De Dolfijn.De eerste stroom welks wateren schuimden onder het rad eener stoomboot, was de Clyde; het was in 1812.Die boot heette deKomeet, en deed geregeld dienst tusschen Glasgow en Greenok. Na dien tijd hebben millioenen stoomschepen de Schotsche rivier op- en af gevaren, en de inwoners van Glasgow zijn sinds lang aan de wonderen der stoomkracht gewoon.Niettemin waren op den 3enDecember 1862 de modderige straten van Glasgow bijna verstopt door eene ontzaglijke menigte menschen; reeders, kooplieden, winkeliers, werklieden, matrozen, vrouwen en kinderen drongen allen in ééne richting voort, naar Kelvindok, eene groote scheepstimmerwerf van de heeren Tod en Mac-Gregor.Kelvindok ligt eenige minuten buiten de stad, op den rechter oever der Clyde; in een oogenblik was de gansche ruimte door nieuwsgierigen opgevuld; niet het kleinste plekje aan de kade, geen enkele muur om de werf heen, geen enkel pakhuisdak, dat nog een oningenomen plaatsje aanbood; de rivier zelve was vol vaartuigen van verschillenden aard en op den linker oever wemelden de heuvelen van toeschouwers.Al die drukte gold nochtans geene bijzondere plechtigheid; er zou eenvoudig een stoomschip van stapel loopen. Nu kon het wel niet anders of het publiek van Glasgow moest aan zoo iets zeer gewoon zijn. Was er dan iets bijzonders te zien aan dienDolfijn, zoo als de heeren Tod en Mac-Gregor hunne nieuwe stoomboot gedoopt hadden?—Volstrekt niet. Het was een groot vaartuig van vijftien honderd ton van geslagen plaatijzer, en dat alles in zich vereenigde om snel vooruit te kunnen komen. Zijne machine was van hooge drukking en vijfhonderd paardekracht. Zij bracht twee schroeven, aan weerszijden van den achtersteven in beweging, die onafhankelijk van elkander werkten; de toepassing van een geheel nieuw stelsel, dat eene groote snelheid aan de vaartuigen geeft en hun vergunt zich in een zeer beperkten kring te wenden en te keeren.DeDolfijnkon niet veel diepgang hebben. De kenners zagen het duidelijk en leidden er te recht uit af dat de boot bestemd was om in ondiep water te varen. Doch al die bijzonderheden konden de ijverige belangstelling van zulk eene menigte niet rechtvaardigen. Over het geheel was deDolfijnniets meer of niets minder dan andere stoombooten. Zou dan het van stapel loopen met een of ander technisch bezwaar te worstelen hebben?—Evenmin. De Clyde had reeds menig vaartuig van grooter omvang in hare wateren opgenomen, en deDolfijnzou zonder eenige bijzonderheid te water gaan.Inderdaad, bij het kenteren van het tij, op het oogenblik waarop de ebbe merkbaar werd, begonnen de manoeuvres; de hamerslagen weerklonken met een volmaakte harmonie op de wiggen, die bestemd waren om de kiel van het vaartuig op te lichten. Weldra trilde het geheele vaartuig; men zag het bewegen, hoe weinig het nog opgeheven was; het gleed, het gleed sneller en, de zorgvuldig met vet besmeerde helling afglijdende, plofte deDolfijnin de Clyde, te midden van dikke wolken van opstuivend water. Zijn achtersteven drukte den bodem der rivier, verhief zich vervolgens op den rug eener reusachtige golf en de prachtige boot zou in hare vaart tegen de kaden der scheepstimmerwerven verbrijzeld zijn geworden, indien niet al hare ankers met een vreeselijk geraas gelijktijdig uitgeworpen, haar in haren loop hadden gestremd.Het afloopen was volkomen gelukt. DeDolfijnwiegde zich bedaard op de wateren der Clyde. Al de toeschouwers klapten in de handen toen hij zijn natuurlijk element veroverd had en ontelbare hoera’s rezen aan de beide oevers op.Maar waarom al die toejuichingen?—Het zou den hartstochtelijksten toejuicher zeer moeielijk zijn gevallen zijn enthousiasme te verklaren. Van waar dan die zoo bijzondere belangstelling juist in deze boot? Eenvoudig vanwege de geheimzinnigheid harer bestemming. Men wist niet aan welke soort van handel zij zich wijden zou, en wanneer men er de groepen van nieuwsgierigen naar gevraagd had, zou men zich te recht verwonderd hebben over de verschillende meeningen omtrent deze ernstige zaak.Intusschen waren de best onderrichten, of zij die zich daarvoor hielden, het met elkander eens dat deze stoomboot eene rol zou spelen in den vreeselijken burgeroorlog, waardoor de Vereenigde Staten van Amerika toen geteisterd werden. Doch meer wisten zij niet en niemand had kunnen bepalen of deDolfijneen kaper, een transportschip, eene oorlogsboot der Geconfedereerden of voor de Noordelijken was.»Hoera!” riep er een, die beweerde dat deDolfijnvoor rekening der Zuidelijken gebouwd was.»Hip, hip, hip!” riep een ander, die zwoer dat nooit vlugger vaartuig op de Amerikaansche kusten had gekruist.Het was dus het onbekende en, om met juistheid te weten waaraan men zich houden moest, had men de compagnon, of althans een intieme vriend van VincentPlayfairen Co. te Glasgow moeten zijn.Een rijk, machtig en schrander huis was het, dat door Vincent Playfair en Co. werd vertegenwoordigd. Eene oude en geachtefamilie, afstammelingen van die Tabak-lords, die de fraaiste wijken der stad bebouwd hadden. Die bekwame handelaars hadden, tengevolge der Unie-akte, de eerste kantoren van Glasgow gesticht, door den handel in tabak van Virginië en Maryland. Er werden onmetelijke fortuinen gemaakt; er was een nieuw middelpunt voor den handel geschapen. Welhaast werd Glasgow eene stad van industrie; fabrieken, spinnerijen en smelterijen rezen overal als uit den grond op, en in weinig jaren had de voorspoed der stad haar toppunt bereikt.Het huis Playfair bleef den ondernemingsgeest zijner voorvaderen getrouw. Het stortte zich in de stoutste ondernemingen en hield de eer van den Engelschen handel op. Zijn tegenwoordige chef, Vincent Playfair, een achtenswaardig man van vijftig jaren, was iemand van een praktisch en positief karakter, een stoutmoedig, ondernemend man, een echte reeder. Niets ging hem meer ter harte dan de handel. Daarbij was hij onkreukbaar eerlijk en loyaal.Hij was het intusschen niet die zich de eer kon toerekenen denDolfijngebouwd en uitgerust te hebben. Die eer kwam toe aan James Playfair, zijn neef, een knap mensch van dertig jaren en de stoutste schipper der koopvaardijvloot van het Vereenigde Koninkrijk.Op zekeren dag had James Playfair, nadat hij de Amerikaansche bladen gelezen had, zijn oom een zeer gewaagd plan voorgesteld.»Oom Vincent,” zoo viel hij met de deur in het huis, »er zijn twee millioen te winnen, in eene maand tijds!”»En wat wordt er bij gewaagd?” vroeg oom Vincent.»Een schip en eene lading.”»Anders niets?”»Ja wel, de equipage en de kapitein; maar dat reken ik niet.”»Laat eens hooren,” antwoordde oom Vincent.»Het is zoo klaar als een klontje,” hernam James Playfair. »U hebt toch de Amerikaansche bladen gelezen?”»Twintig keer, neef James.”»Denkt u, even als ik, dat de oorlog in de Vereenigde Staten nog lang zal duren?”»’k Ben er zeker van.”»U weet hoe die oorlog de belangen van Engeland, en van Glasgow in het bijzonder, benadeelt?”»En nog meer in het bijzonder die van het huis Playfair en Co.,” antwoordde oom Vincent.»Die inzonderheid,” herhaalde de jonge kapitein.»’k Tob er dag aan dag over, James, en ’k zie niet zonder schrikde handelsrampen te gemoet, welke die oorlog na zich slepen zal. Niet dat het huis Playfair niet solide is, neef, maar het heeft correspondenten die failliet kunnen gaan. Die Amerikanen! ’k wensch ze allen naar den duivel, de Noordelijken zoowel als de Zuidelijken.”Uit een commercieel oogpunt beschouwd, had Vincent Playfair gelijk met dus te spreken. Het voornaamste handelsartikel van Amerika ontbrak op de markt te Glasgow. De katoencrisis werd van dag tot dag dreigender; duizenden werklieden moesten van de algemeene weldadigheid leven. Glasgow bezit vijf en twintig duizend spinnewielen, die, voor dat de oorlog in Amerika begon, zesmaal honderd vijf en twintig ellen gesponnen katoen per dag, dat is vijftig millioen ponden ’s jaars, afleverden. Men oordeele uit die cijfers hoe groot de stoornis moest zijn in de industrieele beweging der stad, nu de grondstof tot den arbeid geheel begon te ontbreken. Ieder uur hadden er nieuwe faillissementen plaats. De staking van het werk oefende overal haren verderfelijken invloed uit; de werklieden stierven van honger.Het schouwspel van die ontzaglijke ellende had James Playfair op het denkbeeld gebracht van zijn stout waagstuk.»’k Ga katoen halen,” zeide hij, »en ’k breng het mede, ’t moge kosten wat het wil.”Daar hij nochtans in zijn hart evenzeer koopman was als zijn oom Vincent, besloot hij het middel van ruilhandel te baat te nemen en zijne onderneming onder den vorm eener handelszaak voor te stellen.»Oom Vincent, dit is mijn idee.”»Laat hooren, James.”»’t Is dood eenvoudig. We zullen een snelvarend schip bouwen.”»Dat gaat.”»We zullen het laden met krijgsbehoeften, levensmiddelen en kleederen.”»Dat is te doen.”»Ik zal bevel voeren over dat vaartuig. ’k Zal al de schepen der Noordelijke marine tarten om me in te halen. ’k Zal de blokkade van een der Zuidelijke havens forceeren.”»En je lading duur verkoopen aan de Zuidelijken die er behoefte aan hebben,” vulde de oom aan.»En ’k zal met een lading katoen terugkomen....”»Dat ze je voor niets geven zullen.”»Zooals u zegt, oom Vincent. Vindt u ’t goed?”»’k Vind het goed. Maar zal je er door heen komen?”»’k Zal er door heen komen als ’k een goed schip heb.”»We zullen er een voor je laten bouwen. Maar de bemanning?”»O, die zal ’k wel vinden. ’k Heb niet veel volk noodig. Mannen genoeg om te manoeuvreeren, dat is alles. ’t Is me niet tedoen om met de Noordelijken te vechten, maar ze op een afstand te houden.”»Die ben ik,” antwoordde de gezagvoerder. Bladz. 215.»Die ben ik,” antwoordde de gezagvoerder. Bladz.215.»We zullen ze op een afstand houden,”antwoordde oom Vincentop beslissenden toon. »Vertel me nu eens, James, naar welk punt van de Amerikaansche kust denk je koers te zetten?”»Tot nog toe hebben er reeds schepen de blokkaden van Orleans, van Wilmington en van Savannah geforceerd. ’k Denk rechtstreeks naar Charleston te gaan. Geen enkel Engelsch schip is nog tot die vaarwaters doorgedrongen, behalve deBermuda, die zal ik navolgen, en als mijn schip weinig diepgang heeft, ga ’k waar de Noordelijken mij niet kunnen volgen.”»Zooveel is zeker,” hernam oom Vincent, »dat Charleston volgestopt is met katoen; ze verbranden het om ’t kwijt te zijn.”»Ja,” antwoordde James. »Bovendien is de stad bijna ingesloten. Beauregard heeft gebrek aan amunitie; hij zal me mijn lading met goud betalen.”»Heel goed, neef! Wanneer wil je de reis beginnen?”»Over een half jaar. ’k Heb lange nachten, winternachten noodig om er gemakkelijker door heen te komen.”»Je zult ze hebben, neef.”»Afgesproken, oom?”»Afgesproken.”»Op uw woord?”»Op mijn woord.”Zoo was de stoomboot deDolfijnvijf maanden later van de werf van Kelvindok van stapel geloopen en daarom kende niemand hare eigenlijke bestemming.
De Dolfijn.De eerste stroom welks wateren schuimden onder het rad eener stoomboot, was de Clyde; het was in 1812.Die boot heette deKomeet, en deed geregeld dienst tusschen Glasgow en Greenok. Na dien tijd hebben millioenen stoomschepen de Schotsche rivier op- en af gevaren, en de inwoners van Glasgow zijn sinds lang aan de wonderen der stoomkracht gewoon.Niettemin waren op den 3enDecember 1862 de modderige straten van Glasgow bijna verstopt door eene ontzaglijke menigte menschen; reeders, kooplieden, winkeliers, werklieden, matrozen, vrouwen en kinderen drongen allen in ééne richting voort, naar Kelvindok, eene groote scheepstimmerwerf van de heeren Tod en Mac-Gregor.Kelvindok ligt eenige minuten buiten de stad, op den rechter oever der Clyde; in een oogenblik was de gansche ruimte door nieuwsgierigen opgevuld; niet het kleinste plekje aan de kade, geen enkele muur om de werf heen, geen enkel pakhuisdak, dat nog een oningenomen plaatsje aanbood; de rivier zelve was vol vaartuigen van verschillenden aard en op den linker oever wemelden de heuvelen van toeschouwers.Al die drukte gold nochtans geene bijzondere plechtigheid; er zou eenvoudig een stoomschip van stapel loopen. Nu kon het wel niet anders of het publiek van Glasgow moest aan zoo iets zeer gewoon zijn. Was er dan iets bijzonders te zien aan dienDolfijn, zoo als de heeren Tod en Mac-Gregor hunne nieuwe stoomboot gedoopt hadden?—Volstrekt niet. Het was een groot vaartuig van vijftien honderd ton van geslagen plaatijzer, en dat alles in zich vereenigde om snel vooruit te kunnen komen. Zijne machine was van hooge drukking en vijfhonderd paardekracht. Zij bracht twee schroeven, aan weerszijden van den achtersteven in beweging, die onafhankelijk van elkander werkten; de toepassing van een geheel nieuw stelsel, dat eene groote snelheid aan de vaartuigen geeft en hun vergunt zich in een zeer beperkten kring te wenden en te keeren.DeDolfijnkon niet veel diepgang hebben. De kenners zagen het duidelijk en leidden er te recht uit af dat de boot bestemd was om in ondiep water te varen. Doch al die bijzonderheden konden de ijverige belangstelling van zulk eene menigte niet rechtvaardigen. Over het geheel was deDolfijnniets meer of niets minder dan andere stoombooten. Zou dan het van stapel loopen met een of ander technisch bezwaar te worstelen hebben?—Evenmin. De Clyde had reeds menig vaartuig van grooter omvang in hare wateren opgenomen, en deDolfijnzou zonder eenige bijzonderheid te water gaan.Inderdaad, bij het kenteren van het tij, op het oogenblik waarop de ebbe merkbaar werd, begonnen de manoeuvres; de hamerslagen weerklonken met een volmaakte harmonie op de wiggen, die bestemd waren om de kiel van het vaartuig op te lichten. Weldra trilde het geheele vaartuig; men zag het bewegen, hoe weinig het nog opgeheven was; het gleed, het gleed sneller en, de zorgvuldig met vet besmeerde helling afglijdende, plofte deDolfijnin de Clyde, te midden van dikke wolken van opstuivend water. Zijn achtersteven drukte den bodem der rivier, verhief zich vervolgens op den rug eener reusachtige golf en de prachtige boot zou in hare vaart tegen de kaden der scheepstimmerwerven verbrijzeld zijn geworden, indien niet al hare ankers met een vreeselijk geraas gelijktijdig uitgeworpen, haar in haren loop hadden gestremd.Het afloopen was volkomen gelukt. DeDolfijnwiegde zich bedaard op de wateren der Clyde. Al de toeschouwers klapten in de handen toen hij zijn natuurlijk element veroverd had en ontelbare hoera’s rezen aan de beide oevers op.Maar waarom al die toejuichingen?—Het zou den hartstochtelijksten toejuicher zeer moeielijk zijn gevallen zijn enthousiasme te verklaren. Van waar dan die zoo bijzondere belangstelling juist in deze boot? Eenvoudig vanwege de geheimzinnigheid harer bestemming. Men wist niet aan welke soort van handel zij zich wijden zou, en wanneer men er de groepen van nieuwsgierigen naar gevraagd had, zou men zich te recht verwonderd hebben over de verschillende meeningen omtrent deze ernstige zaak.Intusschen waren de best onderrichten, of zij die zich daarvoor hielden, het met elkander eens dat deze stoomboot eene rol zou spelen in den vreeselijken burgeroorlog, waardoor de Vereenigde Staten van Amerika toen geteisterd werden. Doch meer wisten zij niet en niemand had kunnen bepalen of deDolfijneen kaper, een transportschip, eene oorlogsboot der Geconfedereerden of voor de Noordelijken was.»Hoera!” riep er een, die beweerde dat deDolfijnvoor rekening der Zuidelijken gebouwd was.»Hip, hip, hip!” riep een ander, die zwoer dat nooit vlugger vaartuig op de Amerikaansche kusten had gekruist.Het was dus het onbekende en, om met juistheid te weten waaraan men zich houden moest, had men de compagnon, of althans een intieme vriend van VincentPlayfairen Co. te Glasgow moeten zijn.Een rijk, machtig en schrander huis was het, dat door Vincent Playfair en Co. werd vertegenwoordigd. Eene oude en geachtefamilie, afstammelingen van die Tabak-lords, die de fraaiste wijken der stad bebouwd hadden. Die bekwame handelaars hadden, tengevolge der Unie-akte, de eerste kantoren van Glasgow gesticht, door den handel in tabak van Virginië en Maryland. Er werden onmetelijke fortuinen gemaakt; er was een nieuw middelpunt voor den handel geschapen. Welhaast werd Glasgow eene stad van industrie; fabrieken, spinnerijen en smelterijen rezen overal als uit den grond op, en in weinig jaren had de voorspoed der stad haar toppunt bereikt.Het huis Playfair bleef den ondernemingsgeest zijner voorvaderen getrouw. Het stortte zich in de stoutste ondernemingen en hield de eer van den Engelschen handel op. Zijn tegenwoordige chef, Vincent Playfair, een achtenswaardig man van vijftig jaren, was iemand van een praktisch en positief karakter, een stoutmoedig, ondernemend man, een echte reeder. Niets ging hem meer ter harte dan de handel. Daarbij was hij onkreukbaar eerlijk en loyaal.Hij was het intusschen niet die zich de eer kon toerekenen denDolfijngebouwd en uitgerust te hebben. Die eer kwam toe aan James Playfair, zijn neef, een knap mensch van dertig jaren en de stoutste schipper der koopvaardijvloot van het Vereenigde Koninkrijk.Op zekeren dag had James Playfair, nadat hij de Amerikaansche bladen gelezen had, zijn oom een zeer gewaagd plan voorgesteld.»Oom Vincent,” zoo viel hij met de deur in het huis, »er zijn twee millioen te winnen, in eene maand tijds!”»En wat wordt er bij gewaagd?” vroeg oom Vincent.»Een schip en eene lading.”»Anders niets?”»Ja wel, de equipage en de kapitein; maar dat reken ik niet.”»Laat eens hooren,” antwoordde oom Vincent.»Het is zoo klaar als een klontje,” hernam James Playfair. »U hebt toch de Amerikaansche bladen gelezen?”»Twintig keer, neef James.”»Denkt u, even als ik, dat de oorlog in de Vereenigde Staten nog lang zal duren?”»’k Ben er zeker van.”»U weet hoe die oorlog de belangen van Engeland, en van Glasgow in het bijzonder, benadeelt?”»En nog meer in het bijzonder die van het huis Playfair en Co.,” antwoordde oom Vincent.»Die inzonderheid,” herhaalde de jonge kapitein.»’k Tob er dag aan dag over, James, en ’k zie niet zonder schrikde handelsrampen te gemoet, welke die oorlog na zich slepen zal. Niet dat het huis Playfair niet solide is, neef, maar het heeft correspondenten die failliet kunnen gaan. Die Amerikanen! ’k wensch ze allen naar den duivel, de Noordelijken zoowel als de Zuidelijken.”Uit een commercieel oogpunt beschouwd, had Vincent Playfair gelijk met dus te spreken. Het voornaamste handelsartikel van Amerika ontbrak op de markt te Glasgow. De katoencrisis werd van dag tot dag dreigender; duizenden werklieden moesten van de algemeene weldadigheid leven. Glasgow bezit vijf en twintig duizend spinnewielen, die, voor dat de oorlog in Amerika begon, zesmaal honderd vijf en twintig ellen gesponnen katoen per dag, dat is vijftig millioen ponden ’s jaars, afleverden. Men oordeele uit die cijfers hoe groot de stoornis moest zijn in de industrieele beweging der stad, nu de grondstof tot den arbeid geheel begon te ontbreken. Ieder uur hadden er nieuwe faillissementen plaats. De staking van het werk oefende overal haren verderfelijken invloed uit; de werklieden stierven van honger.Het schouwspel van die ontzaglijke ellende had James Playfair op het denkbeeld gebracht van zijn stout waagstuk.»’k Ga katoen halen,” zeide hij, »en ’k breng het mede, ’t moge kosten wat het wil.”Daar hij nochtans in zijn hart evenzeer koopman was als zijn oom Vincent, besloot hij het middel van ruilhandel te baat te nemen en zijne onderneming onder den vorm eener handelszaak voor te stellen.»Oom Vincent, dit is mijn idee.”»Laat hooren, James.”»’t Is dood eenvoudig. We zullen een snelvarend schip bouwen.”»Dat gaat.”»We zullen het laden met krijgsbehoeften, levensmiddelen en kleederen.”»Dat is te doen.”»Ik zal bevel voeren over dat vaartuig. ’k Zal al de schepen der Noordelijke marine tarten om me in te halen. ’k Zal de blokkade van een der Zuidelijke havens forceeren.”»En je lading duur verkoopen aan de Zuidelijken die er behoefte aan hebben,” vulde de oom aan.»En ’k zal met een lading katoen terugkomen....”»Dat ze je voor niets geven zullen.”»Zooals u zegt, oom Vincent. Vindt u ’t goed?”»’k Vind het goed. Maar zal je er door heen komen?”»’k Zal er door heen komen als ’k een goed schip heb.”»We zullen er een voor je laten bouwen. Maar de bemanning?”»O, die zal ’k wel vinden. ’k Heb niet veel volk noodig. Mannen genoeg om te manoeuvreeren, dat is alles. ’t Is me niet tedoen om met de Noordelijken te vechten, maar ze op een afstand te houden.”»Die ben ik,” antwoordde de gezagvoerder. Bladz. 215.»Die ben ik,” antwoordde de gezagvoerder. Bladz.215.»We zullen ze op een afstand houden,”antwoordde oom Vincentop beslissenden toon. »Vertel me nu eens, James, naar welk punt van de Amerikaansche kust denk je koers te zetten?”»Tot nog toe hebben er reeds schepen de blokkaden van Orleans, van Wilmington en van Savannah geforceerd. ’k Denk rechtstreeks naar Charleston te gaan. Geen enkel Engelsch schip is nog tot die vaarwaters doorgedrongen, behalve deBermuda, die zal ik navolgen, en als mijn schip weinig diepgang heeft, ga ’k waar de Noordelijken mij niet kunnen volgen.”»Zooveel is zeker,” hernam oom Vincent, »dat Charleston volgestopt is met katoen; ze verbranden het om ’t kwijt te zijn.”»Ja,” antwoordde James. »Bovendien is de stad bijna ingesloten. Beauregard heeft gebrek aan amunitie; hij zal me mijn lading met goud betalen.”»Heel goed, neef! Wanneer wil je de reis beginnen?”»Over een half jaar. ’k Heb lange nachten, winternachten noodig om er gemakkelijker door heen te komen.”»Je zult ze hebben, neef.”»Afgesproken, oom?”»Afgesproken.”»Op uw woord?”»Op mijn woord.”Zoo was de stoomboot deDolfijnvijf maanden later van de werf van Kelvindok van stapel geloopen en daarom kende niemand hare eigenlijke bestemming.
De Dolfijn.De eerste stroom welks wateren schuimden onder het rad eener stoomboot, was de Clyde; het was in 1812.Die boot heette deKomeet, en deed geregeld dienst tusschen Glasgow en Greenok. Na dien tijd hebben millioenen stoomschepen de Schotsche rivier op- en af gevaren, en de inwoners van Glasgow zijn sinds lang aan de wonderen der stoomkracht gewoon.Niettemin waren op den 3enDecember 1862 de modderige straten van Glasgow bijna verstopt door eene ontzaglijke menigte menschen; reeders, kooplieden, winkeliers, werklieden, matrozen, vrouwen en kinderen drongen allen in ééne richting voort, naar Kelvindok, eene groote scheepstimmerwerf van de heeren Tod en Mac-Gregor.Kelvindok ligt eenige minuten buiten de stad, op den rechter oever der Clyde; in een oogenblik was de gansche ruimte door nieuwsgierigen opgevuld; niet het kleinste plekje aan de kade, geen enkele muur om de werf heen, geen enkel pakhuisdak, dat nog een oningenomen plaatsje aanbood; de rivier zelve was vol vaartuigen van verschillenden aard en op den linker oever wemelden de heuvelen van toeschouwers.Al die drukte gold nochtans geene bijzondere plechtigheid; er zou eenvoudig een stoomschip van stapel loopen. Nu kon het wel niet anders of het publiek van Glasgow moest aan zoo iets zeer gewoon zijn. Was er dan iets bijzonders te zien aan dienDolfijn, zoo als de heeren Tod en Mac-Gregor hunne nieuwe stoomboot gedoopt hadden?—Volstrekt niet. Het was een groot vaartuig van vijftien honderd ton van geslagen plaatijzer, en dat alles in zich vereenigde om snel vooruit te kunnen komen. Zijne machine was van hooge drukking en vijfhonderd paardekracht. Zij bracht twee schroeven, aan weerszijden van den achtersteven in beweging, die onafhankelijk van elkander werkten; de toepassing van een geheel nieuw stelsel, dat eene groote snelheid aan de vaartuigen geeft en hun vergunt zich in een zeer beperkten kring te wenden en te keeren.DeDolfijnkon niet veel diepgang hebben. De kenners zagen het duidelijk en leidden er te recht uit af dat de boot bestemd was om in ondiep water te varen. Doch al die bijzonderheden konden de ijverige belangstelling van zulk eene menigte niet rechtvaardigen. Over het geheel was deDolfijnniets meer of niets minder dan andere stoombooten. Zou dan het van stapel loopen met een of ander technisch bezwaar te worstelen hebben?—Evenmin. De Clyde had reeds menig vaartuig van grooter omvang in hare wateren opgenomen, en deDolfijnzou zonder eenige bijzonderheid te water gaan.Inderdaad, bij het kenteren van het tij, op het oogenblik waarop de ebbe merkbaar werd, begonnen de manoeuvres; de hamerslagen weerklonken met een volmaakte harmonie op de wiggen, die bestemd waren om de kiel van het vaartuig op te lichten. Weldra trilde het geheele vaartuig; men zag het bewegen, hoe weinig het nog opgeheven was; het gleed, het gleed sneller en, de zorgvuldig met vet besmeerde helling afglijdende, plofte deDolfijnin de Clyde, te midden van dikke wolken van opstuivend water. Zijn achtersteven drukte den bodem der rivier, verhief zich vervolgens op den rug eener reusachtige golf en de prachtige boot zou in hare vaart tegen de kaden der scheepstimmerwerven verbrijzeld zijn geworden, indien niet al hare ankers met een vreeselijk geraas gelijktijdig uitgeworpen, haar in haren loop hadden gestremd.Het afloopen was volkomen gelukt. DeDolfijnwiegde zich bedaard op de wateren der Clyde. Al de toeschouwers klapten in de handen toen hij zijn natuurlijk element veroverd had en ontelbare hoera’s rezen aan de beide oevers op.Maar waarom al die toejuichingen?—Het zou den hartstochtelijksten toejuicher zeer moeielijk zijn gevallen zijn enthousiasme te verklaren. Van waar dan die zoo bijzondere belangstelling juist in deze boot? Eenvoudig vanwege de geheimzinnigheid harer bestemming. Men wist niet aan welke soort van handel zij zich wijden zou, en wanneer men er de groepen van nieuwsgierigen naar gevraagd had, zou men zich te recht verwonderd hebben over de verschillende meeningen omtrent deze ernstige zaak.Intusschen waren de best onderrichten, of zij die zich daarvoor hielden, het met elkander eens dat deze stoomboot eene rol zou spelen in den vreeselijken burgeroorlog, waardoor de Vereenigde Staten van Amerika toen geteisterd werden. Doch meer wisten zij niet en niemand had kunnen bepalen of deDolfijneen kaper, een transportschip, eene oorlogsboot der Geconfedereerden of voor de Noordelijken was.»Hoera!” riep er een, die beweerde dat deDolfijnvoor rekening der Zuidelijken gebouwd was.»Hip, hip, hip!” riep een ander, die zwoer dat nooit vlugger vaartuig op de Amerikaansche kusten had gekruist.Het was dus het onbekende en, om met juistheid te weten waaraan men zich houden moest, had men de compagnon, of althans een intieme vriend van VincentPlayfairen Co. te Glasgow moeten zijn.Een rijk, machtig en schrander huis was het, dat door Vincent Playfair en Co. werd vertegenwoordigd. Eene oude en geachtefamilie, afstammelingen van die Tabak-lords, die de fraaiste wijken der stad bebouwd hadden. Die bekwame handelaars hadden, tengevolge der Unie-akte, de eerste kantoren van Glasgow gesticht, door den handel in tabak van Virginië en Maryland. Er werden onmetelijke fortuinen gemaakt; er was een nieuw middelpunt voor den handel geschapen. Welhaast werd Glasgow eene stad van industrie; fabrieken, spinnerijen en smelterijen rezen overal als uit den grond op, en in weinig jaren had de voorspoed der stad haar toppunt bereikt.Het huis Playfair bleef den ondernemingsgeest zijner voorvaderen getrouw. Het stortte zich in de stoutste ondernemingen en hield de eer van den Engelschen handel op. Zijn tegenwoordige chef, Vincent Playfair, een achtenswaardig man van vijftig jaren, was iemand van een praktisch en positief karakter, een stoutmoedig, ondernemend man, een echte reeder. Niets ging hem meer ter harte dan de handel. Daarbij was hij onkreukbaar eerlijk en loyaal.Hij was het intusschen niet die zich de eer kon toerekenen denDolfijngebouwd en uitgerust te hebben. Die eer kwam toe aan James Playfair, zijn neef, een knap mensch van dertig jaren en de stoutste schipper der koopvaardijvloot van het Vereenigde Koninkrijk.Op zekeren dag had James Playfair, nadat hij de Amerikaansche bladen gelezen had, zijn oom een zeer gewaagd plan voorgesteld.»Oom Vincent,” zoo viel hij met de deur in het huis, »er zijn twee millioen te winnen, in eene maand tijds!”»En wat wordt er bij gewaagd?” vroeg oom Vincent.»Een schip en eene lading.”»Anders niets?”»Ja wel, de equipage en de kapitein; maar dat reken ik niet.”»Laat eens hooren,” antwoordde oom Vincent.»Het is zoo klaar als een klontje,” hernam James Playfair. »U hebt toch de Amerikaansche bladen gelezen?”»Twintig keer, neef James.”»Denkt u, even als ik, dat de oorlog in de Vereenigde Staten nog lang zal duren?”»’k Ben er zeker van.”»U weet hoe die oorlog de belangen van Engeland, en van Glasgow in het bijzonder, benadeelt?”»En nog meer in het bijzonder die van het huis Playfair en Co.,” antwoordde oom Vincent.»Die inzonderheid,” herhaalde de jonge kapitein.»’k Tob er dag aan dag over, James, en ’k zie niet zonder schrikde handelsrampen te gemoet, welke die oorlog na zich slepen zal. Niet dat het huis Playfair niet solide is, neef, maar het heeft correspondenten die failliet kunnen gaan. Die Amerikanen! ’k wensch ze allen naar den duivel, de Noordelijken zoowel als de Zuidelijken.”Uit een commercieel oogpunt beschouwd, had Vincent Playfair gelijk met dus te spreken. Het voornaamste handelsartikel van Amerika ontbrak op de markt te Glasgow. De katoencrisis werd van dag tot dag dreigender; duizenden werklieden moesten van de algemeene weldadigheid leven. Glasgow bezit vijf en twintig duizend spinnewielen, die, voor dat de oorlog in Amerika begon, zesmaal honderd vijf en twintig ellen gesponnen katoen per dag, dat is vijftig millioen ponden ’s jaars, afleverden. Men oordeele uit die cijfers hoe groot de stoornis moest zijn in de industrieele beweging der stad, nu de grondstof tot den arbeid geheel begon te ontbreken. Ieder uur hadden er nieuwe faillissementen plaats. De staking van het werk oefende overal haren verderfelijken invloed uit; de werklieden stierven van honger.Het schouwspel van die ontzaglijke ellende had James Playfair op het denkbeeld gebracht van zijn stout waagstuk.»’k Ga katoen halen,” zeide hij, »en ’k breng het mede, ’t moge kosten wat het wil.”Daar hij nochtans in zijn hart evenzeer koopman was als zijn oom Vincent, besloot hij het middel van ruilhandel te baat te nemen en zijne onderneming onder den vorm eener handelszaak voor te stellen.»Oom Vincent, dit is mijn idee.”»Laat hooren, James.”»’t Is dood eenvoudig. We zullen een snelvarend schip bouwen.”»Dat gaat.”»We zullen het laden met krijgsbehoeften, levensmiddelen en kleederen.”»Dat is te doen.”»Ik zal bevel voeren over dat vaartuig. ’k Zal al de schepen der Noordelijke marine tarten om me in te halen. ’k Zal de blokkade van een der Zuidelijke havens forceeren.”»En je lading duur verkoopen aan de Zuidelijken die er behoefte aan hebben,” vulde de oom aan.»En ’k zal met een lading katoen terugkomen....”»Dat ze je voor niets geven zullen.”»Zooals u zegt, oom Vincent. Vindt u ’t goed?”»’k Vind het goed. Maar zal je er door heen komen?”»’k Zal er door heen komen als ’k een goed schip heb.”»We zullen er een voor je laten bouwen. Maar de bemanning?”»O, die zal ’k wel vinden. ’k Heb niet veel volk noodig. Mannen genoeg om te manoeuvreeren, dat is alles. ’t Is me niet tedoen om met de Noordelijken te vechten, maar ze op een afstand te houden.”»Die ben ik,” antwoordde de gezagvoerder. Bladz. 215.»Die ben ik,” antwoordde de gezagvoerder. Bladz.215.»We zullen ze op een afstand houden,”antwoordde oom Vincentop beslissenden toon. »Vertel me nu eens, James, naar welk punt van de Amerikaansche kust denk je koers te zetten?”»Tot nog toe hebben er reeds schepen de blokkaden van Orleans, van Wilmington en van Savannah geforceerd. ’k Denk rechtstreeks naar Charleston te gaan. Geen enkel Engelsch schip is nog tot die vaarwaters doorgedrongen, behalve deBermuda, die zal ik navolgen, en als mijn schip weinig diepgang heeft, ga ’k waar de Noordelijken mij niet kunnen volgen.”»Zooveel is zeker,” hernam oom Vincent, »dat Charleston volgestopt is met katoen; ze verbranden het om ’t kwijt te zijn.”»Ja,” antwoordde James. »Bovendien is de stad bijna ingesloten. Beauregard heeft gebrek aan amunitie; hij zal me mijn lading met goud betalen.”»Heel goed, neef! Wanneer wil je de reis beginnen?”»Over een half jaar. ’k Heb lange nachten, winternachten noodig om er gemakkelijker door heen te komen.”»Je zult ze hebben, neef.”»Afgesproken, oom?”»Afgesproken.”»Op uw woord?”»Op mijn woord.”Zoo was de stoomboot deDolfijnvijf maanden later van de werf van Kelvindok van stapel geloopen en daarom kende niemand hare eigenlijke bestemming.
De Dolfijn.
De eerste stroom welks wateren schuimden onder het rad eener stoomboot, was de Clyde; het was in 1812.Die boot heette deKomeet, en deed geregeld dienst tusschen Glasgow en Greenok. Na dien tijd hebben millioenen stoomschepen de Schotsche rivier op- en af gevaren, en de inwoners van Glasgow zijn sinds lang aan de wonderen der stoomkracht gewoon.Niettemin waren op den 3enDecember 1862 de modderige straten van Glasgow bijna verstopt door eene ontzaglijke menigte menschen; reeders, kooplieden, winkeliers, werklieden, matrozen, vrouwen en kinderen drongen allen in ééne richting voort, naar Kelvindok, eene groote scheepstimmerwerf van de heeren Tod en Mac-Gregor.Kelvindok ligt eenige minuten buiten de stad, op den rechter oever der Clyde; in een oogenblik was de gansche ruimte door nieuwsgierigen opgevuld; niet het kleinste plekje aan de kade, geen enkele muur om de werf heen, geen enkel pakhuisdak, dat nog een oningenomen plaatsje aanbood; de rivier zelve was vol vaartuigen van verschillenden aard en op den linker oever wemelden de heuvelen van toeschouwers.Al die drukte gold nochtans geene bijzondere plechtigheid; er zou eenvoudig een stoomschip van stapel loopen. Nu kon het wel niet anders of het publiek van Glasgow moest aan zoo iets zeer gewoon zijn. Was er dan iets bijzonders te zien aan dienDolfijn, zoo als de heeren Tod en Mac-Gregor hunne nieuwe stoomboot gedoopt hadden?—Volstrekt niet. Het was een groot vaartuig van vijftien honderd ton van geslagen plaatijzer, en dat alles in zich vereenigde om snel vooruit te kunnen komen. Zijne machine was van hooge drukking en vijfhonderd paardekracht. Zij bracht twee schroeven, aan weerszijden van den achtersteven in beweging, die onafhankelijk van elkander werkten; de toepassing van een geheel nieuw stelsel, dat eene groote snelheid aan de vaartuigen geeft en hun vergunt zich in een zeer beperkten kring te wenden en te keeren.DeDolfijnkon niet veel diepgang hebben. De kenners zagen het duidelijk en leidden er te recht uit af dat de boot bestemd was om in ondiep water te varen. Doch al die bijzonderheden konden de ijverige belangstelling van zulk eene menigte niet rechtvaardigen. Over het geheel was deDolfijnniets meer of niets minder dan andere stoombooten. Zou dan het van stapel loopen met een of ander technisch bezwaar te worstelen hebben?—Evenmin. De Clyde had reeds menig vaartuig van grooter omvang in hare wateren opgenomen, en deDolfijnzou zonder eenige bijzonderheid te water gaan.Inderdaad, bij het kenteren van het tij, op het oogenblik waarop de ebbe merkbaar werd, begonnen de manoeuvres; de hamerslagen weerklonken met een volmaakte harmonie op de wiggen, die bestemd waren om de kiel van het vaartuig op te lichten. Weldra trilde het geheele vaartuig; men zag het bewegen, hoe weinig het nog opgeheven was; het gleed, het gleed sneller en, de zorgvuldig met vet besmeerde helling afglijdende, plofte deDolfijnin de Clyde, te midden van dikke wolken van opstuivend water. Zijn achtersteven drukte den bodem der rivier, verhief zich vervolgens op den rug eener reusachtige golf en de prachtige boot zou in hare vaart tegen de kaden der scheepstimmerwerven verbrijzeld zijn geworden, indien niet al hare ankers met een vreeselijk geraas gelijktijdig uitgeworpen, haar in haren loop hadden gestremd.Het afloopen was volkomen gelukt. DeDolfijnwiegde zich bedaard op de wateren der Clyde. Al de toeschouwers klapten in de handen toen hij zijn natuurlijk element veroverd had en ontelbare hoera’s rezen aan de beide oevers op.Maar waarom al die toejuichingen?—Het zou den hartstochtelijksten toejuicher zeer moeielijk zijn gevallen zijn enthousiasme te verklaren. Van waar dan die zoo bijzondere belangstelling juist in deze boot? Eenvoudig vanwege de geheimzinnigheid harer bestemming. Men wist niet aan welke soort van handel zij zich wijden zou, en wanneer men er de groepen van nieuwsgierigen naar gevraagd had, zou men zich te recht verwonderd hebben over de verschillende meeningen omtrent deze ernstige zaak.Intusschen waren de best onderrichten, of zij die zich daarvoor hielden, het met elkander eens dat deze stoomboot eene rol zou spelen in den vreeselijken burgeroorlog, waardoor de Vereenigde Staten van Amerika toen geteisterd werden. Doch meer wisten zij niet en niemand had kunnen bepalen of deDolfijneen kaper, een transportschip, eene oorlogsboot der Geconfedereerden of voor de Noordelijken was.»Hoera!” riep er een, die beweerde dat deDolfijnvoor rekening der Zuidelijken gebouwd was.»Hip, hip, hip!” riep een ander, die zwoer dat nooit vlugger vaartuig op de Amerikaansche kusten had gekruist.Het was dus het onbekende en, om met juistheid te weten waaraan men zich houden moest, had men de compagnon, of althans een intieme vriend van VincentPlayfairen Co. te Glasgow moeten zijn.Een rijk, machtig en schrander huis was het, dat door Vincent Playfair en Co. werd vertegenwoordigd. Eene oude en geachtefamilie, afstammelingen van die Tabak-lords, die de fraaiste wijken der stad bebouwd hadden. Die bekwame handelaars hadden, tengevolge der Unie-akte, de eerste kantoren van Glasgow gesticht, door den handel in tabak van Virginië en Maryland. Er werden onmetelijke fortuinen gemaakt; er was een nieuw middelpunt voor den handel geschapen. Welhaast werd Glasgow eene stad van industrie; fabrieken, spinnerijen en smelterijen rezen overal als uit den grond op, en in weinig jaren had de voorspoed der stad haar toppunt bereikt.Het huis Playfair bleef den ondernemingsgeest zijner voorvaderen getrouw. Het stortte zich in de stoutste ondernemingen en hield de eer van den Engelschen handel op. Zijn tegenwoordige chef, Vincent Playfair, een achtenswaardig man van vijftig jaren, was iemand van een praktisch en positief karakter, een stoutmoedig, ondernemend man, een echte reeder. Niets ging hem meer ter harte dan de handel. Daarbij was hij onkreukbaar eerlijk en loyaal.Hij was het intusschen niet die zich de eer kon toerekenen denDolfijngebouwd en uitgerust te hebben. Die eer kwam toe aan James Playfair, zijn neef, een knap mensch van dertig jaren en de stoutste schipper der koopvaardijvloot van het Vereenigde Koninkrijk.Op zekeren dag had James Playfair, nadat hij de Amerikaansche bladen gelezen had, zijn oom een zeer gewaagd plan voorgesteld.»Oom Vincent,” zoo viel hij met de deur in het huis, »er zijn twee millioen te winnen, in eene maand tijds!”»En wat wordt er bij gewaagd?” vroeg oom Vincent.»Een schip en eene lading.”»Anders niets?”»Ja wel, de equipage en de kapitein; maar dat reken ik niet.”»Laat eens hooren,” antwoordde oom Vincent.»Het is zoo klaar als een klontje,” hernam James Playfair. »U hebt toch de Amerikaansche bladen gelezen?”»Twintig keer, neef James.”»Denkt u, even als ik, dat de oorlog in de Vereenigde Staten nog lang zal duren?”»’k Ben er zeker van.”»U weet hoe die oorlog de belangen van Engeland, en van Glasgow in het bijzonder, benadeelt?”»En nog meer in het bijzonder die van het huis Playfair en Co.,” antwoordde oom Vincent.»Die inzonderheid,” herhaalde de jonge kapitein.»’k Tob er dag aan dag over, James, en ’k zie niet zonder schrikde handelsrampen te gemoet, welke die oorlog na zich slepen zal. Niet dat het huis Playfair niet solide is, neef, maar het heeft correspondenten die failliet kunnen gaan. Die Amerikanen! ’k wensch ze allen naar den duivel, de Noordelijken zoowel als de Zuidelijken.”Uit een commercieel oogpunt beschouwd, had Vincent Playfair gelijk met dus te spreken. Het voornaamste handelsartikel van Amerika ontbrak op de markt te Glasgow. De katoencrisis werd van dag tot dag dreigender; duizenden werklieden moesten van de algemeene weldadigheid leven. Glasgow bezit vijf en twintig duizend spinnewielen, die, voor dat de oorlog in Amerika begon, zesmaal honderd vijf en twintig ellen gesponnen katoen per dag, dat is vijftig millioen ponden ’s jaars, afleverden. Men oordeele uit die cijfers hoe groot de stoornis moest zijn in de industrieele beweging der stad, nu de grondstof tot den arbeid geheel begon te ontbreken. Ieder uur hadden er nieuwe faillissementen plaats. De staking van het werk oefende overal haren verderfelijken invloed uit; de werklieden stierven van honger.Het schouwspel van die ontzaglijke ellende had James Playfair op het denkbeeld gebracht van zijn stout waagstuk.»’k Ga katoen halen,” zeide hij, »en ’k breng het mede, ’t moge kosten wat het wil.”Daar hij nochtans in zijn hart evenzeer koopman was als zijn oom Vincent, besloot hij het middel van ruilhandel te baat te nemen en zijne onderneming onder den vorm eener handelszaak voor te stellen.»Oom Vincent, dit is mijn idee.”»Laat hooren, James.”»’t Is dood eenvoudig. We zullen een snelvarend schip bouwen.”»Dat gaat.”»We zullen het laden met krijgsbehoeften, levensmiddelen en kleederen.”»Dat is te doen.”»Ik zal bevel voeren over dat vaartuig. ’k Zal al de schepen der Noordelijke marine tarten om me in te halen. ’k Zal de blokkade van een der Zuidelijke havens forceeren.”»En je lading duur verkoopen aan de Zuidelijken die er behoefte aan hebben,” vulde de oom aan.»En ’k zal met een lading katoen terugkomen....”»Dat ze je voor niets geven zullen.”»Zooals u zegt, oom Vincent. Vindt u ’t goed?”»’k Vind het goed. Maar zal je er door heen komen?”»’k Zal er door heen komen als ’k een goed schip heb.”»We zullen er een voor je laten bouwen. Maar de bemanning?”»O, die zal ’k wel vinden. ’k Heb niet veel volk noodig. Mannen genoeg om te manoeuvreeren, dat is alles. ’t Is me niet tedoen om met de Noordelijken te vechten, maar ze op een afstand te houden.”»Die ben ik,” antwoordde de gezagvoerder. Bladz. 215.»Die ben ik,” antwoordde de gezagvoerder. Bladz.215.»We zullen ze op een afstand houden,”antwoordde oom Vincentop beslissenden toon. »Vertel me nu eens, James, naar welk punt van de Amerikaansche kust denk je koers te zetten?”»Tot nog toe hebben er reeds schepen de blokkaden van Orleans, van Wilmington en van Savannah geforceerd. ’k Denk rechtstreeks naar Charleston te gaan. Geen enkel Engelsch schip is nog tot die vaarwaters doorgedrongen, behalve deBermuda, die zal ik navolgen, en als mijn schip weinig diepgang heeft, ga ’k waar de Noordelijken mij niet kunnen volgen.”»Zooveel is zeker,” hernam oom Vincent, »dat Charleston volgestopt is met katoen; ze verbranden het om ’t kwijt te zijn.”»Ja,” antwoordde James. »Bovendien is de stad bijna ingesloten. Beauregard heeft gebrek aan amunitie; hij zal me mijn lading met goud betalen.”»Heel goed, neef! Wanneer wil je de reis beginnen?”»Over een half jaar. ’k Heb lange nachten, winternachten noodig om er gemakkelijker door heen te komen.”»Je zult ze hebben, neef.”»Afgesproken, oom?”»Afgesproken.”»Op uw woord?”»Op mijn woord.”Zoo was de stoomboot deDolfijnvijf maanden later van de werf van Kelvindok van stapel geloopen en daarom kende niemand hare eigenlijke bestemming.
De eerste stroom welks wateren schuimden onder het rad eener stoomboot, was de Clyde; het was in 1812.
Die boot heette deKomeet, en deed geregeld dienst tusschen Glasgow en Greenok. Na dien tijd hebben millioenen stoomschepen de Schotsche rivier op- en af gevaren, en de inwoners van Glasgow zijn sinds lang aan de wonderen der stoomkracht gewoon.
Niettemin waren op den 3enDecember 1862 de modderige straten van Glasgow bijna verstopt door eene ontzaglijke menigte menschen; reeders, kooplieden, winkeliers, werklieden, matrozen, vrouwen en kinderen drongen allen in ééne richting voort, naar Kelvindok, eene groote scheepstimmerwerf van de heeren Tod en Mac-Gregor.
Kelvindok ligt eenige minuten buiten de stad, op den rechter oever der Clyde; in een oogenblik was de gansche ruimte door nieuwsgierigen opgevuld; niet het kleinste plekje aan de kade, geen enkele muur om de werf heen, geen enkel pakhuisdak, dat nog een oningenomen plaatsje aanbood; de rivier zelve was vol vaartuigen van verschillenden aard en op den linker oever wemelden de heuvelen van toeschouwers.
Al die drukte gold nochtans geene bijzondere plechtigheid; er zou eenvoudig een stoomschip van stapel loopen. Nu kon het wel niet anders of het publiek van Glasgow moest aan zoo iets zeer gewoon zijn. Was er dan iets bijzonders te zien aan dienDolfijn, zoo als de heeren Tod en Mac-Gregor hunne nieuwe stoomboot gedoopt hadden?—Volstrekt niet. Het was een groot vaartuig van vijftien honderd ton van geslagen plaatijzer, en dat alles in zich vereenigde om snel vooruit te kunnen komen. Zijne machine was van hooge drukking en vijfhonderd paardekracht. Zij bracht twee schroeven, aan weerszijden van den achtersteven in beweging, die onafhankelijk van elkander werkten; de toepassing van een geheel nieuw stelsel, dat eene groote snelheid aan de vaartuigen geeft en hun vergunt zich in een zeer beperkten kring te wenden en te keeren.
DeDolfijnkon niet veel diepgang hebben. De kenners zagen het duidelijk en leidden er te recht uit af dat de boot bestemd was om in ondiep water te varen. Doch al die bijzonderheden konden de ijverige belangstelling van zulk eene menigte niet rechtvaardigen. Over het geheel was deDolfijnniets meer of niets minder dan andere stoombooten. Zou dan het van stapel loopen met een of ander technisch bezwaar te worstelen hebben?—Evenmin. De Clyde had reeds menig vaartuig van grooter omvang in hare wateren opgenomen, en deDolfijnzou zonder eenige bijzonderheid te water gaan.
Inderdaad, bij het kenteren van het tij, op het oogenblik waarop de ebbe merkbaar werd, begonnen de manoeuvres; de hamerslagen weerklonken met een volmaakte harmonie op de wiggen, die bestemd waren om de kiel van het vaartuig op te lichten. Weldra trilde het geheele vaartuig; men zag het bewegen, hoe weinig het nog opgeheven was; het gleed, het gleed sneller en, de zorgvuldig met vet besmeerde helling afglijdende, plofte deDolfijnin de Clyde, te midden van dikke wolken van opstuivend water. Zijn achtersteven drukte den bodem der rivier, verhief zich vervolgens op den rug eener reusachtige golf en de prachtige boot zou in hare vaart tegen de kaden der scheepstimmerwerven verbrijzeld zijn geworden, indien niet al hare ankers met een vreeselijk geraas gelijktijdig uitgeworpen, haar in haren loop hadden gestremd.
Het afloopen was volkomen gelukt. DeDolfijnwiegde zich bedaard op de wateren der Clyde. Al de toeschouwers klapten in de handen toen hij zijn natuurlijk element veroverd had en ontelbare hoera’s rezen aan de beide oevers op.
Maar waarom al die toejuichingen?—Het zou den hartstochtelijksten toejuicher zeer moeielijk zijn gevallen zijn enthousiasme te verklaren. Van waar dan die zoo bijzondere belangstelling juist in deze boot? Eenvoudig vanwege de geheimzinnigheid harer bestemming. Men wist niet aan welke soort van handel zij zich wijden zou, en wanneer men er de groepen van nieuwsgierigen naar gevraagd had, zou men zich te recht verwonderd hebben over de verschillende meeningen omtrent deze ernstige zaak.
Intusschen waren de best onderrichten, of zij die zich daarvoor hielden, het met elkander eens dat deze stoomboot eene rol zou spelen in den vreeselijken burgeroorlog, waardoor de Vereenigde Staten van Amerika toen geteisterd werden. Doch meer wisten zij niet en niemand had kunnen bepalen of deDolfijneen kaper, een transportschip, eene oorlogsboot der Geconfedereerden of voor de Noordelijken was.
»Hoera!” riep er een, die beweerde dat deDolfijnvoor rekening der Zuidelijken gebouwd was.
»Hip, hip, hip!” riep een ander, die zwoer dat nooit vlugger vaartuig op de Amerikaansche kusten had gekruist.
Het was dus het onbekende en, om met juistheid te weten waaraan men zich houden moest, had men de compagnon, of althans een intieme vriend van VincentPlayfairen Co. te Glasgow moeten zijn.
Een rijk, machtig en schrander huis was het, dat door Vincent Playfair en Co. werd vertegenwoordigd. Eene oude en geachtefamilie, afstammelingen van die Tabak-lords, die de fraaiste wijken der stad bebouwd hadden. Die bekwame handelaars hadden, tengevolge der Unie-akte, de eerste kantoren van Glasgow gesticht, door den handel in tabak van Virginië en Maryland. Er werden onmetelijke fortuinen gemaakt; er was een nieuw middelpunt voor den handel geschapen. Welhaast werd Glasgow eene stad van industrie; fabrieken, spinnerijen en smelterijen rezen overal als uit den grond op, en in weinig jaren had de voorspoed der stad haar toppunt bereikt.
Het huis Playfair bleef den ondernemingsgeest zijner voorvaderen getrouw. Het stortte zich in de stoutste ondernemingen en hield de eer van den Engelschen handel op. Zijn tegenwoordige chef, Vincent Playfair, een achtenswaardig man van vijftig jaren, was iemand van een praktisch en positief karakter, een stoutmoedig, ondernemend man, een echte reeder. Niets ging hem meer ter harte dan de handel. Daarbij was hij onkreukbaar eerlijk en loyaal.
Hij was het intusschen niet die zich de eer kon toerekenen denDolfijngebouwd en uitgerust te hebben. Die eer kwam toe aan James Playfair, zijn neef, een knap mensch van dertig jaren en de stoutste schipper der koopvaardijvloot van het Vereenigde Koninkrijk.
Op zekeren dag had James Playfair, nadat hij de Amerikaansche bladen gelezen had, zijn oom een zeer gewaagd plan voorgesteld.
»Oom Vincent,” zoo viel hij met de deur in het huis, »er zijn twee millioen te winnen, in eene maand tijds!”
»En wat wordt er bij gewaagd?” vroeg oom Vincent.
»Een schip en eene lading.”
»Anders niets?”
»Ja wel, de equipage en de kapitein; maar dat reken ik niet.”
»Laat eens hooren,” antwoordde oom Vincent.
»Het is zoo klaar als een klontje,” hernam James Playfair. »U hebt toch de Amerikaansche bladen gelezen?”
»Twintig keer, neef James.”
»Denkt u, even als ik, dat de oorlog in de Vereenigde Staten nog lang zal duren?”
»’k Ben er zeker van.”
»U weet hoe die oorlog de belangen van Engeland, en van Glasgow in het bijzonder, benadeelt?”
»En nog meer in het bijzonder die van het huis Playfair en Co.,” antwoordde oom Vincent.
»Die inzonderheid,” herhaalde de jonge kapitein.
»’k Tob er dag aan dag over, James, en ’k zie niet zonder schrikde handelsrampen te gemoet, welke die oorlog na zich slepen zal. Niet dat het huis Playfair niet solide is, neef, maar het heeft correspondenten die failliet kunnen gaan. Die Amerikanen! ’k wensch ze allen naar den duivel, de Noordelijken zoowel als de Zuidelijken.”
Uit een commercieel oogpunt beschouwd, had Vincent Playfair gelijk met dus te spreken. Het voornaamste handelsartikel van Amerika ontbrak op de markt te Glasgow. De katoencrisis werd van dag tot dag dreigender; duizenden werklieden moesten van de algemeene weldadigheid leven. Glasgow bezit vijf en twintig duizend spinnewielen, die, voor dat de oorlog in Amerika begon, zesmaal honderd vijf en twintig ellen gesponnen katoen per dag, dat is vijftig millioen ponden ’s jaars, afleverden. Men oordeele uit die cijfers hoe groot de stoornis moest zijn in de industrieele beweging der stad, nu de grondstof tot den arbeid geheel begon te ontbreken. Ieder uur hadden er nieuwe faillissementen plaats. De staking van het werk oefende overal haren verderfelijken invloed uit; de werklieden stierven van honger.
Het schouwspel van die ontzaglijke ellende had James Playfair op het denkbeeld gebracht van zijn stout waagstuk.
»’k Ga katoen halen,” zeide hij, »en ’k breng het mede, ’t moge kosten wat het wil.”
Daar hij nochtans in zijn hart evenzeer koopman was als zijn oom Vincent, besloot hij het middel van ruilhandel te baat te nemen en zijne onderneming onder den vorm eener handelszaak voor te stellen.
»Oom Vincent, dit is mijn idee.”
»Laat hooren, James.”
»’t Is dood eenvoudig. We zullen een snelvarend schip bouwen.”
»Dat gaat.”
»We zullen het laden met krijgsbehoeften, levensmiddelen en kleederen.”
»Dat is te doen.”
»Ik zal bevel voeren over dat vaartuig. ’k Zal al de schepen der Noordelijke marine tarten om me in te halen. ’k Zal de blokkade van een der Zuidelijke havens forceeren.”
»En je lading duur verkoopen aan de Zuidelijken die er behoefte aan hebben,” vulde de oom aan.
»En ’k zal met een lading katoen terugkomen....”
»Dat ze je voor niets geven zullen.”
»Zooals u zegt, oom Vincent. Vindt u ’t goed?”
»’k Vind het goed. Maar zal je er door heen komen?”
»’k Zal er door heen komen als ’k een goed schip heb.”
»We zullen er een voor je laten bouwen. Maar de bemanning?”
»O, die zal ’k wel vinden. ’k Heb niet veel volk noodig. Mannen genoeg om te manoeuvreeren, dat is alles. ’t Is me niet tedoen om met de Noordelijken te vechten, maar ze op een afstand te houden.”
»Die ben ik,” antwoordde de gezagvoerder. Bladz. 215.»Die ben ik,” antwoordde de gezagvoerder. Bladz.215.
»Die ben ik,” antwoordde de gezagvoerder. Bladz.215.
»We zullen ze op een afstand houden,”antwoordde oom Vincentop beslissenden toon. »Vertel me nu eens, James, naar welk punt van de Amerikaansche kust denk je koers te zetten?”
»Tot nog toe hebben er reeds schepen de blokkaden van Orleans, van Wilmington en van Savannah geforceerd. ’k Denk rechtstreeks naar Charleston te gaan. Geen enkel Engelsch schip is nog tot die vaarwaters doorgedrongen, behalve deBermuda, die zal ik navolgen, en als mijn schip weinig diepgang heeft, ga ’k waar de Noordelijken mij niet kunnen volgen.”
»Zooveel is zeker,” hernam oom Vincent, »dat Charleston volgestopt is met katoen; ze verbranden het om ’t kwijt te zijn.”
»Ja,” antwoordde James. »Bovendien is de stad bijna ingesloten. Beauregard heeft gebrek aan amunitie; hij zal me mijn lading met goud betalen.”
»Heel goed, neef! Wanneer wil je de reis beginnen?”
»Over een half jaar. ’k Heb lange nachten, winternachten noodig om er gemakkelijker door heen te komen.”
»Je zult ze hebben, neef.”
»Afgesproken, oom?”
»Afgesproken.”
»Op uw woord?”
»Op mijn woord.”
Zoo was de stoomboot deDolfijnvijf maanden later van de werf van Kelvindok van stapel geloopen en daarom kende niemand hare eigenlijke bestemming.