The Project Gutenberg eBook ofBaboe Dalima

The Project Gutenberg eBook ofBaboe DalimaThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: Baboe DalimaAuthor: M. T. H. PerelaerRelease date: July 13, 2021 [eBook #65832]Most recently updated: October 18, 2024Language: DutchCredits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book was produced from scanned images of public domain material from the Google Books project.)*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BABOE DALIMA ***

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Baboe DalimaAuthor: M. T. H. PerelaerRelease date: July 13, 2021 [eBook #65832]Most recently updated: October 18, 2024Language: DutchCredits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book was produced from scanned images of public domain material from the Google Books project.)

Title: Baboe Dalima

Author: M. T. H. Perelaer

Author: M. T. H. Perelaer

Release date: July 13, 2021 [eBook #65832]Most recently updated: October 18, 2024

Language: Dutch

Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This book was produced from scanned images of public domain material from the Google Books project.)

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BABOE DALIMA ***

[Inhoud][Inhoud]VERZAMELDERomantische WerkenVANM. T. H. PERELAERGep.Hoofdofficier van hetNederl.-Ind.Leger[Inhoud]Uitgerverslogo: Uitgeversmaatschappij Elsevier.[Inhoud]Oorspronkelijke titelpagina.VERZAMELDERomantische WerkenVANM. T. H. PERELAERGep.Hoofdofficier van hetNederl.-Ind.LegerEERSTE NAAR TIJDSORDE GERANGSCHIKTE UITGAVE, BEZORGD DOOR DEN SCHRIJVERVIII–IXBABOE DALIMAAMSTERDAMUITGEVERS-MAATSCHAPPY »ELSEVIER”[V][Inhoud]VOORWOORD VOOR DEN EERSTEN DRUK.In den avond van den 4den Februari 1885, had de schrijver dezer bladzijden in eene buitengewone vergadering van de Indologische Vereeniging te Delft eene lezing gehouden over»de opium in Ned. Indië.”1Bij terugkeer naar ’s-Gravenhage evenwel betuigde een der hoorders zijn leedwezen, dat het onderwerp in zoo’n droog kleed gestoken was, en beweerde, dat die behandeling, zooals zij voorgedragen was, ongenietbaar voor het groote publiek genoemd moest worden, wat z. i. jammer was.Dat ik bij het vernemen van die woorden, die niets van eene loftuiting, wel het tegendeel daarvan hadden, vreemd opkeek, zal wel niet betuigd behoeven te worden.»Gij moet mij niet verkeerd verstaan,” beantwoordde de criticus dien blik. »Mijne meening is niet, iets op de verdiensten van die verhandeling af te dingen. Voor een gezelschap hoogleeraren, maar vooral voor de jongelingschap, die daar zat te luisteren, was zij m. i. onverbeterlijk en was de toon, die aangeslagen was, de juiste, om die jeugdige harten te doen ontvonken; maar de aanhaling van de wettelijke bepalingen, waarop het geheele monopolie gegrondvest is, en van de fragmenten uit Kamerspeeches, uit rapporten, uit adviezen, enz., enz., die medegedeeld moesten worden, verleenden aan den arbeid iets boekerigs, ietsje ne sais quoi,waartegen een Nederlandsch publiek niet kan. Ware zij anders uitgevallen, dan zou ik u voorgesteld hebben, die verhandeling bij uwen uitgever te brengen en haar door den druk te laten verspreiden. Zooals zij thans is, zou zij evenwel geen koopers vinden en de weinigen, die haar zouden koopen, zouden haar niet ten einde brengen. En … toch ware het wenschelijk, dat die woorden, die daar weerklonken hebben, de ooren van velen, van duizenden bereikten … Ware het niet mogelijk …?”Ja, ware het niet mogelijk …? Dat was de laatste galm, dien ik nog opving. De criticus mocht verder praten, zooveel hij wilde. Ik zat in een hoek van het coupé, en … Ja, ware het niet mogelijk?… Dat was de gedachte, die mij uitsluitend bezighield, terwijl de trein in het sombere duister van een zwarten februari-nacht voortijlde; … en nog stond het stoomgevaarte in het station te ’s-Hage niet stil, toen reeds het gronddenkbeeld zich in mijn brein geworteld had van het boek, hetwelk het lezend publiek hierbij aangeboden wordt.Ben ik geslaagd in mijne poging?… Die poging was, om hetgeen op het gebied van het opium-monopolie inNederlandsch-Indiëvoorvalt, onder het bereik van ieders bevatting te brengen, en het in zoo’n kleed te steken, dat tot voortlezen zoude aanmoedigen. O, ik heb mij niet ontveinsd: de moeielijkheden, die gelegen waren in het hullen van droge reglementen en bepalingen in een romantisch gewaad, de moeielijkheden om de maatregelen tot uitvoering dier gedrochtelijke bestuursordonnantiën in een verhaaltrant[VI]voor te dragen, die tot lezen zouden nopen. Toch meen ik van het mij gestelde doel niet te ver verwijderd gebleven te zijn. Ga ik af op het oordeel van ettelijke mijner vrienden, wien ik mijn manuscript liet inzien, dan meen ik mijn onderwerp zoodanig behandeld te hebben, dat de lezer zich genoopt zal voelen mijn boek, in weerwil van de vele feilen, die het op vindings- en litterarisch gebied aankleven, ten einde toe te lezen. En mocht die uitslag verkregen, mocht die hoop vervuld zijn, dan vertrouw ik, dat ik den lezer aan het einde tot den uitroep verlokt zal hebben van:Onverbiddelijke oorlog! Oorlogàoutranceaan den opiumpacht!In mijn boek komen afschuwelijke tafereelen voor, tafereelen, die mij genoopt hebben, op den omslag het dicton:la mère en interdira la lecture à sa fillete plaatsen, om het verwijt te ontgaan, dat het door onbedacht te laten slingeren in handen van onervaren jeugd mocht geraken, voor wien, ik erken dat, het geen lectuur is. Ik heb geen vermaak geschept bij het ontwerpen van die tafereelen, die trouwens meestal slechts herinneringen zijn. Integendeel, menigmaal heb ik de pen moeten neerleggen, omdat walging mij belette voort te gaan. Eens zelfs brak ik den arbeid af, met het bepaalde plan niet voort te gaan. Maar toen werd mij aan het verstand gebracht, dat bij de behandeling van een onderwerp als de opium, de immoraliteit niet bij den schrijver, maar in de maatschappij schuilt. Toen werd er mij op gewezen, dat evenmin als de geneesheer zal nalaten het een of andere ziektegeval te onderzoeken, al mocht hij het ook vies of walgelijk vinden, zoo min mag hij, die zich geroepen gevoelt, bestaande wandrochtelijkheden in onze Staatsinstellingen aan te toonen, zich door het kwade en vieze van zijn onderwerp laten weerhouden om het te bestudeeren en aan te toonen.En ziet, dat is het standpunt, hetwelk ik wensch in te nemen. Ik hoop, dat de criticus dat eerbiedigen zal.Overigens, meen ik, het navolgende te moeten aanteekenen: Het geheele verhaal is fictief. Er heeft geen familie Van Gulpendam bestaan, geen van Nerekool, geen.… enz. Of evenwel geen residenten zouden bestaan hebben als Van Gulpendam, geene ambtenaarsvrouwen als de residents-ega, ziet, dat mag ik niet bevestigen; en ik twijfel er niet aan, of zij, die Ned. Indië kennen, zullen zich wel personen herinneren, welke die grondtype nabij komen. Dat er karakters als Van Nerekool, als Grenits, als Van Beneden, Grashuis bestaan, daaraan valt Goddank niet te twijfelen. En wie van hen, die in de binnenlanden van Java vertoefden, zal niet in Baboe Dalima de type erkennen van de toewijdingsvolle geaardheid der Javaansche bedienden, wanneer zij goed behandeld worden?En nu,.… mijn boek, treedt de wereld in, verricht het werk, dat ik u opdroeg; dring, zooals ik hoop, in alle klassen door en dat slechts een kreet door u ontlokt worde:Onverbiddelijke oorlog! Oorlogàoutranceaan de opiumpacht, die schandelijke bron van inkomsten van ons Nederlanders!Den Haag, Mei 1886.DE SCHRIJVER.[VII]1Opgenomen in hetJaarboekje der Indologische Vereenigingvoor het jaar 1886.↑[Inhoud]VOORWOORD VOOR DEN TWEEDEN DRUK.Ik herhaal heden de vraag, die ik drie jaren geleden, bij het verschijnen van mijn boek deed: »Ben ik geslaagd?”.… En volmondig roep ik uit: ja! ja!! ja!!!Wel is mijn boek weergaloos heftig aangevallen. Met al meer en meer stijgende verbittering noemde de een het een slecht, een ander een vies boek, werd de litterarische waarde er van betwist, ja, soms met knodsslagen verguisd;.….waar niemand der zoo woeste recensenten verstoutte zich te zeggen, dat, wat in dat boek stond, onwaar was;.….maar het boek trok in den vreemde de aandacht; want in het Engelsch werd het door eenReverendvertaald en had daar alle succes; in het Duitsch is men druk bezig met vertalen, in het Fransch is men begonnen;.….maar het boek beleeft in weerwil van alle kuiperijen en alle verguizing in Nederland den tweeden druk;.….maar het boek vond verdedigers in mannen als Gronemann en Sandick, die hunne meening durfden te onderteekenen, wat voor mij wel opweegt tegen zooveel naamloos geschrijf;.….maar eindelijk, het boek heeft school gemaakt. Na de verschijning hebben mannen als Bool, Kielstra, Brooshooft, Meulenbelt,Struyck, Zeegers, en nu nog zeer kort geleden Jhr. Elout van Soeterwoude artikelen geschreven, voordrachten gehouden, die, hoewel in anderen vorm gegoten, niets anders over de opiumkwestie behelzen, dan in mijn boek te vinden is. Dezer dagen wordt zelfs gewerkt en hard gewerkt ook voor de oprichting van een anti-opium-bond. Hoerah!Had ik ongelijk te beweren, dat ik geslaagd ben?Lezers, ik heb verwaandheid genoeg te meenen, dat mijn boek aan die beweging, aan die teekenen des tijds niet vreemd gebleven is. En mocht ik mij dienaangaande vergissen, dan heb ik toch de overtuiging, dat door den romanvorm, dien ik koos, om mij tot de menigte te wenden, gruwelen van de opiumpacht in breederen kring, in die gedeelten der maatschappij bekend geraakt en doorgedrongen zijn, waar veelal geleerde verhandelingen weinig toegang hebben.Nu de uitgevers er toe besloten, het boek binnen het bereik van ieders beurs te stellen, zal de kring van hen, die bekend zullen raken met hetgeen er ten opzichte van het verbruik en misbruik van de opium omgaat, zich al meer en meer uitbreiden; en dat zal aan de menschheid ten goede komen. Want er is niets, wat meer misdaden, misdrijven, euveldaden, fiskalischen willekeur verhindert, dan licht, voortdurend helder licht.En nu, ik herhaal, wat ik bij de eerste uitgaaf zeide: Ga, mijn boek en verricht den arbeid, dien ik u opdraag, dring in alle klassen door en ontlok den kreet:Onverbiddelijke oorlog! Oorlogàoutranceaan de opiumpacht, die schandelijke bron van inkomsten van den Nederlandschen Staat!Den Haag, November 1889.DE SCHRIJVER.[VIII][Inhoud]VOORWOORDVOOR DEN DERDEN DRUK.In mijn Voorwoord voor den tweeden druk van mijn Opium-Roman„Baboe Dalima”schreef ik o. a.: „Lezers, ik heb verwaandheid genoeg te meenen, dat mijn boek aan die beweging, aan die teekenen des tijds (betreffende de Opiumpacht in Nederlandsch Oost-Indië) niet vreemd gebleven is.” Dat schreef ik in November 1889. Wij tellen nu bijna 1899. Wat is er in dat klein decennium geschied?Vooreerst toch kwam de Anti-Opium-Bond tot stand, bestuurd door mannen van het edelste gehalte, edele figuren, die tot de waardigsten op ieder gebied der Nederlandsche natie gerekend moeten worden. Die Bond gaf een tijdschrift uit, getiteld: deOpiumvloek,waarin op merkwaardige wijze de bestaande kwaal in het hart aangetoond werd.Daarbij sloten zich artikelen in dagbladen en tijdschriften over het Opium-pachtstelsel in verschillende richtingen aan, en beijverden zich mannen als deH.H.Groeneveldt,Bosscher,Van Dedem,Vanden Berg,Van Kesteren,Elout van Soeterwoude,de Waal,Brooshooft,Be-Ik-Sam,Jansz,Zegers,Groneman,Hora Siccama,Sandick,Kielstra,Sprenger van Eyck,Bool,enz., enz., enz., ieder van zijn standpunt uit, de Opium-aangelegenheden toe te lichten. En hoewel daardoor nog al met elkander afwijkende[IX]zienswijzen en adviezen ontstonden, en enkelen zich voor het behoud van het Opium-pachtstelsel verklaarden, kwam de Regeering, na lang en grondig beraad, er toch toe een ander stelsel, namelijk het Régie-stelsel te willen beproeven.Régie, waarde lezers, is een stelsel, waarbij de Regeering het debiteeren van Opium in ’t klein aan zich houdt, en door hare beambten doet uitvoeren. Daardoor vervalt de pacht en wordt de kooper geheel en al onafhankelijk van de vreeselijke bent dienaren van de Chineesche Opiumpachters.Die proef met de Régie werd op 1 September 1894 op het eiland Madoera begonnen.Maar, nu geraakte Leiden in nood. Wat werd er al niet bijgebracht om de Régie te doen mislukken! De een trachtte te betoogen, dat bij de algemeene invoering der Régie de Opium-sluikhandel onmogelijk zal zijn te keer te gaan. Een ander beweerde, dat er geene betrouwbare personen te vinden zouden zijn, om als verkoopers van de bereide Opium (tjandoe) in ’t klein op te treden. Een derde meende, dat de Nederlandsch-Indische Regeering niet opgewassen zou zijn tegen de macht der Chineesche pachters. Van eene andere zijde werd gepoogd de Afgevaardigden ter Staten-Generaal tegen de Régie in te nemen, door de Duitenplaag aan de kwestie vast te knoopen.Evenwel, in weerwil van al die hinderpalen, die men hard, zeer hard deed klinken, hadZ. Exc.de Minister van Koloniën de voldoening in zijne Memorie van Toelichting op de Indische Begrooting voor 1896 te kunnen verklaren, dat de proef met de Opium-Régie op Madoera isgeslaagd.Sedert is die Régie in ettelijke Residentiën op Java ingevoerd, en ik mag zeggen met evenveel succes. Toch valt niet te ontkennen, dat die invoering langzaam, uiterst langzaam voortschrijdt. O, ik beaam het ten volle: er doen zich vele moeielijkheden, vele teleurstellingen voor. Maar, die zijn[X]niet van dien aard om aan den einduitslag te wanhopen, òf om maar tot verdaging aanleiding te geven. Daarenboven, dat is het lot dat alle groote hervormingen wacht. Die zijn nimmer tot stand gekomen zonder strijd, zonder bezwaren te ondervinden, inzonderheid wanneer daarmede groote geldelijke belangen gemoeid zijn. Vooral deze laatste omstandigheid is niet over het hoofd te zien. O, als ik eens alles kon openbaren, wat mij toevertrouwd werd omtrent hetgeen er al zoo omgaat in de handelswereld, om toch maar de groote winsten niet te derven, welke de Opium oplevert. Men denke maar eens aan de Chateau Lafitte-poging. Dat is eene die faalde; maar, lezer, vraagt u af, hoevelen slagen. En, hoewel de tegenwoordige Regeering begrijpt, dat het schande zoude zijn, te verflauwen bij den aangebonden strijd, schande, driedubbele schande, nu die strijd gevoerd wordt tegen een algemeen erkend onrecht en het grootsche doel heeft de geheele bevolking van Insulinde te verlossen van een dwangjuk, dat haar loodzwaar op de schouders is gelegd, zoo zal zij zich gedwongen zien zich voor te bereiden op een strijd, die des te vinniger zal zijn, naarmate de hoeveelheid Mammonschijven daarmede gemoeid zijn.Ik heb gemeend, daarop te moeten wijzen, nu mijn boek geroepen wordt, om andermaal voor het voetlicht te treden, nu het geroepen wordt om, tengevolge van zijn matigen prijs, eene andere klasse der bestaande maatschappij binnen te dringen, in die klasse, die weldra geroepen zal worden, ook in die aangelegenheid haren weldadigen invloed uit te oefenen.Hoe de Nederlanders lezen kunnen? Ik wensch ter beantwoording van die vraag het ondervolgende ter neder te stellen.In het Kroningsnummer vanSociale Stemmen, Orgaan van den Oranje-Bond van Ordeliet ik onder den titel van:Eene stem uit de oude Gardeeen opstel opnemen, waarin onder anderen voorkwam: „En zal het onze aanvalligeKoningingelukken het Opium-monopolie aan gewetenlooze[XI]Chineezen te ontrukken en in handen eener heilaanbrengende Régie doen overgaan, zal het Haar gelukken de gedwongen cultures en onbetaalde heerendiensten tot het verleden te doen afdalen, dan zal van daar, uit die honderde eilanden, die, volgens den dichter, bij den Evenaar den Oceaan een smaragden-krans om het voorhoofd slaan, een gejuich uit dertig millioen keelen opgaan, die nu: heil onzer Koningin!roepen; maar dan als een ernstig gebed zullen prevelen: Allah’s zegen over het hoofd der Vorstin, die ons zooveel weldeed!”Wat heb ik niet over dien volzin moeten hooren! Alsof ik daardoor zoo inconsequent mogelijk ware geweest! Alsof ik daardoor het vooropgestelde beginsel, inBaboe Dalimaverkondigd, hadde gebroken!„Wat!” werd mij toegeroepen: „Gij, die oorlogà outranceaan het Opium-monopolie verklaard hadt, die dat hard, zeer hard uitgebazuind hebt, gaat nu de Opium-Régie als heilaanbrengend bewierooken! Alsof die geen monopolie zou mogen genoemd worden!”„Met uw verlof, heeren,” luidde mijn antwoord. „Ik heb oorlogà outranceaan de Opium-pacht verklaard, wat geheel iets anders beteekent dan gij mij in den mond legt. Vergeef mij, dat ik U die kleinigheid opmerk.”„Maar, gij noemt de Opium-Régie heilaanbrengend en verdedigt dus het Opium-gebruik.…”„Dat doe ik niet!” trachtte ik in het midden te brengen, evenwel te vergeefs; ik werd overschreeuwd met:„Dat is geheel en al inconsequent met de strekking van uw’ Opium-roman.”„Inconsequent met de strekking van mijn Opium-roman?!” kreet ik. „Zeker, zoolang het Opium-gebruik niet geheel en al zal kunnen gefnuikt worden, zal ik de Régie, zooals zij ingevoerd zal worden, heilaanbrengend noemen; want zij zal in de eerste plaats den Inlander volkomen onafhankelijk maken van de vreeselijke bent, die nog over het grootste gedeelte van Java in staat is, hem naar de Opium-kit te[XII]drijven. Die onafhankelijkheid dient vooraf gewaarborgd te worden en dat zal zij zijn bij een loyale tenuitvoerlegging van het Régie-stelsel. Niemand zal daarbij gedwongen worden Opium te koopen, nog minder het te gebruiken; en dan zal ontwaard worden, dat de toename van het aantal Opiumschuivers tot staan zal gebracht zijn. Dan is reeds een groot doel bereikt en veel gewonnen. Het is dat doel, wat mij voor oogen zweeft, wanneer ik de Régie als heilaanbrengend roem. Die dus daarin eene verdediging van mijnentwege van het Opium-gebruik en derhalve eene zwenking in mijne grondbeginselen ziet, dien antwoord ik pertinent, dat hij zich deerlijk vergist. Het Opium-gebruik zal in mij nimmer een verdediger vinden.”Of ik mijn auditorium overtuigd had?Ik geef gewonnen, dat een geheel ophouden van het Opiumgebruik wel het beste voor de Inlandsche bevolking zou zijn. Maar, zou dat zoo voetstoots te verwachten zijn, nadat er van der blanken zijde sedert bijna vier eeuwen zooveel gedaan is—ik zal niet zeggen om het vergift in te voeren—maar om het met alle ten dienste staande middelen te bevorderen, ja de bevolking tot het gebruik te dwingen en om, zooals de heer Cremer zich uitliet, door de invoering van de Opiumpacht niet in eene behoefte te voorzien maar wel om die te scheppen? Neen, zoo iets is niet te verwachten. Daartoe is het kwaad, na zooveel zorgvuldige verpleging, te diep ingeworteld. Te velen, ja te velen zijn aan het gevaarlijke goedje verslaafd geworden om niet beducht te zijn voor de gevolgen van eene op bevel geheele onthouding. Die geheele onthouding, thans ingevoerd, zou oneindig grootere rampen in het leven roepen, dan het „Sluit Schiedam” in onze Nederlandsche gewesten zou te weeg brengen. Maar,courir au plus pressé; eerst den steeds wassenden vooruitgang van het Opiumverbruik gestuit. Is dat bereikt, dan is het tijdstip gekomen om met vaste hand in te grijpen, ten einde het gebruik langzamerhand te breidelen. Dan zal het tijdstip daar zijn om[XIII]op de vanen der ware menschenvrienden de leus te schrijven van: Oorlogà outranceaan het opium-verbruik!Ziedaar, mijn grondbeginsel uiteengezet. Ik hoop nu verschoond te blijven van woordenzifterijen met het doel om mijn karakter aan te tasten.Maar, er ligt mij nog iets op het hart met betrekking tot mijn Opium-romanBaboe Dalima.Ik wensch hier er op te wijzen, hoe dat boek op allerlei gebied aangevallen, ja gehavend is geworden door H.H.Critici. Geconstateerd kan echter worden, dat geen hunner, hoe fel hunne aanvallen ook waren, zich verstout heeft te schrijven, dat de feiten, in dat boek vermeld, aan de waarheid te kort deden. De heerJ. L. Zegers,zendeling-leeraar van den Nederlandsch-Indischen Zendingsbond, destijds gestationneerd te Indramajo, merkte die bijzonderheid op in zijne heerlijke studie: Het Opium-vraagstuk (Nijmegen, P. J. Milborn, 1890) met de woorden:Wat mij echter in die kritiek herhaaldelijk getroffen heeft, is dat men om de bijzonderheden de hoofdzaak uit het oog verloor, en wat men ook tegen de détails had in te brengen, den grondslag van het geheele betoog onaangeroerd moest laten.Ja, ik heb dien geheelen volzin met kapitale letters laten zetten en met reden. Ik was in mijn hart den onpartijdigen Evangeliedienaar wel dankbaar voor die betuiging. Zij woog bij mij wel op tegen iedere verguizing, mij aangedaan, omdat ik in den Mammon de onreine bron aangetast had, waaruit nog altijd met vuilviezen vinger dubbeltje voor, dubbeltje na tot stijving der staatsinkomsten, te voorschijn gehaald wordt. Ik vond er de bevestiging in—in de betuiging van den heer Zegers wel te verstaan,—dat ik bij het ontwikkelen van de hoofdstrekking van mijn roman, de waarheid, niets dan de waarheid verkondigd had, en meende dat mijne waarheidsliefde onaangetast was gebleven.Ik schijn mij evenwel vergist te hebben. Waaruit ik dat[XIV]afleid, nu niemand iets krenkends omtrent die waarheidsliefde geschreven heeft? Luistert. In April van dit jaar hield een gevierd schrijver eene lezing in eene bijeenkomst hier te Nijmegen. Hij droeg daarbij een paar allergezelligste novellen voor. In de pauze liet hij zich aan mij voorstellen en betuigde mij bij die gelegenheid, dat hijBaboe Dalimagelezen had; maar dat hij gedurende zijn verblijf op Java geen baboe Dalima bespeurd had.Ik hernam lachende:„Dat spijt mij voor u, ik kan u toch verzekeren, dat Java wel degelijk op tal van fraaie meisjeskopjes bogen kan, zooals ik dat lieve kindermeisje geteekend heb.”„Ja, maar,” antwoordde mijn spreker, „ik bedoel geen kindermeisje, maar uw Opium-roman, en zeg u, dat ik op Java niets van Opium gemerkt heb.”Ik keek mijn spreker met verbazing aan. Maar, alvorens ik hem antwoorden kon, werd op hem, als gevierd persoon beslag gelegd, en verzochten ettelijke personen aan hem gepresenteerd te worden. Ons gesprek was dus afgebroken, en mij zou de gelegenheid ontbreken om het weer op te vatten. Dat heeft mij wel gespeten.Wat ik hem zou geantwoord hebben? O, eenvoudig dit:„Gij hebt, mijn waarde heer, bij uwe heen- en terugreis naar en van Java, telkenmale de Middellandsche zee in hare volle uitgestrektheid doorstoomd. Voorzeker hebt Gij, met uw open oog voor alles wat schoon is, Amphitrite in haren zoo reinen blauwen mantel opgetogen en vol bewondering gade geslagen. Voorzeker hebt Gij gelegenheid gehad, gade te slaan, wanneer een zoel windje dien mantel in zachte golfjes, in wegdoezelende kabbellingjes deed opzwellen en de zon of de maan in de facetten glinsterde en u het geheel als een onmetelijk edelgesteente voor de oogen flonkerde. Dat was fraai, buitengewoon fraai, nietwaar? Maar.… hebt gij dan wel eene gedachte gewijd, wat er onder dien fraaien schitterenden mantel geschiedde, welke ontzettende strijd daar gestreden,[XV]welke afzichtelijke daden van geweld van den machtigen tegen den zwakkeren gevoerd werd? Hebt Gij Java doorreisd, zonder iets van de Opiumramp gewaar te worden, dan hebt Gij dat zoo fraaie eiland doorkruist, zooals Gij de Middellandsche zee doorstoomd hebt, zonder den fraaien mantel op te tillen, die u het innerlijke leven van de inboorlingen bedekte.”Ziet, dat zou ik geantwoord hebben.Zal nu die man zijne meening omtrent de Opium in breeder kring openbaren, dan blijft mij niets over te doen dan overluid te verkondigen, dat wat omtrent den Opium-hartstocht en de schandalen van de Opiumpacht, door mij in den Opium-romanBaboe Dalimadoor mij onthuld is, der waarheid nauwkeurig getrouw gebleven is.En, na dit gezegd te hebben, herhaal ik, wat ik in mijn Voorwoord van den eersten en tweeden druk ter neder stelde: „Ga mijn boek, ga en verricht den arbeid, dien ik u opdraag, dring in alle klassen door en ontlok den kreet:Onverbiddelijke oorlog! Oorlogà outranceaan de Opium-pacht, die schandelijke bron van inkomsten van den Nederlandschen Staat!Tot herinnering voeg ik hierbij dat 7⁄10 van het eiland Java en al de Buitenbezittingen nog aan den demoraliseerenden invloed van de Chineesche Opium-pachters overgeleverd zijn.De Schrijver.Nijmegen, October 1898.[XVI][Inhoud]INHOUD.Bladz.Voorwoord Eerste drukVVoorwoord Tweede drukVIIVoorwoord Derde drukVIIII.By Moeara Tjatjing4II.In de djaga monjet15III.De Kamadoog-straf.—De familie Van Gulpendam29IV.De draden verwikkelen45V.In de voor- en binnengalerij60VI.Een echtpaar72VII.Een verraderlijk dèsa-genoot88VIII.Een dèsa in verval.—Pak Ardjan’s arrestatie104IX.Kuiperijen.—Een vrienden-drietal118X.Une invitation à la chasse et une invitation à la valse132XI.In den residentstuin146XII.Echtgenoot en gade.—Moeder en dochter161XIII.Op den weg naar het jachtterrein176XIV.Een huiszoeking met hare gevolgen191XV.Onder den Wariengienboom.—In de opiumkit203XVI.Het opium-monopolie.—Een vertrouwelijk uurtje221XVII.In den Djoerang Pringapoes239XVIII.De onschuld ten val252XIX.Toeloeng! Toeloeng, toean!265XX.Aan de rijsttafel280XXI.Op het kantoor van den resident300XXII.Eene vendutie wegens vertrek in Java’s binnenlanden[V]312XXIII.Eene verhinderde landraadzitting1XXIV.Ouders en dochter.—Gezag tegenover plicht15XXV.Eva’s dochteren en de slang31XXVI.Aardig gemanoeuvreerd!45XXVII.Summum jus summa injuria.—Vader en zoon veroordeeld.—Singomengolo vermoord58XXVIII.Correspondentie71XXIX.Van Nerekool op verkenning.—Eene vrijspraak85XXX.Baboe Dalima naar Karang Anjer102XXXI.Vriendengekeuvel.—De opium te Atjeh116XXXII.Eene wetenschappelijke opiumkit133XXXIII.In de regents-pandoppo147XXXIV.Eenelandraadzitting.—Van Beneden’s pleidooi162XXXV.Twee vriendinnen in het Karang Bollongsche179XXXVI.Lim Ho’s huwelijk193XXXVII.Eene walgelijke tegenkanting.—Twee opium-kongsie’s in gevecht211XXXVIII.De ambtenaren en de opium.—De vogelnestpluk te Karang Bollong226XXXIX.Murowsky op het spoor.—Een opiumverpachting te Santjoemeh243XL.Het »virtus nobilitat”.—Anna en Dalima.—Een telegram261XLI.De ketjoe’s te Soeka maniesan.—Eene ontzettende terechtstelling275XLII.Naar en in de Goewah Temon.—Besluit293[1]

[Inhoud]

[Inhoud]VERZAMELDERomantische WerkenVANM. T. H. PERELAERGep.Hoofdofficier van hetNederl.-Ind.Leger

VERZAMELDERomantische WerkenVANM. T. H. PERELAERGep.Hoofdofficier van hetNederl.-Ind.Leger

VERZAMELDE

Romantische Werken

VAN

M. T. H. PERELAER

Gep.Hoofdofficier van hetNederl.-Ind.Leger

[Inhoud]Uitgerverslogo: Uitgeversmaatschappij Elsevier.

Uitgerverslogo: Uitgeversmaatschappij Elsevier.

Uitgerverslogo: Uitgeversmaatschappij Elsevier.

[Inhoud]Oorspronkelijke titelpagina.

Oorspronkelijke titelpagina.

Oorspronkelijke titelpagina.

VERZAMELDERomantische WerkenVANM. T. H. PERELAERGep.Hoofdofficier van hetNederl.-Ind.LegerEERSTE NAAR TIJDSORDE GERANGSCHIKTE UITGAVE, BEZORGD DOOR DEN SCHRIJVERVIII–IXBABOE DALIMAAMSTERDAMUITGEVERS-MAATSCHAPPY »ELSEVIER”

VERZAMELDERomantische Werken

VERZAMELDERomantische Werken

VANM. T. H. PERELAERGep.Hoofdofficier van hetNederl.-Ind.LegerEERSTE NAAR TIJDSORDE GERANGSCHIKTE UITGAVE, BEZORGD DOOR DEN SCHRIJVER

VIII–IXBABOE DALIMA

VIII–IX

BABOE DALIMA

AMSTERDAMUITGEVERS-MAATSCHAPPY »ELSEVIER”

[V]

[Inhoud]VOORWOORD VOOR DEN EERSTEN DRUK.In den avond van den 4den Februari 1885, had de schrijver dezer bladzijden in eene buitengewone vergadering van de Indologische Vereeniging te Delft eene lezing gehouden over»de opium in Ned. Indië.”1Bij terugkeer naar ’s-Gravenhage evenwel betuigde een der hoorders zijn leedwezen, dat het onderwerp in zoo’n droog kleed gestoken was, en beweerde, dat die behandeling, zooals zij voorgedragen was, ongenietbaar voor het groote publiek genoemd moest worden, wat z. i. jammer was.Dat ik bij het vernemen van die woorden, die niets van eene loftuiting, wel het tegendeel daarvan hadden, vreemd opkeek, zal wel niet betuigd behoeven te worden.»Gij moet mij niet verkeerd verstaan,” beantwoordde de criticus dien blik. »Mijne meening is niet, iets op de verdiensten van die verhandeling af te dingen. Voor een gezelschap hoogleeraren, maar vooral voor de jongelingschap, die daar zat te luisteren, was zij m. i. onverbeterlijk en was de toon, die aangeslagen was, de juiste, om die jeugdige harten te doen ontvonken; maar de aanhaling van de wettelijke bepalingen, waarop het geheele monopolie gegrondvest is, en van de fragmenten uit Kamerspeeches, uit rapporten, uit adviezen, enz., enz., die medegedeeld moesten worden, verleenden aan den arbeid iets boekerigs, ietsje ne sais quoi,waartegen een Nederlandsch publiek niet kan. Ware zij anders uitgevallen, dan zou ik u voorgesteld hebben, die verhandeling bij uwen uitgever te brengen en haar door den druk te laten verspreiden. Zooals zij thans is, zou zij evenwel geen koopers vinden en de weinigen, die haar zouden koopen, zouden haar niet ten einde brengen. En … toch ware het wenschelijk, dat die woorden, die daar weerklonken hebben, de ooren van velen, van duizenden bereikten … Ware het niet mogelijk …?”Ja, ware het niet mogelijk …? Dat was de laatste galm, dien ik nog opving. De criticus mocht verder praten, zooveel hij wilde. Ik zat in een hoek van het coupé, en … Ja, ware het niet mogelijk?… Dat was de gedachte, die mij uitsluitend bezighield, terwijl de trein in het sombere duister van een zwarten februari-nacht voortijlde; … en nog stond het stoomgevaarte in het station te ’s-Hage niet stil, toen reeds het gronddenkbeeld zich in mijn brein geworteld had van het boek, hetwelk het lezend publiek hierbij aangeboden wordt.Ben ik geslaagd in mijne poging?… Die poging was, om hetgeen op het gebied van het opium-monopolie inNederlandsch-Indiëvoorvalt, onder het bereik van ieders bevatting te brengen, en het in zoo’n kleed te steken, dat tot voortlezen zoude aanmoedigen. O, ik heb mij niet ontveinsd: de moeielijkheden, die gelegen waren in het hullen van droge reglementen en bepalingen in een romantisch gewaad, de moeielijkheden om de maatregelen tot uitvoering dier gedrochtelijke bestuursordonnantiën in een verhaaltrant[VI]voor te dragen, die tot lezen zouden nopen. Toch meen ik van het mij gestelde doel niet te ver verwijderd gebleven te zijn. Ga ik af op het oordeel van ettelijke mijner vrienden, wien ik mijn manuscript liet inzien, dan meen ik mijn onderwerp zoodanig behandeld te hebben, dat de lezer zich genoopt zal voelen mijn boek, in weerwil van de vele feilen, die het op vindings- en litterarisch gebied aankleven, ten einde toe te lezen. En mocht die uitslag verkregen, mocht die hoop vervuld zijn, dan vertrouw ik, dat ik den lezer aan het einde tot den uitroep verlokt zal hebben van:Onverbiddelijke oorlog! Oorlogàoutranceaan den opiumpacht!In mijn boek komen afschuwelijke tafereelen voor, tafereelen, die mij genoopt hebben, op den omslag het dicton:la mère en interdira la lecture à sa fillete plaatsen, om het verwijt te ontgaan, dat het door onbedacht te laten slingeren in handen van onervaren jeugd mocht geraken, voor wien, ik erken dat, het geen lectuur is. Ik heb geen vermaak geschept bij het ontwerpen van die tafereelen, die trouwens meestal slechts herinneringen zijn. Integendeel, menigmaal heb ik de pen moeten neerleggen, omdat walging mij belette voort te gaan. Eens zelfs brak ik den arbeid af, met het bepaalde plan niet voort te gaan. Maar toen werd mij aan het verstand gebracht, dat bij de behandeling van een onderwerp als de opium, de immoraliteit niet bij den schrijver, maar in de maatschappij schuilt. Toen werd er mij op gewezen, dat evenmin als de geneesheer zal nalaten het een of andere ziektegeval te onderzoeken, al mocht hij het ook vies of walgelijk vinden, zoo min mag hij, die zich geroepen gevoelt, bestaande wandrochtelijkheden in onze Staatsinstellingen aan te toonen, zich door het kwade en vieze van zijn onderwerp laten weerhouden om het te bestudeeren en aan te toonen.En ziet, dat is het standpunt, hetwelk ik wensch in te nemen. Ik hoop, dat de criticus dat eerbiedigen zal.Overigens, meen ik, het navolgende te moeten aanteekenen: Het geheele verhaal is fictief. Er heeft geen familie Van Gulpendam bestaan, geen van Nerekool, geen.… enz. Of evenwel geen residenten zouden bestaan hebben als Van Gulpendam, geene ambtenaarsvrouwen als de residents-ega, ziet, dat mag ik niet bevestigen; en ik twijfel er niet aan, of zij, die Ned. Indië kennen, zullen zich wel personen herinneren, welke die grondtype nabij komen. Dat er karakters als Van Nerekool, als Grenits, als Van Beneden, Grashuis bestaan, daaraan valt Goddank niet te twijfelen. En wie van hen, die in de binnenlanden van Java vertoefden, zal niet in Baboe Dalima de type erkennen van de toewijdingsvolle geaardheid der Javaansche bedienden, wanneer zij goed behandeld worden?En nu,.… mijn boek, treedt de wereld in, verricht het werk, dat ik u opdroeg; dring, zooals ik hoop, in alle klassen door en dat slechts een kreet door u ontlokt worde:Onverbiddelijke oorlog! Oorlogàoutranceaan de opiumpacht, die schandelijke bron van inkomsten van ons Nederlanders!Den Haag, Mei 1886.DE SCHRIJVER.[VII]1Opgenomen in hetJaarboekje der Indologische Vereenigingvoor het jaar 1886.↑

VOORWOORD VOOR DEN EERSTEN DRUK.

In den avond van den 4den Februari 1885, had de schrijver dezer bladzijden in eene buitengewone vergadering van de Indologische Vereeniging te Delft eene lezing gehouden over»de opium in Ned. Indië.”1Bij terugkeer naar ’s-Gravenhage evenwel betuigde een der hoorders zijn leedwezen, dat het onderwerp in zoo’n droog kleed gestoken was, en beweerde, dat die behandeling, zooals zij voorgedragen was, ongenietbaar voor het groote publiek genoemd moest worden, wat z. i. jammer was.Dat ik bij het vernemen van die woorden, die niets van eene loftuiting, wel het tegendeel daarvan hadden, vreemd opkeek, zal wel niet betuigd behoeven te worden.»Gij moet mij niet verkeerd verstaan,” beantwoordde de criticus dien blik. »Mijne meening is niet, iets op de verdiensten van die verhandeling af te dingen. Voor een gezelschap hoogleeraren, maar vooral voor de jongelingschap, die daar zat te luisteren, was zij m. i. onverbeterlijk en was de toon, die aangeslagen was, de juiste, om die jeugdige harten te doen ontvonken; maar de aanhaling van de wettelijke bepalingen, waarop het geheele monopolie gegrondvest is, en van de fragmenten uit Kamerspeeches, uit rapporten, uit adviezen, enz., enz., die medegedeeld moesten worden, verleenden aan den arbeid iets boekerigs, ietsje ne sais quoi,waartegen een Nederlandsch publiek niet kan. Ware zij anders uitgevallen, dan zou ik u voorgesteld hebben, die verhandeling bij uwen uitgever te brengen en haar door den druk te laten verspreiden. Zooals zij thans is, zou zij evenwel geen koopers vinden en de weinigen, die haar zouden koopen, zouden haar niet ten einde brengen. En … toch ware het wenschelijk, dat die woorden, die daar weerklonken hebben, de ooren van velen, van duizenden bereikten … Ware het niet mogelijk …?”Ja, ware het niet mogelijk …? Dat was de laatste galm, dien ik nog opving. De criticus mocht verder praten, zooveel hij wilde. Ik zat in een hoek van het coupé, en … Ja, ware het niet mogelijk?… Dat was de gedachte, die mij uitsluitend bezighield, terwijl de trein in het sombere duister van een zwarten februari-nacht voortijlde; … en nog stond het stoomgevaarte in het station te ’s-Hage niet stil, toen reeds het gronddenkbeeld zich in mijn brein geworteld had van het boek, hetwelk het lezend publiek hierbij aangeboden wordt.Ben ik geslaagd in mijne poging?… Die poging was, om hetgeen op het gebied van het opium-monopolie inNederlandsch-Indiëvoorvalt, onder het bereik van ieders bevatting te brengen, en het in zoo’n kleed te steken, dat tot voortlezen zoude aanmoedigen. O, ik heb mij niet ontveinsd: de moeielijkheden, die gelegen waren in het hullen van droge reglementen en bepalingen in een romantisch gewaad, de moeielijkheden om de maatregelen tot uitvoering dier gedrochtelijke bestuursordonnantiën in een verhaaltrant[VI]voor te dragen, die tot lezen zouden nopen. Toch meen ik van het mij gestelde doel niet te ver verwijderd gebleven te zijn. Ga ik af op het oordeel van ettelijke mijner vrienden, wien ik mijn manuscript liet inzien, dan meen ik mijn onderwerp zoodanig behandeld te hebben, dat de lezer zich genoopt zal voelen mijn boek, in weerwil van de vele feilen, die het op vindings- en litterarisch gebied aankleven, ten einde toe te lezen. En mocht die uitslag verkregen, mocht die hoop vervuld zijn, dan vertrouw ik, dat ik den lezer aan het einde tot den uitroep verlokt zal hebben van:Onverbiddelijke oorlog! Oorlogàoutranceaan den opiumpacht!In mijn boek komen afschuwelijke tafereelen voor, tafereelen, die mij genoopt hebben, op den omslag het dicton:la mère en interdira la lecture à sa fillete plaatsen, om het verwijt te ontgaan, dat het door onbedacht te laten slingeren in handen van onervaren jeugd mocht geraken, voor wien, ik erken dat, het geen lectuur is. Ik heb geen vermaak geschept bij het ontwerpen van die tafereelen, die trouwens meestal slechts herinneringen zijn. Integendeel, menigmaal heb ik de pen moeten neerleggen, omdat walging mij belette voort te gaan. Eens zelfs brak ik den arbeid af, met het bepaalde plan niet voort te gaan. Maar toen werd mij aan het verstand gebracht, dat bij de behandeling van een onderwerp als de opium, de immoraliteit niet bij den schrijver, maar in de maatschappij schuilt. Toen werd er mij op gewezen, dat evenmin als de geneesheer zal nalaten het een of andere ziektegeval te onderzoeken, al mocht hij het ook vies of walgelijk vinden, zoo min mag hij, die zich geroepen gevoelt, bestaande wandrochtelijkheden in onze Staatsinstellingen aan te toonen, zich door het kwade en vieze van zijn onderwerp laten weerhouden om het te bestudeeren en aan te toonen.En ziet, dat is het standpunt, hetwelk ik wensch in te nemen. Ik hoop, dat de criticus dat eerbiedigen zal.Overigens, meen ik, het navolgende te moeten aanteekenen: Het geheele verhaal is fictief. Er heeft geen familie Van Gulpendam bestaan, geen van Nerekool, geen.… enz. Of evenwel geen residenten zouden bestaan hebben als Van Gulpendam, geene ambtenaarsvrouwen als de residents-ega, ziet, dat mag ik niet bevestigen; en ik twijfel er niet aan, of zij, die Ned. Indië kennen, zullen zich wel personen herinneren, welke die grondtype nabij komen. Dat er karakters als Van Nerekool, als Grenits, als Van Beneden, Grashuis bestaan, daaraan valt Goddank niet te twijfelen. En wie van hen, die in de binnenlanden van Java vertoefden, zal niet in Baboe Dalima de type erkennen van de toewijdingsvolle geaardheid der Javaansche bedienden, wanneer zij goed behandeld worden?En nu,.… mijn boek, treedt de wereld in, verricht het werk, dat ik u opdroeg; dring, zooals ik hoop, in alle klassen door en dat slechts een kreet door u ontlokt worde:Onverbiddelijke oorlog! Oorlogàoutranceaan de opiumpacht, die schandelijke bron van inkomsten van ons Nederlanders!Den Haag, Mei 1886.DE SCHRIJVER.[VII]

In den avond van den 4den Februari 1885, had de schrijver dezer bladzijden in eene buitengewone vergadering van de Indologische Vereeniging te Delft eene lezing gehouden over»de opium in Ned. Indië.”1Bij terugkeer naar ’s-Gravenhage evenwel betuigde een der hoorders zijn leedwezen, dat het onderwerp in zoo’n droog kleed gestoken was, en beweerde, dat die behandeling, zooals zij voorgedragen was, ongenietbaar voor het groote publiek genoemd moest worden, wat z. i. jammer was.

Dat ik bij het vernemen van die woorden, die niets van eene loftuiting, wel het tegendeel daarvan hadden, vreemd opkeek, zal wel niet betuigd behoeven te worden.

»Gij moet mij niet verkeerd verstaan,” beantwoordde de criticus dien blik. »Mijne meening is niet, iets op de verdiensten van die verhandeling af te dingen. Voor een gezelschap hoogleeraren, maar vooral voor de jongelingschap, die daar zat te luisteren, was zij m. i. onverbeterlijk en was de toon, die aangeslagen was, de juiste, om die jeugdige harten te doen ontvonken; maar de aanhaling van de wettelijke bepalingen, waarop het geheele monopolie gegrondvest is, en van de fragmenten uit Kamerspeeches, uit rapporten, uit adviezen, enz., enz., die medegedeeld moesten worden, verleenden aan den arbeid iets boekerigs, ietsje ne sais quoi,waartegen een Nederlandsch publiek niet kan. Ware zij anders uitgevallen, dan zou ik u voorgesteld hebben, die verhandeling bij uwen uitgever te brengen en haar door den druk te laten verspreiden. Zooals zij thans is, zou zij evenwel geen koopers vinden en de weinigen, die haar zouden koopen, zouden haar niet ten einde brengen. En … toch ware het wenschelijk, dat die woorden, die daar weerklonken hebben, de ooren van velen, van duizenden bereikten … Ware het niet mogelijk …?”

Ja, ware het niet mogelijk …? Dat was de laatste galm, dien ik nog opving. De criticus mocht verder praten, zooveel hij wilde. Ik zat in een hoek van het coupé, en … Ja, ware het niet mogelijk?… Dat was de gedachte, die mij uitsluitend bezighield, terwijl de trein in het sombere duister van een zwarten februari-nacht voortijlde; … en nog stond het stoomgevaarte in het station te ’s-Hage niet stil, toen reeds het gronddenkbeeld zich in mijn brein geworteld had van het boek, hetwelk het lezend publiek hierbij aangeboden wordt.

Ben ik geslaagd in mijne poging?… Die poging was, om hetgeen op het gebied van het opium-monopolie inNederlandsch-Indiëvoorvalt, onder het bereik van ieders bevatting te brengen, en het in zoo’n kleed te steken, dat tot voortlezen zoude aanmoedigen. O, ik heb mij niet ontveinsd: de moeielijkheden, die gelegen waren in het hullen van droge reglementen en bepalingen in een romantisch gewaad, de moeielijkheden om de maatregelen tot uitvoering dier gedrochtelijke bestuursordonnantiën in een verhaaltrant[VI]voor te dragen, die tot lezen zouden nopen. Toch meen ik van het mij gestelde doel niet te ver verwijderd gebleven te zijn. Ga ik af op het oordeel van ettelijke mijner vrienden, wien ik mijn manuscript liet inzien, dan meen ik mijn onderwerp zoodanig behandeld te hebben, dat de lezer zich genoopt zal voelen mijn boek, in weerwil van de vele feilen, die het op vindings- en litterarisch gebied aankleven, ten einde toe te lezen. En mocht die uitslag verkregen, mocht die hoop vervuld zijn, dan vertrouw ik, dat ik den lezer aan het einde tot den uitroep verlokt zal hebben van:Onverbiddelijke oorlog! Oorlogàoutranceaan den opiumpacht!

In mijn boek komen afschuwelijke tafereelen voor, tafereelen, die mij genoopt hebben, op den omslag het dicton:la mère en interdira la lecture à sa fillete plaatsen, om het verwijt te ontgaan, dat het door onbedacht te laten slingeren in handen van onervaren jeugd mocht geraken, voor wien, ik erken dat, het geen lectuur is. Ik heb geen vermaak geschept bij het ontwerpen van die tafereelen, die trouwens meestal slechts herinneringen zijn. Integendeel, menigmaal heb ik de pen moeten neerleggen, omdat walging mij belette voort te gaan. Eens zelfs brak ik den arbeid af, met het bepaalde plan niet voort te gaan. Maar toen werd mij aan het verstand gebracht, dat bij de behandeling van een onderwerp als de opium, de immoraliteit niet bij den schrijver, maar in de maatschappij schuilt. Toen werd er mij op gewezen, dat evenmin als de geneesheer zal nalaten het een of andere ziektegeval te onderzoeken, al mocht hij het ook vies of walgelijk vinden, zoo min mag hij, die zich geroepen gevoelt, bestaande wandrochtelijkheden in onze Staatsinstellingen aan te toonen, zich door het kwade en vieze van zijn onderwerp laten weerhouden om het te bestudeeren en aan te toonen.

En ziet, dat is het standpunt, hetwelk ik wensch in te nemen. Ik hoop, dat de criticus dat eerbiedigen zal.

Overigens, meen ik, het navolgende te moeten aanteekenen: Het geheele verhaal is fictief. Er heeft geen familie Van Gulpendam bestaan, geen van Nerekool, geen.… enz. Of evenwel geen residenten zouden bestaan hebben als Van Gulpendam, geene ambtenaarsvrouwen als de residents-ega, ziet, dat mag ik niet bevestigen; en ik twijfel er niet aan, of zij, die Ned. Indië kennen, zullen zich wel personen herinneren, welke die grondtype nabij komen. Dat er karakters als Van Nerekool, als Grenits, als Van Beneden, Grashuis bestaan, daaraan valt Goddank niet te twijfelen. En wie van hen, die in de binnenlanden van Java vertoefden, zal niet in Baboe Dalima de type erkennen van de toewijdingsvolle geaardheid der Javaansche bedienden, wanneer zij goed behandeld worden?

En nu,.… mijn boek, treedt de wereld in, verricht het werk, dat ik u opdroeg; dring, zooals ik hoop, in alle klassen door en dat slechts een kreet door u ontlokt worde:

Onverbiddelijke oorlog! Oorlogàoutranceaan de opiumpacht, die schandelijke bron van inkomsten van ons Nederlanders!

Den Haag, Mei 1886.

DE SCHRIJVER.[VII]

1Opgenomen in hetJaarboekje der Indologische Vereenigingvoor het jaar 1886.↑

1Opgenomen in hetJaarboekje der Indologische Vereenigingvoor het jaar 1886.↑

1Opgenomen in hetJaarboekje der Indologische Vereenigingvoor het jaar 1886.↑

1Opgenomen in hetJaarboekje der Indologische Vereenigingvoor het jaar 1886.↑

[Inhoud]VOORWOORD VOOR DEN TWEEDEN DRUK.Ik herhaal heden de vraag, die ik drie jaren geleden, bij het verschijnen van mijn boek deed: »Ben ik geslaagd?”.… En volmondig roep ik uit: ja! ja!! ja!!!Wel is mijn boek weergaloos heftig aangevallen. Met al meer en meer stijgende verbittering noemde de een het een slecht, een ander een vies boek, werd de litterarische waarde er van betwist, ja, soms met knodsslagen verguisd;.….waar niemand der zoo woeste recensenten verstoutte zich te zeggen, dat, wat in dat boek stond, onwaar was;.….maar het boek trok in den vreemde de aandacht; want in het Engelsch werd het door eenReverendvertaald en had daar alle succes; in het Duitsch is men druk bezig met vertalen, in het Fransch is men begonnen;.….maar het boek beleeft in weerwil van alle kuiperijen en alle verguizing in Nederland den tweeden druk;.….maar het boek vond verdedigers in mannen als Gronemann en Sandick, die hunne meening durfden te onderteekenen, wat voor mij wel opweegt tegen zooveel naamloos geschrijf;.….maar eindelijk, het boek heeft school gemaakt. Na de verschijning hebben mannen als Bool, Kielstra, Brooshooft, Meulenbelt,Struyck, Zeegers, en nu nog zeer kort geleden Jhr. Elout van Soeterwoude artikelen geschreven, voordrachten gehouden, die, hoewel in anderen vorm gegoten, niets anders over de opiumkwestie behelzen, dan in mijn boek te vinden is. Dezer dagen wordt zelfs gewerkt en hard gewerkt ook voor de oprichting van een anti-opium-bond. Hoerah!Had ik ongelijk te beweren, dat ik geslaagd ben?Lezers, ik heb verwaandheid genoeg te meenen, dat mijn boek aan die beweging, aan die teekenen des tijds niet vreemd gebleven is. En mocht ik mij dienaangaande vergissen, dan heb ik toch de overtuiging, dat door den romanvorm, dien ik koos, om mij tot de menigte te wenden, gruwelen van de opiumpacht in breederen kring, in die gedeelten der maatschappij bekend geraakt en doorgedrongen zijn, waar veelal geleerde verhandelingen weinig toegang hebben.Nu de uitgevers er toe besloten, het boek binnen het bereik van ieders beurs te stellen, zal de kring van hen, die bekend zullen raken met hetgeen er ten opzichte van het verbruik en misbruik van de opium omgaat, zich al meer en meer uitbreiden; en dat zal aan de menschheid ten goede komen. Want er is niets, wat meer misdaden, misdrijven, euveldaden, fiskalischen willekeur verhindert, dan licht, voortdurend helder licht.En nu, ik herhaal, wat ik bij de eerste uitgaaf zeide: Ga, mijn boek en verricht den arbeid, dien ik u opdraag, dring in alle klassen door en ontlok den kreet:Onverbiddelijke oorlog! Oorlogàoutranceaan de opiumpacht, die schandelijke bron van inkomsten van den Nederlandschen Staat!Den Haag, November 1889.DE SCHRIJVER.[VIII]

VOORWOORD VOOR DEN TWEEDEN DRUK.

Ik herhaal heden de vraag, die ik drie jaren geleden, bij het verschijnen van mijn boek deed: »Ben ik geslaagd?”.… En volmondig roep ik uit: ja! ja!! ja!!!Wel is mijn boek weergaloos heftig aangevallen. Met al meer en meer stijgende verbittering noemde de een het een slecht, een ander een vies boek, werd de litterarische waarde er van betwist, ja, soms met knodsslagen verguisd;.….waar niemand der zoo woeste recensenten verstoutte zich te zeggen, dat, wat in dat boek stond, onwaar was;.….maar het boek trok in den vreemde de aandacht; want in het Engelsch werd het door eenReverendvertaald en had daar alle succes; in het Duitsch is men druk bezig met vertalen, in het Fransch is men begonnen;.….maar het boek beleeft in weerwil van alle kuiperijen en alle verguizing in Nederland den tweeden druk;.….maar het boek vond verdedigers in mannen als Gronemann en Sandick, die hunne meening durfden te onderteekenen, wat voor mij wel opweegt tegen zooveel naamloos geschrijf;.….maar eindelijk, het boek heeft school gemaakt. Na de verschijning hebben mannen als Bool, Kielstra, Brooshooft, Meulenbelt,Struyck, Zeegers, en nu nog zeer kort geleden Jhr. Elout van Soeterwoude artikelen geschreven, voordrachten gehouden, die, hoewel in anderen vorm gegoten, niets anders over de opiumkwestie behelzen, dan in mijn boek te vinden is. Dezer dagen wordt zelfs gewerkt en hard gewerkt ook voor de oprichting van een anti-opium-bond. Hoerah!Had ik ongelijk te beweren, dat ik geslaagd ben?Lezers, ik heb verwaandheid genoeg te meenen, dat mijn boek aan die beweging, aan die teekenen des tijds niet vreemd gebleven is. En mocht ik mij dienaangaande vergissen, dan heb ik toch de overtuiging, dat door den romanvorm, dien ik koos, om mij tot de menigte te wenden, gruwelen van de opiumpacht in breederen kring, in die gedeelten der maatschappij bekend geraakt en doorgedrongen zijn, waar veelal geleerde verhandelingen weinig toegang hebben.Nu de uitgevers er toe besloten, het boek binnen het bereik van ieders beurs te stellen, zal de kring van hen, die bekend zullen raken met hetgeen er ten opzichte van het verbruik en misbruik van de opium omgaat, zich al meer en meer uitbreiden; en dat zal aan de menschheid ten goede komen. Want er is niets, wat meer misdaden, misdrijven, euveldaden, fiskalischen willekeur verhindert, dan licht, voortdurend helder licht.En nu, ik herhaal, wat ik bij de eerste uitgaaf zeide: Ga, mijn boek en verricht den arbeid, dien ik u opdraag, dring in alle klassen door en ontlok den kreet:Onverbiddelijke oorlog! Oorlogàoutranceaan de opiumpacht, die schandelijke bron van inkomsten van den Nederlandschen Staat!Den Haag, November 1889.DE SCHRIJVER.[VIII]

Ik herhaal heden de vraag, die ik drie jaren geleden, bij het verschijnen van mijn boek deed: »Ben ik geslaagd?”.… En volmondig roep ik uit: ja! ja!! ja!!!

Wel is mijn boek weergaloos heftig aangevallen. Met al meer en meer stijgende verbittering noemde de een het een slecht, een ander een vies boek, werd de litterarische waarde er van betwist, ja, soms met knodsslagen verguisd;

.….waar niemand der zoo woeste recensenten verstoutte zich te zeggen, dat, wat in dat boek stond, onwaar was;

.….maar het boek trok in den vreemde de aandacht; want in het Engelsch werd het door eenReverendvertaald en had daar alle succes; in het Duitsch is men druk bezig met vertalen, in het Fransch is men begonnen;

.….maar het boek beleeft in weerwil van alle kuiperijen en alle verguizing in Nederland den tweeden druk;

.….maar het boek vond verdedigers in mannen als Gronemann en Sandick, die hunne meening durfden te onderteekenen, wat voor mij wel opweegt tegen zooveel naamloos geschrijf;

.….maar eindelijk, het boek heeft school gemaakt. Na de verschijning hebben mannen als Bool, Kielstra, Brooshooft, Meulenbelt,Struyck, Zeegers, en nu nog zeer kort geleden Jhr. Elout van Soeterwoude artikelen geschreven, voordrachten gehouden, die, hoewel in anderen vorm gegoten, niets anders over de opiumkwestie behelzen, dan in mijn boek te vinden is. Dezer dagen wordt zelfs gewerkt en hard gewerkt ook voor de oprichting van een anti-opium-bond. Hoerah!

Had ik ongelijk te beweren, dat ik geslaagd ben?

Lezers, ik heb verwaandheid genoeg te meenen, dat mijn boek aan die beweging, aan die teekenen des tijds niet vreemd gebleven is. En mocht ik mij dienaangaande vergissen, dan heb ik toch de overtuiging, dat door den romanvorm, dien ik koos, om mij tot de menigte te wenden, gruwelen van de opiumpacht in breederen kring, in die gedeelten der maatschappij bekend geraakt en doorgedrongen zijn, waar veelal geleerde verhandelingen weinig toegang hebben.

Nu de uitgevers er toe besloten, het boek binnen het bereik van ieders beurs te stellen, zal de kring van hen, die bekend zullen raken met hetgeen er ten opzichte van het verbruik en misbruik van de opium omgaat, zich al meer en meer uitbreiden; en dat zal aan de menschheid ten goede komen. Want er is niets, wat meer misdaden, misdrijven, euveldaden, fiskalischen willekeur verhindert, dan licht, voortdurend helder licht.

En nu, ik herhaal, wat ik bij de eerste uitgaaf zeide: Ga, mijn boek en verricht den arbeid, dien ik u opdraag, dring in alle klassen door en ontlok den kreet:

Onverbiddelijke oorlog! Oorlogàoutranceaan de opiumpacht, die schandelijke bron van inkomsten van den Nederlandschen Staat!

Den Haag, November 1889.

DE SCHRIJVER.[VIII]

[Inhoud]VOORWOORDVOOR DEN DERDEN DRUK.In mijn Voorwoord voor den tweeden druk van mijn Opium-Roman„Baboe Dalima”schreef ik o. a.: „Lezers, ik heb verwaandheid genoeg te meenen, dat mijn boek aan die beweging, aan die teekenen des tijds (betreffende de Opiumpacht in Nederlandsch Oost-Indië) niet vreemd gebleven is.” Dat schreef ik in November 1889. Wij tellen nu bijna 1899. Wat is er in dat klein decennium geschied?Vooreerst toch kwam de Anti-Opium-Bond tot stand, bestuurd door mannen van het edelste gehalte, edele figuren, die tot de waardigsten op ieder gebied der Nederlandsche natie gerekend moeten worden. Die Bond gaf een tijdschrift uit, getiteld: deOpiumvloek,waarin op merkwaardige wijze de bestaande kwaal in het hart aangetoond werd.Daarbij sloten zich artikelen in dagbladen en tijdschriften over het Opium-pachtstelsel in verschillende richtingen aan, en beijverden zich mannen als deH.H.Groeneveldt,Bosscher,Van Dedem,Vanden Berg,Van Kesteren,Elout van Soeterwoude,de Waal,Brooshooft,Be-Ik-Sam,Jansz,Zegers,Groneman,Hora Siccama,Sandick,Kielstra,Sprenger van Eyck,Bool,enz., enz., enz., ieder van zijn standpunt uit, de Opium-aangelegenheden toe te lichten. En hoewel daardoor nog al met elkander afwijkende[IX]zienswijzen en adviezen ontstonden, en enkelen zich voor het behoud van het Opium-pachtstelsel verklaarden, kwam de Regeering, na lang en grondig beraad, er toch toe een ander stelsel, namelijk het Régie-stelsel te willen beproeven.Régie, waarde lezers, is een stelsel, waarbij de Regeering het debiteeren van Opium in ’t klein aan zich houdt, en door hare beambten doet uitvoeren. Daardoor vervalt de pacht en wordt de kooper geheel en al onafhankelijk van de vreeselijke bent dienaren van de Chineesche Opiumpachters.Die proef met de Régie werd op 1 September 1894 op het eiland Madoera begonnen.Maar, nu geraakte Leiden in nood. Wat werd er al niet bijgebracht om de Régie te doen mislukken! De een trachtte te betoogen, dat bij de algemeene invoering der Régie de Opium-sluikhandel onmogelijk zal zijn te keer te gaan. Een ander beweerde, dat er geene betrouwbare personen te vinden zouden zijn, om als verkoopers van de bereide Opium (tjandoe) in ’t klein op te treden. Een derde meende, dat de Nederlandsch-Indische Regeering niet opgewassen zou zijn tegen de macht der Chineesche pachters. Van eene andere zijde werd gepoogd de Afgevaardigden ter Staten-Generaal tegen de Régie in te nemen, door de Duitenplaag aan de kwestie vast te knoopen.Evenwel, in weerwil van al die hinderpalen, die men hard, zeer hard deed klinken, hadZ. Exc.de Minister van Koloniën de voldoening in zijne Memorie van Toelichting op de Indische Begrooting voor 1896 te kunnen verklaren, dat de proef met de Opium-Régie op Madoera isgeslaagd.Sedert is die Régie in ettelijke Residentiën op Java ingevoerd, en ik mag zeggen met evenveel succes. Toch valt niet te ontkennen, dat die invoering langzaam, uiterst langzaam voortschrijdt. O, ik beaam het ten volle: er doen zich vele moeielijkheden, vele teleurstellingen voor. Maar, die zijn[X]niet van dien aard om aan den einduitslag te wanhopen, òf om maar tot verdaging aanleiding te geven. Daarenboven, dat is het lot dat alle groote hervormingen wacht. Die zijn nimmer tot stand gekomen zonder strijd, zonder bezwaren te ondervinden, inzonderheid wanneer daarmede groote geldelijke belangen gemoeid zijn. Vooral deze laatste omstandigheid is niet over het hoofd te zien. O, als ik eens alles kon openbaren, wat mij toevertrouwd werd omtrent hetgeen er al zoo omgaat in de handelswereld, om toch maar de groote winsten niet te derven, welke de Opium oplevert. Men denke maar eens aan de Chateau Lafitte-poging. Dat is eene die faalde; maar, lezer, vraagt u af, hoevelen slagen. En, hoewel de tegenwoordige Regeering begrijpt, dat het schande zoude zijn, te verflauwen bij den aangebonden strijd, schande, driedubbele schande, nu die strijd gevoerd wordt tegen een algemeen erkend onrecht en het grootsche doel heeft de geheele bevolking van Insulinde te verlossen van een dwangjuk, dat haar loodzwaar op de schouders is gelegd, zoo zal zij zich gedwongen zien zich voor te bereiden op een strijd, die des te vinniger zal zijn, naarmate de hoeveelheid Mammonschijven daarmede gemoeid zijn.Ik heb gemeend, daarop te moeten wijzen, nu mijn boek geroepen wordt, om andermaal voor het voetlicht te treden, nu het geroepen wordt om, tengevolge van zijn matigen prijs, eene andere klasse der bestaande maatschappij binnen te dringen, in die klasse, die weldra geroepen zal worden, ook in die aangelegenheid haren weldadigen invloed uit te oefenen.Hoe de Nederlanders lezen kunnen? Ik wensch ter beantwoording van die vraag het ondervolgende ter neder te stellen.In het Kroningsnummer vanSociale Stemmen, Orgaan van den Oranje-Bond van Ordeliet ik onder den titel van:Eene stem uit de oude Gardeeen opstel opnemen, waarin onder anderen voorkwam: „En zal het onze aanvalligeKoningingelukken het Opium-monopolie aan gewetenlooze[XI]Chineezen te ontrukken en in handen eener heilaanbrengende Régie doen overgaan, zal het Haar gelukken de gedwongen cultures en onbetaalde heerendiensten tot het verleden te doen afdalen, dan zal van daar, uit die honderde eilanden, die, volgens den dichter, bij den Evenaar den Oceaan een smaragden-krans om het voorhoofd slaan, een gejuich uit dertig millioen keelen opgaan, die nu: heil onzer Koningin!roepen; maar dan als een ernstig gebed zullen prevelen: Allah’s zegen over het hoofd der Vorstin, die ons zooveel weldeed!”Wat heb ik niet over dien volzin moeten hooren! Alsof ik daardoor zoo inconsequent mogelijk ware geweest! Alsof ik daardoor het vooropgestelde beginsel, inBaboe Dalimaverkondigd, hadde gebroken!„Wat!” werd mij toegeroepen: „Gij, die oorlogà outranceaan het Opium-monopolie verklaard hadt, die dat hard, zeer hard uitgebazuind hebt, gaat nu de Opium-Régie als heilaanbrengend bewierooken! Alsof die geen monopolie zou mogen genoemd worden!”„Met uw verlof, heeren,” luidde mijn antwoord. „Ik heb oorlogà outranceaan de Opium-pacht verklaard, wat geheel iets anders beteekent dan gij mij in den mond legt. Vergeef mij, dat ik U die kleinigheid opmerk.”„Maar, gij noemt de Opium-Régie heilaanbrengend en verdedigt dus het Opium-gebruik.…”„Dat doe ik niet!” trachtte ik in het midden te brengen, evenwel te vergeefs; ik werd overschreeuwd met:„Dat is geheel en al inconsequent met de strekking van uw’ Opium-roman.”„Inconsequent met de strekking van mijn Opium-roman?!” kreet ik. „Zeker, zoolang het Opium-gebruik niet geheel en al zal kunnen gefnuikt worden, zal ik de Régie, zooals zij ingevoerd zal worden, heilaanbrengend noemen; want zij zal in de eerste plaats den Inlander volkomen onafhankelijk maken van de vreeselijke bent, die nog over het grootste gedeelte van Java in staat is, hem naar de Opium-kit te[XII]drijven. Die onafhankelijkheid dient vooraf gewaarborgd te worden en dat zal zij zijn bij een loyale tenuitvoerlegging van het Régie-stelsel. Niemand zal daarbij gedwongen worden Opium te koopen, nog minder het te gebruiken; en dan zal ontwaard worden, dat de toename van het aantal Opiumschuivers tot staan zal gebracht zijn. Dan is reeds een groot doel bereikt en veel gewonnen. Het is dat doel, wat mij voor oogen zweeft, wanneer ik de Régie als heilaanbrengend roem. Die dus daarin eene verdediging van mijnentwege van het Opium-gebruik en derhalve eene zwenking in mijne grondbeginselen ziet, dien antwoord ik pertinent, dat hij zich deerlijk vergist. Het Opium-gebruik zal in mij nimmer een verdediger vinden.”Of ik mijn auditorium overtuigd had?Ik geef gewonnen, dat een geheel ophouden van het Opiumgebruik wel het beste voor de Inlandsche bevolking zou zijn. Maar, zou dat zoo voetstoots te verwachten zijn, nadat er van der blanken zijde sedert bijna vier eeuwen zooveel gedaan is—ik zal niet zeggen om het vergift in te voeren—maar om het met alle ten dienste staande middelen te bevorderen, ja de bevolking tot het gebruik te dwingen en om, zooals de heer Cremer zich uitliet, door de invoering van de Opiumpacht niet in eene behoefte te voorzien maar wel om die te scheppen? Neen, zoo iets is niet te verwachten. Daartoe is het kwaad, na zooveel zorgvuldige verpleging, te diep ingeworteld. Te velen, ja te velen zijn aan het gevaarlijke goedje verslaafd geworden om niet beducht te zijn voor de gevolgen van eene op bevel geheele onthouding. Die geheele onthouding, thans ingevoerd, zou oneindig grootere rampen in het leven roepen, dan het „Sluit Schiedam” in onze Nederlandsche gewesten zou te weeg brengen. Maar,courir au plus pressé; eerst den steeds wassenden vooruitgang van het Opiumverbruik gestuit. Is dat bereikt, dan is het tijdstip gekomen om met vaste hand in te grijpen, ten einde het gebruik langzamerhand te breidelen. Dan zal het tijdstip daar zijn om[XIII]op de vanen der ware menschenvrienden de leus te schrijven van: Oorlogà outranceaan het opium-verbruik!Ziedaar, mijn grondbeginsel uiteengezet. Ik hoop nu verschoond te blijven van woordenzifterijen met het doel om mijn karakter aan te tasten.Maar, er ligt mij nog iets op het hart met betrekking tot mijn Opium-romanBaboe Dalima.Ik wensch hier er op te wijzen, hoe dat boek op allerlei gebied aangevallen, ja gehavend is geworden door H.H.Critici. Geconstateerd kan echter worden, dat geen hunner, hoe fel hunne aanvallen ook waren, zich verstout heeft te schrijven, dat de feiten, in dat boek vermeld, aan de waarheid te kort deden. De heerJ. L. Zegers,zendeling-leeraar van den Nederlandsch-Indischen Zendingsbond, destijds gestationneerd te Indramajo, merkte die bijzonderheid op in zijne heerlijke studie: Het Opium-vraagstuk (Nijmegen, P. J. Milborn, 1890) met de woorden:Wat mij echter in die kritiek herhaaldelijk getroffen heeft, is dat men om de bijzonderheden de hoofdzaak uit het oog verloor, en wat men ook tegen de détails had in te brengen, den grondslag van het geheele betoog onaangeroerd moest laten.Ja, ik heb dien geheelen volzin met kapitale letters laten zetten en met reden. Ik was in mijn hart den onpartijdigen Evangeliedienaar wel dankbaar voor die betuiging. Zij woog bij mij wel op tegen iedere verguizing, mij aangedaan, omdat ik in den Mammon de onreine bron aangetast had, waaruit nog altijd met vuilviezen vinger dubbeltje voor, dubbeltje na tot stijving der staatsinkomsten, te voorschijn gehaald wordt. Ik vond er de bevestiging in—in de betuiging van den heer Zegers wel te verstaan,—dat ik bij het ontwikkelen van de hoofdstrekking van mijn roman, de waarheid, niets dan de waarheid verkondigd had, en meende dat mijne waarheidsliefde onaangetast was gebleven.Ik schijn mij evenwel vergist te hebben. Waaruit ik dat[XIV]afleid, nu niemand iets krenkends omtrent die waarheidsliefde geschreven heeft? Luistert. In April van dit jaar hield een gevierd schrijver eene lezing in eene bijeenkomst hier te Nijmegen. Hij droeg daarbij een paar allergezelligste novellen voor. In de pauze liet hij zich aan mij voorstellen en betuigde mij bij die gelegenheid, dat hijBaboe Dalimagelezen had; maar dat hij gedurende zijn verblijf op Java geen baboe Dalima bespeurd had.Ik hernam lachende:„Dat spijt mij voor u, ik kan u toch verzekeren, dat Java wel degelijk op tal van fraaie meisjeskopjes bogen kan, zooals ik dat lieve kindermeisje geteekend heb.”„Ja, maar,” antwoordde mijn spreker, „ik bedoel geen kindermeisje, maar uw Opium-roman, en zeg u, dat ik op Java niets van Opium gemerkt heb.”Ik keek mijn spreker met verbazing aan. Maar, alvorens ik hem antwoorden kon, werd op hem, als gevierd persoon beslag gelegd, en verzochten ettelijke personen aan hem gepresenteerd te worden. Ons gesprek was dus afgebroken, en mij zou de gelegenheid ontbreken om het weer op te vatten. Dat heeft mij wel gespeten.Wat ik hem zou geantwoord hebben? O, eenvoudig dit:„Gij hebt, mijn waarde heer, bij uwe heen- en terugreis naar en van Java, telkenmale de Middellandsche zee in hare volle uitgestrektheid doorstoomd. Voorzeker hebt Gij, met uw open oog voor alles wat schoon is, Amphitrite in haren zoo reinen blauwen mantel opgetogen en vol bewondering gade geslagen. Voorzeker hebt Gij gelegenheid gehad, gade te slaan, wanneer een zoel windje dien mantel in zachte golfjes, in wegdoezelende kabbellingjes deed opzwellen en de zon of de maan in de facetten glinsterde en u het geheel als een onmetelijk edelgesteente voor de oogen flonkerde. Dat was fraai, buitengewoon fraai, nietwaar? Maar.… hebt gij dan wel eene gedachte gewijd, wat er onder dien fraaien schitterenden mantel geschiedde, welke ontzettende strijd daar gestreden,[XV]welke afzichtelijke daden van geweld van den machtigen tegen den zwakkeren gevoerd werd? Hebt Gij Java doorreisd, zonder iets van de Opiumramp gewaar te worden, dan hebt Gij dat zoo fraaie eiland doorkruist, zooals Gij de Middellandsche zee doorstoomd hebt, zonder den fraaien mantel op te tillen, die u het innerlijke leven van de inboorlingen bedekte.”Ziet, dat zou ik geantwoord hebben.Zal nu die man zijne meening omtrent de Opium in breeder kring openbaren, dan blijft mij niets over te doen dan overluid te verkondigen, dat wat omtrent den Opium-hartstocht en de schandalen van de Opiumpacht, door mij in den Opium-romanBaboe Dalimadoor mij onthuld is, der waarheid nauwkeurig getrouw gebleven is.En, na dit gezegd te hebben, herhaal ik, wat ik in mijn Voorwoord van den eersten en tweeden druk ter neder stelde: „Ga mijn boek, ga en verricht den arbeid, dien ik u opdraag, dring in alle klassen door en ontlok den kreet:Onverbiddelijke oorlog! Oorlogà outranceaan de Opium-pacht, die schandelijke bron van inkomsten van den Nederlandschen Staat!Tot herinnering voeg ik hierbij dat 7⁄10 van het eiland Java en al de Buitenbezittingen nog aan den demoraliseerenden invloed van de Chineesche Opium-pachters overgeleverd zijn.De Schrijver.Nijmegen, October 1898.[XVI]

VOORWOORDVOOR DEN DERDEN DRUK.

In mijn Voorwoord voor den tweeden druk van mijn Opium-Roman„Baboe Dalima”schreef ik o. a.: „Lezers, ik heb verwaandheid genoeg te meenen, dat mijn boek aan die beweging, aan die teekenen des tijds (betreffende de Opiumpacht in Nederlandsch Oost-Indië) niet vreemd gebleven is.” Dat schreef ik in November 1889. Wij tellen nu bijna 1899. Wat is er in dat klein decennium geschied?Vooreerst toch kwam de Anti-Opium-Bond tot stand, bestuurd door mannen van het edelste gehalte, edele figuren, die tot de waardigsten op ieder gebied der Nederlandsche natie gerekend moeten worden. Die Bond gaf een tijdschrift uit, getiteld: deOpiumvloek,waarin op merkwaardige wijze de bestaande kwaal in het hart aangetoond werd.Daarbij sloten zich artikelen in dagbladen en tijdschriften over het Opium-pachtstelsel in verschillende richtingen aan, en beijverden zich mannen als deH.H.Groeneveldt,Bosscher,Van Dedem,Vanden Berg,Van Kesteren,Elout van Soeterwoude,de Waal,Brooshooft,Be-Ik-Sam,Jansz,Zegers,Groneman,Hora Siccama,Sandick,Kielstra,Sprenger van Eyck,Bool,enz., enz., enz., ieder van zijn standpunt uit, de Opium-aangelegenheden toe te lichten. En hoewel daardoor nog al met elkander afwijkende[IX]zienswijzen en adviezen ontstonden, en enkelen zich voor het behoud van het Opium-pachtstelsel verklaarden, kwam de Regeering, na lang en grondig beraad, er toch toe een ander stelsel, namelijk het Régie-stelsel te willen beproeven.Régie, waarde lezers, is een stelsel, waarbij de Regeering het debiteeren van Opium in ’t klein aan zich houdt, en door hare beambten doet uitvoeren. Daardoor vervalt de pacht en wordt de kooper geheel en al onafhankelijk van de vreeselijke bent dienaren van de Chineesche Opiumpachters.Die proef met de Régie werd op 1 September 1894 op het eiland Madoera begonnen.Maar, nu geraakte Leiden in nood. Wat werd er al niet bijgebracht om de Régie te doen mislukken! De een trachtte te betoogen, dat bij de algemeene invoering der Régie de Opium-sluikhandel onmogelijk zal zijn te keer te gaan. Een ander beweerde, dat er geene betrouwbare personen te vinden zouden zijn, om als verkoopers van de bereide Opium (tjandoe) in ’t klein op te treden. Een derde meende, dat de Nederlandsch-Indische Regeering niet opgewassen zou zijn tegen de macht der Chineesche pachters. Van eene andere zijde werd gepoogd de Afgevaardigden ter Staten-Generaal tegen de Régie in te nemen, door de Duitenplaag aan de kwestie vast te knoopen.Evenwel, in weerwil van al die hinderpalen, die men hard, zeer hard deed klinken, hadZ. Exc.de Minister van Koloniën de voldoening in zijne Memorie van Toelichting op de Indische Begrooting voor 1896 te kunnen verklaren, dat de proef met de Opium-Régie op Madoera isgeslaagd.Sedert is die Régie in ettelijke Residentiën op Java ingevoerd, en ik mag zeggen met evenveel succes. Toch valt niet te ontkennen, dat die invoering langzaam, uiterst langzaam voortschrijdt. O, ik beaam het ten volle: er doen zich vele moeielijkheden, vele teleurstellingen voor. Maar, die zijn[X]niet van dien aard om aan den einduitslag te wanhopen, òf om maar tot verdaging aanleiding te geven. Daarenboven, dat is het lot dat alle groote hervormingen wacht. Die zijn nimmer tot stand gekomen zonder strijd, zonder bezwaren te ondervinden, inzonderheid wanneer daarmede groote geldelijke belangen gemoeid zijn. Vooral deze laatste omstandigheid is niet over het hoofd te zien. O, als ik eens alles kon openbaren, wat mij toevertrouwd werd omtrent hetgeen er al zoo omgaat in de handelswereld, om toch maar de groote winsten niet te derven, welke de Opium oplevert. Men denke maar eens aan de Chateau Lafitte-poging. Dat is eene die faalde; maar, lezer, vraagt u af, hoevelen slagen. En, hoewel de tegenwoordige Regeering begrijpt, dat het schande zoude zijn, te verflauwen bij den aangebonden strijd, schande, driedubbele schande, nu die strijd gevoerd wordt tegen een algemeen erkend onrecht en het grootsche doel heeft de geheele bevolking van Insulinde te verlossen van een dwangjuk, dat haar loodzwaar op de schouders is gelegd, zoo zal zij zich gedwongen zien zich voor te bereiden op een strijd, die des te vinniger zal zijn, naarmate de hoeveelheid Mammonschijven daarmede gemoeid zijn.Ik heb gemeend, daarop te moeten wijzen, nu mijn boek geroepen wordt, om andermaal voor het voetlicht te treden, nu het geroepen wordt om, tengevolge van zijn matigen prijs, eene andere klasse der bestaande maatschappij binnen te dringen, in die klasse, die weldra geroepen zal worden, ook in die aangelegenheid haren weldadigen invloed uit te oefenen.Hoe de Nederlanders lezen kunnen? Ik wensch ter beantwoording van die vraag het ondervolgende ter neder te stellen.In het Kroningsnummer vanSociale Stemmen, Orgaan van den Oranje-Bond van Ordeliet ik onder den titel van:Eene stem uit de oude Gardeeen opstel opnemen, waarin onder anderen voorkwam: „En zal het onze aanvalligeKoningingelukken het Opium-monopolie aan gewetenlooze[XI]Chineezen te ontrukken en in handen eener heilaanbrengende Régie doen overgaan, zal het Haar gelukken de gedwongen cultures en onbetaalde heerendiensten tot het verleden te doen afdalen, dan zal van daar, uit die honderde eilanden, die, volgens den dichter, bij den Evenaar den Oceaan een smaragden-krans om het voorhoofd slaan, een gejuich uit dertig millioen keelen opgaan, die nu: heil onzer Koningin!roepen; maar dan als een ernstig gebed zullen prevelen: Allah’s zegen over het hoofd der Vorstin, die ons zooveel weldeed!”Wat heb ik niet over dien volzin moeten hooren! Alsof ik daardoor zoo inconsequent mogelijk ware geweest! Alsof ik daardoor het vooropgestelde beginsel, inBaboe Dalimaverkondigd, hadde gebroken!„Wat!” werd mij toegeroepen: „Gij, die oorlogà outranceaan het Opium-monopolie verklaard hadt, die dat hard, zeer hard uitgebazuind hebt, gaat nu de Opium-Régie als heilaanbrengend bewierooken! Alsof die geen monopolie zou mogen genoemd worden!”„Met uw verlof, heeren,” luidde mijn antwoord. „Ik heb oorlogà outranceaan de Opium-pacht verklaard, wat geheel iets anders beteekent dan gij mij in den mond legt. Vergeef mij, dat ik U die kleinigheid opmerk.”„Maar, gij noemt de Opium-Régie heilaanbrengend en verdedigt dus het Opium-gebruik.…”„Dat doe ik niet!” trachtte ik in het midden te brengen, evenwel te vergeefs; ik werd overschreeuwd met:„Dat is geheel en al inconsequent met de strekking van uw’ Opium-roman.”„Inconsequent met de strekking van mijn Opium-roman?!” kreet ik. „Zeker, zoolang het Opium-gebruik niet geheel en al zal kunnen gefnuikt worden, zal ik de Régie, zooals zij ingevoerd zal worden, heilaanbrengend noemen; want zij zal in de eerste plaats den Inlander volkomen onafhankelijk maken van de vreeselijke bent, die nog over het grootste gedeelte van Java in staat is, hem naar de Opium-kit te[XII]drijven. Die onafhankelijkheid dient vooraf gewaarborgd te worden en dat zal zij zijn bij een loyale tenuitvoerlegging van het Régie-stelsel. Niemand zal daarbij gedwongen worden Opium te koopen, nog minder het te gebruiken; en dan zal ontwaard worden, dat de toename van het aantal Opiumschuivers tot staan zal gebracht zijn. Dan is reeds een groot doel bereikt en veel gewonnen. Het is dat doel, wat mij voor oogen zweeft, wanneer ik de Régie als heilaanbrengend roem. Die dus daarin eene verdediging van mijnentwege van het Opium-gebruik en derhalve eene zwenking in mijne grondbeginselen ziet, dien antwoord ik pertinent, dat hij zich deerlijk vergist. Het Opium-gebruik zal in mij nimmer een verdediger vinden.”Of ik mijn auditorium overtuigd had?Ik geef gewonnen, dat een geheel ophouden van het Opiumgebruik wel het beste voor de Inlandsche bevolking zou zijn. Maar, zou dat zoo voetstoots te verwachten zijn, nadat er van der blanken zijde sedert bijna vier eeuwen zooveel gedaan is—ik zal niet zeggen om het vergift in te voeren—maar om het met alle ten dienste staande middelen te bevorderen, ja de bevolking tot het gebruik te dwingen en om, zooals de heer Cremer zich uitliet, door de invoering van de Opiumpacht niet in eene behoefte te voorzien maar wel om die te scheppen? Neen, zoo iets is niet te verwachten. Daartoe is het kwaad, na zooveel zorgvuldige verpleging, te diep ingeworteld. Te velen, ja te velen zijn aan het gevaarlijke goedje verslaafd geworden om niet beducht te zijn voor de gevolgen van eene op bevel geheele onthouding. Die geheele onthouding, thans ingevoerd, zou oneindig grootere rampen in het leven roepen, dan het „Sluit Schiedam” in onze Nederlandsche gewesten zou te weeg brengen. Maar,courir au plus pressé; eerst den steeds wassenden vooruitgang van het Opiumverbruik gestuit. Is dat bereikt, dan is het tijdstip gekomen om met vaste hand in te grijpen, ten einde het gebruik langzamerhand te breidelen. Dan zal het tijdstip daar zijn om[XIII]op de vanen der ware menschenvrienden de leus te schrijven van: Oorlogà outranceaan het opium-verbruik!Ziedaar, mijn grondbeginsel uiteengezet. Ik hoop nu verschoond te blijven van woordenzifterijen met het doel om mijn karakter aan te tasten.Maar, er ligt mij nog iets op het hart met betrekking tot mijn Opium-romanBaboe Dalima.Ik wensch hier er op te wijzen, hoe dat boek op allerlei gebied aangevallen, ja gehavend is geworden door H.H.Critici. Geconstateerd kan echter worden, dat geen hunner, hoe fel hunne aanvallen ook waren, zich verstout heeft te schrijven, dat de feiten, in dat boek vermeld, aan de waarheid te kort deden. De heerJ. L. Zegers,zendeling-leeraar van den Nederlandsch-Indischen Zendingsbond, destijds gestationneerd te Indramajo, merkte die bijzonderheid op in zijne heerlijke studie: Het Opium-vraagstuk (Nijmegen, P. J. Milborn, 1890) met de woorden:Wat mij echter in die kritiek herhaaldelijk getroffen heeft, is dat men om de bijzonderheden de hoofdzaak uit het oog verloor, en wat men ook tegen de détails had in te brengen, den grondslag van het geheele betoog onaangeroerd moest laten.Ja, ik heb dien geheelen volzin met kapitale letters laten zetten en met reden. Ik was in mijn hart den onpartijdigen Evangeliedienaar wel dankbaar voor die betuiging. Zij woog bij mij wel op tegen iedere verguizing, mij aangedaan, omdat ik in den Mammon de onreine bron aangetast had, waaruit nog altijd met vuilviezen vinger dubbeltje voor, dubbeltje na tot stijving der staatsinkomsten, te voorschijn gehaald wordt. Ik vond er de bevestiging in—in de betuiging van den heer Zegers wel te verstaan,—dat ik bij het ontwikkelen van de hoofdstrekking van mijn roman, de waarheid, niets dan de waarheid verkondigd had, en meende dat mijne waarheidsliefde onaangetast was gebleven.Ik schijn mij evenwel vergist te hebben. Waaruit ik dat[XIV]afleid, nu niemand iets krenkends omtrent die waarheidsliefde geschreven heeft? Luistert. In April van dit jaar hield een gevierd schrijver eene lezing in eene bijeenkomst hier te Nijmegen. Hij droeg daarbij een paar allergezelligste novellen voor. In de pauze liet hij zich aan mij voorstellen en betuigde mij bij die gelegenheid, dat hijBaboe Dalimagelezen had; maar dat hij gedurende zijn verblijf op Java geen baboe Dalima bespeurd had.Ik hernam lachende:„Dat spijt mij voor u, ik kan u toch verzekeren, dat Java wel degelijk op tal van fraaie meisjeskopjes bogen kan, zooals ik dat lieve kindermeisje geteekend heb.”„Ja, maar,” antwoordde mijn spreker, „ik bedoel geen kindermeisje, maar uw Opium-roman, en zeg u, dat ik op Java niets van Opium gemerkt heb.”Ik keek mijn spreker met verbazing aan. Maar, alvorens ik hem antwoorden kon, werd op hem, als gevierd persoon beslag gelegd, en verzochten ettelijke personen aan hem gepresenteerd te worden. Ons gesprek was dus afgebroken, en mij zou de gelegenheid ontbreken om het weer op te vatten. Dat heeft mij wel gespeten.Wat ik hem zou geantwoord hebben? O, eenvoudig dit:„Gij hebt, mijn waarde heer, bij uwe heen- en terugreis naar en van Java, telkenmale de Middellandsche zee in hare volle uitgestrektheid doorstoomd. Voorzeker hebt Gij, met uw open oog voor alles wat schoon is, Amphitrite in haren zoo reinen blauwen mantel opgetogen en vol bewondering gade geslagen. Voorzeker hebt Gij gelegenheid gehad, gade te slaan, wanneer een zoel windje dien mantel in zachte golfjes, in wegdoezelende kabbellingjes deed opzwellen en de zon of de maan in de facetten glinsterde en u het geheel als een onmetelijk edelgesteente voor de oogen flonkerde. Dat was fraai, buitengewoon fraai, nietwaar? Maar.… hebt gij dan wel eene gedachte gewijd, wat er onder dien fraaien schitterenden mantel geschiedde, welke ontzettende strijd daar gestreden,[XV]welke afzichtelijke daden van geweld van den machtigen tegen den zwakkeren gevoerd werd? Hebt Gij Java doorreisd, zonder iets van de Opiumramp gewaar te worden, dan hebt Gij dat zoo fraaie eiland doorkruist, zooals Gij de Middellandsche zee doorstoomd hebt, zonder den fraaien mantel op te tillen, die u het innerlijke leven van de inboorlingen bedekte.”Ziet, dat zou ik geantwoord hebben.Zal nu die man zijne meening omtrent de Opium in breeder kring openbaren, dan blijft mij niets over te doen dan overluid te verkondigen, dat wat omtrent den Opium-hartstocht en de schandalen van de Opiumpacht, door mij in den Opium-romanBaboe Dalimadoor mij onthuld is, der waarheid nauwkeurig getrouw gebleven is.En, na dit gezegd te hebben, herhaal ik, wat ik in mijn Voorwoord van den eersten en tweeden druk ter neder stelde: „Ga mijn boek, ga en verricht den arbeid, dien ik u opdraag, dring in alle klassen door en ontlok den kreet:Onverbiddelijke oorlog! Oorlogà outranceaan de Opium-pacht, die schandelijke bron van inkomsten van den Nederlandschen Staat!Tot herinnering voeg ik hierbij dat 7⁄10 van het eiland Java en al de Buitenbezittingen nog aan den demoraliseerenden invloed van de Chineesche Opium-pachters overgeleverd zijn.De Schrijver.Nijmegen, October 1898.[XVI]

In mijn Voorwoord voor den tweeden druk van mijn Opium-Roman„Baboe Dalima”schreef ik o. a.: „Lezers, ik heb verwaandheid genoeg te meenen, dat mijn boek aan die beweging, aan die teekenen des tijds (betreffende de Opiumpacht in Nederlandsch Oost-Indië) niet vreemd gebleven is.” Dat schreef ik in November 1889. Wij tellen nu bijna 1899. Wat is er in dat klein decennium geschied?

Vooreerst toch kwam de Anti-Opium-Bond tot stand, bestuurd door mannen van het edelste gehalte, edele figuren, die tot de waardigsten op ieder gebied der Nederlandsche natie gerekend moeten worden. Die Bond gaf een tijdschrift uit, getiteld: deOpiumvloek,waarin op merkwaardige wijze de bestaande kwaal in het hart aangetoond werd.

Daarbij sloten zich artikelen in dagbladen en tijdschriften over het Opium-pachtstelsel in verschillende richtingen aan, en beijverden zich mannen als deH.H.Groeneveldt,Bosscher,Van Dedem,Vanden Berg,Van Kesteren,Elout van Soeterwoude,de Waal,Brooshooft,Be-Ik-Sam,Jansz,Zegers,Groneman,Hora Siccama,Sandick,Kielstra,Sprenger van Eyck,Bool,enz., enz., enz., ieder van zijn standpunt uit, de Opium-aangelegenheden toe te lichten. En hoewel daardoor nog al met elkander afwijkende[IX]zienswijzen en adviezen ontstonden, en enkelen zich voor het behoud van het Opium-pachtstelsel verklaarden, kwam de Regeering, na lang en grondig beraad, er toch toe een ander stelsel, namelijk het Régie-stelsel te willen beproeven.

Régie, waarde lezers, is een stelsel, waarbij de Regeering het debiteeren van Opium in ’t klein aan zich houdt, en door hare beambten doet uitvoeren. Daardoor vervalt de pacht en wordt de kooper geheel en al onafhankelijk van de vreeselijke bent dienaren van de Chineesche Opiumpachters.

Die proef met de Régie werd op 1 September 1894 op het eiland Madoera begonnen.

Maar, nu geraakte Leiden in nood. Wat werd er al niet bijgebracht om de Régie te doen mislukken! De een trachtte te betoogen, dat bij de algemeene invoering der Régie de Opium-sluikhandel onmogelijk zal zijn te keer te gaan. Een ander beweerde, dat er geene betrouwbare personen te vinden zouden zijn, om als verkoopers van de bereide Opium (tjandoe) in ’t klein op te treden. Een derde meende, dat de Nederlandsch-Indische Regeering niet opgewassen zou zijn tegen de macht der Chineesche pachters. Van eene andere zijde werd gepoogd de Afgevaardigden ter Staten-Generaal tegen de Régie in te nemen, door de Duitenplaag aan de kwestie vast te knoopen.

Evenwel, in weerwil van al die hinderpalen, die men hard, zeer hard deed klinken, hadZ. Exc.de Minister van Koloniën de voldoening in zijne Memorie van Toelichting op de Indische Begrooting voor 1896 te kunnen verklaren, dat de proef met de Opium-Régie op Madoera isgeslaagd.

Sedert is die Régie in ettelijke Residentiën op Java ingevoerd, en ik mag zeggen met evenveel succes. Toch valt niet te ontkennen, dat die invoering langzaam, uiterst langzaam voortschrijdt. O, ik beaam het ten volle: er doen zich vele moeielijkheden, vele teleurstellingen voor. Maar, die zijn[X]niet van dien aard om aan den einduitslag te wanhopen, òf om maar tot verdaging aanleiding te geven. Daarenboven, dat is het lot dat alle groote hervormingen wacht. Die zijn nimmer tot stand gekomen zonder strijd, zonder bezwaren te ondervinden, inzonderheid wanneer daarmede groote geldelijke belangen gemoeid zijn. Vooral deze laatste omstandigheid is niet over het hoofd te zien. O, als ik eens alles kon openbaren, wat mij toevertrouwd werd omtrent hetgeen er al zoo omgaat in de handelswereld, om toch maar de groote winsten niet te derven, welke de Opium oplevert. Men denke maar eens aan de Chateau Lafitte-poging. Dat is eene die faalde; maar, lezer, vraagt u af, hoevelen slagen. En, hoewel de tegenwoordige Regeering begrijpt, dat het schande zoude zijn, te verflauwen bij den aangebonden strijd, schande, driedubbele schande, nu die strijd gevoerd wordt tegen een algemeen erkend onrecht en het grootsche doel heeft de geheele bevolking van Insulinde te verlossen van een dwangjuk, dat haar loodzwaar op de schouders is gelegd, zoo zal zij zich gedwongen zien zich voor te bereiden op een strijd, die des te vinniger zal zijn, naarmate de hoeveelheid Mammonschijven daarmede gemoeid zijn.

Ik heb gemeend, daarop te moeten wijzen, nu mijn boek geroepen wordt, om andermaal voor het voetlicht te treden, nu het geroepen wordt om, tengevolge van zijn matigen prijs, eene andere klasse der bestaande maatschappij binnen te dringen, in die klasse, die weldra geroepen zal worden, ook in die aangelegenheid haren weldadigen invloed uit te oefenen.

Hoe de Nederlanders lezen kunnen? Ik wensch ter beantwoording van die vraag het ondervolgende ter neder te stellen.In het Kroningsnummer vanSociale Stemmen, Orgaan van den Oranje-Bond van Ordeliet ik onder den titel van:Eene stem uit de oude Gardeeen opstel opnemen, waarin onder anderen voorkwam: „En zal het onze aanvalligeKoningingelukken het Opium-monopolie aan gewetenlooze[XI]Chineezen te ontrukken en in handen eener heilaanbrengende Régie doen overgaan, zal het Haar gelukken de gedwongen cultures en onbetaalde heerendiensten tot het verleden te doen afdalen, dan zal van daar, uit die honderde eilanden, die, volgens den dichter, bij den Evenaar den Oceaan een smaragden-krans om het voorhoofd slaan, een gejuich uit dertig millioen keelen opgaan, die nu: heil onzer Koningin!roepen; maar dan als een ernstig gebed zullen prevelen: Allah’s zegen over het hoofd der Vorstin, die ons zooveel weldeed!”Wat heb ik niet over dien volzin moeten hooren! Alsof ik daardoor zoo inconsequent mogelijk ware geweest! Alsof ik daardoor het vooropgestelde beginsel, inBaboe Dalimaverkondigd, hadde gebroken!

„Wat!” werd mij toegeroepen: „Gij, die oorlogà outranceaan het Opium-monopolie verklaard hadt, die dat hard, zeer hard uitgebazuind hebt, gaat nu de Opium-Régie als heilaanbrengend bewierooken! Alsof die geen monopolie zou mogen genoemd worden!”

„Met uw verlof, heeren,” luidde mijn antwoord. „Ik heb oorlogà outranceaan de Opium-pacht verklaard, wat geheel iets anders beteekent dan gij mij in den mond legt. Vergeef mij, dat ik U die kleinigheid opmerk.”

„Maar, gij noemt de Opium-Régie heilaanbrengend en verdedigt dus het Opium-gebruik.…”

„Dat doe ik niet!” trachtte ik in het midden te brengen, evenwel te vergeefs; ik werd overschreeuwd met:

„Dat is geheel en al inconsequent met de strekking van uw’ Opium-roman.”

„Inconsequent met de strekking van mijn Opium-roman?!” kreet ik. „Zeker, zoolang het Opium-gebruik niet geheel en al zal kunnen gefnuikt worden, zal ik de Régie, zooals zij ingevoerd zal worden, heilaanbrengend noemen; want zij zal in de eerste plaats den Inlander volkomen onafhankelijk maken van de vreeselijke bent, die nog over het grootste gedeelte van Java in staat is, hem naar de Opium-kit te[XII]drijven. Die onafhankelijkheid dient vooraf gewaarborgd te worden en dat zal zij zijn bij een loyale tenuitvoerlegging van het Régie-stelsel. Niemand zal daarbij gedwongen worden Opium te koopen, nog minder het te gebruiken; en dan zal ontwaard worden, dat de toename van het aantal Opiumschuivers tot staan zal gebracht zijn. Dan is reeds een groot doel bereikt en veel gewonnen. Het is dat doel, wat mij voor oogen zweeft, wanneer ik de Régie als heilaanbrengend roem. Die dus daarin eene verdediging van mijnentwege van het Opium-gebruik en derhalve eene zwenking in mijne grondbeginselen ziet, dien antwoord ik pertinent, dat hij zich deerlijk vergist. Het Opium-gebruik zal in mij nimmer een verdediger vinden.”

Of ik mijn auditorium overtuigd had?

Ik geef gewonnen, dat een geheel ophouden van het Opiumgebruik wel het beste voor de Inlandsche bevolking zou zijn. Maar, zou dat zoo voetstoots te verwachten zijn, nadat er van der blanken zijde sedert bijna vier eeuwen zooveel gedaan is—ik zal niet zeggen om het vergift in te voeren—maar om het met alle ten dienste staande middelen te bevorderen, ja de bevolking tot het gebruik te dwingen en om, zooals de heer Cremer zich uitliet, door de invoering van de Opiumpacht niet in eene behoefte te voorzien maar wel om die te scheppen? Neen, zoo iets is niet te verwachten. Daartoe is het kwaad, na zooveel zorgvuldige verpleging, te diep ingeworteld. Te velen, ja te velen zijn aan het gevaarlijke goedje verslaafd geworden om niet beducht te zijn voor de gevolgen van eene op bevel geheele onthouding. Die geheele onthouding, thans ingevoerd, zou oneindig grootere rampen in het leven roepen, dan het „Sluit Schiedam” in onze Nederlandsche gewesten zou te weeg brengen. Maar,courir au plus pressé; eerst den steeds wassenden vooruitgang van het Opiumverbruik gestuit. Is dat bereikt, dan is het tijdstip gekomen om met vaste hand in te grijpen, ten einde het gebruik langzamerhand te breidelen. Dan zal het tijdstip daar zijn om[XIII]op de vanen der ware menschenvrienden de leus te schrijven van: Oorlogà outranceaan het opium-verbruik!

Ziedaar, mijn grondbeginsel uiteengezet. Ik hoop nu verschoond te blijven van woordenzifterijen met het doel om mijn karakter aan te tasten.

Maar, er ligt mij nog iets op het hart met betrekking tot mijn Opium-romanBaboe Dalima.Ik wensch hier er op te wijzen, hoe dat boek op allerlei gebied aangevallen, ja gehavend is geworden door H.H.Critici. Geconstateerd kan echter worden, dat geen hunner, hoe fel hunne aanvallen ook waren, zich verstout heeft te schrijven, dat de feiten, in dat boek vermeld, aan de waarheid te kort deden. De heerJ. L. Zegers,zendeling-leeraar van den Nederlandsch-Indischen Zendingsbond, destijds gestationneerd te Indramajo, merkte die bijzonderheid op in zijne heerlijke studie: Het Opium-vraagstuk (Nijmegen, P. J. Milborn, 1890) met de woorden:Wat mij echter in die kritiek herhaaldelijk getroffen heeft, is dat men om de bijzonderheden de hoofdzaak uit het oog verloor, en wat men ook tegen de détails had in te brengen, den grondslag van het geheele betoog onaangeroerd moest laten.Ja, ik heb dien geheelen volzin met kapitale letters laten zetten en met reden. Ik was in mijn hart den onpartijdigen Evangeliedienaar wel dankbaar voor die betuiging. Zij woog bij mij wel op tegen iedere verguizing, mij aangedaan, omdat ik in den Mammon de onreine bron aangetast had, waaruit nog altijd met vuilviezen vinger dubbeltje voor, dubbeltje na tot stijving der staatsinkomsten, te voorschijn gehaald wordt. Ik vond er de bevestiging in—in de betuiging van den heer Zegers wel te verstaan,—dat ik bij het ontwikkelen van de hoofdstrekking van mijn roman, de waarheid, niets dan de waarheid verkondigd had, en meende dat mijne waarheidsliefde onaangetast was gebleven.

Ik schijn mij evenwel vergist te hebben. Waaruit ik dat[XIV]afleid, nu niemand iets krenkends omtrent die waarheidsliefde geschreven heeft? Luistert. In April van dit jaar hield een gevierd schrijver eene lezing in eene bijeenkomst hier te Nijmegen. Hij droeg daarbij een paar allergezelligste novellen voor. In de pauze liet hij zich aan mij voorstellen en betuigde mij bij die gelegenheid, dat hijBaboe Dalimagelezen had; maar dat hij gedurende zijn verblijf op Java geen baboe Dalima bespeurd had.

Ik hernam lachende:

„Dat spijt mij voor u, ik kan u toch verzekeren, dat Java wel degelijk op tal van fraaie meisjeskopjes bogen kan, zooals ik dat lieve kindermeisje geteekend heb.”

„Ja, maar,” antwoordde mijn spreker, „ik bedoel geen kindermeisje, maar uw Opium-roman, en zeg u, dat ik op Java niets van Opium gemerkt heb.”

Ik keek mijn spreker met verbazing aan. Maar, alvorens ik hem antwoorden kon, werd op hem, als gevierd persoon beslag gelegd, en verzochten ettelijke personen aan hem gepresenteerd te worden. Ons gesprek was dus afgebroken, en mij zou de gelegenheid ontbreken om het weer op te vatten. Dat heeft mij wel gespeten.

Wat ik hem zou geantwoord hebben? O, eenvoudig dit:

„Gij hebt, mijn waarde heer, bij uwe heen- en terugreis naar en van Java, telkenmale de Middellandsche zee in hare volle uitgestrektheid doorstoomd. Voorzeker hebt Gij, met uw open oog voor alles wat schoon is, Amphitrite in haren zoo reinen blauwen mantel opgetogen en vol bewondering gade geslagen. Voorzeker hebt Gij gelegenheid gehad, gade te slaan, wanneer een zoel windje dien mantel in zachte golfjes, in wegdoezelende kabbellingjes deed opzwellen en de zon of de maan in de facetten glinsterde en u het geheel als een onmetelijk edelgesteente voor de oogen flonkerde. Dat was fraai, buitengewoon fraai, nietwaar? Maar.… hebt gij dan wel eene gedachte gewijd, wat er onder dien fraaien schitterenden mantel geschiedde, welke ontzettende strijd daar gestreden,[XV]welke afzichtelijke daden van geweld van den machtigen tegen den zwakkeren gevoerd werd? Hebt Gij Java doorreisd, zonder iets van de Opiumramp gewaar te worden, dan hebt Gij dat zoo fraaie eiland doorkruist, zooals Gij de Middellandsche zee doorstoomd hebt, zonder den fraaien mantel op te tillen, die u het innerlijke leven van de inboorlingen bedekte.”

Ziet, dat zou ik geantwoord hebben.

Zal nu die man zijne meening omtrent de Opium in breeder kring openbaren, dan blijft mij niets over te doen dan overluid te verkondigen, dat wat omtrent den Opium-hartstocht en de schandalen van de Opiumpacht, door mij in den Opium-romanBaboe Dalimadoor mij onthuld is, der waarheid nauwkeurig getrouw gebleven is.

En, na dit gezegd te hebben, herhaal ik, wat ik in mijn Voorwoord van den eersten en tweeden druk ter neder stelde: „Ga mijn boek, ga en verricht den arbeid, dien ik u opdraag, dring in alle klassen door en ontlok den kreet:

Onverbiddelijke oorlog! Oorlogà outranceaan de Opium-pacht, die schandelijke bron van inkomsten van den Nederlandschen Staat!

Tot herinnering voeg ik hierbij dat 7⁄10 van het eiland Java en al de Buitenbezittingen nog aan den demoraliseerenden invloed van de Chineesche Opium-pachters overgeleverd zijn.

De Schrijver.

Nijmegen, October 1898.[XVI]

[Inhoud]INHOUD.Bladz.Voorwoord Eerste drukVVoorwoord Tweede drukVIIVoorwoord Derde drukVIIII.By Moeara Tjatjing4II.In de djaga monjet15III.De Kamadoog-straf.—De familie Van Gulpendam29IV.De draden verwikkelen45V.In de voor- en binnengalerij60VI.Een echtpaar72VII.Een verraderlijk dèsa-genoot88VIII.Een dèsa in verval.—Pak Ardjan’s arrestatie104IX.Kuiperijen.—Een vrienden-drietal118X.Une invitation à la chasse et une invitation à la valse132XI.In den residentstuin146XII.Echtgenoot en gade.—Moeder en dochter161XIII.Op den weg naar het jachtterrein176XIV.Een huiszoeking met hare gevolgen191XV.Onder den Wariengienboom.—In de opiumkit203XVI.Het opium-monopolie.—Een vertrouwelijk uurtje221XVII.In den Djoerang Pringapoes239XVIII.De onschuld ten val252XIX.Toeloeng! Toeloeng, toean!265XX.Aan de rijsttafel280XXI.Op het kantoor van den resident300XXII.Eene vendutie wegens vertrek in Java’s binnenlanden[V]312XXIII.Eene verhinderde landraadzitting1XXIV.Ouders en dochter.—Gezag tegenover plicht15XXV.Eva’s dochteren en de slang31XXVI.Aardig gemanoeuvreerd!45XXVII.Summum jus summa injuria.—Vader en zoon veroordeeld.—Singomengolo vermoord58XXVIII.Correspondentie71XXIX.Van Nerekool op verkenning.—Eene vrijspraak85XXX.Baboe Dalima naar Karang Anjer102XXXI.Vriendengekeuvel.—De opium te Atjeh116XXXII.Eene wetenschappelijke opiumkit133XXXIII.In de regents-pandoppo147XXXIV.Eenelandraadzitting.—Van Beneden’s pleidooi162XXXV.Twee vriendinnen in het Karang Bollongsche179XXXVI.Lim Ho’s huwelijk193XXXVII.Eene walgelijke tegenkanting.—Twee opium-kongsie’s in gevecht211XXXVIII.De ambtenaren en de opium.—De vogelnestpluk te Karang Bollong226XXXIX.Murowsky op het spoor.—Een opiumverpachting te Santjoemeh243XL.Het »virtus nobilitat”.—Anna en Dalima.—Een telegram261XLI.De ketjoe’s te Soeka maniesan.—Eene ontzettende terechtstelling275XLII.Naar en in de Goewah Temon.—Besluit293[1]

INHOUD.Bladz.Voorwoord Eerste drukVVoorwoord Tweede drukVIIVoorwoord Derde drukVIIII.By Moeara Tjatjing4II.In de djaga monjet15III.De Kamadoog-straf.—De familie Van Gulpendam29IV.De draden verwikkelen45V.In de voor- en binnengalerij60VI.Een echtpaar72VII.Een verraderlijk dèsa-genoot88VIII.Een dèsa in verval.—Pak Ardjan’s arrestatie104IX.Kuiperijen.—Een vrienden-drietal118X.Une invitation à la chasse et une invitation à la valse132XI.In den residentstuin146XII.Echtgenoot en gade.—Moeder en dochter161XIII.Op den weg naar het jachtterrein176XIV.Een huiszoeking met hare gevolgen191XV.Onder den Wariengienboom.—In de opiumkit203XVI.Het opium-monopolie.—Een vertrouwelijk uurtje221XVII.In den Djoerang Pringapoes239XVIII.De onschuld ten val252XIX.Toeloeng! Toeloeng, toean!265XX.Aan de rijsttafel280XXI.Op het kantoor van den resident300XXII.Eene vendutie wegens vertrek in Java’s binnenlanden[V]312XXIII.Eene verhinderde landraadzitting1XXIV.Ouders en dochter.—Gezag tegenover plicht15XXV.Eva’s dochteren en de slang31XXVI.Aardig gemanoeuvreerd!45XXVII.Summum jus summa injuria.—Vader en zoon veroordeeld.—Singomengolo vermoord58XXVIII.Correspondentie71XXIX.Van Nerekool op verkenning.—Eene vrijspraak85XXX.Baboe Dalima naar Karang Anjer102XXXI.Vriendengekeuvel.—De opium te Atjeh116XXXII.Eene wetenschappelijke opiumkit133XXXIII.In de regents-pandoppo147XXXIV.Eenelandraadzitting.—Van Beneden’s pleidooi162XXXV.Twee vriendinnen in het Karang Bollongsche179XXXVI.Lim Ho’s huwelijk193XXXVII.Eene walgelijke tegenkanting.—Twee opium-kongsie’s in gevecht211XXXVIII.De ambtenaren en de opium.—De vogelnestpluk te Karang Bollong226XXXIX.Murowsky op het spoor.—Een opiumverpachting te Santjoemeh243XL.Het »virtus nobilitat”.—Anna en Dalima.—Een telegram261XLI.De ketjoe’s te Soeka maniesan.—Eene ontzettende terechtstelling275XLII.Naar en in de Goewah Temon.—Besluit293[1]

[1]


Back to IndexNext