VICTOR,binnensmonds.—Dief, dief, na.(Er wordt aan de deur gebeld; de meester doet open.)VROUW VAN LAER,moeder van Victor.—Goeden dag, meester Verdonck. Ik kom eens zien naar mijnen jongen. Ik ben daar naar de markt geweest, om wat selder en ajuin te koopen, gelijk een mensch zoo al noodig heeft in zijn huishouden; en ik zeide zoo in mij zelve: wacht, zeide ik, ik zal eens naar mijnen Victor gaan zien. Zijt gij er tevreden over?DE MEESTER,met fleemende stem.—Ten uiterste, madam Van Laer. Victor is wijs,—niet waar, Victor? Het is een mijner beste leerlingen;—hij is daareven nog eene klasse verhoogd, en morgen gaat hij inde Schat der kinderen[38].VR. VAN LAER.—Maar wat heeft hij aan zijn oog, och arme? Het is zoo rood!DE MEESTER.—Ik heb daar eenen stouten jongen, die altijd kwaad doet aan Victor,—zeker uit nijd, omdat hij zooveel leert. (Tot Edward) Edward, pas op dat gij Victor nog durft slaan, dan vliegt gij de school af, wees zeker!EDWARD,morrende.—G'hebt het zelf gedaan. G'hebt Victor met uw reglet in zijn oog geslagen.DE MEESTER,eenen gloeienden blik op Edward werpende.—Zwijg, franke ezel[39],—want er is toch niets goed van u te maken. Doe gelijk Victor, dan zullen uwe ouders ook blij mogen zijn.EDWARD,binnensmonds.—Omdat zijne moeder hier is, eh? Dat 's niets, straks krijgt hij toch weer haver.VR. VAN LAER.—Maar, meester Verdonck, daar is de jongen van madam Laurier,—gij weet wel, die bij meester Huysmans ter schole gaat? Eh wel, die spreekt altijd van Amerika en van alle vreemde landen, gelijk een philosoof. Zou Victor dit ook niet kunnen leeren?DE MEESTER.—Degeographie, wilt gij zeggen, madam? Wel, zie, daar hangt ze! (hij wijst op de landkaart.) Uw Victor is daar al heel ver in,—hij is zelfs een van mijn' besten.VR. VAN LAER.—Dat wilde ik wel eens zien.DE MEESTER,tot Victor.—Kom hier voor de kaart, Victor, en laat eens zien aan uwe moeder, wat bol gij in degeographiezijt! (Victor gaat voor de kaart met den meester en met zijne moeder.) Hoevele winden zijn er, Victor?VICTOR.—Vier.DE MEESTER.—Ziet gij wel, madam, hij weet het zoo juist, alsof hij gedurende geheel zijn leven op zee gevaren had! Nu zal hij eens wijzen, waar de vier winden zijn.VR. VAN LAER,in verrukking.—Wel, God, is 't mogelijk? Zoo een kind! Waarachtig, 't is gelijk een kapitein van een schip. Hoe kan hij het onthouden!DE MEESTER,hij wijst met een stokje boven de kaart.—Victor, waar is het Noorden?VICTOR,met stoutheid.—Van boven.DE MEESTER,het stokje onder de kaart plaatsende.—Waar is het Zuiden?VICTOR.—Van onder.DE MEESTER,met het stokje de rechterzijde der kaart toonende.—En het Oosten?VCTOR,met koddigen ernst.—Daar op zijde, waar gij met uw stoksken wijst.VR. VAN LAER,verwonderd, alsof zij een mirakel geschieden zag.—Hoe kan het toch zijn! Kom hier, Victor, dat ik u eenen kus geef. Gij zult nog minister worden, gij!DE MEESTER,tot Victor.—Waar wonen wij? In welk land staat deze school?VICTOR,zeer ernstig.—Op de Paardenmarkt.DE MEESTER,op zijne lippen bijtende en half beschaamd.—Ja, ja, op de Paardenmarkt, juist!—Maar in welk land zijn wij?—In Spanje, in Turkije, in Lapland of in Belgenland?VICTOR.—In Belgenland.DE MEESTER,vergenoegd.—Ik wist wel, dat hij het niet vergeten had. Wijs nu Belgenland op de kaart eens, Victor! (Victor, na lang zoeken, wijst het land der Hottentotten op de kaap de Goede Hoop.) Dat is mis, Victor. Toe jongen, g'hebt Belgenland daar straks wel vijfentwintig keeren gewezen. (Tot vr. Van Laer.) Madam, hij is beschaamd in uwe tegenwoordigheid. Hij kan anders alle landen en steden wijzen met zijne oogen toe. Ho, het is een kind, waar veel insteekt.KAREL,tot Edward met zachte stem.—Wat leelijke mouwstrijker dat de meester is, eh?EDWARD.—Wat grooten hoed dat Victors moeder op heeft, eh? Hebt gij geenen bol papier, 'k zal eens roos schieten?FRANS.—Ik heb er eenen: let op, hij gaat!DE MEESTER,roepende.—Silence, daar in den hoek!VR. VAN LAER,tot den meester.—Ik heb het altijd gezegd, dat onze Victor een verstandig kind is. Nochtans, zijn vader wil in zijne koppigheid hebben, dat mijn Victor een ezel is, en dat het beter ware hem eenen stiel te leeren;—maar ik zal wel maken, dat hij ten minste pastoor of advocaat wordt ... want het kind is er zeker toe geboren.DE MEESTER,zich buigende.—Daarin hebt gij het grootste gelijk van de wereld. Gij kunt er ongetwijfeld eenen pastoor, eenen advocaat of eenen schoolmeester van maken.(Er wordt met eenen bal papier uit eenen hoek der school geworpen. De bal vliegt met kracht tegen den hoed van vr. Van Laer.)VR. VAN LAER,verstoord.—Wel wat afgrijselijke dingen!—Een mensch met papier durven werpen in tegenwoordigheid van den meester. Hoe slecht dat sommige kinderen zijn opgevoed!DE MEESTER,met groote woede.—Wie heeft dit gedaan? Wie durft die achtbare madam Van Laer met papier werpen?EDWARD,roepende.—Frans heeft het gedaan, meester! Hij heeft gezegd: zie, dat is een' kokarde op haren zomerhoed!DE MEESTER,Frans bij den kraag naar de deur slepende.—Hier gij, schelm! De deur uit, deugnietenkind! (Hij werpt hem aan de deur.)FRANS,buiten luidkeels schreeuwende.—Ge meent, dat ik nog zal weerkomen, eh?—maar 't zal niet waar zijn, beer! leelijke beer!... (Stilte.)VR. VAN LAER.—Ik ben voldaan over mijnen jongen en ik ga al gauw naar huis, want ik moet mijne keuken gaan oppassen; maar ik zou gaarne hebben, dat gij mijnen zoon leerdet pennen vermaken; want hij wil thuis nooit schrijven, omdat zijne pennen altijd te vet of te mager zijn, volgens dat hij zegt.DE MEESTER.—Is 't anders niets, madam Van Laer? Wel, ik zal het hem op het oogenblik leeren, dat gij het ziet; ik geloof zelfs dat hij het reeds kan.EDWARD,tot Karel.—Ja,pennekepikkan hij beter, eh?KAREL,roepende.—Meester, Edward lacht u uit!EDWARD.—Neen wel, meester, hij is het zelf.—Hij zegt, dat Victor beterpennekepikkan!DE MEESTER,dreigend.—Silence, daar, zagemannen! of ik zet u de school af.... (Stilte.)Allons, Victor, let wel op, ik zal het u eens voordoen. (Hij vermaakt langzaam eene pen en zegt opvolgend:) Gij neemt eene pen in de rechterhand en laat ze overgaan in de linkerhand; dan legt gij ze op haren rug en snijdt ze den bek met eene groote snee open. Dan legt gij ze op haren buik en geeft ze weer eene snee....PIET,schreeuwende.—Meester, meester! daar vliegt eenmeuldener[40]in de school! Pst! Pst!AL DE LEERLINGEN.—Hoera! Hoera!—Pakt hem!—Hoe na of ik had hem! Hier, daar, pst! pst!(Zij werpen met klakken en cahiers naar den kever. Alles geraakt het onderste boven in de school. Vr. Van Laer, die voor de kevers schrikt, weet niet, waar zich te bergen. Tot overmaat van ongeluk vliegt de kever haar in het haar.)VR. VAN LAER,met bange stem.—Och! och! meester, verlos mij van dat ongediert of ik krijg er iets van. Foei, foei, het is venijn! (De meester neemt den kever van haar hoofd.) Ai, mij! daar houd ik eenen schrik van. Het zinkt altemaal in mijn' beenen. Wel, meester, wat beklaag ik u,—wat moet gij al uitstaan van die deugnieten. Dat het de mijne waren, ik zou ze anders leeren dansen.DE MEESTER,met gramschap rondziende.—Ik zal u straks spreken! (Stilte.)Allons, Victor, vermaak nu eens eene pen. Eerst op haren rug, dan op haren buik ... zooals ik u gezegd heb. (Hij geeft eene pen en een pennemes aan Victor.)VICTOR,met ongeduld.—Weet ik nu haren buik, eh? Waar is nu haar buik?DE MEESTER.—Snijd er maar stoutelijk door, Victor.—Geef ze maar eene goede snee.(Victor snijdt met drift, doch in stede van de pen den bek af te snijden, geeft hij zich zelven eene diepe snede in den vinger en laat zich huilend achterover vallen. Hij bloedt sterk.)VR. VAN LAER,bleek van schrik en angst. Zij neemt Victor in hare armen.—Och God! och Heer! Mijn arm kind is dood.—Ziet eens wat snee. (Zij beziet den verbaasden meester met woede.) Meester Verdonck, ik weet niet, hoe gij niet beschaamd zijt om dit kind een mes in zijne hand te geven. Daar moet gij toch bot voor zijn.—Dis is uwe schuld....DE MEESTER,met spijt.—Hij kon toch geene pen vermaken zonder mes, madam.VR. VAN LAER.—Zonder mes! Zonder mes! Gij zijt nog veel dommer dan al die onbeleefde luieriken, die gij daar hebt zitten ... met uwen rug en uwen buik! Maar ik zal er wel op passen, mijn kind te laten bederven in zoo een nest. Hij zal naar eene andere school gaan. (Zij heeft al sprekende haren zoon een doeksken om den vinger gewonden.) Kom aan, Victor.—Kom naar huis, mijn kind.DE MEESTER.—Maar, madam, gelief....(Vr. Van Laer vertrekt. Victor bij de deur zijnde, keert zich nog eens om en steekt zijne tong spottend tot de meester uit.)DE MEESTER,pijnlijk en met diepe droefheid tot den leerlingen.—Eh bien,serpenten dat gij daar zijt! Schorpioenen!Trêtert[41]mij dood ... toe, spaart mij niet.... Drie bloedspuwingen en eene tering op de long ... dat is nog niet genoeg, niet waar?—Geeft mij nu nog eene geraaktheid,—maakt mij lam aan armen en beenen! Dan zult gij blij zijn, eh, hartvreters? Dan zult gij lachen, eh, monsters? (Hij bedaart een weinig en zegt met neerslachtigheid:) Hoe kunt gij toch zooveel verdriet toebrengen aan dengene, die zijn leven als een slaaf doorbrengt, om u te onderwijzen en u eens waardige en nuttige leden der samenleving te maken?—Hebt gij geen medelijden met uwen armen meester, die zich ziek schreeuwt om u te leeren....EDWARD,schreeuwende.—Meester! meester! Piet heeft een' vlieg met een strooiken aan heur gat!DE MEESTER,stampvoetend en met wanhoop.—Ja, ja, ik weet het wel, gij lacht met mijn verdriet ... gij zijt zoo ongevoelig als de steenen van de straat ... ondankbaar, lomp, lui, dom,—een hoop ezels,—zoo bot als visschen. Nagels van mijne doodkist!... (hij hoest twee of driemalen met pijn.) Ja, nagels van mijne doodkist;—want ik gevoel wel, dat gij mij onder den grond zult krijgen, moordenaars! (Hij haalt zijn uurwerk uit den zak. Het wijst tien uren en een half; doch om zijn geweten te voldoen, zet hij het op elf uren!) Het is elf uren.—De school is uit!(De leerlingen springen over banken en tafels met ongemeen gedruis.)DE LEERLINGEN,van alle kanten roepende.—Hoera! Hoera! De school is uit!—Wie speelt er mee broekstavast?—Wie doet er mee in d'O? Wie heeft er marbollen? Wie doet er mee Gorie, Gorie?[42]DE MEESTER,zijne deur toesluitende en het hoofd schuddende.—Aures habent et non audient! Alweer twee leerlingen kwijt! Preek dan al voor dit gespuis!VOETNOTEN:[29]Lawijd. Gerucht.[30]Pennekepik. Ieder brengt ééne of meer pennen in het spel; men steekt of pikt er beurteling naar met een pennemes. Wie eene pen aanpikt, wint ze.[31]Aarzak. Bedrieger, krakeelzoeker.[32]Goedkeuring of goede noot.[33]Schrijfboek.[34]Okentrek. Men schrijft een getal okens kegelwijs nevens elkander. De speler moet, op aanwijzing van zijnen makker, al de O's met liniën verbinden, zonder ooit eene neergeschrevene linie te mogen raken.[35]Straten in het gemeene kwartier te Antwerpen.[36]Des middags niet mogen naar huis gaan.Bakken, voor straffe later dan de anderen op de school moeten blijven.[37]Men klooft eenen krieksteen in tweeën. Met deze schoteltjes werpt men als met teerlingen. Vallen beide met de bolle zijde naar boven, dan heeft menklontjen-trek, en men trekt een getal krieksteenen uit den inzet. Vallen ze integendeel met de holle zijde naar boven, dan heeft menwitbier-zet, en men is verplicht een getal krieksteenen in te zetten.[38]Een oud schoolboek.[39]Frank, Vrijpostig, stoutmoedig, onbeschaamd.[40]Een Meikever of Molenaar.[41]Plagen, tergen.[42]Verschillende kinderspelen.DE KWADE HANDVERHAALInderdaad, gebuur, het is waar: er gebeuren niet zelden dingen, die het menschelijk verstand te boven gaan,—voorvallen, die alle wetenschappelijke kennis beloochenen, en ons tegen onzen wil doen droomen van onzichtbare geesten en van eene geheime en onbekende macht. Zoo wil ik u iets verhalen, waarvan ik ooggetuige was, en dat op mijne verbeelding eenen onvergankelijken indruk gelaten heeft.In het jaar 1834 woonde te Borgerhout[43]eene weeze van omtrent achttien jaar, Theresia genaamd. Zij was zoet en stil van aard, won het dagelijksch brood met kleermaken en woonde alleen op eene gehuurde kamer. Haar fijn gelaat droeg al de kenmerken van gezondheid en van levensvreugd; haar eerbaar gedrag en blijde inborst deden haar van iedereen beminnen; en daar zij zeer arbeidzaam was en dus eenen schoonen stuiver won, achtte zij zich met recht onder de gelukkigsten der aarde.Een ongeloofelijk voorval kwam eensklaps van dit jeugdig en vroolijk meisje een beklaaglijk en rampzalig schepsel maken. Dit vertelde zij bijna in dezer voege. Zij was op zekeren dag naar Berchem[44]gegaan, om er in dagloon vrouwenkleederen te maken en ander naaiwerk te doen. Tegen den avond, tusschen licht en donker, was zij op de baan, om langs de binnenwegen huiswaarts te keeren. Zij spoedde zich zeer; want de lucht betrok met zwarte wolken, en de duisternis scheen onverwachts haar te zullen overvallen. Het was dien dag stikkend heet geweest, en alles deed nu vreezen, dat een schrikkelijk onweder ging losbarsten; des te meer, daar eenige walmende bliksems reeds bij poozen de verte verlichtten. Theresia was niet van de stoutsten; de doodsche stilte, die over de velden heerschte, dit akelig oogenblik, dat als de verstomdheid der bange natuur het nakend onweder voorafgaat, al deze schrikverwekkende teekens deden haar het hart angstig jagen en zij verdubbelde hare stappen.Op eens sprong een zuchtende bliksem de wolken uit, en een bulderende donder schokte den grond. Theresia bleef staan en sloeg zich in de uiterste benauwdheid de handen voor de oogen; maar zij verschrikte nog meer, toen zij dicht bij zich eene zonderlinge stem hoorde, die haar vroeg wat uur het was. Het bange meisje liet hare handen vallen en blikte met afgrijzen op een leelijk oud wijf, dat lachend voor haar stond en weder vroeg:"Welnu, dochter, wat uur is het?"Zonder overdenken en gansch verdwaald, antwoordde Theresia:"Acht uren."Eene uitdrukking van gramschap kwam het berimpeld gelaat van het oude wijf betrekken, en zij riep als met booze spotternij:"Zoo, gij zijt ook van die, welke de oude, grijze menschen voor den zot houden! Gij doet niet wel, dochter, met na de negen uren langs deze baan te gaan. Gij weet niet wat u kan overkomen!"Dit zeggende, klopte zij driemaal op den rechterschouder van Theresia en ging haren weg—Onder de aanraking van het oude wijf werd het ontstelde meisje ijskoud: zij voelde eene onbegrijpelijke huivering over haar lichaam rijzen en haar hart als tusschen eenen band klemmen.Bevend en roerloos stond zij reeds eenige oogenblikken als verstomd op dezelfde plaats, vóórdat haar de gedachte inviel het oude wijf op het hoofd te slaan, om de kwade hand, die zij vreesde, te breken; maar nu was het wijf reeds zooverre in een duister pad gevorderd, dat Theresia haar niet dorst te volgen, te min daar een nieuwe donderslag de wolken openscheurde, en de regen in stroomen over de velden stortte.Doornat en bijna stervend van schrik, geraakte Theresia eindelijk in hare woning, ontkleedde zich en ging te bed liggen.Des anderen daags, op den middag, kwam iemand der huisgenooten om haar tot den maaltijd te roepen; maar niet zoodra had hij eenen voet in het vertrek geplaatst, of hij deinsde met eenen naren schreeuw achteruit, liep de trappen af en viel te midden van het huisgezin, roepende:"Theresia is dood!"Op dit zeggen stonden twee mannen en drie of vier vrouwen van de tafel op en klommen naar boven. Bij het eerste gezicht duchten zij insgelijks een lijk te zien; doch bij het bed genaderd zijnde, begonnen zij aan dit ongeluk te twijfelen. Theresia lag, wel is waar, roerloos; hare eene hand scheen wel zoo slap als een koord nevens de bedsponde neer te hangen; haar gelaat was wel doorschijnend als glas en van gele kleur; maar hare oogen waren open en, alhoewel afgrijselijk glinsterend, toch levend en niet gebroken. Een der bijzijnde mannen wilde den neerhangenden arm op het bed leggen; dan, hij verschrikte niet weinig daar hij dezen arm zoo stijf en zoo onbuigbaar als ijzer vond. Niettegenstaande het lichaam van Theresia al de kenteekenen des doods droeg, was er nochtans een onuitlegbaar gevoel in de harten der omstanders: geen enkele achtte zich verzekerd, dat het jonge meisje uit de wereld gescheiden was; integendeel, allen hielden voor vast, dat zij nog leefde, alhoewel zij doof bleef voor alle geroep en gevoelloos voor nijpen en schudden.Ondanks alle pogingen der geneesheeren, bleef Theresia in dien staat gedurende twee dagen en twee nachten. Op den slag van het achtenveertigste uur ontwaakte zij vanzelve. Wreef eene wijl aan hare oogen, als iemand, die geslapen heeft, bezag als verbaasd hare kamer en de omstaande personen, en bogen dan in eens zoo overvloedig tranen te storten, dat al degenen, die het zagen, met haar uit medelijden weenden.Iedereen sprak haar aan met troostende woorden en vroeg, hoe haar die onbegrijpelijke kwaal overkomen was; maar zij begon telkens nog bitterder te weenen en antwoordde niet. Na lange ondervragingen van den dokter, riep zij eindelijk met eenen snijdenden zucht:"O, bid voor mij: ik ben betooverd!"Weinigen geloofden aan dit gezegde. Ik zelf, die het hoorde, achtte deze woorden eene ijdele dwaling van eenen zieken geest. Maar het verhaal harer ontmoeting met het oude wijf gaf ten minste aan alle bijzijnde personen, behalve aan den dokter en aan mij, de overtuiging, dat zij inderdaad betooverd was.Wat hier ook van zij, het vervolg scheen hare schrikkelijke gedachte te bevestigen. Gedurende vijf jaren bleven hare oogen even glinsterend, hare wangen even geel en glasachtig. Geene andere verandering bemerkte men in haar dan eene altijd toenemende vermagering des lichaams, en al vroeg begon elkeen te zien, dat de dood het betooverde meisje met een rood kruis geteekend had en welhaast om zijn slachtoffer zou komen. Alle jaren, op den dag en het uur harer ontmoeting met het oude wijf, overviel haar plotseling eene slaapziekte, die, als de eerste, telkens achtenveertig uren duurde. In deze zonderlinge kwaal moest zij ijselijke dingen hooren, zien en lijden; dit kon men genoeg uit eenige afgebrokene klachten en woorden vermoeden; maar noch beloften noch bedreigingen konden haar doen zeggen, wat zij dan voelde of zag. Een geheim en voor haar schrikkelijk geweld dwong haar tot stilzwijgen over dit punt. Zij vertelde echter aan wie het hooren wilde, dat zij alle nachten, op slag van twaalf uren, hare deur hoorde opengaan en de oude tooverheks zag verschijnen; dat deze booze vrouw, bij het bed genaderd zijnde, op haar lichaam klom en haar tot één uur met de knieën de borst te pletten duwde, dat leven en gevoel haar van pijn ontgingen, zonder dat zij schreeuwen kon of opstaan.Eens hadden twee vrouwen, die aan deze verschijning niet geloofden, de stoutmoedigheid genomen, om bij haar bed te waken, terwijl zij sliep. Zij zagen de tooverheks niet: maar op slag van twaalf uren ontsloot de slapende hare blinkende oogen en begon zweetend en met een schrikkelijk gorgelgeluid tegen een onzichtbaar voorwerp, dat op hare borst liggen moest, te worstelen en te vechten, en een zoo akelig gelaat te krijgen, dat de twee vrouwen van benauwdheid de kamer waren ontvlucht.Het gedurig en onuitsprekelijk lijden belette Theresia niet haar gewoon handwerk te doen. Dezen toestand zag zij aan als haar onwederroepelijk lot, en alhoewel zij de geburen liet begaan met geneesheeren en middelen voor hare kwaal te zoeken, scheen zij zelve onverschillig aan deze pogingen te blijven. Men begrijpt wel, dat alle kwakzalvers en alle bezitters van geheimen tegen tooverij hier waren geraadpleegd geweest. Men had alle soorten van woorden, in bekende en onbekende talen, over de zieke dochter gesproken; zij was met eene levende padde in hare hand gaan slapen; zij had twee doodsbeenderen over kruis aan haar voeteneinde gelegd; onder haar hoofdkussen had eene huif, waarmede de kinderen somtijds geboren worden, een halfjaar lang gelegen, en nu nog droeg zij op hare borst een stuk galgekoord, waaraan een moordenaar gehangen had. Dit alles hielp echter niets:—de tooverheks ging voort met alle nachten het ongelukkige meisje onder hare knieën te pletten en te martelen.Op het einde van 1839 was Theresia reeds zoozeer vermagerd en uitgeput, dat zij met moeite nog staan kon en dat elke dag haar laatste dag scheen te zullen zijn. Zij had nu geheel het voorkomen van een gekleed geraamte gekregen; hare wangen waren hol, hare glinsterende oogen achteruitgezonken en hare lange vingeren geleken zoovele ratelende beentjes.Omtrent dien tijd hoorden de geburen door eene boerin zeggen, dat er tusschen Zoersel en Schilde, te midden der heide, een stokoud manneke woonde, dat macht had over alle tooverij en van alle kwade handen en verwenschingen kon verlossen. Zij verhaalde, hoe hij hare koeien onttooverd had; hoe hij de kwade hand van het kind haars broeders had gelicht, en meer andere wonderlijke feiten, die de gebuurte deden besluiten nog eens te beproeven, of deze man de zieke Theresia niet helpen kon.Men zond iemand naar Schilde, om den grijsaard te halen, en deze kwam, na lang praten en smeeken, met den bode naar Borgerhout. Hij was, gelijk alle zeventigjarige menschen, kromgebogen, met wit haar, ingevallen wangen en diep gezonken oogen. Nochtans, er blonk ene zekere edelheid op zijn gelaat, en iets slims was er op te lezen. Zijn gang was traag, zijne stappen gemeten en zijn gezicht onophoudend ten gronde gevestigd.Wanneer hij in de kamer der zieke Theresia stapte, bevonden zich daarin eenige oude vrouwen en ik zelf. Het kwijnende meisje ontstelde zich niet bij de komst van den nieuwen wonderdoener en bezag hem met onverschilligheid en ongeloof. Hij, zonder op haar te letten, ging beurtelings in elken hoek der kamer eenige onverstaanbare woorden mompelen, nam twee brandende stukken hout uit den haard, legde ze over kruis voor de deur en ging dan eerst voor het meisje staan. Haar eene wijl in de oogen gestaard hebbende, begon hij de volgende ondervragingen met zonderlinge stem:"Dochter, er is eene kwade hand aan u?""Ik weet het wel, man.""Hebt gij niets op uweconscientie?""Och neen, ik ga alle maanden te biechten.""Hebt gij u zelve nooit verwenscht of vermaledijd?""Nog veel minder.""Weet gij niet, of uw vader of uwe moeder u ooit verwenscht of vermaledijd hebben?""Ik weet het niet; zij beminden mij zeer en zijn heel vroeg gestorven.""Hebt gij nooit eene zwarte kat gestreeld?""Neen.""Hebt gij nooit te middernacht op eenen kruisweg gestaan?""Nooit.""Dan zult gij waarschijnlijk gelijk hebben met te denken, dat het oude wijf u betooverd heeft.""O, daar ben ik zeker van.""Wilt gij verlost zijn?""Moet gij dit vragen?""Antwoord mij!""Ja, ik wil verlost zijn."De grijsaard ging hierop stilzwijgend bij het vuur op zijne hurken zitten, en blikte stijf in de dansende vlammen, terwijl hij met eenen onzichtbaren geest scheen te spreken.Onnoodig zal het zijn, u den angst en de benauwdheid der bijzijnde vrouwen af te schetsen: allen waren bleek en bevend, en zij bezagen elkander met ondervragend en verstomd gelaat. De vreesachtigsten zouden wel gaarne de kamer verlaten hebben; maar geene zou het hebben durven wagen, over de brandende kruishouten te stappen, vermits zij wisten, dat eene tooverheks daarover onfeilbaar den hals breekt. Ondertusschen was de kamer vol rook geraakt; de arme wijven verstikten, het zweet brak hun uit van het geweld, dat zij deden, om niet te hoesten.Eindelijk, na een vierendeel uurs, stond de oude man op: en weder voor het meisje komende, begon hij dit gesprek:"Dochter, nu ken ik uwe kwaal en degene, die de kwade hand op u gelegd heeft.""Is het de oude tooverheks, of niet?""Het is de oude tooverheks.""O, ik weet het wel.""Ik kan u verlossen, maar alleen door een gevecht om leven en dood. Zeg mij, indien gij stierft, terwijl ik pogingen doe om de kwade hand van u te lichten, zoudt gij mij dit in het laatste oordeel verwijten? Zoudt gij dit op mijne ziel leggen?""Och, neen, ik moet toch sterven, als gij mij niet verlost.""Is dit uw goed woord?""Ja."De oude man keerde zich dan naar de benauwde vrouwen en sprak:"Wenscht gij allen, dat deze dochter verlost worde? Welnu, ik kan dit werk volbrengen; maar om het uit te voeren, heb ik iets noodig, dat ik niet vinden kan, dan op het kerkhof van een dorp in het land van Waas, over de Schelde. Ik zou de reis wel uit mijnen eigen zak kunnen doen, maar zij moet geschieden met geld, dat er opzettelijk voor gegeven wordt.""Maar," vroeg hierop een zeer oud wijf, dat misschien ook al met zwarte kunsten had pogen om te gaan, "maar mogen wij niet weten, wat gij hebben moet? Wij zouden het u misschien wel kunnen bezorgen.""Onmogelijk!" viel de grijsaard in. "Ik moet mos hebben, dat gegroeid zij op een honderdjarig doodshoofd. Waar zoudt gij dit halen? Ik weet in het Waasland een dorp, waar een zeer oud beenderhuis staat, en waar honderdjarige bekkeneelen in den kerkmuur gemetseld zijn. Daar moet ik, 's nachts te twaalf uren, met een nieuw mes het mos gaan afkrabben, onder het uitspreken van zekere woorden. Aldus, wilt gij een goed werk doen, zoo geeft mij twee of drie guldens om mijne reis te betalen."Het gevraagde geld werd door de vrouwen bijeengelegd en den oude man gegeven. Hij hernam:"Vrienden, ik mag niet op reis gaan zonder de verzekering te hebben, dat drie onversaagde kerels in deze kamer waken zullen. Want, zoo zulks de tooverheks niet belet wordt, zal zij het arme meisje uit wraakzucht zoodanig martelen en pijnigen, dat onze pogingen misschien voor altijd nutteloos zouden zijn. Belooft mij dan op goeder trouwe, dat gij drie mannen zult zoeken. En ziet hier wat zij moeten doen: een hunner zal eene handvol erwten hebben; wanneer te middernacht de deur opengaat, moet hij met de erwten in het wilde rondwerpen. Indien er eene erwt de tooverheks raakt, zal zij zichtbaar worden en huilend ten venster uitvliegen.—Men behoort dat daarom open te laten. Er is niets te vreezen, want zij heeft op de wakers geene macht."Men beloofde de begeerte van den ouden man te volbrengen. Deze nam zijnen gaanstok en sprak tot de zieke:"Nu, wees nu maar getroost en gerust, dochter. Overmorgen, zal de kwade hand gelicht zijn, en dan zult gij genezen en weder gezond worden."Bij deze woorden raapte hij de kruishouten op, wierp ze in den haard en verliet de kamer.In den loop van den dag kwam de commissaris van politie twee-of driemaal naar den ouden man vernemen; doch men zeide hem telkens dat hij vertrokken was en dat men niet wist, of hij naar Schilde of naar elders zich begeven had.Niet zonder groote moeite vond men drie mannen, die stout genoeg waren om in de kamer van Theresia te waken. Na veel gaan en komen had men er twee aangetroffen, die het op zich namen de gevaarlijke wacht te doen, maar op voorwaarde dat ik zelf de derde man zijn zou.Ik had in de gebuurte den naam van stoutmoedig te zijn, alhoewel ik inderdaad geen groot liefhebber van tooverij of geesten ben. Dan, ik zag mij hier gedwongen den last mijner goede faam te dragen.Omtrent elf uren des nachts klommen wij, met kloppend hart en ontsteld door eene diepe benauwdheid, de trappen op en traden stil en omzichtelijk, als drie spoken, de kamer in. Daar gingen wij bij eene tafel op stoelen nederzitten, zonder spreken. Allengskens nochtans kwam de moed in ons terug; wij begonnen met stille stem elkander het een en ander in het oor te fluisteren. Eene flesch brandewijn werd ontstopt, elk van ons ontstak zijne pijp en zond eenige walmen rook het open venster uit. Theresia lag daar voor ons te bed; zij sliep met gesloten oogen, en ware het niet hare geraamtemagerheid geweest, zoo zouden wij niets vreemds aan haar gezien hebben. Op eene zonderlinge wijze stonden onze gemoederen onder den invloed van den tijd: van elf uren tot half twaalf klom onze vrijheid van geest en werd onze stem luider en vroolijker; maar van half twaalf tot middernacht vergingen ons allengskens de moed en de spraak tot zooverre, dat wij bij het naderen van het plechtig uur met onbeschrijfelijken angst bevangen waren. Geene enkele pijp rookte nog, geen woord ontviel onzen mond; alleen onze oogen bewogen zich met snelle blikken en wandelden met vervaardheid van de deur op Theresia. De eenige lamp, die ons verlichtte, scheen insgelijks de komst der tooverheks te gevoelen, want zij begon onregelmatig en op eene vreemde wijze te branden: nu lichtte zij hevig, dan weder bijna niet; dan sprongen krakende sprankels als vuurwerk uit het midden der vlam....Alzoo wij nu, bleek en bevend, elkander bezagen, kwam een helle klokslag onze ooren treffen; wij sprongen op van schrik; de erwten ontvielen de hand van dien, welke ze werpen moest, en vermeerderden onzen angst door het gerucht, dat zij in het vallen maakten. Gelukkiglijk hadden wij een geheel pak daarvan vóór ons staan. Met opengespalkte oogen blikten wij naar de deur, niet twijfelende, of de tooverheks zou ze gaan openen. Maar nu werd onze aandacht eensklaps op Theresia getrokken. Deze lag met open oogen en ontwaakt; eene ijselijke uitdrukking lijk, als om van onder een pletterend voorwerp los te geraken, en zuchtte met ratelenden gorgel. Het was dan, dat wij behoorden te werpen, want wij waren verzekerd, dat de tooverheks bezig was met Theresia te pijnigen. Nog meer werden wij daarvan overtuigd, toen het ongelukkige meisje met zwakke, doch grievende stem deze woorden tot hare onzichtbare vijandin sprak:"O, laat mij ademhalen. Genade! genade!—O, neen, neen, scheur mijn hart niet met uwe nagelen.—Geef mij den slag van gratie, dat ik sterve!"Dan zweeg zij eene poos en hernam, alsof iemand tot haar gesproken had:"Gij bedriegt u: ik ben het niet, die den man geroepen heb. O, laat mij los, trek dien brandenden priem uit mijne borst, ik zal zeggen, dat ik niet wil, —ik zal den ouden man verjagen...."Lichtelijk zult gij begrijpen, wat schrik deze woorden ons inboezemden; wij waren verdwaald en bijna van ons zelven. Nochtans had een van ons genoeg tegenwoordigheid van geest om zich te herinneren, wat hij doen moest; hij vatte eene handvol erwten en wierp deze uit al zijne macht op het bed. Het scheen ons nu, dat een zucht als een wind voorbij ons aangezicht vloog. Theresia sloot hare oogen, haar gelaat kreeg plotseling eene kalme uitdrukking: zij sliep als te voren. Deze overwinning gaf ons moed en kracht terug; wij achtten onzen last volbracht en waren blij genoeg, dat wij nu de kamer zonder schaamte mochten verlaten. Maar eene nieuwe verschijning moest ons nog het bloed in de aderen doen stollen. Alzoo wij ons omkeerden, zagen wij op den vensterdorpel eene zwarte kat zitten, die met vlammende oogen ons aanstaarde en ons scheen te bedreigen over hetgeen wij gedaan hadden. Wij blikten met glimmende benauwdheid op het dier, of liever op den geest; maar het liet zich van den dorpel in de kamer glijden en kwam langzaam op ons aan.Één onzer deed de kamerdeur open en liet zich van al de trappen nedervallen, om zooveel eerder op de straat te zijn; ik durf het u wel zeggen, wij volgden hem op de hielen en ontvluchtten het insgelijks. Op de straat zijnde, bekenden wij elkander, dat geen van ons durfde gaan slapen; wij klopten den baas eener herberg op, en bleven in zijn huis wakend zitten tot den morgen.Dan vernamen wij in de woning van Theresia, dat zij in slechten staat was en met moeite nog kracht genoeg had om hoofd of handen te verroeren.Omtrent den middag kwam de oude man terug van zijne reis en kondigde ons aan, dat hij dien nacht te twaalf uren de tooverheks zou treffen en Theresia verlossen. Maar hem moesten eenige voorwerpen gegeven worden, namelijk: het ongekookte hart van een schaap, een levende hond, een groote, nieuwe breipriem en een koperen ketel, waarin nooit rog of vloot gekookt was geworden.Het schapenhart was spoedig gevonden, vermits de beenhouwers dien dag juist hun wekelijksch vee geslacht hadden; den breipriem kocht men in den winkel, den ketel leende iemand; maar wat den hond betreft, die kostte meer moeite. Er was niemand, die zijnen hond wilde geven, vermits men wist, dat de kwade hand van Theresia op het dier moest gelegd worden. Men vond geenen enkelen gebuur, die er trek naar had om eenen betooverden hond in huis te hebben. Eindelijk vernam men, dat er een boer van Deurne voornemens was zijnen hond te verdrinken. Een man begaf zich er heen en kwam in den namiddag terug met eenen zwarten Spits, die van ouderdom bijna niet meer voort kon.Te elf uren des avonds bevonden zich talrijke mannen en oude wijven in het huis van eenen schoenmaker, niet verre van Theresia's woning. Daar de plechtige verlossing niet mocht bewerkt worden onder het dak der betooverde, had de schoenmaker eene kamer in zijn huis geleend. Gij begrijpt wel, dat ik niet verzuimd had, mij daar insgelijks te laten vinden.Zeldzaam was het opzicht dezer kamer. Eene nieuwe blikken lamp brandde op eene kleine tafel bij het vuur; nevens de lamp lagen een bloedend hart en eene zware breinaald; in den schoorsteen, over een groot vuur, hing een koperen ketel met ziedend water; daarnevens, in eenen hoek van den haard, zat de oude man op zijne hurken, sprekende tegen de vlammen; niet ver van hem lag de zwarte Spits, aan een touw gebonden, op wat stroo te slapen.De geburen en nieuwsgierigen zaten aan het andere einde van het vertrek, in de halve duisternis, met jagenden boezem en bevende ledematen.Zoodra het in de kamer hangend uurwerk met eenen enkelen slag half twaalf aankondigde, stond de oude man uit de assche op en naderde bij de lamp. Dan haalde hij eene kleine lederen beurze uit zijnen zak, deed die open en stortte zekere groene stof er uit op een stuk papier. Zonder twijfel was dit het mos, dat hij van een honderdjarig doodshoofd gekrabt had. Hij smeet onder het uitspreken van zekere woorden een weinig er van in de vlam der lamp, die met eenen spookachtigen, flauwen schijn de kamer begon te verlichten; het overige wierp hij in den ziedenden ketel.Zich nu naar de geburen wendende, sprak hij:"Wat gij hooren of zien moogt, zijt niet bevreesd! Dit hart, dat daar ligt, is het hart der tooverheks geworden: op den slag van twaalf uren zal ik het met den breipriem doorboren; zij zal mij smeeken en bidden, den priem uit haar hart te trekken, maar ik zal het niet doen, dan nadat zij de kwade hand van Theresia op dezen hond zal hebben gelegd. Ik herhaal het u: zijt niet bevreesd, wat gij hooren of zien moogt!"De plechtige waarschuwing van den ouden man had een verkeerd uitwerksel: nu begon men eerst voor goed te beven en onder eene doodsche stilte dicht bij elkander te dringen. Eene oude vrouw viel in onmacht en gaf aan vier of vijf der vreesachtigsten de gelegenheid om, onder voorwendsel van haar weg te dragen, de tooverkamer met eere te verlaten. Intusschen waren aller oogen op de naald van het uurwerk gevestigd.Nog vijf minuten!In een gesloten graf kon het niet stiller en akeliger zijn. Maar nu begon de arme hond op eenmaal te beven; met zijnen muil in de hoogte, borst hij los in een klagend gehuil, alsof er iemand in de buurt op sterven lag. De schrikverwekkende galmen brachten de verwarring onder de vrouwen ten top; men hoorde eenige stoelen kraken en eenige wijven ten gronde vallen, doch dan werd het opnieuw zoo stil als te voren; de hond alleen bleef de kamer met weeklachten vervullen.Nog twee minuten!De oude man stond op en nam het bloedend hart in de eene hand en den breipriem in de andere. Met het oog op de naald van het uurwerk gevestigd, stond hij gereed om te steken....Eensklaps hoorde men aan de voordeur een gerucht en zware stappen, als van iemand, die met eenen stok gaat."Daar is zij! daar is zij!" huilden de bange vrouwen, terwijl zij elkander met hevigheid vastklitsten en te gaar in eenen hoek overhoop nedervielen.De deur ging open.—Tot groote verbazing der vrouwen en zelfs van den toovenaar, was het geheel iets anders dan de heks.... Twee gendarmes en de commissaris van politie! Met eene wonderlijke gezwindheid klampten de gendarmes den ouden vent bij den kraag, trokken hem met geweld van de tafel en rukten hem insgelijks den breipriem uit de hand.Nog ééne minuut!"Man, gij moet ons volgen!" sprak de commissaris."Wat kwaad doe ik?" vroeg de grijsaard bevend."Dat raakt mij niet," was het antwoord, "gij oefent onwettelijk de geneeskunde uit. Dit is verboden."De oude man wierp eenen blik op het uurwerk en zag, dat het twaalf uren ging slaan."Oh," riep hij in de uiterste wanhoop, "nog één oogenblik, één kort oogenblik slechts! Ik smeek u, o! nog eene halve minuut! Doet het, of gij doodt iemand met uwe handen!""Neen, neen!" sprak een der gendarmes, "gij moet ons op staanden voet volgen, of wij doen u de duimkens aan! Gij zijt oud, het zou u groote pijn veroorzaken.... Zoo, kom aan!"Eene onbegrijpelijke woede kwam den stokouden grijsaard vervoeren; hij worstelde met geweld tegen de gendarmes en wilde zich vooruitwerpen naar de tafel; maar nu zonk het gewicht van het uurwerk nederwaarts, en de eerste slag van twaalf uur ging af!...Alsof de donder den ouden man getroffen had, liet hij zich machteloos in de armen der gendarmes vallen moeten breken: "Ramp! ramp! zij is dood!"Ternauwernood was de schreeuw hem ontvlogen, of er kwam iemand de deur ingeloopen, roepende:"Ho, doet geene moeite meer! Theresia is daar juist gestorven, en ditmaal is zij waarlijk dood. Zij is zoo koud als ijs!"De gendarmes lieten zich door niets verschrikken en namen den ouden man mede naar het tuchthuis in afwachting, dat hij veroordeeld wierd, als hebbende de geneeskunde onwettelijk uitgeoefend. Hij werd later tot eenige maanden gevangenis verwezen.—Welnu, gebuur, wat zegt gij van deze geschiedenis? Dat het alles tot louter verbeeldig van Theresia was en dat zij de ziekte had, dien het volk de Hypo noemt? Ik wil dit insgelijks wel gelooven; maar hoe legt men dan het nauwgepast uitvallen van al hare voorgevoelens uit? Hoe vindt men den knoop van de voorzeggingen des ouden mans, die onmiddellijk door den dood van Theresia bewaarheid werd? Wat mij aangaat, ik zie er weinig dag door en wil er niet meer aan denken; want het doet mij droomen en bang zijn in de duisternis. In alle geval, indien het waar is, dat de verbeelding en de wezenlijkheid een zelfde uitwerksel hebben, waarin bestaat dan het verschil tusschen beiden, en wat zal men dan wezenlijkheid of inbeelding noemen? En wat onderscheid bestaat er dan tusschen eene ware en eene ingebeelde betoovering?VOETNOTEN:[43]Eene gemeente bij Antwerpen.[44]Eene gemeente bij Antwerpen.STRIATA FORMOSISSIMA OF DE DAHLIA'S-KOORTSZEDENSCHETSGij, mijn goede lezer, ziet ongetwijfeld gaarne eene schoone Dahlia bloem; misschien zijt gij insgelijks niet verwijderd van haar, in de plaats der poëtische en verleidende Roos, op den troon van het bloemenrijk te willen plaatsen; maar bedenk u toch driemaal, eer gij u zelven eenen Dahlia's-liefhebber noemt. Gewis gelooft gij, in uwe redekundige eenvoudigheid, dat men, om Dahlia's-liefhebber te zijn, alleenlijk de Dahlia's moet liefhebben. Laat mij toe u te zeggen, dat gij u leelijk vergrijpt! Hoe stout dit gezegde ook moge schijnen, het zal bij u zijne verschooning vinden, wanneer ik u een echt Dahlia's-minnaar zal hebben voorgeschetst.Er zijn drie soorten van liefhebbers, namelijk: rijke lieden, burgers en arme menschen. Onder dezen is de welhebbende burgerklasse met de meeste razernij op de Dahlia's verslingerd, en zal mij uitsluitend een toets dienen in deze beschrijving.Dan, weet het wel, een Dahlia's-liefhebber is, gedurende het grootste gedeelte des jaars, een man, die zijn vaderland, zijn huisgezin, zijne vrienden verloochent, en als een menschenhater zich van iedereen verwijderd houdt. Des nachts vlucht de zoete slaap van zijne bedstede, vervolgd als hij is door honderd Dahlia's, die hem in het hoofd wentelen en hem wakker houden. Kon hij, als een andere Josué, de schepping in hare beweging stuiten, zoo werd het gewis nimmer nacht, dan in den Winter, als de Dahlia's verdwenen zijn. Hij verlaat het bed, vóórdat de zon hem roept. Nat van den vallenden dauw en rillend van de morgenkoude, staat hij als een steenen beeld voor eene Dahlia-bloem geplant; hij telt hare bladeren, drukt hare kleuren en tinten in zijnen geest, spreekt haar aan, gaat weg, komt terug en begint opnieuw zijne bespiegeling. Roept men hem om te eten, zoo komt hij, wanneer alles koud is, en slokt de spijzen binnen, zonder te weten wat hij doet. Hij spreekt niet, beziet ternauwernood zijne vrouw en kinderen, en springt even gauw als een gejaagde den hof in. Dan krabt hij hier den grond rondom den wortel van eene Dahlia op, steekt daar een stoksken om de bloem te steunen, hangt wat verder een blad papier om er eene te overlommeren, en brengt zoo den dag door, totdat hij, tegen de verdwijnende zon mompelende, zich verplicht ziet in huis te gaan. Gij denkt dat hij nu ten minste met zijne huisgenooten zal spreken? Ja wel, van Dahlia's, maar van anders niet; en, daar zijne vrouw dit eeuwig gesprek van overlang moede is, gedraagt zij zich, alsof haar man niet op de wereld ware. Hij doorsnuffelt in tusschentijd voor de honderdste maal eene Dahlia's-lijst of kataloog, dien hij reeds sedert eenige maanden van buiten kent,—en gaat eindelijk zeer vroeg te bed; niet om te slapen, maar om in vrijheid over zijne Dahlia's te kunnen mijmeren.Des anderen daags al weder hetzelfde leven. Komt gij om met hem over gewichtige zaken te spreken, hij luistert niet op uwe woorden en brengt u bij zijne Dahlia's. Hier begint hij zijn gewoon liedeken: "Eene schoone bloem, eh? Zie eens, hoe fijn van vorm! Zuiver van tint, niet waar? Is er toch iets schooners op de wereld dan de Dahlia?"—Vruchteloos doet gij pogingen om hem op een ander onderwerp te brengen: zeg hem, dat de vierentwintig artikelen[45]zijn aangenomen, hij beziet u als een inwoner der maan, die van geene artikels weet. Zeg hem, dat het huis van zijnen besten vriend is afgebrand, hij zal u antwoorden: "Die had schoone Dahlia's. Men zal ze zeker onder den voet geloopen hebben:—dit zou spijt zijn!"—Spreek hem van een meesterstuk, door de hand van Wappers voltooid, hij zal met kleinachting uitroepen: "Wie kan er een Dahlia schilderen? Onmogelijk! onmogelijk!"—Verhaal hem, hoe zijn oudste zoon een buitensporig leven leidt, hij zal beweeren, dat dit alleenlijk daaruit voorkomt, dat de jongeling meer liefde gevoelt voor meisjes en herbergen dan voor Dahlia's.—En ditmaal zal hij toch eens gelijk hebben. Vraag hem verder naar den ouderdom zijner kinderen; hij ligt er mee in de war en geeft de jaren van Sophia aan Jozef: alles, wat hem aangaat, heeft hij vergeten. Integendeel kent hij de geschiedenis van de Dahlia van buiten en zal op een rolleken zeggen dat de Dahlia oorspronkelijk is uit Mexico, in Amerika, waar zij in het wilde groeit en slechtsenkelebloemen als starren geeft,—dat zij haren naam ontleent van Andries Dahl, eenen Zweedschen kruidkundige, wien zij uit achting werd opgedragen,—dat deze plant in het jaar 1789 eerst uit Mexico naar Spanje werd overgezonden door Vicente Cervantes, bestierder van den Mexicaanschen kruidenhof,—dat de groote Plantenhof van Parijs haar eerst in 1802 verkreeg, enz.Ik zou u niet raden, in zulk een oogenblik de dwaze drift van den liefhebber te berispen en hierdoor te toonen, dat gij iets boven de Dahlia's schat; want hij zou u een bloedvijand worden, en u zelfs, gedurende zijn gansche leven, hetgoeden dagweigeren.—Hij, die anders zoo zachtmoedig is, dat hij zijne duiven en konijnen bij zijnen gebuur moet laten dooden, durft wel vechten en slaan, wanneer het op de eer van eene Dahlia uitkomt. En, ziet gij hem ooit met een blauw oog te voorschijn komen, beschuldig zijne goede vrouw toch niet: het is de eene of andere Dahlia's-liefhebber, die hem dus heeft toegesteld.—Gij moogt ook niet gelooven, dat deze man andere bloemen onder zijn gezicht lijden kan; de Roos is niets voor hem; de geurrijke Anjelier[46]vertrapt hij met voeten; de overvloedige bloemende Wolroos[47]geeft hij aan zijne geit; zijn mesthoop bestaat uit de ontwortelde planten van Okulei, —Pioen, —Tuiltje, —Vingerhoed, —Violier, —Beverken, —Veldklok, —Knaptand, —Lelie, —Brikel[48]en uit andere lieve, zonderlinge of glansrijke bloemen, zoozeer door onze vaderen bemind en nu door den Dahlia's-liefhebber als onkruid gehaat.Tot het grootste ongeluk van den Dahlia's-zot heeft de Schepper in zijne alwijsheid goed gevonden, dat de Zomer geene twaalf maanden lang zou duren. Dit verkort schrikkelijk het leven van onzen liefhebber. Gij weet, goede lezers, dat deMarmoteen dier is, dat gedurende vier wintermaanden zonder beweging en zonder gevoel ligt te slapen, en niet ontwaakt vóórdat de zon de aarde met kruiden komt begroenen. De Dahlia's-liefhebber gelijkt wonderwel aan dit dier: zoodra de naderende vorst hem verplicht heeft zijne Dahlia-wortelen in den kelder te brengen, vergaat in eens al het schoone van zijn leven; zijn hart wordt koud, zijne oogen weifelend, zijne bewegingen langzaam, en hij vervalt inderdaad in eenen slaap des geestes, tot bij het aanbreken der Lente. Deze mijmering, dit levensverdriet is hinderloos; zelfs ziet hij dan nog wel eens zijne lang vergetene vrienden; hij betoont eene stille genegenheid voor vrouw en kinderen, slaat eene slepende aandacht op zijne veronachtzaamde huiszaken en verdient alleszins den naam van een goed mensch. Men mag zeggen, dat niemand zoo onmiddellijk onder den invloed des hemels geplaatst is als hij; niet zoo haast is de eerste maand van het Nieuwjaar verloopen, of hij werpt iederen dag eenen langen blik in de hoogte; is de hemel blauw, dan glinsteren zijne oogen den verkwikkenden azuurkolk tegen; is de hemel grijs en nevelig, dan zakt er een floers van droefheid over zijn versomberd gezicht. Na eene lange en pijnlijke afwachting komt eindelijk die trage en luie maand Maart het sneeuwgezinde Februari verjagen. De Dahlia's-liefhebber staat eens des morgens vroeg op: hij voelt reeds van in zijne slaapkamer, dat er gedurende den nacht eene natuurverandering is geschied; zijn hart klopt, zijn bloed stroomt; hij kleedt zich bevend en ontsteld. Gelijk Noach in dergelijken toestand deed, opent hij het venster zijner arke, maar in stede van eene duive uit te zenden, loopt hij zelf de trap af, opent de deur en springt den hof in.Zie, wat schoone uitdrukking van zaligheid verheldert zijn gelaat; hij meet de hemeldiepte met zijn aanbiddend oog, en als de losgelatene duive van Noach slaat hij met zijne armen, om zich de verstramde leden los te maken. Indien gij opmerkzaam zijt op de bewegingen der wonderbare natuur, zult gij reeds geraden hebben, wat de Dahlia's-liefhebber gevoelt. Gedurende den nacht heeft God zijnen weldoenden adem, den zoelen zuiderwind, over de aarde gezonden; deze, gehoorzaam aan haren Schepper, heeft haren schoot ontsloten en de lucht met balsemgeuren bezwangerd. Er hangt boven den gistenden grond iets tooverachtigs, een onzichtbare wasem, die ons de blijde overtuiging indrukt, dat het niet meer vriezen zal, en dat de plantenslaap geëindigd is. De Dahlia's-liefhebber blijft eenige oogenblikken getroffen staan; hij zuigt met lange longspanningen de lentezucht in en voelt zijn leven verdubbelen; dan spoedt hij zich met jonge stappen vooruit door de paden van zijnen hof, en doorloopt ze huppelend en zoo blijde als een visch, die in zijn geboortewater spartelt. Eensklaps blijft hij staan; hij glimlacht zoo zoet! zijne lippen stamelen een bevallig welkom. Dáár, voor hem, staat het lieve Sneeuwzotteken[49]met zes zilveren bellekens te pralen. Hij heeft, als de duive van Noach, zijnen olijftak gevonden; het pand, dat de natuur hem van hare ontwaking geeft! met fluweelen handen plukt hij de tengere bloemkens, en loopt er mede naar zijn huis:"Vrouw, vrouw!" roept hij in geestdrift uit, "hier is de Zomer! Nu gaan wij weer leven!"De vrouw is bezig met hare huiselijke zaken; ternauwernood slaat zij een oog ter zijde, en zegt onverschillig tot een klein kind, dat zich te barsten schreeuwt: "Ha, bloemen voor ons Leopolleken!" De vader geeft de bloemkens voorzichtiglijk aan het kind; maar de kleine guit steekt ze in den mond, eet er de helft van op en verplettert de andere. Ik weet niet juist wat gevoel er in het hart des vaders zinkt; maar hij haalt de schouders op, nijpt de lippen samen en gaat in een ander vertrek, zonder nog te spreken.De persoon, dien ik tot deze beschrijving gekozen heb, heet mijnheer Fruyts en woont in een der voorgeborchten van Antwerpen; hij is een middelhebbende burger van omtrent de vijftig jaren, eenvoudig en vreedzaam van zeden en goed van inborst; zijn eenig gebrek is de razernij der Dahlia's.U daareven zeggende, dat hij zijne onverschillige huisgenooten met spijt verliet en zich in eene andere kamer begaf, hadde ik er moeten bijvoegen, dat dit gebeurde op den eersten Maart van het jaar 1839.M. Fruyts had zich bij eene tafel nedergezet; daarop lagen eenige kleine boekskens van beschreven papier en wat smalle stukskens lood, benevens alles wat er tot schrijven behoeft. De boekskens doorbladerende, sprak hij van tijd tot tijd tot zich zelven als volgt:"Anna Mariaplant ik in de eerste rij; het is eene schoone bloem, met muizenoorkens en met purperen punten.Buonaparte, met haren stijven steel en hare kastanjekleur, zet ik daarachter, nevensWaterloomet hare fijngeplooide oranjebladeren. Zou ikDéfiancenog planten? Die Dahliadoet het bijna nooit[50]. Het is anders nog al eene aardige: chocolade met melk.—Ik zal haar in het midden zetten metEnglands pride,don Carlos,FormosaenHortense Knyff. Maar waar plant ik de koningin mijner verzameling? Waar zet ik mijneStriata Formosissima?[51]Ik mag daar niet losselijk over beslissen. Laat zien, alles eens wel overwogen. Zet ik haar vooraan in de eerste rij, dan zullen de liefhebbers al mijne andere bloemen slecht vinden; zet ik haar in de laatste rij, dan zijn de liefhebbers moede gezien, eer zij aan mijneStriata Formosissimakomen. Dit mag ook niet zijn. Zet ik haar in het midden, dan kan men haar van verre niet zien. Maar waar zal ik haar dan zetten?"Bij deze vraag sloeg M. Fruyts zijne platte hand aan het voorhoofd, dat het kletste! hij liet zijn lichaam in diepe bedenking over de tafel hellen en bleef zoolang met hardnekkigheid aan zijn onoplosbaar vraagpunkt denken, dat hij eindelijk verwonderd uit zijne mijmering opschoot en zijne oogen begon te wrijven als iemand, die geslapen heeft."Welnu!" riep hij overluid, "waar zal ik mijneStriata Formosissimaplanten?"Dan, de muren bleven stom en de uitroeping van M. Fruyts zonder antwoord. Gelijk hij bezig was met zich opnieuw, doch met meer wanhoop, voor het hoofd te slaan, deed een ander Dahlia's-liefhebber, de heer Bielens, de deur open en stak zijn hoofd in de kamer vooruit, zeggende:"Dat zijn weerkens, eh?[52]"M. Fruyts liep hem te gemoet, trek hem bij de hand tot in het midden van het vertrek, plantte zich vóór hem, zag hem strak in de oogen en herhaalde als met gramschap zijne vraag:"Waar zal ik mijneStriata Formosissimatoch planten?"M. Bielens staarde zijnen vriend met verbaasdheid aan en scheen genegen om te lachen; doch hij hield zich in en begon het volgende gesprek:BIELENS.—Hoor, Fruyts, dit is iets, waarover gij op éénen dag niet moogt besluiten. Het zal misschien nog zes weken aanloopen, eer wij onze Dahlia's zullen kunnen planten. Denk gij er nog eens wel op; ik zal het van mijnen kant ook doen, en binnen acht dagen zullen wij dit met rijp oordeel beslissen.FRUYTS,blijmoedig.—Verstandig gesproken. Ik hoor, dat gij weet wat bloemken mijneStriata Formosissimais. Niemand heeft haar in honderd uren in het ronde; ik win er dit jaar nog vijf of zes medailles mede. Ik zal de liefhebbers van Merxem[53]ditmaal eens kloppen, dat zij uit hunne oogen niet meer zullen zien.BIELENS.—Maar hebt gij haar wel goed bewaard? Hebt gij haar in droge zemelen gelegd, gelijk ik u geraden heb?FRUYTS.—Ja, ja, en er is dezen Winter geen water in mijnen kelder geweest.BIELENS,invallende.—Maar, Fruyts, ik ben hier gekomen om u nu eens beslissend over de zaak te spreken: zullen wij onze kinderen nu niet na den Paaschtijd laten trouwen? Zij kennen elkander nu lang genoeg, en aangezien er niets in den weg is, waarom zouden wij ze dan nog meer met uitstel plagen?FRUYTS,hij heeft een zijner boekskens van de tafel genomen.—Zie, Bielens, gij moest mij dit eens in het Vlaamsch zeggen. Met hunne Fransche lijsten altijd! Anders niet dan van deze ééne Dahlia.BIELENS,in het boeksken lezende.—"N° 756,British Queen, Well's.—Schoon van vorm, bladeren als muizenooren, witte grond, overgaande tot purper en geboord met violet. Welgemaakt; stijve steel. Blijft het huwelijk van uwe dochter met mijnen zoon nu vastgesteld na Paschen.FRUYTS,in gedachte dwalende.—Dit moet eene schoone bloem zijn, eh? Wit met violette boorden; muizenooren? Daar hang ik tien franken aan! Raadt gij mij hem te koopen?BIELENS,met ongeduld.—Zie, Mijnheer Fruyts, ik spreek van geen Dahlia's meer, vóórdat gij mij bescheid gegeven hebt. Trouwen onze kinderen na Paschen, ja of neen?FRUYTS,hij schudt het hoofd met spijt.—Wel ja, ja zeker. Zijt gij nu tevreden? Daar is mijne hand en mijn woord. Zal ik deBritish Queennu koopen, zeg?BIELENS.—Ja, maar zóó trouwen is de regel niet, dat weet gij ook wel; wij moeten eens goed over de zaak raadplegen. Gij zult zeker uwe dochter wel een rond sommeken medegeven?FRUYTS.—Hoor, om het kort te maken: ja, op alles! en hoe eerder hoe liever. Dit huwelijk mocht anders nog wel in den Dahlia's tijd vallen. Bezorg gij alles; mijne toestemming is u op voorhand gegeven.—Maar zeg, hebt gij uwe Dahlia's reeds uit den kelder gehaald, Bielens?BIELENS.—Ja, gisterenmorgen heb ik ze onder glas te broeien gelegd.—Ik gaboeturen[54].FRUYTS.—De mijne moeten vandaag ook uit den kelder. Als gij weg zijt, zal ik ze eens gaan bezoeken.BIELENS. Ja, ik heb hier al te veel tijd versleten. Geef mij de hand op het huwelijk onzer kinderen. Ik zal alles bezorgen. En om te doen, gelijk het behoort, zal ik dezen morgen mijnen zoon zenden, om aan u zelf uwe toestemming te vragen. Gij moogt hem niet beschamen, zullen?FRUYTS.—Wees daar niet bang voor; ik zal hem anders niet antwoorden danja. Gij kunt wel denken, als ik mijne wortelen eens gezien heb, dat ik dan niet veel tijd zal hebben om met uwen zoon te kouten. Dus, wees gerust. Tot namiddag.Zoo haast M. Bielens vertrokken was, ging er eene blijde uitdrukking over het gelaat van M. Fruyts. Als iemand, die met ongeduldige haastigheid zich tot iets klaarmaakt, stapte hij heen en weder door de kamer, nam uit deze kas een mes, uit dien bak eenen hamer, van de schouwplaat een stel stempelletters, van den grond een draagbord, daarbij een potlood en een geheel boek papier. Aldus, met zakken en handen vol en een draagbord onder den arm, ging hij bij zijne vrouw en vroeg den sleutel van den kelder. Maar zijne teedere echtgenoote bezag hem met een paar oogen, die meer spotternij dan verwondering deden gissen."Wat, sleutel!" riep zij. "Komen de Dahlia's nu reeds voor den dag? Dan zal het weer een huis gaan worden gelijk eene hel. Gij zijt nu nog al eenigen tijd bij uwe zinnen geweest; maar het gezaag en het zottenspel gaan beginnen, eh? Dat staat daar als een uitverkochte kramer. Ik zou beschaamd zijn!"De gefolterde liefhebber stond van ongeduld te trappelen; hij sprak met bevende stem:"Den sleutel, zeg ik!""Nu, nu," antwoordde hierop de vrouw lachend, "bijt mij maar niet. Dáár is de sleutel."M. Fruyts rukte den sleutel met bitsigheid uit de handen zijner vrouw, doch gevoelde zijnen toorn geheel wegzinken, naarmate hij zelf in zijnen kelder zonk en zijne teerbeminde Dahlia's naderde. Ha! zijn oog mag met wellust dwalen langs de planken, waarop zijne wortelen geschikt zijn. Zie, zij dragen elk een getalmerk, op een looden plaatje gestempeld; maar dit is niet voor den liefhebber gedaan; hij kent de wortelen beter dan zijne kinderen; hij weet hunne namen en voornamen, hunne geboorteplaats, hunne hoedanigheden, hunnen ouderdom.Weldra komt een weldoende droom een bedrieglijk floers over zijne verbeelding werpen: zijn verrukte geest toovert vóór hem, in zijnen halfduisteren kelder, de gansche verzameling, staande in vollen bloei, in hoogste praal! Daar staatMiss Colt, de satijnen roos, daarConqueror, het fijn geplooid bruin fluweel; hierFireball, de gloeiende vuurbol, en de tweekleurigeNonpareil; verder de guldenTopaas, de zilverenVirgin Queenen de zwarteSambo. Duizende andere Dahlia's vertoonen zich in het verschiet; hunne veelkleurige bloemen, als in een onmeetbaar dambord dooreengeschikt, doen het oog van den ontheven liefhebber verdwalen. Het schijnt hem, dat de zon eenen overvloed van hare rijkste stralen in zijnen vochtigen kelder gestort heeft; hij voelt zich door eene streelende lucht omvangen, door eenen verleidenden geur bewierooken. In één woord, een Paradijs van ongekend zielsgenoegen is hem geschonken. O, Dahlia, hoe mildelijk toch beloont gij uwen dienaar!De droomende heer Fruyts bleef langen tijd onder deze verleidende begoocheling. Eindelijk verging toch het toovertooneel; dan wierp hij eenen fieren blik op een houten baksken, dat in eenen hoek van den kelder, op de hoogste schab stond,—en sprak mompelend:
VICTOR,binnensmonds.—Dief, dief, na.(Er wordt aan de deur gebeld; de meester doet open.)VROUW VAN LAER,moeder van Victor.—Goeden dag, meester Verdonck. Ik kom eens zien naar mijnen jongen. Ik ben daar naar de markt geweest, om wat selder en ajuin te koopen, gelijk een mensch zoo al noodig heeft in zijn huishouden; en ik zeide zoo in mij zelve: wacht, zeide ik, ik zal eens naar mijnen Victor gaan zien. Zijt gij er tevreden over?DE MEESTER,met fleemende stem.—Ten uiterste, madam Van Laer. Victor is wijs,—niet waar, Victor? Het is een mijner beste leerlingen;—hij is daareven nog eene klasse verhoogd, en morgen gaat hij inde Schat der kinderen[38].VR. VAN LAER.—Maar wat heeft hij aan zijn oog, och arme? Het is zoo rood!DE MEESTER.—Ik heb daar eenen stouten jongen, die altijd kwaad doet aan Victor,—zeker uit nijd, omdat hij zooveel leert. (Tot Edward) Edward, pas op dat gij Victor nog durft slaan, dan vliegt gij de school af, wees zeker!EDWARD,morrende.—G'hebt het zelf gedaan. G'hebt Victor met uw reglet in zijn oog geslagen.DE MEESTER,eenen gloeienden blik op Edward werpende.—Zwijg, franke ezel[39],—want er is toch niets goed van u te maken. Doe gelijk Victor, dan zullen uwe ouders ook blij mogen zijn.EDWARD,binnensmonds.—Omdat zijne moeder hier is, eh? Dat 's niets, straks krijgt hij toch weer haver.VR. VAN LAER.—Maar, meester Verdonck, daar is de jongen van madam Laurier,—gij weet wel, die bij meester Huysmans ter schole gaat? Eh wel, die spreekt altijd van Amerika en van alle vreemde landen, gelijk een philosoof. Zou Victor dit ook niet kunnen leeren?DE MEESTER.—Degeographie, wilt gij zeggen, madam? Wel, zie, daar hangt ze! (hij wijst op de landkaart.) Uw Victor is daar al heel ver in,—hij is zelfs een van mijn' besten.VR. VAN LAER.—Dat wilde ik wel eens zien.DE MEESTER,tot Victor.—Kom hier voor de kaart, Victor, en laat eens zien aan uwe moeder, wat bol gij in degeographiezijt! (Victor gaat voor de kaart met den meester en met zijne moeder.) Hoevele winden zijn er, Victor?VICTOR.—Vier.DE MEESTER.—Ziet gij wel, madam, hij weet het zoo juist, alsof hij gedurende geheel zijn leven op zee gevaren had! Nu zal hij eens wijzen, waar de vier winden zijn.VR. VAN LAER,in verrukking.—Wel, God, is 't mogelijk? Zoo een kind! Waarachtig, 't is gelijk een kapitein van een schip. Hoe kan hij het onthouden!DE MEESTER,hij wijst met een stokje boven de kaart.—Victor, waar is het Noorden?VICTOR,met stoutheid.—Van boven.DE MEESTER,het stokje onder de kaart plaatsende.—Waar is het Zuiden?VICTOR.—Van onder.DE MEESTER,met het stokje de rechterzijde der kaart toonende.—En het Oosten?VCTOR,met koddigen ernst.—Daar op zijde, waar gij met uw stoksken wijst.VR. VAN LAER,verwonderd, alsof zij een mirakel geschieden zag.—Hoe kan het toch zijn! Kom hier, Victor, dat ik u eenen kus geef. Gij zult nog minister worden, gij!DE MEESTER,tot Victor.—Waar wonen wij? In welk land staat deze school?VICTOR,zeer ernstig.—Op de Paardenmarkt.DE MEESTER,op zijne lippen bijtende en half beschaamd.—Ja, ja, op de Paardenmarkt, juist!—Maar in welk land zijn wij?—In Spanje, in Turkije, in Lapland of in Belgenland?VICTOR.—In Belgenland.DE MEESTER,vergenoegd.—Ik wist wel, dat hij het niet vergeten had. Wijs nu Belgenland op de kaart eens, Victor! (Victor, na lang zoeken, wijst het land der Hottentotten op de kaap de Goede Hoop.) Dat is mis, Victor. Toe jongen, g'hebt Belgenland daar straks wel vijfentwintig keeren gewezen. (Tot vr. Van Laer.) Madam, hij is beschaamd in uwe tegenwoordigheid. Hij kan anders alle landen en steden wijzen met zijne oogen toe. Ho, het is een kind, waar veel insteekt.KAREL,tot Edward met zachte stem.—Wat leelijke mouwstrijker dat de meester is, eh?EDWARD.—Wat grooten hoed dat Victors moeder op heeft, eh? Hebt gij geenen bol papier, 'k zal eens roos schieten?FRANS.—Ik heb er eenen: let op, hij gaat!DE MEESTER,roepende.—Silence, daar in den hoek!VR. VAN LAER,tot den meester.—Ik heb het altijd gezegd, dat onze Victor een verstandig kind is. Nochtans, zijn vader wil in zijne koppigheid hebben, dat mijn Victor een ezel is, en dat het beter ware hem eenen stiel te leeren;—maar ik zal wel maken, dat hij ten minste pastoor of advocaat wordt ... want het kind is er zeker toe geboren.DE MEESTER,zich buigende.—Daarin hebt gij het grootste gelijk van de wereld. Gij kunt er ongetwijfeld eenen pastoor, eenen advocaat of eenen schoolmeester van maken.(Er wordt met eenen bal papier uit eenen hoek der school geworpen. De bal vliegt met kracht tegen den hoed van vr. Van Laer.)VR. VAN LAER,verstoord.—Wel wat afgrijselijke dingen!—Een mensch met papier durven werpen in tegenwoordigheid van den meester. Hoe slecht dat sommige kinderen zijn opgevoed!DE MEESTER,met groote woede.—Wie heeft dit gedaan? Wie durft die achtbare madam Van Laer met papier werpen?EDWARD,roepende.—Frans heeft het gedaan, meester! Hij heeft gezegd: zie, dat is een' kokarde op haren zomerhoed!DE MEESTER,Frans bij den kraag naar de deur slepende.—Hier gij, schelm! De deur uit, deugnietenkind! (Hij werpt hem aan de deur.)FRANS,buiten luidkeels schreeuwende.—Ge meent, dat ik nog zal weerkomen, eh?—maar 't zal niet waar zijn, beer! leelijke beer!... (Stilte.)VR. VAN LAER.—Ik ben voldaan over mijnen jongen en ik ga al gauw naar huis, want ik moet mijne keuken gaan oppassen; maar ik zou gaarne hebben, dat gij mijnen zoon leerdet pennen vermaken; want hij wil thuis nooit schrijven, omdat zijne pennen altijd te vet of te mager zijn, volgens dat hij zegt.DE MEESTER.—Is 't anders niets, madam Van Laer? Wel, ik zal het hem op het oogenblik leeren, dat gij het ziet; ik geloof zelfs dat hij het reeds kan.EDWARD,tot Karel.—Ja,pennekepikkan hij beter, eh?KAREL,roepende.—Meester, Edward lacht u uit!EDWARD.—Neen wel, meester, hij is het zelf.—Hij zegt, dat Victor beterpennekepikkan!DE MEESTER,dreigend.—Silence, daar, zagemannen! of ik zet u de school af.... (Stilte.)Allons, Victor, let wel op, ik zal het u eens voordoen. (Hij vermaakt langzaam eene pen en zegt opvolgend:) Gij neemt eene pen in de rechterhand en laat ze overgaan in de linkerhand; dan legt gij ze op haren rug en snijdt ze den bek met eene groote snee open. Dan legt gij ze op haren buik en geeft ze weer eene snee....PIET,schreeuwende.—Meester, meester! daar vliegt eenmeuldener[40]in de school! Pst! Pst!AL DE LEERLINGEN.—Hoera! Hoera!—Pakt hem!—Hoe na of ik had hem! Hier, daar, pst! pst!(Zij werpen met klakken en cahiers naar den kever. Alles geraakt het onderste boven in de school. Vr. Van Laer, die voor de kevers schrikt, weet niet, waar zich te bergen. Tot overmaat van ongeluk vliegt de kever haar in het haar.)VR. VAN LAER,met bange stem.—Och! och! meester, verlos mij van dat ongediert of ik krijg er iets van. Foei, foei, het is venijn! (De meester neemt den kever van haar hoofd.) Ai, mij! daar houd ik eenen schrik van. Het zinkt altemaal in mijn' beenen. Wel, meester, wat beklaag ik u,—wat moet gij al uitstaan van die deugnieten. Dat het de mijne waren, ik zou ze anders leeren dansen.DE MEESTER,met gramschap rondziende.—Ik zal u straks spreken! (Stilte.)Allons, Victor, vermaak nu eens eene pen. Eerst op haren rug, dan op haren buik ... zooals ik u gezegd heb. (Hij geeft eene pen en een pennemes aan Victor.)VICTOR,met ongeduld.—Weet ik nu haren buik, eh? Waar is nu haar buik?DE MEESTER.—Snijd er maar stoutelijk door, Victor.—Geef ze maar eene goede snee.(Victor snijdt met drift, doch in stede van de pen den bek af te snijden, geeft hij zich zelven eene diepe snede in den vinger en laat zich huilend achterover vallen. Hij bloedt sterk.)VR. VAN LAER,bleek van schrik en angst. Zij neemt Victor in hare armen.—Och God! och Heer! Mijn arm kind is dood.—Ziet eens wat snee. (Zij beziet den verbaasden meester met woede.) Meester Verdonck, ik weet niet, hoe gij niet beschaamd zijt om dit kind een mes in zijne hand te geven. Daar moet gij toch bot voor zijn.—Dis is uwe schuld....DE MEESTER,met spijt.—Hij kon toch geene pen vermaken zonder mes, madam.VR. VAN LAER.—Zonder mes! Zonder mes! Gij zijt nog veel dommer dan al die onbeleefde luieriken, die gij daar hebt zitten ... met uwen rug en uwen buik! Maar ik zal er wel op passen, mijn kind te laten bederven in zoo een nest. Hij zal naar eene andere school gaan. (Zij heeft al sprekende haren zoon een doeksken om den vinger gewonden.) Kom aan, Victor.—Kom naar huis, mijn kind.DE MEESTER.—Maar, madam, gelief....(Vr. Van Laer vertrekt. Victor bij de deur zijnde, keert zich nog eens om en steekt zijne tong spottend tot de meester uit.)DE MEESTER,pijnlijk en met diepe droefheid tot den leerlingen.—Eh bien,serpenten dat gij daar zijt! Schorpioenen!Trêtert[41]mij dood ... toe, spaart mij niet.... Drie bloedspuwingen en eene tering op de long ... dat is nog niet genoeg, niet waar?—Geeft mij nu nog eene geraaktheid,—maakt mij lam aan armen en beenen! Dan zult gij blij zijn, eh, hartvreters? Dan zult gij lachen, eh, monsters? (Hij bedaart een weinig en zegt met neerslachtigheid:) Hoe kunt gij toch zooveel verdriet toebrengen aan dengene, die zijn leven als een slaaf doorbrengt, om u te onderwijzen en u eens waardige en nuttige leden der samenleving te maken?—Hebt gij geen medelijden met uwen armen meester, die zich ziek schreeuwt om u te leeren....EDWARD,schreeuwende.—Meester! meester! Piet heeft een' vlieg met een strooiken aan heur gat!DE MEESTER,stampvoetend en met wanhoop.—Ja, ja, ik weet het wel, gij lacht met mijn verdriet ... gij zijt zoo ongevoelig als de steenen van de straat ... ondankbaar, lomp, lui, dom,—een hoop ezels,—zoo bot als visschen. Nagels van mijne doodkist!... (hij hoest twee of driemalen met pijn.) Ja, nagels van mijne doodkist;—want ik gevoel wel, dat gij mij onder den grond zult krijgen, moordenaars! (Hij haalt zijn uurwerk uit den zak. Het wijst tien uren en een half; doch om zijn geweten te voldoen, zet hij het op elf uren!) Het is elf uren.—De school is uit!(De leerlingen springen over banken en tafels met ongemeen gedruis.)DE LEERLINGEN,van alle kanten roepende.—Hoera! Hoera! De school is uit!—Wie speelt er mee broekstavast?—Wie doet er mee in d'O? Wie heeft er marbollen? Wie doet er mee Gorie, Gorie?[42]DE MEESTER,zijne deur toesluitende en het hoofd schuddende.—Aures habent et non audient! Alweer twee leerlingen kwijt! Preek dan al voor dit gespuis!VOETNOTEN:[29]Lawijd. Gerucht.[30]Pennekepik. Ieder brengt ééne of meer pennen in het spel; men steekt of pikt er beurteling naar met een pennemes. Wie eene pen aanpikt, wint ze.[31]Aarzak. Bedrieger, krakeelzoeker.[32]Goedkeuring of goede noot.[33]Schrijfboek.[34]Okentrek. Men schrijft een getal okens kegelwijs nevens elkander. De speler moet, op aanwijzing van zijnen makker, al de O's met liniën verbinden, zonder ooit eene neergeschrevene linie te mogen raken.[35]Straten in het gemeene kwartier te Antwerpen.[36]Des middags niet mogen naar huis gaan.Bakken, voor straffe later dan de anderen op de school moeten blijven.[37]Men klooft eenen krieksteen in tweeën. Met deze schoteltjes werpt men als met teerlingen. Vallen beide met de bolle zijde naar boven, dan heeft menklontjen-trek, en men trekt een getal krieksteenen uit den inzet. Vallen ze integendeel met de holle zijde naar boven, dan heeft menwitbier-zet, en men is verplicht een getal krieksteenen in te zetten.[38]Een oud schoolboek.[39]Frank, Vrijpostig, stoutmoedig, onbeschaamd.[40]Een Meikever of Molenaar.[41]Plagen, tergen.[42]Verschillende kinderspelen.DE KWADE HANDVERHAALInderdaad, gebuur, het is waar: er gebeuren niet zelden dingen, die het menschelijk verstand te boven gaan,—voorvallen, die alle wetenschappelijke kennis beloochenen, en ons tegen onzen wil doen droomen van onzichtbare geesten en van eene geheime en onbekende macht. Zoo wil ik u iets verhalen, waarvan ik ooggetuige was, en dat op mijne verbeelding eenen onvergankelijken indruk gelaten heeft.In het jaar 1834 woonde te Borgerhout[43]eene weeze van omtrent achttien jaar, Theresia genaamd. Zij was zoet en stil van aard, won het dagelijksch brood met kleermaken en woonde alleen op eene gehuurde kamer. Haar fijn gelaat droeg al de kenmerken van gezondheid en van levensvreugd; haar eerbaar gedrag en blijde inborst deden haar van iedereen beminnen; en daar zij zeer arbeidzaam was en dus eenen schoonen stuiver won, achtte zij zich met recht onder de gelukkigsten der aarde.Een ongeloofelijk voorval kwam eensklaps van dit jeugdig en vroolijk meisje een beklaaglijk en rampzalig schepsel maken. Dit vertelde zij bijna in dezer voege. Zij was op zekeren dag naar Berchem[44]gegaan, om er in dagloon vrouwenkleederen te maken en ander naaiwerk te doen. Tegen den avond, tusschen licht en donker, was zij op de baan, om langs de binnenwegen huiswaarts te keeren. Zij spoedde zich zeer; want de lucht betrok met zwarte wolken, en de duisternis scheen onverwachts haar te zullen overvallen. Het was dien dag stikkend heet geweest, en alles deed nu vreezen, dat een schrikkelijk onweder ging losbarsten; des te meer, daar eenige walmende bliksems reeds bij poozen de verte verlichtten. Theresia was niet van de stoutsten; de doodsche stilte, die over de velden heerschte, dit akelig oogenblik, dat als de verstomdheid der bange natuur het nakend onweder voorafgaat, al deze schrikverwekkende teekens deden haar het hart angstig jagen en zij verdubbelde hare stappen.Op eens sprong een zuchtende bliksem de wolken uit, en een bulderende donder schokte den grond. Theresia bleef staan en sloeg zich in de uiterste benauwdheid de handen voor de oogen; maar zij verschrikte nog meer, toen zij dicht bij zich eene zonderlinge stem hoorde, die haar vroeg wat uur het was. Het bange meisje liet hare handen vallen en blikte met afgrijzen op een leelijk oud wijf, dat lachend voor haar stond en weder vroeg:"Welnu, dochter, wat uur is het?"Zonder overdenken en gansch verdwaald, antwoordde Theresia:"Acht uren."Eene uitdrukking van gramschap kwam het berimpeld gelaat van het oude wijf betrekken, en zij riep als met booze spotternij:"Zoo, gij zijt ook van die, welke de oude, grijze menschen voor den zot houden! Gij doet niet wel, dochter, met na de negen uren langs deze baan te gaan. Gij weet niet wat u kan overkomen!"Dit zeggende, klopte zij driemaal op den rechterschouder van Theresia en ging haren weg—Onder de aanraking van het oude wijf werd het ontstelde meisje ijskoud: zij voelde eene onbegrijpelijke huivering over haar lichaam rijzen en haar hart als tusschen eenen band klemmen.Bevend en roerloos stond zij reeds eenige oogenblikken als verstomd op dezelfde plaats, vóórdat haar de gedachte inviel het oude wijf op het hoofd te slaan, om de kwade hand, die zij vreesde, te breken; maar nu was het wijf reeds zooverre in een duister pad gevorderd, dat Theresia haar niet dorst te volgen, te min daar een nieuwe donderslag de wolken openscheurde, en de regen in stroomen over de velden stortte.Doornat en bijna stervend van schrik, geraakte Theresia eindelijk in hare woning, ontkleedde zich en ging te bed liggen.Des anderen daags, op den middag, kwam iemand der huisgenooten om haar tot den maaltijd te roepen; maar niet zoodra had hij eenen voet in het vertrek geplaatst, of hij deinsde met eenen naren schreeuw achteruit, liep de trappen af en viel te midden van het huisgezin, roepende:"Theresia is dood!"Op dit zeggen stonden twee mannen en drie of vier vrouwen van de tafel op en klommen naar boven. Bij het eerste gezicht duchten zij insgelijks een lijk te zien; doch bij het bed genaderd zijnde, begonnen zij aan dit ongeluk te twijfelen. Theresia lag, wel is waar, roerloos; hare eene hand scheen wel zoo slap als een koord nevens de bedsponde neer te hangen; haar gelaat was wel doorschijnend als glas en van gele kleur; maar hare oogen waren open en, alhoewel afgrijselijk glinsterend, toch levend en niet gebroken. Een der bijzijnde mannen wilde den neerhangenden arm op het bed leggen; dan, hij verschrikte niet weinig daar hij dezen arm zoo stijf en zoo onbuigbaar als ijzer vond. Niettegenstaande het lichaam van Theresia al de kenteekenen des doods droeg, was er nochtans een onuitlegbaar gevoel in de harten der omstanders: geen enkele achtte zich verzekerd, dat het jonge meisje uit de wereld gescheiden was; integendeel, allen hielden voor vast, dat zij nog leefde, alhoewel zij doof bleef voor alle geroep en gevoelloos voor nijpen en schudden.Ondanks alle pogingen der geneesheeren, bleef Theresia in dien staat gedurende twee dagen en twee nachten. Op den slag van het achtenveertigste uur ontwaakte zij vanzelve. Wreef eene wijl aan hare oogen, als iemand, die geslapen heeft, bezag als verbaasd hare kamer en de omstaande personen, en bogen dan in eens zoo overvloedig tranen te storten, dat al degenen, die het zagen, met haar uit medelijden weenden.Iedereen sprak haar aan met troostende woorden en vroeg, hoe haar die onbegrijpelijke kwaal overkomen was; maar zij begon telkens nog bitterder te weenen en antwoordde niet. Na lange ondervragingen van den dokter, riep zij eindelijk met eenen snijdenden zucht:"O, bid voor mij: ik ben betooverd!"Weinigen geloofden aan dit gezegde. Ik zelf, die het hoorde, achtte deze woorden eene ijdele dwaling van eenen zieken geest. Maar het verhaal harer ontmoeting met het oude wijf gaf ten minste aan alle bijzijnde personen, behalve aan den dokter en aan mij, de overtuiging, dat zij inderdaad betooverd was.Wat hier ook van zij, het vervolg scheen hare schrikkelijke gedachte te bevestigen. Gedurende vijf jaren bleven hare oogen even glinsterend, hare wangen even geel en glasachtig. Geene andere verandering bemerkte men in haar dan eene altijd toenemende vermagering des lichaams, en al vroeg begon elkeen te zien, dat de dood het betooverde meisje met een rood kruis geteekend had en welhaast om zijn slachtoffer zou komen. Alle jaren, op den dag en het uur harer ontmoeting met het oude wijf, overviel haar plotseling eene slaapziekte, die, als de eerste, telkens achtenveertig uren duurde. In deze zonderlinge kwaal moest zij ijselijke dingen hooren, zien en lijden; dit kon men genoeg uit eenige afgebrokene klachten en woorden vermoeden; maar noch beloften noch bedreigingen konden haar doen zeggen, wat zij dan voelde of zag. Een geheim en voor haar schrikkelijk geweld dwong haar tot stilzwijgen over dit punt. Zij vertelde echter aan wie het hooren wilde, dat zij alle nachten, op slag van twaalf uren, hare deur hoorde opengaan en de oude tooverheks zag verschijnen; dat deze booze vrouw, bij het bed genaderd zijnde, op haar lichaam klom en haar tot één uur met de knieën de borst te pletten duwde, dat leven en gevoel haar van pijn ontgingen, zonder dat zij schreeuwen kon of opstaan.Eens hadden twee vrouwen, die aan deze verschijning niet geloofden, de stoutmoedigheid genomen, om bij haar bed te waken, terwijl zij sliep. Zij zagen de tooverheks niet: maar op slag van twaalf uren ontsloot de slapende hare blinkende oogen en begon zweetend en met een schrikkelijk gorgelgeluid tegen een onzichtbaar voorwerp, dat op hare borst liggen moest, te worstelen en te vechten, en een zoo akelig gelaat te krijgen, dat de twee vrouwen van benauwdheid de kamer waren ontvlucht.Het gedurig en onuitsprekelijk lijden belette Theresia niet haar gewoon handwerk te doen. Dezen toestand zag zij aan als haar onwederroepelijk lot, en alhoewel zij de geburen liet begaan met geneesheeren en middelen voor hare kwaal te zoeken, scheen zij zelve onverschillig aan deze pogingen te blijven. Men begrijpt wel, dat alle kwakzalvers en alle bezitters van geheimen tegen tooverij hier waren geraadpleegd geweest. Men had alle soorten van woorden, in bekende en onbekende talen, over de zieke dochter gesproken; zij was met eene levende padde in hare hand gaan slapen; zij had twee doodsbeenderen over kruis aan haar voeteneinde gelegd; onder haar hoofdkussen had eene huif, waarmede de kinderen somtijds geboren worden, een halfjaar lang gelegen, en nu nog droeg zij op hare borst een stuk galgekoord, waaraan een moordenaar gehangen had. Dit alles hielp echter niets:—de tooverheks ging voort met alle nachten het ongelukkige meisje onder hare knieën te pletten en te martelen.Op het einde van 1839 was Theresia reeds zoozeer vermagerd en uitgeput, dat zij met moeite nog staan kon en dat elke dag haar laatste dag scheen te zullen zijn. Zij had nu geheel het voorkomen van een gekleed geraamte gekregen; hare wangen waren hol, hare glinsterende oogen achteruitgezonken en hare lange vingeren geleken zoovele ratelende beentjes.Omtrent dien tijd hoorden de geburen door eene boerin zeggen, dat er tusschen Zoersel en Schilde, te midden der heide, een stokoud manneke woonde, dat macht had over alle tooverij en van alle kwade handen en verwenschingen kon verlossen. Zij verhaalde, hoe hij hare koeien onttooverd had; hoe hij de kwade hand van het kind haars broeders had gelicht, en meer andere wonderlijke feiten, die de gebuurte deden besluiten nog eens te beproeven, of deze man de zieke Theresia niet helpen kon.Men zond iemand naar Schilde, om den grijsaard te halen, en deze kwam, na lang praten en smeeken, met den bode naar Borgerhout. Hij was, gelijk alle zeventigjarige menschen, kromgebogen, met wit haar, ingevallen wangen en diep gezonken oogen. Nochtans, er blonk ene zekere edelheid op zijn gelaat, en iets slims was er op te lezen. Zijn gang was traag, zijne stappen gemeten en zijn gezicht onophoudend ten gronde gevestigd.Wanneer hij in de kamer der zieke Theresia stapte, bevonden zich daarin eenige oude vrouwen en ik zelf. Het kwijnende meisje ontstelde zich niet bij de komst van den nieuwen wonderdoener en bezag hem met onverschilligheid en ongeloof. Hij, zonder op haar te letten, ging beurtelings in elken hoek der kamer eenige onverstaanbare woorden mompelen, nam twee brandende stukken hout uit den haard, legde ze over kruis voor de deur en ging dan eerst voor het meisje staan. Haar eene wijl in de oogen gestaard hebbende, begon hij de volgende ondervragingen met zonderlinge stem:"Dochter, er is eene kwade hand aan u?""Ik weet het wel, man.""Hebt gij niets op uweconscientie?""Och neen, ik ga alle maanden te biechten.""Hebt gij u zelve nooit verwenscht of vermaledijd?""Nog veel minder.""Weet gij niet, of uw vader of uwe moeder u ooit verwenscht of vermaledijd hebben?""Ik weet het niet; zij beminden mij zeer en zijn heel vroeg gestorven.""Hebt gij nooit eene zwarte kat gestreeld?""Neen.""Hebt gij nooit te middernacht op eenen kruisweg gestaan?""Nooit.""Dan zult gij waarschijnlijk gelijk hebben met te denken, dat het oude wijf u betooverd heeft.""O, daar ben ik zeker van.""Wilt gij verlost zijn?""Moet gij dit vragen?""Antwoord mij!""Ja, ik wil verlost zijn."De grijsaard ging hierop stilzwijgend bij het vuur op zijne hurken zitten, en blikte stijf in de dansende vlammen, terwijl hij met eenen onzichtbaren geest scheen te spreken.Onnoodig zal het zijn, u den angst en de benauwdheid der bijzijnde vrouwen af te schetsen: allen waren bleek en bevend, en zij bezagen elkander met ondervragend en verstomd gelaat. De vreesachtigsten zouden wel gaarne de kamer verlaten hebben; maar geene zou het hebben durven wagen, over de brandende kruishouten te stappen, vermits zij wisten, dat eene tooverheks daarover onfeilbaar den hals breekt. Ondertusschen was de kamer vol rook geraakt; de arme wijven verstikten, het zweet brak hun uit van het geweld, dat zij deden, om niet te hoesten.Eindelijk, na een vierendeel uurs, stond de oude man op: en weder voor het meisje komende, begon hij dit gesprek:"Dochter, nu ken ik uwe kwaal en degene, die de kwade hand op u gelegd heeft.""Is het de oude tooverheks, of niet?""Het is de oude tooverheks.""O, ik weet het wel.""Ik kan u verlossen, maar alleen door een gevecht om leven en dood. Zeg mij, indien gij stierft, terwijl ik pogingen doe om de kwade hand van u te lichten, zoudt gij mij dit in het laatste oordeel verwijten? Zoudt gij dit op mijne ziel leggen?""Och, neen, ik moet toch sterven, als gij mij niet verlost.""Is dit uw goed woord?""Ja."De oude man keerde zich dan naar de benauwde vrouwen en sprak:"Wenscht gij allen, dat deze dochter verlost worde? Welnu, ik kan dit werk volbrengen; maar om het uit te voeren, heb ik iets noodig, dat ik niet vinden kan, dan op het kerkhof van een dorp in het land van Waas, over de Schelde. Ik zou de reis wel uit mijnen eigen zak kunnen doen, maar zij moet geschieden met geld, dat er opzettelijk voor gegeven wordt.""Maar," vroeg hierop een zeer oud wijf, dat misschien ook al met zwarte kunsten had pogen om te gaan, "maar mogen wij niet weten, wat gij hebben moet? Wij zouden het u misschien wel kunnen bezorgen.""Onmogelijk!" viel de grijsaard in. "Ik moet mos hebben, dat gegroeid zij op een honderdjarig doodshoofd. Waar zoudt gij dit halen? Ik weet in het Waasland een dorp, waar een zeer oud beenderhuis staat, en waar honderdjarige bekkeneelen in den kerkmuur gemetseld zijn. Daar moet ik, 's nachts te twaalf uren, met een nieuw mes het mos gaan afkrabben, onder het uitspreken van zekere woorden. Aldus, wilt gij een goed werk doen, zoo geeft mij twee of drie guldens om mijne reis te betalen."Het gevraagde geld werd door de vrouwen bijeengelegd en den oude man gegeven. Hij hernam:"Vrienden, ik mag niet op reis gaan zonder de verzekering te hebben, dat drie onversaagde kerels in deze kamer waken zullen. Want, zoo zulks de tooverheks niet belet wordt, zal zij het arme meisje uit wraakzucht zoodanig martelen en pijnigen, dat onze pogingen misschien voor altijd nutteloos zouden zijn. Belooft mij dan op goeder trouwe, dat gij drie mannen zult zoeken. En ziet hier wat zij moeten doen: een hunner zal eene handvol erwten hebben; wanneer te middernacht de deur opengaat, moet hij met de erwten in het wilde rondwerpen. Indien er eene erwt de tooverheks raakt, zal zij zichtbaar worden en huilend ten venster uitvliegen.—Men behoort dat daarom open te laten. Er is niets te vreezen, want zij heeft op de wakers geene macht."Men beloofde de begeerte van den ouden man te volbrengen. Deze nam zijnen gaanstok en sprak tot de zieke:"Nu, wees nu maar getroost en gerust, dochter. Overmorgen, zal de kwade hand gelicht zijn, en dan zult gij genezen en weder gezond worden."Bij deze woorden raapte hij de kruishouten op, wierp ze in den haard en verliet de kamer.In den loop van den dag kwam de commissaris van politie twee-of driemaal naar den ouden man vernemen; doch men zeide hem telkens dat hij vertrokken was en dat men niet wist, of hij naar Schilde of naar elders zich begeven had.Niet zonder groote moeite vond men drie mannen, die stout genoeg waren om in de kamer van Theresia te waken. Na veel gaan en komen had men er twee aangetroffen, die het op zich namen de gevaarlijke wacht te doen, maar op voorwaarde dat ik zelf de derde man zijn zou.Ik had in de gebuurte den naam van stoutmoedig te zijn, alhoewel ik inderdaad geen groot liefhebber van tooverij of geesten ben. Dan, ik zag mij hier gedwongen den last mijner goede faam te dragen.Omtrent elf uren des nachts klommen wij, met kloppend hart en ontsteld door eene diepe benauwdheid, de trappen op en traden stil en omzichtelijk, als drie spoken, de kamer in. Daar gingen wij bij eene tafel op stoelen nederzitten, zonder spreken. Allengskens nochtans kwam de moed in ons terug; wij begonnen met stille stem elkander het een en ander in het oor te fluisteren. Eene flesch brandewijn werd ontstopt, elk van ons ontstak zijne pijp en zond eenige walmen rook het open venster uit. Theresia lag daar voor ons te bed; zij sliep met gesloten oogen, en ware het niet hare geraamtemagerheid geweest, zoo zouden wij niets vreemds aan haar gezien hebben. Op eene zonderlinge wijze stonden onze gemoederen onder den invloed van den tijd: van elf uren tot half twaalf klom onze vrijheid van geest en werd onze stem luider en vroolijker; maar van half twaalf tot middernacht vergingen ons allengskens de moed en de spraak tot zooverre, dat wij bij het naderen van het plechtig uur met onbeschrijfelijken angst bevangen waren. Geene enkele pijp rookte nog, geen woord ontviel onzen mond; alleen onze oogen bewogen zich met snelle blikken en wandelden met vervaardheid van de deur op Theresia. De eenige lamp, die ons verlichtte, scheen insgelijks de komst der tooverheks te gevoelen, want zij begon onregelmatig en op eene vreemde wijze te branden: nu lichtte zij hevig, dan weder bijna niet; dan sprongen krakende sprankels als vuurwerk uit het midden der vlam....Alzoo wij nu, bleek en bevend, elkander bezagen, kwam een helle klokslag onze ooren treffen; wij sprongen op van schrik; de erwten ontvielen de hand van dien, welke ze werpen moest, en vermeerderden onzen angst door het gerucht, dat zij in het vallen maakten. Gelukkiglijk hadden wij een geheel pak daarvan vóór ons staan. Met opengespalkte oogen blikten wij naar de deur, niet twijfelende, of de tooverheks zou ze gaan openen. Maar nu werd onze aandacht eensklaps op Theresia getrokken. Deze lag met open oogen en ontwaakt; eene ijselijke uitdrukking lijk, als om van onder een pletterend voorwerp los te geraken, en zuchtte met ratelenden gorgel. Het was dan, dat wij behoorden te werpen, want wij waren verzekerd, dat de tooverheks bezig was met Theresia te pijnigen. Nog meer werden wij daarvan overtuigd, toen het ongelukkige meisje met zwakke, doch grievende stem deze woorden tot hare onzichtbare vijandin sprak:"O, laat mij ademhalen. Genade! genade!—O, neen, neen, scheur mijn hart niet met uwe nagelen.—Geef mij den slag van gratie, dat ik sterve!"Dan zweeg zij eene poos en hernam, alsof iemand tot haar gesproken had:"Gij bedriegt u: ik ben het niet, die den man geroepen heb. O, laat mij los, trek dien brandenden priem uit mijne borst, ik zal zeggen, dat ik niet wil, —ik zal den ouden man verjagen...."Lichtelijk zult gij begrijpen, wat schrik deze woorden ons inboezemden; wij waren verdwaald en bijna van ons zelven. Nochtans had een van ons genoeg tegenwoordigheid van geest om zich te herinneren, wat hij doen moest; hij vatte eene handvol erwten en wierp deze uit al zijne macht op het bed. Het scheen ons nu, dat een zucht als een wind voorbij ons aangezicht vloog. Theresia sloot hare oogen, haar gelaat kreeg plotseling eene kalme uitdrukking: zij sliep als te voren. Deze overwinning gaf ons moed en kracht terug; wij achtten onzen last volbracht en waren blij genoeg, dat wij nu de kamer zonder schaamte mochten verlaten. Maar eene nieuwe verschijning moest ons nog het bloed in de aderen doen stollen. Alzoo wij ons omkeerden, zagen wij op den vensterdorpel eene zwarte kat zitten, die met vlammende oogen ons aanstaarde en ons scheen te bedreigen over hetgeen wij gedaan hadden. Wij blikten met glimmende benauwdheid op het dier, of liever op den geest; maar het liet zich van den dorpel in de kamer glijden en kwam langzaam op ons aan.Één onzer deed de kamerdeur open en liet zich van al de trappen nedervallen, om zooveel eerder op de straat te zijn; ik durf het u wel zeggen, wij volgden hem op de hielen en ontvluchtten het insgelijks. Op de straat zijnde, bekenden wij elkander, dat geen van ons durfde gaan slapen; wij klopten den baas eener herberg op, en bleven in zijn huis wakend zitten tot den morgen.Dan vernamen wij in de woning van Theresia, dat zij in slechten staat was en met moeite nog kracht genoeg had om hoofd of handen te verroeren.Omtrent den middag kwam de oude man terug van zijne reis en kondigde ons aan, dat hij dien nacht te twaalf uren de tooverheks zou treffen en Theresia verlossen. Maar hem moesten eenige voorwerpen gegeven worden, namelijk: het ongekookte hart van een schaap, een levende hond, een groote, nieuwe breipriem en een koperen ketel, waarin nooit rog of vloot gekookt was geworden.Het schapenhart was spoedig gevonden, vermits de beenhouwers dien dag juist hun wekelijksch vee geslacht hadden; den breipriem kocht men in den winkel, den ketel leende iemand; maar wat den hond betreft, die kostte meer moeite. Er was niemand, die zijnen hond wilde geven, vermits men wist, dat de kwade hand van Theresia op het dier moest gelegd worden. Men vond geenen enkelen gebuur, die er trek naar had om eenen betooverden hond in huis te hebben. Eindelijk vernam men, dat er een boer van Deurne voornemens was zijnen hond te verdrinken. Een man begaf zich er heen en kwam in den namiddag terug met eenen zwarten Spits, die van ouderdom bijna niet meer voort kon.Te elf uren des avonds bevonden zich talrijke mannen en oude wijven in het huis van eenen schoenmaker, niet verre van Theresia's woning. Daar de plechtige verlossing niet mocht bewerkt worden onder het dak der betooverde, had de schoenmaker eene kamer in zijn huis geleend. Gij begrijpt wel, dat ik niet verzuimd had, mij daar insgelijks te laten vinden.Zeldzaam was het opzicht dezer kamer. Eene nieuwe blikken lamp brandde op eene kleine tafel bij het vuur; nevens de lamp lagen een bloedend hart en eene zware breinaald; in den schoorsteen, over een groot vuur, hing een koperen ketel met ziedend water; daarnevens, in eenen hoek van den haard, zat de oude man op zijne hurken, sprekende tegen de vlammen; niet ver van hem lag de zwarte Spits, aan een touw gebonden, op wat stroo te slapen.De geburen en nieuwsgierigen zaten aan het andere einde van het vertrek, in de halve duisternis, met jagenden boezem en bevende ledematen.Zoodra het in de kamer hangend uurwerk met eenen enkelen slag half twaalf aankondigde, stond de oude man uit de assche op en naderde bij de lamp. Dan haalde hij eene kleine lederen beurze uit zijnen zak, deed die open en stortte zekere groene stof er uit op een stuk papier. Zonder twijfel was dit het mos, dat hij van een honderdjarig doodshoofd gekrabt had. Hij smeet onder het uitspreken van zekere woorden een weinig er van in de vlam der lamp, die met eenen spookachtigen, flauwen schijn de kamer begon te verlichten; het overige wierp hij in den ziedenden ketel.Zich nu naar de geburen wendende, sprak hij:"Wat gij hooren of zien moogt, zijt niet bevreesd! Dit hart, dat daar ligt, is het hart der tooverheks geworden: op den slag van twaalf uren zal ik het met den breipriem doorboren; zij zal mij smeeken en bidden, den priem uit haar hart te trekken, maar ik zal het niet doen, dan nadat zij de kwade hand van Theresia op dezen hond zal hebben gelegd. Ik herhaal het u: zijt niet bevreesd, wat gij hooren of zien moogt!"De plechtige waarschuwing van den ouden man had een verkeerd uitwerksel: nu begon men eerst voor goed te beven en onder eene doodsche stilte dicht bij elkander te dringen. Eene oude vrouw viel in onmacht en gaf aan vier of vijf der vreesachtigsten de gelegenheid om, onder voorwendsel van haar weg te dragen, de tooverkamer met eere te verlaten. Intusschen waren aller oogen op de naald van het uurwerk gevestigd.Nog vijf minuten!In een gesloten graf kon het niet stiller en akeliger zijn. Maar nu begon de arme hond op eenmaal te beven; met zijnen muil in de hoogte, borst hij los in een klagend gehuil, alsof er iemand in de buurt op sterven lag. De schrikverwekkende galmen brachten de verwarring onder de vrouwen ten top; men hoorde eenige stoelen kraken en eenige wijven ten gronde vallen, doch dan werd het opnieuw zoo stil als te voren; de hond alleen bleef de kamer met weeklachten vervullen.Nog twee minuten!De oude man stond op en nam het bloedend hart in de eene hand en den breipriem in de andere. Met het oog op de naald van het uurwerk gevestigd, stond hij gereed om te steken....Eensklaps hoorde men aan de voordeur een gerucht en zware stappen, als van iemand, die met eenen stok gaat."Daar is zij! daar is zij!" huilden de bange vrouwen, terwijl zij elkander met hevigheid vastklitsten en te gaar in eenen hoek overhoop nedervielen.De deur ging open.—Tot groote verbazing der vrouwen en zelfs van den toovenaar, was het geheel iets anders dan de heks.... Twee gendarmes en de commissaris van politie! Met eene wonderlijke gezwindheid klampten de gendarmes den ouden vent bij den kraag, trokken hem met geweld van de tafel en rukten hem insgelijks den breipriem uit de hand.Nog ééne minuut!"Man, gij moet ons volgen!" sprak de commissaris."Wat kwaad doe ik?" vroeg de grijsaard bevend."Dat raakt mij niet," was het antwoord, "gij oefent onwettelijk de geneeskunde uit. Dit is verboden."De oude man wierp eenen blik op het uurwerk en zag, dat het twaalf uren ging slaan."Oh," riep hij in de uiterste wanhoop, "nog één oogenblik, één kort oogenblik slechts! Ik smeek u, o! nog eene halve minuut! Doet het, of gij doodt iemand met uwe handen!""Neen, neen!" sprak een der gendarmes, "gij moet ons op staanden voet volgen, of wij doen u de duimkens aan! Gij zijt oud, het zou u groote pijn veroorzaken.... Zoo, kom aan!"Eene onbegrijpelijke woede kwam den stokouden grijsaard vervoeren; hij worstelde met geweld tegen de gendarmes en wilde zich vooruitwerpen naar de tafel; maar nu zonk het gewicht van het uurwerk nederwaarts, en de eerste slag van twaalf uur ging af!...Alsof de donder den ouden man getroffen had, liet hij zich machteloos in de armen der gendarmes vallen moeten breken: "Ramp! ramp! zij is dood!"Ternauwernood was de schreeuw hem ontvlogen, of er kwam iemand de deur ingeloopen, roepende:"Ho, doet geene moeite meer! Theresia is daar juist gestorven, en ditmaal is zij waarlijk dood. Zij is zoo koud als ijs!"De gendarmes lieten zich door niets verschrikken en namen den ouden man mede naar het tuchthuis in afwachting, dat hij veroordeeld wierd, als hebbende de geneeskunde onwettelijk uitgeoefend. Hij werd later tot eenige maanden gevangenis verwezen.—Welnu, gebuur, wat zegt gij van deze geschiedenis? Dat het alles tot louter verbeeldig van Theresia was en dat zij de ziekte had, dien het volk de Hypo noemt? Ik wil dit insgelijks wel gelooven; maar hoe legt men dan het nauwgepast uitvallen van al hare voorgevoelens uit? Hoe vindt men den knoop van de voorzeggingen des ouden mans, die onmiddellijk door den dood van Theresia bewaarheid werd? Wat mij aangaat, ik zie er weinig dag door en wil er niet meer aan denken; want het doet mij droomen en bang zijn in de duisternis. In alle geval, indien het waar is, dat de verbeelding en de wezenlijkheid een zelfde uitwerksel hebben, waarin bestaat dan het verschil tusschen beiden, en wat zal men dan wezenlijkheid of inbeelding noemen? En wat onderscheid bestaat er dan tusschen eene ware en eene ingebeelde betoovering?VOETNOTEN:[43]Eene gemeente bij Antwerpen.[44]Eene gemeente bij Antwerpen.STRIATA FORMOSISSIMA OF DE DAHLIA'S-KOORTSZEDENSCHETSGij, mijn goede lezer, ziet ongetwijfeld gaarne eene schoone Dahlia bloem; misschien zijt gij insgelijks niet verwijderd van haar, in de plaats der poëtische en verleidende Roos, op den troon van het bloemenrijk te willen plaatsen; maar bedenk u toch driemaal, eer gij u zelven eenen Dahlia's-liefhebber noemt. Gewis gelooft gij, in uwe redekundige eenvoudigheid, dat men, om Dahlia's-liefhebber te zijn, alleenlijk de Dahlia's moet liefhebben. Laat mij toe u te zeggen, dat gij u leelijk vergrijpt! Hoe stout dit gezegde ook moge schijnen, het zal bij u zijne verschooning vinden, wanneer ik u een echt Dahlia's-minnaar zal hebben voorgeschetst.Er zijn drie soorten van liefhebbers, namelijk: rijke lieden, burgers en arme menschen. Onder dezen is de welhebbende burgerklasse met de meeste razernij op de Dahlia's verslingerd, en zal mij uitsluitend een toets dienen in deze beschrijving.Dan, weet het wel, een Dahlia's-liefhebber is, gedurende het grootste gedeelte des jaars, een man, die zijn vaderland, zijn huisgezin, zijne vrienden verloochent, en als een menschenhater zich van iedereen verwijderd houdt. Des nachts vlucht de zoete slaap van zijne bedstede, vervolgd als hij is door honderd Dahlia's, die hem in het hoofd wentelen en hem wakker houden. Kon hij, als een andere Josué, de schepping in hare beweging stuiten, zoo werd het gewis nimmer nacht, dan in den Winter, als de Dahlia's verdwenen zijn. Hij verlaat het bed, vóórdat de zon hem roept. Nat van den vallenden dauw en rillend van de morgenkoude, staat hij als een steenen beeld voor eene Dahlia-bloem geplant; hij telt hare bladeren, drukt hare kleuren en tinten in zijnen geest, spreekt haar aan, gaat weg, komt terug en begint opnieuw zijne bespiegeling. Roept men hem om te eten, zoo komt hij, wanneer alles koud is, en slokt de spijzen binnen, zonder te weten wat hij doet. Hij spreekt niet, beziet ternauwernood zijne vrouw en kinderen, en springt even gauw als een gejaagde den hof in. Dan krabt hij hier den grond rondom den wortel van eene Dahlia op, steekt daar een stoksken om de bloem te steunen, hangt wat verder een blad papier om er eene te overlommeren, en brengt zoo den dag door, totdat hij, tegen de verdwijnende zon mompelende, zich verplicht ziet in huis te gaan. Gij denkt dat hij nu ten minste met zijne huisgenooten zal spreken? Ja wel, van Dahlia's, maar van anders niet; en, daar zijne vrouw dit eeuwig gesprek van overlang moede is, gedraagt zij zich, alsof haar man niet op de wereld ware. Hij doorsnuffelt in tusschentijd voor de honderdste maal eene Dahlia's-lijst of kataloog, dien hij reeds sedert eenige maanden van buiten kent,—en gaat eindelijk zeer vroeg te bed; niet om te slapen, maar om in vrijheid over zijne Dahlia's te kunnen mijmeren.Des anderen daags al weder hetzelfde leven. Komt gij om met hem over gewichtige zaken te spreken, hij luistert niet op uwe woorden en brengt u bij zijne Dahlia's. Hier begint hij zijn gewoon liedeken: "Eene schoone bloem, eh? Zie eens, hoe fijn van vorm! Zuiver van tint, niet waar? Is er toch iets schooners op de wereld dan de Dahlia?"—Vruchteloos doet gij pogingen om hem op een ander onderwerp te brengen: zeg hem, dat de vierentwintig artikelen[45]zijn aangenomen, hij beziet u als een inwoner der maan, die van geene artikels weet. Zeg hem, dat het huis van zijnen besten vriend is afgebrand, hij zal u antwoorden: "Die had schoone Dahlia's. Men zal ze zeker onder den voet geloopen hebben:—dit zou spijt zijn!"—Spreek hem van een meesterstuk, door de hand van Wappers voltooid, hij zal met kleinachting uitroepen: "Wie kan er een Dahlia schilderen? Onmogelijk! onmogelijk!"—Verhaal hem, hoe zijn oudste zoon een buitensporig leven leidt, hij zal beweeren, dat dit alleenlijk daaruit voorkomt, dat de jongeling meer liefde gevoelt voor meisjes en herbergen dan voor Dahlia's.—En ditmaal zal hij toch eens gelijk hebben. Vraag hem verder naar den ouderdom zijner kinderen; hij ligt er mee in de war en geeft de jaren van Sophia aan Jozef: alles, wat hem aangaat, heeft hij vergeten. Integendeel kent hij de geschiedenis van de Dahlia van buiten en zal op een rolleken zeggen dat de Dahlia oorspronkelijk is uit Mexico, in Amerika, waar zij in het wilde groeit en slechtsenkelebloemen als starren geeft,—dat zij haren naam ontleent van Andries Dahl, eenen Zweedschen kruidkundige, wien zij uit achting werd opgedragen,—dat deze plant in het jaar 1789 eerst uit Mexico naar Spanje werd overgezonden door Vicente Cervantes, bestierder van den Mexicaanschen kruidenhof,—dat de groote Plantenhof van Parijs haar eerst in 1802 verkreeg, enz.Ik zou u niet raden, in zulk een oogenblik de dwaze drift van den liefhebber te berispen en hierdoor te toonen, dat gij iets boven de Dahlia's schat; want hij zou u een bloedvijand worden, en u zelfs, gedurende zijn gansche leven, hetgoeden dagweigeren.—Hij, die anders zoo zachtmoedig is, dat hij zijne duiven en konijnen bij zijnen gebuur moet laten dooden, durft wel vechten en slaan, wanneer het op de eer van eene Dahlia uitkomt. En, ziet gij hem ooit met een blauw oog te voorschijn komen, beschuldig zijne goede vrouw toch niet: het is de eene of andere Dahlia's-liefhebber, die hem dus heeft toegesteld.—Gij moogt ook niet gelooven, dat deze man andere bloemen onder zijn gezicht lijden kan; de Roos is niets voor hem; de geurrijke Anjelier[46]vertrapt hij met voeten; de overvloedige bloemende Wolroos[47]geeft hij aan zijne geit; zijn mesthoop bestaat uit de ontwortelde planten van Okulei, —Pioen, —Tuiltje, —Vingerhoed, —Violier, —Beverken, —Veldklok, —Knaptand, —Lelie, —Brikel[48]en uit andere lieve, zonderlinge of glansrijke bloemen, zoozeer door onze vaderen bemind en nu door den Dahlia's-liefhebber als onkruid gehaat.Tot het grootste ongeluk van den Dahlia's-zot heeft de Schepper in zijne alwijsheid goed gevonden, dat de Zomer geene twaalf maanden lang zou duren. Dit verkort schrikkelijk het leven van onzen liefhebber. Gij weet, goede lezers, dat deMarmoteen dier is, dat gedurende vier wintermaanden zonder beweging en zonder gevoel ligt te slapen, en niet ontwaakt vóórdat de zon de aarde met kruiden komt begroenen. De Dahlia's-liefhebber gelijkt wonderwel aan dit dier: zoodra de naderende vorst hem verplicht heeft zijne Dahlia-wortelen in den kelder te brengen, vergaat in eens al het schoone van zijn leven; zijn hart wordt koud, zijne oogen weifelend, zijne bewegingen langzaam, en hij vervalt inderdaad in eenen slaap des geestes, tot bij het aanbreken der Lente. Deze mijmering, dit levensverdriet is hinderloos; zelfs ziet hij dan nog wel eens zijne lang vergetene vrienden; hij betoont eene stille genegenheid voor vrouw en kinderen, slaat eene slepende aandacht op zijne veronachtzaamde huiszaken en verdient alleszins den naam van een goed mensch. Men mag zeggen, dat niemand zoo onmiddellijk onder den invloed des hemels geplaatst is als hij; niet zoo haast is de eerste maand van het Nieuwjaar verloopen, of hij werpt iederen dag eenen langen blik in de hoogte; is de hemel blauw, dan glinsteren zijne oogen den verkwikkenden azuurkolk tegen; is de hemel grijs en nevelig, dan zakt er een floers van droefheid over zijn versomberd gezicht. Na eene lange en pijnlijke afwachting komt eindelijk die trage en luie maand Maart het sneeuwgezinde Februari verjagen. De Dahlia's-liefhebber staat eens des morgens vroeg op: hij voelt reeds van in zijne slaapkamer, dat er gedurende den nacht eene natuurverandering is geschied; zijn hart klopt, zijn bloed stroomt; hij kleedt zich bevend en ontsteld. Gelijk Noach in dergelijken toestand deed, opent hij het venster zijner arke, maar in stede van eene duive uit te zenden, loopt hij zelf de trap af, opent de deur en springt den hof in.Zie, wat schoone uitdrukking van zaligheid verheldert zijn gelaat; hij meet de hemeldiepte met zijn aanbiddend oog, en als de losgelatene duive van Noach slaat hij met zijne armen, om zich de verstramde leden los te maken. Indien gij opmerkzaam zijt op de bewegingen der wonderbare natuur, zult gij reeds geraden hebben, wat de Dahlia's-liefhebber gevoelt. Gedurende den nacht heeft God zijnen weldoenden adem, den zoelen zuiderwind, over de aarde gezonden; deze, gehoorzaam aan haren Schepper, heeft haren schoot ontsloten en de lucht met balsemgeuren bezwangerd. Er hangt boven den gistenden grond iets tooverachtigs, een onzichtbare wasem, die ons de blijde overtuiging indrukt, dat het niet meer vriezen zal, en dat de plantenslaap geëindigd is. De Dahlia's-liefhebber blijft eenige oogenblikken getroffen staan; hij zuigt met lange longspanningen de lentezucht in en voelt zijn leven verdubbelen; dan spoedt hij zich met jonge stappen vooruit door de paden van zijnen hof, en doorloopt ze huppelend en zoo blijde als een visch, die in zijn geboortewater spartelt. Eensklaps blijft hij staan; hij glimlacht zoo zoet! zijne lippen stamelen een bevallig welkom. Dáár, voor hem, staat het lieve Sneeuwzotteken[49]met zes zilveren bellekens te pralen. Hij heeft, als de duive van Noach, zijnen olijftak gevonden; het pand, dat de natuur hem van hare ontwaking geeft! met fluweelen handen plukt hij de tengere bloemkens, en loopt er mede naar zijn huis:"Vrouw, vrouw!" roept hij in geestdrift uit, "hier is de Zomer! Nu gaan wij weer leven!"De vrouw is bezig met hare huiselijke zaken; ternauwernood slaat zij een oog ter zijde, en zegt onverschillig tot een klein kind, dat zich te barsten schreeuwt: "Ha, bloemen voor ons Leopolleken!" De vader geeft de bloemkens voorzichtiglijk aan het kind; maar de kleine guit steekt ze in den mond, eet er de helft van op en verplettert de andere. Ik weet niet juist wat gevoel er in het hart des vaders zinkt; maar hij haalt de schouders op, nijpt de lippen samen en gaat in een ander vertrek, zonder nog te spreken.De persoon, dien ik tot deze beschrijving gekozen heb, heet mijnheer Fruyts en woont in een der voorgeborchten van Antwerpen; hij is een middelhebbende burger van omtrent de vijftig jaren, eenvoudig en vreedzaam van zeden en goed van inborst; zijn eenig gebrek is de razernij der Dahlia's.U daareven zeggende, dat hij zijne onverschillige huisgenooten met spijt verliet en zich in eene andere kamer begaf, hadde ik er moeten bijvoegen, dat dit gebeurde op den eersten Maart van het jaar 1839.M. Fruyts had zich bij eene tafel nedergezet; daarop lagen eenige kleine boekskens van beschreven papier en wat smalle stukskens lood, benevens alles wat er tot schrijven behoeft. De boekskens doorbladerende, sprak hij van tijd tot tijd tot zich zelven als volgt:"Anna Mariaplant ik in de eerste rij; het is eene schoone bloem, met muizenoorkens en met purperen punten.Buonaparte, met haren stijven steel en hare kastanjekleur, zet ik daarachter, nevensWaterloomet hare fijngeplooide oranjebladeren. Zou ikDéfiancenog planten? Die Dahliadoet het bijna nooit[50]. Het is anders nog al eene aardige: chocolade met melk.—Ik zal haar in het midden zetten metEnglands pride,don Carlos,FormosaenHortense Knyff. Maar waar plant ik de koningin mijner verzameling? Waar zet ik mijneStriata Formosissima?[51]Ik mag daar niet losselijk over beslissen. Laat zien, alles eens wel overwogen. Zet ik haar vooraan in de eerste rij, dan zullen de liefhebbers al mijne andere bloemen slecht vinden; zet ik haar in de laatste rij, dan zijn de liefhebbers moede gezien, eer zij aan mijneStriata Formosissimakomen. Dit mag ook niet zijn. Zet ik haar in het midden, dan kan men haar van verre niet zien. Maar waar zal ik haar dan zetten?"Bij deze vraag sloeg M. Fruyts zijne platte hand aan het voorhoofd, dat het kletste! hij liet zijn lichaam in diepe bedenking over de tafel hellen en bleef zoolang met hardnekkigheid aan zijn onoplosbaar vraagpunkt denken, dat hij eindelijk verwonderd uit zijne mijmering opschoot en zijne oogen begon te wrijven als iemand, die geslapen heeft."Welnu!" riep hij overluid, "waar zal ik mijneStriata Formosissimaplanten?"Dan, de muren bleven stom en de uitroeping van M. Fruyts zonder antwoord. Gelijk hij bezig was met zich opnieuw, doch met meer wanhoop, voor het hoofd te slaan, deed een ander Dahlia's-liefhebber, de heer Bielens, de deur open en stak zijn hoofd in de kamer vooruit, zeggende:"Dat zijn weerkens, eh?[52]"M. Fruyts liep hem te gemoet, trek hem bij de hand tot in het midden van het vertrek, plantte zich vóór hem, zag hem strak in de oogen en herhaalde als met gramschap zijne vraag:"Waar zal ik mijneStriata Formosissimatoch planten?"M. Bielens staarde zijnen vriend met verbaasdheid aan en scheen genegen om te lachen; doch hij hield zich in en begon het volgende gesprek:BIELENS.—Hoor, Fruyts, dit is iets, waarover gij op éénen dag niet moogt besluiten. Het zal misschien nog zes weken aanloopen, eer wij onze Dahlia's zullen kunnen planten. Denk gij er nog eens wel op; ik zal het van mijnen kant ook doen, en binnen acht dagen zullen wij dit met rijp oordeel beslissen.FRUYTS,blijmoedig.—Verstandig gesproken. Ik hoor, dat gij weet wat bloemken mijneStriata Formosissimais. Niemand heeft haar in honderd uren in het ronde; ik win er dit jaar nog vijf of zes medailles mede. Ik zal de liefhebbers van Merxem[53]ditmaal eens kloppen, dat zij uit hunne oogen niet meer zullen zien.BIELENS.—Maar hebt gij haar wel goed bewaard? Hebt gij haar in droge zemelen gelegd, gelijk ik u geraden heb?FRUYTS.—Ja, ja, en er is dezen Winter geen water in mijnen kelder geweest.BIELENS,invallende.—Maar, Fruyts, ik ben hier gekomen om u nu eens beslissend over de zaak te spreken: zullen wij onze kinderen nu niet na den Paaschtijd laten trouwen? Zij kennen elkander nu lang genoeg, en aangezien er niets in den weg is, waarom zouden wij ze dan nog meer met uitstel plagen?FRUYTS,hij heeft een zijner boekskens van de tafel genomen.—Zie, Bielens, gij moest mij dit eens in het Vlaamsch zeggen. Met hunne Fransche lijsten altijd! Anders niet dan van deze ééne Dahlia.BIELENS,in het boeksken lezende.—"N° 756,British Queen, Well's.—Schoon van vorm, bladeren als muizenooren, witte grond, overgaande tot purper en geboord met violet. Welgemaakt; stijve steel. Blijft het huwelijk van uwe dochter met mijnen zoon nu vastgesteld na Paschen.FRUYTS,in gedachte dwalende.—Dit moet eene schoone bloem zijn, eh? Wit met violette boorden; muizenooren? Daar hang ik tien franken aan! Raadt gij mij hem te koopen?BIELENS,met ongeduld.—Zie, Mijnheer Fruyts, ik spreek van geen Dahlia's meer, vóórdat gij mij bescheid gegeven hebt. Trouwen onze kinderen na Paschen, ja of neen?FRUYTS,hij schudt het hoofd met spijt.—Wel ja, ja zeker. Zijt gij nu tevreden? Daar is mijne hand en mijn woord. Zal ik deBritish Queennu koopen, zeg?BIELENS.—Ja, maar zóó trouwen is de regel niet, dat weet gij ook wel; wij moeten eens goed over de zaak raadplegen. Gij zult zeker uwe dochter wel een rond sommeken medegeven?FRUYTS.—Hoor, om het kort te maken: ja, op alles! en hoe eerder hoe liever. Dit huwelijk mocht anders nog wel in den Dahlia's tijd vallen. Bezorg gij alles; mijne toestemming is u op voorhand gegeven.—Maar zeg, hebt gij uwe Dahlia's reeds uit den kelder gehaald, Bielens?BIELENS.—Ja, gisterenmorgen heb ik ze onder glas te broeien gelegd.—Ik gaboeturen[54].FRUYTS.—De mijne moeten vandaag ook uit den kelder. Als gij weg zijt, zal ik ze eens gaan bezoeken.BIELENS. Ja, ik heb hier al te veel tijd versleten. Geef mij de hand op het huwelijk onzer kinderen. Ik zal alles bezorgen. En om te doen, gelijk het behoort, zal ik dezen morgen mijnen zoon zenden, om aan u zelf uwe toestemming te vragen. Gij moogt hem niet beschamen, zullen?FRUYTS.—Wees daar niet bang voor; ik zal hem anders niet antwoorden danja. Gij kunt wel denken, als ik mijne wortelen eens gezien heb, dat ik dan niet veel tijd zal hebben om met uwen zoon te kouten. Dus, wees gerust. Tot namiddag.Zoo haast M. Bielens vertrokken was, ging er eene blijde uitdrukking over het gelaat van M. Fruyts. Als iemand, die met ongeduldige haastigheid zich tot iets klaarmaakt, stapte hij heen en weder door de kamer, nam uit deze kas een mes, uit dien bak eenen hamer, van de schouwplaat een stel stempelletters, van den grond een draagbord, daarbij een potlood en een geheel boek papier. Aldus, met zakken en handen vol en een draagbord onder den arm, ging hij bij zijne vrouw en vroeg den sleutel van den kelder. Maar zijne teedere echtgenoote bezag hem met een paar oogen, die meer spotternij dan verwondering deden gissen."Wat, sleutel!" riep zij. "Komen de Dahlia's nu reeds voor den dag? Dan zal het weer een huis gaan worden gelijk eene hel. Gij zijt nu nog al eenigen tijd bij uwe zinnen geweest; maar het gezaag en het zottenspel gaan beginnen, eh? Dat staat daar als een uitverkochte kramer. Ik zou beschaamd zijn!"De gefolterde liefhebber stond van ongeduld te trappelen; hij sprak met bevende stem:"Den sleutel, zeg ik!""Nu, nu," antwoordde hierop de vrouw lachend, "bijt mij maar niet. Dáár is de sleutel."M. Fruyts rukte den sleutel met bitsigheid uit de handen zijner vrouw, doch gevoelde zijnen toorn geheel wegzinken, naarmate hij zelf in zijnen kelder zonk en zijne teerbeminde Dahlia's naderde. Ha! zijn oog mag met wellust dwalen langs de planken, waarop zijne wortelen geschikt zijn. Zie, zij dragen elk een getalmerk, op een looden plaatje gestempeld; maar dit is niet voor den liefhebber gedaan; hij kent de wortelen beter dan zijne kinderen; hij weet hunne namen en voornamen, hunne geboorteplaats, hunne hoedanigheden, hunnen ouderdom.Weldra komt een weldoende droom een bedrieglijk floers over zijne verbeelding werpen: zijn verrukte geest toovert vóór hem, in zijnen halfduisteren kelder, de gansche verzameling, staande in vollen bloei, in hoogste praal! Daar staatMiss Colt, de satijnen roos, daarConqueror, het fijn geplooid bruin fluweel; hierFireball, de gloeiende vuurbol, en de tweekleurigeNonpareil; verder de guldenTopaas, de zilverenVirgin Queenen de zwarteSambo. Duizende andere Dahlia's vertoonen zich in het verschiet; hunne veelkleurige bloemen, als in een onmeetbaar dambord dooreengeschikt, doen het oog van den ontheven liefhebber verdwalen. Het schijnt hem, dat de zon eenen overvloed van hare rijkste stralen in zijnen vochtigen kelder gestort heeft; hij voelt zich door eene streelende lucht omvangen, door eenen verleidenden geur bewierooken. In één woord, een Paradijs van ongekend zielsgenoegen is hem geschonken. O, Dahlia, hoe mildelijk toch beloont gij uwen dienaar!De droomende heer Fruyts bleef langen tijd onder deze verleidende begoocheling. Eindelijk verging toch het toovertooneel; dan wierp hij eenen fieren blik op een houten baksken, dat in eenen hoek van den kelder, op de hoogste schab stond,—en sprak mompelend:
VICTOR,binnensmonds.—Dief, dief, na.
(Er wordt aan de deur gebeld; de meester doet open.)
VROUW VAN LAER,moeder van Victor.—Goeden dag, meester Verdonck. Ik kom eens zien naar mijnen jongen. Ik ben daar naar de markt geweest, om wat selder en ajuin te koopen, gelijk een mensch zoo al noodig heeft in zijn huishouden; en ik zeide zoo in mij zelve: wacht, zeide ik, ik zal eens naar mijnen Victor gaan zien. Zijt gij er tevreden over?
DE MEESTER,met fleemende stem.—Ten uiterste, madam Van Laer. Victor is wijs,—niet waar, Victor? Het is een mijner beste leerlingen;—hij is daareven nog eene klasse verhoogd, en morgen gaat hij inde Schat der kinderen[38].
VR. VAN LAER.—Maar wat heeft hij aan zijn oog, och arme? Het is zoo rood!
DE MEESTER.—Ik heb daar eenen stouten jongen, die altijd kwaad doet aan Victor,—zeker uit nijd, omdat hij zooveel leert. (Tot Edward) Edward, pas op dat gij Victor nog durft slaan, dan vliegt gij de school af, wees zeker!
EDWARD,morrende.—G'hebt het zelf gedaan. G'hebt Victor met uw reglet in zijn oog geslagen.
DE MEESTER,eenen gloeienden blik op Edward werpende.—Zwijg, franke ezel[39],—want er is toch niets goed van u te maken. Doe gelijk Victor, dan zullen uwe ouders ook blij mogen zijn.
EDWARD,binnensmonds.—Omdat zijne moeder hier is, eh? Dat 's niets, straks krijgt hij toch weer haver.
VR. VAN LAER.—Maar, meester Verdonck, daar is de jongen van madam Laurier,—gij weet wel, die bij meester Huysmans ter schole gaat? Eh wel, die spreekt altijd van Amerika en van alle vreemde landen, gelijk een philosoof. Zou Victor dit ook niet kunnen leeren?
DE MEESTER.—Degeographie, wilt gij zeggen, madam? Wel, zie, daar hangt ze! (hij wijst op de landkaart.) Uw Victor is daar al heel ver in,—hij is zelfs een van mijn' besten.
VR. VAN LAER.—Dat wilde ik wel eens zien.
DE MEESTER,tot Victor.—Kom hier voor de kaart, Victor, en laat eens zien aan uwe moeder, wat bol gij in degeographiezijt! (Victor gaat voor de kaart met den meester en met zijne moeder.) Hoevele winden zijn er, Victor?
VICTOR.—Vier.
DE MEESTER.—Ziet gij wel, madam, hij weet het zoo juist, alsof hij gedurende geheel zijn leven op zee gevaren had! Nu zal hij eens wijzen, waar de vier winden zijn.
VR. VAN LAER,in verrukking.—Wel, God, is 't mogelijk? Zoo een kind! Waarachtig, 't is gelijk een kapitein van een schip. Hoe kan hij het onthouden!
DE MEESTER,hij wijst met een stokje boven de kaart.—Victor, waar is het Noorden?
VICTOR,met stoutheid.—Van boven.
DE MEESTER,het stokje onder de kaart plaatsende.—Waar is het Zuiden?
VICTOR.—Van onder.
DE MEESTER,met het stokje de rechterzijde der kaart toonende.—En het Oosten?
VCTOR,met koddigen ernst.—Daar op zijde, waar gij met uw stoksken wijst.
VR. VAN LAER,verwonderd, alsof zij een mirakel geschieden zag.—Hoe kan het toch zijn! Kom hier, Victor, dat ik u eenen kus geef. Gij zult nog minister worden, gij!
DE MEESTER,tot Victor.—Waar wonen wij? In welk land staat deze school?
VICTOR,zeer ernstig.—Op de Paardenmarkt.
DE MEESTER,op zijne lippen bijtende en half beschaamd.—Ja, ja, op de Paardenmarkt, juist!—Maar in welk land zijn wij?—In Spanje, in Turkije, in Lapland of in Belgenland?
VICTOR.—In Belgenland.
DE MEESTER,vergenoegd.—Ik wist wel, dat hij het niet vergeten had. Wijs nu Belgenland op de kaart eens, Victor! (Victor, na lang zoeken, wijst het land der Hottentotten op de kaap de Goede Hoop.) Dat is mis, Victor. Toe jongen, g'hebt Belgenland daar straks wel vijfentwintig keeren gewezen. (Tot vr. Van Laer.) Madam, hij is beschaamd in uwe tegenwoordigheid. Hij kan anders alle landen en steden wijzen met zijne oogen toe. Ho, het is een kind, waar veel insteekt.
KAREL,tot Edward met zachte stem.—Wat leelijke mouwstrijker dat de meester is, eh?
EDWARD.—Wat grooten hoed dat Victors moeder op heeft, eh? Hebt gij geenen bol papier, 'k zal eens roos schieten?
FRANS.—Ik heb er eenen: let op, hij gaat!
DE MEESTER,roepende.—Silence, daar in den hoek!
VR. VAN LAER,tot den meester.—Ik heb het altijd gezegd, dat onze Victor een verstandig kind is. Nochtans, zijn vader wil in zijne koppigheid hebben, dat mijn Victor een ezel is, en dat het beter ware hem eenen stiel te leeren;—maar ik zal wel maken, dat hij ten minste pastoor of advocaat wordt ... want het kind is er zeker toe geboren.
DE MEESTER,zich buigende.—Daarin hebt gij het grootste gelijk van de wereld. Gij kunt er ongetwijfeld eenen pastoor, eenen advocaat of eenen schoolmeester van maken.
(Er wordt met eenen bal papier uit eenen hoek der school geworpen. De bal vliegt met kracht tegen den hoed van vr. Van Laer.)
VR. VAN LAER,verstoord.—Wel wat afgrijselijke dingen!—Een mensch met papier durven werpen in tegenwoordigheid van den meester. Hoe slecht dat sommige kinderen zijn opgevoed!
DE MEESTER,met groote woede.—Wie heeft dit gedaan? Wie durft die achtbare madam Van Laer met papier werpen?
EDWARD,roepende.—Frans heeft het gedaan, meester! Hij heeft gezegd: zie, dat is een' kokarde op haren zomerhoed!
DE MEESTER,Frans bij den kraag naar de deur slepende.—Hier gij, schelm! De deur uit, deugnietenkind! (Hij werpt hem aan de deur.)
FRANS,buiten luidkeels schreeuwende.—Ge meent, dat ik nog zal weerkomen, eh?—maar 't zal niet waar zijn, beer! leelijke beer!... (Stilte.)
VR. VAN LAER.—Ik ben voldaan over mijnen jongen en ik ga al gauw naar huis, want ik moet mijne keuken gaan oppassen; maar ik zou gaarne hebben, dat gij mijnen zoon leerdet pennen vermaken; want hij wil thuis nooit schrijven, omdat zijne pennen altijd te vet of te mager zijn, volgens dat hij zegt.
DE MEESTER.—Is 't anders niets, madam Van Laer? Wel, ik zal het hem op het oogenblik leeren, dat gij het ziet; ik geloof zelfs dat hij het reeds kan.
EDWARD,tot Karel.—Ja,pennekepikkan hij beter, eh?
KAREL,roepende.—Meester, Edward lacht u uit!
EDWARD.—Neen wel, meester, hij is het zelf.—Hij zegt, dat Victor beterpennekepikkan!
DE MEESTER,dreigend.—Silence, daar, zagemannen! of ik zet u de school af.... (Stilte.)Allons, Victor, let wel op, ik zal het u eens voordoen. (Hij vermaakt langzaam eene pen en zegt opvolgend:) Gij neemt eene pen in de rechterhand en laat ze overgaan in de linkerhand; dan legt gij ze op haren rug en snijdt ze den bek met eene groote snee open. Dan legt gij ze op haren buik en geeft ze weer eene snee....
PIET,schreeuwende.—Meester, meester! daar vliegt eenmeuldener[40]in de school! Pst! Pst!
AL DE LEERLINGEN.—Hoera! Hoera!—Pakt hem!—Hoe na of ik had hem! Hier, daar, pst! pst!
(Zij werpen met klakken en cahiers naar den kever. Alles geraakt het onderste boven in de school. Vr. Van Laer, die voor de kevers schrikt, weet niet, waar zich te bergen. Tot overmaat van ongeluk vliegt de kever haar in het haar.)
VR. VAN LAER,met bange stem.—Och! och! meester, verlos mij van dat ongediert of ik krijg er iets van. Foei, foei, het is venijn! (De meester neemt den kever van haar hoofd.) Ai, mij! daar houd ik eenen schrik van. Het zinkt altemaal in mijn' beenen. Wel, meester, wat beklaag ik u,—wat moet gij al uitstaan van die deugnieten. Dat het de mijne waren, ik zou ze anders leeren dansen.
DE MEESTER,met gramschap rondziende.—Ik zal u straks spreken! (Stilte.)Allons, Victor, vermaak nu eens eene pen. Eerst op haren rug, dan op haren buik ... zooals ik u gezegd heb. (Hij geeft eene pen en een pennemes aan Victor.)
VICTOR,met ongeduld.—Weet ik nu haren buik, eh? Waar is nu haar buik?
DE MEESTER.—Snijd er maar stoutelijk door, Victor.—Geef ze maar eene goede snee.
(Victor snijdt met drift, doch in stede van de pen den bek af te snijden, geeft hij zich zelven eene diepe snede in den vinger en laat zich huilend achterover vallen. Hij bloedt sterk.)
VR. VAN LAER,bleek van schrik en angst. Zij neemt Victor in hare armen.—Och God! och Heer! Mijn arm kind is dood.—Ziet eens wat snee. (Zij beziet den verbaasden meester met woede.) Meester Verdonck, ik weet niet, hoe gij niet beschaamd zijt om dit kind een mes in zijne hand te geven. Daar moet gij toch bot voor zijn.—Dis is uwe schuld....
DE MEESTER,met spijt.—Hij kon toch geene pen vermaken zonder mes, madam.
VR. VAN LAER.—Zonder mes! Zonder mes! Gij zijt nog veel dommer dan al die onbeleefde luieriken, die gij daar hebt zitten ... met uwen rug en uwen buik! Maar ik zal er wel op passen, mijn kind te laten bederven in zoo een nest. Hij zal naar eene andere school gaan. (Zij heeft al sprekende haren zoon een doeksken om den vinger gewonden.) Kom aan, Victor.—Kom naar huis, mijn kind.
DE MEESTER.—Maar, madam, gelief....
(Vr. Van Laer vertrekt. Victor bij de deur zijnde, keert zich nog eens om en steekt zijne tong spottend tot de meester uit.)
DE MEESTER,pijnlijk en met diepe droefheid tot den leerlingen.—Eh bien,serpenten dat gij daar zijt! Schorpioenen!Trêtert[41]mij dood ... toe, spaart mij niet.... Drie bloedspuwingen en eene tering op de long ... dat is nog niet genoeg, niet waar?—Geeft mij nu nog eene geraaktheid,—maakt mij lam aan armen en beenen! Dan zult gij blij zijn, eh, hartvreters? Dan zult gij lachen, eh, monsters? (Hij bedaart een weinig en zegt met neerslachtigheid:) Hoe kunt gij toch zooveel verdriet toebrengen aan dengene, die zijn leven als een slaaf doorbrengt, om u te onderwijzen en u eens waardige en nuttige leden der samenleving te maken?—Hebt gij geen medelijden met uwen armen meester, die zich ziek schreeuwt om u te leeren....
EDWARD,schreeuwende.—Meester! meester! Piet heeft een' vlieg met een strooiken aan heur gat!
DE MEESTER,stampvoetend en met wanhoop.—Ja, ja, ik weet het wel, gij lacht met mijn verdriet ... gij zijt zoo ongevoelig als de steenen van de straat ... ondankbaar, lomp, lui, dom,—een hoop ezels,—zoo bot als visschen. Nagels van mijne doodkist!... (hij hoest twee of driemalen met pijn.) Ja, nagels van mijne doodkist;—want ik gevoel wel, dat gij mij onder den grond zult krijgen, moordenaars! (Hij haalt zijn uurwerk uit den zak. Het wijst tien uren en een half; doch om zijn geweten te voldoen, zet hij het op elf uren!) Het is elf uren.—De school is uit!
(De leerlingen springen over banken en tafels met ongemeen gedruis.)
DE LEERLINGEN,van alle kanten roepende.—Hoera! Hoera! De school is uit!—Wie speelt er mee broekstavast?—Wie doet er mee in d'O? Wie heeft er marbollen? Wie doet er mee Gorie, Gorie?[42]
DE MEESTER,zijne deur toesluitende en het hoofd schuddende.—Aures habent et non audient! Alweer twee leerlingen kwijt! Preek dan al voor dit gespuis!
[29]Lawijd. Gerucht.
[30]Pennekepik. Ieder brengt ééne of meer pennen in het spel; men steekt of pikt er beurteling naar met een pennemes. Wie eene pen aanpikt, wint ze.
[31]Aarzak. Bedrieger, krakeelzoeker.
[32]Goedkeuring of goede noot.
[33]Schrijfboek.
[34]Okentrek. Men schrijft een getal okens kegelwijs nevens elkander. De speler moet, op aanwijzing van zijnen makker, al de O's met liniën verbinden, zonder ooit eene neergeschrevene linie te mogen raken.
[35]Straten in het gemeene kwartier te Antwerpen.
[36]Des middags niet mogen naar huis gaan.Bakken, voor straffe later dan de anderen op de school moeten blijven.
[37]Men klooft eenen krieksteen in tweeën. Met deze schoteltjes werpt men als met teerlingen. Vallen beide met de bolle zijde naar boven, dan heeft menklontjen-trek, en men trekt een getal krieksteenen uit den inzet. Vallen ze integendeel met de holle zijde naar boven, dan heeft menwitbier-zet, en men is verplicht een getal krieksteenen in te zetten.
[38]Een oud schoolboek.
[39]Frank, Vrijpostig, stoutmoedig, onbeschaamd.
[40]Een Meikever of Molenaar.
[41]Plagen, tergen.
[42]Verschillende kinderspelen.
Inderdaad, gebuur, het is waar: er gebeuren niet zelden dingen, die het menschelijk verstand te boven gaan,—voorvallen, die alle wetenschappelijke kennis beloochenen, en ons tegen onzen wil doen droomen van onzichtbare geesten en van eene geheime en onbekende macht. Zoo wil ik u iets verhalen, waarvan ik ooggetuige was, en dat op mijne verbeelding eenen onvergankelijken indruk gelaten heeft.
In het jaar 1834 woonde te Borgerhout[43]eene weeze van omtrent achttien jaar, Theresia genaamd. Zij was zoet en stil van aard, won het dagelijksch brood met kleermaken en woonde alleen op eene gehuurde kamer. Haar fijn gelaat droeg al de kenmerken van gezondheid en van levensvreugd; haar eerbaar gedrag en blijde inborst deden haar van iedereen beminnen; en daar zij zeer arbeidzaam was en dus eenen schoonen stuiver won, achtte zij zich met recht onder de gelukkigsten der aarde.
Een ongeloofelijk voorval kwam eensklaps van dit jeugdig en vroolijk meisje een beklaaglijk en rampzalig schepsel maken. Dit vertelde zij bijna in dezer voege. Zij was op zekeren dag naar Berchem[44]gegaan, om er in dagloon vrouwenkleederen te maken en ander naaiwerk te doen. Tegen den avond, tusschen licht en donker, was zij op de baan, om langs de binnenwegen huiswaarts te keeren. Zij spoedde zich zeer; want de lucht betrok met zwarte wolken, en de duisternis scheen onverwachts haar te zullen overvallen. Het was dien dag stikkend heet geweest, en alles deed nu vreezen, dat een schrikkelijk onweder ging losbarsten; des te meer, daar eenige walmende bliksems reeds bij poozen de verte verlichtten. Theresia was niet van de stoutsten; de doodsche stilte, die over de velden heerschte, dit akelig oogenblik, dat als de verstomdheid der bange natuur het nakend onweder voorafgaat, al deze schrikverwekkende teekens deden haar het hart angstig jagen en zij verdubbelde hare stappen.
Op eens sprong een zuchtende bliksem de wolken uit, en een bulderende donder schokte den grond. Theresia bleef staan en sloeg zich in de uiterste benauwdheid de handen voor de oogen; maar zij verschrikte nog meer, toen zij dicht bij zich eene zonderlinge stem hoorde, die haar vroeg wat uur het was. Het bange meisje liet hare handen vallen en blikte met afgrijzen op een leelijk oud wijf, dat lachend voor haar stond en weder vroeg:
"Welnu, dochter, wat uur is het?"
Zonder overdenken en gansch verdwaald, antwoordde Theresia:
"Acht uren."
Eene uitdrukking van gramschap kwam het berimpeld gelaat van het oude wijf betrekken, en zij riep als met booze spotternij:
"Zoo, gij zijt ook van die, welke de oude, grijze menschen voor den zot houden! Gij doet niet wel, dochter, met na de negen uren langs deze baan te gaan. Gij weet niet wat u kan overkomen!"
Dit zeggende, klopte zij driemaal op den rechterschouder van Theresia en ging haren weg—Onder de aanraking van het oude wijf werd het ontstelde meisje ijskoud: zij voelde eene onbegrijpelijke huivering over haar lichaam rijzen en haar hart als tusschen eenen band klemmen.
Bevend en roerloos stond zij reeds eenige oogenblikken als verstomd op dezelfde plaats, vóórdat haar de gedachte inviel het oude wijf op het hoofd te slaan, om de kwade hand, die zij vreesde, te breken; maar nu was het wijf reeds zooverre in een duister pad gevorderd, dat Theresia haar niet dorst te volgen, te min daar een nieuwe donderslag de wolken openscheurde, en de regen in stroomen over de velden stortte.
Doornat en bijna stervend van schrik, geraakte Theresia eindelijk in hare woning, ontkleedde zich en ging te bed liggen.
Des anderen daags, op den middag, kwam iemand der huisgenooten om haar tot den maaltijd te roepen; maar niet zoodra had hij eenen voet in het vertrek geplaatst, of hij deinsde met eenen naren schreeuw achteruit, liep de trappen af en viel te midden van het huisgezin, roepende:
"Theresia is dood!"
Op dit zeggen stonden twee mannen en drie of vier vrouwen van de tafel op en klommen naar boven. Bij het eerste gezicht duchten zij insgelijks een lijk te zien; doch bij het bed genaderd zijnde, begonnen zij aan dit ongeluk te twijfelen. Theresia lag, wel is waar, roerloos; hare eene hand scheen wel zoo slap als een koord nevens de bedsponde neer te hangen; haar gelaat was wel doorschijnend als glas en van gele kleur; maar hare oogen waren open en, alhoewel afgrijselijk glinsterend, toch levend en niet gebroken. Een der bijzijnde mannen wilde den neerhangenden arm op het bed leggen; dan, hij verschrikte niet weinig daar hij dezen arm zoo stijf en zoo onbuigbaar als ijzer vond. Niettegenstaande het lichaam van Theresia al de kenteekenen des doods droeg, was er nochtans een onuitlegbaar gevoel in de harten der omstanders: geen enkele achtte zich verzekerd, dat het jonge meisje uit de wereld gescheiden was; integendeel, allen hielden voor vast, dat zij nog leefde, alhoewel zij doof bleef voor alle geroep en gevoelloos voor nijpen en schudden.
Ondanks alle pogingen der geneesheeren, bleef Theresia in dien staat gedurende twee dagen en twee nachten. Op den slag van het achtenveertigste uur ontwaakte zij vanzelve. Wreef eene wijl aan hare oogen, als iemand, die geslapen heeft, bezag als verbaasd hare kamer en de omstaande personen, en bogen dan in eens zoo overvloedig tranen te storten, dat al degenen, die het zagen, met haar uit medelijden weenden.
Iedereen sprak haar aan met troostende woorden en vroeg, hoe haar die onbegrijpelijke kwaal overkomen was; maar zij begon telkens nog bitterder te weenen en antwoordde niet. Na lange ondervragingen van den dokter, riep zij eindelijk met eenen snijdenden zucht:
"O, bid voor mij: ik ben betooverd!"
Weinigen geloofden aan dit gezegde. Ik zelf, die het hoorde, achtte deze woorden eene ijdele dwaling van eenen zieken geest. Maar het verhaal harer ontmoeting met het oude wijf gaf ten minste aan alle bijzijnde personen, behalve aan den dokter en aan mij, de overtuiging, dat zij inderdaad betooverd was.
Wat hier ook van zij, het vervolg scheen hare schrikkelijke gedachte te bevestigen. Gedurende vijf jaren bleven hare oogen even glinsterend, hare wangen even geel en glasachtig. Geene andere verandering bemerkte men in haar dan eene altijd toenemende vermagering des lichaams, en al vroeg begon elkeen te zien, dat de dood het betooverde meisje met een rood kruis geteekend had en welhaast om zijn slachtoffer zou komen. Alle jaren, op den dag en het uur harer ontmoeting met het oude wijf, overviel haar plotseling eene slaapziekte, die, als de eerste, telkens achtenveertig uren duurde. In deze zonderlinge kwaal moest zij ijselijke dingen hooren, zien en lijden; dit kon men genoeg uit eenige afgebrokene klachten en woorden vermoeden; maar noch beloften noch bedreigingen konden haar doen zeggen, wat zij dan voelde of zag. Een geheim en voor haar schrikkelijk geweld dwong haar tot stilzwijgen over dit punt. Zij vertelde echter aan wie het hooren wilde, dat zij alle nachten, op slag van twaalf uren, hare deur hoorde opengaan en de oude tooverheks zag verschijnen; dat deze booze vrouw, bij het bed genaderd zijnde, op haar lichaam klom en haar tot één uur met de knieën de borst te pletten duwde, dat leven en gevoel haar van pijn ontgingen, zonder dat zij schreeuwen kon of opstaan.
Eens hadden twee vrouwen, die aan deze verschijning niet geloofden, de stoutmoedigheid genomen, om bij haar bed te waken, terwijl zij sliep. Zij zagen de tooverheks niet: maar op slag van twaalf uren ontsloot de slapende hare blinkende oogen en begon zweetend en met een schrikkelijk gorgelgeluid tegen een onzichtbaar voorwerp, dat op hare borst liggen moest, te worstelen en te vechten, en een zoo akelig gelaat te krijgen, dat de twee vrouwen van benauwdheid de kamer waren ontvlucht.
Het gedurig en onuitsprekelijk lijden belette Theresia niet haar gewoon handwerk te doen. Dezen toestand zag zij aan als haar onwederroepelijk lot, en alhoewel zij de geburen liet begaan met geneesheeren en middelen voor hare kwaal te zoeken, scheen zij zelve onverschillig aan deze pogingen te blijven. Men begrijpt wel, dat alle kwakzalvers en alle bezitters van geheimen tegen tooverij hier waren geraadpleegd geweest. Men had alle soorten van woorden, in bekende en onbekende talen, over de zieke dochter gesproken; zij was met eene levende padde in hare hand gaan slapen; zij had twee doodsbeenderen over kruis aan haar voeteneinde gelegd; onder haar hoofdkussen had eene huif, waarmede de kinderen somtijds geboren worden, een halfjaar lang gelegen, en nu nog droeg zij op hare borst een stuk galgekoord, waaraan een moordenaar gehangen had. Dit alles hielp echter niets:—de tooverheks ging voort met alle nachten het ongelukkige meisje onder hare knieën te pletten en te martelen.
Op het einde van 1839 was Theresia reeds zoozeer vermagerd en uitgeput, dat zij met moeite nog staan kon en dat elke dag haar laatste dag scheen te zullen zijn. Zij had nu geheel het voorkomen van een gekleed geraamte gekregen; hare wangen waren hol, hare glinsterende oogen achteruitgezonken en hare lange vingeren geleken zoovele ratelende beentjes.
Omtrent dien tijd hoorden de geburen door eene boerin zeggen, dat er tusschen Zoersel en Schilde, te midden der heide, een stokoud manneke woonde, dat macht had over alle tooverij en van alle kwade handen en verwenschingen kon verlossen. Zij verhaalde, hoe hij hare koeien onttooverd had; hoe hij de kwade hand van het kind haars broeders had gelicht, en meer andere wonderlijke feiten, die de gebuurte deden besluiten nog eens te beproeven, of deze man de zieke Theresia niet helpen kon.
Men zond iemand naar Schilde, om den grijsaard te halen, en deze kwam, na lang praten en smeeken, met den bode naar Borgerhout. Hij was, gelijk alle zeventigjarige menschen, kromgebogen, met wit haar, ingevallen wangen en diep gezonken oogen. Nochtans, er blonk ene zekere edelheid op zijn gelaat, en iets slims was er op te lezen. Zijn gang was traag, zijne stappen gemeten en zijn gezicht onophoudend ten gronde gevestigd.
Wanneer hij in de kamer der zieke Theresia stapte, bevonden zich daarin eenige oude vrouwen en ik zelf. Het kwijnende meisje ontstelde zich niet bij de komst van den nieuwen wonderdoener en bezag hem met onverschilligheid en ongeloof. Hij, zonder op haar te letten, ging beurtelings in elken hoek der kamer eenige onverstaanbare woorden mompelen, nam twee brandende stukken hout uit den haard, legde ze over kruis voor de deur en ging dan eerst voor het meisje staan. Haar eene wijl in de oogen gestaard hebbende, begon hij de volgende ondervragingen met zonderlinge stem:
"Dochter, er is eene kwade hand aan u?"
"Ik weet het wel, man."
"Hebt gij niets op uweconscientie?"
"Och neen, ik ga alle maanden te biechten."
"Hebt gij u zelve nooit verwenscht of vermaledijd?"
"Nog veel minder."
"Weet gij niet, of uw vader of uwe moeder u ooit verwenscht of vermaledijd hebben?"
"Ik weet het niet; zij beminden mij zeer en zijn heel vroeg gestorven."
"Hebt gij nooit eene zwarte kat gestreeld?"
"Neen."
"Hebt gij nooit te middernacht op eenen kruisweg gestaan?"
"Nooit."
"Dan zult gij waarschijnlijk gelijk hebben met te denken, dat het oude wijf u betooverd heeft."
"O, daar ben ik zeker van."
"Wilt gij verlost zijn?"
"Moet gij dit vragen?"
"Antwoord mij!"
"Ja, ik wil verlost zijn."
De grijsaard ging hierop stilzwijgend bij het vuur op zijne hurken zitten, en blikte stijf in de dansende vlammen, terwijl hij met eenen onzichtbaren geest scheen te spreken.
Onnoodig zal het zijn, u den angst en de benauwdheid der bijzijnde vrouwen af te schetsen: allen waren bleek en bevend, en zij bezagen elkander met ondervragend en verstomd gelaat. De vreesachtigsten zouden wel gaarne de kamer verlaten hebben; maar geene zou het hebben durven wagen, over de brandende kruishouten te stappen, vermits zij wisten, dat eene tooverheks daarover onfeilbaar den hals breekt. Ondertusschen was de kamer vol rook geraakt; de arme wijven verstikten, het zweet brak hun uit van het geweld, dat zij deden, om niet te hoesten.
Eindelijk, na een vierendeel uurs, stond de oude man op: en weder voor het meisje komende, begon hij dit gesprek:
"Dochter, nu ken ik uwe kwaal en degene, die de kwade hand op u gelegd heeft."
"Is het de oude tooverheks, of niet?"
"Het is de oude tooverheks."
"O, ik weet het wel."
"Ik kan u verlossen, maar alleen door een gevecht om leven en dood. Zeg mij, indien gij stierft, terwijl ik pogingen doe om de kwade hand van u te lichten, zoudt gij mij dit in het laatste oordeel verwijten? Zoudt gij dit op mijne ziel leggen?"
"Och, neen, ik moet toch sterven, als gij mij niet verlost."
"Is dit uw goed woord?"
"Ja."
De oude man keerde zich dan naar de benauwde vrouwen en sprak:
"Wenscht gij allen, dat deze dochter verlost worde? Welnu, ik kan dit werk volbrengen; maar om het uit te voeren, heb ik iets noodig, dat ik niet vinden kan, dan op het kerkhof van een dorp in het land van Waas, over de Schelde. Ik zou de reis wel uit mijnen eigen zak kunnen doen, maar zij moet geschieden met geld, dat er opzettelijk voor gegeven wordt."
"Maar," vroeg hierop een zeer oud wijf, dat misschien ook al met zwarte kunsten had pogen om te gaan, "maar mogen wij niet weten, wat gij hebben moet? Wij zouden het u misschien wel kunnen bezorgen."
"Onmogelijk!" viel de grijsaard in. "Ik moet mos hebben, dat gegroeid zij op een honderdjarig doodshoofd. Waar zoudt gij dit halen? Ik weet in het Waasland een dorp, waar een zeer oud beenderhuis staat, en waar honderdjarige bekkeneelen in den kerkmuur gemetseld zijn. Daar moet ik, 's nachts te twaalf uren, met een nieuw mes het mos gaan afkrabben, onder het uitspreken van zekere woorden. Aldus, wilt gij een goed werk doen, zoo geeft mij twee of drie guldens om mijne reis te betalen."
Het gevraagde geld werd door de vrouwen bijeengelegd en den oude man gegeven. Hij hernam:
"Vrienden, ik mag niet op reis gaan zonder de verzekering te hebben, dat drie onversaagde kerels in deze kamer waken zullen. Want, zoo zulks de tooverheks niet belet wordt, zal zij het arme meisje uit wraakzucht zoodanig martelen en pijnigen, dat onze pogingen misschien voor altijd nutteloos zouden zijn. Belooft mij dan op goeder trouwe, dat gij drie mannen zult zoeken. En ziet hier wat zij moeten doen: een hunner zal eene handvol erwten hebben; wanneer te middernacht de deur opengaat, moet hij met de erwten in het wilde rondwerpen. Indien er eene erwt de tooverheks raakt, zal zij zichtbaar worden en huilend ten venster uitvliegen.—Men behoort dat daarom open te laten. Er is niets te vreezen, want zij heeft op de wakers geene macht."
Men beloofde de begeerte van den ouden man te volbrengen. Deze nam zijnen gaanstok en sprak tot de zieke:
"Nu, wees nu maar getroost en gerust, dochter. Overmorgen, zal de kwade hand gelicht zijn, en dan zult gij genezen en weder gezond worden."
Bij deze woorden raapte hij de kruishouten op, wierp ze in den haard en verliet de kamer.
In den loop van den dag kwam de commissaris van politie twee-of driemaal naar den ouden man vernemen; doch men zeide hem telkens dat hij vertrokken was en dat men niet wist, of hij naar Schilde of naar elders zich begeven had.
Niet zonder groote moeite vond men drie mannen, die stout genoeg waren om in de kamer van Theresia te waken. Na veel gaan en komen had men er twee aangetroffen, die het op zich namen de gevaarlijke wacht te doen, maar op voorwaarde dat ik zelf de derde man zijn zou.
Ik had in de gebuurte den naam van stoutmoedig te zijn, alhoewel ik inderdaad geen groot liefhebber van tooverij of geesten ben. Dan, ik zag mij hier gedwongen den last mijner goede faam te dragen.
Omtrent elf uren des nachts klommen wij, met kloppend hart en ontsteld door eene diepe benauwdheid, de trappen op en traden stil en omzichtelijk, als drie spoken, de kamer in. Daar gingen wij bij eene tafel op stoelen nederzitten, zonder spreken. Allengskens nochtans kwam de moed in ons terug; wij begonnen met stille stem elkander het een en ander in het oor te fluisteren. Eene flesch brandewijn werd ontstopt, elk van ons ontstak zijne pijp en zond eenige walmen rook het open venster uit. Theresia lag daar voor ons te bed; zij sliep met gesloten oogen, en ware het niet hare geraamtemagerheid geweest, zoo zouden wij niets vreemds aan haar gezien hebben. Op eene zonderlinge wijze stonden onze gemoederen onder den invloed van den tijd: van elf uren tot half twaalf klom onze vrijheid van geest en werd onze stem luider en vroolijker; maar van half twaalf tot middernacht vergingen ons allengskens de moed en de spraak tot zooverre, dat wij bij het naderen van het plechtig uur met onbeschrijfelijken angst bevangen waren. Geene enkele pijp rookte nog, geen woord ontviel onzen mond; alleen onze oogen bewogen zich met snelle blikken en wandelden met vervaardheid van de deur op Theresia. De eenige lamp, die ons verlichtte, scheen insgelijks de komst der tooverheks te gevoelen, want zij begon onregelmatig en op eene vreemde wijze te branden: nu lichtte zij hevig, dan weder bijna niet; dan sprongen krakende sprankels als vuurwerk uit het midden der vlam....
Alzoo wij nu, bleek en bevend, elkander bezagen, kwam een helle klokslag onze ooren treffen; wij sprongen op van schrik; de erwten ontvielen de hand van dien, welke ze werpen moest, en vermeerderden onzen angst door het gerucht, dat zij in het vallen maakten. Gelukkiglijk hadden wij een geheel pak daarvan vóór ons staan. Met opengespalkte oogen blikten wij naar de deur, niet twijfelende, of de tooverheks zou ze gaan openen. Maar nu werd onze aandacht eensklaps op Theresia getrokken. Deze lag met open oogen en ontwaakt; eene ijselijke uitdrukking lijk, als om van onder een pletterend voorwerp los te geraken, en zuchtte met ratelenden gorgel. Het was dan, dat wij behoorden te werpen, want wij waren verzekerd, dat de tooverheks bezig was met Theresia te pijnigen. Nog meer werden wij daarvan overtuigd, toen het ongelukkige meisje met zwakke, doch grievende stem deze woorden tot hare onzichtbare vijandin sprak:
"O, laat mij ademhalen. Genade! genade!—O, neen, neen, scheur mijn hart niet met uwe nagelen.—Geef mij den slag van gratie, dat ik sterve!"
Dan zweeg zij eene poos en hernam, alsof iemand tot haar gesproken had:
"Gij bedriegt u: ik ben het niet, die den man geroepen heb. O, laat mij los, trek dien brandenden priem uit mijne borst, ik zal zeggen, dat ik niet wil, —ik zal den ouden man verjagen...."
Lichtelijk zult gij begrijpen, wat schrik deze woorden ons inboezemden; wij waren verdwaald en bijna van ons zelven. Nochtans had een van ons genoeg tegenwoordigheid van geest om zich te herinneren, wat hij doen moest; hij vatte eene handvol erwten en wierp deze uit al zijne macht op het bed. Het scheen ons nu, dat een zucht als een wind voorbij ons aangezicht vloog. Theresia sloot hare oogen, haar gelaat kreeg plotseling eene kalme uitdrukking: zij sliep als te voren. Deze overwinning gaf ons moed en kracht terug; wij achtten onzen last volbracht en waren blij genoeg, dat wij nu de kamer zonder schaamte mochten verlaten. Maar eene nieuwe verschijning moest ons nog het bloed in de aderen doen stollen. Alzoo wij ons omkeerden, zagen wij op den vensterdorpel eene zwarte kat zitten, die met vlammende oogen ons aanstaarde en ons scheen te bedreigen over hetgeen wij gedaan hadden. Wij blikten met glimmende benauwdheid op het dier, of liever op den geest; maar het liet zich van den dorpel in de kamer glijden en kwam langzaam op ons aan.
Één onzer deed de kamerdeur open en liet zich van al de trappen nedervallen, om zooveel eerder op de straat te zijn; ik durf het u wel zeggen, wij volgden hem op de hielen en ontvluchtten het insgelijks. Op de straat zijnde, bekenden wij elkander, dat geen van ons durfde gaan slapen; wij klopten den baas eener herberg op, en bleven in zijn huis wakend zitten tot den morgen.
Dan vernamen wij in de woning van Theresia, dat zij in slechten staat was en met moeite nog kracht genoeg had om hoofd of handen te verroeren.
Omtrent den middag kwam de oude man terug van zijne reis en kondigde ons aan, dat hij dien nacht te twaalf uren de tooverheks zou treffen en Theresia verlossen. Maar hem moesten eenige voorwerpen gegeven worden, namelijk: het ongekookte hart van een schaap, een levende hond, een groote, nieuwe breipriem en een koperen ketel, waarin nooit rog of vloot gekookt was geworden.
Het schapenhart was spoedig gevonden, vermits de beenhouwers dien dag juist hun wekelijksch vee geslacht hadden; den breipriem kocht men in den winkel, den ketel leende iemand; maar wat den hond betreft, die kostte meer moeite. Er was niemand, die zijnen hond wilde geven, vermits men wist, dat de kwade hand van Theresia op het dier moest gelegd worden. Men vond geenen enkelen gebuur, die er trek naar had om eenen betooverden hond in huis te hebben. Eindelijk vernam men, dat er een boer van Deurne voornemens was zijnen hond te verdrinken. Een man begaf zich er heen en kwam in den namiddag terug met eenen zwarten Spits, die van ouderdom bijna niet meer voort kon.
Te elf uren des avonds bevonden zich talrijke mannen en oude wijven in het huis van eenen schoenmaker, niet verre van Theresia's woning. Daar de plechtige verlossing niet mocht bewerkt worden onder het dak der betooverde, had de schoenmaker eene kamer in zijn huis geleend. Gij begrijpt wel, dat ik niet verzuimd had, mij daar insgelijks te laten vinden.
Zeldzaam was het opzicht dezer kamer. Eene nieuwe blikken lamp brandde op eene kleine tafel bij het vuur; nevens de lamp lagen een bloedend hart en eene zware breinaald; in den schoorsteen, over een groot vuur, hing een koperen ketel met ziedend water; daarnevens, in eenen hoek van den haard, zat de oude man op zijne hurken, sprekende tegen de vlammen; niet ver van hem lag de zwarte Spits, aan een touw gebonden, op wat stroo te slapen.
De geburen en nieuwsgierigen zaten aan het andere einde van het vertrek, in de halve duisternis, met jagenden boezem en bevende ledematen.
Zoodra het in de kamer hangend uurwerk met eenen enkelen slag half twaalf aankondigde, stond de oude man uit de assche op en naderde bij de lamp. Dan haalde hij eene kleine lederen beurze uit zijnen zak, deed die open en stortte zekere groene stof er uit op een stuk papier. Zonder twijfel was dit het mos, dat hij van een honderdjarig doodshoofd gekrabt had. Hij smeet onder het uitspreken van zekere woorden een weinig er van in de vlam der lamp, die met eenen spookachtigen, flauwen schijn de kamer begon te verlichten; het overige wierp hij in den ziedenden ketel.
Zich nu naar de geburen wendende, sprak hij:
"Wat gij hooren of zien moogt, zijt niet bevreesd! Dit hart, dat daar ligt, is het hart der tooverheks geworden: op den slag van twaalf uren zal ik het met den breipriem doorboren; zij zal mij smeeken en bidden, den priem uit haar hart te trekken, maar ik zal het niet doen, dan nadat zij de kwade hand van Theresia op dezen hond zal hebben gelegd. Ik herhaal het u: zijt niet bevreesd, wat gij hooren of zien moogt!"
De plechtige waarschuwing van den ouden man had een verkeerd uitwerksel: nu begon men eerst voor goed te beven en onder eene doodsche stilte dicht bij elkander te dringen. Eene oude vrouw viel in onmacht en gaf aan vier of vijf der vreesachtigsten de gelegenheid om, onder voorwendsel van haar weg te dragen, de tooverkamer met eere te verlaten. Intusschen waren aller oogen op de naald van het uurwerk gevestigd.
Nog vijf minuten!
In een gesloten graf kon het niet stiller en akeliger zijn. Maar nu begon de arme hond op eenmaal te beven; met zijnen muil in de hoogte, borst hij los in een klagend gehuil, alsof er iemand in de buurt op sterven lag. De schrikverwekkende galmen brachten de verwarring onder de vrouwen ten top; men hoorde eenige stoelen kraken en eenige wijven ten gronde vallen, doch dan werd het opnieuw zoo stil als te voren; de hond alleen bleef de kamer met weeklachten vervullen.
Nog twee minuten!
De oude man stond op en nam het bloedend hart in de eene hand en den breipriem in de andere. Met het oog op de naald van het uurwerk gevestigd, stond hij gereed om te steken....
Eensklaps hoorde men aan de voordeur een gerucht en zware stappen, als van iemand, die met eenen stok gaat.
"Daar is zij! daar is zij!" huilden de bange vrouwen, terwijl zij elkander met hevigheid vastklitsten en te gaar in eenen hoek overhoop nedervielen.
De deur ging open.—Tot groote verbazing der vrouwen en zelfs van den toovenaar, was het geheel iets anders dan de heks.... Twee gendarmes en de commissaris van politie! Met eene wonderlijke gezwindheid klampten de gendarmes den ouden vent bij den kraag, trokken hem met geweld van de tafel en rukten hem insgelijks den breipriem uit de hand.
Nog ééne minuut!
"Man, gij moet ons volgen!" sprak de commissaris.
"Wat kwaad doe ik?" vroeg de grijsaard bevend.
"Dat raakt mij niet," was het antwoord, "gij oefent onwettelijk de geneeskunde uit. Dit is verboden."
De oude man wierp eenen blik op het uurwerk en zag, dat het twaalf uren ging slaan.
"Oh," riep hij in de uiterste wanhoop, "nog één oogenblik, één kort oogenblik slechts! Ik smeek u, o! nog eene halve minuut! Doet het, of gij doodt iemand met uwe handen!"
"Neen, neen!" sprak een der gendarmes, "gij moet ons op staanden voet volgen, of wij doen u de duimkens aan! Gij zijt oud, het zou u groote pijn veroorzaken.... Zoo, kom aan!"
Eene onbegrijpelijke woede kwam den stokouden grijsaard vervoeren; hij worstelde met geweld tegen de gendarmes en wilde zich vooruitwerpen naar de tafel; maar nu zonk het gewicht van het uurwerk nederwaarts, en de eerste slag van twaalf uur ging af!...
Alsof de donder den ouden man getroffen had, liet hij zich machteloos in de armen der gendarmes vallen moeten breken: "Ramp! ramp! zij is dood!"
Ternauwernood was de schreeuw hem ontvlogen, of er kwam iemand de deur ingeloopen, roepende:
"Ho, doet geene moeite meer! Theresia is daar juist gestorven, en ditmaal is zij waarlijk dood. Zij is zoo koud als ijs!"
De gendarmes lieten zich door niets verschrikken en namen den ouden man mede naar het tuchthuis in afwachting, dat hij veroordeeld wierd, als hebbende de geneeskunde onwettelijk uitgeoefend. Hij werd later tot eenige maanden gevangenis verwezen.
—Welnu, gebuur, wat zegt gij van deze geschiedenis? Dat het alles tot louter verbeeldig van Theresia was en dat zij de ziekte had, dien het volk de Hypo noemt? Ik wil dit insgelijks wel gelooven; maar hoe legt men dan het nauwgepast uitvallen van al hare voorgevoelens uit? Hoe vindt men den knoop van de voorzeggingen des ouden mans, die onmiddellijk door den dood van Theresia bewaarheid werd? Wat mij aangaat, ik zie er weinig dag door en wil er niet meer aan denken; want het doet mij droomen en bang zijn in de duisternis. In alle geval, indien het waar is, dat de verbeelding en de wezenlijkheid een zelfde uitwerksel hebben, waarin bestaat dan het verschil tusschen beiden, en wat zal men dan wezenlijkheid of inbeelding noemen? En wat onderscheid bestaat er dan tusschen eene ware en eene ingebeelde betoovering?
[43]Eene gemeente bij Antwerpen.
[44]Eene gemeente bij Antwerpen.
Gij, mijn goede lezer, ziet ongetwijfeld gaarne eene schoone Dahlia bloem; misschien zijt gij insgelijks niet verwijderd van haar, in de plaats der poëtische en verleidende Roos, op den troon van het bloemenrijk te willen plaatsen; maar bedenk u toch driemaal, eer gij u zelven eenen Dahlia's-liefhebber noemt. Gewis gelooft gij, in uwe redekundige eenvoudigheid, dat men, om Dahlia's-liefhebber te zijn, alleenlijk de Dahlia's moet liefhebben. Laat mij toe u te zeggen, dat gij u leelijk vergrijpt! Hoe stout dit gezegde ook moge schijnen, het zal bij u zijne verschooning vinden, wanneer ik u een echt Dahlia's-minnaar zal hebben voorgeschetst.
Er zijn drie soorten van liefhebbers, namelijk: rijke lieden, burgers en arme menschen. Onder dezen is de welhebbende burgerklasse met de meeste razernij op de Dahlia's verslingerd, en zal mij uitsluitend een toets dienen in deze beschrijving.
Dan, weet het wel, een Dahlia's-liefhebber is, gedurende het grootste gedeelte des jaars, een man, die zijn vaderland, zijn huisgezin, zijne vrienden verloochent, en als een menschenhater zich van iedereen verwijderd houdt. Des nachts vlucht de zoete slaap van zijne bedstede, vervolgd als hij is door honderd Dahlia's, die hem in het hoofd wentelen en hem wakker houden. Kon hij, als een andere Josué, de schepping in hare beweging stuiten, zoo werd het gewis nimmer nacht, dan in den Winter, als de Dahlia's verdwenen zijn. Hij verlaat het bed, vóórdat de zon hem roept. Nat van den vallenden dauw en rillend van de morgenkoude, staat hij als een steenen beeld voor eene Dahlia-bloem geplant; hij telt hare bladeren, drukt hare kleuren en tinten in zijnen geest, spreekt haar aan, gaat weg, komt terug en begint opnieuw zijne bespiegeling. Roept men hem om te eten, zoo komt hij, wanneer alles koud is, en slokt de spijzen binnen, zonder te weten wat hij doet. Hij spreekt niet, beziet ternauwernood zijne vrouw en kinderen, en springt even gauw als een gejaagde den hof in. Dan krabt hij hier den grond rondom den wortel van eene Dahlia op, steekt daar een stoksken om de bloem te steunen, hangt wat verder een blad papier om er eene te overlommeren, en brengt zoo den dag door, totdat hij, tegen de verdwijnende zon mompelende, zich verplicht ziet in huis te gaan. Gij denkt dat hij nu ten minste met zijne huisgenooten zal spreken? Ja wel, van Dahlia's, maar van anders niet; en, daar zijne vrouw dit eeuwig gesprek van overlang moede is, gedraagt zij zich, alsof haar man niet op de wereld ware. Hij doorsnuffelt in tusschentijd voor de honderdste maal eene Dahlia's-lijst of kataloog, dien hij reeds sedert eenige maanden van buiten kent,—en gaat eindelijk zeer vroeg te bed; niet om te slapen, maar om in vrijheid over zijne Dahlia's te kunnen mijmeren.
Des anderen daags al weder hetzelfde leven. Komt gij om met hem over gewichtige zaken te spreken, hij luistert niet op uwe woorden en brengt u bij zijne Dahlia's. Hier begint hij zijn gewoon liedeken: "Eene schoone bloem, eh? Zie eens, hoe fijn van vorm! Zuiver van tint, niet waar? Is er toch iets schooners op de wereld dan de Dahlia?"—Vruchteloos doet gij pogingen om hem op een ander onderwerp te brengen: zeg hem, dat de vierentwintig artikelen[45]zijn aangenomen, hij beziet u als een inwoner der maan, die van geene artikels weet. Zeg hem, dat het huis van zijnen besten vriend is afgebrand, hij zal u antwoorden: "Die had schoone Dahlia's. Men zal ze zeker onder den voet geloopen hebben:—dit zou spijt zijn!"—Spreek hem van een meesterstuk, door de hand van Wappers voltooid, hij zal met kleinachting uitroepen: "Wie kan er een Dahlia schilderen? Onmogelijk! onmogelijk!"
—Verhaal hem, hoe zijn oudste zoon een buitensporig leven leidt, hij zal beweeren, dat dit alleenlijk daaruit voorkomt, dat de jongeling meer liefde gevoelt voor meisjes en herbergen dan voor Dahlia's.
—En ditmaal zal hij toch eens gelijk hebben. Vraag hem verder naar den ouderdom zijner kinderen; hij ligt er mee in de war en geeft de jaren van Sophia aan Jozef: alles, wat hem aangaat, heeft hij vergeten. Integendeel kent hij de geschiedenis van de Dahlia van buiten en zal op een rolleken zeggen dat de Dahlia oorspronkelijk is uit Mexico, in Amerika, waar zij in het wilde groeit en slechtsenkelebloemen als starren geeft,—dat zij haren naam ontleent van Andries Dahl, eenen Zweedschen kruidkundige, wien zij uit achting werd opgedragen,—dat deze plant in het jaar 1789 eerst uit Mexico naar Spanje werd overgezonden door Vicente Cervantes, bestierder van den Mexicaanschen kruidenhof,—dat de groote Plantenhof van Parijs haar eerst in 1802 verkreeg, enz.
Ik zou u niet raden, in zulk een oogenblik de dwaze drift van den liefhebber te berispen en hierdoor te toonen, dat gij iets boven de Dahlia's schat; want hij zou u een bloedvijand worden, en u zelfs, gedurende zijn gansche leven, hetgoeden dagweigeren.—Hij, die anders zoo zachtmoedig is, dat hij zijne duiven en konijnen bij zijnen gebuur moet laten dooden, durft wel vechten en slaan, wanneer het op de eer van eene Dahlia uitkomt. En, ziet gij hem ooit met een blauw oog te voorschijn komen, beschuldig zijne goede vrouw toch niet: het is de eene of andere Dahlia's-liefhebber, die hem dus heeft toegesteld.—Gij moogt ook niet gelooven, dat deze man andere bloemen onder zijn gezicht lijden kan; de Roos is niets voor hem; de geurrijke Anjelier[46]vertrapt hij met voeten; de overvloedige bloemende Wolroos[47]geeft hij aan zijne geit; zijn mesthoop bestaat uit de ontwortelde planten van Okulei, —Pioen, —Tuiltje, —Vingerhoed, —Violier, —Beverken, —Veldklok, —Knaptand, —Lelie, —Brikel[48]en uit andere lieve, zonderlinge of glansrijke bloemen, zoozeer door onze vaderen bemind en nu door den Dahlia's-liefhebber als onkruid gehaat.
Tot het grootste ongeluk van den Dahlia's-zot heeft de Schepper in zijne alwijsheid goed gevonden, dat de Zomer geene twaalf maanden lang zou duren. Dit verkort schrikkelijk het leven van onzen liefhebber. Gij weet, goede lezers, dat deMarmoteen dier is, dat gedurende vier wintermaanden zonder beweging en zonder gevoel ligt te slapen, en niet ontwaakt vóórdat de zon de aarde met kruiden komt begroenen. De Dahlia's-liefhebber gelijkt wonderwel aan dit dier: zoodra de naderende vorst hem verplicht heeft zijne Dahlia-wortelen in den kelder te brengen, vergaat in eens al het schoone van zijn leven; zijn hart wordt koud, zijne oogen weifelend, zijne bewegingen langzaam, en hij vervalt inderdaad in eenen slaap des geestes, tot bij het aanbreken der Lente. Deze mijmering, dit levensverdriet is hinderloos; zelfs ziet hij dan nog wel eens zijne lang vergetene vrienden; hij betoont eene stille genegenheid voor vrouw en kinderen, slaat eene slepende aandacht op zijne veronachtzaamde huiszaken en verdient alleszins den naam van een goed mensch. Men mag zeggen, dat niemand zoo onmiddellijk onder den invloed des hemels geplaatst is als hij; niet zoo haast is de eerste maand van het Nieuwjaar verloopen, of hij werpt iederen dag eenen langen blik in de hoogte; is de hemel blauw, dan glinsteren zijne oogen den verkwikkenden azuurkolk tegen; is de hemel grijs en nevelig, dan zakt er een floers van droefheid over zijn versomberd gezicht. Na eene lange en pijnlijke afwachting komt eindelijk die trage en luie maand Maart het sneeuwgezinde Februari verjagen. De Dahlia's-liefhebber staat eens des morgens vroeg op: hij voelt reeds van in zijne slaapkamer, dat er gedurende den nacht eene natuurverandering is geschied; zijn hart klopt, zijn bloed stroomt; hij kleedt zich bevend en ontsteld. Gelijk Noach in dergelijken toestand deed, opent hij het venster zijner arke, maar in stede van eene duive uit te zenden, loopt hij zelf de trap af, opent de deur en springt den hof in.
Zie, wat schoone uitdrukking van zaligheid verheldert zijn gelaat; hij meet de hemeldiepte met zijn aanbiddend oog, en als de losgelatene duive van Noach slaat hij met zijne armen, om zich de verstramde leden los te maken. Indien gij opmerkzaam zijt op de bewegingen der wonderbare natuur, zult gij reeds geraden hebben, wat de Dahlia's-liefhebber gevoelt. Gedurende den nacht heeft God zijnen weldoenden adem, den zoelen zuiderwind, over de aarde gezonden; deze, gehoorzaam aan haren Schepper, heeft haren schoot ontsloten en de lucht met balsemgeuren bezwangerd. Er hangt boven den gistenden grond iets tooverachtigs, een onzichtbare wasem, die ons de blijde overtuiging indrukt, dat het niet meer vriezen zal, en dat de plantenslaap geëindigd is. De Dahlia's-liefhebber blijft eenige oogenblikken getroffen staan; hij zuigt met lange longspanningen de lentezucht in en voelt zijn leven verdubbelen; dan spoedt hij zich met jonge stappen vooruit door de paden van zijnen hof, en doorloopt ze huppelend en zoo blijde als een visch, die in zijn geboortewater spartelt. Eensklaps blijft hij staan; hij glimlacht zoo zoet! zijne lippen stamelen een bevallig welkom. Dáár, voor hem, staat het lieve Sneeuwzotteken[49]met zes zilveren bellekens te pralen. Hij heeft, als de duive van Noach, zijnen olijftak gevonden; het pand, dat de natuur hem van hare ontwaking geeft! met fluweelen handen plukt hij de tengere bloemkens, en loopt er mede naar zijn huis:
"Vrouw, vrouw!" roept hij in geestdrift uit, "hier is de Zomer! Nu gaan wij weer leven!"
De vrouw is bezig met hare huiselijke zaken; ternauwernood slaat zij een oog ter zijde, en zegt onverschillig tot een klein kind, dat zich te barsten schreeuwt: "Ha, bloemen voor ons Leopolleken!" De vader geeft de bloemkens voorzichtiglijk aan het kind; maar de kleine guit steekt ze in den mond, eet er de helft van op en verplettert de andere. Ik weet niet juist wat gevoel er in het hart des vaders zinkt; maar hij haalt de schouders op, nijpt de lippen samen en gaat in een ander vertrek, zonder nog te spreken.
De persoon, dien ik tot deze beschrijving gekozen heb, heet mijnheer Fruyts en woont in een der voorgeborchten van Antwerpen; hij is een middelhebbende burger van omtrent de vijftig jaren, eenvoudig en vreedzaam van zeden en goed van inborst; zijn eenig gebrek is de razernij der Dahlia's.
U daareven zeggende, dat hij zijne onverschillige huisgenooten met spijt verliet en zich in eene andere kamer begaf, hadde ik er moeten bijvoegen, dat dit gebeurde op den eersten Maart van het jaar 1839.
M. Fruyts had zich bij eene tafel nedergezet; daarop lagen eenige kleine boekskens van beschreven papier en wat smalle stukskens lood, benevens alles wat er tot schrijven behoeft. De boekskens doorbladerende, sprak hij van tijd tot tijd tot zich zelven als volgt:
"Anna Mariaplant ik in de eerste rij; het is eene schoone bloem, met muizenoorkens en met purperen punten.Buonaparte, met haren stijven steel en hare kastanjekleur, zet ik daarachter, nevensWaterloomet hare fijngeplooide oranjebladeren. Zou ikDéfiancenog planten? Die Dahliadoet het bijna nooit[50]. Het is anders nog al eene aardige: chocolade met melk.—Ik zal haar in het midden zetten metEnglands pride,don Carlos,FormosaenHortense Knyff. Maar waar plant ik de koningin mijner verzameling? Waar zet ik mijneStriata Formosissima?[51]Ik mag daar niet losselijk over beslissen. Laat zien, alles eens wel overwogen. Zet ik haar vooraan in de eerste rij, dan zullen de liefhebbers al mijne andere bloemen slecht vinden; zet ik haar in de laatste rij, dan zijn de liefhebbers moede gezien, eer zij aan mijneStriata Formosissimakomen. Dit mag ook niet zijn. Zet ik haar in het midden, dan kan men haar van verre niet zien. Maar waar zal ik haar dan zetten?"
Bij deze vraag sloeg M. Fruyts zijne platte hand aan het voorhoofd, dat het kletste! hij liet zijn lichaam in diepe bedenking over de tafel hellen en bleef zoolang met hardnekkigheid aan zijn onoplosbaar vraagpunkt denken, dat hij eindelijk verwonderd uit zijne mijmering opschoot en zijne oogen begon te wrijven als iemand, die geslapen heeft.
"Welnu!" riep hij overluid, "waar zal ik mijneStriata Formosissimaplanten?"
Dan, de muren bleven stom en de uitroeping van M. Fruyts zonder antwoord. Gelijk hij bezig was met zich opnieuw, doch met meer wanhoop, voor het hoofd te slaan, deed een ander Dahlia's-liefhebber, de heer Bielens, de deur open en stak zijn hoofd in de kamer vooruit, zeggende:
"Dat zijn weerkens, eh?[52]"
M. Fruyts liep hem te gemoet, trek hem bij de hand tot in het midden van het vertrek, plantte zich vóór hem, zag hem strak in de oogen en herhaalde als met gramschap zijne vraag:
"Waar zal ik mijneStriata Formosissimatoch planten?"
M. Bielens staarde zijnen vriend met verbaasdheid aan en scheen genegen om te lachen; doch hij hield zich in en begon het volgende gesprek:
BIELENS.—Hoor, Fruyts, dit is iets, waarover gij op éénen dag niet moogt besluiten. Het zal misschien nog zes weken aanloopen, eer wij onze Dahlia's zullen kunnen planten. Denk gij er nog eens wel op; ik zal het van mijnen kant ook doen, en binnen acht dagen zullen wij dit met rijp oordeel beslissen.
FRUYTS,blijmoedig.—Verstandig gesproken. Ik hoor, dat gij weet wat bloemken mijneStriata Formosissimais. Niemand heeft haar in honderd uren in het ronde; ik win er dit jaar nog vijf of zes medailles mede. Ik zal de liefhebbers van Merxem[53]ditmaal eens kloppen, dat zij uit hunne oogen niet meer zullen zien.
BIELENS.—Maar hebt gij haar wel goed bewaard? Hebt gij haar in droge zemelen gelegd, gelijk ik u geraden heb?
FRUYTS.—Ja, ja, en er is dezen Winter geen water in mijnen kelder geweest.
BIELENS,invallende.—Maar, Fruyts, ik ben hier gekomen om u nu eens beslissend over de zaak te spreken: zullen wij onze kinderen nu niet na den Paaschtijd laten trouwen? Zij kennen elkander nu lang genoeg, en aangezien er niets in den weg is, waarom zouden wij ze dan nog meer met uitstel plagen?
FRUYTS,hij heeft een zijner boekskens van de tafel genomen.—Zie, Bielens, gij moest mij dit eens in het Vlaamsch zeggen. Met hunne Fransche lijsten altijd! Anders niet dan van deze ééne Dahlia.
BIELENS,in het boeksken lezende.—"N° 756,British Queen, Well's.—Schoon van vorm, bladeren als muizenooren, witte grond, overgaande tot purper en geboord met violet. Welgemaakt; stijve steel. Blijft het huwelijk van uwe dochter met mijnen zoon nu vastgesteld na Paschen.
FRUYTS,in gedachte dwalende.—Dit moet eene schoone bloem zijn, eh? Wit met violette boorden; muizenooren? Daar hang ik tien franken aan! Raadt gij mij hem te koopen?
BIELENS,met ongeduld.—Zie, Mijnheer Fruyts, ik spreek van geen Dahlia's meer, vóórdat gij mij bescheid gegeven hebt. Trouwen onze kinderen na Paschen, ja of neen?
FRUYTS,hij schudt het hoofd met spijt.—Wel ja, ja zeker. Zijt gij nu tevreden? Daar is mijne hand en mijn woord. Zal ik deBritish Queennu koopen, zeg?
BIELENS.—Ja, maar zóó trouwen is de regel niet, dat weet gij ook wel; wij moeten eens goed over de zaak raadplegen. Gij zult zeker uwe dochter wel een rond sommeken medegeven?
FRUYTS.—Hoor, om het kort te maken: ja, op alles! en hoe eerder hoe liever. Dit huwelijk mocht anders nog wel in den Dahlia's tijd vallen. Bezorg gij alles; mijne toestemming is u op voorhand gegeven.—Maar zeg, hebt gij uwe Dahlia's reeds uit den kelder gehaald, Bielens?
BIELENS.—Ja, gisterenmorgen heb ik ze onder glas te broeien gelegd.—Ik gaboeturen[54].
FRUYTS.—De mijne moeten vandaag ook uit den kelder. Als gij weg zijt, zal ik ze eens gaan bezoeken.
BIELENS. Ja, ik heb hier al te veel tijd versleten. Geef mij de hand op het huwelijk onzer kinderen. Ik zal alles bezorgen. En om te doen, gelijk het behoort, zal ik dezen morgen mijnen zoon zenden, om aan u zelf uwe toestemming te vragen. Gij moogt hem niet beschamen, zullen?
FRUYTS.—Wees daar niet bang voor; ik zal hem anders niet antwoorden danja. Gij kunt wel denken, als ik mijne wortelen eens gezien heb, dat ik dan niet veel tijd zal hebben om met uwen zoon te kouten. Dus, wees gerust. Tot namiddag.
Zoo haast M. Bielens vertrokken was, ging er eene blijde uitdrukking over het gelaat van M. Fruyts. Als iemand, die met ongeduldige haastigheid zich tot iets klaarmaakt, stapte hij heen en weder door de kamer, nam uit deze kas een mes, uit dien bak eenen hamer, van de schouwplaat een stel stempelletters, van den grond een draagbord, daarbij een potlood en een geheel boek papier. Aldus, met zakken en handen vol en een draagbord onder den arm, ging hij bij zijne vrouw en vroeg den sleutel van den kelder. Maar zijne teedere echtgenoote bezag hem met een paar oogen, die meer spotternij dan verwondering deden gissen.
"Wat, sleutel!" riep zij. "Komen de Dahlia's nu reeds voor den dag? Dan zal het weer een huis gaan worden gelijk eene hel. Gij zijt nu nog al eenigen tijd bij uwe zinnen geweest; maar het gezaag en het zottenspel gaan beginnen, eh? Dat staat daar als een uitverkochte kramer. Ik zou beschaamd zijn!"
De gefolterde liefhebber stond van ongeduld te trappelen; hij sprak met bevende stem:
"Den sleutel, zeg ik!"
"Nu, nu," antwoordde hierop de vrouw lachend, "bijt mij maar niet. Dáár is de sleutel."
M. Fruyts rukte den sleutel met bitsigheid uit de handen zijner vrouw, doch gevoelde zijnen toorn geheel wegzinken, naarmate hij zelf in zijnen kelder zonk en zijne teerbeminde Dahlia's naderde. Ha! zijn oog mag met wellust dwalen langs de planken, waarop zijne wortelen geschikt zijn. Zie, zij dragen elk een getalmerk, op een looden plaatje gestempeld; maar dit is niet voor den liefhebber gedaan; hij kent de wortelen beter dan zijne kinderen; hij weet hunne namen en voornamen, hunne geboorteplaats, hunne hoedanigheden, hunnen ouderdom.
Weldra komt een weldoende droom een bedrieglijk floers over zijne verbeelding werpen: zijn verrukte geest toovert vóór hem, in zijnen halfduisteren kelder, de gansche verzameling, staande in vollen bloei, in hoogste praal! Daar staatMiss Colt, de satijnen roos, daarConqueror, het fijn geplooid bruin fluweel; hierFireball, de gloeiende vuurbol, en de tweekleurigeNonpareil; verder de guldenTopaas, de zilverenVirgin Queenen de zwarteSambo. Duizende andere Dahlia's vertoonen zich in het verschiet; hunne veelkleurige bloemen, als in een onmeetbaar dambord dooreengeschikt, doen het oog van den ontheven liefhebber verdwalen. Het schijnt hem, dat de zon eenen overvloed van hare rijkste stralen in zijnen vochtigen kelder gestort heeft; hij voelt zich door eene streelende lucht omvangen, door eenen verleidenden geur bewierooken. In één woord, een Paradijs van ongekend zielsgenoegen is hem geschonken. O, Dahlia, hoe mildelijk toch beloont gij uwen dienaar!
De droomende heer Fruyts bleef langen tijd onder deze verleidende begoocheling. Eindelijk verging toch het toovertooneel; dan wierp hij eenen fieren blik op een houten baksken, dat in eenen hoek van den kelder, op de hoogste schab stond,—en sprak mompelend: