XI.

XI.Nikolaas Palander teruggevonden.Men hernam den geodesischen arbeid. Er werden achtereenvolgens twee stations aangenomen, die met het laatste aan deze zijde van den stroom verbonden, dienden om een nieuwen driehoek te vormen. Dat werk geschiedde zonder eenige moeielijkheid. Evenwel moesten de astronomen zich wachten voor de vergiftige slangen, waarvan het in deze streken wemelde. Het waren zeer venijnige mamba’s, die tien tot twaalf voet lang waren, en wier beet doodelijk was.Vier dagen na den overtocht der Nosoub, op 21 Juni, waren de geleerden in eene zeer boschrijke streek. Maar het kreupelhout, dat slechts uit middelmatige boomen bestond, hinderde het werk der driehoeksmeting niet. Aan alle kanten vertoonden zich aan den gezichteinder zeer goed zichtbare hoogten, die verscheidene kilometers van elkander aflagen, en waarop men seinpalen en lantaarns kon oprichten. Deze uitgebreide streek, die lager lag dan al het land in den omtrek, was juist daardoor vochtig en vruchtbaar. William Emery zag er bij duizenden den Hottentotschen vijgeboom, welks zuurachtige vruchten door de Boschjesmannen zeer gezocht zijn. Uit de tusschen het kreupelhout gelegen uitgestrekte vlakte, steeg een aangename geur op, die ontstond door eene groote menigte knolwortelplanten, die eenige gelijkenis hadden met de tijloos. Boven op de wortels zat eene vrucht van twee of drie centimeters lang, welker geuren de lucht vervulde. Het was de Kucumakranti van zuidelijk Afrika, waarop vooral de inboorlingen zeer gesteld zijn. In deze streek, waarheen de omliggende rivieren een gedeelte van haar water langs zachte hellingen deden afvloeien, waren de velden wederom bedekt met kolokwint en met de kruizemunt, waarvan de overbrenging naar Engeland zoo goed geslaagd is. Hoe vruchtbaar en geschikt voor landbouwontginningen deze streek ook scheen te zijn, toch werd zij door zwervende stammen weinig bezocht. Men zag er geen spoor van inboorlingen, geen kraal, zelfs geen vuur eener legerplaats. Echter was er geen gebrek aan water, en dit vormde op verschillende plaatsen beekjes, plassen, eenige vrij belangrijke kleine meren en twee of drie snelstroomende riviertjes die waarschijnlijk haar monding in de Oranjerivier hadden.Dien dag sloegen de geleerden een kamp op met het doel om de karavaan af te wachten. De door den jager opgegeven tijd was bijna verstreken, en indien hij zich in zijne berekening niet vergisthad, moest de karavaan dien dag aankomen, na op eene waadbare plaats de Nosoub te zijn overgetrokken.Evenwel verliep de dag, en geen Boschjesman was nog verschenen. Had de karavaan eenigen hinderpaal ontmoet, die haar belette te komen? John Murray dacht dat de Nosoub in dezen tijd van ’t jaar niet waadbaar zijn zou, omdat de bronnen nog overvloedig water afvoerden, zoodat de jager veel zuidelijker een overtocht had moeten zoeken. Deze reden was aannemelijk; de regen was in den laatsten tijd zeer overvloedig geweest en moest de rivier dus buitengewoon doen rijzen.De astronomen wachtten, maar toen de dag van 22 Juni evenzeer was voorbijgegaan zonder dat een der mannen van Mokum verscheen, werd kolonel Everest zeer ongerust. Hij kon zijn tocht naar het noorden niet vervolgen als hij zijne instrumenten mistte; en dat oponthoud kon, indien het langer duurde, den goeden afloop der onderneming in de waagschaal stellen.Mathieu Strux merkte bij deze gelegenheid op, dat hij van meening was geweest dat men de karavaan had moeten vergezellen, na het laatste station aan deze zijde der rivier met de beide stations aan de andere zijde verbonden te hebben; dat, als het goede slagen der meting door dat oponthoud in de waagschaal werd gesteld, de verantwoording daarvoor in allen gevalle viel op hen, die gemeend hadden, enz... Dat de Russen in elk opzicht, enz.....Men kan zich voorstellen dat kolonel Everest tegen deze aantijgingen van zijn ambtgenoot te velde trok, door er aan te herinneren, dat men eerst na gemeen overleg eene beslissing genomen had, maar Murray kwam tusschenbeiden en vroeg of men dat overigens geheel onnutte twisten niet liever oogenblikkelijk wilde staken. Wat geschied was kon niet meer herroepen worden, en alle verwijten ter wereld zouden den toestand daarom nog niet veranderen. Alléén werd er bepaald dat, als de karavaan der Boschjesmannen den volgenden dag niet was aangekomen, Emery en Zorn, die zich daartoe vrijwillig hadden aangeboden, in gezelschap van den geleider der karavaan naar het zuidwesten een onderzoek zouden instellen. Gedurende hunne afwezigheid zouden de kolonel en zijne ambtgenooten in het kamp blijven en hunne terugkomst afwachten, alvorens een besluit te nemen.De geleerde werd beloerd. Blz. 88.De geleerde werd beloerd. Blz.88.Toen men hiertoe was overeengekomen, bleven de beide tegenstanders het overige van den dag zooveel mogelijk verwijderd van elkander; John Murray vermaakte zich met het omringende kreupelbosch af te jagen, maar hij zag geen wild; evenmin was hij gelukkig in het opsporen van gevogelte voor de keuken; doch als natuurvorscher (en hoe dikwijls is een jager dat niet?) kon hij tevreden zijn. Twee exemplaren van bijzondere diersoorten werden door zijne schoten getroffen; hij bracht namelijk mede een schoonen korhaan van dertiencentimeters lengte, kort op de pooten, die zoowel als de bek rood van kleur zijn, donkergrijs op den rug, en met bruin geschakeerde vleugels. De andere vogel, dien Murray zeer behendig had neêrgeschoten,behoorde tot de orde der roofvogels. Het was eene soort van valk, die in zuidelijk Afrika alléén te huis behoort, met rooden hals en witten staart, en dien men gewoonlijk om zijne schoone vormen prijst. De geleider haalde de beide vogels zoo handig af, dat het vel onbeschadigd kon bewaard blijven.De eerste uren van den 23stenJuni waren reeds verloopen. De karavaan was nog niet te zien, en de twee jongelieden zouden juist op weg gaan, toen zij zich door een geblaf uit de verte lieten terughouden. Weldra kwam Mokum uit een boschje aloë’s, dat zich links van het kamp bevond, in vollen galop op zijn zebra aanrennen.De Boschjesman was de karavaan vooruitgereden en naderde de Europeanen met groote snelheid.»Kom toch, dappere jager,” riep John Murray vroolijk, »wij wanhoopten wezenlijk reeds aan u! Weet ge wel dat ik ontroostbaar zou geweest zijn, als ik u niet terug had gezien! Het schijnt alsof het wild mij ontwijkt als gij mij niet ter zijde staat. Kom, laat ons uwe terugkomst met een goed glas Schotsche saffraan-likeur vieren!”Mokum beantwoordde deze welwillende en vriendelijke woorden van den eerzamen John Murray niet. Hij keek elk der Europeanen afzonderlijk aan en telde ze den één na den ander. Een levendige angst schilderde zich op zijn gelaat. Kolonel Everest merkte het aanstonds op en trad op den jager toe, die nu afgestegen was.»Wien zoekt ge, Mokum?” vroeg hij hem.»Mijnheer Palander,” antwoordde de Boschjesman.»Is hij de karavaan niet gevolgd? Is hij niet meer bij u?” vroeg de kolonel.»Hij is er niet meer!” antwoordde Mokum. »Ik hoopte hem in uw kamp terug te vinden, maar hij is verdwaald!”Op die laatste woorden trad Mathieu Strux snel vooruit, en riep: »NikolaasPalander verdwenen? een geleerde, die aan uwe zorgen was toevertrouwd, een sterrekundige, voor wien ge instondt en dien gij niet mede terugbrengt! Weet ge wel jager, dat ge verantwoordelijk zijt voor zijn persoon, en dat het niet opgaat om maar te zeggen: Mijnheer Palander is verdwaald!”Deze woorden van den Russischen astronoom maakten den jager warm, die, omdat hij niet op de jacht was, geen enkele reden had om geduldig te zijn.»Wel, wel, mijnheer de sterrenwichelaar van het Russische rijk,”antwoordde hij met toornige stem, »zoudt gij uwe woorden niet een weinig wikken of wegen? Ben ik aangesteld om uw makker te bewaken, die voor zich zelven niet eens zorgen kan? Ge stelt mij verantwoordelijk, en ge hebt ongelijk, verstaat ge mij? Als mijnheer Palander verdwaald is, dan is het zijn eigen schuld! Twintig en meermalen heb ik er hem op betrapt dat hij geheel in zijne cijfers verdiept was en zich van onze karavaan verwijderde; evenveel malenheb ik hem gewaarschuwd en teruggebracht. Maar eergisteren is hij bij het vallen der duisternis verdwenen, en niettegenstaande al mijn zoeken heb ik hem niet terug kunnen vinden. Wees gij eens behendiger als ge kunt, en omdat ge zoo goed met uw kijker kunt omspringen, raad ik u dien voor uw oog te zetten en te beproeven uw makker terug te vinden!” Zonder twijfel zou de Boschjesman opdenzelfdentoon zijn voortgegaan tot groote verontwaardiging van Mathieu Strux, die hem met open mond aangaapte en geen woord kon uitbrengen, als John Murray den toornigen jager niet tot bedaren had gebracht. Gelukkig voor den Russischen geleerde eindigde de twist tusschen den Boschjesman en hem; maar Mathieu Strux viel met een verwijt zonder grond den kolonel aan, die er het minst op verdacht was.»In allen gevalle,”zeide de sterrekundige van Pulkowa op drogen toon, »zal ik mijn ongelukkigen makker in deze woestenij niet in den steek laten. Wat mij aangaat, ik zal alle pogingen aanwenden om hem terug te vinden. Als het John Murray of William Emery was, die een van beiden op deze wijze verdwenen was, zou kolonel Everest, denk ik, niet aarzelen om de metingen te staken en zijne landgenooten te hulp toe te komen. Ik zie dus niet in waarom men minder voor een Russisch dan voor een Engelsch geleerde doen zou.”Toen de kolonel op deze wijze er bij in werd gehaald, kon hij zijne gewone bedaardheid niet bewaren.»Mijnheer Strux,”zeide hij met over elkander geslagen armen, terwijl hij zijn tegenstander strak aankeek, »is het volgens een vast plan dat u mij zonder aanleiding beleedigt? Voor wie houdt gij ons Engelschen? Hebben we u het recht gegeven om aan onze gevoelens van menschelijkheid te twijfelen? Wie doet u veronderstellen, dat wij dien onhandigen rekenaar niet te hulp zouden komen?”.....»Mijnheer” ... antwoordde de Rus op dien bijnaam, welke daar aan Palander gegeven werd.»Ja, onhandig,”hernam de kolonel, terwijl hij op elke lettergreep nadruk legde,»en ik voeg er nog bij, dat, wat ge mij straks zoo lichtvaardig verweet, volkomen op u zelven toepasselijk is, zoodat als onze onderneming door dit voorval mislukt, de verantwoordelijkheid op de Russen en niet op de Engelschen vallen zou!”»Kolonel,”riep Mathieu Strux, wiens oogen bliksemstralen schoten, »uw woorden....”»Mijne woorden heb ik allen gewogen, mijnheer, en daarom stel ik u voor, onze werkzaamhedenop te schortentot op het oogenblik, dat we uwen rekenaar hebben teruggevonden. Is u gereed om te vertrekken?”»Ik was reeds gereed voor ge een enkel woord gezegd hadt!” antwoordde Strux op scherpen toon.Daarop gingen de beide tegenstanders elk naar zijn wagen, want de karavaan was juist aangekomen.John Murray, die den kolonel vergezelde, kon niet nalaten te zeggen: »het is nog gelukkig dat die stumpert het dubbele register van onze metingen niet mede zoek gemaakt heeft.”»Daar dacht ik juist aan,” antwoordde de kolonel eenvoudig.De beide Engelschen ondervroegen daarop den jager Mokum; deze vertelde hun dat Nikolaas Palander sedert twee dagen verdwenen was; dat men hem het laatst op zijde van de karavaan gezien had op ongeveer twaalf kilometers van het kamp; dat hij, Mokum, zoodra de geleerde verdwenen was, hem had trachten terug te vinden, waarom hij zoo laat teruggekomen was; dat hij, toen hij hem niet vond, had willen zien of die »rekenmeester” soms weder bij zijne makkers ten noorden van de Nosoub was aangekomen. Nu dit het geval niet was stelde hij vóór, het onderzoek voort te zetten in het noordoosten, in een boschrijk gedeelte van het land, daarbij voegende dat er geen uur te verliezen was als men Palander levend wilde terug vinden.Inderdaad moest men zich haasten, want sedert twee dagen dwaalde de Russische geleerde door eene streek waar veel wilde beesten gevonden werden. Het was geen man om zich te redden, daar hij altijd in het gebied der cijfers in plaats van op dit ondermaansche verkeerde. Waar iedereen eenig voedsel zou gevonden hebben, zou de arme drommel onvermijdelijk van honger gestorven zijn. Het kwam er dus op aan om hem spoedig te helpen. Om één uur verlieten de kolonel, Mathieu Strux, John Murray en de beide jeugdige sterrekundigen het kamp onder geleide van den jager. Allen zaten op vlugge paarden, zelfs de Russische geleerde, die zich op grappige wijze aan het beest vastklampte, terwijl hij tusschen de tanden verwenschingen tegen den ongelukkigen Palander mompelde, die hem zulk eene moeite veroorzaakte. Zijne makkers namen als deftige en fatsoenlijke lieden den schijn aan alsof zij de vermakelijke houding niet opmerkten, waarin de astronoom van Pulkowa te paard zat; het was een zeer dartel beest, dat zeer gevoelig in den bek was.Vóór hij het kamp verliet had Mokum den gids verzocht hem zijn hond te leenen, een zeer sluw en verstandig dier, een goeden speurhond, waarop de Boschjesman zeer gesteld was. Toen de hond een hoed van Palander beroken had, snelde hij in noordoostelijke richting voort, terwijl zijn meester hem door een bijzonder gefluit aanzette. De kleine bende volgde het dier onmiddellijk en verdween weldra in een dicht kreupelbosch.Gedurende den geheelen dag volgden de kolonel en zijne makkers de gangen van den hond. Het slimme dier had volkomen begrepen wat men van hem vroeg, maar hij miste nog het spoor van den verdwaalden geleerde, en hij kon dus geen geregeld of zeker padvolgen. De hond, die trachtte alle verhevenheden van den bodem te herkennen, ging vooruit, doch keerde telkens spoedig terug, zonder met zekerheid eenig spoor gevonden te hebben.»Goed gemikt en bedaard, of hij is verloren!” Blz. 88.»Goed gemikt en bedaard, of hij is verloren!” Blz.88.Van hunne zijde verwaarloosden de geleerden geen enkelmiddelom hunne tegenwoordigheid in deze woeste streek te kennen te geven. Zij schreeuwden, zij schoten hunne geweren af, hopende dat Nikolaas Palander hen hooren zou, hoe afgetrokken hij ook zijn mocht. Op deze wijze hadden zij den omtrek van het kamp over eene uitgestrektheid van vijf kilometers afgeloopen, toen de avond viel, die het onderzoek deed eindigen. Men moest dit den volgenden dag voortzetten, zoodra het licht werd.Gedurende den nacht legerden de Europeanen zich onder eene groep boomen voor een groot houtvuur, dat de Boschjesman zorgvuldig onderhield; men hoorde het gehuil van eenige verscheurende dieren; de tegenwoordigheid van deze was niet geschikt om hen omtrent het lot van Palander gerust te stellen; kon men nog eenigermate de hoop koesteren dien ongelukkige te redden, die uitgeput, uitgehongerd, verkleumd van koude, gevaar liep aangevallen te worden door de hyena’s, die in dit gedeelte van Afrika overvloedig gevonden werden? Dit maakte allen ongerust. De makkers van den ongelukkige brachten op deze wijze uren door om met elkander te praten, plannen te vormen, en middelen uit te denken om hem terug te vinden. De Engelschen toonden in deze omstandigheid eene hartelijkheid, waarover Mathieu Strux ondanks zich zelven getroffen moest zijn. Men kwam overeen dat men den Russischen geleerde dood of levend zou terug vinden, al zouden de driehoeksmetingen ook onbepaald worden uitgesteld.Eindelijk verscheen het daglicht na een nacht, welks uren zoovele eeuwen schenen. De paarden waren spoedig opgetuigd, en het onderzoek werd in grooter omtrek voortgezet.De hond liep weder vooruit en de kleine troep volgde zijne schreden.In noordoostelijke richting voortgaande trokken de kolonel Everest en zijne makkers door eene zeer vochtige streek. Riviertjes, doch zonder eenige beteekenis, werden hoe langer hoe talrijker; men waadde er gemakkelijk doorheen, terwijl men zich in acht nam tegen de krokodillen, waarvan John Murray hier de eerste staaltjes zag. Het waren ontzaglijke dieren, van welke sommigen 25 tot 30 voet lengte hadden, die te vreezen waren om hunne vraatzucht, en moeilijk te ontkomen als men ze op een meer of eene rivier ontmoette. Daar de Boschjesman geen tijd wilde verliezen met het bestrijden dezer dieren, maakte hij een kleinen omweg om ze te ontwijken en hield Murray tegen, die voortdurend op het punt stond er op te schieten. Als een van die monsters zich tusschen het hooge gras vertoonden, sprongen de paarden op zijde en ontkwamen dus gemakkelijk. In het midden van deze waterplassen, die door het overstroomen der riviertjes ontstaan waren, zag men ze bij dozijnen, met den kop boven water, bezig om evenals honden hunne prooi te verslinden, die zij met hunne vreeselijke kaken in kleine stukjes ophapten.De kleine troep zette, evenwel zonder veel hoop te koesteren, het onderzoek voort, nu eens in een zeer dicht kreupelbosch, dan weder in de vlakte, midden tusschen een menigte kleine riviertjes en beschouwde nauwkeurig den grond, om maar het geringste spoor te ontdekken; hier was het een op manshoogte afgebroken tak, dan versch platgetrapt gras, verder weêr een half uitgewischt en bijna onkenbaar spoor. Niets kon hen den ongelukkigen Palander doen ontdekken.Op dit oogenblik waren zij tien kilometers noordwaarts van hunne laatste legerplaats, en op raad van den jager zouden zij zuidwestwaarts hun onderzoek voortzetten, toen de hond plotseling teekenen van onrust gaf. Hij blafte en kwispelstaartte zenuwachtig. Hij ging eenige passen ter zijde met den neus langs den grond en besnuffelde het drooge gras op het voetpad. Daarna kwam hij op dezelfde plaats terug, waarschijnlijk door eenige bijzondere lucht aangetrokken.»Kolonel,” riep de Boschjesman, »onze hond heeft iets in den neus; het verstandige beest, hij is het wild op ’t spoor, of liever onzen geleerde, op wien wij jacht maken. Laat hem begaan, laat hem begaan!”»Ja,” hernam Murray, »hij is hem op ’t spoor. Hoort dat kort geblaf. Men zou zeggen dat hij in zich zelven praat, dat hij tracht een plan te maken. Ik zou vijftig pond voor zulk een dier geven als hij ons brengt op de plaats, waar Palander zich schuil houdt.”Mathieu Strux lette niet op de wijze waarop men over zijn landgenoot sprak. Het voornaamste toch was om hem terug te vinden. Iedereen hield zich dus gereed om den hond te volgen, zoodra deze zeker van den weg was. Dit duurde niet lang, en na een helder geblaf, sprong hij over een paar struiken en verdween in het dichte kreupelbosch. De paarden konden hem in dit ondoordringbaar woud niet volgen. Kolonel Everest en zijne makkers waren dus genoodzaakt het bosch om te trekken en zich te laten leiden door het verwijderde geblaf van den hond. Zij voelden zekere hoop bij zich levendig worden. Het was niet twijfelachtig of het dier was den verdwaalden geleerde op het spoor, en als hij dit niet bijster raakte zou hij zijn doel rechtstreeks bereiken. Slechts ééne vraag deed zich voor: was Nikolaas Palander dood of levend?Het was elf uren in den morgen. Gedurende een twintigtal minuten liet zich het geblaf, waardoor de jagers zich lieten leiden, niet meer hooren. Was het omdat de hond zoo ver af was, of was hij het spoor bijster? De Boschjesman en John Murray, die vooruit gingen, werden zeer ongerust. Zij wisten niet meer in welke richting zij hunne makkers moesten geleiden, toen het geblaf op een halven kilometer zuidwestwaarts zich weder deed hooren, maar thans buiten het bosch. Aanstonds renden de flink aangespoorde paarden in die richting voort.In weinige oogenblikken was de troep op een zeer moerassig stuk gronds aangekomen. Men hoorde den hond duidelijk, maar zag hem niet. De grond toch was met riet van tien tot twaalf voet hoog begroeid, de ruiters moesten afstijgen, en na hunne paarden aan een boom gebonden te hebben, gingen zij op het geblaf van den hond door het riet voort. Weldra waren zij er doorheen. Eene groote uitgestrektheid gronds met water en waterplanten bedekt lag voor hen. Daar, waar de grond het laagst was, strekte zich het bruinachtige water van een meertje uit, dat een halven kilometer lang was. De hond stond stil op den moerassigen oever van het meertje en blafte vreeselijk.»Daar is hij! Daar is hij!” riep de Boschjesman.Inderdaad, op het uiteinde van een soort van schiereilandje zat Nikolaas Palander op driehonderd schreden afstands op een boomstam: hij zag niets, hij hoorde niets, maar had een potlood in de hand, een schrijfboekje op de knieën en was zonder twijfel bezig met de eene of andere berekening!Zijne makkers konden een kreet van afgrijzen niet inhouden. De Russische geleerde namelijk werd op niet meer dan twintig schreden afstands beloerd door eene troep krokodillen, die den kop uit het water staken en wier nabijheid hij zelfs niet vermoedde. De vraatzuchtige dieren naderden langzamerhand en konden hem in een oogwenk wegsleuren.»We mogen ons wel haasten!” zeide de jager met zachte stem,»ik weet niet waarom de krokodillen wachten om hem aan te vallen!”»Ze wachten mogelijk tot hij wat bestorven is,” kon John Murray niet nalaten te zeggen, daarbij zinspelende op een feit dat door de inlanders gewoonlijk wordt opgemerkt, namelijk dat deze dieren nooit versch vleesch vreten.De Boschjesman en Murray verzochten hunne makkers hen daar te wachten, en gingen om het meertje heen, ten einde het smalle schiereiland te bereiken dat hen bij Palander brengen zoude. Zij hadden nog geen tweehonderd pas gedaan, toen de krokodillen het diepe water verlatende, naar boven kwamen en recht op hunne prooi afgingen. De geleerde merkte er niets van, zijne oogen waren op zijn boekje gevestigd en hij schreef voortdurend nog cijfers op.»Goed gemikt en bedaard, of hij is verloren!” fluisterde de jager John Murray in het oor.Toen gingen beiden op de knieën liggen, en op de meest nabij zijnde dieren mikkende gaven zij vuur. Twee schoten knalden en twee monsters stortten met verbrijzelden ruggegraat in het water terug, waarop de geheele bende in een oogenblik onder water verdween.Op het geluid van de schoten hief Nikolaas Palander eindelijk het hoofd op. Hij herkende zijne makkers, en met zijn boekje in de hand naar hen toeloopende riep hij:Hij kwam bij den ingang van het hol aan. Blz. 98.Hij kwam bij den ingang van het hol aan. Blz.98.»Ik heb het gevonden! ik heb het gevonden!”»En wat hebt ge gevonden, mijnheer Palander?” vroeg John Murray.»Eene fout van een decimaal inde103elogarithme van de tafel van James Wolston!”Inderdaad, de waardige man had die fout gevonden! hij had eene misrekening in eene logarithmentafel ontdekt! Hij had recht op eene premie van honderd pond, die door den uitgever was uitgeloofd! En sedert vier dagen, dat hij in die wildernissen dwaalde, had de beroemde astronoom van de sterrewacht van Helsingfors daarmede zijn tijd zoek gebracht! André Marie Ampère, de meest afgetrokken geleerde van de wereld, zou het hem niet verbeterd hebben.

XI.Nikolaas Palander teruggevonden.Men hernam den geodesischen arbeid. Er werden achtereenvolgens twee stations aangenomen, die met het laatste aan deze zijde van den stroom verbonden, dienden om een nieuwen driehoek te vormen. Dat werk geschiedde zonder eenige moeielijkheid. Evenwel moesten de astronomen zich wachten voor de vergiftige slangen, waarvan het in deze streken wemelde. Het waren zeer venijnige mamba’s, die tien tot twaalf voet lang waren, en wier beet doodelijk was.Vier dagen na den overtocht der Nosoub, op 21 Juni, waren de geleerden in eene zeer boschrijke streek. Maar het kreupelhout, dat slechts uit middelmatige boomen bestond, hinderde het werk der driehoeksmeting niet. Aan alle kanten vertoonden zich aan den gezichteinder zeer goed zichtbare hoogten, die verscheidene kilometers van elkander aflagen, en waarop men seinpalen en lantaarns kon oprichten. Deze uitgebreide streek, die lager lag dan al het land in den omtrek, was juist daardoor vochtig en vruchtbaar. William Emery zag er bij duizenden den Hottentotschen vijgeboom, welks zuurachtige vruchten door de Boschjesmannen zeer gezocht zijn. Uit de tusschen het kreupelhout gelegen uitgestrekte vlakte, steeg een aangename geur op, die ontstond door eene groote menigte knolwortelplanten, die eenige gelijkenis hadden met de tijloos. Boven op de wortels zat eene vrucht van twee of drie centimeters lang, welker geuren de lucht vervulde. Het was de Kucumakranti van zuidelijk Afrika, waarop vooral de inboorlingen zeer gesteld zijn. In deze streek, waarheen de omliggende rivieren een gedeelte van haar water langs zachte hellingen deden afvloeien, waren de velden wederom bedekt met kolokwint en met de kruizemunt, waarvan de overbrenging naar Engeland zoo goed geslaagd is. Hoe vruchtbaar en geschikt voor landbouwontginningen deze streek ook scheen te zijn, toch werd zij door zwervende stammen weinig bezocht. Men zag er geen spoor van inboorlingen, geen kraal, zelfs geen vuur eener legerplaats. Echter was er geen gebrek aan water, en dit vormde op verschillende plaatsen beekjes, plassen, eenige vrij belangrijke kleine meren en twee of drie snelstroomende riviertjes die waarschijnlijk haar monding in de Oranjerivier hadden.Dien dag sloegen de geleerden een kamp op met het doel om de karavaan af te wachten. De door den jager opgegeven tijd was bijna verstreken, en indien hij zich in zijne berekening niet vergisthad, moest de karavaan dien dag aankomen, na op eene waadbare plaats de Nosoub te zijn overgetrokken.Evenwel verliep de dag, en geen Boschjesman was nog verschenen. Had de karavaan eenigen hinderpaal ontmoet, die haar belette te komen? John Murray dacht dat de Nosoub in dezen tijd van ’t jaar niet waadbaar zijn zou, omdat de bronnen nog overvloedig water afvoerden, zoodat de jager veel zuidelijker een overtocht had moeten zoeken. Deze reden was aannemelijk; de regen was in den laatsten tijd zeer overvloedig geweest en moest de rivier dus buitengewoon doen rijzen.De astronomen wachtten, maar toen de dag van 22 Juni evenzeer was voorbijgegaan zonder dat een der mannen van Mokum verscheen, werd kolonel Everest zeer ongerust. Hij kon zijn tocht naar het noorden niet vervolgen als hij zijne instrumenten mistte; en dat oponthoud kon, indien het langer duurde, den goeden afloop der onderneming in de waagschaal stellen.Mathieu Strux merkte bij deze gelegenheid op, dat hij van meening was geweest dat men de karavaan had moeten vergezellen, na het laatste station aan deze zijde der rivier met de beide stations aan de andere zijde verbonden te hebben; dat, als het goede slagen der meting door dat oponthoud in de waagschaal werd gesteld, de verantwoording daarvoor in allen gevalle viel op hen, die gemeend hadden, enz... Dat de Russen in elk opzicht, enz.....Men kan zich voorstellen dat kolonel Everest tegen deze aantijgingen van zijn ambtgenoot te velde trok, door er aan te herinneren, dat men eerst na gemeen overleg eene beslissing genomen had, maar Murray kwam tusschenbeiden en vroeg of men dat overigens geheel onnutte twisten niet liever oogenblikkelijk wilde staken. Wat geschied was kon niet meer herroepen worden, en alle verwijten ter wereld zouden den toestand daarom nog niet veranderen. Alléén werd er bepaald dat, als de karavaan der Boschjesmannen den volgenden dag niet was aangekomen, Emery en Zorn, die zich daartoe vrijwillig hadden aangeboden, in gezelschap van den geleider der karavaan naar het zuidwesten een onderzoek zouden instellen. Gedurende hunne afwezigheid zouden de kolonel en zijne ambtgenooten in het kamp blijven en hunne terugkomst afwachten, alvorens een besluit te nemen.De geleerde werd beloerd. Blz. 88.De geleerde werd beloerd. Blz.88.Toen men hiertoe was overeengekomen, bleven de beide tegenstanders het overige van den dag zooveel mogelijk verwijderd van elkander; John Murray vermaakte zich met het omringende kreupelbosch af te jagen, maar hij zag geen wild; evenmin was hij gelukkig in het opsporen van gevogelte voor de keuken; doch als natuurvorscher (en hoe dikwijls is een jager dat niet?) kon hij tevreden zijn. Twee exemplaren van bijzondere diersoorten werden door zijne schoten getroffen; hij bracht namelijk mede een schoonen korhaan van dertiencentimeters lengte, kort op de pooten, die zoowel als de bek rood van kleur zijn, donkergrijs op den rug, en met bruin geschakeerde vleugels. De andere vogel, dien Murray zeer behendig had neêrgeschoten,behoorde tot de orde der roofvogels. Het was eene soort van valk, die in zuidelijk Afrika alléén te huis behoort, met rooden hals en witten staart, en dien men gewoonlijk om zijne schoone vormen prijst. De geleider haalde de beide vogels zoo handig af, dat het vel onbeschadigd kon bewaard blijven.De eerste uren van den 23stenJuni waren reeds verloopen. De karavaan was nog niet te zien, en de twee jongelieden zouden juist op weg gaan, toen zij zich door een geblaf uit de verte lieten terughouden. Weldra kwam Mokum uit een boschje aloë’s, dat zich links van het kamp bevond, in vollen galop op zijn zebra aanrennen.De Boschjesman was de karavaan vooruitgereden en naderde de Europeanen met groote snelheid.»Kom toch, dappere jager,” riep John Murray vroolijk, »wij wanhoopten wezenlijk reeds aan u! Weet ge wel dat ik ontroostbaar zou geweest zijn, als ik u niet terug had gezien! Het schijnt alsof het wild mij ontwijkt als gij mij niet ter zijde staat. Kom, laat ons uwe terugkomst met een goed glas Schotsche saffraan-likeur vieren!”Mokum beantwoordde deze welwillende en vriendelijke woorden van den eerzamen John Murray niet. Hij keek elk der Europeanen afzonderlijk aan en telde ze den één na den ander. Een levendige angst schilderde zich op zijn gelaat. Kolonel Everest merkte het aanstonds op en trad op den jager toe, die nu afgestegen was.»Wien zoekt ge, Mokum?” vroeg hij hem.»Mijnheer Palander,” antwoordde de Boschjesman.»Is hij de karavaan niet gevolgd? Is hij niet meer bij u?” vroeg de kolonel.»Hij is er niet meer!” antwoordde Mokum. »Ik hoopte hem in uw kamp terug te vinden, maar hij is verdwaald!”Op die laatste woorden trad Mathieu Strux snel vooruit, en riep: »NikolaasPalander verdwenen? een geleerde, die aan uwe zorgen was toevertrouwd, een sterrekundige, voor wien ge instondt en dien gij niet mede terugbrengt! Weet ge wel jager, dat ge verantwoordelijk zijt voor zijn persoon, en dat het niet opgaat om maar te zeggen: Mijnheer Palander is verdwaald!”Deze woorden van den Russischen astronoom maakten den jager warm, die, omdat hij niet op de jacht was, geen enkele reden had om geduldig te zijn.»Wel, wel, mijnheer de sterrenwichelaar van het Russische rijk,”antwoordde hij met toornige stem, »zoudt gij uwe woorden niet een weinig wikken of wegen? Ben ik aangesteld om uw makker te bewaken, die voor zich zelven niet eens zorgen kan? Ge stelt mij verantwoordelijk, en ge hebt ongelijk, verstaat ge mij? Als mijnheer Palander verdwaald is, dan is het zijn eigen schuld! Twintig en meermalen heb ik er hem op betrapt dat hij geheel in zijne cijfers verdiept was en zich van onze karavaan verwijderde; evenveel malenheb ik hem gewaarschuwd en teruggebracht. Maar eergisteren is hij bij het vallen der duisternis verdwenen, en niettegenstaande al mijn zoeken heb ik hem niet terug kunnen vinden. Wees gij eens behendiger als ge kunt, en omdat ge zoo goed met uw kijker kunt omspringen, raad ik u dien voor uw oog te zetten en te beproeven uw makker terug te vinden!” Zonder twijfel zou de Boschjesman opdenzelfdentoon zijn voortgegaan tot groote verontwaardiging van Mathieu Strux, die hem met open mond aangaapte en geen woord kon uitbrengen, als John Murray den toornigen jager niet tot bedaren had gebracht. Gelukkig voor den Russischen geleerde eindigde de twist tusschen den Boschjesman en hem; maar Mathieu Strux viel met een verwijt zonder grond den kolonel aan, die er het minst op verdacht was.»In allen gevalle,”zeide de sterrekundige van Pulkowa op drogen toon, »zal ik mijn ongelukkigen makker in deze woestenij niet in den steek laten. Wat mij aangaat, ik zal alle pogingen aanwenden om hem terug te vinden. Als het John Murray of William Emery was, die een van beiden op deze wijze verdwenen was, zou kolonel Everest, denk ik, niet aarzelen om de metingen te staken en zijne landgenooten te hulp toe te komen. Ik zie dus niet in waarom men minder voor een Russisch dan voor een Engelsch geleerde doen zou.”Toen de kolonel op deze wijze er bij in werd gehaald, kon hij zijne gewone bedaardheid niet bewaren.»Mijnheer Strux,”zeide hij met over elkander geslagen armen, terwijl hij zijn tegenstander strak aankeek, »is het volgens een vast plan dat u mij zonder aanleiding beleedigt? Voor wie houdt gij ons Engelschen? Hebben we u het recht gegeven om aan onze gevoelens van menschelijkheid te twijfelen? Wie doet u veronderstellen, dat wij dien onhandigen rekenaar niet te hulp zouden komen?”.....»Mijnheer” ... antwoordde de Rus op dien bijnaam, welke daar aan Palander gegeven werd.»Ja, onhandig,”hernam de kolonel, terwijl hij op elke lettergreep nadruk legde,»en ik voeg er nog bij, dat, wat ge mij straks zoo lichtvaardig verweet, volkomen op u zelven toepasselijk is, zoodat als onze onderneming door dit voorval mislukt, de verantwoordelijkheid op de Russen en niet op de Engelschen vallen zou!”»Kolonel,”riep Mathieu Strux, wiens oogen bliksemstralen schoten, »uw woorden....”»Mijne woorden heb ik allen gewogen, mijnheer, en daarom stel ik u voor, onze werkzaamhedenop te schortentot op het oogenblik, dat we uwen rekenaar hebben teruggevonden. Is u gereed om te vertrekken?”»Ik was reeds gereed voor ge een enkel woord gezegd hadt!” antwoordde Strux op scherpen toon.Daarop gingen de beide tegenstanders elk naar zijn wagen, want de karavaan was juist aangekomen.John Murray, die den kolonel vergezelde, kon niet nalaten te zeggen: »het is nog gelukkig dat die stumpert het dubbele register van onze metingen niet mede zoek gemaakt heeft.”»Daar dacht ik juist aan,” antwoordde de kolonel eenvoudig.De beide Engelschen ondervroegen daarop den jager Mokum; deze vertelde hun dat Nikolaas Palander sedert twee dagen verdwenen was; dat men hem het laatst op zijde van de karavaan gezien had op ongeveer twaalf kilometers van het kamp; dat hij, Mokum, zoodra de geleerde verdwenen was, hem had trachten terug te vinden, waarom hij zoo laat teruggekomen was; dat hij, toen hij hem niet vond, had willen zien of die »rekenmeester” soms weder bij zijne makkers ten noorden van de Nosoub was aangekomen. Nu dit het geval niet was stelde hij vóór, het onderzoek voort te zetten in het noordoosten, in een boschrijk gedeelte van het land, daarbij voegende dat er geen uur te verliezen was als men Palander levend wilde terug vinden.Inderdaad moest men zich haasten, want sedert twee dagen dwaalde de Russische geleerde door eene streek waar veel wilde beesten gevonden werden. Het was geen man om zich te redden, daar hij altijd in het gebied der cijfers in plaats van op dit ondermaansche verkeerde. Waar iedereen eenig voedsel zou gevonden hebben, zou de arme drommel onvermijdelijk van honger gestorven zijn. Het kwam er dus op aan om hem spoedig te helpen. Om één uur verlieten de kolonel, Mathieu Strux, John Murray en de beide jeugdige sterrekundigen het kamp onder geleide van den jager. Allen zaten op vlugge paarden, zelfs de Russische geleerde, die zich op grappige wijze aan het beest vastklampte, terwijl hij tusschen de tanden verwenschingen tegen den ongelukkigen Palander mompelde, die hem zulk eene moeite veroorzaakte. Zijne makkers namen als deftige en fatsoenlijke lieden den schijn aan alsof zij de vermakelijke houding niet opmerkten, waarin de astronoom van Pulkowa te paard zat; het was een zeer dartel beest, dat zeer gevoelig in den bek was.Vóór hij het kamp verliet had Mokum den gids verzocht hem zijn hond te leenen, een zeer sluw en verstandig dier, een goeden speurhond, waarop de Boschjesman zeer gesteld was. Toen de hond een hoed van Palander beroken had, snelde hij in noordoostelijke richting voort, terwijl zijn meester hem door een bijzonder gefluit aanzette. De kleine bende volgde het dier onmiddellijk en verdween weldra in een dicht kreupelbosch.Gedurende den geheelen dag volgden de kolonel en zijne makkers de gangen van den hond. Het slimme dier had volkomen begrepen wat men van hem vroeg, maar hij miste nog het spoor van den verdwaalden geleerde, en hij kon dus geen geregeld of zeker padvolgen. De hond, die trachtte alle verhevenheden van den bodem te herkennen, ging vooruit, doch keerde telkens spoedig terug, zonder met zekerheid eenig spoor gevonden te hebben.»Goed gemikt en bedaard, of hij is verloren!” Blz. 88.»Goed gemikt en bedaard, of hij is verloren!” Blz.88.Van hunne zijde verwaarloosden de geleerden geen enkelmiddelom hunne tegenwoordigheid in deze woeste streek te kennen te geven. Zij schreeuwden, zij schoten hunne geweren af, hopende dat Nikolaas Palander hen hooren zou, hoe afgetrokken hij ook zijn mocht. Op deze wijze hadden zij den omtrek van het kamp over eene uitgestrektheid van vijf kilometers afgeloopen, toen de avond viel, die het onderzoek deed eindigen. Men moest dit den volgenden dag voortzetten, zoodra het licht werd.Gedurende den nacht legerden de Europeanen zich onder eene groep boomen voor een groot houtvuur, dat de Boschjesman zorgvuldig onderhield; men hoorde het gehuil van eenige verscheurende dieren; de tegenwoordigheid van deze was niet geschikt om hen omtrent het lot van Palander gerust te stellen; kon men nog eenigermate de hoop koesteren dien ongelukkige te redden, die uitgeput, uitgehongerd, verkleumd van koude, gevaar liep aangevallen te worden door de hyena’s, die in dit gedeelte van Afrika overvloedig gevonden werden? Dit maakte allen ongerust. De makkers van den ongelukkige brachten op deze wijze uren door om met elkander te praten, plannen te vormen, en middelen uit te denken om hem terug te vinden. De Engelschen toonden in deze omstandigheid eene hartelijkheid, waarover Mathieu Strux ondanks zich zelven getroffen moest zijn. Men kwam overeen dat men den Russischen geleerde dood of levend zou terug vinden, al zouden de driehoeksmetingen ook onbepaald worden uitgesteld.Eindelijk verscheen het daglicht na een nacht, welks uren zoovele eeuwen schenen. De paarden waren spoedig opgetuigd, en het onderzoek werd in grooter omtrek voortgezet.De hond liep weder vooruit en de kleine troep volgde zijne schreden.In noordoostelijke richting voortgaande trokken de kolonel Everest en zijne makkers door eene zeer vochtige streek. Riviertjes, doch zonder eenige beteekenis, werden hoe langer hoe talrijker; men waadde er gemakkelijk doorheen, terwijl men zich in acht nam tegen de krokodillen, waarvan John Murray hier de eerste staaltjes zag. Het waren ontzaglijke dieren, van welke sommigen 25 tot 30 voet lengte hadden, die te vreezen waren om hunne vraatzucht, en moeilijk te ontkomen als men ze op een meer of eene rivier ontmoette. Daar de Boschjesman geen tijd wilde verliezen met het bestrijden dezer dieren, maakte hij een kleinen omweg om ze te ontwijken en hield Murray tegen, die voortdurend op het punt stond er op te schieten. Als een van die monsters zich tusschen het hooge gras vertoonden, sprongen de paarden op zijde en ontkwamen dus gemakkelijk. In het midden van deze waterplassen, die door het overstroomen der riviertjes ontstaan waren, zag men ze bij dozijnen, met den kop boven water, bezig om evenals honden hunne prooi te verslinden, die zij met hunne vreeselijke kaken in kleine stukjes ophapten.De kleine troep zette, evenwel zonder veel hoop te koesteren, het onderzoek voort, nu eens in een zeer dicht kreupelbosch, dan weder in de vlakte, midden tusschen een menigte kleine riviertjes en beschouwde nauwkeurig den grond, om maar het geringste spoor te ontdekken; hier was het een op manshoogte afgebroken tak, dan versch platgetrapt gras, verder weêr een half uitgewischt en bijna onkenbaar spoor. Niets kon hen den ongelukkigen Palander doen ontdekken.Op dit oogenblik waren zij tien kilometers noordwaarts van hunne laatste legerplaats, en op raad van den jager zouden zij zuidwestwaarts hun onderzoek voortzetten, toen de hond plotseling teekenen van onrust gaf. Hij blafte en kwispelstaartte zenuwachtig. Hij ging eenige passen ter zijde met den neus langs den grond en besnuffelde het drooge gras op het voetpad. Daarna kwam hij op dezelfde plaats terug, waarschijnlijk door eenige bijzondere lucht aangetrokken.»Kolonel,” riep de Boschjesman, »onze hond heeft iets in den neus; het verstandige beest, hij is het wild op ’t spoor, of liever onzen geleerde, op wien wij jacht maken. Laat hem begaan, laat hem begaan!”»Ja,” hernam Murray, »hij is hem op ’t spoor. Hoort dat kort geblaf. Men zou zeggen dat hij in zich zelven praat, dat hij tracht een plan te maken. Ik zou vijftig pond voor zulk een dier geven als hij ons brengt op de plaats, waar Palander zich schuil houdt.”Mathieu Strux lette niet op de wijze waarop men over zijn landgenoot sprak. Het voornaamste toch was om hem terug te vinden. Iedereen hield zich dus gereed om den hond te volgen, zoodra deze zeker van den weg was. Dit duurde niet lang, en na een helder geblaf, sprong hij over een paar struiken en verdween in het dichte kreupelbosch. De paarden konden hem in dit ondoordringbaar woud niet volgen. Kolonel Everest en zijne makkers waren dus genoodzaakt het bosch om te trekken en zich te laten leiden door het verwijderde geblaf van den hond. Zij voelden zekere hoop bij zich levendig worden. Het was niet twijfelachtig of het dier was den verdwaalden geleerde op het spoor, en als hij dit niet bijster raakte zou hij zijn doel rechtstreeks bereiken. Slechts ééne vraag deed zich voor: was Nikolaas Palander dood of levend?Het was elf uren in den morgen. Gedurende een twintigtal minuten liet zich het geblaf, waardoor de jagers zich lieten leiden, niet meer hooren. Was het omdat de hond zoo ver af was, of was hij het spoor bijster? De Boschjesman en John Murray, die vooruit gingen, werden zeer ongerust. Zij wisten niet meer in welke richting zij hunne makkers moesten geleiden, toen het geblaf op een halven kilometer zuidwestwaarts zich weder deed hooren, maar thans buiten het bosch. Aanstonds renden de flink aangespoorde paarden in die richting voort.In weinige oogenblikken was de troep op een zeer moerassig stuk gronds aangekomen. Men hoorde den hond duidelijk, maar zag hem niet. De grond toch was met riet van tien tot twaalf voet hoog begroeid, de ruiters moesten afstijgen, en na hunne paarden aan een boom gebonden te hebben, gingen zij op het geblaf van den hond door het riet voort. Weldra waren zij er doorheen. Eene groote uitgestrektheid gronds met water en waterplanten bedekt lag voor hen. Daar, waar de grond het laagst was, strekte zich het bruinachtige water van een meertje uit, dat een halven kilometer lang was. De hond stond stil op den moerassigen oever van het meertje en blafte vreeselijk.»Daar is hij! Daar is hij!” riep de Boschjesman.Inderdaad, op het uiteinde van een soort van schiereilandje zat Nikolaas Palander op driehonderd schreden afstands op een boomstam: hij zag niets, hij hoorde niets, maar had een potlood in de hand, een schrijfboekje op de knieën en was zonder twijfel bezig met de eene of andere berekening!Zijne makkers konden een kreet van afgrijzen niet inhouden. De Russische geleerde namelijk werd op niet meer dan twintig schreden afstands beloerd door eene troep krokodillen, die den kop uit het water staken en wier nabijheid hij zelfs niet vermoedde. De vraatzuchtige dieren naderden langzamerhand en konden hem in een oogwenk wegsleuren.»We mogen ons wel haasten!” zeide de jager met zachte stem,»ik weet niet waarom de krokodillen wachten om hem aan te vallen!”»Ze wachten mogelijk tot hij wat bestorven is,” kon John Murray niet nalaten te zeggen, daarbij zinspelende op een feit dat door de inlanders gewoonlijk wordt opgemerkt, namelijk dat deze dieren nooit versch vleesch vreten.De Boschjesman en Murray verzochten hunne makkers hen daar te wachten, en gingen om het meertje heen, ten einde het smalle schiereiland te bereiken dat hen bij Palander brengen zoude. Zij hadden nog geen tweehonderd pas gedaan, toen de krokodillen het diepe water verlatende, naar boven kwamen en recht op hunne prooi afgingen. De geleerde merkte er niets van, zijne oogen waren op zijn boekje gevestigd en hij schreef voortdurend nog cijfers op.»Goed gemikt en bedaard, of hij is verloren!” fluisterde de jager John Murray in het oor.Toen gingen beiden op de knieën liggen, en op de meest nabij zijnde dieren mikkende gaven zij vuur. Twee schoten knalden en twee monsters stortten met verbrijzelden ruggegraat in het water terug, waarop de geheele bende in een oogenblik onder water verdween.Op het geluid van de schoten hief Nikolaas Palander eindelijk het hoofd op. Hij herkende zijne makkers, en met zijn boekje in de hand naar hen toeloopende riep hij:Hij kwam bij den ingang van het hol aan. Blz. 98.Hij kwam bij den ingang van het hol aan. Blz.98.»Ik heb het gevonden! ik heb het gevonden!”»En wat hebt ge gevonden, mijnheer Palander?” vroeg John Murray.»Eene fout van een decimaal inde103elogarithme van de tafel van James Wolston!”Inderdaad, de waardige man had die fout gevonden! hij had eene misrekening in eene logarithmentafel ontdekt! Hij had recht op eene premie van honderd pond, die door den uitgever was uitgeloofd! En sedert vier dagen, dat hij in die wildernissen dwaalde, had de beroemde astronoom van de sterrewacht van Helsingfors daarmede zijn tijd zoek gebracht! André Marie Ampère, de meest afgetrokken geleerde van de wereld, zou het hem niet verbeterd hebben.

XI.Nikolaas Palander teruggevonden.Men hernam den geodesischen arbeid. Er werden achtereenvolgens twee stations aangenomen, die met het laatste aan deze zijde van den stroom verbonden, dienden om een nieuwen driehoek te vormen. Dat werk geschiedde zonder eenige moeielijkheid. Evenwel moesten de astronomen zich wachten voor de vergiftige slangen, waarvan het in deze streken wemelde. Het waren zeer venijnige mamba’s, die tien tot twaalf voet lang waren, en wier beet doodelijk was.Vier dagen na den overtocht der Nosoub, op 21 Juni, waren de geleerden in eene zeer boschrijke streek. Maar het kreupelhout, dat slechts uit middelmatige boomen bestond, hinderde het werk der driehoeksmeting niet. Aan alle kanten vertoonden zich aan den gezichteinder zeer goed zichtbare hoogten, die verscheidene kilometers van elkander aflagen, en waarop men seinpalen en lantaarns kon oprichten. Deze uitgebreide streek, die lager lag dan al het land in den omtrek, was juist daardoor vochtig en vruchtbaar. William Emery zag er bij duizenden den Hottentotschen vijgeboom, welks zuurachtige vruchten door de Boschjesmannen zeer gezocht zijn. Uit de tusschen het kreupelhout gelegen uitgestrekte vlakte, steeg een aangename geur op, die ontstond door eene groote menigte knolwortelplanten, die eenige gelijkenis hadden met de tijloos. Boven op de wortels zat eene vrucht van twee of drie centimeters lang, welker geuren de lucht vervulde. Het was de Kucumakranti van zuidelijk Afrika, waarop vooral de inboorlingen zeer gesteld zijn. In deze streek, waarheen de omliggende rivieren een gedeelte van haar water langs zachte hellingen deden afvloeien, waren de velden wederom bedekt met kolokwint en met de kruizemunt, waarvan de overbrenging naar Engeland zoo goed geslaagd is. Hoe vruchtbaar en geschikt voor landbouwontginningen deze streek ook scheen te zijn, toch werd zij door zwervende stammen weinig bezocht. Men zag er geen spoor van inboorlingen, geen kraal, zelfs geen vuur eener legerplaats. Echter was er geen gebrek aan water, en dit vormde op verschillende plaatsen beekjes, plassen, eenige vrij belangrijke kleine meren en twee of drie snelstroomende riviertjes die waarschijnlijk haar monding in de Oranjerivier hadden.Dien dag sloegen de geleerden een kamp op met het doel om de karavaan af te wachten. De door den jager opgegeven tijd was bijna verstreken, en indien hij zich in zijne berekening niet vergisthad, moest de karavaan dien dag aankomen, na op eene waadbare plaats de Nosoub te zijn overgetrokken.Evenwel verliep de dag, en geen Boschjesman was nog verschenen. Had de karavaan eenigen hinderpaal ontmoet, die haar belette te komen? John Murray dacht dat de Nosoub in dezen tijd van ’t jaar niet waadbaar zijn zou, omdat de bronnen nog overvloedig water afvoerden, zoodat de jager veel zuidelijker een overtocht had moeten zoeken. Deze reden was aannemelijk; de regen was in den laatsten tijd zeer overvloedig geweest en moest de rivier dus buitengewoon doen rijzen.De astronomen wachtten, maar toen de dag van 22 Juni evenzeer was voorbijgegaan zonder dat een der mannen van Mokum verscheen, werd kolonel Everest zeer ongerust. Hij kon zijn tocht naar het noorden niet vervolgen als hij zijne instrumenten mistte; en dat oponthoud kon, indien het langer duurde, den goeden afloop der onderneming in de waagschaal stellen.Mathieu Strux merkte bij deze gelegenheid op, dat hij van meening was geweest dat men de karavaan had moeten vergezellen, na het laatste station aan deze zijde der rivier met de beide stations aan de andere zijde verbonden te hebben; dat, als het goede slagen der meting door dat oponthoud in de waagschaal werd gesteld, de verantwoording daarvoor in allen gevalle viel op hen, die gemeend hadden, enz... Dat de Russen in elk opzicht, enz.....Men kan zich voorstellen dat kolonel Everest tegen deze aantijgingen van zijn ambtgenoot te velde trok, door er aan te herinneren, dat men eerst na gemeen overleg eene beslissing genomen had, maar Murray kwam tusschenbeiden en vroeg of men dat overigens geheel onnutte twisten niet liever oogenblikkelijk wilde staken. Wat geschied was kon niet meer herroepen worden, en alle verwijten ter wereld zouden den toestand daarom nog niet veranderen. Alléén werd er bepaald dat, als de karavaan der Boschjesmannen den volgenden dag niet was aangekomen, Emery en Zorn, die zich daartoe vrijwillig hadden aangeboden, in gezelschap van den geleider der karavaan naar het zuidwesten een onderzoek zouden instellen. Gedurende hunne afwezigheid zouden de kolonel en zijne ambtgenooten in het kamp blijven en hunne terugkomst afwachten, alvorens een besluit te nemen.De geleerde werd beloerd. Blz. 88.De geleerde werd beloerd. Blz.88.Toen men hiertoe was overeengekomen, bleven de beide tegenstanders het overige van den dag zooveel mogelijk verwijderd van elkander; John Murray vermaakte zich met het omringende kreupelbosch af te jagen, maar hij zag geen wild; evenmin was hij gelukkig in het opsporen van gevogelte voor de keuken; doch als natuurvorscher (en hoe dikwijls is een jager dat niet?) kon hij tevreden zijn. Twee exemplaren van bijzondere diersoorten werden door zijne schoten getroffen; hij bracht namelijk mede een schoonen korhaan van dertiencentimeters lengte, kort op de pooten, die zoowel als de bek rood van kleur zijn, donkergrijs op den rug, en met bruin geschakeerde vleugels. De andere vogel, dien Murray zeer behendig had neêrgeschoten,behoorde tot de orde der roofvogels. Het was eene soort van valk, die in zuidelijk Afrika alléén te huis behoort, met rooden hals en witten staart, en dien men gewoonlijk om zijne schoone vormen prijst. De geleider haalde de beide vogels zoo handig af, dat het vel onbeschadigd kon bewaard blijven.De eerste uren van den 23stenJuni waren reeds verloopen. De karavaan was nog niet te zien, en de twee jongelieden zouden juist op weg gaan, toen zij zich door een geblaf uit de verte lieten terughouden. Weldra kwam Mokum uit een boschje aloë’s, dat zich links van het kamp bevond, in vollen galop op zijn zebra aanrennen.De Boschjesman was de karavaan vooruitgereden en naderde de Europeanen met groote snelheid.»Kom toch, dappere jager,” riep John Murray vroolijk, »wij wanhoopten wezenlijk reeds aan u! Weet ge wel dat ik ontroostbaar zou geweest zijn, als ik u niet terug had gezien! Het schijnt alsof het wild mij ontwijkt als gij mij niet ter zijde staat. Kom, laat ons uwe terugkomst met een goed glas Schotsche saffraan-likeur vieren!”Mokum beantwoordde deze welwillende en vriendelijke woorden van den eerzamen John Murray niet. Hij keek elk der Europeanen afzonderlijk aan en telde ze den één na den ander. Een levendige angst schilderde zich op zijn gelaat. Kolonel Everest merkte het aanstonds op en trad op den jager toe, die nu afgestegen was.»Wien zoekt ge, Mokum?” vroeg hij hem.»Mijnheer Palander,” antwoordde de Boschjesman.»Is hij de karavaan niet gevolgd? Is hij niet meer bij u?” vroeg de kolonel.»Hij is er niet meer!” antwoordde Mokum. »Ik hoopte hem in uw kamp terug te vinden, maar hij is verdwaald!”Op die laatste woorden trad Mathieu Strux snel vooruit, en riep: »NikolaasPalander verdwenen? een geleerde, die aan uwe zorgen was toevertrouwd, een sterrekundige, voor wien ge instondt en dien gij niet mede terugbrengt! Weet ge wel jager, dat ge verantwoordelijk zijt voor zijn persoon, en dat het niet opgaat om maar te zeggen: Mijnheer Palander is verdwaald!”Deze woorden van den Russischen astronoom maakten den jager warm, die, omdat hij niet op de jacht was, geen enkele reden had om geduldig te zijn.»Wel, wel, mijnheer de sterrenwichelaar van het Russische rijk,”antwoordde hij met toornige stem, »zoudt gij uwe woorden niet een weinig wikken of wegen? Ben ik aangesteld om uw makker te bewaken, die voor zich zelven niet eens zorgen kan? Ge stelt mij verantwoordelijk, en ge hebt ongelijk, verstaat ge mij? Als mijnheer Palander verdwaald is, dan is het zijn eigen schuld! Twintig en meermalen heb ik er hem op betrapt dat hij geheel in zijne cijfers verdiept was en zich van onze karavaan verwijderde; evenveel malenheb ik hem gewaarschuwd en teruggebracht. Maar eergisteren is hij bij het vallen der duisternis verdwenen, en niettegenstaande al mijn zoeken heb ik hem niet terug kunnen vinden. Wees gij eens behendiger als ge kunt, en omdat ge zoo goed met uw kijker kunt omspringen, raad ik u dien voor uw oog te zetten en te beproeven uw makker terug te vinden!” Zonder twijfel zou de Boschjesman opdenzelfdentoon zijn voortgegaan tot groote verontwaardiging van Mathieu Strux, die hem met open mond aangaapte en geen woord kon uitbrengen, als John Murray den toornigen jager niet tot bedaren had gebracht. Gelukkig voor den Russischen geleerde eindigde de twist tusschen den Boschjesman en hem; maar Mathieu Strux viel met een verwijt zonder grond den kolonel aan, die er het minst op verdacht was.»In allen gevalle,”zeide de sterrekundige van Pulkowa op drogen toon, »zal ik mijn ongelukkigen makker in deze woestenij niet in den steek laten. Wat mij aangaat, ik zal alle pogingen aanwenden om hem terug te vinden. Als het John Murray of William Emery was, die een van beiden op deze wijze verdwenen was, zou kolonel Everest, denk ik, niet aarzelen om de metingen te staken en zijne landgenooten te hulp toe te komen. Ik zie dus niet in waarom men minder voor een Russisch dan voor een Engelsch geleerde doen zou.”Toen de kolonel op deze wijze er bij in werd gehaald, kon hij zijne gewone bedaardheid niet bewaren.»Mijnheer Strux,”zeide hij met over elkander geslagen armen, terwijl hij zijn tegenstander strak aankeek, »is het volgens een vast plan dat u mij zonder aanleiding beleedigt? Voor wie houdt gij ons Engelschen? Hebben we u het recht gegeven om aan onze gevoelens van menschelijkheid te twijfelen? Wie doet u veronderstellen, dat wij dien onhandigen rekenaar niet te hulp zouden komen?”.....»Mijnheer” ... antwoordde de Rus op dien bijnaam, welke daar aan Palander gegeven werd.»Ja, onhandig,”hernam de kolonel, terwijl hij op elke lettergreep nadruk legde,»en ik voeg er nog bij, dat, wat ge mij straks zoo lichtvaardig verweet, volkomen op u zelven toepasselijk is, zoodat als onze onderneming door dit voorval mislukt, de verantwoordelijkheid op de Russen en niet op de Engelschen vallen zou!”»Kolonel,”riep Mathieu Strux, wiens oogen bliksemstralen schoten, »uw woorden....”»Mijne woorden heb ik allen gewogen, mijnheer, en daarom stel ik u voor, onze werkzaamhedenop te schortentot op het oogenblik, dat we uwen rekenaar hebben teruggevonden. Is u gereed om te vertrekken?”»Ik was reeds gereed voor ge een enkel woord gezegd hadt!” antwoordde Strux op scherpen toon.Daarop gingen de beide tegenstanders elk naar zijn wagen, want de karavaan was juist aangekomen.John Murray, die den kolonel vergezelde, kon niet nalaten te zeggen: »het is nog gelukkig dat die stumpert het dubbele register van onze metingen niet mede zoek gemaakt heeft.”»Daar dacht ik juist aan,” antwoordde de kolonel eenvoudig.De beide Engelschen ondervroegen daarop den jager Mokum; deze vertelde hun dat Nikolaas Palander sedert twee dagen verdwenen was; dat men hem het laatst op zijde van de karavaan gezien had op ongeveer twaalf kilometers van het kamp; dat hij, Mokum, zoodra de geleerde verdwenen was, hem had trachten terug te vinden, waarom hij zoo laat teruggekomen was; dat hij, toen hij hem niet vond, had willen zien of die »rekenmeester” soms weder bij zijne makkers ten noorden van de Nosoub was aangekomen. Nu dit het geval niet was stelde hij vóór, het onderzoek voort te zetten in het noordoosten, in een boschrijk gedeelte van het land, daarbij voegende dat er geen uur te verliezen was als men Palander levend wilde terug vinden.Inderdaad moest men zich haasten, want sedert twee dagen dwaalde de Russische geleerde door eene streek waar veel wilde beesten gevonden werden. Het was geen man om zich te redden, daar hij altijd in het gebied der cijfers in plaats van op dit ondermaansche verkeerde. Waar iedereen eenig voedsel zou gevonden hebben, zou de arme drommel onvermijdelijk van honger gestorven zijn. Het kwam er dus op aan om hem spoedig te helpen. Om één uur verlieten de kolonel, Mathieu Strux, John Murray en de beide jeugdige sterrekundigen het kamp onder geleide van den jager. Allen zaten op vlugge paarden, zelfs de Russische geleerde, die zich op grappige wijze aan het beest vastklampte, terwijl hij tusschen de tanden verwenschingen tegen den ongelukkigen Palander mompelde, die hem zulk eene moeite veroorzaakte. Zijne makkers namen als deftige en fatsoenlijke lieden den schijn aan alsof zij de vermakelijke houding niet opmerkten, waarin de astronoom van Pulkowa te paard zat; het was een zeer dartel beest, dat zeer gevoelig in den bek was.Vóór hij het kamp verliet had Mokum den gids verzocht hem zijn hond te leenen, een zeer sluw en verstandig dier, een goeden speurhond, waarop de Boschjesman zeer gesteld was. Toen de hond een hoed van Palander beroken had, snelde hij in noordoostelijke richting voort, terwijl zijn meester hem door een bijzonder gefluit aanzette. De kleine bende volgde het dier onmiddellijk en verdween weldra in een dicht kreupelbosch.Gedurende den geheelen dag volgden de kolonel en zijne makkers de gangen van den hond. Het slimme dier had volkomen begrepen wat men van hem vroeg, maar hij miste nog het spoor van den verdwaalden geleerde, en hij kon dus geen geregeld of zeker padvolgen. De hond, die trachtte alle verhevenheden van den bodem te herkennen, ging vooruit, doch keerde telkens spoedig terug, zonder met zekerheid eenig spoor gevonden te hebben.»Goed gemikt en bedaard, of hij is verloren!” Blz. 88.»Goed gemikt en bedaard, of hij is verloren!” Blz.88.Van hunne zijde verwaarloosden de geleerden geen enkelmiddelom hunne tegenwoordigheid in deze woeste streek te kennen te geven. Zij schreeuwden, zij schoten hunne geweren af, hopende dat Nikolaas Palander hen hooren zou, hoe afgetrokken hij ook zijn mocht. Op deze wijze hadden zij den omtrek van het kamp over eene uitgestrektheid van vijf kilometers afgeloopen, toen de avond viel, die het onderzoek deed eindigen. Men moest dit den volgenden dag voortzetten, zoodra het licht werd.Gedurende den nacht legerden de Europeanen zich onder eene groep boomen voor een groot houtvuur, dat de Boschjesman zorgvuldig onderhield; men hoorde het gehuil van eenige verscheurende dieren; de tegenwoordigheid van deze was niet geschikt om hen omtrent het lot van Palander gerust te stellen; kon men nog eenigermate de hoop koesteren dien ongelukkige te redden, die uitgeput, uitgehongerd, verkleumd van koude, gevaar liep aangevallen te worden door de hyena’s, die in dit gedeelte van Afrika overvloedig gevonden werden? Dit maakte allen ongerust. De makkers van den ongelukkige brachten op deze wijze uren door om met elkander te praten, plannen te vormen, en middelen uit te denken om hem terug te vinden. De Engelschen toonden in deze omstandigheid eene hartelijkheid, waarover Mathieu Strux ondanks zich zelven getroffen moest zijn. Men kwam overeen dat men den Russischen geleerde dood of levend zou terug vinden, al zouden de driehoeksmetingen ook onbepaald worden uitgesteld.Eindelijk verscheen het daglicht na een nacht, welks uren zoovele eeuwen schenen. De paarden waren spoedig opgetuigd, en het onderzoek werd in grooter omtrek voortgezet.De hond liep weder vooruit en de kleine troep volgde zijne schreden.In noordoostelijke richting voortgaande trokken de kolonel Everest en zijne makkers door eene zeer vochtige streek. Riviertjes, doch zonder eenige beteekenis, werden hoe langer hoe talrijker; men waadde er gemakkelijk doorheen, terwijl men zich in acht nam tegen de krokodillen, waarvan John Murray hier de eerste staaltjes zag. Het waren ontzaglijke dieren, van welke sommigen 25 tot 30 voet lengte hadden, die te vreezen waren om hunne vraatzucht, en moeilijk te ontkomen als men ze op een meer of eene rivier ontmoette. Daar de Boschjesman geen tijd wilde verliezen met het bestrijden dezer dieren, maakte hij een kleinen omweg om ze te ontwijken en hield Murray tegen, die voortdurend op het punt stond er op te schieten. Als een van die monsters zich tusschen het hooge gras vertoonden, sprongen de paarden op zijde en ontkwamen dus gemakkelijk. In het midden van deze waterplassen, die door het overstroomen der riviertjes ontstaan waren, zag men ze bij dozijnen, met den kop boven water, bezig om evenals honden hunne prooi te verslinden, die zij met hunne vreeselijke kaken in kleine stukjes ophapten.De kleine troep zette, evenwel zonder veel hoop te koesteren, het onderzoek voort, nu eens in een zeer dicht kreupelbosch, dan weder in de vlakte, midden tusschen een menigte kleine riviertjes en beschouwde nauwkeurig den grond, om maar het geringste spoor te ontdekken; hier was het een op manshoogte afgebroken tak, dan versch platgetrapt gras, verder weêr een half uitgewischt en bijna onkenbaar spoor. Niets kon hen den ongelukkigen Palander doen ontdekken.Op dit oogenblik waren zij tien kilometers noordwaarts van hunne laatste legerplaats, en op raad van den jager zouden zij zuidwestwaarts hun onderzoek voortzetten, toen de hond plotseling teekenen van onrust gaf. Hij blafte en kwispelstaartte zenuwachtig. Hij ging eenige passen ter zijde met den neus langs den grond en besnuffelde het drooge gras op het voetpad. Daarna kwam hij op dezelfde plaats terug, waarschijnlijk door eenige bijzondere lucht aangetrokken.»Kolonel,” riep de Boschjesman, »onze hond heeft iets in den neus; het verstandige beest, hij is het wild op ’t spoor, of liever onzen geleerde, op wien wij jacht maken. Laat hem begaan, laat hem begaan!”»Ja,” hernam Murray, »hij is hem op ’t spoor. Hoort dat kort geblaf. Men zou zeggen dat hij in zich zelven praat, dat hij tracht een plan te maken. Ik zou vijftig pond voor zulk een dier geven als hij ons brengt op de plaats, waar Palander zich schuil houdt.”Mathieu Strux lette niet op de wijze waarop men over zijn landgenoot sprak. Het voornaamste toch was om hem terug te vinden. Iedereen hield zich dus gereed om den hond te volgen, zoodra deze zeker van den weg was. Dit duurde niet lang, en na een helder geblaf, sprong hij over een paar struiken en verdween in het dichte kreupelbosch. De paarden konden hem in dit ondoordringbaar woud niet volgen. Kolonel Everest en zijne makkers waren dus genoodzaakt het bosch om te trekken en zich te laten leiden door het verwijderde geblaf van den hond. Zij voelden zekere hoop bij zich levendig worden. Het was niet twijfelachtig of het dier was den verdwaalden geleerde op het spoor, en als hij dit niet bijster raakte zou hij zijn doel rechtstreeks bereiken. Slechts ééne vraag deed zich voor: was Nikolaas Palander dood of levend?Het was elf uren in den morgen. Gedurende een twintigtal minuten liet zich het geblaf, waardoor de jagers zich lieten leiden, niet meer hooren. Was het omdat de hond zoo ver af was, of was hij het spoor bijster? De Boschjesman en John Murray, die vooruit gingen, werden zeer ongerust. Zij wisten niet meer in welke richting zij hunne makkers moesten geleiden, toen het geblaf op een halven kilometer zuidwestwaarts zich weder deed hooren, maar thans buiten het bosch. Aanstonds renden de flink aangespoorde paarden in die richting voort.In weinige oogenblikken was de troep op een zeer moerassig stuk gronds aangekomen. Men hoorde den hond duidelijk, maar zag hem niet. De grond toch was met riet van tien tot twaalf voet hoog begroeid, de ruiters moesten afstijgen, en na hunne paarden aan een boom gebonden te hebben, gingen zij op het geblaf van den hond door het riet voort. Weldra waren zij er doorheen. Eene groote uitgestrektheid gronds met water en waterplanten bedekt lag voor hen. Daar, waar de grond het laagst was, strekte zich het bruinachtige water van een meertje uit, dat een halven kilometer lang was. De hond stond stil op den moerassigen oever van het meertje en blafte vreeselijk.»Daar is hij! Daar is hij!” riep de Boschjesman.Inderdaad, op het uiteinde van een soort van schiereilandje zat Nikolaas Palander op driehonderd schreden afstands op een boomstam: hij zag niets, hij hoorde niets, maar had een potlood in de hand, een schrijfboekje op de knieën en was zonder twijfel bezig met de eene of andere berekening!Zijne makkers konden een kreet van afgrijzen niet inhouden. De Russische geleerde namelijk werd op niet meer dan twintig schreden afstands beloerd door eene troep krokodillen, die den kop uit het water staken en wier nabijheid hij zelfs niet vermoedde. De vraatzuchtige dieren naderden langzamerhand en konden hem in een oogwenk wegsleuren.»We mogen ons wel haasten!” zeide de jager met zachte stem,»ik weet niet waarom de krokodillen wachten om hem aan te vallen!”»Ze wachten mogelijk tot hij wat bestorven is,” kon John Murray niet nalaten te zeggen, daarbij zinspelende op een feit dat door de inlanders gewoonlijk wordt opgemerkt, namelijk dat deze dieren nooit versch vleesch vreten.De Boschjesman en Murray verzochten hunne makkers hen daar te wachten, en gingen om het meertje heen, ten einde het smalle schiereiland te bereiken dat hen bij Palander brengen zoude. Zij hadden nog geen tweehonderd pas gedaan, toen de krokodillen het diepe water verlatende, naar boven kwamen en recht op hunne prooi afgingen. De geleerde merkte er niets van, zijne oogen waren op zijn boekje gevestigd en hij schreef voortdurend nog cijfers op.»Goed gemikt en bedaard, of hij is verloren!” fluisterde de jager John Murray in het oor.Toen gingen beiden op de knieën liggen, en op de meest nabij zijnde dieren mikkende gaven zij vuur. Twee schoten knalden en twee monsters stortten met verbrijzelden ruggegraat in het water terug, waarop de geheele bende in een oogenblik onder water verdween.Op het geluid van de schoten hief Nikolaas Palander eindelijk het hoofd op. Hij herkende zijne makkers, en met zijn boekje in de hand naar hen toeloopende riep hij:Hij kwam bij den ingang van het hol aan. Blz. 98.Hij kwam bij den ingang van het hol aan. Blz.98.»Ik heb het gevonden! ik heb het gevonden!”»En wat hebt ge gevonden, mijnheer Palander?” vroeg John Murray.»Eene fout van een decimaal inde103elogarithme van de tafel van James Wolston!”Inderdaad, de waardige man had die fout gevonden! hij had eene misrekening in eene logarithmentafel ontdekt! Hij had recht op eene premie van honderd pond, die door den uitgever was uitgeloofd! En sedert vier dagen, dat hij in die wildernissen dwaalde, had de beroemde astronoom van de sterrewacht van Helsingfors daarmede zijn tijd zoek gebracht! André Marie Ampère, de meest afgetrokken geleerde van de wereld, zou het hem niet verbeterd hebben.

XI.Nikolaas Palander teruggevonden.

Men hernam den geodesischen arbeid. Er werden achtereenvolgens twee stations aangenomen, die met het laatste aan deze zijde van den stroom verbonden, dienden om een nieuwen driehoek te vormen. Dat werk geschiedde zonder eenige moeielijkheid. Evenwel moesten de astronomen zich wachten voor de vergiftige slangen, waarvan het in deze streken wemelde. Het waren zeer venijnige mamba’s, die tien tot twaalf voet lang waren, en wier beet doodelijk was.Vier dagen na den overtocht der Nosoub, op 21 Juni, waren de geleerden in eene zeer boschrijke streek. Maar het kreupelhout, dat slechts uit middelmatige boomen bestond, hinderde het werk der driehoeksmeting niet. Aan alle kanten vertoonden zich aan den gezichteinder zeer goed zichtbare hoogten, die verscheidene kilometers van elkander aflagen, en waarop men seinpalen en lantaarns kon oprichten. Deze uitgebreide streek, die lager lag dan al het land in den omtrek, was juist daardoor vochtig en vruchtbaar. William Emery zag er bij duizenden den Hottentotschen vijgeboom, welks zuurachtige vruchten door de Boschjesmannen zeer gezocht zijn. Uit de tusschen het kreupelhout gelegen uitgestrekte vlakte, steeg een aangename geur op, die ontstond door eene groote menigte knolwortelplanten, die eenige gelijkenis hadden met de tijloos. Boven op de wortels zat eene vrucht van twee of drie centimeters lang, welker geuren de lucht vervulde. Het was de Kucumakranti van zuidelijk Afrika, waarop vooral de inboorlingen zeer gesteld zijn. In deze streek, waarheen de omliggende rivieren een gedeelte van haar water langs zachte hellingen deden afvloeien, waren de velden wederom bedekt met kolokwint en met de kruizemunt, waarvan de overbrenging naar Engeland zoo goed geslaagd is. Hoe vruchtbaar en geschikt voor landbouwontginningen deze streek ook scheen te zijn, toch werd zij door zwervende stammen weinig bezocht. Men zag er geen spoor van inboorlingen, geen kraal, zelfs geen vuur eener legerplaats. Echter was er geen gebrek aan water, en dit vormde op verschillende plaatsen beekjes, plassen, eenige vrij belangrijke kleine meren en twee of drie snelstroomende riviertjes die waarschijnlijk haar monding in de Oranjerivier hadden.Dien dag sloegen de geleerden een kamp op met het doel om de karavaan af te wachten. De door den jager opgegeven tijd was bijna verstreken, en indien hij zich in zijne berekening niet vergisthad, moest de karavaan dien dag aankomen, na op eene waadbare plaats de Nosoub te zijn overgetrokken.Evenwel verliep de dag, en geen Boschjesman was nog verschenen. Had de karavaan eenigen hinderpaal ontmoet, die haar belette te komen? John Murray dacht dat de Nosoub in dezen tijd van ’t jaar niet waadbaar zijn zou, omdat de bronnen nog overvloedig water afvoerden, zoodat de jager veel zuidelijker een overtocht had moeten zoeken. Deze reden was aannemelijk; de regen was in den laatsten tijd zeer overvloedig geweest en moest de rivier dus buitengewoon doen rijzen.De astronomen wachtten, maar toen de dag van 22 Juni evenzeer was voorbijgegaan zonder dat een der mannen van Mokum verscheen, werd kolonel Everest zeer ongerust. Hij kon zijn tocht naar het noorden niet vervolgen als hij zijne instrumenten mistte; en dat oponthoud kon, indien het langer duurde, den goeden afloop der onderneming in de waagschaal stellen.Mathieu Strux merkte bij deze gelegenheid op, dat hij van meening was geweest dat men de karavaan had moeten vergezellen, na het laatste station aan deze zijde der rivier met de beide stations aan de andere zijde verbonden te hebben; dat, als het goede slagen der meting door dat oponthoud in de waagschaal werd gesteld, de verantwoording daarvoor in allen gevalle viel op hen, die gemeend hadden, enz... Dat de Russen in elk opzicht, enz.....Men kan zich voorstellen dat kolonel Everest tegen deze aantijgingen van zijn ambtgenoot te velde trok, door er aan te herinneren, dat men eerst na gemeen overleg eene beslissing genomen had, maar Murray kwam tusschenbeiden en vroeg of men dat overigens geheel onnutte twisten niet liever oogenblikkelijk wilde staken. Wat geschied was kon niet meer herroepen worden, en alle verwijten ter wereld zouden den toestand daarom nog niet veranderen. Alléén werd er bepaald dat, als de karavaan der Boschjesmannen den volgenden dag niet was aangekomen, Emery en Zorn, die zich daartoe vrijwillig hadden aangeboden, in gezelschap van den geleider der karavaan naar het zuidwesten een onderzoek zouden instellen. Gedurende hunne afwezigheid zouden de kolonel en zijne ambtgenooten in het kamp blijven en hunne terugkomst afwachten, alvorens een besluit te nemen.De geleerde werd beloerd. Blz. 88.De geleerde werd beloerd. Blz.88.Toen men hiertoe was overeengekomen, bleven de beide tegenstanders het overige van den dag zooveel mogelijk verwijderd van elkander; John Murray vermaakte zich met het omringende kreupelbosch af te jagen, maar hij zag geen wild; evenmin was hij gelukkig in het opsporen van gevogelte voor de keuken; doch als natuurvorscher (en hoe dikwijls is een jager dat niet?) kon hij tevreden zijn. Twee exemplaren van bijzondere diersoorten werden door zijne schoten getroffen; hij bracht namelijk mede een schoonen korhaan van dertiencentimeters lengte, kort op de pooten, die zoowel als de bek rood van kleur zijn, donkergrijs op den rug, en met bruin geschakeerde vleugels. De andere vogel, dien Murray zeer behendig had neêrgeschoten,behoorde tot de orde der roofvogels. Het was eene soort van valk, die in zuidelijk Afrika alléén te huis behoort, met rooden hals en witten staart, en dien men gewoonlijk om zijne schoone vormen prijst. De geleider haalde de beide vogels zoo handig af, dat het vel onbeschadigd kon bewaard blijven.De eerste uren van den 23stenJuni waren reeds verloopen. De karavaan was nog niet te zien, en de twee jongelieden zouden juist op weg gaan, toen zij zich door een geblaf uit de verte lieten terughouden. Weldra kwam Mokum uit een boschje aloë’s, dat zich links van het kamp bevond, in vollen galop op zijn zebra aanrennen.De Boschjesman was de karavaan vooruitgereden en naderde de Europeanen met groote snelheid.»Kom toch, dappere jager,” riep John Murray vroolijk, »wij wanhoopten wezenlijk reeds aan u! Weet ge wel dat ik ontroostbaar zou geweest zijn, als ik u niet terug had gezien! Het schijnt alsof het wild mij ontwijkt als gij mij niet ter zijde staat. Kom, laat ons uwe terugkomst met een goed glas Schotsche saffraan-likeur vieren!”Mokum beantwoordde deze welwillende en vriendelijke woorden van den eerzamen John Murray niet. Hij keek elk der Europeanen afzonderlijk aan en telde ze den één na den ander. Een levendige angst schilderde zich op zijn gelaat. Kolonel Everest merkte het aanstonds op en trad op den jager toe, die nu afgestegen was.»Wien zoekt ge, Mokum?” vroeg hij hem.»Mijnheer Palander,” antwoordde de Boschjesman.»Is hij de karavaan niet gevolgd? Is hij niet meer bij u?” vroeg de kolonel.»Hij is er niet meer!” antwoordde Mokum. »Ik hoopte hem in uw kamp terug te vinden, maar hij is verdwaald!”Op die laatste woorden trad Mathieu Strux snel vooruit, en riep: »NikolaasPalander verdwenen? een geleerde, die aan uwe zorgen was toevertrouwd, een sterrekundige, voor wien ge instondt en dien gij niet mede terugbrengt! Weet ge wel jager, dat ge verantwoordelijk zijt voor zijn persoon, en dat het niet opgaat om maar te zeggen: Mijnheer Palander is verdwaald!”Deze woorden van den Russischen astronoom maakten den jager warm, die, omdat hij niet op de jacht was, geen enkele reden had om geduldig te zijn.»Wel, wel, mijnheer de sterrenwichelaar van het Russische rijk,”antwoordde hij met toornige stem, »zoudt gij uwe woorden niet een weinig wikken of wegen? Ben ik aangesteld om uw makker te bewaken, die voor zich zelven niet eens zorgen kan? Ge stelt mij verantwoordelijk, en ge hebt ongelijk, verstaat ge mij? Als mijnheer Palander verdwaald is, dan is het zijn eigen schuld! Twintig en meermalen heb ik er hem op betrapt dat hij geheel in zijne cijfers verdiept was en zich van onze karavaan verwijderde; evenveel malenheb ik hem gewaarschuwd en teruggebracht. Maar eergisteren is hij bij het vallen der duisternis verdwenen, en niettegenstaande al mijn zoeken heb ik hem niet terug kunnen vinden. Wees gij eens behendiger als ge kunt, en omdat ge zoo goed met uw kijker kunt omspringen, raad ik u dien voor uw oog te zetten en te beproeven uw makker terug te vinden!” Zonder twijfel zou de Boschjesman opdenzelfdentoon zijn voortgegaan tot groote verontwaardiging van Mathieu Strux, die hem met open mond aangaapte en geen woord kon uitbrengen, als John Murray den toornigen jager niet tot bedaren had gebracht. Gelukkig voor den Russischen geleerde eindigde de twist tusschen den Boschjesman en hem; maar Mathieu Strux viel met een verwijt zonder grond den kolonel aan, die er het minst op verdacht was.»In allen gevalle,”zeide de sterrekundige van Pulkowa op drogen toon, »zal ik mijn ongelukkigen makker in deze woestenij niet in den steek laten. Wat mij aangaat, ik zal alle pogingen aanwenden om hem terug te vinden. Als het John Murray of William Emery was, die een van beiden op deze wijze verdwenen was, zou kolonel Everest, denk ik, niet aarzelen om de metingen te staken en zijne landgenooten te hulp toe te komen. Ik zie dus niet in waarom men minder voor een Russisch dan voor een Engelsch geleerde doen zou.”Toen de kolonel op deze wijze er bij in werd gehaald, kon hij zijne gewone bedaardheid niet bewaren.»Mijnheer Strux,”zeide hij met over elkander geslagen armen, terwijl hij zijn tegenstander strak aankeek, »is het volgens een vast plan dat u mij zonder aanleiding beleedigt? Voor wie houdt gij ons Engelschen? Hebben we u het recht gegeven om aan onze gevoelens van menschelijkheid te twijfelen? Wie doet u veronderstellen, dat wij dien onhandigen rekenaar niet te hulp zouden komen?”.....»Mijnheer” ... antwoordde de Rus op dien bijnaam, welke daar aan Palander gegeven werd.»Ja, onhandig,”hernam de kolonel, terwijl hij op elke lettergreep nadruk legde,»en ik voeg er nog bij, dat, wat ge mij straks zoo lichtvaardig verweet, volkomen op u zelven toepasselijk is, zoodat als onze onderneming door dit voorval mislukt, de verantwoordelijkheid op de Russen en niet op de Engelschen vallen zou!”»Kolonel,”riep Mathieu Strux, wiens oogen bliksemstralen schoten, »uw woorden....”»Mijne woorden heb ik allen gewogen, mijnheer, en daarom stel ik u voor, onze werkzaamhedenop te schortentot op het oogenblik, dat we uwen rekenaar hebben teruggevonden. Is u gereed om te vertrekken?”»Ik was reeds gereed voor ge een enkel woord gezegd hadt!” antwoordde Strux op scherpen toon.Daarop gingen de beide tegenstanders elk naar zijn wagen, want de karavaan was juist aangekomen.John Murray, die den kolonel vergezelde, kon niet nalaten te zeggen: »het is nog gelukkig dat die stumpert het dubbele register van onze metingen niet mede zoek gemaakt heeft.”»Daar dacht ik juist aan,” antwoordde de kolonel eenvoudig.De beide Engelschen ondervroegen daarop den jager Mokum; deze vertelde hun dat Nikolaas Palander sedert twee dagen verdwenen was; dat men hem het laatst op zijde van de karavaan gezien had op ongeveer twaalf kilometers van het kamp; dat hij, Mokum, zoodra de geleerde verdwenen was, hem had trachten terug te vinden, waarom hij zoo laat teruggekomen was; dat hij, toen hij hem niet vond, had willen zien of die »rekenmeester” soms weder bij zijne makkers ten noorden van de Nosoub was aangekomen. Nu dit het geval niet was stelde hij vóór, het onderzoek voort te zetten in het noordoosten, in een boschrijk gedeelte van het land, daarbij voegende dat er geen uur te verliezen was als men Palander levend wilde terug vinden.Inderdaad moest men zich haasten, want sedert twee dagen dwaalde de Russische geleerde door eene streek waar veel wilde beesten gevonden werden. Het was geen man om zich te redden, daar hij altijd in het gebied der cijfers in plaats van op dit ondermaansche verkeerde. Waar iedereen eenig voedsel zou gevonden hebben, zou de arme drommel onvermijdelijk van honger gestorven zijn. Het kwam er dus op aan om hem spoedig te helpen. Om één uur verlieten de kolonel, Mathieu Strux, John Murray en de beide jeugdige sterrekundigen het kamp onder geleide van den jager. Allen zaten op vlugge paarden, zelfs de Russische geleerde, die zich op grappige wijze aan het beest vastklampte, terwijl hij tusschen de tanden verwenschingen tegen den ongelukkigen Palander mompelde, die hem zulk eene moeite veroorzaakte. Zijne makkers namen als deftige en fatsoenlijke lieden den schijn aan alsof zij de vermakelijke houding niet opmerkten, waarin de astronoom van Pulkowa te paard zat; het was een zeer dartel beest, dat zeer gevoelig in den bek was.Vóór hij het kamp verliet had Mokum den gids verzocht hem zijn hond te leenen, een zeer sluw en verstandig dier, een goeden speurhond, waarop de Boschjesman zeer gesteld was. Toen de hond een hoed van Palander beroken had, snelde hij in noordoostelijke richting voort, terwijl zijn meester hem door een bijzonder gefluit aanzette. De kleine bende volgde het dier onmiddellijk en verdween weldra in een dicht kreupelbosch.Gedurende den geheelen dag volgden de kolonel en zijne makkers de gangen van den hond. Het slimme dier had volkomen begrepen wat men van hem vroeg, maar hij miste nog het spoor van den verdwaalden geleerde, en hij kon dus geen geregeld of zeker padvolgen. De hond, die trachtte alle verhevenheden van den bodem te herkennen, ging vooruit, doch keerde telkens spoedig terug, zonder met zekerheid eenig spoor gevonden te hebben.»Goed gemikt en bedaard, of hij is verloren!” Blz. 88.»Goed gemikt en bedaard, of hij is verloren!” Blz.88.Van hunne zijde verwaarloosden de geleerden geen enkelmiddelom hunne tegenwoordigheid in deze woeste streek te kennen te geven. Zij schreeuwden, zij schoten hunne geweren af, hopende dat Nikolaas Palander hen hooren zou, hoe afgetrokken hij ook zijn mocht. Op deze wijze hadden zij den omtrek van het kamp over eene uitgestrektheid van vijf kilometers afgeloopen, toen de avond viel, die het onderzoek deed eindigen. Men moest dit den volgenden dag voortzetten, zoodra het licht werd.Gedurende den nacht legerden de Europeanen zich onder eene groep boomen voor een groot houtvuur, dat de Boschjesman zorgvuldig onderhield; men hoorde het gehuil van eenige verscheurende dieren; de tegenwoordigheid van deze was niet geschikt om hen omtrent het lot van Palander gerust te stellen; kon men nog eenigermate de hoop koesteren dien ongelukkige te redden, die uitgeput, uitgehongerd, verkleumd van koude, gevaar liep aangevallen te worden door de hyena’s, die in dit gedeelte van Afrika overvloedig gevonden werden? Dit maakte allen ongerust. De makkers van den ongelukkige brachten op deze wijze uren door om met elkander te praten, plannen te vormen, en middelen uit te denken om hem terug te vinden. De Engelschen toonden in deze omstandigheid eene hartelijkheid, waarover Mathieu Strux ondanks zich zelven getroffen moest zijn. Men kwam overeen dat men den Russischen geleerde dood of levend zou terug vinden, al zouden de driehoeksmetingen ook onbepaald worden uitgesteld.Eindelijk verscheen het daglicht na een nacht, welks uren zoovele eeuwen schenen. De paarden waren spoedig opgetuigd, en het onderzoek werd in grooter omtrek voortgezet.De hond liep weder vooruit en de kleine troep volgde zijne schreden.In noordoostelijke richting voortgaande trokken de kolonel Everest en zijne makkers door eene zeer vochtige streek. Riviertjes, doch zonder eenige beteekenis, werden hoe langer hoe talrijker; men waadde er gemakkelijk doorheen, terwijl men zich in acht nam tegen de krokodillen, waarvan John Murray hier de eerste staaltjes zag. Het waren ontzaglijke dieren, van welke sommigen 25 tot 30 voet lengte hadden, die te vreezen waren om hunne vraatzucht, en moeilijk te ontkomen als men ze op een meer of eene rivier ontmoette. Daar de Boschjesman geen tijd wilde verliezen met het bestrijden dezer dieren, maakte hij een kleinen omweg om ze te ontwijken en hield Murray tegen, die voortdurend op het punt stond er op te schieten. Als een van die monsters zich tusschen het hooge gras vertoonden, sprongen de paarden op zijde en ontkwamen dus gemakkelijk. In het midden van deze waterplassen, die door het overstroomen der riviertjes ontstaan waren, zag men ze bij dozijnen, met den kop boven water, bezig om evenals honden hunne prooi te verslinden, die zij met hunne vreeselijke kaken in kleine stukjes ophapten.De kleine troep zette, evenwel zonder veel hoop te koesteren, het onderzoek voort, nu eens in een zeer dicht kreupelbosch, dan weder in de vlakte, midden tusschen een menigte kleine riviertjes en beschouwde nauwkeurig den grond, om maar het geringste spoor te ontdekken; hier was het een op manshoogte afgebroken tak, dan versch platgetrapt gras, verder weêr een half uitgewischt en bijna onkenbaar spoor. Niets kon hen den ongelukkigen Palander doen ontdekken.Op dit oogenblik waren zij tien kilometers noordwaarts van hunne laatste legerplaats, en op raad van den jager zouden zij zuidwestwaarts hun onderzoek voortzetten, toen de hond plotseling teekenen van onrust gaf. Hij blafte en kwispelstaartte zenuwachtig. Hij ging eenige passen ter zijde met den neus langs den grond en besnuffelde het drooge gras op het voetpad. Daarna kwam hij op dezelfde plaats terug, waarschijnlijk door eenige bijzondere lucht aangetrokken.»Kolonel,” riep de Boschjesman, »onze hond heeft iets in den neus; het verstandige beest, hij is het wild op ’t spoor, of liever onzen geleerde, op wien wij jacht maken. Laat hem begaan, laat hem begaan!”»Ja,” hernam Murray, »hij is hem op ’t spoor. Hoort dat kort geblaf. Men zou zeggen dat hij in zich zelven praat, dat hij tracht een plan te maken. Ik zou vijftig pond voor zulk een dier geven als hij ons brengt op de plaats, waar Palander zich schuil houdt.”Mathieu Strux lette niet op de wijze waarop men over zijn landgenoot sprak. Het voornaamste toch was om hem terug te vinden. Iedereen hield zich dus gereed om den hond te volgen, zoodra deze zeker van den weg was. Dit duurde niet lang, en na een helder geblaf, sprong hij over een paar struiken en verdween in het dichte kreupelbosch. De paarden konden hem in dit ondoordringbaar woud niet volgen. Kolonel Everest en zijne makkers waren dus genoodzaakt het bosch om te trekken en zich te laten leiden door het verwijderde geblaf van den hond. Zij voelden zekere hoop bij zich levendig worden. Het was niet twijfelachtig of het dier was den verdwaalden geleerde op het spoor, en als hij dit niet bijster raakte zou hij zijn doel rechtstreeks bereiken. Slechts ééne vraag deed zich voor: was Nikolaas Palander dood of levend?Het was elf uren in den morgen. Gedurende een twintigtal minuten liet zich het geblaf, waardoor de jagers zich lieten leiden, niet meer hooren. Was het omdat de hond zoo ver af was, of was hij het spoor bijster? De Boschjesman en John Murray, die vooruit gingen, werden zeer ongerust. Zij wisten niet meer in welke richting zij hunne makkers moesten geleiden, toen het geblaf op een halven kilometer zuidwestwaarts zich weder deed hooren, maar thans buiten het bosch. Aanstonds renden de flink aangespoorde paarden in die richting voort.In weinige oogenblikken was de troep op een zeer moerassig stuk gronds aangekomen. Men hoorde den hond duidelijk, maar zag hem niet. De grond toch was met riet van tien tot twaalf voet hoog begroeid, de ruiters moesten afstijgen, en na hunne paarden aan een boom gebonden te hebben, gingen zij op het geblaf van den hond door het riet voort. Weldra waren zij er doorheen. Eene groote uitgestrektheid gronds met water en waterplanten bedekt lag voor hen. Daar, waar de grond het laagst was, strekte zich het bruinachtige water van een meertje uit, dat een halven kilometer lang was. De hond stond stil op den moerassigen oever van het meertje en blafte vreeselijk.»Daar is hij! Daar is hij!” riep de Boschjesman.Inderdaad, op het uiteinde van een soort van schiereilandje zat Nikolaas Palander op driehonderd schreden afstands op een boomstam: hij zag niets, hij hoorde niets, maar had een potlood in de hand, een schrijfboekje op de knieën en was zonder twijfel bezig met de eene of andere berekening!Zijne makkers konden een kreet van afgrijzen niet inhouden. De Russische geleerde namelijk werd op niet meer dan twintig schreden afstands beloerd door eene troep krokodillen, die den kop uit het water staken en wier nabijheid hij zelfs niet vermoedde. De vraatzuchtige dieren naderden langzamerhand en konden hem in een oogwenk wegsleuren.»We mogen ons wel haasten!” zeide de jager met zachte stem,»ik weet niet waarom de krokodillen wachten om hem aan te vallen!”»Ze wachten mogelijk tot hij wat bestorven is,” kon John Murray niet nalaten te zeggen, daarbij zinspelende op een feit dat door de inlanders gewoonlijk wordt opgemerkt, namelijk dat deze dieren nooit versch vleesch vreten.De Boschjesman en Murray verzochten hunne makkers hen daar te wachten, en gingen om het meertje heen, ten einde het smalle schiereiland te bereiken dat hen bij Palander brengen zoude. Zij hadden nog geen tweehonderd pas gedaan, toen de krokodillen het diepe water verlatende, naar boven kwamen en recht op hunne prooi afgingen. De geleerde merkte er niets van, zijne oogen waren op zijn boekje gevestigd en hij schreef voortdurend nog cijfers op.»Goed gemikt en bedaard, of hij is verloren!” fluisterde de jager John Murray in het oor.Toen gingen beiden op de knieën liggen, en op de meest nabij zijnde dieren mikkende gaven zij vuur. Twee schoten knalden en twee monsters stortten met verbrijzelden ruggegraat in het water terug, waarop de geheele bende in een oogenblik onder water verdween.Op het geluid van de schoten hief Nikolaas Palander eindelijk het hoofd op. Hij herkende zijne makkers, en met zijn boekje in de hand naar hen toeloopende riep hij:Hij kwam bij den ingang van het hol aan. Blz. 98.Hij kwam bij den ingang van het hol aan. Blz.98.»Ik heb het gevonden! ik heb het gevonden!”»En wat hebt ge gevonden, mijnheer Palander?” vroeg John Murray.»Eene fout van een decimaal inde103elogarithme van de tafel van James Wolston!”Inderdaad, de waardige man had die fout gevonden! hij had eene misrekening in eene logarithmentafel ontdekt! Hij had recht op eene premie van honderd pond, die door den uitgever was uitgeloofd! En sedert vier dagen, dat hij in die wildernissen dwaalde, had de beroemde astronoom van de sterrewacht van Helsingfors daarmede zijn tijd zoek gebracht! André Marie Ampère, de meest afgetrokken geleerde van de wereld, zou het hem niet verbeterd hebben.

Men hernam den geodesischen arbeid. Er werden achtereenvolgens twee stations aangenomen, die met het laatste aan deze zijde van den stroom verbonden, dienden om een nieuwen driehoek te vormen. Dat werk geschiedde zonder eenige moeielijkheid. Evenwel moesten de astronomen zich wachten voor de vergiftige slangen, waarvan het in deze streken wemelde. Het waren zeer venijnige mamba’s, die tien tot twaalf voet lang waren, en wier beet doodelijk was.

Vier dagen na den overtocht der Nosoub, op 21 Juni, waren de geleerden in eene zeer boschrijke streek. Maar het kreupelhout, dat slechts uit middelmatige boomen bestond, hinderde het werk der driehoeksmeting niet. Aan alle kanten vertoonden zich aan den gezichteinder zeer goed zichtbare hoogten, die verscheidene kilometers van elkander aflagen, en waarop men seinpalen en lantaarns kon oprichten. Deze uitgebreide streek, die lager lag dan al het land in den omtrek, was juist daardoor vochtig en vruchtbaar. William Emery zag er bij duizenden den Hottentotschen vijgeboom, welks zuurachtige vruchten door de Boschjesmannen zeer gezocht zijn. Uit de tusschen het kreupelhout gelegen uitgestrekte vlakte, steeg een aangename geur op, die ontstond door eene groote menigte knolwortelplanten, die eenige gelijkenis hadden met de tijloos. Boven op de wortels zat eene vrucht van twee of drie centimeters lang, welker geuren de lucht vervulde. Het was de Kucumakranti van zuidelijk Afrika, waarop vooral de inboorlingen zeer gesteld zijn. In deze streek, waarheen de omliggende rivieren een gedeelte van haar water langs zachte hellingen deden afvloeien, waren de velden wederom bedekt met kolokwint en met de kruizemunt, waarvan de overbrenging naar Engeland zoo goed geslaagd is. Hoe vruchtbaar en geschikt voor landbouwontginningen deze streek ook scheen te zijn, toch werd zij door zwervende stammen weinig bezocht. Men zag er geen spoor van inboorlingen, geen kraal, zelfs geen vuur eener legerplaats. Echter was er geen gebrek aan water, en dit vormde op verschillende plaatsen beekjes, plassen, eenige vrij belangrijke kleine meren en twee of drie snelstroomende riviertjes die waarschijnlijk haar monding in de Oranjerivier hadden.

Dien dag sloegen de geleerden een kamp op met het doel om de karavaan af te wachten. De door den jager opgegeven tijd was bijna verstreken, en indien hij zich in zijne berekening niet vergisthad, moest de karavaan dien dag aankomen, na op eene waadbare plaats de Nosoub te zijn overgetrokken.

Evenwel verliep de dag, en geen Boschjesman was nog verschenen. Had de karavaan eenigen hinderpaal ontmoet, die haar belette te komen? John Murray dacht dat de Nosoub in dezen tijd van ’t jaar niet waadbaar zijn zou, omdat de bronnen nog overvloedig water afvoerden, zoodat de jager veel zuidelijker een overtocht had moeten zoeken. Deze reden was aannemelijk; de regen was in den laatsten tijd zeer overvloedig geweest en moest de rivier dus buitengewoon doen rijzen.

De astronomen wachtten, maar toen de dag van 22 Juni evenzeer was voorbijgegaan zonder dat een der mannen van Mokum verscheen, werd kolonel Everest zeer ongerust. Hij kon zijn tocht naar het noorden niet vervolgen als hij zijne instrumenten mistte; en dat oponthoud kon, indien het langer duurde, den goeden afloop der onderneming in de waagschaal stellen.

Mathieu Strux merkte bij deze gelegenheid op, dat hij van meening was geweest dat men de karavaan had moeten vergezellen, na het laatste station aan deze zijde der rivier met de beide stations aan de andere zijde verbonden te hebben; dat, als het goede slagen der meting door dat oponthoud in de waagschaal werd gesteld, de verantwoording daarvoor in allen gevalle viel op hen, die gemeend hadden, enz... Dat de Russen in elk opzicht, enz.....

Men kan zich voorstellen dat kolonel Everest tegen deze aantijgingen van zijn ambtgenoot te velde trok, door er aan te herinneren, dat men eerst na gemeen overleg eene beslissing genomen had, maar Murray kwam tusschenbeiden en vroeg of men dat overigens geheel onnutte twisten niet liever oogenblikkelijk wilde staken. Wat geschied was kon niet meer herroepen worden, en alle verwijten ter wereld zouden den toestand daarom nog niet veranderen. Alléén werd er bepaald dat, als de karavaan der Boschjesmannen den volgenden dag niet was aangekomen, Emery en Zorn, die zich daartoe vrijwillig hadden aangeboden, in gezelschap van den geleider der karavaan naar het zuidwesten een onderzoek zouden instellen. Gedurende hunne afwezigheid zouden de kolonel en zijne ambtgenooten in het kamp blijven en hunne terugkomst afwachten, alvorens een besluit te nemen.

De geleerde werd beloerd. Blz. 88.De geleerde werd beloerd. Blz.88.

De geleerde werd beloerd. Blz.88.

Toen men hiertoe was overeengekomen, bleven de beide tegenstanders het overige van den dag zooveel mogelijk verwijderd van elkander; John Murray vermaakte zich met het omringende kreupelbosch af te jagen, maar hij zag geen wild; evenmin was hij gelukkig in het opsporen van gevogelte voor de keuken; doch als natuurvorscher (en hoe dikwijls is een jager dat niet?) kon hij tevreden zijn. Twee exemplaren van bijzondere diersoorten werden door zijne schoten getroffen; hij bracht namelijk mede een schoonen korhaan van dertiencentimeters lengte, kort op de pooten, die zoowel als de bek rood van kleur zijn, donkergrijs op den rug, en met bruin geschakeerde vleugels. De andere vogel, dien Murray zeer behendig had neêrgeschoten,behoorde tot de orde der roofvogels. Het was eene soort van valk, die in zuidelijk Afrika alléén te huis behoort, met rooden hals en witten staart, en dien men gewoonlijk om zijne schoone vormen prijst. De geleider haalde de beide vogels zoo handig af, dat het vel onbeschadigd kon bewaard blijven.

De eerste uren van den 23stenJuni waren reeds verloopen. De karavaan was nog niet te zien, en de twee jongelieden zouden juist op weg gaan, toen zij zich door een geblaf uit de verte lieten terughouden. Weldra kwam Mokum uit een boschje aloë’s, dat zich links van het kamp bevond, in vollen galop op zijn zebra aanrennen.

De Boschjesman was de karavaan vooruitgereden en naderde de Europeanen met groote snelheid.

»Kom toch, dappere jager,” riep John Murray vroolijk, »wij wanhoopten wezenlijk reeds aan u! Weet ge wel dat ik ontroostbaar zou geweest zijn, als ik u niet terug had gezien! Het schijnt alsof het wild mij ontwijkt als gij mij niet ter zijde staat. Kom, laat ons uwe terugkomst met een goed glas Schotsche saffraan-likeur vieren!”

Mokum beantwoordde deze welwillende en vriendelijke woorden van den eerzamen John Murray niet. Hij keek elk der Europeanen afzonderlijk aan en telde ze den één na den ander. Een levendige angst schilderde zich op zijn gelaat. Kolonel Everest merkte het aanstonds op en trad op den jager toe, die nu afgestegen was.

»Wien zoekt ge, Mokum?” vroeg hij hem.

»Mijnheer Palander,” antwoordde de Boschjesman.

»Is hij de karavaan niet gevolgd? Is hij niet meer bij u?” vroeg de kolonel.

»Hij is er niet meer!” antwoordde Mokum. »Ik hoopte hem in uw kamp terug te vinden, maar hij is verdwaald!”

Op die laatste woorden trad Mathieu Strux snel vooruit, en riep: »NikolaasPalander verdwenen? een geleerde, die aan uwe zorgen was toevertrouwd, een sterrekundige, voor wien ge instondt en dien gij niet mede terugbrengt! Weet ge wel jager, dat ge verantwoordelijk zijt voor zijn persoon, en dat het niet opgaat om maar te zeggen: Mijnheer Palander is verdwaald!”

Deze woorden van den Russischen astronoom maakten den jager warm, die, omdat hij niet op de jacht was, geen enkele reden had om geduldig te zijn.

»Wel, wel, mijnheer de sterrenwichelaar van het Russische rijk,”antwoordde hij met toornige stem, »zoudt gij uwe woorden niet een weinig wikken of wegen? Ben ik aangesteld om uw makker te bewaken, die voor zich zelven niet eens zorgen kan? Ge stelt mij verantwoordelijk, en ge hebt ongelijk, verstaat ge mij? Als mijnheer Palander verdwaald is, dan is het zijn eigen schuld! Twintig en meermalen heb ik er hem op betrapt dat hij geheel in zijne cijfers verdiept was en zich van onze karavaan verwijderde; evenveel malenheb ik hem gewaarschuwd en teruggebracht. Maar eergisteren is hij bij het vallen der duisternis verdwenen, en niettegenstaande al mijn zoeken heb ik hem niet terug kunnen vinden. Wees gij eens behendiger als ge kunt, en omdat ge zoo goed met uw kijker kunt omspringen, raad ik u dien voor uw oog te zetten en te beproeven uw makker terug te vinden!” Zonder twijfel zou de Boschjesman opdenzelfdentoon zijn voortgegaan tot groote verontwaardiging van Mathieu Strux, die hem met open mond aangaapte en geen woord kon uitbrengen, als John Murray den toornigen jager niet tot bedaren had gebracht. Gelukkig voor den Russischen geleerde eindigde de twist tusschen den Boschjesman en hem; maar Mathieu Strux viel met een verwijt zonder grond den kolonel aan, die er het minst op verdacht was.

»In allen gevalle,”zeide de sterrekundige van Pulkowa op drogen toon, »zal ik mijn ongelukkigen makker in deze woestenij niet in den steek laten. Wat mij aangaat, ik zal alle pogingen aanwenden om hem terug te vinden. Als het John Murray of William Emery was, die een van beiden op deze wijze verdwenen was, zou kolonel Everest, denk ik, niet aarzelen om de metingen te staken en zijne landgenooten te hulp toe te komen. Ik zie dus niet in waarom men minder voor een Russisch dan voor een Engelsch geleerde doen zou.”

Toen de kolonel op deze wijze er bij in werd gehaald, kon hij zijne gewone bedaardheid niet bewaren.

»Mijnheer Strux,”zeide hij met over elkander geslagen armen, terwijl hij zijn tegenstander strak aankeek, »is het volgens een vast plan dat u mij zonder aanleiding beleedigt? Voor wie houdt gij ons Engelschen? Hebben we u het recht gegeven om aan onze gevoelens van menschelijkheid te twijfelen? Wie doet u veronderstellen, dat wij dien onhandigen rekenaar niet te hulp zouden komen?”.....

»Mijnheer” ... antwoordde de Rus op dien bijnaam, welke daar aan Palander gegeven werd.

»Ja, onhandig,”hernam de kolonel, terwijl hij op elke lettergreep nadruk legde,»en ik voeg er nog bij, dat, wat ge mij straks zoo lichtvaardig verweet, volkomen op u zelven toepasselijk is, zoodat als onze onderneming door dit voorval mislukt, de verantwoordelijkheid op de Russen en niet op de Engelschen vallen zou!”

»Kolonel,”riep Mathieu Strux, wiens oogen bliksemstralen schoten, »uw woorden....”

»Mijne woorden heb ik allen gewogen, mijnheer, en daarom stel ik u voor, onze werkzaamhedenop te schortentot op het oogenblik, dat we uwen rekenaar hebben teruggevonden. Is u gereed om te vertrekken?”

»Ik was reeds gereed voor ge een enkel woord gezegd hadt!” antwoordde Strux op scherpen toon.

Daarop gingen de beide tegenstanders elk naar zijn wagen, want de karavaan was juist aangekomen.

John Murray, die den kolonel vergezelde, kon niet nalaten te zeggen: »het is nog gelukkig dat die stumpert het dubbele register van onze metingen niet mede zoek gemaakt heeft.”

»Daar dacht ik juist aan,” antwoordde de kolonel eenvoudig.

De beide Engelschen ondervroegen daarop den jager Mokum; deze vertelde hun dat Nikolaas Palander sedert twee dagen verdwenen was; dat men hem het laatst op zijde van de karavaan gezien had op ongeveer twaalf kilometers van het kamp; dat hij, Mokum, zoodra de geleerde verdwenen was, hem had trachten terug te vinden, waarom hij zoo laat teruggekomen was; dat hij, toen hij hem niet vond, had willen zien of die »rekenmeester” soms weder bij zijne makkers ten noorden van de Nosoub was aangekomen. Nu dit het geval niet was stelde hij vóór, het onderzoek voort te zetten in het noordoosten, in een boschrijk gedeelte van het land, daarbij voegende dat er geen uur te verliezen was als men Palander levend wilde terug vinden.

Inderdaad moest men zich haasten, want sedert twee dagen dwaalde de Russische geleerde door eene streek waar veel wilde beesten gevonden werden. Het was geen man om zich te redden, daar hij altijd in het gebied der cijfers in plaats van op dit ondermaansche verkeerde. Waar iedereen eenig voedsel zou gevonden hebben, zou de arme drommel onvermijdelijk van honger gestorven zijn. Het kwam er dus op aan om hem spoedig te helpen. Om één uur verlieten de kolonel, Mathieu Strux, John Murray en de beide jeugdige sterrekundigen het kamp onder geleide van den jager. Allen zaten op vlugge paarden, zelfs de Russische geleerde, die zich op grappige wijze aan het beest vastklampte, terwijl hij tusschen de tanden verwenschingen tegen den ongelukkigen Palander mompelde, die hem zulk eene moeite veroorzaakte. Zijne makkers namen als deftige en fatsoenlijke lieden den schijn aan alsof zij de vermakelijke houding niet opmerkten, waarin de astronoom van Pulkowa te paard zat; het was een zeer dartel beest, dat zeer gevoelig in den bek was.

Vóór hij het kamp verliet had Mokum den gids verzocht hem zijn hond te leenen, een zeer sluw en verstandig dier, een goeden speurhond, waarop de Boschjesman zeer gesteld was. Toen de hond een hoed van Palander beroken had, snelde hij in noordoostelijke richting voort, terwijl zijn meester hem door een bijzonder gefluit aanzette. De kleine bende volgde het dier onmiddellijk en verdween weldra in een dicht kreupelbosch.

Gedurende den geheelen dag volgden de kolonel en zijne makkers de gangen van den hond. Het slimme dier had volkomen begrepen wat men van hem vroeg, maar hij miste nog het spoor van den verdwaalden geleerde, en hij kon dus geen geregeld of zeker padvolgen. De hond, die trachtte alle verhevenheden van den bodem te herkennen, ging vooruit, doch keerde telkens spoedig terug, zonder met zekerheid eenig spoor gevonden te hebben.

»Goed gemikt en bedaard, of hij is verloren!” Blz. 88.»Goed gemikt en bedaard, of hij is verloren!” Blz.88.

»Goed gemikt en bedaard, of hij is verloren!” Blz.88.

Van hunne zijde verwaarloosden de geleerden geen enkelmiddelom hunne tegenwoordigheid in deze woeste streek te kennen te geven. Zij schreeuwden, zij schoten hunne geweren af, hopende dat Nikolaas Palander hen hooren zou, hoe afgetrokken hij ook zijn mocht. Op deze wijze hadden zij den omtrek van het kamp over eene uitgestrektheid van vijf kilometers afgeloopen, toen de avond viel, die het onderzoek deed eindigen. Men moest dit den volgenden dag voortzetten, zoodra het licht werd.

Gedurende den nacht legerden de Europeanen zich onder eene groep boomen voor een groot houtvuur, dat de Boschjesman zorgvuldig onderhield; men hoorde het gehuil van eenige verscheurende dieren; de tegenwoordigheid van deze was niet geschikt om hen omtrent het lot van Palander gerust te stellen; kon men nog eenigermate de hoop koesteren dien ongelukkige te redden, die uitgeput, uitgehongerd, verkleumd van koude, gevaar liep aangevallen te worden door de hyena’s, die in dit gedeelte van Afrika overvloedig gevonden werden? Dit maakte allen ongerust. De makkers van den ongelukkige brachten op deze wijze uren door om met elkander te praten, plannen te vormen, en middelen uit te denken om hem terug te vinden. De Engelschen toonden in deze omstandigheid eene hartelijkheid, waarover Mathieu Strux ondanks zich zelven getroffen moest zijn. Men kwam overeen dat men den Russischen geleerde dood of levend zou terug vinden, al zouden de driehoeksmetingen ook onbepaald worden uitgesteld.

Eindelijk verscheen het daglicht na een nacht, welks uren zoovele eeuwen schenen. De paarden waren spoedig opgetuigd, en het onderzoek werd in grooter omtrek voortgezet.De hond liep weder vooruit en de kleine troep volgde zijne schreden.

In noordoostelijke richting voortgaande trokken de kolonel Everest en zijne makkers door eene zeer vochtige streek. Riviertjes, doch zonder eenige beteekenis, werden hoe langer hoe talrijker; men waadde er gemakkelijk doorheen, terwijl men zich in acht nam tegen de krokodillen, waarvan John Murray hier de eerste staaltjes zag. Het waren ontzaglijke dieren, van welke sommigen 25 tot 30 voet lengte hadden, die te vreezen waren om hunne vraatzucht, en moeilijk te ontkomen als men ze op een meer of eene rivier ontmoette. Daar de Boschjesman geen tijd wilde verliezen met het bestrijden dezer dieren, maakte hij een kleinen omweg om ze te ontwijken en hield Murray tegen, die voortdurend op het punt stond er op te schieten. Als een van die monsters zich tusschen het hooge gras vertoonden, sprongen de paarden op zijde en ontkwamen dus gemakkelijk. In het midden van deze waterplassen, die door het overstroomen der riviertjes ontstaan waren, zag men ze bij dozijnen, met den kop boven water, bezig om evenals honden hunne prooi te verslinden, die zij met hunne vreeselijke kaken in kleine stukjes ophapten.

De kleine troep zette, evenwel zonder veel hoop te koesteren, het onderzoek voort, nu eens in een zeer dicht kreupelbosch, dan weder in de vlakte, midden tusschen een menigte kleine riviertjes en beschouwde nauwkeurig den grond, om maar het geringste spoor te ontdekken; hier was het een op manshoogte afgebroken tak, dan versch platgetrapt gras, verder weêr een half uitgewischt en bijna onkenbaar spoor. Niets kon hen den ongelukkigen Palander doen ontdekken.

Op dit oogenblik waren zij tien kilometers noordwaarts van hunne laatste legerplaats, en op raad van den jager zouden zij zuidwestwaarts hun onderzoek voortzetten, toen de hond plotseling teekenen van onrust gaf. Hij blafte en kwispelstaartte zenuwachtig. Hij ging eenige passen ter zijde met den neus langs den grond en besnuffelde het drooge gras op het voetpad. Daarna kwam hij op dezelfde plaats terug, waarschijnlijk door eenige bijzondere lucht aangetrokken.

»Kolonel,” riep de Boschjesman, »onze hond heeft iets in den neus; het verstandige beest, hij is het wild op ’t spoor, of liever onzen geleerde, op wien wij jacht maken. Laat hem begaan, laat hem begaan!”

»Ja,” hernam Murray, »hij is hem op ’t spoor. Hoort dat kort geblaf. Men zou zeggen dat hij in zich zelven praat, dat hij tracht een plan te maken. Ik zou vijftig pond voor zulk een dier geven als hij ons brengt op de plaats, waar Palander zich schuil houdt.”

Mathieu Strux lette niet op de wijze waarop men over zijn landgenoot sprak. Het voornaamste toch was om hem terug te vinden. Iedereen hield zich dus gereed om den hond te volgen, zoodra deze zeker van den weg was. Dit duurde niet lang, en na een helder geblaf, sprong hij over een paar struiken en verdween in het dichte kreupelbosch. De paarden konden hem in dit ondoordringbaar woud niet volgen. Kolonel Everest en zijne makkers waren dus genoodzaakt het bosch om te trekken en zich te laten leiden door het verwijderde geblaf van den hond. Zij voelden zekere hoop bij zich levendig worden. Het was niet twijfelachtig of het dier was den verdwaalden geleerde op het spoor, en als hij dit niet bijster raakte zou hij zijn doel rechtstreeks bereiken. Slechts ééne vraag deed zich voor: was Nikolaas Palander dood of levend?

Het was elf uren in den morgen. Gedurende een twintigtal minuten liet zich het geblaf, waardoor de jagers zich lieten leiden, niet meer hooren. Was het omdat de hond zoo ver af was, of was hij het spoor bijster? De Boschjesman en John Murray, die vooruit gingen, werden zeer ongerust. Zij wisten niet meer in welke richting zij hunne makkers moesten geleiden, toen het geblaf op een halven kilometer zuidwestwaarts zich weder deed hooren, maar thans buiten het bosch. Aanstonds renden de flink aangespoorde paarden in die richting voort.

In weinige oogenblikken was de troep op een zeer moerassig stuk gronds aangekomen. Men hoorde den hond duidelijk, maar zag hem niet. De grond toch was met riet van tien tot twaalf voet hoog begroeid, de ruiters moesten afstijgen, en na hunne paarden aan een boom gebonden te hebben, gingen zij op het geblaf van den hond door het riet voort. Weldra waren zij er doorheen. Eene groote uitgestrektheid gronds met water en waterplanten bedekt lag voor hen. Daar, waar de grond het laagst was, strekte zich het bruinachtige water van een meertje uit, dat een halven kilometer lang was. De hond stond stil op den moerassigen oever van het meertje en blafte vreeselijk.

»Daar is hij! Daar is hij!” riep de Boschjesman.

Inderdaad, op het uiteinde van een soort van schiereilandje zat Nikolaas Palander op driehonderd schreden afstands op een boomstam: hij zag niets, hij hoorde niets, maar had een potlood in de hand, een schrijfboekje op de knieën en was zonder twijfel bezig met de eene of andere berekening!

Zijne makkers konden een kreet van afgrijzen niet inhouden. De Russische geleerde namelijk werd op niet meer dan twintig schreden afstands beloerd door eene troep krokodillen, die den kop uit het water staken en wier nabijheid hij zelfs niet vermoedde. De vraatzuchtige dieren naderden langzamerhand en konden hem in een oogwenk wegsleuren.

»We mogen ons wel haasten!” zeide de jager met zachte stem,»ik weet niet waarom de krokodillen wachten om hem aan te vallen!”

»Ze wachten mogelijk tot hij wat bestorven is,” kon John Murray niet nalaten te zeggen, daarbij zinspelende op een feit dat door de inlanders gewoonlijk wordt opgemerkt, namelijk dat deze dieren nooit versch vleesch vreten.

De Boschjesman en Murray verzochten hunne makkers hen daar te wachten, en gingen om het meertje heen, ten einde het smalle schiereiland te bereiken dat hen bij Palander brengen zoude. Zij hadden nog geen tweehonderd pas gedaan, toen de krokodillen het diepe water verlatende, naar boven kwamen en recht op hunne prooi afgingen. De geleerde merkte er niets van, zijne oogen waren op zijn boekje gevestigd en hij schreef voortdurend nog cijfers op.

»Goed gemikt en bedaard, of hij is verloren!” fluisterde de jager John Murray in het oor.

Toen gingen beiden op de knieën liggen, en op de meest nabij zijnde dieren mikkende gaven zij vuur. Twee schoten knalden en twee monsters stortten met verbrijzelden ruggegraat in het water terug, waarop de geheele bende in een oogenblik onder water verdween.

Op het geluid van de schoten hief Nikolaas Palander eindelijk het hoofd op. Hij herkende zijne makkers, en met zijn boekje in de hand naar hen toeloopende riep hij:

Hij kwam bij den ingang van het hol aan. Blz. 98.Hij kwam bij den ingang van het hol aan. Blz.98.

Hij kwam bij den ingang van het hol aan. Blz.98.

»Ik heb het gevonden! ik heb het gevonden!”

»En wat hebt ge gevonden, mijnheer Palander?” vroeg John Murray.

»Eene fout van een decimaal inde103elogarithme van de tafel van James Wolston!”

Inderdaad, de waardige man had die fout gevonden! hij had eene misrekening in eene logarithmentafel ontdekt! Hij had recht op eene premie van honderd pond, die door den uitgever was uitgeloofd! En sedert vier dagen, dat hij in die wildernissen dwaalde, had de beroemde astronoom van de sterrewacht van Helsingfors daarmede zijn tijd zoek gebracht! André Marie Ampère, de meest afgetrokken geleerde van de wereld, zou het hem niet verbeterd hebben.


Back to IndexNext