XX.Acht dagen op den top van den Scorzef.Niet zonder beklemming des harten, hadden de astronomen gezien dat hunne jeugdige ambtgenooten zich verwijderden. Welke moeiten, welke gevaren stonden dezen moedigen jongen lieden te wachten midden in eene onbekende streek, door welke zij nog ongeveer honderd kilometers moesten afleggen! De Boschjesman stelde hunne vrienden evenwel gerust door den moed en de bekwaamheid van den geleider te roemen. Bovendien mocht men veronderstellen dat de Makololo’s, die al te zeer om den Scorzef bezig waren, geen plundertochten ten noorden van het meer zouden ondernemen. Mokum meende, en zijn oordeel bedroog hem niet, dat de kolonel en zijn makkers aan veel grooter gevaar in de schans waren blootgesteld, dan de jonge astronomen op hun tocht naar het noorden. De matrozen en de Boschjesman hielden ’s nachts beurtelings de wacht. De duisternis toch moest de vijandige voornemens der inlanders begunstigen. Maar dat kruipende gedierte, zooals Mokum ze noemde, waagde zich nog niet op de helling van den berg. Misschien wachtten zij versterking om den berg van alle zijden te gelijk aan te vallen en door hun groot getal den tegenstand der belegerden te verzwakken.De jager had zich in zijne gissing niet bedrogen, en toen de dag weder aanbrak, kon de kolonel zien dat het getal der Makololo’s aanzienlijk was toegenomen. Hun kamp, dat met bekwaamheid was ingericht, omringde den voet van den Scorzef en maakte de vlucht door de vlakte onmogelijk. Gelukkig kon het meer niet bewaakt worden, en zoo noodig zou de terugtocht zonder onvoorziene omstandigheden altijd over het water kunnen plaats hebben. Maar er was nog geen sprake van vlucht. De Europeanen bezetten een wetenschappelijken post, een eerepost, dien zij niet dachten te verlaten. In dat opzicht heerschte tusschen hen volkomen overeenstemming. Er bestond zelfs geen zweem meer van eenige persoonlijke veete tusschen den kolonel en Mathieu Strux. Nimmer was er sprake van den oorlog, die op dat tijdstip tusschen Engeland en Rusland gevoerd werd; er werd zelfs geene zinspeling op gemaakt. De beide geleerden gingen op hetzelfde doel af; beiden wilden tot eene uitkomst geraken, die voor beide natiën even nuttig was, en hun wetenschappelijken arbeid tot een goed einde brengen.Terwijl zij het oogenblik afwachtten waarop de lantaarn op den top van den Volquiria zou schitteren, hielden de beide astronomen zich bezig met den vorigen driehoek te berekenen. Deze arbeid,die daarin bestond dat men de beide laatste stations van de Engelsche opname door den dubbelen kijker waarnam, werd zonder moeilijkheid volbracht, en den uitslag er van door Nikolaas Palander opgeteekend. Toen dat gedaan was, kwam men overeen gedurende de volgende nachten talrijke sterren waar te nemen, zoodat men met de grootste juistheid de breedte van den Scorzef berekenen kon.Bovendien moest er eene zeer belangrijke vraag beslist worden, en Mokum werd natuurlijk geroepen om in deze omstandigheid zijne meening te zeggen. In hoeveel tijd minstens konden Zorn en Emery de bergketen bereiken, die het meer Ngami ten noorden begrensde, en wier voornaamste bergtop tot hoekpunt van den laatsten driehoek dienen moest? De Boschjesman schatte op niet minder dan vijf dagen den tijd, die noodig was om dit punt te bereiken. Het lag toch meer dan honderd kilometers van den Scorzef af. De kleine troep ging te voet, en als men de moeilijkheden in aanmerking nam, die zulk eene met bergstroomen doorsneden streek moest opleveren, dan waren vijf dagen nog een zeer kort tijdsverloop. Men nam dus hoogstens zes dagen aan, en naar die berekening regelde men het verbruik der levensmiddelen. Deze waren niet overvloedig voorhanden; men had er een gedeelte van moeten afstaan aan de vertrokken makkers, opdat deze daarmede zich konden voeden totdat zij zich door de jacht weder voedsel konden verschaffen. De levensmiddelen, die zich in de schans bevonden, waren niet meer dan voor twee dagen voldoende, als elkeen zijne gewone portie kreeg. Het waren eenige ponden beschuit, gedroogd vleesch en pemmican. Kolonel Everest besliste in overleg met zijne ambtgenooten, dat het dagelijksch rantsoen tot op een derde zou verminderd worden. Op die wijze kon men tot den zesden dag wachten of het licht verschijnen zou op de plek, waarop men voortdurend den kijker gericht had. De vier Europeanen, de zes matrozen en de Boschjesman, dus elf in het geheel, leden wel door die onvoldoende voeding, doch zij waren boven dergelijk lijden verheven.»Bovendien is het niet verboden te jagen,” zeide John Murray tegen den Boschjesman. Deze schudde twijfelachtig het hoofd. Het scheen hem toe dat op dezen eenzamen berg het wild wel zeer zeldzaam zijn zou. Maar dit was daarom geene reden om aan zijn geweer rust te gunnen, en toen hij dit besluit genomen had ging Murray, terwijl zijne ambtgenooten bezig waren om de berekende metingen op het dubbele register van Nikolaas Palander over te brengen, met Mokum buiten de omheining der schans om den berg nauwkeurig op te nemen.De makololo’s waren kalm onder aan den berg gelegerd, en schenen zich niet te willen haasten met een aanval. Misschien hadden zij het plan de belegerden door honger te dwingen!De Scorzef was spoedig opgenomen. De plaats waar de schans stond, was in hare grootste afmeting geen 250 meters breed. De grond was met dik gras en keisteenen bedekt, en hier en daar stonden eenige heesters, voornamelijk van lischbloemen. De flora op den Scorzef bestond uit erica’s met roode bloemen en proteën met zilverkleurige bladeren. Op de helling, in de spleten door uitspringende rotsen gevormd, stonden tien voet hooge doornstruiken met trossen witte bloemen, die den geur van jasmijnen hadden, doch waarvan de Boschjesman den naam niet kende. (Waarschijnlijk was het deardunia bispinosa). Na een uur rondgekeken te hebben, had de Engelschman nog geen enkel dier bespeurd. Evenwel vlogen eenige kleine vogels met donkerkleurige vleugels en roode bekjes uit de struiken op, en zeker zou deze geheele vogelschaar op het eerste geweerschot verdwenen zijn om nimmer terug te keeren. Men behoefde dus op geen wild te rekenen om de bezetting van leeftocht te voorzien.»Men zal ten minste altijd in het meer kunnen visschen,” zeide John Murray, terwijl hij aan den noordelijken rand van den berg stilstond en de prachtige watervlakte beschouwde.»Zonder net of hengel visschen gaat even goed als vogels in de vlucht grijpen,” zeide de Boschjesman. »Maar wij behoeven nog niet te wanhoopen. U weet dat het toeval ons reeds dikwijls gediend heeft, en ik denk dat dit nog wel eens zal gebeuren.”»Het toeval!” hervatte Murray, »maar als God dit ten onzen dienste stelt, dan is het de beste verzorger van het menschelijke geslacht, dien ik ken! Er is geen zekerder dienaar, geen vernuftiger hofmeester! Het heeft ons met onze Russische vrienden vereenigd, en hen juist daarheen gevoerd, waar wij zelve wilden komen, en het zal ons met elkander wel zachtjes daarheen brengen, waar wij willen!”»En zal het ons voeden?” vroeg de Boschjesman.»Zeker, vriend Mokum,” antwoordde Murray, »en daarmede zal het toeval slechts zijn plicht doen.”De woorden van den Engelschman waren zeker geruststellend, maar de Boschjesman meende dat het toeval een dienaar was, die door zijne meesters een weinig geholpen moest worden, en hij legde bij zich zelven de belofte af dit des noods te doen.De dag van den 25stenFebruari bracht geene verandering in den toestand der belegeraars en belegerden. De Makololo’s bleven binnen hunne legerplaats; kudden ossen en schapen weidden aan den voet van den Scorzef op de landen, die door kleine beekjes vruchtbaar waren geworden. De geplunderde wagens waren in het kamp gebracht. Eenige vrouwen en kinderen, die de nomaden gevolgd waren, hielden zich met gewoon dagwerk bezig. Van tijd tot tijd kwam er een hoofdman, die herkenbaar was aan zijn kostbaren pels, op de helling van den berg en scheen naar een voetpad tezoeken, dat hem des te zekerder op den top brengen zou. Een bukskogel noodzaakte hem echter om spoedig naar de vlakte terug te keeren. Dan antwoordden de Makololo’s met hun krijgsgeschreeuw,schoten eenige onschadelijke pijlen af, of dreigden met hunne lansen, en alles keerde tot de gewone rust terug.Die zwerm insecten deed hem opvliegen. Bladz. 176.Die zwerm insecten deed hem opvliegen. Bladz.176.Den 26stenFebruari waagden de inlanders eene meer ernstige poging, en beklommen ten getale van vijftig den berg aan drie kanten. De geheele bezetting kwam buiten de schans aan den voet van den wal. De Europeesche achterladers brachten in de rangen der Makololo’s eenige verliezen te weeg. Vijf of zes van die plunderaars werden gedood, en de rest van de bende trok af. Evenwel was het duidelijk dat, hoe snel zij hunne geweren ook afschoten, de belegerden door het groote getal konden overrompeld worden. Als vele honderden Makololo’s den berg tegelijk bestormden, zou het moeilijk zijn om hun van alle kanten weerstand te bieden. John Murray kwam toen op het denkbeeld om de voorzijde der schans te beschermen, door er de mitrailleuse, het voornaamste wapen der stoomboot, te plaatsen. Het was een uitstekend verdedigingsmiddel. De eenige moeilijkheid was om dit zware voorwerp langs die loodrechte en moeilijk te beklimmen rotsen naar boven te krijgen. Echter waren de matrozen van deQueen and Tzarzoo behendig, vlug, men zou zelfs zeggen stout, dat de vreeselijke mitrailleuse den 26stenin een schietgat van den muur geplaatst was. Dáár konden de vijfentwintig loopen, die waaiervormig uitstonden, de geheele voorzijde van de schans bestrijken. De inlanders zouden weldra kennis maken met dit moordtuig, dat de beschaafde natiën twintig jaar later als oorlogswapen in gebruik zouden nemen.Gedurende hunne gedwongen werkeloosheid op den Scorzef, hadden de astronomen elken nacht eenige sterrehoogten berekend. De heldere hemel en de zeer drooge atmosfeer stelden hen in staat uitmuntende waarnemingen te doen: Zij verkregen voor de breedte van den Scorzef 19° 37′ 18″ 265, dus tot op duizendste deelen van eene seconde, dat is te zeggen op een meter na. Het was onmogelijk de nauwkeurigheid verder te drijven. Deze uitkomst bevestigde hen in het denkbeeld, dat zij zich op minder dan een halven graad van het noordelijkste punt van hun meridiaan bevonden, en dat derhalve de driehoek, welks hoekpunt zij op den Volquiria wilden plaatsen, de rij hunner metingen zoude eindigen.De Makololo’s herhaalden in den nacht van den 26stenop den 27stenFebruari hun aanval niet. De laatste dag scheen voor de kleine bezetting geen einde te zullen nemen. Indien de omstandigheden den geleider hadden begunstigd, was het mogelijk dat hij met zijne makkers dien dag op den Volquiria was aangekomen; men moest dus den eerstvolgenden nacht den gezichteinder met de uiterste zorg in het oog houden, want het licht van den lantaarn kon verschijnen. Kolonel Everest en Mathieu Strux hadden den kijker reeds zóó op den bergtop gericht, dat deze juist in hetveld van den kijker zichtbaar was. Deze voorzorg vereenvoudigde het onderzoek dat in de duisternis zeer moeilijk was, als men de strepen niet kon zien, die aanwezen tot hoever men den kijker moest uithalen. Indien het licht op den top van den Volquiria werd ontstoken, zou het aanstonds gezien kunnen worden en dan was de hoek bekend.Gedurende dien dag onderzocht Murray te vergeefs de heesters en het hooge gras. Hij kon geen enkel dier opjagen; de vogels zelfs, die in hunne schuilplaatsen verstoord waren, hadden aan de oevers van het meer een veiliger toevluchtsoord opgezocht. De eenzame jager was verdrietig, want nu jaagde hij niet voor zijn vermaak maarpro domo sua, als men ten minste die Latijnsche woorden op de maag van een Engelschman kan toepassen. Murray, wiens eetlust met geen derde rantsoen tevreden was, leed wezenlijk door den honger. Zijne ambtgenooten verdroegen dit gemakkelijker, hetzij hun maag minder behoefte had, hetzij zij op het voorbeeld van Nikolaas Palander een biefstuk konden vervangen door een of twee vergelijkingen van den tweeden graad. Wat de matrozen en den Boschjesman aangaat, zij hadden even grooten honger als John Murray. De kleine voorraad levensmiddelen raakte ten einde. Nog één dag, en al het voedsel zou verbruikt zijn, en wanneer de geleider tegenspoed op zijn tocht had gehad, dan zou de bezetting der schans spoedig tot het uiterste gebracht zijn.Den geheelen nacht van 27 op 28 Februari werd met waarnemingen doorgebracht. De kalme en heldere nacht begunstigde de astronomen, doch de gezichteinder bleef in diepe duisternis gehuld. Geen lichtschijnsel was daar zichtbaar; niets was in het veld van den kijker te zien. De kortste tijd, dien men gemeend had dat Zorn en Emery noodig hadden, was evenwel ter nauwernood voorbij. Hunne ambtgenooten konden zich dus slechts met geduld wapenen en wachten.Gedurende den 28stenFebruari, at de kleine bezetting van den Scorzef haar laatste stuk vleesch en beschuit op. Maar de hoop van deze moedige geleerden verzwakte nog niet, en al moesten zij zich ook met gras voeden, zoo waren zij toch besloten om de plaats niet te verlaten vóór zij hun werk volbracht hadden.De nacht van 28 Februari op 1 Maart gaf hun nog geen uitkomst; eens of tweemaal meenden zij het licht te zien, maar na de waarneming bleek het dat het niets was dan eene ster, die even boven den gezichteinder verscheen.Gedurende den dag van den 1stenMaart at men niet. Waarschijnlijk waren de kolonel en zijne makkers sedert eenige dagen door de ongenoegzame voeding gewend aan onthouding en verdroegen dus gemakkelijker dan zij eerst gedacht hadden, den honger; doch indien de Voorzienigheid hun niet te hulp kwam, dan zouden zij den volgendendag vreeselijk lijden. Den volgenden dag werden zij door de Voorzienigheid niet geholpen; geen enkel stuk wild kwam Murray voor het geweer, en toch konden de belegerden, die geen recht hadden veel te eischen, zich eenigermate herstellen.John Murray en Mokum waren, gekweld door den honger, en met verwilderd oog, op den top van den Scorzef aan het ronddwalen; vreeselijke honger verscheurde hun het ingewand. Zoude het nu zóóver komen dat zij het gras, waarover zij liepen, moesten eten, zooals de kolonel voorspeld had?»Als wij de maag van herkauwende dieren hadden!” dacht de arme Murray,»wat zouden wij ons dan te goed kunnen doen! En geen enkel stuk wild, geen vogeltje!”Terwijl hij zoo sprak, liet Murray zijn oog weiden over het groote meer dat zich aan zijne voeten uitstrekte. De matrozen van deQueen and Tzarhadden te vergeefs beproefd eenige visschen te vangen. De watervogels, die over het kalme water vlogen, lieten zich ook niet benaderen.Murray en Mokum, die uiterst vermoeid waren van het loopen, strekten zich weldra op het gras aan den voet van een vijf of zes voeten hoog heuveltje uit. Een zware slaap, of liever eene verdooving maakte hen gevoelloos. Onder dien indruk sloten hunne oogleden zich onwillekeurig. Langzamerhand vervielen zij in een wezenlijken toestand van gevoelloosheid. De leegte, die zij in hunne maag gevoelden, benam hun alle bezinning waardoor zij gekweld werden; zij gaven er zich dus met genot aan over.Hoeveel tijd deze verdooving geduurd had konden noch de Boschjesman noch John Murray zeggen; maar na een uur ongeveer werd Murray wakker door een zeer onaangenaam jeuken. Hij schudde zich heen en weer, beproefde weder in te slapen, maar het jeuken duurde voort, en ongeduldig opende hij eindelijk de oogen.Legioenen witte mieren liepen over zijne kleederen. Zijn gezicht en handen waren er mede bedekt. Die zwerm insecten deed hem opvliegen alsof een veer in hem was losgesprongen. Deze plotselinge beweging maakte ook den Boschjesman wakker, die naast hem lag. Mokum was evenzeer met witte mieren bedekt, maar in plaats van die insecten weg te jagen, nam hij tot groote verbazing van Murray er handen vol van, stak die in den mond en at ze met graagte op.»He, foei, Mokum!” zeide de Engelschman, die misselijk werd van deze gulzigheid.»Eet, eet, doe zooals ik!” antwoordde de jager, zonder tijd te verliezen. »Eet, eet, het is de rijst van den Boschjesman!....”Kolonel Everest en de Russische sterrekundige. Blz. 183.Kolonel Everest en de Russische sterrekundige. Blz.183.Mokum gaf werkelijk aan die insecten hun inlandschen naam. De Boschjesmannen voeden zich gaarne met deze mieren, waarvan twee soorten bestaan, namelijk witte en zwarte. De witte mier is, volgenshen, van uitstekende hoedanigheid. Het eenige gebrek van dit insect als voedingsmiddel is, dat men er zulke aanzienlijke hoeveelheden van moet eten. De Afrikanen vermengen die dieren dan ook gewoonlijkmet de gom van de mimosa. Op die wijze verkrijgen zij een steviger voedsel. Maar op den top van den Scorzef groeide geen mimosa, en Mokum vergenoegde zich met zijn rijst zoo maar uit de vuist op te eten.Murray voelde zich, niettegenstaande zijn tegenzin, aangezet door een honger, die nog erger werd toen hij zag dat de Boschjesman zich verzadigde, en besloot hem na te volgen. De mieren kropen bij millioenen uit hun groot nest, dat niets anders was, dan het heuveltje waartegen de twee slapers hadden aangelegen. Murray nam er ook eene handvol van, en stak ze in den mond; het smaakte hem inderdaad; hij vond er een aangenamen zuren smaak aan en voelde de krampen in zijne maag langzamerhand bedaren.Evenwel had Mokum zijne makkers niet vergeten. Hij liep naar de schans en bracht de geheele bezetting mede. De matrozen lieten zich niet bidden om van dit zonderlinge voedsel gebruik te maken. Misschien aarzelden Mathieu Strux, de kolonel en Palander een oogenblik; doch het voorbeeld van Murray haalde hen over, en de arme geleerden, die half dood van uitputting waren, trachtten ten minste hun honger te stillen door groote hoeveelheden van die witte mieren in te slikken.Doch een onverwacht toeval verschafte den kolonel en zijnen makkers vrij wat steviger voedsel. Om een voorraad van die insecten te verzamelen, wilde Mokum ééne zijde van het groote mierennest vernielen. Het was, zooals boven gezegd is, een kegelvormig heuveltje dat onder om de basis door kleinere kegeltjes omringd was. De jager had met zijne bijl reeds verscheidene slagen aan het nest toegebracht, toen een zonderling geluid zijne aandacht trok. Het was alsof er een geknor in het binnenste van den mierenhoop gehoord werd. De Boschjesman staakte een oogenblik zijn vernielingswerk, en luisterde. Zijne makkers zagen hem aan, maar zeiden niets. Hij deed wederom eenige slagen met zijn bijl; toen liet zich het geknor duidelijker hooren. De Boschjesman wreef zich zonder een woord te zeggen in de handen, en zijne oogen schitterden van begeerte. Hij hieuw op nieuw op het heuveltje in, zoodat hij er weldra een gat van een voet breed in gemaakt had. De mieren vluchtten naar alle kanten weg, maar de jager stoorde er zich niet aan, en liet aan de matrozen de zorg over om ze in zakken te stoppen.Plotseling verscheen er een zonderling dier voor het gat. Het was een viervoetig dier, met een langen snuit, kleinen bek, zeer rekbare lange tong, rechtstaande ooren, korte pooten, langen en puntigen staart. Lange, grijze, zijdeachtige haren met rooden weerschijn bedekten zijn glad lichaam, en aan de pooten had het groote klauwen.Een enkele slag op den snuit was voldoende om het dier te dooden.»Daar hebben wij ons gebraad, heeren,” zeide de Boschjesman. »Wij hebben er lang op moeten wachten, maar ’t zal daarom nietminder lekker smaken! Kom aan, vuur, een laadstok als braadspit, en wij zullen smullen, zooals wij nog nooit gedaan hebben!”De Boschjesman zeide niet te veel. Het dier, dat hij handig vilde en schoonmaakte, was een aardzuiger of miereneter, bij de Hollanders ook bekend onder den naam van aardvarken. Het komt in zuidelijk Afrika zeer veel voor, en de mierennesten hebben geen grooter vijand. Zulk een miereneter verdelgt legioenen insecten, en als hij niet in de nauwe gangen kan doordringen, vangt hij ze door zijne rekbare en slijmerige tong in den hoop te steken, waarna hij die geheel met mieren bedekt weder intrekt.Het gebraad was weldra gereed; er ontbraken misschien nog wel eenige minuten bradens aan, doch de honger maakte henongeduldig! De helft van het dier werd opgegeten, en men verklaarde het vaste en gezonde vleesch als overheerlijk, hoewel het eenigszins met mierenzuur doortrokken was. Wat heerlijk maal, en wat werden de moed en hoop van die dappere Europeanen er door verlevendigd!En inderdaad moest de hoop wel in hun hart zijn vastgeworteld, want den volgenden nacht verscheen er nog geen licht op den top van den Volquiria!
XX.Acht dagen op den top van den Scorzef.Niet zonder beklemming des harten, hadden de astronomen gezien dat hunne jeugdige ambtgenooten zich verwijderden. Welke moeiten, welke gevaren stonden dezen moedigen jongen lieden te wachten midden in eene onbekende streek, door welke zij nog ongeveer honderd kilometers moesten afleggen! De Boschjesman stelde hunne vrienden evenwel gerust door den moed en de bekwaamheid van den geleider te roemen. Bovendien mocht men veronderstellen dat de Makololo’s, die al te zeer om den Scorzef bezig waren, geen plundertochten ten noorden van het meer zouden ondernemen. Mokum meende, en zijn oordeel bedroog hem niet, dat de kolonel en zijn makkers aan veel grooter gevaar in de schans waren blootgesteld, dan de jonge astronomen op hun tocht naar het noorden. De matrozen en de Boschjesman hielden ’s nachts beurtelings de wacht. De duisternis toch moest de vijandige voornemens der inlanders begunstigen. Maar dat kruipende gedierte, zooals Mokum ze noemde, waagde zich nog niet op de helling van den berg. Misschien wachtten zij versterking om den berg van alle zijden te gelijk aan te vallen en door hun groot getal den tegenstand der belegerden te verzwakken.De jager had zich in zijne gissing niet bedrogen, en toen de dag weder aanbrak, kon de kolonel zien dat het getal der Makololo’s aanzienlijk was toegenomen. Hun kamp, dat met bekwaamheid was ingericht, omringde den voet van den Scorzef en maakte de vlucht door de vlakte onmogelijk. Gelukkig kon het meer niet bewaakt worden, en zoo noodig zou de terugtocht zonder onvoorziene omstandigheden altijd over het water kunnen plaats hebben. Maar er was nog geen sprake van vlucht. De Europeanen bezetten een wetenschappelijken post, een eerepost, dien zij niet dachten te verlaten. In dat opzicht heerschte tusschen hen volkomen overeenstemming. Er bestond zelfs geen zweem meer van eenige persoonlijke veete tusschen den kolonel en Mathieu Strux. Nimmer was er sprake van den oorlog, die op dat tijdstip tusschen Engeland en Rusland gevoerd werd; er werd zelfs geene zinspeling op gemaakt. De beide geleerden gingen op hetzelfde doel af; beiden wilden tot eene uitkomst geraken, die voor beide natiën even nuttig was, en hun wetenschappelijken arbeid tot een goed einde brengen.Terwijl zij het oogenblik afwachtten waarop de lantaarn op den top van den Volquiria zou schitteren, hielden de beide astronomen zich bezig met den vorigen driehoek te berekenen. Deze arbeid,die daarin bestond dat men de beide laatste stations van de Engelsche opname door den dubbelen kijker waarnam, werd zonder moeilijkheid volbracht, en den uitslag er van door Nikolaas Palander opgeteekend. Toen dat gedaan was, kwam men overeen gedurende de volgende nachten talrijke sterren waar te nemen, zoodat men met de grootste juistheid de breedte van den Scorzef berekenen kon.Bovendien moest er eene zeer belangrijke vraag beslist worden, en Mokum werd natuurlijk geroepen om in deze omstandigheid zijne meening te zeggen. In hoeveel tijd minstens konden Zorn en Emery de bergketen bereiken, die het meer Ngami ten noorden begrensde, en wier voornaamste bergtop tot hoekpunt van den laatsten driehoek dienen moest? De Boschjesman schatte op niet minder dan vijf dagen den tijd, die noodig was om dit punt te bereiken. Het lag toch meer dan honderd kilometers van den Scorzef af. De kleine troep ging te voet, en als men de moeilijkheden in aanmerking nam, die zulk eene met bergstroomen doorsneden streek moest opleveren, dan waren vijf dagen nog een zeer kort tijdsverloop. Men nam dus hoogstens zes dagen aan, en naar die berekening regelde men het verbruik der levensmiddelen. Deze waren niet overvloedig voorhanden; men had er een gedeelte van moeten afstaan aan de vertrokken makkers, opdat deze daarmede zich konden voeden totdat zij zich door de jacht weder voedsel konden verschaffen. De levensmiddelen, die zich in de schans bevonden, waren niet meer dan voor twee dagen voldoende, als elkeen zijne gewone portie kreeg. Het waren eenige ponden beschuit, gedroogd vleesch en pemmican. Kolonel Everest besliste in overleg met zijne ambtgenooten, dat het dagelijksch rantsoen tot op een derde zou verminderd worden. Op die wijze kon men tot den zesden dag wachten of het licht verschijnen zou op de plek, waarop men voortdurend den kijker gericht had. De vier Europeanen, de zes matrozen en de Boschjesman, dus elf in het geheel, leden wel door die onvoldoende voeding, doch zij waren boven dergelijk lijden verheven.»Bovendien is het niet verboden te jagen,” zeide John Murray tegen den Boschjesman. Deze schudde twijfelachtig het hoofd. Het scheen hem toe dat op dezen eenzamen berg het wild wel zeer zeldzaam zijn zou. Maar dit was daarom geene reden om aan zijn geweer rust te gunnen, en toen hij dit besluit genomen had ging Murray, terwijl zijne ambtgenooten bezig waren om de berekende metingen op het dubbele register van Nikolaas Palander over te brengen, met Mokum buiten de omheining der schans om den berg nauwkeurig op te nemen.De makololo’s waren kalm onder aan den berg gelegerd, en schenen zich niet te willen haasten met een aanval. Misschien hadden zij het plan de belegerden door honger te dwingen!De Scorzef was spoedig opgenomen. De plaats waar de schans stond, was in hare grootste afmeting geen 250 meters breed. De grond was met dik gras en keisteenen bedekt, en hier en daar stonden eenige heesters, voornamelijk van lischbloemen. De flora op den Scorzef bestond uit erica’s met roode bloemen en proteën met zilverkleurige bladeren. Op de helling, in de spleten door uitspringende rotsen gevormd, stonden tien voet hooge doornstruiken met trossen witte bloemen, die den geur van jasmijnen hadden, doch waarvan de Boschjesman den naam niet kende. (Waarschijnlijk was het deardunia bispinosa). Na een uur rondgekeken te hebben, had de Engelschman nog geen enkel dier bespeurd. Evenwel vlogen eenige kleine vogels met donkerkleurige vleugels en roode bekjes uit de struiken op, en zeker zou deze geheele vogelschaar op het eerste geweerschot verdwenen zijn om nimmer terug te keeren. Men behoefde dus op geen wild te rekenen om de bezetting van leeftocht te voorzien.»Men zal ten minste altijd in het meer kunnen visschen,” zeide John Murray, terwijl hij aan den noordelijken rand van den berg stilstond en de prachtige watervlakte beschouwde.»Zonder net of hengel visschen gaat even goed als vogels in de vlucht grijpen,” zeide de Boschjesman. »Maar wij behoeven nog niet te wanhoopen. U weet dat het toeval ons reeds dikwijls gediend heeft, en ik denk dat dit nog wel eens zal gebeuren.”»Het toeval!” hervatte Murray, »maar als God dit ten onzen dienste stelt, dan is het de beste verzorger van het menschelijke geslacht, dien ik ken! Er is geen zekerder dienaar, geen vernuftiger hofmeester! Het heeft ons met onze Russische vrienden vereenigd, en hen juist daarheen gevoerd, waar wij zelve wilden komen, en het zal ons met elkander wel zachtjes daarheen brengen, waar wij willen!”»En zal het ons voeden?” vroeg de Boschjesman.»Zeker, vriend Mokum,” antwoordde Murray, »en daarmede zal het toeval slechts zijn plicht doen.”De woorden van den Engelschman waren zeker geruststellend, maar de Boschjesman meende dat het toeval een dienaar was, die door zijne meesters een weinig geholpen moest worden, en hij legde bij zich zelven de belofte af dit des noods te doen.De dag van den 25stenFebruari bracht geene verandering in den toestand der belegeraars en belegerden. De Makololo’s bleven binnen hunne legerplaats; kudden ossen en schapen weidden aan den voet van den Scorzef op de landen, die door kleine beekjes vruchtbaar waren geworden. De geplunderde wagens waren in het kamp gebracht. Eenige vrouwen en kinderen, die de nomaden gevolgd waren, hielden zich met gewoon dagwerk bezig. Van tijd tot tijd kwam er een hoofdman, die herkenbaar was aan zijn kostbaren pels, op de helling van den berg en scheen naar een voetpad tezoeken, dat hem des te zekerder op den top brengen zou. Een bukskogel noodzaakte hem echter om spoedig naar de vlakte terug te keeren. Dan antwoordden de Makololo’s met hun krijgsgeschreeuw,schoten eenige onschadelijke pijlen af, of dreigden met hunne lansen, en alles keerde tot de gewone rust terug.Die zwerm insecten deed hem opvliegen. Bladz. 176.Die zwerm insecten deed hem opvliegen. Bladz.176.Den 26stenFebruari waagden de inlanders eene meer ernstige poging, en beklommen ten getale van vijftig den berg aan drie kanten. De geheele bezetting kwam buiten de schans aan den voet van den wal. De Europeesche achterladers brachten in de rangen der Makololo’s eenige verliezen te weeg. Vijf of zes van die plunderaars werden gedood, en de rest van de bende trok af. Evenwel was het duidelijk dat, hoe snel zij hunne geweren ook afschoten, de belegerden door het groote getal konden overrompeld worden. Als vele honderden Makololo’s den berg tegelijk bestormden, zou het moeilijk zijn om hun van alle kanten weerstand te bieden. John Murray kwam toen op het denkbeeld om de voorzijde der schans te beschermen, door er de mitrailleuse, het voornaamste wapen der stoomboot, te plaatsen. Het was een uitstekend verdedigingsmiddel. De eenige moeilijkheid was om dit zware voorwerp langs die loodrechte en moeilijk te beklimmen rotsen naar boven te krijgen. Echter waren de matrozen van deQueen and Tzarzoo behendig, vlug, men zou zelfs zeggen stout, dat de vreeselijke mitrailleuse den 26stenin een schietgat van den muur geplaatst was. Dáár konden de vijfentwintig loopen, die waaiervormig uitstonden, de geheele voorzijde van de schans bestrijken. De inlanders zouden weldra kennis maken met dit moordtuig, dat de beschaafde natiën twintig jaar later als oorlogswapen in gebruik zouden nemen.Gedurende hunne gedwongen werkeloosheid op den Scorzef, hadden de astronomen elken nacht eenige sterrehoogten berekend. De heldere hemel en de zeer drooge atmosfeer stelden hen in staat uitmuntende waarnemingen te doen: Zij verkregen voor de breedte van den Scorzef 19° 37′ 18″ 265, dus tot op duizendste deelen van eene seconde, dat is te zeggen op een meter na. Het was onmogelijk de nauwkeurigheid verder te drijven. Deze uitkomst bevestigde hen in het denkbeeld, dat zij zich op minder dan een halven graad van het noordelijkste punt van hun meridiaan bevonden, en dat derhalve de driehoek, welks hoekpunt zij op den Volquiria wilden plaatsen, de rij hunner metingen zoude eindigen.De Makololo’s herhaalden in den nacht van den 26stenop den 27stenFebruari hun aanval niet. De laatste dag scheen voor de kleine bezetting geen einde te zullen nemen. Indien de omstandigheden den geleider hadden begunstigd, was het mogelijk dat hij met zijne makkers dien dag op den Volquiria was aangekomen; men moest dus den eerstvolgenden nacht den gezichteinder met de uiterste zorg in het oog houden, want het licht van den lantaarn kon verschijnen. Kolonel Everest en Mathieu Strux hadden den kijker reeds zóó op den bergtop gericht, dat deze juist in hetveld van den kijker zichtbaar was. Deze voorzorg vereenvoudigde het onderzoek dat in de duisternis zeer moeilijk was, als men de strepen niet kon zien, die aanwezen tot hoever men den kijker moest uithalen. Indien het licht op den top van den Volquiria werd ontstoken, zou het aanstonds gezien kunnen worden en dan was de hoek bekend.Gedurende dien dag onderzocht Murray te vergeefs de heesters en het hooge gras. Hij kon geen enkel dier opjagen; de vogels zelfs, die in hunne schuilplaatsen verstoord waren, hadden aan de oevers van het meer een veiliger toevluchtsoord opgezocht. De eenzame jager was verdrietig, want nu jaagde hij niet voor zijn vermaak maarpro domo sua, als men ten minste die Latijnsche woorden op de maag van een Engelschman kan toepassen. Murray, wiens eetlust met geen derde rantsoen tevreden was, leed wezenlijk door den honger. Zijne ambtgenooten verdroegen dit gemakkelijker, hetzij hun maag minder behoefte had, hetzij zij op het voorbeeld van Nikolaas Palander een biefstuk konden vervangen door een of twee vergelijkingen van den tweeden graad. Wat de matrozen en den Boschjesman aangaat, zij hadden even grooten honger als John Murray. De kleine voorraad levensmiddelen raakte ten einde. Nog één dag, en al het voedsel zou verbruikt zijn, en wanneer de geleider tegenspoed op zijn tocht had gehad, dan zou de bezetting der schans spoedig tot het uiterste gebracht zijn.Den geheelen nacht van 27 op 28 Februari werd met waarnemingen doorgebracht. De kalme en heldere nacht begunstigde de astronomen, doch de gezichteinder bleef in diepe duisternis gehuld. Geen lichtschijnsel was daar zichtbaar; niets was in het veld van den kijker te zien. De kortste tijd, dien men gemeend had dat Zorn en Emery noodig hadden, was evenwel ter nauwernood voorbij. Hunne ambtgenooten konden zich dus slechts met geduld wapenen en wachten.Gedurende den 28stenFebruari, at de kleine bezetting van den Scorzef haar laatste stuk vleesch en beschuit op. Maar de hoop van deze moedige geleerden verzwakte nog niet, en al moesten zij zich ook met gras voeden, zoo waren zij toch besloten om de plaats niet te verlaten vóór zij hun werk volbracht hadden.De nacht van 28 Februari op 1 Maart gaf hun nog geen uitkomst; eens of tweemaal meenden zij het licht te zien, maar na de waarneming bleek het dat het niets was dan eene ster, die even boven den gezichteinder verscheen.Gedurende den dag van den 1stenMaart at men niet. Waarschijnlijk waren de kolonel en zijne makkers sedert eenige dagen door de ongenoegzame voeding gewend aan onthouding en verdroegen dus gemakkelijker dan zij eerst gedacht hadden, den honger; doch indien de Voorzienigheid hun niet te hulp kwam, dan zouden zij den volgendendag vreeselijk lijden. Den volgenden dag werden zij door de Voorzienigheid niet geholpen; geen enkel stuk wild kwam Murray voor het geweer, en toch konden de belegerden, die geen recht hadden veel te eischen, zich eenigermate herstellen.John Murray en Mokum waren, gekweld door den honger, en met verwilderd oog, op den top van den Scorzef aan het ronddwalen; vreeselijke honger verscheurde hun het ingewand. Zoude het nu zóóver komen dat zij het gras, waarover zij liepen, moesten eten, zooals de kolonel voorspeld had?»Als wij de maag van herkauwende dieren hadden!” dacht de arme Murray,»wat zouden wij ons dan te goed kunnen doen! En geen enkel stuk wild, geen vogeltje!”Terwijl hij zoo sprak, liet Murray zijn oog weiden over het groote meer dat zich aan zijne voeten uitstrekte. De matrozen van deQueen and Tzarhadden te vergeefs beproefd eenige visschen te vangen. De watervogels, die over het kalme water vlogen, lieten zich ook niet benaderen.Murray en Mokum, die uiterst vermoeid waren van het loopen, strekten zich weldra op het gras aan den voet van een vijf of zes voeten hoog heuveltje uit. Een zware slaap, of liever eene verdooving maakte hen gevoelloos. Onder dien indruk sloten hunne oogleden zich onwillekeurig. Langzamerhand vervielen zij in een wezenlijken toestand van gevoelloosheid. De leegte, die zij in hunne maag gevoelden, benam hun alle bezinning waardoor zij gekweld werden; zij gaven er zich dus met genot aan over.Hoeveel tijd deze verdooving geduurd had konden noch de Boschjesman noch John Murray zeggen; maar na een uur ongeveer werd Murray wakker door een zeer onaangenaam jeuken. Hij schudde zich heen en weer, beproefde weder in te slapen, maar het jeuken duurde voort, en ongeduldig opende hij eindelijk de oogen.Legioenen witte mieren liepen over zijne kleederen. Zijn gezicht en handen waren er mede bedekt. Die zwerm insecten deed hem opvliegen alsof een veer in hem was losgesprongen. Deze plotselinge beweging maakte ook den Boschjesman wakker, die naast hem lag. Mokum was evenzeer met witte mieren bedekt, maar in plaats van die insecten weg te jagen, nam hij tot groote verbazing van Murray er handen vol van, stak die in den mond en at ze met graagte op.»He, foei, Mokum!” zeide de Engelschman, die misselijk werd van deze gulzigheid.»Eet, eet, doe zooals ik!” antwoordde de jager, zonder tijd te verliezen. »Eet, eet, het is de rijst van den Boschjesman!....”Kolonel Everest en de Russische sterrekundige. Blz. 183.Kolonel Everest en de Russische sterrekundige. Blz.183.Mokum gaf werkelijk aan die insecten hun inlandschen naam. De Boschjesmannen voeden zich gaarne met deze mieren, waarvan twee soorten bestaan, namelijk witte en zwarte. De witte mier is, volgenshen, van uitstekende hoedanigheid. Het eenige gebrek van dit insect als voedingsmiddel is, dat men er zulke aanzienlijke hoeveelheden van moet eten. De Afrikanen vermengen die dieren dan ook gewoonlijkmet de gom van de mimosa. Op die wijze verkrijgen zij een steviger voedsel. Maar op den top van den Scorzef groeide geen mimosa, en Mokum vergenoegde zich met zijn rijst zoo maar uit de vuist op te eten.Murray voelde zich, niettegenstaande zijn tegenzin, aangezet door een honger, die nog erger werd toen hij zag dat de Boschjesman zich verzadigde, en besloot hem na te volgen. De mieren kropen bij millioenen uit hun groot nest, dat niets anders was, dan het heuveltje waartegen de twee slapers hadden aangelegen. Murray nam er ook eene handvol van, en stak ze in den mond; het smaakte hem inderdaad; hij vond er een aangenamen zuren smaak aan en voelde de krampen in zijne maag langzamerhand bedaren.Evenwel had Mokum zijne makkers niet vergeten. Hij liep naar de schans en bracht de geheele bezetting mede. De matrozen lieten zich niet bidden om van dit zonderlinge voedsel gebruik te maken. Misschien aarzelden Mathieu Strux, de kolonel en Palander een oogenblik; doch het voorbeeld van Murray haalde hen over, en de arme geleerden, die half dood van uitputting waren, trachtten ten minste hun honger te stillen door groote hoeveelheden van die witte mieren in te slikken.Doch een onverwacht toeval verschafte den kolonel en zijnen makkers vrij wat steviger voedsel. Om een voorraad van die insecten te verzamelen, wilde Mokum ééne zijde van het groote mierennest vernielen. Het was, zooals boven gezegd is, een kegelvormig heuveltje dat onder om de basis door kleinere kegeltjes omringd was. De jager had met zijne bijl reeds verscheidene slagen aan het nest toegebracht, toen een zonderling geluid zijne aandacht trok. Het was alsof er een geknor in het binnenste van den mierenhoop gehoord werd. De Boschjesman staakte een oogenblik zijn vernielingswerk, en luisterde. Zijne makkers zagen hem aan, maar zeiden niets. Hij deed wederom eenige slagen met zijn bijl; toen liet zich het geknor duidelijker hooren. De Boschjesman wreef zich zonder een woord te zeggen in de handen, en zijne oogen schitterden van begeerte. Hij hieuw op nieuw op het heuveltje in, zoodat hij er weldra een gat van een voet breed in gemaakt had. De mieren vluchtten naar alle kanten weg, maar de jager stoorde er zich niet aan, en liet aan de matrozen de zorg over om ze in zakken te stoppen.Plotseling verscheen er een zonderling dier voor het gat. Het was een viervoetig dier, met een langen snuit, kleinen bek, zeer rekbare lange tong, rechtstaande ooren, korte pooten, langen en puntigen staart. Lange, grijze, zijdeachtige haren met rooden weerschijn bedekten zijn glad lichaam, en aan de pooten had het groote klauwen.Een enkele slag op den snuit was voldoende om het dier te dooden.»Daar hebben wij ons gebraad, heeren,” zeide de Boschjesman. »Wij hebben er lang op moeten wachten, maar ’t zal daarom nietminder lekker smaken! Kom aan, vuur, een laadstok als braadspit, en wij zullen smullen, zooals wij nog nooit gedaan hebben!”De Boschjesman zeide niet te veel. Het dier, dat hij handig vilde en schoonmaakte, was een aardzuiger of miereneter, bij de Hollanders ook bekend onder den naam van aardvarken. Het komt in zuidelijk Afrika zeer veel voor, en de mierennesten hebben geen grooter vijand. Zulk een miereneter verdelgt legioenen insecten, en als hij niet in de nauwe gangen kan doordringen, vangt hij ze door zijne rekbare en slijmerige tong in den hoop te steken, waarna hij die geheel met mieren bedekt weder intrekt.Het gebraad was weldra gereed; er ontbraken misschien nog wel eenige minuten bradens aan, doch de honger maakte henongeduldig! De helft van het dier werd opgegeten, en men verklaarde het vaste en gezonde vleesch als overheerlijk, hoewel het eenigszins met mierenzuur doortrokken was. Wat heerlijk maal, en wat werden de moed en hoop van die dappere Europeanen er door verlevendigd!En inderdaad moest de hoop wel in hun hart zijn vastgeworteld, want den volgenden nacht verscheen er nog geen licht op den top van den Volquiria!
XX.Acht dagen op den top van den Scorzef.Niet zonder beklemming des harten, hadden de astronomen gezien dat hunne jeugdige ambtgenooten zich verwijderden. Welke moeiten, welke gevaren stonden dezen moedigen jongen lieden te wachten midden in eene onbekende streek, door welke zij nog ongeveer honderd kilometers moesten afleggen! De Boschjesman stelde hunne vrienden evenwel gerust door den moed en de bekwaamheid van den geleider te roemen. Bovendien mocht men veronderstellen dat de Makololo’s, die al te zeer om den Scorzef bezig waren, geen plundertochten ten noorden van het meer zouden ondernemen. Mokum meende, en zijn oordeel bedroog hem niet, dat de kolonel en zijn makkers aan veel grooter gevaar in de schans waren blootgesteld, dan de jonge astronomen op hun tocht naar het noorden. De matrozen en de Boschjesman hielden ’s nachts beurtelings de wacht. De duisternis toch moest de vijandige voornemens der inlanders begunstigen. Maar dat kruipende gedierte, zooals Mokum ze noemde, waagde zich nog niet op de helling van den berg. Misschien wachtten zij versterking om den berg van alle zijden te gelijk aan te vallen en door hun groot getal den tegenstand der belegerden te verzwakken.De jager had zich in zijne gissing niet bedrogen, en toen de dag weder aanbrak, kon de kolonel zien dat het getal der Makololo’s aanzienlijk was toegenomen. Hun kamp, dat met bekwaamheid was ingericht, omringde den voet van den Scorzef en maakte de vlucht door de vlakte onmogelijk. Gelukkig kon het meer niet bewaakt worden, en zoo noodig zou de terugtocht zonder onvoorziene omstandigheden altijd over het water kunnen plaats hebben. Maar er was nog geen sprake van vlucht. De Europeanen bezetten een wetenschappelijken post, een eerepost, dien zij niet dachten te verlaten. In dat opzicht heerschte tusschen hen volkomen overeenstemming. Er bestond zelfs geen zweem meer van eenige persoonlijke veete tusschen den kolonel en Mathieu Strux. Nimmer was er sprake van den oorlog, die op dat tijdstip tusschen Engeland en Rusland gevoerd werd; er werd zelfs geene zinspeling op gemaakt. De beide geleerden gingen op hetzelfde doel af; beiden wilden tot eene uitkomst geraken, die voor beide natiën even nuttig was, en hun wetenschappelijken arbeid tot een goed einde brengen.Terwijl zij het oogenblik afwachtten waarop de lantaarn op den top van den Volquiria zou schitteren, hielden de beide astronomen zich bezig met den vorigen driehoek te berekenen. Deze arbeid,die daarin bestond dat men de beide laatste stations van de Engelsche opname door den dubbelen kijker waarnam, werd zonder moeilijkheid volbracht, en den uitslag er van door Nikolaas Palander opgeteekend. Toen dat gedaan was, kwam men overeen gedurende de volgende nachten talrijke sterren waar te nemen, zoodat men met de grootste juistheid de breedte van den Scorzef berekenen kon.Bovendien moest er eene zeer belangrijke vraag beslist worden, en Mokum werd natuurlijk geroepen om in deze omstandigheid zijne meening te zeggen. In hoeveel tijd minstens konden Zorn en Emery de bergketen bereiken, die het meer Ngami ten noorden begrensde, en wier voornaamste bergtop tot hoekpunt van den laatsten driehoek dienen moest? De Boschjesman schatte op niet minder dan vijf dagen den tijd, die noodig was om dit punt te bereiken. Het lag toch meer dan honderd kilometers van den Scorzef af. De kleine troep ging te voet, en als men de moeilijkheden in aanmerking nam, die zulk eene met bergstroomen doorsneden streek moest opleveren, dan waren vijf dagen nog een zeer kort tijdsverloop. Men nam dus hoogstens zes dagen aan, en naar die berekening regelde men het verbruik der levensmiddelen. Deze waren niet overvloedig voorhanden; men had er een gedeelte van moeten afstaan aan de vertrokken makkers, opdat deze daarmede zich konden voeden totdat zij zich door de jacht weder voedsel konden verschaffen. De levensmiddelen, die zich in de schans bevonden, waren niet meer dan voor twee dagen voldoende, als elkeen zijne gewone portie kreeg. Het waren eenige ponden beschuit, gedroogd vleesch en pemmican. Kolonel Everest besliste in overleg met zijne ambtgenooten, dat het dagelijksch rantsoen tot op een derde zou verminderd worden. Op die wijze kon men tot den zesden dag wachten of het licht verschijnen zou op de plek, waarop men voortdurend den kijker gericht had. De vier Europeanen, de zes matrozen en de Boschjesman, dus elf in het geheel, leden wel door die onvoldoende voeding, doch zij waren boven dergelijk lijden verheven.»Bovendien is het niet verboden te jagen,” zeide John Murray tegen den Boschjesman. Deze schudde twijfelachtig het hoofd. Het scheen hem toe dat op dezen eenzamen berg het wild wel zeer zeldzaam zijn zou. Maar dit was daarom geene reden om aan zijn geweer rust te gunnen, en toen hij dit besluit genomen had ging Murray, terwijl zijne ambtgenooten bezig waren om de berekende metingen op het dubbele register van Nikolaas Palander over te brengen, met Mokum buiten de omheining der schans om den berg nauwkeurig op te nemen.De makololo’s waren kalm onder aan den berg gelegerd, en schenen zich niet te willen haasten met een aanval. Misschien hadden zij het plan de belegerden door honger te dwingen!De Scorzef was spoedig opgenomen. De plaats waar de schans stond, was in hare grootste afmeting geen 250 meters breed. De grond was met dik gras en keisteenen bedekt, en hier en daar stonden eenige heesters, voornamelijk van lischbloemen. De flora op den Scorzef bestond uit erica’s met roode bloemen en proteën met zilverkleurige bladeren. Op de helling, in de spleten door uitspringende rotsen gevormd, stonden tien voet hooge doornstruiken met trossen witte bloemen, die den geur van jasmijnen hadden, doch waarvan de Boschjesman den naam niet kende. (Waarschijnlijk was het deardunia bispinosa). Na een uur rondgekeken te hebben, had de Engelschman nog geen enkel dier bespeurd. Evenwel vlogen eenige kleine vogels met donkerkleurige vleugels en roode bekjes uit de struiken op, en zeker zou deze geheele vogelschaar op het eerste geweerschot verdwenen zijn om nimmer terug te keeren. Men behoefde dus op geen wild te rekenen om de bezetting van leeftocht te voorzien.»Men zal ten minste altijd in het meer kunnen visschen,” zeide John Murray, terwijl hij aan den noordelijken rand van den berg stilstond en de prachtige watervlakte beschouwde.»Zonder net of hengel visschen gaat even goed als vogels in de vlucht grijpen,” zeide de Boschjesman. »Maar wij behoeven nog niet te wanhoopen. U weet dat het toeval ons reeds dikwijls gediend heeft, en ik denk dat dit nog wel eens zal gebeuren.”»Het toeval!” hervatte Murray, »maar als God dit ten onzen dienste stelt, dan is het de beste verzorger van het menschelijke geslacht, dien ik ken! Er is geen zekerder dienaar, geen vernuftiger hofmeester! Het heeft ons met onze Russische vrienden vereenigd, en hen juist daarheen gevoerd, waar wij zelve wilden komen, en het zal ons met elkander wel zachtjes daarheen brengen, waar wij willen!”»En zal het ons voeden?” vroeg de Boschjesman.»Zeker, vriend Mokum,” antwoordde Murray, »en daarmede zal het toeval slechts zijn plicht doen.”De woorden van den Engelschman waren zeker geruststellend, maar de Boschjesman meende dat het toeval een dienaar was, die door zijne meesters een weinig geholpen moest worden, en hij legde bij zich zelven de belofte af dit des noods te doen.De dag van den 25stenFebruari bracht geene verandering in den toestand der belegeraars en belegerden. De Makololo’s bleven binnen hunne legerplaats; kudden ossen en schapen weidden aan den voet van den Scorzef op de landen, die door kleine beekjes vruchtbaar waren geworden. De geplunderde wagens waren in het kamp gebracht. Eenige vrouwen en kinderen, die de nomaden gevolgd waren, hielden zich met gewoon dagwerk bezig. Van tijd tot tijd kwam er een hoofdman, die herkenbaar was aan zijn kostbaren pels, op de helling van den berg en scheen naar een voetpad tezoeken, dat hem des te zekerder op den top brengen zou. Een bukskogel noodzaakte hem echter om spoedig naar de vlakte terug te keeren. Dan antwoordden de Makololo’s met hun krijgsgeschreeuw,schoten eenige onschadelijke pijlen af, of dreigden met hunne lansen, en alles keerde tot de gewone rust terug.Die zwerm insecten deed hem opvliegen. Bladz. 176.Die zwerm insecten deed hem opvliegen. Bladz.176.Den 26stenFebruari waagden de inlanders eene meer ernstige poging, en beklommen ten getale van vijftig den berg aan drie kanten. De geheele bezetting kwam buiten de schans aan den voet van den wal. De Europeesche achterladers brachten in de rangen der Makololo’s eenige verliezen te weeg. Vijf of zes van die plunderaars werden gedood, en de rest van de bende trok af. Evenwel was het duidelijk dat, hoe snel zij hunne geweren ook afschoten, de belegerden door het groote getal konden overrompeld worden. Als vele honderden Makololo’s den berg tegelijk bestormden, zou het moeilijk zijn om hun van alle kanten weerstand te bieden. John Murray kwam toen op het denkbeeld om de voorzijde der schans te beschermen, door er de mitrailleuse, het voornaamste wapen der stoomboot, te plaatsen. Het was een uitstekend verdedigingsmiddel. De eenige moeilijkheid was om dit zware voorwerp langs die loodrechte en moeilijk te beklimmen rotsen naar boven te krijgen. Echter waren de matrozen van deQueen and Tzarzoo behendig, vlug, men zou zelfs zeggen stout, dat de vreeselijke mitrailleuse den 26stenin een schietgat van den muur geplaatst was. Dáár konden de vijfentwintig loopen, die waaiervormig uitstonden, de geheele voorzijde van de schans bestrijken. De inlanders zouden weldra kennis maken met dit moordtuig, dat de beschaafde natiën twintig jaar later als oorlogswapen in gebruik zouden nemen.Gedurende hunne gedwongen werkeloosheid op den Scorzef, hadden de astronomen elken nacht eenige sterrehoogten berekend. De heldere hemel en de zeer drooge atmosfeer stelden hen in staat uitmuntende waarnemingen te doen: Zij verkregen voor de breedte van den Scorzef 19° 37′ 18″ 265, dus tot op duizendste deelen van eene seconde, dat is te zeggen op een meter na. Het was onmogelijk de nauwkeurigheid verder te drijven. Deze uitkomst bevestigde hen in het denkbeeld, dat zij zich op minder dan een halven graad van het noordelijkste punt van hun meridiaan bevonden, en dat derhalve de driehoek, welks hoekpunt zij op den Volquiria wilden plaatsen, de rij hunner metingen zoude eindigen.De Makololo’s herhaalden in den nacht van den 26stenop den 27stenFebruari hun aanval niet. De laatste dag scheen voor de kleine bezetting geen einde te zullen nemen. Indien de omstandigheden den geleider hadden begunstigd, was het mogelijk dat hij met zijne makkers dien dag op den Volquiria was aangekomen; men moest dus den eerstvolgenden nacht den gezichteinder met de uiterste zorg in het oog houden, want het licht van den lantaarn kon verschijnen. Kolonel Everest en Mathieu Strux hadden den kijker reeds zóó op den bergtop gericht, dat deze juist in hetveld van den kijker zichtbaar was. Deze voorzorg vereenvoudigde het onderzoek dat in de duisternis zeer moeilijk was, als men de strepen niet kon zien, die aanwezen tot hoever men den kijker moest uithalen. Indien het licht op den top van den Volquiria werd ontstoken, zou het aanstonds gezien kunnen worden en dan was de hoek bekend.Gedurende dien dag onderzocht Murray te vergeefs de heesters en het hooge gras. Hij kon geen enkel dier opjagen; de vogels zelfs, die in hunne schuilplaatsen verstoord waren, hadden aan de oevers van het meer een veiliger toevluchtsoord opgezocht. De eenzame jager was verdrietig, want nu jaagde hij niet voor zijn vermaak maarpro domo sua, als men ten minste die Latijnsche woorden op de maag van een Engelschman kan toepassen. Murray, wiens eetlust met geen derde rantsoen tevreden was, leed wezenlijk door den honger. Zijne ambtgenooten verdroegen dit gemakkelijker, hetzij hun maag minder behoefte had, hetzij zij op het voorbeeld van Nikolaas Palander een biefstuk konden vervangen door een of twee vergelijkingen van den tweeden graad. Wat de matrozen en den Boschjesman aangaat, zij hadden even grooten honger als John Murray. De kleine voorraad levensmiddelen raakte ten einde. Nog één dag, en al het voedsel zou verbruikt zijn, en wanneer de geleider tegenspoed op zijn tocht had gehad, dan zou de bezetting der schans spoedig tot het uiterste gebracht zijn.Den geheelen nacht van 27 op 28 Februari werd met waarnemingen doorgebracht. De kalme en heldere nacht begunstigde de astronomen, doch de gezichteinder bleef in diepe duisternis gehuld. Geen lichtschijnsel was daar zichtbaar; niets was in het veld van den kijker te zien. De kortste tijd, dien men gemeend had dat Zorn en Emery noodig hadden, was evenwel ter nauwernood voorbij. Hunne ambtgenooten konden zich dus slechts met geduld wapenen en wachten.Gedurende den 28stenFebruari, at de kleine bezetting van den Scorzef haar laatste stuk vleesch en beschuit op. Maar de hoop van deze moedige geleerden verzwakte nog niet, en al moesten zij zich ook met gras voeden, zoo waren zij toch besloten om de plaats niet te verlaten vóór zij hun werk volbracht hadden.De nacht van 28 Februari op 1 Maart gaf hun nog geen uitkomst; eens of tweemaal meenden zij het licht te zien, maar na de waarneming bleek het dat het niets was dan eene ster, die even boven den gezichteinder verscheen.Gedurende den dag van den 1stenMaart at men niet. Waarschijnlijk waren de kolonel en zijne makkers sedert eenige dagen door de ongenoegzame voeding gewend aan onthouding en verdroegen dus gemakkelijker dan zij eerst gedacht hadden, den honger; doch indien de Voorzienigheid hun niet te hulp kwam, dan zouden zij den volgendendag vreeselijk lijden. Den volgenden dag werden zij door de Voorzienigheid niet geholpen; geen enkel stuk wild kwam Murray voor het geweer, en toch konden de belegerden, die geen recht hadden veel te eischen, zich eenigermate herstellen.John Murray en Mokum waren, gekweld door den honger, en met verwilderd oog, op den top van den Scorzef aan het ronddwalen; vreeselijke honger verscheurde hun het ingewand. Zoude het nu zóóver komen dat zij het gras, waarover zij liepen, moesten eten, zooals de kolonel voorspeld had?»Als wij de maag van herkauwende dieren hadden!” dacht de arme Murray,»wat zouden wij ons dan te goed kunnen doen! En geen enkel stuk wild, geen vogeltje!”Terwijl hij zoo sprak, liet Murray zijn oog weiden over het groote meer dat zich aan zijne voeten uitstrekte. De matrozen van deQueen and Tzarhadden te vergeefs beproefd eenige visschen te vangen. De watervogels, die over het kalme water vlogen, lieten zich ook niet benaderen.Murray en Mokum, die uiterst vermoeid waren van het loopen, strekten zich weldra op het gras aan den voet van een vijf of zes voeten hoog heuveltje uit. Een zware slaap, of liever eene verdooving maakte hen gevoelloos. Onder dien indruk sloten hunne oogleden zich onwillekeurig. Langzamerhand vervielen zij in een wezenlijken toestand van gevoelloosheid. De leegte, die zij in hunne maag gevoelden, benam hun alle bezinning waardoor zij gekweld werden; zij gaven er zich dus met genot aan over.Hoeveel tijd deze verdooving geduurd had konden noch de Boschjesman noch John Murray zeggen; maar na een uur ongeveer werd Murray wakker door een zeer onaangenaam jeuken. Hij schudde zich heen en weer, beproefde weder in te slapen, maar het jeuken duurde voort, en ongeduldig opende hij eindelijk de oogen.Legioenen witte mieren liepen over zijne kleederen. Zijn gezicht en handen waren er mede bedekt. Die zwerm insecten deed hem opvliegen alsof een veer in hem was losgesprongen. Deze plotselinge beweging maakte ook den Boschjesman wakker, die naast hem lag. Mokum was evenzeer met witte mieren bedekt, maar in plaats van die insecten weg te jagen, nam hij tot groote verbazing van Murray er handen vol van, stak die in den mond en at ze met graagte op.»He, foei, Mokum!” zeide de Engelschman, die misselijk werd van deze gulzigheid.»Eet, eet, doe zooals ik!” antwoordde de jager, zonder tijd te verliezen. »Eet, eet, het is de rijst van den Boschjesman!....”Kolonel Everest en de Russische sterrekundige. Blz. 183.Kolonel Everest en de Russische sterrekundige. Blz.183.Mokum gaf werkelijk aan die insecten hun inlandschen naam. De Boschjesmannen voeden zich gaarne met deze mieren, waarvan twee soorten bestaan, namelijk witte en zwarte. De witte mier is, volgenshen, van uitstekende hoedanigheid. Het eenige gebrek van dit insect als voedingsmiddel is, dat men er zulke aanzienlijke hoeveelheden van moet eten. De Afrikanen vermengen die dieren dan ook gewoonlijkmet de gom van de mimosa. Op die wijze verkrijgen zij een steviger voedsel. Maar op den top van den Scorzef groeide geen mimosa, en Mokum vergenoegde zich met zijn rijst zoo maar uit de vuist op te eten.Murray voelde zich, niettegenstaande zijn tegenzin, aangezet door een honger, die nog erger werd toen hij zag dat de Boschjesman zich verzadigde, en besloot hem na te volgen. De mieren kropen bij millioenen uit hun groot nest, dat niets anders was, dan het heuveltje waartegen de twee slapers hadden aangelegen. Murray nam er ook eene handvol van, en stak ze in den mond; het smaakte hem inderdaad; hij vond er een aangenamen zuren smaak aan en voelde de krampen in zijne maag langzamerhand bedaren.Evenwel had Mokum zijne makkers niet vergeten. Hij liep naar de schans en bracht de geheele bezetting mede. De matrozen lieten zich niet bidden om van dit zonderlinge voedsel gebruik te maken. Misschien aarzelden Mathieu Strux, de kolonel en Palander een oogenblik; doch het voorbeeld van Murray haalde hen over, en de arme geleerden, die half dood van uitputting waren, trachtten ten minste hun honger te stillen door groote hoeveelheden van die witte mieren in te slikken.Doch een onverwacht toeval verschafte den kolonel en zijnen makkers vrij wat steviger voedsel. Om een voorraad van die insecten te verzamelen, wilde Mokum ééne zijde van het groote mierennest vernielen. Het was, zooals boven gezegd is, een kegelvormig heuveltje dat onder om de basis door kleinere kegeltjes omringd was. De jager had met zijne bijl reeds verscheidene slagen aan het nest toegebracht, toen een zonderling geluid zijne aandacht trok. Het was alsof er een geknor in het binnenste van den mierenhoop gehoord werd. De Boschjesman staakte een oogenblik zijn vernielingswerk, en luisterde. Zijne makkers zagen hem aan, maar zeiden niets. Hij deed wederom eenige slagen met zijn bijl; toen liet zich het geknor duidelijker hooren. De Boschjesman wreef zich zonder een woord te zeggen in de handen, en zijne oogen schitterden van begeerte. Hij hieuw op nieuw op het heuveltje in, zoodat hij er weldra een gat van een voet breed in gemaakt had. De mieren vluchtten naar alle kanten weg, maar de jager stoorde er zich niet aan, en liet aan de matrozen de zorg over om ze in zakken te stoppen.Plotseling verscheen er een zonderling dier voor het gat. Het was een viervoetig dier, met een langen snuit, kleinen bek, zeer rekbare lange tong, rechtstaande ooren, korte pooten, langen en puntigen staart. Lange, grijze, zijdeachtige haren met rooden weerschijn bedekten zijn glad lichaam, en aan de pooten had het groote klauwen.Een enkele slag op den snuit was voldoende om het dier te dooden.»Daar hebben wij ons gebraad, heeren,” zeide de Boschjesman. »Wij hebben er lang op moeten wachten, maar ’t zal daarom nietminder lekker smaken! Kom aan, vuur, een laadstok als braadspit, en wij zullen smullen, zooals wij nog nooit gedaan hebben!”De Boschjesman zeide niet te veel. Het dier, dat hij handig vilde en schoonmaakte, was een aardzuiger of miereneter, bij de Hollanders ook bekend onder den naam van aardvarken. Het komt in zuidelijk Afrika zeer veel voor, en de mierennesten hebben geen grooter vijand. Zulk een miereneter verdelgt legioenen insecten, en als hij niet in de nauwe gangen kan doordringen, vangt hij ze door zijne rekbare en slijmerige tong in den hoop te steken, waarna hij die geheel met mieren bedekt weder intrekt.Het gebraad was weldra gereed; er ontbraken misschien nog wel eenige minuten bradens aan, doch de honger maakte henongeduldig! De helft van het dier werd opgegeten, en men verklaarde het vaste en gezonde vleesch als overheerlijk, hoewel het eenigszins met mierenzuur doortrokken was. Wat heerlijk maal, en wat werden de moed en hoop van die dappere Europeanen er door verlevendigd!En inderdaad moest de hoop wel in hun hart zijn vastgeworteld, want den volgenden nacht verscheen er nog geen licht op den top van den Volquiria!
XX.Acht dagen op den top van den Scorzef.
Niet zonder beklemming des harten, hadden de astronomen gezien dat hunne jeugdige ambtgenooten zich verwijderden. Welke moeiten, welke gevaren stonden dezen moedigen jongen lieden te wachten midden in eene onbekende streek, door welke zij nog ongeveer honderd kilometers moesten afleggen! De Boschjesman stelde hunne vrienden evenwel gerust door den moed en de bekwaamheid van den geleider te roemen. Bovendien mocht men veronderstellen dat de Makololo’s, die al te zeer om den Scorzef bezig waren, geen plundertochten ten noorden van het meer zouden ondernemen. Mokum meende, en zijn oordeel bedroog hem niet, dat de kolonel en zijn makkers aan veel grooter gevaar in de schans waren blootgesteld, dan de jonge astronomen op hun tocht naar het noorden. De matrozen en de Boschjesman hielden ’s nachts beurtelings de wacht. De duisternis toch moest de vijandige voornemens der inlanders begunstigen. Maar dat kruipende gedierte, zooals Mokum ze noemde, waagde zich nog niet op de helling van den berg. Misschien wachtten zij versterking om den berg van alle zijden te gelijk aan te vallen en door hun groot getal den tegenstand der belegerden te verzwakken.De jager had zich in zijne gissing niet bedrogen, en toen de dag weder aanbrak, kon de kolonel zien dat het getal der Makololo’s aanzienlijk was toegenomen. Hun kamp, dat met bekwaamheid was ingericht, omringde den voet van den Scorzef en maakte de vlucht door de vlakte onmogelijk. Gelukkig kon het meer niet bewaakt worden, en zoo noodig zou de terugtocht zonder onvoorziene omstandigheden altijd over het water kunnen plaats hebben. Maar er was nog geen sprake van vlucht. De Europeanen bezetten een wetenschappelijken post, een eerepost, dien zij niet dachten te verlaten. In dat opzicht heerschte tusschen hen volkomen overeenstemming. Er bestond zelfs geen zweem meer van eenige persoonlijke veete tusschen den kolonel en Mathieu Strux. Nimmer was er sprake van den oorlog, die op dat tijdstip tusschen Engeland en Rusland gevoerd werd; er werd zelfs geene zinspeling op gemaakt. De beide geleerden gingen op hetzelfde doel af; beiden wilden tot eene uitkomst geraken, die voor beide natiën even nuttig was, en hun wetenschappelijken arbeid tot een goed einde brengen.Terwijl zij het oogenblik afwachtten waarop de lantaarn op den top van den Volquiria zou schitteren, hielden de beide astronomen zich bezig met den vorigen driehoek te berekenen. Deze arbeid,die daarin bestond dat men de beide laatste stations van de Engelsche opname door den dubbelen kijker waarnam, werd zonder moeilijkheid volbracht, en den uitslag er van door Nikolaas Palander opgeteekend. Toen dat gedaan was, kwam men overeen gedurende de volgende nachten talrijke sterren waar te nemen, zoodat men met de grootste juistheid de breedte van den Scorzef berekenen kon.Bovendien moest er eene zeer belangrijke vraag beslist worden, en Mokum werd natuurlijk geroepen om in deze omstandigheid zijne meening te zeggen. In hoeveel tijd minstens konden Zorn en Emery de bergketen bereiken, die het meer Ngami ten noorden begrensde, en wier voornaamste bergtop tot hoekpunt van den laatsten driehoek dienen moest? De Boschjesman schatte op niet minder dan vijf dagen den tijd, die noodig was om dit punt te bereiken. Het lag toch meer dan honderd kilometers van den Scorzef af. De kleine troep ging te voet, en als men de moeilijkheden in aanmerking nam, die zulk eene met bergstroomen doorsneden streek moest opleveren, dan waren vijf dagen nog een zeer kort tijdsverloop. Men nam dus hoogstens zes dagen aan, en naar die berekening regelde men het verbruik der levensmiddelen. Deze waren niet overvloedig voorhanden; men had er een gedeelte van moeten afstaan aan de vertrokken makkers, opdat deze daarmede zich konden voeden totdat zij zich door de jacht weder voedsel konden verschaffen. De levensmiddelen, die zich in de schans bevonden, waren niet meer dan voor twee dagen voldoende, als elkeen zijne gewone portie kreeg. Het waren eenige ponden beschuit, gedroogd vleesch en pemmican. Kolonel Everest besliste in overleg met zijne ambtgenooten, dat het dagelijksch rantsoen tot op een derde zou verminderd worden. Op die wijze kon men tot den zesden dag wachten of het licht verschijnen zou op de plek, waarop men voortdurend den kijker gericht had. De vier Europeanen, de zes matrozen en de Boschjesman, dus elf in het geheel, leden wel door die onvoldoende voeding, doch zij waren boven dergelijk lijden verheven.»Bovendien is het niet verboden te jagen,” zeide John Murray tegen den Boschjesman. Deze schudde twijfelachtig het hoofd. Het scheen hem toe dat op dezen eenzamen berg het wild wel zeer zeldzaam zijn zou. Maar dit was daarom geene reden om aan zijn geweer rust te gunnen, en toen hij dit besluit genomen had ging Murray, terwijl zijne ambtgenooten bezig waren om de berekende metingen op het dubbele register van Nikolaas Palander over te brengen, met Mokum buiten de omheining der schans om den berg nauwkeurig op te nemen.De makololo’s waren kalm onder aan den berg gelegerd, en schenen zich niet te willen haasten met een aanval. Misschien hadden zij het plan de belegerden door honger te dwingen!De Scorzef was spoedig opgenomen. De plaats waar de schans stond, was in hare grootste afmeting geen 250 meters breed. De grond was met dik gras en keisteenen bedekt, en hier en daar stonden eenige heesters, voornamelijk van lischbloemen. De flora op den Scorzef bestond uit erica’s met roode bloemen en proteën met zilverkleurige bladeren. Op de helling, in de spleten door uitspringende rotsen gevormd, stonden tien voet hooge doornstruiken met trossen witte bloemen, die den geur van jasmijnen hadden, doch waarvan de Boschjesman den naam niet kende. (Waarschijnlijk was het deardunia bispinosa). Na een uur rondgekeken te hebben, had de Engelschman nog geen enkel dier bespeurd. Evenwel vlogen eenige kleine vogels met donkerkleurige vleugels en roode bekjes uit de struiken op, en zeker zou deze geheele vogelschaar op het eerste geweerschot verdwenen zijn om nimmer terug te keeren. Men behoefde dus op geen wild te rekenen om de bezetting van leeftocht te voorzien.»Men zal ten minste altijd in het meer kunnen visschen,” zeide John Murray, terwijl hij aan den noordelijken rand van den berg stilstond en de prachtige watervlakte beschouwde.»Zonder net of hengel visschen gaat even goed als vogels in de vlucht grijpen,” zeide de Boschjesman. »Maar wij behoeven nog niet te wanhoopen. U weet dat het toeval ons reeds dikwijls gediend heeft, en ik denk dat dit nog wel eens zal gebeuren.”»Het toeval!” hervatte Murray, »maar als God dit ten onzen dienste stelt, dan is het de beste verzorger van het menschelijke geslacht, dien ik ken! Er is geen zekerder dienaar, geen vernuftiger hofmeester! Het heeft ons met onze Russische vrienden vereenigd, en hen juist daarheen gevoerd, waar wij zelve wilden komen, en het zal ons met elkander wel zachtjes daarheen brengen, waar wij willen!”»En zal het ons voeden?” vroeg de Boschjesman.»Zeker, vriend Mokum,” antwoordde Murray, »en daarmede zal het toeval slechts zijn plicht doen.”De woorden van den Engelschman waren zeker geruststellend, maar de Boschjesman meende dat het toeval een dienaar was, die door zijne meesters een weinig geholpen moest worden, en hij legde bij zich zelven de belofte af dit des noods te doen.De dag van den 25stenFebruari bracht geene verandering in den toestand der belegeraars en belegerden. De Makololo’s bleven binnen hunne legerplaats; kudden ossen en schapen weidden aan den voet van den Scorzef op de landen, die door kleine beekjes vruchtbaar waren geworden. De geplunderde wagens waren in het kamp gebracht. Eenige vrouwen en kinderen, die de nomaden gevolgd waren, hielden zich met gewoon dagwerk bezig. Van tijd tot tijd kwam er een hoofdman, die herkenbaar was aan zijn kostbaren pels, op de helling van den berg en scheen naar een voetpad tezoeken, dat hem des te zekerder op den top brengen zou. Een bukskogel noodzaakte hem echter om spoedig naar de vlakte terug te keeren. Dan antwoordden de Makololo’s met hun krijgsgeschreeuw,schoten eenige onschadelijke pijlen af, of dreigden met hunne lansen, en alles keerde tot de gewone rust terug.Die zwerm insecten deed hem opvliegen. Bladz. 176.Die zwerm insecten deed hem opvliegen. Bladz.176.Den 26stenFebruari waagden de inlanders eene meer ernstige poging, en beklommen ten getale van vijftig den berg aan drie kanten. De geheele bezetting kwam buiten de schans aan den voet van den wal. De Europeesche achterladers brachten in de rangen der Makololo’s eenige verliezen te weeg. Vijf of zes van die plunderaars werden gedood, en de rest van de bende trok af. Evenwel was het duidelijk dat, hoe snel zij hunne geweren ook afschoten, de belegerden door het groote getal konden overrompeld worden. Als vele honderden Makololo’s den berg tegelijk bestormden, zou het moeilijk zijn om hun van alle kanten weerstand te bieden. John Murray kwam toen op het denkbeeld om de voorzijde der schans te beschermen, door er de mitrailleuse, het voornaamste wapen der stoomboot, te plaatsen. Het was een uitstekend verdedigingsmiddel. De eenige moeilijkheid was om dit zware voorwerp langs die loodrechte en moeilijk te beklimmen rotsen naar boven te krijgen. Echter waren de matrozen van deQueen and Tzarzoo behendig, vlug, men zou zelfs zeggen stout, dat de vreeselijke mitrailleuse den 26stenin een schietgat van den muur geplaatst was. Dáár konden de vijfentwintig loopen, die waaiervormig uitstonden, de geheele voorzijde van de schans bestrijken. De inlanders zouden weldra kennis maken met dit moordtuig, dat de beschaafde natiën twintig jaar later als oorlogswapen in gebruik zouden nemen.Gedurende hunne gedwongen werkeloosheid op den Scorzef, hadden de astronomen elken nacht eenige sterrehoogten berekend. De heldere hemel en de zeer drooge atmosfeer stelden hen in staat uitmuntende waarnemingen te doen: Zij verkregen voor de breedte van den Scorzef 19° 37′ 18″ 265, dus tot op duizendste deelen van eene seconde, dat is te zeggen op een meter na. Het was onmogelijk de nauwkeurigheid verder te drijven. Deze uitkomst bevestigde hen in het denkbeeld, dat zij zich op minder dan een halven graad van het noordelijkste punt van hun meridiaan bevonden, en dat derhalve de driehoek, welks hoekpunt zij op den Volquiria wilden plaatsen, de rij hunner metingen zoude eindigen.De Makololo’s herhaalden in den nacht van den 26stenop den 27stenFebruari hun aanval niet. De laatste dag scheen voor de kleine bezetting geen einde te zullen nemen. Indien de omstandigheden den geleider hadden begunstigd, was het mogelijk dat hij met zijne makkers dien dag op den Volquiria was aangekomen; men moest dus den eerstvolgenden nacht den gezichteinder met de uiterste zorg in het oog houden, want het licht van den lantaarn kon verschijnen. Kolonel Everest en Mathieu Strux hadden den kijker reeds zóó op den bergtop gericht, dat deze juist in hetveld van den kijker zichtbaar was. Deze voorzorg vereenvoudigde het onderzoek dat in de duisternis zeer moeilijk was, als men de strepen niet kon zien, die aanwezen tot hoever men den kijker moest uithalen. Indien het licht op den top van den Volquiria werd ontstoken, zou het aanstonds gezien kunnen worden en dan was de hoek bekend.Gedurende dien dag onderzocht Murray te vergeefs de heesters en het hooge gras. Hij kon geen enkel dier opjagen; de vogels zelfs, die in hunne schuilplaatsen verstoord waren, hadden aan de oevers van het meer een veiliger toevluchtsoord opgezocht. De eenzame jager was verdrietig, want nu jaagde hij niet voor zijn vermaak maarpro domo sua, als men ten minste die Latijnsche woorden op de maag van een Engelschman kan toepassen. Murray, wiens eetlust met geen derde rantsoen tevreden was, leed wezenlijk door den honger. Zijne ambtgenooten verdroegen dit gemakkelijker, hetzij hun maag minder behoefte had, hetzij zij op het voorbeeld van Nikolaas Palander een biefstuk konden vervangen door een of twee vergelijkingen van den tweeden graad. Wat de matrozen en den Boschjesman aangaat, zij hadden even grooten honger als John Murray. De kleine voorraad levensmiddelen raakte ten einde. Nog één dag, en al het voedsel zou verbruikt zijn, en wanneer de geleider tegenspoed op zijn tocht had gehad, dan zou de bezetting der schans spoedig tot het uiterste gebracht zijn.Den geheelen nacht van 27 op 28 Februari werd met waarnemingen doorgebracht. De kalme en heldere nacht begunstigde de astronomen, doch de gezichteinder bleef in diepe duisternis gehuld. Geen lichtschijnsel was daar zichtbaar; niets was in het veld van den kijker te zien. De kortste tijd, dien men gemeend had dat Zorn en Emery noodig hadden, was evenwel ter nauwernood voorbij. Hunne ambtgenooten konden zich dus slechts met geduld wapenen en wachten.Gedurende den 28stenFebruari, at de kleine bezetting van den Scorzef haar laatste stuk vleesch en beschuit op. Maar de hoop van deze moedige geleerden verzwakte nog niet, en al moesten zij zich ook met gras voeden, zoo waren zij toch besloten om de plaats niet te verlaten vóór zij hun werk volbracht hadden.De nacht van 28 Februari op 1 Maart gaf hun nog geen uitkomst; eens of tweemaal meenden zij het licht te zien, maar na de waarneming bleek het dat het niets was dan eene ster, die even boven den gezichteinder verscheen.Gedurende den dag van den 1stenMaart at men niet. Waarschijnlijk waren de kolonel en zijne makkers sedert eenige dagen door de ongenoegzame voeding gewend aan onthouding en verdroegen dus gemakkelijker dan zij eerst gedacht hadden, den honger; doch indien de Voorzienigheid hun niet te hulp kwam, dan zouden zij den volgendendag vreeselijk lijden. Den volgenden dag werden zij door de Voorzienigheid niet geholpen; geen enkel stuk wild kwam Murray voor het geweer, en toch konden de belegerden, die geen recht hadden veel te eischen, zich eenigermate herstellen.John Murray en Mokum waren, gekweld door den honger, en met verwilderd oog, op den top van den Scorzef aan het ronddwalen; vreeselijke honger verscheurde hun het ingewand. Zoude het nu zóóver komen dat zij het gras, waarover zij liepen, moesten eten, zooals de kolonel voorspeld had?»Als wij de maag van herkauwende dieren hadden!” dacht de arme Murray,»wat zouden wij ons dan te goed kunnen doen! En geen enkel stuk wild, geen vogeltje!”Terwijl hij zoo sprak, liet Murray zijn oog weiden over het groote meer dat zich aan zijne voeten uitstrekte. De matrozen van deQueen and Tzarhadden te vergeefs beproefd eenige visschen te vangen. De watervogels, die over het kalme water vlogen, lieten zich ook niet benaderen.Murray en Mokum, die uiterst vermoeid waren van het loopen, strekten zich weldra op het gras aan den voet van een vijf of zes voeten hoog heuveltje uit. Een zware slaap, of liever eene verdooving maakte hen gevoelloos. Onder dien indruk sloten hunne oogleden zich onwillekeurig. Langzamerhand vervielen zij in een wezenlijken toestand van gevoelloosheid. De leegte, die zij in hunne maag gevoelden, benam hun alle bezinning waardoor zij gekweld werden; zij gaven er zich dus met genot aan over.Hoeveel tijd deze verdooving geduurd had konden noch de Boschjesman noch John Murray zeggen; maar na een uur ongeveer werd Murray wakker door een zeer onaangenaam jeuken. Hij schudde zich heen en weer, beproefde weder in te slapen, maar het jeuken duurde voort, en ongeduldig opende hij eindelijk de oogen.Legioenen witte mieren liepen over zijne kleederen. Zijn gezicht en handen waren er mede bedekt. Die zwerm insecten deed hem opvliegen alsof een veer in hem was losgesprongen. Deze plotselinge beweging maakte ook den Boschjesman wakker, die naast hem lag. Mokum was evenzeer met witte mieren bedekt, maar in plaats van die insecten weg te jagen, nam hij tot groote verbazing van Murray er handen vol van, stak die in den mond en at ze met graagte op.»He, foei, Mokum!” zeide de Engelschman, die misselijk werd van deze gulzigheid.»Eet, eet, doe zooals ik!” antwoordde de jager, zonder tijd te verliezen. »Eet, eet, het is de rijst van den Boschjesman!....”Kolonel Everest en de Russische sterrekundige. Blz. 183.Kolonel Everest en de Russische sterrekundige. Blz.183.Mokum gaf werkelijk aan die insecten hun inlandschen naam. De Boschjesmannen voeden zich gaarne met deze mieren, waarvan twee soorten bestaan, namelijk witte en zwarte. De witte mier is, volgenshen, van uitstekende hoedanigheid. Het eenige gebrek van dit insect als voedingsmiddel is, dat men er zulke aanzienlijke hoeveelheden van moet eten. De Afrikanen vermengen die dieren dan ook gewoonlijkmet de gom van de mimosa. Op die wijze verkrijgen zij een steviger voedsel. Maar op den top van den Scorzef groeide geen mimosa, en Mokum vergenoegde zich met zijn rijst zoo maar uit de vuist op te eten.Murray voelde zich, niettegenstaande zijn tegenzin, aangezet door een honger, die nog erger werd toen hij zag dat de Boschjesman zich verzadigde, en besloot hem na te volgen. De mieren kropen bij millioenen uit hun groot nest, dat niets anders was, dan het heuveltje waartegen de twee slapers hadden aangelegen. Murray nam er ook eene handvol van, en stak ze in den mond; het smaakte hem inderdaad; hij vond er een aangenamen zuren smaak aan en voelde de krampen in zijne maag langzamerhand bedaren.Evenwel had Mokum zijne makkers niet vergeten. Hij liep naar de schans en bracht de geheele bezetting mede. De matrozen lieten zich niet bidden om van dit zonderlinge voedsel gebruik te maken. Misschien aarzelden Mathieu Strux, de kolonel en Palander een oogenblik; doch het voorbeeld van Murray haalde hen over, en de arme geleerden, die half dood van uitputting waren, trachtten ten minste hun honger te stillen door groote hoeveelheden van die witte mieren in te slikken.Doch een onverwacht toeval verschafte den kolonel en zijnen makkers vrij wat steviger voedsel. Om een voorraad van die insecten te verzamelen, wilde Mokum ééne zijde van het groote mierennest vernielen. Het was, zooals boven gezegd is, een kegelvormig heuveltje dat onder om de basis door kleinere kegeltjes omringd was. De jager had met zijne bijl reeds verscheidene slagen aan het nest toegebracht, toen een zonderling geluid zijne aandacht trok. Het was alsof er een geknor in het binnenste van den mierenhoop gehoord werd. De Boschjesman staakte een oogenblik zijn vernielingswerk, en luisterde. Zijne makkers zagen hem aan, maar zeiden niets. Hij deed wederom eenige slagen met zijn bijl; toen liet zich het geknor duidelijker hooren. De Boschjesman wreef zich zonder een woord te zeggen in de handen, en zijne oogen schitterden van begeerte. Hij hieuw op nieuw op het heuveltje in, zoodat hij er weldra een gat van een voet breed in gemaakt had. De mieren vluchtten naar alle kanten weg, maar de jager stoorde er zich niet aan, en liet aan de matrozen de zorg over om ze in zakken te stoppen.Plotseling verscheen er een zonderling dier voor het gat. Het was een viervoetig dier, met een langen snuit, kleinen bek, zeer rekbare lange tong, rechtstaande ooren, korte pooten, langen en puntigen staart. Lange, grijze, zijdeachtige haren met rooden weerschijn bedekten zijn glad lichaam, en aan de pooten had het groote klauwen.Een enkele slag op den snuit was voldoende om het dier te dooden.»Daar hebben wij ons gebraad, heeren,” zeide de Boschjesman. »Wij hebben er lang op moeten wachten, maar ’t zal daarom nietminder lekker smaken! Kom aan, vuur, een laadstok als braadspit, en wij zullen smullen, zooals wij nog nooit gedaan hebben!”De Boschjesman zeide niet te veel. Het dier, dat hij handig vilde en schoonmaakte, was een aardzuiger of miereneter, bij de Hollanders ook bekend onder den naam van aardvarken. Het komt in zuidelijk Afrika zeer veel voor, en de mierennesten hebben geen grooter vijand. Zulk een miereneter verdelgt legioenen insecten, en als hij niet in de nauwe gangen kan doordringen, vangt hij ze door zijne rekbare en slijmerige tong in den hoop te steken, waarna hij die geheel met mieren bedekt weder intrekt.Het gebraad was weldra gereed; er ontbraken misschien nog wel eenige minuten bradens aan, doch de honger maakte henongeduldig! De helft van het dier werd opgegeten, en men verklaarde het vaste en gezonde vleesch als overheerlijk, hoewel het eenigszins met mierenzuur doortrokken was. Wat heerlijk maal, en wat werden de moed en hoop van die dappere Europeanen er door verlevendigd!En inderdaad moest de hoop wel in hun hart zijn vastgeworteld, want den volgenden nacht verscheen er nog geen licht op den top van den Volquiria!
Niet zonder beklemming des harten, hadden de astronomen gezien dat hunne jeugdige ambtgenooten zich verwijderden. Welke moeiten, welke gevaren stonden dezen moedigen jongen lieden te wachten midden in eene onbekende streek, door welke zij nog ongeveer honderd kilometers moesten afleggen! De Boschjesman stelde hunne vrienden evenwel gerust door den moed en de bekwaamheid van den geleider te roemen. Bovendien mocht men veronderstellen dat de Makololo’s, die al te zeer om den Scorzef bezig waren, geen plundertochten ten noorden van het meer zouden ondernemen. Mokum meende, en zijn oordeel bedroog hem niet, dat de kolonel en zijn makkers aan veel grooter gevaar in de schans waren blootgesteld, dan de jonge astronomen op hun tocht naar het noorden. De matrozen en de Boschjesman hielden ’s nachts beurtelings de wacht. De duisternis toch moest de vijandige voornemens der inlanders begunstigen. Maar dat kruipende gedierte, zooals Mokum ze noemde, waagde zich nog niet op de helling van den berg. Misschien wachtten zij versterking om den berg van alle zijden te gelijk aan te vallen en door hun groot getal den tegenstand der belegerden te verzwakken.
De jager had zich in zijne gissing niet bedrogen, en toen de dag weder aanbrak, kon de kolonel zien dat het getal der Makololo’s aanzienlijk was toegenomen. Hun kamp, dat met bekwaamheid was ingericht, omringde den voet van den Scorzef en maakte de vlucht door de vlakte onmogelijk. Gelukkig kon het meer niet bewaakt worden, en zoo noodig zou de terugtocht zonder onvoorziene omstandigheden altijd over het water kunnen plaats hebben. Maar er was nog geen sprake van vlucht. De Europeanen bezetten een wetenschappelijken post, een eerepost, dien zij niet dachten te verlaten. In dat opzicht heerschte tusschen hen volkomen overeenstemming. Er bestond zelfs geen zweem meer van eenige persoonlijke veete tusschen den kolonel en Mathieu Strux. Nimmer was er sprake van den oorlog, die op dat tijdstip tusschen Engeland en Rusland gevoerd werd; er werd zelfs geene zinspeling op gemaakt. De beide geleerden gingen op hetzelfde doel af; beiden wilden tot eene uitkomst geraken, die voor beide natiën even nuttig was, en hun wetenschappelijken arbeid tot een goed einde brengen.
Terwijl zij het oogenblik afwachtten waarop de lantaarn op den top van den Volquiria zou schitteren, hielden de beide astronomen zich bezig met den vorigen driehoek te berekenen. Deze arbeid,die daarin bestond dat men de beide laatste stations van de Engelsche opname door den dubbelen kijker waarnam, werd zonder moeilijkheid volbracht, en den uitslag er van door Nikolaas Palander opgeteekend. Toen dat gedaan was, kwam men overeen gedurende de volgende nachten talrijke sterren waar te nemen, zoodat men met de grootste juistheid de breedte van den Scorzef berekenen kon.
Bovendien moest er eene zeer belangrijke vraag beslist worden, en Mokum werd natuurlijk geroepen om in deze omstandigheid zijne meening te zeggen. In hoeveel tijd minstens konden Zorn en Emery de bergketen bereiken, die het meer Ngami ten noorden begrensde, en wier voornaamste bergtop tot hoekpunt van den laatsten driehoek dienen moest? De Boschjesman schatte op niet minder dan vijf dagen den tijd, die noodig was om dit punt te bereiken. Het lag toch meer dan honderd kilometers van den Scorzef af. De kleine troep ging te voet, en als men de moeilijkheden in aanmerking nam, die zulk eene met bergstroomen doorsneden streek moest opleveren, dan waren vijf dagen nog een zeer kort tijdsverloop. Men nam dus hoogstens zes dagen aan, en naar die berekening regelde men het verbruik der levensmiddelen. Deze waren niet overvloedig voorhanden; men had er een gedeelte van moeten afstaan aan de vertrokken makkers, opdat deze daarmede zich konden voeden totdat zij zich door de jacht weder voedsel konden verschaffen. De levensmiddelen, die zich in de schans bevonden, waren niet meer dan voor twee dagen voldoende, als elkeen zijne gewone portie kreeg. Het waren eenige ponden beschuit, gedroogd vleesch en pemmican. Kolonel Everest besliste in overleg met zijne ambtgenooten, dat het dagelijksch rantsoen tot op een derde zou verminderd worden. Op die wijze kon men tot den zesden dag wachten of het licht verschijnen zou op de plek, waarop men voortdurend den kijker gericht had. De vier Europeanen, de zes matrozen en de Boschjesman, dus elf in het geheel, leden wel door die onvoldoende voeding, doch zij waren boven dergelijk lijden verheven.
»Bovendien is het niet verboden te jagen,” zeide John Murray tegen den Boschjesman. Deze schudde twijfelachtig het hoofd. Het scheen hem toe dat op dezen eenzamen berg het wild wel zeer zeldzaam zijn zou. Maar dit was daarom geene reden om aan zijn geweer rust te gunnen, en toen hij dit besluit genomen had ging Murray, terwijl zijne ambtgenooten bezig waren om de berekende metingen op het dubbele register van Nikolaas Palander over te brengen, met Mokum buiten de omheining der schans om den berg nauwkeurig op te nemen.
De makololo’s waren kalm onder aan den berg gelegerd, en schenen zich niet te willen haasten met een aanval. Misschien hadden zij het plan de belegerden door honger te dwingen!
De Scorzef was spoedig opgenomen. De plaats waar de schans stond, was in hare grootste afmeting geen 250 meters breed. De grond was met dik gras en keisteenen bedekt, en hier en daar stonden eenige heesters, voornamelijk van lischbloemen. De flora op den Scorzef bestond uit erica’s met roode bloemen en proteën met zilverkleurige bladeren. Op de helling, in de spleten door uitspringende rotsen gevormd, stonden tien voet hooge doornstruiken met trossen witte bloemen, die den geur van jasmijnen hadden, doch waarvan de Boschjesman den naam niet kende. (Waarschijnlijk was het deardunia bispinosa). Na een uur rondgekeken te hebben, had de Engelschman nog geen enkel dier bespeurd. Evenwel vlogen eenige kleine vogels met donkerkleurige vleugels en roode bekjes uit de struiken op, en zeker zou deze geheele vogelschaar op het eerste geweerschot verdwenen zijn om nimmer terug te keeren. Men behoefde dus op geen wild te rekenen om de bezetting van leeftocht te voorzien.
»Men zal ten minste altijd in het meer kunnen visschen,” zeide John Murray, terwijl hij aan den noordelijken rand van den berg stilstond en de prachtige watervlakte beschouwde.
»Zonder net of hengel visschen gaat even goed als vogels in de vlucht grijpen,” zeide de Boschjesman. »Maar wij behoeven nog niet te wanhoopen. U weet dat het toeval ons reeds dikwijls gediend heeft, en ik denk dat dit nog wel eens zal gebeuren.”
»Het toeval!” hervatte Murray, »maar als God dit ten onzen dienste stelt, dan is het de beste verzorger van het menschelijke geslacht, dien ik ken! Er is geen zekerder dienaar, geen vernuftiger hofmeester! Het heeft ons met onze Russische vrienden vereenigd, en hen juist daarheen gevoerd, waar wij zelve wilden komen, en het zal ons met elkander wel zachtjes daarheen brengen, waar wij willen!”
»En zal het ons voeden?” vroeg de Boschjesman.
»Zeker, vriend Mokum,” antwoordde Murray, »en daarmede zal het toeval slechts zijn plicht doen.”
De woorden van den Engelschman waren zeker geruststellend, maar de Boschjesman meende dat het toeval een dienaar was, die door zijne meesters een weinig geholpen moest worden, en hij legde bij zich zelven de belofte af dit des noods te doen.
De dag van den 25stenFebruari bracht geene verandering in den toestand der belegeraars en belegerden. De Makololo’s bleven binnen hunne legerplaats; kudden ossen en schapen weidden aan den voet van den Scorzef op de landen, die door kleine beekjes vruchtbaar waren geworden. De geplunderde wagens waren in het kamp gebracht. Eenige vrouwen en kinderen, die de nomaden gevolgd waren, hielden zich met gewoon dagwerk bezig. Van tijd tot tijd kwam er een hoofdman, die herkenbaar was aan zijn kostbaren pels, op de helling van den berg en scheen naar een voetpad tezoeken, dat hem des te zekerder op den top brengen zou. Een bukskogel noodzaakte hem echter om spoedig naar de vlakte terug te keeren. Dan antwoordden de Makololo’s met hun krijgsgeschreeuw,schoten eenige onschadelijke pijlen af, of dreigden met hunne lansen, en alles keerde tot de gewone rust terug.
Die zwerm insecten deed hem opvliegen. Bladz. 176.Die zwerm insecten deed hem opvliegen. Bladz.176.
Die zwerm insecten deed hem opvliegen. Bladz.176.
Den 26stenFebruari waagden de inlanders eene meer ernstige poging, en beklommen ten getale van vijftig den berg aan drie kanten. De geheele bezetting kwam buiten de schans aan den voet van den wal. De Europeesche achterladers brachten in de rangen der Makololo’s eenige verliezen te weeg. Vijf of zes van die plunderaars werden gedood, en de rest van de bende trok af. Evenwel was het duidelijk dat, hoe snel zij hunne geweren ook afschoten, de belegerden door het groote getal konden overrompeld worden. Als vele honderden Makololo’s den berg tegelijk bestormden, zou het moeilijk zijn om hun van alle kanten weerstand te bieden. John Murray kwam toen op het denkbeeld om de voorzijde der schans te beschermen, door er de mitrailleuse, het voornaamste wapen der stoomboot, te plaatsen. Het was een uitstekend verdedigingsmiddel. De eenige moeilijkheid was om dit zware voorwerp langs die loodrechte en moeilijk te beklimmen rotsen naar boven te krijgen. Echter waren de matrozen van deQueen and Tzarzoo behendig, vlug, men zou zelfs zeggen stout, dat de vreeselijke mitrailleuse den 26stenin een schietgat van den muur geplaatst was. Dáár konden de vijfentwintig loopen, die waaiervormig uitstonden, de geheele voorzijde van de schans bestrijken. De inlanders zouden weldra kennis maken met dit moordtuig, dat de beschaafde natiën twintig jaar later als oorlogswapen in gebruik zouden nemen.
Gedurende hunne gedwongen werkeloosheid op den Scorzef, hadden de astronomen elken nacht eenige sterrehoogten berekend. De heldere hemel en de zeer drooge atmosfeer stelden hen in staat uitmuntende waarnemingen te doen: Zij verkregen voor de breedte van den Scorzef 19° 37′ 18″ 265, dus tot op duizendste deelen van eene seconde, dat is te zeggen op een meter na. Het was onmogelijk de nauwkeurigheid verder te drijven. Deze uitkomst bevestigde hen in het denkbeeld, dat zij zich op minder dan een halven graad van het noordelijkste punt van hun meridiaan bevonden, en dat derhalve de driehoek, welks hoekpunt zij op den Volquiria wilden plaatsen, de rij hunner metingen zoude eindigen.
De Makololo’s herhaalden in den nacht van den 26stenop den 27stenFebruari hun aanval niet. De laatste dag scheen voor de kleine bezetting geen einde te zullen nemen. Indien de omstandigheden den geleider hadden begunstigd, was het mogelijk dat hij met zijne makkers dien dag op den Volquiria was aangekomen; men moest dus den eerstvolgenden nacht den gezichteinder met de uiterste zorg in het oog houden, want het licht van den lantaarn kon verschijnen. Kolonel Everest en Mathieu Strux hadden den kijker reeds zóó op den bergtop gericht, dat deze juist in hetveld van den kijker zichtbaar was. Deze voorzorg vereenvoudigde het onderzoek dat in de duisternis zeer moeilijk was, als men de strepen niet kon zien, die aanwezen tot hoever men den kijker moest uithalen. Indien het licht op den top van den Volquiria werd ontstoken, zou het aanstonds gezien kunnen worden en dan was de hoek bekend.
Gedurende dien dag onderzocht Murray te vergeefs de heesters en het hooge gras. Hij kon geen enkel dier opjagen; de vogels zelfs, die in hunne schuilplaatsen verstoord waren, hadden aan de oevers van het meer een veiliger toevluchtsoord opgezocht. De eenzame jager was verdrietig, want nu jaagde hij niet voor zijn vermaak maarpro domo sua, als men ten minste die Latijnsche woorden op de maag van een Engelschman kan toepassen. Murray, wiens eetlust met geen derde rantsoen tevreden was, leed wezenlijk door den honger. Zijne ambtgenooten verdroegen dit gemakkelijker, hetzij hun maag minder behoefte had, hetzij zij op het voorbeeld van Nikolaas Palander een biefstuk konden vervangen door een of twee vergelijkingen van den tweeden graad. Wat de matrozen en den Boschjesman aangaat, zij hadden even grooten honger als John Murray. De kleine voorraad levensmiddelen raakte ten einde. Nog één dag, en al het voedsel zou verbruikt zijn, en wanneer de geleider tegenspoed op zijn tocht had gehad, dan zou de bezetting der schans spoedig tot het uiterste gebracht zijn.
Den geheelen nacht van 27 op 28 Februari werd met waarnemingen doorgebracht. De kalme en heldere nacht begunstigde de astronomen, doch de gezichteinder bleef in diepe duisternis gehuld. Geen lichtschijnsel was daar zichtbaar; niets was in het veld van den kijker te zien. De kortste tijd, dien men gemeend had dat Zorn en Emery noodig hadden, was evenwel ter nauwernood voorbij. Hunne ambtgenooten konden zich dus slechts met geduld wapenen en wachten.
Gedurende den 28stenFebruari, at de kleine bezetting van den Scorzef haar laatste stuk vleesch en beschuit op. Maar de hoop van deze moedige geleerden verzwakte nog niet, en al moesten zij zich ook met gras voeden, zoo waren zij toch besloten om de plaats niet te verlaten vóór zij hun werk volbracht hadden.
De nacht van 28 Februari op 1 Maart gaf hun nog geen uitkomst; eens of tweemaal meenden zij het licht te zien, maar na de waarneming bleek het dat het niets was dan eene ster, die even boven den gezichteinder verscheen.
Gedurende den dag van den 1stenMaart at men niet. Waarschijnlijk waren de kolonel en zijne makkers sedert eenige dagen door de ongenoegzame voeding gewend aan onthouding en verdroegen dus gemakkelijker dan zij eerst gedacht hadden, den honger; doch indien de Voorzienigheid hun niet te hulp kwam, dan zouden zij den volgendendag vreeselijk lijden. Den volgenden dag werden zij door de Voorzienigheid niet geholpen; geen enkel stuk wild kwam Murray voor het geweer, en toch konden de belegerden, die geen recht hadden veel te eischen, zich eenigermate herstellen.
John Murray en Mokum waren, gekweld door den honger, en met verwilderd oog, op den top van den Scorzef aan het ronddwalen; vreeselijke honger verscheurde hun het ingewand. Zoude het nu zóóver komen dat zij het gras, waarover zij liepen, moesten eten, zooals de kolonel voorspeld had?
»Als wij de maag van herkauwende dieren hadden!” dacht de arme Murray,»wat zouden wij ons dan te goed kunnen doen! En geen enkel stuk wild, geen vogeltje!”
Terwijl hij zoo sprak, liet Murray zijn oog weiden over het groote meer dat zich aan zijne voeten uitstrekte. De matrozen van deQueen and Tzarhadden te vergeefs beproefd eenige visschen te vangen. De watervogels, die over het kalme water vlogen, lieten zich ook niet benaderen.
Murray en Mokum, die uiterst vermoeid waren van het loopen, strekten zich weldra op het gras aan den voet van een vijf of zes voeten hoog heuveltje uit. Een zware slaap, of liever eene verdooving maakte hen gevoelloos. Onder dien indruk sloten hunne oogleden zich onwillekeurig. Langzamerhand vervielen zij in een wezenlijken toestand van gevoelloosheid. De leegte, die zij in hunne maag gevoelden, benam hun alle bezinning waardoor zij gekweld werden; zij gaven er zich dus met genot aan over.
Hoeveel tijd deze verdooving geduurd had konden noch de Boschjesman noch John Murray zeggen; maar na een uur ongeveer werd Murray wakker door een zeer onaangenaam jeuken. Hij schudde zich heen en weer, beproefde weder in te slapen, maar het jeuken duurde voort, en ongeduldig opende hij eindelijk de oogen.
Legioenen witte mieren liepen over zijne kleederen. Zijn gezicht en handen waren er mede bedekt. Die zwerm insecten deed hem opvliegen alsof een veer in hem was losgesprongen. Deze plotselinge beweging maakte ook den Boschjesman wakker, die naast hem lag. Mokum was evenzeer met witte mieren bedekt, maar in plaats van die insecten weg te jagen, nam hij tot groote verbazing van Murray er handen vol van, stak die in den mond en at ze met graagte op.
»He, foei, Mokum!” zeide de Engelschman, die misselijk werd van deze gulzigheid.
»Eet, eet, doe zooals ik!” antwoordde de jager, zonder tijd te verliezen. »Eet, eet, het is de rijst van den Boschjesman!....”
Kolonel Everest en de Russische sterrekundige. Blz. 183.Kolonel Everest en de Russische sterrekundige. Blz.183.
Kolonel Everest en de Russische sterrekundige. Blz.183.
Mokum gaf werkelijk aan die insecten hun inlandschen naam. De Boschjesmannen voeden zich gaarne met deze mieren, waarvan twee soorten bestaan, namelijk witte en zwarte. De witte mier is, volgenshen, van uitstekende hoedanigheid. Het eenige gebrek van dit insect als voedingsmiddel is, dat men er zulke aanzienlijke hoeveelheden van moet eten. De Afrikanen vermengen die dieren dan ook gewoonlijkmet de gom van de mimosa. Op die wijze verkrijgen zij een steviger voedsel. Maar op den top van den Scorzef groeide geen mimosa, en Mokum vergenoegde zich met zijn rijst zoo maar uit de vuist op te eten.
Murray voelde zich, niettegenstaande zijn tegenzin, aangezet door een honger, die nog erger werd toen hij zag dat de Boschjesman zich verzadigde, en besloot hem na te volgen. De mieren kropen bij millioenen uit hun groot nest, dat niets anders was, dan het heuveltje waartegen de twee slapers hadden aangelegen. Murray nam er ook eene handvol van, en stak ze in den mond; het smaakte hem inderdaad; hij vond er een aangenamen zuren smaak aan en voelde de krampen in zijne maag langzamerhand bedaren.
Evenwel had Mokum zijne makkers niet vergeten. Hij liep naar de schans en bracht de geheele bezetting mede. De matrozen lieten zich niet bidden om van dit zonderlinge voedsel gebruik te maken. Misschien aarzelden Mathieu Strux, de kolonel en Palander een oogenblik; doch het voorbeeld van Murray haalde hen over, en de arme geleerden, die half dood van uitputting waren, trachtten ten minste hun honger te stillen door groote hoeveelheden van die witte mieren in te slikken.
Doch een onverwacht toeval verschafte den kolonel en zijnen makkers vrij wat steviger voedsel. Om een voorraad van die insecten te verzamelen, wilde Mokum ééne zijde van het groote mierennest vernielen. Het was, zooals boven gezegd is, een kegelvormig heuveltje dat onder om de basis door kleinere kegeltjes omringd was. De jager had met zijne bijl reeds verscheidene slagen aan het nest toegebracht, toen een zonderling geluid zijne aandacht trok. Het was alsof er een geknor in het binnenste van den mierenhoop gehoord werd. De Boschjesman staakte een oogenblik zijn vernielingswerk, en luisterde. Zijne makkers zagen hem aan, maar zeiden niets. Hij deed wederom eenige slagen met zijn bijl; toen liet zich het geknor duidelijker hooren. De Boschjesman wreef zich zonder een woord te zeggen in de handen, en zijne oogen schitterden van begeerte. Hij hieuw op nieuw op het heuveltje in, zoodat hij er weldra een gat van een voet breed in gemaakt had. De mieren vluchtten naar alle kanten weg, maar de jager stoorde er zich niet aan, en liet aan de matrozen de zorg over om ze in zakken te stoppen.
Plotseling verscheen er een zonderling dier voor het gat. Het was een viervoetig dier, met een langen snuit, kleinen bek, zeer rekbare lange tong, rechtstaande ooren, korte pooten, langen en puntigen staart. Lange, grijze, zijdeachtige haren met rooden weerschijn bedekten zijn glad lichaam, en aan de pooten had het groote klauwen.
Een enkele slag op den snuit was voldoende om het dier te dooden.
»Daar hebben wij ons gebraad, heeren,” zeide de Boschjesman. »Wij hebben er lang op moeten wachten, maar ’t zal daarom nietminder lekker smaken! Kom aan, vuur, een laadstok als braadspit, en wij zullen smullen, zooals wij nog nooit gedaan hebben!”
De Boschjesman zeide niet te veel. Het dier, dat hij handig vilde en schoonmaakte, was een aardzuiger of miereneter, bij de Hollanders ook bekend onder den naam van aardvarken. Het komt in zuidelijk Afrika zeer veel voor, en de mierennesten hebben geen grooter vijand. Zulk een miereneter verdelgt legioenen insecten, en als hij niet in de nauwe gangen kan doordringen, vangt hij ze door zijne rekbare en slijmerige tong in den hoop te steken, waarna hij die geheel met mieren bedekt weder intrekt.
Het gebraad was weldra gereed; er ontbraken misschien nog wel eenige minuten bradens aan, doch de honger maakte henongeduldig! De helft van het dier werd opgegeten, en men verklaarde het vaste en gezonde vleesch als overheerlijk, hoewel het eenigszins met mierenzuur doortrokken was. Wat heerlijk maal, en wat werden de moed en hoop van die dappere Europeanen er door verlevendigd!
En inderdaad moest de hoop wel in hun hart zijn vastgeworteld, want den volgenden nacht verscheen er nog geen licht op den top van den Volquiria!