verder door weiden een smal bergpad op, dat hooger en hooger eindelijk op een bergrug uitloopt, dien men al geruimen tijd als een steilen wand voor zich zag. Die rug is weder de rand van eene niet zeer uitgestrekte bergvlakte, aan 't einde waarvan de Plomb du Cantal zich verheft. 't Is een zonderlinge bergvorm, een plompe heuvel van bazalt, met gras bedekt. De Plomb is op één na de hoogste top van midden-Frankrijk, en wordt van al de bergen daar het meest bezocht. Er was dan ook een talrijk gezelschap en wij wedijverden met elkander in het aanwijzen van de fraaiste punten van 't fraaie panorama. Midden op den top stond een zwaar ijzeren geraamte van een huis, met een opschrift, meldend dat het daar gebracht was door die en die transportonderneming. Stellig een moeielijk werk en eene goede reclame, maar 't was een schreeuwende wanklank in die omgeving.

Na in den ochtend wat regen te hebben gehad, was het in den voormiddag iets helderder geworden, om in den namiddag weer aan 't pruilen te geraken; onderweg raadde een herder mij nog aan, om maar niet door te gaan, want 't zou boven niet helder zijn. Maar ik had het uitzicht van den Puy de Sancy gemist, den Puy Mary had ik niet eens kunnen beklimmen; ik wilde nu een laatste kans wagen. Gelukkig, want boven was het helder tot de kimmen toe! Maar op eens begon het hard te waaien, een paar tellens later te stormen, en die luchtstroom was ijskoud. Men had haast geen tijd om te bedenken wat dat worden moest; onder den wind bleef alles helder en mooi, maar in den wind was in een oogenblik alles grauw en zwart geworden; 't volgende oogenblik waren we in een dikken nevel gehuld, en een ieder zocht een goed heenkomen. De wolk die ons bedekte was zóó dik, dat ik al spoedig mijn gezelschap kwijt was en we elkaar eerst halverweg beneden weder ontmoetten. Toen ik weer bij de burons van den Rambarter terugkwam, werd het weer helder. Dat verrukkelijke uitzicht met den Puy Mary en den Puy Griou aan de overzijde, deed mij watertanden. 'k Moest nog naar den Puy Mary, om de hellingen waarop ik nu liep, in haar geheel waar te kunnen nemen en mij eene duidelijke voorstelling van den ouden krater te kunnen vormen. In dat bekken waren ontzettende vulkanische bedrijven afgespeeld. Dat moest ik toch in zijn geheel gezien hebben, en mijn laatsten dag wilde ik aan dat zware werk besteden. Het inderdaad prachtige en zoo hoogst belangwekkende landschap, dat zich voor mijne voeten ontplooide, was er de schuld van dat ik besloot, als het den volgenden ochtend om 4 uur droog was, nog van Lioran uit den Puy Mary te beklimmen.

In het hotel teruggekeerd, moesten de kleederen gedroogd worden. Gelukkig had men in 't hotel de uittrekkende schapen geteld, en bij 't lieve regenweer een flink houtvuur aangelegd, om de kleederen spoedig weer draagbaar te maken. Die geenBladzijde 199tweede pak bij zich had, moest in zijn kamer verblijven tot na het drogen.

Gezelschap kon ik niet mede krijgen; niemand vertrouwde het weer nog, zoodat ik den volgenden ochtend de reis alleen aanvaardde, en met helder weer. Aanvankelijk ging het door bosschen en weiden met indrukwekkende bergpanorama's aan alle zijden, over den Col de Rombières tot aan den voet van de Roc de Bataillouze (1686 M.), dan afdalen naar den Col de Cabre (1539 M.) waar men een merkwaardig uitzicht heeft op het bekken van Mandailles, een halfrond en een deel van den ouden krater. De bodem en de wanden bestaan uit verschillende lavasoorten, die als 't ware eene staalkaart vormen van wat de vulkaan gedurende eene reeks van tijden uitbraakte. Dat bekken heeft eene doorsnede van 4 à 5 KM., de diepte wisselt af van 1787 tot 860 M. De omringende rotswanden zijn ongeveer 1600 M. hoog. Tal van beken spoelen van den bergwand omlaag, de grootste, de Jordanne, ontspringt op den Col de Cabre; de wanden zijn overigens afwisselend bedekt met weiden en bosschen; de plantengroei is rijk, dank zij die vele beken; de vele verspreide boerderijen getuigen van een vruchtbaren bodem. Van den Col de Cabre loopt het pad naar den top van den Peyre-Arse, een kalen top, dan langs een betrekkelijk smalle bergkam tot aan den Puy Mary. Daar was ik er, en nu met goed helder weer; zonder te aarzelen, had ik gewaagd en gewonnen!

Fontanas met de Puy de Dôme.Fontanas met de Puy de Dôme.

Fontanas met de Puy de Dôme.

Fontanas met de Puy de Dôme.

De Puy Mary (1787 M.) heeft eene driehoekige spits, de beken vloeien in drie richtingen af. Het uitzicht op de verschillende berggroepen was schoon, mooier dan dat van den Puy de Dôme, of dat van den Plomb du Cantal. Vlakten en bergen wisselen steeds af, en hier en daar ziet men de rechte, horizontale lijnen der bazaltruggen, waaronder de orgels van Bort duidelijk te onderkennen zijn. Aan zijne voeten heeft men echter het mooiste uitzicht, de van den berg uitstralende dalen zijn rijk in afwisseling; aan het einde van elk dal dichte dennenbosschen, waarop dan helder gekleurde weiden volgen, met woningen bezaaid.

De geologen deelen ons mede, dat de verschillende bekkens of bergkommen, waarin we van den top van den Puy Mary neêrzien, de plaatsen zijn geweest waarboven zich vroeger de reuzenvulkaan verhief. De toppen, die zich aan den rand verheffen, zijn oude bijkraters, aan de zijwanden doorgebroken, ver beneden den top. De eerste uitwerpselen van den vulkaan werden langzamerhand om den hoofdkrater opgestapeld, en vormden het reusachtig omhulsel van den kegel, een koek van ongeveer 80 KM. middellijn, waarvan de gezamenlijke Cantalbergen nu de overblijfselen zijn. De koek is ongeveer 1000 meter dik en bestaat uit eene groote verscheidenheid van lavagesteenten.

Dat alles was niet het werk van één dag; de vulkaan had langdurige tijden van rust, gedurende welke zich een weelderige plantengroei op zijne hellingen ontwikkelde. We bespraken dat reeds bij het bezoek aan de bergvlakte van Mongudo. Dergelijke overblijfselen worden op tal van plaatsen in Cantal gevonden. Daarna volgden de uitbarstingen, die als vaste rotsen op de hellingen afkoelden: het zijn de tegenwoordige Puy's, waarvan we enkele beklommen. Eene derde reeks van uitbarstingen volgde, om weder andere rotsgevaarten te vormen, tot eindelijk de vulkanische werking zich in eene vierde reeks van uitbarstingen uitputte, en de licht vloeibare bazalt langs alle zijden af deed stroomen; deze laag bazalt bedekte niet alleen de vroegere lavagesteenten, maar ook de voor deze bestaande terreinen, zoomede de heuvelen in wijden omtrek. Daaraan hebben de vlakten in Cantal, bijv. de Planèze, haren oorsprong te danken.

Nadat de vulkanische werkingen opgehouden hadden, stortte de hoofdkrater in en was de woeste massa verder aan de invloeden van den dampkringBladzijde 200onderworpen. De vervorming ging toen langzaam maar even zeker voort. Groote sneeuwvelden bleven op de bergtoppen liggen en stortten neer langs de hellingen, alles hullende in een vervaarlijk ijskleed, dat aan geheel Cantal en Auvergne een aanzien gaf als nu bijv. in Alaska. Men vindt overal onbetwistbare sporen van een ijstijdperk; afgeronde heuvelbulten, ijsgleuven in de rotsen; opeenhoopingen van bergpuin aan weêrszijden van vroegere gletscherbanen; ontzettende zoogenaamde zwervende rotsblokken. De gletschers moesten echter ook hunne heerschappij opgeven; hun gebied werd steeds kleiner, en wilde waterstroomen ploegden de tegenwoordige dalen in de berghellingen. Nog eens behaalde het ijs de overhand en verzamelde zich nu meer in de dalen; van dit laatste gletscher-tijdperk was de mensch getuige, en het land nam langzamerhand de vormen aan, die het nu ongeveer nog heeft.

* Vic-sur-Cère.* Vic-sur-Cère.

* Vic-sur-Cère.

* Vic-sur-Cère.

Toen ik daar op den Puy Mary stond en in de berg- en dalvormingen om mij heen zoo duidelijk voor mij zag wat de geologen leeren, stond het bij mij vast, dat ik zou trachten eene korte beschrijving te geven van de wordingsgeschiedenis dezer streek, tevens de algemeene type van andere bergvormen, die zich vroeger en later evenzoo ontwikkelden. Zooveel mogelijk vermeed ik het gebruik van vreemde uitdrukkingen, en ik hoop dat mijn relaas den lezer van eenige nut moge zijn, al zal de geoloog er de schouders bij ophalen.

Met deze laatste wandeling van Lioran naar den Puy Mary en terug, was mijne voetreis in Auvergne afgeloopen. Langs den kortsten weg, over Arvant en Clermont-Ferrand, spoorde ik terug naar Parijs en naar Nederland.

Nog ten slotte een paar voorbeelden van de oude taal van Auvergne, in zegswijzen, die nog al eens gebruikt worden.

De taal zelf is eene vertakking der “langue d'Oc”, die tot in de 15deeeuw in alle officieele stukken gebruikt werd, en eene niet onbelangrijke litteratuur heeft; toen zij ophield de officieele taal te zijn, geraakte ze naast het fransch in vergetelheid, men hoorde er weinig meer van, tot in de 19deeeuw, toen er wat nieuw leven ontstond. Thans hebben de vrienden dier taal een eigen orgaan: “Lo Cobreto”; zij werken krachtig samen met de Félibres van Provence, en hun dichter Arsène Vermenouze schrijft verzen, die elke letterkunde eer aan zouden doen.

En nu:fransch: Rien aussi bien reparti que l'esprit et les impôts; chacun trouve qu'il en a assez.

Oud Auvergne'sch: N'ya re de si bhin parthi couma l'aima et la tailla. Tsaum troba que n'a prou.

Fransch: Une chèvre et deux femmes, il y en a assez pour tenir une foire.

Oud-Auvergne'sch: Na tsobra et dua feinnas, ni za prou pour tene na feira.

Deze zegswijzen bewijzen u tevens dat de Auvergnaten toegerust zijn, met wat men wel eens galgenhumor noemt; en de vreemdheid der taal maakt het ook duidelijk, dat pogingen om gesprekken aan te knoopen met Auvergnaten, die hun fransch vergeten hadden,—op niets uit moesten loopen.

* De Pas de la Cère.* De Pas de la Cère.

* De Pas de la Cère.

* De Pas de la Cère.

1De met * gemerkte illustratiën zijn ontleend aan de Gidsen Le Puy-de-Dôme en Le Cantal, Masson & Co., Paris.

1De met * gemerkte illustratiën zijn ontleend aan de Gidsen Le Puy-de-Dôme en Le Cantal, Masson & Co., Paris.

2De gegevens omtrent de bouwkunde zijn ontleend aan Professor Gugel's geschiedenis der bouwstijlen.

2De gegevens omtrent de bouwkunde zijn ontleend aan Professor Gugel's geschiedenis der bouwstijlen.


Back to IndexNext