XIV.

XIV.Eene oorlogsverklaring.Het werk werd denzelfden dag hervat. Elk voorwendsel tot oneenigheid was verdwenen. Kolonel Everest en Mathieu Strux vergaven het elkander niet, maar hervatten te zamen de geodesische opmetingen.Aan de linkerzijde van de groote opening die het vuur gebaand had, verhief zich op den afstand van ongeveer vijf kilometers een heuveltje. De top daarvan kon als station dienen, en als toppunt van een nieuwen driehoek genomen worden. De hoek, dien deze heuvel met het laatste station vormde werd derhalve gemeten en den volgenden morgen trok de geheele karavaan door het afgebrande woud vooruit. Het was een met houtskool bedekte weg; de grond was nog warm; hier en daar rookte hij nog, en verhief zich een zwoele luchtstroom. Op menige plaats lagen verkoolde overblijfsels van dieren, die in hun leger overvallen waren, en aan de woedende vlammen niet hadden kunnen ontkomen. Zwarte rookkolommen, die op sommige plaatsen nog in de hoogte kronkelden, wezen de plaatsaan waar zulke lijken lagen. Misschien zelfs was de brand nog niet gebluscht en kon hij door den hevigen wind op nieuw uitbarsten, en het geheele woud verslinden.»Voordat ik de tijdingen mededeel.” Blz. 118.»Voordat ik de tijdingen mededeel.” Blz.118.Daarom verhaastte de wetenschappelijke commissie haren tocht. Wanneer de karavaan door het vuur ingesloten was geworden, zou zij verloren zijn geweest. Zij haastte zich dus om het tooneel van verwoesting te ontvluchten, terwijl de boomen aan weerszijden nog brandden. Mokum vuurde dus de wagenmenners aan, en tegen het midden van den dag was er eene legerplaats opgeslagen aan den voet van het heuveltje, dat door den nonius reeds waargenomen was. De rotsmassa, die op den top van den heuvel stond, was als ’t ware door menschenhanden daar geplaatst. Zij geleek op een dolmen, eene verzameling van druïdensteenen, die een oudheidkenner met verbazing hier zou begroet hebben. Een ontzaglijk groote hoekige zandsteen stak boven allen uit, en stond boven op dit gedenkteeken, dat veel weg had van een Afrikaansch altaar.De jonge sterrekundigen en John Murray wilden dit zonderlinge gedenkteeken bezoeken. Langs een der hellingen beklommen zij den top in gezelschap van den Boschjesman. De bezoekers waren geen twintig schreden meer van den dolmen af toen een man, die tot nog toe achter een der opstaande steenen verborgen had gestaan, een oogenblik te voorschijn kwam; daarop liet hij zich als een bal van den heuvel af rollen en verdween snel in een dicht kreupelbosch, dat door het vuur gespaard was gebleven.De Boschjesman zag dien man slechts één oogenblik, maar dat oogenblik was genoeg om hem te herkennen.»Een Makololo!” riep hij, en rende den vluchteling na. John Murray, door zijne jagersnatuur medegesleept, volgde zijn vriend. Beiden doorkruisten het bosch zonder den inboorling te vinden. Deze was in het woud gevlucht, waarvan hij alle paden scheen te kennen, en de beste speurhond had hem hier niet terug kunnen vinden.Zoodra kolonel Everest van het geval hoorde, liet hij den Boschjesman bij zich komen en ondervroeg hem. »Wie was die inlander? Wat deed hij daar? Waarom had Mokum den vluchteling vervolgd?”»Het is een Makololo, kolonel,” antwoordde Mokum, »een inboorling uit het noorden, die evenals zijne stamverwanten steeds langs de oevers van de Zambese zwerft. Het is niet alleen een vijand van alle Boschjesmannen, maar een geduchte plunderaar van alle reizigers, die zich in de binnenlanden van zuidelijk Afrika wagen. Deze man bespiedde ons, en we zullen misschien reden hebben om ons te beklagen, dat we ons niet van hem hebben kunnen meester maken.”»Maar Boschjesman,” hernam de kolonel, »wat hebben we van een dievenbende te vreezen? Zijn we niet talrijk genoeg om haar weerstand te bieden?”»Op dit oogenblik, ja,” hervatte de Boschjesman, »maar deze plunderzieke stammen vindt men menigvuldiger in het noorden, en daar is het moeilijk om hun te ontsnappen. Indien deze Makololo een spion is, waaraan ik niet twijfel, dan zal hij niet in gebrekeblijven met eenige honderden plunderaars ons den weg te versperren, en in dat geval, kolonel, geef ik geen oortje voor al uwe driehoeken.”Kolonel Everest was zeer teleurgesteld door deze ontmoeting. Hij wist dat de Boschjesman er de man niet naar was om het gevaar te overdrijven, en dat men wel op zijne aanmerkingen letten mocht. Het oogmerk van den inboorling kon niet anders dan achterdocht wekken. Zijne plotselinge verschijning en zijne onmiddellijk daarop gevolgde vlucht bewezen dat hij op heeterdaad als spion betrapt was. Het scheen dus niet onmogelijk dat de tegenwoordigheid van de Engelsch-Russische commissie aan de noordelijker wonende stammen spoedig bekend zou worden gemaakt. In allen gevalle was de kwaal zonder geneesmiddel. Men besloot alleen om met meer omzichtigheid vooruit te gaan en zette intusschen de triangulatie voort.Den 17denAugustus had men een derden graad van den meridiaan gemeten. De breedte werd goed opgenomen, en daardoor verkreeg men met groote juistheid de plaatsbepaling. De astronomen hadden drie graden van den boog opgemeten, en daartoe van het uiterste punt van de zuidelijke basis af tweeëntwintig driehoeken noodig gehad.Toen men de plaats op de kaart had nagegaan, bemerkte men dat het dorp Kolobeng slechts een honderdtal kilometers ten noordoosten van den meridiaan gelegen was. De astronomen raadpleegden met elkander en besloten om in dit dorp eenige dagen rust te nemen, omdat zij daar zeker eenige tijding uit Europa zouden krijgen. Sedert ongeveer zes maanden hadden zij de oevers van de Oranjerivier verlaten, en ronddwalende in de Zuid-Afrikaansche wildernissen, waren zij verstoken van de gemeenschap met de beschaafde wereld. Te Kolobeng, een vrij aanzienlijk dorp en een hoofdstation van zendelingen, zouden zij mogelijk den verbroken band met de Europeesche beschaving wederom kunnen aanknoopen. Op deze plaats zou de karavaan ook van hare vermoeienis kunnen uitrusten en den voorraad gedeeltelijk vernieuwen.De groote onbeweegbare steen, die als baken bij de laatste opmeting gediend had, werd beschouwd als het eindstation van dit eerste deel der geodesische opname. Van dit vaststaande baken uit moesten de volgende waarnemingen weder beginnen. De breedte der plaats werd daarom nauwkeurig bepaald. Nadat de kolonel van dit merkteeken de zekere plaats had aangewezen, gaf hij het teeken tot vertrekken, en de geheele karavaan richtte zich naar Kolobeng.Den 22stenAugustus kwamen de Europeanen na een reis zonder eenig bijzonder voorval bij dat dorp aan; het was slechts eene verzameling van inlandsche hutten, waarboven de woning der zendelingen uitstak. Dit dorp, dat op enkele kaarten ook Litoubarouba genoemdwordt, heette eertijds Lepelolé. Daar vestigde zich in 1843 Livingstone gedurende verscheidene maanden en maakte zich gemeenzaam met de gewoonten der Betschuanen, die in dit gedeelte van zuidelijk Afrika meer onder den naam van Bakoninen bekend zijn.De zendelingen ontvingen de leden der wetenschappelijke commissie zeer gastvrij. Zij stelden alle voortbrengselen van het land ter hunner beschikking. Dáár stond ook nog het huis van Livingstone, zooals het was toen de jager Baldring het bezocht, dat is te zeggen geplunderd en vervallen, want de Boeren hadden het bij hun inval van 1852 niet ontzien.Zoodra de astronomen in het huis der zendelingen gehuisvest waren, vroegen zij naar tijdingen uit Europa. Men kon aan hun verlangen niet voldoen. Sedert zes maanden was geen bode bij de zendelingen aangekomen; doch men wachtte binnen weinige dagen een inlander met dagbladen en brieven, daar men voor korten tijd dezen aan de oevers van de boven-Zambese meende gezien te hebben. Volgens de meening der zendelingen kon die bode niet langer dan een week meer uitblijven. Het was juist de tijd dien de astronomen besteden wilden om uit te rusten, en deze week brachten zij dan ook in eendolce far nientedoor, terwijl Nikolaas Palander onderwijl zijne berekeningen nog eens nazag.Wat den ongezelligen Strux aangaat, deze zocht het gezelschap zijner Engelsche ambtgenooten nimmer op, en bleef alléén. William Emery en Michel Zorn gebruikten hun tijd om wandelingen in den omtrek van Kolobeng te maken. De innigste vriendschap hield hen verbonden, en zij geloofden niet dat eenige gebeurtenis ooit deze genegenheid kon doen verdwijnen, die op eene hartelijke overeenstemming van hoofd en hart gegrond was.Den 30stenAugustus kwam de zoo ongeduldig verwachte bode. Het was een inboorling van Kilmiane, eene stad aan een der monden van de Zambese. Een koopvaarder van het eiland Mauritius, die handel dreef in gom en ivoor, had in de eerste dagen van Juli het anker op dit gedeelte van de oostkust geworpen, en de pakketten overgebracht, waarmede hij zich voor de zendelingen van Kolobeng belast had. De medegebrachte brieven en dagbladen waren dus meer dan drie maanden oud, want de inlander had niet minder dan vier weken besteed om den loop van de Zambese stroomopwaarts te volgen.Dien dag gebeurde er iets, dat in al zijne bijzonderheden moet worden medegedeeld, daar de gevolgen er van de toekomst der wetenschappelijke zending ernstig bedreigden.Zoodra de bode was aangekomen, gaf het hoofd der zendelingen aan den kolonel een paar Europeesche nieuwsbladen. Het waren meerendeels nommers van deTimes, deDaily Newsen hetJournal des Débats. De daarin vervatte tijdingen hadden in deze omstandighedeneen bijzonder belang, zooals men uit het volgende kan beoordeelen.William Emery drukte zijn vriend de hand. Blz. 120.William Emery drukte zijn vriend de hand. Blz.120.De leden der commissie waren in de voornaamste kamer van hetzendelingenhuis vereenigd. Nadat de kolonel een pak dagbladen had losgemaakt, nam hij een nommer van deDaily Newsvan 13 Mei 1854, ten einde dit aan zijne ambtgenooten voor te lezen.Maar nauwelijks had hij den titel van het eerste artikel gelezen, of zijn gelaat veranderde plotseling, zijn voorhoofd rimpelde zich, en de hand die het blad vasthield beefde van ontroering. Na eenige oogenblikken was kolonel Everest zich zelven weder meester, en hernam hij zijne gewone kalmte. Toen stond John Murray op en vroeg hem: »Wat hebt u uit dat blad vernomen, kolonel?”»Ernstige tijdingen, mijne heeren,” was het antwoord, »zeer ernstige, die ik u zal mededeelen.”De kolonel had het blad nog altijd in de hand. Zijne ambtgenooten hielden het oog op hem gevestigd en konden zich in zijne houding niet vergissen; zij wachtten dus met ongeduld dat hij het woord zou nemen.De kolonel stond op; tot aller verbazing maar vooral van hem die het voorwerp was van hetgeen er volgde, ging hij naar Mathieu Strux, en zeide:»Voordat ik de tijdingen mededeel, die dit blad bevat, wenschte ik u eene opmerking te maken, mijnheer!”»Ik ben gereed u aan te hooren,” antwoordde de Rus.Toen sprak de kolonel op ernstigen toon:»Tot op dit oogenblik, mijnheer Strux, heeft eene meer persoonlijke dan wel wetenschappelijke ijverzucht ons van elkander gescheiden, en onze samenwerking bemoeilijkt bij den arbeid, dien we ten algemeenen nutte ondernomen hadden. Ik geloof dezen staat van zaken alléén te moeten toeschrijven aan de omstandigheid dat wij beiden aan het hoofd der onderneming stonden. Deze toestand riep tusschen ons voortdurende ijverzucht in het leven. Bij elke onderneming, van welken aard ook, moet er slechts één hoofd zijn. Zijt gij dit niet met mij eens?”Mathieu Strux boog het hoofd ten teeken van toestemming.»Ten gevolge vannieuweomstandigheden,” hervatte de kolonel, »zal die voor ons beiden zoo moeilijke toestand ophouden, mijnheer. Maar laat me u vooraf zeggen, dat ik voor u hooge achting koester, eene achting, die u verdient door de plaats, die u in de geleerde wereld inneemt. Ik verzoek u dus wel te willen gelooven, dat ik innig leedwezen gevoel over al hetgeen er tusschen ons is voorgevallen.”De kolonel sprak deze woorden met groote waardigheid, en zelfs met zonderlingen trots uit. Men gevoelde dat er in deze vrijwillige, en zoo edel uitgedrukte verontschuldiging geene vernedering stak. Noch Mathieu Strux, noch zijne ambtgenooten begrepen waar de kolonel heen wilde; zij konden niet raden waarom hij zóó handelde. Misschien zelfs was de Russische astronoom, die dezelfde redenen niet had om zóó te spreken, minder genegen om zijn persoonlijken wrok prijs te geven. Evenwel bedwong hij zijn tegenzin en antwoordde in deze woorden:»Kolonel, ik denk als u dat die ijverzucht, waarvan ik de oorzaak niet wil opsporen, den wetenschappelijken arbeid, waarmede wij belast zijn, in geenen deele moet benadeelen. Ik gevoel voor u de achting, die uwe talenten verdienen, en zooveel het in mijne macht staat zal ik voortaan zorgen dat mijne persoonlijke gevoelens in onze betrekkingen op den achtergrond staan. Doch u hebt gesproken van veranderingen, die de omstandigheden in onzen toestand zullen te weeg brengen; ik begrijp niet wat....”»U zult me begrijpen, mijnheer Strux,” zeide de kolonel op een toon, die niet vrij was van droefgeestigheid. »Maar geef mij eerst de hand.”Mathieu Strux stak hem die niet zonder eene lichte aarzeling toe.De twee geleerden gaven elkander de hand en spraken geen woord.»Eindelijk!” riep John Murray, »nu zijt ge vrienden!”»Neen mijnheer!” antwoordde de kolonel, terwijl hij de hand van den Russischen astronoom losliet, »voortaan zijn we vijanden! vijanden, gescheiden door een afgrond! vijanden, die elkander niet meer mogen ontmoeten, zelfs op wetenschappelijk gebied!”En zich toen naar zijne ambtgenooten wendende, voegde hij er bij: »Mijne heeren, er is tusschen Engeland en Rusland een oorlog uitgebroken. Ziet hier de Engelsche, Russische en Fransche bladen, die ons dit mededeelen!”Inderdaad was op dat oogenblik de oorlog van 1854 begonnen. De Engelschen streden verbonden met Franschen en Turken voor Sebastopol. Het Oostersche vraagstuk werd in de ZwarteZeemet het kanon behandeld.De laatste woorden van kolonel Everest hadden de uitwerking van een bliksemstraal. De indruk daardoor op Engelschen en Russen te weeg gebracht, was zeer hevig. Zij waren plotseling opgestaan. Die enkele woorden: »de oorlog is verklaard!” waren genoeg; het waren geen reisgezellen, geen ambtgenooten, geen geleerden meer, die zich vereenigd hadden tot een zelfde wetenschappelijk doel, maar het waren vijanden, die elkander reeds met den blik maten; zooveel invloed heeft de strijd tusschen twee natiën op het hart der menschen!Een onwillekeurige beweging had de Europeanen van elkander verwijderd. Zelfs Nikolaas Palander ondervond den algemeenen indruk. Emery en Zorn waren misschien de eenigen, die elkander met meer droefgeestigheid dan vijandschap aankeken, en het betreurden, dat zij elkander voor de mededeeling van kolonel Everest nog niet eene laatste maal de hand hadden gedrukt. Er werd geen woord gesproken. Na een groet te hebben gewisseld, gingen de Russen en de Engelschen uit een.Deze nieuwe toestand, deze scheiding tusschen beide partijen zou het voortzetten van den geodesischen arbeid veel moeilijker maken, maar dien niet afbreken. Elk der beide partijen wilde, in het belang van haar vaderland, het begonnen werk vervolgen. Echter moesten nu de metingen langs twee verschillende meridianen wordenvoortgezet. In een onderhoud tusschen de heeren Strux en Everest werden deze bijzonderheden geregeld. Het lot besliste dat de Russen de metingen langs den reeds begonnen meridiaan zouden voortzetten. Wat de Engelschen aangaat, deze beschouwden het gemeenschappelijke werk afgeloopen, en moesten nu zestig of tachtig kilometers meer westwaarts een anderen boog kiezen, dien zij door eene reeks driehoeken met den eersten boog in verbinding moesten stellen, daarna zouden zij onder die omstandigheden hunne triangulatie tot aan den twintigsten parallel voortzetten.Al die punten werden tusschen de beide heeren geregeld, en men moet zeggen dat dit zonder een onvertogen woord geschiedde. Hun persoonlijke naijver deed onder voor hunne nationale eerzucht. Strux en de kolonel wisselden geen verkeerd woord en hielden zich binnen de striktste grenzen van welvoeglijkheid.Wat de karavaan aangaat, daaromtrent werd beslist dat zij in tweeën zou worden gedeeld, en elke afdeeling haar materieel zou behouden. Het lot wees aan de Russen de stoomboot toe, omdat deze natuurlijk niet kon verdeeld worden.De Boschjesman, die zeer aan de Engelschen en vooral aan John Murray gehecht was, behield de leiding der Engelsche karavaan. De gids, insgelijks een zeer schrander man, werd aan het hoofd der Russische karavaan geplaatst. Elke afdeeling hield hare instrumenten, evenals een der dubbel bijgehouden registers, waarin de uitkomsten der metingen tot nog toe waren ingeschreven.Den 31stenAugustus scheidden de leden der vroegere internationale commissie van elkander. De Engelschen gingen het eerst op weg om hunnen nieuwen meridiaan in overeenstemming te brengen met het laatste station. Zij verlieten Kolobeng om acht uren ’s morgens, na de zendelingen voor hunne gastvrijheid bedankt te hebben.En indien een der zendelingen een oogenblik voor het vertrek der Engelschen, in de kamer van Michel Zorn gekomen was, zou hij daar William Emery gevonden hebben, die zijn vroegeren vriend, van wien hij nu door den wil van Hunne Majesteiten de koningin en den tsaar gescheiden was, de hand drukte!

XIV.Eene oorlogsverklaring.Het werk werd denzelfden dag hervat. Elk voorwendsel tot oneenigheid was verdwenen. Kolonel Everest en Mathieu Strux vergaven het elkander niet, maar hervatten te zamen de geodesische opmetingen.Aan de linkerzijde van de groote opening die het vuur gebaand had, verhief zich op den afstand van ongeveer vijf kilometers een heuveltje. De top daarvan kon als station dienen, en als toppunt van een nieuwen driehoek genomen worden. De hoek, dien deze heuvel met het laatste station vormde werd derhalve gemeten en den volgenden morgen trok de geheele karavaan door het afgebrande woud vooruit. Het was een met houtskool bedekte weg; de grond was nog warm; hier en daar rookte hij nog, en verhief zich een zwoele luchtstroom. Op menige plaats lagen verkoolde overblijfsels van dieren, die in hun leger overvallen waren, en aan de woedende vlammen niet hadden kunnen ontkomen. Zwarte rookkolommen, die op sommige plaatsen nog in de hoogte kronkelden, wezen de plaatsaan waar zulke lijken lagen. Misschien zelfs was de brand nog niet gebluscht en kon hij door den hevigen wind op nieuw uitbarsten, en het geheele woud verslinden.»Voordat ik de tijdingen mededeel.” Blz. 118.»Voordat ik de tijdingen mededeel.” Blz.118.Daarom verhaastte de wetenschappelijke commissie haren tocht. Wanneer de karavaan door het vuur ingesloten was geworden, zou zij verloren zijn geweest. Zij haastte zich dus om het tooneel van verwoesting te ontvluchten, terwijl de boomen aan weerszijden nog brandden. Mokum vuurde dus de wagenmenners aan, en tegen het midden van den dag was er eene legerplaats opgeslagen aan den voet van het heuveltje, dat door den nonius reeds waargenomen was. De rotsmassa, die op den top van den heuvel stond, was als ’t ware door menschenhanden daar geplaatst. Zij geleek op een dolmen, eene verzameling van druïdensteenen, die een oudheidkenner met verbazing hier zou begroet hebben. Een ontzaglijk groote hoekige zandsteen stak boven allen uit, en stond boven op dit gedenkteeken, dat veel weg had van een Afrikaansch altaar.De jonge sterrekundigen en John Murray wilden dit zonderlinge gedenkteeken bezoeken. Langs een der hellingen beklommen zij den top in gezelschap van den Boschjesman. De bezoekers waren geen twintig schreden meer van den dolmen af toen een man, die tot nog toe achter een der opstaande steenen verborgen had gestaan, een oogenblik te voorschijn kwam; daarop liet hij zich als een bal van den heuvel af rollen en verdween snel in een dicht kreupelbosch, dat door het vuur gespaard was gebleven.De Boschjesman zag dien man slechts één oogenblik, maar dat oogenblik was genoeg om hem te herkennen.»Een Makololo!” riep hij, en rende den vluchteling na. John Murray, door zijne jagersnatuur medegesleept, volgde zijn vriend. Beiden doorkruisten het bosch zonder den inboorling te vinden. Deze was in het woud gevlucht, waarvan hij alle paden scheen te kennen, en de beste speurhond had hem hier niet terug kunnen vinden.Zoodra kolonel Everest van het geval hoorde, liet hij den Boschjesman bij zich komen en ondervroeg hem. »Wie was die inlander? Wat deed hij daar? Waarom had Mokum den vluchteling vervolgd?”»Het is een Makololo, kolonel,” antwoordde Mokum, »een inboorling uit het noorden, die evenals zijne stamverwanten steeds langs de oevers van de Zambese zwerft. Het is niet alleen een vijand van alle Boschjesmannen, maar een geduchte plunderaar van alle reizigers, die zich in de binnenlanden van zuidelijk Afrika wagen. Deze man bespiedde ons, en we zullen misschien reden hebben om ons te beklagen, dat we ons niet van hem hebben kunnen meester maken.”»Maar Boschjesman,” hernam de kolonel, »wat hebben we van een dievenbende te vreezen? Zijn we niet talrijk genoeg om haar weerstand te bieden?”»Op dit oogenblik, ja,” hervatte de Boschjesman, »maar deze plunderzieke stammen vindt men menigvuldiger in het noorden, en daar is het moeilijk om hun te ontsnappen. Indien deze Makololo een spion is, waaraan ik niet twijfel, dan zal hij niet in gebrekeblijven met eenige honderden plunderaars ons den weg te versperren, en in dat geval, kolonel, geef ik geen oortje voor al uwe driehoeken.”Kolonel Everest was zeer teleurgesteld door deze ontmoeting. Hij wist dat de Boschjesman er de man niet naar was om het gevaar te overdrijven, en dat men wel op zijne aanmerkingen letten mocht. Het oogmerk van den inboorling kon niet anders dan achterdocht wekken. Zijne plotselinge verschijning en zijne onmiddellijk daarop gevolgde vlucht bewezen dat hij op heeterdaad als spion betrapt was. Het scheen dus niet onmogelijk dat de tegenwoordigheid van de Engelsch-Russische commissie aan de noordelijker wonende stammen spoedig bekend zou worden gemaakt. In allen gevalle was de kwaal zonder geneesmiddel. Men besloot alleen om met meer omzichtigheid vooruit te gaan en zette intusschen de triangulatie voort.Den 17denAugustus had men een derden graad van den meridiaan gemeten. De breedte werd goed opgenomen, en daardoor verkreeg men met groote juistheid de plaatsbepaling. De astronomen hadden drie graden van den boog opgemeten, en daartoe van het uiterste punt van de zuidelijke basis af tweeëntwintig driehoeken noodig gehad.Toen men de plaats op de kaart had nagegaan, bemerkte men dat het dorp Kolobeng slechts een honderdtal kilometers ten noordoosten van den meridiaan gelegen was. De astronomen raadpleegden met elkander en besloten om in dit dorp eenige dagen rust te nemen, omdat zij daar zeker eenige tijding uit Europa zouden krijgen. Sedert ongeveer zes maanden hadden zij de oevers van de Oranjerivier verlaten, en ronddwalende in de Zuid-Afrikaansche wildernissen, waren zij verstoken van de gemeenschap met de beschaafde wereld. Te Kolobeng, een vrij aanzienlijk dorp en een hoofdstation van zendelingen, zouden zij mogelijk den verbroken band met de Europeesche beschaving wederom kunnen aanknoopen. Op deze plaats zou de karavaan ook van hare vermoeienis kunnen uitrusten en den voorraad gedeeltelijk vernieuwen.De groote onbeweegbare steen, die als baken bij de laatste opmeting gediend had, werd beschouwd als het eindstation van dit eerste deel der geodesische opname. Van dit vaststaande baken uit moesten de volgende waarnemingen weder beginnen. De breedte der plaats werd daarom nauwkeurig bepaald. Nadat de kolonel van dit merkteeken de zekere plaats had aangewezen, gaf hij het teeken tot vertrekken, en de geheele karavaan richtte zich naar Kolobeng.Den 22stenAugustus kwamen de Europeanen na een reis zonder eenig bijzonder voorval bij dat dorp aan; het was slechts eene verzameling van inlandsche hutten, waarboven de woning der zendelingen uitstak. Dit dorp, dat op enkele kaarten ook Litoubarouba genoemdwordt, heette eertijds Lepelolé. Daar vestigde zich in 1843 Livingstone gedurende verscheidene maanden en maakte zich gemeenzaam met de gewoonten der Betschuanen, die in dit gedeelte van zuidelijk Afrika meer onder den naam van Bakoninen bekend zijn.De zendelingen ontvingen de leden der wetenschappelijke commissie zeer gastvrij. Zij stelden alle voortbrengselen van het land ter hunner beschikking. Dáár stond ook nog het huis van Livingstone, zooals het was toen de jager Baldring het bezocht, dat is te zeggen geplunderd en vervallen, want de Boeren hadden het bij hun inval van 1852 niet ontzien.Zoodra de astronomen in het huis der zendelingen gehuisvest waren, vroegen zij naar tijdingen uit Europa. Men kon aan hun verlangen niet voldoen. Sedert zes maanden was geen bode bij de zendelingen aangekomen; doch men wachtte binnen weinige dagen een inlander met dagbladen en brieven, daar men voor korten tijd dezen aan de oevers van de boven-Zambese meende gezien te hebben. Volgens de meening der zendelingen kon die bode niet langer dan een week meer uitblijven. Het was juist de tijd dien de astronomen besteden wilden om uit te rusten, en deze week brachten zij dan ook in eendolce far nientedoor, terwijl Nikolaas Palander onderwijl zijne berekeningen nog eens nazag.Wat den ongezelligen Strux aangaat, deze zocht het gezelschap zijner Engelsche ambtgenooten nimmer op, en bleef alléén. William Emery en Michel Zorn gebruikten hun tijd om wandelingen in den omtrek van Kolobeng te maken. De innigste vriendschap hield hen verbonden, en zij geloofden niet dat eenige gebeurtenis ooit deze genegenheid kon doen verdwijnen, die op eene hartelijke overeenstemming van hoofd en hart gegrond was.Den 30stenAugustus kwam de zoo ongeduldig verwachte bode. Het was een inboorling van Kilmiane, eene stad aan een der monden van de Zambese. Een koopvaarder van het eiland Mauritius, die handel dreef in gom en ivoor, had in de eerste dagen van Juli het anker op dit gedeelte van de oostkust geworpen, en de pakketten overgebracht, waarmede hij zich voor de zendelingen van Kolobeng belast had. De medegebrachte brieven en dagbladen waren dus meer dan drie maanden oud, want de inlander had niet minder dan vier weken besteed om den loop van de Zambese stroomopwaarts te volgen.Dien dag gebeurde er iets, dat in al zijne bijzonderheden moet worden medegedeeld, daar de gevolgen er van de toekomst der wetenschappelijke zending ernstig bedreigden.Zoodra de bode was aangekomen, gaf het hoofd der zendelingen aan den kolonel een paar Europeesche nieuwsbladen. Het waren meerendeels nommers van deTimes, deDaily Newsen hetJournal des Débats. De daarin vervatte tijdingen hadden in deze omstandighedeneen bijzonder belang, zooals men uit het volgende kan beoordeelen.William Emery drukte zijn vriend de hand. Blz. 120.William Emery drukte zijn vriend de hand. Blz.120.De leden der commissie waren in de voornaamste kamer van hetzendelingenhuis vereenigd. Nadat de kolonel een pak dagbladen had losgemaakt, nam hij een nommer van deDaily Newsvan 13 Mei 1854, ten einde dit aan zijne ambtgenooten voor te lezen.Maar nauwelijks had hij den titel van het eerste artikel gelezen, of zijn gelaat veranderde plotseling, zijn voorhoofd rimpelde zich, en de hand die het blad vasthield beefde van ontroering. Na eenige oogenblikken was kolonel Everest zich zelven weder meester, en hernam hij zijne gewone kalmte. Toen stond John Murray op en vroeg hem: »Wat hebt u uit dat blad vernomen, kolonel?”»Ernstige tijdingen, mijne heeren,” was het antwoord, »zeer ernstige, die ik u zal mededeelen.”De kolonel had het blad nog altijd in de hand. Zijne ambtgenooten hielden het oog op hem gevestigd en konden zich in zijne houding niet vergissen; zij wachtten dus met ongeduld dat hij het woord zou nemen.De kolonel stond op; tot aller verbazing maar vooral van hem die het voorwerp was van hetgeen er volgde, ging hij naar Mathieu Strux, en zeide:»Voordat ik de tijdingen mededeel, die dit blad bevat, wenschte ik u eene opmerking te maken, mijnheer!”»Ik ben gereed u aan te hooren,” antwoordde de Rus.Toen sprak de kolonel op ernstigen toon:»Tot op dit oogenblik, mijnheer Strux, heeft eene meer persoonlijke dan wel wetenschappelijke ijverzucht ons van elkander gescheiden, en onze samenwerking bemoeilijkt bij den arbeid, dien we ten algemeenen nutte ondernomen hadden. Ik geloof dezen staat van zaken alléén te moeten toeschrijven aan de omstandigheid dat wij beiden aan het hoofd der onderneming stonden. Deze toestand riep tusschen ons voortdurende ijverzucht in het leven. Bij elke onderneming, van welken aard ook, moet er slechts één hoofd zijn. Zijt gij dit niet met mij eens?”Mathieu Strux boog het hoofd ten teeken van toestemming.»Ten gevolge vannieuweomstandigheden,” hervatte de kolonel, »zal die voor ons beiden zoo moeilijke toestand ophouden, mijnheer. Maar laat me u vooraf zeggen, dat ik voor u hooge achting koester, eene achting, die u verdient door de plaats, die u in de geleerde wereld inneemt. Ik verzoek u dus wel te willen gelooven, dat ik innig leedwezen gevoel over al hetgeen er tusschen ons is voorgevallen.”De kolonel sprak deze woorden met groote waardigheid, en zelfs met zonderlingen trots uit. Men gevoelde dat er in deze vrijwillige, en zoo edel uitgedrukte verontschuldiging geene vernedering stak. Noch Mathieu Strux, noch zijne ambtgenooten begrepen waar de kolonel heen wilde; zij konden niet raden waarom hij zóó handelde. Misschien zelfs was de Russische astronoom, die dezelfde redenen niet had om zóó te spreken, minder genegen om zijn persoonlijken wrok prijs te geven. Evenwel bedwong hij zijn tegenzin en antwoordde in deze woorden:»Kolonel, ik denk als u dat die ijverzucht, waarvan ik de oorzaak niet wil opsporen, den wetenschappelijken arbeid, waarmede wij belast zijn, in geenen deele moet benadeelen. Ik gevoel voor u de achting, die uwe talenten verdienen, en zooveel het in mijne macht staat zal ik voortaan zorgen dat mijne persoonlijke gevoelens in onze betrekkingen op den achtergrond staan. Doch u hebt gesproken van veranderingen, die de omstandigheden in onzen toestand zullen te weeg brengen; ik begrijp niet wat....”»U zult me begrijpen, mijnheer Strux,” zeide de kolonel op een toon, die niet vrij was van droefgeestigheid. »Maar geef mij eerst de hand.”Mathieu Strux stak hem die niet zonder eene lichte aarzeling toe.De twee geleerden gaven elkander de hand en spraken geen woord.»Eindelijk!” riep John Murray, »nu zijt ge vrienden!”»Neen mijnheer!” antwoordde de kolonel, terwijl hij de hand van den Russischen astronoom losliet, »voortaan zijn we vijanden! vijanden, gescheiden door een afgrond! vijanden, die elkander niet meer mogen ontmoeten, zelfs op wetenschappelijk gebied!”En zich toen naar zijne ambtgenooten wendende, voegde hij er bij: »Mijne heeren, er is tusschen Engeland en Rusland een oorlog uitgebroken. Ziet hier de Engelsche, Russische en Fransche bladen, die ons dit mededeelen!”Inderdaad was op dat oogenblik de oorlog van 1854 begonnen. De Engelschen streden verbonden met Franschen en Turken voor Sebastopol. Het Oostersche vraagstuk werd in de ZwarteZeemet het kanon behandeld.De laatste woorden van kolonel Everest hadden de uitwerking van een bliksemstraal. De indruk daardoor op Engelschen en Russen te weeg gebracht, was zeer hevig. Zij waren plotseling opgestaan. Die enkele woorden: »de oorlog is verklaard!” waren genoeg; het waren geen reisgezellen, geen ambtgenooten, geen geleerden meer, die zich vereenigd hadden tot een zelfde wetenschappelijk doel, maar het waren vijanden, die elkander reeds met den blik maten; zooveel invloed heeft de strijd tusschen twee natiën op het hart der menschen!Een onwillekeurige beweging had de Europeanen van elkander verwijderd. Zelfs Nikolaas Palander ondervond den algemeenen indruk. Emery en Zorn waren misschien de eenigen, die elkander met meer droefgeestigheid dan vijandschap aankeken, en het betreurden, dat zij elkander voor de mededeeling van kolonel Everest nog niet eene laatste maal de hand hadden gedrukt. Er werd geen woord gesproken. Na een groet te hebben gewisseld, gingen de Russen en de Engelschen uit een.Deze nieuwe toestand, deze scheiding tusschen beide partijen zou het voortzetten van den geodesischen arbeid veel moeilijker maken, maar dien niet afbreken. Elk der beide partijen wilde, in het belang van haar vaderland, het begonnen werk vervolgen. Echter moesten nu de metingen langs twee verschillende meridianen wordenvoortgezet. In een onderhoud tusschen de heeren Strux en Everest werden deze bijzonderheden geregeld. Het lot besliste dat de Russen de metingen langs den reeds begonnen meridiaan zouden voortzetten. Wat de Engelschen aangaat, deze beschouwden het gemeenschappelijke werk afgeloopen, en moesten nu zestig of tachtig kilometers meer westwaarts een anderen boog kiezen, dien zij door eene reeks driehoeken met den eersten boog in verbinding moesten stellen, daarna zouden zij onder die omstandigheden hunne triangulatie tot aan den twintigsten parallel voortzetten.Al die punten werden tusschen de beide heeren geregeld, en men moet zeggen dat dit zonder een onvertogen woord geschiedde. Hun persoonlijke naijver deed onder voor hunne nationale eerzucht. Strux en de kolonel wisselden geen verkeerd woord en hielden zich binnen de striktste grenzen van welvoeglijkheid.Wat de karavaan aangaat, daaromtrent werd beslist dat zij in tweeën zou worden gedeeld, en elke afdeeling haar materieel zou behouden. Het lot wees aan de Russen de stoomboot toe, omdat deze natuurlijk niet kon verdeeld worden.De Boschjesman, die zeer aan de Engelschen en vooral aan John Murray gehecht was, behield de leiding der Engelsche karavaan. De gids, insgelijks een zeer schrander man, werd aan het hoofd der Russische karavaan geplaatst. Elke afdeeling hield hare instrumenten, evenals een der dubbel bijgehouden registers, waarin de uitkomsten der metingen tot nog toe waren ingeschreven.Den 31stenAugustus scheidden de leden der vroegere internationale commissie van elkander. De Engelschen gingen het eerst op weg om hunnen nieuwen meridiaan in overeenstemming te brengen met het laatste station. Zij verlieten Kolobeng om acht uren ’s morgens, na de zendelingen voor hunne gastvrijheid bedankt te hebben.En indien een der zendelingen een oogenblik voor het vertrek der Engelschen, in de kamer van Michel Zorn gekomen was, zou hij daar William Emery gevonden hebben, die zijn vroegeren vriend, van wien hij nu door den wil van Hunne Majesteiten de koningin en den tsaar gescheiden was, de hand drukte!

XIV.Eene oorlogsverklaring.Het werk werd denzelfden dag hervat. Elk voorwendsel tot oneenigheid was verdwenen. Kolonel Everest en Mathieu Strux vergaven het elkander niet, maar hervatten te zamen de geodesische opmetingen.Aan de linkerzijde van de groote opening die het vuur gebaand had, verhief zich op den afstand van ongeveer vijf kilometers een heuveltje. De top daarvan kon als station dienen, en als toppunt van een nieuwen driehoek genomen worden. De hoek, dien deze heuvel met het laatste station vormde werd derhalve gemeten en den volgenden morgen trok de geheele karavaan door het afgebrande woud vooruit. Het was een met houtskool bedekte weg; de grond was nog warm; hier en daar rookte hij nog, en verhief zich een zwoele luchtstroom. Op menige plaats lagen verkoolde overblijfsels van dieren, die in hun leger overvallen waren, en aan de woedende vlammen niet hadden kunnen ontkomen. Zwarte rookkolommen, die op sommige plaatsen nog in de hoogte kronkelden, wezen de plaatsaan waar zulke lijken lagen. Misschien zelfs was de brand nog niet gebluscht en kon hij door den hevigen wind op nieuw uitbarsten, en het geheele woud verslinden.»Voordat ik de tijdingen mededeel.” Blz. 118.»Voordat ik de tijdingen mededeel.” Blz.118.Daarom verhaastte de wetenschappelijke commissie haren tocht. Wanneer de karavaan door het vuur ingesloten was geworden, zou zij verloren zijn geweest. Zij haastte zich dus om het tooneel van verwoesting te ontvluchten, terwijl de boomen aan weerszijden nog brandden. Mokum vuurde dus de wagenmenners aan, en tegen het midden van den dag was er eene legerplaats opgeslagen aan den voet van het heuveltje, dat door den nonius reeds waargenomen was. De rotsmassa, die op den top van den heuvel stond, was als ’t ware door menschenhanden daar geplaatst. Zij geleek op een dolmen, eene verzameling van druïdensteenen, die een oudheidkenner met verbazing hier zou begroet hebben. Een ontzaglijk groote hoekige zandsteen stak boven allen uit, en stond boven op dit gedenkteeken, dat veel weg had van een Afrikaansch altaar.De jonge sterrekundigen en John Murray wilden dit zonderlinge gedenkteeken bezoeken. Langs een der hellingen beklommen zij den top in gezelschap van den Boschjesman. De bezoekers waren geen twintig schreden meer van den dolmen af toen een man, die tot nog toe achter een der opstaande steenen verborgen had gestaan, een oogenblik te voorschijn kwam; daarop liet hij zich als een bal van den heuvel af rollen en verdween snel in een dicht kreupelbosch, dat door het vuur gespaard was gebleven.De Boschjesman zag dien man slechts één oogenblik, maar dat oogenblik was genoeg om hem te herkennen.»Een Makololo!” riep hij, en rende den vluchteling na. John Murray, door zijne jagersnatuur medegesleept, volgde zijn vriend. Beiden doorkruisten het bosch zonder den inboorling te vinden. Deze was in het woud gevlucht, waarvan hij alle paden scheen te kennen, en de beste speurhond had hem hier niet terug kunnen vinden.Zoodra kolonel Everest van het geval hoorde, liet hij den Boschjesman bij zich komen en ondervroeg hem. »Wie was die inlander? Wat deed hij daar? Waarom had Mokum den vluchteling vervolgd?”»Het is een Makololo, kolonel,” antwoordde Mokum, »een inboorling uit het noorden, die evenals zijne stamverwanten steeds langs de oevers van de Zambese zwerft. Het is niet alleen een vijand van alle Boschjesmannen, maar een geduchte plunderaar van alle reizigers, die zich in de binnenlanden van zuidelijk Afrika wagen. Deze man bespiedde ons, en we zullen misschien reden hebben om ons te beklagen, dat we ons niet van hem hebben kunnen meester maken.”»Maar Boschjesman,” hernam de kolonel, »wat hebben we van een dievenbende te vreezen? Zijn we niet talrijk genoeg om haar weerstand te bieden?”»Op dit oogenblik, ja,” hervatte de Boschjesman, »maar deze plunderzieke stammen vindt men menigvuldiger in het noorden, en daar is het moeilijk om hun te ontsnappen. Indien deze Makololo een spion is, waaraan ik niet twijfel, dan zal hij niet in gebrekeblijven met eenige honderden plunderaars ons den weg te versperren, en in dat geval, kolonel, geef ik geen oortje voor al uwe driehoeken.”Kolonel Everest was zeer teleurgesteld door deze ontmoeting. Hij wist dat de Boschjesman er de man niet naar was om het gevaar te overdrijven, en dat men wel op zijne aanmerkingen letten mocht. Het oogmerk van den inboorling kon niet anders dan achterdocht wekken. Zijne plotselinge verschijning en zijne onmiddellijk daarop gevolgde vlucht bewezen dat hij op heeterdaad als spion betrapt was. Het scheen dus niet onmogelijk dat de tegenwoordigheid van de Engelsch-Russische commissie aan de noordelijker wonende stammen spoedig bekend zou worden gemaakt. In allen gevalle was de kwaal zonder geneesmiddel. Men besloot alleen om met meer omzichtigheid vooruit te gaan en zette intusschen de triangulatie voort.Den 17denAugustus had men een derden graad van den meridiaan gemeten. De breedte werd goed opgenomen, en daardoor verkreeg men met groote juistheid de plaatsbepaling. De astronomen hadden drie graden van den boog opgemeten, en daartoe van het uiterste punt van de zuidelijke basis af tweeëntwintig driehoeken noodig gehad.Toen men de plaats op de kaart had nagegaan, bemerkte men dat het dorp Kolobeng slechts een honderdtal kilometers ten noordoosten van den meridiaan gelegen was. De astronomen raadpleegden met elkander en besloten om in dit dorp eenige dagen rust te nemen, omdat zij daar zeker eenige tijding uit Europa zouden krijgen. Sedert ongeveer zes maanden hadden zij de oevers van de Oranjerivier verlaten, en ronddwalende in de Zuid-Afrikaansche wildernissen, waren zij verstoken van de gemeenschap met de beschaafde wereld. Te Kolobeng, een vrij aanzienlijk dorp en een hoofdstation van zendelingen, zouden zij mogelijk den verbroken band met de Europeesche beschaving wederom kunnen aanknoopen. Op deze plaats zou de karavaan ook van hare vermoeienis kunnen uitrusten en den voorraad gedeeltelijk vernieuwen.De groote onbeweegbare steen, die als baken bij de laatste opmeting gediend had, werd beschouwd als het eindstation van dit eerste deel der geodesische opname. Van dit vaststaande baken uit moesten de volgende waarnemingen weder beginnen. De breedte der plaats werd daarom nauwkeurig bepaald. Nadat de kolonel van dit merkteeken de zekere plaats had aangewezen, gaf hij het teeken tot vertrekken, en de geheele karavaan richtte zich naar Kolobeng.Den 22stenAugustus kwamen de Europeanen na een reis zonder eenig bijzonder voorval bij dat dorp aan; het was slechts eene verzameling van inlandsche hutten, waarboven de woning der zendelingen uitstak. Dit dorp, dat op enkele kaarten ook Litoubarouba genoemdwordt, heette eertijds Lepelolé. Daar vestigde zich in 1843 Livingstone gedurende verscheidene maanden en maakte zich gemeenzaam met de gewoonten der Betschuanen, die in dit gedeelte van zuidelijk Afrika meer onder den naam van Bakoninen bekend zijn.De zendelingen ontvingen de leden der wetenschappelijke commissie zeer gastvrij. Zij stelden alle voortbrengselen van het land ter hunner beschikking. Dáár stond ook nog het huis van Livingstone, zooals het was toen de jager Baldring het bezocht, dat is te zeggen geplunderd en vervallen, want de Boeren hadden het bij hun inval van 1852 niet ontzien.Zoodra de astronomen in het huis der zendelingen gehuisvest waren, vroegen zij naar tijdingen uit Europa. Men kon aan hun verlangen niet voldoen. Sedert zes maanden was geen bode bij de zendelingen aangekomen; doch men wachtte binnen weinige dagen een inlander met dagbladen en brieven, daar men voor korten tijd dezen aan de oevers van de boven-Zambese meende gezien te hebben. Volgens de meening der zendelingen kon die bode niet langer dan een week meer uitblijven. Het was juist de tijd dien de astronomen besteden wilden om uit te rusten, en deze week brachten zij dan ook in eendolce far nientedoor, terwijl Nikolaas Palander onderwijl zijne berekeningen nog eens nazag.Wat den ongezelligen Strux aangaat, deze zocht het gezelschap zijner Engelsche ambtgenooten nimmer op, en bleef alléén. William Emery en Michel Zorn gebruikten hun tijd om wandelingen in den omtrek van Kolobeng te maken. De innigste vriendschap hield hen verbonden, en zij geloofden niet dat eenige gebeurtenis ooit deze genegenheid kon doen verdwijnen, die op eene hartelijke overeenstemming van hoofd en hart gegrond was.Den 30stenAugustus kwam de zoo ongeduldig verwachte bode. Het was een inboorling van Kilmiane, eene stad aan een der monden van de Zambese. Een koopvaarder van het eiland Mauritius, die handel dreef in gom en ivoor, had in de eerste dagen van Juli het anker op dit gedeelte van de oostkust geworpen, en de pakketten overgebracht, waarmede hij zich voor de zendelingen van Kolobeng belast had. De medegebrachte brieven en dagbladen waren dus meer dan drie maanden oud, want de inlander had niet minder dan vier weken besteed om den loop van de Zambese stroomopwaarts te volgen.Dien dag gebeurde er iets, dat in al zijne bijzonderheden moet worden medegedeeld, daar de gevolgen er van de toekomst der wetenschappelijke zending ernstig bedreigden.Zoodra de bode was aangekomen, gaf het hoofd der zendelingen aan den kolonel een paar Europeesche nieuwsbladen. Het waren meerendeels nommers van deTimes, deDaily Newsen hetJournal des Débats. De daarin vervatte tijdingen hadden in deze omstandighedeneen bijzonder belang, zooals men uit het volgende kan beoordeelen.William Emery drukte zijn vriend de hand. Blz. 120.William Emery drukte zijn vriend de hand. Blz.120.De leden der commissie waren in de voornaamste kamer van hetzendelingenhuis vereenigd. Nadat de kolonel een pak dagbladen had losgemaakt, nam hij een nommer van deDaily Newsvan 13 Mei 1854, ten einde dit aan zijne ambtgenooten voor te lezen.Maar nauwelijks had hij den titel van het eerste artikel gelezen, of zijn gelaat veranderde plotseling, zijn voorhoofd rimpelde zich, en de hand die het blad vasthield beefde van ontroering. Na eenige oogenblikken was kolonel Everest zich zelven weder meester, en hernam hij zijne gewone kalmte. Toen stond John Murray op en vroeg hem: »Wat hebt u uit dat blad vernomen, kolonel?”»Ernstige tijdingen, mijne heeren,” was het antwoord, »zeer ernstige, die ik u zal mededeelen.”De kolonel had het blad nog altijd in de hand. Zijne ambtgenooten hielden het oog op hem gevestigd en konden zich in zijne houding niet vergissen; zij wachtten dus met ongeduld dat hij het woord zou nemen.De kolonel stond op; tot aller verbazing maar vooral van hem die het voorwerp was van hetgeen er volgde, ging hij naar Mathieu Strux, en zeide:»Voordat ik de tijdingen mededeel, die dit blad bevat, wenschte ik u eene opmerking te maken, mijnheer!”»Ik ben gereed u aan te hooren,” antwoordde de Rus.Toen sprak de kolonel op ernstigen toon:»Tot op dit oogenblik, mijnheer Strux, heeft eene meer persoonlijke dan wel wetenschappelijke ijverzucht ons van elkander gescheiden, en onze samenwerking bemoeilijkt bij den arbeid, dien we ten algemeenen nutte ondernomen hadden. Ik geloof dezen staat van zaken alléén te moeten toeschrijven aan de omstandigheid dat wij beiden aan het hoofd der onderneming stonden. Deze toestand riep tusschen ons voortdurende ijverzucht in het leven. Bij elke onderneming, van welken aard ook, moet er slechts één hoofd zijn. Zijt gij dit niet met mij eens?”Mathieu Strux boog het hoofd ten teeken van toestemming.»Ten gevolge vannieuweomstandigheden,” hervatte de kolonel, »zal die voor ons beiden zoo moeilijke toestand ophouden, mijnheer. Maar laat me u vooraf zeggen, dat ik voor u hooge achting koester, eene achting, die u verdient door de plaats, die u in de geleerde wereld inneemt. Ik verzoek u dus wel te willen gelooven, dat ik innig leedwezen gevoel over al hetgeen er tusschen ons is voorgevallen.”De kolonel sprak deze woorden met groote waardigheid, en zelfs met zonderlingen trots uit. Men gevoelde dat er in deze vrijwillige, en zoo edel uitgedrukte verontschuldiging geene vernedering stak. Noch Mathieu Strux, noch zijne ambtgenooten begrepen waar de kolonel heen wilde; zij konden niet raden waarom hij zóó handelde. Misschien zelfs was de Russische astronoom, die dezelfde redenen niet had om zóó te spreken, minder genegen om zijn persoonlijken wrok prijs te geven. Evenwel bedwong hij zijn tegenzin en antwoordde in deze woorden:»Kolonel, ik denk als u dat die ijverzucht, waarvan ik de oorzaak niet wil opsporen, den wetenschappelijken arbeid, waarmede wij belast zijn, in geenen deele moet benadeelen. Ik gevoel voor u de achting, die uwe talenten verdienen, en zooveel het in mijne macht staat zal ik voortaan zorgen dat mijne persoonlijke gevoelens in onze betrekkingen op den achtergrond staan. Doch u hebt gesproken van veranderingen, die de omstandigheden in onzen toestand zullen te weeg brengen; ik begrijp niet wat....”»U zult me begrijpen, mijnheer Strux,” zeide de kolonel op een toon, die niet vrij was van droefgeestigheid. »Maar geef mij eerst de hand.”Mathieu Strux stak hem die niet zonder eene lichte aarzeling toe.De twee geleerden gaven elkander de hand en spraken geen woord.»Eindelijk!” riep John Murray, »nu zijt ge vrienden!”»Neen mijnheer!” antwoordde de kolonel, terwijl hij de hand van den Russischen astronoom losliet, »voortaan zijn we vijanden! vijanden, gescheiden door een afgrond! vijanden, die elkander niet meer mogen ontmoeten, zelfs op wetenschappelijk gebied!”En zich toen naar zijne ambtgenooten wendende, voegde hij er bij: »Mijne heeren, er is tusschen Engeland en Rusland een oorlog uitgebroken. Ziet hier de Engelsche, Russische en Fransche bladen, die ons dit mededeelen!”Inderdaad was op dat oogenblik de oorlog van 1854 begonnen. De Engelschen streden verbonden met Franschen en Turken voor Sebastopol. Het Oostersche vraagstuk werd in de ZwarteZeemet het kanon behandeld.De laatste woorden van kolonel Everest hadden de uitwerking van een bliksemstraal. De indruk daardoor op Engelschen en Russen te weeg gebracht, was zeer hevig. Zij waren plotseling opgestaan. Die enkele woorden: »de oorlog is verklaard!” waren genoeg; het waren geen reisgezellen, geen ambtgenooten, geen geleerden meer, die zich vereenigd hadden tot een zelfde wetenschappelijk doel, maar het waren vijanden, die elkander reeds met den blik maten; zooveel invloed heeft de strijd tusschen twee natiën op het hart der menschen!Een onwillekeurige beweging had de Europeanen van elkander verwijderd. Zelfs Nikolaas Palander ondervond den algemeenen indruk. Emery en Zorn waren misschien de eenigen, die elkander met meer droefgeestigheid dan vijandschap aankeken, en het betreurden, dat zij elkander voor de mededeeling van kolonel Everest nog niet eene laatste maal de hand hadden gedrukt. Er werd geen woord gesproken. Na een groet te hebben gewisseld, gingen de Russen en de Engelschen uit een.Deze nieuwe toestand, deze scheiding tusschen beide partijen zou het voortzetten van den geodesischen arbeid veel moeilijker maken, maar dien niet afbreken. Elk der beide partijen wilde, in het belang van haar vaderland, het begonnen werk vervolgen. Echter moesten nu de metingen langs twee verschillende meridianen wordenvoortgezet. In een onderhoud tusschen de heeren Strux en Everest werden deze bijzonderheden geregeld. Het lot besliste dat de Russen de metingen langs den reeds begonnen meridiaan zouden voortzetten. Wat de Engelschen aangaat, deze beschouwden het gemeenschappelijke werk afgeloopen, en moesten nu zestig of tachtig kilometers meer westwaarts een anderen boog kiezen, dien zij door eene reeks driehoeken met den eersten boog in verbinding moesten stellen, daarna zouden zij onder die omstandigheden hunne triangulatie tot aan den twintigsten parallel voortzetten.Al die punten werden tusschen de beide heeren geregeld, en men moet zeggen dat dit zonder een onvertogen woord geschiedde. Hun persoonlijke naijver deed onder voor hunne nationale eerzucht. Strux en de kolonel wisselden geen verkeerd woord en hielden zich binnen de striktste grenzen van welvoeglijkheid.Wat de karavaan aangaat, daaromtrent werd beslist dat zij in tweeën zou worden gedeeld, en elke afdeeling haar materieel zou behouden. Het lot wees aan de Russen de stoomboot toe, omdat deze natuurlijk niet kon verdeeld worden.De Boschjesman, die zeer aan de Engelschen en vooral aan John Murray gehecht was, behield de leiding der Engelsche karavaan. De gids, insgelijks een zeer schrander man, werd aan het hoofd der Russische karavaan geplaatst. Elke afdeeling hield hare instrumenten, evenals een der dubbel bijgehouden registers, waarin de uitkomsten der metingen tot nog toe waren ingeschreven.Den 31stenAugustus scheidden de leden der vroegere internationale commissie van elkander. De Engelschen gingen het eerst op weg om hunnen nieuwen meridiaan in overeenstemming te brengen met het laatste station. Zij verlieten Kolobeng om acht uren ’s morgens, na de zendelingen voor hunne gastvrijheid bedankt te hebben.En indien een der zendelingen een oogenblik voor het vertrek der Engelschen, in de kamer van Michel Zorn gekomen was, zou hij daar William Emery gevonden hebben, die zijn vroegeren vriend, van wien hij nu door den wil van Hunne Majesteiten de koningin en den tsaar gescheiden was, de hand drukte!

XIV.Eene oorlogsverklaring.

Het werk werd denzelfden dag hervat. Elk voorwendsel tot oneenigheid was verdwenen. Kolonel Everest en Mathieu Strux vergaven het elkander niet, maar hervatten te zamen de geodesische opmetingen.Aan de linkerzijde van de groote opening die het vuur gebaand had, verhief zich op den afstand van ongeveer vijf kilometers een heuveltje. De top daarvan kon als station dienen, en als toppunt van een nieuwen driehoek genomen worden. De hoek, dien deze heuvel met het laatste station vormde werd derhalve gemeten en den volgenden morgen trok de geheele karavaan door het afgebrande woud vooruit. Het was een met houtskool bedekte weg; de grond was nog warm; hier en daar rookte hij nog, en verhief zich een zwoele luchtstroom. Op menige plaats lagen verkoolde overblijfsels van dieren, die in hun leger overvallen waren, en aan de woedende vlammen niet hadden kunnen ontkomen. Zwarte rookkolommen, die op sommige plaatsen nog in de hoogte kronkelden, wezen de plaatsaan waar zulke lijken lagen. Misschien zelfs was de brand nog niet gebluscht en kon hij door den hevigen wind op nieuw uitbarsten, en het geheele woud verslinden.»Voordat ik de tijdingen mededeel.” Blz. 118.»Voordat ik de tijdingen mededeel.” Blz.118.Daarom verhaastte de wetenschappelijke commissie haren tocht. Wanneer de karavaan door het vuur ingesloten was geworden, zou zij verloren zijn geweest. Zij haastte zich dus om het tooneel van verwoesting te ontvluchten, terwijl de boomen aan weerszijden nog brandden. Mokum vuurde dus de wagenmenners aan, en tegen het midden van den dag was er eene legerplaats opgeslagen aan den voet van het heuveltje, dat door den nonius reeds waargenomen was. De rotsmassa, die op den top van den heuvel stond, was als ’t ware door menschenhanden daar geplaatst. Zij geleek op een dolmen, eene verzameling van druïdensteenen, die een oudheidkenner met verbazing hier zou begroet hebben. Een ontzaglijk groote hoekige zandsteen stak boven allen uit, en stond boven op dit gedenkteeken, dat veel weg had van een Afrikaansch altaar.De jonge sterrekundigen en John Murray wilden dit zonderlinge gedenkteeken bezoeken. Langs een der hellingen beklommen zij den top in gezelschap van den Boschjesman. De bezoekers waren geen twintig schreden meer van den dolmen af toen een man, die tot nog toe achter een der opstaande steenen verborgen had gestaan, een oogenblik te voorschijn kwam; daarop liet hij zich als een bal van den heuvel af rollen en verdween snel in een dicht kreupelbosch, dat door het vuur gespaard was gebleven.De Boschjesman zag dien man slechts één oogenblik, maar dat oogenblik was genoeg om hem te herkennen.»Een Makololo!” riep hij, en rende den vluchteling na. John Murray, door zijne jagersnatuur medegesleept, volgde zijn vriend. Beiden doorkruisten het bosch zonder den inboorling te vinden. Deze was in het woud gevlucht, waarvan hij alle paden scheen te kennen, en de beste speurhond had hem hier niet terug kunnen vinden.Zoodra kolonel Everest van het geval hoorde, liet hij den Boschjesman bij zich komen en ondervroeg hem. »Wie was die inlander? Wat deed hij daar? Waarom had Mokum den vluchteling vervolgd?”»Het is een Makololo, kolonel,” antwoordde Mokum, »een inboorling uit het noorden, die evenals zijne stamverwanten steeds langs de oevers van de Zambese zwerft. Het is niet alleen een vijand van alle Boschjesmannen, maar een geduchte plunderaar van alle reizigers, die zich in de binnenlanden van zuidelijk Afrika wagen. Deze man bespiedde ons, en we zullen misschien reden hebben om ons te beklagen, dat we ons niet van hem hebben kunnen meester maken.”»Maar Boschjesman,” hernam de kolonel, »wat hebben we van een dievenbende te vreezen? Zijn we niet talrijk genoeg om haar weerstand te bieden?”»Op dit oogenblik, ja,” hervatte de Boschjesman, »maar deze plunderzieke stammen vindt men menigvuldiger in het noorden, en daar is het moeilijk om hun te ontsnappen. Indien deze Makololo een spion is, waaraan ik niet twijfel, dan zal hij niet in gebrekeblijven met eenige honderden plunderaars ons den weg te versperren, en in dat geval, kolonel, geef ik geen oortje voor al uwe driehoeken.”Kolonel Everest was zeer teleurgesteld door deze ontmoeting. Hij wist dat de Boschjesman er de man niet naar was om het gevaar te overdrijven, en dat men wel op zijne aanmerkingen letten mocht. Het oogmerk van den inboorling kon niet anders dan achterdocht wekken. Zijne plotselinge verschijning en zijne onmiddellijk daarop gevolgde vlucht bewezen dat hij op heeterdaad als spion betrapt was. Het scheen dus niet onmogelijk dat de tegenwoordigheid van de Engelsch-Russische commissie aan de noordelijker wonende stammen spoedig bekend zou worden gemaakt. In allen gevalle was de kwaal zonder geneesmiddel. Men besloot alleen om met meer omzichtigheid vooruit te gaan en zette intusschen de triangulatie voort.Den 17denAugustus had men een derden graad van den meridiaan gemeten. De breedte werd goed opgenomen, en daardoor verkreeg men met groote juistheid de plaatsbepaling. De astronomen hadden drie graden van den boog opgemeten, en daartoe van het uiterste punt van de zuidelijke basis af tweeëntwintig driehoeken noodig gehad.Toen men de plaats op de kaart had nagegaan, bemerkte men dat het dorp Kolobeng slechts een honderdtal kilometers ten noordoosten van den meridiaan gelegen was. De astronomen raadpleegden met elkander en besloten om in dit dorp eenige dagen rust te nemen, omdat zij daar zeker eenige tijding uit Europa zouden krijgen. Sedert ongeveer zes maanden hadden zij de oevers van de Oranjerivier verlaten, en ronddwalende in de Zuid-Afrikaansche wildernissen, waren zij verstoken van de gemeenschap met de beschaafde wereld. Te Kolobeng, een vrij aanzienlijk dorp en een hoofdstation van zendelingen, zouden zij mogelijk den verbroken band met de Europeesche beschaving wederom kunnen aanknoopen. Op deze plaats zou de karavaan ook van hare vermoeienis kunnen uitrusten en den voorraad gedeeltelijk vernieuwen.De groote onbeweegbare steen, die als baken bij de laatste opmeting gediend had, werd beschouwd als het eindstation van dit eerste deel der geodesische opname. Van dit vaststaande baken uit moesten de volgende waarnemingen weder beginnen. De breedte der plaats werd daarom nauwkeurig bepaald. Nadat de kolonel van dit merkteeken de zekere plaats had aangewezen, gaf hij het teeken tot vertrekken, en de geheele karavaan richtte zich naar Kolobeng.Den 22stenAugustus kwamen de Europeanen na een reis zonder eenig bijzonder voorval bij dat dorp aan; het was slechts eene verzameling van inlandsche hutten, waarboven de woning der zendelingen uitstak. Dit dorp, dat op enkele kaarten ook Litoubarouba genoemdwordt, heette eertijds Lepelolé. Daar vestigde zich in 1843 Livingstone gedurende verscheidene maanden en maakte zich gemeenzaam met de gewoonten der Betschuanen, die in dit gedeelte van zuidelijk Afrika meer onder den naam van Bakoninen bekend zijn.De zendelingen ontvingen de leden der wetenschappelijke commissie zeer gastvrij. Zij stelden alle voortbrengselen van het land ter hunner beschikking. Dáár stond ook nog het huis van Livingstone, zooals het was toen de jager Baldring het bezocht, dat is te zeggen geplunderd en vervallen, want de Boeren hadden het bij hun inval van 1852 niet ontzien.Zoodra de astronomen in het huis der zendelingen gehuisvest waren, vroegen zij naar tijdingen uit Europa. Men kon aan hun verlangen niet voldoen. Sedert zes maanden was geen bode bij de zendelingen aangekomen; doch men wachtte binnen weinige dagen een inlander met dagbladen en brieven, daar men voor korten tijd dezen aan de oevers van de boven-Zambese meende gezien te hebben. Volgens de meening der zendelingen kon die bode niet langer dan een week meer uitblijven. Het was juist de tijd dien de astronomen besteden wilden om uit te rusten, en deze week brachten zij dan ook in eendolce far nientedoor, terwijl Nikolaas Palander onderwijl zijne berekeningen nog eens nazag.Wat den ongezelligen Strux aangaat, deze zocht het gezelschap zijner Engelsche ambtgenooten nimmer op, en bleef alléén. William Emery en Michel Zorn gebruikten hun tijd om wandelingen in den omtrek van Kolobeng te maken. De innigste vriendschap hield hen verbonden, en zij geloofden niet dat eenige gebeurtenis ooit deze genegenheid kon doen verdwijnen, die op eene hartelijke overeenstemming van hoofd en hart gegrond was.Den 30stenAugustus kwam de zoo ongeduldig verwachte bode. Het was een inboorling van Kilmiane, eene stad aan een der monden van de Zambese. Een koopvaarder van het eiland Mauritius, die handel dreef in gom en ivoor, had in de eerste dagen van Juli het anker op dit gedeelte van de oostkust geworpen, en de pakketten overgebracht, waarmede hij zich voor de zendelingen van Kolobeng belast had. De medegebrachte brieven en dagbladen waren dus meer dan drie maanden oud, want de inlander had niet minder dan vier weken besteed om den loop van de Zambese stroomopwaarts te volgen.Dien dag gebeurde er iets, dat in al zijne bijzonderheden moet worden medegedeeld, daar de gevolgen er van de toekomst der wetenschappelijke zending ernstig bedreigden.Zoodra de bode was aangekomen, gaf het hoofd der zendelingen aan den kolonel een paar Europeesche nieuwsbladen. Het waren meerendeels nommers van deTimes, deDaily Newsen hetJournal des Débats. De daarin vervatte tijdingen hadden in deze omstandighedeneen bijzonder belang, zooals men uit het volgende kan beoordeelen.William Emery drukte zijn vriend de hand. Blz. 120.William Emery drukte zijn vriend de hand. Blz.120.De leden der commissie waren in de voornaamste kamer van hetzendelingenhuis vereenigd. Nadat de kolonel een pak dagbladen had losgemaakt, nam hij een nommer van deDaily Newsvan 13 Mei 1854, ten einde dit aan zijne ambtgenooten voor te lezen.Maar nauwelijks had hij den titel van het eerste artikel gelezen, of zijn gelaat veranderde plotseling, zijn voorhoofd rimpelde zich, en de hand die het blad vasthield beefde van ontroering. Na eenige oogenblikken was kolonel Everest zich zelven weder meester, en hernam hij zijne gewone kalmte. Toen stond John Murray op en vroeg hem: »Wat hebt u uit dat blad vernomen, kolonel?”»Ernstige tijdingen, mijne heeren,” was het antwoord, »zeer ernstige, die ik u zal mededeelen.”De kolonel had het blad nog altijd in de hand. Zijne ambtgenooten hielden het oog op hem gevestigd en konden zich in zijne houding niet vergissen; zij wachtten dus met ongeduld dat hij het woord zou nemen.De kolonel stond op; tot aller verbazing maar vooral van hem die het voorwerp was van hetgeen er volgde, ging hij naar Mathieu Strux, en zeide:»Voordat ik de tijdingen mededeel, die dit blad bevat, wenschte ik u eene opmerking te maken, mijnheer!”»Ik ben gereed u aan te hooren,” antwoordde de Rus.Toen sprak de kolonel op ernstigen toon:»Tot op dit oogenblik, mijnheer Strux, heeft eene meer persoonlijke dan wel wetenschappelijke ijverzucht ons van elkander gescheiden, en onze samenwerking bemoeilijkt bij den arbeid, dien we ten algemeenen nutte ondernomen hadden. Ik geloof dezen staat van zaken alléén te moeten toeschrijven aan de omstandigheid dat wij beiden aan het hoofd der onderneming stonden. Deze toestand riep tusschen ons voortdurende ijverzucht in het leven. Bij elke onderneming, van welken aard ook, moet er slechts één hoofd zijn. Zijt gij dit niet met mij eens?”Mathieu Strux boog het hoofd ten teeken van toestemming.»Ten gevolge vannieuweomstandigheden,” hervatte de kolonel, »zal die voor ons beiden zoo moeilijke toestand ophouden, mijnheer. Maar laat me u vooraf zeggen, dat ik voor u hooge achting koester, eene achting, die u verdient door de plaats, die u in de geleerde wereld inneemt. Ik verzoek u dus wel te willen gelooven, dat ik innig leedwezen gevoel over al hetgeen er tusschen ons is voorgevallen.”De kolonel sprak deze woorden met groote waardigheid, en zelfs met zonderlingen trots uit. Men gevoelde dat er in deze vrijwillige, en zoo edel uitgedrukte verontschuldiging geene vernedering stak. Noch Mathieu Strux, noch zijne ambtgenooten begrepen waar de kolonel heen wilde; zij konden niet raden waarom hij zóó handelde. Misschien zelfs was de Russische astronoom, die dezelfde redenen niet had om zóó te spreken, minder genegen om zijn persoonlijken wrok prijs te geven. Evenwel bedwong hij zijn tegenzin en antwoordde in deze woorden:»Kolonel, ik denk als u dat die ijverzucht, waarvan ik de oorzaak niet wil opsporen, den wetenschappelijken arbeid, waarmede wij belast zijn, in geenen deele moet benadeelen. Ik gevoel voor u de achting, die uwe talenten verdienen, en zooveel het in mijne macht staat zal ik voortaan zorgen dat mijne persoonlijke gevoelens in onze betrekkingen op den achtergrond staan. Doch u hebt gesproken van veranderingen, die de omstandigheden in onzen toestand zullen te weeg brengen; ik begrijp niet wat....”»U zult me begrijpen, mijnheer Strux,” zeide de kolonel op een toon, die niet vrij was van droefgeestigheid. »Maar geef mij eerst de hand.”Mathieu Strux stak hem die niet zonder eene lichte aarzeling toe.De twee geleerden gaven elkander de hand en spraken geen woord.»Eindelijk!” riep John Murray, »nu zijt ge vrienden!”»Neen mijnheer!” antwoordde de kolonel, terwijl hij de hand van den Russischen astronoom losliet, »voortaan zijn we vijanden! vijanden, gescheiden door een afgrond! vijanden, die elkander niet meer mogen ontmoeten, zelfs op wetenschappelijk gebied!”En zich toen naar zijne ambtgenooten wendende, voegde hij er bij: »Mijne heeren, er is tusschen Engeland en Rusland een oorlog uitgebroken. Ziet hier de Engelsche, Russische en Fransche bladen, die ons dit mededeelen!”Inderdaad was op dat oogenblik de oorlog van 1854 begonnen. De Engelschen streden verbonden met Franschen en Turken voor Sebastopol. Het Oostersche vraagstuk werd in de ZwarteZeemet het kanon behandeld.De laatste woorden van kolonel Everest hadden de uitwerking van een bliksemstraal. De indruk daardoor op Engelschen en Russen te weeg gebracht, was zeer hevig. Zij waren plotseling opgestaan. Die enkele woorden: »de oorlog is verklaard!” waren genoeg; het waren geen reisgezellen, geen ambtgenooten, geen geleerden meer, die zich vereenigd hadden tot een zelfde wetenschappelijk doel, maar het waren vijanden, die elkander reeds met den blik maten; zooveel invloed heeft de strijd tusschen twee natiën op het hart der menschen!Een onwillekeurige beweging had de Europeanen van elkander verwijderd. Zelfs Nikolaas Palander ondervond den algemeenen indruk. Emery en Zorn waren misschien de eenigen, die elkander met meer droefgeestigheid dan vijandschap aankeken, en het betreurden, dat zij elkander voor de mededeeling van kolonel Everest nog niet eene laatste maal de hand hadden gedrukt. Er werd geen woord gesproken. Na een groet te hebben gewisseld, gingen de Russen en de Engelschen uit een.Deze nieuwe toestand, deze scheiding tusschen beide partijen zou het voortzetten van den geodesischen arbeid veel moeilijker maken, maar dien niet afbreken. Elk der beide partijen wilde, in het belang van haar vaderland, het begonnen werk vervolgen. Echter moesten nu de metingen langs twee verschillende meridianen wordenvoortgezet. In een onderhoud tusschen de heeren Strux en Everest werden deze bijzonderheden geregeld. Het lot besliste dat de Russen de metingen langs den reeds begonnen meridiaan zouden voortzetten. Wat de Engelschen aangaat, deze beschouwden het gemeenschappelijke werk afgeloopen, en moesten nu zestig of tachtig kilometers meer westwaarts een anderen boog kiezen, dien zij door eene reeks driehoeken met den eersten boog in verbinding moesten stellen, daarna zouden zij onder die omstandigheden hunne triangulatie tot aan den twintigsten parallel voortzetten.Al die punten werden tusschen de beide heeren geregeld, en men moet zeggen dat dit zonder een onvertogen woord geschiedde. Hun persoonlijke naijver deed onder voor hunne nationale eerzucht. Strux en de kolonel wisselden geen verkeerd woord en hielden zich binnen de striktste grenzen van welvoeglijkheid.Wat de karavaan aangaat, daaromtrent werd beslist dat zij in tweeën zou worden gedeeld, en elke afdeeling haar materieel zou behouden. Het lot wees aan de Russen de stoomboot toe, omdat deze natuurlijk niet kon verdeeld worden.De Boschjesman, die zeer aan de Engelschen en vooral aan John Murray gehecht was, behield de leiding der Engelsche karavaan. De gids, insgelijks een zeer schrander man, werd aan het hoofd der Russische karavaan geplaatst. Elke afdeeling hield hare instrumenten, evenals een der dubbel bijgehouden registers, waarin de uitkomsten der metingen tot nog toe waren ingeschreven.Den 31stenAugustus scheidden de leden der vroegere internationale commissie van elkander. De Engelschen gingen het eerst op weg om hunnen nieuwen meridiaan in overeenstemming te brengen met het laatste station. Zij verlieten Kolobeng om acht uren ’s morgens, na de zendelingen voor hunne gastvrijheid bedankt te hebben.En indien een der zendelingen een oogenblik voor het vertrek der Engelschen, in de kamer van Michel Zorn gekomen was, zou hij daar William Emery gevonden hebben, die zijn vroegeren vriend, van wien hij nu door den wil van Hunne Majesteiten de koningin en den tsaar gescheiden was, de hand drukte!

Het werk werd denzelfden dag hervat. Elk voorwendsel tot oneenigheid was verdwenen. Kolonel Everest en Mathieu Strux vergaven het elkander niet, maar hervatten te zamen de geodesische opmetingen.

Aan de linkerzijde van de groote opening die het vuur gebaand had, verhief zich op den afstand van ongeveer vijf kilometers een heuveltje. De top daarvan kon als station dienen, en als toppunt van een nieuwen driehoek genomen worden. De hoek, dien deze heuvel met het laatste station vormde werd derhalve gemeten en den volgenden morgen trok de geheele karavaan door het afgebrande woud vooruit. Het was een met houtskool bedekte weg; de grond was nog warm; hier en daar rookte hij nog, en verhief zich een zwoele luchtstroom. Op menige plaats lagen verkoolde overblijfsels van dieren, die in hun leger overvallen waren, en aan de woedende vlammen niet hadden kunnen ontkomen. Zwarte rookkolommen, die op sommige plaatsen nog in de hoogte kronkelden, wezen de plaatsaan waar zulke lijken lagen. Misschien zelfs was de brand nog niet gebluscht en kon hij door den hevigen wind op nieuw uitbarsten, en het geheele woud verslinden.

»Voordat ik de tijdingen mededeel.” Blz. 118.»Voordat ik de tijdingen mededeel.” Blz.118.

»Voordat ik de tijdingen mededeel.” Blz.118.

Daarom verhaastte de wetenschappelijke commissie haren tocht. Wanneer de karavaan door het vuur ingesloten was geworden, zou zij verloren zijn geweest. Zij haastte zich dus om het tooneel van verwoesting te ontvluchten, terwijl de boomen aan weerszijden nog brandden. Mokum vuurde dus de wagenmenners aan, en tegen het midden van den dag was er eene legerplaats opgeslagen aan den voet van het heuveltje, dat door den nonius reeds waargenomen was. De rotsmassa, die op den top van den heuvel stond, was als ’t ware door menschenhanden daar geplaatst. Zij geleek op een dolmen, eene verzameling van druïdensteenen, die een oudheidkenner met verbazing hier zou begroet hebben. Een ontzaglijk groote hoekige zandsteen stak boven allen uit, en stond boven op dit gedenkteeken, dat veel weg had van een Afrikaansch altaar.

De jonge sterrekundigen en John Murray wilden dit zonderlinge gedenkteeken bezoeken. Langs een der hellingen beklommen zij den top in gezelschap van den Boschjesman. De bezoekers waren geen twintig schreden meer van den dolmen af toen een man, die tot nog toe achter een der opstaande steenen verborgen had gestaan, een oogenblik te voorschijn kwam; daarop liet hij zich als een bal van den heuvel af rollen en verdween snel in een dicht kreupelbosch, dat door het vuur gespaard was gebleven.

De Boschjesman zag dien man slechts één oogenblik, maar dat oogenblik was genoeg om hem te herkennen.

»Een Makololo!” riep hij, en rende den vluchteling na. John Murray, door zijne jagersnatuur medegesleept, volgde zijn vriend. Beiden doorkruisten het bosch zonder den inboorling te vinden. Deze was in het woud gevlucht, waarvan hij alle paden scheen te kennen, en de beste speurhond had hem hier niet terug kunnen vinden.

Zoodra kolonel Everest van het geval hoorde, liet hij den Boschjesman bij zich komen en ondervroeg hem. »Wie was die inlander? Wat deed hij daar? Waarom had Mokum den vluchteling vervolgd?”

»Het is een Makololo, kolonel,” antwoordde Mokum, »een inboorling uit het noorden, die evenals zijne stamverwanten steeds langs de oevers van de Zambese zwerft. Het is niet alleen een vijand van alle Boschjesmannen, maar een geduchte plunderaar van alle reizigers, die zich in de binnenlanden van zuidelijk Afrika wagen. Deze man bespiedde ons, en we zullen misschien reden hebben om ons te beklagen, dat we ons niet van hem hebben kunnen meester maken.”

»Maar Boschjesman,” hernam de kolonel, »wat hebben we van een dievenbende te vreezen? Zijn we niet talrijk genoeg om haar weerstand te bieden?”

»Op dit oogenblik, ja,” hervatte de Boschjesman, »maar deze plunderzieke stammen vindt men menigvuldiger in het noorden, en daar is het moeilijk om hun te ontsnappen. Indien deze Makololo een spion is, waaraan ik niet twijfel, dan zal hij niet in gebrekeblijven met eenige honderden plunderaars ons den weg te versperren, en in dat geval, kolonel, geef ik geen oortje voor al uwe driehoeken.”

Kolonel Everest was zeer teleurgesteld door deze ontmoeting. Hij wist dat de Boschjesman er de man niet naar was om het gevaar te overdrijven, en dat men wel op zijne aanmerkingen letten mocht. Het oogmerk van den inboorling kon niet anders dan achterdocht wekken. Zijne plotselinge verschijning en zijne onmiddellijk daarop gevolgde vlucht bewezen dat hij op heeterdaad als spion betrapt was. Het scheen dus niet onmogelijk dat de tegenwoordigheid van de Engelsch-Russische commissie aan de noordelijker wonende stammen spoedig bekend zou worden gemaakt. In allen gevalle was de kwaal zonder geneesmiddel. Men besloot alleen om met meer omzichtigheid vooruit te gaan en zette intusschen de triangulatie voort.

Den 17denAugustus had men een derden graad van den meridiaan gemeten. De breedte werd goed opgenomen, en daardoor verkreeg men met groote juistheid de plaatsbepaling. De astronomen hadden drie graden van den boog opgemeten, en daartoe van het uiterste punt van de zuidelijke basis af tweeëntwintig driehoeken noodig gehad.

Toen men de plaats op de kaart had nagegaan, bemerkte men dat het dorp Kolobeng slechts een honderdtal kilometers ten noordoosten van den meridiaan gelegen was. De astronomen raadpleegden met elkander en besloten om in dit dorp eenige dagen rust te nemen, omdat zij daar zeker eenige tijding uit Europa zouden krijgen. Sedert ongeveer zes maanden hadden zij de oevers van de Oranjerivier verlaten, en ronddwalende in de Zuid-Afrikaansche wildernissen, waren zij verstoken van de gemeenschap met de beschaafde wereld. Te Kolobeng, een vrij aanzienlijk dorp en een hoofdstation van zendelingen, zouden zij mogelijk den verbroken band met de Europeesche beschaving wederom kunnen aanknoopen. Op deze plaats zou de karavaan ook van hare vermoeienis kunnen uitrusten en den voorraad gedeeltelijk vernieuwen.

De groote onbeweegbare steen, die als baken bij de laatste opmeting gediend had, werd beschouwd als het eindstation van dit eerste deel der geodesische opname. Van dit vaststaande baken uit moesten de volgende waarnemingen weder beginnen. De breedte der plaats werd daarom nauwkeurig bepaald. Nadat de kolonel van dit merkteeken de zekere plaats had aangewezen, gaf hij het teeken tot vertrekken, en de geheele karavaan richtte zich naar Kolobeng.

Den 22stenAugustus kwamen de Europeanen na een reis zonder eenig bijzonder voorval bij dat dorp aan; het was slechts eene verzameling van inlandsche hutten, waarboven de woning der zendelingen uitstak. Dit dorp, dat op enkele kaarten ook Litoubarouba genoemdwordt, heette eertijds Lepelolé. Daar vestigde zich in 1843 Livingstone gedurende verscheidene maanden en maakte zich gemeenzaam met de gewoonten der Betschuanen, die in dit gedeelte van zuidelijk Afrika meer onder den naam van Bakoninen bekend zijn.

De zendelingen ontvingen de leden der wetenschappelijke commissie zeer gastvrij. Zij stelden alle voortbrengselen van het land ter hunner beschikking. Dáár stond ook nog het huis van Livingstone, zooals het was toen de jager Baldring het bezocht, dat is te zeggen geplunderd en vervallen, want de Boeren hadden het bij hun inval van 1852 niet ontzien.

Zoodra de astronomen in het huis der zendelingen gehuisvest waren, vroegen zij naar tijdingen uit Europa. Men kon aan hun verlangen niet voldoen. Sedert zes maanden was geen bode bij de zendelingen aangekomen; doch men wachtte binnen weinige dagen een inlander met dagbladen en brieven, daar men voor korten tijd dezen aan de oevers van de boven-Zambese meende gezien te hebben. Volgens de meening der zendelingen kon die bode niet langer dan een week meer uitblijven. Het was juist de tijd dien de astronomen besteden wilden om uit te rusten, en deze week brachten zij dan ook in eendolce far nientedoor, terwijl Nikolaas Palander onderwijl zijne berekeningen nog eens nazag.

Wat den ongezelligen Strux aangaat, deze zocht het gezelschap zijner Engelsche ambtgenooten nimmer op, en bleef alléén. William Emery en Michel Zorn gebruikten hun tijd om wandelingen in den omtrek van Kolobeng te maken. De innigste vriendschap hield hen verbonden, en zij geloofden niet dat eenige gebeurtenis ooit deze genegenheid kon doen verdwijnen, die op eene hartelijke overeenstemming van hoofd en hart gegrond was.

Den 30stenAugustus kwam de zoo ongeduldig verwachte bode. Het was een inboorling van Kilmiane, eene stad aan een der monden van de Zambese. Een koopvaarder van het eiland Mauritius, die handel dreef in gom en ivoor, had in de eerste dagen van Juli het anker op dit gedeelte van de oostkust geworpen, en de pakketten overgebracht, waarmede hij zich voor de zendelingen van Kolobeng belast had. De medegebrachte brieven en dagbladen waren dus meer dan drie maanden oud, want de inlander had niet minder dan vier weken besteed om den loop van de Zambese stroomopwaarts te volgen.

Dien dag gebeurde er iets, dat in al zijne bijzonderheden moet worden medegedeeld, daar de gevolgen er van de toekomst der wetenschappelijke zending ernstig bedreigden.

Zoodra de bode was aangekomen, gaf het hoofd der zendelingen aan den kolonel een paar Europeesche nieuwsbladen. Het waren meerendeels nommers van deTimes, deDaily Newsen hetJournal des Débats. De daarin vervatte tijdingen hadden in deze omstandighedeneen bijzonder belang, zooals men uit het volgende kan beoordeelen.

William Emery drukte zijn vriend de hand. Blz. 120.William Emery drukte zijn vriend de hand. Blz.120.

William Emery drukte zijn vriend de hand. Blz.120.

De leden der commissie waren in de voornaamste kamer van hetzendelingenhuis vereenigd. Nadat de kolonel een pak dagbladen had losgemaakt, nam hij een nommer van deDaily Newsvan 13 Mei 1854, ten einde dit aan zijne ambtgenooten voor te lezen.

Maar nauwelijks had hij den titel van het eerste artikel gelezen, of zijn gelaat veranderde plotseling, zijn voorhoofd rimpelde zich, en de hand die het blad vasthield beefde van ontroering. Na eenige oogenblikken was kolonel Everest zich zelven weder meester, en hernam hij zijne gewone kalmte. Toen stond John Murray op en vroeg hem: »Wat hebt u uit dat blad vernomen, kolonel?”

»Ernstige tijdingen, mijne heeren,” was het antwoord, »zeer ernstige, die ik u zal mededeelen.”

De kolonel had het blad nog altijd in de hand. Zijne ambtgenooten hielden het oog op hem gevestigd en konden zich in zijne houding niet vergissen; zij wachtten dus met ongeduld dat hij het woord zou nemen.

De kolonel stond op; tot aller verbazing maar vooral van hem die het voorwerp was van hetgeen er volgde, ging hij naar Mathieu Strux, en zeide:

»Voordat ik de tijdingen mededeel, die dit blad bevat, wenschte ik u eene opmerking te maken, mijnheer!”

»Ik ben gereed u aan te hooren,” antwoordde de Rus.

Toen sprak de kolonel op ernstigen toon:

»Tot op dit oogenblik, mijnheer Strux, heeft eene meer persoonlijke dan wel wetenschappelijke ijverzucht ons van elkander gescheiden, en onze samenwerking bemoeilijkt bij den arbeid, dien we ten algemeenen nutte ondernomen hadden. Ik geloof dezen staat van zaken alléén te moeten toeschrijven aan de omstandigheid dat wij beiden aan het hoofd der onderneming stonden. Deze toestand riep tusschen ons voortdurende ijverzucht in het leven. Bij elke onderneming, van welken aard ook, moet er slechts één hoofd zijn. Zijt gij dit niet met mij eens?”

Mathieu Strux boog het hoofd ten teeken van toestemming.

»Ten gevolge vannieuweomstandigheden,” hervatte de kolonel, »zal die voor ons beiden zoo moeilijke toestand ophouden, mijnheer. Maar laat me u vooraf zeggen, dat ik voor u hooge achting koester, eene achting, die u verdient door de plaats, die u in de geleerde wereld inneemt. Ik verzoek u dus wel te willen gelooven, dat ik innig leedwezen gevoel over al hetgeen er tusschen ons is voorgevallen.”

De kolonel sprak deze woorden met groote waardigheid, en zelfs met zonderlingen trots uit. Men gevoelde dat er in deze vrijwillige, en zoo edel uitgedrukte verontschuldiging geene vernedering stak. Noch Mathieu Strux, noch zijne ambtgenooten begrepen waar de kolonel heen wilde; zij konden niet raden waarom hij zóó handelde. Misschien zelfs was de Russische astronoom, die dezelfde redenen niet had om zóó te spreken, minder genegen om zijn persoonlijken wrok prijs te geven. Evenwel bedwong hij zijn tegenzin en antwoordde in deze woorden:

»Kolonel, ik denk als u dat die ijverzucht, waarvan ik de oorzaak niet wil opsporen, den wetenschappelijken arbeid, waarmede wij belast zijn, in geenen deele moet benadeelen. Ik gevoel voor u de achting, die uwe talenten verdienen, en zooveel het in mijne macht staat zal ik voortaan zorgen dat mijne persoonlijke gevoelens in onze betrekkingen op den achtergrond staan. Doch u hebt gesproken van veranderingen, die de omstandigheden in onzen toestand zullen te weeg brengen; ik begrijp niet wat....”

»U zult me begrijpen, mijnheer Strux,” zeide de kolonel op een toon, die niet vrij was van droefgeestigheid. »Maar geef mij eerst de hand.”

Mathieu Strux stak hem die niet zonder eene lichte aarzeling toe.

De twee geleerden gaven elkander de hand en spraken geen woord.

»Eindelijk!” riep John Murray, »nu zijt ge vrienden!”

»Neen mijnheer!” antwoordde de kolonel, terwijl hij de hand van den Russischen astronoom losliet, »voortaan zijn we vijanden! vijanden, gescheiden door een afgrond! vijanden, die elkander niet meer mogen ontmoeten, zelfs op wetenschappelijk gebied!”

En zich toen naar zijne ambtgenooten wendende, voegde hij er bij: »Mijne heeren, er is tusschen Engeland en Rusland een oorlog uitgebroken. Ziet hier de Engelsche, Russische en Fransche bladen, die ons dit mededeelen!”

Inderdaad was op dat oogenblik de oorlog van 1854 begonnen. De Engelschen streden verbonden met Franschen en Turken voor Sebastopol. Het Oostersche vraagstuk werd in de ZwarteZeemet het kanon behandeld.

De laatste woorden van kolonel Everest hadden de uitwerking van een bliksemstraal. De indruk daardoor op Engelschen en Russen te weeg gebracht, was zeer hevig. Zij waren plotseling opgestaan. Die enkele woorden: »de oorlog is verklaard!” waren genoeg; het waren geen reisgezellen, geen ambtgenooten, geen geleerden meer, die zich vereenigd hadden tot een zelfde wetenschappelijk doel, maar het waren vijanden, die elkander reeds met den blik maten; zooveel invloed heeft de strijd tusschen twee natiën op het hart der menschen!

Een onwillekeurige beweging had de Europeanen van elkander verwijderd. Zelfs Nikolaas Palander ondervond den algemeenen indruk. Emery en Zorn waren misschien de eenigen, die elkander met meer droefgeestigheid dan vijandschap aankeken, en het betreurden, dat zij elkander voor de mededeeling van kolonel Everest nog niet eene laatste maal de hand hadden gedrukt. Er werd geen woord gesproken. Na een groet te hebben gewisseld, gingen de Russen en de Engelschen uit een.

Deze nieuwe toestand, deze scheiding tusschen beide partijen zou het voortzetten van den geodesischen arbeid veel moeilijker maken, maar dien niet afbreken. Elk der beide partijen wilde, in het belang van haar vaderland, het begonnen werk vervolgen. Echter moesten nu de metingen langs twee verschillende meridianen wordenvoortgezet. In een onderhoud tusschen de heeren Strux en Everest werden deze bijzonderheden geregeld. Het lot besliste dat de Russen de metingen langs den reeds begonnen meridiaan zouden voortzetten. Wat de Engelschen aangaat, deze beschouwden het gemeenschappelijke werk afgeloopen, en moesten nu zestig of tachtig kilometers meer westwaarts een anderen boog kiezen, dien zij door eene reeks driehoeken met den eersten boog in verbinding moesten stellen, daarna zouden zij onder die omstandigheden hunne triangulatie tot aan den twintigsten parallel voortzetten.

Al die punten werden tusschen de beide heeren geregeld, en men moet zeggen dat dit zonder een onvertogen woord geschiedde. Hun persoonlijke naijver deed onder voor hunne nationale eerzucht. Strux en de kolonel wisselden geen verkeerd woord en hielden zich binnen de striktste grenzen van welvoeglijkheid.

Wat de karavaan aangaat, daaromtrent werd beslist dat zij in tweeën zou worden gedeeld, en elke afdeeling haar materieel zou behouden. Het lot wees aan de Russen de stoomboot toe, omdat deze natuurlijk niet kon verdeeld worden.

De Boschjesman, die zeer aan de Engelschen en vooral aan John Murray gehecht was, behield de leiding der Engelsche karavaan. De gids, insgelijks een zeer schrander man, werd aan het hoofd der Russische karavaan geplaatst. Elke afdeeling hield hare instrumenten, evenals een der dubbel bijgehouden registers, waarin de uitkomsten der metingen tot nog toe waren ingeschreven.

Den 31stenAugustus scheidden de leden der vroegere internationale commissie van elkander. De Engelschen gingen het eerst op weg om hunnen nieuwen meridiaan in overeenstemming te brengen met het laatste station. Zij verlieten Kolobeng om acht uren ’s morgens, na de zendelingen voor hunne gastvrijheid bedankt te hebben.

En indien een der zendelingen een oogenblik voor het vertrek der Engelschen, in de kamer van Michel Zorn gekomen was, zou hij daar William Emery gevonden hebben, die zijn vroegeren vriend, van wien hij nu door den wil van Hunne Majesteiten de koningin en den tsaar gescheiden was, de hand drukte!


Back to IndexNext