M.V.O.1.dijn,dijne,dijn,2.dijnen,dijne,dijn,1.van dijnen,van dijne,van dijn,of dijns,of dijner,of dijns,aan dijnen,aan dijne,aan dijn,of dijnen,dijne,dijn,Xof dijner,of dijnen.1.naamvaldu,"dij,"dij, van, aan dij.IIDE ENGELBEWAARDER, DE DUIVEL EN HET MEISJEDE ENGEL.—Terug, du booze geest, wat koms du hier zoeken?DE DUIVEL.—Denks du, engel des lichts, dat ik dij eene ziele zonder strijden overlate? Drijf dijne liefde dij tot de bescherming der menschen, mijn haat drijft mij tot hunne vervolging.DE ENGEL.—Dijn haat! Wat heeft het maagdelijn dij gedaan?DE DUIVEL.—Is zij geene dochter Eva's?DE ENGEL.—Zij is het.DE DUIVEL.—Het maagdelijn is een mensch: zij kan tot God gaan en eene plaats voor Zijn aanschijn vinden. Ik, overwonnen, neergebliksemd en tot den afgrond gedoemd, ik alleen blijf eeuwig gebannen. Den verachtelijken lieveling is mijn ontnomen vaderland geschonken.—En ik zou hem niet haten, niet vervolgen? O, te lang reeds gesproken! De nijd brandt gloeiend in mijnen boezem. Aan mij deze ziele!DE ENGEL.—Zij is rein, du kans ze niet raken.DE DUIVEL.—Welaan, wij zullen het beproeven! Du hebs de koude waarheid, ik de verleidende logen. Beginnen wij den strijd om haar? (Een diepe slaap overvalt den broeder; eene nevelwolk omsluit hem; de lucht wordt warm en balsemend; schitterende bloemen ontstaan rond de maagd; vogelen zingen op het geboomte.)DE ENGEL,met droefheid en stil.—O, du almachtige, verleen aan mijn arm schutskind de krachten om dezen laatste strijd te doorworstelen. Ik kom voor dijnen troon met de beminde ziele door het vuur der beproeving gezuiverd.... Moge ik toch niet eeuwen lang het verlies betreuren van het zoete maagdelijn!IIIDE ENGEL, DE DUIVEL, HET MEISJE, EENE ROZE, EEN BEEKJE.HET MEISJE;zij ontwaakt met eenen glimlach.—O, God, wat is dit? Genezen! Wat zoete begoocheling!Maar neen, begoocheling is het niet.... Mijn hart klopt krachtig; warm bloed stroomt mij door de aderen.—Waar ben ik toch? Alles is hier zoo hemelsch schoon! Hoe geurig de lucht, hoe prachtvol het bloemtapijt, hoe verleidend de stemmen der lieve vogeltjes! Zou de engel mij reeds naar het hooge vaderland hebben opgevoerd? (De duivel vaart in eene roze.) Zie, daar buigt eene roze haren stengel tot mij. Kom, lieve bloeme, lig vrij op mijnen schoot, ik zal dij niet plukken. Hoe rijk gekleurd is dijn betooverend gelaat!DE ROZE,waaruit de duivel spreekt.—Zuster, ik kom en rust op dijnen schoot, om dijn betooverend aangezicht te zien. O, wat bens du schoon! Geene onder ons heeft bladeren, welker verf zoo zuiver is als de kleur dijner wangen. O, verhef dijne lange wimpers nog, dat ik dijne zwarte oogappelen fonkelen zie! Ik benijd dijnen lieven monde zijn koraalrood; hadde ik bladeren als dijne lippen, zoo verwelkte ik morgen op de borst eener koninginne. O, lach nog, zuster, want dan is dijn mond gelijk aan een rozeknopje, in welks hart de rijkste parelen schitteren. Dan is dijne schoonheid onuitsprekelijk, verleidend als de jongste morgenstraal!HET MEISJE.—Du dwaals voorzeker, lieve bloeme, of sprak dijne stem het lied, dat de rozen elkander van verre toezingen?DE ROOS.—Neen, neen, zuster, niets op aarde is schoon als du! Ziedaar, aan dijne voetjes, het beekje, dat zijne murmelgolfkens wederhoudt om dijn beeld te herspiegelen en te streelen, O, mocht ik sterven op dijne warme borst of in dijne zijden haren. Heb medelijden met dijne arme zuster, neem ze van haren stengel, dat zij u nimmer verlate!HET MEISJE:zij plukt de bloem en steekt ze op hare borst.—Blijf op mijne borst, lieve bloeme, en moges du lang zoo frisch en zoo bekorend prijken.... Maar, wat onbekend vuur zinkt er in mijnen boezem!.... Roze, dijne doornen wonden mij! (Zij werpt de bloem weg.) Dijne vriendschap is niet oprecht. (De duivel verbergt zich in het beekje.)HET BEEKJE,waaruit de duivel spreekt.—O, du allerschoonste maagd, bekoorlijke Rosa!HET MEISJE.—Wie sprak mijnen naam?HET BEEKJE.—Engelinne, du hebs zoo dikwijls bij mijne frissche boorden zitten droomen. O, wees nu ook goedertieren genoeg ... buig dijnen zwanenhals over mij, dat ik dijn tooverbeeld ontvange.HET MEISJE;zij buigt zich over het beekje en beschouwt haar beeld in den gladden waterspiegel.—Hoe rozevervig zijn heden mijne wangen! De meerle heeft toch geene vederen, zwarter dan mijn haar; de gitsteen glanst toch niet vuriger dan mijne oogen; de lelie is toch niet blanker dan mijn voorhoofd..... (De duivel komt uit het beekje.)DE DUIVEL,spottende tot den engel.—Ha, ha, engel des lichts, du begins er treurig uit te zien! Voers du nog dijne verwaande taal? Neen, niet waar? Du bespeurs wat ik op de maagd vermag. Heb ik niet in mijn bezit de twee onfeilbare sleutelen van der vrouwen gemoed,—ijdelheid en liefde? Één sleutel heeft reeds den boezem der maagd ontsloten: daar huist de hoogmoed in haar hart!DE ENGEL.—Niet als du, geest der duisternisse, zal ik roemen op eene onzekere zegepraal. Vaar voort met dijne logenen; de zonde Adams heeft den mensch aan dijne verleiding onderworpen. Doch, vergeet niet, booze, dat de beproefden in 's Heeren glorie hooger staan dan de onbevochtenen. Du bereids dus eene schitterende plaats aan de maagd, indien zij verwint, en aan dij zelven onuitsprekelijke foltering van eenen mensch goed te hebben gedaan.DE DUIVEL,met woede.—Ha, du weets de snaar des lijdens in mijnen boezem te treffen! Gevloekt, du laffe dienaar des Machtigen! O, kon ik deze maagd doen vallen, de afgrond zou jaren lang weergalmen van mijn vreugdegehuil.... Maar zij zal vallen; zij struikelt;—ja, daar verheft zij op zich zelve. Zie, hoe zij hare beeltenis toelacht.... Let op, ik ga dij werks leveren! (Hij keert terug in het beekje.)HET MEISJE,in de beek ziende.—Lief beekje, heeft dijn zilveren plas meer maagden herspiegeld, en was er eene mij gelijk?HET BEEKJE.—Honderd maagden hebben hun beeld in mij bewonderd. Eene enkele was er bekoorlijk: goud en gesteenten schitterden aan haar gewaad, frissche bloemen wiegelden zich in hare lokken. O, ik heb gezien, hoe twintig schoone jongelingen haar volgden tot op mijne boorden,—voor haar knielden,—om eenen blik harer oogen smeekten en voor hare voeten kwijnend uitriepen: "O, du wreede godinne! onder dijne oogen sterven is nog hemelzaligheid!"—En toch, engellijke Rosa, bezat zij noch dijn betooverend gelaat, noch dijn rank lichaam; nevens dij ware zij eene nederige doornbloeme bij de trotsche lelie! (Zij verlaat het beekje.)HET MEISJE;zij blijft lang in mijmering verzonken.—De schoonste zijn! Aangebeden worden als eene aardsche goedheid!.... Maar, wat zoete stem suist aan mijn oor! Dezelfde, die mij troostte in mijne krankheid;—zij is nu zoo treurig en zoo smartelijk....DE ENGEL,met diepe droefheid.—Rosa, hebs du gansch dijnen goeden vriend vergeten? Weets du niet meer, wie bij dijne bedsponde heeft gewaakt, om dijne smarten licht en dijnen slaap zacht te maken?HET MEISJE.—Ik weet het nog en bemin dij immer; maar waarom is dijne stem nu zoo treurig?DE ENGEL.—Rosa, du weets niet wie ik ben; en toch, van dijne geboorte tot heden heb ik dij nooit verlaten. Ik stond bij dijne wiege, en zond over dij den zoetsten slaap; dijne lieve droomkens waren bloemen, uit mijne hand over dijn beddeken gestort. Ik bestierde dijne eerste stappekens en wierp voor dijne voetjes de steenen uit het hobbelige pad des levens. Ik, alhoewel boven den mensch verheven, ben dijn slaaf geworden door den band mijner liefde tot dijne ziele.... O, ik was gelukkig, Rosa, omdat het geluk dij wachtte. Dijn hart was als de reinste spiegel, zelfs van den minsten wasem niet besmet. Reeds teekende het dalend licht in de ruimte de hemelbaan, die wij te zamen volgen zouden. Nog een enkel uur, en du hoordes het engelenkoor dijnen welkomstgroet aanheffen.... Nu, eilaas, o smarte! nu is dijne ziel bevlekt met de zonde des ijdelen hoogmoeds.... Het licht is verdwenen ... mijn hart breekt van lijden.HET MEISJE.—Bemins du mij dan zoozeer, goede geest? Zeg mij toch, wat heb ik gedaan, dat dij zulke smarte baart?DE ENGEL.—Du hebs dij in dijne eigene schoonheid verhoovaardigd.HET MEISJE.—Du erkens dus ook, dat ik schoon ben?DE DUIVEL.—Ha, ha, wel gezegd!DE ENGEL.—Eilaas, het kwaad is een gulzig onkruid, dat diepe wortelen schiet!... Rosa, de Heer gaf der hinde fijn gesnedene en snelle voeten,—den zwane den ranken hals,—den pauwe het gulden vederkleed,—der duive de zoete oogen,—den nachtegale het bekorend lied. Dat zij roemen, elk op de gaven, hem door God geschonken: Hij heeft hun niets meer gegeven.... Maar de mensch, o Rosa! zou die zich verhoovaardigen over het zichtbaar slijk des lichaams, en met de dieren wedijveren om de volmaaktheid van hetgene de aarde gegeven heeft, en zij eens verzwelgen en verteren zal? Heeft hij niet een ander en kostbaar juweel? Woont in hem niet het onsterfelijk eigenbeeld zijns Scheppers, de ziel? Zals du die hoogste gift van God miskennen, Rosa? Zals du ondankbaar worden?HET MEISJE.—Neen, ondankbaar niet; maar ik verheug mij toch in de lichaamsschoonheid, door God mij verleend.DE DUIVEL,tot den engel schertsend.—Engel des lichts, eindig toch den nutteloozen strijd; dijn pogen is ijdel. Zij wikkelt zich vaster in mijne strikken: mij zal ze toebehooren?DE ENGEL,tot het meisje.—Zie, o dierbaar schutskind, hoe dijne woorden mijne tranen doen vlieten. Du dwaals; moge dijne zwakheid en onervarenheid dij ontschuldiging verwerven bij den Goedertierene.HET MEISJE.—O, ween zoo niet om mij, du goede; ik lijd in dijne droefheid en begrijp wel, dat het nieuw gevoel mij schaden zal; anders, hoe zou het dij smarten, dij, mijnen trouwen vriend? Kon ik het verjagen uit mijnen boezem, ik deed het om dij te troosten; doch mij ontbreekt de macht.DE ENGEL,tot den duivel.—Achteruit, du verleider, dijn looze strik gaat breken! (Tot het meisje.) Rosa, du hebs een gelaat, een lichaam, volmaakt genoeg om door wereldlingen te worden bewonderd; maar luister, wat du nog hebs. Dijne schoone ziel is rijk in deugden, rein en zuiver als een diamant; zij behaagt dijnen Gode, en, blijft zij zoo, dan zal zij eeuwig leven voor het aanschijn van den Onnoembare. Zeg mij, Rosa, indien du slechts ééne dezer twee schoonheden behouden mochts en de keus dij gelaten wierd, welke zouds du kiezen?HET MEISJE.—O, ik behielde immer de zieleschoonheid.DE ENGEL.—Wel doets du, Rosa; eene star te meer zal daarom aan dijne lichtkroon in den hemel blinken!DE DUIVEL.—Du hebs in dezen strijd gezegepraald, engel des lichts; maar niet zoo gelukkig zals du zijn in de tweede en beslissende worsteling. Beproeven wij de ziel op den steen der wereldlijke liefde.IVDE ENGEL, HET MEISJE, TWEE TORTELDUIVEN, EEN JONGELING.HET MEISJE.—O, ja, de schoonheid der ziel duurt langer; zij behaagt den goeden God zelven,—het lichaam alleen den mensche.... (Er komen twee tortelduiven op een wilgetak zitten.) Gij, lieve tortelkens, ik wil rein en vlekkeloos blijven als gij. Tortelinne, ik bemin mijnen broeder zoo vurig en zoo teeder als du dijnen broeder bemins.DE DUIVEL,tot de duivinne.—Tot wanneer, o wreede, zals du ongevoelig blijven voor mijne smart? Ik bezwijk van liefde en droefheid, en du blijfs immer onverschillig. Is dijn hart dan van steen?DE DUIVINNE.—Ik begrijp dij niet, mijn vriend; du treurs en weens om een onbekend wee. Zie ik dij niet gaarne? Heb ik dij verlaten om eenen anderen broeder te volgen? Du blijfs mij altijd dierbaar, du goede, trouwe vriend en beschermer.DE DUIVEL.—Broeder, broeder! ik wil dijn broeder niet langer zijn; het koude gevoel der vriendschap is weg uit mijnen blakenden boezem; een ander vuur verteert mijn ingewand. (De duiven vliegen weg.)H*HET MEISJE.—Zonderling is de taal des vogels! Hij wil vriend noch broeder zijn, en toch bemint hij zoo vurig zijne gezellinne. Zoo sprak ook weleer tot mij die arme Lodewijk, mijn speelgenoot. Ik begreep hem niet;—hij wilde ook mijn broeder niet meer zijn,—en dan is hij heengegaan naar vreemde landen, omdat ik zijn hartewee niet verstond. Wat verlangde hij dan? Ik weet het niet.....DE ENGEL,tot den duivel.—Mislukt is dijn aanslag op het spiegelrein gemoed der maagd. De Heere zij geloofd!DE DUIVEL.—Waans du, dat ik ten einde geworsteld zij? Ik wilde slechts in haar eene herinnering opwekken; alleen den grond heb ik bereid, om in het hart der maagd eenen onfeilbaren strik te spannen. Zij heeft daar iets gezegd, dat niet verloren is. Du zals gaan zien! (Hij verwijdert zich en neemt de gedaante van eenen jongeling aan.)HET MEISJE;zij ziet eenen jongeling naderen.—Wie komt daar? O, hemel, zou het Lodewijk zijn? Ja, ja, het is mijn speelgenoot. O vreugde! Lodewijk, goede Lodewijk!DE DUIVEL,in de gedaante van Lodewijk, met droef gelaat.—Rosa, hebs du wel éénmaal aan dijnen ongelukkigen vriend gedacht?HET MEISJE.—O dagelijks! Ik vergeet nimmer mijne kinderlijke vermaken, noch hem, die ze met mij zoo trouwelijk heeft gedeeld.—Maar du Lodewijk, hebs du in de wijde wereld dijne kleine gezellinne niet vergeten?DE DUIVEL.—Dijne vraag, Rosa, doorboort mijn hart als een degen.HET MEISJE.—Waarom toch?DE DUIVEL.—Du zals mij dan nimmer begrijpen? O, Rosa, ik ben van hier vertrokken, den boezem verkropt door wanhoop en vertwijfeling; ik heb gedwaald als een zinnelooze en geleden als een martelaar. In onbekende streken heb ik mijne smart verteld aan de wouden, dijnen naam gezegd aan de velden, dijne schoonheid verkondigd aan het gevogelte, dijne wreedheid aan de harde rotsen. Ik heb mijne tranen langs mijn smartelijk pad gezaaid, dijn beeld heeft mij immer vervolgd; niets kon ik mij herinneren, dan alleen dijne betooverende oogen en dijne wreede gevoelloosheid. Aan dij dacht ik des morgens, des daags, des avonds en des nachts.... En du durfs mij vragen; hebs du dijne gezellinne niet vergeten? O, engellijke maagd, o, medelijden met mij, of ik sterf? (Hij vat hare handen driftig in de zijne.)HET MEISJE,verschrikt.—Los, los! dijne handen branden als vuur, dijne blikken doorboren mijn hart.... O, beroof mij niet van mijnen zielevrede.DE DUIVEL.—Altijd even koud! Was hetzelfde vuur in dijnen boezem, du zouds den gloed mijner handen niet voelen. Zie, wreede, daar vergaat mij het leven van pijn; mijne oogen breken.... Du moords dijnen trouwen vriend, en du ziets ongevoelig neer op zijnen dood. O erbarmen, erbarmen! (Hij knielt voor haar.)HET MEISJE,medelijdend.—Arme Lodewijk! kon ik dijne smarten verlichten, ik deed het gaarne.DE DUIVEL.—Du kans het, lieve! Zeg, dat du mij toebehooren wils, dat du niemand boven mij bemins.HET MEISJE.—Lodewijk, ik heb eene moeder: haar bemin ik ook.DE DUIVEL.—Het zij zoo, bemin dijne moeder.HET MEISJE.—Ik heb eenen broeder.DE DUIVEL.—Bemin ook dijnen broeder; maar zeg, dat du de mijne wils zijn, dat du niets anders boven mij bemins.HET MEISJE.—En zoo ik het zegge, Lodewijk?DE DUIVEL.—O, lieve Rosa, dan sterf ik niet en leef eeuwig in dijne liefde!DE ENGEL.—Rosa, Rosa, zals du eenen mensch beminnen boven dijnen God?HET MEISJE.—O, ik bemin mijnen God. Maar hij sterft, mijn arme vriend; zou ik hem niet troosten?DE DUIVEL.—Rosa, Rosa! Haast du het zaligend woord te spreken: reeds voel ik den dood in mijnen boezem zinken.HET MEISJE.—Ik sprake het woord, vreesde ik niet den Heer te vergrammen.DE DUIVEL.—O, du bemins mij niet, wreede Rosa. Du verblijds dij in mijnen dood. Zie, daar begint mijn hart te bloeden van smart: zie, mijn hoofd zinkt ter aarde.... Haastig, haastig, dijn reddend woord!DE ENGEL.—Rosa, Rosa, spreek niet, ongelukkig maagdelijn!HET MEISJE.—Zal hij dan hulpeloos sterven, mijn arme vriend?DE ENGEL,haastig.—Rosa, beslis over dijn lot; daar vóór u ligt een menschenbeeld, dat lijdt en zegt van minnepijn te sterven.—In den hemel, op den hoogsten troon, zit een Godmensch, die dij zijne liefde geschonken heeft, die zijn bloed op den Golgotha bij stroomen voor dijne zaligheid heeft vergoten....De DUIVEL.—O medelijden, medelijden met mij!HET MEISJE.—Ik verdwaal! Wat gedaan! Arme Lodewijk!DE ENGEL,met wanhoop.—Rosa, dijn uur gaat slaan! O, lieve, zie mijne vlietende tranen! Dáár, daar is de dood.... Haastig, spreek dijn vonnis of dijne verzaliging.—Behoors du den jongeling en der wereld, of dijnen God, dijnen verlosser, den minnaar dijner ziele. Wien, wien zals du behooren, den gekruisten Jezus of den wulpschen jongeling? Spreek!DE DUIVEL.—Ja, Rosa, spreek.HET MEISJE.—Lodewijk, Lodewijk, dijn aangezicht is bekoorlijk, dijne liefde vurig en dijn lijden onuitsprekelijk....DE ENGEL.—Eilaas, zij valt.DE DUIVEL.—Zege, zege, mij de ziele!HET MEISJE.—En toch, ik bemin mijnen zoeten Jezus boven alles; mijne liefde en mijne ziele eeuwig aan God!DE ENGEL.—Heil, heil, zij heeft gezegepraald! Geloofd zij God in den hooge!DE DUIVEL,in zijne echte gedaante.—Doemenis, doemenis, zij heeft overwonnen! De afgrond zal nu weergalmen van mijn smartgehuil.... Gevloekt, du engel des lichts! (Hij vliegt heen in de ruimte.)VDE ENGEL, HET MEISJE, DE BROEDER(De hof verkrijgt zijne vorige gedaante; de broeder ontwaakt en staat op.)DE ENGEL.—Rosa, dijn oogenblik is gekomen; leg dij neder met dijn hoofdeken in mijnen arm.HET MEISJE,zij ontwaakt als uit eenen droom.—Broeder, broeder!DE BROEDER.—Wat verlangs du, Rosa?HET MEISJE.—Haast dij; neem op mijne wangen eenen afscheidskus voor dij, en eenen voor moeder.DE BROEDER.—O, Rosa, du zals ons toch heden niet verlaten?HET MEISJE.—Zie, daar staat de engelbewaarder; mijn hoofd rust in zijnen arm; hij ontsluit mij in zijne gouden vleugelen.... Hoor, het hemelkoor zingt mij tegen. Ha, ik vaar op naar het hoog vaderland!DE BROEDER.—Lief zusterken, daar hebs du de twee zoenen.DE ZUSTER.—Vaarwel, broeder; zeg moeder, dat zij spoedig kome, en kom du insgelijks; vader zal ik in den hemel vinden en als gij beiden zult gekomen zijn, zullen wij te zamen zingen voor des Heeren troon. Vaarwel, daar slaat de engel zijne vlerken uit,—ik stijg op met hem langs de baan des lichts!DE BROEDER.—Dood!DE NIEUWE NIOBEVERHAALWat onder Godes hand niet buygenwil, dat breekt.J. CATS.Voor eenige jaren, en wel in het midden van 1832, leefde te Antwerpen eene rijke weduwe, met name Clotilde Van Valburg. Daar zij uitnemend schoon van aangezicht en van leden was en niet beroofd van dien spelenden geest, dien de Franschenespritnoemen, had zij zich, volgens eene uitheemsche denkwijze, aangezien als uitsluitend geroepen zijnde tot het genieten van allerlei vermaak en wereldsche vreugde. Even gelijk alle vrouwen van dien aard, vreesde zij de ernstige gedachten, de edelmoedige ontroeringen, als de vijanden van een zoet en droomig leven: ook was zij ongevoelig geworden voor alles, wat niet rechtstreeks tot hare wulpschheid behoorde. Een ongelukkige was voor haar een voorwerp van onverschilligheid, zoo niet van afkeer; hare kinderen zelven, alhoewel schoon als engelen, zag zij niet met dit moederlijk gevoel aan, dat wel het allerlaatste uit den boezem eener vrouw vervliegt.... Maar een kleed, dat niet naar haren zin gemaakt was, het breken eener nietswaardige Chineezerij, het zien van een juweel aan den hals eener andere dame, en zulke kinderachtigheden meer, konden haar dermate ontroeren, dat zij somwijlen er om te werk ging, alsof de grootste rampspoed haar overkomen ware.Deze vrouw bevond zich op zekeren dag in eene kleine zaal harer prachtige woning. Zij lag half uitgestrekt op een rustbed van rood damast en hield de oogen weifelend gevestigd op de bladen van een boek, dat met de schildering van het Parijsche leven niet veel goede zedelessen bevatte. Las zij er in?—Misschien wel; doch wie haar zag en haar niet geleek, zou gezegd hebben, dat de luiheid haar belette de oogen gansch te openen.—Alles in die plaats gaf getuigenis van den rijkdom en van den beuzelachtigen smaak der meesteresse; de schouwplaat en de venstertafelen waren overladen met die brooze voorwerpen, welker gebruik voor eigenaars en aanschouwers een raadsel is, en die van de kinderspeeltuigen veeltijds alleen in prijs verschillen. Het licht, dat met moeite van buiten in dit verblijf der weelde drong, was niet klaar en levendig als het licht der zon; maar het werd hier bij middel der venstergordijnen gedwongen, zich in eene flauwe, roosachtige tint te hervormen, en aan alles eene wellustige en verleidende verf te geven.Deze zaal nochtans was opgeluisterd door de tegenwoordigheid van zes allerschoonste kinderen, die heel zachtjes en zonder het minste gerucht te durven maken, op het grondtapijt bezig waren met in een groot boek beeldekens te zoeken. Zij durfden niet spreken en drukten elkander hunne blijdschap of verwondering met teekens en gebaren uit; want zij wisten, dat bij de geringste stoornis hunne moeder hen oogenblikkelijk naar een ander vertrek zou verbannen hebben. Het oudste dier lieve kinderen kon twaalf jaar oud zijn terwijl het jongste slechts zijn derde jaar bereikte. Zij waren drie broederkens en drie zusterkens, en schenen elkander vurig te beminnen; want een zoete en lieftallige glimlach zweefde op hunne aangezichten, en hunne handekens ontmoetten elkander zeer dikwijls.... Ik heb menigmaal zulke tafereelen geschilderd gezien, waarop een zestal engelen zinnebeeldigerwijze een zuiver en nog onnoozel vermaak voorstellen.... Ja, het was wel zoo:—die fijne kinderwezens, dit helder gelaat, door achterdocht nog niet gerimpeld,—die blonde haren, door ouderdom nog niet verzwart, door het vuur nog niet gezengd,—die poezelige armkens en losse leden, door arbeid of overdaad nog niet verstramd.... de menschelijke natuur in al hare frischheid, zoo groen en zoo lief als de eerste kruiden, de eerste bloemen der Lente!En gelooft gij, dat de moeder dezer engelenbeelden haar oog met meer vermaak op hen sloeg dan op het besmettend verhaal der uitheemsche verdorvenheid? Neen, zij bezag hen niet. En toch was haar hart niet gansch ledig van moederliefde; maar het was vervuld met de liefde tot de wereld.Nadat zij aldus ruim een uur lang op het rustbed was blijven liggen, zonder zich verroerd te hebben, werd er zachtjes aan de deur geklopt, en een knecht trad, na gegeven oorlof, binnen. Hij boog zich en sprak:"Madame, eene vrouw heeft zich gedurende dezen morgen reeds viermaal aangeboden, om in uwe tegenwoordigheid toegelaten te worden. Ik heb ze altijd afgewezen;—zij schijnt eene gemeene burgerin.""Gij hebt wel gedaan, Pieter. Men late mij met vrede: ik benonzichtbaarvoor zulke lieden. Maar indien Eugène De Valenge komt, laat hem binnen, en betuig hem veel eerbied. Gij weet wel, de jonge Franschman, die mij gisteren van hetconcertnaar huis geleidde?"De knecht deed een bevestigend teeken met het hoofd en hernam:"Ik vergat u te zeggen, madame, dat de vrouw, van wie ik zoo even sprak, in de voorkamer uw antwoord wacht. Zij weent, dat het een hart breken zou, en schijnt van uwe goedheid iets te willen afsmeeken."Mevrouw Van Valburg stond op van haar rustbed en trapte twee- of driemaal met ongeduld op het tapijt. Dan riep zij:"Wel, wel! Nooit rust! Nu, zeg op: wat is het voor eene vrouw? Hoe is haar naam?""Madame, zij is slecht gekleed en deed zich aanmelden onder den naam van Carolina Soeteveld, zeggende, dat zij uwe schoonzuster is."Dit laatste woord was des knechts lippen niet zoo haast ontvallen, of eene roode kleur, waarbij ook wel iets purperachtigs was, beklom het aangezicht van mevrouw Van Valburg. Zij bracht haren wijsvinger vooruit en antwoordde met gramschap:"Pieter, ik verbied u deze vrouw te laten binnenkomen; zeg haar, dat ik niet te huis ben. Ga!"Maar nauwelijks was de knecht sedert eenige oogenblikken vertrokken, of men hoorde in de voorkamer eenige klagende gillen,—een gerucht als van eene worsteling. De deur der zaal vloog open.—Eene nog jonge vrouw sprong er binnen en viel op hare knieën voor de voeten van mevrouw Van Valburg. Deze was rood van toorn of van schaamte, misschien van beide die gevoelens te gelijk. Zij hief het hoofd met trotschheid op en zag verachtend neder op de ongelukkige, die de handen smeekend tot haar uitstak. Mevrouw Van Valburg wees hare kinderen de zaal uit en sprak, zich tot de geknielde keerende:"Welnu, wat beteekent dit? Waartoe deze komedie? Zeg op, wat wilt gij?"De jonge vrouw stuurde eenen blik als een gebed in de oogen van mevrouw Van Valburg, en zuchtte weenend:"O, mevrouw, spreek toch zoo niet tot mij! Ik ben ongelukkig en totterdood toe bedroefd. Ontferm u over eene rampzalige, die uwe hulp op hare knieën afbidt...."De ongevoelige dame liet de geknielde zitten en ging eenige treden van haar weg; dan het boek in de hand genomen hebbende, antwoordde zij met eene gemaakte koelheid:"Ik heb geenen tijd om op al dit gekerm acht te geven. Verlangt gij iets van mij, zoo is de tooneelmatige wijze de rechte niet om tot uw doel te komen; en mits ik wel zie, dat ik het verhaal uwer geschiedenis niet zal ontsnappen, begin dan en maak het zoo kort mogelijk."Het was gedurende die bitsige woorden zichtbaar op het gelaat der jonge vrouw, dat zij zich diep er door gehoond vond; doch eene geheime oorzaak dwong haar ontgetwijfeld tot het verdragen daarvan: want zij bewoog hare armen met pijnlijk ongeduld, en hare gebaren schenen te zeggen: "O God, o God! ik moet het verkroppen!" Zij stond op en antwoordde, niet zonder zekere fierheid:"Mevrouw, er moest eene onweerstaanbare reden zijn, om mij tot dit bezoek te brengen; want ik weet, dat de banden des bloeds, die ons vereenigen, in u veeleer eene oorzaak van haat dan van liefde zijn. Maar heb nu toch eens medelijden met ons,—o, red ons van schande en armoede! Laat mijn gebed niet nutteloos zijn.... en ik zal uwen naam zegenen als dien van eenen engel!"Voor alle antwoord vatte mevrouw eene zilveren bel van de tafel en deed ze twee-of driemaal klinken."Pieter," sprak zij tot den knecht, die haar bevel kwam ontvangen, "men spanne mijn rijtuig in. Spoedig!"En zich tot de weenende vrouw wendende:"Gij ziet wel, dat, indien gij zoo voortgaat, ik den tijd niet hebben zal om u aan te hooren. Dus nog eens, maak het kort!"Eene lichte gramschap glom op het gelaat der ongelukkige; doch zij weerhield zich en sprak met haastige woorden:"Mevrouw en zuster, gij weet het: wij hebben, alhoewel in den nood, nooit uwe hulp gevraagd; mijn man is arbeidzaam, en wij allen met weinig tevreden; doch de hand Gods heeft ons bezocht. Mijn echtgenoot is zijne bediening reeds sedert twee jaren kwijt geraakt, en wij hebben, sinds dit rampspoedig tijdstip, op beloften en hoop geleefd. Vóór maanden hebben wij eenigen handel willen drijven en daartoe eene goede somme gelds ontleend; maar een ontrouw mensch heeft ons bedrogen en wij hebben alles verloren. Mijn man zit in de gevangenis om den vervallen wissel, een mijner twee kinderen ligt in het gasthuis, mijn huisraad wordt Vrijdag door de Wet verkocht, overmorgen word ik uit mijne woning verjaagd. Ik heb geld noch spijze, en lijd voor allen te zamen: voor mijnen man, wiens eer gevaar loopt; voor mijn kind dat in het gasthuis gaat sterven; voor mijn ander kind, dat zijne moeder te vergeefs om eten vraagt en met mij, binnen twee dagen, de straat voor woning en voor bedstede hebben zal. O, mevrouw! zult gij in deze omstandigheid vergeten, dat uwe kinderen en mijne kinderen niet van een geheel verschillend bloed zijn? Zult gij eene vrouw, die moeder en ongelukkig is, van eene andere moeder ongetroost laten weggaan?"Mevrouw Van Valburg hoorde met tegenzin, dat de smeekende haar van maagschap durfde spreken; zij voelde zich gekwetst en was boos."En wat kan ik daaraan doen?" antwoordde zij met barschheid."Mevrouw," hernam de klagende moeder, "ziehier mijne bede: heb de goedheid ons eene som van drieduizend franken te leenen. Met dit geld verlos ik mijnen man uit de gevangenis; ik neem mijn arm kind uit het gasthuis en betaal de huur mijner woning.... Denk, wat zegeningen wij over u roepen zullen, daar gij ons uit zulken diepen kolk van ellende en schaamte zult hebben gered."Zij wachtte eenige oogenblikken met angst op hetgeen mevrouw Van Valburg haar zeggen zou, en kreeg eindelijk tot antwoord:"Ik ben niet gewoon geld te leenen om ondankbaren te maken. Hadde uw man zoo lang niet ledig geloopen, zoo zoudt gij niet in dezen toestand zijn. Hoop dus niet, dat ik mijn geld besteden zal om de luiaardij aan te moedigen. Gij kunt vertrekken; zie, dat gij u zelve uit de ellende redt, waarin gij u zelve gestort hebt. Indien gij denkt, dat ik u zal onderhouden, zoo bedriegt gij u niet weinig. Hebt gij niet gehoord, dat ik u sprak van vertrekken? Dáár is de deur!"De arme vrouw begon bij deze harde woorden eenen vloed van tranen te storten. Het scheen, dat zij door het boezemwee, dat haar verkropte, ging verstikken; doch op eens brak zij in woede los, en zich voor mevrouw Van Valburg plaatsende, sprak zij met opgeheven hoofd:"Ha, mevrouw, het was u niet genoeg eene arme door moeder uwe dienstknechten te doen mishandelen; gij moest zelfs door uwen mond den laster op haar ongeluk werpen en ze ter deure doen uitjagen als eenen hond? Hebt gij uwe eigene geschiedenis vergeten? Weet gij niet meer, dat uw man mijn broeder was, en dat de helft van den rijkdom, dien gij gebruikt, mij onrechtvaardig is ontnomen? Weet gij ook wel, hoovaardige vrouw, dat gij op de wereld niets bezit, en dat gij slechts de inkomsten van een fortuin geniet, waartoe ik meer recht heb dan gij, aangezien gij het nooit erven kunt, maar ik wel?"Mevrouw Van Valburg, die van razernij op haar rustbed was neergevallen, richtte zich haastig op en riep met bevende stem:"Onbeschaamde! Wat logentaal durft gij spreken?""Logentaal?" hernam de andere. "Logentaal? Stelde het testament van mijnen oom mij en mijnen broeder niet tot zijne erfgenamen in?—En hebt gij, door uwen valschen raad, mijnen broeder niet genoopt om mij mijn erfdeel te ontrooven? Ja, ja: want gedurende de laatste dagen vóór den dood mijns ooms hebt gij en mijn broeder zijne woning in bezit genomen. Gij durfdet mij zeggen, dat hij mij niet zien wilde, en hij is gestorven, mij roepende als zijn dierbaarst kind! Wat kwaad, wat laster hebt gij niet over mijnen goeden naam uitgebraakt, edele dame, om mijnen goeden oom een tweede testament te ontrukken, en mij van alles, wat zijne liefde mij bestemde, te berooven! Ik weet het, want ik heb mijnen broeder op zijn sterfbed vergiffenis en verzoening geschonken. Hij was niet plichtig, maar zwak.... Gij alleen, mevrouw, gij zijt het, die mij verraderlijk hebt bestolen, en dit laat zich nog genoeg merken aan uwen bitteren haat tegen ons...."Nu klom de woede van mevrouw Van Valburg ten top; het bloed vertoonde zich gloeiend onder hare wangen, en zij borst los in de volgende bedreigingen:"Wat gestolen?—Ik gestolen? Gij onbeschofte! Maak u uit mijn huis, dolle schreeuwster, of ik doe u waarachtig als eenen hond op de straat werpen. Gij zult hier zonder schaamte mijne woning door uwe lasterlijke beschuldigingen komen onteeren! Gaat gij?... of deze bel zal u welhaast, met of tegen dank, doen verhuizen.""Laat af!" sprak de jonge vrouw met fiere kalmte, "voeg bij den hoon, dien gij mij reeds hebt aangedaan, die schandelijke gewelddaad niet. En denk niet, dat ik door mijne verwijtingen poog te verkrijgen, wat gij aan mijne ootmoedige bede hebt geweigerd; neen, gij moogt vrij het goud bij hoopen voor mij uitstorten, ik zou mijne hand niet willen besmeuren door het aan te raken. Behoud uw geld en uwe ondeugden! Ik zal lijden; maar in mijne pijnen heb ik toch dit genoegen, dat ik mij zelve grooter en beter acht dan eene onedele dame, die het zich geene misdaad gerekend heeft een gansch huisgezin, door laag bedrog, in ellende te dompelen...."Mevrouw Van Valburg was niet meer in staat om op de verwijtingen harer beschuldigster te antwoorden; alleen de strakke uitdrukking harer oogen gaf hare beklemde razernij te kennen. Zij dorst echter de bel niet klinken uit vrees van grootere schande, en luisterde op hetgeen de jonge vrouw zeide:"Vergeet niet, wat het testament mijns ooms daarstelt: al zijne erfgoederen, die nu op de hoofden uwer kinderen staan, zullen op mij en mijne kinderen vervallen, indien de uwe eerder deze wereld verlaten dan de mijne. Ik kan dus, indien het den Heere zoo beliefde, uwen rijkdom ook nog gedurende uw leven bezitten."Deze woorden verwekten in mevrouw Van Valburg eenen spottenden lach en schenen haar hart van eenen zwaren steen te ontlasten. Zij sprak met klaardere stem:"Vrouw, gij zijt van uwe zinnen! Het feilt u waarlijk in de hersens;—en nu ik dit merk, vergeef ik u gaarne uwe gekke redenen. Hoopt gij dan in uwe dwaasheid, dat uwe twee magere zonen langer zullen leven dan mijne zes schoone en gezonde kinderen? Gij zijt niet bij uw verstand....""Mevrouw," antwoordde de andere, "Hij, die onze harten doorgrondt, kent mijne wenschen, en Hij weet, dat ik het eene onvergeeflijke zonde achten zou, den dood van een uwer lieve en onnoozele kinderen te verlangen. O, neen! de hemel beware u een talrijk kroost!—Maar gij, mevrouw, waarom denkt gij, dat het Gode onmogelijk zijn zou, zijne hand over rijke menschen uit te strekken? Bezoekt Hij dan alleen de noodlijdenden? Gij vreest niets voor uwe kinderen.... Bemint gij ze dan niet?—Ik, arme moeder, ik heb nu reeds zoo dikwijls met tranend oog op mijne twee kranke wichtjes gestaard; want ik vrees voor den geesel des hemels, de plaag, die zich als een onmeetbare lijkdoek over de aarde verspreidt." Meer kalmte was in mevrouw Van Valburg gekomen, sedert de jonge vrouw ook hare beschuldigingen had gestaakt. Zij antwoordde schertsend:"Wat ligt gij lieden altijd van God te praten? Misschien is dit voor u een gemakkelijke troost; doch dit doet hier niets ter zake. Mijne kinderen zijn niet gereed om te sterven, geloof het vrij.""Mevrouw! Mevrouw!" riep de nadere; en zich hervattende: "zuster, zuster! laster God niet. Voor weinige maanden leefden er nog talrijke huisgezinnen, waarvan de namen zelve door de plaag zijn uitgewischt!"De profetische toon dezer woorden maakte diepen indruk op mevrouw Van Valburg; zij verbleekte en vroeg met ontsteltenis:"Welke plaag? Welke plaag?""O, mevrouw," was het antwoord, "uwe kinderen hebben geen groot deel in uwe liefde; want anders zoudt ge ze reeds meer dan eens in uwe armen gesloten hebben, om ze, indien het mogelijk ware, van den schrikkelijken cholera-morbus te bevrijden...."Eene schielijke huivering rees over het lichaam van mevrouw Van Valburg, en zij gaf zichtbare teekenen van vrees; doch een oogenblik daarna, zich beschaamd gevoelende over eene aandoening, welke hare tegenstreefster voor zwakheid kon aanzien, herstelde zij zich. Dan naar de deur wijzende en de bel klinkende, sprak zij:"Ik vraag, of gij nu mijne woning wilt verlaten of niet? Ik ben deze lamentatiën moede en verzoek u spoedig te vertrekken, indien gij niet wilt, dat u geweld worde aangedaan. En kom niet meer om mij te spreken, want de deur blijft voor u gesloten.""Ik ga," antwoordde de jonge vrouw, zich tot de deur keerende. "Vaarwel!"Mevrouw Van Valburg, zich alleen bevindende, kon, wat moeite zij ook daartoe deed, het lastig aandenken van de cholera niet uit haren geest bannen; de woorden der jonge vrouw klonken één voor één terug in hare ooren, en dwongen haar ditmaal met geweld tot ernstige overweging. Zij belde eene tweede maal; want de knecht, dien zij geroepen had, verscheen niet. Eindelijk, vertoonde hij zich bij den ingang der zaal; maar zijne houding was zoo vreemd, zijn gelaat zoo bleek, en zijne bewegingen zoo vol achterdocht, dat mevrouw Van Valburg, hem ziende, eenen schreeuw liet en riep:"Och, Pieter, wat is er? Waarom zijt gij zoo bleek?""Mevrouw," antwoordde Pieter heel treurig, "ik durf u niet zeggen, wat ongeluk ons nadert.""Spreek, spreek, Pieter, ik beveel het u!" viel mevrouw in."Wel, mevrouw, de cholera-morbus is hiernaast, bij mijnheer Tesseniers; zijn zoon Victor is reeds dood,—en dezen morgen zeide hij mij nog goeden dag!"Dit schrikkelijk nieuws jaagde de liefde der wereld uit het hart van mevrouw Van Valburg, om het gansch met de ontwaakte moederliefde te vervullen. Zij sloeg hare beide handen aan het hoofd en riep:"O, God, mijne kinderen! Pieter, gauw, breng mijne kinderen bij mij! Doe de meid en de kamerdienaars hier komen!""Mevrouw," antwoordde de knecht nog met meer treurigheid, "uwe kinderen zijn in den hof en schijnen gezond;—ik zal ze gaan halen. Maar wat uwe dienstboden betreft, moet ik u zeggen, dat de keukenmeid hen door haar gekerm zoo verschrikt heeft, dat het onnoodig zou zijn er éénen te zoeken: zij hebben allen uw huis verlaten en zijn gevlucht."Het is licht te begrijpen, wat droefheid en wat spijt het gemoed van mevrouw Van Valburg beving, daar zij zich nu van alle vrouwelijke hulp ontbloot zag; nochtans ondersteunde haar de hoop, dat hare kinderen niet door de plaag zouden geraakt worden, en zij putte daaruit nog eenigen moed.De kinderen kwamen huppelend in de zaal, en, blijde zijnde, dat zij door hunne moeder geroepen waren, dreven zij welhaast door hunne liefkoozingen de droefheid van haar gelaat. Zij had evenwel bemerkt, dat haar oudste zoon de laatste tot haar gekomen was en zich niet zoo vlug als naar gewoonte had getoond. Hare zes kinderen dan met eene nog voor haar onbekende liefde in hare armen gesloten hebbende, bezag zij nauwer haar oudste zoontje en bevond, dat eene schielijke bleekheid over zijn gelaat rees. Een angstig voorgevoel deed haar beven."Zijt gij ziek, mijn lief kind?" vroeg zij."Neen, moeder," was het antwoord, "maar mijne ooren tuiten. Ik zie altemaal lichten voor mijne oogen.... Ai mij! nu krijg ik pijn in mijn lijf."Mevrouw Van Valburg sprong op als uitzinnig, en riep uit al hare kracht op den knecht, die ook schielijk kwam toegeloopen."O, Pieter," huilde zij, "Eugène heeft de cholera. Gauw, loop om dokters en heelmeesters, de eersten de besten. Zend ze altemaal, die gij vindt; en vergeet mijnheer Schippers niet. Zoek mij ook eene vrouw. Och, Pieter, ik smeek u, loop u buiten adem,—ik zal uwe moeite niet onbeloond laten!"De knecht verdwenen zijnde, keerde mevrouw Van Valburg zich om naar hare kinderen....Maar hoe pijnlijk was niet de gil, die als eene doodsklacht uit hare borst opsteeg! Dáár lag haar zoon op den rug uitgestrekt, zich rekkende, alsof hij zijne ledematen breken wilde; de teenen zijner voetjes wrongen zich krakend; zijne oogappelen zaten diep in zijn hoofd en gaven hem het voorkomen van een levend lijk.Ho!—hij, die gezien hadde, hoe deze moeder zich, zoo lang zij was, bij haar kind nederwierp en zijn mismaakt wezen met tranen besproeide,—hoe zij haren mond op zijne blauwe lippen plaatste en geweld deed, om een deel harer ziel in zijn lijdend lichaam over te zenden; hij, die gezien hadde, hoe razend van wanhoop zij opstond en met het kranke kind de zaal rondliep, alsof zij den dood, die het vervolgde, wilde ontvluchten;—en hadde hij daarbij gehoord, hoe zij het vertrek met een wild en akelig gehuil vervulde ... o, hij zou gewis de helft van zijn leven opgeofferd hebben om die vrouw uit eene zoo zieldoodende smart te redden. Maar de liefde eener moeder is geen onfeilbaar schild tegen den dood.—Het kind werd koud op de borst dergene, die bevend hare handen over zijne kromgespannen leden dreef; zijne wangen vielen in, alsof het vleesch onder de huid versmolten ware; zijne vingerkens berimpelden zich, alsof zij in warm water waren geweekt geweest; en, helaas! het vlies zijner oogen verdroogde en werd dor! Nochtans, het kind was niet van gevoel en verstand beroofd; want tusschen al zijne pijnen had het de liefde zijner moeder nog door eene streeling betaald, en nu riep het met eene stem, die klonk als bevend glas:"Drinken, drinken! ik heb dorst!"De verdwaalde moeder liep met haar kind naar de keuken en laafde het met het eerste vocht, dat onder hare hand zich aanbood; dan keerde zij met altijd groeiend verdriet in de zaal terug.In hare geestverwardheid had zij het gekerm harer schreiende kinderen niet gehoord; zij had ze zelfs van zich weggestooten, toen zij haar nageloopen en zich aan hare kleederen vastgehecht hadden. Het scheen haar, dat een spook haar vervolgde en haren zoon grijpen wilde; de aanrakingen harer kinderen hadden haar iedermaal eene ijzing van schrik over haar lichaam gejaagd. Vermoeid, viel zij eindelijk met haar kind tegen den grond, en beiden bleven niet bewusteloos, maar roerloos liggen. Terwijl naderde een harer kleine dochtertjes bij haar hoofd en sprak knielend...."Och, moeder, mijne ooren tuiten ook ... ik heb ook pijn."Mevrouw Van Valburg bezag het meisje met eenen smartelijken blik, sloeg den arm om hare lenden, trok ze met geweld aan hare zijde en bleef, bitterlijk weenend, tusschen de twee kranke wichtjes liggen. Hare andere kinderen zaten in de nabijheid hunner moeder, en schreiden met hartverscheurend snikken.Op dit oogenblik vertoonde zich aan de deur der zaal een persoon, wiens kleeding geheel van zwart laken was; zijne verschijning op dit tooneel geleek sterk aan de komst van den bode des doods;—doch hij, die akelige tooneel aanziende, boog het hoofd en wischte twee blinkende tranen uit zijne oogen."Rampzaligen!" zuchtte hij.
DE ENGEL.—Terug, du booze geest, wat koms du hier zoeken?
DE DUIVEL.—Denks du, engel des lichts, dat ik dij eene ziele zonder strijden overlate? Drijf dijne liefde dij tot de bescherming der menschen, mijn haat drijft mij tot hunne vervolging.
DE ENGEL.—Dijn haat! Wat heeft het maagdelijn dij gedaan?
DE DUIVEL.—Is zij geene dochter Eva's?
DE ENGEL.—Zij is het.
DE DUIVEL.—Het maagdelijn is een mensch: zij kan tot God gaan en eene plaats voor Zijn aanschijn vinden. Ik, overwonnen, neergebliksemd en tot den afgrond gedoemd, ik alleen blijf eeuwig gebannen. Den verachtelijken lieveling is mijn ontnomen vaderland geschonken.—En ik zou hem niet haten, niet vervolgen? O, te lang reeds gesproken! De nijd brandt gloeiend in mijnen boezem. Aan mij deze ziele!
DE ENGEL.—Zij is rein, du kans ze niet raken.
DE DUIVEL.—Welaan, wij zullen het beproeven! Du hebs de koude waarheid, ik de verleidende logen. Beginnen wij den strijd om haar? (Een diepe slaap overvalt den broeder; eene nevelwolk omsluit hem; de lucht wordt warm en balsemend; schitterende bloemen ontstaan rond de maagd; vogelen zingen op het geboomte.)
DE ENGEL,met droefheid en stil.—O, du almachtige, verleen aan mijn arm schutskind de krachten om dezen laatste strijd te doorworstelen. Ik kom voor dijnen troon met de beminde ziele door het vuur der beproeving gezuiverd.... Moge ik toch niet eeuwen lang het verlies betreuren van het zoete maagdelijn!
HET MEISJE;zij ontwaakt met eenen glimlach.—O, God, wat is dit? Genezen! Wat zoete begoocheling!
Maar neen, begoocheling is het niet.... Mijn hart klopt krachtig; warm bloed stroomt mij door de aderen.—Waar ben ik toch? Alles is hier zoo hemelsch schoon! Hoe geurig de lucht, hoe prachtvol het bloemtapijt, hoe verleidend de stemmen der lieve vogeltjes! Zou de engel mij reeds naar het hooge vaderland hebben opgevoerd? (De duivel vaart in eene roze.) Zie, daar buigt eene roze haren stengel tot mij. Kom, lieve bloeme, lig vrij op mijnen schoot, ik zal dij niet plukken. Hoe rijk gekleurd is dijn betooverend gelaat!
DE ROZE,waaruit de duivel spreekt.—Zuster, ik kom en rust op dijnen schoot, om dijn betooverend aangezicht te zien. O, wat bens du schoon! Geene onder ons heeft bladeren, welker verf zoo zuiver is als de kleur dijner wangen. O, verhef dijne lange wimpers nog, dat ik dijne zwarte oogappelen fonkelen zie! Ik benijd dijnen lieven monde zijn koraalrood; hadde ik bladeren als dijne lippen, zoo verwelkte ik morgen op de borst eener koninginne. O, lach nog, zuster, want dan is dijn mond gelijk aan een rozeknopje, in welks hart de rijkste parelen schitteren. Dan is dijne schoonheid onuitsprekelijk, verleidend als de jongste morgenstraal!
HET MEISJE.—Du dwaals voorzeker, lieve bloeme, of sprak dijne stem het lied, dat de rozen elkander van verre toezingen?
DE ROOS.—Neen, neen, zuster, niets op aarde is schoon als du! Ziedaar, aan dijne voetjes, het beekje, dat zijne murmelgolfkens wederhoudt om dijn beeld te herspiegelen en te streelen, O, mocht ik sterven op dijne warme borst of in dijne zijden haren. Heb medelijden met dijne arme zuster, neem ze van haren stengel, dat zij u nimmer verlate!
HET MEISJE:zij plukt de bloem en steekt ze op hare borst.—Blijf op mijne borst, lieve bloeme, en moges du lang zoo frisch en zoo bekorend prijken.... Maar, wat onbekend vuur zinkt er in mijnen boezem!.... Roze, dijne doornen wonden mij! (Zij werpt de bloem weg.) Dijne vriendschap is niet oprecht. (De duivel verbergt zich in het beekje.)
HET BEEKJE,waaruit de duivel spreekt.—O, du allerschoonste maagd, bekoorlijke Rosa!
HET MEISJE.—Wie sprak mijnen naam?
HET BEEKJE.—Engelinne, du hebs zoo dikwijls bij mijne frissche boorden zitten droomen. O, wees nu ook goedertieren genoeg ... buig dijnen zwanenhals over mij, dat ik dijn tooverbeeld ontvange.
HET MEISJE;zij buigt zich over het beekje en beschouwt haar beeld in den gladden waterspiegel.—Hoe rozevervig zijn heden mijne wangen! De meerle heeft toch geene vederen, zwarter dan mijn haar; de gitsteen glanst toch niet vuriger dan mijne oogen; de lelie is toch niet blanker dan mijn voorhoofd..... (De duivel komt uit het beekje.)
DE DUIVEL,spottende tot den engel.—Ha, ha, engel des lichts, du begins er treurig uit te zien! Voers du nog dijne verwaande taal? Neen, niet waar? Du bespeurs wat ik op de maagd vermag. Heb ik niet in mijn bezit de twee onfeilbare sleutelen van der vrouwen gemoed,—ijdelheid en liefde? Één sleutel heeft reeds den boezem der maagd ontsloten: daar huist de hoogmoed in haar hart!
DE ENGEL.—Niet als du, geest der duisternisse, zal ik roemen op eene onzekere zegepraal. Vaar voort met dijne logenen; de zonde Adams heeft den mensch aan dijne verleiding onderworpen. Doch, vergeet niet, booze, dat de beproefden in 's Heeren glorie hooger staan dan de onbevochtenen. Du bereids dus eene schitterende plaats aan de maagd, indien zij verwint, en aan dij zelven onuitsprekelijke foltering van eenen mensch goed te hebben gedaan.
DE DUIVEL,met woede.—Ha, du weets de snaar des lijdens in mijnen boezem te treffen! Gevloekt, du laffe dienaar des Machtigen! O, kon ik deze maagd doen vallen, de afgrond zou jaren lang weergalmen van mijn vreugdegehuil.... Maar zij zal vallen; zij struikelt;—ja, daar verheft zij op zich zelve. Zie, hoe zij hare beeltenis toelacht.... Let op, ik ga dij werks leveren! (Hij keert terug in het beekje.)
HET MEISJE,in de beek ziende.—Lief beekje, heeft dijn zilveren plas meer maagden herspiegeld, en was er eene mij gelijk?
HET BEEKJE.—Honderd maagden hebben hun beeld in mij bewonderd. Eene enkele was er bekoorlijk: goud en gesteenten schitterden aan haar gewaad, frissche bloemen wiegelden zich in hare lokken. O, ik heb gezien, hoe twintig schoone jongelingen haar volgden tot op mijne boorden,—voor haar knielden,—om eenen blik harer oogen smeekten en voor hare voeten kwijnend uitriepen: "O, du wreede godinne! onder dijne oogen sterven is nog hemelzaligheid!"—En toch, engellijke Rosa, bezat zij noch dijn betooverend gelaat, noch dijn rank lichaam; nevens dij ware zij eene nederige doornbloeme bij de trotsche lelie! (Zij verlaat het beekje.)
HET MEISJE;zij blijft lang in mijmering verzonken.—De schoonste zijn! Aangebeden worden als eene aardsche goedheid!.... Maar, wat zoete stem suist aan mijn oor! Dezelfde, die mij troostte in mijne krankheid;—zij is nu zoo treurig en zoo smartelijk....
DE ENGEL,met diepe droefheid.—Rosa, hebs du gansch dijnen goeden vriend vergeten? Weets du niet meer, wie bij dijne bedsponde heeft gewaakt, om dijne smarten licht en dijnen slaap zacht te maken?
HET MEISJE.—Ik weet het nog en bemin dij immer; maar waarom is dijne stem nu zoo treurig?
DE ENGEL.—Rosa, du weets niet wie ik ben; en toch, van dijne geboorte tot heden heb ik dij nooit verlaten. Ik stond bij dijne wiege, en zond over dij den zoetsten slaap; dijne lieve droomkens waren bloemen, uit mijne hand over dijn beddeken gestort. Ik bestierde dijne eerste stappekens en wierp voor dijne voetjes de steenen uit het hobbelige pad des levens. Ik, alhoewel boven den mensch verheven, ben dijn slaaf geworden door den band mijner liefde tot dijne ziele.... O, ik was gelukkig, Rosa, omdat het geluk dij wachtte. Dijn hart was als de reinste spiegel, zelfs van den minsten wasem niet besmet. Reeds teekende het dalend licht in de ruimte de hemelbaan, die wij te zamen volgen zouden. Nog een enkel uur, en du hoordes het engelenkoor dijnen welkomstgroet aanheffen.... Nu, eilaas, o smarte! nu is dijne ziel bevlekt met de zonde des ijdelen hoogmoeds.... Het licht is verdwenen ... mijn hart breekt van lijden.
HET MEISJE.—Bemins du mij dan zoozeer, goede geest? Zeg mij toch, wat heb ik gedaan, dat dij zulke smarte baart?
DE ENGEL.—Du hebs dij in dijne eigene schoonheid verhoovaardigd.
HET MEISJE.—Du erkens dus ook, dat ik schoon ben?
DE DUIVEL.—Ha, ha, wel gezegd!
DE ENGEL.—Eilaas, het kwaad is een gulzig onkruid, dat diepe wortelen schiet!... Rosa, de Heer gaf der hinde fijn gesnedene en snelle voeten,—den zwane den ranken hals,—den pauwe het gulden vederkleed,—der duive de zoete oogen,—den nachtegale het bekorend lied. Dat zij roemen, elk op de gaven, hem door God geschonken: Hij heeft hun niets meer gegeven.... Maar de mensch, o Rosa! zou die zich verhoovaardigen over het zichtbaar slijk des lichaams, en met de dieren wedijveren om de volmaaktheid van hetgene de aarde gegeven heeft, en zij eens verzwelgen en verteren zal? Heeft hij niet een ander en kostbaar juweel? Woont in hem niet het onsterfelijk eigenbeeld zijns Scheppers, de ziel? Zals du die hoogste gift van God miskennen, Rosa? Zals du ondankbaar worden?
HET MEISJE.—Neen, ondankbaar niet; maar ik verheug mij toch in de lichaamsschoonheid, door God mij verleend.
DE DUIVEL,tot den engel schertsend.—Engel des lichts, eindig toch den nutteloozen strijd; dijn pogen is ijdel. Zij wikkelt zich vaster in mijne strikken: mij zal ze toebehooren?
DE ENGEL,tot het meisje.—Zie, o dierbaar schutskind, hoe dijne woorden mijne tranen doen vlieten. Du dwaals; moge dijne zwakheid en onervarenheid dij ontschuldiging verwerven bij den Goedertierene.
HET MEISJE.—O, ween zoo niet om mij, du goede; ik lijd in dijne droefheid en begrijp wel, dat het nieuw gevoel mij schaden zal; anders, hoe zou het dij smarten, dij, mijnen trouwen vriend? Kon ik het verjagen uit mijnen boezem, ik deed het om dij te troosten; doch mij ontbreekt de macht.
DE ENGEL,tot den duivel.—Achteruit, du verleider, dijn looze strik gaat breken! (Tot het meisje.) Rosa, du hebs een gelaat, een lichaam, volmaakt genoeg om door wereldlingen te worden bewonderd; maar luister, wat du nog hebs. Dijne schoone ziel is rijk in deugden, rein en zuiver als een diamant; zij behaagt dijnen Gode, en, blijft zij zoo, dan zal zij eeuwig leven voor het aanschijn van den Onnoembare. Zeg mij, Rosa, indien du slechts ééne dezer twee schoonheden behouden mochts en de keus dij gelaten wierd, welke zouds du kiezen?
HET MEISJE.—O, ik behielde immer de zieleschoonheid.
DE ENGEL.—Wel doets du, Rosa; eene star te meer zal daarom aan dijne lichtkroon in den hemel blinken!
DE DUIVEL.—Du hebs in dezen strijd gezegepraald, engel des lichts; maar niet zoo gelukkig zals du zijn in de tweede en beslissende worsteling. Beproeven wij de ziel op den steen der wereldlijke liefde.
HET MEISJE.—O, ja, de schoonheid der ziel duurt langer; zij behaagt den goeden God zelven,—het lichaam alleen den mensche.... (Er komen twee tortelduiven op een wilgetak zitten.) Gij, lieve tortelkens, ik wil rein en vlekkeloos blijven als gij. Tortelinne, ik bemin mijnen broeder zoo vurig en zoo teeder als du dijnen broeder bemins.
DE DUIVEL,tot de duivinne.—Tot wanneer, o wreede, zals du ongevoelig blijven voor mijne smart? Ik bezwijk van liefde en droefheid, en du blijfs immer onverschillig. Is dijn hart dan van steen?
DE DUIVINNE.—Ik begrijp dij niet, mijn vriend; du treurs en weens om een onbekend wee. Zie ik dij niet gaarne? Heb ik dij verlaten om eenen anderen broeder te volgen? Du blijfs mij altijd dierbaar, du goede, trouwe vriend en beschermer.
DE DUIVEL.—Broeder, broeder! ik wil dijn broeder niet langer zijn; het koude gevoel der vriendschap is weg uit mijnen blakenden boezem; een ander vuur verteert mijn ingewand. (De duiven vliegen weg.)
H*
HET MEISJE.—Zonderling is de taal des vogels! Hij wil vriend noch broeder zijn, en toch bemint hij zoo vurig zijne gezellinne. Zoo sprak ook weleer tot mij die arme Lodewijk, mijn speelgenoot. Ik begreep hem niet;—hij wilde ook mijn broeder niet meer zijn,—en dan is hij heengegaan naar vreemde landen, omdat ik zijn hartewee niet verstond. Wat verlangde hij dan? Ik weet het niet.....
DE ENGEL,tot den duivel.—Mislukt is dijn aanslag op het spiegelrein gemoed der maagd. De Heere zij geloofd!
DE DUIVEL.—Waans du, dat ik ten einde geworsteld zij? Ik wilde slechts in haar eene herinnering opwekken; alleen den grond heb ik bereid, om in het hart der maagd eenen onfeilbaren strik te spannen. Zij heeft daar iets gezegd, dat niet verloren is. Du zals gaan zien! (Hij verwijdert zich en neemt de gedaante van eenen jongeling aan.)
HET MEISJE;zij ziet eenen jongeling naderen.—Wie komt daar? O, hemel, zou het Lodewijk zijn? Ja, ja, het is mijn speelgenoot. O vreugde! Lodewijk, goede Lodewijk!
DE DUIVEL,in de gedaante van Lodewijk, met droef gelaat.—Rosa, hebs du wel éénmaal aan dijnen ongelukkigen vriend gedacht?
HET MEISJE.—O dagelijks! Ik vergeet nimmer mijne kinderlijke vermaken, noch hem, die ze met mij zoo trouwelijk heeft gedeeld.—Maar du Lodewijk, hebs du in de wijde wereld dijne kleine gezellinne niet vergeten?
DE DUIVEL.—Dijne vraag, Rosa, doorboort mijn hart als een degen.
HET MEISJE.—Waarom toch?
DE DUIVEL.—Du zals mij dan nimmer begrijpen? O, Rosa, ik ben van hier vertrokken, den boezem verkropt door wanhoop en vertwijfeling; ik heb gedwaald als een zinnelooze en geleden als een martelaar. In onbekende streken heb ik mijne smart verteld aan de wouden, dijnen naam gezegd aan de velden, dijne schoonheid verkondigd aan het gevogelte, dijne wreedheid aan de harde rotsen. Ik heb mijne tranen langs mijn smartelijk pad gezaaid, dijn beeld heeft mij immer vervolgd; niets kon ik mij herinneren, dan alleen dijne betooverende oogen en dijne wreede gevoelloosheid. Aan dij dacht ik des morgens, des daags, des avonds en des nachts.... En du durfs mij vragen; hebs du dijne gezellinne niet vergeten? O, engellijke maagd, o, medelijden met mij, of ik sterf? (Hij vat hare handen driftig in de zijne.)
HET MEISJE,verschrikt.—Los, los! dijne handen branden als vuur, dijne blikken doorboren mijn hart.... O, beroof mij niet van mijnen zielevrede.
DE DUIVEL.—Altijd even koud! Was hetzelfde vuur in dijnen boezem, du zouds den gloed mijner handen niet voelen. Zie, wreede, daar vergaat mij het leven van pijn; mijne oogen breken.... Du moords dijnen trouwen vriend, en du ziets ongevoelig neer op zijnen dood. O erbarmen, erbarmen! (Hij knielt voor haar.)
HET MEISJE,medelijdend.—Arme Lodewijk! kon ik dijne smarten verlichten, ik deed het gaarne.
DE DUIVEL.—Du kans het, lieve! Zeg, dat du mij toebehooren wils, dat du niemand boven mij bemins.
HET MEISJE.—Lodewijk, ik heb eene moeder: haar bemin ik ook.
DE DUIVEL.—Het zij zoo, bemin dijne moeder.
HET MEISJE.—Ik heb eenen broeder.
DE DUIVEL.—Bemin ook dijnen broeder; maar zeg, dat du de mijne wils zijn, dat du niets anders boven mij bemins.
HET MEISJE.—En zoo ik het zegge, Lodewijk?
DE DUIVEL.—O, lieve Rosa, dan sterf ik niet en leef eeuwig in dijne liefde!
DE ENGEL.—Rosa, Rosa, zals du eenen mensch beminnen boven dijnen God?
HET MEISJE.—O, ik bemin mijnen God. Maar hij sterft, mijn arme vriend; zou ik hem niet troosten?
DE DUIVEL.—Rosa, Rosa! Haast du het zaligend woord te spreken: reeds voel ik den dood in mijnen boezem zinken.
HET MEISJE.—Ik sprake het woord, vreesde ik niet den Heer te vergrammen.
DE DUIVEL.—O, du bemins mij niet, wreede Rosa. Du verblijds dij in mijnen dood. Zie, daar begint mijn hart te bloeden van smart: zie, mijn hoofd zinkt ter aarde.... Haastig, haastig, dijn reddend woord!
DE ENGEL.—Rosa, Rosa, spreek niet, ongelukkig maagdelijn!
HET MEISJE.—Zal hij dan hulpeloos sterven, mijn arme vriend?
DE ENGEL,haastig.—Rosa, beslis over dijn lot; daar vóór u ligt een menschenbeeld, dat lijdt en zegt van minnepijn te sterven.—In den hemel, op den hoogsten troon, zit een Godmensch, die dij zijne liefde geschonken heeft, die zijn bloed op den Golgotha bij stroomen voor dijne zaligheid heeft vergoten....
De DUIVEL.—O medelijden, medelijden met mij!
HET MEISJE.—Ik verdwaal! Wat gedaan! Arme Lodewijk!
DE ENGEL,met wanhoop.—Rosa, dijn uur gaat slaan! O, lieve, zie mijne vlietende tranen! Dáár, daar is de dood.... Haastig, spreek dijn vonnis of dijne verzaliging.—Behoors du den jongeling en der wereld, of dijnen God, dijnen verlosser, den minnaar dijner ziele. Wien, wien zals du behooren, den gekruisten Jezus of den wulpschen jongeling? Spreek!
DE DUIVEL.—Ja, Rosa, spreek.
HET MEISJE.—Lodewijk, Lodewijk, dijn aangezicht is bekoorlijk, dijne liefde vurig en dijn lijden onuitsprekelijk....
DE ENGEL.—Eilaas, zij valt.
DE DUIVEL.—Zege, zege, mij de ziele!
HET MEISJE.—En toch, ik bemin mijnen zoeten Jezus boven alles; mijne liefde en mijne ziele eeuwig aan God!
DE ENGEL.—Heil, heil, zij heeft gezegepraald! Geloofd zij God in den hooge!
DE DUIVEL,in zijne echte gedaante.—Doemenis, doemenis, zij heeft overwonnen! De afgrond zal nu weergalmen van mijn smartgehuil.... Gevloekt, du engel des lichts! (Hij vliegt heen in de ruimte.)
(De hof verkrijgt zijne vorige gedaante; de broeder ontwaakt en staat op.)
DE ENGEL.—Rosa, dijn oogenblik is gekomen; leg dij neder met dijn hoofdeken in mijnen arm.
HET MEISJE,zij ontwaakt als uit eenen droom.—Broeder, broeder!
DE BROEDER.—Wat verlangs du, Rosa?
HET MEISJE.—Haast dij; neem op mijne wangen eenen afscheidskus voor dij, en eenen voor moeder.
DE BROEDER.—O, Rosa, du zals ons toch heden niet verlaten?
HET MEISJE.—Zie, daar staat de engelbewaarder; mijn hoofd rust in zijnen arm; hij ontsluit mij in zijne gouden vleugelen.... Hoor, het hemelkoor zingt mij tegen. Ha, ik vaar op naar het hoog vaderland!
DE BROEDER.—Lief zusterken, daar hebs du de twee zoenen.
DE ZUSTER.—Vaarwel, broeder; zeg moeder, dat zij spoedig kome, en kom du insgelijks; vader zal ik in den hemel vinden en als gij beiden zult gekomen zijn, zullen wij te zamen zingen voor des Heeren troon. Vaarwel, daar slaat de engel zijne vlerken uit,—ik stijg op met hem langs de baan des lichts!
DE BROEDER.—Dood!
Voor eenige jaren, en wel in het midden van 1832, leefde te Antwerpen eene rijke weduwe, met name Clotilde Van Valburg. Daar zij uitnemend schoon van aangezicht en van leden was en niet beroofd van dien spelenden geest, dien de Franschenespritnoemen, had zij zich, volgens eene uitheemsche denkwijze, aangezien als uitsluitend geroepen zijnde tot het genieten van allerlei vermaak en wereldsche vreugde. Even gelijk alle vrouwen van dien aard, vreesde zij de ernstige gedachten, de edelmoedige ontroeringen, als de vijanden van een zoet en droomig leven: ook was zij ongevoelig geworden voor alles, wat niet rechtstreeks tot hare wulpschheid behoorde. Een ongelukkige was voor haar een voorwerp van onverschilligheid, zoo niet van afkeer; hare kinderen zelven, alhoewel schoon als engelen, zag zij niet met dit moederlijk gevoel aan, dat wel het allerlaatste uit den boezem eener vrouw vervliegt.... Maar een kleed, dat niet naar haren zin gemaakt was, het breken eener nietswaardige Chineezerij, het zien van een juweel aan den hals eener andere dame, en zulke kinderachtigheden meer, konden haar dermate ontroeren, dat zij somwijlen er om te werk ging, alsof de grootste rampspoed haar overkomen ware.
Deze vrouw bevond zich op zekeren dag in eene kleine zaal harer prachtige woning. Zij lag half uitgestrekt op een rustbed van rood damast en hield de oogen weifelend gevestigd op de bladen van een boek, dat met de schildering van het Parijsche leven niet veel goede zedelessen bevatte. Las zij er in?—Misschien wel; doch wie haar zag en haar niet geleek, zou gezegd hebben, dat de luiheid haar belette de oogen gansch te openen.—Alles in die plaats gaf getuigenis van den rijkdom en van den beuzelachtigen smaak der meesteresse; de schouwplaat en de venstertafelen waren overladen met die brooze voorwerpen, welker gebruik voor eigenaars en aanschouwers een raadsel is, en die van de kinderspeeltuigen veeltijds alleen in prijs verschillen. Het licht, dat met moeite van buiten in dit verblijf der weelde drong, was niet klaar en levendig als het licht der zon; maar het werd hier bij middel der venstergordijnen gedwongen, zich in eene flauwe, roosachtige tint te hervormen, en aan alles eene wellustige en verleidende verf te geven.
Deze zaal nochtans was opgeluisterd door de tegenwoordigheid van zes allerschoonste kinderen, die heel zachtjes en zonder het minste gerucht te durven maken, op het grondtapijt bezig waren met in een groot boek beeldekens te zoeken. Zij durfden niet spreken en drukten elkander hunne blijdschap of verwondering met teekens en gebaren uit; want zij wisten, dat bij de geringste stoornis hunne moeder hen oogenblikkelijk naar een ander vertrek zou verbannen hebben. Het oudste dier lieve kinderen kon twaalf jaar oud zijn terwijl het jongste slechts zijn derde jaar bereikte. Zij waren drie broederkens en drie zusterkens, en schenen elkander vurig te beminnen; want een zoete en lieftallige glimlach zweefde op hunne aangezichten, en hunne handekens ontmoetten elkander zeer dikwijls.... Ik heb menigmaal zulke tafereelen geschilderd gezien, waarop een zestal engelen zinnebeeldigerwijze een zuiver en nog onnoozel vermaak voorstellen.... Ja, het was wel zoo:—die fijne kinderwezens, dit helder gelaat, door achterdocht nog niet gerimpeld,—die blonde haren, door ouderdom nog niet verzwart, door het vuur nog niet gezengd,—die poezelige armkens en losse leden, door arbeid of overdaad nog niet verstramd.... de menschelijke natuur in al hare frischheid, zoo groen en zoo lief als de eerste kruiden, de eerste bloemen der Lente!
En gelooft gij, dat de moeder dezer engelenbeelden haar oog met meer vermaak op hen sloeg dan op het besmettend verhaal der uitheemsche verdorvenheid? Neen, zij bezag hen niet. En toch was haar hart niet gansch ledig van moederliefde; maar het was vervuld met de liefde tot de wereld.
Nadat zij aldus ruim een uur lang op het rustbed was blijven liggen, zonder zich verroerd te hebben, werd er zachtjes aan de deur geklopt, en een knecht trad, na gegeven oorlof, binnen. Hij boog zich en sprak:
"Madame, eene vrouw heeft zich gedurende dezen morgen reeds viermaal aangeboden, om in uwe tegenwoordigheid toegelaten te worden. Ik heb ze altijd afgewezen;—zij schijnt eene gemeene burgerin."
"Gij hebt wel gedaan, Pieter. Men late mij met vrede: ik benonzichtbaarvoor zulke lieden. Maar indien Eugène De Valenge komt, laat hem binnen, en betuig hem veel eerbied. Gij weet wel, de jonge Franschman, die mij gisteren van hetconcertnaar huis geleidde?"
De knecht deed een bevestigend teeken met het hoofd en hernam:
"Ik vergat u te zeggen, madame, dat de vrouw, van wie ik zoo even sprak, in de voorkamer uw antwoord wacht. Zij weent, dat het een hart breken zou, en schijnt van uwe goedheid iets te willen afsmeeken."
Mevrouw Van Valburg stond op van haar rustbed en trapte twee- of driemaal met ongeduld op het tapijt. Dan riep zij:
"Wel, wel! Nooit rust! Nu, zeg op: wat is het voor eene vrouw? Hoe is haar naam?"
"Madame, zij is slecht gekleed en deed zich aanmelden onder den naam van Carolina Soeteveld, zeggende, dat zij uwe schoonzuster is."
Dit laatste woord was des knechts lippen niet zoo haast ontvallen, of eene roode kleur, waarbij ook wel iets purperachtigs was, beklom het aangezicht van mevrouw Van Valburg. Zij bracht haren wijsvinger vooruit en antwoordde met gramschap:
"Pieter, ik verbied u deze vrouw te laten binnenkomen; zeg haar, dat ik niet te huis ben. Ga!"
Maar nauwelijks was de knecht sedert eenige oogenblikken vertrokken, of men hoorde in de voorkamer eenige klagende gillen,—een gerucht als van eene worsteling. De deur der zaal vloog open.—Eene nog jonge vrouw sprong er binnen en viel op hare knieën voor de voeten van mevrouw Van Valburg. Deze was rood van toorn of van schaamte, misschien van beide die gevoelens te gelijk. Zij hief het hoofd met trotschheid op en zag verachtend neder op de ongelukkige, die de handen smeekend tot haar uitstak. Mevrouw Van Valburg wees hare kinderen de zaal uit en sprak, zich tot de geknielde keerende:
"Welnu, wat beteekent dit? Waartoe deze komedie? Zeg op, wat wilt gij?"
De jonge vrouw stuurde eenen blik als een gebed in de oogen van mevrouw Van Valburg, en zuchtte weenend:
"O, mevrouw, spreek toch zoo niet tot mij! Ik ben ongelukkig en totterdood toe bedroefd. Ontferm u over eene rampzalige, die uwe hulp op hare knieën afbidt...."
De ongevoelige dame liet de geknielde zitten en ging eenige treden van haar weg; dan het boek in de hand genomen hebbende, antwoordde zij met eene gemaakte koelheid:
"Ik heb geenen tijd om op al dit gekerm acht te geven. Verlangt gij iets van mij, zoo is de tooneelmatige wijze de rechte niet om tot uw doel te komen; en mits ik wel zie, dat ik het verhaal uwer geschiedenis niet zal ontsnappen, begin dan en maak het zoo kort mogelijk."
Het was gedurende die bitsige woorden zichtbaar op het gelaat der jonge vrouw, dat zij zich diep er door gehoond vond; doch eene geheime oorzaak dwong haar ontgetwijfeld tot het verdragen daarvan: want zij bewoog hare armen met pijnlijk ongeduld, en hare gebaren schenen te zeggen: "O God, o God! ik moet het verkroppen!" Zij stond op en antwoordde, niet zonder zekere fierheid:
"Mevrouw, er moest eene onweerstaanbare reden zijn, om mij tot dit bezoek te brengen; want ik weet, dat de banden des bloeds, die ons vereenigen, in u veeleer eene oorzaak van haat dan van liefde zijn. Maar heb nu toch eens medelijden met ons,—o, red ons van schande en armoede! Laat mijn gebed niet nutteloos zijn.... en ik zal uwen naam zegenen als dien van eenen engel!"
Voor alle antwoord vatte mevrouw eene zilveren bel van de tafel en deed ze twee-of driemaal klinken.
"Pieter," sprak zij tot den knecht, die haar bevel kwam ontvangen, "men spanne mijn rijtuig in. Spoedig!"
En zich tot de weenende vrouw wendende:
"Gij ziet wel, dat, indien gij zoo voortgaat, ik den tijd niet hebben zal om u aan te hooren. Dus nog eens, maak het kort!"
Eene lichte gramschap glom op het gelaat der ongelukkige; doch zij weerhield zich en sprak met haastige woorden:
"Mevrouw en zuster, gij weet het: wij hebben, alhoewel in den nood, nooit uwe hulp gevraagd; mijn man is arbeidzaam, en wij allen met weinig tevreden; doch de hand Gods heeft ons bezocht. Mijn echtgenoot is zijne bediening reeds sedert twee jaren kwijt geraakt, en wij hebben, sinds dit rampspoedig tijdstip, op beloften en hoop geleefd. Vóór maanden hebben wij eenigen handel willen drijven en daartoe eene goede somme gelds ontleend; maar een ontrouw mensch heeft ons bedrogen en wij hebben alles verloren. Mijn man zit in de gevangenis om den vervallen wissel, een mijner twee kinderen ligt in het gasthuis, mijn huisraad wordt Vrijdag door de Wet verkocht, overmorgen word ik uit mijne woning verjaagd. Ik heb geld noch spijze, en lijd voor allen te zamen: voor mijnen man, wiens eer gevaar loopt; voor mijn kind dat in het gasthuis gaat sterven; voor mijn ander kind, dat zijne moeder te vergeefs om eten vraagt en met mij, binnen twee dagen, de straat voor woning en voor bedstede hebben zal. O, mevrouw! zult gij in deze omstandigheid vergeten, dat uwe kinderen en mijne kinderen niet van een geheel verschillend bloed zijn? Zult gij eene vrouw, die moeder en ongelukkig is, van eene andere moeder ongetroost laten weggaan?"
Mevrouw Van Valburg hoorde met tegenzin, dat de smeekende haar van maagschap durfde spreken; zij voelde zich gekwetst en was boos.
"En wat kan ik daaraan doen?" antwoordde zij met barschheid.
"Mevrouw," hernam de klagende moeder, "ziehier mijne bede: heb de goedheid ons eene som van drieduizend franken te leenen. Met dit geld verlos ik mijnen man uit de gevangenis; ik neem mijn arm kind uit het gasthuis en betaal de huur mijner woning.... Denk, wat zegeningen wij over u roepen zullen, daar gij ons uit zulken diepen kolk van ellende en schaamte zult hebben gered."
Zij wachtte eenige oogenblikken met angst op hetgeen mevrouw Van Valburg haar zeggen zou, en kreeg eindelijk tot antwoord:
"Ik ben niet gewoon geld te leenen om ondankbaren te maken. Hadde uw man zoo lang niet ledig geloopen, zoo zoudt gij niet in dezen toestand zijn. Hoop dus niet, dat ik mijn geld besteden zal om de luiaardij aan te moedigen. Gij kunt vertrekken; zie, dat gij u zelve uit de ellende redt, waarin gij u zelve gestort hebt. Indien gij denkt, dat ik u zal onderhouden, zoo bedriegt gij u niet weinig. Hebt gij niet gehoord, dat ik u sprak van vertrekken? Dáár is de deur!"
De arme vrouw begon bij deze harde woorden eenen vloed van tranen te storten. Het scheen, dat zij door het boezemwee, dat haar verkropte, ging verstikken; doch op eens brak zij in woede los, en zich voor mevrouw Van Valburg plaatsende, sprak zij met opgeheven hoofd:
"Ha, mevrouw, het was u niet genoeg eene arme door moeder uwe dienstknechten te doen mishandelen; gij moest zelfs door uwen mond den laster op haar ongeluk werpen en ze ter deure doen uitjagen als eenen hond? Hebt gij uwe eigene geschiedenis vergeten? Weet gij niet meer, dat uw man mijn broeder was, en dat de helft van den rijkdom, dien gij gebruikt, mij onrechtvaardig is ontnomen? Weet gij ook wel, hoovaardige vrouw, dat gij op de wereld niets bezit, en dat gij slechts de inkomsten van een fortuin geniet, waartoe ik meer recht heb dan gij, aangezien gij het nooit erven kunt, maar ik wel?"
Mevrouw Van Valburg, die van razernij op haar rustbed was neergevallen, richtte zich haastig op en riep met bevende stem:
"Onbeschaamde! Wat logentaal durft gij spreken?"
"Logentaal?" hernam de andere. "Logentaal? Stelde het testament van mijnen oom mij en mijnen broeder niet tot zijne erfgenamen in?—En hebt gij, door uwen valschen raad, mijnen broeder niet genoopt om mij mijn erfdeel te ontrooven? Ja, ja: want gedurende de laatste dagen vóór den dood mijns ooms hebt gij en mijn broeder zijne woning in bezit genomen. Gij durfdet mij zeggen, dat hij mij niet zien wilde, en hij is gestorven, mij roepende als zijn dierbaarst kind! Wat kwaad, wat laster hebt gij niet over mijnen goeden naam uitgebraakt, edele dame, om mijnen goeden oom een tweede testament te ontrukken, en mij van alles, wat zijne liefde mij bestemde, te berooven! Ik weet het, want ik heb mijnen broeder op zijn sterfbed vergiffenis en verzoening geschonken. Hij was niet plichtig, maar zwak.... Gij alleen, mevrouw, gij zijt het, die mij verraderlijk hebt bestolen, en dit laat zich nog genoeg merken aan uwen bitteren haat tegen ons...."
Nu klom de woede van mevrouw Van Valburg ten top; het bloed vertoonde zich gloeiend onder hare wangen, en zij borst los in de volgende bedreigingen:
"Wat gestolen?—Ik gestolen? Gij onbeschofte! Maak u uit mijn huis, dolle schreeuwster, of ik doe u waarachtig als eenen hond op de straat werpen. Gij zult hier zonder schaamte mijne woning door uwe lasterlijke beschuldigingen komen onteeren! Gaat gij?... of deze bel zal u welhaast, met of tegen dank, doen verhuizen."
"Laat af!" sprak de jonge vrouw met fiere kalmte, "voeg bij den hoon, dien gij mij reeds hebt aangedaan, die schandelijke gewelddaad niet. En denk niet, dat ik door mijne verwijtingen poog te verkrijgen, wat gij aan mijne ootmoedige bede hebt geweigerd; neen, gij moogt vrij het goud bij hoopen voor mij uitstorten, ik zou mijne hand niet willen besmeuren door het aan te raken. Behoud uw geld en uwe ondeugden! Ik zal lijden; maar in mijne pijnen heb ik toch dit genoegen, dat ik mij zelve grooter en beter acht dan eene onedele dame, die het zich geene misdaad gerekend heeft een gansch huisgezin, door laag bedrog, in ellende te dompelen...."
Mevrouw Van Valburg was niet meer in staat om op de verwijtingen harer beschuldigster te antwoorden; alleen de strakke uitdrukking harer oogen gaf hare beklemde razernij te kennen. Zij dorst echter de bel niet klinken uit vrees van grootere schande, en luisterde op hetgeen de jonge vrouw zeide:
"Vergeet niet, wat het testament mijns ooms daarstelt: al zijne erfgoederen, die nu op de hoofden uwer kinderen staan, zullen op mij en mijne kinderen vervallen, indien de uwe eerder deze wereld verlaten dan de mijne. Ik kan dus, indien het den Heere zoo beliefde, uwen rijkdom ook nog gedurende uw leven bezitten."
Deze woorden verwekten in mevrouw Van Valburg eenen spottenden lach en schenen haar hart van eenen zwaren steen te ontlasten. Zij sprak met klaardere stem:
"Vrouw, gij zijt van uwe zinnen! Het feilt u waarlijk in de hersens;—en nu ik dit merk, vergeef ik u gaarne uwe gekke redenen. Hoopt gij dan in uwe dwaasheid, dat uwe twee magere zonen langer zullen leven dan mijne zes schoone en gezonde kinderen? Gij zijt niet bij uw verstand...."
"Mevrouw," antwoordde de andere, "Hij, die onze harten doorgrondt, kent mijne wenschen, en Hij weet, dat ik het eene onvergeeflijke zonde achten zou, den dood van een uwer lieve en onnoozele kinderen te verlangen. O, neen! de hemel beware u een talrijk kroost!—Maar gij, mevrouw, waarom denkt gij, dat het Gode onmogelijk zijn zou, zijne hand over rijke menschen uit te strekken? Bezoekt Hij dan alleen de noodlijdenden? Gij vreest niets voor uwe kinderen.... Bemint gij ze dan niet?—Ik, arme moeder, ik heb nu reeds zoo dikwijls met tranend oog op mijne twee kranke wichtjes gestaard; want ik vrees voor den geesel des hemels, de plaag, die zich als een onmeetbare lijkdoek over de aarde verspreidt." Meer kalmte was in mevrouw Van Valburg gekomen, sedert de jonge vrouw ook hare beschuldigingen had gestaakt. Zij antwoordde schertsend:
"Wat ligt gij lieden altijd van God te praten? Misschien is dit voor u een gemakkelijke troost; doch dit doet hier niets ter zake. Mijne kinderen zijn niet gereed om te sterven, geloof het vrij."
"Mevrouw! Mevrouw!" riep de nadere; en zich hervattende: "zuster, zuster! laster God niet. Voor weinige maanden leefden er nog talrijke huisgezinnen, waarvan de namen zelve door de plaag zijn uitgewischt!"
De profetische toon dezer woorden maakte diepen indruk op mevrouw Van Valburg; zij verbleekte en vroeg met ontsteltenis:
"Welke plaag? Welke plaag?"
"O, mevrouw," was het antwoord, "uwe kinderen hebben geen groot deel in uwe liefde; want anders zoudt ge ze reeds meer dan eens in uwe armen gesloten hebben, om ze, indien het mogelijk ware, van den schrikkelijken cholera-morbus te bevrijden...."
Eene schielijke huivering rees over het lichaam van mevrouw Van Valburg, en zij gaf zichtbare teekenen van vrees; doch een oogenblik daarna, zich beschaamd gevoelende over eene aandoening, welke hare tegenstreefster voor zwakheid kon aanzien, herstelde zij zich. Dan naar de deur wijzende en de bel klinkende, sprak zij:
"Ik vraag, of gij nu mijne woning wilt verlaten of niet? Ik ben deze lamentatiën moede en verzoek u spoedig te vertrekken, indien gij niet wilt, dat u geweld worde aangedaan. En kom niet meer om mij te spreken, want de deur blijft voor u gesloten."
"Ik ga," antwoordde de jonge vrouw, zich tot de deur keerende. "Vaarwel!"
Mevrouw Van Valburg, zich alleen bevindende, kon, wat moeite zij ook daartoe deed, het lastig aandenken van de cholera niet uit haren geest bannen; de woorden der jonge vrouw klonken één voor één terug in hare ooren, en dwongen haar ditmaal met geweld tot ernstige overweging. Zij belde eene tweede maal; want de knecht, dien zij geroepen had, verscheen niet. Eindelijk, vertoonde hij zich bij den ingang der zaal; maar zijne houding was zoo vreemd, zijn gelaat zoo bleek, en zijne bewegingen zoo vol achterdocht, dat mevrouw Van Valburg, hem ziende, eenen schreeuw liet en riep:
"Och, Pieter, wat is er? Waarom zijt gij zoo bleek?"
"Mevrouw," antwoordde Pieter heel treurig, "ik durf u niet zeggen, wat ongeluk ons nadert."
"Spreek, spreek, Pieter, ik beveel het u!" viel mevrouw in.
"Wel, mevrouw, de cholera-morbus is hiernaast, bij mijnheer Tesseniers; zijn zoon Victor is reeds dood,—en dezen morgen zeide hij mij nog goeden dag!"
Dit schrikkelijk nieuws jaagde de liefde der wereld uit het hart van mevrouw Van Valburg, om het gansch met de ontwaakte moederliefde te vervullen. Zij sloeg hare beide handen aan het hoofd en riep:
"O, God, mijne kinderen! Pieter, gauw, breng mijne kinderen bij mij! Doe de meid en de kamerdienaars hier komen!"
"Mevrouw," antwoordde de knecht nog met meer treurigheid, "uwe kinderen zijn in den hof en schijnen gezond;—ik zal ze gaan halen. Maar wat uwe dienstboden betreft, moet ik u zeggen, dat de keukenmeid hen door haar gekerm zoo verschrikt heeft, dat het onnoodig zou zijn er éénen te zoeken: zij hebben allen uw huis verlaten en zijn gevlucht."
Het is licht te begrijpen, wat droefheid en wat spijt het gemoed van mevrouw Van Valburg beving, daar zij zich nu van alle vrouwelijke hulp ontbloot zag; nochtans ondersteunde haar de hoop, dat hare kinderen niet door de plaag zouden geraakt worden, en zij putte daaruit nog eenigen moed.
De kinderen kwamen huppelend in de zaal, en, blijde zijnde, dat zij door hunne moeder geroepen waren, dreven zij welhaast door hunne liefkoozingen de droefheid van haar gelaat. Zij had evenwel bemerkt, dat haar oudste zoon de laatste tot haar gekomen was en zich niet zoo vlug als naar gewoonte had getoond. Hare zes kinderen dan met eene nog voor haar onbekende liefde in hare armen gesloten hebbende, bezag zij nauwer haar oudste zoontje en bevond, dat eene schielijke bleekheid over zijn gelaat rees. Een angstig voorgevoel deed haar beven.
"Zijt gij ziek, mijn lief kind?" vroeg zij.
"Neen, moeder," was het antwoord, "maar mijne ooren tuiten. Ik zie altemaal lichten voor mijne oogen.... Ai mij! nu krijg ik pijn in mijn lijf."
Mevrouw Van Valburg sprong op als uitzinnig, en riep uit al hare kracht op den knecht, die ook schielijk kwam toegeloopen.
"O, Pieter," huilde zij, "Eugène heeft de cholera. Gauw, loop om dokters en heelmeesters, de eersten de besten. Zend ze altemaal, die gij vindt; en vergeet mijnheer Schippers niet. Zoek mij ook eene vrouw. Och, Pieter, ik smeek u, loop u buiten adem,—ik zal uwe moeite niet onbeloond laten!"
De knecht verdwenen zijnde, keerde mevrouw Van Valburg zich om naar hare kinderen....
Maar hoe pijnlijk was niet de gil, die als eene doodsklacht uit hare borst opsteeg! Dáár lag haar zoon op den rug uitgestrekt, zich rekkende, alsof hij zijne ledematen breken wilde; de teenen zijner voetjes wrongen zich krakend; zijne oogappelen zaten diep in zijn hoofd en gaven hem het voorkomen van een levend lijk.
Ho!—hij, die gezien hadde, hoe deze moeder zich, zoo lang zij was, bij haar kind nederwierp en zijn mismaakt wezen met tranen besproeide,—hoe zij haren mond op zijne blauwe lippen plaatste en geweld deed, om een deel harer ziel in zijn lijdend lichaam over te zenden; hij, die gezien hadde, hoe razend van wanhoop zij opstond en met het kranke kind de zaal rondliep, alsof zij den dood, die het vervolgde, wilde ontvluchten;—en hadde hij daarbij gehoord, hoe zij het vertrek met een wild en akelig gehuil vervulde ... o, hij zou gewis de helft van zijn leven opgeofferd hebben om die vrouw uit eene zoo zieldoodende smart te redden. Maar de liefde eener moeder is geen onfeilbaar schild tegen den dood.—Het kind werd koud op de borst dergene, die bevend hare handen over zijne kromgespannen leden dreef; zijne wangen vielen in, alsof het vleesch onder de huid versmolten ware; zijne vingerkens berimpelden zich, alsof zij in warm water waren geweekt geweest; en, helaas! het vlies zijner oogen verdroogde en werd dor! Nochtans, het kind was niet van gevoel en verstand beroofd; want tusschen al zijne pijnen had het de liefde zijner moeder nog door eene streeling betaald, en nu riep het met eene stem, die klonk als bevend glas:
"Drinken, drinken! ik heb dorst!"
De verdwaalde moeder liep met haar kind naar de keuken en laafde het met het eerste vocht, dat onder hare hand zich aanbood; dan keerde zij met altijd groeiend verdriet in de zaal terug.
In hare geestverwardheid had zij het gekerm harer schreiende kinderen niet gehoord; zij had ze zelfs van zich weggestooten, toen zij haar nageloopen en zich aan hare kleederen vastgehecht hadden. Het scheen haar, dat een spook haar vervolgde en haren zoon grijpen wilde; de aanrakingen harer kinderen hadden haar iedermaal eene ijzing van schrik over haar lichaam gejaagd. Vermoeid, viel zij eindelijk met haar kind tegen den grond, en beiden bleven niet bewusteloos, maar roerloos liggen. Terwijl naderde een harer kleine dochtertjes bij haar hoofd en sprak knielend....
"Och, moeder, mijne ooren tuiten ook ... ik heb ook pijn."
Mevrouw Van Valburg bezag het meisje met eenen smartelijken blik, sloeg den arm om hare lenden, trok ze met geweld aan hare zijde en bleef, bitterlijk weenend, tusschen de twee kranke wichtjes liggen. Hare andere kinderen zaten in de nabijheid hunner moeder, en schreiden met hartverscheurend snikken.
Op dit oogenblik vertoonde zich aan de deur der zaal een persoon, wiens kleeding geheel van zwart laken was; zijne verschijning op dit tooneel geleek sterk aan de komst van den bode des doods;—doch hij, die akelige tooneel aanziende, boog het hoofd en wischte twee blinkende tranen uit zijne oogen.
"Rampzaligen!" zuchtte hij.