[Inhoud]XXIX.Van Nerekool op verkenning.—Eene vrijspraak.Ja, al die moeite van Van Nerekool was te vergeefs geweest! Toen hij te Karang Anjer aangekomen was, vond hij in mevrouw Steenvlak eene lieve, beschaafde, volbloed Nederlandsche vrouw, die hem, bij afwezigheid van haren echtgenoot, gastvrij, ja gul ontving; maar zich geen woord liet ontvallen, omtrent hetgeen van AnnavanGulpendam geworden was. Hoe de rechterlijke ambtenaar zijne vragen ook inkleedde, de schrandere vrouw wist een directe beantwoording te ontwijken en, bleef zij met hare lieftalligheid der wellevendheid getrouw, dan toch lieten die antwoorden den wanhopigen verliefde in het meest pijnlijke onzekere. Hoe hij ook bad en smeekte, hij vond een gewillig oor, dat hem met het meeste geduld en met de innemendste zachtzinnigheid aanhoorde; maar zijne smeekingen en beden stuitten af op het onverzettelijke van een genomen besluit.„Anna heeft hier bij ons eenige weken gelogeerd,” sprak zij, „en in dien tijd ben ik er in geslaagd, mijnheer Van Nerekool, hare vriendin, hare vertrouwelinge te worden. Het wanhopige meisje heeft mij alles beleden. Alles, hoort ge? Zoowel uw beider liefde voor elkander, als de oorzaken, die een onoverkomelijken slagboom tusschen u beiden daarstellen.”„Mevrouw!” kreet van Nerekool, ontzet bij die woorden.„Ik heb het lieve kind in alles gelijk moeten geven.[86]Neen, van een huwelijk tusschen u beiden kan onmogelijk iets komen, al slaagdet gij er ook in om de toestemming harer ouders te verwerven. Dit zou slechts een vreeselijk bestaan te gemoet treden zijn. Anna heeft gelijk, wanneer zij beweert, dat de vrouw bij een dergelijke vereeniging een reinen, onbevlekten naam ten huwelijk moet medebrengen.…”„Maar, Mevrouw, Anna is rein,” viel haar Van Nerekool hartstochtelijk in de rede.„Ik spreek van haren naam, mijnheer Van Nerekool, niet van haar persoon. Een man moet in staat zijn steeds den naam zijner vrouw te kunnen noemen, en daarover niet behoeven te blozen. Hare ouders moeten zijne achting bezitten, en zijnen eerbied waardig zijn. Bestaat dat niet, dan is het leven een hel voor beide echtgenooten; voor den een, die steeds gedwongen zal zijn het nauwlettendste toezicht op hetgeen hij zegt en niet zegt te houden, dat iedere vertrouwelijkheid zoude verbannen; terwijl het minste ondoordachte woord den ander diep zou wonden, en zelfs bij de meest onschuldige uiting eene zinspeling zoude ontwaard worden. Een compromis in zulke omstandigheden is geheel en al ondenkbaar.”„Maar, Mevrouw Steenvlak, ik stelde Anna voor, om Java te verlaten, om naar Australië, naar Singapore of wie weet waarheen elders te gaan, om ons daar in den echt te laten verbinden. Daar zoude niemand den naam Van Gulpendam kennen, daar zouden wij voor elkander kunnen leven en dan, dan … geloof ik wel, zoude met de liefde, die wij voor elkander gevoelen, een vergeten van het ouderlijke verleden, en derhalve een compromis mogelijk zijn. Van mijne zijde zoude nimmer een woord mijn mond ontvallen, dat op gebeurde zaken zoude zinspelen. Ik zou beseffen, hoezeer ik haar wonden zoude; en … vergeef mij, daartoe heb ik haar te lief en zal ik haar immer te lief hebben.”„Daaraan twijfel ik geen enkel oogenblik, mijnheer Van Nerekool; maar zelfs in het betrachten van die behoedzaamheid, die zij bespeuren zou moeten, zou eene pijniging voor haar, en op den duur een onuitstaanbare dwang voor u gelegen zijn. Overigens weet ik niet, wat gij haar geschreven hebt. Dienaangaande heeft zij mij nimmer eenige mededeeling gedaan.”[87]„Dat heeft zij ook niet kunnen doen, mevrouw; want zij zond mij steeds mijne brieven ongeopend terug.”„Daaraan heeft zij wel gedaan, en daardoor heeft zij zich vernieuwd lijden bespaard … Ieder aanzoek van u, iedere poging van uwe zijde, om de hinderpalen uit den weg te ruimen, kunnen niet anders dan kwetsen.”„Mevrouw!…”„Gij zegt mij, dat gij haar voorgesteld hebt naar Australië, naar Singapore te gaan, om daar in het huwelijk te treden, nietwaar? Hoe zoudt gij die reis volbracht hebben? Afzonderlijk?… Gij hebt er zelfs niet aan gedacht, om haar als jong meisje die reis alleen te laten maken! Te zamen?… Bedenk eens: hoe dat voorstel hare reine en fijngevoelige ziel zoude gekwetst hebben! Neen, ik ben blij, dat zij dien brief niet gelezen heeft.”„Maar, lieve mevrouw, wanneer ik mij nu eens bij den bestaanden toestandneêrlei?”„Wat bedoelt ge?”„Wanneer ik over alle hinderpalen heenstapte, en haar trots hare familie, ten huwelijk begeerde?…”„Ga niet voort, mijnheer Van Nerekool,” sprak mevrouw Steenvlak met hoogen ernst. „Ga niet voort! Trots hare familie,… dat wil zeggen: met alle gevolgen daaraan verbonden; met andere woorden: dat gij gereed zoudt zijn, die familie overal met die achting en eerbied te bejegenen, waarop zij door hare bloedverwantschap met uwe echtgenoote aanspraak zoude hebben … Gij zoudt u zoodoende verachtelijk in Anna’s oogen maken … Aan den eenen kant zoudt gij daardoor het afzien van uwen persoon gemakkelijker maken; maar van de andere zijde zoudt gij de rampzalige den laatsten steun in hare ballingschap ontrukt hebben. Eene vrouw te overtuigen, dat zij een onwaardigen hare liefde geschonken heeft, is wel de wreedste marteling, die men haar kan aandoen. Het ongeschonden beeld van hem, dien zij bemind heeft, wellicht nog bemint, in haar hart, veroorzaakt, in weerwil van den onoverkomelijken slagboom tusschen u beiden, thans reeds de grootste verzachting voor de vlijmende smart; zal later, naast het bewustzijn van stipt volgens plicht gehandeld te hebben, de voornaamste troostgrond in haar eenzaam leven zijn.”KarelvanNerekool had zich bij die uiteenzetting[88]door mevrouw Steenvlak het gelaat met beide handen bedekt. Bij die laatste woorden sprong hij van zijn stoel op, trad op haar toe, en greep haar bij de hand.„Haar eenzaam leven? zegt gij, mevrouw. O! zeg mij, waar Anna zich bevindt? Misschien slaag ik er in, om haar te verteederen.… Zeg mij, waar zij is?”„Doe daartoe geene moeite, mijnheer Van Nerekool. Zij schonk mij haar vertrouwen; dat zal ik niet schenden. Zij heeft mij alle bizonderheden medegedeeld; zij heeft mij geraadpleegd over de door haar te volgen gedragslijn en ik heb haar levensplan ten volle goedgekeurd. En ik zou haar de volbrenging van dat plan moeielijker maken dan zij reeds is? Dat kunt gij van mij niet verlangen.”„Maar dat levensplan, wat is dat, wat behelst het?”„Eenvoudig, om vergeten te leven.”„Wellicht om te hu.…”„Spreek dat woord niet uit, mijnheer Van Nerekool. In uwen mond is dat eene lastering. Gij zijt onbillijk in uw veronderstelling! Zij heeft u afgewezen; zij zal nimmer huwen.”„Maar, wat wil zij dan?”„Eenzaam en vergeten leven, en zoo den dood te gemoet gaan, dien zij hoopt, dat niet lang uitblijven zal.”„Zij is toch niet ongesteld?” vroeg hij verschrikt.„Neen, maar dergelijke schokken zijn toch wel geschikt om de gezondheid van een jong meisje te verwoesten, en haar leven te verkorten.”„Mevrouw, gij beangstigt mij.”„Ik deel u de waarheid mede.”„O, zeg mij, waar zij is?”„Nooit!”„Is zij op Java, is zij in Indië?”„Ik zeg niets.”„Is zij naar Europa?… O, ik smeek u, verlos mij uit die wreede onzekerheid.”„Ik zeg niets; hoort ge: niets, mijnheer van Nerekool!”„Zijt gij dan niet te vermurwen, mevrouw Steenvlak?”„Ik ben getrouw aan het eens gegeven woord. Daarenboven …”„Maar, mevrouw, heb medelijden met mijn toestand.…” viel Van Nerekool in.[89]„Daarenboven”, ging mevrouw Steenvlak voort, „ik heb de overtuiging, dat, door te handelen, zooals ik doe, ik vele rampen voorkom.”„O, onverbiddelijk! Onverbiddelijk!” riep de jonge man wanhopig, terwijl hij de woning uitstoof.Hij bleef nog een paar dagen te Karang Anjer, en nam zijn intrek bij den regent, bij wien hij de gulste gastvrijheid ondervond. Hij poogde dien Inlandschen hoofdambtenaar uit te hooren. Ja, die kende nonna Anna wel. Menigmaal toch had zij met de njonja van den Kandjèng toean bezoeken bij de radhen ajoe1afgelegd. Maar, zij was vertrokken, zonder dat zij bij haar afscheidsbezoek medegedeeld had, werwaarts zij reizen zou. Hij en zijne vrouw hadden gedacht, dat zij naar Santjoemeh teruggekeerd was.De rampzalige verliefde doolde in den omtrek rond, informeerde bij de loerah’s der omliggende dèsa’s, trachtte berichten in te winnen bij den mandoor (opziener) van de paardenposterij2; maar nergens, nergens ontving hij eenige aanduiding, die hem op het spoor kon brengen. Of de menschen wisten niets, òf zij gehoorzaamden aan een gegeven wachtwoord, en wilden niets zeggen. Dat laatste was volgens hem het meest waarschijnlijke, daar hem bij de paardenposterij verzekerd werd, dat men niet wist, dat de „nonna menoempang” (juffrouw logé) vertrokken was.Bij zijne omzwervingen ging hij bij ettelijke gardoe’s3aanzitten en herhaalde alweer zijn vraag of niemand wist, waarheen de „nonna menoempang” vertrokken was, maar kreeg onverbiddelijk ten antwoord: „Botten, ndårå!” (neen, mijnheer).In arrenmoede vertrok hij van Karang Anjer naar Tjilatjap. Hij wilde onderzoeken, wat er van het praatje aan was, dat de resident Van Gulpendam behendig verspreid had, als zoude zijne dochter naar Port Adelaïde[90]gereisd zijn. Gelukkig bezat de regent van Karang Anjer een reiswagen, dien hij den rechterlijken ambtenaar volgaarne leende; anders had deze de twee en vijftig palen, die hem van die havenplaats scheidden, te paard moeten afleggen, hetgeen bij zijne zwaarmoedige gemoedsstemming niet gunstig op zijn gezondheidstoestand zoude gewerkt hebben. De weg van Karang Anjer naar Tjilatjap voert toch door eene vlakte, die met het peil der zee bij vloed weinig verschilt; en, waar hij nog dwars over eenige heuvelenrijen slingert, stellen die laatsten door hare afhelling van noord naar zuid, in weerwil van hare nabijheid van den Indischen Oceaan, aan het geregeld doorkomen van land- en zeewind een hinderpaal daar, en maken de temperatuur nog drukkender.Maar ook in die havenplaats was niets te vernemen. Noch de assistent-resident, noch de havenmeester, noch de agent van de Indische stoomvaartmaatschappij, noch eenig ander cargadoor, wisten van een vertrek van een jong meisje naar Australië of naar elders af. In maanden had geen vreemd stoomschip die havenplaats aangedaan, en de booten van de Indische stoomvaartmaatschappij, welke Australië bezochten, koersten niet langs Java’s Zuidkust, maar langs de Noordkust, om door Straat Bali den Indischen Oceaan binnen te stoomen. Het verhaal dan ook, van die twee dames, onder wier geleide Anna vertrokken zoude zijn, door Van Gulpendam geleverd, kon geheel en al als een verzinsel beschouwd worden.Eindelijk keerde KarelvanNerekool over Bandjar Negara naar Wonosobo terug. Daar verbleef hij slechts nog veertien dagen en vertrok toen, dewijl zijn gezondheidstoestand onder den invloed van dat overheerlijk luchtgestel daar aanmerkelijk verbeterd was, naar Santjoemeh, alwaar hij zoowel door AugustvanBeneden en Leendert Grashuis, als door Theodoor Grenits en EduardvanRheijn ontvangen en verwelkomd werd.„En?.…” was de algemeene vraag, toen de vrienden den lichamelijken welstand van KarelvanNerekool geconstateerd hadden. „En …?”Klaarblijkelijk doelden zij op het doel zijner nasporingen. Het wenschen en verlangen, het trachten en pogen van den gemeenschappelijken vriend was toch geen geheim voor hen gebleven.[91]„Niets!” antwoordde Van Nerekool met een diepen zucht. „Zelfs geen spoor!”„Ik ben ook niet geslaagd,” sprak Grenits.„Gij ook niet?” vroeg Karel.„Ik heb mij tot de geheele handelswereld vanNederlandsch-Indiëgewend,” antwoordde de jeugdige koopman, „maar van alle zijden luidden de berichten, dat geen jong meisje, hetwelk ook maar eenigermate aan de beschrijving, die ik gaf, voldeed, van de respectieve plaatsen vertrokken is.”„Zoodat, volgens uw gevoelen?…” vroeg Karel.„Zoodat, volgens mijn gevoelen juffrouw Van Gulpendam Java niet verlaten heeft.”„Maar, waar zou zij dan toch kunnen zijn?” vroeg Van Rheijn.„Ja, dat weet God!” zuchtte Van Nerekool.„En hare ouders,” meende Leendert Grashuis. „Het zou toch niet aan te nemen zijn, dat een jong, minderjarig meisje ergens heen getrokken is, zonder medeweten van vader en moeder.”„Daarenboven de resident Van Gulpendam is geen papa ommeête gekscheren,” zei Van Rheijn.„Toch vrienden, meen ik, dat noch de resident, noch zijne echtgenoot weten, waar Anna is,” antwoordde Van Nerekool.En daarop verhaalde hij zijn gesprek met mevrouw Steenvlak tot in de kleinste bizonderheden aan zijne getrouwen.„Alleen die vrouw zou inlichting kunnen geven; maar zij wil niet!” zoo eindigde hij de mededeeling.„Dan dient in de omstreken van Karang Anjer gezocht te worden,” meende Van Beneden.„Dat heb ik gedaan; ik heb de geheele streek doorkruist, ik heb een ieder ondervraagd, dien ik maar gissen kon, dat inlichtingen zou kunnen geven. Alles, alles te vergeefs!”„Dan, Karel, dient ge de oplossing van dat raadsel aan den tijd over te laten,” sprak Grashuis.„Aan den tijd!” zuchtte Van Nerekool. „Het moet wel! Maar, vrienden, ik gevoel mij diep ongelukkig.”„Gij zult afleiding in uwe bezigheden vinden,” zei Van Beneden. „De zaken bij den raad van Justitie zijn sedert uw vertrek niet verminderd.”[92]„Dan maar aan den arbeid!” sprak Karel. „God geve, dat hij die uitwerking moge hebben, dien gij voorspelt, August.”„Dat brengt mij in herinnering, dat ik morgen voor dien raad moet verschijnen,” zei Grenits.„Gij?”„Ja, in zake Mokesuep.”„O ja, die paar oorvijgen, die gij dien aterling toegediend hebt.”„Een achttal dagen brommen, vriend Theodoor,” zei Van Beneden. „Nu, dat is zoo erg niet.”AugustvanBeneden had zich niet erg vergist. Grenits werd door den raad van Justitie tot tien dagen gevangenisstraf en eene boete van ƒ 25 veroordeeld, wegens het toebrengen van slagen, die noch ziekte noch ongesteldheid hadden veroorzaakt, maar die toegebracht waren aan iemand, ter zake zijner afgelegde getuigenis in eene opiumsmokkelzaak, waarbij evenwel de verontwaardiging van den beschuldigde in aanmerking genomen was, over de onkiesche handelingen, die bij de visitatie aan den lijve van een meisje door de opiumpolitie gepleegd waren, en waarbij de klager Mokesuep tegenwoordig geweest was, zonder haar in bescherming te nemen.Toen het vonnis, hetwelk door een groot publiek aangehoord werd, uitgesproken was, staken alle handen zich naar Theodoor Grenits uit: terwijl een ieder zich van Mokesuep afwendde en hem ontweek, als ware hij een giftig kruipend gedierte geweest. In de openbare meening was de gevonnisde de geschandvlekte niet.Weinige dagen later nam de landraad van Santjoemeh zitting in zake van baboe Dalima, beschuldigd van opiumsmokkelarij. Ten heftigste ontkende het Javaansche meisje, dat opium bij haar gevonden was, en beweerde zelfs, dat niemand naar sluikwaar bij haar gezocht had.Zij gaf een ongekunsteld verhaal van het gebeurde, dat, zoowel door de getuigenis van mevrouw Van Gulpendam als door die van Mokesuep weersproken werd. Eerstgenoemde toch had eene schriftelijke verklaring afgegeven, waarin zij getuigde, dat de baboe geen permissie had, om den nacht buitenshuis door te brengen; maar wel om den volgenden ochtend naar Kaligaweh te gaan, waarbij zij[93]nog mededeelde, dat zij haar eene voldoende taak van naaiwerk opgelegd had, die afgemaakt moest zijn, alvorens te kunnen vertrekken. Mokesuep stak beide vingeren op en bezwoer, dat het geheele verhaal van het meisje een verzinsel was; dat zij zich wel is waar tegen eene visitatie aan den lijve hevig verzet had, dat zij zelfs den Chinees Lim Ho, die gepoogd had hare handen vast te houden, in het oor gebeten had, en dat bij de worsteling haar baadje gescheurd en haar sarong losgerukt was, en zij daarbij eenige onbeduidende krabben op de dijen en beenen bekomen had; maar dat van eene mishandeling, als waarvan zij Lim Ho beschuldigde, geen sprake kon zijn. Ook hetvisum repertumvan den eerstaanwezenden officier van gezondheid ontkende de misdaad, waarover het meisje zich beklaagde, en constateerde alleen een viertal ontvellingen, die tot eenig bloedverlies aanleiding hadden kunnen geven. Waarlijk, de demoraliseerende invloed van den pachter was wel waarneembaar bij de getuigen, en hoe gewetensvol de nieuwe landraads-voorzitter, die Mr. Zuidhoorn vervangen had, ook was, zoo had hij zich genoodzaakt gezien, van eene vervolging betreffende de misdaad, waarover baboe Dalima klaagde, wegens gebrek aan bewijzen af te zien.Bleef dus de beschuldiging tegen haar, van opium gesmokkeld te hebben, over.Ja, de verklaring van den overleden bandoelan Singomengolo was stellig. Hij had een doosje, met tjandoe gevuld, onder den buikband, die den sarong om haar middel sloot, tusschen de plooien van genoemd kleedingstuk gevonden. Dat doosje was door de zorgen van den controleur Verstork behoorlijk verzegeld geworden; en door de commissie van weging en keuring was bevonden geworden, dat het inhield: achtentwintig mata’s bereide opium, die er ruw en zwart uitzag, (roepanja kasar dan hitam) en een zuren reuk (bahoenja ketjoet)4had, en derhalve beschouwd werd, als niet afkomstig te zijn van[94]den opiumpachter. Toen evenwel het bedoelde doosje, dat in judicio aanwezig was, aan Mokesuep en Lim Ho vertoond werd, aarzelde laatstgenoemde een poos, maar eindigde toch met de verklaring af te leggen, dat hij bij de worsteling niet opgemerkt had, dat Singomengolo het aangeduide doosje had gevonden, daar hij te veel pijn aan zijn oor had, en zich onledig hield met dat gekwetste deel te verbinden; dat hij dat doosje eerst gezien had, toen de bandoelan het aan den controleur Versterk overhandigde.Zoo men ziet, was alle gevoel bij dien vrouwenschender nog niet geweken. Maar, hoe geheel anders was het met Mokesuep, den ellendigen fiscalen ambtenaar gesteld. Toen die voor de balie getreden was, om getuigenis der waarheid te geven, verklaarde hij met een zekeren ophef, dat hij den bandoelan het doosje had zien te voorschijn brengen, en trad daarbij zelfs in zulke bizonderheden bij de plastische beschrijving van de bewegingen van het meisje, dat de aanwezigen er van walgden, en niet onduidelijk een gemompel van afkeuring lieten hooren. De voorzitter zag zich dan ook genoodzaakt hem aan te manen, zich stipt bij de zaak te houden, daar dergelijke uitweidingen overbodig geacht moesten worden.[95]De eisch van den hoofddjaksa, die als openbare aanklager optrad, was dan ook schuldigverklaring van de beklaagde, en veroordeeling tot eene straf van drie maanden ten arbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon, zijnde zij voor de eerste maal ter zake in overtreding bevonden5.Tegenover dat requisitoir wees AugustvanBeneden er evenwel op, dat het in judicio aanwezige doosje volmaakt geleek op dat, hetwelk ook door denzelfden bandoelan bij Setrosmito, den vader van baboe Dalima, zou aangehaald zijn. Hij constateerde, dat bij Singomengolo, na diens vermoording een aantal doosjes gevonden waren, die geheel en al met die twee overeenkwamen. Hij legde eene authentieke verklaring over van den koperslager, van wien de bandoelan de bedoelde doosjes, twaalf in getal, voor eene som van zeven gulden gekocht had, en stond bij dit punt stil, vooral om de listige streken van de opiumjagers in herinnering te brengen, aangewend om de beklaagden aan overtreding schuldig te doen verklaren6. Ten slotte viel hij het proces-verbaal van keuring van de in het doosje aanwezige opium aan, en verwierp dat stuk als zonder bewijskracht in rechten, daar het afgegeven[96]was door Chineezen, daarenboven geen scheikundigen, die slechts op de kleur, op den reuk en op het gevoel van hetproductwaren afgegaan, om tot de slotsom te geraken, dat het niet afkomstig was van den opiumpachter, daarbij aantoonende, dat die pachters in den regel de grootste opiumsmokkelaars zijn, wier ellendig mengelmoes voortdurend verschilt, en gerust de meest eminente scheikundige getart kan worden eene volmaakte gelijkheid van twee verschillende kooksels, afkomstig van denzelfden pachter7aan te toonen.De overwinning, door den jeugdigen pleitbezorger behaald, was volkomen. De landraad van Santjoemeh rechtdoende, verklaarde, dat het aan baboe Dalima ten laste gelegde feit rechtens niet was bewezen, sprak haar mitsdien daarvan vrij, en gelastte hare onverwijlde in vrijheidstelling met verwijzing van den lande in de kosten.Een daverend hoerah begroette die uitspraak, en het publiek werd zoo uitbundig in zijne uitingen, dat de voorzitter tot stilte moest doen aanmanen. Toen Mokesuep de zaal verliet, vielen hem slechts blikken en gebaren van diepe verachting ten deel; terwijl gesis en gefluit hem begroette, toen hij in zijn rijtuig stapte, en wegreed. Blijkbaar was men geheel en al op de hoogte van hetgeen in de hut bij den Djoerang Pringapoes was voorgevallen, en was een ieder bekend met de walgelijke rol, waartoe de fiscale ambtenaar zich geleend had.[97]Toen de zitting afgeloopen was, omringde een talrijk publiek het zoo ongelukkige Javaansche meisje. Helaas, haar toestand was niet meer voor het oog te bemantelen. Ware het onderzoek naar het vaderschap toegelaten in rechten, dan voorzeker zoude de procedure voor Lim Ho een anderen afloop gehad hebben. In weerwil daarvan omringde haar thans een talrijke menigte, die van de innigste deelneming deed blijken. Een ieder had een gelukwensch over den afloop van het proces, een woord van troost, een woord van aanmoediging voor haar. Ook Grenits, Van Nerekool, Van Rheijn, Grashuis en Van Beneden verdrongen zich om het arme schepsel, dat bij zooveel bewijzen van deelneming zich bewogen gevoelde; maar toch tranen stortte bij de gedachte aan hare verwoeste jeugd. Van Nerekool stelde Dalima voor, haar bij een bedaagd echtpaar te brengen, waar zij al hare diensten aan de dame des huizes zou kunnen wijden, en de liefderijkste verpleging zou ondervinden. Zij bedankte den „toean rakker” hartelijk voor zijn aanbod en verklaarde bij hare moeder haren intrek te willen nemen tot na hare bevalling. Als echt natuurkind sprak zij die laatste woorden, zonder schroom en zonder valsche schaamte. Zij nam evenwel de gelegenheid te baat, om eenig bericht omtrent nonna Anna in te winnen. Helaas, KarelvanNerekool kon haar niet anders mededeelen, dan dat hare meesteres naar Karang Anjer vertrokken, en daarna spoorloos verdwenen was.„Karang Anjer, di mana?” (Karang Anjer, waar ligt dat) vroeg zij nadenkend.Van Nerekool gaf haar de noodige aanwijzing, en vervoegde zich daarna bij zijne vrienden, die door Grenits verzocht waren, om een glas op den goeden afloop van het proces te drinken. Wel was het niet vroeg meer, en drukten de schier loodrecht vallende zonnestralen zwaar. De paarden der rijtuigen van onze bekenden waren evenwel vurig, en in weinig tijds was de woning van den jeugdigen koopman bereikt.Binnenstormende, riep deze zijn bediende met alle haast:„Sidin! Sidin! lakas! kassi anggoer poeff!” (Sidin! gauw! geef Champagne!)En weldra zat het vijftal met een kelk schuimende[98]VeuveCliquot in de hand, en bracht AugustvanBeneden zijn welgemeende gelukwenschen toe.Toen de opgewondenheid over het behaalde succes eenigszins bedaard was, en de loop van het geding overzien werd, kon een gevoel van teleurstelling niet bedwongen worden.„Is het niet om aan de toekomst van ons schoon Indië te moeten wanhopen, dat wij in zoo’n zaak ons nog met dien afloop moeten gelukwenschen!” sprak Grashuis. „Iedereen, zelfs de leden van den landraad zijn overtuigd, dat de arme Dalima het slachtoffer geweest is van de snoodste misdaad, en niet alleen is de misdadiger ongestraft gebleven, maar de beste krachten moesten ingespannen worden, om de onschuldige voor een strafvonnis te beveiligen. Zou zoo iets in Nederland mogelijk zijn? Wat is er toch rots in den toestand hier?”„Wat er rots is in den maatschappelijken toestand hier?” vroeg Grenits. „Dat is de opiumpacht, die alles overheerscht, alles demoraliseert! Gij hebt de akte van beschuldiging van den hoofddjaksa gehoord. Hoe zat dat stuk slim in elkander, en hoe sloeg het merkwaardig juist met het bevelschrift van den resident tot terechtstelling van de arme Dalima! Hoe behendig waren alle getuigen, die ten voordeele van haar konden verklaren, geëcarteerd: Verstork naar Atjeh, juffrouw Van Gulpendam niet te vinden; terwijl Mokesuep tegenwoordig was.”„Die ellendeling!” bromde van Rheijn.„Zonder onzen August”, ging Theodoor Grenits voort, „zoude, evenals zooveel andere beklaagden voor opium-overtredingen, het mishandelde meisje veroordeeld zijn. Gij vraagt, Leendert, of zoo iets in Nederland mogelijk zou zijn. Ik matig mij geen oordeel aan, over hetgeen daar mogelijk of onmogelijk is; maar vergeet niet, dat de opium-politiek van daar uitgaat; dat telken jare het opium-middel ettelijke millioenen hooger geraamd wordt, waardoor de opium-hartstocht al hooger en hooger opgezweept wordt, en waardoor regeering en ambtenaren hier genoodzaakt zijn de opium-pachters bij hun ellendig bedrijf en zijnen noodlottigen nasleep te schragen. Is het niet om zich van schaamte te verbergen, tot eene natie te behooren, die ter wille van ellendige geldzucht, ter wille van meedoogenloos schrapen, zulke toestanden niet alleen[99]gedoogt, maar in het leven roept, en met de meest angstvallige zorgvuldigheid kweekt?”Allen zuchtten. In die woorden lag niets dan waarheid.„Is het de natie wel, die de schuld aangewreven moet worden? Is het de regeering niet, die dat alles verordent?” vroeg Van Rheijn.„Eene natie heeft slechts de regeering, die zij verdient!”8antwoordde Grenits heftig. „Ja, de regeering handelt en verordent; maar de natie ziet toe, en.… heeft nog eene loftuiting voor den minister over, wanneer deze op de meest cynische wijze verklaart, dat hij er uithaalt, wat er uit te halen is. Het is of de Nederlandsche natie eene natie geworden is die, òf hare viriliteit verloren heeft, òf het idiotisme zeer nabij is! Voor de koloniën geen oog, geen hart; slechts …éénegedachte: de minister balanceert zijne begrooting alleraardigst! En deze van zijn succes zeker, veroorlooft zich in de Vertegenwoordigingbons mots, die een gewoon mensch in een bierknijp niet zoude durven gebruiken; maar vindt daarvoor nog dankbaren in en buiten de wetgevende collegiën, welke die geestigheden uiterst leuk vinden.”9Gelukkig kwam Sidin binnen en deed door zijn verschijnen, wat de anderen niet te doen vermochten, namelijk: de verontwaardiging van den jongen koopman te stuiten. De Javaan had twee groote brieven in de hand, en reikte die aan zijn meester over.„Drommels, twee officiëele stukken!” zei Van Rheijn.„Een weddingschap, dat daar het bevelschrift is, om je naar Z. M. boeien te begeven!”Grenits antwoordde niet, maar brak een der missives open.„Eene gewone huwelijks-aankondiging!”zei hij.… „Maar, van wien?”En het papier inziende:„Drommels, dat’s aardig”, zei hij. „Vrienden luistert:„Mijnheer en mevrouw Lim Yang Bing en mijnheer[100]en mevrouw Ngow Ming Than hebben de eer kennis te geven van het voorgenomen huwelijk van den heer Lim Ho, den zoon van eerstgenoemden, met mejuffrouw Ngow Ming Nio, dochter van laatstgenoemden. De plechtigheid en de daaropvolgende receptie zal plaats hebben op den 3denSeptember a. s. ten huize van den heer Lim Yang Bing te Santjoemeh in Gang Pinggir.”„Warm van de plank,” zei Grenits met een bitteren glimlach. „Het proces van Dalima is ternauwernood uitgewezen.”„De plechtigheid van zoo’n Chineesch huwelijk moet toch curieus zijn,” viel van Rheijn in. „Wij gaan er toch heen, nietwaar?”„Mij wel, dat gij gaat,” sprak Van Nerekool, „als gij mij maar te huis laat. Het zou mij onmogelijk zijn dien ellendigen Lim Ho eene hand te reiken, en hem de gebruikelijke gelukwenschen aan tebieden.”„Kom,” zei Grashuis, „bij de groote menigte, die tegenwoordig zal zijn, zal wel gelegenheid wezen om die plichtpleging ongemerkt achterwege te laten. Wie zal zoo iets opmerken?”„Alweêr:des accommodements avec le ciel”, antwoordde Grenits lachende. „Maar laat mij inzien, wat de tweede brief behelst.… Waarachtig, Eduard zou zijne weddingschap gewonnen hebben! Ik moet mij overmorgen ochtend ten negen uur aanmelden bij den cipier, om de mij opgelegde gevangenisstraf gedurende tien achtereenvolgende dagen te ondergaan.”Allen zaten een oogenblik stil daar neer. Hoezeer het gedrag van Grenits te verdedigen, ja de uiting van een ridderlijk gemoed te noemen was geweest, zoo wierp het denkbeeld, tot gevangenisstraf verwezen te zijn, een kil waas over die jonge mannen, die overigens enkel levenslust ademden. De veroordeelde zelf was de eerste om de sombere gedachten van zich te werpen.„Gij zult mij voor verveling behoeden, nietwaar vrienden?”„Ik heb een prachtigen roman van Ebers, Serapis, nieuw uitgekomen, dien zal ik je zenden.”10[101]„Ik zal mijn pianino naar de „cipieran” (gevangenis) laten brengen, dan kun je naar hartelust tokkelen.”„En wij zullen je zoo dikwijls gezelschap komen houden, als zulks mogelijk zal zijn.”„Juist vrienden, dat zal nog het beste zijn.”„En dan breng ik mijne viool mede.”„En ik mijn fluit.”„En dan laten wij de geheele cipieranune sarabande de condamnésuitvoeren,”gilde Grenits bij voorbaat van de pret.„Wij zouden behalve die sarabande nog wat beters kunnen uitvoeren,” viel Van Beneden in.„Wat dan?” vroegen allen.„Herinnert gij u nog, dat ik, toen wij onder den Wariengienboom op de aloon-aloon van Kaligaweh gezeten waren, het plan opperde, om eene proef te nemen met het opiumschuiven, ten einde de uitwerking daarvan te ondervinden? Welnu, wij zouden het plan ten uitvoer kunnen brengen, b. v. aanstaanden Zondag.”„Aangenomen, aangenomen!” was aller kreet.„Maar wie zal voor de madat en voor de bedoedan zorgen?” vroeg Grashuis.„Dat heb ik op mij genomen,” antwoordde Van Rheijn. „Weest zonder zorgen. Dat alles zal gereed zijn.”„Dat is dus afgesproken, nietwaar heeren?”Toen allen hunne instemming met een handdruk bezegeld hadden, ging de vergadering uit elkander.[102]1Zie daaromtrent de aanteekeningNo. 2op bladz. 140 van het 1e deel.↑2In Java’s binnenlanden zijn langs de groote wegen op bepaalde afstanden Rijks postpaarden gestationneerd, die, wanneer de dienst zulks toelaat, ook voor particulieren tegen betaling verkrijgbaar zijn.↑3Een gardoe is een wachthuis. Op Java bestaan overal langs de wegen dergelijke wachthuizen, die door dèsa-volk betrokken worden.↑4Roepanja kasar danhitamenbahoenja ketjoet.De in den tekst bedoelde commissie van keuring en weging bij opiumsmokkel bestaat gewoonlijk uit Chineezen, die van scheikunde in de verste verte geen denkbeeld hebben, en dan ook slechts op gevoel, kleur en reuk afgaan, om te constateeren of de aangehaalde opium al dan niet afkomstig is van de Gouvernementskitten. Wanneer de lezer nu zal weten, dat de[94]opiumpachters in den regel de grootste opiumsmokkelaars en opiumvervalschers zijn, dat de kithouders op hunne beurt een gild vormen van nog erger allooi dan hunne bazen, dan kan hij zich een denkbeeld maken, welke soort van rechtsbedeeling den Javanen gewordt. Dat de lezer nu niet meene, dat ik hier fantaiseer of overdrijf. De hierboven gebezigde Maleische uitdrukking is getrokken uit een behoorlijk beëedigdproces-verbaalvan zoogenaamde deskundigen. Hij, die daaromtrent meer wil weten, zie hetInd. Weekblad van het RechtNo. 863 van 1879, waarin een vonnis van den landraad te Djoana, praesident Mr.J. H. Abedanon, dat te recht eene dergelijke keuring brandmerkte. Maar tegenover ééne zoodanige behandeling van zaken, hoevele veroordeelingen geschieden niet ter wille van de opiumpacht? De inzage van No. 879 jaargang 1880 van hetzelfde Weekblad is ook aanbevelenswaardig. Daarin komt een vonnis voor van den landraad te Koedoes, en stelt de redactie daaronder: „Bovenstaand vonnis is wel in staat om menigen politierechter te doen terugdenken aan de tallooze veroordeelingen in dergelijke zaken, die hij op grond van een onderzoek door deskundige Chineezen op de politierol heeft uitgesproken.”’k Voeg aan het woord der redactie v. h.Weekbl. v. h. Rechtdezen uitroep toe: En aan de veroordeelingen totDWANGARBEID, gelijkstaande aan onzeTUCHTHUISSTRAF! Nederlanders! hoort gij het!?↑5Een straf van drie maanden ten arbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon, zijnde zij voor de eerste maal ter zake in overtreding bevonden. Die straf is geheel en al overeenkomstig de 6dealinea van art. 23 van het reglement voor de opiumpacht op Java en Madoera, (Ordonn. 25 Sept. 1874 Stbl. No. 228) zooals zij gewijzigd werd bij Ordonn. dd. 27 Aug. 1879 Stbl. No. 262.)↑6De listige streken van de opiumjagers, om de beklaagden aan overtreding schuldig te doen verklaren (bladz.115). Die omtrent zulke streken gesticht wil zijn, sla hetIndisch Weekblad van het Rechtop, bij voorbeeld van 1878, 1879, 1882, Nos. 804, 843 en 966 en leze daar ter plaatse de betrekkelijke vonnissen van de landraden te Japara, Koedoes en Bodjonegoro. Hij leze ook de Indische dagbladen, b. v.de Locomotiefvan 18 Jan. en 21 Febr. 1883,het Ind. Vaderlandvan 27 Jan., 7 en 17 Febr. en 24 Aug. 1883. En wanneer zulke vonnissen en dergelijke feiten te constateeren zijn, dan moet de bekentenis afgelegd worden, dat de Inlander ter wille van den opiumpachtschat met gebonden handen en voeten aan eene vreeselijke bende is overgeleverd. Want, dat men zich nogmaals afvrage: tegenover ééne vrijspraak, hoeveel veroordeelingen door de politierechters? Tegenoveréénontmaskerd feit in de dagbladen, hoevele ergerlijke gebeurtenissen door de opiumbent in het donker gepleegd?↑7Opium ondergaat tot zuivering eene koking met water. Gewoonlijk gaat die koking gepaard met eene vervalsching, die ten doel heeft een veel grooter product aan tjandoe te verkrijgen dan bij het opium-reglement bedoeld wordt. Dat nu dergelijke bewerkingen door niet scheikundigen uitgevoerd, niet steeds identiek hetzelfdeproductopleveren, ligt voor de hand en zal voornamelijk begrepenwordendoor apothekers, bierbrouwers, zeepzieders, enz., menschen, die, met de meest mogelijke kundigheden toegerust, niet altijd verhoeden kunnen, dat hunne praeparaten verschillen met vroegere door hen vervaardigde. Bovendien hetInd. Weekbl. v. h. RechtNo. 955 van 1881 levert het bewijs, dat zelfs reuk, smaak en gevoel voor de Chineesche deskundigen volstrekt niet voldoende zijn om sluikopium van wettelijke te onderscheiden. De landraad van Blitar, praeside Mr. M. Levie, behandelde toch eene zaak, waarbij opium, onder de noodige waarborgen bij den opiumpachter gekocht, door de Chineesche Commissie van keuring verklaard werd voor clandestiene opium, omdat de opium van de pachters was geuriger, donkerder van kleur en dikker van stof.↑8Die uitspraak, wierphet Vaderlandin zijn nummer van den 3den December 1887 den Franschen naar het hoofd. Steeds de oude geschiedenis van den balk en den splinter!↑9De lezer vergete niet, dat de roman vóór 1886 speelt, dus den heer Keuchenius niet geldt.↑10Hadde de handeling van mijn roman in 1886 plaats gegrepen, dan had ik niet de aanbieding van de roman vanEberslaten doen[101]maar van de oeconomisch critische en historische verhandeling van „de Opium in Nederlandsch en in Britsch-Indië” doorJ. A. B. Wiselius. In zijn voorwoord zegt die Ned. Indische Ambtenaar:„Zonder als apologeet voor opiumgebruik op te treden, moeten wij met den tijdgeest, die uitbreiding van dit consumptie-artikel in al de vijf werelddeelen voorstaat, vrede sluiten.”Hoe gerustgesteld moet zich het geweten van menig regeeringsman door die verklaring gevoelen! Ik vind het dan ook een snoode ondankbaarheid, dat den Hr. W. hetVIRTUS NOBILITATnog niet uitgereikt is.↑
[Inhoud]XXIX.Van Nerekool op verkenning.—Eene vrijspraak.Ja, al die moeite van Van Nerekool was te vergeefs geweest! Toen hij te Karang Anjer aangekomen was, vond hij in mevrouw Steenvlak eene lieve, beschaafde, volbloed Nederlandsche vrouw, die hem, bij afwezigheid van haren echtgenoot, gastvrij, ja gul ontving; maar zich geen woord liet ontvallen, omtrent hetgeen van AnnavanGulpendam geworden was. Hoe de rechterlijke ambtenaar zijne vragen ook inkleedde, de schrandere vrouw wist een directe beantwoording te ontwijken en, bleef zij met hare lieftalligheid der wellevendheid getrouw, dan toch lieten die antwoorden den wanhopigen verliefde in het meest pijnlijke onzekere. Hoe hij ook bad en smeekte, hij vond een gewillig oor, dat hem met het meeste geduld en met de innemendste zachtzinnigheid aanhoorde; maar zijne smeekingen en beden stuitten af op het onverzettelijke van een genomen besluit.„Anna heeft hier bij ons eenige weken gelogeerd,” sprak zij, „en in dien tijd ben ik er in geslaagd, mijnheer Van Nerekool, hare vriendin, hare vertrouwelinge te worden. Het wanhopige meisje heeft mij alles beleden. Alles, hoort ge? Zoowel uw beider liefde voor elkander, als de oorzaken, die een onoverkomelijken slagboom tusschen u beiden daarstellen.”„Mevrouw!” kreet van Nerekool, ontzet bij die woorden.„Ik heb het lieve kind in alles gelijk moeten geven.[86]Neen, van een huwelijk tusschen u beiden kan onmogelijk iets komen, al slaagdet gij er ook in om de toestemming harer ouders te verwerven. Dit zou slechts een vreeselijk bestaan te gemoet treden zijn. Anna heeft gelijk, wanneer zij beweert, dat de vrouw bij een dergelijke vereeniging een reinen, onbevlekten naam ten huwelijk moet medebrengen.…”„Maar, Mevrouw, Anna is rein,” viel haar Van Nerekool hartstochtelijk in de rede.„Ik spreek van haren naam, mijnheer Van Nerekool, niet van haar persoon. Een man moet in staat zijn steeds den naam zijner vrouw te kunnen noemen, en daarover niet behoeven te blozen. Hare ouders moeten zijne achting bezitten, en zijnen eerbied waardig zijn. Bestaat dat niet, dan is het leven een hel voor beide echtgenooten; voor den een, die steeds gedwongen zal zijn het nauwlettendste toezicht op hetgeen hij zegt en niet zegt te houden, dat iedere vertrouwelijkheid zoude verbannen; terwijl het minste ondoordachte woord den ander diep zou wonden, en zelfs bij de meest onschuldige uiting eene zinspeling zoude ontwaard worden. Een compromis in zulke omstandigheden is geheel en al ondenkbaar.”„Maar, Mevrouw Steenvlak, ik stelde Anna voor, om Java te verlaten, om naar Australië, naar Singapore of wie weet waarheen elders te gaan, om ons daar in den echt te laten verbinden. Daar zoude niemand den naam Van Gulpendam kennen, daar zouden wij voor elkander kunnen leven en dan, dan … geloof ik wel, zoude met de liefde, die wij voor elkander gevoelen, een vergeten van het ouderlijke verleden, en derhalve een compromis mogelijk zijn. Van mijne zijde zoude nimmer een woord mijn mond ontvallen, dat op gebeurde zaken zoude zinspelen. Ik zou beseffen, hoezeer ik haar wonden zoude; en … vergeef mij, daartoe heb ik haar te lief en zal ik haar immer te lief hebben.”„Daaraan twijfel ik geen enkel oogenblik, mijnheer Van Nerekool; maar zelfs in het betrachten van die behoedzaamheid, die zij bespeuren zou moeten, zou eene pijniging voor haar, en op den duur een onuitstaanbare dwang voor u gelegen zijn. Overigens weet ik niet, wat gij haar geschreven hebt. Dienaangaande heeft zij mij nimmer eenige mededeeling gedaan.”[87]„Dat heeft zij ook niet kunnen doen, mevrouw; want zij zond mij steeds mijne brieven ongeopend terug.”„Daaraan heeft zij wel gedaan, en daardoor heeft zij zich vernieuwd lijden bespaard … Ieder aanzoek van u, iedere poging van uwe zijde, om de hinderpalen uit den weg te ruimen, kunnen niet anders dan kwetsen.”„Mevrouw!…”„Gij zegt mij, dat gij haar voorgesteld hebt naar Australië, naar Singapore te gaan, om daar in het huwelijk te treden, nietwaar? Hoe zoudt gij die reis volbracht hebben? Afzonderlijk?… Gij hebt er zelfs niet aan gedacht, om haar als jong meisje die reis alleen te laten maken! Te zamen?… Bedenk eens: hoe dat voorstel hare reine en fijngevoelige ziel zoude gekwetst hebben! Neen, ik ben blij, dat zij dien brief niet gelezen heeft.”„Maar, lieve mevrouw, wanneer ik mij nu eens bij den bestaanden toestandneêrlei?”„Wat bedoelt ge?”„Wanneer ik over alle hinderpalen heenstapte, en haar trots hare familie, ten huwelijk begeerde?…”„Ga niet voort, mijnheer Van Nerekool,” sprak mevrouw Steenvlak met hoogen ernst. „Ga niet voort! Trots hare familie,… dat wil zeggen: met alle gevolgen daaraan verbonden; met andere woorden: dat gij gereed zoudt zijn, die familie overal met die achting en eerbied te bejegenen, waarop zij door hare bloedverwantschap met uwe echtgenoote aanspraak zoude hebben … Gij zoudt u zoodoende verachtelijk in Anna’s oogen maken … Aan den eenen kant zoudt gij daardoor het afzien van uwen persoon gemakkelijker maken; maar van de andere zijde zoudt gij de rampzalige den laatsten steun in hare ballingschap ontrukt hebben. Eene vrouw te overtuigen, dat zij een onwaardigen hare liefde geschonken heeft, is wel de wreedste marteling, die men haar kan aandoen. Het ongeschonden beeld van hem, dien zij bemind heeft, wellicht nog bemint, in haar hart, veroorzaakt, in weerwil van den onoverkomelijken slagboom tusschen u beiden, thans reeds de grootste verzachting voor de vlijmende smart; zal later, naast het bewustzijn van stipt volgens plicht gehandeld te hebben, de voornaamste troostgrond in haar eenzaam leven zijn.”KarelvanNerekool had zich bij die uiteenzetting[88]door mevrouw Steenvlak het gelaat met beide handen bedekt. Bij die laatste woorden sprong hij van zijn stoel op, trad op haar toe, en greep haar bij de hand.„Haar eenzaam leven? zegt gij, mevrouw. O! zeg mij, waar Anna zich bevindt? Misschien slaag ik er in, om haar te verteederen.… Zeg mij, waar zij is?”„Doe daartoe geene moeite, mijnheer Van Nerekool. Zij schonk mij haar vertrouwen; dat zal ik niet schenden. Zij heeft mij alle bizonderheden medegedeeld; zij heeft mij geraadpleegd over de door haar te volgen gedragslijn en ik heb haar levensplan ten volle goedgekeurd. En ik zou haar de volbrenging van dat plan moeielijker maken dan zij reeds is? Dat kunt gij van mij niet verlangen.”„Maar dat levensplan, wat is dat, wat behelst het?”„Eenvoudig, om vergeten te leven.”„Wellicht om te hu.…”„Spreek dat woord niet uit, mijnheer Van Nerekool. In uwen mond is dat eene lastering. Gij zijt onbillijk in uw veronderstelling! Zij heeft u afgewezen; zij zal nimmer huwen.”„Maar, wat wil zij dan?”„Eenzaam en vergeten leven, en zoo den dood te gemoet gaan, dien zij hoopt, dat niet lang uitblijven zal.”„Zij is toch niet ongesteld?” vroeg hij verschrikt.„Neen, maar dergelijke schokken zijn toch wel geschikt om de gezondheid van een jong meisje te verwoesten, en haar leven te verkorten.”„Mevrouw, gij beangstigt mij.”„Ik deel u de waarheid mede.”„O, zeg mij, waar zij is?”„Nooit!”„Is zij op Java, is zij in Indië?”„Ik zeg niets.”„Is zij naar Europa?… O, ik smeek u, verlos mij uit die wreede onzekerheid.”„Ik zeg niets; hoort ge: niets, mijnheer van Nerekool!”„Zijt gij dan niet te vermurwen, mevrouw Steenvlak?”„Ik ben getrouw aan het eens gegeven woord. Daarenboven …”„Maar, mevrouw, heb medelijden met mijn toestand.…” viel Van Nerekool in.[89]„Daarenboven”, ging mevrouw Steenvlak voort, „ik heb de overtuiging, dat, door te handelen, zooals ik doe, ik vele rampen voorkom.”„O, onverbiddelijk! Onverbiddelijk!” riep de jonge man wanhopig, terwijl hij de woning uitstoof.Hij bleef nog een paar dagen te Karang Anjer, en nam zijn intrek bij den regent, bij wien hij de gulste gastvrijheid ondervond. Hij poogde dien Inlandschen hoofdambtenaar uit te hooren. Ja, die kende nonna Anna wel. Menigmaal toch had zij met de njonja van den Kandjèng toean bezoeken bij de radhen ajoe1afgelegd. Maar, zij was vertrokken, zonder dat zij bij haar afscheidsbezoek medegedeeld had, werwaarts zij reizen zou. Hij en zijne vrouw hadden gedacht, dat zij naar Santjoemeh teruggekeerd was.De rampzalige verliefde doolde in den omtrek rond, informeerde bij de loerah’s der omliggende dèsa’s, trachtte berichten in te winnen bij den mandoor (opziener) van de paardenposterij2; maar nergens, nergens ontving hij eenige aanduiding, die hem op het spoor kon brengen. Of de menschen wisten niets, òf zij gehoorzaamden aan een gegeven wachtwoord, en wilden niets zeggen. Dat laatste was volgens hem het meest waarschijnlijke, daar hem bij de paardenposterij verzekerd werd, dat men niet wist, dat de „nonna menoempang” (juffrouw logé) vertrokken was.Bij zijne omzwervingen ging hij bij ettelijke gardoe’s3aanzitten en herhaalde alweer zijn vraag of niemand wist, waarheen de „nonna menoempang” vertrokken was, maar kreeg onverbiddelijk ten antwoord: „Botten, ndårå!” (neen, mijnheer).In arrenmoede vertrok hij van Karang Anjer naar Tjilatjap. Hij wilde onderzoeken, wat er van het praatje aan was, dat de resident Van Gulpendam behendig verspreid had, als zoude zijne dochter naar Port Adelaïde[90]gereisd zijn. Gelukkig bezat de regent van Karang Anjer een reiswagen, dien hij den rechterlijken ambtenaar volgaarne leende; anders had deze de twee en vijftig palen, die hem van die havenplaats scheidden, te paard moeten afleggen, hetgeen bij zijne zwaarmoedige gemoedsstemming niet gunstig op zijn gezondheidstoestand zoude gewerkt hebben. De weg van Karang Anjer naar Tjilatjap voert toch door eene vlakte, die met het peil der zee bij vloed weinig verschilt; en, waar hij nog dwars over eenige heuvelenrijen slingert, stellen die laatsten door hare afhelling van noord naar zuid, in weerwil van hare nabijheid van den Indischen Oceaan, aan het geregeld doorkomen van land- en zeewind een hinderpaal daar, en maken de temperatuur nog drukkender.Maar ook in die havenplaats was niets te vernemen. Noch de assistent-resident, noch de havenmeester, noch de agent van de Indische stoomvaartmaatschappij, noch eenig ander cargadoor, wisten van een vertrek van een jong meisje naar Australië of naar elders af. In maanden had geen vreemd stoomschip die havenplaats aangedaan, en de booten van de Indische stoomvaartmaatschappij, welke Australië bezochten, koersten niet langs Java’s Zuidkust, maar langs de Noordkust, om door Straat Bali den Indischen Oceaan binnen te stoomen. Het verhaal dan ook, van die twee dames, onder wier geleide Anna vertrokken zoude zijn, door Van Gulpendam geleverd, kon geheel en al als een verzinsel beschouwd worden.Eindelijk keerde KarelvanNerekool over Bandjar Negara naar Wonosobo terug. Daar verbleef hij slechts nog veertien dagen en vertrok toen, dewijl zijn gezondheidstoestand onder den invloed van dat overheerlijk luchtgestel daar aanmerkelijk verbeterd was, naar Santjoemeh, alwaar hij zoowel door AugustvanBeneden en Leendert Grashuis, als door Theodoor Grenits en EduardvanRheijn ontvangen en verwelkomd werd.„En?.…” was de algemeene vraag, toen de vrienden den lichamelijken welstand van KarelvanNerekool geconstateerd hadden. „En …?”Klaarblijkelijk doelden zij op het doel zijner nasporingen. Het wenschen en verlangen, het trachten en pogen van den gemeenschappelijken vriend was toch geen geheim voor hen gebleven.[91]„Niets!” antwoordde Van Nerekool met een diepen zucht. „Zelfs geen spoor!”„Ik ben ook niet geslaagd,” sprak Grenits.„Gij ook niet?” vroeg Karel.„Ik heb mij tot de geheele handelswereld vanNederlandsch-Indiëgewend,” antwoordde de jeugdige koopman, „maar van alle zijden luidden de berichten, dat geen jong meisje, hetwelk ook maar eenigermate aan de beschrijving, die ik gaf, voldeed, van de respectieve plaatsen vertrokken is.”„Zoodat, volgens uw gevoelen?…” vroeg Karel.„Zoodat, volgens mijn gevoelen juffrouw Van Gulpendam Java niet verlaten heeft.”„Maar, waar zou zij dan toch kunnen zijn?” vroeg Van Rheijn.„Ja, dat weet God!” zuchtte Van Nerekool.„En hare ouders,” meende Leendert Grashuis. „Het zou toch niet aan te nemen zijn, dat een jong, minderjarig meisje ergens heen getrokken is, zonder medeweten van vader en moeder.”„Daarenboven de resident Van Gulpendam is geen papa ommeête gekscheren,” zei Van Rheijn.„Toch vrienden, meen ik, dat noch de resident, noch zijne echtgenoot weten, waar Anna is,” antwoordde Van Nerekool.En daarop verhaalde hij zijn gesprek met mevrouw Steenvlak tot in de kleinste bizonderheden aan zijne getrouwen.„Alleen die vrouw zou inlichting kunnen geven; maar zij wil niet!” zoo eindigde hij de mededeeling.„Dan dient in de omstreken van Karang Anjer gezocht te worden,” meende Van Beneden.„Dat heb ik gedaan; ik heb de geheele streek doorkruist, ik heb een ieder ondervraagd, dien ik maar gissen kon, dat inlichtingen zou kunnen geven. Alles, alles te vergeefs!”„Dan, Karel, dient ge de oplossing van dat raadsel aan den tijd over te laten,” sprak Grashuis.„Aan den tijd!” zuchtte Van Nerekool. „Het moet wel! Maar, vrienden, ik gevoel mij diep ongelukkig.”„Gij zult afleiding in uwe bezigheden vinden,” zei Van Beneden. „De zaken bij den raad van Justitie zijn sedert uw vertrek niet verminderd.”[92]„Dan maar aan den arbeid!” sprak Karel. „God geve, dat hij die uitwerking moge hebben, dien gij voorspelt, August.”„Dat brengt mij in herinnering, dat ik morgen voor dien raad moet verschijnen,” zei Grenits.„Gij?”„Ja, in zake Mokesuep.”„O ja, die paar oorvijgen, die gij dien aterling toegediend hebt.”„Een achttal dagen brommen, vriend Theodoor,” zei Van Beneden. „Nu, dat is zoo erg niet.”AugustvanBeneden had zich niet erg vergist. Grenits werd door den raad van Justitie tot tien dagen gevangenisstraf en eene boete van ƒ 25 veroordeeld, wegens het toebrengen van slagen, die noch ziekte noch ongesteldheid hadden veroorzaakt, maar die toegebracht waren aan iemand, ter zake zijner afgelegde getuigenis in eene opiumsmokkelzaak, waarbij evenwel de verontwaardiging van den beschuldigde in aanmerking genomen was, over de onkiesche handelingen, die bij de visitatie aan den lijve van een meisje door de opiumpolitie gepleegd waren, en waarbij de klager Mokesuep tegenwoordig geweest was, zonder haar in bescherming te nemen.Toen het vonnis, hetwelk door een groot publiek aangehoord werd, uitgesproken was, staken alle handen zich naar Theodoor Grenits uit: terwijl een ieder zich van Mokesuep afwendde en hem ontweek, als ware hij een giftig kruipend gedierte geweest. In de openbare meening was de gevonnisde de geschandvlekte niet.Weinige dagen later nam de landraad van Santjoemeh zitting in zake van baboe Dalima, beschuldigd van opiumsmokkelarij. Ten heftigste ontkende het Javaansche meisje, dat opium bij haar gevonden was, en beweerde zelfs, dat niemand naar sluikwaar bij haar gezocht had.Zij gaf een ongekunsteld verhaal van het gebeurde, dat, zoowel door de getuigenis van mevrouw Van Gulpendam als door die van Mokesuep weersproken werd. Eerstgenoemde toch had eene schriftelijke verklaring afgegeven, waarin zij getuigde, dat de baboe geen permissie had, om den nacht buitenshuis door te brengen; maar wel om den volgenden ochtend naar Kaligaweh te gaan, waarbij zij[93]nog mededeelde, dat zij haar eene voldoende taak van naaiwerk opgelegd had, die afgemaakt moest zijn, alvorens te kunnen vertrekken. Mokesuep stak beide vingeren op en bezwoer, dat het geheele verhaal van het meisje een verzinsel was; dat zij zich wel is waar tegen eene visitatie aan den lijve hevig verzet had, dat zij zelfs den Chinees Lim Ho, die gepoogd had hare handen vast te houden, in het oor gebeten had, en dat bij de worsteling haar baadje gescheurd en haar sarong losgerukt was, en zij daarbij eenige onbeduidende krabben op de dijen en beenen bekomen had; maar dat van eene mishandeling, als waarvan zij Lim Ho beschuldigde, geen sprake kon zijn. Ook hetvisum repertumvan den eerstaanwezenden officier van gezondheid ontkende de misdaad, waarover het meisje zich beklaagde, en constateerde alleen een viertal ontvellingen, die tot eenig bloedverlies aanleiding hadden kunnen geven. Waarlijk, de demoraliseerende invloed van den pachter was wel waarneembaar bij de getuigen, en hoe gewetensvol de nieuwe landraads-voorzitter, die Mr. Zuidhoorn vervangen had, ook was, zoo had hij zich genoodzaakt gezien, van eene vervolging betreffende de misdaad, waarover baboe Dalima klaagde, wegens gebrek aan bewijzen af te zien.Bleef dus de beschuldiging tegen haar, van opium gesmokkeld te hebben, over.Ja, de verklaring van den overleden bandoelan Singomengolo was stellig. Hij had een doosje, met tjandoe gevuld, onder den buikband, die den sarong om haar middel sloot, tusschen de plooien van genoemd kleedingstuk gevonden. Dat doosje was door de zorgen van den controleur Verstork behoorlijk verzegeld geworden; en door de commissie van weging en keuring was bevonden geworden, dat het inhield: achtentwintig mata’s bereide opium, die er ruw en zwart uitzag, (roepanja kasar dan hitam) en een zuren reuk (bahoenja ketjoet)4had, en derhalve beschouwd werd, als niet afkomstig te zijn van[94]den opiumpachter. Toen evenwel het bedoelde doosje, dat in judicio aanwezig was, aan Mokesuep en Lim Ho vertoond werd, aarzelde laatstgenoemde een poos, maar eindigde toch met de verklaring af te leggen, dat hij bij de worsteling niet opgemerkt had, dat Singomengolo het aangeduide doosje had gevonden, daar hij te veel pijn aan zijn oor had, en zich onledig hield met dat gekwetste deel te verbinden; dat hij dat doosje eerst gezien had, toen de bandoelan het aan den controleur Versterk overhandigde.Zoo men ziet, was alle gevoel bij dien vrouwenschender nog niet geweken. Maar, hoe geheel anders was het met Mokesuep, den ellendigen fiscalen ambtenaar gesteld. Toen die voor de balie getreden was, om getuigenis der waarheid te geven, verklaarde hij met een zekeren ophef, dat hij den bandoelan het doosje had zien te voorschijn brengen, en trad daarbij zelfs in zulke bizonderheden bij de plastische beschrijving van de bewegingen van het meisje, dat de aanwezigen er van walgden, en niet onduidelijk een gemompel van afkeuring lieten hooren. De voorzitter zag zich dan ook genoodzaakt hem aan te manen, zich stipt bij de zaak te houden, daar dergelijke uitweidingen overbodig geacht moesten worden.[95]De eisch van den hoofddjaksa, die als openbare aanklager optrad, was dan ook schuldigverklaring van de beklaagde, en veroordeeling tot eene straf van drie maanden ten arbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon, zijnde zij voor de eerste maal ter zake in overtreding bevonden5.Tegenover dat requisitoir wees AugustvanBeneden er evenwel op, dat het in judicio aanwezige doosje volmaakt geleek op dat, hetwelk ook door denzelfden bandoelan bij Setrosmito, den vader van baboe Dalima, zou aangehaald zijn. Hij constateerde, dat bij Singomengolo, na diens vermoording een aantal doosjes gevonden waren, die geheel en al met die twee overeenkwamen. Hij legde eene authentieke verklaring over van den koperslager, van wien de bandoelan de bedoelde doosjes, twaalf in getal, voor eene som van zeven gulden gekocht had, en stond bij dit punt stil, vooral om de listige streken van de opiumjagers in herinnering te brengen, aangewend om de beklaagden aan overtreding schuldig te doen verklaren6. Ten slotte viel hij het proces-verbaal van keuring van de in het doosje aanwezige opium aan, en verwierp dat stuk als zonder bewijskracht in rechten, daar het afgegeven[96]was door Chineezen, daarenboven geen scheikundigen, die slechts op de kleur, op den reuk en op het gevoel van hetproductwaren afgegaan, om tot de slotsom te geraken, dat het niet afkomstig was van den opiumpachter, daarbij aantoonende, dat die pachters in den regel de grootste opiumsmokkelaars zijn, wier ellendig mengelmoes voortdurend verschilt, en gerust de meest eminente scheikundige getart kan worden eene volmaakte gelijkheid van twee verschillende kooksels, afkomstig van denzelfden pachter7aan te toonen.De overwinning, door den jeugdigen pleitbezorger behaald, was volkomen. De landraad van Santjoemeh rechtdoende, verklaarde, dat het aan baboe Dalima ten laste gelegde feit rechtens niet was bewezen, sprak haar mitsdien daarvan vrij, en gelastte hare onverwijlde in vrijheidstelling met verwijzing van den lande in de kosten.Een daverend hoerah begroette die uitspraak, en het publiek werd zoo uitbundig in zijne uitingen, dat de voorzitter tot stilte moest doen aanmanen. Toen Mokesuep de zaal verliet, vielen hem slechts blikken en gebaren van diepe verachting ten deel; terwijl gesis en gefluit hem begroette, toen hij in zijn rijtuig stapte, en wegreed. Blijkbaar was men geheel en al op de hoogte van hetgeen in de hut bij den Djoerang Pringapoes was voorgevallen, en was een ieder bekend met de walgelijke rol, waartoe de fiscale ambtenaar zich geleend had.[97]Toen de zitting afgeloopen was, omringde een talrijk publiek het zoo ongelukkige Javaansche meisje. Helaas, haar toestand was niet meer voor het oog te bemantelen. Ware het onderzoek naar het vaderschap toegelaten in rechten, dan voorzeker zoude de procedure voor Lim Ho een anderen afloop gehad hebben. In weerwil daarvan omringde haar thans een talrijke menigte, die van de innigste deelneming deed blijken. Een ieder had een gelukwensch over den afloop van het proces, een woord van troost, een woord van aanmoediging voor haar. Ook Grenits, Van Nerekool, Van Rheijn, Grashuis en Van Beneden verdrongen zich om het arme schepsel, dat bij zooveel bewijzen van deelneming zich bewogen gevoelde; maar toch tranen stortte bij de gedachte aan hare verwoeste jeugd. Van Nerekool stelde Dalima voor, haar bij een bedaagd echtpaar te brengen, waar zij al hare diensten aan de dame des huizes zou kunnen wijden, en de liefderijkste verpleging zou ondervinden. Zij bedankte den „toean rakker” hartelijk voor zijn aanbod en verklaarde bij hare moeder haren intrek te willen nemen tot na hare bevalling. Als echt natuurkind sprak zij die laatste woorden, zonder schroom en zonder valsche schaamte. Zij nam evenwel de gelegenheid te baat, om eenig bericht omtrent nonna Anna in te winnen. Helaas, KarelvanNerekool kon haar niet anders mededeelen, dan dat hare meesteres naar Karang Anjer vertrokken, en daarna spoorloos verdwenen was.„Karang Anjer, di mana?” (Karang Anjer, waar ligt dat) vroeg zij nadenkend.Van Nerekool gaf haar de noodige aanwijzing, en vervoegde zich daarna bij zijne vrienden, die door Grenits verzocht waren, om een glas op den goeden afloop van het proces te drinken. Wel was het niet vroeg meer, en drukten de schier loodrecht vallende zonnestralen zwaar. De paarden der rijtuigen van onze bekenden waren evenwel vurig, en in weinig tijds was de woning van den jeugdigen koopman bereikt.Binnenstormende, riep deze zijn bediende met alle haast:„Sidin! Sidin! lakas! kassi anggoer poeff!” (Sidin! gauw! geef Champagne!)En weldra zat het vijftal met een kelk schuimende[98]VeuveCliquot in de hand, en bracht AugustvanBeneden zijn welgemeende gelukwenschen toe.Toen de opgewondenheid over het behaalde succes eenigszins bedaard was, en de loop van het geding overzien werd, kon een gevoel van teleurstelling niet bedwongen worden.„Is het niet om aan de toekomst van ons schoon Indië te moeten wanhopen, dat wij in zoo’n zaak ons nog met dien afloop moeten gelukwenschen!” sprak Grashuis. „Iedereen, zelfs de leden van den landraad zijn overtuigd, dat de arme Dalima het slachtoffer geweest is van de snoodste misdaad, en niet alleen is de misdadiger ongestraft gebleven, maar de beste krachten moesten ingespannen worden, om de onschuldige voor een strafvonnis te beveiligen. Zou zoo iets in Nederland mogelijk zijn? Wat is er toch rots in den toestand hier?”„Wat er rots is in den maatschappelijken toestand hier?” vroeg Grenits. „Dat is de opiumpacht, die alles overheerscht, alles demoraliseert! Gij hebt de akte van beschuldiging van den hoofddjaksa gehoord. Hoe zat dat stuk slim in elkander, en hoe sloeg het merkwaardig juist met het bevelschrift van den resident tot terechtstelling van de arme Dalima! Hoe behendig waren alle getuigen, die ten voordeele van haar konden verklaren, geëcarteerd: Verstork naar Atjeh, juffrouw Van Gulpendam niet te vinden; terwijl Mokesuep tegenwoordig was.”„Die ellendeling!” bromde van Rheijn.„Zonder onzen August”, ging Theodoor Grenits voort, „zoude, evenals zooveel andere beklaagden voor opium-overtredingen, het mishandelde meisje veroordeeld zijn. Gij vraagt, Leendert, of zoo iets in Nederland mogelijk zou zijn. Ik matig mij geen oordeel aan, over hetgeen daar mogelijk of onmogelijk is; maar vergeet niet, dat de opium-politiek van daar uitgaat; dat telken jare het opium-middel ettelijke millioenen hooger geraamd wordt, waardoor de opium-hartstocht al hooger en hooger opgezweept wordt, en waardoor regeering en ambtenaren hier genoodzaakt zijn de opium-pachters bij hun ellendig bedrijf en zijnen noodlottigen nasleep te schragen. Is het niet om zich van schaamte te verbergen, tot eene natie te behooren, die ter wille van ellendige geldzucht, ter wille van meedoogenloos schrapen, zulke toestanden niet alleen[99]gedoogt, maar in het leven roept, en met de meest angstvallige zorgvuldigheid kweekt?”Allen zuchtten. In die woorden lag niets dan waarheid.„Is het de natie wel, die de schuld aangewreven moet worden? Is het de regeering niet, die dat alles verordent?” vroeg Van Rheijn.„Eene natie heeft slechts de regeering, die zij verdient!”8antwoordde Grenits heftig. „Ja, de regeering handelt en verordent; maar de natie ziet toe, en.… heeft nog eene loftuiting voor den minister over, wanneer deze op de meest cynische wijze verklaart, dat hij er uithaalt, wat er uit te halen is. Het is of de Nederlandsche natie eene natie geworden is die, òf hare viriliteit verloren heeft, òf het idiotisme zeer nabij is! Voor de koloniën geen oog, geen hart; slechts …éénegedachte: de minister balanceert zijne begrooting alleraardigst! En deze van zijn succes zeker, veroorlooft zich in de Vertegenwoordigingbons mots, die een gewoon mensch in een bierknijp niet zoude durven gebruiken; maar vindt daarvoor nog dankbaren in en buiten de wetgevende collegiën, welke die geestigheden uiterst leuk vinden.”9Gelukkig kwam Sidin binnen en deed door zijn verschijnen, wat de anderen niet te doen vermochten, namelijk: de verontwaardiging van den jongen koopman te stuiten. De Javaan had twee groote brieven in de hand, en reikte die aan zijn meester over.„Drommels, twee officiëele stukken!” zei Van Rheijn.„Een weddingschap, dat daar het bevelschrift is, om je naar Z. M. boeien te begeven!”Grenits antwoordde niet, maar brak een der missives open.„Eene gewone huwelijks-aankondiging!”zei hij.… „Maar, van wien?”En het papier inziende:„Drommels, dat’s aardig”, zei hij. „Vrienden luistert:„Mijnheer en mevrouw Lim Yang Bing en mijnheer[100]en mevrouw Ngow Ming Than hebben de eer kennis te geven van het voorgenomen huwelijk van den heer Lim Ho, den zoon van eerstgenoemden, met mejuffrouw Ngow Ming Nio, dochter van laatstgenoemden. De plechtigheid en de daaropvolgende receptie zal plaats hebben op den 3denSeptember a. s. ten huize van den heer Lim Yang Bing te Santjoemeh in Gang Pinggir.”„Warm van de plank,” zei Grenits met een bitteren glimlach. „Het proces van Dalima is ternauwernood uitgewezen.”„De plechtigheid van zoo’n Chineesch huwelijk moet toch curieus zijn,” viel van Rheijn in. „Wij gaan er toch heen, nietwaar?”„Mij wel, dat gij gaat,” sprak Van Nerekool, „als gij mij maar te huis laat. Het zou mij onmogelijk zijn dien ellendigen Lim Ho eene hand te reiken, en hem de gebruikelijke gelukwenschen aan tebieden.”„Kom,” zei Grashuis, „bij de groote menigte, die tegenwoordig zal zijn, zal wel gelegenheid wezen om die plichtpleging ongemerkt achterwege te laten. Wie zal zoo iets opmerken?”„Alweêr:des accommodements avec le ciel”, antwoordde Grenits lachende. „Maar laat mij inzien, wat de tweede brief behelst.… Waarachtig, Eduard zou zijne weddingschap gewonnen hebben! Ik moet mij overmorgen ochtend ten negen uur aanmelden bij den cipier, om de mij opgelegde gevangenisstraf gedurende tien achtereenvolgende dagen te ondergaan.”Allen zaten een oogenblik stil daar neer. Hoezeer het gedrag van Grenits te verdedigen, ja de uiting van een ridderlijk gemoed te noemen was geweest, zoo wierp het denkbeeld, tot gevangenisstraf verwezen te zijn, een kil waas over die jonge mannen, die overigens enkel levenslust ademden. De veroordeelde zelf was de eerste om de sombere gedachten van zich te werpen.„Gij zult mij voor verveling behoeden, nietwaar vrienden?”„Ik heb een prachtigen roman van Ebers, Serapis, nieuw uitgekomen, dien zal ik je zenden.”10[101]„Ik zal mijn pianino naar de „cipieran” (gevangenis) laten brengen, dan kun je naar hartelust tokkelen.”„En wij zullen je zoo dikwijls gezelschap komen houden, als zulks mogelijk zal zijn.”„Juist vrienden, dat zal nog het beste zijn.”„En dan breng ik mijne viool mede.”„En ik mijn fluit.”„En dan laten wij de geheele cipieranune sarabande de condamnésuitvoeren,”gilde Grenits bij voorbaat van de pret.„Wij zouden behalve die sarabande nog wat beters kunnen uitvoeren,” viel Van Beneden in.„Wat dan?” vroegen allen.„Herinnert gij u nog, dat ik, toen wij onder den Wariengienboom op de aloon-aloon van Kaligaweh gezeten waren, het plan opperde, om eene proef te nemen met het opiumschuiven, ten einde de uitwerking daarvan te ondervinden? Welnu, wij zouden het plan ten uitvoer kunnen brengen, b. v. aanstaanden Zondag.”„Aangenomen, aangenomen!” was aller kreet.„Maar wie zal voor de madat en voor de bedoedan zorgen?” vroeg Grashuis.„Dat heb ik op mij genomen,” antwoordde Van Rheijn. „Weest zonder zorgen. Dat alles zal gereed zijn.”„Dat is dus afgesproken, nietwaar heeren?”Toen allen hunne instemming met een handdruk bezegeld hadden, ging de vergadering uit elkander.[102]1Zie daaromtrent de aanteekeningNo. 2op bladz. 140 van het 1e deel.↑2In Java’s binnenlanden zijn langs de groote wegen op bepaalde afstanden Rijks postpaarden gestationneerd, die, wanneer de dienst zulks toelaat, ook voor particulieren tegen betaling verkrijgbaar zijn.↑3Een gardoe is een wachthuis. Op Java bestaan overal langs de wegen dergelijke wachthuizen, die door dèsa-volk betrokken worden.↑4Roepanja kasar danhitamenbahoenja ketjoet.De in den tekst bedoelde commissie van keuring en weging bij opiumsmokkel bestaat gewoonlijk uit Chineezen, die van scheikunde in de verste verte geen denkbeeld hebben, en dan ook slechts op gevoel, kleur en reuk afgaan, om te constateeren of de aangehaalde opium al dan niet afkomstig is van de Gouvernementskitten. Wanneer de lezer nu zal weten, dat de[94]opiumpachters in den regel de grootste opiumsmokkelaars en opiumvervalschers zijn, dat de kithouders op hunne beurt een gild vormen van nog erger allooi dan hunne bazen, dan kan hij zich een denkbeeld maken, welke soort van rechtsbedeeling den Javanen gewordt. Dat de lezer nu niet meene, dat ik hier fantaiseer of overdrijf. De hierboven gebezigde Maleische uitdrukking is getrokken uit een behoorlijk beëedigdproces-verbaalvan zoogenaamde deskundigen. Hij, die daaromtrent meer wil weten, zie hetInd. Weekblad van het RechtNo. 863 van 1879, waarin een vonnis van den landraad te Djoana, praesident Mr.J. H. Abedanon, dat te recht eene dergelijke keuring brandmerkte. Maar tegenover ééne zoodanige behandeling van zaken, hoevele veroordeelingen geschieden niet ter wille van de opiumpacht? De inzage van No. 879 jaargang 1880 van hetzelfde Weekblad is ook aanbevelenswaardig. Daarin komt een vonnis voor van den landraad te Koedoes, en stelt de redactie daaronder: „Bovenstaand vonnis is wel in staat om menigen politierechter te doen terugdenken aan de tallooze veroordeelingen in dergelijke zaken, die hij op grond van een onderzoek door deskundige Chineezen op de politierol heeft uitgesproken.”’k Voeg aan het woord der redactie v. h.Weekbl. v. h. Rechtdezen uitroep toe: En aan de veroordeelingen totDWANGARBEID, gelijkstaande aan onzeTUCHTHUISSTRAF! Nederlanders! hoort gij het!?↑5Een straf van drie maanden ten arbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon, zijnde zij voor de eerste maal ter zake in overtreding bevonden. Die straf is geheel en al overeenkomstig de 6dealinea van art. 23 van het reglement voor de opiumpacht op Java en Madoera, (Ordonn. 25 Sept. 1874 Stbl. No. 228) zooals zij gewijzigd werd bij Ordonn. dd. 27 Aug. 1879 Stbl. No. 262.)↑6De listige streken van de opiumjagers, om de beklaagden aan overtreding schuldig te doen verklaren (bladz.115). Die omtrent zulke streken gesticht wil zijn, sla hetIndisch Weekblad van het Rechtop, bij voorbeeld van 1878, 1879, 1882, Nos. 804, 843 en 966 en leze daar ter plaatse de betrekkelijke vonnissen van de landraden te Japara, Koedoes en Bodjonegoro. Hij leze ook de Indische dagbladen, b. v.de Locomotiefvan 18 Jan. en 21 Febr. 1883,het Ind. Vaderlandvan 27 Jan., 7 en 17 Febr. en 24 Aug. 1883. En wanneer zulke vonnissen en dergelijke feiten te constateeren zijn, dan moet de bekentenis afgelegd worden, dat de Inlander ter wille van den opiumpachtschat met gebonden handen en voeten aan eene vreeselijke bende is overgeleverd. Want, dat men zich nogmaals afvrage: tegenover ééne vrijspraak, hoeveel veroordeelingen door de politierechters? Tegenoveréénontmaskerd feit in de dagbladen, hoevele ergerlijke gebeurtenissen door de opiumbent in het donker gepleegd?↑7Opium ondergaat tot zuivering eene koking met water. Gewoonlijk gaat die koking gepaard met eene vervalsching, die ten doel heeft een veel grooter product aan tjandoe te verkrijgen dan bij het opium-reglement bedoeld wordt. Dat nu dergelijke bewerkingen door niet scheikundigen uitgevoerd, niet steeds identiek hetzelfdeproductopleveren, ligt voor de hand en zal voornamelijk begrepenwordendoor apothekers, bierbrouwers, zeepzieders, enz., menschen, die, met de meest mogelijke kundigheden toegerust, niet altijd verhoeden kunnen, dat hunne praeparaten verschillen met vroegere door hen vervaardigde. Bovendien hetInd. Weekbl. v. h. RechtNo. 955 van 1881 levert het bewijs, dat zelfs reuk, smaak en gevoel voor de Chineesche deskundigen volstrekt niet voldoende zijn om sluikopium van wettelijke te onderscheiden. De landraad van Blitar, praeside Mr. M. Levie, behandelde toch eene zaak, waarbij opium, onder de noodige waarborgen bij den opiumpachter gekocht, door de Chineesche Commissie van keuring verklaard werd voor clandestiene opium, omdat de opium van de pachters was geuriger, donkerder van kleur en dikker van stof.↑8Die uitspraak, wierphet Vaderlandin zijn nummer van den 3den December 1887 den Franschen naar het hoofd. Steeds de oude geschiedenis van den balk en den splinter!↑9De lezer vergete niet, dat de roman vóór 1886 speelt, dus den heer Keuchenius niet geldt.↑10Hadde de handeling van mijn roman in 1886 plaats gegrepen, dan had ik niet de aanbieding van de roman vanEberslaten doen[101]maar van de oeconomisch critische en historische verhandeling van „de Opium in Nederlandsch en in Britsch-Indië” doorJ. A. B. Wiselius. In zijn voorwoord zegt die Ned. Indische Ambtenaar:„Zonder als apologeet voor opiumgebruik op te treden, moeten wij met den tijdgeest, die uitbreiding van dit consumptie-artikel in al de vijf werelddeelen voorstaat, vrede sluiten.”Hoe gerustgesteld moet zich het geweten van menig regeeringsman door die verklaring gevoelen! Ik vind het dan ook een snoode ondankbaarheid, dat den Hr. W. hetVIRTUS NOBILITATnog niet uitgereikt is.↑
XXIX.Van Nerekool op verkenning.—Eene vrijspraak.
Ja, al die moeite van Van Nerekool was te vergeefs geweest! Toen hij te Karang Anjer aangekomen was, vond hij in mevrouw Steenvlak eene lieve, beschaafde, volbloed Nederlandsche vrouw, die hem, bij afwezigheid van haren echtgenoot, gastvrij, ja gul ontving; maar zich geen woord liet ontvallen, omtrent hetgeen van AnnavanGulpendam geworden was. Hoe de rechterlijke ambtenaar zijne vragen ook inkleedde, de schrandere vrouw wist een directe beantwoording te ontwijken en, bleef zij met hare lieftalligheid der wellevendheid getrouw, dan toch lieten die antwoorden den wanhopigen verliefde in het meest pijnlijke onzekere. Hoe hij ook bad en smeekte, hij vond een gewillig oor, dat hem met het meeste geduld en met de innemendste zachtzinnigheid aanhoorde; maar zijne smeekingen en beden stuitten af op het onverzettelijke van een genomen besluit.„Anna heeft hier bij ons eenige weken gelogeerd,” sprak zij, „en in dien tijd ben ik er in geslaagd, mijnheer Van Nerekool, hare vriendin, hare vertrouwelinge te worden. Het wanhopige meisje heeft mij alles beleden. Alles, hoort ge? Zoowel uw beider liefde voor elkander, als de oorzaken, die een onoverkomelijken slagboom tusschen u beiden daarstellen.”„Mevrouw!” kreet van Nerekool, ontzet bij die woorden.„Ik heb het lieve kind in alles gelijk moeten geven.[86]Neen, van een huwelijk tusschen u beiden kan onmogelijk iets komen, al slaagdet gij er ook in om de toestemming harer ouders te verwerven. Dit zou slechts een vreeselijk bestaan te gemoet treden zijn. Anna heeft gelijk, wanneer zij beweert, dat de vrouw bij een dergelijke vereeniging een reinen, onbevlekten naam ten huwelijk moet medebrengen.…”„Maar, Mevrouw, Anna is rein,” viel haar Van Nerekool hartstochtelijk in de rede.„Ik spreek van haren naam, mijnheer Van Nerekool, niet van haar persoon. Een man moet in staat zijn steeds den naam zijner vrouw te kunnen noemen, en daarover niet behoeven te blozen. Hare ouders moeten zijne achting bezitten, en zijnen eerbied waardig zijn. Bestaat dat niet, dan is het leven een hel voor beide echtgenooten; voor den een, die steeds gedwongen zal zijn het nauwlettendste toezicht op hetgeen hij zegt en niet zegt te houden, dat iedere vertrouwelijkheid zoude verbannen; terwijl het minste ondoordachte woord den ander diep zou wonden, en zelfs bij de meest onschuldige uiting eene zinspeling zoude ontwaard worden. Een compromis in zulke omstandigheden is geheel en al ondenkbaar.”„Maar, Mevrouw Steenvlak, ik stelde Anna voor, om Java te verlaten, om naar Australië, naar Singapore of wie weet waarheen elders te gaan, om ons daar in den echt te laten verbinden. Daar zoude niemand den naam Van Gulpendam kennen, daar zouden wij voor elkander kunnen leven en dan, dan … geloof ik wel, zoude met de liefde, die wij voor elkander gevoelen, een vergeten van het ouderlijke verleden, en derhalve een compromis mogelijk zijn. Van mijne zijde zoude nimmer een woord mijn mond ontvallen, dat op gebeurde zaken zoude zinspelen. Ik zou beseffen, hoezeer ik haar wonden zoude; en … vergeef mij, daartoe heb ik haar te lief en zal ik haar immer te lief hebben.”„Daaraan twijfel ik geen enkel oogenblik, mijnheer Van Nerekool; maar zelfs in het betrachten van die behoedzaamheid, die zij bespeuren zou moeten, zou eene pijniging voor haar, en op den duur een onuitstaanbare dwang voor u gelegen zijn. Overigens weet ik niet, wat gij haar geschreven hebt. Dienaangaande heeft zij mij nimmer eenige mededeeling gedaan.”[87]„Dat heeft zij ook niet kunnen doen, mevrouw; want zij zond mij steeds mijne brieven ongeopend terug.”„Daaraan heeft zij wel gedaan, en daardoor heeft zij zich vernieuwd lijden bespaard … Ieder aanzoek van u, iedere poging van uwe zijde, om de hinderpalen uit den weg te ruimen, kunnen niet anders dan kwetsen.”„Mevrouw!…”„Gij zegt mij, dat gij haar voorgesteld hebt naar Australië, naar Singapore te gaan, om daar in het huwelijk te treden, nietwaar? Hoe zoudt gij die reis volbracht hebben? Afzonderlijk?… Gij hebt er zelfs niet aan gedacht, om haar als jong meisje die reis alleen te laten maken! Te zamen?… Bedenk eens: hoe dat voorstel hare reine en fijngevoelige ziel zoude gekwetst hebben! Neen, ik ben blij, dat zij dien brief niet gelezen heeft.”„Maar, lieve mevrouw, wanneer ik mij nu eens bij den bestaanden toestandneêrlei?”„Wat bedoelt ge?”„Wanneer ik over alle hinderpalen heenstapte, en haar trots hare familie, ten huwelijk begeerde?…”„Ga niet voort, mijnheer Van Nerekool,” sprak mevrouw Steenvlak met hoogen ernst. „Ga niet voort! Trots hare familie,… dat wil zeggen: met alle gevolgen daaraan verbonden; met andere woorden: dat gij gereed zoudt zijn, die familie overal met die achting en eerbied te bejegenen, waarop zij door hare bloedverwantschap met uwe echtgenoote aanspraak zoude hebben … Gij zoudt u zoodoende verachtelijk in Anna’s oogen maken … Aan den eenen kant zoudt gij daardoor het afzien van uwen persoon gemakkelijker maken; maar van de andere zijde zoudt gij de rampzalige den laatsten steun in hare ballingschap ontrukt hebben. Eene vrouw te overtuigen, dat zij een onwaardigen hare liefde geschonken heeft, is wel de wreedste marteling, die men haar kan aandoen. Het ongeschonden beeld van hem, dien zij bemind heeft, wellicht nog bemint, in haar hart, veroorzaakt, in weerwil van den onoverkomelijken slagboom tusschen u beiden, thans reeds de grootste verzachting voor de vlijmende smart; zal later, naast het bewustzijn van stipt volgens plicht gehandeld te hebben, de voornaamste troostgrond in haar eenzaam leven zijn.”KarelvanNerekool had zich bij die uiteenzetting[88]door mevrouw Steenvlak het gelaat met beide handen bedekt. Bij die laatste woorden sprong hij van zijn stoel op, trad op haar toe, en greep haar bij de hand.„Haar eenzaam leven? zegt gij, mevrouw. O! zeg mij, waar Anna zich bevindt? Misschien slaag ik er in, om haar te verteederen.… Zeg mij, waar zij is?”„Doe daartoe geene moeite, mijnheer Van Nerekool. Zij schonk mij haar vertrouwen; dat zal ik niet schenden. Zij heeft mij alle bizonderheden medegedeeld; zij heeft mij geraadpleegd over de door haar te volgen gedragslijn en ik heb haar levensplan ten volle goedgekeurd. En ik zou haar de volbrenging van dat plan moeielijker maken dan zij reeds is? Dat kunt gij van mij niet verlangen.”„Maar dat levensplan, wat is dat, wat behelst het?”„Eenvoudig, om vergeten te leven.”„Wellicht om te hu.…”„Spreek dat woord niet uit, mijnheer Van Nerekool. In uwen mond is dat eene lastering. Gij zijt onbillijk in uw veronderstelling! Zij heeft u afgewezen; zij zal nimmer huwen.”„Maar, wat wil zij dan?”„Eenzaam en vergeten leven, en zoo den dood te gemoet gaan, dien zij hoopt, dat niet lang uitblijven zal.”„Zij is toch niet ongesteld?” vroeg hij verschrikt.„Neen, maar dergelijke schokken zijn toch wel geschikt om de gezondheid van een jong meisje te verwoesten, en haar leven te verkorten.”„Mevrouw, gij beangstigt mij.”„Ik deel u de waarheid mede.”„O, zeg mij, waar zij is?”„Nooit!”„Is zij op Java, is zij in Indië?”„Ik zeg niets.”„Is zij naar Europa?… O, ik smeek u, verlos mij uit die wreede onzekerheid.”„Ik zeg niets; hoort ge: niets, mijnheer van Nerekool!”„Zijt gij dan niet te vermurwen, mevrouw Steenvlak?”„Ik ben getrouw aan het eens gegeven woord. Daarenboven …”„Maar, mevrouw, heb medelijden met mijn toestand.…” viel Van Nerekool in.[89]„Daarenboven”, ging mevrouw Steenvlak voort, „ik heb de overtuiging, dat, door te handelen, zooals ik doe, ik vele rampen voorkom.”„O, onverbiddelijk! Onverbiddelijk!” riep de jonge man wanhopig, terwijl hij de woning uitstoof.Hij bleef nog een paar dagen te Karang Anjer, en nam zijn intrek bij den regent, bij wien hij de gulste gastvrijheid ondervond. Hij poogde dien Inlandschen hoofdambtenaar uit te hooren. Ja, die kende nonna Anna wel. Menigmaal toch had zij met de njonja van den Kandjèng toean bezoeken bij de radhen ajoe1afgelegd. Maar, zij was vertrokken, zonder dat zij bij haar afscheidsbezoek medegedeeld had, werwaarts zij reizen zou. Hij en zijne vrouw hadden gedacht, dat zij naar Santjoemeh teruggekeerd was.De rampzalige verliefde doolde in den omtrek rond, informeerde bij de loerah’s der omliggende dèsa’s, trachtte berichten in te winnen bij den mandoor (opziener) van de paardenposterij2; maar nergens, nergens ontving hij eenige aanduiding, die hem op het spoor kon brengen. Of de menschen wisten niets, òf zij gehoorzaamden aan een gegeven wachtwoord, en wilden niets zeggen. Dat laatste was volgens hem het meest waarschijnlijke, daar hem bij de paardenposterij verzekerd werd, dat men niet wist, dat de „nonna menoempang” (juffrouw logé) vertrokken was.Bij zijne omzwervingen ging hij bij ettelijke gardoe’s3aanzitten en herhaalde alweer zijn vraag of niemand wist, waarheen de „nonna menoempang” vertrokken was, maar kreeg onverbiddelijk ten antwoord: „Botten, ndårå!” (neen, mijnheer).In arrenmoede vertrok hij van Karang Anjer naar Tjilatjap. Hij wilde onderzoeken, wat er van het praatje aan was, dat de resident Van Gulpendam behendig verspreid had, als zoude zijne dochter naar Port Adelaïde[90]gereisd zijn. Gelukkig bezat de regent van Karang Anjer een reiswagen, dien hij den rechterlijken ambtenaar volgaarne leende; anders had deze de twee en vijftig palen, die hem van die havenplaats scheidden, te paard moeten afleggen, hetgeen bij zijne zwaarmoedige gemoedsstemming niet gunstig op zijn gezondheidstoestand zoude gewerkt hebben. De weg van Karang Anjer naar Tjilatjap voert toch door eene vlakte, die met het peil der zee bij vloed weinig verschilt; en, waar hij nog dwars over eenige heuvelenrijen slingert, stellen die laatsten door hare afhelling van noord naar zuid, in weerwil van hare nabijheid van den Indischen Oceaan, aan het geregeld doorkomen van land- en zeewind een hinderpaal daar, en maken de temperatuur nog drukkender.Maar ook in die havenplaats was niets te vernemen. Noch de assistent-resident, noch de havenmeester, noch de agent van de Indische stoomvaartmaatschappij, noch eenig ander cargadoor, wisten van een vertrek van een jong meisje naar Australië of naar elders af. In maanden had geen vreemd stoomschip die havenplaats aangedaan, en de booten van de Indische stoomvaartmaatschappij, welke Australië bezochten, koersten niet langs Java’s Zuidkust, maar langs de Noordkust, om door Straat Bali den Indischen Oceaan binnen te stoomen. Het verhaal dan ook, van die twee dames, onder wier geleide Anna vertrokken zoude zijn, door Van Gulpendam geleverd, kon geheel en al als een verzinsel beschouwd worden.Eindelijk keerde KarelvanNerekool over Bandjar Negara naar Wonosobo terug. Daar verbleef hij slechts nog veertien dagen en vertrok toen, dewijl zijn gezondheidstoestand onder den invloed van dat overheerlijk luchtgestel daar aanmerkelijk verbeterd was, naar Santjoemeh, alwaar hij zoowel door AugustvanBeneden en Leendert Grashuis, als door Theodoor Grenits en EduardvanRheijn ontvangen en verwelkomd werd.„En?.…” was de algemeene vraag, toen de vrienden den lichamelijken welstand van KarelvanNerekool geconstateerd hadden. „En …?”Klaarblijkelijk doelden zij op het doel zijner nasporingen. Het wenschen en verlangen, het trachten en pogen van den gemeenschappelijken vriend was toch geen geheim voor hen gebleven.[91]„Niets!” antwoordde Van Nerekool met een diepen zucht. „Zelfs geen spoor!”„Ik ben ook niet geslaagd,” sprak Grenits.„Gij ook niet?” vroeg Karel.„Ik heb mij tot de geheele handelswereld vanNederlandsch-Indiëgewend,” antwoordde de jeugdige koopman, „maar van alle zijden luidden de berichten, dat geen jong meisje, hetwelk ook maar eenigermate aan de beschrijving, die ik gaf, voldeed, van de respectieve plaatsen vertrokken is.”„Zoodat, volgens uw gevoelen?…” vroeg Karel.„Zoodat, volgens mijn gevoelen juffrouw Van Gulpendam Java niet verlaten heeft.”„Maar, waar zou zij dan toch kunnen zijn?” vroeg Van Rheijn.„Ja, dat weet God!” zuchtte Van Nerekool.„En hare ouders,” meende Leendert Grashuis. „Het zou toch niet aan te nemen zijn, dat een jong, minderjarig meisje ergens heen getrokken is, zonder medeweten van vader en moeder.”„Daarenboven de resident Van Gulpendam is geen papa ommeête gekscheren,” zei Van Rheijn.„Toch vrienden, meen ik, dat noch de resident, noch zijne echtgenoot weten, waar Anna is,” antwoordde Van Nerekool.En daarop verhaalde hij zijn gesprek met mevrouw Steenvlak tot in de kleinste bizonderheden aan zijne getrouwen.„Alleen die vrouw zou inlichting kunnen geven; maar zij wil niet!” zoo eindigde hij de mededeeling.„Dan dient in de omstreken van Karang Anjer gezocht te worden,” meende Van Beneden.„Dat heb ik gedaan; ik heb de geheele streek doorkruist, ik heb een ieder ondervraagd, dien ik maar gissen kon, dat inlichtingen zou kunnen geven. Alles, alles te vergeefs!”„Dan, Karel, dient ge de oplossing van dat raadsel aan den tijd over te laten,” sprak Grashuis.„Aan den tijd!” zuchtte Van Nerekool. „Het moet wel! Maar, vrienden, ik gevoel mij diep ongelukkig.”„Gij zult afleiding in uwe bezigheden vinden,” zei Van Beneden. „De zaken bij den raad van Justitie zijn sedert uw vertrek niet verminderd.”[92]„Dan maar aan den arbeid!” sprak Karel. „God geve, dat hij die uitwerking moge hebben, dien gij voorspelt, August.”„Dat brengt mij in herinnering, dat ik morgen voor dien raad moet verschijnen,” zei Grenits.„Gij?”„Ja, in zake Mokesuep.”„O ja, die paar oorvijgen, die gij dien aterling toegediend hebt.”„Een achttal dagen brommen, vriend Theodoor,” zei Van Beneden. „Nu, dat is zoo erg niet.”AugustvanBeneden had zich niet erg vergist. Grenits werd door den raad van Justitie tot tien dagen gevangenisstraf en eene boete van ƒ 25 veroordeeld, wegens het toebrengen van slagen, die noch ziekte noch ongesteldheid hadden veroorzaakt, maar die toegebracht waren aan iemand, ter zake zijner afgelegde getuigenis in eene opiumsmokkelzaak, waarbij evenwel de verontwaardiging van den beschuldigde in aanmerking genomen was, over de onkiesche handelingen, die bij de visitatie aan den lijve van een meisje door de opiumpolitie gepleegd waren, en waarbij de klager Mokesuep tegenwoordig geweest was, zonder haar in bescherming te nemen.Toen het vonnis, hetwelk door een groot publiek aangehoord werd, uitgesproken was, staken alle handen zich naar Theodoor Grenits uit: terwijl een ieder zich van Mokesuep afwendde en hem ontweek, als ware hij een giftig kruipend gedierte geweest. In de openbare meening was de gevonnisde de geschandvlekte niet.Weinige dagen later nam de landraad van Santjoemeh zitting in zake van baboe Dalima, beschuldigd van opiumsmokkelarij. Ten heftigste ontkende het Javaansche meisje, dat opium bij haar gevonden was, en beweerde zelfs, dat niemand naar sluikwaar bij haar gezocht had.Zij gaf een ongekunsteld verhaal van het gebeurde, dat, zoowel door de getuigenis van mevrouw Van Gulpendam als door die van Mokesuep weersproken werd. Eerstgenoemde toch had eene schriftelijke verklaring afgegeven, waarin zij getuigde, dat de baboe geen permissie had, om den nacht buitenshuis door te brengen; maar wel om den volgenden ochtend naar Kaligaweh te gaan, waarbij zij[93]nog mededeelde, dat zij haar eene voldoende taak van naaiwerk opgelegd had, die afgemaakt moest zijn, alvorens te kunnen vertrekken. Mokesuep stak beide vingeren op en bezwoer, dat het geheele verhaal van het meisje een verzinsel was; dat zij zich wel is waar tegen eene visitatie aan den lijve hevig verzet had, dat zij zelfs den Chinees Lim Ho, die gepoogd had hare handen vast te houden, in het oor gebeten had, en dat bij de worsteling haar baadje gescheurd en haar sarong losgerukt was, en zij daarbij eenige onbeduidende krabben op de dijen en beenen bekomen had; maar dat van eene mishandeling, als waarvan zij Lim Ho beschuldigde, geen sprake kon zijn. Ook hetvisum repertumvan den eerstaanwezenden officier van gezondheid ontkende de misdaad, waarover het meisje zich beklaagde, en constateerde alleen een viertal ontvellingen, die tot eenig bloedverlies aanleiding hadden kunnen geven. Waarlijk, de demoraliseerende invloed van den pachter was wel waarneembaar bij de getuigen, en hoe gewetensvol de nieuwe landraads-voorzitter, die Mr. Zuidhoorn vervangen had, ook was, zoo had hij zich genoodzaakt gezien, van eene vervolging betreffende de misdaad, waarover baboe Dalima klaagde, wegens gebrek aan bewijzen af te zien.Bleef dus de beschuldiging tegen haar, van opium gesmokkeld te hebben, over.Ja, de verklaring van den overleden bandoelan Singomengolo was stellig. Hij had een doosje, met tjandoe gevuld, onder den buikband, die den sarong om haar middel sloot, tusschen de plooien van genoemd kleedingstuk gevonden. Dat doosje was door de zorgen van den controleur Verstork behoorlijk verzegeld geworden; en door de commissie van weging en keuring was bevonden geworden, dat het inhield: achtentwintig mata’s bereide opium, die er ruw en zwart uitzag, (roepanja kasar dan hitam) en een zuren reuk (bahoenja ketjoet)4had, en derhalve beschouwd werd, als niet afkomstig te zijn van[94]den opiumpachter. Toen evenwel het bedoelde doosje, dat in judicio aanwezig was, aan Mokesuep en Lim Ho vertoond werd, aarzelde laatstgenoemde een poos, maar eindigde toch met de verklaring af te leggen, dat hij bij de worsteling niet opgemerkt had, dat Singomengolo het aangeduide doosje had gevonden, daar hij te veel pijn aan zijn oor had, en zich onledig hield met dat gekwetste deel te verbinden; dat hij dat doosje eerst gezien had, toen de bandoelan het aan den controleur Versterk overhandigde.Zoo men ziet, was alle gevoel bij dien vrouwenschender nog niet geweken. Maar, hoe geheel anders was het met Mokesuep, den ellendigen fiscalen ambtenaar gesteld. Toen die voor de balie getreden was, om getuigenis der waarheid te geven, verklaarde hij met een zekeren ophef, dat hij den bandoelan het doosje had zien te voorschijn brengen, en trad daarbij zelfs in zulke bizonderheden bij de plastische beschrijving van de bewegingen van het meisje, dat de aanwezigen er van walgden, en niet onduidelijk een gemompel van afkeuring lieten hooren. De voorzitter zag zich dan ook genoodzaakt hem aan te manen, zich stipt bij de zaak te houden, daar dergelijke uitweidingen overbodig geacht moesten worden.[95]De eisch van den hoofddjaksa, die als openbare aanklager optrad, was dan ook schuldigverklaring van de beklaagde, en veroordeeling tot eene straf van drie maanden ten arbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon, zijnde zij voor de eerste maal ter zake in overtreding bevonden5.Tegenover dat requisitoir wees AugustvanBeneden er evenwel op, dat het in judicio aanwezige doosje volmaakt geleek op dat, hetwelk ook door denzelfden bandoelan bij Setrosmito, den vader van baboe Dalima, zou aangehaald zijn. Hij constateerde, dat bij Singomengolo, na diens vermoording een aantal doosjes gevonden waren, die geheel en al met die twee overeenkwamen. Hij legde eene authentieke verklaring over van den koperslager, van wien de bandoelan de bedoelde doosjes, twaalf in getal, voor eene som van zeven gulden gekocht had, en stond bij dit punt stil, vooral om de listige streken van de opiumjagers in herinnering te brengen, aangewend om de beklaagden aan overtreding schuldig te doen verklaren6. Ten slotte viel hij het proces-verbaal van keuring van de in het doosje aanwezige opium aan, en verwierp dat stuk als zonder bewijskracht in rechten, daar het afgegeven[96]was door Chineezen, daarenboven geen scheikundigen, die slechts op de kleur, op den reuk en op het gevoel van hetproductwaren afgegaan, om tot de slotsom te geraken, dat het niet afkomstig was van den opiumpachter, daarbij aantoonende, dat die pachters in den regel de grootste opiumsmokkelaars zijn, wier ellendig mengelmoes voortdurend verschilt, en gerust de meest eminente scheikundige getart kan worden eene volmaakte gelijkheid van twee verschillende kooksels, afkomstig van denzelfden pachter7aan te toonen.De overwinning, door den jeugdigen pleitbezorger behaald, was volkomen. De landraad van Santjoemeh rechtdoende, verklaarde, dat het aan baboe Dalima ten laste gelegde feit rechtens niet was bewezen, sprak haar mitsdien daarvan vrij, en gelastte hare onverwijlde in vrijheidstelling met verwijzing van den lande in de kosten.Een daverend hoerah begroette die uitspraak, en het publiek werd zoo uitbundig in zijne uitingen, dat de voorzitter tot stilte moest doen aanmanen. Toen Mokesuep de zaal verliet, vielen hem slechts blikken en gebaren van diepe verachting ten deel; terwijl gesis en gefluit hem begroette, toen hij in zijn rijtuig stapte, en wegreed. Blijkbaar was men geheel en al op de hoogte van hetgeen in de hut bij den Djoerang Pringapoes was voorgevallen, en was een ieder bekend met de walgelijke rol, waartoe de fiscale ambtenaar zich geleend had.[97]Toen de zitting afgeloopen was, omringde een talrijk publiek het zoo ongelukkige Javaansche meisje. Helaas, haar toestand was niet meer voor het oog te bemantelen. Ware het onderzoek naar het vaderschap toegelaten in rechten, dan voorzeker zoude de procedure voor Lim Ho een anderen afloop gehad hebben. In weerwil daarvan omringde haar thans een talrijke menigte, die van de innigste deelneming deed blijken. Een ieder had een gelukwensch over den afloop van het proces, een woord van troost, een woord van aanmoediging voor haar. Ook Grenits, Van Nerekool, Van Rheijn, Grashuis en Van Beneden verdrongen zich om het arme schepsel, dat bij zooveel bewijzen van deelneming zich bewogen gevoelde; maar toch tranen stortte bij de gedachte aan hare verwoeste jeugd. Van Nerekool stelde Dalima voor, haar bij een bedaagd echtpaar te brengen, waar zij al hare diensten aan de dame des huizes zou kunnen wijden, en de liefderijkste verpleging zou ondervinden. Zij bedankte den „toean rakker” hartelijk voor zijn aanbod en verklaarde bij hare moeder haren intrek te willen nemen tot na hare bevalling. Als echt natuurkind sprak zij die laatste woorden, zonder schroom en zonder valsche schaamte. Zij nam evenwel de gelegenheid te baat, om eenig bericht omtrent nonna Anna in te winnen. Helaas, KarelvanNerekool kon haar niet anders mededeelen, dan dat hare meesteres naar Karang Anjer vertrokken, en daarna spoorloos verdwenen was.„Karang Anjer, di mana?” (Karang Anjer, waar ligt dat) vroeg zij nadenkend.Van Nerekool gaf haar de noodige aanwijzing, en vervoegde zich daarna bij zijne vrienden, die door Grenits verzocht waren, om een glas op den goeden afloop van het proces te drinken. Wel was het niet vroeg meer, en drukten de schier loodrecht vallende zonnestralen zwaar. De paarden der rijtuigen van onze bekenden waren evenwel vurig, en in weinig tijds was de woning van den jeugdigen koopman bereikt.Binnenstormende, riep deze zijn bediende met alle haast:„Sidin! Sidin! lakas! kassi anggoer poeff!” (Sidin! gauw! geef Champagne!)En weldra zat het vijftal met een kelk schuimende[98]VeuveCliquot in de hand, en bracht AugustvanBeneden zijn welgemeende gelukwenschen toe.Toen de opgewondenheid over het behaalde succes eenigszins bedaard was, en de loop van het geding overzien werd, kon een gevoel van teleurstelling niet bedwongen worden.„Is het niet om aan de toekomst van ons schoon Indië te moeten wanhopen, dat wij in zoo’n zaak ons nog met dien afloop moeten gelukwenschen!” sprak Grashuis. „Iedereen, zelfs de leden van den landraad zijn overtuigd, dat de arme Dalima het slachtoffer geweest is van de snoodste misdaad, en niet alleen is de misdadiger ongestraft gebleven, maar de beste krachten moesten ingespannen worden, om de onschuldige voor een strafvonnis te beveiligen. Zou zoo iets in Nederland mogelijk zijn? Wat is er toch rots in den toestand hier?”„Wat er rots is in den maatschappelijken toestand hier?” vroeg Grenits. „Dat is de opiumpacht, die alles overheerscht, alles demoraliseert! Gij hebt de akte van beschuldiging van den hoofddjaksa gehoord. Hoe zat dat stuk slim in elkander, en hoe sloeg het merkwaardig juist met het bevelschrift van den resident tot terechtstelling van de arme Dalima! Hoe behendig waren alle getuigen, die ten voordeele van haar konden verklaren, geëcarteerd: Verstork naar Atjeh, juffrouw Van Gulpendam niet te vinden; terwijl Mokesuep tegenwoordig was.”„Die ellendeling!” bromde van Rheijn.„Zonder onzen August”, ging Theodoor Grenits voort, „zoude, evenals zooveel andere beklaagden voor opium-overtredingen, het mishandelde meisje veroordeeld zijn. Gij vraagt, Leendert, of zoo iets in Nederland mogelijk zou zijn. Ik matig mij geen oordeel aan, over hetgeen daar mogelijk of onmogelijk is; maar vergeet niet, dat de opium-politiek van daar uitgaat; dat telken jare het opium-middel ettelijke millioenen hooger geraamd wordt, waardoor de opium-hartstocht al hooger en hooger opgezweept wordt, en waardoor regeering en ambtenaren hier genoodzaakt zijn de opium-pachters bij hun ellendig bedrijf en zijnen noodlottigen nasleep te schragen. Is het niet om zich van schaamte te verbergen, tot eene natie te behooren, die ter wille van ellendige geldzucht, ter wille van meedoogenloos schrapen, zulke toestanden niet alleen[99]gedoogt, maar in het leven roept, en met de meest angstvallige zorgvuldigheid kweekt?”Allen zuchtten. In die woorden lag niets dan waarheid.„Is het de natie wel, die de schuld aangewreven moet worden? Is het de regeering niet, die dat alles verordent?” vroeg Van Rheijn.„Eene natie heeft slechts de regeering, die zij verdient!”8antwoordde Grenits heftig. „Ja, de regeering handelt en verordent; maar de natie ziet toe, en.… heeft nog eene loftuiting voor den minister over, wanneer deze op de meest cynische wijze verklaart, dat hij er uithaalt, wat er uit te halen is. Het is of de Nederlandsche natie eene natie geworden is die, òf hare viriliteit verloren heeft, òf het idiotisme zeer nabij is! Voor de koloniën geen oog, geen hart; slechts …éénegedachte: de minister balanceert zijne begrooting alleraardigst! En deze van zijn succes zeker, veroorlooft zich in de Vertegenwoordigingbons mots, die een gewoon mensch in een bierknijp niet zoude durven gebruiken; maar vindt daarvoor nog dankbaren in en buiten de wetgevende collegiën, welke die geestigheden uiterst leuk vinden.”9Gelukkig kwam Sidin binnen en deed door zijn verschijnen, wat de anderen niet te doen vermochten, namelijk: de verontwaardiging van den jongen koopman te stuiten. De Javaan had twee groote brieven in de hand, en reikte die aan zijn meester over.„Drommels, twee officiëele stukken!” zei Van Rheijn.„Een weddingschap, dat daar het bevelschrift is, om je naar Z. M. boeien te begeven!”Grenits antwoordde niet, maar brak een der missives open.„Eene gewone huwelijks-aankondiging!”zei hij.… „Maar, van wien?”En het papier inziende:„Drommels, dat’s aardig”, zei hij. „Vrienden luistert:„Mijnheer en mevrouw Lim Yang Bing en mijnheer[100]en mevrouw Ngow Ming Than hebben de eer kennis te geven van het voorgenomen huwelijk van den heer Lim Ho, den zoon van eerstgenoemden, met mejuffrouw Ngow Ming Nio, dochter van laatstgenoemden. De plechtigheid en de daaropvolgende receptie zal plaats hebben op den 3denSeptember a. s. ten huize van den heer Lim Yang Bing te Santjoemeh in Gang Pinggir.”„Warm van de plank,” zei Grenits met een bitteren glimlach. „Het proces van Dalima is ternauwernood uitgewezen.”„De plechtigheid van zoo’n Chineesch huwelijk moet toch curieus zijn,” viel van Rheijn in. „Wij gaan er toch heen, nietwaar?”„Mij wel, dat gij gaat,” sprak Van Nerekool, „als gij mij maar te huis laat. Het zou mij onmogelijk zijn dien ellendigen Lim Ho eene hand te reiken, en hem de gebruikelijke gelukwenschen aan tebieden.”„Kom,” zei Grashuis, „bij de groote menigte, die tegenwoordig zal zijn, zal wel gelegenheid wezen om die plichtpleging ongemerkt achterwege te laten. Wie zal zoo iets opmerken?”„Alweêr:des accommodements avec le ciel”, antwoordde Grenits lachende. „Maar laat mij inzien, wat de tweede brief behelst.… Waarachtig, Eduard zou zijne weddingschap gewonnen hebben! Ik moet mij overmorgen ochtend ten negen uur aanmelden bij den cipier, om de mij opgelegde gevangenisstraf gedurende tien achtereenvolgende dagen te ondergaan.”Allen zaten een oogenblik stil daar neer. Hoezeer het gedrag van Grenits te verdedigen, ja de uiting van een ridderlijk gemoed te noemen was geweest, zoo wierp het denkbeeld, tot gevangenisstraf verwezen te zijn, een kil waas over die jonge mannen, die overigens enkel levenslust ademden. De veroordeelde zelf was de eerste om de sombere gedachten van zich te werpen.„Gij zult mij voor verveling behoeden, nietwaar vrienden?”„Ik heb een prachtigen roman van Ebers, Serapis, nieuw uitgekomen, dien zal ik je zenden.”10[101]„Ik zal mijn pianino naar de „cipieran” (gevangenis) laten brengen, dan kun je naar hartelust tokkelen.”„En wij zullen je zoo dikwijls gezelschap komen houden, als zulks mogelijk zal zijn.”„Juist vrienden, dat zal nog het beste zijn.”„En dan breng ik mijne viool mede.”„En ik mijn fluit.”„En dan laten wij de geheele cipieranune sarabande de condamnésuitvoeren,”gilde Grenits bij voorbaat van de pret.„Wij zouden behalve die sarabande nog wat beters kunnen uitvoeren,” viel Van Beneden in.„Wat dan?” vroegen allen.„Herinnert gij u nog, dat ik, toen wij onder den Wariengienboom op de aloon-aloon van Kaligaweh gezeten waren, het plan opperde, om eene proef te nemen met het opiumschuiven, ten einde de uitwerking daarvan te ondervinden? Welnu, wij zouden het plan ten uitvoer kunnen brengen, b. v. aanstaanden Zondag.”„Aangenomen, aangenomen!” was aller kreet.„Maar wie zal voor de madat en voor de bedoedan zorgen?” vroeg Grashuis.„Dat heb ik op mij genomen,” antwoordde Van Rheijn. „Weest zonder zorgen. Dat alles zal gereed zijn.”„Dat is dus afgesproken, nietwaar heeren?”Toen allen hunne instemming met een handdruk bezegeld hadden, ging de vergadering uit elkander.[102]
Ja, al die moeite van Van Nerekool was te vergeefs geweest! Toen hij te Karang Anjer aangekomen was, vond hij in mevrouw Steenvlak eene lieve, beschaafde, volbloed Nederlandsche vrouw, die hem, bij afwezigheid van haren echtgenoot, gastvrij, ja gul ontving; maar zich geen woord liet ontvallen, omtrent hetgeen van AnnavanGulpendam geworden was. Hoe de rechterlijke ambtenaar zijne vragen ook inkleedde, de schrandere vrouw wist een directe beantwoording te ontwijken en, bleef zij met hare lieftalligheid der wellevendheid getrouw, dan toch lieten die antwoorden den wanhopigen verliefde in het meest pijnlijke onzekere. Hoe hij ook bad en smeekte, hij vond een gewillig oor, dat hem met het meeste geduld en met de innemendste zachtzinnigheid aanhoorde; maar zijne smeekingen en beden stuitten af op het onverzettelijke van een genomen besluit.
„Anna heeft hier bij ons eenige weken gelogeerd,” sprak zij, „en in dien tijd ben ik er in geslaagd, mijnheer Van Nerekool, hare vriendin, hare vertrouwelinge te worden. Het wanhopige meisje heeft mij alles beleden. Alles, hoort ge? Zoowel uw beider liefde voor elkander, als de oorzaken, die een onoverkomelijken slagboom tusschen u beiden daarstellen.”
„Mevrouw!” kreet van Nerekool, ontzet bij die woorden.
„Ik heb het lieve kind in alles gelijk moeten geven.[86]Neen, van een huwelijk tusschen u beiden kan onmogelijk iets komen, al slaagdet gij er ook in om de toestemming harer ouders te verwerven. Dit zou slechts een vreeselijk bestaan te gemoet treden zijn. Anna heeft gelijk, wanneer zij beweert, dat de vrouw bij een dergelijke vereeniging een reinen, onbevlekten naam ten huwelijk moet medebrengen.…”
„Maar, Mevrouw, Anna is rein,” viel haar Van Nerekool hartstochtelijk in de rede.
„Ik spreek van haren naam, mijnheer Van Nerekool, niet van haar persoon. Een man moet in staat zijn steeds den naam zijner vrouw te kunnen noemen, en daarover niet behoeven te blozen. Hare ouders moeten zijne achting bezitten, en zijnen eerbied waardig zijn. Bestaat dat niet, dan is het leven een hel voor beide echtgenooten; voor den een, die steeds gedwongen zal zijn het nauwlettendste toezicht op hetgeen hij zegt en niet zegt te houden, dat iedere vertrouwelijkheid zoude verbannen; terwijl het minste ondoordachte woord den ander diep zou wonden, en zelfs bij de meest onschuldige uiting eene zinspeling zoude ontwaard worden. Een compromis in zulke omstandigheden is geheel en al ondenkbaar.”
„Maar, Mevrouw Steenvlak, ik stelde Anna voor, om Java te verlaten, om naar Australië, naar Singapore of wie weet waarheen elders te gaan, om ons daar in den echt te laten verbinden. Daar zoude niemand den naam Van Gulpendam kennen, daar zouden wij voor elkander kunnen leven en dan, dan … geloof ik wel, zoude met de liefde, die wij voor elkander gevoelen, een vergeten van het ouderlijke verleden, en derhalve een compromis mogelijk zijn. Van mijne zijde zoude nimmer een woord mijn mond ontvallen, dat op gebeurde zaken zoude zinspelen. Ik zou beseffen, hoezeer ik haar wonden zoude; en … vergeef mij, daartoe heb ik haar te lief en zal ik haar immer te lief hebben.”
„Daaraan twijfel ik geen enkel oogenblik, mijnheer Van Nerekool; maar zelfs in het betrachten van die behoedzaamheid, die zij bespeuren zou moeten, zou eene pijniging voor haar, en op den duur een onuitstaanbare dwang voor u gelegen zijn. Overigens weet ik niet, wat gij haar geschreven hebt. Dienaangaande heeft zij mij nimmer eenige mededeeling gedaan.”[87]
„Dat heeft zij ook niet kunnen doen, mevrouw; want zij zond mij steeds mijne brieven ongeopend terug.”
„Daaraan heeft zij wel gedaan, en daardoor heeft zij zich vernieuwd lijden bespaard … Ieder aanzoek van u, iedere poging van uwe zijde, om de hinderpalen uit den weg te ruimen, kunnen niet anders dan kwetsen.”
„Mevrouw!…”
„Gij zegt mij, dat gij haar voorgesteld hebt naar Australië, naar Singapore te gaan, om daar in het huwelijk te treden, nietwaar? Hoe zoudt gij die reis volbracht hebben? Afzonderlijk?… Gij hebt er zelfs niet aan gedacht, om haar als jong meisje die reis alleen te laten maken! Te zamen?… Bedenk eens: hoe dat voorstel hare reine en fijngevoelige ziel zoude gekwetst hebben! Neen, ik ben blij, dat zij dien brief niet gelezen heeft.”
„Maar, lieve mevrouw, wanneer ik mij nu eens bij den bestaanden toestandneêrlei?”
„Wat bedoelt ge?”
„Wanneer ik over alle hinderpalen heenstapte, en haar trots hare familie, ten huwelijk begeerde?…”
„Ga niet voort, mijnheer Van Nerekool,” sprak mevrouw Steenvlak met hoogen ernst. „Ga niet voort! Trots hare familie,… dat wil zeggen: met alle gevolgen daaraan verbonden; met andere woorden: dat gij gereed zoudt zijn, die familie overal met die achting en eerbied te bejegenen, waarop zij door hare bloedverwantschap met uwe echtgenoote aanspraak zoude hebben … Gij zoudt u zoodoende verachtelijk in Anna’s oogen maken … Aan den eenen kant zoudt gij daardoor het afzien van uwen persoon gemakkelijker maken; maar van de andere zijde zoudt gij de rampzalige den laatsten steun in hare ballingschap ontrukt hebben. Eene vrouw te overtuigen, dat zij een onwaardigen hare liefde geschonken heeft, is wel de wreedste marteling, die men haar kan aandoen. Het ongeschonden beeld van hem, dien zij bemind heeft, wellicht nog bemint, in haar hart, veroorzaakt, in weerwil van den onoverkomelijken slagboom tusschen u beiden, thans reeds de grootste verzachting voor de vlijmende smart; zal later, naast het bewustzijn van stipt volgens plicht gehandeld te hebben, de voornaamste troostgrond in haar eenzaam leven zijn.”
KarelvanNerekool had zich bij die uiteenzetting[88]door mevrouw Steenvlak het gelaat met beide handen bedekt. Bij die laatste woorden sprong hij van zijn stoel op, trad op haar toe, en greep haar bij de hand.
„Haar eenzaam leven? zegt gij, mevrouw. O! zeg mij, waar Anna zich bevindt? Misschien slaag ik er in, om haar te verteederen.… Zeg mij, waar zij is?”
„Doe daartoe geene moeite, mijnheer Van Nerekool. Zij schonk mij haar vertrouwen; dat zal ik niet schenden. Zij heeft mij alle bizonderheden medegedeeld; zij heeft mij geraadpleegd over de door haar te volgen gedragslijn en ik heb haar levensplan ten volle goedgekeurd. En ik zou haar de volbrenging van dat plan moeielijker maken dan zij reeds is? Dat kunt gij van mij niet verlangen.”
„Maar dat levensplan, wat is dat, wat behelst het?”
„Eenvoudig, om vergeten te leven.”
„Wellicht om te hu.…”
„Spreek dat woord niet uit, mijnheer Van Nerekool. In uwen mond is dat eene lastering. Gij zijt onbillijk in uw veronderstelling! Zij heeft u afgewezen; zij zal nimmer huwen.”
„Maar, wat wil zij dan?”
„Eenzaam en vergeten leven, en zoo den dood te gemoet gaan, dien zij hoopt, dat niet lang uitblijven zal.”
„Zij is toch niet ongesteld?” vroeg hij verschrikt.
„Neen, maar dergelijke schokken zijn toch wel geschikt om de gezondheid van een jong meisje te verwoesten, en haar leven te verkorten.”
„Mevrouw, gij beangstigt mij.”
„Ik deel u de waarheid mede.”
„O, zeg mij, waar zij is?”
„Nooit!”
„Is zij op Java, is zij in Indië?”
„Ik zeg niets.”
„Is zij naar Europa?… O, ik smeek u, verlos mij uit die wreede onzekerheid.”
„Ik zeg niets; hoort ge: niets, mijnheer van Nerekool!”
„Zijt gij dan niet te vermurwen, mevrouw Steenvlak?”
„Ik ben getrouw aan het eens gegeven woord. Daarenboven …”
„Maar, mevrouw, heb medelijden met mijn toestand.…” viel Van Nerekool in.[89]
„Daarenboven”, ging mevrouw Steenvlak voort, „ik heb de overtuiging, dat, door te handelen, zooals ik doe, ik vele rampen voorkom.”
„O, onverbiddelijk! Onverbiddelijk!” riep de jonge man wanhopig, terwijl hij de woning uitstoof.
Hij bleef nog een paar dagen te Karang Anjer, en nam zijn intrek bij den regent, bij wien hij de gulste gastvrijheid ondervond. Hij poogde dien Inlandschen hoofdambtenaar uit te hooren. Ja, die kende nonna Anna wel. Menigmaal toch had zij met de njonja van den Kandjèng toean bezoeken bij de radhen ajoe1afgelegd. Maar, zij was vertrokken, zonder dat zij bij haar afscheidsbezoek medegedeeld had, werwaarts zij reizen zou. Hij en zijne vrouw hadden gedacht, dat zij naar Santjoemeh teruggekeerd was.
De rampzalige verliefde doolde in den omtrek rond, informeerde bij de loerah’s der omliggende dèsa’s, trachtte berichten in te winnen bij den mandoor (opziener) van de paardenposterij2; maar nergens, nergens ontving hij eenige aanduiding, die hem op het spoor kon brengen. Of de menschen wisten niets, òf zij gehoorzaamden aan een gegeven wachtwoord, en wilden niets zeggen. Dat laatste was volgens hem het meest waarschijnlijke, daar hem bij de paardenposterij verzekerd werd, dat men niet wist, dat de „nonna menoempang” (juffrouw logé) vertrokken was.
Bij zijne omzwervingen ging hij bij ettelijke gardoe’s3aanzitten en herhaalde alweer zijn vraag of niemand wist, waarheen de „nonna menoempang” vertrokken was, maar kreeg onverbiddelijk ten antwoord: „Botten, ndårå!” (neen, mijnheer).
In arrenmoede vertrok hij van Karang Anjer naar Tjilatjap. Hij wilde onderzoeken, wat er van het praatje aan was, dat de resident Van Gulpendam behendig verspreid had, als zoude zijne dochter naar Port Adelaïde[90]gereisd zijn. Gelukkig bezat de regent van Karang Anjer een reiswagen, dien hij den rechterlijken ambtenaar volgaarne leende; anders had deze de twee en vijftig palen, die hem van die havenplaats scheidden, te paard moeten afleggen, hetgeen bij zijne zwaarmoedige gemoedsstemming niet gunstig op zijn gezondheidstoestand zoude gewerkt hebben. De weg van Karang Anjer naar Tjilatjap voert toch door eene vlakte, die met het peil der zee bij vloed weinig verschilt; en, waar hij nog dwars over eenige heuvelenrijen slingert, stellen die laatsten door hare afhelling van noord naar zuid, in weerwil van hare nabijheid van den Indischen Oceaan, aan het geregeld doorkomen van land- en zeewind een hinderpaal daar, en maken de temperatuur nog drukkender.
Maar ook in die havenplaats was niets te vernemen. Noch de assistent-resident, noch de havenmeester, noch de agent van de Indische stoomvaartmaatschappij, noch eenig ander cargadoor, wisten van een vertrek van een jong meisje naar Australië of naar elders af. In maanden had geen vreemd stoomschip die havenplaats aangedaan, en de booten van de Indische stoomvaartmaatschappij, welke Australië bezochten, koersten niet langs Java’s Zuidkust, maar langs de Noordkust, om door Straat Bali den Indischen Oceaan binnen te stoomen. Het verhaal dan ook, van die twee dames, onder wier geleide Anna vertrokken zoude zijn, door Van Gulpendam geleverd, kon geheel en al als een verzinsel beschouwd worden.
Eindelijk keerde KarelvanNerekool over Bandjar Negara naar Wonosobo terug. Daar verbleef hij slechts nog veertien dagen en vertrok toen, dewijl zijn gezondheidstoestand onder den invloed van dat overheerlijk luchtgestel daar aanmerkelijk verbeterd was, naar Santjoemeh, alwaar hij zoowel door AugustvanBeneden en Leendert Grashuis, als door Theodoor Grenits en EduardvanRheijn ontvangen en verwelkomd werd.
„En?.…” was de algemeene vraag, toen de vrienden den lichamelijken welstand van KarelvanNerekool geconstateerd hadden. „En …?”
Klaarblijkelijk doelden zij op het doel zijner nasporingen. Het wenschen en verlangen, het trachten en pogen van den gemeenschappelijken vriend was toch geen geheim voor hen gebleven.[91]
„Niets!” antwoordde Van Nerekool met een diepen zucht. „Zelfs geen spoor!”
„Ik ben ook niet geslaagd,” sprak Grenits.
„Gij ook niet?” vroeg Karel.
„Ik heb mij tot de geheele handelswereld vanNederlandsch-Indiëgewend,” antwoordde de jeugdige koopman, „maar van alle zijden luidden de berichten, dat geen jong meisje, hetwelk ook maar eenigermate aan de beschrijving, die ik gaf, voldeed, van de respectieve plaatsen vertrokken is.”
„Zoodat, volgens uw gevoelen?…” vroeg Karel.
„Zoodat, volgens mijn gevoelen juffrouw Van Gulpendam Java niet verlaten heeft.”
„Maar, waar zou zij dan toch kunnen zijn?” vroeg Van Rheijn.
„Ja, dat weet God!” zuchtte Van Nerekool.
„En hare ouders,” meende Leendert Grashuis. „Het zou toch niet aan te nemen zijn, dat een jong, minderjarig meisje ergens heen getrokken is, zonder medeweten van vader en moeder.”
„Daarenboven de resident Van Gulpendam is geen papa ommeête gekscheren,” zei Van Rheijn.
„Toch vrienden, meen ik, dat noch de resident, noch zijne echtgenoot weten, waar Anna is,” antwoordde Van Nerekool.
En daarop verhaalde hij zijn gesprek met mevrouw Steenvlak tot in de kleinste bizonderheden aan zijne getrouwen.
„Alleen die vrouw zou inlichting kunnen geven; maar zij wil niet!” zoo eindigde hij de mededeeling.
„Dan dient in de omstreken van Karang Anjer gezocht te worden,” meende Van Beneden.
„Dat heb ik gedaan; ik heb de geheele streek doorkruist, ik heb een ieder ondervraagd, dien ik maar gissen kon, dat inlichtingen zou kunnen geven. Alles, alles te vergeefs!”
„Dan, Karel, dient ge de oplossing van dat raadsel aan den tijd over te laten,” sprak Grashuis.
„Aan den tijd!” zuchtte Van Nerekool. „Het moet wel! Maar, vrienden, ik gevoel mij diep ongelukkig.”
„Gij zult afleiding in uwe bezigheden vinden,” zei Van Beneden. „De zaken bij den raad van Justitie zijn sedert uw vertrek niet verminderd.”[92]
„Dan maar aan den arbeid!” sprak Karel. „God geve, dat hij die uitwerking moge hebben, dien gij voorspelt, August.”
„Dat brengt mij in herinnering, dat ik morgen voor dien raad moet verschijnen,” zei Grenits.
„Gij?”
„Ja, in zake Mokesuep.”
„O ja, die paar oorvijgen, die gij dien aterling toegediend hebt.”
„Een achttal dagen brommen, vriend Theodoor,” zei Van Beneden. „Nu, dat is zoo erg niet.”
AugustvanBeneden had zich niet erg vergist. Grenits werd door den raad van Justitie tot tien dagen gevangenisstraf en eene boete van ƒ 25 veroordeeld, wegens het toebrengen van slagen, die noch ziekte noch ongesteldheid hadden veroorzaakt, maar die toegebracht waren aan iemand, ter zake zijner afgelegde getuigenis in eene opiumsmokkelzaak, waarbij evenwel de verontwaardiging van den beschuldigde in aanmerking genomen was, over de onkiesche handelingen, die bij de visitatie aan den lijve van een meisje door de opiumpolitie gepleegd waren, en waarbij de klager Mokesuep tegenwoordig geweest was, zonder haar in bescherming te nemen.
Toen het vonnis, hetwelk door een groot publiek aangehoord werd, uitgesproken was, staken alle handen zich naar Theodoor Grenits uit: terwijl een ieder zich van Mokesuep afwendde en hem ontweek, als ware hij een giftig kruipend gedierte geweest. In de openbare meening was de gevonnisde de geschandvlekte niet.
Weinige dagen later nam de landraad van Santjoemeh zitting in zake van baboe Dalima, beschuldigd van opiumsmokkelarij. Ten heftigste ontkende het Javaansche meisje, dat opium bij haar gevonden was, en beweerde zelfs, dat niemand naar sluikwaar bij haar gezocht had.
Zij gaf een ongekunsteld verhaal van het gebeurde, dat, zoowel door de getuigenis van mevrouw Van Gulpendam als door die van Mokesuep weersproken werd. Eerstgenoemde toch had eene schriftelijke verklaring afgegeven, waarin zij getuigde, dat de baboe geen permissie had, om den nacht buitenshuis door te brengen; maar wel om den volgenden ochtend naar Kaligaweh te gaan, waarbij zij[93]nog mededeelde, dat zij haar eene voldoende taak van naaiwerk opgelegd had, die afgemaakt moest zijn, alvorens te kunnen vertrekken. Mokesuep stak beide vingeren op en bezwoer, dat het geheele verhaal van het meisje een verzinsel was; dat zij zich wel is waar tegen eene visitatie aan den lijve hevig verzet had, dat zij zelfs den Chinees Lim Ho, die gepoogd had hare handen vast te houden, in het oor gebeten had, en dat bij de worsteling haar baadje gescheurd en haar sarong losgerukt was, en zij daarbij eenige onbeduidende krabben op de dijen en beenen bekomen had; maar dat van eene mishandeling, als waarvan zij Lim Ho beschuldigde, geen sprake kon zijn. Ook hetvisum repertumvan den eerstaanwezenden officier van gezondheid ontkende de misdaad, waarover het meisje zich beklaagde, en constateerde alleen een viertal ontvellingen, die tot eenig bloedverlies aanleiding hadden kunnen geven. Waarlijk, de demoraliseerende invloed van den pachter was wel waarneembaar bij de getuigen, en hoe gewetensvol de nieuwe landraads-voorzitter, die Mr. Zuidhoorn vervangen had, ook was, zoo had hij zich genoodzaakt gezien, van eene vervolging betreffende de misdaad, waarover baboe Dalima klaagde, wegens gebrek aan bewijzen af te zien.
Bleef dus de beschuldiging tegen haar, van opium gesmokkeld te hebben, over.
Ja, de verklaring van den overleden bandoelan Singomengolo was stellig. Hij had een doosje, met tjandoe gevuld, onder den buikband, die den sarong om haar middel sloot, tusschen de plooien van genoemd kleedingstuk gevonden. Dat doosje was door de zorgen van den controleur Verstork behoorlijk verzegeld geworden; en door de commissie van weging en keuring was bevonden geworden, dat het inhield: achtentwintig mata’s bereide opium, die er ruw en zwart uitzag, (roepanja kasar dan hitam) en een zuren reuk (bahoenja ketjoet)4had, en derhalve beschouwd werd, als niet afkomstig te zijn van[94]den opiumpachter. Toen evenwel het bedoelde doosje, dat in judicio aanwezig was, aan Mokesuep en Lim Ho vertoond werd, aarzelde laatstgenoemde een poos, maar eindigde toch met de verklaring af te leggen, dat hij bij de worsteling niet opgemerkt had, dat Singomengolo het aangeduide doosje had gevonden, daar hij te veel pijn aan zijn oor had, en zich onledig hield met dat gekwetste deel te verbinden; dat hij dat doosje eerst gezien had, toen de bandoelan het aan den controleur Versterk overhandigde.
Zoo men ziet, was alle gevoel bij dien vrouwenschender nog niet geweken. Maar, hoe geheel anders was het met Mokesuep, den ellendigen fiscalen ambtenaar gesteld. Toen die voor de balie getreden was, om getuigenis der waarheid te geven, verklaarde hij met een zekeren ophef, dat hij den bandoelan het doosje had zien te voorschijn brengen, en trad daarbij zelfs in zulke bizonderheden bij de plastische beschrijving van de bewegingen van het meisje, dat de aanwezigen er van walgden, en niet onduidelijk een gemompel van afkeuring lieten hooren. De voorzitter zag zich dan ook genoodzaakt hem aan te manen, zich stipt bij de zaak te houden, daar dergelijke uitweidingen overbodig geacht moesten worden.[95]
De eisch van den hoofddjaksa, die als openbare aanklager optrad, was dan ook schuldigverklaring van de beklaagde, en veroordeeling tot eene straf van drie maanden ten arbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon, zijnde zij voor de eerste maal ter zake in overtreding bevonden5.
Tegenover dat requisitoir wees AugustvanBeneden er evenwel op, dat het in judicio aanwezige doosje volmaakt geleek op dat, hetwelk ook door denzelfden bandoelan bij Setrosmito, den vader van baboe Dalima, zou aangehaald zijn. Hij constateerde, dat bij Singomengolo, na diens vermoording een aantal doosjes gevonden waren, die geheel en al met die twee overeenkwamen. Hij legde eene authentieke verklaring over van den koperslager, van wien de bandoelan de bedoelde doosjes, twaalf in getal, voor eene som van zeven gulden gekocht had, en stond bij dit punt stil, vooral om de listige streken van de opiumjagers in herinnering te brengen, aangewend om de beklaagden aan overtreding schuldig te doen verklaren6. Ten slotte viel hij het proces-verbaal van keuring van de in het doosje aanwezige opium aan, en verwierp dat stuk als zonder bewijskracht in rechten, daar het afgegeven[96]was door Chineezen, daarenboven geen scheikundigen, die slechts op de kleur, op den reuk en op het gevoel van hetproductwaren afgegaan, om tot de slotsom te geraken, dat het niet afkomstig was van den opiumpachter, daarbij aantoonende, dat die pachters in den regel de grootste opiumsmokkelaars zijn, wier ellendig mengelmoes voortdurend verschilt, en gerust de meest eminente scheikundige getart kan worden eene volmaakte gelijkheid van twee verschillende kooksels, afkomstig van denzelfden pachter7aan te toonen.
De overwinning, door den jeugdigen pleitbezorger behaald, was volkomen. De landraad van Santjoemeh rechtdoende, verklaarde, dat het aan baboe Dalima ten laste gelegde feit rechtens niet was bewezen, sprak haar mitsdien daarvan vrij, en gelastte hare onverwijlde in vrijheidstelling met verwijzing van den lande in de kosten.
Een daverend hoerah begroette die uitspraak, en het publiek werd zoo uitbundig in zijne uitingen, dat de voorzitter tot stilte moest doen aanmanen. Toen Mokesuep de zaal verliet, vielen hem slechts blikken en gebaren van diepe verachting ten deel; terwijl gesis en gefluit hem begroette, toen hij in zijn rijtuig stapte, en wegreed. Blijkbaar was men geheel en al op de hoogte van hetgeen in de hut bij den Djoerang Pringapoes was voorgevallen, en was een ieder bekend met de walgelijke rol, waartoe de fiscale ambtenaar zich geleend had.[97]
Toen de zitting afgeloopen was, omringde een talrijk publiek het zoo ongelukkige Javaansche meisje. Helaas, haar toestand was niet meer voor het oog te bemantelen. Ware het onderzoek naar het vaderschap toegelaten in rechten, dan voorzeker zoude de procedure voor Lim Ho een anderen afloop gehad hebben. In weerwil daarvan omringde haar thans een talrijke menigte, die van de innigste deelneming deed blijken. Een ieder had een gelukwensch over den afloop van het proces, een woord van troost, een woord van aanmoediging voor haar. Ook Grenits, Van Nerekool, Van Rheijn, Grashuis en Van Beneden verdrongen zich om het arme schepsel, dat bij zooveel bewijzen van deelneming zich bewogen gevoelde; maar toch tranen stortte bij de gedachte aan hare verwoeste jeugd. Van Nerekool stelde Dalima voor, haar bij een bedaagd echtpaar te brengen, waar zij al hare diensten aan de dame des huizes zou kunnen wijden, en de liefderijkste verpleging zou ondervinden. Zij bedankte den „toean rakker” hartelijk voor zijn aanbod en verklaarde bij hare moeder haren intrek te willen nemen tot na hare bevalling. Als echt natuurkind sprak zij die laatste woorden, zonder schroom en zonder valsche schaamte. Zij nam evenwel de gelegenheid te baat, om eenig bericht omtrent nonna Anna in te winnen. Helaas, KarelvanNerekool kon haar niet anders mededeelen, dan dat hare meesteres naar Karang Anjer vertrokken, en daarna spoorloos verdwenen was.
„Karang Anjer, di mana?” (Karang Anjer, waar ligt dat) vroeg zij nadenkend.
Van Nerekool gaf haar de noodige aanwijzing, en vervoegde zich daarna bij zijne vrienden, die door Grenits verzocht waren, om een glas op den goeden afloop van het proces te drinken. Wel was het niet vroeg meer, en drukten de schier loodrecht vallende zonnestralen zwaar. De paarden der rijtuigen van onze bekenden waren evenwel vurig, en in weinig tijds was de woning van den jeugdigen koopman bereikt.
Binnenstormende, riep deze zijn bediende met alle haast:
„Sidin! Sidin! lakas! kassi anggoer poeff!” (Sidin! gauw! geef Champagne!)
En weldra zat het vijftal met een kelk schuimende[98]VeuveCliquot in de hand, en bracht AugustvanBeneden zijn welgemeende gelukwenschen toe.
Toen de opgewondenheid over het behaalde succes eenigszins bedaard was, en de loop van het geding overzien werd, kon een gevoel van teleurstelling niet bedwongen worden.
„Is het niet om aan de toekomst van ons schoon Indië te moeten wanhopen, dat wij in zoo’n zaak ons nog met dien afloop moeten gelukwenschen!” sprak Grashuis. „Iedereen, zelfs de leden van den landraad zijn overtuigd, dat de arme Dalima het slachtoffer geweest is van de snoodste misdaad, en niet alleen is de misdadiger ongestraft gebleven, maar de beste krachten moesten ingespannen worden, om de onschuldige voor een strafvonnis te beveiligen. Zou zoo iets in Nederland mogelijk zijn? Wat is er toch rots in den toestand hier?”
„Wat er rots is in den maatschappelijken toestand hier?” vroeg Grenits. „Dat is de opiumpacht, die alles overheerscht, alles demoraliseert! Gij hebt de akte van beschuldiging van den hoofddjaksa gehoord. Hoe zat dat stuk slim in elkander, en hoe sloeg het merkwaardig juist met het bevelschrift van den resident tot terechtstelling van de arme Dalima! Hoe behendig waren alle getuigen, die ten voordeele van haar konden verklaren, geëcarteerd: Verstork naar Atjeh, juffrouw Van Gulpendam niet te vinden; terwijl Mokesuep tegenwoordig was.”
„Die ellendeling!” bromde van Rheijn.
„Zonder onzen August”, ging Theodoor Grenits voort, „zoude, evenals zooveel andere beklaagden voor opium-overtredingen, het mishandelde meisje veroordeeld zijn. Gij vraagt, Leendert, of zoo iets in Nederland mogelijk zou zijn. Ik matig mij geen oordeel aan, over hetgeen daar mogelijk of onmogelijk is; maar vergeet niet, dat de opium-politiek van daar uitgaat; dat telken jare het opium-middel ettelijke millioenen hooger geraamd wordt, waardoor de opium-hartstocht al hooger en hooger opgezweept wordt, en waardoor regeering en ambtenaren hier genoodzaakt zijn de opium-pachters bij hun ellendig bedrijf en zijnen noodlottigen nasleep te schragen. Is het niet om zich van schaamte te verbergen, tot eene natie te behooren, die ter wille van ellendige geldzucht, ter wille van meedoogenloos schrapen, zulke toestanden niet alleen[99]gedoogt, maar in het leven roept, en met de meest angstvallige zorgvuldigheid kweekt?”
Allen zuchtten. In die woorden lag niets dan waarheid.
„Is het de natie wel, die de schuld aangewreven moet worden? Is het de regeering niet, die dat alles verordent?” vroeg Van Rheijn.
„Eene natie heeft slechts de regeering, die zij verdient!”8antwoordde Grenits heftig. „Ja, de regeering handelt en verordent; maar de natie ziet toe, en.… heeft nog eene loftuiting voor den minister over, wanneer deze op de meest cynische wijze verklaart, dat hij er uithaalt, wat er uit te halen is. Het is of de Nederlandsche natie eene natie geworden is die, òf hare viriliteit verloren heeft, òf het idiotisme zeer nabij is! Voor de koloniën geen oog, geen hart; slechts …éénegedachte: de minister balanceert zijne begrooting alleraardigst! En deze van zijn succes zeker, veroorlooft zich in de Vertegenwoordigingbons mots, die een gewoon mensch in een bierknijp niet zoude durven gebruiken; maar vindt daarvoor nog dankbaren in en buiten de wetgevende collegiën, welke die geestigheden uiterst leuk vinden.”9
Gelukkig kwam Sidin binnen en deed door zijn verschijnen, wat de anderen niet te doen vermochten, namelijk: de verontwaardiging van den jongen koopman te stuiten. De Javaan had twee groote brieven in de hand, en reikte die aan zijn meester over.
„Drommels, twee officiëele stukken!” zei Van Rheijn.
„Een weddingschap, dat daar het bevelschrift is, om je naar Z. M. boeien te begeven!”
Grenits antwoordde niet, maar brak een der missives open.
„Eene gewone huwelijks-aankondiging!”zei hij.… „Maar, van wien?”
En het papier inziende:
„Drommels, dat’s aardig”, zei hij. „Vrienden luistert:
„Mijnheer en mevrouw Lim Yang Bing en mijnheer[100]en mevrouw Ngow Ming Than hebben de eer kennis te geven van het voorgenomen huwelijk van den heer Lim Ho, den zoon van eerstgenoemden, met mejuffrouw Ngow Ming Nio, dochter van laatstgenoemden. De plechtigheid en de daaropvolgende receptie zal plaats hebben op den 3denSeptember a. s. ten huize van den heer Lim Yang Bing te Santjoemeh in Gang Pinggir.”
„Warm van de plank,” zei Grenits met een bitteren glimlach. „Het proces van Dalima is ternauwernood uitgewezen.”
„De plechtigheid van zoo’n Chineesch huwelijk moet toch curieus zijn,” viel van Rheijn in. „Wij gaan er toch heen, nietwaar?”
„Mij wel, dat gij gaat,” sprak Van Nerekool, „als gij mij maar te huis laat. Het zou mij onmogelijk zijn dien ellendigen Lim Ho eene hand te reiken, en hem de gebruikelijke gelukwenschen aan tebieden.”
„Kom,” zei Grashuis, „bij de groote menigte, die tegenwoordig zal zijn, zal wel gelegenheid wezen om die plichtpleging ongemerkt achterwege te laten. Wie zal zoo iets opmerken?”
„Alweêr:des accommodements avec le ciel”, antwoordde Grenits lachende. „Maar laat mij inzien, wat de tweede brief behelst.… Waarachtig, Eduard zou zijne weddingschap gewonnen hebben! Ik moet mij overmorgen ochtend ten negen uur aanmelden bij den cipier, om de mij opgelegde gevangenisstraf gedurende tien achtereenvolgende dagen te ondergaan.”
Allen zaten een oogenblik stil daar neer. Hoezeer het gedrag van Grenits te verdedigen, ja de uiting van een ridderlijk gemoed te noemen was geweest, zoo wierp het denkbeeld, tot gevangenisstraf verwezen te zijn, een kil waas over die jonge mannen, die overigens enkel levenslust ademden. De veroordeelde zelf was de eerste om de sombere gedachten van zich te werpen.
„Gij zult mij voor verveling behoeden, nietwaar vrienden?”
„Ik heb een prachtigen roman van Ebers, Serapis, nieuw uitgekomen, dien zal ik je zenden.”10[101]
„Ik zal mijn pianino naar de „cipieran” (gevangenis) laten brengen, dan kun je naar hartelust tokkelen.”
„En wij zullen je zoo dikwijls gezelschap komen houden, als zulks mogelijk zal zijn.”
„Juist vrienden, dat zal nog het beste zijn.”
„En dan breng ik mijne viool mede.”
„En ik mijn fluit.”
„En dan laten wij de geheele cipieranune sarabande de condamnésuitvoeren,”gilde Grenits bij voorbaat van de pret.
„Wij zouden behalve die sarabande nog wat beters kunnen uitvoeren,” viel Van Beneden in.
„Wat dan?” vroegen allen.
„Herinnert gij u nog, dat ik, toen wij onder den Wariengienboom op de aloon-aloon van Kaligaweh gezeten waren, het plan opperde, om eene proef te nemen met het opiumschuiven, ten einde de uitwerking daarvan te ondervinden? Welnu, wij zouden het plan ten uitvoer kunnen brengen, b. v. aanstaanden Zondag.”
„Aangenomen, aangenomen!” was aller kreet.
„Maar wie zal voor de madat en voor de bedoedan zorgen?” vroeg Grashuis.
„Dat heb ik op mij genomen,” antwoordde Van Rheijn. „Weest zonder zorgen. Dat alles zal gereed zijn.”
„Dat is dus afgesproken, nietwaar heeren?”
Toen allen hunne instemming met een handdruk bezegeld hadden, ging de vergadering uit elkander.[102]
1Zie daaromtrent de aanteekeningNo. 2op bladz. 140 van het 1e deel.↑2In Java’s binnenlanden zijn langs de groote wegen op bepaalde afstanden Rijks postpaarden gestationneerd, die, wanneer de dienst zulks toelaat, ook voor particulieren tegen betaling verkrijgbaar zijn.↑3Een gardoe is een wachthuis. Op Java bestaan overal langs de wegen dergelijke wachthuizen, die door dèsa-volk betrokken worden.↑4Roepanja kasar danhitamenbahoenja ketjoet.De in den tekst bedoelde commissie van keuring en weging bij opiumsmokkel bestaat gewoonlijk uit Chineezen, die van scheikunde in de verste verte geen denkbeeld hebben, en dan ook slechts op gevoel, kleur en reuk afgaan, om te constateeren of de aangehaalde opium al dan niet afkomstig is van de Gouvernementskitten. Wanneer de lezer nu zal weten, dat de[94]opiumpachters in den regel de grootste opiumsmokkelaars en opiumvervalschers zijn, dat de kithouders op hunne beurt een gild vormen van nog erger allooi dan hunne bazen, dan kan hij zich een denkbeeld maken, welke soort van rechtsbedeeling den Javanen gewordt. Dat de lezer nu niet meene, dat ik hier fantaiseer of overdrijf. De hierboven gebezigde Maleische uitdrukking is getrokken uit een behoorlijk beëedigdproces-verbaalvan zoogenaamde deskundigen. Hij, die daaromtrent meer wil weten, zie hetInd. Weekblad van het RechtNo. 863 van 1879, waarin een vonnis van den landraad te Djoana, praesident Mr.J. H. Abedanon, dat te recht eene dergelijke keuring brandmerkte. Maar tegenover ééne zoodanige behandeling van zaken, hoevele veroordeelingen geschieden niet ter wille van de opiumpacht? De inzage van No. 879 jaargang 1880 van hetzelfde Weekblad is ook aanbevelenswaardig. Daarin komt een vonnis voor van den landraad te Koedoes, en stelt de redactie daaronder: „Bovenstaand vonnis is wel in staat om menigen politierechter te doen terugdenken aan de tallooze veroordeelingen in dergelijke zaken, die hij op grond van een onderzoek door deskundige Chineezen op de politierol heeft uitgesproken.”’k Voeg aan het woord der redactie v. h.Weekbl. v. h. Rechtdezen uitroep toe: En aan de veroordeelingen totDWANGARBEID, gelijkstaande aan onzeTUCHTHUISSTRAF! Nederlanders! hoort gij het!?↑5Een straf van drie maanden ten arbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon, zijnde zij voor de eerste maal ter zake in overtreding bevonden. Die straf is geheel en al overeenkomstig de 6dealinea van art. 23 van het reglement voor de opiumpacht op Java en Madoera, (Ordonn. 25 Sept. 1874 Stbl. No. 228) zooals zij gewijzigd werd bij Ordonn. dd. 27 Aug. 1879 Stbl. No. 262.)↑6De listige streken van de opiumjagers, om de beklaagden aan overtreding schuldig te doen verklaren (bladz.115). Die omtrent zulke streken gesticht wil zijn, sla hetIndisch Weekblad van het Rechtop, bij voorbeeld van 1878, 1879, 1882, Nos. 804, 843 en 966 en leze daar ter plaatse de betrekkelijke vonnissen van de landraden te Japara, Koedoes en Bodjonegoro. Hij leze ook de Indische dagbladen, b. v.de Locomotiefvan 18 Jan. en 21 Febr. 1883,het Ind. Vaderlandvan 27 Jan., 7 en 17 Febr. en 24 Aug. 1883. En wanneer zulke vonnissen en dergelijke feiten te constateeren zijn, dan moet de bekentenis afgelegd worden, dat de Inlander ter wille van den opiumpachtschat met gebonden handen en voeten aan eene vreeselijke bende is overgeleverd. Want, dat men zich nogmaals afvrage: tegenover ééne vrijspraak, hoeveel veroordeelingen door de politierechters? Tegenoveréénontmaskerd feit in de dagbladen, hoevele ergerlijke gebeurtenissen door de opiumbent in het donker gepleegd?↑7Opium ondergaat tot zuivering eene koking met water. Gewoonlijk gaat die koking gepaard met eene vervalsching, die ten doel heeft een veel grooter product aan tjandoe te verkrijgen dan bij het opium-reglement bedoeld wordt. Dat nu dergelijke bewerkingen door niet scheikundigen uitgevoerd, niet steeds identiek hetzelfdeproductopleveren, ligt voor de hand en zal voornamelijk begrepenwordendoor apothekers, bierbrouwers, zeepzieders, enz., menschen, die, met de meest mogelijke kundigheden toegerust, niet altijd verhoeden kunnen, dat hunne praeparaten verschillen met vroegere door hen vervaardigde. Bovendien hetInd. Weekbl. v. h. RechtNo. 955 van 1881 levert het bewijs, dat zelfs reuk, smaak en gevoel voor de Chineesche deskundigen volstrekt niet voldoende zijn om sluikopium van wettelijke te onderscheiden. De landraad van Blitar, praeside Mr. M. Levie, behandelde toch eene zaak, waarbij opium, onder de noodige waarborgen bij den opiumpachter gekocht, door de Chineesche Commissie van keuring verklaard werd voor clandestiene opium, omdat de opium van de pachters was geuriger, donkerder van kleur en dikker van stof.↑8Die uitspraak, wierphet Vaderlandin zijn nummer van den 3den December 1887 den Franschen naar het hoofd. Steeds de oude geschiedenis van den balk en den splinter!↑9De lezer vergete niet, dat de roman vóór 1886 speelt, dus den heer Keuchenius niet geldt.↑10Hadde de handeling van mijn roman in 1886 plaats gegrepen, dan had ik niet de aanbieding van de roman vanEberslaten doen[101]maar van de oeconomisch critische en historische verhandeling van „de Opium in Nederlandsch en in Britsch-Indië” doorJ. A. B. Wiselius. In zijn voorwoord zegt die Ned. Indische Ambtenaar:„Zonder als apologeet voor opiumgebruik op te treden, moeten wij met den tijdgeest, die uitbreiding van dit consumptie-artikel in al de vijf werelddeelen voorstaat, vrede sluiten.”Hoe gerustgesteld moet zich het geweten van menig regeeringsman door die verklaring gevoelen! Ik vind het dan ook een snoode ondankbaarheid, dat den Hr. W. hetVIRTUS NOBILITATnog niet uitgereikt is.↑
1Zie daaromtrent de aanteekeningNo. 2op bladz. 140 van het 1e deel.↑2In Java’s binnenlanden zijn langs de groote wegen op bepaalde afstanden Rijks postpaarden gestationneerd, die, wanneer de dienst zulks toelaat, ook voor particulieren tegen betaling verkrijgbaar zijn.↑3Een gardoe is een wachthuis. Op Java bestaan overal langs de wegen dergelijke wachthuizen, die door dèsa-volk betrokken worden.↑4Roepanja kasar danhitamenbahoenja ketjoet.De in den tekst bedoelde commissie van keuring en weging bij opiumsmokkel bestaat gewoonlijk uit Chineezen, die van scheikunde in de verste verte geen denkbeeld hebben, en dan ook slechts op gevoel, kleur en reuk afgaan, om te constateeren of de aangehaalde opium al dan niet afkomstig is van de Gouvernementskitten. Wanneer de lezer nu zal weten, dat de[94]opiumpachters in den regel de grootste opiumsmokkelaars en opiumvervalschers zijn, dat de kithouders op hunne beurt een gild vormen van nog erger allooi dan hunne bazen, dan kan hij zich een denkbeeld maken, welke soort van rechtsbedeeling den Javanen gewordt. Dat de lezer nu niet meene, dat ik hier fantaiseer of overdrijf. De hierboven gebezigde Maleische uitdrukking is getrokken uit een behoorlijk beëedigdproces-verbaalvan zoogenaamde deskundigen. Hij, die daaromtrent meer wil weten, zie hetInd. Weekblad van het RechtNo. 863 van 1879, waarin een vonnis van den landraad te Djoana, praesident Mr.J. H. Abedanon, dat te recht eene dergelijke keuring brandmerkte. Maar tegenover ééne zoodanige behandeling van zaken, hoevele veroordeelingen geschieden niet ter wille van de opiumpacht? De inzage van No. 879 jaargang 1880 van hetzelfde Weekblad is ook aanbevelenswaardig. Daarin komt een vonnis voor van den landraad te Koedoes, en stelt de redactie daaronder: „Bovenstaand vonnis is wel in staat om menigen politierechter te doen terugdenken aan de tallooze veroordeelingen in dergelijke zaken, die hij op grond van een onderzoek door deskundige Chineezen op de politierol heeft uitgesproken.”’k Voeg aan het woord der redactie v. h.Weekbl. v. h. Rechtdezen uitroep toe: En aan de veroordeelingen totDWANGARBEID, gelijkstaande aan onzeTUCHTHUISSTRAF! Nederlanders! hoort gij het!?↑5Een straf van drie maanden ten arbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon, zijnde zij voor de eerste maal ter zake in overtreding bevonden. Die straf is geheel en al overeenkomstig de 6dealinea van art. 23 van het reglement voor de opiumpacht op Java en Madoera, (Ordonn. 25 Sept. 1874 Stbl. No. 228) zooals zij gewijzigd werd bij Ordonn. dd. 27 Aug. 1879 Stbl. No. 262.)↑6De listige streken van de opiumjagers, om de beklaagden aan overtreding schuldig te doen verklaren (bladz.115). Die omtrent zulke streken gesticht wil zijn, sla hetIndisch Weekblad van het Rechtop, bij voorbeeld van 1878, 1879, 1882, Nos. 804, 843 en 966 en leze daar ter plaatse de betrekkelijke vonnissen van de landraden te Japara, Koedoes en Bodjonegoro. Hij leze ook de Indische dagbladen, b. v.de Locomotiefvan 18 Jan. en 21 Febr. 1883,het Ind. Vaderlandvan 27 Jan., 7 en 17 Febr. en 24 Aug. 1883. En wanneer zulke vonnissen en dergelijke feiten te constateeren zijn, dan moet de bekentenis afgelegd worden, dat de Inlander ter wille van den opiumpachtschat met gebonden handen en voeten aan eene vreeselijke bende is overgeleverd. Want, dat men zich nogmaals afvrage: tegenover ééne vrijspraak, hoeveel veroordeelingen door de politierechters? Tegenoveréénontmaskerd feit in de dagbladen, hoevele ergerlijke gebeurtenissen door de opiumbent in het donker gepleegd?↑7Opium ondergaat tot zuivering eene koking met water. Gewoonlijk gaat die koking gepaard met eene vervalsching, die ten doel heeft een veel grooter product aan tjandoe te verkrijgen dan bij het opium-reglement bedoeld wordt. Dat nu dergelijke bewerkingen door niet scheikundigen uitgevoerd, niet steeds identiek hetzelfdeproductopleveren, ligt voor de hand en zal voornamelijk begrepenwordendoor apothekers, bierbrouwers, zeepzieders, enz., menschen, die, met de meest mogelijke kundigheden toegerust, niet altijd verhoeden kunnen, dat hunne praeparaten verschillen met vroegere door hen vervaardigde. Bovendien hetInd. Weekbl. v. h. RechtNo. 955 van 1881 levert het bewijs, dat zelfs reuk, smaak en gevoel voor de Chineesche deskundigen volstrekt niet voldoende zijn om sluikopium van wettelijke te onderscheiden. De landraad van Blitar, praeside Mr. M. Levie, behandelde toch eene zaak, waarbij opium, onder de noodige waarborgen bij den opiumpachter gekocht, door de Chineesche Commissie van keuring verklaard werd voor clandestiene opium, omdat de opium van de pachters was geuriger, donkerder van kleur en dikker van stof.↑8Die uitspraak, wierphet Vaderlandin zijn nummer van den 3den December 1887 den Franschen naar het hoofd. Steeds de oude geschiedenis van den balk en den splinter!↑9De lezer vergete niet, dat de roman vóór 1886 speelt, dus den heer Keuchenius niet geldt.↑10Hadde de handeling van mijn roman in 1886 plaats gegrepen, dan had ik niet de aanbieding van de roman vanEberslaten doen[101]maar van de oeconomisch critische en historische verhandeling van „de Opium in Nederlandsch en in Britsch-Indië” doorJ. A. B. Wiselius. In zijn voorwoord zegt die Ned. Indische Ambtenaar:„Zonder als apologeet voor opiumgebruik op te treden, moeten wij met den tijdgeest, die uitbreiding van dit consumptie-artikel in al de vijf werelddeelen voorstaat, vrede sluiten.”Hoe gerustgesteld moet zich het geweten van menig regeeringsman door die verklaring gevoelen! Ik vind het dan ook een snoode ondankbaarheid, dat den Hr. W. hetVIRTUS NOBILITATnog niet uitgereikt is.↑
1Zie daaromtrent de aanteekeningNo. 2op bladz. 140 van het 1e deel.↑
1Zie daaromtrent de aanteekeningNo. 2op bladz. 140 van het 1e deel.↑
2In Java’s binnenlanden zijn langs de groote wegen op bepaalde afstanden Rijks postpaarden gestationneerd, die, wanneer de dienst zulks toelaat, ook voor particulieren tegen betaling verkrijgbaar zijn.↑
2In Java’s binnenlanden zijn langs de groote wegen op bepaalde afstanden Rijks postpaarden gestationneerd, die, wanneer de dienst zulks toelaat, ook voor particulieren tegen betaling verkrijgbaar zijn.↑
3Een gardoe is een wachthuis. Op Java bestaan overal langs de wegen dergelijke wachthuizen, die door dèsa-volk betrokken worden.↑
3Een gardoe is een wachthuis. Op Java bestaan overal langs de wegen dergelijke wachthuizen, die door dèsa-volk betrokken worden.↑
4Roepanja kasar danhitamenbahoenja ketjoet.De in den tekst bedoelde commissie van keuring en weging bij opiumsmokkel bestaat gewoonlijk uit Chineezen, die van scheikunde in de verste verte geen denkbeeld hebben, en dan ook slechts op gevoel, kleur en reuk afgaan, om te constateeren of de aangehaalde opium al dan niet afkomstig is van de Gouvernementskitten. Wanneer de lezer nu zal weten, dat de[94]opiumpachters in den regel de grootste opiumsmokkelaars en opiumvervalschers zijn, dat de kithouders op hunne beurt een gild vormen van nog erger allooi dan hunne bazen, dan kan hij zich een denkbeeld maken, welke soort van rechtsbedeeling den Javanen gewordt. Dat de lezer nu niet meene, dat ik hier fantaiseer of overdrijf. De hierboven gebezigde Maleische uitdrukking is getrokken uit een behoorlijk beëedigdproces-verbaalvan zoogenaamde deskundigen. Hij, die daaromtrent meer wil weten, zie hetInd. Weekblad van het RechtNo. 863 van 1879, waarin een vonnis van den landraad te Djoana, praesident Mr.J. H. Abedanon, dat te recht eene dergelijke keuring brandmerkte. Maar tegenover ééne zoodanige behandeling van zaken, hoevele veroordeelingen geschieden niet ter wille van de opiumpacht? De inzage van No. 879 jaargang 1880 van hetzelfde Weekblad is ook aanbevelenswaardig. Daarin komt een vonnis voor van den landraad te Koedoes, en stelt de redactie daaronder: „Bovenstaand vonnis is wel in staat om menigen politierechter te doen terugdenken aan de tallooze veroordeelingen in dergelijke zaken, die hij op grond van een onderzoek door deskundige Chineezen op de politierol heeft uitgesproken.”’k Voeg aan het woord der redactie v. h.Weekbl. v. h. Rechtdezen uitroep toe: En aan de veroordeelingen totDWANGARBEID, gelijkstaande aan onzeTUCHTHUISSTRAF! Nederlanders! hoort gij het!?↑
4Roepanja kasar danhitamenbahoenja ketjoet.De in den tekst bedoelde commissie van keuring en weging bij opiumsmokkel bestaat gewoonlijk uit Chineezen, die van scheikunde in de verste verte geen denkbeeld hebben, en dan ook slechts op gevoel, kleur en reuk afgaan, om te constateeren of de aangehaalde opium al dan niet afkomstig is van de Gouvernementskitten. Wanneer de lezer nu zal weten, dat de[94]opiumpachters in den regel de grootste opiumsmokkelaars en opiumvervalschers zijn, dat de kithouders op hunne beurt een gild vormen van nog erger allooi dan hunne bazen, dan kan hij zich een denkbeeld maken, welke soort van rechtsbedeeling den Javanen gewordt. Dat de lezer nu niet meene, dat ik hier fantaiseer of overdrijf. De hierboven gebezigde Maleische uitdrukking is getrokken uit een behoorlijk beëedigdproces-verbaalvan zoogenaamde deskundigen. Hij, die daaromtrent meer wil weten, zie hetInd. Weekblad van het RechtNo. 863 van 1879, waarin een vonnis van den landraad te Djoana, praesident Mr.J. H. Abedanon, dat te recht eene dergelijke keuring brandmerkte. Maar tegenover ééne zoodanige behandeling van zaken, hoevele veroordeelingen geschieden niet ter wille van de opiumpacht? De inzage van No. 879 jaargang 1880 van hetzelfde Weekblad is ook aanbevelenswaardig. Daarin komt een vonnis voor van den landraad te Koedoes, en stelt de redactie daaronder: „Bovenstaand vonnis is wel in staat om menigen politierechter te doen terugdenken aan de tallooze veroordeelingen in dergelijke zaken, die hij op grond van een onderzoek door deskundige Chineezen op de politierol heeft uitgesproken.”
’k Voeg aan het woord der redactie v. h.Weekbl. v. h. Rechtdezen uitroep toe: En aan de veroordeelingen totDWANGARBEID, gelijkstaande aan onzeTUCHTHUISSTRAF! Nederlanders! hoort gij het!?↑
5Een straf van drie maanden ten arbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon, zijnde zij voor de eerste maal ter zake in overtreding bevonden. Die straf is geheel en al overeenkomstig de 6dealinea van art. 23 van het reglement voor de opiumpacht op Java en Madoera, (Ordonn. 25 Sept. 1874 Stbl. No. 228) zooals zij gewijzigd werd bij Ordonn. dd. 27 Aug. 1879 Stbl. No. 262.)↑
5Een straf van drie maanden ten arbeidstelling aan de publieke werken voor den kost zonder loon, zijnde zij voor de eerste maal ter zake in overtreding bevonden. Die straf is geheel en al overeenkomstig de 6dealinea van art. 23 van het reglement voor de opiumpacht op Java en Madoera, (Ordonn. 25 Sept. 1874 Stbl. No. 228) zooals zij gewijzigd werd bij Ordonn. dd. 27 Aug. 1879 Stbl. No. 262.)↑
6De listige streken van de opiumjagers, om de beklaagden aan overtreding schuldig te doen verklaren (bladz.115). Die omtrent zulke streken gesticht wil zijn, sla hetIndisch Weekblad van het Rechtop, bij voorbeeld van 1878, 1879, 1882, Nos. 804, 843 en 966 en leze daar ter plaatse de betrekkelijke vonnissen van de landraden te Japara, Koedoes en Bodjonegoro. Hij leze ook de Indische dagbladen, b. v.de Locomotiefvan 18 Jan. en 21 Febr. 1883,het Ind. Vaderlandvan 27 Jan., 7 en 17 Febr. en 24 Aug. 1883. En wanneer zulke vonnissen en dergelijke feiten te constateeren zijn, dan moet de bekentenis afgelegd worden, dat de Inlander ter wille van den opiumpachtschat met gebonden handen en voeten aan eene vreeselijke bende is overgeleverd. Want, dat men zich nogmaals afvrage: tegenover ééne vrijspraak, hoeveel veroordeelingen door de politierechters? Tegenoveréénontmaskerd feit in de dagbladen, hoevele ergerlijke gebeurtenissen door de opiumbent in het donker gepleegd?↑
6De listige streken van de opiumjagers, om de beklaagden aan overtreding schuldig te doen verklaren (bladz.115). Die omtrent zulke streken gesticht wil zijn, sla hetIndisch Weekblad van het Rechtop, bij voorbeeld van 1878, 1879, 1882, Nos. 804, 843 en 966 en leze daar ter plaatse de betrekkelijke vonnissen van de landraden te Japara, Koedoes en Bodjonegoro. Hij leze ook de Indische dagbladen, b. v.de Locomotiefvan 18 Jan. en 21 Febr. 1883,het Ind. Vaderlandvan 27 Jan., 7 en 17 Febr. en 24 Aug. 1883. En wanneer zulke vonnissen en dergelijke feiten te constateeren zijn, dan moet de bekentenis afgelegd worden, dat de Inlander ter wille van den opiumpachtschat met gebonden handen en voeten aan eene vreeselijke bende is overgeleverd. Want, dat men zich nogmaals afvrage: tegenover ééne vrijspraak, hoeveel veroordeelingen door de politierechters? Tegenoveréénontmaskerd feit in de dagbladen, hoevele ergerlijke gebeurtenissen door de opiumbent in het donker gepleegd?↑
7Opium ondergaat tot zuivering eene koking met water. Gewoonlijk gaat die koking gepaard met eene vervalsching, die ten doel heeft een veel grooter product aan tjandoe te verkrijgen dan bij het opium-reglement bedoeld wordt. Dat nu dergelijke bewerkingen door niet scheikundigen uitgevoerd, niet steeds identiek hetzelfdeproductopleveren, ligt voor de hand en zal voornamelijk begrepenwordendoor apothekers, bierbrouwers, zeepzieders, enz., menschen, die, met de meest mogelijke kundigheden toegerust, niet altijd verhoeden kunnen, dat hunne praeparaten verschillen met vroegere door hen vervaardigde. Bovendien hetInd. Weekbl. v. h. RechtNo. 955 van 1881 levert het bewijs, dat zelfs reuk, smaak en gevoel voor de Chineesche deskundigen volstrekt niet voldoende zijn om sluikopium van wettelijke te onderscheiden. De landraad van Blitar, praeside Mr. M. Levie, behandelde toch eene zaak, waarbij opium, onder de noodige waarborgen bij den opiumpachter gekocht, door de Chineesche Commissie van keuring verklaard werd voor clandestiene opium, omdat de opium van de pachters was geuriger, donkerder van kleur en dikker van stof.↑
7Opium ondergaat tot zuivering eene koking met water. Gewoonlijk gaat die koking gepaard met eene vervalsching, die ten doel heeft een veel grooter product aan tjandoe te verkrijgen dan bij het opium-reglement bedoeld wordt. Dat nu dergelijke bewerkingen door niet scheikundigen uitgevoerd, niet steeds identiek hetzelfdeproductopleveren, ligt voor de hand en zal voornamelijk begrepenwordendoor apothekers, bierbrouwers, zeepzieders, enz., menschen, die, met de meest mogelijke kundigheden toegerust, niet altijd verhoeden kunnen, dat hunne praeparaten verschillen met vroegere door hen vervaardigde. Bovendien hetInd. Weekbl. v. h. RechtNo. 955 van 1881 levert het bewijs, dat zelfs reuk, smaak en gevoel voor de Chineesche deskundigen volstrekt niet voldoende zijn om sluikopium van wettelijke te onderscheiden. De landraad van Blitar, praeside Mr. M. Levie, behandelde toch eene zaak, waarbij opium, onder de noodige waarborgen bij den opiumpachter gekocht, door de Chineesche Commissie van keuring verklaard werd voor clandestiene opium, omdat de opium van de pachters was geuriger, donkerder van kleur en dikker van stof.↑
8Die uitspraak, wierphet Vaderlandin zijn nummer van den 3den December 1887 den Franschen naar het hoofd. Steeds de oude geschiedenis van den balk en den splinter!↑
8Die uitspraak, wierphet Vaderlandin zijn nummer van den 3den December 1887 den Franschen naar het hoofd. Steeds de oude geschiedenis van den balk en den splinter!↑
9De lezer vergete niet, dat de roman vóór 1886 speelt, dus den heer Keuchenius niet geldt.↑
9De lezer vergete niet, dat de roman vóór 1886 speelt, dus den heer Keuchenius niet geldt.↑
10Hadde de handeling van mijn roman in 1886 plaats gegrepen, dan had ik niet de aanbieding van de roman vanEberslaten doen[101]maar van de oeconomisch critische en historische verhandeling van „de Opium in Nederlandsch en in Britsch-Indië” doorJ. A. B. Wiselius. In zijn voorwoord zegt die Ned. Indische Ambtenaar:„Zonder als apologeet voor opiumgebruik op te treden, moeten wij met den tijdgeest, die uitbreiding van dit consumptie-artikel in al de vijf werelddeelen voorstaat, vrede sluiten.”Hoe gerustgesteld moet zich het geweten van menig regeeringsman door die verklaring gevoelen! Ik vind het dan ook een snoode ondankbaarheid, dat den Hr. W. hetVIRTUS NOBILITATnog niet uitgereikt is.↑
10Hadde de handeling van mijn roman in 1886 plaats gegrepen, dan had ik niet de aanbieding van de roman vanEberslaten doen[101]maar van de oeconomisch critische en historische verhandeling van „de Opium in Nederlandsch en in Britsch-Indië” doorJ. A. B. Wiselius. In zijn voorwoord zegt die Ned. Indische Ambtenaar:
„Zonder als apologeet voor opiumgebruik op te treden, moeten wij met den tijdgeest, die uitbreiding van dit consumptie-artikel in al de vijf werelddeelen voorstaat, vrede sluiten.”
Hoe gerustgesteld moet zich het geweten van menig regeeringsman door die verklaring gevoelen! Ik vind het dan ook een snoode ondankbaarheid, dat den Hr. W. hetVIRTUS NOBILITATnog niet uitgereikt is.↑